Conceptverslag Mijnbouw
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D05030, datum: 2026-01-29, bijgewerkt: 2026-02-03 12:29, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-01-29 13:30: Mijnbouw (Commissiedebat), vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Mijnbouw
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft op 29 januari 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president, over:
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 april 2025 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) aan de NAM over het besluit niet af te zien van handhaving bij Warffum (33529, nr. 1290);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 23 april 2025 inzake rapport Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie (33529, nr. 1293);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 25 april 2025 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van Geothermie Nederland over voorstellen voor de groene groei van aardwarmte (31239, nr. 420);
de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 28 mei 2025 inzake aanvullende informatie over de uitvoering van de motie van het lid Kostić c.s. over alle juridische mogelijkheden aangrijpen om uitvoering te geven aan de wens van de Kamer dat er daadwerkelijk geen gaswinning in Ternaard gaat plaatsvinden (Kamerstuk 32849, nr. 262) (33529, nr. 1301);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 30 mei 2025 inzake appreciatie brief stichting Calamiteitenfonds Mijn(water)schade over afhandeling mijnbouwschade Zuid-Limburg (32849, nr. 273);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 19 juni 2025 inzake vervolg vonnis over voorlopige voorzieningen transparantie- en controleverplichtingen in Akkoord op Hoofdlijnen (33529, nr. 1318);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 25 juni 2025 inzake reactie op de motie van het lid Beckerman c.s. over geen nieuwe gaswinning uit het Warffumveld toestaan (Kamerstuk 32849-274) en op de motie van het lid Beckerman c.s. over geen nieuwe gaswinning op land op basis van SodM-adviezen van voor de parlementaire enquête Groningen (Kamerstuk 32849, nr. 275) (32849, nr. 287);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 4 juli 2025 inzake de ontwikkeling van geothermie (aardwarmte) (31239, nr. 427);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 21 juli 2025 inzake aardbevingen in en rondom het Groningenveld (33529, nr. 1326);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 1 september 2025 inzake SodM-advies over veiligheid ondergrondse waterstofopslag (32849, nr. 288);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 6 oktober 2025 inzake stand van zaken Omgevingstraject Grijpskerk Norg en winningsplan Norg (33529, nr. 1341);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 1 oktober 2025 inzake afschrift brief met reactie op brief en positionpaper van de gemeente Aa en Hunze van 3 juni 2025 over de Commissie Mijnbouwschade en de schadeafhandeling rond Ekehaar (32849, nr. 291);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 25 september 2025 inzake uitbreiding seismisch meetnet KNMI (32849, nr. 290);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 25 september 2025 inzake voortgang afhandeling mijnbouwschade Limburg en moties (32849, nr. 289);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 18 december 2025 inzake adviescommissies gas-en zoutwinning monitoringsjaar 2024 (32849, nr. 292);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 16 december 2025 inzake toezegging gedaan tijdens het debat van 11 december 2025 over het staken van de onderhandelingen met NAM-aandeelhouders Shell en ExxonMobil over de kosten van de Groningse hersteloperatie en over de aardbeving in Groningen, inzake Warffum (36861, nr. 16);
de brief van de minister van Klimaat en Groene Groei d.d. 4 juli 2025 inzake rapport "Nationale Agenda Ondergrondse Waterstofopslag" en het belang van zoutwinning (29023, nr. 590).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene
Groei,
Kröger
De griffier van de vaste commissie voor Klimaat en Groene
Groei,
Nava
Voorzitter: Peter de Groot
Griffier: Nava
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van den Berg, Peter de Groot, Jumelet, Kops, Köse, Van Oosterhout en Teunissen,
en mevrouw Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president.
Aanvang 13.32 uur.
De voorzitter:
Dames en heren, een hele goede middag. Welkom aan iedereen op de
publieke tribune en iedereen die dit debat op afstand volgt; welkom bij
dit commissiedebat Mijnbouw. Hartelijk welkom aan de minister en zijn
ondersteuning, die waarschijnlijk voor een deel ook op afstand meekijkt.
Welkom aan de leden. We gaan beginnen met dit commissiedebat. We hebben
hiervoor tot 18.30 uur de tijd. We hoeven de tijd natuurlijk niet
helemaal vol te maken. We gaan zien hoe het debat gaat verlopen. We
beginnen met de eerste termijn van de kant van de Kamer. De spreektijd
is vijf minuten. Het aantal interrupties is vooralsnog vier. Ik geef
eerst het woord aan mevrouw Van Oosterhout namens de GroenLinks-Partij
van de Arbeidfractie.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Twee weken geleden was ik in Friesland, waar ik
sprak met bewoners uit onder andere Top en Twel, dorpen in het prachtige
Friesland waar mogelijk geboord gaat worden of waar de voorbereidingen
voor gasboring in volle gang zijn. Wat mij het meest raakte, behalve hun
angst voor schade, was het gevoel dat zij er alleen voor staan. Bewoners
betalen uit wanhoop uit eigen zak voor nulmetingen en advocaten; niet
omdat het Rijk dat vraagt, maar omdat zij bang zijn om later met lege
handen te staan. In Harlingen hoorde ik hetzelfde verhaal. Mensen
installeren alvast tiltmeters in hun kelder; niet omdat er schade is,
maar omdat ze weten dat bewijs straks cruciaal zal zijn. "Als het zover
komt", zeiden ze, "moet je alles zelf geregeld hebben."
Dat is de realiteit in mijnbouwgebieden. De zorgen van bewoners worden
te vaak niet serieus genomen en de frustratie zit diep. De Commissie
Mijnbouwschade wordt door bewoners letterlijk een "farce" genoemd. Zij
ervaren dat financiële belangen structureel zwaarder wegen dan hun
veiligheid, hun huizen en hun leefomgeving.
Vorige week kwam het nieuws naar buiten over Ekehaar en Hooghalen,
dorpen die in oktober 2023 werden getroffen door drie aardbevingen,
waarover zelfs de Commissie Mijnbouwschade zei dat de
compensatieregeling voor bewoners ruimhartiger moet. Neemt de minister
dit advies over? Zal het mandaat van de Commissie Mijnbouwschade worden
uitgebreid, zodat ze het leed van de bewoners ruimhartig kan
vergoeden?
Voorzitter. Een overheid hoort haar burgers te beschermen, maar deze
mensen voelen zich in de steek gelaten. Dat leidt tot wantrouwen en dat
wantrouwen is desastreus. Het is toch niet normaal dat burgers zich
genoodzaakt voelen om preventief bewijs te verzamelen omdat ze ervan
uitgaan dat de overheid hen later niet zal geloven? Wat zegt de minister
tegen deze mensen?
Ook wordt er gas gewonnen in en in de nabijheid van UNESCO
Werelderfgoed, zoals de Waddenzee en de Koloniën van Weldadigheid,
gebieden die UNESCO niet voor niets heeft aangemerkt als bijzonder en
uniek. Komt er voor de Koloniën van Weldadigheid een heritage impact
assessment?
Beeldt u zich het mooie veenweidegebied in: het open landschap met
drassige groene velden en sloten. Deze prachtige natuur zetten we op het
spel met fossiele winning, want bodemdaling, verzilting en aantasting
van natuur zijn vaak onomkeerbaar. Bovendien draaien waterschappen en
burgers voor de kosten op via hogere belastingen. Waarom wil de
minister, tegen het advies van onder andere de provincie en Wetterskip
Fryslân in, toch gaan boren in dit prachtige, kwetsbare
natuurgebied?
Tijdens ons bezoek aan Friesland op de boot van Terschelling terug naar
Harlingen kwam het nieuws binnen over het sectorakkoord land dat deze
dubbeldemissionaire minister sloot. Terwijl mensen ons net hun zorgen
hadden toevertrouwd, lazen ze dat de gaskraan verder wordt opengedraaid.
Dat moment was veelzeggend. Mensen zien wat er in Groningen is gebeurd
en vragen zich af waarom de winning in Friesland, Drenthe en Warffum
juist wordt opgevoerd. Dit is geen afbouwpad. De gaswinning wordt juist
opgevoerd. Bovendien worden lokale overheden, ondanks gebrek aan
draagvlak, monddood gemaakt. Ze maken namelijk alleen aanspraak op baten
als ze niet in bezwaar gaan.
Er wordt dan gesproken over "kleine gasvelden", maar die liggen dicht
bij elkaar en de effecten stapelen zich op. In de praktijk functioneert
het als een groot gasveld Fryslân, met cumulatieve risico's voor mens,
natuur en klimaat. Nogmaals, het lokale draagvlak ontbreekt. Daar is men
glashelder: "meitsje fan Fryslân gjin mynbouparadys". Stop ook in
Drenthe en Groningen met nieuwe winning en bouw bestaande winning zo
snel mogelijk af.
Voorzitter. Dit gaat niet alleen over regionale schade. Meer gaswinning
verergert de klimaatcrisis en nieuwe vergunningen staan haaks op onze
klimaatdoelen en brengen bovendien juridische risico's met zich mee. Dit
kabinet kreeg gister opnieuw een stevige tik op de vingers in een
historische uitspraak in de rechtszaak van Greenpeace. Nederland moet
aan de slag met een concreet plan voor verdere verlaging van de
uitstoot. Tegen die achtergrond rijst een eenvoudige vraag: hoe past het
openen van nieuwe gasvelden, die de uitstoot juist verhogen, binnen deze
rechterlijke uitspraak? Is het in het licht van deze uitspraak en de
vele rechtszaken waarin overheden worden verplicht ook scope 3-emissies
mee te wegen, niet alleen verstandig maar ook noodzakelijk om per direct
te stoppen met nieuwe gaswinning en te kijken hoe bestaande winning zo
snel mogelijk kan worden afgebouwd?
Mijnbouw veroorzaakt menselijke drama's, vernietigt natuur en ondermijnt
het aanpakken van de klimaatcrisis. De enige structurele oplossing is
het versneld afbouwen van onze afhankelijkheid van gas. Alleen dan
kunnen mensen veilig wonen, gezond leven en erop vertrouwen dat de
overheid hun risico's niet willens en wetens vergroot. Het is hoog tijd
dat bescherming van mens, natuur en klimaat weer voorop komt te staan en
niet de winsten van gaswinning door buitenlandse bedrijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Meneer Jumelet, ga uw gang, namens de
CDA-fractie.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter, dank u wel. In mijn bijdrage vier onderwerpen: allereerst
over het sectorakkoord gaswinning land, dan over de mijnbouwschade en de
afhandeling, verder de waterstofopslag en tot slot geothermie.
Voorzitter. Van verschillende kanten horen we overwegend positieve
reacties op het sectorakkoord. Positief, bijvoorbeeld omdat er afspraken
in staan over een zorgvuldige betrokkenheid van de omgeving. Toch zijn
er altijd nog weer vragen en die stel ik dan ook maar. Er werd gesproken
over een afbouwpad, maar het sectorakkoord is meer bedoeld om het
afbouwpad af te vlakken, dat wil zeggen om de optimalisatie van de
Nederlandse gaswinning mogelijk te maken richting 2045. Klopt deze
constatering, vraag ik voor de duidelijkheid.
Voorzitter. Ook met dit akkoord is niet duidelijk waar wel gas gewonnen
gaat worden en waar niet. Vanuit Friesland, eerder al genoemd, wordt al
langer gevraagd om veenweidegebieden uit te sluiten. Kunnen we
gestapelde bodemdaling niet beter gewoon voorkomen? Ik denk dat dit
belangrijk is, zeker gezien het voorzorgsprincipe. Graag een reactie van
de minister.
Voorzitter. Het rapport van Berenschot, Rechtvaardige batenverdeling van
de mijnbouw, stelt dat het uiteindelijk vooral een politieke keuze is
voor welk percentage wordt gekozen als het gaat om de lusten en de
lasten. Ziet de minister dat ook zo? Welke afwegingen zijn voor haar
doorslaggevend om die politieke keuze te maken? Het sectorakkoord zet nu
in op 5% van de netto baten voor de omgeving. Welke kansen zijn er om
per project toch meer te doen om niet alleen de lasten maar ook de
lusten in de omgeving te laten landen? Is 5% een minimum?
Deze afspraken gelden voor nieuwe projecten waarbij gedurende de
looptijd van de winning maximaal 2 miljard kuub gas wordt gewonnen. Is
er ook gesproken over wat er mogelijk is bij bestaande projecten en
gevallen waarin de winning wordt verlengd? Immers, begrijpt de minister
dat het oneerlijk kan voelen voor mensen die wonen in de omgeving van
een project dat nu buiten de afspraken valt?
Voorzitter. Ik lees dat in het Omgevingstraject Grijpskerk-Norg wordt
gesproken over het lokaal laten meedelen in de baten uit eventuele
kussengaswinning. Wat is daarbij de insteek van de verschillende
betrokken partijen? Hebben de aanvullende afspraken uit het
sectorakkoord daar nog enige invloed op, of staan de processen volledig
los van elkaar?
Gaswinning is niet de enige mijnbouwactiviteit in onze bodem. Als
onderdeel van de herziening van de Mijnbouwwet zal ook voor andere
mijnbouwactiviteiten, zoals zoutwinning en energieopslag, moeten worden
gekeken naar een goede verdeling van lusten en lasten. Welke lessen
trekt de minister uit het proces van de aanvullende afspraken op het
sectorakkoord gaswinning op land voor de voorbereiding op de bredere
afspraken over mijnbouw?
Dan naar Drenthe, voorzitter, over Ekehaar en Hooghalen. De Commissie
Mijnbouwschade zegt zelf het niet eens te zijn met het bedrag dat ze
gaat uitkeren aan inwoners van het Drentse Ekehaar en Hooghalen. Kortom,
het moet ruimhartiger. Hoe kan het nou dat er in totaal €80.000 aan het
dorp wordt toegekend, terwijl het in kaart brengen van alle schade ruim
€440.000 kostte? De minister noemt in haar brief twee mogelijke
oplossingen: meer ruimte voor de Commissie Mijnbouwschade om hogere
schadevergoedingen uit te keren, en een betere verhouding tussen
schadevergoedingen en onderzoekskosten. Welke ruimte is daar nou precies
voor? Als dat kan, waarom hebben we dat dan niet veel eerder
gedaan?
Voorzitter. De minister heeft in Ekehaar in het overleg met inwoners en
de burgemeester aangegeven dat een aanpassing van de schaderegeling ook
met terugwerkende kracht op Ekehaar zal worden toegepast. Ook in het
verslag van de Commissie Mijnbouwschade is dit punt opgenomen. In de
Kamerbrief ontbreekt dit punt echter. Graag de toezegging van de
minister dat de aanpassingen ook met terugwerkende kracht voor Ekehaar
gaan gelden.
Dan waterstofopslag. De Nationale agenda ondergrondse waterstofopslag is
al in juli 2025 gepresenteerd. Hierin staan belangrijke beleidsdoelen.
Betrokken partijen kunnen niet starten met de uitvoering zonder verdere
besluitvorming en financiële dekking. De minister kent de concrete vraag
om geld te reserveren vanuit het Klimaatfonds voor de ontwikkeling van
opslagcavernes. Mijn vraag is: hoe kijkt de minister hiernaar?
Tot slot, voorzitter, geothermie. Geothermie kan een betrouwbare, schone
en schaalbare warmtebron vormen voor warmtenetten in de gebouwde
omgeving en in de glastuinbouwsector, maar helaas stagneert de
ontwikkeling door trage vergunningverlening, netcongestie en financiële
risico's. Een sterkere garantieregeling kan projecten versnellen en
risico's verlagen. Duidelijke doelen voor 2035, 2040 en 2050 zijn
noodzakelijk om investeerders langetermijnzekerheid te bieden. Kortom,
aardwarmte is essentieel voor een duurzame, betaalbare en betrouwbare
warmtevoorziening. De vraag is: kan de minister meer duidelijkheid geven
over de rijksinzet voor het afsprakenkader — dat stond in de brief van 4
juli vorig jaar — over de versnelde ontwikkeling van geothermie?
Tot slot, voorzitter. Twee specifieke obstakels als het gaat om
geothermie zijn beperkte netcapaciteit en stikstofruimte om geothermie
ook werkelijk met elkaar te benutten. Welke stappen worden er genomen om
daar een oplossing voor te vinden en op welke termijn zou dat moeten
lukken? Wat is de uitkomst van het gesprek met de Autoriteit Consument
& Markt over de rol van warmtebronnen in het priorteringskader?
Welke mogelijkheden biedt het Europese Grids Package voor de
ontwikkeling van aardwarmteprojecten?
Voorzitter. Vier onderwerpen. Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel blij dat ik het CDA aan mijn zijde kan vinden als het gaat
om de zorg om het veenweidegebied, maar het probleem is natuurlijk veel
breder dan dat. Uw partijgenoot Friso Douwstra zei na de presentatie van
het sectorakkoord land dat hij liever zou zien dat er in de provincie
helemaal geen gas meer wordt gewonnen. Ook het waterschap is tegen. Er
is geen draagvlak onder de lokale overheid. Ik ben dus heel erg benieuwd
hoe u aankijkt tegen de bredere zorgen over de gaswinning in
Friesland.
De heer Jumelet (CDA):
Er zijn meer zorgen, niet alleen in Friesland, maar ook in andere
provincies. Mevrouw Van Oosterhout duidde daar net al op. Zij noemde ook
andere provincies. Ik denk dat het helder is dat we positief zijn over
het afbouwpad. Het sectorakkoord zegt daar ook iets over. Tegelijkertijd
is de constatering dat er op een aantal plekken extra zorgen zijn. Een
van die plekken is bijvoorbeeld het veenweidegebied. De dubbele
aantasting van de bodem daar heeft onze aandacht. Ook vanuit het CDA
hebben we die opmerking al gemaakt. Het is belangrijk om te constateren
— die constatering hebben we eerder gedaan — dat we gaswinning nog
steeds nodig hebben in de hele transitie. Maar ik denk dat het goed is
om juist ook in te zoomen op het veenweidegebied, want daar zou extra
aandacht voor moeten zijn. Dat horen we ook graag van de minister.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik hoorde aan het begin hoopvolle woorden van het CDA over een
afbouwplan en het feit dat dit plan meer lijkt op een optimalisatie van
gaswinning tot 2045 dan een afbouwplan. Eerder zijn er moties ingediend
over een afbouwplan voor fossiele energie, waar het CDA tegen was.
Begrijp ik hier nu uit dat het CDA het wel ziet zitten om tot een
afbouwplan te komen, en dan specifiek voor gas in dit geval?
De heer Jumelet (CDA):
Het standpunt van het CDA is dat we op dit moment, terwijl het gebruik
van fossiele brandstoffen wordt afgebouwd, nog gas nodig hebben. Dat
moet zorgvuldig gebeuren. Daarom zijn we blij met dit sectorakkoord
gaswinning op land. Dat geeft in ieder geval aan dat er goede inzet is
op de betrokkenheid van de omgeving, maar het geeft ook zicht op hoe dat
wordt georganiseerd en uiteindelijk gerealiseerd. Ik denk dat het goed
is om vinger aan de pols te houden, zeker als het gaat om die kwetsbare
gebieden. Ik hoorde net de woorden "UNESCO Werelderfgoed" genoemd
worden. Dat kan ik bevestigen. Het gaat over veenweidegebied. Ik denk
dat we vanuit het CDA helder maken dat we dit nog nodig hebben. We zijn
blij met een akkoord waarvan je in ieder geval kunt zeggen dat het zicht
geeft op het beëindigen ervan. Tegelijkertijd moeten we constateren dat
we het nodig hebben in de energiemix. Maar met zorgvuldigheid te werk
gaan, staat bovenaan.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Even op het punt dat we gas nog nodig zouden hebben. Dat zeggen
natuurlijk de gas- en oliebedrijven met wie dit sectorakkoord wordt
gesloten. Dat is ook in hun belang, omdat zij heel graag in deze tijden
van klimaatcrisis nog steeds een fossiel verdienmodel willen hebben.
Mijn vraag is: waar baseert het CDA op dat we gas nu nog nodig hebben?
Zou het niet verstandig zijn om juist met duurzame-energiebedrijven,
gemeentes en provincies om tafel te gaan om te kijken of we energie
kunnen besparen, en op die manier tot een goed akkoord en afbouwplan te
komen?
De heer Jumelet (CDA):
Als we vandaag stoppen met gaswinning en het gebruik van fossiele
brandstoffen, dan staan we stil met elkaar, denk ik. Vandaag schijnt de
zon niet. Tenminste, ik heb de zon niet zien schijnen. De opwek is wat
minder. We hebben weinig wind op dit moment. We zien dat er nog extra
inzet van gas nodig is, maar we hebben met elkaar gezegd dat we dat gaan
afbouwen. Daar moeten dingen voor gebeuren. U bent daar geen voorstander
van, zeg ik via de voorzitter. Hetzelfde geldt natuurlijk voor
kernenergie. We voeren met elkaar de discussie over het energiesysteem
van de toekomst. We hebben de inzet van gascentrales nodig. Daar hoort
ook gaswinning bij. Daar hebben we met elkaar goede discussies over.
