[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 (Kamerstuk 21501-32-1762)

Brief regering

Nummer: 2026D07946, datum: 2026-02-19, bijgewerkt: 2026-02-19 13:04, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z03496:

Preview document (šŸ”— origineel)


Geachte Voorzitter,

Met deze brief beantwoorden wij de vragen van de leden van de D66-, GroenLinks-PvdA-, PVV-, CDA- en BBB-fracties in de Tweede Kamer die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van 23 februari jl. over de Landbouw- en Visserijraad (hierna: Raad) van 23 februari a.s.

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari aanstaande. De koers van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027 is bepalend voor de noodzakelijke transitie naar een duurzame landbouwsector die opereert binnen de grenzen van natuur en milieu. Juist daarom maken deze leden zich zorgen over de signalen dat de huidige voorstellen een stap achteruit betekenen voor de bescherming van ons klimaat en onze biodiversiteit.

De leden van de D66-fractie vragen de minister hoe zij kijkt naar de felle kritiek van onder andere de Duitse ministers van Milieu en Landbouw, die stellen dat de voorstellen voor het GLB 2028-2034 de koppeling tussen landbouw en milieubescherming verzwakken. Deelt de minister de mening dat het schrappen van de ecoregelingen en het afzwakken van milieuverplichtingen, zoals gesuggereerd in het Europees Parlement, de verduurzaming van de sector en dus ook de voortgang op de grote opgaven die er zijn op stikstof, water en klimaat ernstig in de weg staat? Deze leden vragen de minister klip-en-klaar of zij bereid is vast te houden aan de Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC's) als harde voorwaarde voor subsidieverstrekking om te voorkomen dat de positieve milieueffecten van het huidige beleid verloren gaan.

Antwoord

De Europese Commissie (hierna: Commissie) geeft met het voorstel voor het GLB 2028-2034 meer ruimte aan lidstaten om zelf keuzes te maken. Het kabinet verwelkomt die ruimte. Een aandachtspunt daarbij is de wijze waarop klimaat- en milieudoelstellingen binnen het GLB Europees worden geborgd. In het huidige GLB is een minimale inzet afgesproken voor agromilieu- en klimaatacties. Hoewel het nieuwe voorstel lidstaten meer flexibiliteit biedt om het beleid af te stemmen op nationale omstandigheden, brengt het ook het risico met zich mee dat de ambities op het gebied van natuur, milieu en klimaat, diergezondheid en dierenwelzijn uiteen gaan lopen tussen lidstaten. Dat zou volgens het kabinet een stap terug zijn omdat dit gevolgen kan hebben voor de gezamenlijke impact van het GLB op deze terreinen, die juist grensoverschrijdend zijn. Het kabinet is daar dan ook kritisch over. Daarom zal het kabinet vragen om de ongewenste effecten te voorkomen en een vergelijkbare inzet tussen lidstaten te verzekeren. Op die manier moet vooral ook een internationaal gelijk speelveld worden gewaarborgd.

De ecoregelingen worden overigens niet geschrapt. De verplichte oormerking om een minimumpercentage van het GLB-budget te besteden aan agro-milieu en klimaatacties – dit type regeling – wordt in het voorstel wel geschrapt. Een dergelijke oormerking was in de huidige GLB-periode een methode om voldoende gezamenlijke ambitie te waarborgen. Nederland onderzoekt momenteel hoe het gelijk speelveld en voldoende gemeenschappelijke ambitie binnen de verordening gewaarborgd kunnen worden.

Verder geeft de Commissie met de nieuwe wetsvoorstellen meer ruimte aan lidstaten om te stimuleren in plaats van alleen te verplichten. In het nieuwe ā€˜farm stewardship’ systeem wordt ruimte geboden om op bedrijfsniveau verplichte voorwaarden in te vullen met gelijkwaardige activiteiten vanuit de agromilieu- en klimaat verbintenissen. Zo wordt er meer ruimte geboden aan de lidstaat om te compenseren, indien de nationale verplichtingen verder gaan dan de geldende Europese regelgeving. De richtlijnbeheerseisen blijven bestaan als voorwaarde en lidstaten moeten ook invulling geven aan de ā€˜protective practices’, voorheen bekend als de GLMC’s.

Tot slot is het voor Nederland van belang dat lidstaten zelf de vrijheid hebben om te kiezen met welke specifieke GLB-instrumenten en -regelingen de gezamenlijke doelen op het gebied van natuur, milieu en klimaat te behalen. Nederland zet daarbij in op het voorkomen van oneerlijke concurrentie en behoud van gelijk speelveld. Het kabinet is tegen het handhaven en verruimen (naar 25%) van de huidige ruimte voor marktverstorende gekoppelde steun en zal zich inzetten voor afbouw en maximering daarvan.

De leden van de D66-fractie maken zich voorts zorgen over de bestuurlijke opzet. Twintig lidstaten pleiten ervoor om grote delen van de verordening voor nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP) over te hevelen naar specifieke GLB-verordeningen om zo de regie volledig bij de landbouwministers te leggen. Deze leden vragen de minister of zij dit initiatief steunt. Kan de minister reflecteren op het risico dat door deze beweging de integrale blik op natuur en milieu naar de achtergrond verdwijnt?

Antwoord

Nederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, het pleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leiding van het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om een aantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeft Nederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche.

De leden van de D66-fractie wijzen daarnaast op de kritische opinie van de Europese Rekenkamer. De Europese Rekenkamer waarschuwt dat de complexiteit van het NRPP kan leiden tot aanzienlijke vertragingen in de uitbetalingen aan boeren. Hoe beoordeelt de minister dit risico voor de Nederlandse uitvoeringspraktijk? Tevens vragen deze leden naar de budgettaire onduidelijkheid. Terwijl er wordt gesproken over een budget van 300 miljard euro circuleren er bedragen tot wel 500 miljard euro zonder dat dit juridisch is vastgelegd. Hoe verhoudt deze roep om meer budget zich volgens de minister tot de noodzaak om scherpe keuzes te maken voor innovatie en het belonen van blauwgroene diensten?

Antwoord

De auditors constateerden dat ingewikkelde plannings- en vaststellingsregelingen, samen met een complexere juridische structuur van het GLB, het risico op onzekerheid vergroten. Daardoor neemt de voorspelbaarheid voor begunstigden af en kan de uitbetaling van middelen vertraging oplopen. Dit zou uiteindelijk het vereenvoudigingsdoel kunnen ondermijnen.

Het kabinet is voorstander van de nieuwe NRPP-structuur en een meer op prestaties gericht, gemoderniseerd en flexibeler MFK, maar zet conform het GLB-BNC fiche (Kamerstukken 22 112, nr. 4145) kanttekeningen bij de haalbaarheid vanwege de korte termijn waarbinnen het GLB in de nieuwe structuur moet worden uitgevoerd. Het kabinet ziet daarbij met name risico’s op het gebied van uitvoeringskosten, uitvoeringscapaciteit, decommiteringsregels (over het vrijvallen van middelen als deze niet tijdig tot uitbesteding zijn gekomen) en de implementatietermijn. Ondanks dat de Commissie stelt dat het voorstel leidt tot een vermindering van administratieve lasten, is het kabinet hier kritisch op en heeft het zorgen over de uitvoerbaarheid en werkbaarheid van het voorstel. De nieuwe systematiek vraagt om zorgvuldige voorbereiding in nauwe samenwerking tussen ministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. In de huidige tijdlijn is er echter weinig tijd om dit zorgvuldig te doen, waardoor er risico's ontstaan bij de implementatie.

Tot slot ten aanzien van de onduidelijkheid over het beschikbare budget lijkt vooral de grote verschillen in vrije ruimte in het NRP-fonds tussen lidstaten van belang. Nederland heeft ten opzichte van het totale budget in het NRPP relatief weinig vrij besteedbare middelen toebedeeld gekregen. Gezien lidstaten vanuit de vrij besteedbare ruimte middelen voor het GLB kunnen inzetten, komt het gelijk speelveld hierdoor onder druk te staan. Nederland zet zich in voor een gelijk speelveld en het voorkomen van oneerlijke concurrentie, daarvoor zouden voldoende waarborgen in de wetsvoorstellen voor het GLB en het Meerjarig Financieel Kader (MFK) moeten komen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 en de onderliggende stukken. Hierover hebben deze leden vragen en opmerkingen.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ten eerste op welke wijze het kabinet zal zijn vertegenwoordigd. Wat betekent dit voor de vertegenwoordiging van Nederland in de Landbouw- en Visserijraad, ervan uitgaande dat het aanstaande kabinet van D66, VVD en CDA op maandag 23 februari 2026 aan zal treden? Zijn de huidige bewindspersonen vertegenwoordigd of zal er ambtelijke vertegenwoordiging zijn? Is het met dezelfde boodschap als het kabinet-Schoof of zal de vertegenwoordiging zich terughoudend opstellen met oog op het nieuw aantredende kabinet, indien Nederland wordt vertegenwoordigd?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de minister en de staatssecretaris om, gezien de transitie van het ene naar het andere kabinet, uiterst terughoudend te zijn en geen toezeggingen te doen in Europees verband.

Antwoord

De Kamer constateert terecht dat de Raad qua timing ongelukkig valt. Conform de gebruikelijke werkwijze is de geannoteerde agenda vooraf met uw Kamer gedeeld, zodat uw Kamer de gelegenheid heeft gehad om aanvullende inbreng mee te geven. Overigens zal Nederland tijdens de Raad van 23 februari hoogambtelijk worden vertegenwoordigd.

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren het uitblijven van achtergronddocumenten bij dit discussiepunt. Het maakt het voor hen moeilijk te controleren wat er met betrekking tot het GLB wordt besproken, ondanks dat dit grote aandacht verdient. Daarom vragen deze leden de minister om toe te lichten waar zij verwacht dat de beleidsdiscussie over zal gaan. Hebben andere lidstaten al kenbaar gemaakt welke onderwerpen zij zelf aandragen? Wat draagt Nederland uit eigen beweging aan bij de discussie?

