Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32317-995)
JBZ-Raad
Inbreng verslag schriftelijk overleg
Nummer: 2026D09243, datum: 2026-03-02, bijgewerkt: 2026-03-02 15:05, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: U. Ellian, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid (VVD)
- Mede ondertekenaar: B.A. Paauwe, adjunct-griffier
Onderdeel van zaak 2026Z03875:
- Indiener: D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
- Medeindiener: K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
- Medeindiener: G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Asiel en Migratie
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- Stemmingen en besluiten:
- 2026-03-03 15:45 ⇒ Rondgezonden en gepubliceerd. (Besluit)
- 2026-03-02 12:00 ⇒ Inbreng geleverd. (Besluit)
- 2026-03-02 12:00: JBZ Raad 5-6 maart 2026 (Brussel) (Inbreng schriftelijk overleg), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
- 2026-03-03 15:45: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-03-03 17:00: JBZ Raad (Brussel) (Commissiedebat), vaste commissie voor Asiel en Migratie
- 2026-03-19 12:00: Procedurevergadering Justitie en Veiligheid (Procedurevergadering), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
32317 JBZ-Raad
Verslag van een schriftelijk overleg
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de volgende brieven:
Geannoteerde agenda van de formele JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026 (Kamerstuk 32317, nr. 995);
Antwoorden op vragen commissie over o.a. de geannoteerde agenda van de informele JBZ-Raad van 22-23 januari 2026 (Kamerstuk 32317-989) (Kamerstuk 32317, nr. 991);
Verslag formele JBZ-Raad van 8 en 9 december 2025 (Kamerstuk 32317, nr. 987);
Verslag informele JBZ Raad 22-23 januari 2026 (Kamerstuk 32317, nr. 994);
Fiche: Mededeling Europese strategie justitiële opleiding 2025-2030 (Kamerstuk 22112, nr. 4237);
Verlenging interim derogatie van de EU-privacyregels om online kindermisbruik te bestrijden (Kamerstuk 32317, nr. 993);
Fiche: Mededeling DigitalJustice@2030 (Kamerstuk 22112, nr. 4236);
Fiche: Mededeling over het EU actieplan tegen drugshandel (Kamerstuk 22112, nr. 4243);
Fiche: EU-drugsstrategie (Kamerstuk 22112, nr. 4246);
Fiche: Herziening precursorenwetgeving (Kamerstuk 22112, nr. 4264).
Bij brief van … heeft de minister van Justitie en Veiligheid de vragen en gemaakte opmerkingen beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Ellian
Adjunct-griffier van de commissie,
Paauwe
Inhoudsopgave
I Vragen en opmerkingen vanuit de
fracties blz.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 4
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 6
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower 7
II Reactie van de minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
EU-Anticorruptierichtlijn
De leden van de D66-fractie constateren dat de Raad en het
Europees Parlement een akkoord hebben bereikt over de Europese
Anticorruptierichtlijn en dat deze naar verwachting op korte termijn zal
worden aangenomen. Nederland zal daaropvolgend tot de zomer van 2028
tijd krijgen voor het implementeren van de Richtlijn, waaronder de
strafbaarstelling van handelen in invloed. Deze leden vragen de minister
in hoeverre de regering voorbereidende maatregelen treft in aanloop naar
implementatie van de Richtlijn en welke stappen daar tot dusver in zijn
gezet. Daarbij vragen deze leden de minister expliciet in te gaan op de
voorbereiding van de strafbaarstelling van handelen in
invloed.
Voorts merken de leden van de D66-fractie op dat de
Anticorruptierichtlijn naast verplichte ook diverse optionele bepalingen
bevat op het terrein van preventieve maatregelen, zoals aanvullende
transparantieverplichtingen, integriteitsbeleid en institutionele
waarborgen. Deze leden vragen de minister uiteen te zetten of hij
voornemens is deze optionele bepalingen te implementeren en welke
afwegingen daarbij doorslaggevend zijn. Tevens vragen deze leden of de
minister bereid is in de Raad nadrukkelijk aandacht te vragen voor het
belang van een zo breed mogelijke toepassing van preventieve maatregelen
door de lidstaten.
