Conceptverslag Eerstelijnszorg
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D16265, datum: 2026-04-01, bijgewerkt: 2026-04-07 17:36, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-01 13:00: Eerstelijnszorg (Commissiedebat), vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Preview document (š origineel)
Tweede Kamer, Eerstelijnszorg
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 1 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 26 november 2024 inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg van 7 november 2024 over doorgeven van ova-middelen binnen de apotheekzorg (29689, nr. 1272);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 november 2024 inzake Waarborgfonds voor de Zorgsector in relatie tot huisartsenzorg (36600-XVI, nr. 108);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 december 2024 inzake reactie op verzoek commissie over de brief van NVM-mondhygiƫnisten inzake mondzorg (33578, nr. 138);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 december 2024 inzake advies van de NZa over de bekostiging van tolken in de huisartsenzorg (36600-XVI, nr. 152);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 17 december 2024 inzake onderzoek casemanagement dementie (29689, nr. 1274);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 april 2025 inzake beleidsreactie op rapport "Focus op huisartsentekort" van de Algemene Rekenkamer (33578, nr. 141);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 april 2025 inzake onderzoek "Patiƫntenstops bij huisartsenpraktijken" van Nivel (33578, nr. 140);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 25 april 2025 inzake eindrapport Passende aanspraak fysio- en oefentherapie (31765, nr. 916);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 mei 2025 inzake antwoorden op vragen commissie over het onderzoek "Patiƫntenstops bij huisartsenpraktijken" van Nivel (Kamerstuk 33578-140) en over de beleidsreactie op het rapport "Focus op huisartsentekort" van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk 33578-141) (33578, nr. 157);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 juni 2025 inzake eerstelijnsapotheekzorg (33578, nr. 160);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 juli 2025 inzake stand van zaken versterken eerstelijnszorg (33578, nr. 162);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 30 september 2025 inzake rapport Co-Med. Verslag van een lerende evaluatie (33578, nr. 165);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 november 2025 inzake toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg (33578, nr. 167);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 12 november 2025 inzake reactie op petitie met betrekking tot vergoeding van fysiotherapie voor mensen met osteoporose (29689, nr. 1319);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 20 oktober 2025 inzake stand van zaken moties en toezeggingen fysiotherapie (33578, nr. 166);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 10 december 2025 inzake mondzorg en financiƫle toegankelijkheid (32620, nr. 312);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 12 december 2025 inzake reactie op verzoek commissie over het artikel Duizenden patiƫnten kunnen bij geen andere huisartspraktijk terecht (33578, nr. 169);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 maart 2026 inzake antwoorden op vragen commissie over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg (Kamerstuk 33578-167) (33578, nr. 171);
de brief van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 9 februari 2026 inzake voortgang marktonderzoek paramedische zorg (deel 2) (33578, nr. 170);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 maart 2026 inzake AZWA-afspraken huisartsenzorg (33578, nr. 172);
de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 maart 2026 inzake antwoorden op vragen commissie over mondzorg en financiƫle toegankelijkheid (Kamerstuk 32620-312) (32620, nr. 313).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Mohandis
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Heller
Aanwezig zijn dertien leden der Kamer, te weten: Bevers, Van Brenk, Bushoff, Claassen, Coenradie, Diederik van Dijk, Dobbe, Maeijer, Van Meijeren, Mohandis, Poortman, Vervuurt en Wiersma,
en mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Aanvang 13.02 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom bij het
commissiedebat over de eerstelijnszorg. Er is veel belangstelling, niet
alleen hier, maar ook op afstand, via het scherm. Er zijn veel fracties
aanwezig. Dat is hartstikke goed. U bent goed vertegenwoordigd. Ook het
kabinet is goed vertegenwoordigd: niet ƩƩn minister, maar zelfs twee.
Dat is hartstikke goed. Fijn dat u er bent.
Voordat we beginnen, loop ik de aanwezige fracties nog even langs: de
heer Claassen van de Groep Markuszower, mevrouw Coenradie van JA21, de
heer Van Dijk van de SGP-fractie, mevrouw Van Brenk van 50PLUS, mevrouw
Maeijer van de PVV-fractie, mevrouw Wiersma van BBB, de heer Poortman
van de CDA-fractie, de heer Bevers van de VVD, de heer Bushoff van
GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Vervuurt van D66 en mevrouw
Dobbe van de SP. Zoals u weet, heeft u allemaal vier minuten spreektijd.
Gezien de opkomst en de tijd, heeft u in de eerste termijn drie
interrupties onderling. Ik kijk straks hoe we het gaan doen met de
interrupties in de termijn van de bewindspersonen. Dat is afhankelijk
van hoe het verloopt. Meneer Claassen, het woord is aan u.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb eerst een opmerking, voorzitter. Blijkbaar wilde niemand op de
eerste plek zitten. Dat mag. Er is nog plek. Ik zit hier omdat ik nu ook
een plenair debat heb. Ik doe mijn inbreng en probeer hier zo lang
mogelijk te blijven, maar ik zal terug moeten naar de plenaire zaal. Dat
heeft niets te maken met desinteresse, juist niet. Maar ja, jezelf in
tweeƫn splitsen is een lastig fenomeen. Ongeveer 2.000 jaar geleden
lukte dat nog weleens, maar sinds die tijd niet meer. Ik ga beginnen aan
mijn inbreng.
De voorzitter:
Helemaal goed dat u dat nog even zegt. Dat is allemaal prima. Omdat ik
al heb bepaald dat dit de volgorde is, bent u nu gewoon als eerste. Dat
is ook voor mijn eigen administratie overzichtelijk. De heer Van
Meijeren van Forum voor Democratie is ook aangeschoven; welkom. Meneer
Claassen, aan u het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Mijn inbreng zal voornamelijk gaan over huisartsenzorg en
apotheekzorg in relatie tot het AZWA-praktijkhouderschap. Er wordt
gesteld dat er geen huisartsentekort is. Aan de andere kant wordt gezegd
dat er wel een huisartsentekort is. Ik ben benieuwd naar de visie van
het huidige kabinet op het huisartsentekort. Is er een huisartsentekort
of is er een overschot aan vraag? Of wordt die vraag niet goed
gereguleerd? Kan dat dan anders?
Ook tijdens de vorige kabinetsperiode was het een discussiepunt. We zien
een recordaantal aan huisartsen, namelijk 1 per 1.250 inwoners. Dat
klinkt geruststellend, maar het is een gemiddelde. Dat gemiddelde wordt
losgezongen van de werkelijkheid. Tienduizenden mensen hebben geen
huisarts en honderdduizenden zoeken er een. In 2024 had 60% van de
praktijken een patiƫntenstop. In sommige regio's lag dat percentage
boven de 75%. Bijna 80% van de huisartsen ervaart structureel een te
hoge werkdruk. De vraag is dus niet hoeveel huisartsen er op papier
zijn; de vraag is hoeveel patiƫnten er daadwerkelijk toegang hebben tot
huisartsenzorg.
De minister wijst naar organisatie en spreiding, maar dat lijkt ons geen
verklaring. Dat is volgens ons een erkenning van het punt dat het
systeem niet meer goed functioneert. Als de aantallen er zijn, maar de
toegang ontbreekt, zit het probleem in de systemen en hoe we het hebben
ingericht. Het AZWA is het centrale instrument van dit kabinet, met
vaste patiƫntenpopulaties en het landelijke ruil- en inschrijfsysteem.
Meer regie op spreiding is de doelstelling, maar is dat scherp genoeg?
Het doel ligt op eind 2028. Dat is ver weg voor iemand die vandaag geen
huisarts heeft. Het is geen afdwingbare norm. Het is zelfs een
voornemen. We willen weten wanneer dat inschrijfsysteem operationeel is,
dus niet een stip op de horizon. Wat gebeurt er als regio's
achterblijven en achter gaan lopen? Welke interventies volgen dan? Wat
zijn dan de plannen van de regering? Of blijven we monitoren wat het
systeem niet oplost of wat ooit wel opgelost wordt?
Voorzitter. Juist bij praktijkhouders ligt een grote druk. Er is een
tekort aan praktijkhouders, de huisvestingskosten lopen op en de
bekostiging beweegt niet mee met de huidige situatie. De minister noemt
een handreiking, maar een handreiking financiert geen pand. Hoeveel
praktijkhoudende huisartsen zijn er het afgelopen jaar netto bij
gekomen? Is de minister bereid verder te gaan met een nationaal
garantiefonds voor praktijkruimten en structurele tariefsverhoging? Kan
ze daar een toezegging op geven?
Voorzitter. Tegelijkertijd worden praktijken opgekocht. Private equity
betreedt de eerstelijnszorg, niet als beleid, maar omdat het systeem de
verkeerde richting beloont. Als praktijkhouderschap financieel
onaantrekkelijk wordt, ontstaat er ruimte voor kapitaal. Is de minister
bereid grenzen te stellen aan de opkoop van huisartsenpraktijken?
Dan iets over apotheekzorg. De bekostiging volgt de werkelijkheid niet,
vinden wij. Initiatieven zoals ontpillen leveren weinig besparing op met
minder medicatie, betere uitkomsten en lagere kosten, maar die
besparingen verdwijnen elders in het systeem. Het gevolg is dat
initiatieven stoppen zodra de financiering afloopt. Is de minister
bereid budgetverschuiving te koppelen aan taakverschuiving? En is zij
bereid ā daar vraag ik ook een toezegging op ā om medicatiebeoordelingen
buiten het eigen risico te plaatsen? Dat is zorg die juist complicaties
op langere termijn voorkomt.
Dan nog iets over dividend, voorzitter, als ik daar de tijd voor heb. Er
is 311 miljoen aan dividend uitgekeerd door 802 aanbieders op een
sectoromzet van 123 miljard. Dat zijn de cijfers, maar die zijn zelfs
nog onvolledig, want eenmanszaken en maatschappen blijven buiten beeld.
We kijken naar een deelverzameling, maar we presenteren dit als een
geheel. Is de minister bereid pas beleidsconclusies te trekken op basis
van een volledig beeld?
Voorzitter. De vraag is wat de minister dus concreet gaat veranderen,
want dit systeem nadert zijn breekpunt. De vergrijzing drukt harder op
de eerste lijn dan ooit. Er zijn steeds meer ouderen en minder mensen
die voor die ouderen kunnen zorgen. Er zijn meer chronisch zieken, die
wel ouder worden, maar dus ook langer ziek zijn. Er zijn minder
praktijkhouders en er is minder capaciteit. Aan de andere kant van die
vergelijking zijn er honderdduizenden mensen zonder toegang. Die dam
gaat het niet meer houden. Als de eerste lijn het begeeft, begeeft de
rest het daarmee ook. Spoedeisende hulp, de ziekenhuizen, de hele keten,
de verpleeghuizen: het stelsel staat of valt met wat er vandaag in de
spreekkamer gebeurt of juist ...
De voorzitter:
Komt u tot een afronding?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
⦠niet gebeurt.
Dat was 'm.
De voorzitter:
O, hartstikke goed. Ik zeg tegen alle Kamerleden: als ik dat zeg, is het
niet vier minuten, maar dan is het meer. Dat zeg ik maar even. Mevrouw
Coen⦠Nee, sorry, nog niet mevrouw Coenradie. Ik zag een interruptie van
meneer Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Vanochtend sprak ik een groep jonge huisartsen. Die is hier ook aanwezig
op de tribune, dus welkom, ook nog via deze weg. Ik vond dat een heel
leuk gesprek. Er zijn heel veel dingen blijven hangen uit dat gesprek.
Daar zal ik straks in mijn inbreng nog op terugkomen. EƩn ding dat bij
mij bleef hangen, was dat iemand aangaf: op het moment dat je de AOW
verhoogt en snijdt in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen et cetera,
kortom, als je aan de socialezekerheidskant heel veel afbreekt, gaan wij
dat zien in onze spreekkamer. Mijn vraag is: deelt de heer Claassen die
opvatting en deelt hij dus ook dat we moeten voorkomen dat de sociale
zekerheid zover wordt afgebroken dat de toename in de spreekkamer bijna
niet meer te doen is voor de jonge, startende huisartsen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De vraag is: moet ik een kort antwoord of een lang antwoord geven?
De voorzitter:
Ik ga niet over uw antwoord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, dat deel ik, want we weten allemaal dat in gebieden met een lage
SES-score de zorgvraag gigantisch toeneemt, dat er heel weinig
compliance is als het gaat om "hoe ga ik om met mijn ziekte, hoe ga ik
om met gezondheid?", dat de middelen voor die mensen lastig te krijgen
zijn, dat mensen de weg niet weten om tot goede zorg te komen en dat e
dan ook vaak de huisarts daarvoor gaan claimen, terwijl de huisarts daar
niet voor bedoeld is. Het korte antwoord is dus ja.
De voorzitter:
OkƩ. Mevrouw Coenradie. We doen drie interrupties in totaal en ik ben
nog even niet flexibel; dat hangt ervan af hoe het loopt. Mevrouw
Coenradie, aan u.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. De eerstelijnszorg is de ruggengraat van ons zorgstelsel. De
huisarts is de poortwachter van de zorg. Juist deze poortwachter en een
sterke eerste lijn houden de zorg toegankelijk, dichtbij en betaalbaar.
Tegelijkertijd vragen we steeds meer van de eerste lijn. Mensen wonen
langer thuis, de zorg verschuift van het ziekenhuis naar de wijk en de
druk op huisartsen, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners neemt
almaar verder toe. Juist dan is het aan de overheid om heldere
randvoorwaarden te scheppen, zodat de professionals, en zeker in de
eerste lijn, hun werk goed en doelmatig kunnen doen. Hierbij moet de
huisarts niet alleen worden gezien als toegangspoort tot medische zorg,
maar ook als eerste toegangspunt voor bredere hulp. Mijn vraag is: wil
de minister in haar gesprekken met bijvoorbeeld de Huisartsen Vereniging
expliciet meenemen hoe de huisarts als brede voordeur naar hulp kan
worden versterkt, bijvoorbeeld met laagdrempelig digitaal contact via de
huisartsenpraktijk?
Voorzitter. Als we de zorg in de regio overeind willen houden en sturen
op langer thuis wonen, moeten de opleidingscapaciteit en de praktijk
beter op elkaar aansluiten. Huisartsen en SEH-artsen zijn daarbij
allebei onmisbaar. Daarom is het zorgelijk dat VWS volgens recente,
onbevestigde berichtgeving in 2027 minder SEH-opleidingsplaatsen wil
gaan toestaan dan het Capaciteitsorgaan adviseert, namelijk 50 in plaats
van 60. Ook vanuit de eerste lijn en de ouderenzorg wordt al langer
gewaarschuwd dat de instroom in de zogenaamde cluster 1-opleidingen,
voor beroepen zoals huisarts, specialist ouderengeneeskunde en AVG-arts,
te laag is. Tegelijkertijd lezen we vanochtend in de krant dat er
volgens zorgverzekeraar CZ geld overblijft doordat er op cruciale
plekken door personeelstekorten te weinig zorg is geleverd. Kan de
minister de door mij eerstgenoemde berichtgeving bevestigen? Klopt het
dat het kabinet afwijkt van het onafhankelijk advies van het
Capaciteitsorgaan, terwijl VWS daar juist jarenlang aan vasthield, ook
wanneer beroepsgroepen dat advies al te laag vonden? Zo ja, is de
minister bereid het advies van het Capaciteitsorgaan alsnog op te
volgen? En zo nee, is de minister dan bereid met de zorgverzekeraars te
bezien of de zogenoemde positieve resultaten van verzekeraars kunnen
bijdragen aan extra opleidingsplaatsen in de acute zorg?
Wat betreft de huisartsen wil ik het nog hebben over de flexibele schil.
Zzp-huisartsen zijn onmisbaar voor de continuĆÆteit van
24/7-huisartsenzorg bij ziekte en piekdrukte, en op de
huisartsenspoedposten. Is het kabinet bereid in de nieuwe
Zelfstandigenwet te borgen dat zij inzetbaar blijven voor situaties van
ziek, piek en uniek, en voor avond-, nacht- en weekendzorg?
Voorzitter. Dan de positie van apothekers aan de balie. In de
schriftelijke beantwoording van onze vragen erkent de minister dat
apothekers zich klemgezet kunnen voelen en financiƫle onzekerheid kunnen
ervaren als zij een beschikbaar alternatief verstrekken. Maar welke
concrete maatregel heeft de minister sinds die erkenning genomen of gaat
zij nemen om dit financiƫle risico voor apothekers echt weg te
nemen?
Dan het tweede punt. De minister stelt dat het model van "laagste prijs
plus bandbreedte" om meer onderbouwing vraagt. Is daar vóór of na die
beoordeling inhoudelijk over gesproken met de partijen die dit model
hebben uitgewerkt en, zo nee, waarop baseert de minister dan haar
oordeel dat dit alternatief onvoldoende is onderbouwd?
Voorzitter. Tot slot een probleem dat ons altijd al een doorn in het oog
was en is: de regeldruk. Ondanks jarenlange beloften nemen de
administratieve lasten in de zorg nog altijd toe. Vooral in de vaak
kleinschalige eerste lijn is dat een groot probleem. De
eerstelijnscoalitie heeft hiervoor concrete voorstellen gedaan. Dat ging
concreet bijvoorbeeld over het verhogen van de grens voor de
cliƫntenraad-verplichting van 25 naar 50 zorgverleners. Is de minister
bereid hierover met partijen als de eerstelijnscoalitie in gesprek te
gaan en werk te maken van echte regeldrukvermindering?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Veel dank. De heer Poortman heeft een vraag.
De heer Poortman (CDA):
Ik heb een vraag over de eigen bijdrage voor wijkverpleging. We kregen
gisteren een brief van de minister. Zij gaat aan de slag met een
uitwerking daarvan. JA21 was er ook voorstander van. Nu we de minister
zaken mee kunnen geven richting de uitwerking van het voorstel, ben ik
benieuwd hoe mevrouw Coenradie dit ziet. Wat zou zij de minister willen
meegeven op dit punt?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ga een beetje een algemeen antwoord geven. Ik wil een heel concreet
voorstel. Ik wil graag doorgerekend hebben wat dit precies betekent voor
de hoogte van de eigen bijdrage. Ik wil ook alle risico's daarin zien,
om een goede afweging te kunnen maken of dit iets houdbaars is, of dat
wij ons standpunt hierover moeten herzien. Ik durf dat nu nog niet te
zeggen. We zijn heel scherp op heel veel zaken uit het coalitieakkoord
die op de planning staan. Ik heb dat ook gezegd in mijn stemverklaring
bij de afgelopen VWS-begroting. Het is echt niet zo dat onze steun
daarin vrijblijvend is en ook voor komende VWS-punten gegeven is. Wij
zijn heel kritisch en bij een aantal onderdelen zetten wij grote
vraagtekens bij de gestelde bezuinigingen. Dat geluid zult u in ieder
geval de komende tijd van ons horen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker van de zijde
van de Kamer. Dat is de heer Van Dijk namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De eerstelijnszorg wordt vaak en terecht het
fundament van de gezondheidszorg in Nederland genoemd: laagdrempelig,
toegankelijk en van hoge kwaliteit. Als een fundament barsten en
scheuren vertoont, moet je je zorgen maken. De dubbele vergrijzing, de
personeelsschaarste en de hooggespannen verwachtingen van zowel burgers
als de overheid dragen allemaal bij aan toenemende druk op de
eerstelijnszorg.
De Algemene Rekenkamer concludeerde dat ongeveer een op de twintig
Nederlanders een huisarts zoekt. Veel mensen lopen er na een verhuizing
naar een andere woonplaats tegenaan dat zij zich niet kunnen inschrijven
bij een praktijk vanwege een patiƫntenstop. In principe hebben we in
Nederland voldoende huisartsen om iedereen te bedienen. Hoe staat het
daarom met de ontwikkeling van het landelijke ruil- en inschrijfsysteem
voor patiƫnten in de huisartsenzorg, dat werd aangekondigd in het
AZWA?
Voorzitter. Zorgverzekeraars moeten zich inspannen om huisartsenzorg te
regelen voor hun verzekerden. Veel mensen kennen die zorgplicht niet. De
SGP vindt dat hiervoor in de kabinetsplannen nog te weinig oog is. Is de
minister bereid in gesprek te gaan met verzekeraars over hun rol bij het
vinden van huisartsenzorg voor verzekerden? De Raad voor Volksgezondheid
& Samenleving wees een paar jaar geleden al op de rol die
individualisering speelt bij de hoge verwachtingen van de
eerstelijnszorg. Waar hulpvragen vroeger werden gesteld aan familie,
buren of kennissen, komen deze nu steeds laagdrempeliger bij de huisarts
of de wijkverpleging terecht. Het kabinet en de VNG zetten terecht in op
wijkgericht werken, zorgzame buurten en stevige lokale teams voor
jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning. Het is heel belangrijk dat
er goed wordt samengewerkt tussen huisartsen en lokale teams. Hoe wordt
dit gestimuleerd? Zijn er voldoende middelen om samenwerking tussen de
eerste lijn en het sociaal domein te kunnen organiseren?
Een blijvend knelpunt is de huisvesting van huisartsen en
gezondheidscentra. In september 2025 presenteerde de minister hiervoor
een handreiking. Wat zijn de eerste resultaten hiervan?
De SGP vraagt al langer aandacht voor de regeldruk in de
eerstelijnszorg. De collega naast mij, mevrouw Van Brenk, maakte er ook
al gewag van. Veel huidige regels zijn gebaseerd op generieke wetgeving
die slecht aansluit bij de kleinschalige eerstelijnszorg. Ik vraag de
minister in overleg te treden met de eerstelijnscoalitie over de door
haar voorgestelde oplossingsrichtingen voor bijvoorbeeld de Wtza, de
Wibz en de Wmcz. Vorig jaar nam de Kamer een SGP-motie aan over het
behoud van een flexibele schil voor zzp-huisartsen op de spoedposten en
voor situaties van ziek, piek en uniek. Het kabinet werkt aan een nieuwe
zelfstandigenwet. Is de minister bereid het behoud van de noodzakelijke
flexibele schil daarin te regelen?
Voorzitter. Als we meer van de eerstelijnszorg vragen, moet er ook meer
ruimte zijn voor het opleiden tot eerstelijnsberoepen. De beschikbare
opleidingsplekken worden echter onvoldoende gevuld. Als we niks doen,
groeit het bestaande artsentekort alleen maar. Het Capaciteitsorgaan
adviseerde om meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen
voor verstandelijk gehandicapten op te leiden. Is de minister bereid met
zorgpartijen een concreet plan te maken om dit voor elkaar te
krijgen?
Voorzitter. De SGP vraagt al langer aandacht voor het tandartsentekort
in Zeeland. Wat is de stand van zaken van de plannen voor een nieuwe
opleidingslocatie in Zuidwest-Nederland? De toegankelijkheid van
mondzorg heeft niet alleen te maken met de plek waar je woont, maar ook
met de grootte van je portemonnee. Wat weerhoudt de minister van het
collectief vergoeden van een periodieke tandheelkundige controle voor
volwassenen? Is de minister bereid om hier een kosten-batenanalyse voor
te maken?
Tot zover, voorzitter. Voor de volledigheid merk ik nog even op dat ik
straks weg moet voor een ander overleg. Bij voorbaat mijn excuses
daarvoor.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Fijn dat u dat nog even aangeeft, meneer Van Dijk.
Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker van de zijde van de
Kamer: mevrouw Van Brenk namens 50PLUS. Het woord is aan u.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. 50PLUS is groot voorstander van zorgzame wijken.
Initiatieven als De Buurt als Ecosysteem dragen wij een warm hart toe.
Het is belangrijk dat professionele en informele hulpverleners
samenwerken en er samen voor zorgen dat mensen de hulp krijgen die ze
nodig hebben. Natuurlijk blijven we kritisch op de bezuiniging van 15%
die ingeboekt staat op de wijkverpleging bij De Buurt als Ecosysteem.
Als je weet dat het aantal ouderen toeneemt, zou een status quo toch al
een goede prestatie zijn. Graag een reactie van de minister.
Het is goed om mooie voorbeelden te noemen. In Land van Cuijk zijn
inmiddels 80 voorzorgcirkels actief. Dat kan niet zonder welzijnswerk.
De twee mensen die Sociom hiervoor inzet, zijn van levensbelang. Ziet de
minister ook dat welzijnswerk een belangrijke partner is voor zorgzame
buurten?
Voorzitter. Verder maken wij ons zorgen over de vele praattafels.
Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden ā een mooi scrabblewoord! ā
houden veel mensen van de straat. Kijkt de minister hier ook kritisch
naar?
De Rekenkamer geeft aan dat de grote uitdagingen liggen bij het werven
van voldoende mensen voor de zorg. Zijn er plannen om meer huisartsen op
te leiden en om meer wijkverpleegkundigen te vinden of zijn die plannen
in de maak? Daar moeten we toch eerste onze aandacht naar uit laten
gaan. Graag een reactie van de minister.
Deze coalitie heeft wilde plannen met de wijkverpleging. In het
coalitieakkoord staat dat er een eigen bijdrage moet komen voor
wijkverpleging en ik heb het al eerder gezegd: dat is echt een slecht
idee. De intramurale zorg afschalen en vervolgens een drempel neerleggen
voor het alternatief: dat is wat het kabinet doet. Althans, dat wil het
kabinet. De plannen van de coalitie botsen verder ook met de visie van
de eerstelijnszorg: sterk, dichtbij en vooral toegankelijk. Graag een
reactie van de minister.
De vorige staatssecretaris erkende in haar brief het belang van
casemanagement dementie. Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor deze
minister. De constatering in de brief is dat het duidelijk is dat er te
weinig casemanagers zijn, zeker zolang er vastgehouden wordt aan de
Zorgstandaard Dementie. Gezien de verwachte toename van het aantal
mensen met dementie is dit uitermate zorgwekkend. Ik wil de minister
vragen hoe zij hierover denkt. Wat zijn haar plannen? Het moet duidelijk
zijn wie het aanspreekpunt is voor de mens met dementie en zijn naasten.
Dat is een absolute voorwaarde om mensen langer, volwaardig en
zelfstandig thuis te laten wonen en om mantelzorgers te ondersteunen,
want onderschat niet hoe zwaar dat kan zijn. Graag een uitgebreide
reflectie van de minister.
Het is al vaak langsgekomen: de huisarts is de spil in de wijk. Kan de
minister nog eens kort reflecteren op wat we hebben geleerd van het
faillissement van Co-Med? Hoe maken we verder het vak van huisarts weer
populair? Hoe zorgen we dat de huisarts niet verzuipt in papieren maar
tijd heeft voor patiƫnten? En nogmaals, ik ben blij dat de minister
meegaat naar Maak Rimpels, want door deelname aan Maak Rimpels-groepen
neemt het huisartsenbezoek sterk af, want lang niet alle bezoeken aan de
huisarts zijn medische noodzaak. Ook hier kunnen zorgzame wijken, mensen
die naar elkaar omkijken, een deel opvangen.
Voorzitter. Ons kwam ter ore dat bij de huisartsenrichtlijn "wat te doen
bij het constateren van gordelroos?" geadviseerd wordt alleen
virusremmers voor te schrijven als het virus zich in het gelaat en dan
met name rond het oog bevindt. Bij kwetsbare patiƫnten wordt geadviseerd
een specialist te raadplegen. Ik weet dat het een specifieke vraag is,
maar zou het niet beter zijn om standaard virusremmers voor te
schrijven, vanwege de ernstige zenuwpijnen die als complicatie kunnen
optreden? Kan de minister aangeven wie gaat over een wijziging van de
standaardrichtlijnen van het Nederlandse Huisartsen Genootschap?