Voor dit moment denk ik dat het goed is dat we een sectorakkoord
hebben.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik ben altijd blij als partijen komen met oplossingen. Kernenergie is
nou weer net niet de oplossing, want dat duurt nog veel te lang en die
tijd hebben we helaas niet. Het CDA zegt: we kunnen niet vandaag stoppen
met de gaswinning. Dat is waarom zo'n afbouwplan nou juist ontzettend
belangrijk is, zodat we een afbouwpad hebben. Ik ga dus mijn best doen
op de formulering. Ik hoop dat het CDA alsnog een dergelijk voorstel kan
steunen.
Dan nog één vraag over de betrokkenheid van verschillende provincies en
gemeenten. Het CDA gaf net aan: we zien dat er veel betrokkenheid,
participatie, is geweest bij dit plan. De provincie Groningen zegt nou
juist: onze punten zijn helemaal niet meegenomen in dit plan. Hoe rijmt
het CDA dat met de woorden over een goede betrokkenheid? Ik vraag dit
omdat we een ereschuld hebben aan Groningen. Groningers boven gas. We
zouden stoppen met de gaswinning. Ziet het CDA dat ook zitten? Is het
CDA dus ook voor het uitsluiten van gaswinning in Groningen?
De heer Jumelet (CDA):
Ik heb ook kennisgenomen van de reactie van het provinciebestuur van
Groningen. Ik denk dat het heel goed is om nog even die vraag te
herhalen. Ik heb zelf ook gevraagd of het ook om bestaande projecten
gaat. Dan ziet het ook juist op de kleine gasvelden in Groningen. Ik
denk dat het goed is om het antwoord van de minister af te wachten, maar
ik stel in ieder geval vast dat die betrokkenheid er zou moeten zijn.
Mijn indruk is dat er van verschillende kanten redelijk positief wordt
gereageerd op dit sectorakkoord, maar dat betekent niet dat iedereen
blij is. Ik denk dat de berichten die wij in de pers hebben gezien
daarover, genoeg zeggen. Daarom ben ik ook benieuwd naar de reactie van
de minister op de vraag of dit ook voor bestaande gaswinning geldt,
zeker als het gaat om waar we het hier met elkaar over hebben.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Tot slot, voorzitter. Ik hoop wel dat het CDA op z'n minst vindt dat de
geluiden vanuit de provincie Groningen op een goede manier gewogen
moeten worden bij dit plan.
De heer Jumelet (CDA):
Mevrouw Teunissen kent het CDA als een zeer betrokken partij. Die vraag
kan ik alleen maar met ja beantwoorden, want het is natuurlijk nog
steeds een heel bijzondere situatie. We hebben inderdaad juist tegenover
Groningen, maar ook tegenover Noord-Drenthe, een ereschuld. Daar moeten
we heel zorgvuldig mee omgaan.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Net als bij mevrouw Teunissen is er bij mij toch een beetje
onduidelijkheid over het antwoord van de heer Jumelet over het
afbouwpad. Hij zegt voor afbouw te zijn. Hoe rijmt hij het verhaal dat
er een afbouwpad moet komen met dat er aan de andere kant nu dus volle
bak nieuwe gasvelden worden aangeboord, daarbij de context meenemend van
wat er gisteren is gebeurd? Er moet nog een extra stapje bovenop worden
gedaan om de uitstoot zo snel mogelijk naar beneden te brengen.
De heer Jumelet (CDA):
Ik herhaal wat ik heb gezegd. Volgens mij zijn we het er allemaal over
eens. In een van de andere debatten heb ik ook gezegd dat we staan voor
de klimaatafspraken; dat moge duidelijk zijn. Tegelijkertijd moeten we
in de hele transitie van fossiel af. We zitten nu midden in het
uitfaseren en het pad daarnaartoe. We zien dat dit sectorakkoord daarbij
helpt. De vraag die ik zelf stelde, was: is dat afbouwen of is dat
voorlopig afvlakken om te optimaliseren? Die vraag heb ik gesteld. Naar
aanleiding van het antwoord daarop zal ik ook nog een inbreng hebben in
tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Köse van D66. Gaat uw
gang.
De heer Köse (D66):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we over het mijnbouwdossier, een
dossier over leveringszekerheid en strategische autonomie, zolang we nog
gas nodig hebben. Het raakt ook aan onze toekomst, waarin aardwarmte en
waterstofopslag onmisbaar worden. Tegelijkertijd is dit een gevoelig
dossier. We weten hoe diep de gevolgen van mijnbouw kunnen ingrijpen in
het leven van mensen en in onze natuur. In Groningen hebben we gezien
wat er gebeurt als die gevolgen te lang zijn onderschat. Die lessen
mogen we nooit vergeten. De diepe ondergrond is schaars en kwetsbaar.
Wat we daar doen, werkt decennia door in onze energievoorziening, maar
ook in onze veiligheid en leefomgeving.
Voorzitter. Ik wil vandaag langs drie lijnen spreken: gaswinning en het
sectorakkoord, schade en rechtvaardigheid en de toekomst van de diepe
ondergrond.
Voorzitter. D66 is altijd helder geweest: het liefst zien wij dat de
gaswinning uit kleine velden op land zo snel mogelijk wordt beëindigd.
Tegelijkertijd stelt het kabinet dat aardgas voorlopig nog nodig is en
dat winning uit eigen land, waar dat veilig en verantwoord kan, de
voorkeur heeft boven import. Dat is begrijpelijk vanuit het oogpunt van
leveringszekerheid, duurzaamheid en strategische autonomie. De
aanvullende afspraken in het sectorakkoord over gaswinning op land zijn
een stap vooruit. Ze zorgen voor meer transparantie, betere
betrokkenheid van de omgeving en afspraken over batendeling. Toch heb ik
over dit akkoord een aantal vragen aan de minister.
Ten eerste heb ik vragen over batendeling. De meeste lasten worden in
Groningen gedragen. Daar zullen ze echter nauwelijks kunnen profiteren
van de batendeling. Waarom geldt batendeling alleen voor nieuwe
gaswinningsprojecten en niet voor bestaande gaswinning?
Daarnaast krijgen vergunninghouders een fiscaal voordeel, namelijk de
investeringsaftrek, om dit vervolgens te delen met de regio. Het is een
soort cadeau van de overheid dat weer doorgegeven wordt als batendeling.
In hoeverre geven deze afspraken provincies voldoende zekerheid dat een
behandeling ook echt in voldoende mate bij de regio terechtkomt? Hoe is
het percentage van 5% gekozen? Is dit volgens de minister genoeg om
regio's mee te laten profiteren en de gevolgen van gaswinning te
compenseren? Waarom laten we dit percentage los bij projecten waar meer
dan 2 miljard kubieke meter gewonnen gaat worden?
Ten tweede heb ik vragen over perspectief voor regio's. Er zal bij het
winningsplan voortaan ook een betrokkenheidsplan ingediend worden. Het
betrokkenheidsplan zou geen formeel onderdeel van de juridische
beoordeling zijn. Hoe wordt geborgd dat er een kwalitatief
betrokkenheidsplan geleverd wordt, waarin de regio zich kan
vinden?
Daarnaast is er een kopje opgenomen over het afbouwpad. Ik hoorde het
zojuist ook weer. Deelt de minister met ons dat transparantie nog geen
afbouwpad is? Hoe krijgen regio's met deze afspraken duidelijkheid over
waar en tot wanneer gaswinning plaatsvindt, in lijn met de
klimaatdoelen?
Voorzitter. Dan over de schade die mijnbouw kan veroorzaken. Die zien we
niet alleen in Groningen, maar bijvoorbeeld ook in Zuid-Limburg en
Ekehaar. Deze casussen laten zien hoe ingewikkeld schadeafhandeling in
de praktijk kan zijn en hoe verschillende regelingen van elkaar
afwijken. Tegelijkertijd geeft de evaluatie van Ecorys en de Commissie
Mijnbouwschade perspectief. De minister erkent in haar brief dat de
huidige aanpak formeel functioneert maar niet altijd aansluit bij het
rechtsgevoel en de verwachtingen van bewoners. Dat is een belangrijke
constatering, die ook terugkomt in de evaluatie. Tegelijkertijd zien we
dat het in kaart brengen van de schade in Ekehaar €440.000 kostte,
terwijl bewoners gezamenlijk €80.000 aan schadevergoeding ontvingen. Wat
D66 betreft kunnen we, door uit te gaan van vertrouwen, veel
uitvoeringskosten voorkomen en recht doen aan gedupeerden. De Commissie
Mijnbouwschade geeft aan dat volledig herstel, zoals dat in Groningen
gebeurt, rechtvaardiger zou zijn. Dat zou dan inderdaad neerkomen op een
bedrag van €300.000.
Voorzitter. Dit roept vragen op. Kan de minister toelichten hoe deze
ervaringen nu en in de toekomst kunnen worden benut om schadeafhandeling
gerichter te maken, met minder kosten voor onderzoek en meer focus op
herstel? Kan de minister toelichten hoe zij kijkt naar de toekomstige
omgang met mijnbouwschade buiten Groningen? Is er ruimte om de
schadevergoeding overal rechtvaardiger en ruimhartiger vorm te geven,
binnen het bestaande kader?
Voorzitter. Ten derde wil ik ingaan op de toekomst. De diepe ondergrond
krijgt een steeds grotere rol in de energietransitie. Aardwarmte,
waterstof en CO2-opslag zijn essentieel voor een betrouwbaar
en duurzaam energiesysteem. Ondanks mooie ambities, zien we dat de
sector stagneert. Projecten lopen aan tegen lange vergunningstrajecten,
een stapeling van risico's, netcongestie en onvoldoende
investeringszekerheid. Mijn vraag aan de minister is daarom of zij kan
toelichten welke opties zij ziet voor verbetering van het huidige
instrumentarium om de investeringszekerheid voor geothermie, maar ook
waterstof en CO2-opslag te vergroten, zodat projecten
daadwerkelijk van de grond komen.
Tot slot, voorzitter. De diepe ondergrond is cruciaal voor de toekomst
van Nederland, maar grote keuzes schuiven we vooruit. De herziening van
de Mijnbouwwet is doorgeschoven naar 2027. Dat betekent dat regio's en
initiatiefnemers voorlopig in onzekerheid blijven. Daarom mijn laatste
vragen: welke uitgangspunten en keuzes zijn voor dit kabinet in de
periode tot 2027 al leidend en welk advies geeft het mee aan een volgend
kabinet?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van Oosterhout heeft een interruptie voor u. Gaat uw
gang.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. In het verkiezingsprogramma van D66 staat:
"Gaswinning in de overige kleine velden op land en onder de Waddenzee
wordt volledig afgebouwd en niet uitgebreid." Dit akkoord zet de deur
wagenwijd open voor dit soort nieuwe velden, dus ik ben dan toch een
beetje verbaasd dat D66 stelt dat dit akkoord een stap vooruit is.
Betekent dit dat u afscheid neemt van de verkiezingsbelofte?
De heer Köse (D66):
Mevrouw van Oosterhout stelt het wel een beetje heel breed. U zegt dat
dit akkoord de deur wagenwijd open zou zetten. Ik heb het gezegd zoals
ik het gezegd heb. Dit is een stap vooruit. Dat betekent nog niet dat we
er zijn, maar wij zien hier wel degelijk potentie in om te komen tot wat
wij inderdaad in ons verkiezingsprogramma hebben opgenomen en waar wij
nog steeds achter staan, namelijk afbouwen. Wel degelijk. U heeft mij
ook kritisch horen zijn. Ik heb vragen gesteld. Ik zie dat er een begin
is gemaakt het afbouwpad, maar ik zie nog niet voldoende hoe we daar nou
echt gaan komen. Het is met name inzicht geven. Dat is de kritiek
geweest die ik gehad heb, dus ik zie niet in waarom u denkt dat wij van
ons standpunt afgegaan zijn.
De voorzitter:
Mevrouw Van Oosterhout, voor uw laatste interruptie.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het toch heel zorgwekkend dat D66 stelt dat dit akkoord een stap
vooruit is. Het is wel degelijk een akkoord dat de deur wagenwijd
openzet voor nieuwe fossiele velden en dat brengt bewoners in alle
provincies in grote onzekerheid. Uw partijleider heeft eerder gezegd, na
een bezoek aan Zeerijp, dat het aankomende kabinet er niet mee gaat
beginnen, maar wat is uw boodschap aan de inwoners van Drenthe en
Friesland?
De heer Köse (D66):
De boodschap is ongewijzigd. Wij hebben goede contacten, ik persoonlijk
en de fractie ook, met mensen in dat gebied, met onze Provinciale
Statenleden daar. Er was inderdaad een bezoek aan Zeerijp. Ik was mee
met Rob Jetten en Hans Vijlbrief, die natuurlijk ook een trackrecord
heeft in het gebied. Wij hebben het Groningenveld gesloten en wij hebben
gezegd dat het dicht blijft. Wij hebben ons hardgemaakt om die kleine
velden te sluiten en dat doen we nog steeds. Dit is weer een stap
vooruit. U zegt dat het de deur wagenwijd openzet. Er is feitelijk niks
veranderd. We hebben alleen nu wel een stap vooruitgezet door te
beginnen met praten over batendeling, over afbouw en over het betrekken
van de regio. Ik zie dus wel degelijk iets wat u niet ziet, namelijk dat
we stappen vooruitzetten, maar ik ben naar nog wel kritisch op en dat
zal ik altijd blijven. Ik denk dat we verder zijn dan gisteren.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de heer Kops, voor zijn inbreng namens de
PVV-fractie.
De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Op 14 januari hadden we een debat over de
gasmarkt en leveringszekerheid en toen zaten onze gasopslagen op een
vulgraad van slechts 39,1%. Lang verhaal kort: de minister zei toen zich
geen zorgen te maken. Vandaag, op 29 januari, zitten we op een vulgraad
van nog maar 27,8%. De eerste vraag aan de minister is: en nu? Dat is
heel weinig en het is koud, het heeft weer gesneeuwd. Maakt de minister
zich nog steeds geen zorgen? Graag een reactie.
Voorzitter. Mijnbouwschade of, beter gezegd, de schadeafhandeling.
Afgelopen maandag hebben we een wetgevingsoverleg gehad over Groningen
en de conclusie was dat de schadeafhandeling daar nog altijd een drama
is. Hoe staat het met de afhandeling van schade in Limburg? De Commissie
Mijnbouwschade stelt dat, kort samengevat, het beste is om als
gedupeerde maximaal €10.000 schadevergoeding te accepteren, omdat er
anders zomaar minder of helemaal niets wordt uitgekeerd. Schades tot
€10.000 worden namelijk uitbetaald als het verband met mijnbouw
aannemelijk is. Schades boven de €10.000 moeten door bouwkundig
inspecteurs worden onderzocht, die dan vervolgens gaan bepalen of die
schades werkelijk door mijnbouw komen en als dat dan gedeeltelijk niet
het geval is of helemaal niet, kan het uiteindelijke bedrag dus ook
lager dan €10.000 uitvallen of zelfs nul zijn. Daar komt het op neer.
Dat is toch raar? Gedupeerden moeten dan feitelijk zelf een onmogelijke
afweging gaan maken. Hoeveel schade heb ik? Waar komt het door,
waarschijnlijk? Is het mijnbouw, ja of nee? En, zo ja, geheel of
gedeeltelijk? Oftewel de gedupeerde als bouwkundig inspecteur, die dan
vervolgens een besluit moet nemen. Dat gaat toch niet? Hoe ziet de
minister deze praktijk voor zich? We zien de bui al hangen, namelijk dat
de gedupeerden uit angst om minder of niets uitgekeerd te krijgen, ook
als dat onterecht is, feitelijk worden gedwongen om die €10.000 maar te
accepteren, ook als zij veel meer schade hebben. Deelt de minister de
mening dat het onderzoeken van schades boven de €10.000 nooit ten koste
mag gaan van die €10.000? Graag een reactie. De optie om te kiezen voor
€10.000 leidt tot een besparing op de onderzoekskosten, omdat er
logischerwijs geen inspecteur hoeft langs te komen. Kostenbesparing
klinkt natuurlijk leuk, maar dit mag nooit ten koste gaan van de
gedupeerde. Deelt de minister die mening en kan zij dat
garanderen?
Voorzitter. Dan schadeafhandeling in Drenthe. De Commissie
Mijnbouwschade wil de schaderegeling rechtvaardiger maken en schades in
de toekomst volledig vergoeden. Dat klinkt goed. Gaat dat ook
daadwerkelijk gebeuren, en wanneer? Kunnen die rekeningen dan ook linea
recta worden doorgestuurd naar de NAM en, beter nog, worden die dan ook
door de NAM betaald? In debatten over Groningen is het heel vaak gegaan
over de torenhoge uitvoeringskosten, maar in Drenthe lijken ze er wat
betreft die kosten nog wel even een schepje bovenop te doen. We lezen
namelijk dat er aan 29 gedupeerden in totaal €80.000 wordt uitgekeerd,
terwijl het onderzoeken van de schadegevallen door een bureau ruim
€440.000 heeft gekost. Dat is dus €5,50 per uitgekeerde euro. Dat is
toch bizar veel? Oftewel: onderzoeksbureaus worden op deze manier rijk
over de rug van de gedupeerden en de belastingbetaler. Kortom, wat gaat
de minister hieraan doen?
Op 16 januari heeft de minister een brief gestuurd over aanvullende
afspraken sectorakkoord. Daarin wordt het volgende aangekondigd. "Het is
belangrijk dat de regio waar gaswinning plaatsvindt mee mag delen in de
baten." Daar ben ik het mee eens. "Gaswinningsbedrijven zijn bereid bij
nieuwe projecten die de 2 miljard kuub, gedurende de looptijd van de
winning, niet overschrijden, 5% van de netto omzet per project af te
dragen aan de regio." Dat gaat dus gebeuren bij nieuwe projecten, maar
niet ook bij bestaande projecten. Dat is toch niet eerlijk? Wat zegt de
minister dan tegen de omwonenden van al die bestaande projecten? Zegt de
minister dan: "U hebt pech gehad. U doet er niet toe. U krijgt niks"?
Dat kan toch niet? Ook zij moeten natuurlijk kunnen meedelen in de
baten, en flink ook. Gaat de minister dat alsnog regelen? Ook vroeg ik
me af wat er gebeurt als er meer dan 2 miljard kuub wordt gewonnen. We
lezen dat er dan "maatwerkafspraken" worden gemaakt. Maar ja, wat houden
die dan concreet in? Is dat dan meer of minder dan 5%? Kan het dan
zomaar zijn dat de omzet te hoog wordt en daarmee, in de ogen van de
gasbedrijven, de afdracht aan de regio dus ook? Graag een reactie.
Ik ga afronden, voorzitter. Als bedrijven gaan afdragen aan de regio,
kan de minister dan garanderen dat dat geenszins een soort afkoop van
schades als gevolg van de gaswinning is? Anders gezegd: kan de minister
garanderen dat de afdracht dus niet in de plaats komt van of onderdeel
wordt van toekomstige schades en schadevoergeding? Graag een
reactie.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Nu is het woord aan de heer Van den Berg,
namens JA21. Ga uw gang.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin even met wat cijfers. Ik heb dit debat
aangehoord en ik ben toch wel weer vrij ontgoocheld over wat men zegt
over hoezeer we aardgas wel of niet nodig zouden hebben. Op dit moment
komt in Nederland 54% van onze elektriciteit uit aardgas, 9% uit kolen,
zo'n 2% uit kernenergie en maar 13% uit windenergie en 8% uit
zonne-energie. Specifiek over de wind- en zonne-energie wil ik het
volgende zeggen. Van de windmolens draait maar 25% en van de
zonnepanelen wekt maar zo'n 8% stroom op. Het punt dat hier gemaakt
wordt dat we aardgas van de ene op de andere dag kunnen uitfaseren, is
dan ook een bizarre uitspraak en past volgens JA21 totaal niet bij de
werkelijkheid.
Ik ga door met de inhoud, voorzitter. We hebben het sectorakkoord tot
ons genomen en wij maken ons toch wel zorgen. Als we kijken naar de
afgelopen decennia, dan zie we dat de gaswinning in Nederland van zo'n
36 miljard kuub per jaar naar zo'n 8 miljard kuub per jaar is gegaan.
Dat baart ons zorgen, want we verbruiken nog steeds zo'n 30 miljard kuub
per jaar.