Antwoord

Het Cypriotisch voorzitterschap heeft recent laten weten de GLB-specifieke nationale aanbevelingen te agenderen. Dit was nog niet bekend ten tijde van het schrijven van de geannoteerde agenda. Nederland zal conform het GLB BNC-fiche inzetten op het beperken van onnodige administratieve lasten en voldoende helderheid voorafgaande aan de planvormingsperiode, om zo het nationale planvormingsproces samen met de andere departementen, medeoverheden en belanghebbenden te bespoedigen. Het kabinet is van mening dat het Commissievoorstel verder gaat dan noodzakelijk waar het gaat om het opstellen van beleidsaanbevelingen voor het GLB door de Commissie die de lidstaten in acht zouden moeten nemen bij de implementatie van de GLB-doelstellingen. Deze beleidsaanbevelingen komen bovenop de horizontale vereisten aan het NRP-plan vanuit de NRPP-verordening en vormen een onnodige extra administratieve last voor de lidstaat. Bovendien kan de Commissie deze aanbeveling op elk moment aanpassen wat een extra belemmering vormt in het toch al complexe proces van het opstellen en goedkeuren van het plan. Het kabinet vindt dat de GLB-specifieke aanbevelingen beperkt zouden moeten worden in aantal, omvang en detailniveau, gericht moeten zijn op grensoverschrijdende uitdagingen en bescherming van de interne markt en alleen gebaseerd moeten zijn op vaststaande juridische kaders en niet op bovenwettelijke beleidsambities. Het kabinet kijkt daarom kritisch naar de extra GLB-specifieke beleidsaanbevelingen bovenop de aanbevelingen uit het Europees semester voor het NRPP en zal zich ervoor inspannen om de beleidsaanbevelingen uit het voorstel te (laten) schrappen. Tegelijk zal het kabinet ook voorstellen doen voor het verbeteren van het proces, voor gelijke behandeling tussen lidstaten, transparantie en duidelijkheid voor het planvormingsproces.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken hierbij op dat er reeds kritiek is geuit vanuit verschillende fracties uit het Europees Parlement en verschillende lidstaten over het GLB en het onderbrengen van middelen in het NRPP. Zo is er kritiek op de hoogte van het GLB-budget en twijfel over of landbouwmiddelen dienen te worden ondergebracht in het NRPP of niet. Wat vindt de minister van het voorstel? Ook de Europese Rekenkamer heeft een opinie opgesteld over de nieuwe financieringsmethodiek (Europese Rekenkamer, 9 februari 2026, ā€˜concerning the proposals for a regulation of the European Parliament and of the Council establishing the conditions for the implementation of the Union support to the Common Agriculture Policy for the period from 2028 to 2034 and a regulation amending Regulation (EU) No 1308/2013 as regards the school fruit, vegetables and milk scheme (ā€˜EU school scheme’), sectoral interventions, [..], rules on the availability of supplies in time of emergencies and severe crisis and securities’ (https://www.eca.europa.eu/nl/publications/OP-2026-05)). Hoe reageert de minister op de bevindingen van de Europese Rekenkamer? Welke kritische noten van de Europese Rekenkamer deelt zij en welke niet? Worden deze bevindingen besproken bij de beleidsdiscussie over het GLB?

Antwoord

Er is nog geen formele kabinetsappreciatie van het rapport van de Europese Rekenkamer (hierna: ERK) over de nieuwe financieringsmethodiek, het kabinet bestudeert het rapport op dit moment. Het ERK-rapport zal mogelijk wel geagendeerd worden in de toekomst door het Cypriotisch voorzitterschap. Indien dit het geval is, zal uw Kamer middels de Geannoteerde Agenda geĆÆnformeerd worden over de kabinetsinzet. Het kabinet heeft zorgen over de uitvoerbaarheid van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gelijk speelveld, zoals aangegeven in het GLB-BNC-fiche (Kamerstukken 22 112, nr. 4145). Deze zorgen lijken (deels) door de ERK te worden bevestigd.

Het kabinet is voorstander van de nieuw voorgestelde NRPP-structuur en een meer op prestaties gericht, gemoderniseerd en flexibeler MFK, maar zet conform het GLB-BNC fiche kanttekeningen bij de haalbaarheid vanwege de korte termijn waarbinnen het GLB in de nieuwe structuur moet worden uitgevoerd. Het kabinet ziet daarbij met name risico’s op het gebied van uitvoeringskosten, uitvoeringscapaciteit, decommiteringsregels (over het vrijvallen van middelen als deze niet tijdig tot uitbesteding zijn gekomen) en de implementatietermijn. Ondanks dat de Commissie stelt dat het voorstel leidt tot een vermindering van administratieve lasten, is het kabinet hier kritisch op en heeft zorgen over de uitvoerbaarheid en werkbaarheid van het voorstel. De nieuwe systematiek vraagt om zorgvuldige voorbereiding in nauwe samenwerking tussen ministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. In de huidige tijdlijn is er echter weinig tijd om dit zorgvuldig te doen, waardoor er risico's ontstaan ten aanzien van hoge belasting van de uitvoerende en handhavende diensten, hoge uitvoeringskosten, onduidelijkheden in uitvoering en conformiteitsrisico’s bij uitvoering van EU-wetgeving. Het risico daarbij is dat dit resulteert in een lager dan gewenste dienstverlening aan de beoogde begunstigden. Nederland pleit daarom bij de Commissie om nu al rekening te houden met mogelijke overgangsbepalingen en een transitieperiode.

Binnen de huidige structuren van de EU-fondsen blijkt het voor veel agrarische bedrijven bovendien al lastig om de weg naar een EU-fonds met succes te volgen. De nieuwe structuur zou onderworpen kunnen worden aan een praktijktoets om een goed beeld te krijgen of het nieuwe stelsel en de governance effectiever en drempelverlagend werken. De opname van het GLB in de NRPP-structuur creƫert extra coƶrdinatietaken voor zowel de beheersautoriteit als de uitvoerende en handhavende diensten. Betalingsaanvragen, prognoses van toekomstige betalingsaanvragen en het jaarlijkse zekerheidspakket moeten bijvoorbeeld worden ingediend door de coƶrdinerende autoriteit. Dit leidt tot een extra uitvoeringslaag. Extra coƶrdinatielagen maken het misschien moeilijker om tussentijdse wijzigingen door te voeren op het GLB-instrumentarium binnen het NRP-plan. Het kabinet vraagt daarom aandacht voor de benodigde flexibiliteit om kleine wijzigingen door te kunnen voeren die ten goede komen van de uitvoering- en handhaving van de GLB-interventies. Enige flexibiliteit in het NRP-plan is noodzakelijk zodat GLB-interventies goed aansluiten bij de werkzaamheden op het boerenerf en in het landelijk gebied.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de wijze van financiering via het NRPP nog niet definitief is. Er is een reĆ«le kans dat de deadline van 2027 niet wordt gehaald. Ten eerste vragen de leden welke gevolgen het heeft als er vertraging komt. Deze leden vragen of er ter voorbereiding al verschillende scenario’s zijn opgesteld over hoe om te gaan met financiering vanuit het NRPP, hoewel zij constateren dat Nederland terughoudend is terwijl het NRPP nog ter discussie staat. Kan de minister deze met de Kamer delen, indien deze scenario’s zijn opgesteld? Deze leden vragen de minister of zij voornemens is om de NRPP-middelen voornamelijk in te zetten voor het halen van juridische opgaven, zoals het voldoen aan de Natuurherstelverordening en de Kaderrichtlijn Water. Hoe voorziet de minister in een eerlijke verdeling van NRPP-middelen tussen betrokken ministeries? Zijn er al mogelijke verdelingen uitgewerkt en zo ja, kunnen deze met de Kamer worden gedeeld? Hierbij benadrukken deze leden het belang dat landbouw- en natuurbudget via het NRPP alle belangen dient die bij het GLB horen. Hoe ziet de minister de ideale verdeling van budget tussen directe inkomenssteun aan boeren en het versterken van de natuur en bodem?

Antwoord

De minister gaat ervan uit dat er tijdig duidelijkheid zal zijn over de volgende Europese begroting en de financiering van het NRPP. Daar zet het kabinet op in. Het kabinet erkent dat het tijdspad om te komen tot een tijdige invulling van het NRP-plan een uitdaging gaat zijn. Daarom is het traject om te komen tot het plan inmiddels opgestart. Scenario's over de invulling van het plan en de verdeling van budgetten zijn nog niet gemaakt. Een integrale bijdrage van zowel het GLB als het NRPP aan de verschillende Europese doelen en uitdagingen in Nederland is uiteraard van belang in de planvormingsfase, maar het proces is nog niet in de fase dat dergelijke concrete voorstellen voor verdeling van budgetten op tafel liggen.

Diversen visserij

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben grote bezwaren tegen de politieke keuze van de staatssecretaris om af te zien van de conclusies van het Noordzeeoverleg (NZO) voor de invulling van de 1,2 procent van de zeebodem die conform het Noordzeeakkoord nog moet worden gevrijwaard van bodemberoerende visserij (Kamerstuk 33450, nr. 139). In plaats van de breedst mogelijke consensus in het NZO over te nemen, heeft de staatssecretaris besloten om op het allerlaatste moment de kant van de visserijsector te kiezen. Hiermee wordt de stem en de legitimiteit van het NZO volgens deze leden ondermijnd.

Antwoord

Er is helaas geen consensus bereikt. Het is dan de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris om een invulling te geven die past bij de verschillende belangen die spelen. Dit heeft hij gedaan en de conclusies van het NZO waren daarbij wel zoveel mogelijk het uitgangspunt.