Het is al eerder gezegd, maar het belang van de hap, de
huisartsenspoedpost, die 24/7 beschikbaar is, wil ik zeker nog noemen.
Ziet de minister het belang hiervan ook en hoe gaan we zorgen dat die
posten beschikbaar blijven?
Wij snappen dat preventieve mondzorg volgens de letter niet onder de
scope van de Zorgverzekeringswet valt, want daarin gaat het om genezen
en niet om voorkomen. Maar soms gaat de kost voor de baat uit, want
slechte mondhygiƫne leidt tot ontstekingen die via de bloedbanen het
risico op hart- en vaatziekten, longontstekingen en diabetes verhogen.
En dan zijn de kosten vele malen hoger. Zou het mogelijk zijn dat de
minister misschien gaat overwegen of zij het basispakket kan uitbreiden
met minimaal ƩƩn periodieke controle per jaar?
Dat was het. Dank u.
De voorzitter:
Dank u zeer. Ik kom bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer en
dat is mevrouw Maeijer, die spreekt namens de PVV.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Voorzitter, dank u wel. De eerstelijnszorg is cruciaal. Het is de plek
waar je zelf zonder verwijzing naartoe kunt gaan. De huisarts, de
apotheker, de wijkverpleegkundige, de tandarts en de fysiotherapeut: zij
zijn het eerste aanspreekpunt. Zij voorkomen vaak dat mensen complexere
en duurdere zorg nodig hebben. Vooral voor kwetsbare mensen zoals
ouderen en chronisch zieken zijn zij de spil in de zorg, want samen met
familie en naasten vormen zij het o zo belangrijke netwerk om hen heen.
En juist bij die eerstelijnszorg loopt het al langere tijd vast.
In het coalitieakkoord lezen we hierover bij een aantal punten. Zo wordt
er ingezet op het verder versterken van de eerstelijnszorg en de
toegankelijkheid van de huisartsenzorg. Het tekort aan huisartsen moet
worden teruggedrongen. En er wordt ingezet op passende huisvesting. Mijn
vraag aan beide bewindspersonen is dan ook: wat gaat u wanneer concreet
doen om de eerste lijn te versterken? Wat gaat u wanneer concreet doen
om de toegankelijkheid van de huisarts te versterken? En hoe gaat u het
huisartsentekort terugdringen? En wat gaat de minister doen om te komen
tot passende huisvesting?
Voorzitter. De nood is hoog. De nood is hoog bij mensen die niet
allemaal toegang hebben tot een huisarts, omdat er geen huisarts is of
omdat zij tegen een patiƫntenstop aanlopen. Er is nood bij huisartsen:
onvoldoende instroom, hoge werkdruk en het onaantrekkelijk worden van
het praktijkhouderschap.
De financiering van huisvesting speelt een grote rol bij het tekort aan
praktijkhoudende huisartsen. Eerder vroegen we de minister de
mogelijkheden te bekijken om het waarborgfonds bereikbaar te maken voor
de huisarts, maar we lezen nu in de brief dat het de conclusie is dat
dit niet het juiste middel is om de problematiek op te lossen. Het zou
slechts een klein deel van het probleem wegnemen, maar je zou ook "beter
iets dan niets" kunnen denken. Wat gaat de minister doen om het probleem
wƩl op te lossen?
Voorzitter. 83% van de praktijken heeft een tekort aan
doktersassistenten. Ze lopen aan tegen praktische problemen als
onvoldoende tijd of ruimte. Welke plannen heeft de minister om hier iets
aan te doen? Ziet de minister mogelijkheden in het verleiden van
huisartsen tot het draaien van wat meer praktijkdagen, waardoor mensen
meer toegang hebben tot een huisarts?
De minister heeft besloten om de stekker uit C-support te trekken,
waardoor de zorg voor tienduizenden longcovidpatiƫnten stopt. Van
meerdere kanten wordt aangegeven dat de huisartsen nog helemaal niet
klaar voor zijn om deze zorg over te nemen. Herkent de minister dit en
hoe ziet zij dit dan voor zich? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat al die
patiƫnten niet in een gat vallen?
Voorzitter. De eerste lijn moet worden versterkt, aldus de minister.
Maar tegelijkertijd werpt zij een financiƫle drempel op voor mensen om
gebruik te maken van die eerste lijn, namelijk de eigen bijdrage in de
wijkverpleging. Een half miljoen mensen maakt daar nu gebruik van,
waardoor mensen, zoals ouderen, zorg zullen gaan uitstellen of weigeren.
Mensen zullen later in beeld komen en situaties zullen escaleren, met
alle gevolgen van dien: verwaarlozing en ziekenhuisopnames. Is dat wat u
wilt bereiken, vraag ik de minister. Ook voor de palliatieve terminale
zorg door de wijkverpleegkundige betaal je straks een eigen bijdrage.
Werpt dat niet extra drempels op om de wens van veel mensen om thuis te
kunnen sterven na te leven?
Voorzitter, vergeef me voor mijn snelle spreken, maar ik wil graag nog
een aantal onderwerpen bespreken in de korte tijd die mij gegeven
is.
Het aantal mensen met dementie zal de komende jaren fors toenemen.
Erkent de minister met het oog daarop het belang van een casemanager
dementie? En zo ja, waarom werpt zij dan een financiƫle drempel op? Op
de agenda van vandaag staat ook het onderzoek van PwC naar de
casemanagers. Wat neemt de minister mee uit dit onderzoek?
Voorzitter. Een gezond gebit is geen luxe maar een basisbehoefte. We
willen dan ook graag weten wat de minister gaat doen om ervoor te zorgen
dat mensen de tandarts niet mijden vanwege de kosten. Hoe gaat zij de
financiƫle toegankelijkheid van mondzorg structureel verbeteren en op
welke termijn? Wat is de stand van zaken ten aanzien van het realiseren
van mondhygiƫnisten op bijvoorbeeld het consultatiebureau?
Voorzitter, tot slot. Onmisbaar in de keten van de eerste lijn is de
apotheek. Voor velen, vaak ook ouderen, is het de plek waar men
binnenloopt voor laagdrempelig advies over medicijnen. Enkele weken
geleden ontvingen we bovendien ook nog een brandbrief over de
aanhoudende medicijntekorten. Een op de drie mensen wordt daarmee
geconfronteerd, terwijl er in veel gevallen geen sprake is van een
absoluut tekort. Het preferente medicijn is er niet. Wat gaat de
minister doen om de patiƫnt te helpen, maar ook om die apotheker te
helpen, die nu heel tijd kwijt is aan het zoeken naar
alternatieven?
Voorzitter. Veel medicijnen worden ongebruikt teruggebracht en
vernietigd. Hoe gaat het kabinet deze verspilling tegen? Is vernietiging
in alle gevallen wel nodig? Ik denk aan de apotheker die zelf de
medicatie naar het verpleeghuis vervoert en dus ook weet waar het wordt
opgeslagen. Is dan vernietiging nog wel nodig als deze producten
terugkomen?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Wiersma, namens de
BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg staat niet op zichzelf, want de
huisarts en de spoedeisende hulp vormen samen de voordeur naar de zorg.
Als de huisartsenzorg onder druk staat, zien we dat direct terug op de
spoedeisende hulp. Ik weet dat het vandaag niet op de agenda staat, maar
ik denk dat die twee communicerende vaten zijn. Ruggespraak met een
spoedeisendehulparts is voor huisartsen van levensbelang. Daarom is het
ook zo zorgelijk dat ook daar de tekorten oplopen. Er staan ruim 100
vacatures open voor spoedeisendehulpartsen, terwijl de belangstelling
voor de opleiding groot is. Tegelijkertijd zien we dat het kabinet
bezuinigt op opleidingsmiddelen voor medisch specialisten. Dat
wringt.
Een tekort aan spoedeisendehulpartsen leidt tot meer noodstops, langere
wachttijden en uiteindelijk tot meer druk op de huisartsenposten. Het
zijn dus, zoals ik al zei, communicerende vaten. Kabinetten hebben
jarenlang vastgehouden aan het onafhankelijke advies van het
Capaciteitsorgaan, ook wanneer dit advies volgens de beroepsgroepen zelf
te laag uitviel. Maar dit kabinet bezuinigt 110 miljoen op de
opleidingsplaatsen. Dat zien we terug in het regeerakkoord en de
Voorjaarsnota. Mijn vraag aan de minister is daarom of het ministerie
het advies van het Capaciteitsorgaan voor de opleidingsplekken van
spoedeisendehulpartsen in zijn geheel zal overnemen. En zo nee, welke
alternatieven zijn er dan?
De nabijheid tussen huisartsenzorg en een goed functionerende
spoedeisende hulp is belangrijk. Regionale ziekenhuizen spelen daarin
een sleutelrol, maar die positie staat al jaren onder druk. De minister
heeft eerder toegezegd in het eerste kwartaal met een brief te komen
over het groeipad naar budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp. Dat
raakt direct aan de toegankelijkheid van de zorg in de regio. Als
regionale ziekenhuizen financieel onder druk blijven staan, komt ook de
samenwerking met de eerstelijnszorg in het nauw. Kan de minister
bevestigen dat 2028 nog steeds haalbaar is voor het versterken van de
financiƫle positie van regionale ziekenhuizen? Als dat niet zo is, is
zij dan bereid om te kijken naar een overbruggingsfonds voor regionale
ziekenhuizen, zoals bijvoorbeeld een beschikbaarheidsbijdrage, zodat die
discussies over staatssteun kunnen worden voorkomen?
Voorzitter. Naast de infrastructuur gaat het uiteindelijk om mensen. De
tekorten aan huisartsen, spoedeisendehulpartsen, maar ook andere
specialisten, laten zien dat we strategischer moeten gaan kijken naar
opleidingen. BBB heeft daar eerder een voorstel voor gedaan en afgelopen
week is er ook een motie van BBB over aangenomen. Maar in 2022 diende
mijn fractie een motie in die wat verder ging en die vroeg om naar
Beiers voorbeeld studenten die arts willen worden, maar buiten de boot
vallen bij de selectie, toch een opleidingsplek te geven als zij zich
vervolgens committeren aan de regio waar er tekorten zijn.
Dat idee staat niet op zichzelf, want recent onderzoek van een
postdoctoraal onderzoeker van UMC Utrecht, overigens in opdracht van het
ministerie van VWS, laat zien dat het toelatingsbeleid voor geneeskunde
regionale huisartsentekorten juist in stand doet houden. Regio's met de
grootste tekorten leveren namelijk de minste geneeskundestudenten. Ik
kom zelf uit zo'n regio, namelijk Noord-Friesland. In landen als
Duitsland, Canada en Japan wordt daarom juist bewust gekozen voor
studenten uit tekortregio's, vaak gekoppeld aan de afspraak dat ze later
ook in zo'n regio gaan werken. Is de minister bereid om serieus te
kijken naar strategisch toelatings- en opleidingsbeleid, waarbij we
gericht artsen opleiden voor regio's waar de tekorten het grootst zijn?
Want zonder voldoende artsen, zowel in de eerste lijn als op de
spoedeisende hulp, blijft toegankelijke zorg in de regio een papieren
belofte.
Dank.
De voorzitter:
Veel dank voor uw inbreng. De volgende spreker van de zijde van de Kamer
is de heer Poortman, namens het CDA.
De heer Poortman (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Het is vandaag al vaker gezegd: de
eerstelijnszorg is de spil van het Nederlandse zorgstelsel. Het zorgt
ervoor dat de zorg toegankelijk is voor iedereen en het maakt zorg dicht
bij huis mogelijk. Mensen hebben een vertrouwd eerste aanspreekpunt voor
hun gezondheidsvragen en de eerstelijnszorg heeft een noodzakelijke
poortwachtersfunctie waardoor onnodig gebruik van tweedelijnszorg wordt
voorkomen.
Huisartsen, fysiotherapeuten, apothekers en wijkverpleegkundigen ervaren
nu al grote druk op hun werk. We zien verder dat er nog te weinig
gericht wordt op samenwerking in de wijk en op het voorkomen van zorg.
Ik wil dat vandaag op een paar punten toelichten.
Laat ik beginnen met de huisartsenzorg. In het coalitieakkoord zijn
afspraken gemaakt over het versterken van de eerstelijnszorg, waarbij
terecht aandacht wordt gevraagd voor de toegankelijkheid van de
huisartsenzorg. Afgelopen donderdag hebben we daar op specifieke
onderdelen al bij stilgestaan, bijvoorbeeld de toegankelijkheid, maar ik
zou de minister nu willen vragen toe te lichten hoe zij aanvullend op de
afspraken uit het AZWA aan de slag gaat met de afspraken in het
coalitieakkoord om het tekort terug te dringen en huisartsen te helpen
met de huisvesting.
In een tweeminutendebat afgelopen donderdag heb ik gevraagd naar de
verbetering van de bekostiging. De minister gaf toen aan dat ze met de
NZa in gesprek gaat over die bekostiging en de inrichting van segment 3.
Ik ben nieuwsgierig naar de uitkomsten van dat gesprek en ook wel
wanneer we hierover wat meer informatie kunnen krijgen.
De fysiotherapie. Dank aan de minister voor haar beleidsreactie op het
NZa-marktonderzoek naar fysiotherapie en het onderzoek naar aanleiding
van de motie-Krul naar een oplossing voor de tarifering van
fysiotherapeuten. Maar de knelpunten bij de bekostiging van de
fysiotherapie zijn al sinds 2020 bekend. De NZa bevestigt die opnieuw in
haar marktonderzoek, maar er is nog steeds geen concrete oplossing
gevonden. De minister schrijft dat ze het standpunt van de NZa deelt dat
eventuele knelpunten effectiever via bestaande instrumenten aangepakt
kunnen worden. Mijn vraag aan de minister is wat zij daarmee precies
gaat doen, zodat er ook een oplossing gevonden kan worden.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Op het punt van tarieven heb ik twee hele simpele vragen. Deelt het CDA
de opvatting dat de tarieven voor de huisartsenzorg ontoereikend zijn op
dit moment en dat die echt verbeterd dienen te worden? Dat is ƩƩn. Twee.
Deelt het CDA de opvatting dat er voor de fysiotherapie eigenlijk ook
minimumtarieven zouden moeten komen?
De heer Poortman (CDA):
Om met het tweede te beginnen: dat durf ik niet te zeggen; daar zou ik
me even in moeten verdiepen. Het eerste punt deel ik. Ik kan me
bijvoorbeeld voorstellen dat de regio een belangrijker aspect gaat
vormen dan de verleende zorg, dus dat de populatie sterker meegewogen
gaat worden in de tarifering van de huisarts. Maar ik ben benieuwd hoe
de minister dat uit gaat werken. Meneer Bushoff zegt dat hij maar drie
vragen heeft, maar ik zie dat hij popelt!
De voorzitter:
Meneer Poortman, vervolgt u uw betoog.
De heer Poortman (CDA):
Over de apotheekzorg kwam naar buiten dat als gevolg van de oorlog in
Iran medicijnvoorzieningen in het gedrang dreigen te komen. In dat licht
is de afspraak in het coalitieakkoord om overmedicatie en verspilling
van medicijnen tegen te gaan extra relevant. Ik ben benieuwd of de
minister kan aangeven wat ze gaat doen om daar invulling aan te geven.
Eerder kwam al de motie-Van Dijk over ontpillen langs; die geeft een
richting. Ook daar is al veel over gesproken, maar ik ben benieuwd
hoever we in de uitvoering daarvan of in het ontwikkelen van uitvoering
zijn.
Tot slot de wijkverpleging. Dank aan de minister voor haar uitgebreide
brief over de toekomst van de wijkverpleging. Wijkverpleegkundige zorg
is enorm belangrijk; dat werd ook al eerder onderstreept. Je komt immers
bij mensen achter de voordeur. Daarmee heeft de wijkverpleging een
belangrijke preventieve functie. Toch vinden we het ook rechtvaardig om
een eigen bijdrage te vragen, zoals is afgesproken in het
coalitieakkoord. Dat doen we op bijna alle terreinen in de zorg.
Natuurlijk zijn we niet doof voor de zorgen die er bij veel mensen en
wijkverpleegkundigen leven. Daarom is een zorgvuldige uitwerking van
belang. De minister geeft een eerste aanzet voor hoe ze die eigen
bijdrage wil vormgeven. Het zou volgens ons ook goed zijn als ze in haar
brief van voor de zomer een aantal opties uitwerkt over hoe we dit
zouden kunnen doen en hoe we ervoor kunnen zorgen dat de preventieve
functie van de wijkverpleging zo goed mogelijk behouden blijft. Voor nu
is mijn vraag: kan de minister al iets meer zeggen over waar ze
bijvoorbeeld aan denkt? En is de minister ook bereid om breder te kijken
dan specifiek de Zorgverzekeringswet, waar de wijkverpleging nu onder
valt? Een optie zou zijn om een deel van de wijkverpleging bij de Wlz
onder te brengen, waar al een eigen bijdrage geldt.
Tot zover.
De voorzitter:
Hartstikke goed, meneer Poortman. Er is een interruptie van mevrouw Van
Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Onderwijl gaat mijn telefoon; dat is heel vervelend. Wij zijn echt
mordicus tegen de eigen bijdrage voor de wijkverpleegkundige, want we
weten hoe de wijkverpleegkundigen werken en hoe laagdrempelig zij zijn.
Als zij een signaal krijgen van iemand uit de buurt en horen dat het
echt slecht met iemand gaat, bellen ze ook aan. Je kunt nog niet zomaar
binnenkomen. Dat vergt best wel meer tijd. Je moet daar dus vaker
langsgaan voordat mensen je überhaupt binnenlaten. Als dat dan een
prijskaartje heeft, dan kom je nooit meer binnen. Wat dan uiteindelijk
resulteert, zal een veel zwaarder en groter probleem zijn voor de
maatschappij. Ik ben dus wel benieuwd hoe het CDA dan toch vindt dat een
eigen bijdrage voor de wijkverpleegkundige voor hen wel acceptabel
is.
De heer Poortman (CDA):
Ik denk dat we dat in beginsel anders zien. Ik weet niet of de eigen
bijdrage ervoor zorgt dat mensen geen wijkverpleging zouden willen. Het
hangt vervolgens wel af van de uitwerking van dat voorstel. Daar ben ik
heel benieuwd naar. Ik ben dus benieuwd waar de minister mee komt. Dat
zullen wij kritisch volgen. Maar in beginsel zijn wij niet tegen, omdat
ik mij afvraag of het niet ontvangen van wijkverpleging per se
samenhangt met die eigen bijdrage.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb een vraag aan de heer Poortman. Het CDA is bij uitstek een partij
die oog heeft voor de regio. In mijn bijdrage maakte ik melding van het
tandartsentekort in Zeeland. Dat is echt extreem: 150 tandartsen op
400.000 mensen. Wat zou het CDA willen bewerkstelligen om dat tekort
kleiner te maken? Is hij bereid om ook volop steun te geven aan een
nieuwe opleidingslocatie in Zuidwest-Nederland, met het oog op nieuwe
tandartsen?
De heer Poortman (CDA):
Goed punt; interessante vraag. Als ik "ja" zeg, kan ik dat niet goed
overzien, dus dat doe ik niet, maar ik ben wel bereid om daar even naar
te kijken en daarin mee te denken.
De voorzitter:
De heer Dobbe. Mevrouw Dobbe. Ik zat nog met "de heer Van Dijk in tweede
instantie", excuus. Mevrouw Van Dobbe. Ik raak nu even in de war. Ik
kijk eerst naar de heer Van Dijk. U wilt niet in tweede instantie?
Mevrouw Dobbe is aan het woord.
Mevrouw Dobbe (SP):
We zijn bijna gefuseerd in dit debat, zo! Mevrouw Dobbe had inderdaad
nog een interruptie voor het CDA. Het CDA doet een pleidooi als
voorstander van de eigen bijdrage in de wijkverpleging. Mevrouw Van
Brenk zei net heel terecht dat wijkverpleegkundigen bijvoorbeeld zeggen
dat ze dan niet meer bij mensen binnen zullen komen en dat een aantal
ouderen niet meer gezien zullen worden. Er wordt breed gewaarschuwd dat
ouderen hierdoor verwaarloosd kunnen raken en dat het grote problemen
gaat opleveren. Tegelijkertijd zegt het CDA niet doof te zijn voor de
signalen en de bezwaren die het hierover krijgt. Maar die bezwaren zijn
superbreed: ze komen van zorgverleners, patiƫntenorganisaties,
ouderenorganisaties en experts. Hebben zij dan allemaal ongelijk? Waarom
denkt het CDA: wij zien het toch anders; al die waarschuwingen kloppen
niet en dit gaat allemaal niet gebeuren? Hoe weet het CDA dat zo
zeker?
De heer Poortman (CDA):
Die zekerheid dat alles zo zal gaan, zoals u het zegt, herken ik niet
bij mezelf. Ik denk alleen dat je op meerdere manieren in een
samenleving en in de wijk kunt investeren. We hebben ook het
gemeenschapsfonds. Daarbij kijken we überhaupt naar gemeenschappen en
naar het versterken van de samenleving. Je moet het dus zien binnen een
breder pakket dat de coalitie wil. Het hangt niet alleen samen met de
wijkverpleging. De wijkverpleging is onderdeel van hoe we de samenleving
zien en wat we willen investeren in de samenleving. Je moet het dus in
dat kader zien. We vinden ook dat de kritische signalen meegenomen
moeten worden in de uitwerking, maar het is nu te vroeg om op voorhand
te zeggen dat de eigen bijdrage alleen een onoverkomelijke barriĆØre gaat
vormen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is natuurlijk niet te vroeg om dat te zeggen. Door de mensen die het
werk doen en de mensen die zorg krijgen, wordt heel breed gewaarschuwd:
doe dit niet. Er wordt niet gezegd: "OkƩ, je kan het doen. Voer het uit.
We kijken mee om dit te voorkomen." Nee, ze zeggen: "Als je een eigen
bijdrage in de wijkverpleging invoert, dan gaat het mis." Waarom kiest
het CDA er dan toch voor, dit wetende? Het betreft namelijk de mensen
die echt dit werk doen. Zij weten hoe het gaat in de praktijk. Waarom
kiest het CDA dan toch voor deze maatregelen? Er zijn zo veel andere
maatregelen die het CDA kan nemen. Dat doet het ook. Die steunen we vaak
óók niet. Maar van deze maatregel is heel duidelijk dat je het niet moet
doen. Waarom dan toch hieraan vasthouden?
De heer Poortman (CDA):
Omdat het niet zo zwart-wit is. We gaan niet alleen voor een eigen
bijdrage in de wijkverpleging, maar we investeren ook in de wijk en in
de gemeenschappen in de wijk. Het is en-en. Ik denk dat als je daarin
investeert, als je omziet naar elkaar en daar oog voor hebt, het ook een
andere functie kan hebben, naast de wijkverpleging. Het gaat dus niet
alleen maar om de eigen bijdrage. We investeren tegelijkertijd in de
wijk en in de gemeenschap.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Het CDA heeft het over "het totaalpakket" of "het brede pakket". Maar
het brede pakket houdt natuurlijk ook in dat tegenover de investeringen
in de buurten een hoog eigen risico staat en dat de tegemoetkoming voor
de chronisch zieken wordt afgeschaft. Daarnaast komt er nog een eigen
bijdrage in de wijkverpleging. Ik zou het CDA willen voorstellen: als u
het brede pakket schetst, doe dit er dan bij. Het zijn namelijk dezelfde
mensen die dit voor hun kiezen krijgen. Nu kom ik bij de eigen bijdrage
in de wijkverpleging. Klopt het dat ik het CDA eigenlijk het volgende
hoor zeggen? "Alle signalen nemen het gewoon voor lief. We gaan dit
gewoon doen."
De heer Poortman (CDA):
Nee. Er geldt nu geen eigen bijdrage, dus alles wat daar nu over gezegd
wordt, is een voorspelling. Het is een serieuze voorspelling. Die moet
je meenemen in de uitwerking en serieus nemen. Je moet kijken hoe je het
vorm gaat geven. We gaan kijken naar de uitwerking en de uitvoerbaarheid
ervan.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik kan eigenlijk helemaal niks met dit antwoord en ik denk de mensen die
deze signalen afgeven ook niet. De vorige keer, bij de
begrotingsbehandeling VWS, stonden we plenair. Toen hadden we net een
petitie ontvangen van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland. Zij
hadden toen meer dan 30.000 handtekeningen verzameld voor een petitie
tegen de eigen bijdrage. We waren daar allemaal bij. De casemanagers
dementie vertelden ons verhalen over wat het zou betekenen voor mensen
als je een eigen bijdrage invoert. Dat is niet een stukje techniek, zo
van: we gaan even kijken hoe we dit juridisch kunnen dichttimmeren. Dit
gaat gewoon over het leven van mensen. Zij geven gewoon aan dat mensen
hierdoor zorg zullen uitstellen en zorg zullen weigeren. Dat is niet een
soort ... Dat is geen papier. Dat is gewoon de werkelijkheid waar mensen
straks tegenaan zullen lopen. Ik zou u toch nog een keer willen vragen,
meneer Poortman, om hier gewoon van af te zien. Die signalen zijn
serieus. Het heeft ontzettend grote gevolgen voor mensen die de
wijkverpleging zo hard nodig hebben.
De heer Poortman (CDA):
Nogmaals, die signalen zijn inderdaad helder en die moeten worden
meegenomen in de uitwerking van deze plannen, maar voor nu is er geen
reden om daar al van af te zien.
De voorzitter:
U was aan het einde gekomen van uw inbreng. Dan zijn we bij de volgende
spreker. Dat is de heer Bevers namens de VVD.
De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg is de basis van de uitstekende
gezondheidszorg in Nederland. Huisartsen, apothekers, tandartsen en
diverse paramedici zoals diƫtisten en fysiotherapeuten zorgen voor een
solide en betrouwbare zorg, die bovendien dichtbij de patiƫnt thuis
wordt geleverd. Ook in het coalitieakkoord onderkent de VVD, samen met
de andere partijen, het nadrukkelijke belang van de eerstelijnszorg en
de huisarts bij het kiezen voor passende zorg. Ik citeer er letterlijk
uit: bij deze beweging hoort ook het verder versterken van de
eerstelijnszorg en de toegankelijkheid van de huisartsenzorg. Het
continueren van de inhoudelijke en financiƫle afspraken in de huidige
akkoorden, zoals het AZWA, hoort daar vanzelfsprekend bij. Dat is ook op
die manier geregeld.
De VVD staat ook voor de duidelijke keuze die gemaakt wordt voor
passende zorg: zo dicht mogelijk bij mensen thuis. De eerstelijnszorg
zal daar een onmisbare schakel in zijn en de huisarts zal hier een
belangrijke rol bij spelen. Om de lijn van de passende zorg in de eerste
lijn zo veel mogelijk te kunnen realiseren zijn voldoende huisartsen
nodig en daarnaast artsen ouderenzorg en artsen verstandelijk
gehandicapten. Het Capaciteitsorgaan adviseerde begin 2026 dat er meer
huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen VG moeten worden
opgeleid. Maar helaas, lang niet alle plekken worden opgevuld in onder
andere de huisartsenopleiding. Die andere artsen zijn ook hard nodig om
de huisartsen te ondersteunen in de eerste lijn. Mijn vraag aan de
minister is hoe zij kijkt naar het pleidooi van onder andere de
Landelijke Huisartsen Vereniging voor een nieuw gezamenlijk actieplan om
meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde en artsen VG op te
leiden.
