Verslag van een schriftelijk overleg inzake de geannoteerde Agenda informele Raad voor Concurrentievermogen 9 en 10 juli 2026 (Kamerstuk 21501-30-706)
Raad voor Concurrentievermogen
Verslag van een schriftelijk overleg
Nummer: 2026D36110, datum: 2026-07-09, bijgewerkt: 2026-07-27 11:55, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken (VVD)
- Mede ondertekenaar: R.D. Reinders, griffier
Onderdeel van kamerstukdossier 21501 30-707 Raad voor Concurrentievermogen.
Onderdeel van zaak 2026Z15994:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-01 16:45: Procedurevergadering commissie Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 707 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 9 juli 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de minister van Economische Zaken over de
Geannoteerde Agenda informele Raad voor Concurrentievermogen 9 en 10
juli 2026 (Kamerstuk 21501-30, nr. 706).
De vragen en opmerkingen zijn op 1 juli 2026 aan de minister van
Economische Zaken voorgelegd. Bij brief van 9 juli 2026 zijn de vragen
beantwoord.
De voorzitter van de commissie,
Van Eijk
De griffier van de commissie,
Reinders
Vragen en opmerkingen van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet zich blijft inzetten voor de verdieping van de Europese kapitaalmarktunie en pleit voor opschalingsfinanciering, onder meer via blended finance. Deze leden delen deze inzet. De financieringskloof is een van de grootste remmen op ons verdienvermogen. Tegelijk constateren zij dat de kapitaalmarktunie al jaren wordt bepleit zonder dat het tempo navenant is, en dat het financieringsinstrumentarium, nationaal én Europees, sterk versnipperd is. Zij hebben hierover een aantal vragen.
Welke concrete en afdwingbare stappen zal de minister in de Raad bepleiten om de kapitaalmarktunie, inclusief de spaar- en investeringsunie, daadwerkelijk te realiseren, en is zij bereid zich in te zetten voor een heldere deadline?
Antwoord
De afgelopen jaren zijn er belangrijke stappen gezet om de Europese kapitaalmarkten te ontwikkelen. Tegelijkertijd is van voltooiing van de kapitaalmarkunie nog geen sprake. Het kabinet ziet de urgentie om snel voortgang te maken met de ontwikkeling van de kapitaalmarktunie, dat samen met de bankenunie de spaar- en investeringsunie vormt. .Zoals uiteengezet in de kabinetsinzet voor de kapitaalmarktunie1, en conform het coalitieakkoord, pleit het kabinet hierbij voor ambitieuze acties op drie vlakken: (1) sterker Europees toezicht op de kapitaalmarkt, (2) meer en diverser aanbod van kapitaal voor financiering van bedrijven, en (3) eenduidige regels in de EU voor een optimale werking van de interne markt. De plannen van de Europese Commissie voor de spaar- en investeringsunie sluiten goed aan bij deze inzet. De kabinetsinzet en prioriteiten binnen Europese onderhandelingen zijn eerder met de Kamer gedeeld in meerdere BNC-fiches over voorstellen van de Europese Commissie.2
De Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie zijn in april jl. een One Europe, One Market roadmap voor de voltooiing van de interne markt overeengekomen.3 Hierin is het streven opgenomen om de onderhandelingen over een aantal belangrijke voorstellen binnen de spaar- en investeringsunie voor eind 2026 af te ronden. Het kabinet verwelkomt dit gezamenlijke commitment en draagt actief bij aan voortgang, waarbij snelheid niet moet leiden tot afbreuk van het ambitieniveau. De minister van Financiën informeert uw Kamer doorlopend in verslagen van de Eurogroep en Ecofinraad over de ontwikkelingen.
Hoe voorkomt de minister dat de vele nationale en Europese financieringsinstrumenten het landschap verder versnipperen, en hoe borgt zij dat zij samen genoeg schaal bieden om scale-ups met een grote kapitaalbehoefte in Nederland te houden?
Antwoord
Het Kabinet is het met u eens dat versnippering niet wenselijk is en dat dit moet worden voorkomen. In mijn recente Kamerbrief over de ontwikkeling van de durfkapitaalmarkt en versterking van bedrijfsfinanciering geef ik echter ook aan dat het publieke instrumentarium op hoofdlijnen effectief ingrijpt op marktfalen, maar dat gerichte versterking nodig blijft.4 Uit de meta-evaluatie van het durfkapitaalinstrumentarium blijkt dat de verschillende instrumenten goed op elkaar aansluiten, er slechts beperkte overlap is en ondernemers veelal van meerdere instrumenten gebruik maken gedurende hun groeiproces.5 De nationale instrumenten dragen juist elk vanuit hun eigen rol bij aan de financieringsketen voor startups en scale-ups. Het kabinet zet in op een doorlopende financieringsketen voor startups en scale-ups: van vroege validatie en eerste groei tot kapitaalintensieve opschaling.
Eén van de voornaamste opgaven is gelegen in het faciliteren van scale-ups en first-of-a-kind plants (eerste fabriekstoepassingen) met een grote financieringsbehoefte – denk aan financieringsrondes van 10-50 miljoen of meer. Het kabinet ontwikkelt hiertoe nieuwe initiatieven om meer publiek en privaat kapitaal beschikbaar te maken voor kapitaalintensieve bedrijven, bijvoorbeeld met een Blended Finance Instrument van €250 miljoen onder Invest-NL en de oprichting van een nieuwe Nationale Investeringsinstelling. Daarnaast bouwt het kabinet voort op bestaande instrumenten. Zo ben ik voornemens om het Deep Tech Fonds (DTF) onder Invest-NL te versterken met een additionele bijdrage van €130 miljoen en zal Nederland, na het succes van ETCI 1.0 (European Tech Champions Initiative), een aanvullende bijdrage van €200 miljoen doen aan ETCI 2.0. Ook verwelkomt het kabinet het lopende initiatief voor een fonds-in-fonds onder Invest-NL ten behoeve van de mobilisatie van pensioenkapitaal, evenals nieuwe Europese initiatieven, zoals het Scaleup Europe Fund, dat scale-ups moet gaan ondersteunen met tickets van €30 miljoen euro tot aan 100 miljoen euro binnen grotere investeringsrondes met aanvullende private bijdragen. Dit fonds zal voortbouwen op het huidige succes van de European Innovation Council (EIC) in het ondersteunen van scale-ups. Zoals reeds gedeeld met uw Kamer, presteren Nederlandse startups en scale-ups bijzonder goed in de EIC als onderdeel van Horizon Europe.6 De EIC wordt onder de volgende EU-begroting voortgezet, evenals het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) dat ook aandacht zal hebben voor de opschalingsfase. Deze verschillende instrumenten vervullen elk een eigen rol binnen de financieringsketen, sluiten aan bij bestaande knelpunten en ondersteunen de ontwikkeling en schaal van de durfkapitaalmarkt voor opschalingsfinanciering binnen Europa. Dit draagt ook bij aan het versterken van de positie van Nederlandse en Europese investeerders, zodat zij door kunnen investeren.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet verduurzaming en concurrentievermogen hand in hand ziet gaan. Deze leden onderschrijven dit, maar leggen de nadruk anders: verduurzaming is niet primair een kostenpost die de industrie moet overleven, maar de motor van toekomstig verdienvermogen en de snelste route naar minder afhankelijkheid van fossiele import. Zij constateren dat netcongestie en de trage uitrol van hernieuwbare energie de verduurzaming van de industrie juist afremmen — in de regionale industrie kan een groot deel van de verduurzamingsplannen niet tijdig doorgaan. Zij hebben hierover een aantal vragen.
Hoe zet de minister zich in de Raad in voor een versnelde uitrol van hernieuwbare energie, elektrificatie en netinfrastructuur, zodat verduurzaming de Europese industrie vooruithelpt in plaats van dat de transitie op de rem blijft staan?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft dat verduurzaming de motor is van langetermijnconcurrentievermogen en weerbaarheid, maar wil ook erkennen dat de transitie naar schone verduurzamingsprocessen ook grote investeringen vergt voor de energie-intensieve industrie en de randvoorwaarden nog niet helemaal op orde zijn. Het kabinet werkt daarom hard aan het op orde brengen van de randvoorwaarden en het oplossen van knelpunten om deze transitie te stimuleren en te versnellen. Beschikbaarheid en betaalbaarheid van hernieuwbare energie en beschikbare energie-infrastructuur is van wezenlijk belang.
Het kabinet onderneemt op nationaal en Europees niveau verschillende acties om deze transitie te versnellen. Op nationaal niveau heeft het kabinet bijvoorbeeld de Indirecte Kosten Compensatie (IKC) verlengd die hogere elektriciteitskosten voor energie-intensieve bedrijven compenseert en daarbij elektrificatie stimuleert. Tegelijk heeft het kabinet 500 miljoen euro gereserveerd om de elektriciteitsprijs voor de grootverbruikende (basis)industrie te verlagen. Tot slot heeft het kabinet vorig jaar de actieagenda elektrificatie industrie gepresenteerd met concrete beleidsaanbevelingen om elektrificatie van de industrie te versnellen.
Minstens zo belangrijk zijn Europese maatregelen om deze transitie te versnellen. Tijdens de Raad zal het kabinet daarom nogmaals pleiten voor extra maatregelen voor groene marktcreatie om zekerheid te creëren voor de industrie om te investeren in schone productieprocessen. Daarbij pleit het kabinet voor een Europese aanpak om hoge nettarieven te adresseren. Ook zet het kabinet zich in voor de versnelling van vergunningverlening voor elektriciteitsnetten om netcongestie aan te pakken. Heb kabinet verwelkomt daarom de algemene oriëntatie die is bereikt op het Grids Package met verduidelijkende regels rondom stikstofemissies voor elektriciteitsnetten. Daarnaast kijkt het kabinet uit naar het aangekondigde Elektrificatie Actieplan van de Europese Commissie om elektrificatie te bevorderen.
Deelt de minister de opvatting dat het concurrerend houden van de industrie geen argument mag zijn om het verduurzamingsraamwerk af te zwakken, en is zij bereid te bepleiten dat publieke steun aan de energie-intensieve industrie gekoppeld wordt aan concrete verduurzamingsstappen?
Antwoord
Het kabinet deelt deze opvatting. Mede om deze reden maakt Nederland zich in de EU hard voor het behoud van de integriteit van het emissiehandelssysteem (ETS). Desalniettemin dient voldoende aandacht uit te gaan naar het concurrerend houden van onze industrie, niet ten laatste voor wat betreft onze strategische autonomie. Daarnaast pakt koolstoflekkage juist nadelig uit voor het klimaat. Om deze redenen streeft het kabinet nationaal en in Europa actief naar het bereiken van een juiste balans tussen actief verduurzamingsbeleid en versterking van concurrentiekracht en weerbaarheid. Waar mogelijk zet het kabinet bij de vormgeving van zowel Europees als nationaal beleid erop in dat publieke steun gepaard gaat met voorwaarden voor verduurzaming. Een goed voorbeeld hiervan is de indirecte kostencompensatie ETS (IKC), waarin een voorwaarde is opgenomen dat 50% van de ontvangen steun bedoeld is voor investeringen in CO2-reductie.
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland zich in zal zetten voor concrete acties die de interne marktwerking bevorderen en daarnaast de eigen verantwoordelijkheid van lidstaten zal bepleiten. Dit zijn belangrijke stappen, de interne markt is immers het fundament van de Europese Unie, maar toch liggen er vaak nog forse handelsbarrières. Nederland is een van de lidstaten die vooroploopt op dit vlak. Zo haalde in een recent artikel de Europese Centrale Bank Nederland nog aan als maatstaf voor een land met lage frictie. De leden van de D66-fractie zijn positief over het feit dat Nederland deze unieke positie inzet om een aanjagersrol op zich te nemen. Zij hebben hierover een aantal vragen.
Welke concrete acties zal de minister voorstellen in de Raad om de interne marktwerking te bevorderen?
Antwoord
De interne-marktactieagenda van het kabinet bevat diverse acties waarmee het zich in de Raad wil inzetten om de interne markt te versterken. Recent bent u geïnformeerd over de actualisering van deze agenda.7 De agenda geeft vervolg aan diverse aanbevelingen in de rapporten van Letta, Draghi en Wennink.
Op welke wijze verwacht de minister te realiseren dat lidstaten die meer frictie op de interne markt creëren verantwoordelijkheid zullen nemen? Welke voorstellen zal zij doen die een sterker verantwoordelijkheidsgevoel voor lidstaten zullen stimuleren? Is de minister bereid om hierbij aantoonbaar succesvolle maatregelen uit de interne-marktactieagenda uit te wisselen met andere lidstaten?
Antwoord
Nederland zet met zijn concrete interne-marktactieagenda al sinds 2022 in op het inspireren van de Europese Commissie en andere lidstaten om ook op nationaal niveau concrete maatregelen te nemen ter versterking van de interne markt. Net als de oorspronkelijke Nederlandse actieagenda is de geactualiseerde agenda vertaald in het Engels en met de Commissie en alle andere lidstaten gedeeld. De oorspronkelijke Nederlandse actieagenda heeft de Commissie geïnspireerd bij haar interne-marktstrategie van mei 2025. Deze strategie bevat concrete acties op diverse beleidsterreinen gericht op het voorkomen en wegnemen van interne-marktbelemmeringen. Eerder heeft het kabinet in Europees verband voorgesteld dat lidstaten zelf als aanvulling op de Europese One Europe, One Market-roadmap een nationale interne-marktroutekaart zouden kunnen opstellen waarin ze concrete acties voorstellen om de interne markt te versterken.
Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Deze leden hebben hierover nog vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet tijdens het agendapunt ‘financieringskloof voor opschaling in Europa’ wil pleiten voor aanpassing van de definitie van ondernemingen in moeilijkheden. Deze leden steunen dit voornemen. Tijdens de afgelopen Raad voor Concurrentievermogen zou de Europese Commissie al hebben aangegeven de definitie te willen aanpassen. Waar wil het kabinet tijdens de aankomende Raad precies op inzetten? En wanneer verwacht het kabinet resultaten van de Europese Commissie?