De leden van de D66-fractie zijn zich ervan bewust dat verschillende
lidstaten reeds verdergaande anticorruptiemaatregelen kennen dan
Nederland. Zo is Nederland, met het implementeren van de Richtlijn, het
laatste EU-land dat handelen in invloed strafbaar zal stellen. Deze
leden vragen dan ook of de minister bereid is in de Raad actief best
practices op te halen bij andere EU-lidstaten met betrekking tot het
tegengaan van corruptie en handelen in invloed, zodat deze tijdig en
zorgvuldig kunnen worden betrokken bij de Nederlandse
implementatie.
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van het feit
dat er nog extra kansen liggen om het anticorruptiekader verder te
versterken. Zo noemt Transparency International ruimte om de regels
betreft bedrijfsverantwoordelijkheid aan te scherpen, minimumeisen te
introduceren met betrekking tot de transparantie over lobbyactiviteiten
en politieke financiering en om de rol van het maatschappelijk
middenveld te vergroten.1 Welke mogelijkheden ziet de minister
om op deze punten aanvullende nationale maatregelen te treffen in
aanvulling op de Europese Richtlijn, zo vragen de leden.
EU-Drugsstrategie
De leden van de D66-fractie constateren dat het EU-actieplan onder meer
inzet op het dichten van juridische mazen met betrekking tot
designerprecursoren en het verbeteren van de identificatie van
drugsgerelateerde stoffen. Deze leden wijzen er in dit verband op dat de
Kamer in mei 2022 de motie-Sneller (Kamerstuk 35954, nr. 7) heeft
aangenomen, waarin de regering werd verzocht te onderzoeken op welke
manier de mogelijkheid kan worden gecreëerd om de verkoop en het bezit
van nieuwe risicovolle middelen sneller en doelmatiger te reguleren.
Deze leden vragen de minister wat de stand van zaken is van de
uitvoering van deze motie en in hoeverre de bevindingen uit dit
onderzoek zijn betrokken bij de totstandkoming van de Nederlandse inzet
op het EU-actieplan. Specifiek vernemen deze leden graag welke
inspanningen zijn verricht om bij andere lidstaten steun te verkrijgen
om werk te maken van aanpassing van de regelgeving.
De leden van de D66-fractie vragen de minister op welke wijze de
voorgestelde EU-aanpak van designerprecursoren en synthetische drugs
concreet kan bijdragen aan snellere en doelmatiger regulering van nieuwe
risicovolle middelen in Nederland en of de EU-aanpak aanleiding geeft
het nationale instrumentarium, waaronder de mogelijkheid van een "lijst
0" zoals verkend naar aanleiding van de motie-Sneller, te heroverwegen
of te actualiseren.
De leden van de D66-fractie vragen de minister voorts of hij bereid is
in de Raad te bepleiten dat het EU-actieplan een expliciete actie
opneemt gericht op het harmoniseren van nationale early warning- en
snelreguleringsmechanismen voor nieuwe psychoactieve stoffen, zodat
lidstaten niet steeds achter de feiten aanlopen wanneer nieuwe middelen
op de markt verschijnen.
De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche2 dat
het kabinet binnen het EU-actieplan meer aandacht vraagt voor de aanpak
van criminele geldstromen. Deze leden onderschrijven dit, maar vragen de
minister of hij ook bereid is in Europees verband te pleiten voor meer
aandacht voor de vraagkant, te weten preventie en het voorkomen van
gebruik van nieuwe risicovolle middelen, naast de aanbod- en
handhavingskant waarop het actieplan primair is gericht. Deze leden
wijzen op de scheefgroei tussen de uitgaven aan de repressieve aanpak
ten opzichte van de preventieve kant in het Nederlandse drugsbeleid. Ook
op EU-niveau zien deze leden onvoldoende aandacht voor harm
reduction en een beleid dat het beschermen van de volksgezondheid
vooropzet, terwijl in steeds meer lidstaten de exclusieve focus op het
verbieden van drugs als meest effectieve strategie om de problemen aan
te pakken, wordt verlaten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Verlenging interimderogatie van de EU-privacyregels om
online kindermisbruik te bestrijden
De leden van de VVD-fractie hebben in het schriftelijk overleg
voorafgaand aan de informele Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van
22-23 januari 2026 vragen gesteld aan het toenmalige kabinet over de
verlenging van de tijdelijke regels over detectie van Child Sexual
Abuse Material (hierna: CSAM), zodat aanbieders vrijwillig kunnen
blijven scannen en dergelijk walgelijk materiaal kunnen verwijderen. Kan
de minister aangeven wat het standpunt van Nederland hierover is en
kunnen de eerder gestelde vragen van januari 2026 alsnog worden
beantwoord? En wanneer kan de Kamer de toegezegde brief hierover
ontvangen? Kan de minister hierin ook meenemen wat het standpunt is van
Nederland ten aanzien van de taken, bevoegdheden en locatie van het
EU-CSAM-centrum waarover wordt gesproken tijdens de trilogen over de
CSAM-verordening? Kan de minister voorts de laatste stand van zaken
geven van de voortgang van de trilogen?
Fiche: Mededeling over het EU-actieplan tegen
drugshandel
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche
over het EU-actieplan tegen drugshandel. Kan de minister aangeven wat
voor Nederland de allerbelangrijkste prioriteiten zijn in het actieplan?
Deze leden lezen dat het kabinet van mening is dat de brede,
multidisciplinaire en gebalanceerde drugsaanpak op het gebied van
gezondheid, veiligheid, maatschappij en schadebeperking slechts in zeer
beperkte mate terugkomt in het actieplan. Deze leden lezen ook dat het
kabinet stelt dat in de samenwerking met derde landen de nadruk ligt op
repressieve maatregelen, terwijl derde landen vragen voor aandacht voor
de gezondheidsaspecten van de drugsproblematiek. Deze leden vragen
hierover nadere verduidelijking van het kabinet. Welke derde landen
hebben dit gevraagd en waarom? Wat is de wettelijke grondslag op grond
waarvan de EU gezondheidsaspecten van drugsproblematiek zou moeten
aanpakken? Deelt de minister de mening van deze leden dat juist in het
kader van opsporing, vervolging, berechting en bestraffing van
drugscriminelen internationaal effectiever moet worden samengewerkt?
Deze leden missen in het actieplan concrete wetgevende initiatieven die
juist dat bevorderen. Deelt de minister dat?
De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het kabinet
terecht kritisch is dat de doelen in de vorige EU-drugsstrategie en het
EU-drugsactieplan weinig concreet en meetbaar zijn. Welke voorstellen
doet het kabinet zelf om meer SMART3-geformuleerde concrete
meetbare doelen in het EU-drugsactieplan op te nemen? Welke indicatoren
stelt het kabinet voor? Worden er nulmetingen gedaan? En zo niet, waarom
niet? Hoe gaat het kabinet beoordelen of de doelen uit het actieplan
straks daadwerkelijk zijn bereikt? Deze leden merken op dat de wens van
het kabinet om het actieplan te verbreden naar ‘gezondheidsaspecten van
drugsbeleid' etc., ook ertoe leidt dat het lastiger wordt om
SMART-geformuleerde doelen op te nemen en indicatoren op te nemen om te
meten of de doelen worden bereikt. Is het kabinet dat met deze leden
eens? Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.
De leden van de VVD-fractie zijn het eens met het initiatief van de
Commissie om samen met lidstaten en de transportsector de mogelijkheden
te onderzoeken voor het verder versterken van het bestaande Europese
Advance Passenger Information (API)/Passenger Name Records
(PNR)-raamwerk, als maatregel om grensoverschrijdende samenwerking bij
de aanpak van georganiseerde misdaad te intensiveren. Kan de minister
concreet aangeven aan welke uitbreidingen wordt gedacht?
Toekomst van Europol
De leden van de VVD-fractie stellen dat Europol belangrijk werk
verricht bij informatie-uitwisseling tussen lidstaten in diverse
grensoverschrijdende politieonderzoeken. Deze leden vragen of de
minister de inzet van Nederland nader kan verduidelijken bij het
agendapunt over de toekomst van Europol. Is de minister van mening dat
Europol ook een explicietere rol moet krijgen bij de aanpak van hybride
dreigingen? Hoe staat hij tegenover uitbreiding van het mandaat van
Europol? Welke uitbreidingen hebben lidstaten recentelijk
voorgesteld?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen
van de geannoteerde agenda en de bijbehorende stukken. Deze leden hebben
vragen en opmerkingen over de Europese CSAM-verordening en zaken op het
gebied van privacy en rechtsbescherming.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie blijven onverminderd kritisch op
het voorstel voor de CSAM-verordening. Massasurveillance maakt iedereen
digitaal onveiliger en is nooit een oplossing voor zaken als grooming en
onlinemisbruik. Deze leden vragen de minister om de stand van zaken van
de CSAM-verordening. Hoe ver is de triloogfase gevorderd? Op welke
manieren oefent de minister invloed uit op deze onderhandelingen, zodat
ook de zorgpunten rondom privacy – genoemd door de Algemene
Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) – worden weggenomen?
Hoe voert de regering de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk
32317, nr. 981) uit, die vraagt om blijvend verzet tegen de
CSAM-verordening én om zich in te zetten om kwalijke verplichtingen uit
het voorstel te slopen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben zorgen over het verlengen
van de derogatie op de e-Privacyrichtlijn. Met deze voorziening kunnen
providers van onlinediensten nog langer, als uitzondering op de Europese
privacyregels, hun netwerk scannen op verdacht gedrag. Dit is een
verstrekkende bevoegdheid die nu niet wordt beperkt door de wet. Hoe
kijkt de minister naar deze verlenging van twee jaar? Enerzijds
benadrukken deze leden dat er betrouwbare Europese regelgeving nodig is
om onlinemisbruik te voorkomen, met keiharde grenzen aan hoe gegevens
hiertoe verzameld en gedeeld mogen worden. Anderzijds begrijpen deze
leden dat het aflopen van de derogatie ook extra druk zet op de
onderhandelingen over de CSAM-verordening, waardoor de druk toeneemt om
deze gemankeerde regelgeving onzorgvuldig aan te nemen. Hoe kijkt de
minister naar de spanning tussen de verlengde derogatie en de
CSAM-verordening?
Tot slot zijn de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie waakzaam voor de
decryptiemogelijkheden die in het kader van ProtectEU ontwikkeld worden
bij Europol. Deze leden menen dat elke poging om het recht op
end-to-endencryptie te omzeilen, te doorbreken, of onmogelijk te maken,
afbreuk doet aan de cyberveiligheid van burgers. Dit is echter wel een
van de doelen van de ProtectEU-agenda alsmede van de Commissie haar
"Roadmap for effective and lawful access to data for law enforcement.”
Dit zou verplichtingen stellen aan onder andere Meta WhatsApp en Apple
iMessage om encryptie te verzwakken. Dit is technisch en cryptologisch
een enorme uitdaging, maar gaat ook uit van medewerking door bedrijven
als Meta en Apple. Deze leden achten het onvoorstelbaar om in dit
tijdsgewricht te rekenen op de medewerking van Amerika, om zijn
versleutelde chattoepassingen toegankelijk te maken voor de EU. Hoe
schat de minister dit in? Deelt hij de opvatting dat dit een doodlopend
en onwerkbaar spoor zal blijken? Ook vragen deze leden aan de minister
wat in algemene zin het standpunt van dit kabinet is over encryptie en
het ontwikkelen van decryptiemogelijkheden en op welke wijze Nederland
invloed zal uitoefenen op deze plannen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen
van de geannoteerde agenda van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken op
5 en 6 maart 2026 te Brussel. Deze leden maken van de gelegenheid
gebruik om nog een enkele vraag te stellen aan de minister hierover.
Werklunch: voortgezet crimineel handelen in detentie
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdens de werklunch zal worden gesproken over voortgezet crimineel handelen vanuit detentie, mede in het licht van het EU-actieplan tegen drugshandel (2026–2030). Deze leden onderschrijven dat detentie daadwerkelijk moet leiden tot het doorbreken van criminele netwerken. Deze leden vragen de minister welke concrete aanvullende Europese maatregelen hij wenselijk acht om te voorkomen dat high-risk gedetineerden hun criminele activiteiten vanuit detentie blijven aansturen. Acht de minister het huidige instrumentarium toereikend of is verdere aanscherping, bijvoorbeeld ten aanzien van communicatiebeperkingen en informatie-uitwisseling, noodzakelijk?
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat verschillen tussen detentieregimes in lidstaten leiden tot verplaatsing van criminele aansturing naar landen met minder strenge regimes.
Conclusies over de toepassing van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie 2026
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de Raadsconclusies wordt
benadrukt dat naleving van rechtsstaat en grondrechten voorwaarde is
voor ontvangst van EU-middelen. Deze leden vragen de minister hoe deze
koppeling in de praktijk functioneert en of dit instrument volgens hem
effectief wordt ingezet wanneer lidstaten structureel tekortschieten in
de naleving van rechtsstatelijke beginselen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de
stukken die zijn geagendeerd voor het schriftelijk overleg over de
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-raad). Deze leden vinden het
belangrijk om duidelijk te maken dat zij online seksueel kindermisbruik
en georganiseerde drugscriminaliteit hard willen aanpakken. Slachtoffers
moeten worden beschermd en daders moeten worden opgespoord en vervolgd.
Tegelijkertijd mag de aanpak van zware criminaliteit er niet toe leiden
dat onschuldige burgers hun fundamentele rechten kwijtraken. Zeker
wanneer Europese voorstellen raken aan digitale communicatie en
dataverzameling, is voorzichtigheid nodig.
De leden van de Groep Markuszower hebben met zorg kennisgenomen van de
brief van de minister van Justitie en Veiligheid van 23 januari 2026
over de verlenging van de interimderogatie op de ePrivacyrichtlijn. Deze
leden zien dat opnieuw wordt voorgesteld om een tijdelijke uitzondering
op privacyregels te verlengen. Die uitzondering is inmiddels al meerdere
keren verlengd. Daardoor krijgt zij steeds meer een vast karakter. Dat
roept de vraag op hoe tijdelijk deze regeling nu eigenlijk nog is en
waar de minister de grens trekt.
In de brief spreekt de minister over vrijwillige detectie door
aanbieders van communicatiediensten. De leden van de Groep Markuszower
zetten daar vraagtekens bij. In de praktijk moeten aanbieders risico’s
inschatten, maatregelen nemen en meldingen doen. Doen zij dat niet, dan
kunnen zij daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Deze leden vragen in
hoeverre er dan nog echt sprake is van vrijwilligheid. Is er voor
bedrijven nog een echte keuze of worden zij door regels en risico’s in
feite gedwongen om te detecteren?
Ook maken de leden van de Groep Markuszower zich zorgen over het steeds
opnieuw verlengen van een maatregel die ooit nadrukkelijk tijdelijk was
bedoeld. Wat maakt deze verlenging anders dan eerdere verlengingen,
behalve dat zij opnieuw twee jaar duurt? Kan de minister uitsluiten dat
over twee jaar weer wordt gezegd dat verlenging nodig is, omdat de
CSAM-verordening nog steeds niet is afgerond? En hoe voorkomt de
minister dat een tijdelijke uitzondering op het briefgeheim langzaam als
normaal wordt gezien?
De minister erkent in de brief dat er zorgen blijven bestaan over
privacy, grondrechten en digitale veiligheid. De leden van de Groep
Markuszower delen die zorgen. Deze leden vragen de minister om concreet
te maken welke risico’s het kabinet ziet bij deze verlenging en hoe
zwaar die risico’s hebben meegewogen in de besluitvorming. Ook vragen
deze leden welke rol het oordeel van de AIVD hierbij heeft gespeeld.
Daarbij vragen deze leden hoe het steunen van deze verlenging past bij
eerdere waarschuwingen van het kabinet over massasurveillance en druk op
end-to-endencryptie.
Verder merken de leden van de Groep Markuszower op dat het kabinet zelf
stelt dat er geen goede en proportionele technologie bestaat om grooming
en onbekend materiaal te detecteren. Toch blijft het gebruik van
dergelijke technologie onder de derogatie toegestaan. Deze leden vragen
waarom daarvoor is gekozen en hoe wordt voorkomen dat aanbieders deze
middelen alsnog inzetten, met het risico dat grote groepen onschuldige
gebruikers worden geraakt.
Bovendien vragen de leden van de Groep Markuszower hoe geloofwaardig het
is dat deze verlenging los zou staan van de CSAM-verordening. In de
praktijk draagt het voortzetten van vrijwillige detectie bij aan het
steeds normaler maken van toezicht op privécommunicatie. Waarom kiest
het kabinet er dan niet voor om tegen te stemmen en een duidelijk
signaal af te geven dat Nederland deze richting niet acceptabel
vindt?
De leden van de Groep Markuszower vinden het daarnaast belangrijk om de
discussie over CSAM te verbinden met de voorstellen over het
EU-actieplan tegen drugshandel en de EU-drugsstrategie. In het
CSAM-dossier wijst het kabinet terecht op de risico’s van grootschalige
dataverzameling en toezicht. Tegelijkertijd zien deze leden dat in de
aanpak van drugscriminaliteit steeds vaker wordt ingezet op het
verzamelen en analyseren van grote hoeveelheden gegevens, zoals
passagiersinformatie, logistieke data en onlinegegevens, vaak zonder dat
sprake is van een concrete verdenking.
Deze leden vragen daarom hoe de minister voorkomt dat onder het mom van
drugsbestrijding opnieuw grootschalige dataverzameling van onschuldige
burgers plaatsvindt, vergelijkbaar met de zorgen die het kabinet zelf
uit bij de CSAM-voorstellen. Hoe wordt voorkomen dat losse maatregelen
binnen het JBZ-domein samen uitgroeien tot een systeem van permanent
toezicht, zonder dat daar ooit expliciet politiek voor is gekozen?
Ook vragen de leden van de Groep Markuszower aandacht voor de rol van
Europese agentschappen. In de stukken wordt gesproken over intensieve
samenwerking en het delen van informatie, terwijl tegelijk wordt erkend
dat sommige organisaties formeel geen bevoegdheid hebben op dit terrein.
Hoe voorkomt de minister dat bevoegdheden op deze manier stap voor stap
worden uitgebreid, zonder duidelijke politieke besluitvorming en zonder
voldoende controle?
II Reactie van de minister
Zie Transparency International, 'Voor het eerst een Europese Richtlijn tegen corruptie’, 17 december 2025: Voor het eerst een Europese richtlijn tegen corruptie.↩︎
Fiche Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen.↩︎
Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdgebonden.↩︎