Veel jonge huisartsen willen geen praktijkhouder meer worden omdat de
regeldruk en de administratieve lasten te hoog zijn. Mijn vraag aan de
minister is of zij bekend is met deze trend en wat zij kan doen om dat
praktijkhouderschap in de volle breedte, dus ook huisvesting,
aantrekkelijker te maken voor jonge huisartsen.
Doktersassistenten zijn ook een punt van aandacht binnen de
huisartsenzorg. Er is met name een tekort aan stageplaatsen. Huisartsen
willen graag hun bijdrage daaraan leveren, maar lopen aan tegen
praktische beperkingen. Het tekort binnen de huisartsenzorg is echter
wel heel groot. Is de minister het met de VVD eens dat gezien het grote
aantal vacatures hier actie op nodig is? Is zij bereid om met de
huisartsen in gesprek te gaan om te bekijken hoe beperkingen weggenomen
kunnen worden?
Voorzitter. Passende zorg betekent soms ook geen zorg, omdat de klachten
van de patiƫnt andere oorzaken hebben en niet op te lossen zijn door
zorg, maar door bijvoorbeeld een omgeving waarin ruimte is voor
ontmoeting. Het kabinet trekt extra geld uit voor de ontwikkeling van de
zogenaamde zorgzame wijken en buurten. Sociale cohesie is namelijk niet
afdwingbaar en anno 2026 niet meer vanzelfsprekend. Je zult dus moeten
investeren om dat in gang te zetten. De VVD denkt dat het sociaal werk
in brede zin een heel belangrijke rol kan spelen. De sociale omgeving is
van belang bij het vinden van oplossingen rond bijvoorbeeld eenzaamheid,
dementie en andere aandoeningen waarbij een medische interventie niet
altijd de beste optie is. Wijkteams met sociaal werkers en andere
professionals sluiten naadloos aan bij de ontwikkeling van de sociale
cohesie in wijken en buurten. In het AZWA worden de nodige stappen gezet
om de betrokkenheid van het sociaal domein te vergroten, maar ik wil
nadrukkelijk de vraag aan de minister stellen hoe zij deze rol denkt
definitief te gaan borgen, zodat dit een gegeven wordt van de dagelijkse
praktijk.
Voorzitter. Ten slotte nog een opmerking over de versterking van de
farmaceutische patiƫntenzorg. Het is al een aantal keren genoemd, ook
door de heer Claassen. Dat gaat met name over de term "ontpillen" en de
vraag hoe je daarmee om kan gaan. Ik heb begrepen dat het mogelijk is om
een aantal zaken rond medicatie-evaluaties te doen. Maar vaak gaat het
dan om het totale pakket van medicijnen dat iemand slikt en niet om
bijvoorbeeld een individueel middel en de ruimte om daarover het gesprek
aan te gaan. Die vergoeding lijkt niet of slechts beperkt mogelijk. Mijn
vraag aan de minister is heel concreet hoe zij hiertegen aankijkt. Is
zij eventueel bereid om te kijken of daar een zogenoemde andere
betaaltitel voor mogelijk is?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Veel dank. Mevrouw Van Brenk heeft een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De collega van de SGP sprak al over de huisartsenspoedzorg en over het
feit dat daar, om die 24/7-beschikbaarheid te realiseren, zelfstandige
huisartsen actief zijn die als zzp'ers nog weleens vastlopen op de
nieuwe wet voor zelfstandigen. Ik ben benieuwd hoe de VVD daarin zit,
want we moeten er wel voor zorgen dat dit mogelijk blijft. Hoe kijkt de
VVD daartegenaan?
De heer Bevers (VVD):
Helemaal eens. Wij hebben in een heel vroeg stadium via de minister van
VWS aan de minister van Sociale Zaken gevraagd om bij de uitvoering van
de huidige wet nadrukkelijk een uitzondering te maken voor de
huisartsenposten. We hebben daar als VVD een bijeenkomst over
georganiseerd, waarbij we met huisartsen hebben gesproken die in die
situatie zitten. We moeten daar echt ruimte voor creƫren. Dat is echt
een voorwaarde voor die Zelfstandigenwet. Juist voor de huisartsenposten
geldt dat het vaak zelfstandige huisartsen zijn die op een aantal posten
de avond-, nacht- en weekenddiensten draaien. Ik ben het helemaal met u
eens. Ik vind het echt een voorwaarde voor de nieuwe Zelfstandigenwet
dat dat goed geregeld is.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de
Kamer: de heer Bushoff namens GroenLinks-PvdA.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Nogmaals welkom aan iedereen op de publieke
tribune, maar in het bijzon der aan de hele grote groep startende
huisartsen die hier vandaag aanwezig is. Dat legt natuurlijk ook gelijk
een klein beetje een hypotheek op dit debat. Zowel de Kamer als het
kabinet zou erin moeten slagen om deze jonge huisartsen het gevoel te
geven dat we hun problemen voldoende snappen en met oplossingen komen,
zodat zij zo meteen allemaal blijven kiezen voor het prachtige
huisartsenvak. Die druk ligt wel op dit debat, zeg ik ook in de richting
van het kabinet.
Voorzitter. Vier minuten en vier onderwerpen die ik wil aanstippen: ik
ga er snel doorheen. Ik probeer het in vier minuten te doen. Allereerst
over de huisartsen. Die zijn echt het fundament van ons zorgstelsel. Nou
zijn er een heel aantal voorstellen in het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord en in de initiatiefnota die de Kamer twee jaar geleden
heeft behandeld, geland om ervoor te zorgen dat er voldoende
praktijkhoudende huisartsen zijn. Nu is het zaak om van papier naar
praktijk te komen. Ik denk dat het belangrijk is dat het kabinet ook op
reguliere basis de Kamer een uitvoeringsagenda doet toekomen waarin
staat hoe het staat met al die voornemens uit die twee papieren
boekwerken, namelijk de initiatiefnota en het Aanvullend Zorg- en
Welzijnsakkoord. Ik zou de minister willen vragen of zij in die
uitvoeringsagenda ook de ervaringen van de jonge startende huisartsen
wil meenemen.
Voorzitter. Heel specifiek ben ik nog benieuwd naar hoe het staat met
het voorstel om jonge startende huisartsen meer ruimte en tijd te geven
om een eigen praktijk op te starten, zodat ze dat niet alleen in hun
"vrije tijd" ā ik zeg het expres tussen aanhalingstekens ā hoeven te
doen. Daar zouden ze vanuit de zorgverzekeraars meer ruimte en tijd voor
moeten krijgen. Daar ben ik dus nog specifiek benieuwd naar.
Ik heb het al eerder genoemd: de tarieven van de huisartsen zijn nu
ontoereikend. Die moeten echt herijkt worden. De deadline voor wanneer
dat moet gebeuren nadert, dus ik ben benieuwd of de minister daar
inmiddels al iets over kan zeggen.
Voorzitter. Dan ga ik heel snel door naar apotheekzorg. Daarover heb ik
eigenlijk ƩƩn punt. We weten allemaal dat er geneesmiddelentekorten
zijn. Op het moment dat er een tekort is aan een geneesmiddel, mag een
apotheker een ander geneesmiddel dan voorgeschreven in het
preferentiebeleid aankopen en dat verhandelen. Eventueel mag de
apotheker zelfs iets uit het buitenland halen. Maar op het moment dat
het geneesmiddel dat wordt voorgeschreven door het preferentiebeleid wel
weer beschikbaar is, moet dat geneesmiddel weer verkocht worden door de
apotheek en blijft de ingeslagen voorraad, die eventueel is geĆÆmporteerd
vanuit het buitenland, of dat andere middel dat als vervanging diende
voor het middel dat even niet beschikbaar was, gewoon op de plank
liggen. Dat is zonde. Dat is geneesmiddelenverspilling. Ik zou willen
dat we daar iets aan zouden kunnen veranderen. Is de minister dat met
mij eens?
Voorzitter. Dan nog fysiotherapie. Daar is een onderzoek naar gedaan
door de NZa. Zij hebben, even heel kort door de bocht gezegd,
geconstateerd dat er niet zo veel aan de hand is. Toch zien we dat
steeds meer fysiotherapeuten het vak verlaten en dat de verwachting is
dat nog meer fysiotherapeuten het vak zullen gaan verlaten, terwijl dat
echt een cruciale beroepsgroep is voor die eerstelijnszorg en voor
passende zorg. Ik denk dat het belangrijk is dat we toch toegaan naar
die minimumtarieven. Hoe kijkt het kabinet daarnaar?
Voorzitter, nog ƩƩn onderwerp. We weten dat er soms veel gefraudeerd
wordt in de zorg, geschat wordt een bedrag van 10 miljard. De NZa kwam
laatst met het bericht dat er zo'n 311 miljoen aan winst is uitgekeerd
in de zorg. Ik ben heel benieuwd wanneer we de Wet integere
bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders kunnen verwachten en of de
minister al iets kan zeggen over hoe deze wet eruit gaat zien.
Ook zou ik de minister een vraag willen stellen over specifiek de
mondzorg voor ouderen. Zou het niet verstandig zijn om richtlijnen op te
stellen voor wat nog zinvol is aan mondzorg voor ouderen? Zo las ik
laatst het bericht dat er bij iemand van 90 jaar een declaratie van
ā¬10.000 is ingediend. Dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn.
Bovendien is het volgens mij zo dat ouderenzorginstellingen een bedrag
krijgen voor mondzorg, maar dat die mondzorg ook nog eens door de
tandarts gedeclareerd kan worden. Er zou dus sprake kunnen zijn van een
dubbele declaratie. Klopt dat? Vindt het kabinet dat dan ook
onwenselijk?
Voorzitter. Volgens mij ga ik door mijn tijd heen.
De voorzitter:
Ik wilde net zeggen "komt u tot een afronding?", dus u voelde het goed
aan.
De heer Bevers (VVD):
Ik heb vanochtend dezelfde groep huisartsen gesproken. Ik heb daarbij de
opmerking gemaakt dat het niet tot de basiscompetenties van Kamerleden
behoort om soms de nuance te zoeken, maar ik ga het toch proberen bij
collega Bushoff. Hij had het over winst- en dividenduitkeringen. We
kennen het standpunt van GroenLinks-PvdA over privaat kapitaal in de
zorg, maar ik ga toch proberen om met u een nuance te zoeken. We kunnen
het wel heel erg platslaan en zeggen dat we het niet willen, maar in
heel veel situaties ā ik ken dat zelf vanuit Leeuwarden ā zijn er
praktijken die uitstekend functioneren volgens alle normen, met
praktijkondersteuner, maar die wel als bedrijf worden gerund, omdat er
heel grote risico's in zitten die om private investeringen vragen, dus
eigen geld dat ze meebrengen. Dat gebeurt soms in een bv en daar wordt
inderdaad soms ook wat winst in uitgekeerd. Is collega Bushoff bereid om
met mij te zoeken naar een manier waarop je ervoor zorgt dat dat soort
bedrijven ā het geldt ook voor apotheken en een aantal anderen ā die wel
kiezen voor een bedrijfsmatige benadering maar niet worden ā¦
De voorzitter:
De interrupties moeten echt korter, geen lange betogen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ja, op zich wel, want laten we duidelijk zijn: een praktijkhoudende
huisarts is in zekere zin ook gewoon een ondernemer en mag ook gewoon
winst uitkeren. Loon aan zichzelf is bijvoorbeeld in principe de winst
die een praktijkhoudende huisarts maakt. Daar is helemaal niks mee. Maar
het gaat wel fout ā volgens mij zei de directeur van CZ dat vandaag ook
nog in een groot krantenartikel ā -op het moment dat winst belangrijker
wordt gemaakt dan de kwaliteit van zorg. Dan schuurt het. We zagen dat
dat het geval was bij het beruchte Co-Med en ik denk dat we dat ook zien
in het geval van enkele praktijkvoorbeelden rondom de mondzorg, met name
bij mondzorg die verleend wordt in de ouderenzorg. Waar moet je dan de
balans zoeken? Die kun je bijvoorbeeld zoeken in die Wet integere
bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, door voorwaarden te
stellen aan wanneer er winstuitkeringen gedaan mogen worden. Dat kan
bijvoorbeeld alleen als dat de kwaliteit van de zorg ten goede komt en
alleen op het moment dat er voldoende weerstandsvermogen is en het
bedrijf financieel gezond is. Al dat soort voorwaarden zou je moeten
stellen aan winstuitkeringen in de zorg. Precies daarom is die wet, die
nu nog op de plank ligt, zo hard nodig. Ik kijk er enorm naar uit om die
wet te behandelen. We hebben in een eerder stadium al een aantal
amendementen ingediend om die wet beter te maken. Dus ā¦
De voorzitter:
Meneer Bushoff ā¦
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dus vandaar mijn vraag wanneer die wet komt.
De voorzitter:
U had de vraag al beantwoord, meneer Bushoff. Een korte wedervraag van
de heer Bevers.
De heer Bevers (VVD):
Een korte constatering. Ik denk dat met deze nuance GroenLinks-Partij
van de Arbeid en de VVD het misschien wel eens meer eens kunnen zijn dan
we soms denken.
De voorzitter:
Alles kan. Had mevrouw Wiersma nog een vraag? Ik zie dat dat niet zo is.
De anderen ook niet, zo te zien. Dan komen we bij de volgende spreker.
Dat is de heer Vervuurt namens D66.
De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel, voorzitter. Goede zorg begint in de buurt, bij een vaste
huisarts die je kent en waar je snel terechtkunt als dat nodig is. De
huisarts is de eerste plek waar mensen aankloppen met hun zorgen.
Daardoor komen problemen zoals schulden, eenzaamheid, een ongezonde
leefstijl of stress daar al vroeg aan het licht. Hele grote problemen,
maar ook problemen die eigenlijk in het sociaal domein horen. Dat kan
anders en dat kan beter. Wanneer we het sociaal domein en de huisarts
beter op elkaar afstemmen, blijft de huisarts een vertrouwde plek om
naartoe te gaan met medische vragen en kan het sociaal domein invulling
geven aan de niet-medische problemen. Daarvoor moet de samenwerking met
het sociaal domein wel goed georganiseerd zijn. Mijn fractie wil daarom
werk maken van sterkere eerstelijnszorg, waarin de huisartsen, de
wijkverpleging, de apothekers en het sociaal domein goed samenwerken,
zodat mensen nu en in de toekomst sneller en beter geholpen worden. Hoe
zorgt de minister ervoor dat deze samenwerking beter tot stand komt en
er tegelijkertijd minder druk komt op de huisartsenzorg?
Voor steeds minder mensen is een vaste huisarts vanzelfsprekend. De
toegankelijkheid staat onder grote druk. Neem de huisartsenzorg in de
provincie Friesland. Daar zijn nu al te grote tekorten aan
praktijkhouders en daar gaan de komende jaren tientallen huisartsen met
pensioen. Als we niet ingrijpen, komen daardoor in 2030 naar schatting
meer dan 100.000 Friezen zonder huisarts te zitten. Maar we zien ook
goede initiatieven ontstaan in het veld. In Zeeland is er ook een groot
tekort. Daar wordt nu beter samengewerkt en regionaal opgeleid. Zo zijn
er steeds meer succesverhalen van praktijken die toekomstbestendig
worden. In Bergen op Zoom scheelde het openbaar delen van wachtlijsten
van praktijken en de digitalisering van intakeprocessen bijvoorbeeld een
jaar aan administratietijd. Hoe gaat de minister dit soort initiatieven
ondersteunen en helpen opschalen? Hoe zorgt de minister ervoor dat deze
aanpak en andere succesvolle aanpakken sneller worden uitgerold op
plekken waar de druk het grootst is?
Voorzitter. We weten allemaal dat een huisartsenpraktijk niet alleen
draait op de huisarts. Helaas is er ook aan doktersassistenten een groot
tekort en staat de instroom onder druk, onder andere door een tekort aan
stageplekken. Dat is natuurlijk dubbel wrang. Als we zo veel mogelijk
doktersassistenten in de praktijk willen hebben, moeten we alles op
alles zetten om stageplekken te realiseren. Wat doet de minister, samen
met de minister van OCW, om het tekort aan doktersassistenten en
stageplekken aan te pakken?
Voorzitter. De huisarts is waar men langsgaat met allerhande problemen.
Laagdrempelige huisartsenzorg ā dat is vandaag al meerdere malen benoemd
ā is dan ook enorm belangrijk voor ons zorgsysteem. Bij de huisarts word
je geholpen of vind je de weg naar specialistische zorg wanneer nodig.
Deze centrale plek van de huisarts biedt dan ook kansen, kansen om in te
zetten op preventie en goed te verbinden met dat sociale domein. Als we
alle partijen in de eerste lijn goed aan elkaar kunnen verbinden, wordt
de patiƫnt beter geholpen, kan de huisarts zich bezighouden met waarvoor
deze is opgeleid en kunnen we de zorg verbeteren voor iedereen. Daarom
vindt D66 het zo belangrijk dat iedereen toegang heeft tot een vaste,
fijne huisarts in de beurt. We rekenen erop dat de minister in de
komende jaren alles op alles zet om die ambitie waar te maken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan bent u aan het einde gekomen van uw betoog.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Van Brenk stelde deze vraag aan de VVD en ik stel die nu aan
D66; we hebben de interrupties een klein beetje verdeeld met elkaar. Het
gaat om de vraag over het behoud van de flexibele schil van
zzp-huisartsen, onder meer bij spoedposten en vergelijkbare situaties.
Is ook D66 van mening ā ik hoor dat ook terug bij de VVD ā dat we de
noodzakelijke flexibele schil moeten behouden in de nieuwe
Zelfstandigenwet?
De heer Vervuurt (D66):
Voor ons is de continuĆÆteit van de huisartsenzorg essentieel. Wij zien
de onzekerheid en de spanning die de Zelfstandigenwet op dit moment
creƫert in het veld. We vinden het heel erg belangrijk dat die spanning
en onzekerheid worden weggenomen. Een van de oplossingen daarvoor kan
zijn om in de Zelfstandigenwet ruimte te creƫren waarbinnen de flexibele
schil gewoon kan functioneren. Dat is voor ons geen doel op zich, maar
het is wel belangrijk dat de continuĆÆteit gewaarborgd wordt.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dit is toch de beproefde tactiek: als je te weinig tijd in je eigen
inbreng hebt, kan je het ook nog in een interruptie kan fietsen. Ik heb
dus een vraag voor de heer Vervuurt over C-support. Dat wordt
afgeschaald. Dat is de ondersteuning waar mensen met long covid
terechtkunnen als ze vastlopen in het sociaal domein of als ze niet
weten waar ze naartoe moeten in de zorg. Ik denk dat een belangrijk
probleem op dit moment is dat het kennisniveau over long covid nog
onvoldoende is in het sociaal domein, bij verzekeringsartsen en op tal
van andere plekken. Mijn vraag aan D66 is dus: zou het niet verstandig
zijn om C-support nog een jaar langer te laten bestaan, met de
specifieke opdracht om juist die kennis bij al die andere actoren te
vergroten en zichzelf daarmee eigenlijk overbodig te maken, in plaats
van C-support nu al helemaal af te schaffen?
De heer Vervuurt (D66):
Dat is een goede vraag van de heer Bushoff. Wij zien ook het goede werk
dat C-support in de afgelopen jaren heeft gedaan. We hebben naar
aanleiding van het PAIS-debat de intentie gezien om C-support sneller af
te schalen dan aanvankelijk bedoeld. We weten allemaal dat de intentie
was om de diensten die C-support levert, op de langere termijn te
verankeren in de eerste lijn. Wat ons betreft zouden we dan vooral
moeten focussen op het zo goed en zo snel mogelijk verankeren van de
kennis en expertise die is opgebouwd binnen C-support in de eerste lijn,
om ervoor te zorgen dat postcovidpatiƫnten en patiƫnten met andere
PAIS-aandoeningen zo goed mogelijk geholpen worden. Dat is wat mij
betreft het streven.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb een vraag over mondzorg en het vergoeden van tandartscontroles.
De SP heeft namelijk meerdere malen voorstellen gedaan om ervoor te
zorgen dat in ieder geval een jaarlijkse tandartscontrole vergoed wordt
in het basispakket, zodat mensen ook naar de tandarts kunnen als ze
weinig geld hebben. Nou heb ik hier een supergoeie, aangenomen motie.
Die verzoekt de regering om een jaarlijkse tandartscontrole voor
iedereen op te nemen in het basispakket. Die was niet van de SP, maar
van mevrouw Paulusma, van D66. Nu wordt deze motie niet uitgevoerd.
Vindt D66 dat deze D66-motie zou moeten worden uitgevoerd?
De voorzitter:
Wat vindt D66?
De heer Vervuurt (D66):
Wat een onverwachte vraag! U kent ons programma. Deze motie is van onze
hand. Onze opvatting in dat opzicht is inderdaad dat mondzorg zo goed
mogelijk gecontinueerd zou moeten worden voor de mensen die dat het
hardst nodig hebben. Een van de vormen daarvoor zou het opnemen van
mondzorg in het basispakket kunnen zijn, maar we zitten in een coalitie.
In een coalitie geef je en neem je bepaalde dingen. Deze coalitie heeft
er met het oog op de houdbaarheid en betaalbaarheid van de zorg voor
gekozen om dat niet te doen. Dat is het eerlijke antwoord.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We hoorden net een debatje tussen de VVD en PvdA-GroenLinks; sorry, ik
ben nog niet aan de naam PRO gewend. Dat ging over winsten in de zorg.
Die baren ons zorgen, maar ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe D66
aankijkt tegen winst maken in de zorg.
De heer Vervuurt (D66):
Ik moet zeggen dat ik goed geluisterd heb naar de interactie tussen de
heer Bevers en de heer Bushoff. Eigenlijk was mijn conclusie dat ik mij
precies kon vinden in de nuancering waar zij elkaar vonden. Ik denk niet
dat private financiering an sich een probleem is, maar dat er wel
degelijk slechte uitwassen uit voortkomen, die ervoor zorgen dat
zorggeld, dat voor het zorgsysteem bedoeld is, niet naar de
zorgkwaliteit gaat. Ik denk dat dat uitwassen zijn die wij vrij
Kamerbreed niet willen of niet moeten willen. Daar ben ik dan ook
tegen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de volgende spreker, mevrouw Dobbe namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Het kabinet is van plan het eigen risico weer fors te
verhogen, tot ā¬520. Het is een principieel slechte maatregel om mensen
te straffen voor ziektes, voor pijn. Het eigen risico leidt tot
ongelijkheid en zorgt voor een verdere privatisering van de zorg. Veel
mensen mijden nu al zorg door de kosten. Dan is later meer complexe en
duurdere zorg nodig. Het is dus ook nog eens duurder, maar er is nog een
fundamenteel probleem met het eigen risico: het is namelijk wantrouwend
richting de huisarts. De huisarts is een belangrijke poortwachter van
ons zorgsysteem. Huisartsen verwijzen nu al maar ongeveer 5% van de
zorgvragen door. Waarom krijgen de mensen waarvoor de huisarts heeft
bepaald dat zorg echt nodig is, daarna nog een boete van ā¬520? Welke
reden heeft de minister om eraan te twijfelen dat huisartsen dat
doorverwijzen goed doen of goed zouden kunnen? Graag een heel concreet
antwoord. En moeten de tarieven van de huisartsen niet omhoog? Bent u
bereid om dat te doen?
Bijna een kwart van de mensen mijdt de tandarts vanwege de kosten.
Mensen durven eerst niet meer te lachen en daarna niet meer te werken,
te solliciteren of naar buiten te gaan. Dat gebeurt er als je aan
iemands tanden of gebit kan zien hoeveel geld iemand heeft. Mondzorg is
basiszorg. Toch wordt mondzorg voor mensen boven de 18 niet vergoed
vanuit het basispakket. Het kost geld als je dit niet oplost. Volgens
het Radboudumc kosten de productiviteitsverliezen door tandziektes ons
namelijk meer dan 3 miljard euro per jaar. Waarom voert u de aangenomen
motie van de SP niet uit? Waarom voert u ook de aangenomen motie van D66
niet uit om een jaarlijkse tandartscontrole te vergoeden?
Maar er is nu, op korte termijn, meer nodig dan dat. Er zijn structurele
oplossingen nodig, maar we hebben ook de oproep gezien van Dokters van
de Wereld en van andere organisaties. Zij pleiten voor een landelijk
noodfonds als kortetermijnoplossing, om zo de mensen te helpen die nu
ernstige gebitsproblemen hebben. Gupta heeft al eerder onderzocht welke
opties hiervoor beschikbaar zijn. Wilt u ervoor zorgen dat dit er ook
komt?
Maar liefst 19% tot 26% van onze mondzorg is in handen van private
equity. Terwijl mensen met kiespijn rondlopen omdat ze de kosten niet
kunnen betalen, worden sprinkhaankapitalisten rijk van onze mondzorg. De
Kamer heeft al meerdere moties aangenomen om private equity uit de zorg
te halen. Hoe kijkt de minister naar deze aangenomen moties en gaat ze
die nu ook uitvoeren?
Het kabinet is van plan om een eigen bijdrage voor de wijkverpleging in
te voeren; hier ging het al eerder over. Zorgverleners en patiƫnten
waarschuwen ervoor dat meer mensen hierdoor verwaarloosd zullen raken en
dat ouderen vaker te laat zullen worden gezien en sneller in het
ziekenhuis komen te liggen. Hebben al deze zorgverleners,
patiƫntenorganisaties, ouderenorganisaties en experts, met de kennis die
zij hebben vanuit hun werk en de ervaring uit de praktijk, volgens deze
minister dan ongelijk met hun waarschuwingen? Zo niet, waarom gaat de
minister dan wel door met het invoeren van deze eigen bijdrage?
Dan wil ik nog iets zeggen over de wijkverpleging en de
vijfminutenregistratie. V&VN waarschuwt namelijk dat het invoeren
van een eigen bijdrage er, naast het opwerpen van een drempel voor
mensen om zorg te krijgen, ook voor gaat zorgen dat administratieve
lasten als een boemerang terug gaan komen. Denk aan de
vijfminutenregistratie, die nog niet eens is uitgebannen. Hoe moeilijk
is het om de aangenomen motie die zegt "geen vijfminutenregistratie meer
in de wijkverpleging" uit te voeren? Als deze minister zegt "we krijgen
de signalen niet" en "het komt maar weinig voor", dan zeg ik: pleeg een
belletje naar V&VN; die zal iets anders zeggen. Maar dan nog: als
iets weinig voorkomt, kun je het ook makkelijk uitbannen. Voer dus
gewoon die motie uit.
Voorzitter, tot slot. Onverzekerde mensen worden soms geweigerd bij de
huisarts. Ons voorstel, dat eerder ook is aangenomen, is om met een
actieplan te komen om toegang van onverzekerde mensen tot de zorg te
verbeteren. De eerste stap lijkt me om dit nu te gaan regelen. Wanneer
gaat de minister dit doen? Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Er is een vraag van de heer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Ik heb een vraag over de mondzorg, als dat kan. Om even buiten het
financiƫle te komen: voor kinderen is mondzorg gratis, maar een hele
grote groep kinderen gaat niet. Er is dus meer nodig dan alleen maar
denken in termen van financiƫle prikkels; dat is trouwens wat ongelukkig
uitgedrukt. Hoe kunnen we er, even los van het financiƫle aspect, samen
voor zorgen dat grotere groepen mensen gebruik gaan maken van mondzorg?