Antwoord
Tijdens de vorige Raad voor Concurrentievermogen heeft de Europese Commissie aangeven de definitie van onderneming in moeilijkheden aan te passen, in lijn met het Joint Statement dat op initiatief van Nederland is aangeboden aan de Europese Commissie.8 De Europese Commissie deelt naar verwachting in juli een nieuwe conceptversie van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, waar deze definitie in is opgenomen. De Nederlandse inzet benadrukt dat de inhoud van deze nieuwe definitie voldoende duidelijk moet zijn en dat snelheid van cruciaal belang is om te voorkomen dat Nederlandse innovatieve ondernemingen aarzelen subsidieverzoeken in te dienen of dat deze moeten worden afgewezen.
De Europese Commissie is voornemens de herziening van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening eind 2026 te hebben afgerond, zodat de verordening per 1-1-2027 in werking kan treden.
Tijdens het schriftelijk overleg voor de laatste Raad voor Concurrentievermogen is in reactie op vragen van de leden van de VVD-fractie toegezegd een overzicht met de Kamer te delen van EU-regels die inmiddels zijn afgeschaft, zodra de verantwoordelijk Eurocommissaris dit, zoals beloofd aan de Raad, met de Raad heeft gedeeld. Is dit overzicht inmiddels met de Raad gedeeld? Zo ja, kan dit dan met de Kamer worden gedeeld, zoals toegezegd? Zo nee, is het kabinet bereid de Eurocommissaris te herinneren aan deze belofte?
Antwoord
Wij hebben tot op heden nog geen overzicht van Eurocommissaris Séjourné ontvangen. Het kabinet zal navraag doen bij de Commissie of, en zo ja in welke vorm, een dergelijk overzicht nog te verwachten is. Mogelijk doelde Commissaris Séjourné tijdens de Raad voor Concurrentievermogen van 26-27 februari op het jaarlijkse voortgangsrapport over de omnibussen, dat Eurocommissaris Dombrovskis afgelopen najaar heeft gepresenteerd.9 In het najaar verwacht het kabinet een nieuw voortgangsrapport over de omnibussen van Commissaris Dombrovskis.
Hoe verloopt de uitvoering van de motie-Becker (Kamerstuk 36866, nr. 5) over het smeden van een kopgroep in Europa voor het verminderen van de regeldruk?
Antwoord
Nederland behoort op dit terrein al tot de vooruitstrevende lidstaten en werkt actief samen met landen die ook inzetten op betere regelgeving en regeldrukvermindering. Die samenwerking heeft mede bijgedragen aan de grotere aandacht voor regeldrukvermindering in Brussel en aan de diverse initiatieven die de Commissie heeft genomen om de Betere Regelgeving-aanpak te versterken, zoals de introductie van het one-in-one-out-principe, de verschillende omnibusvoorstellen en de aankondiging om voortaan meer impact assessments uit te voeren.10 Er is Europees ook een brede consensus voor regeldrukreductie en betere regelgeving zoals ook beschreven in de Europese Raad conclusies van 19 maart 2026.11 Daarbij geldt dat per concreet dossier moet worden beoordeeld welke regels kunnen worden vereenvoudigd of geschrapt, welke aanpassing juridisch mogelijk en beleidsmatig wenselijk is, en welke lidstaten dezelfde inzet hebben.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de wijze waarop de Europese Commissie via de zogenoemde omnibusvoorstellen in hoog tempo bestaande wetgeving herziet of schrapt die vaak dient ter bescherming van het milieu, de gezondheid en de positie van werknemers. Zij wijzen in dat verband op de recente signalering van de Sociaal-Economische Raad (SER), waarin wordt gewaarschuwd dat de opeenstapeling van omnibusvoorstellen en andere versnelde herzieningen van bestaande Europese regelgeving ten koste dreigt te gaan van de zorgvuldigheid, voorspelbaarheid en kwaliteit van Europese wetgeving. Volgens de SER dreigen fundamentele beginselen van betere regelgeving, zoals gedegen impactanalyses, uitvoerbare wetgeving, voldoende consultatie en rechtszekerheid, steeds vaker ondergeschikt te raken aan de wens om regelgeving snel aan te passen. Dat leidt volgens de SER niet alleen tot onzekerheid bij bedrijven en andere maatschappelijke partijen, maar ondermijnt ook het vertrouwen in de Europese rechtsorde.
Hoe beoordeelt de minister deze analyse van de SER? Kan de minister een reactie geven op de SER-brief van 25 juni? Deelt de minister de opvatting dat voorspelbare en stabiele regelgeving juist een belangrijke vestigingsfactor is voor bedrijven en daarmee onderdeel vormt van een sterk Europees concurrentievermogen?
Antwoord
Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving zorgvuldig,
uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd moet zijn, en dat dat het
concurrentievermogen ten goede kan komen. Dat geldt ook voor voorstellen
die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Het
kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te verminderen en
regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moet
vereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede
effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het belang van
rechtszekerheid en voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met
regelgeving worden gediend. Het kabinet komt nog met een reactie op de
SER-brief.
In het kader van de samenwerking over het beleid voor Betere Regelgeving, zijn dit zaken waar Nederland in overleg met de Europese Commissie en andere lidstaten, al jaren aandacht voor vraagt. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld vaak zorgen uitgesproken over de gevallen waarin voorstellen worden gepresenteerd zonder impact assessment en aangedrongen op betere consultatie van belanghebbenden.
Ook bij de standpuntbepaling en onderhandelingen over concrete EU-voorstellen staat het kabinet nadrukkelijk stil bij de uitgangspunten van Betere Regelgeving en dringen we –wanneer een impact assessment ontbreekt- er bijvoorbeeld op aan dat de effecten van voorgenomen regelgeving alsnog in kaart worden gebracht.
De Europese Commissie heeft in haar onlangs verschenen mededeling over Betere Regelgeving elf belangrijke stappen aangekondigd om de kwaliteit van regelgeving te verbeteren. Op 5 juni 2026 heeft uw Kamer over deze mededeling een BNC-fiche ontvangen.12 De Commissie kondigt in de mededeling onder andere aan meer te gaan inzetten op een goed ontwerp van regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en het vaker uitvoeren van impact assessments. Het is positief te zien dat in het vervolg op de gepubliceerde mededeling, de Europese Commissie bij de recente voorstellen over Taxation13 en Energy Products14 wel impact assessments heeft opgesteld
De leden van de PRO-fractie vragen of de minister bereid is zich er in Brussel voor in te zetten dat ook toekomstige omnibusvoorstellen volledig worden getoetst aan de uitgangspunten van Better Regulation, waaronder een volwaardige impactanalyse, een zorgvuldige consultatie van stakeholders en een gedegen beoordeling van de gevolgen voor investeringszekerheid en uitvoerbaarheid? Kan de minister daarnaast aangeven hoe wordt voorkomen dat bedrijven die reeds hebben geïnvesteerd in de naleving van Europese regelgeving, door tussentijdse ingrijpende wijzigingen op achterstand worden gezet ten opzichte van ondernemingen die dergelijke investeringen hebben uitgesteld? Deelt de minister de opvatting dat dit een ongewenst signaal afgeeft aan ondernemingen die juist tijdig hebben gehandeld?
Antwoord
Ja. Nederland zet zich er in Brussel voor in dat ook
toekomstige omnibusvoorstellen voldoen aan de uitgangspunten van Betere
Regelgeving. Dat betekent onder meer een gedegen impactanalyse,
zorgvuldige consultatie, transparantie en aandacht voor uitvoerbaarheid,
rechtszekerheid en investeringszekerheid.
In eerste instantie is het aan de Europese Commissie om bij concrete voorstellen de gevolgen voor bedrijven, werknemers en andere stakeholders goed in kaart te brengen en stakeholders tijdig en transparant te consulteren, waarbij ook oog gehouden moet worden voor bedrijven die geïnvesteerd hebben om Europese regelgeving te kunnen naleven. Nederland dringt daar in Brussel consequent op aan. Vervolgens is het aan het kabinet om voorstellen nationaal te beoordelen, waar nodig aanvullende signalen op te halen bij relevante stakeholders en deze inbreng te benutten voor de Nederlandse inzet.
Stabiele regelgeving, en daarmee investeringszekerheid, is essentieel voor onze bedrijven. Tegelijk wil het kabinet bedrijven niet belasten met onnodige regeldruk daarom zal het, met inachtneming van de investeringen die al gedaan zijn, onnodige regeldruk zoveel mogelijk aanpakken. Zowel nationaal als Europees.
De leden van de PRO-fractie lezen dat tijdens de Raad zal worden gesproken over de weerbaarheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie. Tegen deze achtergrond vragen zij hoe de minister aankijkt tegen de oproep van de Duitse bondskanselier Merz om de Europese Unie assertiever te laten optreden ten aanzien van China. De Europese Commissie heeft aangekondigd de dialoog met China te willen intensiveren. Welke concrete doelstellingen ziet de minister voor deze dialoog? Waar liggen volgens de minister de mogelijkheden om de economische positie van Europa tegenover China daadwerkelijk te versterken?
Antwoord
China blijft een belangrijke partner voor Nederland en de EU, onder meer vanwege de grote verwevenheid van onze economieën. Tegelijkertijd bestaan er grote zorgen over deze relatie. Dit betreft op handelsgebied met name het ongelijke speelveld als gevolg van het Chinese industrie- en handelsbeleid, verslechterende markttoegang en risico’s van strategische afhankelijkheden. Het verdient de voorkeur om dergelijke zorgen via dialoog aan te kaarten, zoals de EU doet middels de EU-China Trade and Investments Consultations en Nederland middels de Joint Economic Committee. De Commissie heeft aangekondigd middels de Consultations concrete resultaten te verwachten in de komende maanden, onder meer rondom het balanceren van de handelsrelatie, een doelstelling die het kabinet onderschrijft.
Waar dialoog onvoldoende tot resultaat leidt, dient echter ook het handelsdefensieve instrumentarium van de EU effectief, en assertief ingezet te worden. Daarnaast zijn er nog andere elementen van belang bij het versterken van de Europese economische positie, zoals het versterken van de Europese interne markt, het ondersteunen van de Europese industrie, en het aangaan en verdiepen van partnerschappen met derde landen met het oog op het diversifiëren van handelspartners.
De leden van de PRO-fractie zouden verder graag een bredere reflectie van de minister ontvangen op wat inmiddels is gaan heten de China Shock 2.0, waarbij omvangrijke Chinese overcapaciteit – mede als gevolg van staatssteun en een zwakke binnenlandse vraag – haar weg vindt naar de Europese markt. Deze leden maken zich zorgen over de gevolgen hiervan voor de Europese industrie, in het bijzonder voor energie-intensieve sectoren zoals de chemie, maar ook voor andere strategische industrieën die cruciaal zijn voor de groene en digitale transitie. Hoe beoordeelt de minister de risico's van een China Shock 2.0 voor de Nederlandse en Europese economie? Beschikt de minister over een analyse van de sectoren die hiervoor het meest kwetsbaar zijn? Welke lessen trekt de minister uit de eerdere China Shock voor het huidige Europese industriebeleid?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen over de disbalans in de EU-China handelsrelatie met een groeiend handelstekort van de EU, zoals aangegeven in het antwoord op de vorige vraag.
Het kabinet onderkent dat een China Shock 2.0 risico's met zich mee kan brengen voor de Nederlandse en Europese economie. Wanneer door overcapaciteit, staatssteun en een zwakke binnenlandse vraag in China producten tegen kunstmatig lage prijzen op de Europese markt worden afgezet, kan dit leiden tot oneerlijke concurrentie en druk op investeringen.
De eerdere China Shock onderstreept volgens het kabinet het belang van een weerbare en concurrerende Europese economie en de noodzaak tot het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden. Een eigen sterke en weerbare economie met sterke sectoren is volgens het kabinet de beste wijze om internationaal concurrerend te blijven. Dat vraagt, naast maatregelen gericht op verbetering van het gelijk speelveld, om een combinatie van een goed functionerende interne markt, een ambitieus industriebeleid en open maar weerbare handelsrelaties. Waar sprake is van oneerlijke handelspraktijken moet de EU gebruikmaken van de beschikbare handelsbeschermingsinstrumenten. Het kabinet werkt momenteel aan een analyse over kwetsbaarheden in verschillende sectoren.
Tegelijkertijd is het versterken van het Europese concurrentievermogen essentieel. Dat betekent onder meer het verminderen van onnodige regeldruk, het verbeteren van de toegang tot betaalbare en schone energie, het veiligstellen van leveringszekerheid van kritieke grondstoffen, het stimuleren van innovatie, en het versterken van strategische waardeketens. De Industrial Accelerator Act en sectorale initiatieven zoals de Chips Act leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Tot slot is digitalisering een kans en een voorwaarde: we moeten de digitale transitie versnellen en technologie zoals AI slim inzetten voor economische slagkracht. Nederland zet zich er in de EU voor in dat deze agenda voortvarend wordt uitgevoerd.
De leden van de PRO-fractie vragen voorts welke aanvullende maatregelen de minister noodzakelijk acht om te voorkomen dat Europese bedrijven worden weggeconcurreerd door structureel gesubsidieerde of onder de kostprijs aangeboden Chinese producten. Is de minister van mening dat de huidige Europese handelsdefensieve instrumenten hiervoor toereikend zijn, of ziet de minister aanleiding om deze verder te versterken? Welke rol ziet de minister daarbij voor een meer proactieve inzet van de Europese Commissie, bijvoorbeeld door eerder gebruik te maken van anti-dumping- en anti-subsidie-instrumenten of door strategische sectoren beter te beschermen tegen marktverstoringen?
Antwoord
Het kabinet steunt de inzet van de handelsdefensieve instrumenten van de EU waar dat kan bijdragen aan het gelijktrekken van het speelveld, en aan het beschermen van strategische sectoren tegen marktverstorende praktijken uit derde landen. Vanwege de toename van marktverstorende praktijken zoals dumping en ongeoorloofde subsidiëring, bestaat ook vanuit de industrie een toenemende vraag naar de inzet van het handelsdefensief instrumentarium. Het kabinet ziet ruimte voor verbeteringen aan dit instrumentarium, evenals de strategische inzet ervan, om adequaat en effectief op te kunnen blijven treden tegen marktverstorende praktijken. Het kabinet zet zich hier in Europees verband dan ook nadrukkelijk voor in.
Ziet de minister daarnaast aanleiding om de Europese instrumenten voor screening van inkomende buitenlandse investeringen (FDI), de coördinatie van uitgaande investeringen en de aanpak van economische dwang verder te versterken? Welke concrete voorstellen zal de minister daarvoor in Europees verband steunen?
Antwoord
Ten aanzien van de toetsing van inkomende buitenlandse investeringen (FDI) heeft Nederland de afgelopen twee jaar constructief bijgedragen aan de herziening van de FDI-Verordening, die binnenkort van kracht gaat. Nederland steunt de spoedige implementatie van deze verordening door de lidstaten, die zal zorgen voor verdere harmonisatie en versterking van de nationale stelsels voor investeringstoetsing. Waar nuttig is Nederland bereid andere lidstaten te steunen bij de implementatie.
Wat betreft uitgaande investeringen heeft de Commissie in januari 2025 een aanbeveling gepubliceerd voor een risicoanalyse van uitgaande investeringen in kritieke geavanceerde technologieën. Zoals gecommuniceerd in het BNC-fiche over deze aanbeveling verwelkomt het kabinet de inzet van de Commissie om de benodigde informatie te verzamelen op basis waarvan beoordeeld kan worden of aanvullende maatregelen nodig zijn.15
Wat betreft de aanpak van economische dwang beschikt de EU sinds 2023 over het anti-dwang instrument (Anti-Coercion Instrument, ACI) dat als doel heeft om de EU en haar lidstaten te beschermen tegen economische dwang door derde landen en zo nodig onder voorwaarden tegenmaatregelen te treffen. Tot
op heden heeft de EU het ACI nog niet ingezet en het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om dit instrumentarium aan te passen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli. Zij wensen Ierland veel succes met het komende voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en spreken de hoop uit dat in de komende periode belangrijke stappen kunnen worden gezet op het gebied van de verdere verdieping van de interne markt en de verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt. Deze leden hebben naar aanleiding van de agenda nog enkele vragen.
Financieringskloof Opschaling Europa
De leden van de CDA-fractie juichen het toe dat tijdens de Raad wordt gesproken over de financieringskloof voor opschaling van innovatieve ondernemingen in Europa. Zij ondersteunen de inzet van het kabinet om deze kloof te verkleinen. Deze leden zijn van mening dat verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt hierbij een belangrijke randvoorwaarde is. Nederland heeft zich samen met de E6-landen nadrukkelijk ingezet om deze discussie te versnellen en de leden van de CDA-fractie waarderen deze voortrekkersrol.
De leden van de CDA-Fractie vragen in hoeverre het kabinet het realistisch acht dat tijdens het Ierse voorzitterschap stevige voortgang of zelfs een akkoord kan worden bereikt op onderdelen van de agenda voor verdere kapitaalmarktintegratie. Op welke dossiers verwacht het kabinet de grootste stappen? Daarnaast vragen deze leden welke lidstaten Nederland actief probeert te betrekken bij een kopgroep die verdere integratie van de kapitaalmarkt wil versnellen.
Antwoord
De Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie zijn in april jl. een One Europe, One Market roadmap voor de voltooiing van de interne markt overeengekomen.16 Hierin is het streven opgenomen om de onderhandelingen over een aantal belangrijke voorstellen binnen de spaar- en investeringsunie voor eind 2026 af te ronden. Dit betreft het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket, het pensioenpakket en de herziening van het securitisatieraamwerk. Het Ierse voorzitterschap is voornemens een triloogakkoord te bereiken op het bundelen en verkopen van leningen (securitisatie), waarvoor de trilogen gestart zijn. De onderhandelingen over een Raadspositie voor het omvangrijke kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket lopen momenteel nog. Het Ierse voorzitterschap streeft ernaar om in het najaar een akkoord hierover te bereiken. Parallel wordt het voorstel in het Europees Parlement besproken, waarbij naar verwachting eind dit jaar een onderhandelingspositie kan worden vastgesteld. Mogelijk is dat de triloogonderhandelingen dit jaar nog kunnen starten. Over het pensioenpakket, met wijzigingen van het regelgevend raamwerk voor bedrijfspensioenen (IORP) en het pan-Europese persoonlijk pensioenproduct (PEPP) heeft de Raad recent een onderhandelingspositie bepaald. Het Europees Parlement moet eerst nog tot zijn positie komen. Het bereiken van triloogakkoorden op dit pakket voor het einde van het jaar lijkt daarmee minder waarschijnlijk.
Het kabinet werkt samen met gelijkgestemde landen om deze inzet op EU-niveau uit te werken. Zo is de minister van Financiën samen met zijn ambtsgenoten van de grootste economieën van de EU (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Polen) gezamenlijke prioriteiten voor de spaar- en investeringsunie en een inbreng voor het kapitaalmarktintegratie- en toezichtcentralisatiepakket overeengekomen, om de onderhandelingen in de Raad te ondersteunen.17 De ministers van Financiën van deze zes landen zetten zich nu samen in om de steun van de andere lidstaten hiervoor te krijgen.
De leden van de CDA-fractie waarderen de inzet van het kabinet om herhaaldelijk aandacht te vragen voor de definitie van Ondernemingen in Moeilijkheden (OiM). Deze leden zijn verheugd dat de Europese Commissie voornemens is deze definitie aan te passen. Wel vragen deze leden naar het concrete tijdpad. Wanneer verwacht het kabinet dat de aangepaste definitie daadwerkelijk in werking zal treden
Antwoord
De Europese Commissie is voornemens de herziening van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) eind 2026 te hebben afgerond zodat de verordening per 1-1-2027 in werking kan treden. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 24 april jl. kijk ik naar de mogelijkheden van anticiperend handelen om zo snel mogelijk een oplossing te bieden voor ondernemingen.18 Het is hiervoor wel nodig dat de Europese Commissie een voldoende concreet, finaal en werkbaar voorstel uitgebracht heeft.
De leden van de CDA-fractie merken op dat alleen het wegnemen van de financieringskloof en aanpassingen OiM-definitie nog niet voldoende is om Europese start-ups en scale-ups succesvol te laten doorgroeien. Ook uiteenlopende nationale regels vormen nog altijd een belangrijke belemmering voor grensoverschrijdend ondernemen. Wordt in Europees verband gewerkt aan een bredere inventarisatie van deze knelpunten? Zo ja, welke rol speelt Nederland daarbij? Ziet het kabinet mogelijkheden om ook regelgeving op terreinen als accountingregels, ondernemingsrecht en andere administratieve verplichtingen verder te harmoniseren?
Antwoord
Vorig jaar heeft de Europese Commissie haar interne-marktstrategie gepresenteerd.19 Deze bevat een reeks acties om de interne markt te versterken en belemmeringen weg te nemen. Voor genoemde strategie zijn eerder knelpunten geïnventariseerd en is er vanuit het bedrijfsleven veelvuldig input geleverd over ervaren knelpunten. Het kabinet heeft daar met een tienpuntenplan ook input voor geleverd20.
Het kabinet zet in op het voltooien van de interne markt. Het kabinet signaleert dat ondernemingen die zich willen vestigen, opereren, opschalen of investeringen willen aantrekken, geconfronteerd worden met fragmentatie van relevante regelgeving en juridische en administratieve formaliteiten. Het coalitieakkoord bevat het voornemen om regels die aan ondernemers raken, zoals ondernemingsrecht en arbeidsrecht, zo veel mogelijk te harmoniseren. Het kabinet brengt dit regelmatig op in verschillende EU-overleggremia, waaronder in de Europese Raad, de Eurogroep en binnen verschillende vakraden. Daarbij ziet het kabinet het voorstel voor een 28ste regime voor vennootschapsrecht (EU Inc.) als een stap naar verdere harmonisatie.
Hoewel het kabinet constateert dat dit 28ste regime geen vorm van harmonisatie is, is het wel een manier waarop verschillen in regelgeving tussen jurisdicties overkomen kunnen worden als harmonisatie op korte termijn niet haalbaar is. Op langere termijn blijft het noodzakelijk om deze verschillen tussen de lidstaten te verminderen en andere belemmeringen in de regelgeving weg te nemen. Hiermee wordt het groeipotentieel en de financieringsmogelijkheden voor Europese bedrijven vergroot, waaronder start- en scale-ups. Bovendien zorgt dit ervoor dat deze bedrijven zich in de EU vestigen en gevestigd blijven. Daartoe wil het kabinet onder meer een kopgroep vormen met gelijkgestemde lidstaten om onder meer het faillissementsrecht te harmoniseren. Ook ziet het kabinet voordelen in het invoeren van een vrijwillig toepasbare geharmoniseerde standaard voor financiële verslaggeving voor mkb-ondernemers, zoals opgenomen in de kabinetsinzet kapitaalmarktunie. Het kabinet wil dat er op Europees niveau onderzoek komt of met toepassing van Internationale Financiële Rapportage Standaarden (IFRS) voor het mkb, een potentiële optionele verslaggevingsstandaard opgesteld door de International Accounting Standards Board (IASB), in een behoefte wordt voorzien van het mkb en investeerders. Voor dergelijke harmonisatie kan zowel op Benelux- als EU-niveau naar mogelijkheden worden gekeken.
De leden van de CDA Fractie vragen welke rol het kabinet daarbij ziet voor het aangekondigde 28e regime. Op welke onderdelen verwacht het kabinet dat dit regime daadwerkelijk een verschil kan maken voor Europese start-ups en scale-ups?
Antwoord
Het voorstel van de Europese Commissie voor een 28ste regime voor ondernemingen – de EU Inc.21- beoogt het concurrentievermogen van EU-ondernemingen te versterken door een nieuwe Europese rechtsvorm te introduceren met een alomvattend kader van regels voor bijvoorbeeld de oprichting, aandelenoverdracht en kapitaalverhoging. Momenteel worden startups en scale-ups in de EU geconfronteerd met grote verschillen en onduidelijkheid in wet- en regelgeving tussen lidstaten. Deze fragmentatie leidt tot barrières die groei en opschaling in Europa belemmeren. Het voorstel beoogt te voorzien in simpele en efficiënte regels en procedures gedurende de gehele levenscyclus van EU Inc.-ondernemingen. Een 28ste regime voor ondernemingen kan volgens het kabinet belangrijke economische kansen bieden, omdat het een kader schept voor ondernemingen dat in de hele EU grosso modo hetzelfde is. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen dat de EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders, wat het grensoverschrijdend zaken doen kan vergemakkelijken. Dat is voor startups en scale-ups belangrijk. Het kabinet constateert tegelijkertijd dat toekomstige EU Inc.-ondernemingen voor hun dagelijkse activiteiten nog steeds te maken gaan krijgen met nationale regels, zoals voor het aannemen van personeel, het aanvragen van vergunningen of het openen van een bankrekening. Het kabinet zet zich daarom in voor verdere harmonisatie van regelgeving die relevant is voor de interne markt. Het kabinet ziet dat het voorstel een eerste stap kan zijn voor verdergaande harmonisatie. Daarom is het kabinet actief bezig met het wegnemen van belemmeringen om harmonisatie te bevorderen voor de gebieden essentieel voor de Kapitaalmarktunie.
Verduurzaming Industrie
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet een inschatting te geven van de voortgang van de onderhandelingen over de Industrial Accelerator Act. In welke fase bevinden de onderhandelingen zich en hoe realistisch acht het kabinet het dat op afzienbare termijn overeenstemming wordt bereikt?
Antwoord
Het Iers voorzitterschap is voornemens voor het einde van het jaar een Raadspositie vast te stellen. Of dit slaagt, is afhankelijk van de inhoud en vormgeving van deze voorstellen en hoe andere lidstaten daarop reageren. Op dit moment lopen de posities van de lidstaten op verschillende onderdelen nog uiteen en hebben enkele lidstaten nog een studievoorbehoud. Tegen deze achtergrond is het beoogde tijdpad ambitieus. Nederland blijft zich echter constructief inzetten om op afzienbare termijn tot overeenstemming te komen. Daarbij hecht het kabinet eraan dat de uiteindelijke verordening voldoende aansluit bij de Nederlandse inzet. Op een aantal voor Nederland belangrijke punten is dat op dit moment nog onvoldoende het geval. Het betreft onder meer een uitzondering voor stikstoftoetsing voor verduurzamingsprojecten in de industrie die structurele reductie van stikstof en CO2 bewerkstelligen, meer ambitieuze maatregelen om vraagcreatie te stimuleren, verdere inkadering ten aanzien van investeringstoetsing en meer samenhang en coherentie met de FDI-verordening, een gerichte inzet van het Europees voorkeursinstrument en het versterken van clusterbeleid voor de industrie. Deze inzet is uiteengezet in het BNC-fiche over de Industrial Accelerator Act (IAA)22 en de beantwoording van het schriftelijk overleg over de IAA.23
De leden van de CDA-fractie vragen voorts wat de inzet van het kabinet is bij de verdere onderhandelingen. Op welke onderdelen zet Nederland in om tot een akkoord te komen en welke concrete knelpunten of verschillen van inzicht tussen de lidstaten voorziet het kabinet? Verwacht het kabinet dat deze knelpunten tijdens het Ierse voorzitterschap kunnen worden opgelost en verwacht het kabinet dat de beoogde deadline van eind 2026 haalbaar is?
Antwoord
Zie antwoord vraag 19.
De leden van de CDA-fractie zien grote waarde in het verder harmoniseren van de interne markt om handelsbelemmeringen weg te nemen, de productiviteit te verhogen en het concurrentievermogen van Europa te versterken. Zij verwelkomen daarom de routekaart 'Een Europa, één markt'. Deze leden onderschrijven het belang van duidelijke doelstellingen, concrete acties en periodieke evaluaties om de voortgang te bewaken. Tegelijkertijd merken zij op dat de daadwerkelijke voortgang uiteindelijk afhankelijk is van de inzet van de individuele lidstaten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de minister aankijkt tegen de voortgang van de uitvoering van de routekaart. Indien de voortgang achterblijft, ziet het kabinet dan mogelijkheden om, naar analogie van de samenwerking binnen de E6 op het terrein van de kapitaalmarktunie, met een kopgroep van lidstaten verdere integratie te versnellen? Zo ja, op welke onderdelen van de interne markt acht het kabinet een dergelijke aanpak het meest kansrijk? Ziet het kabinet daarbij bijvoorbeeld mogelijkheden om met een kopgroep voortgang te boeken op het 28e regime of de Industrial Accelerator Act, of acht het kabinet andere dossiers hiervoor meer geschikt?