Tegelijkertijd zien we een andere ontwikkeling waar wij ons toch wel
heel erge zorgen om maken. Eerst waren we voor een groot gedeelte
afhankelijk van Russisch gas en van de ene op de andere dag hebben we
dat gewisseld naar een afhankelijkheid van de Verenigde Staten. In 2019
was Amerika nog verantwoordelijk voor de export van zo'n 14 miljard kuub
aan aardgas en tegenwoordig voor 83 miljard kuub. Dat betekent voor
Nederland dat wij voor 70% van onze aardgasvoorziening afhankelijk zijn
van de Verenigde Staten. Over strategische autonomie gesproken. Dat
baart ons toch wel zorgen. En als dan ondertussen ook nog eens een keer
die gasinfrastructuur in rap tempo wordt afgebouwd, dan gaat het
helemaal mis en, beter zelfs, ook voor de klimaattransitie die sommigen
zo graag willen. Het is benoemd in het rapport. Wanneer het
aardgaspotentieel niet benut wordt en de sector verdwijnt, dan verdwijnt
ook de infrastructuur voor nieuwe toepassingen, voor onder andere
CO2 en waterstof. Dan komt hier natuurlijk al heel snel het
argument van geothermie voorbij. Ik hoorde het net al even. Juist de
mijnbouw zorgt voor kennis over onze ondergrond en het SCAN-project is
daar een onderdeel van. En ook als we alles helemaal zouden utiliseren
in ons land, dan kan geothermie maar voor z'n 300 petajoule per jaar
zorgen: 30% van onze warmtevraag. Kortom ook hier een oproep voor een
beetje realisme.
Dan nog over de economie, voor JA21 een belangrijk punt dat ik hier
gemaakt wil hebben. De import van aardgas kost ons onnoemelijk veel geld
en als daartegenover alleen maar subsidies staan voor bijvoorbeeld
windenergie, tegenwoordig wel zo'n €0,10 per kilowattuur, dan raakt
Nederland langzamerhand wel aan de bedelstaf.
Kortom, wat zouden wij graag willen zien? Het staat genoemd in het
rapport: de potentie voor aardgas in onze kleine velden, zowel op land,
50 miljard, als op zee, 150 miljard, is zo'n 200 miljard kuub. De
ambitie op dit moment: 40 miljard kuub. Er moet wat ons betreft, ook al
vinden wij het een goede ontwikkeling dat daar meer aandacht voor is,
toch wel een tandje bij gezet worden om dit verder op te voeren. Alsnog
zijn die voorraden natuurlijk wel beperkt. Zelfs 200 miljard kuub zou
ons in theorie maar zo'n zes jaar aan energie geven. Kortom, we moeten
ook verder kijken.
Ik wil eigenlijk afronden met toch een punt van zorg over de gebieden
waar het net over ging. Ik noem Ternaard en ik noem ook even Warffum,
Limburg en natuurlijk het Groningenveld in zijn geheel. We hebben niet
voor niets te maken met de ereschuld, zoals het hier weleens word
genoemd, aan Limburg vanwege de kolenmijnen. Ik zou er heel graag voor
willen waken dat wij zo'n zelfde fout gaan maken met andere regio's in
ons land. In Limburg is er toen Chemelot voor in de plaats gekomen, om
daar de industrie weer aan te zwengelen en de economie in Limburg te
bevorderen. Hartstikke goed, maar als wij dit punt niet weten te
ondervangen, dan heeft Chemelot ook een eindig bestaan en dan kunnen wij
er een tweede ereschuld bij optellen. Dat is iets waar ik toch wel heel
graag weg van zou willen blijven.
Kortom, ik ondersteun de ambities om meer gas te gaan boren. Dat is goed
voor onze energiezekerheid, dat is goed voor onze economie en het is
bovendien ook goed voor het milieu, dat voor sommigen ook zo belangrijk
is. Hoe minder wij importeren, des te beter wij op alle vlakken af
zijn.
Daar laat ik het even bij.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. U heeft een interruptie van de heer Köse.
Gaat uw gang.
De heer Köse (D66):
Ik ben benieuwd hoe JA21 dat met elkaar kan rijmen. Ik hoor u aan de ene
kant, terecht, over de afhankelijkheid en strategische economie. JA21
pleit er eigenlijk voor om meer gasvelden te gaan slaan en nog meer te
gaan boren, meer te gaan winnen. Tegelijkertijd spreekt u ook over het
vertrouwen van de bevolking, over dat we eigenlijk niet nog een keer een
ereschuld moeten aangaan. Hoe kunt u die twee dingen met elkaar rijmen?
Die botsen voor mij.
De voorzitter:
Met u bedoelt u denk ik de voorzitter. Als u via de voorzitter wil
praten, heel graag. De heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Dank voor de vraag. Met die ereschuld bedoel ik dat we mensen niet in
een economische malaise moeten achterlaten zoals we dat toen met de
kolenmijnen hebben gedaan. Dat zien we ook bij afhandeling van de
gaswinning in Groningen. Dat is absolute schande. Het had allang
opgelost moeten worden. Dat laat wel onverlet dat wij nog steeds de
kleinere velden kunnen gebruiken. Ik zal het vandaag niet over het
Groninger gasveld hebben. Ik heb het over die kleinere velden. Met alle
respect natuurlijk, maar in de meeste gevallen zijn daar gewoon
uitstekende onderzoeken aan voorafgegaan, ook door Staatstoezicht op de
Mijnen, zoals bij Ternaard, waaruit blijkt dat je daar gewoon gas kan
winnen zonder ook meer enig risico voor de inwoners. Dat is voor ons net
zo belangrijk. Waar wij voor pleiten, is om de gebieden waar je nog gas
kan winnen te gebruiken, zeker als dat geen zorgen oplevert voor de
inwoners en voor de gebouwen.
De heer Köse (D66):
Ik hoor toch enige aarzeling in deze argumentatie, want er wordt gezegd:
in de meeste gevallen. Betekent dat dat JA21 in sommige gevallen ook zal
zeggen: we gaan hier geen gas winnen vanwege veiligheid, vanwege
vertrouwen?
De heer Van den Berg (JA21):
Ja. Dat is … Hoe noem je dat? Ik kom er even niet op. Het is
projectafhankelijk. We moeten natuurlijk per situatie bekijken hoe dat
er dan uitziet. Het uitgangspunt is natuurlijk dat we het, als dat
veilig kan en er geen enkel beletsel is, zeker moeten doen vanwege de
voordelen die ik net noemde qua autonomie, energiezekerheid en economie.
Wanneer er zorgen zijn, zou ik zeggen: kijk of je die kan mitigeren of
kan reduceren. Als het uiteindelijk technisch veilig kan, denk ik niet
dat daar op voorhand al een verbod op zou moeten zijn en we het te allen
tijde maar weer moeten blokkeren.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Teunissen, namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw
gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Midden in een klimaatcrisis is er nog maar één
plan voor gaswinning nodig en dat is afbouwen, afbouwen en afbouwen. De
Britse inlichtingendiensten waarschuwen dat klimaatcrises, het verlies
aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale
veiligheid in het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en ondertussen
bestaat er door gebrekkig klimaatbeleid van deze minister nog minder dan
5% kans dat we onze klimaatdoelen halen.
Nederland is gisteren door de rechter verplicht om meer te doen om
burgers te beschermen tegen klimaatverandering en binnen achttien
maanden met een plan te komen om binnen de afspraken van het
Parijsakkoord te blijven. Dan is het de omgekeerde wereld dat hier een
fossiel akkoord ligt met de olie- en gasbranche van Nederland, bedrijven
die hun fossiele verdienmodel in stand willen houden terwijl de wereld
in brand staat. Er is geen concreet afbouwpad en kwetsbare gebieden
worden niet uitgesloten. De inbreng van natuurorganisaties en
milieuorganisaties is überhaupt niet meegenomen. Er is niet gepraat met
duurzame bedrijven. Er zijn geen mogelijkheden onderzocht voor
energiebesparing. We moeten nu inzetten op schone energie, onafhankelijk
worden van fossiele brandstoffen en vooral afkicken van onze
energieverslaving.
De voorzitter:
Mevrouw Teunissen, ik onderbreek u even want u heeft een interruptie van
de heer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Een vraag aan mevrouw Teunissen. U zegt: we moeten vandaag stoppen met
olie en gas en waarom is er zo'n akkoord gesloten met die olie- en
gassector. Laten we het even uitdenken. We zetten vandaag gewoon de
olie-, gas- en kolencentrales in één klap helemaal uit. Wat gebeurt er
dan?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er is dan kennelijk niet goed geluisterd naar mijn betoog, al jarenlang
niet. De Partij voor de Dieren pleit al jarenlang voor een afbouwplan om
over te stappen van fossiele naar duurzame energie en dat gebeurt niet.
Dus dat is nu precies mijn vraag aan de minister: wanneer hebben we gas
dan niet meer nodig, wat is het scenario voor duurzame energie en voor
energiebesparing? Dat is precies wat ik mis in dit plan.
De heer Van den Berg (JA21):
Dat zegt u wel, maar als u refereert aan studies: er zijn talloze
studies die zeggen dat een afhankelijkheid van hernieuwbare energie, wat
u heel graag wil, ook zorgt voor een grotere behoefte aan aardgas, omdat
je moet balanceren, omdat zon en wind niet op alle momenten energie
opwekken. Zon en wind zorgen dus juist voor een transitie met aardgas.
Ik snap niet waarom u wegloopt voor die onderzoeken.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik heb veel onderzoeken gelezen, maar als er meer onderzoeken zijn, dan
krijg ik die graag toegestuurd, maar ik hou er niet zo van om op basis
van beweringen hier een debat te gaan voeren over dat gaswinning nodig
zou zijn voor de energietransitie. Er zijn ook talloze rapporten waaruit
juist blijkt dat we prima van hernieuwbare bronnen afhankelijk kunnen
zijn, dat die ook stabiliteit kunnen bieden. Wat de minister
bijvoorbeeld zou kunnen doen, is gewoon een tender uitschrijven zodat
bedrijven die die zekerheid kunnen leveren zich kunnen aanmelden. De
minister heeft dat niet gedaan. Wat mijn pleidooi is, is dat we
inderdaad … Het is zo dat ook duurzame energie de stabiliteit kan bieden
die we willen. Dat is al heel lang het geval. Er wordt alleen niet op
ingezet, er wordt geen beleid op gemaakt. Dat is het probleem.
De voorzitter:
Gaat uw gang, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Voor zover ik weet komt er weer een project aan waarin zo'n 4 miljard
euro wordt gestoken in een gigawatt aan windturbines. Dat is marginaal,
maar kost wel ontzettend veel geld. Volgens mij zou u daar juist heel
blij mee moeten zijn. Maar nogmaals: als u er vandaag mee wil stoppen,
als we nu stoppen met aardgas en we gebruiken het niet — u zegt dat dat
een bewering is — voor de transitie naar hernieuwbaar, wat gebeurt er
dan? Hebben we dan nog een draaiende maatschappij of valt dan zelfs in
de Tweede Kamer het licht uit?
De voorzitter:
En "u" is de voorzitter, maar u praat tegen mevrouw Teunissen. Mevrouw
Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik vind dat op zichzelf een goede vraag: wat gebeurt er dan? Ja, als we
echt vandaag stoppen met gas terwijl er geen alternatief is, dan hebben
we een probleem. We hebben veel te weinig gedaan. De vorige kabinetten
hebben helemaal niets gedaan om tot zo'n plan te komen, terwijl er wel
technieken zijn om dat te doen, terwijl we ons gedrag kunnen veranderen,
terwijl we keuzes kunnen maken met betrekking tot de industrie die nog
een toekomst heeft in Nederland. Ook dat zorgt ervoor dat we minder
energie kunnen gaan gebruiken. Wij willen al heel lang dat het kabinet
met zo'n plan komt. Dat is ook waarom ik er vandaag weer om vraag. Het
is namelijk echt tijd om dat plan wel te hebben.
De voorzitter:
Meneer Van den Berg, uw laatste interruptie.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, dat klopt. Ik heb een laatste vraag aan mevrouw Teunissen, via de
voorzitter. Als laatste vraag ik mij nog af of zij voor het volgende zou
openstaan. Als u naar een scenario wil gaan met zon en wind, accepteert
u dan ook dat we in de tijd die het vergt om daarnaartoe te gaan — in uw
scenario gaat het wat sneller dan in het huidige scenario — wel aardgas
moeten winnen, om ons land draaiende te houden, om die momenten van
gebrek aan zon en wind te compenseren en om minder afhankelijk te zijn
van landen zoals Rusland dan wel de Verenigde Staten? Accepteert u dat
dan?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Met alle respect, maar dit is gewoon het fossiele praatje van de
gasindustrie dat we al jarenlang horen. Het probleem is dat als we nu in
gaan zetten op gas … Dit is gewoon een goedpraatpraatje van de
gasindustrie om te zeggen dat we gas nog nodig hebben. Als we nu nieuwe
gascontracten gaan afsluiten, dan zitten we nog voor decennia aan gas
vast, want die bedrijven moeten hun investeringen terugkrijgen. Dat
zorgt er dus voor dat we weer gaan vertragen met de transitie naar
hernieuwbare energie, iets wat we al heel lang doen. Dus nee, we hebben
gas niet nodig als transitiebrandstof. Dat is een sprookje dat de hele
tijd belobbyd wordt door de gasindustrie en waar veel partijen in dit
huis toch achteraan blijven lopen, met grote, echt grote gevolgen van
dien, want wij voldoen niet aan de klimaatdoelen en dragen daardoor bij
aan een gevaarlijke klimaatverandering.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Köse. Meneer Köse,
gaat uw gang.
De heer Köse (D66):
Mevrouw Teunissen triggerde mij even door haar antwoord op de eerste
interruptie. Er werd gezegd dat duurzame energie stabiliteit kan bieden.
Laat het nou net zo zijn dat ik daarin jaren werkzaam ben geweest.
Hoewel ik hetzelfde einddoel ambieer als mevrouw Teunissen, namelijk dat
we van het gas af kunnen en 100% duurzaam kunnen opwekken, moet ik
zeggen dat dat fundamenteel fout is. Het hele probleem van netcongestie,
het vraagstuk dat we nu hebben, is namelijk juist de instabiliteit van
duurzame energie. Met gascentrales en kolencentrales konden we vraag en
aanbod heel goed met elkaar matchen. Dat moet ook bij elektra. Dat kan
geen overproductie of zoiets hebben. Het probleem met zon- en
windenergie is juist dat er soms pieken en soms dalen zijn. Ik zal er
geen hoorcollege van maken, maar het is een sprookje, om bij dezelfde
term te blijven, dat duurzame energie die stabiliteit gaat bieden. Hoe
jammer ik het ook vind, het is niet anders dan dat we echt te maken
hebben met gas in de transitie.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Köse (D66):
Mijn vraag aan mevrouw Teunissen is daarom via u, voorzitter: denkt u
werkelijk dat we in één keer over kunnen stappen naar 100% duurzame
energie? Dat is wat mij betreft helaas niet het geval.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Helaas hoor ik dat D66 ook al is ingekapseld door de gasindustrie.
Volgens mij moeten we niet een paar dingen op één hoop gooien. De
netcongestie kun je juist ook oplossen door voor dat duurzame afbouwpad
te kiezen, door juist duidelijke keuzes te maken: welke industrie willen
we in Nederland, welke industrie heeft toekomst en welke niet? Wat we nu
zien, is dat hier datacenters van Microsoft komen die heel veel stroom
gebruiken, ook windenergie. Al die kostbare ruimte en al die kostbare
energie gaan dus op aan die datacenters in plaats van aan de
noodzakelijke energievoorziening voor huishoudens.
Dan nog even de vraag over de stabiliteit. Ja, daar zet het kabinet veel
te weinig op in. Wat in ieder geval helpt, is dat we fors energie
besparen. Dan hebben we ook minder nodig. En ja, opslag is echt het
devies. Dat je windenergie en zonne-energie kunt opslaan, is al heel
lang bekend. Dat weet de heer Köse ook, vast ook vanuit zijn
achtergrond. Alleen, er wordt veel te weinig beleid op gemaakt. Dat is
ook waarom we veel te weinig actie zien op kernenergie … O, sorry. Op
geothermie! Leuke verspreking, voorzitter. Ja, houd mij er maar aan. Ik
zie de voorzitter al kijken. Geothermie is iets waar we ook voor
pleiten, maar ook daarbij geldt dat we duidelijke keuzes moeten maken.
We kunnen niet de hele bodem gaan plunderen. We hebben in Nederland nou
eenmaal weinig ruimte. Energiebesparing staat dus voorop en daarnaast
moet je kijken naar duurzame vormen van stabiele energievoorziening,
maar dat wordt niet gedaan. Dat is mijn punt in dit betoog. Als de heer
Köse in dit plan één maatregel kan aanwijzen die daar wel toe leidt en
wel toekomst heeft, dan houd ik mij aanbevolen, maar ik heb die niet
gezien.
De voorzitter:
Tja, versprekingen mogen, hoor, als het af en toe leidt tot wat plezier
in deze commissie. We moeten af en toe lachen, dus dat is prima, zou ik
willen zeggen. Meneer Köse, uw laatste interruptie.
De heer Köse (D66):
Ik kreeg eigenlijk een vraag terug: noem een ding. Maar ik denk dat
mevrouw Teunissen het zelf al heeft genoemd. Ze begon namelijk met een
duurzaam afbouwpad. Ik denk dat we hiermee de eerste stap vooruit hebben
gezet met dit sectorakkoord. We zijn nog niet waar ik zelf ook zou
willen zijn. Dat is een van de zaken. Ik moet daarnaast helaas het
volgende concluderen. Hoewel we heel veel problemen hebben met de
concurrentiepositie en de economie in Nederland ... Laat ik zeggen: we
zijn niet voor radicale groei; we zijn juist voor duurzame groei. Maar
ik hoor hier juist dat we moeten stoppen met groeien, dat bedrijven en
werkgelegenheid weg moeten om plaats te maken voor duurzaamheid. Wij
vinden duurzaamheid superbelangrijk, maar wij denken dat dat samen kan.
We zitten dus toch een beetje in het midden. We zijn daar iets minder
radicaal in. Ik vraag me af of mevrouw Teunissen dat ook niet samen ziet
gaan. Denkt zij ook dat we duurzaam kunnen groeien en dat we bedrijven,
in plaats van zeggen dat ze weg moeten, door goed beleid, middels een
sectorakkoord en verder, kunnen prikkelen om dat te doen?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Twee dingen. Dit akkoord is geen stap vooruit, ook geen eerste stap
vooruit. Dit is een akkoord met de gas- en oliebranche van Nederland,
die zo lang mogelijk fossiele energie wil blijven leveren, ondanks de
klimaatcrisis waar we in zitten. En wat betreft bedrijven naar het
buitenland ... Als het al gebeurt — dat is nog maar de vraag — heb ik de
volgende vragen. We hebben een duidelijke regie vanuit de overheid
nodig. Welke bedrijven hebben een toekomst in Nederland? Waar willen we
op inzetten? Welke economie willen we hebben over een x-aantal jaar? Als
je daar geen bewust beleid op voert, gaat die klimaatcrisis nog meer uit
de klauwen lopen dan die nu al doet. Helaas hoor ik ook van D66 geen
enkel plan om echt bij te sturen en echt te gaan voor die duurzame
transitie. Dat vind ik teleurstellend.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik heb het al een paar keer benoemd, maar het is toch nog
goed om te zeggen. Bedrijven die al sinds de jaren zeventig van de
vorige eeuw weten dat we gaswinning moeten stoppen, proberen nu nog snel
een deal te sluiten en infrastructuur en rechten vast te leggen, zodat
Nederland weer decennia aan fossiel vastzit.
De recente aardbevingen in Groningen hebben wederom laten zien hoe de
keuzes die wij hier vandaag maken, invloed hebben op de korte en lange
termijn. Zulke bevingen kunnen nog jarenlang doorgaan, zeggen TNO en
SodM. Nog decennia doorgaan met de gaswinningen uit de kleine velden
noemt de provincie Groningen mede daardoor "niet uitlegbaar voor onze
inwoners". Ook geeft de provincie nu in de zienswijze aan dat er niets
is gedaan met haar inbreng op het sectorakkoord. De opmerkingen zijn
niet eens verwerkt. Hoe kan de minister spreken van draagvlak als de
provincie waar de ergste mijnbouwschade ooit in Nederland plaatsvond,
expliciet zegt dat het akkoord niet zorgt voor een echte afbouw en de
inwoners opnieuw benadeeld worden? Graag een reactie.
Waarom heeft de minister de ecologische gevolgen niet opgenomen? Welke
bescherming is er nog voor onze kwetsbare gebieden in Nederland? Experts
zeggen dat kwetsbare veenweidegebieden in gevaar zijn. Is de minister
alsnog bereid om kwetsbare gebieden uit te sluiten van deze plannen? Het
is duidelijk: de Partij voor de Dieren wil dat dit akkoord zo snel
mogelijk van tafel gaat.