Kunnen we de SP misschien vinden als het gaat om ideeƫn of voorstellen
richting de minister over hoe we kwetsbare groepen bereiken en ze
bewegen om toch mondzorg te ondergaan?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit heeft ook te maken met sociaal-economische gezondheidsverschillen.
Mondzorg voor kinderen wordt inderdaad vergoed in het basispakket. Maar
je ziet dat veel kinderen niet gaan. Ik ben voor alle voorstellen die
ervoor zorgen dat kinderen wel gaan. Dan heb ik het zeker over kinderen
uit wijken waar mensen wat minder geld hebben, want daar zie je dat
kinderen minder vaak gaan. Ik heb in mijn eigen stad, Arnhem,
bijvoorbeeld voorgesteld om de schooltandarts weer in te voeren. Mensen
die wat ouder zijn kunnen daar hele negatieve associaties bij hebben,
maar die zijn tegenwoordig heel erg leuk en heel erg lief. Eigenlijk
zijn ze dat ook altijd al geweest. Ze zijn ook heel effectief. Zij
kunnen heel gericht dit soort problemen aanpakken en ervoor zorgen dat
kinderen wel naar de tandarts gaan. Kinderen gaan vaak niet naar de
tandarts omdat de ouders niet naar de tandarts gaan. Ouders gaan niet
naar de tandarts omdat ze bang zijn voor de kosten. Ik zou het dus
jammer vinden als je het helemaal los van elkaar trekt. Daarmee los je
namelijk niet het onderliggende probleem op. Want als de ouders zelf
meer naar de tandarts gaan, dan gaan de kinderen ook.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we bij de laatste spreker van de zijde van de Kamer
aangekomen. Dat is de heer Van Meijeren. Hij spreekt namens Forum voor
Democratie.
De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Het wordt in Nederland steeds makkelijker
gemaakt om ongeboren menselijk leven te doden. Dat gebeurt structureel,
zowel in de huisartsenzorg als daarbuiten, in strijd met de wet. Dan heb
ik het over de Wet afbreking zwangerschap. Die is voortgekomen uit de
overtuiging dat het doden van ongeboren menselijk leven als een zo
ernstige en ingrijpende maatregel moet worden beschouwd, dat het alleen
kan worden aanvaard indien een noodsituatie voor de vrouw het
onontkoombaar maakt. De wet bevat geen recht op abortus, maar beschrijft
de uitzonderingsgevallen waarin het plegen van abortus niet strafbaar
is. Daarvoor moet aan strikte voorwaarden zijn voldaan: de arts is
verplicht om een of meer gesprekken met de vrouw te voeren, de arts is
verplicht om de vrouw voor te lichten over alternatieve oplossingen voor
haar eventuele noodsituatie, de arts is verplicht zich ervan te
verzekeren dat het verzoek van de vrouw vrijwillig en weloverwogen is
gedaan, de arts is verplicht om op grond van zijn eigen bevindingen te
beoordelen of de behandeling verantwoord is te achten en het besluit als
zodanig om over te gaan tot abortus dient te worden genomen door de
vrouw en de arts gezamenlijk. De arts is dus geen formulierenverwerker.
Nee, hij is een toetser met eigen plichten en verantwoordelijkheden. In
de dagelijkse abortuspraktijk blijken deze strikte wettelijke eisen al
sinds jaar en dag schaamteloos terzijde te worden geschoven. Uit
verschillende wetsevaluaties is gebleken dat de meerderheid van de
artsen geen alternatieven voor abortus bespreekt met de vrouw, terwijl
de wet dat wel verplicht.
Het vorige week gelanceerde initiatief Thuisabortus.nl gaat nog een paar
stappen verder. Via deze site hoeven vrouwen alleen nog maar online een
formulier in te vullen en binnen 24 uur ontvangen zij een recept voor de
abortuspil, zonder dat er ook maar enig gesprek of enig menselijk
contactmoment heeft plaatsgevonden. Erkent de minister dat het online
verstrekken van abortuspillen in strijd is met zowel de
Geneesmiddelenwet als de Wet afbreking zwangerschap? Hoe beoordeelt zij
de uitspraken van de initiatiefnemer van deze website, die vorige week
in het programma Dit is de Dag op Radio 1 zei: iedereen kan misbruik
maken van deze website. Wat zijn volgens de minister de risico's van
dergelijk misbruik? Is de minister bereid om er zorg voor te dragen dat
de inspectie handhavend op gaat treden tegen dit initiatief? Kan zij in
overleg met de minister van Justitie nagaan wat het handhavingsbeleid
van het Openbaar Ministerie is ten aanzien van deze strafbare feiten?
Het online verstrekken van de abortuspil, in strijd met de
Geneesmiddelenwet, is immers een misdrijf op grond van de Wet op de
economische delicten. Het daadwerkelijk verrichten van de abortus zonder
dat is voldaan aan de vereisten van de Wet afbreking zwangerschap is een
misdrijf op grond van het Wetboek van Strafrecht. De initiatiefnemers
achter Thuisabortus.nl handelen dus niet alleen laakbaar, maar ook
strafbaar.
We kunnen in deze Kamer met elkaar van mening verschillen over medische
ethiek ā we kijken anders tegen abortus aan; daar voeren we debatten
over ā maar we zouden het toch met elkaar eens moeten zijn dat de wet
zoals die op dit moment luidt in ieder geval gehandhaafd moet worden en
dat criminele abortuscowboys die alle regels aan hun laars lappen
keihard moeten worden aangepakt? Want wettelijke bepalingen die gericht
zijn op het beschermen van het ongeboren menselijk leven mogen niet
verworden tot een dode letter.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van
de Kamer. Ik schors een halfuur, tot 14.50 uur. Dan gaan we luisteren
naar het kabinet.
De vergadering wordt van 14.18 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn gekomen bij de eerste termijn van de
zijde van het kabinet. De ministers Hermans en Sterk krijgen zo het
woord, in de volgorde dat mevrouw Hermans als eerste gaat. Ik stel voor
dat u ons even meeneemt in de blokken en de volgorde voordat u begint,
mevrouw Hermans.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Ik zal inderdaad beginnen met de logistiek, met
de volgorde. Ik begin met de vragen die in brede zin gesteld zijn over
de eerste lijn; het is per slot van rekening het debat Eerstelijnszorg.
Dan ga ik in op alle vragen die gesteld zijn over huisartsen. Dan volgt
de apotheek. Daarna komen mondzorg en fysiotherapie; die doe ik in ƩƩn
blokje. Dan het mapje overig. Ik zal alvast voor de logistiek aangeven
dat minister Sterk in zal gaan op opleiden, de wijkverpleging en
regeldruk. Ze heeft ook een mapje overige aan de minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport gestelde vragen.
De voorzitter:
Hartstikke goed. Ik had voordat u begon nog even aan willen geven: het
is bij deze hoeveelheid sprekers ook gewoon goed als u gewoon ingaat op
de vragen; dat hoeft niet per fractie, maar wel gewoon op de vragen.
Anders kan het heel lang duren. Het is dus aan u om alle vragen
beantwoord te krijgen en aan de Kamerleden om goed op te letten of de
vragen worden beantwoord, mevrouw Hermans.
Minister Hermans:
Aan dat laatste twijfel ik geen seconde.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een heel praktische vraag: waar valt alles rondom de Wibz,
winstuitkeringen en commercialisering onder? Onder overig, zegt de
minister. Kijk.
De voorzitter:
Onder overig bij het tweede deel van de beantwoording van het
kabinet.
Minister Hermans:
Het manco van het mapje overig of varia is dat het lijkt alsof het geen
belangrijke onderwerpen zijn, maar dat zouden wij allerminst willen
beweren.
Voorzitter. Ook namens mij een heel hartelijk welkom aan de jonge
huisartsen op de publieke tribune. Het is heel goed dat u hier in de
zaal een debat volgt over eerstelijnszorg, waar de huisarts
vanzelfsprekend een ongelofelijk belangrijke rol in vervult. Het is fijn
dat degenen voor wie wij samen met de Kamer het werk doen ons werk hier
in de Kamer volgen. Uiteraard kom ik ook heel graag bij u en bij uw
collega's in het land op bezoek, want het is andersom ook van het
grootste belang dat we de plek bezoeken waar u uw werk doet, om hier het
debat weer op een goede manier te kunnen voeren.
Voorzitter. Dat gezegd hebbend, sluit ik mij aan bij iedereen uit de
Kamer die iets heeft gezegd over de eerstelijnszorg als het fundament
van ons zorgsysteem en van goede, toegankelijke en betaalbare zorg zo
dicht mogelijk bij huis; dat is nagenoeg iedereen geweest. Natuurlijk
kunnen er dingen altijd beter, maar laten we ook stilstaan bij wat we
hebben en koesteren wat we hebben. We mogen trots zijn op
eerstelijnszorg waarin wijkverpleegkundigen, huisartsen,
fysiotherapeuten, doktersassistenten en apothekers zich dagelijks
inzetten om iedereen de juiste zorg en ondersteuning te geven. Het
grootste deel van de zorgvragen in Nederland wordt ook afgehandeld in de
eerste lijn.
Die eerste lijn is voor ons ook van het grootste belang om de afspraken
over de beweging naar de voorkant en de preventie die we in het
coalitieakkoord gemaakt hebben te kunnen waarmaken, maar we zien ook dat
de toegankelijkheid van de eerste lijn onder druk staat. Zo weten we
bijvoorbeeld dat niet iedereen een vaste huisarts kan vinden. De heer
Claassen en de heer Van Dijk gingen daarop in; ik zal daar zo wat meer
over zeggen. Het kabinet zet daarom stevig in op het versterken van de
eerstelijnszorg, waarbij passende zorg de norm wordt. Dat begint met een
belangrijke plek voor Thuisarts.nl, waar mensen terechtkunnen met vragen
over gezondheid en zorg, want niet elke vraag over je gezondheid is een
zorgvraag. Ik denk dan ook dat het goed is dat we Thuisarts.nl
structureel kunnen financieren.
We zetten echter ook in op betere samenwerking binnen de zorg, met het
sociaal domein en binnen zorgzame buurten. Daarmee kom ik eigenlijk
gelijk op het antwoord op een vraag van de heer Vervuurt en de heer
Poortman, namelijk: hoe doet u dat nou, ook in aanvulling op wat we in
het AZWA hebben afgesproken? Ik denk dat het goed is om even met het
volgende te beginnen. We hebben de sterke lokale teams, waarin, als ik
het even kort mag zeggen, het sociaal domein georganiseerd is. In het
AZWA hebben we afgesproken dat vanuit die sociale teams een linking pin
moet zijn met de hechte wijkteams, waarin de meer medische kant
georganiseerd is. Die hechte wijkteams worden ook weer ondersteund door
regionale samenwerkingsverbanden, die echt kunnen helpen met het op een
goede manier organiseren van de zorg Ʃn ondersteuning die nodig is. Deze
samenwerking helpt om mensen op de juiste plek de zorg of ondersteuning
te geven die zij nodig hebben zonder dat ze onnodig naar verschillende
loketten worden doorgestuurd.
Mevrouw Van Brenk zei dat we wel moeten zorgen dat die regionale
samenwerkingsverbanden geen praattafels worden. Ik heb eerder een keer
in een debat gezegd: tafels zijn er niet voor de tafel, maar die zijn er
om echt iets voor elkaar te krijgen. Die zijn er om betere samenwerking
en betere afstemming voor elkaar te krijgen en om te zorgen dat wat in
het sociaal domein kan worden opgevangen daadwerkelijk daar wordt
opgevangen. Dat houden we natuurlijk in de gaten, want die regionale
samenwerkingsverbanden krijgen een betaaltitel en krijgen ook
financiering. Dan gaan we natuurlijk ook volgen of ze doen wat we hebben
afgesproken voor dat geld en voor de kwaliteit van zorg en
ondersteuning.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Van Brenk wil interrumperen. Ik had echter nog niet
aangegeven dat ik begin met drie interrupties en dat we even kijken hoe
dat gaat met de tijd. Mevrouw Van Brenk, aan u.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Over de betaaltitels en de praattafels. Zijn praattafels nou hetzelfde
als Regio Deals? Is dat nou een en hetzelfde?
Minister Hermans:
Nee. De regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden zijn echt
samenwerkingsverbanden die bedoeld zijn om die hechte wijkteams, waar
dus ook de link is met het sociaal domein, in organisatie te
ondersteunen. Daar een betaaltitel aan geven, helpt om daar financiering
naartoe te brengen en op die manier beter te kunnen sturen op het
daadwerkelijk vormgeven van die passende zorg en ondersteuning. Het is
dus niet een praattafel om problemen uit te praten. Het is echt bedoeld
om de zorg en ondersteuning in de regio en in de eerste lijn te
versterken.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik geef gewoon een voorbeeld. Dat is niet fictief, maar echt. Er is een
zzp'er die een opdracht heeft gekregen om 60 voorzorgcirkels te gaan
organiseren in Zeeland en daar staat een bedrag tegenover van 2 miljoen,
terwijl ik weet ā ik noemde het voorbeeld al ā dat in het Land van Cuijk
welzijn dat zelf organiseert. Voor 2 miljoen kan je heel veel mensen
aannemen. Laat ik het zo zeggen: ik maak me zorgen over of geld
effectief besteed wordt en of dat niet op een slimmere manier kan. Ik
hoop dat daar in ieder geval kritisch meegekeken wordt.
Minister Hermans:
Ik denk dat het goed is om hier iets te zeggen over de
transformatiemiddelen ā ik denk dat mevrouw Van Brenk, als ik haar vraag
goed beluister, daarop doelt ā en wat wij nu hier doen. Eerder al ā ik
denk dat dat uit het IZA stamt ā hadden we een groot bedrag aan
transformatiemiddelen beschikbaar om al aan deze bewegingen een eerste
impuls te geven. We hebben met z'n allen geconstateerd dat veel van dat
geld bij adviseurs en consultants terecht is gekomen en daar zijn we
volgens mij met z'n allen kritisch op. Zo beluister ik ook de
interruptie van mevrouw Van Brenk. Waar het hier over gaat, is dat we
met z'n allen aan de IZA- en ook aan de AZWA-tafel, de tafel van het
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, gezegd hebben: we moeten die
beweging naar de voorkant, naar die eerste lijn, versterken en dat kan
alleen als je die eerste lijn zelf ook versterkt. Daarvoor hebben we de
stevige wijkteams en de hechte wijkverbanden waar de medische kant in
georganiseerd is. Maar sommige dingen wil je natuurlijk regionaal
organiseren en coƶrdineren om te kunnen leren van elkaar in
verschillende wijken, maar ook om dingen efficiƫnt te kunnen
organiseren. Daarvoor is nu via de Zorgverzekeringswet per 2027
structurele financiering geregeld met die betaaltitel. Dat is dus wat
anders dan die transformatiemiddelen die in een eerder stadium zijn
vrijgegeven.
Voorzitter. Ik denk dat ik door wat ik heb gezegd over die hechte
wijkverbanden en stevige teams, ook al iets heb gezegd over het
stimuleren van de samenwerking tussen huisartsen en lokale teams. Daar
vroeg onder anderen de heer Van Dijk naar, maar ook de heer Bevers
stelde mij daarover een vraag. De praattafels heb ik ook gehad.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Coenradie. Dat is eigenlijk mijn
bruggetje naar het volgende onderwerp, de huisartsen. Hoe kan de
huisarts als brede voordeur naar hulp worden versterkt, bijvoorbeeld via
laagdrempelig contact via de huisartsenpraktijk? Ik zei net al iets over
Thuisarts.nl. Dat is natuurlijk een vorm om te bekijken of je vraag echt
een medische vraag is en of je ervoor naar de huisarts moet. Als daar
nou uit blijkt dat het antwoord ja is, dan zijn er natuurlijk ook
allerlei digitale middelen die je zelf kan raadplegen voordat je
daadwerkelijk fysiek in de spreekkamer terechtkomt. Misschien kan je
daarmee alweer vragen afvangen. Zo heb ik de vraag van mevrouw Coenradie
begrepen. Dat soort initiatieven zijn er. Het is natuurlijk zaak dat we
dat met elkaar de komende jaren opschalen en ervoor zorgen dat dat door
iedereen goed gevonden en goed gebruikt kan worden.
Voorzitter. Daarmee kom ik bij de vragen over huisartsenzorg. Ik zei al
dat de eerstelijnszorg een fundament van ons zorgsysteem is. Ik denk dat
daarbinnen de huisarts echt van onschatbare waarde is. Een aantal
Kamerleden heeft mij vragen gesteld over wat ik ga doen om het tekort
terug te dringen en huisartsen te helpen met huisvesting. Vorige week
hadden we het tweeminutendebat Huisartsenzorg en toen hebben we het
gehad over de agenda huisartsenzorg, zoals die uit het AZWA volgt. Die
agenda is tot stand gekomen door de initiatiefnota van de heer Bushoff.
Of misschien moet ik "mede tot stand gekomen" zeggen, om ook de input
aan de tafel wel recht te blijven doen. En natuurlijk mag de
motie-Mohandis daarbij ook niet onvermeld blijven. Als Kamer en kabinet
hebben we samengewerkt met alle partijen in het veld om tot die
ambitieuze agenda te komen. Een van de afspraken daarin is dat we
regionale tekorten willen terugdringen en dat zorgverzekeraars de ruimte
krijgen om daarvoor regionaal financieel maatwerk te kunnen bieden,
bijvoorbeeld als het gaat over die huisvestingsproblematiek. Dat
betekent dus zoveel dat als blijkt dat als er een financieel knelpunt is
voor het starten, het vinden of het betrekken van huisvesting, de
zorgverzekeraar ruimte heeft om samen met de gemeente de startende
huisarts daarbij een handje te helpen.
Voorzitter. De heer Poortman vroeg mij nog heel expliciet wat ik
aanvullend op het AZWA ga doen. Daar wil ik even voorzichtig mee zijn.
We hebben in dat AZWA echt een ambitieuze agenda met elkaar afgesproken.
De inkt van dat akkoord is eigenlijk nog maar net droog. Dus ik zou het
uitvoeren van die afspraken echt tijd en ruimte willen geven. We gaan de
Kamer daar wel op regelmatige basis over informeren. Ik deed de heer
Bushoff vorige week de toezegging om daar ook de acties uit de
initiatiefnota aan te koppelen, zodat we met elkaar een goed beeld
hebben van alle acties die we in gang zetten.
Voorzitter. Dan vroeg de heer Claassen, en overigens ook de heer Van
Dijk, naar het inschrijfsysteem bij huisartsen. Sommige mensen willen
graag wisselen en zouden daarbij geholpen kunnen worden. Aan het
landelijke ruil- en inschrijfsysteem wordt nu hard gewerkt. Partijen
werken nu samen uit hoe dat er precies uit moet gaan zien. Dat zal voor
de zomer echt weer een stap verder zijn. Ik zal de Kamer daar dan
natuurlijk over informeren. Ik denk dat het heel erg gaat helpen, juist
ook op de plekken waar we tekorten te zien, om mensen op een goede
manier en met hulp van zorgverzekeraars naar een huisarts toe te
leiden.
De heer Vervuurt vroeg mij hoe we naar de initiatieven in Zeeland
kijken. Volgens mij is dat een voorbeeld van een provincie waar sprake
is van tekorten en waar met goede initiatieven daarvoor een oplossing
wordt gevonden. Zorgverzekeraars kijken natuurlijk ook hoe de lessen die
daar en natuurlijk ook op andere plekken geleerd worden, gebruikt kunnen
worden in het hele land. De mogelijkheid voor regionaal maatwerk kan er
ook weer bij helpen om in dat type initiatieven aanvullend te
investeren.
De heer Van Dijk vroeg mij of ik bereid ben om in gesprek te gaan met
verzekeraars over hun rol bij het vinden van huisartsenzorg. Dat is
eigenlijk het gesprek over de zorgplicht met verzekeraars. Dat gesprek
hebben we bijna continu, zou ik willen zeggen, en op hele regelmatige
basis, ook als we met alle partijen aan de AZWA-tafel zitten, want juist
in het AZWA zijn er afspraken hierover gemaakt. Tegelijkertijd, los van
al die afspraken, verwacht ik van zorgverzekeraars dat zij hun
zorgplicht invullen door voldoende huisartsenzorg in te kopen en dat als
een verzekerde zich meldt, die ook actief wordt geholpen bij het vinden
van een huisarts. Zorgaanbieders hebben daar natuurlijk zelf ook een
verantwoordelijkheid bij. Als zij geen nieuwe patiƫnten aannemen,
bijvoorbeeld door een patiƫntenstop, dan dienen zij de verzekerde ook te
wijzen op de mogelijkheid van zorgbemiddeling via de zorgverzekeraar.
Kortom, daar loopt een heleboel. We houden in de gaten hoe dat gaat,
onder andere via het AZWA. Een aanvullend, apart overleg lijkt me nu dus
niet noodzakelijk, maar ik blijf het natuurlijk wel volgen via die
AZWA-tafel.
Voorzitter. Een heel aantal Kamerleden vroeg mij hoe we jonge huisartsen
gaan ondersteunen bij het opstarten van een praktijk. Een aantal van hen
zit in de zaal, dus ik zal deze vraag heel precies en zorgvuldig
beantwoorden, want de heer Bushoff riep mij daar ook toe op in zijn
eerste termijn. Wat wij in de onderzoeken en op basis van gesprekken
zien, is dat meer dan 80% van de jonge huisartsen praktijkhouder wil
worden. Als het anders is, dan zie ik dat wel aan de reacties vanuit de
zaal. Hier zit dus heel veel potentie die we moeten benutten. Ik zet mij
daarvoor in, samen met partijen aan die beroemde AZWA-tafel en op basis
van de afspraken die we daarover in de werkagenda gemaakt hebben. Daar
hoort ook bij dat we de drempel verlagen om praktijkhouder te worden. Ik
noemde net al dat de zorgverzekeraar de ruimte heeft voor financieel
maatwerk, maar er zijn ook programma's die jonge huisartsen ondersteunen
in hoe je dat nou moet doen, met allerlei praktische tips en adviezen.
Ook daar kan dat regionale, financiƫle maatwerk een rol in spelen. Dus
ik hoop zeer dat we via dat financiƫle maatwerk de financiƫle knelpunten
maar ook een aantal praktische knelpunten die jonge huisartsen ervaren,
kunnen oplossen of kunnen wegnemen, en dat we daarmee de potentie van
die 80%, die de wens heeft om praktijkhouder te worden, in de toekomst
ook gaan benutten.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma had een vraag over het strategisch
toelatings- en opleidingsbeleid. Ze wees op een voorbeeld uit Duitsland.
Ik kan toezeggen dat ik dat gesprek samen met mijn collega van OCW ga
voeren. Wij zien dat de instroom van geneeskundestudenten achterblijft
in regio's waar ook tekorten aan huisartsen zijn. Dat is precies zoals
mevrouw Wiersma dat schetste. Samen met OCW en natuurlijk de partijen in
het veld werken we aan een verkenning hoe we huisartsen beter over het
land kunnen spreiden. In eerste instantie kijken we naar de
mogelijkheden die er bij opleidingsinstituten al zijn en hoe zij die
eventueel nog beter kunnen benutten. Maar wij staan natuurlijk altijd
open voor aanvullende goede ideeƫn. Ik verwacht dat mevrouw Wiersma mij
dan vraagt wanneer ze daar meer over kan horen. Ik zal de Kamer daar
voor de zomer over informeren.
De voorzitter:
Genoteerd.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Van Brenk vroeg mij om te reflecteren op wat we
geleerd hebben van de situatie met Co-Med. Samen met betrokken partijen
heeft VWS het faillissement laten evalueren. Daar komt bijvoorbeeld uit
dat we veel beter signalen moeten gaan delen rondom discontinuĆÆteit van
zorg. Dat zit dan nog echt wel voor het faillissement. Dit gaat dus ook
over het leren herkennen van dat type signalen en over waar je die dan
kwijt kan. Dat is dus een belangrijke les waar nu ook aan gewerkt wordt:
hoe implementeren we dat en hoe geven we dat vorm? Ik denk dat ook
belangrijk is dat er naar aanleiding van het rapport De opkomst van
bedrijfsketens in de huisartsenzorg, van de NZa en de IGJ, door de
beroepsgroep is gewerkt aan concretisering van de kernwaarden van
huisartsenzorg, ook om de inkoop door zorgverzekeraars en natuurlijk het
toezicht van de IGJ en de NZa aan te kunnen scherpen. Dat is ook
onderdeel van de agenda. Begin maart heb ik daarvan een eerste
uitwerking naar de Kamer gestuurd. In de voortgangsrapportages zal ik er
natuurlijk steeds op in blijven gaan hoe dat verdergaat. We werken
natuurlijk ook verder aan het weren van niet-integere zorgaanbieders.
Daarop zal de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zo meteen nog
nader ingaan, waaronder op de Wibz.
Voorzitter. Dan kort de vraag van de heer Poortman over de bekostiging
voor de toekomst en segment 3. Het klopt dat de heer Poortman mij
daarnaar vroeg tijdens het tweeminutendebat van afgelopen donderdag. Het
gesprek heeft nog niet plaatsgevonden, maar het gaat plaatsvinden. Dat
heb ik toegezegd. Voor de zomer zal ik de Kamer daarover
informeren.
In het verlengde daarvan had de heer Bushoff een vraag over de tarieven
in de huisartsenzorg en de herijking daarvan. Hij zei dat de deadline
nadert. De NZa is nu bezig met de uitwerking van de uitspraak van het
College van Beroep. Medio mei 2026 zal de uitkomst daarvan met ons, en
daarmee dus ook met de Kamer, gedeeld worden. Dan gaan we daar
natuurlijk vervolg aan geven, maar ik moet die echt even afwachten. Maar
het klopt dat de deadline nadert. Ik kan vanaf vandaag zeggen dat die
volgende maand is.
Mevrouw Dobbe vroeg mij: moeten de tarieven in de huisartsenzorg niet
omhoog? Volgens mij hadden wij het daar vorige week in het
tweeminutendebat ook al even over. De NZa bepaalt de tarieven en kijkt
nu, naar aanleiding van die uitspraak, dus ook naar de tarieven in het
verleden, die tussen 2023 en 2025. Zoals gezegd komen medio mei 2026 de
uitkomsten daarvan. Daarnaast heb ik, zoals ik ook tegen de heer
Poortman zei, toegezegd dat ik het gesprek voer over de toekomstige
bekostiging naar aanleiding van afspraken in het AZWA. De stand van die
gesprekken en die uitkomsten zal ik voor de zomer met de Kamer
delen.
Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Van Brenk mij nog naar het belang van 24
uur per dag, 7 dagen per week beschikbare huisartsenspoedzorg. Dat deel
ik met mevrouw Van Brenk. Het is ook een groot goed dat huisartsen de
verantwoordelijkheid hebben voor die 24/7-zorg, want dat zorgt
natuurlijk voor een heel belangrijke schakel in onze keten, de acute
zorgketen, moet ik zeggen, in de avond, de nacht en het weekend. De
beroepsgroep ziet dat belang ook. Er is ook geen sprake van dat we dit
anders zouden gaan organiseren.
Daarmee ben ik ingegaan op de vraag van mevrouw Van Brenk en kom ik bij
de vragen over de apotheken.