Antwoord
De routekaart is pas net vastgesteld. Uit een eerste voortgangsoverzicht voor de Europese Raad blijkt dat er op allerlei terreinen stappen worden gezet. Belangrijke voorwaarde voor het vormen van kopgroepen is dat eerst duidelijk is gebleken dat harmonisatie met 27 lidstaten niet mogelijk is. Daarvoor ziet het kabinet op genoemde terreinen en ook in andere gevallen momenteel geen aanleiding.
De leden van de CDA-fractie begrijpen en steunen de keuze van het kabinet om, gelet op de nationale veiligheidsbelangen, vooruitlopend op de implementatie van de herziene Europese screeningsverordening aanvullende technologiegebieden onder de Wet Vifo te brengen. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat de Europese aanpak van investeringsscreening niet onnodig uiteen gaat lopen.
Kan het kabinet aangeven welke inzet het kabinet pleegt om ook andere lidstaten ertoe te bewegen deze aanvullende technologiegebieden onderdeel te maken van hun nationale screeningsmechanismen? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om hierover binnen de Raad afspraken te maken, zodat zowel de economische veiligheid als een gelijk speelveld op de interne markt worden versterkt? Met welke lidstaten verwacht het kabinet hierbij het meest succesvol te kunnen optrekken?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft het belang van effectieve screening van bepaalde investeringen in cruciale technologieën ter bescherming van de nationale veiligheid en de economische veiligheid van de Unie. Juist daarom zet het kabinet in op een spoedige en consistente implementatie van de recent herziene EU FDI-verordening. Deze voorziet al in verdere harmonisatie van nationale screeningsmechanismen, waaronder een verplichte minimumscope van sectoren en technologieën waarvoor screening van investeringen verplicht is. Het kabinet acht aanvullende afspraken binnen de Raad over specifieke nationale uitbreidingen vooruitlopend op deze implementatie daarom op dit moment niet opportuun. Waar mogelijk wijst Nederland andere lidstaten in het kader van lopende wetgevingstrajecten aldaar op de proactieve aanpak die Nederland heeft gekozen door nieuwe technologieën toe te voegen aan de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (vifo).
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de informele Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke Europese interne markt en een concurrerende industrie, maar benadrukken dat nieuwe Europese plannen merkbaar moeten bijdragen aan lagere lasten, betaalbare energie, investeringen en groeikansen voor Nederlandse ondernemers. Zij hebben hierover nog enkele vragen
De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de Raad wordt gesproken over de financieringskloof voor Europese scale-ups en dat Nederland inzet op blended finance, Invest-NL, institutioneel kapitaal en Europese fondsen. Kan de minister aangeven welk concreet financieringsprobleem met ieder van deze instrumenten wordt opgelost en hoe wordt voorkomen dat publieke regelingen elkaar overlappen of vooral financiering vervangen die ook uit de markt had kunnen komen? Hoe wordt daarbij geborgd dat ook Nederlandse mkb-bedrijven en scale-ups buiten de bekende technologische regio’s toegang krijgen tot groeikapitaal?
Antwoord
Er zijn meerdere instrumenten om de verschillende fases en marktfalen van opschalende start- en scale-ups te adresseren.
Middels het kernkapitaal van Invest-NL en het Deep Tech Fund (DTF) onder Invest-NL wordt onder marktconforme voorwaarden geïnvesteerd in (deep tech) start- en scale-ups. Invest-NL richt zich op sectoren waar marktfalen bestaat, investeert additioneel aan de markt en mobiliseert private co-investeringen. Met DTF is extra aandacht voor de deep tech sector, waar grotere tickets en langere adem gevraagd wordt. Dit instrument is gericht op venture capital, vaak in de vorm van equity.
Vanuit het voorgenomen Blended Finance Instrument onder Invest-NL kan tegen zachte (concessionele) voorwaarden financiering worden aangeboden aan start- en scale-up bedrijven en projecten met een significante kapitaalbehoefte. De verwachting is dat deze investeringen gericht zijn op kapitaalintensieve investeringen, waarbij de financieringsvorm dusdanig wordt ontworpen dat een financieringsgat wordt gevuld en privaat kapitaal gemobiliseerd wordt. Dit instrument wordt momenteel beoordeeld door de Europese Commissie in het kader van staatssteun.
Invest-NL werkt momenteel een fonds-in-fonds initiatief uit, gericht op het mobiliseren van Nederlands pensioenkapitaal naar de durfkapitaalmarkt. Dit fonds wordt in nauwe samenwerking met de sector ontwikkeld, waarbij het de ambitie is dat zowel de grote als de midden- en klein formaat pensioenfondsen bijdragen. Dit instrument is een indirect investeringsmiddel, die bijdraagt aan de verdere ontwikkeling en groei van Nederlandse durfkapitaalfondsen.
Het kabinet heeft recent additionele middelen vrijgemaakt voor ETCI 2.0 en werkt deze bijdrage momenteel verder uit in nauwe samenwerking met de lidstaten en geïnteresseerde private (institutionele) investeerders. Dit fonds is ook een indirect investeringsmiddel, maar richt zich op de Europese (waaronder Nederlandse) durfkapitaalfondsenmarkt, van een iets groter formaat. De initiatieven van Invest-NL en ETCI sluiten goed aan elkaar aan in het financieringsketen, waarbij fondsen eerst verder kunnen ontwikkelen in Nederland om vervolgens binnen bereik van ETCI te komen.
Het instrumentarium onder de European Innovation Council, inclusief het Scaleup Europe Fund en de toekomstige Scaleup Facility onder het Europees Concurrentievermogenfonds is gericht op het adresseren van het gebrek aan opschalingsfinanciering in Europa voor innovatieve scale-ups. De toekenning van financiering vindt plaats op basis van excellentie en impact en is dus niet gebonden aan geografische criteria.
Bij de beleidsinstrumenten wordt nadrukkelijk gestuurd op additionaliteit (ondersteund door een gerichte additionaliteitstoets bij nationale instrumenten), zodat privaat kapitaal wordt gemobiliseerd (middels een co-financieringsplicht) in plaats van verdrongen, en de markt hierbij niet wordt verstoord. Ook wordt beoordeeld of er overlap en complementariteit bestaat binnen publieke regelingen. Dit is onderdeel van het beleidsontwerpproces en wordt later ook geanalyseerd tijdens evaluaties.
Deze regelingen en instrumenten zijn (op enkele uitzonderingen na) niet sector- of regio-specifiek en daardoor voor alle innovatieve ondernemingen toegankelijk. .
Kan de minister daarnaast aangeven wanneer de Europese Commissie de aangekondigde aanpassing van de definitie van een onderneming in moeilijkheden presenteert en welke oplossing voor Nederland minimaal noodzakelijk is?
Antwoord
De Europese Commissie is voornemens de herziening van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening eind 2026 te hebben afgerond en zodat de verordening per 1-1-2027 in werking kan treden.
De Nederlandse inzet is erop gericht dat de nieuwe definitie geen belemmering vormt voor innovatieve bedrijven (met name start- en scale-ups) die in de basis financieel gezond zijn en enkel op papier aangemerkt worden als onderneming in moeilijkheden.