Dan de arbitragezaken. Terwijl Groningers nog altijd wachten op herstel,
versterking en een gevoel van veiligheid, kiest Shell ervoor om
Nederland aan te klagen onder het Energy Charter Treaty. Shell eist
volledige compensatie voor schade door sluiting van het Groningerveld en
de verdeling van de kosten. Dit nadat Shell samen met ExxonMobil en de
NAM decennialang miljarden verdiend heeft aan de gaswinning. Deze zaak
kwam boven op een reeks andere internationale en nationale arbitrages
van Shell, ExxonMobil en de NAM. Die procedures worden gebruikt om
betalingen uit te stellen, de druk op de Staat te vergroten en hun
financiële verantwoordelijkheid niet te nemen. De Staat waarschuwt zelf
dat het opschorten of blokkeren van toekomstige heffingen in het
begrotingsbeleid, het begrotingsbeleid ernstig kan verstoren,
begrotingstekorten kan veroorzaken en bezuinigingen elders kan
veroorzaken, bijvoorbeeld op de sociale zekerheid. Dit is dus precies
wat er mis is met ISDS-clausules in dit soort investeringsverdragen.
Inmiddels is Nederland uit het ECT gestapt, maar door sunsetclausules
blijven bestaande investeringen nog twintig jaar beschermd. Daarnaast
zijn er nog tientallen bilaterale investeringsverdragen met
ISDS-bepalingen door Nederland afgesloten. Bedrijven die zelf een
bepalende rol hebben gespeeld in het optuigen van dit systeem,
misbruiken het nu om een land aan te klagen dat eindelijk, veel te laat,
probeert de schade te herstellen en de gaswinning af te bouwen. Je kunt
geen rechtvaardige transitie organiseren als fossiele multinationals de
Staat voor miljarden kunnen aanklagen zodra je echt in hun verdienmodel
snijdt.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Erkent zij dat deze
arbitrageprocedures de ruimte voor ambitieus klimaat- en mijnbouwbeleid
inperken doordat de overheid voortdurend rekening moet houden met
potentiële claims? Is de minister bereid om samen met de
staatssecretaris Buitenlandse Handel alsnog met een concreet en
tijdgebonden plan te komen om uit de resterende investeringsverdragen
met ISDS-bepalingen te stappen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage. Dan draag ik bij dezen het voorzitterschap
even over aan de heer Kops. Hij is tenslotte het lid met de hoogste
anciënniteit hier vandaag aanwezig.
Voorzitter: Kops
De voorzitter:
Dan is het woord aan de heer De Groot van de VVD.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD is één ding zeker: mijnbouw in
Nederland is nog steeds nodig, juist in een tijd waarin we minder
afhankelijk willen zijn van het buitenland en de energierekening voor
huishoudens betaalbaar willen houden. Dat geldt nadrukkelijk ook voor
een versnelling van gaswinning op de Noordzee. Mijnbouw op eigen bodem
draagt bij aan ons energieaanbod en aan prijsstabiliteit.
Ik geef allereerst nog een compliment aan de minister voor het
sectorakkoord. We doen dit namelijk uiteindelijk met elkaar, voor de
mensen thuis. Tegelijkertijd hebben we onze lessen geleerd uit
Groningen. Dat betekent dat mijnbouw voor de VVD alleen kan plaatsvinden
als dit veilig gebeurt en als er aanvullend een eerlijke balans is
tussen lusten en lasten. De regio waarin gewonnen wordt, moet
meeprofiteren; dat is randvoorwaardelijk. Ik kom daar straks nog even op
terug.
Ik wil vandaag graag drie onderwerpen uitlichten. Ik wil beginnen met de
zoutwinning. De provincie Groningen heeft beroep ingesteld tegen de
verlengingsvergunningen voor Zuidwending en Heiligerlee. Voor de VVD is
zoutwinning een belangrijke grondstoffenactiviteit. Bovendien zijn er
met Nobian maatwerkafspraken gemaakt, juist om risico's te beperken en
rekening te houden met de omgeving. Volgens zowel de Mijnraad als TNO
kan deze winning veilig plaatsvinden. Ook het SodM concludeert dat
winning veilig kan, maar heeft zorgen over de mogelijke effecten op de
lange termijn. Mijn vraag aan de minister is hoe zij deze verschillende
adviezen nou precies weegt. Wat betekenen deze voor de gemaakte
afspraken met Nobian? Wat zijn de gevolgen voor de toekomstige opslag
van waterstof in de zoutcavernes? Die hebben we nu eenmaal hard nodig
voor de energietransitie. Daarnaast hoor ik graag van de minister waarom
er een verschil zit tussen de risicobeoordeling van het ministerie en
die van de provincie Groningen. Hoe kijkt de minister aan tegen het
beroep tegen een rijksbesluit door de medeoverheid? Wat betekent dat
eigenlijk voor de bestuurlijke verhoudingen en het vertrouwen in het
beleid? Graag krijg ik antwoorden van de minister.
Ten tweede de Commissie Mijnbouwschade, waar het al eerder over is
gegaan in dit debat. Deze commissie is inmiddels heel wat jaren actief
en heeft behoorlijk wat overheadkosten gemaakt, maar de uitkeringen
blijven achter. Het is slechts een percentage van wat de Commissie
Mijnbouwschade zelf kost; de heer Kops had het daar ook al over. Ook
voor de VVD is de verhouding zoek. Wat ons betreft moet het sneller,
beter en menselijker. Ik noem Noord-Drenthe; daaraan is ook al
gememoreerd door collega Jumelet. Er moet een betere technische keuring
komen, meer uniformiteit in de aanpak en op veel plekken gewoon een
mildere benadering. Ik zeg daarbij niet dat we een-op-een het Groningse
model moeten kopiëren, maar wel dat we serieus oog moeten hebben voor
wat er echt speelt bij de mensen thuis. Mijn vraag aan de minister is
dan ook wat zij gaat doen om de Commissie Mijnbouwschade effectiever te
laten functioneren. Is zij bereid om te kijken naar een vereenvoudiging
van de procedures en naar een proportionelere aanpak?
Voorzitter. Tot slot wil ik nog even stilstaan bij het sectorakkoord,
met name bij de lusten van mijnbouwactiviteiten. De VVD pleit hier
namelijk al langer voor. In Schoonebeek zijn goede ervaringen opgedaan.
De minister heeft nu de aanpak gepresenteerd, die inzet op maatwerk in
plaats van automatische compensatie. Het leidt overigens ook tot
gerichte investeringen en maatschappelijke en economische meerwaarde.
Daar is de VVD best heel erg positief over. Tegelijkertijd heb ik daar
een aantal vragen bij. Waarom is er gekozen voor een relatief laag
standaardpercentage, van 5%? Staat dit wat betreft de minister wel in
verhouding tot de impact die mijnbouwactiviteiten hebben op de
leefomgeving?
Daarnaast vallen bestaande winningen die worden verlengd, buiten deze
regeling. Ik heb namens de VVD bijvoorbeeld al vaker gevraagd waarom er
bij de verlenging van de gaswinning bij Warffum geen afspraken zijn
gemaakt over meedelen in de lusten. Juist zulke afspraken vergroten het
draagvlak en de acceptatie in de regio. Is de minister bereid om hier
alsnog naar te kijken?
Voorzitter. Ik zie dat mijn tijd er bijna op zit, dus ik ga afronden. De
VVD zegt: als we aan mijnbouw doen, doen we het goed, maar we doen het
zeker veilig, met oog voor de regio en met duidelijke afspraken vooraf.
Ik zie uit naar de antwoorden van de minister.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage, meneer De Groot. Het voorzitterschap is weer aan
u.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Dank u wel voor het waarnemen.
We zijn hiermee aan het einde gekomen van de eerste termijn van de
Kamer. Ik stel voor dat we nu schorsen voor de voorbereiding van de
beantwoording door de minister. Ik wil graag tot 15.00 uur schorsen. Dan
zien we elkaar weer terug.
De vergadering wordt van 14.33 uur tot 15.03 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, welkom terug. Ik heropen dit commissiedebat Mijnbouw. Ik
verzoek de leden om plaats te nemen. We zijn nu toe aan de eerste
termijn van het kabinet, van de minister. Ik zou graag aan de minister
willen vragen welke blokjes zij voor ons in petto heeft. Dan noteren we
dat even voor de administratie.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Ik begin met een paar algemene opmerkingen over het
belang van de diepe ondergrond. Dan ga ik verder over schadeafhandeling.
Daarna ga ik in op het sectorakkoord en alle vragen over het akkoord en
de gaswinning die zijn gesteld. Dan kom ik bij zout en waterstof. Ik
sluit af met de vragen die gaan over de toekomst van de mijnbouw.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik stel aan de leden voor om interrupties aan het eind van
het blokje te plegen. Ook hiervoor in eerste instantie vier
interrupties. We kijken even hoe dat gaat. Ik zie de heer Van den Berg
instemmend knikken. Hartstikke fijn.
Het woord is aan de minister. Gaat uw gang.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. In Nederland werken we hard, dag in, dag uit,
met heel veel mensen, met alle overheden, organisaties, bedrijven en
huishoudens, aan het verduurzamen van ons land en van ons
energiesysteem. Dat doen we om, zoals ik zei, te verduurzamen en om
onafhankelijker te worden. De geopolitieke situatie in de wereld laat
nog maar eens zien hoe noodzakelijk dat is. In die verduurzaming kunnen
we niet zonder mijnbouw. Het is ook al in het debat genoemd, onder
andere door de heer Van den Berg: het gas dat we gebruiken, kunnen we
beter hier produceren dan dat we het importeren. Dat zorgt voor minder
uitstoot en maakt ons minder afhankelijk van de import van gas.
Ook in een volledig duurzaam energiesysteem is de ondergrond nog
cruciaal, bijvoorbeeld om aardwarmte te winnen of om waterstof op te
slaan. Voor al die activiteiten in de ondergrond, nu en in de toekomst,
geldt dat bedrijven alleen een vergunning krijgen als het veilig en
verantwoord kan. Om ervoor te zorgen dat dit ook in de toekomst zo
blijft, dat we ons aanpassen aan die veranderende activiteiten in de
ondergrond, en om daar meer regie op hebben, werken we aan het aanpassen
Mijnbouwwet. Dat kost tijd. Ik geloof dat het de heer Köse was die daar
een opmerking over maakte. Het kost helaas meer tijd dan wij allemaal
misschien zouden willen. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat we de
herziening van die Mijnbouwwet zorgvuldig doen, in overleg en afstemming
met alle betrokken partijen, en dat kost tijd.
Dat neemt niet weg dat we in de tussentijd stappen zetten; stappen
zetten om meer regie te voeren en ook om met alles wat we nu weten,
lessen die we geleerd hebben, meer rekening te kunnen houden. We werken
aan het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond, waarin wordt
vastgelegd waar welk gebruik van de ondergrond mogelijk is en onder
welke voorwaarden. Dat doen we, zoals ik al zei, ook in overleg met
provincies en gemeenten. We hebben het sectorakkoord gesloten — ik zal
zo alle vragen beantwoorden die daarover gesteld zijn — en daarin gaat
het over verantwoorde afbouw van de gaswinning op land. Ook daar zal ik
zo op ingaan. Die afspraken gelden. Vandaaruit werken we op dit moment.
Als dat programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond klaar is, is dat
onderdeel van hetgeen van waaruit we werken. Er is natuurlijk ook de
Contourennota herziening Mijnbouwwet en in de geest van die nota wordt
gewerkt. De daadwerkelijke herziening van de Mijnbouwwet laat nog even
op zich wachten, maar, nogmaals, we werken dus in de geest van de
Contourennota en we hebben nu een aantal aanvullende afspraken
gemaakt.
Voorzitter. Veiligheid staat voorop bij alle mijnbouwactiviteiten en
tegelijkertijd moet ik er ook eerlijk over zijn dat schade door
activiteiten in de fysieke leefomgeving nooit honderd procent uit te
sluiten is. Daarom hebben we Commissie Mijnbouwschade, om bewoners te
ondersteunen in die gevallen — ik hoop altijd dat dat uitzonderlijke
gevallen zijn — waarin toch schade optreedt. De Commissie Mijnbouwschade
heeft voor het eerst sinds haar oprichting schade beoordeeld na bevingen
door gaswinning uit een klein veld, bij Ekehaar en Hooghalen. Het werk
dat de commissie daar heeft verricht, de evaluatie die het daarvan heeft
gedaan, de evaluatie die Ecorys heeft gedaan en het gesprek dat ik zelf
heb gevoerd in Ekehaar hebben daarbij waardevolle inzichten
opgeleverd.
Voorzitter. Dan kom ik bij die inzichten, want daar vroeg mevrouw Van
Oosterhout naar. Ook de heer De Groot, de heer Jumelet en de heer Köse
deden dat. Eigenlijk vroeg iedereen, als ik de vragen even mag
samenvatten: wat ga je nou doen met die evaluatie? Wat we gaan doen is
het volgende. Ik was in Ekehaar … Ik probeer me even de datum te
herinneren, maar het was een aantal weken geleden. Ik kijk met een
schuin oog naar de burgemeester. Die knikt. Dat klopt dus; het was een
paar weken geleden. We hebben daar eerst met elkaar gesproken en daarna
met een aantal bewoners, die heel indringend aan mij voorlegden: hoe is
er nou met onze casus, met ons schadegeval, omgegaan? Daarnaast hadden
we de evaluatie door de Commissie Mijnbouwschade zelf en de evaluatie
die door Ecorys is gedaan. Eigenlijk levert dat mij een paar inzichten
op.
Ik begin even met dat gesprek. Wat ik daar voelde, was: we hebben een
regeling gemaakt met de allerbeste intenties, bedoeld om mensen te
helpen die onverhoopt te maken krijgen met schade, maar die regeling
pakt in de praktijk niet uit zoals we het misschien bedoeld hadden en
zeker niet volgens de verwachtingen die mensen daarvan hadden. Dat
betekent wat mij betreft dat er werk aan de winkel is.
De evaluatie van de Commissie Mijnbouwschade en die van Ecorys
bevestigen dat, ieder vanuit de eigen invalshoek. Ze doen ook
aanbevelingen om laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle
afhandeling van mijnbouwschade te realiseren. Ze laten ook zien dat het
werk dat de Commissie Mijnbouwschade levert — ik kom zo op de kosten in
verhouding tot de schadevergoedingen — wel bijdraagt aan iets wat we ook
graag willen, namelijk mensen die schade ondervinden ondersteunen. Dat
raakt aan een vraag van mevrouw Van Oosterhout over de zorgplicht van
het Rijk ten aanzien van bewoners. Hoe worden bewoners nou bijgestaan?
Wij geven als Rijk invulling aan die zorgplicht doordat we de Commissie
Mijnbouwschade hebben ingesteld. Wat de Commissie Mijnbouwschade doet,
is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de
mijnbouwondernemingen verhelpen en bewoners ontzorgen bij de
schadeafhandeling door de bewijslast over te nemen. Wat er in de
praktijk gebeurt, is dat de Commissie Mijnbouwschade meldingen van
bewoners en kleine bedrijven over mogelijke schade aan gebouwen als
gevolg van mijnbouw in behandeling neemt. De Commissie Mijnbouwschade
ondersteunt dan de schademelders door onafhankelijk advies te geven over
de vraag of er sprake is van schade door bodembeweging, en zo ja, wat de
hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de
schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in hun
overeenkomst met de Staat verplicht tot het uitvoeren van de adviezen.
Dat is even hoe we die zorgplicht uitvoeren.
Dan de lessen die we leren uit hoe dat nou uitpakt in de praktijk. De
Commissie Mijnbouwschade en Ecorys doen aanbevelingen. Ik heb zelf dus
dat gesprek gevoerd. Ik wil kijken hoe we die aanpak kunnen verbeteren,
hoe we niet alleen op papier kunnen zeggen dat we ze ontlasten en hun
positie verbeteren, maar er ook voor kunnen zorgen dat in de praktijk
wordt gevoeld dat dat gebeurt. Dan kun je altijd discussie houden over
de vraag of je het honderd procent eens bent met het advies en het
oordeel dat gegeven wordt, maar in elk geval willen we de bedoeling van
"menselijker, makkelijker en transparanter" meer tot uitdrukking laten
komen.
Ik zie op twee punten mogelijkheden. Ik zeg daar direct bij: die zie ik
als demissionair minister. Dat zou ik dus ook adviseren en overdragen
aan mijn opvolger. Ik kan dat nu niet meer doen, maar ik geef in
antwoord op uw vragen wel de ruimte die ik zie. Aan de ene kant kunnen
we ruimte creëren voor de Commissie Mijnbouwschade om hogere
schadevergoedingspercentages te kunnen adviseren. Ten tweede kunnen we
de verhouding tussen de onderzoekskosten en de vergoedingen die gegeven
worden, verbeteren. De hoge onderzoekskosten komen voort uit de
werkwijze van de Commissie Mijnbouwschade. Dat is wel een werkwijze die
zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is, moet ik zeggen. Maar ik vind
dat die in de praktijk ook het vertrouwen en het gevoel van veiligheid
bij de schademelders moet vergroten. Op dat vlak zoeken we de
verbetering. Daarover zullen we dus ook in gesprek gaan. Dat doe ik in
eerste instantie door nu verkennende gesprekken te starten met de
mijnbouwondernemingen, want die hebben zich natuurlijk gecommitteerd aan
de afspraken. Ik moet dus ook met hen dat gesprek starten. Natuurlijk
voeren we dat gesprek ook met bestuurders in de regio en met
bewoners.
Voorzitter. Volgens mij was het de heer Jumelet die mij een vraag stelde
over terugwerkende kracht. We leren van hoe de regeling nu uitpakt en we
kunnen die daardoor ook verbeteren. Als jij de casus was waar we van
geleerd hebben, dan snap ik dat je daar ook wat aan wil hebben. Ik wil
benadrukken dat ook dat onze aandacht heeft. We zullen ook dat betrekken
in hoe we omgaan met het verbeteren van de regeling. Dat waren de vragen
over de schadeafhandeling in Ekehaar en Hooghalen.
Dan was er nog één vraag over schadeafhandeling in Limburg. Daar zijn we
eigenlijk net mee gestart. Eind vorig jaar is het digitale loket
opengegaan, begin van dit jaar het fysieke loket. Er liggen ook al wat
adviezen over hoe we ermee om zouden moeten gaan als de schade meer dan
€10.000 bedraagt. De heer Kops stelde daar een vraag over, namelijk over
een keuzemoment. Hij is hier nu niet meer, maar ik zal de vraag toch
beantwoorden. Ik heb dat gezien. Ik heb ook een brief aan de Kamer
gestuurd waarin ik aangeef dat ik alle adviezen van de Commissie
Mijnbouwschade — die adviezen gaan over hoe je het verder vorm zou
kunnen geven en zou kunnen aanscherpen — wil meenemen in de eerste
evaluatie, dus na één jaar. Dan hebben we wat meer ervaring opgedaan met
de regeling, want we zijn echt net begonnen. Maar ik neem die adviezen
uiteraard heel serieus. Voorzitter, dat was het wat betreft de
schadeafhandeling.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even rond. De heer Jumelet, dat dacht ik al. Gaat uw
gang.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel voor de antwoorden, minister. Ik ging inderdaad zelf ook in
op de situatie in Ekehaar en Hooghalen, zoals een aantal andere
collega's dat ook hebben gedaan. Ik ben echt wel benieuwd naar de ruimte
die wordt gevonden als het gaat om de Commissie Mijnbouwschade.
Uiteindelijk zullen niet de regels moeten bepalen hoe mensen recht wordt
gedaan, maar de geest van de sfeer van wat we daar met elkaar
aantreffen. De mensen moet echt recht worden gedaan; dat is ook de
insteek van het CDA. Dus ik ben blij met die opmerking. Maar dat is wel
aan uw opvolger, hoorde ik u zeggen.
Dan wil ik het toch nog even hebben over dat gesprek dat heeft
plaatsgevonden in Ekehaar met inwoners. De burgemeester was daar ook bij
aanwezig. Ik hoorde de minister zeggen dat daar natuurlijk ook gesproken
is over de terugwerkende kracht. Maar ik heb iets anders gevraagd; ik
heb namelijk gevraagd om een toezegging. Ik heb vernomen dat er gezegd
is dat dat ook echt met terugwerkende kracht gedaan gaat worden, maar
dat staat niet in de brief. Ik heb gevraagd om een toezegging om dat ook
gestand te doen.