Deze leden wijzen op de beslisnota bij de desbetreffende brief (Kamerstuk 2026D06224), waarin de staatssecretaris terecht wordt gewezen op de risico’s voor het ondermijnen van het NZO. Tevens hebben de collega-bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en Klimaat en Groene Groei (KGG) laten weten voorkeur te hebben voor het overnemen van de NZO-conclusies. Kan de staatssecretaris direct op deze punten ingaan en concreet onderbouwen dat zijn keuze om af te wijken van de breedst mogelijke consensus recht doet aan het vertrouwen binnen het NZO, de bescherming van de zeenatuur en de brede belangenafweging die hij samen met de ministers van I&W en KGG dient te betrachten? Hoe reageren de partijen van het NZO op de keuze van de staatssecretaris?

Antwoord

Het NZO is een op consensus gericht overlegorgaan. De visserijsector heeft niet ingestemd met de NZO-conclusies. Er ontbreekt dus consensus in het NZO. De staatssecretaris heeft daarom gekozen voor een aangepaste invulling. Hierbij heeft de staatssecretaris rekening gehouden met het deel waarover in het NZO overeenstemming is, met nadrukkelijke aandacht voor natuurwaarden. Ook houdt de staatssecretaris rekening met het voorstel van de visserijsector, dat om procesmatige redenen niet in het NZO is behandeld. Met de aangepaste invulling worden evengoed ecologisch relevante gebieden beschermd. De staatssecretaris waardeert de inzet van het NZO enorm. De partijen van het NZO hebben nog niet officieel gereageerd op de invulling van de staatssecretaris.

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de staatssecretaris om op basis van wetenschappelijke inzichten het afzien van het advies van de NZO-conclusies te rechtvaardigen. Deze leden wijzen erop dat de Kamer geen tijd heeft gekregen om dit voorstel te bespreken en dus niet in debat heeft kunnen gaan over de voor- en nadelen van het doorkruisen van de NZO-conclusies door de staatssecretaris. Tevens wijzen zij erop dat de staatssecretaris zich in demissionaire staat bevindt en terughoudend dient te zijn in het maken van controversiƫle besluiten. Kan de staatssecretaris toezeggen deze invulling van de 1,2 procent niet door te laten gaan en deze keuze aan zijn opvolger te laten?

Antwoord

De staatssecretaris kan niet toezeggen de invulling van 1,2% bodembescherming niet door te laten gaan en aan zijn opvolger te laten. Op 4 februari 2026 heeft een meerderheid van de Kamer de motie van het lid Bromet (GroenLinks-PvdA), waarin de regering wordt verzocht om het besluit over de invulling van de 1,2% over te laten aan het nieuwe kabinet, verworpen. Bodembeschermende maatregelen raken de visserijsector hard. Het afzien van het advies van de NZO-conclusie kan de staatssecretaris rechtvaardigen met het feit dat in het NZO helaas geen consensus is bereikt, omdat de visserijsector hier niet in mee kon gaan. Ook is belangrijk dat uit de Joint Fact Finding blijkt dat het gebied grenzende aan het Friese Front dat de staatssecretaris nu sluit ook ecologisch relevant is. Maar veel minder impact heeft op de visserij. Nu besluiten over de invulling van de 1,2% bodembescherming betekent dat de Noordzeeakkoord-deadline van 2030 nog realistisch is (in verband met de doorlooptijd via het gemeenschappelijk visserijbeleid).

Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingen naar aanleiding van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van februari 2026.

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 - Importquota OekraĆÆne en de positie van de Nederlandse boer
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de analyse van Wageningen Social & Economic Research (WSER) over de uitbreiding van importquota voor agrarische producten uit OekraĆÆne (Kamerstuk 2026D05455). Hoewel de conclusie luidt dat er geen "duidelijke aanwijzingen" zijn dat deze import de prijsvorming of concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw bedreigt, signaleren andere lidstaten zoals Polen wel degelijk grote zorgen over eerlijke concurrentie en wederkerigheid. Kan de minister garanderen dat de Nederlandse belangen niet worden opgeofferd aan geopolitieke doelstellingen en is zij bereid om, als de praktijk weerbarstiger blijkt dan de modellen van de WSER, direct in Brussel aan de rem te trekken voor onze eigen gevoelige sectoren?

Antwoord

In de vastgestelde afspraken is rekening gehouden met zorgen van Europese landbouwproducenten rondom gevoelige productgroepen, waaronder ook landbouwproducten die voor Nederlandse boeren mogelijk onderhavig zijn aan marktverstoringen, zoals suiker, eieren en pluimveevlees. Op deze producten zijn de tariefcontingenten minder of niet uitgebreid. Hierdoor zullen de importvolumes niet hoger liggen dan in voorgaande jaren.

Zoals aangegeven in de appreciatie van het kabinet (Kamerstukken 36 045, nr. 214) hebben de EU en Oekraïne daarnaast de mogelijkheid tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen op alle additionele tariefcontingenten in het geval van marktverstoringen met negatieve consequenties. Voor de EU kan dit ook het geval zijn bij marktverstoringen in één of enkele lidstaten. Dit was eerder onder de Deep and Comprehensive Free Trade Area (DCFTA) nog niet mogelijk.

Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026, punt 2

Onwerkbare controleverordeningen in de visserij
De leden van de PVV-fractie spreken ten aanzien van de visserijsector hun grote zorgen uit over de implementatie van de Controleverordening en het CATCH-systeem. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari jongstleden hebben Nederland en zeven andere lidstaten indringend gewezen op de problemen bij de implementatie van het digitale CATCH-systeem, zoals blokkades van visproducten in havens door de te korte implementatietijd. Een belangrijke oproep, want Nederland is een hele belangrijke importeur van visproducten. De reactie van de Europese Commissie (EC) tijdens deze vergadering was echter weinig tegemoetkomend: zij noemde de lancering van CATCH een groot succes en verwees de lidstaten naar hun eigen verantwoordelijkheid voor het trainen van marktdeelnemers. Kan de staatssecretaris aangeven wat er sinds de oproep op 26 januari 2026 is gebeurd?

Antwoord

Sinds de inwerkingtreding van CATCH per 10 januari 2026 heeft Nederland de signalen over problemen bij de implementatie blijvend onder de aandacht van de Europese Commissie (CIE) gebracht. De problemen zien met name op de werking van het ICT-systeem waarvoor de CIE verantwoordelijk is. De afgelopen weken heeft de CIE gefaseerd wijzigingen doorgevoerd die de werking van CATCH moeten verbeteren. Hoewel dit op enkele onderdelen resultaten heeft opgeleverd, blijven belangrijke onderdelen niet naar behoren functioneren. Ook dit heeft Nederland de afgelopen tijd bij de CIE aangegeven. Bij het aankaarten van de signalen trekt Nederland ook op met andere Europese lidstaten. De NVWA heeft op dit moment aanvullende capaciteit beschikbaar om individuele ondernemers te ondersteunen bij het gebruik van het systeem en de correcte registratie van de benodigde gegevens. De NVWA gaat in deze overgangsperiode pragmatisch om met de handhaving, waarbij de legale herkomst van de visserijproducten gewaarborgd blijft. Daarbij wordt er binnen de mogelijkheden van CATCH gekeken welke oplossingen geboden kunnen worden.

CATCH-systeem verder doorontwikkelen

De leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland zich in de Landbouw- en Visserijraad heeft aangesloten bij de brede steun voor de oproep om het CATCH-systeem verder door te ontwikkelen. De inzet van de staatssecretaris is erop gericht dat er een systeem komt dat werkbaar is voor importeurs en exporteurs, om de huidige blokkades in havens op te heffen. Hoewel de EC stelt dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor de training, blijft Nederland aandringen op technische oplossingen vanuit Brussel om de disproportionele gevolgen voor de sector te beperken. Wat gaat de staatssecretaris doen om te garanderen dat er een werkend systeem komt?

Antwoord

De verantwoordelijkheid voor de (door)ontwikkeling van CATCH ligt bij de Commissie. Ook het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen en updates moet door de Commissie gedaan worden. Nederland probeert hierbij zo concreet mogelijk bij de Commissie aan te geven wat er nodig is om het systeem voor zowel de visserijsector als de controledienst werkbaar te maken. Dit wordt zoveel mogelijk in samenspraak met andere Europese lidstaten gedaan. Over de Nederlandse inzet heeft de staatssecretaris goed contact met de Nederlandse visserijsector.


Vissers worden disproportioneel gestraft
De leden van de PVV-fractie vinden het onaanvaardbaar dat vissers disproportioneel worden gestraft voor kleine foutmarges (onder de 50 kilogram) en dat het digitale CATCH-systeem zonder fatsoenlijke overgangsfase wordt doorgedrukt met blokkades in havens tot gevolg.
Waarom heeft de minister in de Landbouw- en Visserijraad ingestemd met het standpunt dat er ā€˜geen juridische ruimte’ is voor een overgangsfase, terwijl onze vissers hiermee feitelijk met de rug tegen de muur worden gezet?

Antwoord

Zoals de staatssecretaris heeft aangegeven in het tweeminutendebat over de Raad van 26 januari 2026 (Kamerstukken 21501-32, nr. 1728) is de datum waarop de herziene controleverordening (Verordening (EG) 1224/2009) en herziene verordening tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-Verordening; Verordening (EG) 1005/2008) in werking treden vastgelegd in de wijzigingsverordening (Verordening (EU) 2023/2842). De inwerkingtreding vindt gefaseerd plaats en voor de wijzigingen in de elektronische logboeken en het digitale CATCH-systeem betrof dit 10 januari 2026. Een overgangsfase is zonder aanpassing van de verordening niet mogelijk en aanpassing van de verordening behoeft een langdurig proces. De staatssecretaris zet zich erop in om gedurende de implementatiefase van de herziene controlemaatregelen pragmatisch om te gaan met de handhaving waarbij de legale herkomst van de visserijproducten gewaarborgd blijft. Op deze manier moet voorkomen worden dat vissers disproportioneel worden gestraft, met name als dit door technische tekortkomingen van het systeem komt.