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet verduurzaming en concurrentievermogen hand in hand wil laten gaan. Deze leden merken op dat de Nederlandse industrie juist zwaar wordt geraakt door hoge energieprijzen, netcongestie, trage vergunningverlening en verschillen in steunmogelijkheden tussen lidstaten.
Antwoord
Ik zal tijdens de Raad oproepen om een Europese aanpak te ontwikkelen om hoge netkosten te adresseren en het concurrentievermogen van de industrie te versterken, met behoud van een gelijk speelveld. Daarnaast zal ik benadrukken dat er prioriteit moet worden gegeven aan netuitbreiding, vergunningsprocedures vereenvoudigen en flexibele vraag ondersteunen om netcongestie aan te pakken. Ook zal ik het belang van vraagcreatie benadrukken om zekerheid te creëren voor de industrie om te investeren in schone productieprocessen.
Kan de minister bevestigen dat Nederland bij de Industrial Accelerator Act zal inzetten op technologieneutraliteit, uitvoerbare regels en voldoende ruimte voor bestaande energie-intensieve industrie, en zich zal verzetten tegen aanvullende verplichtingen zolang cruciale randvoorwaarden zoals netcapaciteit en betaalbare energie niet op orde zijn?
Antwoord
Het IAA-voorstel kent verschillende bepalingen voor specifieke netto-nultechnologieën. Binnen dit brede scala aan technologieën waakt het kabinet voor uitvoerbaarheid, regeldruk, betaalbaarheid en voortgang van de energietransitie.
De leden van de BBB-fractie lezen tot slot dat de Europese instellingen via de routekaart One Europe, One Market snel politieke akkoorden willen bereiken over een groot aantal nieuwe voorstellen, terwijl tegelijkertijd wordt gesproken over vereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Hoe voorkomt het kabinet dat deze snelheid ten koste gaat van zorgvuldige effectbeoordelingen, uitvoerbaarheid en betrokkenheid van ondernemers? Deelt de minister de zorgen van de SER over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces? Kan zij toezeggen dat Nederland alleen instemt met nieuwe interne-marktwetgeving wanneer aantoonbaar is dat deze bestaande belemmeringen en administratieve lasten vermindert, en niet leidt tot een nieuwe laag Europese regels voor het mkb?
Antwoord
Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving zorgvuldig,
uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd moet zijn. Dat geldt ook
voor voorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering van
regeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te
verminderen en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moet
vereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede
effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het belang van
rechtszekerheid, voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met
regelgeving worden gediend.
In het kader van de samenwerking over het beleid inzake Betere Regelgeving, zijn dit zaken waar Nederland in overleg met de Europese Commissie en andere lidstaten, al jaren aandacht voor vraagt. Zo heeft Nederland bijvoorbeeld vaak zorgen uitgesproken over de gevallen waarin voorstellen worden gepresenteerd zonder impact assessment en aangedrongen op betere consultatie van belanghebbenden.
Ook bij de standpuntbepaling en onderhandelingen over concrete EU-voorstellen staat het kabinet nadrukkelijk stil bij de uitgangspunten van Betere Regelgeving en dringen we –wanneer een impact assessment ontbreekt- er bijvoorbeeld op aan dat de effecten van voorgenomen regelgeving alsnog in kaart worden gebracht.
De Europese Commissie heeft in haar onlangs verschenen mededeling over Betere Regelgeving belangrijke stappen aangekondigd om de kwaliteit van regelgeving te verbeteren. Op 5 juni 2026 heeft uw Kamer over deze mededeling een BNC-fiche ontvangen. De Commissie kondigt in de mededeling onder andere aan meer te gaan inzetten op een goed ontwerp van regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en het vaker uitvoeren van impact assessments. Het is positief te zien dat in het vervolg op de gepubliceerde mededeling, de Europese Commissie bij de recente voorstellen over Taxation24 en Energy Products25 wel impact assessments heeft opgesteld.
Het kabinet zet zich ervoor in dat nieuwe interne-marktwetgeving zo min mogelijk nieuwe regeldruk met zich meebrengt en vooral gericht is op het verminderen van bestaande belemmeringen en regeldruk, zeker ook voor het mkb.
Kamerstukken II, 2024-2025, 21501-07, nr. 2099.↩︎
Kamerstukken II, 2024–2025, 22 112, nr. 4043; Kamerstukken II, 2024–2025, 22 112, nr. 4101; Kamerstukken, 2025–2026, 22 112, nr. 4201; Kamerstukken, 2025–2026, 22 112, nr. 4202; Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4230; Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4241.↩︎
Kamerstukken II, 2025–2026, 21501-20, nr. 2401.↩︎
Kamerstuk II 32 637, nr. 763↩︎
Kamerstukken II 36 410 XIII , nr. 100↩︎
Kamerstukken II , 21501-30-705↩︎
Kamerstukken II, 22112, nr. 4361↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II, 32637, nr. 758 (2026D20123)↩︎
Europese Commissie, Secretariaat-Generaal, 2025 Overview Report on Simplification, Implementation and Enforcement, 21 oktober 2025.↩︎
NON-PAPER by NL, CZ, IT, DK, SE: Proposals for better regulation in times of transition↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 22112, nr. 4364.↩︎
Europese Commissie, European Commission proposes landmark tax simplification package to streamline compliance and boost competitiveness, 24 juni 2026, te raadplegen via: https://taxation-customs.ec.europa.eu/news/european-commission-proposes-landmark-tax-simplification-package-streamline-compliance-and-boost-2026-06-24_en.↩︎
Europese Commissie, Proposal for a regulation on simplification and better use of digital options for energy and tyre labelling, 24 juni 2026, te raadplegen via: https://energy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-simplification-and-better-use-digital-options-energy-and-tyre-labelling_en.↩︎
Kamerstuk 22112 nr. 4007↩︎
Kamerstukken II, 2025–2026, 21501-20, nr. 2401.↩︎
Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4293; Kamerstukken II, 2025-2026, 21 501-07, nr. 2196.↩︎
Kamerstukken II, 2026, 32637, nr. 758↩︎
Europese Commissie, Mededeling horizontale interne marktstrategie, gepubliceerd 21 mei 2025, te raadplegen via EUR-Lex - 52025DC0500 - EN - EUR-Lex↩︎
Bijlage bij Kamerstukken II, 21501-30, nr. 621 (2024D49886)↩︎
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad voor het 28ste regime wettelijk kader voor ondernemingen – ‘EU Inc.’, COM (2026) 321.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 22 112, nr. 4306.↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 22 112, nr. 4352.↩︎
Europese Commissie, European Commission proposes landmark tax simplification package to streamline compliance and boost competitiveness, 24 juni 2026, te raadplegen via: https://taxation-customs.ec.europa.eu/news/european-commission-proposes-landmark-tax-simplification-package-streamline-compliance-and-boost-2026-06-24_en.↩︎
Europese Commissie, Proposal for a regulation on simplification and better use of digital options for energy and tyre labelling, 24 juni 2026, te raadplegen via: https://energy.ec.europa.eu/publications/proposal-regulation-simplification-and-better-use-digital-options-energy-and-tyre-labelling_en.↩︎