De voorzitter:
Voor ik u dat laat doen, kijk ik even of er nog vragen zijn over het
blok huisartsen. De heer Bushoff had als eerst een interruptie
gereserveerd.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat we allemaal met smart wachten en ons afvragen of de
voorstellen die allemaal op papier zijn geland, ook daadwerkelijk goed
uitpakken in de praktijk. Dat gaan we in de komende tijd zien. Op ƩƩn
punt wil ik eigenlijk nog iets meer van de minister weten. Dat gaat over
het feit dat veel jonge huisartsen zien dat hun beroep in de afgelopen
jaren veranderd is. Er is steeds meer op het bordje van de huisartsen
terechtgekomen. Een praktijk runnen is inmiddels veel meer werk dan een
heel aantal jaar geleden een praktijk aan huis hebben. Daarmee beginnen
vraagt dus ook veel meer van jonge startende huisartsen. Dat in
combinatie met een jong gezin kan heel veel tijd kosten en voor veel
belasting zorgen. Ik wil de minister vragen of het in dat licht niet
verstandig zou zijn om jonge startende huisartsen de mogelijkheid te
geven, al dan niet via zorgverzekeraars, om in die beginfase tijd "vrij
te kopen", om het zo maar even te noemen, om een praktijk op te starten
en te runnen, zodat ze aan de andere kant ook nog wat tijd over kunnen
houden, misschien wel voor hun jonge gezin.
Minister Hermans:
Ik realiseer me heel goed wat de heer Bushoff zegt, namelijk dat er heel
veel komt kijken bij het starten van een praktijk en daarna natuurlijk
ook bij het leiden daarvan. Ik realiseer me dat dat zeker geldt voor het
opstarten, wat tijd vraagt als je ook een jong gezin hebt; overigens
vraagt dat ook veel tijd dat je dat niet hebt. Daarom zei ik net dat het
financiƫle regionale maatwerk niet alleen bedoeld is voor sec de
huisvestingsvraag ā als er een financiĆ«le drempel is om een ruimte te
huren of te betrekken, dan kan de verzekeraar daar een rol in spelen ā
maar dat het ook kan gaan om tijd om het opzetten van de praktijk voor
elkaar te krijgen. Dat vindt wel echt plaats in het overleg tussen de
verzekeraar en de huisarts, omdat het budget voor dat financiƫle
maatwerk bij de zorgverzekeraar zit. Het is echt bedoeld om dat
praktijkhouden een impuls te geven. Ik zie de heer Bevers aandachtig
kijken. Hij vroeg ook of we de trend zien van de terugloop in het aantal
praktijkhoudende huisartsen. Ja, die zien we. En we zien de potentie:
een hele grote groep, 80% van de jonge huisartsen, zou graag
praktijkhouder willen worden. We moeten dan wel helpen. Dat kan dus via
dat financiƫle maatwerk door drempels financieel en in tijd weg te
nemen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch ƩƩn vervolgvraag hierop, om het even wat scherper te
krijgen. EƩn: hoeveel is dat budget? Is het inderdaad echt zo dat van
dat budget ook precies het voorstel dat ik noemde gefinancierd kan
worden? Valt dat binnen de reikwijdte van dat budget, ja of nee?
Minister Hermans:
We hebben dus het financiƫle maatwerk en we hebben ook apart nog
startsubsidies voor jonge huisartsen, begrijp ik. Ik heb nu even niet de
exacte bedragen paraat. Dat wil ik wel even nagaan. Als de heer Bushoff
daar prijs op stelt, kan ik zo meteen in tweede termijn ook nog even
terugkomen op wat daar heel precies onder valt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit was het blokje huisartsen, toch? Ik had ook nog gevraagd naar het
eigen risico, want het kabinet wil het eigen risico verhogen en het
lijkt mij dat we dat ook hier in de context van de huisartsenzorg moeten
bespreken. Het eigen risico, een boete op ziek zijn, met fundamentele
problemen, wordt dan ā¬520. Nog los van het feit dat mensen er niets aan
kunnen doen en worden gestraft omdat ze ziek zijn, is de huisarts ook de
poortwachter. Die verwijst mensen door. Op het moment dat de huisarts
mensen doorverwijst, komen ze in de zorg terecht waarbij ze eigen risico
moeten betalen. Mijn vraag was volgens mij heel concreet. Waar komt het
wantrouwen van deze minister vandaan dat huisartsen dit niet zo goed
zouden doen? Als zij dit goed doen volgens deze minister, dan is dat
eigen risico een hele rare maatregel. Daarom heb ik deze vraag gesteld.
Daar wil ik graag een antwoord op.
Minister Hermans:
Die vraag zat in mijn mapje overig, maar ik beantwoord hem met alle
plezier en liefde nu. Ik heb er het volste vertrouwen in, meer dan dat,
dat onze huisartsen, alle huisartsen in Nederland, met hun
professionaliteit en deskundigheid doorverwijzen als dat moet en medisch
noodzakelijk is en dat ze dat niet doen als dat niet nodig is en het kan
worden opgelost in de huisartsenpraktijk of mogelijk in het sociaal
domein of als via een praktijkondersteuner de weg naar bijvoorbeeld de
ggz kan worden ingezet; ik noem maar even wat. Dat vertrouwen heb ik
volop. Met de koppeling die mevrouw Dobbe hier maakt met het eigen
risico, ben ik het gewoon niet eens. Dit kabinet kiest voor een
verhoging van het eigen risico; dat is zo. Ik weet dat mevrouw Dobbe en
ik het daarover oneens zijn, maar dat doe ik ā dat doet dit kabinet ā
vanuit een andere invalshoek, namelijk het overeind houden van de
solidariteit van en in ons zorgstelsel. In ons zorgstelsel is het zo dat
gezonde mensen meebetalen voor zieke mensen en is het zo dat hogere
inkomen meer meebetalen aan de totale financiering van de zorg. Het
eigen risico is inderdaad een bijdrage die je betaalt als je
gebruikmaakt van de zorg. Daar gaan we overigens wel trancheren, zodat
je niet in ƩƩn keer die, ā¬385 ā dat is het nu nog, maar straks na
indexatie en verhoging is dat een hoger bedrag ā kwijt bent. En we
hebben natuurlijk de zorgtoeslag om kwetsbare mensen daarbij te helpen.
Die verhoging is ongelofelijk belangrijk om de toegankelijkheid, de
betaalbaarheid Ʃn de solidariteit overeind te houden en staat helemaal
los van het vertrouwen dat ik heb in huisartsen, in dat zij op het
juiste moment de medisch noodzakelijke doorverwijzing daadwerkelijk
doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Er gaan toch wel een aantal dingen echt fundamenteel mis in deze
redenering. De minister zegt dat zij vertrouwen heeft in de huisartsen,
in dat zij mensen doorverwijzen die zorg nodig hebben en dat zij dat
goed doen. Dan verwijzen zij dus door op het moment dat dat nodig is. Op
het moment dat mensen echt zorg nodig hebben, zegt deze minister: dan
heffen wij een boete van ā¬520 en dat noemen we dan "het overeind houden
van de solidariteit". Dat gaat er bij mij niet in. Als deze minister er
echt op zou vertrouwen dat dit om mensen gaat die zorg nodig hebben, die
echt zorg nodig hebben en dat niet voor het plezier doen ā dat is ook
een gek mensbeeld ā waarom dan dat eigen risico, met de wetenschap dat
mensen zorg gaan mijden en dat het waarschijnlijk veel duurder uitpakt?
Dus die redenering klopt gewoon niet.
Minister Hermans:
Op het moment dat de huisarts iemand doorverwijst naar het ziekenhuis,
naar medisch-specialistische zorg, dan vragen wij aan die mensen een
bijdrage aan de zorgkosten. In de afgelopen jaren hebben we die bijdrage
bevroren op een vast bedrag en dat heeft tot gevolg gehad dat de
zorgpremie, die wij allemaal betalen, fors extra is gestegen. Dat raakt
dus aan solidariteit. Het zijn namelijk communicerende vaten, het eigen
risico en de zorgpremie. Dat is de reden dat wij zeggen: wij gaan dat
eigen risico verhogen en we gaan weer indexeren, om daarmee de bijdrage
die iedereen betaalt via de zorgpremie, de ontwikkeling daarvan, meer in
balans te brengen.
Dan over zorgmijding. Mensen die medische zorg nodig hebben, moeten die
krijgen. Dus daar waar de financiƫn een drempel zijn, is het aan ons om
te kijken hoe we dat met beleid ā met flankerend beleid, om maar zo'n
beleidsterm te gebruiken ā zo veel mogelijk tegen kunnen gaan. Maar dan
moeten we daar ook in de breedte naar kijken, want we weten ook dat
financiƫle redenen niet de exclusieve redenen zijn voor zorgmijding.
Daar kunnen ook heel veel andere redenen aan ten grondslag liggen. Dat
brengen we nu preciezer in kaart, zodat we ook daar actie op kunnen
zetten. Tot slot hebben we natuurlijk ook in antwoord op de motie van de
heer Stoffer bij de regeringsverklaring gezegd dat we kijken hoe de
stapeling van zorgkosten, waar ook de eigen bijdragen, zoals de eigen
bijdrage wijkverpleging, en het eigen risico een rol in spelen, uitpakt.
Daarom is er ook een envelop in het regeerakkoord om daar nog iets aan
te kunnen doen.
De voorzitter:
Duidelijk. U was gekomen bij het blok apotheek.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Ik begin met vragen die gesteld zijn over het ontpillen,
een nieuw woord dat ik in voorbereiding op dit debat heb geleerd. Ik
begin met de motie van Inge van Dijk daarover die er ligt, met de
voortgang daarvan. Niet iedereen kent die motie mogelijk. Die vroeg om
alternatieve bekostiging waarmee ontpillen niet ontmoedigd wordt te
onderzoeken en dat gesprek met de apothekersorganisatie en
Zorgverzekeraars Nederland te voeren. Dat gesprek is gevoerd en daaruit
blijkt dat de partijen zien dat er in de contractering van apothekers
door zorgverzekeraars ruimte is voor het maken van afspraken over dat
zogenaamde "ontpillen". De huidige bekostiging is volgens die partijen
geen directe belemmering en biedt dus juist mogelijkheden en ruimte om
die afspraken te maken. Dus daar zetten we nu op in. Dat neemt niet weg
dat ik weet en ook hoor, ook uit inbrengen in dit debat, dat het een
brede wens is om meer zorgverlening vanuit de apotheek mogelijk te maken
die zit op ontpillen en op het verminderen van medicijngebruik. VWS
heeft toegezegd om die transitie te willen leiden en om dat natuurlijk
samen te willen doen met alle veldpartijen. Het onderwerp ontpillen
blijft dus absoluut op de agenda.
Onder anderen mevrouw Maeijer vroeg hoe we de verspilling en ook de
vernietiging van teruggebrachte ongebruikte medicijnen voorkomen. Ik ben
het helemaal met haar eens dat de vernietiging van ongebruikte
medicijnen zonde is; dan druk ik me nog voorzichtig uit. Je wil die
verspilling en daarmee dus vernietiging voorkomen, in de eerste plaats
aan de voorkant door medicijnen gepast voor te schrijven en te
verstrekken aan patiƫnten en door hen te ondersteunen bij het juiste
gebruik daarvan. Ik heb al iets gezegd over het gesprek over het
tegengaan van die verspilling. Op dit moment is het door Europese
wetgeving nog niet mogelijk om medicijnen die teruggebracht worden,
opnieuw te gebruiken, maar er zit een herziening van de Europese
wetgeving aan te komen. Nederland heeft zich er in de onderhandelingen
daarover hard voor gemaakt om dit in de toekomst wel mogelijk te maken
en om de heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen mogelijk te maken
onder strikte voorwaarden, want hierbij zijn veiligheid en
zorgvuldigheid natuurlijk van groot belang. Dat is gelukt; dit staat nu
in het politiek akkoord. Dat moeten we nu gaan uitwerken; dat moet nu
afgerond worden in Europa en dan moeten wij het uitwerken in wetgeving.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat nog wel even gaat duren, want
dat soort trajecten hebben even tijd nodig. Ik verwacht dat dat nog wel
drie jaar nodig heeft.
Voorzitter. In aanvulling op het tegengaan van verspilling en
overmedicatie hebben we de Green Deal Duurzame Zorg; dat zeg ik
specifiek in de richting van de heer Poortman. Daarin zijn allerlei
schaalbare en impactvolle initiatieven opgenomen die verspilling van
geneesmiddelen aanpakken. Dat gaat over voorraadbeheer en kritisch
kijken naar herhaalmedicatie. Daar waar nodig ondersteunen wij dat
natuurlijk, maar dit zijn de initiatieven die we verder moeten
brengen.
Voorzitter. Dan de vraag van de heer Bushoff. Als een preferent middel
even niet beschikbaar is en een alternatief middel wordt ingekocht,
blijft het alternatieve middel op de plank liggen wanneer het preferente
middel er weer is. Dat is een andere vorm van verspilling. Wij zien dat
de voorraden bij apotheken beperkt zijn. Daar valt de verspilling dus
mee. De voorraden liggen grotendeels bij de groothandels, die meer
flexibiliteit hebben in hun afzet of verspreiding van de middelen. Daar
komt bij dat de apotheek het alternatieve middel maar in een beperkte
periode ter hand mag stellen nadat het preferente middel weer
beschikbaar is gekomen. Zoals de heer Bushoff natuurlijk weet, werken we
op dit moment aan een onafhankelijke evaluatie van het
preferentiebeleid. Ik zal het onderwerp verspilling daar een plek in
geven. Mocht dit specifieke punt daarin aan de orde blijken te zijn, dan
kom ik daar natuurlijk precies op terug, maar dit is het beeld dat ik nu
heb.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Om het heel precies te schetsen: ik hoorde de minister zeggen dat er op
het moment dat het preferente middel weer beschikbaar is, een periode is
waarin het alternatieve middel dat ofwel in het buitenland via de
ontheffing ofwel in Nederland ingekocht is omdat tijdelijk een ander
middel dan het preferente middel beschikbaar werd gesteld, nog verkocht
mag worden door de apotheek. Hoelang is die periode? Ik hoorde dat er
eigenlijk helemaal geen overgangsperiode is en dat het preferente middel
weer strikt geleverd moet worden vanaf het moment waarop dat preferente
middel weer beschikbaar is. Voor mij zou het dus nieuw zijn als er een
overgangsperiode zou zijn. Als dat zo is, zou ik van de minister willen
horen hoelang die overgangsperiode dan is en hoe die er precies
uitziet.
Minister Hermans:
Dat is een terechte vraag. Die had ik natuurlijk kunnen verwachten. Dus
toen ik "beperkte periode" hoorde, had ik dat gelijk even moeten
navragen. Ik begrijp die vraag, dus ik zal het navragen. Dat is een
tweede punt van de heer Bushoff waar ik op terugkom in tweede
termijn.
Voorzitter. De heer Bevers had een vraag over de medicatie-evaluaties en
of ik bereid ben om te kijken of daar een betaaltitel voor mogelijk is.
Dit soort evaluaties, waaronder medicatiebeoordelingen ā volgens mij
noemde de heer Bevers die ook expliciet ā kunnen bijdragen aan goede
patiƫntenzorg bij medicijngebruik en bij het minderen en stoppen, het
beroemde "ontpillen". We hebben hierover gesprekken gevoerd met
zorgverzekeraars en apothekers. Zoals ik net al zei, hebben zij
aangegeven de ruimte te zien om hierover afspraken te maken in de
contractering. Dat zullen we blijven volgen, en intussen zullen we de
zorgfunctie van de apotheken wel versterken, want dat zit natuurlijk
onder de vraag van de heer Bevers. Dat deel ik helemaal.
Mevrouw Coenradie vindt dat het model van "laagste prijs plus
bandbreedte". meer onderbouwing vergt; wat heb ik daar nu mee gedaan? We
werken nu dus aan de evaluatie van het preferentiebeleid. Die evaluatie
wil ik graag afwachten, in combinatie met de toezegging die ik net aan
de heer Bushoff deed. Nu voorsorteren op andere modellen vind ik daarom
voorbarig. Er is onvoldoende onderbouwing. Dat blijft dus zo. Omdat ik
de evaluatie van het preferentiebeleid wil afwachten, ben ik nu namelijk
ook niet bezig om die onderbouwing verder uit te werken. Maar met de
uitkomsten van de evaluatie ga ik natuurlijk aan de slag.
Mevrouw Coenradie vroeg ook nog naar de concrete maatregelen in het
geval van medicijntekorten en financiƫle onzekerheid. De signalen die
wij daarover krijgen van apothekers, nemen we uiteraard zeer serieus. We
hebben het zo georganiseerd dat zorgverzekeraars en apothekers hier
afspraken over maken in de inkoopgesprekken. Voor zover dat niet
gebeurt, zal ik dit blijven nagaan zodat het wel gebeurt. Ook hebben we
de Landelijke Eerstelijns Farmacie en de Vereniging van Jonge Apothekers
uitgenodigd om in gesprek te gaan over de problemen die zij signaleren
en om verbeteringen te verkennen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik zou in ieder geval willen zien dat deze minister expliciet met
apothekersverenigingen in gesprek gaat. Zij hebben meermaals een
brandbrief gestuurd. We hebben naar aanleiding van die brandbrieven ook
schriftelijke vragen gesteld. Het verhaal is dat die apothekers nu
simpelweg financieel moeten bijleggen op het moment dat zij niet het
uitgeschreven recept kunnen geven. Ik vind dat een kwalijke zaak. Het
kan toch niet zijn dat een ondernemer, zoals een apotheker, financieel
moet bijleggen en dat wij eigenlijk maar een beetje blijven wegkijken;
los van het feit dat heel veel medicijnen simpelweg niet te verkrijgen
zijn. Dit gaat niet over tientallen mensen; dit gaat inmiddels over
miljoenen mensen.
Minister Hermans:
Het vraagstuk van geneesmiddelentekorten is een apart vraagstuk en heeft
absoluut mijn en onze aandacht, zeker in de huidige geopolitieke
situatie. Voor dit specifieke vraagstuk hebben we aandacht gevraagd bij
zorgverzekeraars en apothekers. Er vindt natuurlijk doorlopend overleg
plaats. Ik zal dus ook zorgen dat we dit nagaan: we hebben er aandacht
voor gevraagd, dus wat gebeurt er nu mee, wat doet u er nu mee? Zoals ik
zei, gaan we met de Landelijke Eerstelijns Farmacie en de Vereniging van
Jonge Apothekers in gesprek om het ook in het algemeen te hebben over de
problemen en mogelijke verbeteringen die ze zien. Daar zal ik ook dit
specifieke punt bespreken. De uitkomsten daarvan zal ik uiteraard met de
Kamer delen. Nu krijg ik de vraag wanneer die uitkomsten komen, maar ik
weet niet exact wanneer we dat gesprek voeren en wanneer ik een brief
stuur. Die brief komt er dus aan. Ik zal zo laten weten wanneer we die
brief sturen.
De voorzitter:
Daar komen we nog op terug; dat is goed. De minister vervolgt.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij ook nog een vraag over preferente
medicijnen. Zij vroeg: wat als die niet beschikbaar zijn? Ik denk dat ik
daar net al wat over heb gezegd, maar heel kort: als een preferent
medicijn niet beschikbaar is, wijzen zorgverzekeraars tijdelijk een
ander medicijn als preferent aan. Dat medicijn wordt dan ook gewoon
vergoed.
Voorzitter. Dan wil ik overgaan naar de mondzorg en de fysiotherapie. Ik
begin met de vragen van de heer Van Dijk, mevrouw Van Brenk en mevrouw
Dobbe over het vergoeden van de periodieke tandheelkundige controle voor
volwassenen via het basispakket. Volgens mij zei mevrouw Van Brenk het
zelf al in haar inbreng: tandartscontroles zonder medische indicatie
voldoen niet aan het wettelijk criterium van de Zorgverzekeringswet
zoals we dat hebben afgesproken; dat is ook de reden waarom ik die stap
nu niet zet. Het Zorginstituut heeft dat op verzoek van mijn voorganger
ook nog een keer getoetst. Daarnaast is er ook een financiĆ«le reden ā
daar zal ik heel eerlijk over zijn ā want als je dat doet, heb je daar
ook geld voor nodig. Er is niet gekozen om daar nu geld voor vrij te
maken en dat toe te voegen aan het pakket.
Voorzitter. De heer Van Dijk vroeg nog of ik hier een
kosten-batenanalyse voor wil maken. Dat is dus al gebeurd in 2024. Die
analyse is eind 2024 opgeleverd. Door een gebrek aan structurele data
was het voor het Zorginstituut niet mogelijk om de baten te koppelen aan
de scenario's. In plaats daarvan hebben ze wel een
maatschappelijke-impactanalyse uitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat
er bredere baten zijn, maar dat het moeilijk vast te stellen is wat de
precieze impact is van goede of verbeterde mondgezondheid.
Dan de vraag van mevrouw Maeijer over de mondhygiƫnist op het
consultatiebureau. Er is in de afgelopen jaren door alle betrokken
partijen heel hard gewerkt aan de inzet van de mondzorgcoach bij de
lokale jeugdgezondheidszorgaanbieder. Dat is gelukt: per januari 2026 is
de mondzorgcoach onderdeel geworden van de reguliere mondzorgbekostiging
in de jgz. Ik denk dat dat een belangrijke stap is voor de samenwerking
tussen de publieke gezondheidszorg en de mondzorg voor kinderen.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe vroeg naar private equity, specifiek in de
mondzorg, als ik het goed heb beluisterd. Zij vroeg hoe ik daarnaar kijk
en hoe ik de aangenomen motie-Dijk/Dobbe ga uitvoeren. Ik denk dat er in
de interrupties al gewisseld is dat private equity in de zorg wat mij
betreft voor- en nadelen heeft. Die moet je zorgvuldig afwegen. Aan de
voordeelkant kan het een uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite
hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Het kan een
positief effect hebben op de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en dus
ook op de continuĆÆteit van zorg. Maar ik zie ook de risico's en de
uitwassen, zoals ook benoemd door een aantal Kamerleden. Daarom werken
we nu aan aangescherpte en verduidelijkte normen. Daarop zal minister
Sterk zo nog ingaan. Ik heb dus niet het standpunt dat je er zomaar van
het ene op het andere moment totaal mee moet stoppen, omdat er ook echt
voordelen aan zitten, maar op de nadelen en uitwassen moet je een goed
antwoord hebben.
Voorzitter. Dan de fysiotherapeuten. Er is zeer terecht genoemd ā¦
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Dobbe haar laatste
interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit was het blokje mondzorg, toch?
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil nog iets vragen. De overwegingen van de minister om een
periodieke controle nu niet op te nemen in het basispakket zijn
duidelijk. Dat zijn kostenoverwegingen. Ik wil de minister graag nog
meegeven dat het duurder is om het niet op te nemen, omdat het leidt tot
meer kosten op het moment dat mensen dit niet doen en dit niet vergoed
krijgen. Maar ik had ook een vraag gesteld over het noodfonds. Ik heb de
oproep gezien van Dokters van de Wereld en meerdere andere organisaties
dat de groep mensen die echt met spoed mondzorg nodig heeft maar die dat
niet via de tandarts krijgt omdat die het niet kan betalen, steeds
groter wordt. Zij pleiten heel erg voor dat noodfonds. Nu weet ik dat de
minister ook weet hoe dat zou moeten, omdat dat al is onderzocht door
Gupta, in opdracht van het ministerie. Is de minister bereid om te
kijken of we dat kunnen gaan doen, zodat we dat in ieder geval voor de
korte termijn kunnen oplossen voor die mensen die nu rondlopen met die
ernstige problemen? Zo valt niet alles op de schouders van die
maatschappelijke organisaties, die dat ook niet allemaal tot het einde
der tijden kunnen dragen.
Minister Hermans:
Ik deel met mevrouw Dobbe het belang van een gezond gebit. Wel is het
belangrijk om ook te benoemen dat de mondzorg in Nederland, gelukkig,
over het algemeen goed toegankelijk is. Maar er is een groep volwassenen
bij wie dat niet het geval is. Daar is ook geen eenvoudige oplossing
voor, want het is best weerbarstige problematiek. Alle gerichtere
regelingen die we hebben voor mensen die om financiƫle redenen die
mondzorg mijden of uit de weg gaan, kennen uitdagingen als het gaat om
het bereiken van de doelgroep maar ook als het gaat om het budget en een
doelmatige inzet van het beschikbare budget. Dus we hebben op dit moment
andere keuzes gemaakt dan het inzetten van die middelen in een
noodfonds. Naar aanleiding van het AZWA zijn we natuurlijk wel met de
motie-Stoffer aan de slag gegaan. We brengen dus in kaart wat je kunt
doen om de groep ā dat is overigens breder dan alleen mondzorg ā te
kunnen ondersteunen die geraakt wordt en voor wie de kosten misschien
een drempel zijn om zorg te vragen. Sowieso brengen we in kaart hoe we
met die envelop van ā¬350 miljoen omgaan, maar in brede zin kom ik hier
graag wat uitgebreider op terug voor de zomer als ik ook kan zien hoe we
in het kader van het AZWA met die uitwerking aan de slag zijn.
De voorzitter:
Dat noteren we.
Mevrouw Dobbe (SP):
Naar aanleiding van mijn vraag: komt de uitwerking van een mogelijk
noodfonds daarin dan ook terug?
De voorzitter:
Ik kan de toezegging niet invullen.
Minister Hermans:
Ik zal daar ook op ingaan, want het is een van de instrumenten, maar ik
zeg wel: we hebben daar nu niet voor gekozen. Op basis van de
verkenningen die we hebben gedaan, is het ook niet de route waarvan ik
nu denk dat die het meest voor de hand ligt. Aangezien wij in brede zin
kijken naar die stapeling en de effecten, zullen we in die brief ook
deze specifieke vorm of dit instrument nog wel terug laten komen.
De voorzitter:
Check, genoteerd. Even checken, u wilde eigenlijk beginnen met fysio,
toch?
Minister Hermans:
Ja.
De voorzitter:
Gaat u voort.
Minister Hermans:
Voorzitter. Daar hebben de heer Bushoff en de heer Poortman mij een
vraag over gesteld. Ik deel met beiden het belang van fysiotherapie in
de eerstelijnszorg, juist ook om de doorstroom naar de tweedelijnszorg
te voorkomen.
De heer Poortman vroeg mij wat ik ga doen om de knelpunten in de
bekostiging, de contractering en de tarieven op te lossen met, zoals de
heer Poortman heel expliciet zei, "bestaande instrumenten". Ik denk dat
het NZa-onderzoek, de marktverkenning die we net gekregen hebben, laat
zien dat we de uitdaging in de sector niet kunnen versimpelen tot enkel
en alleen tarieven, bekostiging en contractering. Een toekomstbestendige
sector vraagt om een gedeelde visie van fysiotherapeuten op hun vak, nu
en in de toekomst. Daar kan financiƫle waardering of bekostiging
natuurlijk een onderdeel van zijn. Transparantie over de zorg die vanuit
fysiotherapeuten wordt geleverd, is natuurlijk nodig om tot die gedeelde
visie te komen. Dit houdt in dat zorgverzekeraars weer transparant zijn
over de toegepaste indexaties in het tarief, conform de NZa-richtlijnen
die daar weer voor gelden, zodat de NZa ook weer op dat proces kan
toezien. Het is dus een kwestie van transparantie daarover en tot een
gedeelde visie komen. Ik verwacht ook dat partijen daarin gezamenlijk
die verantwoordelijkheid nemen.