Betaalbaarheid van meststoffen en CBAM
De leden van de PVV-fractie steunen de oproep van Oostenrijk en andere lidstaten om de negatieve effecten van het Europese Unie (EU)-douanebeleid en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM) op de prijzen van kunstmest te mitigeren. De Nederlandse boeren kampen met torenhoge productiekosten. Het is dan ook onbegrijpelijk dat het kabinet slechts een ā€˜studievoorbehoud’ plaatst bij voorstellen om de CBAM-toepassing op kunstmest tijdelijk op te schorten. Is de minister bereid om zich in de komende Landbouw- en Visserijraad onvoorwaardelijk achter de eis voor opschorting van deze extra lasten te scharen om de voedselproductie betaalbaar te houden?

Antwoord

Zoals gebruikelijk bij nieuwe Commissievoorstellen ontvangt de Kamer op korte termijn de kabinetsappreciatie middels een BNC-fiche. Het is tevens gebruikelijk een studievoorbehoud te plaatsen in de Raad, totdat de Kamer hiervan kennis heeft kunnen nemen.

SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026 – punt 3: Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen (TFA)
De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch op het besluit van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) om 46 gewasbeschermingsmiddelen tussentijds te herbeoordelen vanwege de metaboliet trifluororazijnzuur (TFA). Terwijl de EC het reguliere proces wil afwachten, kiest Nederland voor een nationale kop die de beschikbaarheid van essentiĆ«le middelen voor onze akkerbouwers ernstig in gevaar brengt. Kan de minister bevestigen dat deze ā€˜zorgvuldige herbeoordeling’ niet zal leiden tot een kaalslag in het middelenpakket voordat er volwaardige alternatieven zijn en hoe verhoudt dit zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen de EU?

Antwoord

Het besluit van het Ctgb om de betreffende middelen te herbeoordelen is gebaseerd op nieuwe wetenschappelijke informatie uit Denemarken. Dit is een eigenstandig besluit van het Ctgb waar de Kamer op 19 januari 2026 over is geĆÆnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 739). Ook andere Europese landen, zoals Zweden en Noorwegen, zullen TFA-vormende middelen herbeoordelen. De minister is zich terdege bewust van de mogelijke gevolgen voor de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen in de Nederlandse landbouw. Daarom heeft de minister, in lijn met wat het Ctgb heeft geadviseerd, de WUR gevraagd om een eerste impactanalyse uit te laten voeren voor de middelen die nu worden herbeoordeeld. Op basis van de uitkomsten van deze impactanalyse, die de minister in het tweede kwartaal van dit jaar verwacht, zal een bredere landbouwkundige inventarisatie worden uitgevoerd en zal samen met de sector worden gekeken naar alternatieve middelen en maatregelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor de Landbouw- en Visserijraad in februari 2026 en hebben enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat diverse GLB-bepalingen worden ondergebracht in de voorgestelde NRPP-verordening in het kader van de herziening van het GLB. Twintig lidstaten hebben voorgesteld om een aantal van deze bepalingen over te hevelen naar de GLB- of gemeenschappelijke marktordeningen (GMO)-verordening, afhankelijk van waar deze inhoudelijk het beste passen. Nederland is geen medeondertekenaar van dit voorstel. Deelt de minister de zorg dat opname van GLB-bepalingen in het generieke NRPP-kader de gerichte uitwerking en effectiviteit van het GLB, waaronder ecoregelingen en agromilieumaatregel, kan verzwakken?

Antwoord

Nederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, het pleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leiding van het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om een aantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeft Nederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de opinie van de Europese Rekenkamer over het onderbrengen van de GLB-gelden onder het NRPP. Deze leden delen de zorg dat deze verschuiving, in combinatie met mogelijk ruime nationale cofinanciering in sommige landen en beperkte harmonisatie zonder plafond, kan leiden tot toenemende verschillen tussen lidstaten en daarmee een ongelijk speelveld. Hoe beoordeelt de minister deze waarschuwing en deelt zij de zorg dat de verschuiving kan leiden tot verstoring van het speelveld?

Antwoord

Nederland deelt deze zorg en pleit voor waarborgen in de Europese wetgeving om de interne markt en het gelijk speelveld te beschermen.

De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat er in de sector terughoudendheid kan zijn in het melden van oneerlijke handelspraktijken vanwege de angst voor de gevolgen van deze melding voor de ondernemer. Deze leden zien het belang van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (OHP) en zien daarom ook graag dat deze dusdanig wordt benut dat het haar doel behaalt. Wat wil de minister doen aan meer kennis over en bewustwording rondom de Richtlijn OHP zodat boeren minder terughoudend zijn in het gebruik ervan?

Antwoord

De minister is zich ervan bewust dat ondernemers terughoudend kunnen zijn in het melden van oneerlijke handelspraktijken, omdat zij verwachten dat een melding de relatie met een afnemer kan schaden en gevolgen kan hebben voor hun omzet. Dat is onwenselijk. Uit de evaluatie van de Wet OHP komt naar voren dat deze terughoudendheid vooral samenhangt met zorgen over de anonimiteit van de klager. De minister verken wat er mogelijk is om de anonimiteit van melders beter te waarborgen.

Tegelijkertijd is uit de evaluatie naar voren gekomen dat er van de Wet OHP een normerende en preventieve werking uit en is de wet ook op die manier doelmatig en doeltreffend. Het is voor leveranciers en afnemers in de keten duidelijker dan voorheen wat wel en wat niet is toegestaan. Dit wordt bevestigd door de contractwijzigingen die na invoering van de Wet OHP zijn waargenomen.

De leden van de CDA-fractie hechten veel belang aan leefbaarheid in het landelijk gebied en de ontwikkeling van het platteland. Kan de minister aangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingen over het GLB voor 2028 tot en met 2035 op het onderwerp plattelandsontwikkeling?

Antwoord

Eerder ontving u het GLB-BNC fiche waarin deze inzet verwoord is (Kamerstukken 22 112, nr. 4145). Conform dit fiche verwelkomt het kabinet de aandacht die uitgaat naar het verbeteren van de leefomstandigheden en de aantrekkelijkheid van het landelijk gebied in de Commissievoorstellen. Dit, ook in het licht van het beperken van de sociaaleconomische effecten van de natuur- en stikstofopgaven op het landelijk gebied. Het kabinet zet zich in Europees en nationaal verband in voor meer synergie tussen bijvoorbeeld het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het cohesiebeleid. Voor een leefbaar landelijk gebied zijn namelijk ook interventies buiten het GLB van belang, bijvoorbeeld voor economie en werkgelegenheid. Conform het BNC-fiche zet het kabinet zich in voor de bestendiging, professionalisering en versterking van het instrument LEADER. Met dit instrument worden lokale initiatieven die bijdragen aan een sociaal, economisch of ecologisch vitaal landelijk gebied gesteund. Voor de precieze invulling van het onderwerp plattelandsontwikkeling voor de volgende GLB-periode binnen het NRPP zal het volgende kabinet in de nationale planvormingsfase keuzes maken.

De leden van de CDA-fractie vinden de inzet op generatievernieuwing in de GLB-onderhandelingen relevant en zien de waarde daarvan. Deze leden zien graag dat generatievernieuwing en het stimuleren van jonge boeren hoog op de agenda van de Nederlandse inbreng staat. Voor deze leden is de positie van de vrouw in de landbouw en in het landelijk gebied nauw verbonden met generatievernieuwing. In het GLB wordt dit thema daarom als onderdeel van de brede doelstellingen erkend. Kan de minister aangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingen over het GLB voor 2028 tot en met 2035 op het de inzet voor generatievernieuwing en de positie van de vrouw?

Antwoord

Het kabinet steunt de inzet van de Commissie op het gebied van generatievernieuwing in de agrarische sector, zoals het opstellen van een integrale strategie voor generatievernieuwing en het maken van een starterspakket voor jonge landbouwers, aangezien generatievernieuwing belangrijk is voor het kabinet. Het kabinet zal dan ook pleiten voor het oormerken van 6% binnen het beschikbare GLB-budget voor generatievernieuwing. Specifiek ten aanzien van de positie van de vrouw in de landbouw binnen het GLB heeft het kabinet nog geen formele positie, dat is aan een volgend kabinet. Uiteraard draagt de minister dit thema wel een warm hart toe.

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoek van BuRo naar de risico’s van geĆÆmporteerde rozen uit niet-EU landen voor mens en milieu. Het hanteren van verschillende normen kan leiden tot een ongelijk speelveld op de markt, waarbij Europese producenten worden benadeeld. Tevens blijkt dit te leiden tot verstoring in het afvalverwerkingssysteem wat schadelijk is voor de kwaliteit van ons compost en de circulaire economie. Tijdens het vragenuur van 10 februari 2026 was hier ook al aandacht voor. Is de minister bereid zich in te zetten voor het instellen van dezelfde normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen in de productie buiten de EU als voor binnen de EU? De leden van de CDA-fractie vinden het belangrijk dat er duidelijkheid is over de inzet van Nederland op het instellen van gelijke normen voor residuen van gewasbeschermingsmiddelen in de productie buiten de EU. Welke concrete actie gaat de minister hiertoe ondernemen en wat zal zij doen om de naleving van de regels ook te waarborgen? De leden van de CDA-fractie vragen de minister ook of zij wil onderzoeken hoe importeurs van snijbloemen medeverantwoordelijk kunnen worden gemaakt voor risico’s en kosten die ontstaan wanneer residuen via de afval- en compostketen in het milieu terechtkomen.

Antwoord

Het kabinet hecht groot belang aan de bescherming van mens, dier en milieu, waaronder de bescherming van consumenten en werknemers in de bloemenketen. Dit is ook verwoord in de reactie naar uw Kamer op het onderzoek van BuRo (Kamerstuk 27 858, nr. 740). Het kabinet acht het van belang dat eventuele aanvullende eisen aan residuen op geĆÆmporteerde bloemen op Europees niveau worden ontwikkeld en vastgesteld. Dit is noodzakelijk om een gelijk speelveld binnen de interne markt te waarborgen en om juridische en handelsbelemmeringen te voorkomen. Sinds 2017 heeft de Commissie met verschillende lidstaten discussie gevoerd over residuen op snijbloemen. Nederland blijft hierbij inzetten op een effectieve uitvoering en handhaving van de bestaande Europese regelgeving en neemt actief deel aan de Europese overleggen op dit onderwerp. De Commissie heeft daarnaast aangekondigd in de visie voor landbouw en voedsel een principe vast te willen stellen dat de meest gevaarlijke bestrijdingsmiddelen die in de EU om gezondheids- en milieuredenen verboden zijn, niet via geĆÆmporteerde producten weer in de EU mogen worden toegelaten. Daartoe werd een impact assessment voorgesteld, dat op 25 november 2025 gestart is en waarvan de resultaten verwacht worden in de zomer van 2026.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026. Deze leden hebben daarover nog een aantal vragen.