Minister Hermans:
Volgens mij gaf ik daar antwoord op. Als je een regeling gaat
verbeteren, dan geldt die vanaf dat moment. Als oud-geval — ik doe er
met die term niet helemaal recht aan, maar de heer Jumelet begrijpt
hopelijk wat ik bedoel — val je daar niet vanzelfsprekend onder. Volgens
mij zei ik net ook al dat we door deze gesprekken en door de ervaringen
van de mensen de regeling kunnen aanpassen en verbeteren. Dat gebeurt
uiteraard in overleg met de mijnbouwonderneming. Ik vind dat we dan ook
aandacht moeten hebben voor wat dat betekent voor de mensen die onder de
oude regeling behandeld zijn en die hun advies of vergoeding al dan niet
al hebben gekregen. Daar hebben we dus ook aandacht voor. Ik vind ook
dat we hier echt serieus naar moeten kijken. Maar ik kan nu niet zeggen
hoe dat er precies uitziet. Ik weet namelijk nog niet exact hoe de
aanpassing van de regeling eruitziet en of dan voor alles een
terugwerkendekrachtbepaling geldt. In algemene zin vind ik dat, daar
waar we verbeteringen aan de regeling kunnen aanbrengen waarmee we
mensen die onder de oude regeling vielen ook kunnen helpen, we daarnaar
moeten kijken.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik hoorde de minister zeggen dat er een hoop geleerd kan worden van de
situatie in Ekehaar. Ik vroeg de minister ook naar alles wat ik in
Friesland heb gezien, namelijk mensen die zelf nulmetingen aan het
uitvoeren zijn en zelf trillingsmeters aan het installeren zijn. Ik had
haar ook gevraagd om een reactie daarop. Die mensen hebben er namelijk
niet zo heel veel aan als er nu nog wordt gekeken naar een nieuwe
aanpak. Die mensen maken zich nú zorgen en willen nú garanties dat er
ook oog is voor hun zorgen.
Minister Hermans:
Ik kom nu bij de vragen die gesteld zijn over het sectorakkoord en over
gaswinning, en ook over de mogelijke projecten waar mevrouw Van
Oosterhout naar verwees en de zorgen die daarover bestaan. Ik zal daar
dan op ingaan. Ik heb het uit elkaar gehaald omdat het iets anders is.
Enerzijds gaat het over de ervaringen met de schaderegeling van een
schade door een kleine beving bij Ekehaar en Hooghalen. Anderzijds is de
vraag wat we kunnen doen, wat voor inzichten en onderzoeken we mogelijk
nog moeten doen om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de risico's
als je in de toekomst mogelijk vergunningen zou verlenen in Friesland,
in het Veenweidegebied in het bijzonder, waar mevrouw Van Oosterhout
naar verwees. Ik ga nu naar dat blokje gaswinning en sectorakkoord
land.
De voorzitter:
Hartstikke mooi.
Minister Hermans:
Voorzitter. Ik begin met de vraag van de heer Jumelet en de heer Köse
over dat sectorakkoord land. De heer Jumelet zegt: "Er wordt gesproken
over een afbouwpad, maar is het akkoord niet meer bedoeld om af te
vlakken? Gaat het niet om het optimaliseren van de Nederlandse
gaswinning?" Ik denk dat het goed is om hier een paar dingen over te
zeggen. Met dit sectorakkoord willen we de versnelde afbouw dempen. Dat
doen we om de redenen die ik in mijn inleiding noemde. We zijn nog even
afhankelijk van gas in de energietransitie. We willen niet alleen maar
afhankelijk zijn van import, dus we hebben ook nog productie op eigen
bodem nodig, op land, maar vooral ook op zee. Je wilt dus verantwoord
afbouwen richting geen gebruik meer in de toekomst, in 2050. Dat is wat
we met het akkoord doen. Het is niet zozeer het optimaliseren als wel
het stabiliseren van gaswinning op land die ook een bijdrage levert aan
de leveringszekerheid.
Dan kom ik bij nog een vraag van de heer Jumelet. Als je verder inzoomt
op dat sectorakkoord land, dan zie je dat het voor een groot deel over
batendeling gaat. Daar zijn veel vragen over gesteld. Ik denk dat het
goed is dat we nu in dat sectorakkoord land … Ik moet het anders zeggen:
het is het Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie. We hadden al
afspraken gemaakt voor de Noordzee. Daar is nu een hoofdstuk met
aanvullende afspraken over gaswinning op land aan toegevoegd. Daarin
zijn afspraken gemaakt over de batendeling. Ik denk dat het goed is dat
we daar nu afspraken over hebben vastgelegd. We hebben het in
verschillende debatten in de afgelopen periode gehad over de vraag of je
tot een generiek model kunt komen. Daar zijn onderzoeken over verschenen
en adviezen over gekomen. Een generiek model vastgelegd in de wet is
heel ingewikkeld. Maar het feit dat we nu in dit akkoord tussen partijen
hebben afgesproken dat er sprake gaat zijn van batendeling bij de nieuwe
projecten of daar waar sprake is van uitbreiding, betekent dat er een
basis ligt. Dat is ook een uitwerking van de wens van de regio om mee te
kunnen delen.
Het is dus vooral een politieke keuze; dat vroeg de heer Jumelet. Als je
die afspraken gaat maken, maak je een weging tussen alle input die op
tafel wordt gelegd. Je onderhandelt over de afspraken en je weegt of dit
iets is waar we in elk geval een stap mee zetten. Als je een hogere
bijdrage wil, moet de mijnbouwonderneming daar ook ja tegen zeggen, of
de Rijksoverheid moet inspringen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat
ik daar in mijn begroting nu geen ruimte voor heb. Uiteindelijk weeg je
al die belangen mee. Dat gezegd hebbend: we hebben nu gewoon de afspraak
gemaakt van die 5%. Die afspraak was er hiervoor niet. Heel soms moeten
we ook een beetje onze zegeningen durven tellen, maar ik realiseer me
dat er altijd wensen voor meer zijn.
Een heel aantal van u zei: dit geldt alleen voor nieuwe
gaswinningsprojecten en niet voor bestaande gaswinning; dat voelt
oneerlijk. Dat gevoel begrijp ik. Tegelijkertijd is de stap die we nu
zetten naar een generieke afspraak belangrijk. Punt. Anders ga ik
herhalen wat ik net zei. Misschien nog even iets over waarom alleen bij
nieuw en niet ook bij bestaand. Dit vraagt natuurlijk wel iets van
mijnbouwondernemingen. Bij de nieuwe winningen kunnen zij in hun
businesscase en in de weging daarvan rekening houden met de batendeling.
Dat kon bij bestaande winningen natuurlijk niet.
Dan over de 5% en hoe dat bijvoorbeeld zit in de omgevingstrajecten
Grijpskerk en Norg. De heer Jumelet vroeg: hebben de aanvullende
afspraken uit het sectorakkoord daar nog enige invloed op of staan de
processen volledig los van elkaar? Er is een omgevingstraject gestart in
Norg en Grijpskerk over de mogelijke veranderingen in het gebruik van de
gasopslagen, zoals de heer Jumelet weet. De intentie binnen dat hele
traject is om ook daar te spreken met de omgevingstafel Norg over het
lokaal laten meedelen in de baten uit eventuele kussengaswinning, mocht
het winningsplan worden goedgekeurd. Ik zeg met nadruk "eventueel",
"als" en "mocht", want dat is nog niet aan de orde. Binnen het
sectorakkoord — binnen het hoofdstuk Gaswinning op land, moet ik zeggen
— zijn er dus afspraken over de batendeling gemaakt, ook over de
maatwerkafspraken. Die gelden dus ook in dit geval. Die afspraken zullen
we dan moeten maken aan de omgevingstafel Norg.
De heer Kops vroeg: wat betekenen die maatwerkafspraken dan precies; is
dat meer of minder dan 5%? Heel simpel gezegd betekent een
maatwerkafspraak dat je in je afspraken rekening houdt met de omvang van
het volume van te winnen gas. Als je boven de 2 miljard kuub gas komt,
gaat het over hele omvangrijke bedragen. Ik snap op zich dat je daar in
een maatwerktraject naar wilt kijken, maar alle verwachte nieuwe
winningen — het hele Norg-vraagstuk en het gesprek dat daarover volgt
daarbuiten gelaten — zitten onder de 2 miljard kuub. Daarvoor geldt
gewoon die 5%, zoals afgesproken.
De heer Kops vroeg ook of ik kan garanderen dat, als bedrijven afdragen
via die batendeling, die afdracht geen afkoop is voor toekomstige
schades. Even klip-en-klaar: batendeling is geen afkoop. Batendeling is
een afspraak die gemaakt wordt voor de overlast of de last die de
omgeving ervaart. Als er onverhoopt toch schade optreedt door een
activiteit die in de ondergrond plaatsvindt, dan geldt daar gewoon de
reguliere schadesystematiek voor.
Dan de vraag van de heer Jumelet en mevrouw Van Oosterhout: met dit
akkoord is nog niet duidelijk geworden waar wel en niet gas gewonnen
gaat worden. Zij gingen beiden uitgebreid in op de situatie in Friesland
en in het bijzonder op de veenweidegebieden. De kaders voor waar we wel
en niet gas gaan winnen of voor waar wel en niet activiteiten in de
ondergrond gaan plaatsvinden, komen straks in het programma Duurzaam
Gebruik Diepe Ondergrond. Daarin moet de samenloop van verschillende
activiteiten een plek gaan krijgen.
Dan even in het algemeen. Ik zei het in mijn inleiding ook en ik herhaal
het heel graag: gaswinning zal alleen plaatsvinden als het veilig en
verantwoord kan. Daarbij baseren we ons op de adviezen van adviseurs,
TNO, SodM en de Mijnraad, en natuurlijk ook op de adviezen die we
krijgen vanuit de regio. Dat geldt ook voor kwetsbare gebieden zoals de
veenweidegebieden. Bij het akkoord zit ook een analyse van EBN die laat
zien waar winning plaats zou kunnen vinden. Daar vallen ook
veenweidegebieden onder.
De heer Jumelet vroeg: moet je niet op grond van het voorzorgsprincipe
eigenlijk die veenweidegebieden op voorhand uitsluiten? Het op voorhand
uitsluiten van één activiteit, namelijk gaswinning, zonder daarbij
andere activiteiten in dat gebied in ogenschouw te nemen, zou ik
disproportioneel vinden. Dat neemt niet weg dat je wel goed oog moet
hebben voor wat nou die effecten zijn. Daarvoor hebben we onderzoek
gedaan. Dat geeft op dit moment geen aanleiding tot het stoppen met
gaswinning, maar de resultaten pleiten wel voor vervolgonderzoek. Ik heb
afgesproken, ook aan de Friese mijnbouwtafel een paar maanden geleden,
dat we in overleg met de Friese overheden dat vervolgonderzoek zullen
doen. In 2026, wat het inmiddels is, starten we met een meerjarig
onderzoek.
Mevrouw Van Oosterhout vroeg mij naar de Koloniën van Weldadigheid, of
we daar een Heritage Impact Assessment doen. Het korte antwoord daarop
is: ja, dat doen we.
De heer Köse vroeg mij naar het betrokkenheidsplan, hoe we ervoor zorgen
dat er geborgd wordt dat dat een kwalitatief goed plan is waar de regio
zich ook in kan vinden. We hebben dus nu afgesproken in dat
sectorakkoord dat dat betrokkenheidsplan er moet komen, dat de
mijnbouwondernemingen drie maanden voordat zij met een aanvraag komen de
regio gaan informeren en gaan werken aan zo'n plan. Wat daar precies in
moet en aan welke eisen of voorwaarden zo'n plan moet voldoen, gaan we
nu verder uitwerken. Als daar aanleiding toe is, zou bijvoorbeeld de
herziening van de Mijnbouwwet ook weer een plek kunnen zijn waar je die
voorwaarden dan vastlegt. Dit ook nog even in reactie op de vraag van de
heer Köse hoe al die trajecten zich nou tot elkaar verhouden.
Mevrouw Teunissen vroeg nog ecologische aspecten, waarom die er niet in
zitten. Nou, in het Noordzeedeel van het akkoord, in het deel over
gaswinning in de Noordzee, zitten ook afspraken over ecologie. Dit deel,
dit hoofdstuk gaat natuurlijk over land. Daar spelen die ecologische
aspecten voor de Noordzee natuurlijk niet. Voor alle
gaswinningsprojecten geldt wel dat er alleen een vergunning wordt
verleend als het veilig gebeurt voor mens, natuur en milieu. Op die
voorwaarden wordt de vergunningsaanvraag altijd getoetst.
Dan vroegen mevrouw Teunissen en mevrouw Van Oosterhout mij nog tot
wanneer we nog gas winnen in Nederland. We zijn aan het afbouwen. We
bouwen natuurlijk af richting 2050. We werken, zoals al in mijn
inleiding zei, met man en macht aan die transitie naar een schone en
duurzame economie. Daar werken we aan en dat blijven we de komende
decennia doen, maar we hebben, zoals gezegd in mijn inleiding, nog even
aardgas nodig voor een deel van onze energievoorziening. Tegelijkertijd
werken we aan opschalen van die duurzame energie, zoals wind op zee. We
hebben het over geothermie, warmtewinning, gehad. Kernenergie kwam ook
even voorbij. Ook daar moeten we verder aan werken, omdat we al die
vormen van energie nodig hebben in onze energiemix. Dus ook gaswinning
uit de kleine velden, op land en op zee. Daar is het beleid van dit
kabinet op gericht. Daar ziet ook dat akkoord op. In september van dit
jaar zal het nieuwe of het geactualiseerde Nationaal Plan Energiesysteem
naar de Kamer worden gestuurd en daarin zal naar de huidige stand van
zaken, naar de laatste inzichten een beeld geschetst worden van hoe die
transitie er nu uitziet. Dat zeg ik nog even expliciet in de richting
van mevrouw Teunissen en mevrouw Van Oosterhout, die mij daarnaar
vroegen.
Voorzitter, tot slot in dit blokje. Mevrouw Van Oosterhout vroeg hoe het
openen van nieuwe gasvelden past binnen de uitspraak die we gisteren
hebben gehoord in de Greenpeacezaak en de scope 3-verplichting. Hoe gaan
we daar nou mee om? Gisteren hebben we die uitspraak gehoord — dat was
een stevige uitspraak — in de procedure van Greenpeace tegen de Staat
over klimaatverandering op Bonaire. Het is een uitspraak met gevolgen
voor de inwoners van Caribisch Nederland en Europees Nederland en voor
de inwoners van Bonaire in het bijzonder. We hebben ook de uitspraak van
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gehad in een zaak tussen
Noorwegen en Greenpeace in het kader van gaswinning. Die beide
uitspraken bestuderen we op dit moment zorgvuldig. Ik vind dat die
uitspraken dat ook verdienen. Die in de zaak van Noorwegen verdient dat,
maar die van gisteren zeker ook. Dat vonnis is 90 pagina's en moeten we
dus echt even goed en grondig tot ons nemen. Over de doorwerking van de
uitspraak in de Noorwegencasus heb ik al toegezegd om in het eerste
kwartaal met een analyse te komen van wat dat nou betekent voor die
scope 3-emissies. Die toezegging herhaal ik. Samen met de collega's van
IenW en BZK zal ik snel met een eerste inhoudelijke reactie komen op de
uitspraak van gisteren van de rechtbank. Precies handen en voeten geven
aan die uitspraak zal aan een volgend kabinet zijn, maar van dit kabinet
komt dus nog een eerste reactie.
Voorzitter. Tot slot de vraag van de heer Kops, die er niet meer is,
over de vulgraad van de opslagen. Die is op dit moment 27,9%. Het is nu
winter; het is koud. Dan is het logisch dat er gas wordt onttrokken uit
de opslagen. Drie weken geleden zei ik dit ook al in het debat. Die
gasopslagen zijn er ook voor bedoeld om te gebruiken als het kouder is
en er wat meer vraag is naar gas. Dat zien we ook terug in onze
voorraden. Die worden fors gebruikt. Ik hou dat ongelofelijk scherp in
de gaten, a met het oog op het weer en b met het oog op wat er
geopolitiek gebeurt. De afgelopen periode, eigenlijk ook de afgelopen
jaren, hebben we gezien hoe energie, en zeker ook gas, ingezet wordt in
geopolitieke discussies en instabiliteit.
Naast die opslagen gebruiken we natuurlijk ook gewoon de import; wat er
wekelijks binnenkomt in Nederland. Voor ons gasgebruik zijn we op dit
moment dus niet alleen afhankelijk van de opslagen. Die import gaat
gewoon door, maar ook dat blijf ik in de gaten houden. Ik snap dat je
als je dat cijfertje terug ziet lopen wel denkt: zijn ze scherp en
houden ze dat in de gaten? Het antwoord daarop is absoluut: ja. Ik blijf
dat doen en bereid me ook voor. Het vorige debat ging hierover. Hierna
zal ik erover ophouden, want dat was het vorige debat. We hebben niet
voor niks een aantal maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat we ook
naar de toekomst toe die gasopslagen goed blijven vullen. Een van die
maatregelen is de uitbreiding van de vultaak van EBN.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Teunissen, gaat uw gang.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ik vroeg me even af of nu ook de vragen over Groningen zijn beantwoord
of dat dat nog komt.
Minister Hermans:
Mevrouw Teunissen moet me even helpen met welke vragen over Groningen ze
bedoelt. Dan kijk ik intussen even of dat in mijn laatste mapje
staat.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Er zijn bijvoorbeeld vragen gesteld over de participatie van de
provincie Groningen bij dit sectorakkoord.
Minister Hermans:
We hebben bij de totstandkoming van het sectorakkoord ook gesproken met
medeoverheden. Daar zijn opmerkingen gemaakt, onder andere door de
provincie Groningen, over waar wat wel en niet. Daarom gaf ik net aan
dat dat een plek krijgt in het programma Duurzaam Gebruik Diepe
Ondergrond. Het is dus niet zo dat een in een overleg gemaakte opmerking
die niet in het sectorakkoord staat, vergeten is of dat er niks mee
wordt gedaan. Die opmerking kan een plek krijgen in dan wel dat
programma, dan wel de herziening van de Mijnbouwwet, want bij die beide
trajecten vindt intensieve afstemming plaats. Dat geldt dus ook voor dit
onderwerp.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Oké, dan wil ik graag beginnen met een vraag over de kaders waarbinnen
de minister nu opereert. We hebben uiteraard het klimaatdoel voor 2030,
waarvoor het kabinet 55% reductie moet realiseren ten opzichte van 1990.
Ik zie in het sectorakkoord alleen maar staan dat partijen
onderschrijven dat de gaswinning op termijn eindigt. Mijn eerste vraag
aan de minister is: waarom toetst zij aan het begin niet sowieso of dit
akkoord binnen de kaders van die 55% reductie in 2030 valt? Of is dat
gedaan?
Minister Hermans:
Wij hebben hier een akkoord gesloten met de mijnbouwondernemingen om te
kijken hoe we er nou voor kunnen zorgen, in de wetenschap dat we gas nog
nodig hebben in de transitie … Ik weet dat mevrouw Teunissen en ik
hierover van mening verschillen, maar deze mening ben ik toegedaan; we
hebben gas nog even nodig. We hebben potentie in eigen land. Ik gebruik
liever die potentie in eigen land, natuurlijk op een veilige en
verantwoorde manier, omdat dat ons minder afhankelijk maakt en omdat dat
duurzamer is dan het hiernaartoe importeren. Dus dat is mijn vertrekpunt
geweest bij het in gesprek gaan met de sector. We willen afbouwen en we
gaan ook afbouwen richting 2050, zoals ik net richting de heer Jumelet
zei, maar je moet dat op een verantwoorde manier doen. Dat is het kader
waarbinnen we die afspraken hebben gemaakt. Ik kies voor die
verantwoorde afbouw omdat we ook andere afspraken hebben, namelijk over
het verduurzamen van onze energievoorziening en het afbouwen van het
gebruik van fossiele brandstoffen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag, mevrouw Teunissen?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Zeker, voorzitter. De minister zegt dat er sprake is van verantwoord
beleid. Ik vind het ontzettend onverantwoord om überhaupt te beweren dat
we gas nog even nodig hebben zonder dat er scenario's liggen waarin gas
ook wordt uitgesloten. Ik vind het totaal onverantwoord dat er geen
einddata in dit stuk staan om die klimaatdoelen daadwerkelijk te halen.
Er wordt op geen enkele manier een harde eis gesteld, zo van: dan moet
het klaar zijn met de gaswinning, zodat we klimaatdoelen nog halen.
Daarbij is het sterk de vraag of het klopt dat een extra beetje gas geen
gevolgen heeft voor het behalen van de klimaatdoelen. In principe kunnen
we ons dat niet meer veroorloven. Op dit moment is er al minder dan 5%
kans dat we de klimaatdoelen überhaupt halen met dit beleid en dan komt
de nieuwe gaswinning ...
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Teunissen (PvdD):
... er nog bovenop. Mijn vraag is of de minister met dit onverantwoorde
document niet kan teruggaan naar de tekentafel en hierin alsnog harde
doelstellingen kan zetten voor de afbouw van gas, wat hard nodig
is.