De heer Bushoff vroeg mij nog hoe ik aankijk tegen de invoering van
minimumtarieven. Op dat punt sluit ik me aan bij het onderzoek van de
NZa. Die concludeert dat de invoering van minimumtarieven niet
proportioneel en noodzakelijk is en echt een zwaar en uitzonderlijk
beleidsinstrument is, dat je kan inzetten bij aantoonbaar marktfalen,
maar daar is op dit moment geen sprake van. Ik volg dat standpunt.
Dan wil ik overgaan naar mijn blokje overig.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op dit punt: de NZa zegt ook dat de vergoeding van die eerste twintig
behandelingen voor een chronisch zieke een mogelijke aanpassing is om de
positie van de fysiotherapie te verstevigen. Is iets doen met dat potje
voor chronisch zieken een van de opties die de minister overweegt in de
brief waar ze het volgens mij net met mevrouw Dobbe over had?
Minister Hermans:
Het korte antwoord daarop is nee. Ik kan dat uitgebreider toelichten,
maar we zullen keuzes moeten maken. Volgens de uitkomsten van het
marktonderzoek en de verkenning van de NZa is er nu niet acuut een
probleem, maar moeten we ons wel goed voorbereiden en moeten we goed
nadenken, want er kunnen in de toekomst natuurlijk wel dingen op ons pad
komen. Vandaar mijn antwoord aan de heer Poortman over de
verantwoordelijkheid die partijen ook samen hebben om tot dat gedeelde
kader en die gedeelde visie te komen.
Voorzitter. Tot slot het blokje overig. Ik begin met de vraag van
mevrouw Van Brenk wie er gaat over het wijzigen van standaardrichtlijnen
van het NHG in relatie tot virusremmers. Het Nederlands Huisartsen
Genootschap ontwikkelt de professionele standaarden en richtlijnen voor
huisartsen. Huisartsen baseren hun zorgverlening op die standaarden en
richtlijnen, die weer gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Ze
worden door het NHG herzien wanneer er sprake is van nieuwe
wetenschappelijke inzichten en natuurlijk als er knelpunten worden
gesignaleerd.
Dan een vraag van mevrouw Wiersma over de budgetbekostiging van de
spoedeisende hulp: ik had beloofd met een brief te komen en de vraag is
of de invoering per 2028 nog steeds haalbaar is. De budgetbekostiging
voor alle spoedeisende hulpen wordt met ingang van 1 januari 2027
ingevoerd. Dat is een eerste kleine stap met een relatief beperkte
afbakening van het budget. Dat is ongeveer 4,5 miljoen per spoedeisende
hulp. Tegelijkertijd werken we in het zogenaamde groeipad verder aan
inhoudelijke vraagstukken. Dat moet dan dienen als basis voor de
doorontwikkeling van de budgetbekostiging. Een overbruggingsfonds of een
beschikbaarheidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen is wat mij betreft
nu niet aan de orde, want we zijn gewoon met partijen hard aan de slag
en we steken met partijen alle energie in het voor elkaar krijgen van de
budgetbekostiging en ook de doorontwikkeling.
Mevrouw Dobbe vroeg mij nog wanneer ik het voorstel van de SP voor de
verbetering van toegang voor onverzekerden tot zorg ga uitvoeren.
Zorgaanbieders zijn verplicht om medisch noodzakelijke zorg te bieden
aan iedereen die dat nodig heeft, ongeacht of je verzekerd bent of niet.
Nederland heeft een ruime vergoedingsregeling voor onbetaalde facturen,
de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Op
basis van die regeling wordt 100% van de passantentarieven vergoed. De
laatste jaren zijn de administratieve lasten sterk verminderd en kunnen
zorgaanbieders digitaal declareren via hun normale declaratiesysteem. Er
gaat ook veel aandacht uit naar de voorlichting over deze regeling. Ik
zie dus op dit moment geen belemmeringen, los van het punt dat de zorg
onder druk staat en dat er wachtlijsten zijn, maar dat geldt natuurlijk
in algemene zin.
Voorzitter. Dan nog een vraag van mevrouw Maeijer en bij interruptie van
de heer Bushoff over C-support. Het uitgangspunt ā ik geloof dat de heer
Vervuurt dat ook al zei in reactie op een interruptie ā is dat
PAIS-patiƫnten, waaronder dus ook patiƫnten met postcovid, goed worden
geholpen binnen het bestaande zorg- en welzijnsdomein. Het is dus van
belang dat zorgprofessionals voldoende kennis en handvatten hebben als
het gaat om de zorgverlening aan postcovidpatiƫnten. VWS financiert
daarom onder andere onderzoek naar die postinfectieuze aandoeningen. Ook
hebben we die expertisecentra opgericht en hebben we recent een
Q-koortsambassadeur aangesteld. De verspreiding van de kennis en van die
onderzoeken is onderdeel van het onderzoeksprogramma en van de opzet van
die expertisecentra. Daarnaast vragen we zowel Q-support als C-support
nadrukkelijk om hun kennis over te dragen aan het reguliere veld. Daar
is dit jaar ook nog geld voor beschikbaar. Daarmee hoop ik echt dat we
die zorg op een goede manier in het reguliere domein aan deze patiƫnten
kunnen bieden.
Voorzitter. Tot slot een vraag van meneer Van Meijeren. Deze vraag werd
voorafgegaan door een heel statement, zou ik eigenlijk willen zeggen,
over de abortuszorg in Nederland. Er zat een aantal aannames is. Ik ga
die niet allemaal herhalen, maar ik wil er wel iets tegenoverstellen dan
wel ze weerspreken. De heer Van Meijeren wekte namelijk de indruk dat
huisartsen, in het geval van de abortuspil bij de huisarts, of artsen
die werken in abortusklinieken, hun werk onzorgvuldig zouden doen. We
hebben zorgvuldigheidseisen afgesproken in de Wet afbreking
zwangerschap. We hebben in de Kamer ook uitvoerig gedebatteerd over deze
zorgvuldigheidseisen toen de initiatiefwet over de abortuspil bij de
huisarts werd bediscussieerd en later werd aangenomen. We hebben het
toen ook gehad over de beraadtermijn en over het belang van de
zorgvuldigheidseisen. Niemand in de Kamer die voor die wetsvoorstellen
was, stelt die zorgvuldigheidseisen ter discussie. Niemand die ik ken,
of die ik gesproken heb ten tijde van de behandeling van die
initiatiefwetten ā ik was toen zelf nog Kamerlid, daarom weet ik dat nog
goed ā en die werkzaam is in de zorg, in een abortuskliniek of bij de
huisarts, acht deze zorgvuldigheidseisen niet belangrijk of schuift ze
terzijde. Die zorgvuldigheidseisen bepalen de toegankelijke en
kwalitatief hoogwaardige abortuszorg die wij in Nederland hebben. Dat
blijkt ook uit wetsevaluaties. Daar wordt door niemand lichtzinnig of
lichtvaardig mee omgegaan. Juist om de kwaliteit van onze abortuszorg te
kunnen garanderen en om ervoor te zorgen dat we zeker weten dat de keuze
voor abortus een vrijwillige keuze is en dat die niet onder dwang wordt
gemaakt, zijn die zorgvuldigheidseisen zo belangrijk en worden die ook
zo zorgvuldig nageleefd.
Voorzitter. Dat gezegd hebbend, betekent dit wel dat als we een wet
hebben en als we afspraken hebben, die ook moeten worden gehandhaafd. De
IGJ ziet daarop toe en kijkt daar nu ook naar in het kader van het
initiatief waar de heer Van Meijeren naar verwees, het verkrijgen van de
abortuspil online. Daar staat precies die vraag centraal: kun je zeggen
dat wordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen op het moment dat er
alleen een formulier wordt ingevuld en er geen fysiek gesprek
plaatsvindt, of dat nou gebeurt via een beeldscherm of in de praktijk,
tussen arts en de vrouw die voor de ingewikkelde keus van abortus staat?
Dat vraagstuk ligt nu voor. Daar buigt de IGJ zich over en als daar een
uitspraak over is, dan weten we hoe dit initiatief zich verhoudt tot
onze wetten. Maar ik herhaal: ik sta onvoorwaardelijk voor de kwaliteit
van de abortuszorg in Nederland en voor alle huisartsen en artsen in
abortusklinieken die daar dag in, dag uit op de meest zorgvuldige wijze
uitvoering aan geven.
De heer Van Meijeren (FVD):
De minister verwijt mij dat ik aannames doe en geeft aan dat alle artsen
de zorgvuldigheidseisen naleven en dat het niet voorkomt dat die
terzijde worden geschoven. Dat zou volgens de minister ook blijken uit
wetsevaluaties. Dat is toch echt feitelijk onjuist. Als je kijkt naar de
eerste wetsevaluatie uit 2005, dan zie je dat daaruit blijkt dat 57% van
de abortusartsen geen voorlichting geeft over alternatieve oplossingen
van de eventuele noodsituatie. Dat is in strijd met de wet. Dit werd bij
de tweede wetsevaluatie herhaald. Toen was het 58% nota bene. Dit zijn
harde cijfers. Ik heb alleen maar feiten benoemd. En als het dan gaat
over dat initiatief Thuisabortus.nl: daar hoeft überhaupt geen gesprek
plaats te vinden, ook niet via een beeldscherm. Het invullen van een
formuliertje is genoeg. Dat is direct in strijd met een evidente
bepaling uit het Besluit afbreking zwangerschap. Dit wordt ook bevestigd
door hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen, verbonden aan de
Erasmus Universiteit. Die zegt: dit is illegaal en hier moet handhavend
tegen worden opgetreden.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Van Meijeren (FVD):
De vraag is: wanneer gaat deze minister, in plaats van om de feiten heen
te draaien en zelfs feiten te ontkennen, zorgen dat de wet wordt
gehandhaafd? We lijken met elkaar te delen dat dat moet gebeuren, maar
het gebeurt niet.
Minister Hermans:
Als er artsen zijn die op onzorgvuldige wijze omgaan met de wet of ā
nee, ik moet het anders zeggen ā die de wet niet naleven, dan hebben we
daar een inspectie voor. Die ziet erop toe en die grijpt in. Dus dat dat
moet gebeuren als dat plaatsvindt, daar ben ik het honderd procent mee
eens. De inleiding van de inbreng van de heer Van Meijeren suggereerde
iets heel anders ā althans ik heb daar iets anders in gehoord ā namelijk
dat dit aan de orde van de dag is. Daar heb ik me tegen uitgesproken en
dat zou ik met alle liefde en plezier nog een keer doen, maar dat zal ik
omwille van de tijd niet doen. Daar blijf ik voor staan. Wat dat
specifieke initiatief betreft, heeft de heer Van Meijeren gelijk. Daarom
zei ik ook: hier gaat het alleen om het invullen van een formulier en
vindt er geen mondeling gesprek plaats tussen arts en vrouw. De vraag is
nu hoe zich dat verhoudt tot de afspraken die we in de wet hebben
gemaakt. Daar kijkt de IGJ naar en ik wacht de uitspraak die zij
daarover doen af, zodat wij weten wat de situatie is.
De voorzitter:
Duidelijk. Ik zag mevrouw Wiersma nog even. Uiteraard, u krijgt zo nog
een mogelijkheid om een vraag te stellen, meneer Van Meijeren. Mevrouw
Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik had nog een verduidelijkende vraag.
De voorzitter:
Dan geef ik u zo het woord. Ik dacht dat het hierover ging.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Nee, het gaat niet hierover.
De voorzitter:
Dan ga ik eerst even terug naar de heer Van Meijeren.
De heer Van Meijeren (FVD):
Het stoort mij echt heel erg dat de minister doet alsof ik iets
suggereer in inbreng. Ik noem alleen maar feiten. Iedere zin die ik heb
uitgesproken, kan ik feitelijk onderbouwen. Het is zo dat het
structureel gebeurt dat wettelijke voorschriften niet worden nageleefd.
Dat blijkt uit evaluaties en de inspectie kan daartegen optreden, maar
dat gebeurt niet, al 40 jaar niet, en daar is deze minister voor
verantwoordelijk. Dus daarom nogmaals de vraag: is deze minister bereid
om de inspectie op te dragen om daadwerkelijk te gaan handhaven? En op
welke termijn kunnen we verwachten dat in ieder geval tegen dit
initiatief van Thuisabortus.nl wordt opgetreden, omdat dat evident in
strijd is met de wet? En dat is niet alleen mijn bewering, maar ook de
bewering van hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen, die ik zojuist
al aanhaalde.
De voorzitter:
Ik wil voorkomen dat we in rondjes blijven draaien. De vraag wordt
herhaald en de minister gaat over haar eigen antwoorden. Minister, tot
slot. En dan wil ik echt naar het volgende blok, omwille van de
tijd.
Minister Hermans:
Ik neem de signalen over Thuisabortus.nl, het initiatief dat vorige week
gelanceerd is, heel serieus. Een aantal van de vragen die de heer Van
Meijeren stelt, werpt het initiatief op. Die zijn ook gesteld door de
huisartsenvereniging en zijn ook, als ik me niet vergis, door de
vereniging van abortusklinieken zelf in reactie op dit initiatief in de
media genoemd. Het is nu aan de IGJ. Die kijkt nu op basis van signalen,
die ook in de krant gemeld zijn, hoe dit initiatief binnen onze wet- en
regelgeving past. Dat gebeurt nu dus. Op basis van dat oordeel zullen we
verder kijken.
De voorzitter:
Heel kort, want het wordt herhaling. Echt, echt, echt een
slotvraag.
De heer Van Meijeren (FVD):
Ja, afrondend, voorzitter. Ik mis ieder gevoel van urgentie. Het gaat
hier wel om strafbare feiten met als gevolg dat ongeboren menselijk
leven onrechtmatig wordt beƫindigd.
De voorzitter:
Maar nu valt u in herhaling.
De heer Van Meijeren (FVD):
Dat is geen herhaling. Ik hoor deze minister namelijk zeggen dat ernaar
wordt gekeken, maar op dit moment moet er worden gehandhaafd.
De voorzitter:
OkƩ.
De heer Van Meijeren (FVD):
Kan ik dan in ieder geval van deze minister de toezegging krijgen dat
als ze erkent dat er inderdaad juridische vragen zijn over deze kwestie,
ze in gesprek treedt met de initiatiefnemers achter Thuisarbortus.nl om
ervoor te zorgen dat deze praktijken in ieder geval stoppen totdat dat
onderzoek waarnaar de minister verwijst, is afgerond?
De voorzitter:
De minister, tot slot.
Minister Hermans:
Nadat het initiatief bekend is geworden bij mij op het ministerie,
hebben wij het direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie
Gezondheidszorg en Jeugd. Daar hoort het. Daar ligt het. Zij ziet toe op
het online voorschrijven van geneesmiddelen en op de Wet afbreking
zwangerschap. Ik wacht nu het oordeel van de IGJ af.
De voorzitter:
Duidelijk. Zo is de rolverdeling in ieder geval in de wet
verankerd.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik had nog ƩƩn verduidelijkende vraag over de budgetbekostiging. Mijn
vraag ging namelijk niet zozeer over de budgetbekostiging zelf, want
zoals ik het begrijp is er sprake van een ingroeipad vanaf 2027. Stelt
de minister nu dat dat ingroeipad gegarandeerd eindigt in 2028? Of kan
de situatie ontstaan waarin tijdens het ingroeipad er
spoedeisendehulpposten met een tekort bestaan, waardoor toch de
continuĆÆteit van die SEH's onder druk komen te staan? Dan zou het
namelijk zo kunnen zijn dat voordat je dat ingroeipad voltooit, je toch
eerst met een specifieke overbruggingsmaatregel moet komen, ook omdat we
het heel belangrijk vinden dat het in de regio's beschikbaar blijft. Dat
was eigenlijk de vraag die ik poogde te stellen. Graag nog
verduidelijking op dat punt.
Minister Hermans:
Mijn beeld is dat zo'n overbruggingsfonds niet nodig is. Het is
inderdaad wel een ingroeipad of een "doorontwikkeling", zoals ik het net
noemde. Er komt nog dit voorjaar een brief over hoe we dat groeipad
concreet gaan uitwerken. Ik kan in die brief op basis van dat groeipad
aangeven waarom ik vind en inschat dat zo'n overbruggingsregeling of een
beschikbaarheidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen niet aan de orde
is.
De voorzitter:
Ik kijk even naar minister Hermans om te zien of zij klaar is. Ja, dan
gaan we naar minister Sterk.
Minister Sterk:
Voorzitter. Misschien is het goed als ik nog even kort de blokjes
herhaal die ik heb meegekregen. Dat zijn het blokje opleiden en het
blokje wijkverpleging. Ik zag net trouwens ook nog een heel klein blokje
regeldruk en daarna heb ik nog een blokje met overige vragen.
Ik begin met het blokje opleiden. Ik denk dat ik net uit al uw woorden
heb gehoord dat de zorg die wij hebben mede het gevolg is van de goede
en gekwalificeerde mensen die daarin werken. We hebben daar heel veel
zorg voor en zijn daar trots op. Het is ontzettend belangrijk dat wij
deze zorg- en welzijnsprofessionals goed opleiden voor de toekomst. Het
gaat niet alleen om goed opleiden, maar ook om ervoor zorgen dat er meer
mensen in de zorg komen te werken. Het goede nieuws is in ieder geval
dat dat ook in de sector zo is gezien en dat in het AZWA hele concrete
afspraken zijn gemaakt over hoe we die lerende omgeving die daarvoor
nodig is met elkaar vormgeven. We hebben het vandaag eigenlijk over die
eerstelijnszorg. Als we de zorg meer naar de voorkant willen bewegen,
hebben we ten eerste meer zorgmedewerkers nodig, en snel ook, om ervoor
te zorgen dat we die handen houden, maar we hebben vooral ook
zorgmedewerkers nodig die zijn opgeleid voor de vragen die dat oproept.
We gaan namelijk van zorgen voor naar zorgen dat. Dat vraagt soms ook
andere competenties van zorgmedewerkers dan we misschien in het verleden
van hen hebben gevraagd. Dat is een gesprek dat we vooral in overleg met
alle veldpartijen moeten voeren. Dat doen we dus ook en dat blijven we
ook op die manier voortzetten.
Dan wil ik nu terugkomen op de vragen die u heeft gesteld. Ik wil eerst
even ingaan op de vragen rondom het Capaciteitsorgaan en daarna op een
aantal andere vragen over de instroom van eerstelijnsartsen en
anderen.
Mevrouw Coenradie, mevrouw Wiersma en mevrouw Van Brenk vroegen: "Waarom
lijkt het dat de minister afwijkt van het advies van het
Capaciteitsorgaan, terwijl we daar normaal aan vasthouden? Wil de
minister samen met verzekeraars werken aan extra opleidingsplaatsen in
de acute zorg?" Ik kan in ieder geval niet bevestigen dat wij afwijken
van dat advies van het Capaciteitsorgaan. De ramingen zijn natuurlijk in
principe altijd leidend, ook voor de besluiten die genomen worden over
het aantal centraal gefinancierde opleidingsplekken, maar we nemen ze
niet altijd een-op-een over. Waar ligt dat dan aan? Dat heeft eigenlijk
vooral met de absorptiecapaciteit van de sector te maken. De sector moet
het namelijk wel aankunnen om meer mensen op te leiden. We zien dat
bijvoorbeeld de huisartsenzorg dat op dit moment niet aankan. Daar
voeren we het gesprek over. Dat kan dus een reden zijn waarom je zo'n
advies van het Capaciteitsorgaan niet een-op-een kunt
implementeren.
De integrale besluitvorming over dat advies en de door ons als
ministerie gefinancierde opleidingsplekken voor aankomend jaar zal later
dit jaar plaatsvinden, want daarover zijn we nog in gesprek met het
ministerie van OCW, dat daar natuurlijk ook een rol in heeft. Ik ben van
plan u daar voor de zomer over te informeren. De gestelde vraag over de
extra opleidingsplaatsen in de acute zorg zullen we daarin ook meenemen.
Het lijkt me goed dat ik dat doe voordat we het debat over het
arbeidsmarktbeleid hebben. Dat staat namelijk nog voor de zomer
geagendeerd. Dit lijken me echt vragen die daar ook bij
thuishoren.
Dan was er door mevrouw Van Brenk ā¦
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dit is heel veel tekst, maar ik heb eigenlijk gewoon een concrete vraag,
waar ik gewoon ja of nee op wil horen. 50 SEH-opleidingsplaatsen in
plaats van 60: gaan we dat nou wel doen of gaan we dat nou niet doen? Ja
of nee.
Minister Sterk:
Ik zou willen dat ik daar een simpel ja of nee op kan zeggen, maar we
zijn daarover nog in gesprek. Ik zeg u in ieder geval toe dat ik er in
die brief op terugkom. Dan kunnen we het er volgens mij bij dat debat
met elkaar over hebben.
De voorzitter:
Gaat u voort, mevrouw de minister.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik was bezig om de vraag van mevrouw Van Brenk te
beantwoorden, die zich afvroeg of er plannen zijn om meer huisartsen op
te leiden en meer verpleegkundigen te vinden. Ik zei net al dat we met
een reactie komen op dat advies van het Capaciteitsorgaan. Daarin wordt
het opleiden van huisartsen meegenomen, maar het is natuurlijk ook heel
belangrijk dat er instroom is in de initiƫle opleidingen, waaronder dus
ook de opleidingen voor verpleegkundigen en wijkverpleegkundigen. We
zien dat die instroom afhangt van de interesse van mensen. Er kunnen wel
middelen zijn, maar er moeten ook mensen zijn die het willen doen.
Ik denk dat we daarin met z'n allen iets te doen hebben. Daarom is het,
denk ik, belangrijk dat we het niet alleen hebben over de moeilijkheden
die er soms in de zorg zijn, maar dat we ook met elkaar blijven
uitdragen hoe mooi het is om in die zorg te werken. U kent daar
ongetwijfeld de voorbeelden van. Ik kom ze ook met grote regelmaat
tegen. Ik denk dat het belangrijk is dat we dat met elkaar blijven
uitdragen. Zoals ik net al zei, hebben we in het AZWA concrete afspraken
gemaakt over het versterken van de lerende omgeving. Specifiek voor de
wijkverpleging is er voor de komende jaren structureel 60 miljoen
beschikbaar om nieuwe wijkverpleegkundigen op te leiden. Ik ben op dit
moment met het veld in gesprek over hoe we die dan ook zo goed mogelijk
inzetten.
Dan was er een vraag van de heer Van Dijk ā die is hier inmiddels niet
meer, maar ik ga de vraag toch beantwoorden ā en de heer Vervuurt, over
het tekort aan doktersassistenten en wat wij doen aan voldoende instroom
voor de opleiding en aan de regionale spreiding. Laat ik beginnen met te
zeggen dat ik het zorgelijk vind dat de instroom stokt en dat er op dit
moment in ieder geval een tekort is aan doktersassistenten. Dat zet het
werk in de huisartsenpraktijken onder druk.
De opleiding voor doktersassistenten, die een mbo-opleiding is, is in
principe breed verspreid over Nederland. Een belangrijke reden dat die
instroom daalt, is dat er een tekort is aan stageplekken. Dat heeft weer
alles te maken met de krapte op de arbeidsmarkt. Als VWS doen we daaraan
drie dingen. Ten eerste kunnen wij werkgevers een tegemoetkoming geven
voor het opleiden via subsidies voor strategisch opleiden in zorg en
welzijn en via het Stagefonds Zorg. Het tweede wat wij daaraan doen ā
dat heb ik net ook al wel benoemd ā is samen met al die veldpartijen
werken aan het versterken van de lerende omgeving. We zijn aan het
kijken hoe we de opleidingsmiddelen, bijvoorbeeld de 60 miljoen voor de
wijkverpleegkundigen, goed in kunnen zetten, maar dat geldt ook voor de
andere middelen die ik net noemde.
Ten slotte is geld alleen niet de oplossing voor dit probleem. Er moeten
ook mensen zijn die willen instromen. Zoals ik net al zei is de krapte
op de arbeidsmarkt soms een probleem, maar ook de begeleidingscapaciteit
is een zorg. Daarom moedigen we creatieve oplossingen aan vanuit de
tekortregio's, waar krapte is bij de begeleiding, zodat werkgevers en
het onderwijs extra stageplaatsen kunnen gaan aanbieden. Dat is dus het
gesprek dat we ook met het veld voeren, van: hoe kunnen we de
initiatieven die daarin tegemoetkomen, verder brengen? Daarover heb ik
ook overleg met het ministerie van OCW, want dat heeft natuurlijk ook
verantwoordelijkheid ten aanzien van die stageplekken op het gebied van
zorg en welzijn.
Dan hadden de heer Bevers en, als ik het me goed herinner, ook mevrouw
Maeijer en de heer Vervuurt de vraag of we bereid zijn met huisartsen in
gesprek te gaan over de manier waarop beperkingen kunnen worden
weggenomen, ook wat betreft het tekort aan doktersassistenten. Met de
AZWA-partijen hebben we met enige regelmaat overleg. Daarbij zetten we
vaak een thema centraal. In het tweede kwartaal van dit jaar hebben we
het thema arbeidsmarkt en opleiden centraal gezet. Dat is bedoeld voor
het aandragen van innovatieve ideeƫn, bijvoorbeeld voor de
stagebegeleiding. Dat gesprek gaan we dus inderdaad aan met iedereen die
daar een verantwoordelijkheid in heeft.
De heer Van Dijk had een hele specifieke vraag over een nieuwe
opleidingslocatie voor Zuidwest-Nederland, omdat daar een regionaal
tandartsentekort is. Ik denk dat het goed is dat er wordt gekeken hoe we
een evenwichtige spreiding van tandartsen over het hele land kunnen
krijgen, maar het is aan het veld en de opleidingen zelf om te bepalen
of er een nieuwe opleiding gestart moet worden. De Commissie
Doelmatigheid Hoger Onderwijs brengt op basis van de Regeling
macrodoelmatigheid hoger onderwijs advies uit aan de minister van OCW,
en dus niet aan deze minister, over een eventuele aanvraag voor een
nieuwe opleiding.
De laatste vraag in dit blokje is ook een vraag van de heer Bevers. Die
vroeg of wij samen met de beroepsverenigingen, de umc's en de
vakopleidingen een actieplan zouden willen opstellen voor meer instroom
in de cluster 1-beroepen. Dit vraagstuk van de achterblijvende instroom
in de extramurale artsenberoepen speelt al langer. Daarom hebben de
branche- en beroepsorganisaties in 2024 al een werkgroep opgericht. Die
noemen ze Meer extramurale artsen. Daar zijn ook actieplannen uit
voortgekomen, onder andere om de instroom te verhogen. In die werkgroep
zaten onder andere UMCNL, de KMMG, de Landelijke Huisartsen Vereniging
en Huisartsopleiding Nederland, maar daar zaten nog meer partijen
in.
Dat project heeft al een aantal positieve effecten teweeggebracht, onder
andere rond de verbetering van de onderlinge contacten en het imago en
de bekendheid van extramurale artsenberoepen. Maar we moeten ook
constateren dat de beschikbare opleidingsplaatsen op dit moment nog niet
volledig zijn gevuld, dus we zullen ook de ingezette acties moeten
doorzetten en borgen. Binnenkort komt die werkgroep met een eindrapport
en een evaluatie van de actieplannen. Ik wil daar graag goed naar kijken
om te zien welke vervolgacties daaruit voort zouden kunnen komen.