De leden van de BBB-fractie maken zich veel zorgen over de overheveling van het GLB naar NRPP. Op dit moment helpen GLB-gelden agrariĆ«rs en samenlevingen te verduurzamen dankzij ecoregelingen en GLMC's. Bovendien is het geld daadwerkelijk beschikbaar voor de landbouwsector. Door de gepresenteerde voorstellen zou grote vertraging kunnen ontstaan in uitbetalingen, omdat de complexe systematiek veel besluitvorming op nationaal niveau vraagt. Bovendien is maar een zeer klein deel van het budget geoormerkt voor GLB, waardoor volstrekt onduidelijk is hoeveel geld daadwerkelijk bij de landbouwsector terecht zal komen, zoals dat is bedoeld. Kan de minister hierop reflecteren en ziet zij mogelijkheden om dit risico te verkleinen? Hoe gaat de minister voorkomen dat de complexere GLB‑structuur leidt tot vertragingen in betalingen aan Nederlandse boeren? Welke maatregelen neemt zij om te zorgen dat Nederlandse agrariĆ«rs niet verdwaald raken in nog meer administratieve lagen en nationale regels? Twintig lidstaten hebben een voorstel gedaan om een groot deel van de NRPP-verordening over te hevelen naar de specifieke GLB-verordeningen. Daarmee willen zij de verantwoordelijkheid voor de verdeling weghalen bij individuele lidstaten en neerleggen bij de landbouwministers in de Landbouw- en Visserijraad. Hoe kijkt de minister naar dit voorstel? Kan zij daarnaast toelichten waarom Nederland het voorstel niet heeft gesteund?

Antwoord

De minister is zich ervan bewust dat boeren vooraf duidelijkheid nodig hebben. Daarom zet de minister in op tijdige besluitvorming over de EU-wetgeving en de invulling van het NRP-plan. Het tijdig kunnen blijven uitbetalen van GLB-steun is voor de minister een belangrijk uitgangspunt. Het kabinet zal daarom parallel aan het onderhandelingsproces in de EU starten met de invulling van het NRP-plan.

Nederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, het pleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leiding van het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om een aantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeft Nederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche.

De leden van de BBB-fractie hebben ook het advies van de Europese Rekenkamer gelezen over de gepresenteerde GLB-voorstellen. Dat advies is zeer kritisch en waarschuwt voor een veel grotere kans op oneerlijke concurrentie door de mate van flexibiliteit voor individuele lidstaten. Deze leden zien dat er op dit moment in veel gevallen voor Nederlandse agrariĆ«rs problemen zijn met oneerlijke concurrentie doordat in Nederland bepaalde regels strenger zijn dan in andere Europese lidstaten en vrezen dat nog meer oneerlijke concurrentie een groot risico vormt voor de voedselproductie in Nederland. Kan de minister hierop reflecteren en herkent zij de risico’s die door de Rekenkamer worden geschetst? Hoe gaat de minister voorkomen dat Nederlandse boeren op achterstand komen te staan als andere lidstaten ruimhartigere invulling geven aan steun, vergroening of uitzonderingen? Wat is de Nederlandse inzet richting de EC om te zorgen dat er duidelijke minimumkaders komen voor cruciale definities zoals ā€˜actieve landbouwer’? Hoe gaat de minister monitoren dat Nederlandse belangen beschermd blijven wanneer andere lidstaten de geboden flexibiliteit maximaal benutten?

Antwoord

Het gelijk speelveld is een groot aandachtspunt voor het kabinet. Het kabinet verwelkomt de ruimte voor lidstaten om eigen keuzen te maken in het Commissievoorstel. Een aandachtspunt daarbij is de wijze waarop klimaat- en milieudoelstellingen binnen het GLB Europees worden geborgd. In het huidige GLB is hierbij een minimale inzet afgesproken voor agromilieu- en klimaatacties. Hoewel het nieuwe voorstel lidstaten meer flexibiliteit biedt om het beleid af te stemmen op nationale omstandigheden, brengt het ook het risico met zich mee dat de ambities op het gebied van natuur, milieu en klimaat, diergezondheid en dierenwelzijn uiteen gaat lopen tussen lidstaten. Dat zou volgens het kabinet een stap terug zijn omdat dit gevolgen kan hebben voor de gezamenlijke impact van het GLB op deze terreinen, die juist grensoverschrijdend zijn. Het kabinet is daar dan ook kritisch over. Daarom zal het kabinet vragen om de ongewenste effecten te voorkomen en een vergelijkbare inzet tussen lidstaten te verzekeren. Op die manier moet vooral ook een internationaal gelijk speelveld worden gewaarborgd

De leden van de BBB-fractie hebben ook een aantal vragen over de gevolgen van de uitbreiding van de importquota voor agrarische producten uit OekraĆÆne voor de Nederlandse markt. Deze leden zien dat zeker de import van pluimveevlees en eieren vanuit OekraĆÆne de afgelopen jaren fors is toegenomen. Kan de minister toelichten hoe wordt voorkomen dat de aanzienlijke importaandelen van OekraĆÆense pluimveevlees‑ en eierproducten (die inmiddels respectievelijk circa 45 procent en 73 procent uitmaken van de totale Nederlandse import uit niet EU-landen) de positie van Nederlandse producenten structureel verzwakken? Kan de minister een reflectie geven op de risico’s voor de Nederlandse pluimveesector nu die importvolumes van OekraĆÆens pluimveevlees in tien jaar meer dan verviervoudigd zijn?

Antwoord

Afgelopen jaar lagen de prijzen voor kippenkarkassen, kippenborstfilet en eieren in de EU op een relatief hoger niveau dan de jaren ervoor. Mede als gevolg van vogelgriepuitbraken was de Europese productie in meerdere lidstaten verlaagd, waaronder in Nederland. Import kan dan voor een deel aan de interne vraag voldoen. De minister is het met u eens dat daarbij wel blijvend aandacht moet zijn voor de positie van de Nederlandse producent.

Het door tariefcontingenten gereguleerde systeem voor import naar de EU werd vanwege de noodzaak voor economische steun aan OekraĆÆne na de invasie van Rusland in 2022 tijdelijk geliberaliseerd voor producten uit OekraĆÆne. Vanwege de toegenomen concurrentie voor Europese producenten zijn de tariefcontingenten voor pluimveevlees, eieren en ei-producten afgelopen jaren in stappen weer beperkt en zijn deze met een wijziging van het Associatieakkoord vorig najaar nog sterker beperkt.

Dit heeft tot doel de concurrentiepositie van EU-producenten te beschermen. Daarnaast is een vrijwaringsclausule in het Associatieakkoord opgenomen die kan worden geactiveerd als sprake is van eventuele ernstige nadelige markteffecten. De Commissie en lidstaten monitoren de marktsituatie van alle gevoelige landbouwproducten.

Het aandeel import van pluimveevleesproducten uit Oekraïne op de interne markt van de EU, waaronder via Nederland, was mede als gevolg van de tariefliberalisatie de afgelopen vier jaar sterk gegroeid. Dit ging grotendeels ten koste van het aandeel import van pluimveevleesproducten uit andere derde landen als Thailand en Brazilië. Handelscijfers over 2025 en het effect van de wijziging van het Associatieakkoord op de importstromen en eventuele markteffecten zijn nog niet beschikbaar.

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de productiestandaarden waaronder deze producten zijn geproduceerd. Kan de minister specifiek aangeven hoe wordt gecontroleerd dat OekraĆÆense pluimveebedrijven daadwerkelijk voldoen aan de EU‑dierenwelzijnsnormen, waarvan de implementatie volgens de notitie juist aanzienlijke investeringen vergt en voor veel OekraĆÆense bedrijven niet realistisch lijkt op korte termijn? Hoe beoordeelt de minister het risico dat producten uit OekraĆÆne worden geproduceerd met (diergenees)middelen die in de EU verboden zijn, terwijl de notitie aangeeft dat naleving en controlecapaciteit in OekraĆÆne aanzienlijk moet worden opgebouwd? Wat zijn de risico’s voor introductie van multiresistente bacteriĆ«n in Nederland als bij OekraĆÆens pluimvee antibiotica zijn gebruikt die in Nederland niet mogen worden gebruikt? Hoe beoordeelt u het risico dat de economische voordelen van OekraĆÆense export vooral liggen bij een klein aantal grote agro-concerns?

Antwoord

Alle import moet voldoen aan de eisen van Europese voedselveiligheid. Dit wordt aan de buitengrenzen gecontroleerd. Dit geldt ook voor import uit OekraĆÆne.

Met de herziening van het Associatieakkoord tussen de EU en OekraĆÆne in 2025 zijn er voorwaarden gesteld aan het verruimde deel van de markttoegang. In het Associatieakkoord waren al afspraken gemaakt voor overname van Europese sanitaire- en fytosanitaire regelgeving door OekraĆÆne. Het aantal regelingen dat OekraĆÆne moet overnemen is uitgebreid met de herziening. Hier valt ook regelgeving onder voor het gebruik van (diergenees)middelen. De Commissie ziet toe op de voortgang van de implementatie van de afspraken uit het Associatieakkoord. Daaronder valt ook de implementatie in de uitvoering en de inrichting van de controle door de OekraĆÆense handhavingsautoriteit. Nederland ondersteunt de OekraĆÆense toezichthouder praktisch met advies over de inrichting van het toezicht en handhaving.