Minister Hermans:
We zitten in een complexe overgangsfase. De transitie van een
energiesysteem van een samenleving die eigenlijk volledig draaide op
fossiele brandstoffen, naar een volledig verduurzaamde samenleving en
een volledig verduurzaamd energiesysteem vraagt heel veel. Het vraagt
omvangrijke investeringen, waar ook de overheid een rol in heeft. Het
vraagt heel veel van het bedrijfsleven, dat productieprocessen moet
omschakelen. Mensen thuis moeten hun huis isoleren et cetera. We zijn
daar ook hard mee bezig met z'n allen. Tegelijkertijd doen we dat in een
wereld die politiek instabiel is. We zien ook hoe energie wordt ingezet
als een machtsfactor, als een middel om mee te chanteren. We doen dat in
een wereld waarin de economie, zeker ook de windsector, het zwaar en
moeilijk heeft. De uitrol van windenergie gaat dan ook minder snel dan
we misschien gedacht of gewild zouden hebben. Zo'n verhaal kan ik ook
houden over de ontwikkeling van de waterstofmarkt. De drukte op het
stroomnet maakt dat elektrificatie — heel veel bedrijven zijn daar klaar
voor en willen daar ook in investeren — vertraging oploopt, omdat er
niet direct ruimte op het net is. Dat vraagt een heel intensieve aanpak
van dat probleem van netcongestie: versnellen van de bouw en ervoor
zorgen dat we de ruimte die we hebben flexibeler en beter
benutten.
Kortom, deze hele energietransitie waarin we weg bewegen van het gebruik
van fossiele brandstoffen en dat gebruik afbouwen, vraagt om een aanpak
op heel veel sporen tegelijkertijd. Ik ben niet van de school — ik
geloof er ook niet in — dat je nu moet zeggen "we stoppen met gaswinning
per nu, morgen of overmorgen". Nee, we hebben de komende decennia nog
even gas nodig. Er zit een afbouwpad in en daar maken we ook afspraken
over, maar wel op een manier die ons land economisch stabiel en weerbaar
houdt, ook in het opzicht van veiligheid.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De minister heeft gelijk als ze zegt dat het een complexe transitie is.
Maar vervolgens maakt ze het nog complexer door de fossiele industrie
ertussen te blijven wurmen en daarmee te beginnen in plaats van
scenario's te presenteren waarin we daadwerkelijk zorgen voor afbouw van
het gebruik van fossiele energie. Die mis ik. Jarenlang heb ik daar
namens de Partij voor de Dieren om gevraagd en ook andere partijen
hebben daarom gevraagd. Keer op keer heeft de minister deze vraag
gewoonweg naast zich neergelegd. Vervolgens komt ze hier met een
fossiele deal aan die ze presenteert als afbouwpad. Mijn vraag is of de
minister alsnog bereid om dit document op te schorten en eerst met een
brede analyse te komen van scenario's die daadwerkelijk leiden tot een
afbouwpad.
Minister Hermans:
We werken aan verantwoorde afbouw, dus het antwoord is nee. Ik heb
afspraken gemaakt met de sector. Ik vind dat een betrouwbare overheid
betekent — daar hebben we het ook vaker over gehad — dat je een
handtekening zet en dan ook staat voor je handtekening. Wat betreft
verantwoord afbouwen: de hele sector weet dat fossiele winning eindig
is, maar nogmaals, dat gaat niet van vandaag op morgen. Het is niet zo
dat er niks gebeurt ten aanzien van de afbouw. Los van dit sectorakkoord
hebben we al eerder afgesproken dat we geen nieuwe
opsporingsvergunningen meer uitgeven. Dat is ook onderdeel van stoppen,
afbouwen en weg bewegen bij fossiele brandstoffen. We zijn ook bezig met
ervoor zorgen dat we duurzame energie opschalen. Wind op zee is daar een
belangrijk voorbeeld van. Ik heb net een subsidietender daarvoor
uitgeschreven. Daar had de heer Van den Berg weer kritische opmerkingen
over. Zo zijn er van alle kanten overal kritische kanttekeningen bij te
plaatsen. Dat is hartstikke goed, heel terecht en het moet ook gebeuren.
Het is aan mij, althans, het is mijn verantwoordelijkheid om daarover
met u in debat te gaan, maar ook te zorgen dat we op al die terreinen
stappen blijven zetten en daarbij oog houden voor potentiële effecten op
onze samenleving en economie.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
De minister spreekt over een betrouwbare overheid. We hebben recent het
rapport gezien van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de
Nationale ombudsman, die zeggen dat het vertrouwen in de overheid wordt
ondermijnd doordat het kabinet doelen stelt en die vervolgens niet
waarmaakt. Daar zit mijn zorg nu juist. We hebben hier een document dat
totaal niet is getoetst aan de klimaatdoelen en waarin alleen staat dat
de gaswinning op termijn eindigt, wat dus ook nog duizend jaar kan
doorgaan. Op deze manier ondermijnt de minister het vertrouwen in de
overheid.
Voorzitter. Ik heb nog één vraag over Groningen. De minister zegt: de
consultatiereactie van de provincie is niet meegenomen, want die gaan we
later allemaal nog verwerken. Maar waarom hebben we dan überhaupt een
consultatiereactie op dit sectorplan? Dan had de provincie Groningen net
zo goed niks kunnen indienen. Hoe gaat de minister nou fatsoenlijk om
met consultatiereacties op dit akkoord?
Minister Hermans:
Ik vind consultatie, participatie, afstemming en overleg met de
medeoverheden op alle beleidsterreinen, maar zeker op alles wat we doen
in de diepe ondergrond, van het allergrootste belang. Dat is ook een
reden waarom de herziening van de Mijnbouwwet langer duurt. Daar baal ik
van, omdat ik die herziening het liefst zo snel mogelijk indien.
Tegelijkertijd kan ik het ook goed verklaren, omdat ik die afstemming
goed wil doen. Dat geldt voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe
Ondergrond. Dat geldt ook voor het Sectorakkoord gaswinning. Daar heeft
dus overleg over plaatsgevonden, maar er zijn ook punten ingebracht en
op tafel gelegd die geen plek hebben of hebben gekregen in het
sectorakkoord, omdat ze meer passen in het traject herziening
Mijnbouwwet of in het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Dan
heb je nog punten waarover je misschien van mening verschilt en die ik
niet honderd procent heb overgenomen. Dat is altijd onderdeel van een
consultatie, maar dat betekent niet dat het niet serieus wordt genomen
of dat het niet plaatsvindt. Nogmaals, ik vind het van het grootste
belang. Ik ben bij de Friese Mijnbouwtafel geweest en bij de oprichting
van de Drentse Mijnbouwtafel, toen nog onder de bezielende leiding van
huidig Kamerlid de heer Jumelet. Dit zijn ongelofelijk belangrijke
gesprekken voor mij en mijn collega's op het ministerie, omdat wij met
z'n allen proberen om deze transitie op een zo goed mogelijke manier
vorm te geven.
De voorzitter:
U bent door uw interrupties heen, mevrouw Teunissen. Ik zie dat u er
graag nog heel veel had willen plaatsen, maar wellicht kan dat in de
tweede termijn. Ik kijk nog even rond. Meneer Jumelet, gaat uw
gang.
De heer Jumelet (CDA):
Ik wil het dan vervolgens weer over geld hebben. Dat klinkt een beetje
alsof geld alles goedmaakt of dat geld gelukkig maakt; een beetje wel,
zou ik zeggen. Maar die 5% puzzelt me nog wel een beetje, want het is
een politieke keuze. Ik heb de minister horen zeggen dat er een stap is
gezet. Dat waarderen we ook zeer, maar ik wilde nog wel een vraag
stellen over de argumentatie. U zegt bijvoorbeeld in gesprek te gaan met
de mijnbouwondernemingen en dat de overheid het niet op de begroting
heeft staan. Maar toekomstige winningen staan ook niet op de begroting.
Mijn vraag zou zijn: is 5% het meest haalbare of is daar op enig moment
nog over te spreken? Het gaat namelijk uiteindelijk om draagvlak.
Daarbij moet het ook nog netto zijn. Het moet winstgevend zijn voor het
bedrijf. Dan kun je meemaken dat het heel lang gaat duren voordat een
omgeving die lusten ook gaat merken. Ik zou daar dus nog graag een
antwoord op willen. Hoe gaat u daarmee om? Hoe wordt dat bezien, ook in
het licht van dit akkoord?
Minister Hermans:
Ik hoop dat ik de vraag van de heer Jumelet goed begrijp. Waarom zei ik
dat het een politieke keuze of een weging is? Uiteindelijk maken alle
partijen die onderhandelen over zo'n akkoord de weging om hun
handtekening te zetten of niet. Wij hebben de weging gemaakt om onze
handtekening te zetten, ook onder de afspraak van de 5%, omdat het
belangrijk is om nu die stap te zetten. Dan is er in elk geval de
duidelijkheid en de zekerheid dat voor dit type projecten — dat geldt
voor projecten met een maximumvolume van 2 miljard kuub — deze afspraak
geldt. Waarom niet meer? Stel, we maken van 5% bijvoorbeeld 6% of 7%, of
wat voor percentage dan ook, dan vergt dat instemming van de
mijnbouwondernemingen. Die zullen de weging ook maken in termen van: wat
betekent dat voor mijn businesscase? Je kan ook zeggen dat dat plusje op
de 5% door de Rijksoverheid betaald zou moeten worden. Dat kan een
weging zijn die een volgend kabinet maakt, zeg ik direct. De reden dat
ik dat niet heb gedaan, is heel praktisch. Ik heb nu geen ruimte op de
begroting van KGG om daar iets aanvullend aan te doen. Ik heb wel de
weging gemaakt dat ik graag dit akkoord wil sluiten waar ten minste dit
in afgesproken is, want dan zetten we die stap. Dit is iets waar we al
heel lang over praten, waar ongelooflijk veel onderzoeken naar gedaan
zijn, wat we even dachten kwijt te raken omdat er uit het onderzoek kwam
dat er geen generiek model vast te leggen is in de wet. Nu is het via
dit akkoord toch gelukt om deze afspraak te maken. Daarom ben ik blij
met deze stap. Alles wat we gaandeweg kunnen verbeteren, moeten we
altijd doen. Dat zal dan ook altijd in overleg moeten met de partijen
met wie je een akkoord hebt gesloten.
De voorzitter:
Ik kijk eerst even naar de heer Jumelet. Hij gaat zijn interrupties
bewaren. Dat is heel slim. Dan mevrouw Van Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde nog even doorvragen op de batendeling. De minister stelt dat de
samenwerking met lokale overheden wordt gewaardeerd en aangemoedigd,
maar toch zit er nu in het sectorakkoord wel iets tegenstrijdigs, iets
wat dat ontmoedigt. Bij rechtszaken of bezwaarprocedures maakt de regio
geen aanspraak op de baten, ook niet met terugwerkende kracht. Hoe past
deze maatregel in de visie van de minister dat het heel erg belangrijk
is om de lokale overheden mee te nemen?
Minister Hermans:
Ik wil even de suggestie wegnemen dat je geen bezwaar zou kunnen maken
of dat we dat proberen de pas af te snijden. Dat is absoluut niet aan de
orde. Er is wel afgesproken dat de batendeling gaat gelden op het moment
dat de vergunning onherroepelijk is. Natuurlijk mag je bezwaar maken.
Dat zal ik nooit en te nimmer de pas afsnijden of onmogelijk maken. Dat
past niet in een rechtsstaat. De overheid, medeoverheid, iedereen moet
altijd die route openhouden. Het kan inderdaad potentieel een
consequentie hebben, namelijk dat de batendeling nog even op zich laat
wachten totdat de vergunning onherroepelijk is. Maar dat staat dus niet
in de weg van het bezwaar kunnen maken of in beroep kunnen gaan.
De heer Köse (D66):
Ik heb een aantal vragen, maar dit triggert me dan wel. Mevrouw Van
Oosterhout trekt volgens mij niet in twijfel dat de regio bezwaar kan
maken, maar het wordt nu wel een stuk moeilijker, omdat de rechtspositie
van de regio totaal verzwakt is. Ze moeten nu de keuze gaan maken om
voor batendeling te gaan en te accepteren dat er gaswinning is, of
bezwaar te maken en het risico te nemen dat het proces misschien wel
twee jaar kan duren en ondertussen de batendeling missen. Hoe
reflecteert de minister daarop?
Minister Hermans:
Misschien begrijpen de heer Köse en ik elkaar niet goed. Als ik goed
naar zijn woorden luister, dan lijkt hij te suggereren dat als je als
provincie of medeoverheid ervoor kiest om beroep of bezwaar aan te
tekenen, je geen recht meer hebt op batendeling. Dat is niet zo. Je kunt
beroep of bezwaar aantekenen. De batendeling gaat lopen vanaf het moment
dat de vergunning onherroepelijk is.
De heer Köse (D66):
Dan moeten we elkaar inderdaad even goed begrijpen. Dat is namelijk
precies het punt dat ik maak. Tijdens dat beroep — dat heeft de minister
net ook erkend — zal er dus geen sprake zijn van batendeling. Dat kan
een proces zijn van misschien wel een of twee jaar. Dan loopt de regio
best wat inkomsten mis omdat ze gebruikmaken van een rechtsstatelijk
recht dat ze hebben. Dat lijkt me heel krom. Deelt de minister
dat?
Minister Hermans:
Ik snap dat iedereen vooraf zo veel mogelijk zekerheid wil. We hebben nu
deze afspraken over batendeling gemaakt en dan wil je die gewoon
krijgen. Tegelijkertijd snap ik ook dat er onzekerheid boven de markt
hangt als dat proces loopt. Ik ga zo meteen in op alle vragen die
gesteld zijn over zoutwinning en de procedures die er lopen. Met het
akkoord en in het overleg met de mijnbouwondernemingen zijn we dus zo
veel mogelijk aan alle belangen en alle wensen tegemoetgekomen en tot
een evenwichtige afspraak gekomen. Dat is de afspraak die nu in het
akkoord staat waar ik namens de Rijksoverheid mijn handtekening onder
heb gezet. Ik wil best in tweede termijn wat achtergrond bij die
overwegingen geven. Begrijp ik de vraag van de heer Köse dan goed? Dat
wil ik dan wel even heel precies doen, want dit komt heel nauw. Maar in
generieke zin geldt dat als je dit soort afspraken gaat maken, je alle
argumenten en belangen weegt die door de verschillende partijen op tafel
worden gelegd. Daar is deze afspraak uit voortgekomen.
De heer Köse (D66):
De minister had het een tijdje terug het ook over de wens van de regio
en de input daarvan. Ik denk dat het goed is om duidelijk te maken dat
ze daar in eerste instantie of eigenlijk voornamelijk tegen gaswinning
zijn. Mocht het allemaal plaatsvinden, dan willen ze graag dat dat met
een goede batendeling is. Dan kunnen we er nog over praten of die 5%
voldoende is; de regio wil meer, maar dat laat ik daar. Met inachtneming
daarvan vind ik zo'n regeling, die wat mij betreft de rechtspositie
verzwakt, jammer, maar ik hoor graag de toelichting van de minister in
tweede termijn.
Dan zal ik het beperken tot één andere vraag. We hadden het een tijdje
terug namelijk over de vraag waarom het alleen geldt voor nieuwe
gaswinning of uitbreiding van bestaande gaswinning. Ik stelde ook in
mijn betoog dat de grootste lasten nu bij de Groningers liggen. Daar
hebben we het Groningenveld gehad en daar hebben we nog steeds de kleine
velden. Het grootste deel van de schadeproblematiek zit in die
regio.
De voorzitter:
Wat is uw vraag? Kunt u overgaan tot uw vraag?
De heer Köse (D66):
Daarmee kom ik op mijn vraag. Hoe kijkt de minister naar deze
Groningers, die dus het grootste deel of bijna alle batendeling zullen
missen omdat wij ons concentreren op nieuwe winning of uitbreiding? Hoe
kijkt de minister daarnaar? Doet dat recht aan de ereschuld?
De voorzitter:
Helder.
Minister Hermans:
We moeten er even voor oppassen dat we nu alles aan elkaar gaan
verbinden. Ik vind het van het allergrootste belang dat we de afspraken
nakomen die we hebben gemaakt met Groningen naar aanleiding van de
parlementaire enquête, ook wat betreft het geld dat daarvoor naar
Groningen gaat voor herstel. Daarover bestaat dus geen twijfel. Wat we
hier hebben gedaan, was mede naar aanleiding van terechte vragen uit de
Kamer. We hebben gezien dat in sommige omgevingen activiteiten in de
diepe ondergrond plaatsvinden. Je wil niet alleen de lasten dragen, maar
ook een beetje meedragen in de lusten. Schoonebeek is daar natuurlijk
een mooi eerste voorbeeld van. Vanuit dat vertrekpunt zijn we gaan
werken en hebben we afspraken gemaakt in dat sectorakkoord. Die zien dus
op nieuwe winningen of de uitbreiding van bestaande winningen. Ik
begrijp dat dat niet fijn of oneerlijk voelt bij al lopende projecten,
maar ik kan ook niet zomaar ingrijpen bij al verleende vergunningen waar
niet dit soort afspraken aan ten grondslag lagen; dat is ook niet
helemaal netjes. Ik moet dat natuurlijk aan alle kanten netjes doen. Ik
herhaal nog een keer dat dat onverlet laat dat we de afspraken met
Groningen naar aanleiding van de enquêtecommissie, Nij Begun, natuurlijk
na moeten komen.
De voorzitter:
Dan zijn we volgens mij toe aan het volgende blokje.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Dan kom ik bij de vragen over de zoutwinning en in het
verlengde daarvan bij een vraag over waterstof van de heer
Jumelet.
De vragen over zoutwinning kwamen vooral van de heer De Groot, van u,
voorzitter. Die gingen over de situatie dat er door de provincie
Groningen beroep is aangetekend tegen twee vergunningen. Hij stelde
vragen over de adviezen en hoe ik die nu weeg. Ook hier geldt dat ik die
vergunningen heb verleend omdat ik op basis van adviezen van adviseurs
vind dat het veilig kan plaatsvinden. Staatstoezicht op de Mijnen, TNO
en de Mijnraad hebben daar allemaal hun advies over gegeven. Zij bieden
voor mij als bevoegd gezag voldoende zekerheid om dat besluit te kunnen
nemen voor de korte termijn en de middellange termijn. Zij zeggen
namelijk ook dat je zoutwinning de komende tien jaar veilig kan laten
plaatsvinden. De vragen gaan erover hoe Nobian, het bedrijf dat de
zoutwinning doet, die cavernes nou op termijn gaat afsluiten. In dat
kader worden vaak de termen "hard afsluiten" en "zacht afsluiten"
gebruikt. SodM heeft daarover in zijn advies nadrukkelijk een advies
gegeven aan mij, dus aan het bevoegd gezag, en ik heb dat advies
overgenomen. Dat hebben we vertaald in de vergunningsvoorschriften. We
hebben Nobian via die voorschriften verplicht om de komende vijf jaar
aanvullend onderzoek te doen naar die afsluitmethode en daarvoor een
plan in te dienen bij het ministerie. Dat is geen onderzoek dat op
zichzelf staat of dat alleen vanuit het bedrijf wordt gedaan. Het wordt
uitgevoerd met betrokkenheid van SodM, TNO en de decentrale overheden,
zodat zowel het toezicht als de kennisontwikkeling als de bestuurlijke
verantwoordelijkheid daarin een plek krijgen. We hebben het SodM-advies
dus gevolgd en het ook echt verankerd in de besluiten. We hadden ook
zienswijzen van de provincie en van de gemeente Veendam, waar de
zoutwinningsvergunning onder valt, en die zijn ook meegenomen in het
besluit. In lijn met hun wens, expliciet geformuleerd in die
zienswijzen, is na intensief overleg de gezamenlijke intentieverklaring
omgevingsproces en toekomstvisie voor Zuidwending ondertekend. Ook
andere gemeenten en het waterschap zijn daarbij betrokken.
Ondanks het opnemen van die voorschriften en ondanks het proces om tot
die intentieverklaring te komen, heeft de provincie in december vorig
jaar beroep ingesteld tegen het instemmingsbesluit voor zoutwinning in
Zuidwending. In januari, dus kort geleden, is tegen het
instemmingsbesluit Heiligerlee ook beroep ingesteld. Ik vind het wel
belangrijk om te benadrukken dat het iedereen en elke provincie, dus in
dit geval ook de provincie Groningen, vrijstaat om beroep in te stellen.
Dat was in de intentieverklaring die we tekenden ook duidelijk uit
elkaar getrokken.