Dat was het blokje opleiding. Dan ga ik door naar het volgende
blokje.
Dat is het blokje wijkverpleegkundigen. Nee, wijkverpleegkundigiā¦
Wijkverpleging, bedoel ik. Dat is een moeilijk woord. Ik had me
eigenlijk voorgenomen om een heel mooi verhaal te houden over de
wijkverpleging en hoe belangrijk die is, juist vanwege de rol daarvan in
de beweging naar de voorkant, maar eigenlijk heeft u daar zelf al heel
veel mooie woorden aan gewijd. Ook mijn collega heeft net het belang
aangegeven van de verbinding van het sociaal domein met die eerste lijn,
waarin de verpleegkundigen ook een cruciale rol spelen. Ik wil eigenlijk
alleen maar zeggen dat wij volgens mij heel trots mogen zijn op de
wijkverpleging zoals wij die in Nederland hebben en ook op hoe die zich
de laatste jaren heeft ontwikkeld. Als ƩƩn beroepsgroep die hele
beweging van "zorgen voor" naar "zorgen dat" en naar de passende zorg
eigenlijk al goed heeft door laten werken in het werk dat ze doen, dan
is dat wel de wijkverpleging.
Dat laat zich, denk ik, ook in financiƫle zin zien, maar dat is een
zijpad, wat mij betreft. Zij zijn dus de spin in het web. Zij hebben een
hele belangrijke rol. Volgens mij is het bij alles wat we de komende
tijd doen ook belangrijk dat we dat ook in ogenschouw blijven houden,
want we hebben dat nodig als we gaan werken aan de zorgzame wijken en
buurten waarin we de kwaliteit van leven centraal willen stellen.
Door het CDA werd gevraagd: hoe kijken we nou naar de uitwerking van die
eigen bijdrage in de wijkverpleging? Er werd door andere partijen, onder
anderen door mevrouw Van Brenk, gezegd: wij willen die eigen bijdrage
eigenlijk helemaal niet in de wijkverpleging. Dat laatste ga ik hier nu
niet toezeggen, maar dat zal u waarschijnlijk niet verbazen. Ik wil
echter wel aangeven wat de gedachte is waarom we dit doen en hoe ik aan
het bekijken ben hoe we dat nou zo goed mogelijk kunnen gaan
invullen.
Waarom doen we het? Ik denk dat mijn collega Hermans net al heel
duidelijk heeft uitgelegd dat wij in ons systeem werken vanuit de
solidariteitsgedachte, dus dat hogere inkomens meer betalen dan lagere
inkomens en dat mensen die gezond zijn soms ook betalen voor mensen die
zorg nodig hebben of ziek zijn, maar dat we als mensen dan zorg nodig
hebben ook wat vragen om daar dan een bijdrage aan te leveren. Dat doen
we op een heleboel vlakken. Dat willen we ook gaan doen bij de eigen
bijdrage voor de wijkverpleging. Dat doen we ook omdat we de premies
beheersbaar willen houden en omdat we de solidariteit in het systeem
willen houden. Ik heb zelf ook al gesproken met de wijkverpleging.
Jullie hebben als commissie de petitie ook in ontvangst genomen. Ik ben
dus ook niet doof voor de zorgen die zij hebben. Ik denk dus dat we goed
moeten kijken naar wat potentieel de consequenties zijn van deze
invoering.
Wat mij betreft zijn er een aantal voorwaarden voor de vormgeving van
die eigen bijdrage. Dat is ten eerste dat we rekening houden met de
draagkracht van mensen. We moeten ook goed bezien dat we zo veel
mogelijk voorkomen dat er een verschuiving naar andere domeinen of
andere regelingen plaatsvindt. Ten derde dat we de regeling begrijpelijk
houden voor de burger, maar zeker ook voor de uitvoeringsorganisatie. We
moeten het tijdig doen, maar ook zorgvuldig. Ten slotte moeten we de
uitvoeringskosten van die regeling zo laag mogelijk houden.
Als dat je randvoorwaarden zijn, stuit je natuurlijk wel op een aantal
dilemma's. Ik zie de heer Bushoff al een beetje heen en weer bewegen; ik
weet niet of dat daarmee te maken heeft. Er zijn natuurlijk dilemma's,
want aan de ene kant kun je een hele eenvoudige regeling maken die heel
begrijpelijk is, maar die misschien niet goed rekening houdt met
draagkracht. Als je dat omdraait, dan krijg je een hele complexe
regeling die misschien wel rekening houdt met draagkracht, maar die
tegelijkertijd weer heel complex is in de uitvoering voor burgers en
voor uitvoerende partijen.
Je kunt ook kijken naar de manier waarop je die regeling precies invult.
De eigen bijdrage kun je natuurlijk op verschillende manieren vormgeven
als je die bijvoorbeeld inkomensafhankelijk maakt. Je zou het ook via
een vaste bijdrage kunnen doen. Je zou ook kunnen bekijken wanneer je
hem gaat vragen in het proces waarin mensen met de wijkverpleging te
maken krijgen. Dat zijn allemaal dilemma's. Ik zeg u alvast: ik ben daar
nog niet helemaal uit, want ik wil graag uitgewerkt hebben hoe het er
dan uitziet, wat het precies doet als we aan die knoppen gaan draaien,
en hoe we het, uitgaande van de randvoorwaarden die ik net heb genoemd,
zo goed mogelijk kunnen vormgeven.
Ten slotte wil ik daarbij ook betrekken dat er natuurlijk meer
regelingen zijn die een rol kunnen spelen en impact kunnen hebben op
bepaalde groepen in onze samenleving; dat heeft mijn collega Hermans net
ook al aangegeven. De stapeling van al die maatregelen, niet alleen
vanuit ons ministerie, maar ook vanuit Sociale Zaken, wordt nu in beeld
gebracht, niet alleen voor de koopkracht, maar juist ook voor bepaalde
doelgroepen die misschien heel veel zorgkosten hebben. Daar wil ik de
uitwerking van die regeling ook bij betrekken en ook bekijken wat we
uiteindelijk doen met de enveloppe die er is met die 350 miljoen. Dat is
volgens mij een pakket aan knoppen die we hebben om ervoor te zorgen dat
we de voorwaarden zoals ik die net noemde, dus de draagkracht en de
uitvoerbaarheid, zo goed mogelijk inregelen. Ik zit nog in dat proces.
Ik wil u als Kamer er in ieder geval nu alvast aan de voorkant in
meenemen hoe we daarnaar kijken. Ik wil ook voor de zomer, als we verder
zijn met de uitwerking, graag daarover met u in gesprek om daarover uw
visie te horen.
Voorzitter. Dan ga ik nog toe naar een aantal specifiekere vragen.
Mevrouw Van Brenk vraagt hoe dit zich verhoudt tot de eerstelijnszorg
wat betreft nabijheid en toegankelijkheid. Uitgangspunt blijft juist dat
wij willen dat mensen in hun eigen omgeving kwalitatief goede zorg
krijgen. Daar is de eerstelijnsbeweging ook op gericht. Daarom willen we
ook die sterke lokale teams maken. Wijkverpleging is hierin een cruciale
schakel. Die zit immers in zowel de wijkteams vanuit de huisartsen, de
medische teams, als in de welzijnsteams; hechte wijkverbanden. Dat is
cruciaal. Het is belangrijk dat we dit goed blijven inregelen, dat we
goed kijken of er een zorgvraag is of een ondersteuningsvraag, of er een
welzijnsaanbod nodig is of dat er zorg nodig is en wat dan passende zorg
is.
Mevrouw Maeijer had een vraag over de palliatieve zorg: zet die niet een
rem op mensen die thuis willen sterven? Ik gaf net al aan welke
randvoorwaarden er zijn. De eigen bijdrage mag in ieder geval geen
onoverkomelijke financiƫle drempel worden voor mensen om noodzakelijke
zorg te ontvangen. Daarom ben ik ook op zoek naar een zo optimaal
mogelijke vormgeving.
Mevrouw Van Brenk zei ā althans, zo hebben wij het gehoord ā dat De
Buurt als Ecosysteem kritisch is op de bezuiniging op de wijkverpleging.
Maar er is geen bezuiniging op de wijkverpleging. Sterker nog, we hebben
voor de komende jaren zelfs meer middelen. Wel hebben we het over een
eigen bijdrage voor de wijkverpleging, maar dat is iets anders dan een
bezuiniging op de wijkverpleging.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Zo heb ik het niet gezegd. Zo heb ik het in ieder geval zeker niet
bedoeld. Ik weet dat er vanuit de zorgverzekeraars geld beschikbaar is
om De Buurt als Ecosysteem te gaan ontwikkelen, maar dat zij daarbij wel
de opdracht hebben verstrekt dat het aantal uren wijkverpleging met 15%
moet afnemen. Dat is dus wel een taakstelling.
Minister Sterk:
Vindt u het goed dat ik daar in tweede termijn op terugkom? Dan laat ik
het even uitzoeken, want zo scherp is mij dat niet bekend. Hier kom ik
in tweede termijn dus op terug.
Er was een vraag van de heer Poortman over de opties. Die heb ik net
aangegeven.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee de vragen op het punt van de
wijkverpleging heb beantwoord.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op dit punt. De minister spreekt mooie woorden over de wijkverpleging,
over de spin in het web. Die woorden zijn allemaal waar, maar de
financiƫle drempel, die er nu niet is, gaat de minister nu wel invoeren.
De mensen die ons de petitie overhandigden en die de minister ook heeft
gesproken, maken zich zorgen. Ze denken dat er niemand meer achter de
voordeur komt, met alle gevolgen van dien: escalatie, verwaarlozing,
mensen die in een veel slechtere staat straks in het ziekenhuis
terechtkomen of in het verpleeghuis. Dat is ten eerste niet leuk voor de
persoon in kwestie, maar bovendien ook nog een stuk duurder. Ongeacht
hoe je die regeling gaat inrichten ā nogmaals, wij zijn daar tegen ā zul
je altijd mensen hebben die vanwege het feit dat er nu een financiƫle
drempel is, zorg gaan mijden. Daardoor zullen de problemen, in welke
vorm dan ook, gaan escaleren. Neemt de minister dat dan voor lief, vraag
ik haar.
Minister Sterk:
Ik heb oog voor de risico's die er zijn. Daar wil ik ook naar kijken.
Tegelijkertijd wil ik daartegenover zetten dat we proberen om veel meer
aan de voorkant, ook via zorgzame buurten, te signaleren wat er speelt
bij mensen thuis. De wijkverpleegkundige heeft hierin wel een
belangrijke rol, maar is niet de enige. Dat is bijvoorbeeld ook de
huisarts of de mensen die in de buurt actief zijn vanuit welzijn en
anderszins. Daarbij moeten mensen natuurlijk de ruimte blijven voelen om
inderdaad de hulp te kunnen krijgen van de wijkverpleging, maar de vraag
is of die eigen bijdrage daarbij nou het meest beslissend is. Als het
bijvoorbeeld gaat over mensen met dementie ā ik kom daar straks nog op
terug bij mijn blokje overig ā is het de vraag of een eigen bijdrage
voor de wijkverpleging nou de drempel is om uiteindelijk hulp te zoeken
of dat het is dat mensen er misschien nog mee in het reine moeten komen
of de ontwikkelingen nog willen ontkennen; ik heb dat in mijn omgeving
ook gezien.
Nogmaals, wij denken, waarschijnlijk vanuit een ander principe dan u,
namelijk vanuit de solidariteitsgedachte in ons stelsel, dat deze zorg
inderdaad een bijdrage mag vragen. Tegelijkertijd willen we ook dat die
wijkverpleging die belangrijke rol goed kan blijven vervullen in het
systeem. Daar zullen we ook oog voor houden.
De voorzitter:
Laten we even doorgaan. De minister.
Minister Sterk:
Dan ben ik bij mijn blokje regeldruk. Daarover was een vraag van mevrouw
Coenradie en een van de heer Van Dijk. De vraag van mevrouw Coenradie
ging volgens mij niet heel expliciet over de eerstelijnscoalitie.
Ik ga nu antwoord geven op de vraag van volgens mij de heer Van Dijk of
wij in overleg willen treden over de voorstellen van de
eerstelijnscoalitie om administratieve lasten in de zorg echt te
verlagen. Ja, ik wil daarover in overleg treden, maar we zien ook dat
die eerstelijnscoalitie voorstellen doet die al heel nauw aansluiten bij
de huidige wetgevingspraktijk. Bijvoorbeeld gedistantieerde regelgeving,
waar zij voor pleiten, of consistente wetgeving, dus dat regels logisch
in elkaar moeten steken en te begrijpen moeten zijn, en zorgvuldige
beoordeling, dus of wetgeving echt nodig is, of er misschien
alternatieven zijn, of het wel uitvoerbaar is en of het niet tot te veel
regeldruk leidt, zijn dingen die al verplicht moeten worden nagegaan bij
alle nieuwe wet- en regelgeving.
We hebben daar een kompas voor, het Beleidskompas. Dat vraagt dat we dat
sowieso doen. Daarna worden voorstellen ook nog eens getoetst door het
Adviescollege toetsing regeldruk, dat ook altijd op deze punten ingaat.
Nogmaals, ik denk dat het goed is dat wij het gesprek aangaan met deze
eerstelijnscoalitie, want we moeten altijd leren van goede ideeƫn. Als
er concrete beleidsvoorstellen zijn, moeten we die ook met hen
bespreken.
Voorzitter. Er was nog een vraag van mevrouw Dobbe over de
vijfminutenregistratie. Laat ik het anders zeggen: wij hebben echt
gezocht naar voorbeelden waarbij dit een blokkade is en we hebben ze
gewoon niet kunnen vinden. Vandaaruit zie ik op dit moment geen reden om
dat aan te pakken, gezien alle dingen die we op dit moment te doen
hebben; we hebben ontzettend veel wet- en regelgeving en heel veel
dingen die we willen organiseren in de zorg. Maar als u mij een concreet
en tastbaar voorbeeld kunt aandragen waarin dit inderdaad speelt en een
blokkade is, dan wil ik heel graag daarover met u in gesprek, want wij
kunnen ze niet vinden. Als u mij dat inderdaad kunt doen toekomen, dan
zeg ik u toe dat we daarmee aan de gang gaan.
De voorzitter:
U was door uw interrupties heen, mevrouw Dobbe, maar dit was een beetje
uitlokking. Maak geen nieuw punt, maar u mag even hierop ingaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Zo hard heeft het ministerie dus helemaal niet gezocht. Dat is wat ik
denk. Maar goed, prima. Ik wil best het voorbeeld aandragen, maar dan
gaan we niet nog een keer een gesprek daarover voeren. We hebben gewoon
een motie ingediend. Er zijn twee opties: of die motie wordt uitgevoerd
of die wordt niet uitgevoerd. Volgens mij is er ook als er weinig
voorbeelden zijn geen enkele belemmering om die motie uit te voeren. Ik
kan u voorbeelden doen toekomen, maar niet om als een reden om af te
wegen om die motie wel of niet uit te voeren, want die motie is gewoon
aangenomen.
De voorzitter:
OkƩ. Misschien wordt de motie wel uitgevoerd als die voorbeelden komen,
maar goed, ik ga er helemaal niet over. De minister.
Minister Sterk:
Het punt is juist dat wij geen voorbeelden hebben kunnen vinden.
Nogmaals, ik ben echt bereid om dit op te lossen als dit echt een
probleem is, maar ik wil dan ook graag wel de voorbeelden erbij. Wij
hebben echt gezocht, maar ze nog niet gevonden. Als u beter kunt zoeken,
dan wil ik ze heel graag ook ontvangen.
De voorzitter:
OkƩ. Wordt vervolgd.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ten slotte heb ik nog de vraag van de heer Vervuurt over de
digitale intakeprocessen en wat wij doen om dat op te schalen. Ik hoorde
pas een heel mooi voorbeeld daarvan van een huisarts die dat gebruikte
in haar praktijk. Dat scheelde heel veel tijd en maakte juist ook heel
scherp wat nou de vraag was en wat de afspraken waren, ook voor de
patiƫnt. Dat gaf gewoon heel veel rust en helderheid over wat daar
gebeurde.
We hebben in de akkoorden met de veldpartijen afspraken gemaakt om die
digitale vormen van zorg en ondersteuning een impuls te geven, maar dan
wel ā ik denk dat we niet overal achteraan moeten lopen ā als het
bijdraagt aan passende zorg, want dat is de beweging die we willen
maken.
Voorzitter, dat was dit blokje. Dan heb ik nog een aantal vragen in
overig.
Mevrouw Van Brenk had een vraag ā eigenlijk heb ik daar net al even op
gereflecteerd ā over de toegankelijkheid van de casemanager dementie. Ik
heb net al aangegeven dat ik denk dat er allerlei redenen zijn waarom
het soms moeilijk is om die hulp te vragen. Het is in ieder geval
ontzettend belangrijk dat die zorg wel vergoed wordt en dat de
zorgverzekeraars die zorg breed gaan inkopen. Ze mogen het in principe
vergoeden vanaf het sociaal domein tot aan de heel zware zorg als mensen
uiteindelijk in een verpleeghuis zitten en soms echt in de laatste fase
van dementie zitten.
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat de zorgverzekeraars dat
financieren en ik verwacht dan ook dat de zorgverzekeraars samen met
gemeenten en de zorgaanbieders in elke regio een plan maken voor hoe ze
dit onderdeel van hun zorgplicht ā die hebben die zorgverzekeraars ook
op dementie ā invullen.
Voorzitter. Dan de voorzorgcirkels. Daar begon mevrouw Van Brenk over en
ik herinner me dat ze het daar ook al over had bij de begroting. Volgens
mij zijn dat heel mooie voorbeelden. Ze vroeg of wij zien dat
welzijnswerk een belangrijke partner is voor zorgzame buurten, maar daar
heeft mijn collega daar net al iets over gezegd. Ik denk dat het juist
zo mooi is dat de beweging die we nu maken het welzijn en de zorg bij
elkaar brengt, want juist vanuit welzijn kun je heel veel problemen op
een andere manier aanpakken en kan je soms veel toevoegen aan de
kwaliteit van leven en ook aan de zingeving van mensen. Hoe mooi is het
als je gewoon ergens kunt gaan eten als je eenzaam bent, 's avonds met
mensen in een buurthuis? Dan kun je wel pillen voorschrijven als arts,
maar misschien is het wel veel beter als je dat een paar keer per week
kunt doen met de mensen uit je buurt. Ik geloof er heel erg in dat we
die bewegingen bij elkaar moeten brengen.
Er waren nog een aantal vragen over de flexibele schil van
zzp-huisartsen, onder andere van de heer Van Dijk. Ook mevrouw Coenradie
stelde daar vragen over. De vraag was hoe het nou zit met de wet waaraan
gewerkt wordt, die nieuwe Zelfstandigenwet. Ik moet zeggen dat die wet
primair de verantwoordelijkheid is van mijn collega hier aan de andere
kant van het ministerie van VWS, namelijk die van Sociale Zaken. Daarom
kan ik nu nog niet op de invulling van dat wetsvoorstel vooruitlopen. Ik
ben uiteraard wel betrokken bij het verder uitwerken daarvan. Wat
volgens mij vooral belangrijk is, is de vraag of die flexibele schil nou
echt zo samenhangt met de inzet van zzp'ers. Ook zonder zzp'ers is het
mogelijk om die zorg, bijvoorbeeld die 24 uurszorg, te borgen bij de
haps, om dat te regelen. Wij zijn al geruime tijd in gesprek met de
huisartsenvereniging en met InEen over de mogelijkheden om dat te doen
met mensen in loondienst. Dus mijn collega is bezig met de wet ā daar
komen we later op terug ā maar we zijn nu al aan het kijken hoe dat
ingevuld kan worden vanuit loondienst.
De heer Bushoff had nog een hele ā¦
De voorzitter:
Voordat u naar de heer Bushoff gaat, heeft de heer Bevers nog een
vraag.
De heer Bevers (VVD):
Ja, over dit onderdeel specifiek. Ik kreeg de vraag bij interruptie. Ik
ben er heel duidelijk over geweest. Wij hebben er in het verleden heel
veel contact over gehad, ook met de Landelijke Huisartsen Vereniging en
met de huisartsenposten. Het is dus wel een probleem. Het is wel een
probleem om voldoende huisartsen te krijgen in loondienst. Met name in
de spoedzorg zie je vaak dat vaak huisartsen die bijvoorbeeld gestopt
zijn met hun eigen praktijk zich als zelfstandige vestigen en op basis
daarvan een aantal huisartsenspoedposten bemannen. Dat is heel breed.
Dat is ook iets wat wij in ieder geval vanuit de sector als probleem
hebben gehoord, de flexibele schil. Alle huisartsenposten willen het
liefste artsen in loondienst, maar het lukt gewoon niet. Die artsen
zeggen gewoon: sorry, ik ben altijd zelfstandig arts geweest en ik ga nu
niet ineens in loondienst. Het is dus wat ons betreft echt wel een
probleem. In het verleden hebben we uw voorgangers opgeroepen ā dit is
een heel specifiek punt ā om daar blijvend aandacht voor te hebben
namens het ministerie om dat goed te regelen. Ik ben echt bang dat we
anders bij de huisartsenposten, de haps, echt een probleem gaan krijgen.
Ik wil daar dus nogmaals toe oproepen.
Minister Sterk:
Als de heer Bevers de indruk heeft gekregen dat ik denk dat dat geen
probleem is, dan werp ik dat verre van mij. Ik denk namelijk dat er
inderdaad een probleem is. De vragen gingen alleen heel erg over de
vraag of je zzp'ers in kan zetten en hoe dat zit in relatie tot de wet.
Daarvan heb ik gezegd: daar kan ik nu nog niet zo veel over zeggen, want
dat ligt bij mijn collega. Maar we zijn hierover al geruime tijd in
gesprek met de huisartsenvereniging en InEen, juist omdat het een
probleem is. We zijn uit aan het zoeken of het ook mogelijk is om
daarvoor vanuit de loondienst een oplossing te vinden. Ik zal me de
volgende keer iets specifieker uitdrukken.
De voorzitter:
Daar wil mevrouw Coenradie nog op doorvragen. Dat mag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik vind dat toch te vaag. Je kunt namelijk wel zeggen "de wet ligt niet
bij mij, maar bij iemand anders", maar je hebt ook nog een boodschap aan
degene die die wet maakt. De vraag is dus eigenlijk of deze minister
bereid is om dit mee te nemen in de gesprekken die zij heeft binnen het
kabinet en dus ook met de minister die verantwoordelijk is voor deze
wet, en om daarbij de urgentie neer te leggen en te zeggen: luister
eens, wij willen dit heel erg graag in deze wet verankerd hebben of dat
daar in ieder geval aandacht voor is. Anders zie ik op mijn terrein
dadelijk echt heel veel problemen.
Minister Sterk:
Op dat laatste kan ik volmondig ja zeggen. Dat heb ik net ook
aangegeven. Ik ga hier natuurlijk over in gesprek. Ik kan aan wat ik net
heb gezegd nog toevoegen dat er in dat gesprek met de
huisartsenvereniging en InEen wel kansrijke ideeƫn op tafel liggen, maar
dat we daarover nu ook in gesprek zijn met de Belastingdienst. Er wordt
dus gewerkt aan oplossingen. Ik ga dit gesprek ook aan met mijn collega,
want wij hebben er belang bij dat deze wet ook werkt voor de problemen
die we hebben in de zorg en specifiek in de huisartsenzorg.
Voorzitter. Er was een vraag van de heer Claassen over de
dividenduitkering. Hij vraagt: is de minister bereid om pas conclusies
te trekken op basis van een volledig beeld? Het ingewikkelde is een
beetje ⦠Laat ik het zo zeggen: we zijn blij dat die informatie nu op
tafel ligt, want dat geeft ook een beeld van hoe het ervoor staat en wat
er misschien nog niet helemaal goed gaat. Daar kunnen we vervolgens onze
maatregelen op nemen. Alleen bij de organisaties of aanbieders die een
jaaroverzicht hebben, kun je zien hoe dit werkt. Het is eigenlijk niet
mogelijk om dat in beeld te krijgen bij aanbieders die dat niet hebben.
Een type investeerder is ook niet per definitie goed of slecht, dus
volgens mij is het op dit moment niet nodig en, zoals ik al zei, niet
haalbaar om daar een heel volledig beeld van te krijgen en daarvoor
aanvullend onderzoek te doen. Ik wil me vooral richten op onwenselijk
gedrag. Daarvoor zijn we bezig met wetgeving.
Dan kom ik bij mijn laatste punt. Daarom zijn we ook bezig met het
wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders.
Dat willen we gaan aanscherpen, want geld voor de zorg moet gewoon in de
zorg blijven, zoals de heer Bushoff aangeeft. Volgens mij wordt dat
trouwens breed in de Kamer gedeeld. Ik ben gisteren op werkbezoek
geweest. Daar hoorde ik hoe slinks mensen soms gebruikmaken en vooral
misbruik maken van de regelingen die er zijn. Dan kunnen we maar ƩƩn
ding doen: daar keihard tegen optreden en zorgen dat we dat voorkomen.
Dit wetsvoorstel moet daarbij gaan helpen. Dat willen we doen door
daarin aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap op te
nemen, waardoor je de uitwassen van private equity kunt inperken. We
willen ook voorwaarden stellen aan winstuitkering. In de aanscherping
van het wetsvoorstel neem ik dus ook de reikwijdte van het
winstuitkeringsverbod mee. We willen gewoon zorgen dat die zorgeuro echt
goed terechtkomt, waar die hoort. Ik zal de Kamer voor de zomer
informeren over de aanpassingen van het wetsvoorstel.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Veel dank. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van
de zijde van het kabinet. Ik wil gelet op de tijd gelijk doorgaan naar
de tweede termijn. We hebben een sprekersvolgorde. Er zijn wat collega's
niet meer bij dit debat vanwege andere verplichtingen, dus ik begin bij
mevrouw Coenradie, daarna is mevrouw Van Brenk en daarna hanteer ik weer
de volgorde waarin iedereen zit. Mevrouw Coenradie, uw tweede
termijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Laat ik allereerst even beginnen met het aanvragen van een
tweeminutendebat. Bij dezen dus.
Dan het volgende. Ik hoor toch heel veel taal, maar weinig waarvan ik
denk: nou, na dit debat zijn we veel wijzer geworden en hebben we echt
wel vooruitgang met elkaar geboekt. Als u mij nou vraagt, wat dat is,
dan weet ik daar het antwoord eigenlijk niet heel goed op. Ik vind
zorgverzekeraars nog steeds niet transparant. Ik vind daarin de
schriftelijke beantwoording en de zaken zoals die vandaag besproken
zijn, echt nog niet bevredigend. Dat apothekers niet hoeven bijleggen en
het hele verhaal daaromheen, vind ik ook echt nog veel te vaag en niet
concreet. Regeldruk: "Ja, we willen allemaal minder regeldruk. Ja, we
nemen het mee. Er worden gesprekken gevoerd."
Ik mis daarin gewoon daadkracht, zo van: ja, dit gaan we doen, dit gaan
we regelen en dit is het idee hierbij. Het blijft allemaal heel erg
vaag. Ik merk ook dat het mij ontzettend uitnodigt, maar ook dwingt om
dan dus maar gewoon een tweeminutendebat aan te vragen, om dan maar via
moties veel concreter te zijn en om daadkracht vanuit de ministers te
vragen. Ik vind dat vervelend, want aanvankelijk was ik dat niet
voornemens, omdat ik vind dat we elkaar vooral niet iedere keer moeten
overladen met allerlei debatten. Ik merk dat door de beantwoording van
de ministers mij niets anders rest. We gaan dat dus doen en dan gaan we
zien wat de opdracht op dit terrein vanuit de Kamer is richting het
kabinet.
De voorzitter:
Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Van Brenk, van 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik hoop eigenlijk op een toezegging van de minister. Kan zij
misschien iets betekenen? Ik noemde al de standaard van het Nederlandse
Huisartsengenootschap over gordelroos. Nu ligt er een brief van
Stichting Pijn na Gordelroos en SeniorenNetwerkNL, waarin zij wijzen op
een internationale richtlijn over de advisering rondom antivirale
middelen binnen 72 uur nadat het geconstateerd is. Het is nog niet
aangepast, maar misschien kan de minister iets betekenen om partijen bij
elkaar te zetten of misschien wil ze daar zelf iets in betekenen. Ik
denk dat dat van groot belang is in het kader van zenuwpijn die optreedt
na gordelroos. Dat is heel belangrijk.
Voorzitter. Ik ben blij dat de minister waardering heeft voor
casemanagementschap. Ik denk dat dat heel erg van belang is, zeker
vanwege een groeiend aantal mensen met dementie. Dus ik ben blij dat die
voorop het netvlies staan. Wat ons betreft zou ik het daarbij willen
laten.
De voorzitter:
Mooi. Dat was plusminus 1 minuut en 20 seconden. Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik heb geen stopwatch liggen, voorzitter, maar ik neem aan dat u mij
eraan herinnert.
Voorzitter. Ik zei het in de eerste termijn ook al, maar ik maak mij
grote zorgen over hoe die maatregelen nou eigenlijk uitpakken voor al
die kwetsbare mensen, zoals de ouderen en de chronisch zieken. Ik heb
het dan over de stapeling van het geheel: het omhooggaan van het eigen
risico, het afschaffen van de tegemoetkoming voor chronisch zieken, de
eigen bijdrage. Ik hoor ook niet heel veel enthousiasme over het kijken
naar financiƫle toegankelijkheid op het gebied van mondzorg of
fysiotherapie. Ik voorzie gewoon een hele forse stapeling met grote
gevolgen voor mensen. De eigen bijdrage in de wijkverpleging kan ik ook
niet echt rijmen met alle mooie woorden over het belang van de
wijkverpleging en het belang van de casemanager dementie. Die mooie
woorden deel ik, maar ik denk dat dit gewoon een slecht idee is.
Ik heb de minister in de eerste termijn ook nog gevraagd, naar
aanleiding van het onderzoek van PwC naar de casemanagers, hoe zij nou
gaat zorgen voor voldoende casemanagers dementie.
Tot slot, voorzitter, heb ik nog ƩƩn vraag over C-support. Het ging net
een beetje snel in de beantwoording van het geheel. Ik zie toch
eigenlijk vooral berichten dat de zorg nog niet klaar is om die taken
van C-support over te nemen en dat de kennis die daar nu zit, er gewoon
nog niet overal is. Ik wil de minister toch nog vragen: herkent zij die
signalen en hoe ziet zij dat voor zich?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik hou het kort. Ik ben blij met de toezegging van de
minister van VWS dat ze in gesprek gaat met de minister van OCW over de
mogelijkheden die er zijn om een soortgelijke systematiek in te voeren
in Nederland. Ik kijk ook heel erg uit naar de brief die voor de zomer
komt. Ik hoop dat ze daar uitvoerig op in wil gaan. De algehele afdronk
is namelijk wel dat de regio hierin gewoon zwaar onder druk staat.
Nogmaals, ik ben blij dat daar meer aandacht voor is, ook hier in deze
Kamer.
Over het ingroeipad heeft de minister ook gezegd dat daar een brief over
komt. Ik zou daarin dan echt wel heel graag expliciet willen zien hoe
zij ervoor gaat zorgen dat de regionale ziekenhuizen, die op dit moment
al kampen met een tekort, met name waar het gaat om de spoedeisende
hulp, in de toekomst niet verder onder druk komen te staan. Dat is van
het grootste belang, ook in de regio. Zorg is geen luxe is en toegang
tot spoedeisende hulp ook niet. Dat is gewoon broodnodig en een
fundamentele basisvoorziening. Ik kijk dus uit naar deze brief en ik zal
die kritisch bestuderen.
De voorzitter:
Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Dank, voorzitter. Dat klonk bijna als een stemming. Verder geen
aanvullende vragen. Dank aan beide bewindslieden voor de beantwoording,
voor hun aanwezigheid hier en voor de toezeggingen. Ik zal die kritisch
en met veel interesse volgen. Ik zie uit naar het vervolg en de
uitwerking van dingen.
De voorzitter:
Meneer Poortman namens de CDA-fractie. Heel veel dank. Meneer Bevers van
de VVD-fractie.
De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. Dank voor de uitgebreide beantwoording. De meeste van
mijn vragen zijn beantwoord. Ik hoop dat het volgende misschien toch in
de tweede termijn nog kan. Ik heb het gehad over de oproep die wij in
ieder geval hebben gekregen van de LHV, NHG, InEen en het UNH om wƩl met
een nieuw actieplan te komen om de werving van artsen buiten het
ziekenhuis een nieuwe impuls te geven. Ik zou u toch willen vragen of u
op zijn minst het gesprek daarover wilt aangaan. Daar komen we vast uit
en anders kijk ik inderdaad naar een tweeminutendebat als daar een motie
voor nodig is. Ik wilde die oproep toch nog even bij u neerleggen. Tot
zover, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Bushoff, en die is zeker PRO GroenLinks-PvdA.
De heer Bevers (VVD):
Vandaag.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Eerst even kort nog over C-support. Ik ben benieuwd of de
minister erkent dat de kennis over post-acute infectiesyndromen zoals
long covid nog onvoldoende aanwezig is bij bijvoorbeeld huisartsen,
Wmo-consulenten, keuringsartsen et cetera en dat dat kennisniveau echt
nog een stapje hoger moet. Is in het verhogen van dat kennisniveau niet
juist een opdracht weggelegd voor C-support, waarvoor we ze nog een jaar
langer dan nu moeten laten voortbestaan? Als je ze nu al gaat afschalen,
kunnen ze daar eigenlijk ook niet meer in voorzien. Zou u ze niet een
jaar langer moeten laten bestaan met deze concrete opdracht?
Voorzitter. Dan twee, over de Wibz. Ik hoop wel dat die er snel komt,
want we zien in de tussentijd nu al dat het erop lijkt dat
zorginstellingen nu maar zo veel mogelijk winst nog uitkeren zolang de
Wibz er niet is. Ik zou de oproep willen doen, aan al die organisaties
maar ook aan deze minister, om in ieder geval alvast in lijn met die
Wibz winstuitkeringen wel of niet te doen, of om in ieder geval daartoe
een oproep te doen aan de verschillende zorgpartijen.
Voorzitter. Helemaal tot slot nog ƩƩn ding. Minister Sterk schermde met
inkomenssolidariteit en risicosolidariteit. Risicosolidariteit, want
gezond betaalt voor ziek, en inkomenssolidariteit, want rijk betaalt
voor arm. Ik zou in het licht van alle voorstellen die nu worden gedaan,
bijvoorbeeld de eigen bijdrage in de wijkverpleging, de verhoging van
het eigen risico et cetera, willen weten in welke mate al die
maatregelen ofwel de inkomenssolidariteit en risicosolidariteit
versterken, of die juist verminderen. Ik zou van de minister eigenlijk
de toezegging willen dat ze dat per maatregel in kaart brengt. Als je
ermee schermt, ben ik namelijk ook wel benieuwd wat het effect op de
risico- en inkomenssolidariteit van al die maatregelen is.
De voorzitter:
Volgens mij is uw vraag helder. De volgende spreker is de heer Vervuurt,
D66.
De heer Vervuurt (D66):
Voorzitter. Ook vanuit D66 dank voor de beantwoording door het kabinet.
Ik denk dat deze commissie vandaag heel eensgezind haar zorgen heeft
uitgesproken over met name het tekort aan huisartsen en praktijkhouders.
Daar hebben we het vrij uitgebreid over gehad. Ik heb gehoord dat het
kabinet daar voortvarend mee aan de slag gaat en de vinger aan de pols
houdt. Ik hoop dat de Kamer daar ook met enige regelmaat goed over
geĆÆnformeerd wordt via rapportages, zoals vorige week in het
tweeminutendebat is toegezegd. Ik vond het een goed idee van de heer
Bushoff om die rapportages op te stellen met in de ene hand het AZWA en
in de andere hand het actieplan van de heer Bushoff. Ik zou het kabinet
daartoe dus willen oproepen.
Datzelfde geldt eigenlijk voor de ontwikkelingen omtrent de opleidingen
van doktersassistenten. Dat is natuurlijk ook iets waarop ik heb
gehamerd in mijn bijdrage. Die zijn van cruciaal belang voor het goed
draaien van de huisartsenzorg.
Ten aanzien van de wijkverpleging hoor ik minister Sterk zeggen dat er
een heleboel knoppen zijn waaraan je zou kunnen draaien. Ik denk dat het
goed is dat ze al die knoppen meeneemt. Ik heb haar daarbij geen
expliciete opties horen noemen, zoals het gratis maken van een x-aantal
eerste behandelingen, maximering of inkomensafhankelijkheid. Ik ga ervan
uit dat zij die gaat meenemen in het arsenaal dat zij beschreef. Daar
ben ik blij mee, want ik denk dat het goed is dat dit integraal wordt
aangevlogen.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Zeker. Dan komen we bij mevrouw Dobbe, SP-fractie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog twee punten.
Over mondzorg gaf de minister aan dat er een kleine groep is voor wie
mondzorg niet goed toegankelijk is. Nu zien we dat onderzoek van Nivel
het sowieso al heeft over 11% van de mensen die moeite heeft om de
mondzorgkosten te betalen en daardoor zorg mijdt. Een ander onderzoek
heeft het zelfs over een op de drie. Nou, me dunkt dat dat geen kleine
groep is en dat dit dus wel een oplossing vereist. Dat verklaart ook
waarom maatschappelijke organisaties zoals Dokters van de Wereld en
allerlei andere organisaties zo veel werk hebben, en zij een groeiende
groep mensen zien die in acute nood komt vanwege
mondzorgproblemen.
Ik wil de minister dus het volgende vragen. Het is goed dat zij een
brief toezegt, waarin bijvoorbeeld ook de optie van het noodfonds wordt
genoemd, maar als daarin komt te staan "we gaan het niet doen maar we
noemen het even in de brief, want dat is toegezegd", is dat natuurlijk
niet waarnaar ik op zoek ben. Ik zou de minister graag willen vragen om
dit gewoon te gaan uitwerken. Het is een kortetermijnoplossing, maar die
is wel nĆŗ nodig voor mensen die in acute problemen raken.
Dan de zorg voor onverzekerden. De minister ziet op dit moment geen
problemen, omdat hier al regelingen voor zijn. Dat klopt ook ā hier zijn
regelingen voor ā maar de problemen zijn er wel. We hebben hierover met
patiƫnten gesproken en ik heb ook zelf gezien en gehoord, toen ik
meeluisterde, dat huisartsen zeggen: we hebben geen plek voor mensen
zonder zorgverzekering; we hebben wel plek voor mensen mƩt een
zorgverzekering. Daardoor komen mensen echt in de knel, omdat ze niet de
zorg krijgen die ze zouden moeten krijgen, ondanks al die regelingen.
Dit is niet alleen een anekdotisch voorbeeld; er zijn veel organisaties
waarbij de minister dit zou kunnen verifiƫren en navragen. Deze
organisaties lossen dit nu op. Ze bemiddelen voor die mensen, zodat
mensen wel de zorg krijgen die ze nodig hebben. Daarom hebben wij eerder
een motie ingediend om een actieplan te maken voor mensen die geen
zorgverzekering hebben. Het stelt mij niet erg gerust als deze minister
zegt "er is geen probleem" als het gaat over de uitvoering van die
motie. Dat actieplan moet er namelijk wel komen, en ik heb daar nog geen
antwoord op gehad.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, als ik een gong had, had ik die allang gebruikt ā¦
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, dank u!
De voorzitter:
⦠maar die heb ik niet. Wie weet schaf ik die nog aan! Ik schors voor
enkele ogenblikken, om de minister de gelegenheid te geven om in
conclaaf te gaan over de laatste vragen die gesteld zijn. Daarna ronden
we het af. We komen zo terug voor de tweede termijn van het
kabinet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik verzoek alle aanwezigen hier in de zaal te
gaan zitten. Meneer Bevers, we gaan door. Ik geef het woord aan minister
Hermans.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik ben de heer Bushoff nog twee antwoorden uit de
eerste termijn verschuldigd. Het eerste antwoord gaat over financieel
maatwerk en het beschikbare budget daarvoor. Het kader huisartsenzorg
groeit jaarlijks met 3,5%, exclusief de indexatie. Concreet betekent dat
voor de jaren 2026, 2027 en 2028 circa 200 miljoen euro per jaar erbij.
Die ruimte kunnen zorgverzekeraars gebruiken voor aan de ene kant
natuurlijk de stijging van de zorgvraag en anderzijds het financiƫle
maatwerk. Daar zit ook de subsidie in, die gebruikt kan worden voor
ruimte of lucht in de agenda.
Voorzitter. De heer Bushoff stelde mij nog de vraag voor welke periode
dat alternatieve geneesmiddel nog ter hand gesteld kan worden nadat het
preferente middel weer beschikbaar is. Dat gaat om enkele weken,
maximaal zes.
Dan had ik mevrouw Coenradie nog toegezegd aan te geven wanneer de brief
over de apothekers zal verschijnen en wanneer ik het gesprek zal voeren,
zoals haar toegezegd. Dat vond ik toch best een concrete toezegging. Die
brief komt er voor de zomer.
Voorzitter. Mevrouw Van Brenk stelde mij nog een vraag over de richtlijn
voor gordelroos. Ik kan de vraag van mevrouw Van Brenk overbrengen aan
de beroepsgroep, maar het is natuurlijk wel iets wat partijen samen
doen, zoals ik dat al in de eerste termijn zei. Maar naar aanleiding van
het debat zal ik dit punt overbrengen.
Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij, net als de heer Bushoff, nog een
vraag over C-support. Wij hebben voor dit jaar nog geld beschikbaar om
die kennis over te dragen. Het is nu 1 april. Het is nog niet het einde
van het jaar, dus dat daar nog werk moet gebeuren en dat we die maanden
daarvoor nog nodig hebben, lijkt me ook logisch. Dat vind ik ook niet
raar. Ik zal de vinger aan de pols houden. Wij sturen sowieso nog een
brief over PAIS. Ik zal daarin ook ingaan op hoe het hiermee staat en
wat ons beeld is. Het is nu maart. Ik zal even checken nu of ik al weet
wanneer de brief er komt. Ik zie dat dit voor de zomer is. Dat lijkt me
mooi. Dan zijn we ongeveer halverwege het jaar. Dus dan hebben we een
beetje een beeld van hoe het ervoor staat.
De voorzitter:
Meneer Bushoff, u krijgt gelet op de tijd heel kort het woord. EƩn
vraag. Dat geldt ook voor de andere Kamerleden.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
EƩn vraag. Als dit jaar de financiering al afloopt, wordt dus de komende
maanden de capaciteit bij C-support al afgebouwd. Dat zal wel nodig
zijn. Dus dan kunnen ze niet meer volledig hun taak uitvoeren, zou je
zeggen. Ik vraag de minister hoe zij hiernaar kijkt.
De voorzitter:
Er komt nog een tweeminutendebat. Dat zeg ik ook gelijk tegen alle
leden.
Minister Hermans:
We hebben voor dit jaar nog die subsidie, ook om de kennisoverdracht te
doen. Daarna, dus na dit jaar, blijft er een zogenaamde waakvlamfunctie
die ziet op die kennis en die kennisoverdracht. Het risico dat de heer
Bushoff schetst, is daarmee misschien niet helemaal, maar wel voor een
deel ondervangen. Nogmaals, ik stuur dus voor de zomer nog een brief
over PAIS en C-support.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma kijkt uit naar de brief, ook over het
ingroeipad. Ik heb gehoord wat zij daarbij ook zei over de regionale
zorg, in het bijzonder de spoedeisende hulpen. Ik zal daar in de brief
ook op ingaan.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe had het over de mondzorg en het noodfonds. Ik
zei dat ik daar in de brief naar aanleiding van de motie van de heer
Stoffer op terug zou komen. Ik denk eigenlijk dat de brief die ik nog
over de voortgang van het AZWA stuur ā dat is er niet eentje die er heel
binnenkort komt, maar wel voor de zomer, omdat we daar dan ook nog een
debat over hebben ā een goede plek is om daarop in te gaan. Wij delen
namelijk volgens mij, zoals ik ook in mijn beantwoording zei, dat er
hier voor een bepaalde groep een probleem is. We hebben in een
schriftelijk overleg dat onlangs geweest is, geschetst waarom wij niet
denken dat een noodfonds de oplossing is voor het probleem waarvan wij
ook zien dat het er is. Maar in de AZWA-ontwikkelagenda kijken we waar
er manieren zijn om hier iets aan te doen. In die brief, die voor de
zomer komt, zal ik daarop ingaan.
Ik hoop dat ik daarmee ook de vraag van mevrouw Dobbe, die zij aan het
eind van haar bijdrage stelde over het actieplan, heb beantwoord. Die
vraag begreep ik namelijk niet helemaal.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, hoewel ik nu mijn vraag moet herhalen. Ik zal dat niet zo lang doen.
De vraag ging over het actieplan voor zorg voor onverzekerden.
De voorzitter:
Check.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik haalde daarbij een aantal voorbeelden aan, waarbij ik zelf heb gezien
dat dit niet goed werkt. Ook maatschappelijke organisaties hebben gezien
dat het nog veel problemen heeft.
De voorzitter:
Dank voor de verduidelijking.
Minister Hermans:
Hier zal ik in een aparte brief op terugkomen. Ik heb nu geen reactie
paraat op alle voorbeelden die mevrouw Dobbe schetste, dus ik wil daar
best in een aparte brief op terugkomen. Zeker.
De voorzitter:
Wordt vervolgd. Heel goed.
Minister Hermans:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor het zomerreces. In reactie op dat minister Sterk buiten de
microfoon zegt dat het vandaag 1 april is: alles wat gezegd is vandaag,
is waar. Maar dat terzijde. Minister Sterk.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik had ook nog een aantal vragen die in tweede
termijn zijn gesteld.
Mevrouw Van Brenk had nog een antwoord tegoed op de vraag over De Buurt
als Ecosysteem, de taakstelling en de afname van het aantal uren
wijkverpleging door de zorgverzekeraar. Ik zou het graag nog een keer
zien, maar ik krijg mee dat De Buurt als Ecosysteem wel een heel mooi
voorbeeld is van een transformatieplan. Het wordt inderdaad gefinancierd
door zorgverzekeraars en moet vooral bijdragen aan de beweging naar de
voorkant.
Ik ben niet precies bekend met de exacte voorwaarden die door
zorgverzekeraars zijn gesteld aan deze financiering, maar op zich vind
ik het ook niet vreemd dat als zorgverzekeraars ergens financiering aan
geven, ze uiteindelijk het zorggebruik in dezen en de effecten van het
zorggebruik in die wijk willen zien. Dat leidt mogelijk tot afname van
uren. Maar ik vind het moeilijk om zo te zeggen omdat ik er zelf niet
bij betrokken ben geweest vanuit het ministerie.
De voorzitter:
Een verduidelijkende vraag, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mijn specifieke vraag was de volgende. We weten dat het aantal ouderen
toeneemt. Omdat er nog een aanloop is voordat dit gerealiseerd is, zou
je eigenlijk mogen verwachten dat de status quo al een mooi resultaat
is. Ik begrijp dat de minister daar anders over denkt.
Minister Sterk:
Ik weet niet of ik daar per se anders over denk. Ik zeg volgens mij
vooral dat het iets is van de zorgverzekeraar met degenen die dat
project uitvoeren. Daar wordt op dit moment dit gesprek gevoerd. Verder
heb ik daar geen bemoeienis mee.
Mevrouw Maeijer had een vraag gesteld over casemanagement dementie en
over het tekort. Ik denk dat het belangrijk is, ook zeker gezien de
vergrijzing, dat de dementiecasemanagers goed georganiseerd zijn en over
het hele land bereikbaar zijn. Het veld heeft zelf aangegeven dat het
haalbaar is om toegang te borgen voor iedereen die het nodig heeft. Dat
vraagt ook iets van hun organisatie. Dan is het wel belangrijk ā we
hadden het net ook al over de zorgverzekeraars ā dat de zorgverzekeraars
dat goed inkopen. Ik gaf net al aan dat ze dat kunnen doen vanaf het
begin tot helemaal aan het eind.
De heer Bevers had toch nog een vraag naar aanleiding van het actieplan
en was nog niet helemaal tevreden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de
brief niet ken, maar ik wil in ieder geval toezeggen om dat gesprek aan
te gaan. Ik ben wel benieuwd naar de achtergrond van die brief, ook in
relatie tot wat ik u net meldde, over hoe dat zich tot elkaar
verhoudt.
De heer Bushoff. Net als de heer Bushoff kan aanscherping van de wet mij
niet snel genoeg gaan, zodat die excessen niet meer plaats kunnen
vinden, maar ik vrees toch dat veel sneller dan voor de zomer gewoon
niet gaat lukken. Ik hoop net als u dat ondertussen zorgorganisaties
zelf zo verstandig zijn om daarin de goede keuzes te maken. Ik vrees dat
ik daar, behalve dit moreel appel, niet zo heel veel invloed op kan
uitoefenen.
De heer Bushoff gaf ook aan ā ik ben op zich blij om dat te horen ā dat
we bij de eigen bijdrage moeten kijken wat de effecten zijn van de
mogelijke manieren waarop je die invult. Ik moet alleen even kijken hoe
we dat precies in beeld kunnen brengen. Ik noem een voorbeeld. Stel dat
je iets doet met inkomensafhankelijk, maakt het natuurlijk uit hoe je
dat vormgeeft en hoe snel je die lijn laat oplopen of niet. Dat heeft
natuurlijk weer effecten op inkomens van mensen en soms ook op de
samenloop met andere maatregelen. Ik wil daarnaar kijken, maar ook in
het licht van het onderzoek dat naar die stapeling gebeurt. Het gaat
namelijk niet om ƩƩn maatregel, maar er spelen daar natuurlijk meerdere
maatregelen.
Ten slotte. De heer Vervuurt vroeg of ik bij die knoppen dan ook wil
kijken naar de tijdigheid van wanneer iets ingaat. Ik meende dat in de
eerste termijn al te hebben genoemd, maar we gaan daar uiteraard ook
naar kijken. Misschien zijn er nog meer ideeƫn en nog meer manieren om
daarnaar te kijken. Dat wil ik de komende weken gaan verkennen.
De voorzitter:
Meneer Bushoff, eigenlijk niet.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
EƩn punt. Mijn woorden werden namelijk wel erg ruim genomen door de
minister. Het was een hele ruime interpretatie.
De voorzitter:
Dat kan, maar dat is echt politiek. U heeft een tweeminutendebat, dus ik
zou zeggen ...
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dan gaan we het daar weer hebben over de eigen bijdrage en hoe dat
risico ...
De voorzitter:
Het is wat het is. Dit is niet de laatste keer dat u dit onderwerp
opbrengt, lijkt mij. Laten we het hierbij houden. Er is in ieder geval
een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Coenradie. Dat is bij
dezen doorgeleid naar de Griffie plenair. Er zijn verschillende
toezeggingen gedaan. Die lees ik gewoon voor. U moet maar even
meeluisteren om te horen of ik iets vergeet.
Punt ƩƩn. De minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de voortgang omtrent het landelijk ruil- en inschrijfsysteem bij huisartsen.
Punt twee. De minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de gesprekken die zij gaat voeren over strategisch toelatings- en opleidingsbeleid in regio's waar huisartsentekorten zijn.
Punt drie. De minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een brief over de gesprekken die zij voert met de apothekersverenigingen en zal hierin onder andere ingaan op het thema geneesmiddelentekorten in tijden van onzekerheid.
Minister Hermans:
Voorzitter, als ik het mag specificeren: ik ga daarin in op de vraag die
mevrouw Coenradie mij stelde, die ook zag op inkoop en de financiƫle
onzekerheid die daarmee samenhangt in het geval van tekorten.
De voorzitter:
Ik denk dat dit een preciezere invulling is, dus dat voegen we nu
toe.
Punt vier. De minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een brief over het AZWA en zal hierin ook ingaan op instrumenten zoals een noodfonds om financiƫle drempels inzake mondzorg te verlagen.
Minister Hermans:
Ja, voor minima. Dat was het debat dat ik met mevrouw Dobbe had.
De voorzitter:
OkƩ.
Punt vijf. De minister informeert de Kamer voor het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg op 18 juni over haar reactie op het advies van het Capaciteitsorgaan en het aantal vast te stellen opleidingsplaatsen.
Punt zes. De minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de stand van zaken met betrekking tot de uitwerking van de invulling van de eigen bijdrage in de wijkverpleging.
Punt zeven. De minister stuurt een brief over het groeipad richting budgetbekostiging voor onder andere de spoedeisende hulp.
Punt acht. De minister stuurt voor de zomer een brief over PAIS en gaat hierin ook in op zaken omtrent C-support.
Minister Hermans:
Voorzitter, het is echt een brief over C-support.
De voorzitter:
Gewoon een algemene brief? OkƩ, check.
Punt negen. De minister stuurt voor het zomerreces een brief over het actieplan omtrent onverzekerden.
Dank. Dan heeft mevrouw Wiersma waarschijnlijk nog een aanvullend
punt.
Mevrouw Wiersma (BBB):
U noemde bij die opleidingsplekken en regio's expliciet de huisartsen,
maar het gaat om medisch specialisten. Bij huisartsen is ook een heel
groot probleem, maar het beperkt zich niet tot de groep huisartsen. Maar
goed, ik denk dat dat goed overkomt. Bij dezen.
De voorzitter:
Het gaat erom dat het iets breder is.
Minister Hermans:
Ik moet even precies zijn. Volgens mij stelde mevrouw Wiersma mij de
vraag in de context van het tekort aan huisartsen. Dat is ook hoe wij
het gesprek voeren en de verkenning doen met OCW.
De voorzitter:
Ja, dat is de context.
Minister Hermans:
Ik ben altijd bereid om dat breder te trekken, dus naar medisch
specialisten. Ik vind het echter wel belangrijk om de verwachtingen even
te managen: de focus van wat ik nu met OCW bespreek, ligt op
huisartsen.
De voorzitter:
Mevrouw Wiersma nog?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dat is dan zo, maar het gaat wel om medisch specialisten in het
algemeen. Het speelt namelijk breder dan de huisartsen.
De voorzitter:
Er is nog een tweeminutendebat, mevrouw Wiersma. Wellicht is dat het
moment om daar nog op door te gaan. Ik dank u allemaal: de
bewindspersonen, de Kamerleden, alle aanwezigen. Ik sluit de
vergadering. Om 17.30 uur is er een technische briefing over de
wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie,
zeg ik voor degenen die dat interessant vinden. Die technische briefing
is om 17.30 uur in de Troelstrazaal.
Sluiting 17.18 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|