De leden van de BBB-fractie vragen aan de staatssecretaris of hij al heeft gesproken met andere landen over de uitvoering van de motie van het lid Van der Plas (BBB) over kleinschalig internationaal pulsonderzoek (Kamerstuk 21501-32, nr. 1738).

Antwoord

13 februari jl. heeft de staatssecretaris zijn inzet op de motie Van der Plas – den Hollander (Kamerstuk 21501-32, nr. 1738) over kleinschalig onderzoek naar de pulsvisserij gedeeld met uw Kamer. Hierin heeft de staatssecretaris aangegeven zich in te zetten voor gesprekken met naburige landen en wetenschappelijke instellingen om te zien of gezamenlijk onderzoek mogelijk is, teneinde het draagvlak te verhogen. Deze gesprekken lopen op dit moment. Hierover zal de Kamer uiterlijk voor het zomerreces, maar zoveel eerder als mogelijk, worden geĆÆnformeerd. De staatssecretaris wil hierbij ook graag benadrukken dat hij de afgelopen twee jaar geen kans onverlet heeft gelaten om het innovatieve en duurzame karakter van het pulstuig bij de Europese collega’s te benadrukken.

De leden van de BBB-fractie constateren dat sinds 10 januari 2026 het gebruik van CATCH is verplicht voor de import van visproducten uit derde landen en dat tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari jongstleden negentien lidstaten hun zorgen hebben uitgesproken over het functioneren van dit systeem. Deze leden vragen de staatssecretaris wat er sinds deze gezamenlijke oproep concreet is gebeurd om CATCH te vereenvoudigen, te stabiliseren en werkbaar te maken? Welke mitigerende maatregelen worden per direct getroffen om te voorkomen dat viszendingen in Nederlandse havens vaststaan als gevolg van problemen in andere lidstaten? Herkent de staatssecretaris de signalen dat EU-gevestigde expediteurs volledig aan de verplichtingen moeten voldoen terwijl zij afhankelijk zijn van gegevens van niet-EU exporteurs die zes maanden extra implementatietijd hebben? Hoe beoordeelt de staatssecretaris deze ongelijke situatie? Is de staatssecretaris bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke overgangsregeling, gedifferentieerde handhaving of een pragmatische noodoptie zoals tijdelijk parallel gebruik van nationale systemen bij aantoonbare storingen? Welke concrete verbeteringen zijn sinds de laatste release doorgevoerd? Wil de staatssecretaris samen met de sector het initiatief nemen voor een fysiek overleg met de EC over knelpunten en verbeterdoelen? Hoe staat het met de interoperabiliteit met belangrijke derde landen?

Antwoord

Sinds de inwerkingtreding van CATCH per 10 januari 2026 heeft Nederland de signalen over problemen bij de implementatie blijvend onder de aandacht van de Commissie gebracht. De problemen zien met name op de werking van het ICT-systeem waarvoor de Commissie verantwoordelijk is. De afgelopen weken heeft de Commissie gefaseerd wijzigingen doorgevoerd die de werking van CATCH moeten verbeteren. Hoewel dit op enkele onderdelen resultaten heeft opgeleverd, blijven belangrijke onderdelen niet naar behoren functioneren. De staatssecretaris zet zich er op in om gedurende de implementatiefase van CATCH pragmatisch om te gaan met de handhaving waarbij de legale herkomst van de visserijproducten gewaarborgd blijft.

Door implementatieproblemen in andere lidstaten is er ook oponthoud geweest in Nederlandse havens waar de Nederlandse autoriteiten geen verantwoordelijkheid voor hadden. Nederland heeft aangedrongen om dergelijke zendingen ook voor de Nederlandse autoriteiten zichtbaar te maken. Op deze die manier kan kunnen de Nederlandse autoriteiten meedenken over mogelijke oplossingen meegedacht worden om tot oplossingen te komen. De staatssecretaris pleit verder bij de CIE voor het behoud van het gelijke speelveld tussen de lidstaten en ook voor een snellere aansluiting van derde landen op het systeem. Op basis van de Europese verordening zijn derde landen dit echter niet verplicht. De CIE voert de gesprekken met deze derde landen hierover.

Ten slotte is uitstel van de implementatie niet mogelijk zoals de staatssecretaris ook heeft aangegeven in het tweeminutendebat over de Raad van 26 januari 2026 (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1728). De implementatiedatum is vastgelegd in de wijzigingsverordening (Verordening (EU) 2023/2842). De komende tijd blijft de staatssecretaris met alle partijen in gesprek over de Nederlandse situatie. Daarnaast zal de staatssecretaris de knelpunten blijven benoemen bij de CIE om te komen tot werkbare oplossingen in de praktijk. Om dergelijke signalen kracht bij te zetten moedigt de staatssecretaris de visserijsector aan om hun knelpunten en verbeterdoelen zelf en middels hun Europese koepels te blijven aankaarten bij de Commissie.

De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de implementatie van de toegestane foutmarge tussen vangstschatting aan boord en weging aan land, met name bij vangsten onder de 50 kilogram. Deze leden vragen de staatssecretaris hoe hij de zorgen beoordeelt dat kleine afwijkingen, door bijvoorbeeld weegonnauwkeurigheid, snel als ernstige inbreuk worden aangemerkt. Is de staatssecretaris bereid zich in te zetten voor een herijking of technische oplossing waardoor kleine vangsten niet disproportioneel tot overtredingen leiden? Hoe wordt een gelijk speelveld tussen lidstaten gewaarborgd bij de toepassing van deze tolerantieregels?

Antwoord

Zoals de staatssecretaris ook op vragen van de leden van de PVV-fractie laat weten is zijn inzet erop gericht om gedurende de implementatiefase van de herziene controlemaatregelen pragmatisch om te gaan met de handhaving. De voorwaarden voor het begaan van een ernstige inbreuk worden sinds 10 januari 2026 bepaald op basis van de controleverordening (Verordening (EG) 1224/2009). Dit moet het gelijke speelveld tussen de lidstaten waarborgen. Voor vangsten kleiner dan 50 kilogram geldt een ruimere tolerantiemarge van 20%, waarbij een verschil groter dan 40% wordt gezien als ernstige inbreuk. Op deze manier wordt voorkomen dat vissers disproportioneel worden gestraft.

De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Landbouw- en Visserijraad is gesproken over de zogenoemde blauwe bio-economie en vragen de staatssecretaris wat hieronder concreet wordt verstaan. Omvat dit ook de hoogwaardige benutting van visafval, bijvangst en andere reststromen? Welke Nederlandse en Europese initiatieven lopen er om deze stromen beter te verwaarden? Welke juridische of praktische belemmeringen ziet de staatssecretaris daarbij?

Antwoord

De blauwe bio-economie omvat het geheel van duurzame economische activiteiten die gebruik maken van mariene en aquatische hulpbronnen. Een hoogwaardige benutting van reststromen hoort daarbij. Een van de praktische uitdagingen is het creëren van vraag en het feit dat het om beperkte hoeveelheden per categorie gaat. In Nederland wordt hieraan o.a. aandacht besteed in het Visserij Ontwikkelplan, dat onder leiding van het Bestuurlijk Platform Visserij wordt uitgevoerd met een financiële bijdrage van LVVN. Dat plan omvat o.a. een onderdeel over het valoriseren van reststromen. Daarnaast is in het kader van het European Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) in 2024 en 2025 de regeling Vernieuwingen in de visserij- en aquacultuurketen opengesteld. De regeling biedt ruimte voor het indienen van projecten die gericht zijn op het benutten en verwaarden van reststromen. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe openstelling van deze regeling. Uw Kamer zal hierover te zijner tijd nader worden geïnformeerd.

De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen Nederland zet richting derde landen die niet-duurzame visserij toelaten of adviezen van de International Council for the Exploration of the Sea (ICES) en de Total Allowable Catch (TAC) overschrijden. Is de staatssecretaris bereid te pleiten voor proportionele maar effectieve maatregelen wanneer landen structureel internationale afspraken niet naleven? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse vissers strenger worden beperkt dan concurrenten uit derde landen zodat het gelijk speelveld behouden blijft?

Antwoord

Vooropgesteld zij dat maatregelen in dit verband communautair, dus op voorstel van de Commissie genomen worden. De Verordening die hierop van toepassing is, Verordening 2025/2077 van 8 oktober 2025 is hiertoe onlangs gepubliceerd. De staatssecretaris heeft met andere Lidstaten meermalen gepleit bij de Commissaris dat deze Verordening toegepast zou worden. Tot op heden heeft de Commissaris nog geen voorstel gedaan. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid voor handelsmaatregelen voortvloeiend uit aanbevelingen van de regionale visserijverdragsorganisatie NEAFC, waar de Europese Unie contracting party is. De zorg voor een gelijk speelveld tussen Nederlandse vissers en vissers uit derde landen is hierbij ook altijd een argument dat meegewogen wordt.

De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat het combineren van meerdere passieve tuigen binnen ƩƩn visreis in de praktijk niet mogelijk is. Deze leden vragen de staatssecretaris of het klopt dat het gelijktijdig inzetten van meerdere passieve tuigen momenteel niet is toegestaan en zo ja, op basis van welke bepaling. Bestaat er binnen de huidige Europese regelgeving ruimte voor experimenten of pilotprojecten met name voor de kleinschalige visserij? Is de staatssecretaris bereid in Brussel te verkennen of verruiming mogelijk is mits controleerbaarheid en quota-administratie geborgd blijven? Kan worden onderzocht of dergelijke combinaties bijdragen aan selectiever vissen, minder brandstofgebruik en een sterker verdienmodel?

Antwoord

Hoewel er geen generieke regels zijn die het combineren of tegelijk aan boord hebben van meerdere vistuigen verbieden, gelden er in sommige gevallen op grond van visserijwetgeving (ingesteld met het oog op het in stand houden van de visbestanden) beperkingen of nadere regels voor het gebruik van meerdere tuigen. De staatssecretaris verwijst hiervoor naar de artikelen 27 en 47 van de controleverordening (Verordening nr. 1224/2009) waarin nadere voorwaarden zijn gesteld.