De vraag is wel, en daar vroeg de heer De Groot ook naar, wat hiervan
nou potentieel de consequenties zijn. Het punt is dat er zolang die
procedure loopt natuurlijk onzekerheid is over de continuïteit van de
zoutwinning. Dat heeft een effect op het bedrijf, in dit geval het
bedrijf Nobian. Het kan dus ook een effect hebben op de maatwerkafspraak
die we gesloten hebben, want daarin heeft Nobian een investeringsschema
opgesteld voor hoe het investeert in verduurzaming, er daarbij
natuurlijk van uitgaande dat het zijn bedrijfsproces, het primaire
proces, kon voortzetten. Vanwege de risico's die er nu zijn, ziet Nobian
op dit moment geen kans om die grote investeringen te doen. Wij zijn nu
met hen in gesprek over wat dat betekent en hoe we de projecten en de
beoogde doelen kunnen realiseren die wij in die maatwerkafspraak samen
hebben afgesproken. Ik betreur deze consequentie natuurlijk. Het gaat om
belangrijke investeringen voor de verduurzaming, voor het klimaat, voor
de regionale economie en voor de chemische sector in brede zin. Ik
geloof dat het ook de heer De Groot was die opmerkte dat zout een
belangrijke grondstof is, waarvan het belangrijk is dat we die dicht bij
huis kunnen winnen.
In termen van consequenties kijken we nog wat dit betekent voor het
verder werken aan die toekomstvisie voor Zuidwending, waarover we
afspraken hebben gemaakt in de intentieverklaring. Ook daarin waren
namelijk afspraken gemaakt over een mogelijk gebiedsfonds, waaraan
Nobian ook een bijdrage zou leveren in het kader van de batendeling.
Maar nu er onzekerheid is over de continuering van die zoutwinning,
staat ook die afspraak onder druk. Over de exacte gevolgen zijn we nu in
gesprek.
Daarnaast — ik ga richting een vraag van de heer Jumelet — geldt dat er
zonder zoutwinning ook geen opslagcavernes voor waterstof worden
gemaakt. Die opslag van waterstof is weer belangrijk voor de
energietransitie. Het is dus belangrijk dat we uitvoering kunnen blijven
geven aan de nationale agenda voor ondergrondse opslag van waterstof.
Daarin zit een ontwikkelstrategie. Daarbij gaat het over bandbreedtes,
over het aantal cavernes dat nodig is. Nog niet voor alle acties in die
agenda is financiering geregeld. Dat vroeg de heer Jumelet mij
expliciet. Daar wordt aan gewerkt. Vanuit het Klimaatfonds zijn er
eerder wel middelen toegekend, maar er loopt ook nog een aanvraag voor
aanvullende financiering. Voor het eerste project, voor HyStock, loopt
ook de eerste vergunningaanvraag; die is ontvangen. Dat was het blokje
over zoutwinning en de waterstofopslag.
De voorzitter:
Ik kijk even of daar vragen over zijn. Ik heb zelf wel een vraag. Het is
natuurlijk een beetje een ingewikkelde klus om als voorzitter vragen te
stellen. Ik ga het één keer zo proberen; als u vindt dat dat niet werkt,
zal ik elke keer even het voorzitterschap overdragen. Namens de VVD heb
ik de volgende vraag. Ik zie en ik begrijp wat de situatie is. Ik denk
dat de minister die goed uiteen heeft gezet, maar ik vind haar nog wel
wat mals over het feit dat dit met betrokkenheid van alle partners tot
stand is gekomen; dat geldt ook voor het aanvullende onderzoek. Als
overheden tegen elkaar procederen is het net alsof je broertje of zusje
tegen je gaat procederen. Zou de minister daar nog iets dieper op willen
ingaan? Het heeft namelijk nogal grote consequenties, hoor ik, in het
hele proces van zowel de maatwerkafspraak als de waterstofcavernes. Zou
de minister daar nog wat dieper op willen ingaan? Dat zeg ik via u,
voorzitter.
Minister Hermans:
Voorzitter. Dan zeg ik het volgende tegen de heer De Groot. Je wilt
natuurlijk überhaupt niet dat alles via rechtszaken of bezwaar en beroep
moet worden uitgediscussieerd of uitgevochten, om het wat lelijker te
zeggen. Dat geldt in dit dossier, maar dat geldt voor veel meer
onderwerpen die ik nog kan noemen. Je wilt het liefst dat je er in goed
overleg uit komt. Maar goed, deze gang naar de rechter staat altijd voor
iedereen open.
Ik vind zelf dat wij een heel intensief traject hebben doorlopen voor
deze vergunningverlening en dat wij op adequate wijze zijn omgegaan met
de zorg die bij de provincie Groningen leeft en die het SodM adresseert
in zijn advies. Wij zijn daarmee omgegaan op een manier waarvan de
toezichthouder, het SodM, erkent: wij snappen dat je op deze manier
invulling geeft aan ons advies, aan het voorschrift dat wij hebben
gegeven. Natuurlijk ben ik dan teleurgesteld als een medeoverheid
besluit om toch in beroep te gaan tegen het besluit dat de Rijksoverheid
heeft genomen. Die teleurstelling is er. Ik vind het jammer. Naar mijn
mening hebben we er alles aan gedaan. Ik zal er ook altijd alles aan
blijven doen om dat te voorkomen.
Als het dan toch gebeurt, is het aan mij om te kijken hoe we omgaan met
de consequenties daarvan. Die consequenties zijn er. Ik noemde ze al bij
de maatwerkafspraak met Nobian. Die vind ik echt meer dan
teleurstellend; die vind ik echt schadelijk. In overleg met het bedrijf
kijken we nu naar wat er wel kan binnen de termijn, dus voor 2030, om
toch de transitie te kunnen doorzetten om de regionale economie de
impuls te geven die je haar wilt geven. De potentiële effecten die het
op het omgevingsproces heeft, vind ik ook echt heel onwenselijk. Het
omgevingstraject was een uitkomst van de inspraak, van de zienswijze
nota bene. Die intentieverklaring hebben we vlak voor kerst getekend en
die was wat mij betreft een goed voorbeeld van op een goede manier in
gesprek gaan over een omgeving waarin heel veel gebeurt in de
ondergrond. Zo'n gebiedsfonds kan daarin een prachtige rol vervullen.
Nobian zegt nu: vanwege de onzekerheid die door het beroep is ontstaan,
doen we even een stapje terug. Hartstikke zonde.
De voorzitter:
Ik heb nog een vraag aan de minister. Zou u uw teleurstelling op dit
punt wellicht kunnen omzetten in de energie om met de provincie in
gesprek te gaan om te kijken of u er toch samen uit kunt komen? Dat is
namelijk wat je met elkaar wilt als je deze situatie zo overziet. Hier
kom je toch uit als overheden onder elkaar? Wil de minister haar
teleurstelling omzetten in de energie om een beroep te doen op de
provincie?
Minister Hermans:
De teleurstelling die ik uitsprak, uit zich er niet in dat ik somber in
een hoekje ga zitten. Natuurlijk voer ik dat gesprek. Dat heb ik gevoerd
en dat blijf ik ook voeren, omdat ik het, om redenen die ik genoemd heb,
van belang vind dat we hier samen uit komen. Ik denk echt dat we met de
voorschriften die we hebben gesteld, de zorgen over de veiligheid hebben
geadresseerd. Dan kunnen we door met de zoutwinning, met alle positieve
gevolgen die deze heeft. Voorzitter, de heer De Groot kan er dus van op
aan dat ik niet berust in die teleurstelling, maar er energie op zet om
te kijken of we dit samen toch tot een goed einde kunnen brengen.
De voorzitter:
Dank u wel. Even kijken. Ik denk dat u nu aan uw laatste blokje gaat
beginnen, toch?
Minister Hermans:
Ja, ik ben bij de toekomst van de mijnbouw. De heer Jumelet had een
vraag over de batendeling. Hij vroeg of we die ook voor andere
mijnbouwactiviteiten kunnen organiseren. De afspraken over batendeling
voor gas op land kunnen we niet een-op-een vertalen naar andere
mijnbouwactiviteiten, zoals geothermie en zoutwinning. Dat heeft te
maken met de karakteristieken van het type winning. Dat laat onverlet —
daarom verwees ik in dit kader al naar het gebiedsfonds voor de
zoutwinning en naar Schoonebeek, naar de tafel — dat ik voor andere
vormen van mijnbouw ook tot dit soort afspraken wil komen. Gelukkig
hebben we nu voor de gaswinning een uniforme systematiek. Zoiets zou ik
dus ook voor andere typen activiteiten willen doen. Dat bespreek ik in
alle contacten die ik heb met die sectoren, ook in aanloop naar het
programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond.
De heer Köse vroeg of ik kan ingaan op welke opties ik nog zie voor
verbetering van het huidige instrumentarium om de investeringszekerheid
voor geothermie te vergroten. Op dit moment onderzoeken we voor
warmtebronnen, waaronder geothermie, welk instrumentarium het meest
passend is om de investeringszekerheid te vergroten en warmteprojecten
daadwerkelijk van de grond te krijgen. Bij aardwarmteprojecten zie je
dat het voornaamste risico aan de voorkant ligt, bij de kapitaaluitgave.
Aan de andere kant zie je onzekerheden of drempels, beter gezegd, op het
gebied van geologische onzekerheden, misboringen, beperkte
winstgevendheid, stikstofbeperkingen en netcongestie. We werken nu aan
het stimuleringstraject ontwikkeling aardwarmte. Daarin zoeken we naar
een passende set instrumenten om de geothermieprojecten verder te
stimuleren.
Dan vroeg de heer Jumelet naar de uitkomst van het gesprek met de ACM
over de rol van warmtebronnen in het prioriteringskader. De ACM heeft
het prioriteringskader aangepast in overleg met diverse partijen,
waaronder partijen op het gebied van collectieve warmte. De
warmtebronnen zijn nu opgenomen onder categorie 3, de zogenaamde
basisbehoeften. De leverancier van warmte kan dus prioriteit voor
transportcapaciteit aanvragen. Wellicht ten overvloede: het is
natuurlijk wel afhankelijk van de beschikbare transportcapaciteit in een
gebied of er daadwerkelijk transportcapaciteit gegeven kan worden aan
prioritaire partijen in de wachtrij.
Dan het Europese Grids Package. De heer Jumelet vroeg mij of daar nog
een aanknopingspunt zit voor de ontwikkeling voor aardwarmteprojecten.
In het Grids Package zit REDIII. Dat is de herziene richtlijn voor
hernieuwbare energie. Die raakt ook aan warmtenetten. Daarin wordt
gesteld dat dat ook trajecten zijn met een hoger openbaar belang. Het
voorstel bevat ook bepalingen over het ontbreken van alternatieve
oplossingen en het inzetten van compenserende maatregelen in het kader
van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water voor
hernieuwbare energieprojecten, zoals warmtenetten. Daarin zitten dus
haakjes om ook deze projecten verder te stimuleren.
De heer Jumelet vroeg ook naar de rijksinzet voor het afsprakenkader
voor de versnelde ontwikkeling van geothermie. Ik deel met de heer
Jumelet — ik dacht dat ook de heer Köse daar een opmerking over maakte —
het belang van geothermie, maar we zien ook dat die ontwikkeling
stagneert. Daarom is er een rijksregisseur aangesteld. Die
inventariseert knelpunten en maakt samen met sectorpartijen en
kennisinstellingen een aanpak om die knelpunten weg te nemen. Het
streven is om voor de zomer dat inzicht te hebben en met de
sectorpartijen overeenstemming te hebben over een aanpak.
Voorzitter. Mevrouw Teunissen vroeg mij nog naar ISDS in bilaterale
verdragen. Zij vroeg of dit beleid hindert en of we hier niet vanaf
moeten, en of ik daar met de staatssecretaris nog verdere inzet op wil
plegen. Die bepalingen hinderen mij niet in het voeren van
klimaatbeleid. Daar kan ik dus gewoon mee doorgaan in de periode dat dit
kabinet nog aan het werk is. De vraag of we verdragen willen of moeten
aanpassen — volgens mij zei mevrouw Teunissen zelfs "opzeggen" — is echt
een bredere vraag. Ik acht het niet meer realistisch dat dit kabinet dat
doet. Dat is echt aan een volgend kabinet.
Voorzitter, volgens mij heb ik dan de vragen beantwoord.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik kijk even of dat het geval is.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch nog even een vraag over de uitspraak van gisteren. Gisteren
heeft de rechtbank geoordeeld dat Nederland onrechtmatig heeft
gehandeld, dat Nederland veel meer moet doen om klimaatverandering tegen
te gaan. Ik begrijp eigenlijk uit het debat van vandaag dat de minister
toch geen echt afbouwpad heeft. Ze spreekt van het dempen van versnelde
afbouw, terwijl afbouw nu wel echt nodig is. Dat was al het geval voor
de uitspraak van gister, maar dat is nu alleen nog maar urgenter
geworden. Mijn vraag aan de minister is dus: wat zou de minister haar
opvolger meegeven, zodat de Staat niet opnieuw op de vingers wordt
getikt?
Minister Hermans:
Ik zei al: die uitspraak zijn we al aan het bestuderen. Dat verdient de
uitspraak ook, dus dat doen we. Welke acties en op welke manier we daar
opvolging aan geven, is aan een volgend kabinet. Wat ik tegen mijn
opvolger zal zeggen ... Ik vind dat je een beetje terughoudend moet zijn
met advisering, maar ik zou het volgende zeggen. Dat is eigenlijk een
beetje waar ik net een interruptiedebat met mevrouw Teunissen over had.
Deze energietransitie doen we voor verduurzaming, om dit land schoon
door te geven, voor onze economie en voor onze veiligheid. Daar moeten
we mee doorgaan. Dat is wel een complex vraagstuk. Het vraagt om het
aanpakken van knelpunten en van randvoorwaarden in de uitvoering. Het
vraagt om omgaan met een ingewikkelde marktsituatie in de windsector.
Het vergt het verder verantwoord afbouwen van gaswinning. En dat
allemaal in een geopolitiek onrustige situatie. Je moet op al die sporen
doorgaan. Je moet ze steeds in samenhang bezien. Maar een tegenvaller of
een tegenslag moet niet een reden zijn om even niks te doen, maar om
soms teleurstelling en frustratie om te zetten in energie om een
oplossing te verzinnen en weer een stap vooruit te zetten.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat heer Jumelet nog een interruptie wil. Of was hij
naar het publiek aan het zwaaien? Misschien moeten we dat allemaal even
doen, dan hebben we dat ook maar gehad. Het is heel goed dat u contact
onderhoudt, meneer Jumelet.
Minister Hermans:
"Oant sjen" hadden we dan moeten zeggen.
De voorzitter:
De heer Van den Berg wil wel echt interrumperen.
De heer Van den Berg (JA21):
Ja, zeker. Dit was in de stijl van de heer Krul, zoals het gisteren
ging. Of was het eergisteren? Ik heb toch nog een nabrander voor de
minister. We hadden het net over de vulgraad van de gasopslagen. Ik
vraag me eigenlijk af bij welke vulgraad, bij welk percentage, in de
komende maand de minister alsnog reden voor ingrijpen ziet.
Minister Hermans:
Dat is niet zo op een getal te prikken, omdat het van heel veel factoren
afhankelijk is. Zoals ik al zei, zijn het niet alleen de opslagen die we
gebruiken in de winter. De opslagen zijn een aanvulling op het gas dat
Nederland binnenkomt. Dat geldt voor het gas dat via een pijpleiding uit
Noorwegen komt — dat noem ik maar even de traditionele route — maar
vooral voor de import van lng. Die schepen blijven gewoon binnenkomen.
Daar zien we gelukkig dus geen verandering in. Dat is stabiel. Ik blijf
het wel monitoren, want in deze instabiele periode vind ik dat we niet
achterover kunnen leunen. De prijsontwikkelingen kunnen mogelijk ook een
invloed hebben. Ik kan en ga hier dus ook niet één percentage op
prikken. Ik geef hier wel de toezegging dat ik het scherp in de gaten
hou en hier echt met grote regelmaat met collega's op het ministerie
over spreek.
De heer Van den Berg (JA21):
U heeft het zelf al over de prijsontwikkelingen. Het was misschien een
beetje flauw om zo te beginnen, maar ik denk dat de prijsontwikkelingen
er an sich al voor zorgen dat de vraag weer minder wordt. We hebben in
de afgelopen maand namelijk weer een gasprijsstijging van 30% voorbij
zien komen. Kortom, ik vraag mij toch af of we niet juist meer aan de
markt moeten overlaten en als overheid de grip op de vulgraden moeten
loslaten. Juist de grip erop heeft er namelijk voor gezorgd dat we
überhaupt met zulke lage vulgraden de winter ingingen.
Minister Hermans:
Volgens mij ligt het iets genuanceerder. De gasmarkt is een
Noord-Europese markt, waarin marktpartijen een rol hebben. Die vullen de
gasopslagen en onttrekken het gas daaruit, om dat te kunnen leveren aan
hun klanten. De overheid stelt een nationaal vuldoel vast. Afgelopen
jaar hadden we dat op 80% gezet. Ook hebben we een Europese
vulverplichting, die op 74% staat. Daar moeten we aan voldoen. Ook
landen om ons heen hebben die verplichting. Omdat we de afgelopen jaren
hebben gezien dat het weleens kan schommelen en dat er door allerlei
omstandigheden onzekerheden kunnen optreden, hebben wij EBN een vultaak
gegeven. Die is over de afgelopen jaren gegroeid. Zoals ik in het vorige
debat al aangaf, moet je daar altijd voorzichtig in opereren. In dit
hele vraagstuk moet je balanceren tussen leveringszekerheid,
betaalbaarheid en onafhankelijkheid. Dat is wat we doen bij de keuzes
die we maken en bij het monitoren van wat er gebeurt.
De heer Van den Berg (JA21):
De reden dat ik dit vraag is de volgende. We begonnen deze winter met
niet-gevulde gasopslagen. We hebben het vuldoel ook niet gehaald. Ik
denk dat dat juist de kern van het probleem is. Het perspectief van de
markt in eerdere jaren dat gas goedkoop ingekocht kon worden in de zomer
en met winst kon worden verkocht in de winter, is eigenlijk weggehaald
doordat we een omgekeerde prikkel hebben gerealiseerd. Nu gaan we
namelijk in de zomer extreem vullen. Daartoe zijn we ook verplicht. Je
ziet dat tegenwoordig de prijzen in de zomer vaak hoger zijn dan in de
winter. Nu is het gevolg dat we door de onvoldoende gevulde gasopslagen
zo slecht uitkomen. Dat vraagt een beetje om omdenken. Ik wil 'm dus
toch even opgooien, want wij maken ons hier wel zorgen om. De dwang
vanuit de EU en Nederland zit wat ons betreft namelijk de marktwerking
in de weg.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
De heer Van den Berg (JA21):
Kan de minister daarop reflecteren?
De voorzitter:
Oké. Kunt u reflecteren op deze analyse?
Minister Hermans:
Ik zeg hierop een paar dingen. De heer Van den Berg zei dat we slecht de
winter in gingen, omdat we de doelen niet gehaald hebben. Het klopt dat
we het streefdoel van 80% niet hebben gehaald, maar we voldoen gewoon
aan onze Europese vulverplichting. De gasmarkt is een verweven
Noord-Europese gasmarkt. Als je kijkt naar de omvang van de gasopslagen
in Nederland, dan zie je dat wij relatief grote gasopslagen hebben in
relatie tot ons verbruik, bijvoorbeeld in vergelijking met Duitsland.
Daarom is de onderlinge verbondenheid ook belangrijk: soms wordt er gas
uit onze opslagen gehaald dat dan naar Duitsland gaat; op andere
momenten komt er gas uit de Duitse opslagen naar Nederland. Zo helpen we
elkaar en zo vindt er balancering op deze markt plaats.
Nogmaals, het klopt dat we het vuldoel net niet hebben gehaald, maar we
hebben van GasTerra een analyse gekregen aan het begin van de winter
waarin stond: gegeven de huidige situatie verwachten wij dat je de
winter kunt doorkomen; hou in de gaten hoe je met je vultaak voor
volgend jaar omgaat. Ja, het vullen van de opslagen ging het afgelopen
jaar minder hard, omdat er een negatieve spread was. Het was dus minder
aantrekkelijk om de opslagen te vullen. Ook dat moeten wij in de gaten
houden, maar ik kan die prijs niet bepalen. Dan kom je bij de vultaak
van EBN en bij de vraag wanneer je er als overheid inspringt. Dat is de
balans tussen leveringszekerheid, betaalbaarheid en onafhankelijkheid.
Dat is wikken en … Nee, dat is niet wikken en wegen, want dat klinkt als
twijfelen, maar het is wel steeds balanceren en daarin keuzes maken die
passen bij de geopolitieke situatie van dit moment.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van
de minister, van de eerste termijn van het kabinet. Ik kijk of er
behoefte is aan een tweede termijn. Dat is het geval. Dan geef ik
mevrouw Van Oosterhout als eerste het woord. U heeft 1 minuut en 40
seconden.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebat willen
aanvragen.
Voorzitter. Ik begrijp dat het even tijd kost om de uitspraak van
gisteren te analyseren. Er lijkt ook nog steeds geen duidelijkheid te
zijn over de impact van de rechterlijke uitspraak over de scope
3-uitstoot. Des te noodzakelijker is het om nu geen onomkeerbare stappen
te zetten die de uitstoot alleen nog verder verhogen. Waarom trekt de
minister nu niet aan de noodrem?
We hoorden vandaag vaak het argument "als het veilig kan". Verschillende
onderzoeken moeten dat zogezegd bewijzen. De eerlijkheid gebiedt ons te
zeggen: zeker weten we het niet. De Groningers kregen immers ook
jarenlang te horen dat het veilig zou zijn, maar verschillende
aardbevingen later weten we beter. Dat het "veilig kan" klinkt eerder
als wensdenken vanuit de financiële belangen van de fossiele bedrijven
dan als een gedegen risicoanalyse. Er ligt nu een afbouwpad dat
eigenlijk niet afbouwt. Het lijkt erop dat we pas met boren gaan stoppen
als het gas op is. De mensen in het noorden blijven dan achter met de
schade. Sommigen denken dat het voldoende is om de schade en het leed af
te kopen, maar als Rijk hebben wij juist de verantwoordelijkheid om voor
onze mensen te zorgen. Dat betekent dat wij dat leed niet gaan
compenseren, maar voorkomen. Er is een akkoord met de sector, maar waar
is het akkoord met de mensen? U had het erover dat we richting de
fossiele sector een betrouwbare overheid moeten zijn, maar hoe zorgt de
minister ervoor dat we ook richting de mensen een betrouwbare overheid
zijn?
Ik wil toch nog even benadrukken dat in randvoorwaarde f van het akkoord
duidelijk staat dat overheden niks ontvangen tijdens de lopende
bezwaarprocedure, dus de minister kan niet doen alsof dit geen invloed
zou hebben op de afweging om in bezwaar te gaan. Hoe kan de minister
blijven volhouden dat het geen afschrikwekkende werking zou hebben om in
bezwaar te gaan?
Tot slot. Het is erg teleurstellend om in 2026 nog een akkoord te zien
over het uitbreiden van fossiel. Waar echt een sectorakkoord over zou
moeten komen, is het versneld afbouwen van fossiel en het uitbreiden van
hernieuwbare energie. Gaat de minister of haar opvolger ook werk maken
van een nationaal Noordzeepact, het versnellen van een isolatieoffensief
en een snelle uitrol van warmtenetten? Want daarmee houden we het gas op
de enige plek waar het thuishoort: onder de grond.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Jumelet, voor zijn tweede termijn.
De heer Jumelet (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor het uitgebreide
antwoord. Het is goed om hier met elkaar te spreken over een
sectorakkoord en over de andere onderwerpen, waaronder zeker ook de
afhandeling van schade. Het is duidelijk dat het gaat om een
verantwoorde afbouw. Dat vindt het CDA in ieder geval een heel goed
uitgangspunt. Voor het CDA staan de klimaatafspraken duidelijk voorop.
Daar moeten we met elkaar aan werken en die doelen moeten we
halen.
Ten aanzien van de leveringszekerheid zien we geopolitiek natuurlijk
allerlei zaken opdoemen waar we ons met elkaar wel zorgen over maken,
maar daar hebben we eerder al over gesproken.
Mijn derde punt is netcongestie. We hebben mijnbouwactiviteiten nodig om
daarin te kunnen balanceren.
Tot slot hebben wij toch nog wel wat vragen over de afhandeling van de
schade die steeds aan de orde is. De minister heeft net heel goed
aangegeven hoe zij daarop inzet heeft gepleegd. Daar hebben we heel veel
waardering voor. Wij overwegen hierover wel een motie in het
tweeminutendebat.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Köse.
De heer Köse (D66):
Voorzitter. Het kan heel kort, want het meeste is volgens mij al gezegd.
Ik kan de lijn van de heer Jumelet volgen. Ik denk dat er met dit
sectorakkoord een begin is gemaakt. Het is een goede eerste stap, maar
zoals genoemd zijn er echt verbeterpunten. Die zien wij ook. Die
betreffen met name het afbouwpad, maar ook hoe we de regio hier beter
bij betrekken. Denk aan de vraag die ik net stelde en die net ook
aangehaald werd. We maken ons echt zorgen over de rechtspositie. Maar we
zien echt de welwillendheid en het voordeel van dit akkoord. Beter met
dit akkoord dan zonder! Maar er zijn ook wel verbeterpunten.
Daar zou ik het graag bij willen houden.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Van den Berg ziet af van zijn bijdrage, zie ik. Dan
is het woord aan mevrouw Teunissen. O sorry, er is nog een interruptie
van mevrouw Van Oosterhout aan de heer Köse. Gaat uw gang, mevrouw Van
Oosterhout.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ik ben heel erg geschrokken van de uitspraken van D66 tijdens dit debat,
met name dat dit akkoord een stap vooruit zou zijn. Dat klinkt als een
duidelijk afscheid van de verkiezingsbeloften. Ik zou als antwoord dus
graag ja of nee willen horen: gaat het volgende minderheidskabinet nog
gasboring op land goedkeuren?
De heer Köse (D66):
Dit is nou de derde keer dat ik een vraag in deze trant krijg. De vraag
kan in woorden anders zijn, maar het antwoord blijft hetzelfde: we
houden gewoon vast aan onze verkiezingsbeloftes. We hebben daarin gezegd
dat we een duurzaam afbouwpad willen en dat het onze insteek is om te
stoppen met boren op de kleine velden. Zoals ik al aangaf is dat niet
veranderd. Er kan dus gezocht worden, maar we blijven nog steeds bij ons
standpunt. U gaat het vanzelf zien.
De voorzitter:
De heer Van den Berg gaat in de herkansing toch voor een bijdrage. Gaat
uw gang, meneer Van den Berg.
De heer Van den Berg (JA21):
Namens JA21 wil ik hier antwoord op geven. Als de vraag is of wij de
komende kabinetsperiode voor gasboring gaan, is het antwoord:
jazeker.
Toch nog even een knipoog naar de minister. Ik heb even gekeken. De
gasopslagen waren op 1 november voor 73% gevuld. Dat was toch 1% te
weinig! Of mijn data moeten ernaast zitten. Maar dat zei ik met een
knipoog. Mijn punt is meer dat we onze vulgraden op de lange termijn
hopelijk wel kunnen halen. Dan kunnen we onze energiezekerheid en
veiligheid borgen. Wat ons betreft is de markt daar juist een heel goed
middel voor. Het scheelt ook een heleboel garanties vanuit EBN.
De voorzitter:
Daar komt de minister straks nog op terug, denk ik. Ik zag een fanatieke
blik.
Minister Hermans:
Zeker.
De voorzitter:
Dat komt goed. Mevrouw Teunissen voor haar tweede termijn. Gaat uw gang,
mevrouw Teunissen.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Het is ons in dit debat heel duidelijk geworden dat dit
fossielesectorakkoord zo snel mogelijk van tafel moet. Er is niet
getoetst aan de klimaatdoelen. Dat je nu meer gas gaat winnen, is ook
niet te rijmen met de klimaatdoelen. We zouden gas juist moeten
afbouwen. In het sectorakkoord ontbreekt een concreet afbouwplan en er
ontbreken doelen. De minister zet de natuur op het spel door totaal geen
randvoorwaarden te stellen.
Voorzitter. Niet te vergeten: de klimaatzaak. Inmiddels zijn er meer
klimaatzaken gewonnen dan er klimaatmaatregelen zijn genomen. Mijn vraag
in de tweede termijn is dus of de minister bereid is om het
sectorakkoord in ieder geval op te schorten totdat er een duidelijke
appreciatie van het kabinet ligt van de klimaatzaak van gisteren. Zo
kunnen we zien of dit überhaupt nog doorgezet kan worden. Uiteraard
denkt mijn fractie dat dat niet het geval is. Ik zou de minister toch
echt willen vragen om het op te schorten. Laat het aan het volgende
kabinet. Het volgende kabinet moet aan de slag met het klimaatbeleid.
Als het kabinet nu zegt nieuwe gaswinning mogelijk te gaan maken, is dat
echt een beetje over het graf heen regeren. Die keuzes zijn echt aan een
volgend kabinet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng in tweede termijn. Ik wil het voorzitterschap
graag even aan u overdragen, mevrouw Teunissen.
Voorzitter: Teunissen
De voorzitter:
Uiteraard. Gaat uw gang, meneer De Groot namens de VVD.
De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel. Allereerst hartelijk dank voor de antwoorden van de minister
op de gestelde vragen. Ik zit nog een beetje te dubben welke kant we op
moeten met bijvoorbeeld Warffum voor wat betreft de lusten bij het
verlengen van het winningsplan. Ik zou op dat vlak toch graag meer
willen zien. Daar zal ik dus nog even over nadenken.
Ik sluit me wel aan bij de woorden van de heer Jumelet over de
vergoeding van schade in het noorden van Drenthe. Ik zal vast nog even
met de heer Jumelet in contact treden over wat hij precies in gedachten
heeft.
Over de zoutwinning in Groningen zou ik het volgende willen zeggen. Wat
heeft de minister nodig om nog meer te kunnen doen richting de provincie
Groningen? Wat is er nodig om toch met de provincie tot een soort
vergelijk te komen? We kennen er vaak de afloop van, op in ieder geval
de lange duur, als overheden met elkaar gaan procederen. De VVD ziet
heel veel van het kaartenhuis nu on hold gezet worden of misschien wel
in elkaar vallen. Dat is echt heel zonde. Wat ons betreft is het ook
echt niet nodig. Mijn vraag aan de minister is dus wat zij van ons als
Kamer nodig heeft om meer kracht te kunnen zetten om deze zaak in het
Groningse op te lossen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het voorzitterschap weer over aan de
heer De Groot.
Voorzitter: Peter de Groot
De voorzitter:
Dank u wel. Ik ga even heel kort schorsen: een minuut of tien, denk ik.
Dan vervolgen we met de tweede termijn van de kant van de
minister.
De vergadering wordt van 16.33 uur tot 16.41 uur geschorst.
De voorzitter:
Dames en heren, ik wil de vergadering graag weer heropenen. Dat doe ik
door de minister het woord te geven voor haar beantwoording van de
tweede termijn van de Kamer. Minister, gaat uw gang.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik begin met de vraag van mevrouw Van Oosterhout. Zij
vroeg waarom ik niet aan de noodrem trek, ook naar aanleiding van
gister. Nogmaals, die uitspraak wordt geanalyseerd. Daar komen we op
terug. Dat had ik ook toegezegd over die andere uitspraak, over scope 3
in de zaak van Greenpeace tegen de staat Noorwegen. Die toezegging heb
ik in de eerste termijn al herhaald: die analyse komt in het eerste
kwartaal. Het is dus niet dat we daar niks mee doen of dat we er niks
over weten. Er wordt hard nagedacht over hoe je dat op een goede manier
een plek geeft in de projecten die wij in Nederland doen. Maar de zaak
is niet een-op-een vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Het vraagt
dus gewoon even een nauwkeurige weging.
Voorzitter. Mevrouw Van Oosterhout vroeg ook of je, naast een akkoord
over gaswinning, niet ook iets met warmtenetten moet doen, en of er niet
ook een isolatieoffensief en een Noordzeepact moeten komen. Ja, het is
en-en-en. Er is een heel intensief programma om woningen te isoleren.
Daar moeten we mee doorgaan. We hebben net de Wet collectieve warmte
aangenomen in de Eerste Kamer. Nu komt het aan op de uitvoering en de
daadwerkelijke implementatie. Ook dat gaat dus door. Over een
Noordzeepact heb ik vaker gedebatteerd, met de vorige woordvoerder van
GroenLinks-PvdA, mevrouw Kröger. Ja, we moeten zorgen dat de
ontwikkeling van wind op zee doorgaat. Dat vraagt iets aan zowel de
aanbodkant als de vraagkant. Dat is ook de reden dat ik voor de kerst de
windsector aan tafel heb uitgenodigd bij de stuurgroep Verduurzaming
Industrie: om daar vraag en aanbod bij elkaar te brengen. Daar zijn wat
uitzoekdingen uit voortgekomen. Daar werken we aan verder. Ik kan me
voorstellen dat zo'n gesprek een vervolg krijgt onder een volgend
kabinet. Dus: die dingen moeten óók gebeuren. Ze gaan ook gewoon
door.
De voorzitter:
Mevrouw Van Oosterhout heeft een verduidelijkende vraag.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Ja, want mijn eerste vraag is nog niet beantwoord. Ik vroeg namelijk
niet of er nog duidelijkheid komt over scope 3 en de Greenpeacezaak. Ik
begrijp dat het even tijd kost. Mijn vraag was waarom de minister niet
nu aan de noodrem trekt, in afwachting van die analyses.
Minister Hermans:
Maar dat zou dan ... Ik weet niet precies wat mevrouw Van Oosterhout met
"de noodrem" bedoelt, maar laat ik het even doorvertalen naar wat
mevrouw Teunissen zegt: schort het Sectorakkoord gaswinning in de
energietransitie op. Daarop is mijn antwoord: dat ga ik niet doen. Ik
heb uitgelegd waarom ik zie dat we gas nog nodig hebben in de transitie.
Wel moeten we het afbouwen. Daar zijn we ook mee bezig, maar je moet dat
op een verantwoorde manier doen, om redenen die ik ook meermaals genoemd
heb. Aan die noodrem ga ik dus niet trekken. Ik bestudeer de uitspraken.
Ik kijk nu wat we moeten. Dat betreft niet alleen een duiding van wat de
rechter heeft gezegd, maar ook de vraag wat dat betekent qua acties voor
dit kabinet, evenals voor een volgend kabinet. Dat moet daar natuurlijk
afwegingen in maken.
De voorzitter:
Helder. Gaat u door met uw beantwoording.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Volgens mij had de heer Jumelet geen vragen meer aan
mij.
Ik kom bij de heer Köse. Hij zei dat het sectorakkoord een eerste stap
is. Dat deel ik. Ik denk dat het belangrijk is om zo'n stap te zetten.
Als je werkende weg samen tot voortschrijdend inzicht komt — "dit kan
beter", "dit moet anders" of "o, dit waren we vergeten" — en als je
daarover met alle betrokken partijen tot een vergelijk komt, dan kan je
zo'n akkoord natuurlijk altijd verbeteren of aanvullen. Dit akkoord is
niet eenvoudig of lichtvaardig of zo tot stand gekomen. Ik zeg dus niet
zomaar dat we morgen alles op zijn kop gaan zetten. Maar dat is ook niet
wat de heer Köse inbracht. We gaan dus gewoon aan het werk. Als we
denken dat er iets anders of beter kan, dan zullen we het natuurlijk
niet nalaten om dat te doen.
Dan het antwoord dat ik nog aan de heer Köse had beloofd, over
randvoorwaarde F uit het akkoord. Dat ziet op de batendeling op het
moment dat er een beroepsprocedure loopt. Kijk, de rechtsgang is een
belangrijk fundament in onze democratie, in onze rechtsstaat, en daar
wordt niet aan getornd. Dat doe ik dus ook niet. Die ruimte is er dus
altijd. Het uitgangspunt bij de batendeling is dat daar sprake van is
als er daadwerkelijk gas gewonnen wordt en er dus opbrengsten zijn. Dat
is de manier waarop we daar tot een afspraak zijn gekomen. Nou kan zich
de situatie voordoen dat een provincie, een medeoverheid of iemand in
beroep gaat en er dus een procedure loopt. Wat je dan vaak ziet, is dat
een mijnbouwbedrijf zal wachten op de uitkomst van die procedure voordat
er daadwerkelijk wordt overgegaan tot winning. Als dat het geval is,
heeft de voorwaarde zoals geformuleerd onder F, natuurlijk geen effect
op de batendeling, want die start pas vanaf de winning.
Een bedrijf kan dat echter wel doen en dus toch het risico nemen.
Gedurende de beroepsprocedure geldt de batendeling dan niet, maar — dat
zeg ik er wel bij — een gaswinningsproject is geen project van één of
twee jaar. Dat duurt echt wel een langere periode. Over die periode
vindt de batendeling dan natuurlijk gewoon plaats en dan gaat het echt
ook nog wel over substantiële bedragen. We willen ten aanzien van de
batendeling nu wel de stap zetten om daar een afspraak over te maken met
de sector. Dat alles afwegend heeft het er aan onze kant toe geleid dat
wij het op deze manier afspreken. De heer Van den Berg zei het met een
knipoog, dus dan zal ik het zo laten. Het gaat soms over afronding en
marges die zijn toegestaan.
Voorzitter, dan kom ik bij mevrouw Teunissen. Via een vraag van mevrouw
Van Oosterhout heb ik al het antwoord gegeven dat ik het nu niet ga
opschorten. Dat laat onverlet dat we die analyse doen, en wel grondig.
De acties die daaruit volgen en nodig zijn, zullen natuurlijk opgevolgd
moeten worden.
De voorzitter:
Dat leidt tot een verduidelijkingsvraag.
Mevrouw Teunissen (PvdD):
Zeker. De minister zegt steeds dat ze de uitspraak van de rechter van
gisteren gaat bestuderen. De rechter heeft gezegd dat er binnen achttien
maanden een plan moet liggen om te voldoen aan het Parijsakkoord. Kan de
minister aangeven hoelang die bestudering gaat duren? De andere
bestuderingen van rechtszaken duren namelijk ook nog voort. Wanneer zou
dit dan afgerond zijn?
Minister Hermans:
Ik kom zo snel mogelijk met een eerste reactie namens mijzelf samen met
de ministers van IenW en BZK, want dit raakt in sterke mate natuurlijk
ook klimaatadaptatie en de interbestuurlijke verhoudingen waar de
staatssecretaris van BZK verantwoordelijk voor is. Ik denk dat een
uitgebreidere reactie, inclusief hoe het geven van opvolging in termen
van acties eruitziet, echt aan een volgend kabinet is. Ik ben mij bewust
van de termijnen. Een volgend kabinet zal daarover gaan. Ik kan zeggen
"zo snel als mogelijk", maar ik kan daar nu niet een datum op plakken.
Ik zal echter wel een eerste reactie sturen.
Voorzitter. Tot slot was er een vraag van de heer De Groot over de
beroepsprocedures in Groningen. Wat kan daar nog? Ik zei net al en
herhaal dat hier dat ik niet ga tornen aan het recht en de mogelijkheid
die een medeoverheid heeft. Dat zal ik dus accepteren en respecteren.
Tegelijkertijd blijf ik in goed en constructief overleg met de provincie
om te kijken of we samen tot een oplossing kunnen komen, waardoor die
procedures mogelijk niet nodig zijn. Dat heb ik gedaan, dat doe ik en
dat zal ik blijven doen. Ik weet niet of het gaat lukken, maar ik zal
daar de energie in stoppen die ik heb in de tijd dat ik nog minister van
Klimaat en Groene Groei ben en dus hiervoor verantwoordelijk. Waarom
vind ik dat belangrijk? Ik heb de consequenties geschetst en die zijn
best vergaand. Daarom verdienen ze ook die energie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dank u wel voor uw beantwoording. We zijn hiermee bijna aan
het einde gekomen van het debat, maar we moeten nog even de toezeggingen
doornemen. Dat gaan we nu dan even doen. Ik noem dat altijd "de
administratie op orde brengen". De lijst is niet zo lang, dus dat
scheelt. Er is één toezegging.
De minister zal de Kamer een eerste analyse doen toekomen van de uitspraak van de rechtbank van Den Haag over de bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering, in Q1.
Dat heeft u net gezegd.
Minister Hermans:
Excuus, voorzitter. De uitspraak, waarover ik al eerder met mevrouw Van
Oosterhout van gedachten heb gewisseld, is de uitspraak in de zaak van
Greenpeace en meerdere organisaties tegen ... Die gaat over scope
3-emissies bij gaswinning. Daar volgt in het eerste kwartaal een analyse
van. Ik kom nog zo snel als mogelijk met een eerste reactie op de
Greenpeace-uitspraak van gisteren. Dan volgt er ongetwijfeld ook nog een
uitgebreidere reactie door het volgende kabinet.
De voorzitter:
Helder. Dan noteren wij dat zo. En ik moet zeggen dat er een
tweeminutendebat is aangevraagd door het lid Van Oosterhout namens
GroenLinks-Partij van de Arbeid. Zij zal de eerste spreker zijn.
Dat was het al. Ik kijk even rond. Ja, dat was het. Dan zijn we aan het
einde gekomen van dit commissiedebat. Allereerst wil ik de minister
bedanken voor haar aanwezigheid en voor de beantwoording van de vragen.
Natuurlijk dank ik ook haar ondersteuning en de ondersteuning die op
afstand zit. Ik wil eenieder op de publieke tribune en mensen die dit
commissiedebat op afstand hebben gevolgd hartelijk danken voor de
belangstelling. Dank aan de leden voor het debat. Dank ook aan de
Griffie voor de ondersteuning en de bodes voor het mogelijk maken van
deze commissievergadering. Ik sluit daarmee dit debat. Dank u wel.
Sluiting 16.52 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|