Er zijn veel risico’s bij het mogelijk gebruik van meerdere tuigen tijdens een visreis. In veel gevallen levert het gebruik van meerdere tuigen namelijk problemen op bij de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid als het gaat om bijvoorbeeld de aanlandplicht, technische maatregelen, quotumbeheer en logboekregistratie.

In de Voedselvisie is aangegeven dat LVVN in het licht van de transitie zal bekijken of knelpunten met betrekking tot belemmerende wetgeving kunnen worden verholpen. In dit proces worden bovenstaande risico’s meegenomen.

Er is in 2024 en 2025 onderzoek gedaan naar kleinschalige passieve visserij (zoals staand want visserij) in offshore windparken. Passieve visserij binnen windparken past binnen het Rijksbeleid voor medegebruik van offshore windparken. Op inzet van meerdere vistuigen per visreis in de passieve visserij in windparken, zijn geen experimenten of pilotprojecten uitgevoerd of voorzien.

In veel gevallen levert het gebruik van meerdere tuigen problemen op bij de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid als het gaat om bijvoorbeeld de logboekregistratie.

Het ministerie van LVVN analyseert momenteel de knelpunten die passieve vissers in windparken ervaren, en kijkt allereerst naar nationale maatregelen en maatwerkoplossingen die deze knelpunten effectief oplossen voor passieve vissers. Uit onderzoek blijkt dat het niet kunnen vissen in windparken met meerdere passieve vistuigen tijdens een visreis, samen met andere knelpunten die passieve vissers in windparken ervaren, op dit moment veelal nog leidt tot een onvoldoende economisch resultaat. Deze knelpunten zijn bekend en verkend wordt hoe deze effectief te verhelpen zijn.

De leden van de BBB-fractie vragen wat de actuele stand van zaken is rond de evaluatie en uitvoering van de aanlandplicht en de problematiek van choke species. Hoe verhoudt de aanlandplicht zich tot de Europese doelstelling om voedselverspilling te beperken wanneer ondermaatse vis verplicht moet worden aangeland, maar niet hoogwaardig kan worden benut? Is de staatssecretaris bereid dit onderwerp opnieuw in de Landbouw- en Visserijraad te agenderen met voorstellen voor praktische verbeteringen en lagere administratieve lasten?

Antwoord

Waar regelgeving eenvoudiger kan, moeten we dat ook in Europees kader bewerkstelligen en gezamenlijk zoeken naar alternatieven. De herziening van de aanlandplicht is een belangrijke prioriteit voor Nederland. De inzet is de regelgeving zo aan te passen dat wel aan de oorspronkelijke doelstelling - voedselverspilling tegen te gaan – wordt bijgedragen, maar op een manier die ook voor vissers en de overheid werkbaar is. Op dit moment is de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) die de Commissie uitvoert nog niet afgerond. Naar verwachting wordt deze dit voorjaar gepresenteerd op basis waarvan de Commissie zal besluiten of tot herziening van het GVB over gegaan zal worden. Nederland heeft al meermaals, ook in Europees verband, laten weten voorstander van een dergelijke herziening te zijn.

De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is rond aanpassingen van Realtime Closed Areas. Welke criteria en data worden daarbij gebruikt? Hoe worden economische gevolgen meegewogen? Wordt bij besluiten over sluitingen nadrukkelijk gekeken naar proportionaliteit en veiligheid op zee?

Antwoord

De Real-time closures (RTCs) worden ingesteld op basis van criteria die in Europese regelgeving (Verordening (EU) 724/2010) zijn opgenomen. In het verleden zijn er met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen afspraken gemaakt dat zij vergelijkbare maatregelen implementeren. Zoals de staatssecretaris eerder heeft aangegeven in het verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 11‑12 december 2025 (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1746) is tijdens de trilaterale onderhandelingen tussen de Europese Unie (EU), het VK en Noorwegen afgesproken dat de criteria voor RTCs ter bescherming van de kabeljauw worden aangescherpt. Ook zijn er afspraken gemaakt over de verschillende voorwaarden op basis waarvan een RTCs worden ingesteld. Ten slotte is er, mede op aandringen van Nederland, vastgelegd dat er in 2026 een brede herziening plaats zal vinden op het RTC-regime.

De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorzorgsbeginsel een steeds grotere rol speelt in Europese besluitvorming en vragen hoe dit beginsel momenteel wordt toegepast in het visserijbeleid. Acht de staatssecretaris deze toepassing proportioneel en werkbaar? Is de staatssecretaris bereid te pleiten voor transparantere onderbouwing en impacttoetsen? Wat zijn de laatste ontwikkelingen rond de Natuurherstelwet en de gevolgen voor visserij en aquacultuur? Welke inzet pleegt Nederland om uitvoerbaarheid en proportionaliteit te waarborgen?

Antwoord

Wat betreft de laatste ontwikkelingen rond de Natuurherstelverordening verwijst de staatssecretaris u naar zijn brief aan de Tweede Kamer (33 576, nr. 474) op 20 januari 2026. Daarin heeft de staatssecretaris uw Kamer geĆÆnformeerd over de laatste stand van zaken en het rapport ā€˜Natuurherstelverordening en het Nederlandse mariene ecosysteem’ aan uw Kamer aangeboden. Uw Kamer wordt op korte termijn in nader detail geĆÆnformeerd over de wijze waarop de maatregelen voorgesteld in het Natuurplan tot stand zullen komen en het proces rond de invulling van de doelstellingen in de Natuurherstelverordening.

De leden van de BBB-fractie vragen of in lijn met de motie van het lid Boomsma (Kamerstuk 21501-32, nr. 1752) er mag worden gelost in de haven van Terschelling.

Antwoord

Op dit moment bekijkt de staatssecretaris samen met de NNVWA, RVO en de visserijsector op welke wijze uitvoering gegeven kan worden aan de motie Boomsma (Kamerstuk 501-32). De Tweede Kamer zal hier nader over geĆÆnformeerd worden.

De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over het voornemen van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om, naar aanleiding van de infractieprocedure van de EC, de bestaande correctie op water- en ijsgewicht bij de weging van visserijproducten per 2026 te beĆ«indigen. In de praktijk wordt op de visafslag eerst het zichtbare ijs verwijderd vóór weging. Vervolgens wordt, afhankelijk van de vissoort, een beperkte correctie van 2 tot 5 procent toegepast voor lekwater en resterend ijs. Deze systematiek zorgt ervoor dat uitsluitend het daadwerkelijke visgewicht ten laste komt van het quotum. Vergelijkbare werkwijzen worden ook in andere EU-lidstaten toegepast. Het schrappen van deze correctie betekent feitelijk een structurele reductie van 2 tot 5 procent van de vangstmogelijkheden voor de kottervisserij, omdat watergewicht dan met schaars quotum moet worden ā€˜betaald’. Dit leidt tot aanzienlijke economische schade en kan bovendien zorgen voor grotere afwijkingen tussen logboekgegevens en het gewogen gewicht op de visafslag, met risico op sancties en strafpunten. De sector heeft aangeboden om samen met het ministerie van LVVN te werken aan een wetenschappelijke onderbouwing van het toegepaste percentage watercorrectie, zodat, indien nodig, regelgeving hierop kan worden aangepast. Erkent de staatssecretaris dat het schrappen van de watercorrectie in de praktijk neerkomt op een generieke quotumreductie van 2 tot 5 procent? Klopt het dat ook andere EU-lidstaten een vorm van watercorrectie toepassen en hoe wordt daar binnen de controleverordening mee omgegaan? Is de staatssecretaris bereid dit punt in Europees verband aan te kaarten en in te zetten op een werkbare oplossing? Is hij bereid de huidige werkwijze tijdelijk te laten voortbestaan in afwachting van een wetenschappelijke onderbouwing? Voor de kottersector is het onacceptabel dat, bovenop de ICES-gebaseerde vangstadviezen, nog eens tot 5 procent van de vangstmogelijkheden verloren gaat door het meetellen van watergewicht. Deze leden vragen de staatssecretaris dit punt nadrukkelijk onder de aandacht te brengen.

Antwoord

Op basis van Verordening (EG) 1224/2009 (controleverordening) moet het gewicht van de vangst bij aanlanding worden vastgesteld door middel van een officiƫle weging. Hierbij zijn er voor verse vis geen juridische mogelijkheden om rekening te houden met afsmeltend ijs. Het is aan de visafslagen om te zorgen dat de vangsten zo goed mogelijk zijn ontdaan van water en ijs. Het gewogen gewicht dat bij de weging wordt vastgesteld dient in mindering te worden gebracht op het quotum van de visser. De huidige praktijk, waarbij anticiperend op het waterverlies nog voor vaststelling een reductie van 2 tot 5% wordt toegepast op het officiƫle gewicht, voldoet niet aan de voorschriften die reeds sinds 2009 verplicht zijn. Deze voorschriften uit de controleverordening zijn bindend voor alle Europese lidstaten.

De staatssecretaris heeft gesprekken gevoerd met de visafslagen, visverwerkende industrie en de producentenorganisaties (PO's) om een werkbare oplossing te vinden binnen de kaders van de controleverordening. Hierbij kan echter niet worden voorkomen dat individuele vissers de maatregelen ervaren als een structurele reductie van het quotum. Zoals de staatssecretaris eerder aan de Kamer heeft laten weten, wordt er hard gewerkt om de lopende ingebrekestelling voor het toezicht op de weging, registratie en traceerbaarheid van visserijproducten op te lossen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1672). De staatssecretaris kan niet ingaan op de precieze inhoud ervan. In het kader van deze procedure dient Nederland te voldoen aan de reeds geldende wet- en regelgeving. Het is dan ook niet wenselijk de huidige werkwijze tijdelijk te laten voortbestaan. De staatssecretaris is met andere Europese lidstaten in gesprek om het gelijk speelveld te waarborgen.

In het kader van de onderhandelingen over de comitologie van de controleverordening probeert Nederland bij de Europese Commissie aandacht te vragen voor dit vraagstuk. In de huidige Europese regelgeving is echter geen ruimte om op basis van dergelijke onderzoeksresultaten een standaard reductie toe te staan. De staatssecretaris zal verder met de visserijsector in gesprek gaan om te kijken hoe een mogelijke studie eruit kan zien. Een studie naar het waterverlies bij verse vis kan helpend zijn om het onderwerp bij de Europese Commissie blijvend onder de aandacht te brengen.

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen rapportage in het kader van de Habitatrichtlijn en de toepassing van de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek bij de beoordeling van de kwaliteit (Structuur en Functie) van habitattype H1110 (permanent overstroomde zandbanken). Deze leden constateren dat Nederland in 2020 aan de EC heeft gerapporteerd dat de staat van instandhouding van H1110 in een slechte staat verkeert, terwijl dit tot 2019 als matig ongunstig werd beoordeeld.

De leden van de BBB-fractie constateren dat de verslechtering samenvalt met de eerste toepassing van de BISI-methodiek in de rapportage. Deze leden begrijpen dat deze index sterk afhankelijk is van gekozen referentiewaarden per indicatorsoort en dat deze referentiewaarden in belangrijke mate zijn gebaseerd op theoretische, door experts vastgestelde dichtheden die zouden kunnen voorkomen in een volledig ongestoorde situatie. Daarbij is in veel gevallen uitgegaan van de hoogste gemiddelde dichtheid in de afgelopen 30 jaar. Deze is vervolgens verhoogd met een standaarddeviatie of zelfs verdubbeld, indien experts verwachtten dat bij het wegvallen van bodemberoering verdere stijging mogelijk zou zijn.

De leden van de BBB-fractie vragen de staatssecretaris waarom Nederland vooruitloopt met een eigen methodiek die in Europees verband niet is gevalideerd. Kan de staatssecretaris aangeven of de BISI-methodiek formeel is goedgekeurd binnen de EU-kaders voor de Habitatrichtlijnrapportage, of dat sprake is van een nationale invulling die verder gaat dan hetgeen Europees is voorgeschreven? Waarom is gekozen voor een methodiek waarvan volgens een aantal wetenschappers de referentiewaarden wetenschappelijk onvoldoende zijn onderbouwden mogelijk niet Europees standhouden, indien sprake is van een nationale keuze?

Antwoord

Nederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) om elke 6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding van habitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het land of in het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typische soorten, toekomstperspectief).

De Habitatrichtlijn biedt geen operationele definitie voor het bepalen van structuur en functie voor mariene habitattypen maar hierbij moeten wel de best beschikbare gegevens worden gebruikt. Daarom is er door Wageningen University & Research een nationale maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de Benthische Indicator Soorten Index (BISI) een score kan worden gegenereerd voor structuur & functie van mariene habitattypen (Escaravage et al., 2024).

Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maar slechts ƩƩn van de gebruikte parameters. Over de meest recente beoordeling heeft de staatssecretaris u recentelijk geĆÆnformeerd (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 472).

De leden van de BBB-fractie vragen of daadwerkelijk sprake is van een verslechtering van de staat van instandhouding van habitattype H1110 of dat de gewijzigde beoordeling uitsluitend het gevolg is van de toepassing van een nieuwe beoordelingsmethodiek met aangepaste maatlatten. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de staat van instandhouding zou zijn beoordeeld indien de eerdere methodiek was toegepast op de meest recente gegevens? Is er ecologisch aantoonbaar sprake van achteruitgang in soortensamenstelling, dichtheden of functioneren van het bodemecosysteem, los van de methodische wijziging?

Antwoord

De staatssecretaris kan onmogelijk op deze korte termijn inzichtelijk maken hoe de staat van instandhouding zou zijn beoordeeld indien de eerdere methodiek was toegepast op de meest recente gegevens. De staatsecretaris kan dat nu dus niet inzichtelijk maken.

De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de gehanteerde maatlat reeds formeel is vastgesteld als nationaal beoordelingskader, dan wel of de ontwikkeling van indicatoren en maatlatten primair in EU-kader plaatsvindt en nog onderwerp is van afstemming en validatie. Is hier mogelijk sprake van een voorbarige nationale toepassing? Op welke wijze wordt geborgd dat nationale beoordelingssystematieken aansluiten bij Europese richtsnoeren en onderlinge vergelijkbaarheid tussen lidstaten waarborgen?

Antwoord

De gehanteerde maatlat, zoals ook hiervoor is vermeld, is gebruikt bij de meest recente VHR-beoordeling waarover de staatssecretaris uw Kamer recentelijk heeft geĆÆnformeerd. Zoals aangegeven ontbreekt in de richtlijn een operationele definitie voor de parameter structuur en functie. Er is dus geen sprake van een voorbarige nationale toepassing. Wel vindt er uiteraard afstemming plaats op Europees en regionaal niveau over de te hanteren maatlatten en indicatoren voor mariene habitats. Dit gebeurt onder andere in OSPAR-verband en bij de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene strategie.

De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van de referentiewaarden in hoeverre het hanteren van opgehoogde maximumwaarden mede gelet op de grote natuurlijke fluctuaties in bodemfauna, zoals bij het nonnetje wetenschappelijk verdedigbaar is. Acht de staatssecretaris het realistisch om referentiewaarden vast te stellen die substantieel boven historisch gemeten maxima liggen? In hoeverre wordt rekening gehouden met natuurlijke variatie, klimaatgerelateerde fluctuaties en langjarige cycli in populatieontwikkeling?

Antwoord

Zoals hiervoor is aangegeven, is de nationale maatlat op wetenschappelijke basis ontwikkeld door Wageningen University & Research en toegepast bij de recente beoordeling. Mocht blijken dat op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten deze maatlat aanpassing behoeft, dan zal dit uiteraard worden meegenomen in de volgende rapportagecyclus.

De leden van de BBB-fractie vragen of de staatsecretaris bereid is om Wageningen Marine Research (WMR) of een andere onafhankelijke wetenschappelijke instantie te laten onderzoeken of de gehanteerde referentiewaarden wetenschappelijk robuust en realistisch zijn vastgesteld en of de keuze voor (opgehoogde) maximumwaarden als referentie ecologisch en statistisch te rechtvaardigen is. Kan de staatssecretaris toezeggen dat een dergelijke onafhankelijke toetsing plaatsvindt vóórdat opnieuw aan Brussel wordt gerapporteerd en voordat op basis van deze methodiek vergaande beperkende maatregelen voor de visserij worden genomen?

Antwoord

De VHR-rapportage, waarin voor ā€˜structuur en functie’ voor de mariene habitattypen gebruik is gemaakt van de BISI-methode, is juist opgesteld door Wageningen University & Research. De parameter is bepaald aan de hand van de eerder genoemde maatlat die is opgesteld door wetenschappers van Wageningen Marine Research. Mocht blijken dat, op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten, deze parameter aanpassing behoeft dan zal dit uiteraard worden meegenomen in de volgende rapportagecyclus.

De leden van de BBB-fractie constateren dat voor twinrig-netten een verplichting geldt om een paneel met vierkante mazen in te bouwen. Deze maatregel maakt onderdeel uit van het kabeljauwherstelplan en is vastgelegd in Europese regelgeving onder het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). In de praktijk blijkt het paneel nauwelijks effectief in de huidige situatie op de Noordzee. Tegelijkertijd veroorzaakt het aanzienlijke nadelen voor vissers: extra kosten bij het maken van nieuwe netten, extra werk, vervorming van het net tijdens gebruik, versnelde slijtage en schade die moeilijk tot niet te repareren is doordat het net geen traditionele knopen heeft. Het paneel trekt het net uit verband en zorgt ervoor dat het net ongelijk gaat werken. Waarom is dit vierkante-mazenpaneel verplicht gesteld en door wie is deze verplichting precies opgelegd? Op basis van welke onderbouwing en actuele gegevens wordt deze maatregel nog steeds gehandhaafd? Is hier sprake van gold-plating van Europese regelgeving door Nederland? Kan deze verplichting opnieuw worden beoordeeld, mede in het licht van de huidige stand van de kabeljauwpopulatie en de veranderde situatie op de Noordzee? Is de staatssecretaris bereid om toe te zeggen dat deze maatregel opnieuw wordt bekeken en geƫvalueerd op nut en noodzaak, juist omdat deze in de praktijk nauwelijks effectief blijkt en de sector wel degelijk op extra kosten jaagt? Kan, indien er behoefte is aan aanvullende onderbouwing, ruimte worden geboden voor praktijkgericht vergelijkend onderzoek waarbij met Ʃn zonder vierkante-mazenpaneel wordt gevist om op basis van actuele gegevens de effectiviteit van deze maatregel vast te stellen?

Antwoord

Een paneel met vierkante mazen is een selectiviteitsmaatregel die met name wordt ingezet met het oog op het laten ontsnappen van ondermaatse kabeljauw. Een paneel met vierkante mazen wordt op verschillende plekken voorgeschreven, zowel vanuit de Europese Technische Maatregelen Verordening (2019/1241, Annex V en Annex VI), als vanuit Verordening (EG) nr. 2056/2001. Daar bovenop gelden nog voorschriften vanuit de nationale Uitvoeringsregeling Zeevisserij (artikel 86). Of een paneel met vierkante mazen verplicht moet worden toegepast, en welke maaswijdte daarbij geldt, kan niet generiek worden gesteld, maar hangt af van het vistuig, de maaswijdte, locatie en/of doelsoort. De wens van de visserijsector om de nationale regels te schrappen is bekend, maar gezien de zorgwekkende stand van de kabeljauwpopulatie lijkt het de staatssecretaris niet het juiste moment om te tornen aan de bestaande kabeljauw-vermijdende maatregelen.

Hoogachtend,

Femke Marije Wiersma

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Jean Rummenie

Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur