Conceptverslag Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D17769, datum: 2026-04-08, bijgewerkt: 2026-04-15 11:10, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-08 13:30: Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 8 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 april 2026 inzake schadeafhandeling na indirecte discriminatie bij controle uitwonendenbeurs (24724, nr. 250);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 31 maart 2026 inzake ministeriële reactie op het advies van AcICT ten aanzien van het project Enterprise Cloud bij DUO (26643, nr. 1500);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 maart 2026 inzake reactie op vraag van het lid Rajkowski over studenten, gesteld tijdens de begrotingsbehandeling van het ministerie van OCW (31288, nr. 1235);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 februari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de motie van de leden Abdi en De Hoop over overleggen over de impact van de voorgenomen bezuinigingen op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van het ov-aanbod (Kamerstuk 23645-873) (23645, nr. 878);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 februari 2026 inzake reactie op definitief advies van AcICT over IT-project DAB bij DUO (26643, nr. 1461);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 februari 2026 inzake update uitvoering van de motie van het lid Ergin over de inventarisatie en toetsing van vervuilde data en de verwerking van afkomstgerelateerde indicatoren opnieuw uitvoeren (Kamerstuk 31288-1165) (31288, nr. 1232);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 februari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de burgerbrief van de heer B. met betrekking tot misstanden bij Avans+ (31288, nr. 1233);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2025 inzake update sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen (29240, nr. 179);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 26 januari 2026 inzake verstoring onderwijsactiviteiten bij bezetting Universiteit Utrecht (31288, nr. 1230);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 november 2025 inzake verstoring van onderwijs bij de Universiteit Utrecht (31288, nr. 1223);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 28 november 2025 inzake rapport Verder vooruit: Examencommissies in een veranderend hoger onderwijs (31288, nr. 1225);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 oktober 2025 inzake reactie op Nuffic-rapport over inkomende diplomamobiliteit 2024-25 (22452, nr. 93);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 september 2025 inzake kabinetsreactie op onderzoeken Wet studiefinanciering BES (24724, nr. 248);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 december 2025 inzake reactie op de motie van de leden Abdi en De Hoop over overleggen over de impact van de voorgenomen bezuinigingen op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van het ov-aanbod (Kamerstuk 23645-873) (23645, nr. 876);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 8 december 2025 inzake voortgang internationale neerlandistiek (31288, nr. 1226);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 november 2025 inzake verschillen normbedragen studiefinanciering en restitutie les- en cursusgeld (24724, nr. 249);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 september 2025 inzake publicatie Education at a Glance 2025 (36600-VIII, nr. 183);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 juli 2025 inzake convenant gesloten ten behoeve van bachelor Fries (36600-VIII, nr. 180);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 juli 2025 inzake reactie op rapporten accreditatiestelsel hoger onderwijs, protocol onderwijsvernieuwingen en aanpak kwaliteitszorgstelsel (31288, nr. 1209);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 juli 2025 inzake moties en toezeggingen over flexstuderen (31288, nr. 1211);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 juni 2025 inzake reactie op Monitor praktijkgericht onderzoek (29338, nr. 293);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 24 april 2025 inzake voortgang cyberweerbaarheid in het vervolgonderwijs (31288, nr. 1189);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 22 mei 2025 inzake toekenning tweede tranche financiële middelen voor vitale opleidingen in krimpregio's (31288, nr. 1199);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 januari 2026 inzake reactie op verzoek van de commissie over ECIO-onderzoek inzake studeren met een ondersteuningsvraag (31288, nr. 1229).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Koorevaar
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Verhoev
Voorzitter: Koorevaar
Griffier: Van Thiel
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Abdi, De Beer, Boomsma, Claassen, Ergin, Hamstra, Van Houwelingen, Keijzer, Koorevaar, Raijer en Rooderkerk,
en mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Aanvang 13.30 uur.
De voorzitter:
Ik open bij dezen het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering
en DUO. Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
mevrouw Letschert, en ook haar ondersteuning van harte welkom. Ik
verwelkom ook de mensen op de publieke tribune, de pers, de mensen die
thuis met ons meekijken en de hier aanwezige Kamerleden. Dat zijn
mevrouw Rooderkerk namens D66, de heer De Beer namens de VVD, de heer
Claassen van de Groep Markuszower, de heer Boomsma van JA21, mevrouw
Raijer van de PVV, de heer Hamstra van het CDA, de heer Van Houwelingen
namens FVD en mevrouw Abdi komt net binnenstappen namens GroenLinks-PvdA
of namens PRO.
Er geldt in dit commissiedebat een spreektijd van vier minuten per
fractie in de eerste termijn. Over het aantal interrupties wil ik het
nog even hebben. In een vorig debat hebben we de pilot toegepast, met
succes, denk ik. Dat betekent dat interrupties onder de 30 seconden niet
tellen. Interrupties boven de 30 seconden tellen als twee interrupties.
Wanneer de interrupties op zijn, mogen er ook geen korte interrupties
meer worden gepleegd. Is dat helder? Ik denk dat dit goed is voor de
levendigheid van het debat en dat het debat dan ook goed te volgen
is.
We gaan nu beginnen aan het debat zelf en ik ga aan mevrouw Rooderkerk
vragen om haar eerste termijn te starten. Aan u het woord, mevrouw
Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Wij hebben het vandaag over goed onderwijs en dan
gaat het vaak over wat er in de collegezaal gebeurt: inspirerende
colleges, betrokken docenten, sterke opleidingen. En terecht, want daar
wordt het fundament gelegd. Maar goed onderwijs is meer dan dat. Het
gaat ook over de omstandigheden waarin studenten studeren. Hebben zij de
rust en ruimte om zich te concentreren, te ontwikkelen, hun studie goed
af te ronden? Want hoe goed een college ook is, als je hoofd vol zit met
zorgen, komt die kennis niet binnen. Of, zoals een student in Amstelveen
onlangs tegen mij zei: "Als ik 's nachts wakker lig van mijn huurprijs,
ben ik overdag niet bezig met mijn scriptie." Vandaag wil ik het
daarover hebben, over de financiële ondersteuning van studenten, over
hoe wij hen beter kunnen ondersteunen in tijden van AI en hun mentale
welzijn kunnen versterken.
Voorzitter. Ik begin met de financiële situatie van studenten. Ik ben
blij dat het kabinet recent heeft aangekondigd de pechgeneratie extra te
gaan compenseren met ruim €2.100 per persoon en dat we van plan zijn om
de basisbeurs voor uitwonenden verder te verhogen. Want gezien de
recente stijgingen in de huur en in de prijzen van boodschappen en
energie is het belangrijk dat studenten ook tijd overhouden voor hun
studie. Daarom zou ik de minister willen vragen of zij zicht kan geven
op de uitwerking hiervan. Wanneer kunnen studenten deze verhoging
daadwerkelijk op hun rekening verwachten?
Nog altijd lopen daarnaast duizenden studenten onbetaalde of slecht
betaalde stages. Daarom staat in het coalitieakkoord een
minimumstagevergoeding, met een onderzoek naar een stagefonds voor
tekortsectoren. Ook hier ben ik benieuwd of en wanneer de minister ons
hierover nader kan informeren.
Dan AI en het hoger onderwijs. Onlangs organiseerden we in de Kamer een
heel interessante rondetafel over AI en het onderwijs. Volgens experts
moet door AI het onderwijs op de schop. In Trouw werd onlangs al het
einde van de scriptie ingeleid door leraren en hoogleraren, en tentamens
plakken studenten gewoon in ChatGPT. Laten we zorgen dat de toekomstige
generatie door AI slimmer wordt in plaats van dommer. Ik ben benieuwd
naar de reflectie van de minister op deze ontwikkelingen en naar of zij
bereid is een strategie met richtlijnen voor het hoger onderwijs te
ontwikkelen voor AI-gebruik. Hoe kijkt zij in dit licht naar de
arbeidsmarkt van de toekomst? Waar leiden wij toe op?
Voorzitter. Tot slot de mentale gezondheid van studenten. De cijfers
zijn zorgelijk. Studiestress en burn-outs nemen toe, eenzaamheid is
wijdverbreid. Daarom is het van belang dat we onderwijsinstellingen de
ruimte geven om goede ondersteuning te bieden en studentenpsychologen in
te zetten. Ook initiatieven van de studenten zelf voor het mentale
welzijn van studenten worden gestimuleerd. Kan de minister ons laten
weten hoe het staat met deze plannen? Kan zij concreet maken hoe
initiatieven van de studenten zelf worden ondersteund en
opgeschaald?
Daarbij hoort ook het onderzoek dat recent is uitgekomen naar het
bindend studieadvies. Hieruit blijkt dat dit niet alleen niet leidt tot
meer afgestudeerden, maar zelfs zorgt voor een daling in het aantal
diploma's. Vanuit D66 waren wij hier altijd al kritisch op en nu zien we
dat het ook daadwerkelijk niet werkt in de praktijk, terwijl het wel
zorgt voor meer prestatiedruk voor studenten. Hoe reflecteert de
minister op dit onderzoek? Ziet zij aanleiding om het bsa te overwegen
of aan te passen? Goed onderwijs vraagt namelijk om meer dan alleen
goede colleges. Pas als de basis op orde is, kan talent echt tot
ontwikkeling komen. Dank u wel.
De voorzitter:
De eerste interruptie is van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik dank collega Rooderkerk voor haar hele mooie woorden over studenten
en talent. Zij had het ook over de afspraken uit het coalitieakkoord die
zijn nagekomen. Eén afspraak uit het coalitieakkoord is echter nog
steeds niet nagekomen, namelijk de belofte, ook van D66, om een
landelijke regeling in te stellen voor Oekraïense studenten. Uit de
beantwoording blijkt dat er nu nog geen sprake is van die regeling, maar
dat het om een "mogelijke" regeling gaat. Hoe reflecteert het lid
Rooderkerk daarop?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Deze coalitie is net van start, maar het is inderdaad een heel lang
gekoesterde wens van D66 om een oplossing te vinden voor deze Oekraïense
studenten. Daar hebben we in het verleden al voorstellen voor ingediend.
We zijn ook blij dat Oekraïense studenten vanaf het studiejaar 2027
tegen het reguliere tarief kunnen studeren, maar we moeten natuurlijk
ook een oplossing vinden voor studenten die dít studiejaar al willen
beginnen. Ik weet dat mevrouw Abdi zich daar ook hard voor maakt.
Daarvoor moeten we inderdaad tot een oplossing komen. Ik kijk ook zeker
de minister aan, want dit is vooral een geldvraag; het moet ook betaald
worden. Wij hopen dat het lukt om dit op korte termijn mogelijk te
maken, zodat studenten zich ook zeker voor het komende studiejaar kunnen
aanmelden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Het is vandaag 8 april. 1 mei is de deadline voor heel veel
instellingen. Voor die datum kunnen Oekraïense studenten zich aanmelden.
Een aantal van hen heb ik gisterenavond weer gesproken. Heel veel van
deze studenten zijn bezorgd en teleurgesteld. Ze snappen niet waarom dit
voor zo veel politiek getouwtrek zorgt — en ik begrijp het ook niet.
Mevrouw Rooderkerk heeft het over Financiën, maar ze maakte net een
optelsom van allerlei dingen uit het coalitieakkoord die wél zijn
geregeld met middelen. Dit gaat om een relatief klein bedrag, zeker als
je kijkt naar de brede inzet voor Oekraïne. Mijn vraag is dus nogmaals:
kan ik op het lid Rooderkerk rekenen om dit daadwerkelijk te regelen? Ik
wil niet dat dit weer verschoven wordt naar een Miljoenennota of dat het
een "mogelijk" of "niet" wordt, maar dat men woord gaat houden. Al een
jaar geleden is er immers een motie ingediend, maar het is nog steeds
niet geregeld. Dus wat gaat het lid Rooderkerk er zélf hoogstpersoonlijk
aan doen om dit wel mogelijk te maken?
De voorzitter:
Ik merk even op dat dit een vrij lange interruptie was; die telt dus
voor twee. Probeer 'm dus te beperken om meer interrupties te kunnen
plegen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wat mij betreft gaan wij daar gewoon samen voor zorgen. Zoals ik al zei,
is daar in het verleden al een voorstel voor ingediend, dat is
aangenomen door de Kamer en dus moet worden uitgevoerd. Dat is in het
vorige kabinet niet gebeurd; daar is alleen maar keihard bezuinigd op
onderwijs. We hopen dat het met deze nieuwe begroting wel mogelijk wordt
om daarin te investeren. Ik sluit me dus helemaal aan bij de oproep van
het lid Abdi. Ik snap ook dat zij zich zorgen maakt over het tempo; dat
deel ik. Ik hoop dus op een antwoord van de minister, zodat deze
studenten zich zo snel mogelijk kunnen inschrijven.
De voorzitter:
De heer Claassen nog voor een interruptie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Even terug naar AI. Ik hoorde mevrouw Rooderkerk zeggen dat het aan de
overheid is om daar richtlijnen voor te maken. Ik zie haar instemmend
knikken. Ik kom zelf ook uit het onderwijs. Wij waren daar als
onderwijskundigen, onderwijswetenschappers, zelf al mee bezig en vroegen
ons af of je dat niet beter aan het beroepenveld kunt overlaten in
plaats van dat de overheid gaat zeggen wat de richtlijnen zouden moeten
zijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Helemaal mee eens. We moeten zeker niet hier vanuit Den Haag gaan
beslissen wat die richtlijnen moeten zijn. Mijn oproep is vooral de
volgende. Wij hebben heel veel mensen uit het onderwijs gesproken, en
allerlei organisaties die bezig zijn met ontwikkeling van AI voor het
onderwijs. Dat gaat van GPT-NL tot de supercomputer in Amsterdam. Ik ben
daarover dus heel breed in gesprek gegaan. Zij geven allemaal vooral
aan: AI is er al, studenten maken daar al ontzettend veel gebruik van,
bij docenten is het wisselend. Sommige docenten kiezen ervoor het
helemaal te verbannen uit de klas en te verbieden in de klas, voor zover
dat überhaupt kan. Anderen kiezen ervoor om daar opdrachten mee te
maken. Anderen moeten er vooral zelf nog induiken om helemaal goed te
weten wat je ermee kan. Wat we vooral zien is dat iedereen zegt: kom nou
met een duidelijke aanpak. Estland is het voorbeeld van een land dat dat
wél heeft gedaan. Die hebben een hele duidelijke aanpak; die zijn dus
ook onderwijskundig gaan nadenken over hoe je dat kunt inzetten. Dat
gebeurt door de experts, waar de heer Claassen het terecht over heeft.
Men heeft daar ook een uitgebreid programma ontwikkeld om
onderwijsinstellingen daarbij te ondersteunen. Het nadeel daarvan vind
ik dat big tech daarbij heel erg omarmd wordt. Op dat vlak zouden wij
onafhankelijker willen zijn. Kortom, ik denk dat het een onderwerp is
dat ons allemaal bezig moet houden, omdat het heel veel betekent voor
het onderwijs. Het is in ieder geval van belang dat we daar een
duidelijke visie op ontwikkelen met elkaar.
De voorzitter:
Helder, dank u wel. Ik zie geen vervolginterrupties.
Dan is het woord aan de heer De Beer, namens de VVD-fractie.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD staat één ding centraal: goed
onderwijs dat mensen voorbereidt op een toekomst met perspectief. Dat
vraagt om kwaliteit, aansluiting op de arbeidsmarkt en een veilige
leeromgeving. Universiteiten en hogescholen moeten plekken zijn waar
studenten en medewerkers vrij zijn om te leren, te werken en zich uit te
spreken — zonder intimidatie, zonder dreiging en zonder uitsluiting.
Maar de realiteit is soms anders. We zien demonstraties uit de hand
lopen, bezette gebouwen, studenten en docenten die zich soms onveilig
voelen. In het bijzonder zijn er signalen dat Joodse studenten zich niet
meer vrij voelen op de campus. Dat is onacceptabel. Demonstreren mag,
dat is een goed recht, maar het is geen vrijbrief voor intimidatie,
vernieling of het ontregelen van het onderwijs. De VVD vindt dat er een
grens is, een grens die ook moet worden gehandhaafd. Daarover heb ik een
aantal concrete vragen aan de minister. Kan de minister aangeven wat er
concreet gebeurt wanneer demonstraties ontaarden in intimidatie of de
bezetting van gebouwen? Welke instrumenten hebben instellingen om op te
treden tegen raddraaiers, die de orde verstoren? Worden deze
instrumenten ook daadwerkelijk gebruikt of wordt er soms nog weggekeken?
Vindt de minister zelf ook dat, als het demonstratierecht wordt
misbruikt voor intimidatie en ontwrichting, er dan stevig moet worden
opgetreden?
Voorzitter. Ik hoor te vaak dat een kleine groep het voor de grote
meerderheid verpest zonder dat er consequenties aan verbonden worden.
Dat ondermijnt niet alleen de veiligheid maar ook het gezag van de
instelling. Is de minister daarom bereid om samen met instellingen te
komen tot een duidelijker en steviger handhavingskader, inclusief
sancties voor studenten of derden die zich structureel misdragen? En hoe
wordt voorkomen dat dezelfde personen keer op keer betrokken zijn bij
verstoringen, zonder dat er echt wordt ingegrepen?
Voorzitter. Vrijheid is geen bijzaak maar een randvoorwaarde. Dat geldt
voor iedereen, maar zeker voor groepen die zich nu aantoonbaar onveilig
voelen. De Taskforce Antisemitismebestrijding is daar helder over. De
vraag is wat we daarmee gaan doen. Wanneer komt de Wet zorgplicht
veiligheid naar de Kamer?
Voorzitter. We leiden nog te vaak op voor sectoren waar weinig vraag
naar is, terwijl de tekorten in techniek, zorg, onderwijs en defensie
alleen maar oplopen. De VVD vindt dat arbeidsmarktrelevantie zwaarder
zou moeten wegen: bij accreditaties, bij studiekeuzevoorlichting, maar
ook bij de bekostiging. Want laten we eerlijk zijn: zolang instellingen
vooral worden bekostigd op basis van aantallen studenten sturen we op
volume en niet op de maatschappelijke behoefte. Dat wringt.
De voorzitter:
Meneer De Beer, ik zie een interruptie van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan het volgen, maar je hebt natuurlijk ook veel opleidingen die niet
direct maatschappelijk nut hebben, zoals de studie Hittitisch. Hoe ziet
de VVD dat dan? Die mogen er toch ook zijn?
De heer De Beer (VVD):
Jazeker. Ik had het net ook over de maatschappelijke behoefte; daar zit
een arbeidsmarktbehoefte en -relevantie, maar ook een wat bredere
maatschappelijke behoefte aan vast. het is dus beide: economisch en
maatschappelijk. Daarover een vraag aan de minister.
De voorzitter:
Meneer Claassen heeft een interruptie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Op hetzelfde onderwerp. De heer De Beer had het over accreditaties voor
opleidingen die misschien minder aan de markt hangen. Bedoelt de VVD dan
accreditaties voor opleidingen die al bestaan en om de vijf jaar een
NVO-accreditatie moeten doorlopen? Of gaat het over de CDHO, die over de
doelmatigheid in het hoger onderwijs gaat? Dat betreft nieuwe
opleidingen. Ik hoop dat daar onderscheid tussen gemaakt wordt.
De heer De Beer (VVD):
Ja. Wij komen beiden uit het onderwijs, en ook nog uit dezelfde
instelling. Bij nieuwe opleidingen gaat het over de macrodoelmatigheid;
dat is een zwaardere toets. Maar ook bij heraccreditaties moeten
opleidingen goed de relevantie voor hun werkveld kunnen onderbouwen. Wat
ons betreft is het dus beide.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Daarmee wordt dus expliciet gezegd dat we bestaande opleidingen, die het
eigenlijk goed doen, op basis van een standaard die nog niet bestaat,
gaan afschaffen. Dat kan toch nooit de bedoeling zijn?
De heer De Beer (VVD):
Dan heeft mijn collega me verkeerd beluisterd, want ik heb het niet
gehad over afschaffen; ik heb het erover gehad dat opleidingen goed
moeten kunnen onderbouwen wat hun relevantie is voor het werkveld. Dat
betekent soms ook dat je gaandeweg in je curriculum aanpassingen doet
die beter aansluiten op het werkveld. Volgens mij is dat niks
nieuws.
De voorzitter:
De heer Claassen, afsluitend.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat klopt, want dat is wel een van de standaarden. Met dat antwoord is
uiteindelijk toch enige nuance aangebracht in wat net in de spreektekst
werd gezegd. Dat waardeer ik zeer van de collega.
De heer De Beer (VVD):
Die nuance zat er al in. Maar goed, het is maar net hoe je 'm wil
horen.
De voorzitter:
U heeft nog een minuut.
De heer De Beer (VVD):
Daarom mijn vraag aan de minister: hoe gaat zij ervoor zorgen dat
prikkels in het systeem daadwerkelijk sturen op opleidingen met
perspectief op werk? Hoe wordt daarbij rekening gehouden met regio's
waar het aanbod onder druk staat, maar waar juist behoefte is aan goed
opgeleide mensen? Denk daarbij aan de krimpregio's.
Voorzitter. De VVD wil af van de wedloop om studentenaantallen en naar
samenwerking en specialisatie. Niet meer van hetzelfde, maar gerichte
keuzes die passen bij de arbeidsmarkt van morgen.
Voorzitter, tot slot. Goed onderwijs vraagt om duidelijke keuzes voor
kwaliteit, relevantie en veiligheid, zodat studenten niet alleen hun
diploma kunnen halen, maar ook in een veilige omgeving worden voorbereid
op een toekomst waarin ze daadwerkelijk aan de slag kunnen.
Dank u wel, voorzitter.
De heer Ergin (DENK):
De heer De Beer gaf aan dat we niet moeten sturen op volumes. We weten
echter dat het bsa voor onderwijsinstellingen inmiddels een instrument
is geworden om te sturen op rendement, maar ook om te sturen op
leerlingenaantallen. Ik vroeg me af of de VVD nieuwe inzichten heeft
opgedaan naar aanleiding van de ontwikkelingen van vorige week op het
gebied van het afschaffen van het bindend bsa.
De heer De Beer (VVD):
Nee, volgens mij is het ook belangrijk om te kijken naar het rendement
en naar de voortgang van studenten. Het bsa kan daar een middel in zijn.
Het is daarin niet heilig. Je ziet inderdaad dat instellingen daarmee
experimenteren en dat op een andere manier invullen. Die vrijheid vinden
we prima, maar we zijn er geen voorstander van om het bsa zomaar af te
schaffen.
De heer Ergin (DENK):
Dat is gek, ook op basis van wat de heer De Beer aangeeft, want dat
geeft eigenlijk aanleiding om dat bindend bsa af te schaffen. Uit
onderzoek onder 712.000 studenten blijkt namelijk dat het bsa niet leidt
tot studiesucces, maar tot verspilling van talent. Het is dus een
instrument om te sturen op volume en rendement. Dat willen we niet. We
willen de studenten helpen. We willen dat ze sneller hun studie halen.
Ook dat doel wordt niet behaald. Het leidt eigenlijk aan beide kanten
niet tot het gewenste resultaat. Zou het niet mooi zijn om juist dit
moment aan te grijpen om het bsa af te schaffen?
De voorzitter:
Ik geef u aan dat u een vrij lange interruptie had. We werken hier met
een pilot waarbij het aantal seconden telt. Als u boven de 30 seconden
zit, dan telt het als twee interrupties. Na vier interrupties zijn uw
interrupties op. Anders kunt u zo veel interrumperen als u maar wil.
Wellicht had u dat niet meekregen toen u deze zaal binnenkwam?
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dat klopt. Ik wist niet dat er een pilot was. Ik had
begrepen dat een interruptie 45 seconden mag duren. Ik ben de
interruptie ook aan het timen. Het is nu dus 30 seconden geworden?
De voorzitter:
Het is 30 seconden, maar ik stel voor dat we de heer Ergin vergeven op
dit punt. Ja, er is vergiffenis geschonken. We gaan nu naar de heer De
Beer.
De heer Ergin (DENK):
Dank voor de coulance, voorzitter.
De heer De Beer (VVD):
Met een bsa was die vergiffenis waarschijnlijk niet gegeven.
(Hilariteit)
De heer De Beer (VVD):
Maar goed, ik denk dat het belangrijk is om naar dat onderzoek te
kijken. Welke lessen halen we daaruit? Wat betekent dat voor het
stelsel? Maar dat is wat ons betreft te kort door de bocht om meteen te
zeggen: we schaffen het bsa generiek af. Het kan wel degelijk een middel
zijn om te sturen op rendement, op studievoortgang. Zo zien we het
middel ook, zonder dat we zeggen dat het door alle hogescholen op
eenzelfde manier moet worden ingevuld.
De voorzitter:
Oké, helder. U was aan het einde van uw betoog gekomen, denk ik. De heer
Claassen en mevrouw Keijzer zijn officieel geen lid van deze commissie,
maar ik ga ervan uit dat u er geen bezwaar tegen heeft dat zij hier
spreken. Dan geef ik nu de heer Claassen het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil het over drie dingen hebben, namelijk het
professionele doctoraat, het bindend studieadvies en de veiligheid op
onderwijsinstellingen. Dit kabinet zet stevig in op praktijkgericht
onderzoek en wil het professionele doctoraat wettelijk verankeren.
Daarmee ontstaat feitelijk een aparte doctoraatroute binnen het hbo. Wij
onderschrijven de grote toegevoegde waarde van hoogwaardig
praktijkgericht onderzoek, maar het creëren van een tweede, parallelle
doctoraatsstructuur naast de universitaire promotie roept veel vragen
op.
In 2002 hebben we in het Nederlandse hoger onderwijs bewust gekozen voor
helderheid en internationale herkenbaarheid met de invoering van de
bamastructuur. Die structuur zou lineair en eenduidig moeten gelden. Een
apart hbo-doctoraat leidt tot verdere versnippering van ons stelsel en
ondermijnt de duidelijkheid juist: het is dan alleen in Nederland
duidelijk maar daarbuiten niet meer. Bovendien bestaat het risico op
niveau-inflatie. De minister stelt dat het doctoraatsniveau voldoet aan
de academische standaard en daarom verankerd wordt. Juist daarom vraag
ik waarom we dan niet kiezen voor integratie in de bestaande
universitaire promotieroutes.
Praktijkgericht onderzoek kan uitstekend plaatsvinden binnen
PhD-trajecten, in samenwerking met universiteiten, hogescholen en
werkveld. Ik heb daar talloze voorbeelden van gezien de afgelopen jaren
en het gebeurt ook in toenemende mate. Zo houden we één kwaliteitskader,
één internationale standaard en een eenduidige titel, namelijk de titel
van doctor. Daarom willen we graag van de minister weten waarom zij
kiest voor een aparte hbo-route in plaats van volledige integratie in
het bestaande promotiesysteem. Bent u bereid het professionele doctoraat
onder universitaire regie te gaan organiseren? En bent u eigenlijk
tevreden over het praktijkgericht werk dat PhD-studenten tegenwoordig
verrichten?
Wat ook sterk varieert, is het bindend studieadvies, het bsa. Uit
verschillende onderzoeken blijkt dat de uitvoering ervan grote
diversiteit kent, zowel tussen hogescholen en universiteiten als tussen
opleidingen en bijvoorbeeld faculteiten. De vraag is: past de keuze echt
bij maatwerk voor de student, afgestemd op het curriculum en het
assessmentprogramma dat erbij hoort, of is het vooral gemakkelijk voor
de instelling zelf? Zuyd Hogeschool presenteerde vandaag de positieve
effecten van het werken met een persoonlijk studieadvies, het psa. Is de
minister daarmee bekend? Zijn er andere opleidingsinstituten naast Zuyd
Hogeschool die daar ervaring mee hebben? Zou een landelijke richtlijn
voor zo'n psa dan niet een beter alternatief kunnen zijn voor het
huidige bsa?
Dan nog even terug naar de veiligheid op onze universiteiten. De
minister heeft de Kamer geïnformeerd over de bezetting van een
universiteitspand in Utrecht, waarbij onderwijs geen doorgang kon
vinden. Deze ontwikkeling staat niet op zichzelf. Door jarenlang te
kiezen voor de-escalatie en dialoog en door activistische groepen alle
ruimte te geven, zijn grenzen vervaagd. Besturen grijpen te laat in,
terwijl bezettingen, intimidatie en verstoring van het onderwijs veel te
lang duren. De Universiteit Utrecht deed uiteindelijk aangifte en zette
stappen richting ontruiming, maar pas nadat het onderwijs al langdurig
was verstoord. Dat laat zien dat de instrumenten er wel zijn, maar dat
tijdige handhaving ontbreekt. Te vaak lijkt de veiligheid van de
bezetters het uitgangspunt te zijn van het beleid.
En over veiligheid gesproken: is de minister bekend dat bij de recente
bezetting van de Universiteit Maastricht, waar wij het vorige week over
hadden, de bezetters waarschijnlijk kennis hadden van het gegeven dat
het gebouw via het Medisch Centrum toegankelijk was? Dat zijn twee
aparte stukken. Eigenlijk had dat middendeel beveiligd moeten zijn, maar
blijkbaar was dat dus niet zo. Als je die route bewandelt, dan kom je
uit bij de MRI's en bij het cryolab, waar het onveilig werd. Dat had
volgens ons voorkomen kunnen worden. Toch is daar niets aan gedaan. Ik
ben benieuwd hoe de minister dat ziet. Is de minister bereid landelijke
minimumnormen vast te stellen voor handhaving en ordeherstel op de
campussen?
Dat was mijn bijdrage, voorzitter.
De voorzitter:
Geweldig, binnen de tijd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Claassen zei over de demonstraties en de veiligheid daaromheen
"kennelijk is daar niets aan gedaan". Ik zag in de berichtgeving dat dat
gebouw om 17.00 uur al ontruimd is door de politie en dat er ook
aanhoudingen zijn verricht. Wat bedoelt de heer Claassen dan precies met
wat hij zei?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat klopt, er is wat aan gedaan, maar niet om te voorkomen dat het zover
kon komen. Het punt dat ik wilde inbrengen, is dat het volgens mij
mogelijk was geweest om de bezetters te weren uit delen van de gebouwen
waar zij niet horen te zijn. Als ze buiten gaan demonstreren: doe je
best en laat je stem horen, maar ga niet ... Daarom zijn het ook
eigenlijk bezetters. Daarom is wat er is gebeurd ook heel kwalijk en
heel schadelijk voor de maatschappij. Er werd een gebouw bezet en ze
probeerden via een slinkse weg ergens binnen te komen. Dat heet volgens
mij indringing en dat had voorkomen moeten worden. Volgens mij had dat
ook voorkomen kunnen worden. Daarom de vraag aan de minister. Volgens
mij moet in alle veiligheidsprotocollen geborgd zijn dat zo'n doorbraak
binnen de organisatie voorkomen kan worden. Blijkbaar is dat niet
gelukt. Ik bedoel het meer in preventieve zin dan dat mensen
uiteindelijk opgepakt worden en achter slot en grendel zitten. Ik hoop
overigens dat ze daar dan ook nog vele jaren mogen blijven zitten.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor u zeggen dat u wel blij bent met hoe er is opgetreden maar dat u
vooraf meer had gewild. Wat stelt u zich daar dan bij voor? Moet er dan
overal een politiepost staan? Ik probeer even te bedenken hoe je zoiets
kunt voorkomen volgens de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Je moet voorkomen dat ... Als mensen willen demonstreren, moeten ze dat
eerst aangeven. Dat lijkt mij het handigst. Dat hoeft niet, maar dat
lijkt me wel zo net. Dan doe je dat vervolgens op een plek die veilig is
en ga je niet een gebouw binnen. Als er zoiets gaat gebeuren, als er
meldingen zijn, moet je niet lekker afwachten totdat ze in het gebouw
zijn. Je moet ze gewoon van straat vegen. Het maakt me niet uit hoe,
maar zorg ervoor dat ze het gebouw niet in komen. Als ze dat met één
voet wel doen ... Iedereen die dat heeft gedaan, moet wat mij betreft
worden opgepakt en berecht. Je moet niet gaan onderhandelen. Vergeet
niet, eerst was er nog een poging om te gaan onderhandelen.
Onderhandelen! Ga onderhandelen met bezetters. Ik weet niet waar we
vandaan komen, maar als je gaat onderhandelen met bezetters, dan sta je
al met 10-0 achter. Wij staan telkens 10-0 achter. Het zit 'm dus niet
alleen in preventie, maar ook in het niet onderhandelen. Wegjagen die
hap en als je ze in de kraag kunt grijpen, oppakken en in de gevangenis
gooien.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk, afsluitend.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het klinkt allemaal heel streng, maar feitelijk is er gewoon gehandeld.
Volgens mij kan dat rekenen op de goedkeuring van de heer Claassen. Ook
wij maken ons zorgen over de veiligheid en over een goede toegang tot
onderwijs. Wij vinden het echter ook belangrijk dat het
demonstratierecht overeind blijft. Volgens mij is in dit geval juist
goed omgegaan met die balans.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, demonstreren is prima, maar bezetten is gewoon laakbaar en
schadelijk voor de maatschappij. Maar tegenwoordig is bezetten ook al
demonstreren. Als we het met elkaar eens zijn dat bezetten niet
demonstreren is en dat het binnendringen van gebouwen geen demonstratie
is en als we met elkaar erkennen dat gaan onderhandelen niks te maken
heeft met demonstreren ... Dit is onderhandelen met bezetters. De
geschiedenis heeft geleerd waar dat toe leidt.
De heer Ergin (DENK):
Wat ik heel goed vind aan het verhaal van de heer Claassen, is dat hij
tegen bezetting is en dat hij op zoek is naar een manier om te voorkomen
dat demonstraties uit de hand lopen. Zou het met het oog op een
preventieve werking geen goed idee zijn om de universiteiten te vragen
om te stoppen met de samenwerking met de bezetter van de Palestijnse
gebieden? Zou dat geen betere oplossing zijn dan een discussie voeren
over de vraag of studenten al dan niet bezetters zijn? We zeggen gewoon:
bezetten is niet goed en daarom gaan we onze universiteiten vragen om de
samenwerking met de bezetter te stoppen.
De voorzitter:
Dit was een lange interruptie.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Een heel lange interruptie en ook mooi om te zien dat je als
volksvertegenwoordiger in staat bent een onderwerp helemaal om te buigen
naar je eigen achterban. Mijn oproep aan de meneer van DENK is om zijn
achterban — daar wil ik de discussie verder bij laten, omdat we anders
te veel afwijken van waar dit debat over gaat — op te roepen om weg te
blijven bij dat soort instellingen en om hun Palestinavlaggetjes in hun
broodtrommeltje te stoppen en op zolder te leggen. Dan wordt het een
stuk rustiger in Nederland. Ik vraag u dus: roep uw achterban op om te
gaan werken of te studeren, maar op te houden met de boel te
bezetten.
De voorzitter:
Ik wil even opmerken dat we via de voorzitter discussiëren. We hebben
ook allemaal een achternaam gekregen en we noemen elkaar bij die
achternaam. Meneer Ergin, heeft u nog een vervolgvraag? We moeten anders
verdergaan met het debat en ook een beetje binnen de lijnen van het
debat blijven. Dank u wel. Meneer Boomsma, aan u het woord voor uw
eerste termijn.
De heer Boomsma (JA21):
Dank, voorzitter. Komende dinsdag gaan wij spreken over het rapport over
antisemitisme. Dan zal ik nader ingaan op de kwesties omtrent
bezettingen. Overigens, wat ons betreft moet dat afgelopen zijn, laat
dat helder zijn. Als je iets bezet, is dat iets anders dan demonstreren.
Dat is in strijd met de wet. Je krijgt dan één kans om vrijwillig weg te
gaan en anders moet er wat ons betreft gewoon worden opgetreden. Dan
moeten mensen worden vervolgd en bestraft.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Rooderkerk van D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit was het betoog. Nee hoor. Ik probeer even te begrijpen wat dan het
verschil is tussen bezetten en demonstreren. Waar in het
demonstratierecht vind ik dit terug?
De voorzitter:
Ik wil nogmaals oproepen om het wel binnen de lijnen van het debat te
houden. Maar goed, prima. De heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Nee voorzitter, een hele goede vraag. Demonstreren mag, maar je moet je
wel aan de wet houden. Het bezetten van andermans pand is in strijd met
de wet. Daar moet tegen worden opgetreden, zeker als je anderen ervan
weerhoudt om onderwijs te volgen. Gelukkig is dat hier en daar ook wel
gedaan; inderdaad in Maastricht. Wat ons betreft moet je dit
nadrukkelijker gaan onderscheiden. Je mag demonstreren, maar daarbij mag
je anderen niet ervan weerhouden om onderwijs te genieten. Daar moet het
een keertje klaar mee zijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit verduidelijkt het al wat. Eens, het baart mij ook zorgen dat heel
veel onderwijs wordt belemmerd. Demonstreren mag, maar doe dat dan op
een manier die het onderwijs niet belemmert. Daar kunnen we elkaar
vinden. Het lijkt me wel goed dat we vasthouden aan het
demonstratierecht en daarbij bestuurlijke moed betrachten, zoals ook de
Taskforce Antisemitismebestrijding aangaf.
De heer Boomsma (JA21):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Dat gesprek zullen we dinsdag kunnen
voortzetten, denk ik. Voor nu wil ik het hebben over de vraag van
mevrouw Rooderkerk ...
De voorzitter:
Er is toch nog een interruptie, meneer Boomsma. Mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor deze discussie zo eens aan. We gaan elkaar doormidden zagen over
het recht op demonstratie versus huisvredebreuk, maar moeten we deze
discussie niet op een andere manier gaan voeren, en wel als volgt? Wij
hebben hier een Tweede Kamer, ook een openbaar gebouw, maar we hebben
wel huisregels: je demonstreert niet in het gebouw van de Tweede Kamer.
Op universiteiten wordt onderzoek gedaan en wordt onderwijs gegeven.
Waarom vragen we niet aan de minister om huisregels op te stellen, in
gesprek te gaan met de besturen en er gewoon voor te zorgen dat dit —
hoe zeg je dat netjes? — geëmmer een keer afgelopen is?
De voorzitter:
Ik merk even op dat dit een lange interruptie was en dus voor twee
telt.
De heer Boomsma (JA21):
Hier ben ik het helemaal mee eens. Iedereen in Nederland erkent dat er
recht is op demonstreren. Dat geldt natuurlijk ook voor studenten en
medewerkers. Maar er is gewoon een verschil tussen demonstreren en een
pand bezetten. Elke universiteit heeft inderdaad huisregels. Daar heeft
men zich aan te houden. Het zou heel goed zijn als die huisregels
nadrukkelijker worden gehandhaafd. Dat betekent dat mensen duidelijk
wordt gemaakt dat ze niet panden mogen bezetten, anderen in die panden
lastigvallen en verhinderen dat ze onderwijs genieten of onderzoek doen.
Afgelopen maanden en jaren is het volstrekt uit de hand gelopen. Het zou
heel goed zijn als wij daar een keer paal en perk aan gaan stellen en
dat signaal heel duidelijk geven vanuit de Tweede Kamer. Daar ben ik het
dus mee eens.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, geen interruptie meer, wel een punt van orde. Hoelang mag een
interruptie zijn om nog kort te zijn? Dat was mij niet duidelijk.
De voorzitter:
30 seconden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou, ik denk dat wij — ik kijk naar meneer Ergin — niet blij zijn met
dit ...
De voorzitter:
Nou, we hebben het debat nog niet afgemaakt. Ik zou zeggen, wacht
eventjes tot het eind en probeer het kort te houden. Dat komt het debat
echt ten goede.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, steun voor mevrouw Keijzer.
De voorzitter:
Dat was niet aan de orde, meneer Ergin, maar jullie zijn het fantastisch
eens met elkaar. Meneer Boomsma, aan u het woord.
De heer Boomsma (JA21):
Dank. Ik wil me ook aansluiten bij het verzoek van mevrouw Rooderkerk
over een AI-strategie. Zoals ik vorige week ook al heb aangegeven, zul
je ernaartoe moeten dat meer werk onder toezicht op de universiteit
wordt verricht als het gaat om het schrijven van opstellen. Dat is heel
belangrijk. Examineren zul je op een andere manier moeten
inrichten.
Vorige week heb ik ook al een aantal prioriteiten van JA21 genoemd wat
het hoger onderwijs betreft: meer geld en meer ruimte voor ongebonden
onderzoek, voor fundamenteel onderzoek en voor academische vrijheid, en
minder regeldruk en bureaucratie. In dat kader is het goed om te kijken
naar het huidige stelsel voor kwaliteitszorg en de rol van de visitaties
daarin. Nu is het om de zes jaar voor onderwijs én onderzoek.
Instellingen krijgen dus elke drie jaar een visitatie. Dat zorgt voor
heel veel regeldruk, administratieve lasten en stress. Het kabinet
schrijft zelf dat er nu veel tijd verloren gaat met verplichte
activiteiten die niet bijdragen. Daar ben ik het mee eens. In meerdere
onderzoeken is dat ook geconstateerd, al jaren. De huidige praktijk
leidt gewoon tot hoge regeldruk.
Natuurlijk is een bepaalde vorm van extern toezicht heel belangrijk. Het
gaat om belastinggeld en het is belangrijk dat de kwaliteit wordt
geborgd. Het risico is wel dat allerlei mensen elkaar bezighouden om een
papiermolen draaiende te houden. Dat leidt juist af van de eigen
verantwoordelijkheid en van de kwaliteit. De vorige minister wilde niet
door met de instellingsaccreditatie maar binnen het bestaande stelsel
blijven. Hoe ziet deze minister dat? Uit eerder onderzoek naar extern
toezicht bleken er juist wel voordelen te zitten aan
instellingsaccreditatie. Wat wil het kabinet? Wij willen in ieder geval
voorstellen om, ook als je binnen het huidige stelsel blijft, de
frequentie van de visitaties wel aan te passen, zodat je niet elke drie,
maar elke vier of vijf jaar ermee te maken hebt. Dat geeft al heel wat
lucht. Als er reden tot zorg is, moet je natuurlijk altijd kunnen
ingrijpen. Ik hoor graag hoe anderen daarover denken. Ten aanzien van de
onderzoeksvisitaties wil ik het volgende zeggen. Qua onderzoek heb je
dan het SEP, het Strategy Evaluation Protocol. Dat is net vernieuwd. Dat
roept ook wel vragen op, want naast drie kwaliteitscriteria heb je ook
verschillende aspecten en een van die aspecten is weer diversiteit. Maar
het gaat dan weer om etnische diversiteit. Het gaat nooit over
standpuntdiversiteit. Ik vind dat dat daarbij hoort. Er is dan ook de
Inspectie van het Onderwijs. Je hebt dus die examencommissies. Voor dat
laatste is er nu een rapport met 44 aanbevelingen, waaronder drie voor
OCW. Ik ben dus ook benieuwd wanneer daar een reactie op komt. Wat wordt
er nou mee gedaan?
Wat gaat er nou gebeuren met de Wib, met het voorstel omtrent de
internationalisering? JA21 vindt het nog steeds van groot belang om de
positie van het Nederlands te versterken. Universiteiten geven nu aan
dat ze afzien van het eerdere aanbod om opleidingen om te zetten, omdat
die taaltoets nu sowieso zou worden geschrapt. Er is nog helemaal niet
over besloten. Wij vinden dat Nederlands echt belangrijk. Sowieso heb je
natuurlijk een hele discussie over de demografische verandering, de
daling van het aantal studenten en de financiering. Wij vinden dat je
een stabiele, toekomstgerichte financiering moet hebben die minder
afhankelijk is van het aantal studenten.
Dan nog even over de compensatie van studenten die een bezoek kregen om
te controleren of ze recht hadden op zo'n uitwonende beurs. Hoe
controleert DUO dat nu? JA21 is niet tegen risicogedreven selectie, als
die maar eerlijk tot stand komt. Als mensen onterecht zijn aangewezen
als fraudeur, dan moeten ze zeer ruimhartig worden gecompenseerd. Mij is
nu niet duidelijk om hoeveel mensen dat gaat en wij zijn er niet voor om
mensen te compenseren die alleen een huisbezoek hebben gekregen of
mogelijk wel hebben gefraudeerd. Bovendien lijken uitvoeringskosten van
40 miljoen en totale lasten van 80 miljoen ons ook gewoon onverstandig,
dus wij zouden zeggen: ga dat heroverwegen, want daar zijn we niet
voor.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Houwelingen heeft een interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb een korte vraag. Ik herken natuurlijk volledig dat de
standpuntendiversiteit op universiteiten nogal gering is. Dit is een
open vraag, hoor, maar heeft de heer Boomsma hier wellicht een
verklaring voor?
De voorzitter:
Meneer Boomsma, wat is de verklaring?
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat dat te maken heeft met een aantal dingen. Ten eerste is er
onder alle instellingen waar mensen bij elkaar zitten altijd de neiging
tot een vorm van conformisme. Dat kan ertoe leiden dat mensen in
bepaalde vakgroepen op een gegeven moment op zoek zijn naar mensen die
dezelfde standpunten hebben als zij en die vervolgens sneller een kans
geven voor een positie op de universiteit, voor een promotieplek of voor
een functie. Zo krijg je mechanismes die daartoe leiden. Daarom is het
goed om daar bewust van te zijn en te kijken hoe je er nou voor zorgt
dat er ook genoeg ruimte is voor diversiteit aan standpunten. Dat komt
namelijk uiteindelijk het hele academische denken en de academische
vrijheid zeer ten goede.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot op dit punt. Dit is ook weer een open vraag. Heeft JA21
wellicht nog een suggestie voor hoe we dit grote probleem op de
universiteiten zouden kunnen doorbreken?
De heer Boomsma (JA21):
Ik denk dat het in ieder geval heel belangrijk is om het erover te
hebben. Er wordt natuurlijk nu een onderzoek gedaan. Daar hebben we het
vorige week ook over had. Dan wordt het nog wat nader bekeken. Ik denk
dat het ook goed zou zijn om in de Wet op het hoger onderwijs een
bepaling op te nemen dat de universiteiten een zorgplicht hebben ten
aanzien van standpuntdiversiteit en een bepaalde pluriformiteit. Dan heb
je in ieder geval ook een wettelijk uitgangspunt om mensen op aan te
spreken.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Zou het dan ook kunnen helpen als meer vrouwen in de wetenschap door
kunnen stromen?
De voorzitter:
U wordt bevraagd, meneer Boomsma. We zijn erg benieuwd naar uw
reactie.
De heer Boomsma (JA21):
Wij steunen de aanwezigheid van meer vrouwen in de wetenschap zeer.
Nederland scoort internationaal gezien wat dat betreft natuurlijk laag,
zeker binnen Europa. Er zijn ook Zuid-Europese landen waar meer vrouwen
on de universiteiten op onderzoeksposities terechtkomen. Het zou
inderdaad goed zijn als daarnaar zou worden gekeken. Maar dat staat los
van de vraag naar standpuntdiversiteit, want vrouwen kunnen natuurlijk
verschillende standpunten hebben.
De voorzitter:
U leert hier van alles als u op de publieke tribune zit.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik kan het niet laten, omdat JA21 tegen de motie van Faber over de
transgendervrouwen in gevangenissen heeft gestemd. Wat is dan een
vrouw?
De voorzitter:
Meneer Boomsma, afsluitend.
De heer Boomsma (JA21):
Dit is ook een hele interessante discussie. Ik heb daar een documentaire
over gezien. Daar wordt in het Engels de definitie gegeven van "adult
human female". Volgens mij kan de heer Van Houwelingen die ook naar het
Nederlands vertalen. Wat de motie over transgenders betreft: daar moeten
we zeer voorzichtig mee zijn. We weten dat er incidenten zijn geweest
waarbij er vrouwen zijn verkracht door transgenders met mannelijke
genitaliën in vrouwelijke gevangenissen. Dat moet je natuurlijk te allen
tijde voorkomen. Alleen, er zijn ook transgenders die wel degelijk een
fysiek proces hebben ondergaan, waardoor ze die lichaamsdelen niet meer
hebben. Die zou je misschien weer niet in de mannengevangenissen willen
zetten. Die motie van mevrouw Faber was dus net weer wat kort door de
bocht. Maar dat is een andere discussie.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan nu echt naar mevrouw Raijer. Dat lijkt me beter.
Mevrouw Raijer, aan u het woord.
Mevrouw Raijer (PVV):
Voorzitter. We zien een overheid die zegt het systeem te willen
verbeteren, maar ondertussen blijven de verschillen bestaan. Allereerst
wil ik de aandacht vestigen op de grote verschillen tussen het mbo en
het hoger onderwijs. In het coalitieakkoord wordt met grote woorden
gesteld dat studeren in het mbo gelijkwaardig is aan studeren in het hbo
of het wo. Het kabinet benadrukt hiermee dat iedere student dezelfde
kansen en mogelijkheden zou moeten hebben, ongeacht de onderwijsvariant
die zij volgen. In de praktijk blijkt echter dat dit nog niet het geval
is. De verschillen qua financiering en randvoorwaarden blijven groot,
waardoor mbo- studenten vaak structureel minder mogelijkheden hebben dan
hun hbo- of wo-collega's. Wat wil deze minister nou veranderen om ervoor
te zorgen dat de gelijkheid tussen mbo, hbo en wo op orde komt?
Een ander voorbeeld van ongelijke behandeling zien we bij de
studiefinanciering binnen het Koninkrijk. Studenten op de BES-eilanden
ontvangen een hogere prestatiebeurs dan studenten in Nederland. Zij
krijgen zelfs een aanzienlijk bedrag voor studies in bijvoorbeeld
Amerika en Canada. De PVV is daar heel duidelijk over: één Koninkrijk,
één systeem, gelijke regels voor iedereen. Is deze minister bereid om
dit aan te passen, zodat iedereen een gelijke prestatiebeurs ontvangt?
Ik wil daar wel bij opmerken dat dit niet over de aanvullende
opstarttoelage voor de BES-eilanden gaat.
Dan de pechgeneratie: die verdient natuurlijk ook onze aandacht. Vorige
sprekers hadden het er ook al over. Studenten die jarenlang onder het
leenstelsel vielen, kregen €2.000 compensatie, maar dat dekt bij lange
na niet de schade. Sterker nog: zij betalen nog steeds rente over hun
studieschuld. Wij vinden dit niet rechtvaardig. Deze studenten hebben
niet alleen pech gehad; zij betalen daar nog elke maand de prijs voor.
Is de minister bereid om te onderzoeken wat het kost om de rente voor
deze groep volledig te laten vervallen?
Dan de discriminatie bij DUO. Het is goed dat de overheid de
slachtoffers compenseert. Tegelijkertijd is het van groot belang dat de
80 miljoen die hiervoor is gereserveerd, terechtkomt bij de mensen die
daar recht op hebben. Hoe gaat de minister garanderen dat deze
schadevergoeding bij de slachtoffers terechtkomt en niet bij fraudeurs
of bureaucratische tussenlagen? Is het dossier na deze schadevergoeding
dan ook definitief gesloten?
Voorzitter. Tot slot de broodnodige modernisering van de ICT-systemen
bij DUO. De migratie van cruciale systemen naar een nieuwe cloudomgeving
is "vastgelopen in een moeras van bureaucratie, technische discussies en
een gebrek aan regie", zoals Dutch IT Leaders recent prachtig
verwoordde. Het kan en mag niet de bedoeling zijn dat we blijven werken
met een dubbele infrastructuur waardoor de kosten verder oplopen. Daarom
heb ik de volgende vragen aan de minister. Wanneer kunnen wij concrete
resultaten verwachten? Wat zijn de totale kosten van dit traject? En
misschien nog wel belangrijker: wat zijn de consequenties als we
nietsdoen? Kunt u ervoor zorgdragen dat alle afdelingen van DUO op
dezelfde wijze met ICT gaan werken en niet dat de een bezig is met
modernisering en de ander vasthoudt aan oude systemen.
Dank u wel.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoorde een pleidooi voor studenten. Ik vroeg mij af of de PVV ook
vindt dat het bindend studieadvies een begeleidend studieadvies zou
moeten worden voor studenten, omdat het hun nu veel stress geeft maar
ook nog eens geen studiesucces oplevert.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel voor uw vraag. Daar kan ik kort en krachtig over zijn: daar
ben ik het mee eens.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dan gaan we verder met de heer Hamstra, van de
CDA-fractie. Aan u het woord.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ik mag hier invallen voor collega Armut omdat
zij nu in de plenaire zaal is. Mooi om bij dit commissiedebat te mogen
zijn.
Voorzitter. Wij leren niet voor school maar voor het leven. Dat is niet
helemaal precies zoals Seneca het rond 65 na Christus zei, maar het is
wel precies zoals ik onderwijs zie. Het is niet alleen een plek waar je
leert lezen, schrijven, rekenen of later Nederlands en wiskunde, maar
ook een plek van verwondering. Een plek waar je jezelf, je interesses,
je talenten leert kennen. Het is ook de plek waar je leert hoe je jezelf
tot anderen verhoudt. Dit gebeurt in de klas, maar ook tijdens vakken
als maatschappijleer en burgerschap. Mijn studententijd heb ik
doorgebracht in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Als jongen uit de
provincie heeft deze tijd mij gevormd tot wie ik nu ben. Ik leerde op
mezelf te wonen, kreeg eindelijk door wat ik met mijn studie precies kon
worden en kreeg interesse voor politiek. Best bijzonder waar dat laatste
toe geleid heeft.
Voorzitter. Ik wil het vandaag hebben over drie onderwerpen: opleiden
voor de toekomst, een Leven Lang Ontwikkelen en studiefinanciering. Ik
begin met opleiden voor de toekomst. Zoals ik al zei is de studententijd
een vormende tijd in je leven. Voor velen is dit het moment om op eigen
benen te leren staan en heel veel te leren in korte tijd, zowel binnen
als buiten de muren van de hogeschool of universiteit. De studie die je
volgt, is vaak in grote mate bepalend voor het soort werk dat je daarna
gaat doen. Voor het CDA is het belangrijk dat we studenten goed
begeleiden bij het maken van deze keuzes. Op die manier kunnen zij
gericht kiezen voor de baan waarmee zij een bijdrage kunnen leveren aan
de samenleving en aan de economie van de toekomst. In het
coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over het geven van voorlichting
over baankansen na de studie en het sturen van de studiekeuze via de
talentstrategie. Hoe borgt de minister de aansluiting tussen opleidingen
die studenten kiezen, en wat de arbeidsmarkt van de toekomst
vraagt?
Voorzitter. Dan een Leven Lang Ontwikkelen. Zoals ik net schetste, zal
de studie voor een groot deel bepalen wat voor beroep een student gaat
beoefenen. Tegelijkertijd verandert de samenleving snel en vraagt dat,
ook als je je hele leven hetzelfde beroep uitoefent, om een Leven Lang
Ontwikkelen. Daarom wil ik graag stilstaan bij de rol van
hogeronderwijsinstellingen in het vormgeven van een samenleving waarin
eenieder die dat wil zich een leven lang kan ontwikkelen. Hoe gaat het
kabinet ervoor zorgen dat het LLO-onderwijs aan
hogeronderwijsinstellingen complementair is aan het onderwijs dat op dit
moment door private partijen gegeven wordt? Wat is de visie van de
minister op hoe die complementariteit nu is vormgegeven? Welke
verbeteringen ziet zij om die complementariteit in het stelsel te
borgen?
Voorzitter. Dan studiefinanciering. Ik ben blij dat deze coalitie de
financiële positie van studenten gaat versterken. Zo gaat de
uitwonendenbeurs omhoog en maximeren we de rente voor studenten op 2,5%.
Dit zijn maatregelen die direct voelbaar zijn in de portemonnee van
studenten en die hun hopelijk meer rust geven om zich te focussen op de
studie. Een toegankelijke studiefinanciering is een groot goed waar we
ons als CDA altijd hard voor hebben gemaakt. Maar tegelijkertijd wil ik
hier als woordvoerder armoede en schulden stilstaan bij een negatief
bijeffect van die toegankelijkheid: de studiefinanciering wordt ook
gebruikt door gokverslaafde studenten die zich enkel bij een hogeschool
of universiteit inchrijven om toegang te krijgen tot studiefinanciering.
Is de minister bekend met deze problematiek? Zo ja, kan zij dan met de
Kamer delen hoe groot de omvang van dit probleem is en wat mogelijke
oplossingsrichtingen zijn?
Voorzitter. Ik rond af. Een meer positief punt is de motie van mijn
collega Jeltje Straatman over het recht op studiefinanciering bij een
wo-master na een hbo-bachelor, ingediend bij de
OCW-begrotingsbehandeling. Zou de minister met ons kunnen delen hoe het
staat met de uitvoering van deze motie?
Voorzitter. Onderwijs, en zeker hoger onderwijs, sluit goed aan bij de
arbeidsmarkt en draagt bij aan een Leven Lang Ontwikkelen, omdat we niet
leren voor school maar voor het leven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. De heer Van Houwelingen spreekt namens de fractie van
Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Wat Forum voor Democratie betreft is hoger onderwijs
iets wat per definitie ten beurt zou moeten vallen aan een klein deel
van de samenleving, laten we zeggen 10%, 15%. In de brief die de
minister aan de Kamer heeft gestuurd, staat dat inmiddels 45% van de
beroepsbevolking hogeropgeleid is. Is dat iets wat we zouden moeten
willen, ook gezien de ontwikkelingen rond AI, waardoor juist heel veel
beroepen voor hogeropgeleiden waarschijnlijk zullen gaan verdwijnen? Wat
ons betreft zou het hoger onderwijs niet zo grootschalig,
fabrieksonderwijs, moeten zijn als dat het nu is. Het zouden juist
kleine, onafhankelijke instituten moeten zijn, waar mensen worden
onderwezen. Waar gaat het dan om? Dat kwam net in het interruptiedebatje
met de heer Boomsma al aan bod. Het is belangrijk dat we mensen leren om
kritisch te denken, om zaken van alle kanten te belichten, om
zelfstandig na te denken. Dat is een heel groot probleem, vooral op onze
universiteiten. Ik heb dat al vaker gezegd. Je ziet daar namelijk een
grote gelijkschakeling. Er is nauwelijks nog standpuntdiversiteit. Er
wordt gedoceerd en helaas ook onderzocht vanuit, zoals Karel van
Wolferen dat zo mooi noemt, "de voorgeschreven werkelijkheid". Dat zie
je ook terug, bijvoorbeeld bij de hoogleraren. Je zult bijvoorbeeld geen
hoogleraar vinden die voor nexit pleit. Dat komt niet voor. Je zult geen
hoogleraar vinden op een Nederlandse universiteit die heel kritisch is
op het migratiebeleid. Jan van de Beek, die daar een mooi boek over
heeft geschreven — hij is echt een migratie-expert, wat je er verder ook
van vindt — kan geen emplooi vinden aan een Nederlandse universiteit.
Dat kan niet. Dat heeft hij zelf ook gezegd. Hij brengt zijn eigen geld
mee in de stichting. Hij is nergens welkom. De enige Nederlandse
migratiedeskundige die enigszins kritisch is, Ruud Koopmans, werkt aan
een Duitse universiteit. Voor Marcel Crok geldt hetzelfde verhaal. Dan
heb ik het over de klimaatwetenschap. Daar weet hij heel veel van. Net
als heel veel andere wetenschappers en net als Forum voor Democratie is
hij van mening dat er geen klimaatcrisis is. Aan geen enkele
universiteit is hij welkom. En het gaat nog verder. In de coronatijd
zagen we dit bijvoorbeeld ook in de medische wetenschap. Jona Walk werkt
bijvoorbeeld aan de Radboud Universiteit. Zij was publiekelijk kritisch
op onder andere het vaccinbeleid. Zij heeft van haar leidinggevende te
horen gekregen: je kunt zo bezig blijven, maar dan kun je hier geen
carrière meer maken. Dit is dus de Nederlandse wetenschap, het
Nederlandse academische veld. Het is natuurlijk heel, heel zorgelijk dat
dit kan gebeuren.
Die gelijkschakeling wordt nog versterkt door de NWO, denk ik. Daar zijn
we ook heel erg tegen. Het onderzoeksgeld zat vroeger bij de
universiteiten. Dat is nu ook gecentraliseerd. Dat heeft onvermijdelijk
een uniformiserende werking. Wat helemaal zorgelijk is — ik ben ook wel
benieuwd hoe de minister daartegen aankijkt — is dat je aan Nederlandse
universiteiten, bijvoorbeeld in Leiden en Amsterdam, leerstoelen hebt
van de NCTV. Dat is onze veiligheidsdienst. Ik denk dat als je hier zou
zeggen dat bijvoorbeeld in Iran of Rusland — ik noem maar wat — de
veiligheidsdiensten leerstoelen financieren, de meeste Kamerleden zouden
zeggen: o, dat is een zorgelijke zaak. Hier in Nederland is dat staande
praktijk. Ook dat versterkt dus de eenvormigheid. Dat is ontzettend
zorgelijk.
Het resultaat is er dan ook naar, denk ik. "Hoger opgeleid" is vooral
een synoniem geworden voor "hoger afgericht". Dat zijn de mensen die
niet meer goed zelfstandig kunnen nadenken. Daar hebben we er in de
Kamer helaas te veel van. Ik denk echt dat we als Tweede Kamer beter af
zouden zijn als hier veel meer laagopgeleiden zouden zitten, want bij
hen is nog gezond verstand aanwezig. Ik heb het ook getest met een
motie. Zoals u wellicht weet, was dat de motie waarin stond: "De Kamer
spreekt uit dat de wetenschappelijke consensus niet per definitie ook
'de waarheid' is." Elke wetenschapper, iedereen die intellectueel uit de
luiers is, zal natuurlijk zeggen: ja, dat is zo. Ik hoop dat de minister
dat onderschrijft; dat is ook een vraag aan de minister. De meerderheid
van deze Kamer stemde daar dus tegen. Hoe krijg je dat voor elkaar? Dat
is echt mind-boggling. Dat is heel zorgelijk. Dat laat de trieste
toestand van ons onderwijs zien.
Voorzitter, ik rond af. Hoe zien we het dan wel graag als Forum voor
Democratie? Wij willen hoger onderwijs in kleinschalige, onafhankelijke
instituten, dus zonder NWO of NCTV-leerstoelen, die geworteld zijn in de
gemeenschap en dus in verbinding staan met de provincie, de gemeente en
het Rijk, waar de voertaal als het enigszins kan het Nederlands is — dat
hoort er ook bij — en waar de hoogleraren ook in verbinding staan met de
rest van het onderwijshuis, dus met het funderend onderwijs. Vroeger was
dat normaal. Dan gaven ze af en toe, één dag in de week, een keer les op
school en ontwikkelden ze bijvoorbeeld de leermethode van de middelbare
school.
Daarmee rond ik af, voorzitter. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zou wel willen opmerken dat u, of de hele commissie, wel
een beetje kunt letten op het noemen van namen in betogen. U gaat over
uw eigen woorden, maar dat zou ik even willen opmerken. Dat viel me
op.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Voorzitter, volgens mij is dat helemaal geen probleem. Dit is allemaal
publiek materiaal, uit het publieke domein. Dan mag je namen noemen. Het
was ook niet kritisch. De namen die ik noemde, noemde ik juist …
De voorzitter:
Ik heb het gehoord. Het viel mij op, dus ik dacht: ik maak er even een
opmerking over, ook omdat die mensen zich niet kunnen verweren, mocht
het een probleem zijn. We gaan naar mevrouw Abdi.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter, ik heb toch even een vraag over de orde. U zit scherp voor —
daar houd ik van — maar als je in een discussie over onderwijs
wetenschappers niet meer bij naam kan noemen, dan wordt het wel erg
ingewikkeld. Is dat ook echt de bedoeling?
De voorzitter:
Ik denk dat wat de heer Van Houwelingen zei, wel kan, maar ik merk wel
op: laten we niet te veel met namen gaan smijten. Laten we anders buiten
de orde van de vergadering daar nog even over doorpraten.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, graag.
De heer Boomsma (JA21):
Dit is een keer uitgezocht. Volgens de afspraken die gemaakt zijn — die
kan je natuurlijk ook weer veranderen — moet je namen van hoogleraren
kunnen gebruiken, want die nemen ook deel aan het publieke debat. In die
zin kun je ze ook gewoon aanspreken. Het is usance om dat bij
hoogleraren wel te doen, maar op basis van heel veel andere gronden doe
je dat niet als het gaat om mensen die zich hier inderdaad niet kunnen
verdedigen.
De voorzitter:
Goed, laat dat dan ook een leerpunt voor mij zijn. Mevrouw Keijzer had
het over "scherp voorzitten". Hartelijk dank voor uw complimenten. We
gaan gewoon verder met het debat. Meneer Van Houwelingen, hartelijk dank
voor uw eerste termijn. We gaan verder met mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Een van de voornemens van dit kabinet is om bij
te dragen aan een fijne studententijd voor alle studenten. Dat voornemen
kan natuurlijk op de hartelijke steun van mijn fractie rekenen. Ik wil
het vandaag vooral hebben over de vragen wie er mag gaan studeren en wie
er daadwerkelijk kan studeren. Ik realiseer me dat het voor alle mooie
voornemens die zijn opgenomen, aan gaat komen op de uitvoering. Er moet
nog best wel een hoop gebeuren.
ik begin met de Oekraïense studenten, want voor hen tikt de klok. Voor 1
mei moeten zij beslissen. Gaan zij wel of niet in Nederland studeren?
Moeten ze uitwijken naar het buitenland? Vertrekken ze? Ik moet eerlijk
zeggen dat ik het helemaal niet begrijp. Er lag een aangenomen motie,
het staat in het coalitieakkoord, maar in de beantwoording van vandaag
staat nu ineens "misschien komt dat met de Miljoenennota" en "we gaan
het mogelijk regelen" terwijl er eerder "we gaan het regelen" werd
gezegd; dat vind ik echt zorgelijk. Ik vind het ook onbegrijpelijk. Wat
is er gebeurd tussen de presentatie van het coalitieakkoord en vandaag?
Deze studenten hebben geen boodschap aan intern getouwtrek over budget
en bevoegdheden. Ik geloof het eigenlijk ook gewoon niet. Het gaat
namelijk om een gering aantal studenten en de middelen zijn er. Ik wil
dus eigenlijk heel graag van deze minister horen: waar zit het 'm in?
Wat gaat u tegen deze studenten zeggen voor 1 mei? Het gaat namelijk
over jongeren die hier naar school gaan, hier wonen en gewoon recht
hebben om hier hun toekomst vorm te geven en daarmee bij te dragen aan
de wederopbouw van Oekraïne. Daarom doe ik een beroep op de minister:
maak hier nou werk van.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dit is een oprechte vraag: zijn de universiteiten in Oekraïne allemaal
dicht?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Het gaat om studenten en scholieren — dat laatste moet ik erbij zeggen —
die hier in Nederland wonen, die hier ook naar school gaan en die hier
hun examens doen. Daar gaat het om.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat is wel een goede toevoeging, want het lijkt zo alsof studenten uit
Oekraïne hiernaartoe komen om hier te studeren. Maar als ze hier al
wonen, dan geeft dat een iets ander perspectief. Het staat ze natuurlijk
ook altijd nog vrij om gewoon in Oekraïne te gaan studeren.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de vraag van de heer Claassen voor zichzelf spreekt. Ik ga
verder met mijn betoog.
Een fijne studententijd begint natuurlijk al voordat iemand zich
inschrijft. De vraag is namelijk wie zich tegenwoordig überhaupt een
studie kan veroorloven. We zien dat heel veel studenten uit lagere
inkomensgroepen of bepaalde regio's het heel moeilijk vinden om
vervolgens te gaan studeren. Ik vind het bewonderenswaardig dat het
kabinet voor een financiële plus kiest, maar dat gaat bijvoorbeeld ten
aanzien van de uitwonende beurs om enkele tientjes, terwijl het Nibud
zegt dat de gemiddelde student elke maand €400 tekortkomt. Tel daarbij
op dat heel veel studenten inmiddels ook een beroep doen op allerlei
regelingen. Mijn collega van het CDA had het al over verslavingen en
schulden. We zien dat dit een breed probleem is. Ik zou dus heel graag
van deze minister willen horen wat we daadwerkelijk gaan doen om
studenten financieel te begeleiden. En gaan we dat dan ook gericht doen?
Heel veel van de maatregelen zijn namelijk vrij generiek. Mijn fractie
is heel blij met de verplichte stagevergoeding; dat is goed nieuws voor
alle praktisch geschoolde studenten die, vaak zelfs zonder
onkostenvergoeding, worden ingezet als volwaardige arbeidskrachten. De
slachtoffers van discriminatie bij DUO worden gecompenseerd; dat kan ook
op onze steun rekenen.
Uiteindelijk wordt er best wel veel geld vrijgemaakt, maar geld kan
natuurlijk niet alles oplossen. De onderliggende druk blijft namelijk
bestaan. 83% van de studenten geeft aan zich depressief te voelen en
geeft aan dat er heel veel druk is. Een aantal collega's hebben het
bindend studieadvies al benoemd. Er is eigenlijk aangetoond dat dit niet
echt iets doet, maar dat het studenten, met name jonge mannen, wel
belemmert om hun studie te vervolgen. Ik zou graag van de minister
willen horen hoe ze hiernaar kijkt en waarom ze vasthoudt aan het
bsa.
Wij maken ons ook zorgen over de studiefaciliteiten, die enorm onder
druk zijn komen te staan door de bezuinigingen die zijn doorgevoerd door
het kabinet-Schoof. Sommige zijn helemaal afgeschaald of zelfs
verdwenen. Een vorige minister, Eppo Bruins, zei dat hij onderzoek zou
gaan doen. De uitkomsten daarvan zijn nog steeds niet gedeeld met de
Kamer. Mijn fractie vindt het belangrijk dat er snel wordt bekeken wat
we nu daadwerkelijk moeten gaan doen. Dan heb ik het over bibliotheken,
sportfaciliteiten en begeleiding van studenten met mentale zorgen.
Wanneer gaan we nou eens werk maken van het gelijktrekken van de
normbedragen voor studiefinanciering voor het hbo, wo en mbo? Dat wil ik
ook graag horen van de minister. Concreet: wat wordt het plan van aanpak
om ervoor te zorgen dat werkelijk alle studenten, ongeacht achtergrond
of portemonnee, een fijne studententijd krijgen? Ik wil dat iets
concreter horen, zeker als het gaat over mentale gezondheid. Daarover is
tot nu toe namelijk nog niets toegezegd.
Dan wil ik nog een ander punt opbrengen. Het is al jaren bekend dat
studenten benadeeld worden als het gaat om die ov-boetes. Nu blijkt dat
er in 2025 ruim 5,6 miljoen euro aan boetes is uitgedeeld aan 30.000
studenten. Het ministerie ziet het probleem ook. Hier is een hele goede
oplossing voor: breng gewoon de ritprijs in rekening in plaats van een
boete. Wil het ministerie hier ook serieus naar kijken?
Voorzitter. Ten slotte — ik rond af — een ander punt dat mijn partij ook
heel belangrijk vindt: als we kijken naar studentenwelzijn, moeten we
ook garanderen dat studenten met een beperking echt toegang hebben tot
hybride onderwijs. Daar zijn meerdere moties over aangenomen, maar elke
keer blijft het gewoon heel erg vaag. Hoe zorgen we ervoor dat je daar
gewoon toegang toe hebt, en dat dit niet afhangt van waar je studeert,
maar alleen maar van het feit dat je studeert?
De voorzitter:
Hartelijk dank, mevrouw Abdi. Ik kijk naar mevrouw Keijzer. Het is tijd
voor haar eerste termijn. Mevrouw Keijzer, als u de aantekeningen er
even bij pakt, dan is het woord aan u.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, ik zette nog even de stopwatch aan.
Dank u, voorzitter. Ik ga even terug in de tijd, naar de tijd dat onze
samenleving georganiseerd was in zuilen. Het is niet zo dat ik daarnaar
terug wil, want daar zaten ook wel wat nadelen aan. Maar die zuilen
hadden wel het effect dat in buurten, verenigingen en kerken zowel
praktisch als theoretisch en wetenschappelijk opgeleiden naast elkaar
zaten. Dat waren mensen met verschillende achtergronden die een
gemeenschappelijke leefwereld deelden, dezelfde taal spraken, letterlijk
en figuurlijk, en zich samen verantwoordelijk voelden voor
Nederland.
Die vanzelfsprekende verbondenheid is onder druk komen te staan. Ik denk
dat de sterke internationalisering en verengelsing van universiteiten en
hogescholen daaraan bijgedragen hebben. Dat heeft ons wel het een en
ander opgeleverd — dat is absoluut waar — maar het heeft ons ook iets
gekost: de gezamenlijke oriëntatie op Nederland, op onze economie,
publieke sector, regio's en maatschappelijke opgaven, is minder
vanzelfsprekend geworden.
Voor heel veel praktisch opgeleiden voelt het hoger onderwijs daardoor
verder weg dan vroeger. Zij herkennen zich sowieso letterlijk minder in
de taal die wordt gesproken, in de vragen die centraal staan en in de
focus, die minder zichtbaar is gericht op het versterken van de
Nederlandse samenleving. Er zijn twee werelden ontstaan, die elkaar
steeds minder ontmoeten, terwijl die ontmoeting juist de basis vormt
voor een sterk land. Tegen die achtergrond vind ik het ronduit
onverstandig dat het kabinet spreekt over het zoeken naar een nieuwe
balans in de internationalisering van het hoger onderwijs. Dat is een
debat dat al jaren wordt gevoerd. De internationalisering is diep
doorgedrongen in het hart van het hoger onderwijs en de Nederlandse
cultuur en taal zijn daar structureel slachtoffer van geworden.
Wie werkelijk een balans wil, moet erkennen dat we die allang kwijt
zijn. Het gaat hier namelijk niet om een abstract beleidsvraagstuk, maar
om het behoud van de Nederlandse taal, cultuur en tradities binnen onze
eigen onderwijsinstellingen, ook binnen het hoger onderwijs. Ik vraag de
minister: wanneer is de internationalisering volgens haar niet langer
een bijkomstigheid, maar een aantasting van de maatschappelijke en
culturele opdracht van het onderwijs?
Dit debat gaat dan automatisch niet alleen over taal, maar ook over
normen, waarden, veiligheid en consistent bestuur. Bij het
commissiedebat van vorige week antwoordde de minister als volgt op mijn
vraag: als je Palestijnse demonstranten de ruimte geeft, moet je dat ook
doen voor Israëlische wetenschappers. Dat klinkt mooi, maar als je
vervolgens kijkt naar het handelen aan universiteiten, maar ook naar het
handelen van deze minister voordat zij minister was, zie je een
ongemakkelijke spanning. Demonstraties die schuren met onze Westerse
wereld krijgen ruime bewegingsvrijheid, terwijl Joodse studenten zich al
lange tijd onveilig moeten voelen. Ik zie met verdriet in mijn hart
steeds meer berichten van Joden die dit land gaan verlaten. Demonstreren
is een grondrecht. Ja, absoluut. Daar ging het net al even in een
interruptiedebatje over. Maar is het niet verstandig om daar grenzen aan
te stellen? Graag hoor ik een antwoord van deze minister. Dan hoor ik
ook graag heel concreet hoe ze dat gaat doen.
Laat ik helder zijn: niet elke demonstratie is taakverwaarlozing. De wet
stelt terecht een hoge drempel voor ingrijpen. Maar autonomie mag geen
vrijbrief zijn om weg te kijken. Daarom vraag ik het volgende aan deze
minister. Wordt het niet gewoon eens tijd dat er, in gesprek met
universiteiten of anders gewoon opgelegd, uitgesproken wordt dat er
huisregels zijn, net zoals we die hier in de Tweede Kamer hebben: op
universiteiten krijg je onderwijs en doe je onderzoek; demonsteren,
zeker op de disruptieve manier waarop dat nu gebeurt, doe je
elders.
Dan was ik er al. Wat goed! Vier minuten.
De voorzitter:
Perfect binnen de tijd, ja. Ongelofelijk. Heel strak.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wauw! Had ik dat maar eerder gedaan. Dank u.
De voorzitter:
Het woord is aan de heer Ergin, voor zijn eerste termijn.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik wil het vandaag hebben over het bsa, over de
hersteloperatie van DUO en discriminatie in het hoger onderwijs en over
de ministersplaatsen.
Voorzitter. Het bsa is ooit ingevoerd met het simpele idee om te kijken
of student en opleiding bij elkaar passen. Op papier klinkt dat heel
logisch, maar we hebben in de afgelopen jaren, sinds 1993, gezien dat de
praktijk weerbarstig is en dat het bsa geen hulpmiddel meer is, maar een
drukmiddel is geworden. Het is geen begeleiding meer, maar wordt meer
ingezet als selectiemiddel door universiteiten. Studenten staan onder
enorme druk en de gevolgen zijn groot. De helft van de studenten ervaart
mentale klachten. Nu blijkt uit een groot onderzoek dat het bsa helemaal
niet zorgt voor meer studiesucces, maar dat het juist averechts werkt.
Studenten vallen uit. Voor een groot deel schrijven zij zich opnieuw in
voor een studie in dezelfde richting, of zelfs voor dezelfde opleiding
maar dan op een andere school. We hebben gewoon gezien dat dit leidt tot
verspilling van talent. Het leidt er niet toe dat er meer studenten een
diploma halen, maar juist dat er minder studenten hun diploma halen. En
dan heb ik het nog niet eens over het feit dat we stress creëren bij
studenten. We lossen gewoon helemaal niks op. Daarom een vraag aan de
minister: wat gaat zij doen met het bsa?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De heer Ergin stelt terecht iets vast, namelijk dat als een student
binnen een opleiding van een hogeschool niet verder kan, die naar een
andere hogeschool kan en daar succesvol door kan gaan. Zou dat dan niet
te maken hebben met hoe het curriculum en het assessmentprogramma zijn
ingericht, in plaats van met het instrument bsa?
De heer Ergin (DENK):
Er zijn heel veel dingen die impact hebben op een studentenleven. Als je
moeilijk aan een woning kunt komen, en je moet dan je bsa halen, dan kan
het heel goed zijn dat het niet aan het curriculum van de scholen of aan
de normen ligt, maar met name aan wat je zelf hebt ervaren. Er zijn heel
veel verschillende voorbeelden. Ik vind dat we ons niet blind moeten
staren op een instrument dat heel bot aan de poort selecteert — of niet
aan de poort, maar aan het einde van het eerste jaar — terwijl er heel
veel kan gebeuren in een studentenleven.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dat was mijn punt niet. Mijn punt was: als een student een opleiding
binnen een hogeschool niet haalt, dan kan die naar een andere hogeschool
gaan voor dezelfde opleiding en daar glorieus doorheen lopen. Dat heeft
dus niks met wonen te maken. Volgens mij heeft dat te maken met het
curriculum en het assessmentprogramma. Moeten we dan niet veel beter
kijken naar dat onderdeel, in plaats van naar het instrument bsa?
De heer Ergin (DENK):
De heer Claassen heeft ervaring in het onderwijs. Ik heb die ervaring
niet, dus ik kan dat niet heel goed beoordelen, maar ik kan wel
terugvallen op mijn eigen ervaring. Ik ben de opleiding bestuurskunde en
overheidsmanagement begonnen bij hogeschool één en ik heb 'm afgerond
bij hogeschool twee. Dat had niet te maken met de onderwijsinhoud, maar
met het feit dat er bezuinigd moest worden; de ene opleiding kapte
ermee. Er zijn dus heel veel redenen die je kunt bedenken. Ik denk dat
je heel moeilijk kunt zeggen dat het aan de onderwijsinhoud ligt. Het
zou bij sommige opleidingen aan de onderwijsinhoud kunnen liggen. Het
zou eraan kunnen liggen voor welke specifieke beroepen een opleiding is
ingesteld. Mijn ervaring is dat het heel vaak ligt aan persoonlijke
ervaringen in het leven van studenten. Deze botte bijl draagt daar niet
aan bij.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Mijn punt is: ik ben ook kritisch op het bsa, maar ik ben nog kritischer
op het onderwijsprogramma en het assessment dat eronder ligt om te komen
tot een oordeel of de student eraan voldoet. Ik denk dat we ons niet
blind moeten staren op het instrument, maar op de weg waarmee de student
aan zijn leerresultaten moet komen. Volgens mij is de fundamentele vraag
niet of we het bsa moeten afschaffen of niet. Ik hoop dat u het met mij
eens bent dat het meer gaat over het onderliggende probleem.
De heer Ergin (DENK):
Onderliggend, ja. De discussie gaat nu over het bsa, omdat dit heel veel
studenten raakt. Natuurlijk wil je liever ergens anders een discussie
over voeren. Natuurlijk wil je een discussie hebben over hoe we omgaan
met onderwijsinhoud. Dan lopen we heel snel tegen grenzen aan, omdat de
onderwijsinstellingen daar voor een groot deel zelf over gaan. Ik heb
daar wel een ideeën bij, maar de ideeën die de heer Claassen aandraagt
of die ik aandraag, worden misschien door het onderwijsveld niet zo goed
gevonden als wij ze vinden. Dat kan prima, maar ik heb liever een heel
compacte discussie. Die compacte discussie is nu dat er met de botte
bijl, het bsa, voor wordt gezorgd dat minder studenten een diploma
halen, en ik heb liever dat studenten wél een diploma halen.
De voorzitter:
Gaat u verder, meneer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Dan wil ik het over DUO hebben, want DUO heeft jarenlang
studenten gewantrouwd met discriminerende algoritmes. Vooral mbo'ers en
studenten met een migratieachtergrond werden eruit gepikt: 25.000, om
precies te zijn. Zij werden bij voorbaat gewantrouwd door de overheid.
Opnieuw gewantrouwd door de overheid. Daarmee faalt de overheid opnieuw
op een beslissend examenonderdeel, namelijk het eerlijk behandelen van
iedereen die in Nederland woont. Het is goed dat er een hersteloperatie
komt, maar als we kijken naar die hersteloperatie, dan zien we dat de
minister komt met bedragen van €500 en €2.000. Waarom zou iemand die
onrecht is aangedaan zich af laten kopen met €500? Sinds wanneer is de
prijs van gediscrimineerd worden een fooitje van €500, zou ik aan de
minister willen vragen.
De heer Boomsma (JA21):
Mijn vraag is juist de tegenovergestelde. Ik vind het heel raar om
mensen €500 te geven alleen omdat ze een huisbezoek hebben gehad. We
hebben wel gezien dat er een algoritme werd gebruikt waar geen
wetenschappelijke basis voor was en dat dit indirect een discriminerende
werking had, maar dat betekent niet dat er voor mensen die alleen een
huisbezoek hebben gehad enorme schade is ontstaan. Waarom zouden die
€500 moeten krijgen? Ik snap daar werkelijk helemaal niks van.
De heer Ergin (DENK):
Omdat het heel logisch is dat je als overheid mensen eerlijk behandelt.
Als je dat niet doet … We hebben het bij de hersteloperatie toeslagen
ook gezien. Als je je als overheid niet aan je afspraken houdt, als je
mensen bij voorbaat wantrouwt, dan zul je dat moeten herstellen.
Eigenlijk is er een hele makkelijke verklaring voor de vraag van de heer
Boomsma: de overheid gedraagt zich volgens bepaalde normen en wetten, en
als de overheid een wet overtreedt, dan hangt daar onder andere een
prijskaartje aan.
De heer Boomsma (JA21):
De vergelijking met het toeslagenschandaal gaat natuurlijk totaal niet
op. Daar werden mensen ten onrechte aangemerkt als fraudeur en zijn hele
levens verwoest. Dat is een verschrikkelijk schandaal, waar we nog
steeds mee bezig zijn. Daar zijn we het over eens. Maar hier gaat het om
mensen die inderdaad zijn gecontroleerd, zoals dat bij heel veel mensen
kan gebeuren. We worden allemaal weleens gecontroleerd. Ik ben ook
weleens aan de kant van de weg gezet om een blaastest te doen. Dat is
ook niet leuk, maar als je dan onschuldig bent, dan hoef je nog geen
compensatie te krijgen van €500 omdat de overheid jou wantrouwt; dat
hoort gewoon bij het feit dat je een controle uitvoert.
De heer Ergin (DENK):
Wat hier is gebeurd, wat bij de zogenaamde fraudeaanpak van DUO is
gebeurd, is dat studenten selectief, op basis van hun postcode en
onderwijsniveau, eruit zijn gepikt. Vanaf 2012 waren er signalen dat er
met name Marokkaanse, Turkse en Surinaamse studenten uit werden gepikt.
Vervolgens ging er een ambtenaar langs voor een buurtonderzoek. Die deed
een buurtonderzoek. Als een van de buren zei dat die meneer A of meneer
B niet had gezien, dan werd er een sanctie opgelegd. Dit is niet alleen
maar iets waarbij je uit een systeem wordt gepikt; dit heeft verregaande
consequenties gehad voor mensen. Dit heeft op z'n minst het vertrouwen
van onze toekomst, namelijk onze studenten, in de overheid enorm
kapotgemaakt. Dit gebeurde niet alleen bij DUO, maar ook bij andere
overheidsinstanties. Als je je als overheid niet aan de wet houdt en
mensen niet eerlijk behandelt, dan hangt daar zeker een prijskaartje
aan. €500 is gewoon veel, veel te weinig.
De voorzitter:
De heer Boomsma, afsluitend.
De heer Boomsma (JA21):
Die €500 is juist voor de mensen aan wie geen sanctie werd opgelegd. Er
werd geselecteerd met risicofactoren. Er is gekeken naar de afstand tot
het ouderlijk huis, leeftijd en onderwijsniveau, wat op zich neutrale
principes en selectiemechanismes zijn. Alleen, in de uitwerking daarvan
kwam het oneerlijk uit. Dan moet het aangepast worden. Maar dat betekent
toch niet dat iedereen die alleen een controle heeft gehad en geen
sanctie, dan €500 moet krijgen?
De heer Ergin (DENK):
Het is niet zo dat hier per ongeluk, omdat een aantal losstaande feiten
bij elkaar kwamen, mensen onrecht is aangedaan. Dat is gewoon niet zo.
Dit is uitvoerig onderzocht, en daaruit bleek heel duidelijk dat men
heel lang van tevoren wist dat je met deze selectiecriteria bij
specifieke groepen uitkomt. Dat was van tevoren al bekend. Dit had dus
eerder stopgezet moeten worden. Als dit eerder was stopgezet, dan hadden
we al die 12.000 studenten in groep één geen onrecht aangedaan. Dan
hadden we hun vertrouwen niet geschaad. Er waren genoeg signalen. Er
waren genoeg signalen, en die zijn niet opgevolgd. Als je dat als
overheid niet doet, dan hebben we daar wetten voor. Als de overheid zelf
wetten overtreedt, dan mag de overheid daarvoor boeten. Zo makkelijk is
dat.
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Voor de studenten die schade hebben geleden, de studenten
die €2.000 ontvangen, de tweede groep … Hoe komt de minister tot die
€2.000? Waarom zou dat bedrag dan voldoende zijn? Het probleem zit
dieper. Het probleem zit 'm erin dat de minister het bij deze
hersteloperatie alleen maar over geld heeft, terwijl vertrouwen niet te
koop is. Het vertrouwen is geschaad. Deze studenten kunnen de overheid
niet meer vertrouwen. Hoe gaat de minister werken aan het herstellen van
het vertrouwen van al die studenten?
Voorzitter. Nog een punt dat ik helemaal niet begrijp, waarvan ik denk
"leert de overheid nou echt niet van wat voor ellende wij mensen hiermee
hebben bezorgd?", is dat DUO zelf de hersteloperatie uitvoert. Je vraagt
de brandstichter om het huis te blussen. Je ziet toch van mijlenver
aankomen dat DUO deze hersteloperatie niet op een geloofwaardige manier
kan uitvoeren, en al helemaal niet voor die derde groep, die ik even "de
complexe groep" noem? Zou de minister bijvoorbeeld kunnen kijken of er
voor die derde groep een route mogelijk is, bijvoorbeeld via Stichting
Gelijkwaardig Herstel, waarbij er niet alleen wordt gekeken naar de
financiële component, maar ook wordt geluisterd naar wat het met mensen
heeft gedaan?
Voorzitter. Een vraag over de compensatie. De minister heeft het over
maatwerk. Betekent dat een ruimhartige compensatie, of gaan we weer
verhalen krijgen waarbij er, omdat een bedrag van een paar honderd euro
wordt betwist, duizenden euro's aan advocaatkosten gemaakt gaan worden
door de overheid? Hoe gaat de minister dat voorkomen?
Ik heb nog twee korte vragen. Vraag één gaat over het manifest tegen
stagediscriminatie. Dat loopt dit jaar af. Is de minister bereid om dat
te verlengen? Dan een vraag over de uitvoering van de motie omtrent de
ministersplaatsen. De Kamer heeft gezegd: minister, zorg voor 46
studieplaatsen voor Caribisch Nederland zodat kritische infrastructuren
daar kunnen blijven bestaan.
De voorzitter:
Rondt u af.
De heer Ergin (DENK):
Die motie is aangenomen, maar de minister doet alleen een verkenning
naar hoe het niet kan. Nogmaals de vraag aan de minister: wanneer gaat
zij ervoor zorgen dat er ministersplaatsen komen in Caribisch
Nederland?
De voorzitter:
Dank u wel. Dan sluiten wij, denk ik, de eerste termijn van de kant van
de Kamer af. Ik kijk even naar de Kamerleden. Dat is het geval. Dan stel
ik voor dat we overgaan tot een moment van schorsing van een halfuur. Ik
kijk even naar de minister of dat voldoende is. Ja? Dat betekent dat we
om 15.15 uur het debat vervolgen, in dezelfde zaal. Dan hoeft u daar
niet naar te zoeken.
De vergadering wordt van 14.46 uur tot 15.17 uur geschorst.
De voorzitter:
Wij gaan verder met de beantwoording van de minister. Voor de
beantwoording wil ik haar vragen in welke blokjes zij had gedacht ons
toe te spreken.
Minister Letschert:
Ja, voorzitter. Excuses dat ik twee minuten te laat ben. Het is een hele
wandeling naar onze kamer, waar wij proberen orde in al jullie prachtige
vragen te brengen. Er zijn nogal wat vragen gesteld, waarvoor veel dank.
Ik heb, net als vorige week, geprobeerd daar weer een logische
onderverdeling van te maken. U gaat mij vast corrigeren als dat niet zo
is of als u een vraag mist. Ik wilde graag beginnen met het domein
rondom de talentstrategie, de arbeidsmarkt, LLO en de discussie over de
internationalisering en de Wib. Dat komt allemaal in één blok. Het
tweede bok gaat over de vragen rondom de studenten en scholieren uit
Oekraïne en het bsa. Dat lijkt misschien onlogisch, maar het gaat
allebei over studenten, dus ik dacht: die zetten we daarbij. Dan heb ik
een blokje over de bezettingen en sociale veiligheid. Dan heb ik een
breder blok over studenten. Daarin komen de vragen naar voren over
studiefinanciering, stages, welzijn en compensatie vanuit DUO. Dan heb
ik een blok over AI in het onderwijs; dat lijkt me ook belangrijk om
apart te vermelden. Als laatste heb ik dan toch ook nog een mapje
overig. Maakt dat zin? Ik zie iedereen puzzled kijken, dus ik heb u nu
al in verwarring gebracht.
De voorzitter:
Misschien kunt u het eerste blokje nog even herhalen.
Minister Letschert:
Talentstrategie. Daar zitten vragen in rondom de arbeidsmarkt,
internationalisering en LLO. Als ik een nieuw blokje start, zal ik de
thema's in dat blokje weer even noemen.
De voorzitter:
Ja. Laten we proberen de minister aan het woord te laten per blokje, en
dan te kijken of we kunnen interrumperen. Ik zeg nogmaals dat we nu
opnieuw starten met het aantal interrupties. U krijgt vier interrupties.
Blijft u onder de 30 seconden, dan telt die niet mee. Gaat u over de 30
seconden, dan heeft u twee interrupties te pakken. Als u goed naar mij
kijkt, dan gebaar ik, en dan betekent dat dat u aan het einde van uw
tijd zit. Laten we dat even inbakken in onze werkwijze. Ik geef het
woord aan de minister.
Minister Letschert:
Dank u wel, voorzitter. U mag dat bij mij ook gerust doen, want ik heb
al een paar keer gehoord dat ik soms wat lang antwoord. Als ik te lang
van stof word, beperkt u mij dan vooral.
We hebben in de afgelopen debatten al een paar keer met elkaar van
gedachten gewisseld over de talentstrategie. We zijn binnen het kabinet
bezig met het ontwikkelen van een talentstrategie. Dat doen we vanuit de
taskforce op het gebied van nieuwe economie, toekomstige welvaart en
vestigingsklimaat, waar we met meerdere bewindspersonen samen aan
werken. Met name de vraag over voldoende en goed opgeleid talent, dat
wij absoluut nodig hebben voor de grote maatschappelijke opgave waar wij
voor staan, is iets wat ik vanuit OCW als coördinerend minister op mij
neem. Dat betekent dus ook dat wij een soort integrale aanpak met elkaar
aan het ontwikkelen zijn, waarbij ook de instrumenten die daarvoor nodig
zijn samenhangend worden ingezet. Dan gaat het uiteraard over onderwijs
en aansluiting op de arbeidsmarkt, maar ook over productiviteit,
fiscaliteit en gerichte migratie. Op het thema van gerichte migratie kom
ik zo nog even terug.
Ik heb in vorige debatten aangegeven dat wij nu een tweetal
bijeenkomsten met de taskforce hebben gehad en dat u voor de zomer de
eerste concepten vanuit die taskforce kunt verwachten. Daarin is een
belangrijke taak weggelegd voor het hele onderwijs, niet alleen voor het
vervolgonderwijs. Kinderen beginnen al met hun keuzes, of in ieder geval
met hun inspiratie voor keuzes, in het funderend onderwijs. Dat gaat ook
na het vervolgonderwijs weer door als het gaat om LLO. De hele waaier
van de onderwijsketen zal aandacht krijgen in die talentstrategie. Dan
moet u denken aan belangrijke programma's die er nu al zijn om kinderen
bijvoorbeeld meer geïnteresseerd te krijgen in techniekonderwijs. Dat
begint daar al, en niet pas op de mbo-, hbo- of wo-opleiding. Voor de
zomer krijgt u van mij vanuit de taskforce een uitgebreidere analyse
over de talentstrategie die wij aan het ontwikkelen zijn. Daarbij zijn
wij uiteraard ook aan het kijken hoe je vanuit de onderwijssector nog
beter kan aansluiten bij de behoefte van de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd
is de brede vorming die studenten krijgen binnen het vervolgonderwijs
ook van heel groot belang. Dat hoorde ik ook enkele Kamerleden in het
debat zeggen. Hoe zorg je er nou voor dat je de juiste balans houdt
tussen gericht studenten verleiden om opleidingen te kiezen die passen
binnen de tekortsectoren of de groeisectoren — hoe je ze ook wil noemen
— voor onze Nederlandse economie, en studenten keuzevrijheid laten
hebben? Die discussie hebben wij as we speak in de taskforce. Ik denk
dat het belangrijk is dat we ons ook realiseren dat het helemaal niet zo
makkelijk is om de arbeidsmarkt en wat daarin nodig is te voorspellen.
Ik ben op dit moment in gesprek met commissies die gaan over de
hervormingen binnen het mbo. Die geven me elke keer datzelfde feit
terug. Misschien moeten we ons dus ook ergens realiseren dat de
voorspellende waarde van de arbeidsmarkt in de toekomst en van wat die
doet met de opleidingen nu, niet een hele makkelijke is. Dat wil ik u
hier nu vast meegeven.
Ik noemde net bij de onderwerpen die de taskforce op de tafel heeft
liggen ook de internationalisering en de zinsneden die we in het
coalitieakkoord hebben opgenomen over gerichte groei. Ik weet dat deze
Kamer al heel lang met elkaar en met de sector discussies heeft over
internationalisering en over de vraag of er nog wel grip is op de
internationale instroom van studenten naar Nederland. In het
coalitieakkoord hebben we aangegeven dat wij aan de aan de ene kant
internationalisering in balans belangrijk vinden en die gerichte groei
willen stimuleren. Wel verwachten we van de sectoren — dan heb ik het
met name over de hogescholen en de universiteiten — dat zij zich aan de
zelfregieafspraken houden die zij al eerder met mijn voorgangers hebben
gedeeld. Ik zit op dit moment midden in die gesprekken. Ik zal in de
beleidsbrief, die binnenkort uw kant op komt, aangeven hoe wij daarin
staan en hoe de gesprekken met de sectoren op dit moment verlopen.
U heeft gezien dat in het coalitieakkoord het voornemen is opgenomen om
de toets anderstalig onderwijs voor het bestaande en toekomstige aanbod
eruit te halen. Uiteraard gaan wij daar ook met u het gesprek over
hebben. Dat hebben we in het coalitieakkoord opgeschreven. Dat betekent
dat u waarschijnlijk de vraag gaat stellen hoe je ervoor zorgt dat je
die grip houdt. Laten we wel wezen: vanaf 2018 vragen de instellingen al
om instrumenten om die grip te kunnen houden, bijvoorbeeld via een
numerus fixus of met een noodmaatregel om instroom snel bij te kunnen
sturen. Inmiddels is het amendement-Martens-America wet geworden.
Daardoor kunnen instellingen nu al sturen.
Ik kom dadelijk op de taaldiscussie. Dat is namelijk een andere
discussie. Ik heb in de gesprekken die ik nu met de twee sectoren heb —
ik heb het dan over de hogescholen en de universiteiten — aangegeven dat
je moet laten zien dat je je verantwoordelijkheid neemt, die
instrumenten toepast en de afspraken handhaaft die de instellingen
onderling hebben gemaakt in een vorige kabinetsperiode. Ik denk dat dat
wel heel belangrijk is. We gaan met elkaar de discussie hebben over de
vraag hoe ik ervoor zorg dat ik dat voldoende hard maak, zodat het ook
in bestuurlijke afspraken verankerd is. In dat gesprek zit ik as we
speak. Ik kom verder met u in gesprek op het moment dat wij de vanuit
het kabinet voorgenomen herziening van de Wib met u willen
bespreken.
Daarmee is het argument wat betreft taal niet van tafel. Mevrouw Keijzer
gaf volgens mij heel scherp aan dat door de toenemende
internationalisering in de verschillende onderwijssectoren er ook een
segregatie … Misschien was dat niet het woord dat u gebruikte, maar u
had het in ieder geval over een verdere verwijdering tussen de
verschillende studenten in het mbo, hbo en op de universiteiten, die
mede door internationalisering veroorzaakt zou zijn. Dat is precies
waarom we die balans met elkaar moeten bewaken en ervoor moeten zorgen
dat zowel de hogescholen als de universiteiten — ik denk dat dat in
meerdere mate voor de universiteiten geldt — voldoende investeren in de
Nederlandse taalvaardigheid van internationale studenten.
Als wij zeggen dat internationale studenten ook naar Nederland komen om
een belangrijke factor op onze arbeidsmarkt te zijn, dan is het ook
belangrijk dat ze de Nederlandse taal kunnen leren en daarin
gefaciliteerd worden. Als onderdeel van die zelfregie zijn er nu binnen
de instellingen plannen gemaakt om de Nederlandse taalvaardigheid te
bevorderen en daarmee niet alleen de blijfkans — dat is uiteindelijk een
doelstelling die daaronder ligt — te vergroten, maar ook de integratie
in de samenleving te verbeteren. Nogmaals, het is niet alleen maar
gericht op de arbeidsmarkt. Het is ook om te kunnen integreren in de
samenleving. Het heeft ook te maken met die waaier, waar ik dadelijk nog
op terugkom. De waaier tussen het mbo, hbo en wo moet ervoor zorgen dat
de knelpunten tussen de verschillende sectoren worden weggenomen en dat
ze gelijkwaardig worden geacht. Niet iedereen zou naar de universiteit
moeten. Meneer, de voorzitter, dat was een vraag van een van uw …
De voorzitter:
Ik zoek even naar uw punt.
Minister Letschert:
Ik maak dadelijk een punt. Ook in die waaier is het volgende van belang.
Als wij willen dat mbo-studenten, hbo-studenten en wo-studenten meer met
elkaar gaan samenwerken — ook wat betreft de talentstrategie gaan wij
voorstellen doen over hoe je dat kan faciliteren, bijvoorbeeld met
regionale campussen die daar een belangrijke rol in kunnen spelen — dan
moet je er ook voor zorgen dat ze elkaar kunnen begrijpen en verstaan.
Dat is dus een belangrijke doelstelling voor het huidige kabinet.
De voorzitter:
Ik ga toch even naar de heer Boomsma. Hij heeft een interruptie.
De heer Boomsma (JA21):
De minister geeft aan dat de afspraak van het vorige kabinet over
internationalisering in principe blijft staan, maar ik heb net gelezen
dat de universiteiten hebben gezegd dat zij de omzettingen die ze eerst
van plan waren, willen terugdraaien. Wat is dan de positie van het
kabinet daarin?
Minister Letschert:
Het gaat om de afspraken die ze hebben gemaakt over de aantallen
studenten en de afspraken over taal. Die zijn met het huidige
coalitieakkoord vanuit de input die in de Wib stond rondom de toets
anderstalig onderwijs … Dit kabinet wil die eruit halen. Dat gaan we
uiteraard nog met u bespreken als we over de Wib komen te praten. De
universiteiten en de hogescholen zijn dus momenteel niet voornemens om
de taalknop in te drukken. Dat wil niet zeggen dat we in de discussie
over fricties die instellingen of steden hebben ervaren wat betreft
huisvesting, onderwijsinfrastructuur en de taal — dat laatste tastte ik
net al heel even kort aan — die afspraken niet met elkaar willen kunnen
blijven handhaven. Dat is iets anders dan de taalknop induwen, om op die
manier studenten niet meer de mogelijkheid te bieden om in Nederland
onderwijs te volgen. Daarvoor zijn de andere instrumenten heel
belangrijk. Nogmaals, dat zijn instrumenten die al vanaf 2018 door de
sectoren gevraagd werden, waaronder de numeri fixi en de noodfixus. Die
zijn al deels wettelijk geworden vanwege het amendement-Martens-America.
Dat bedoelde ik dus met de afspraken over de aantallen.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb natuurlijk in het coalitieakkoord gezien dat de taaltoets eruit
zou gaan. Universiteiten zeggen nu ook: dan hoeven we die omzettingen
ook niet meer te doen. Hoe ziet het kabinet dat? Daar zijn wij het in
ieder geval niet mee eens.
Minister Letschert:
Dat klopt, want de omzettingen met de taalknop hoeven dan niet meer. Dat
wil niet zeggen dat je dan ongebreidelde groei laat gebeuren.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Wanneer bespreken we dan de Wib? Het lijkt me namelijk belangrijk om dat
zo snel mogelijk te doen.
De voorzitter:
Dat is de Wet internationalisering in balans, geloof ik. Ik zeg dat
zodat het voor de mensen thuis ook nog een beetje te begrijpen valt. Ik
kijk even naar de minister.
Minister Letschert:
De nieuwe nota van wijziging, die voortvloeit uit het huidige
coalitieakkoord, komt na de zomer. Als het nog mag, meneer de
voorzitter, wil ik zeggen dat we wat mij betreft wel de discussie
hierover kunnen voeren op het moment dat we met de talentstrategie … Dat
is voor de zomer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik hoor de minister zeggen dat het ook weer niet de bedoeling is dat er
een ongebreidelde groei is, maar hoe gaat ze dat dan in de klauwen
houden?
De voorzitter:
Hoe gaat u dat in de klauwen houden?
Minister Letschert:
Dat zijn de gesprekken die ik dus op dit moment met de sectoren voer.
Dat kan enerzijds met bestuurlijke afspraken. Die moeten we met elkaar
gaan bespreken, want die wil ik wel kunnen handhaven, want anders heb je
daar niet zo veel aan. U zult begrijpen dat het feit dat de toets
anderstalig onderwijs in het coalitieakkoord niet meer op deze manier
genoemd wordt, voor de sectoren vertrouwen geeft, maar dat vertrouwen
moet je wel houden. Dat wil ik er ook wel bij zeggen. Het is dus heel
belangrijk om te laten zien dat de instrumenten die er zijn, toegepast
worden om het vertrouwen van de Kamer en van de politiek niet te
verliezen.
De voorzitter:
Oké. U gaat bijna naar de afronding van uw eerste blokje, toch? Na Leven
Lang Ontwikkelen bent u er, of niet? Klopt dat? U wil een tweede
interruptie, mevrouw Keijzer. Die sta ik toe, hoor, maar we moeten de
orde niet helemaal loslaten. Heeft u nog een blokje LLO, Leven Lang
Ontwikkelen, minister?
Minister Letschert:
Zeker.
De voorzitter:
We gaan eerst even naar mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wat is dan de stok achter de deur? Hoe handhaaft u dit? Er zijn namelijk
financiële belangen om zo veel mogelijk studenten uit het buitenland te
halen.
Minister Letschert:
Daar …
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Letschert:
Sorry, ik ga steeds te snel, hè?
De voorzitter:
U wil heel veel zeggen, maar dat moet gewoon even via de
voorzitter.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Ik kom daar echt met u op terug, mevrouw Keijzer.
Nogmaals, het is ook in het belang van het ministerie dat de afspraken
die wij maken over de aantallen studenten en de gerichte groei en de
afspraken die we in de talentstrategie maken vanuit het ministerie,
gehandhaafd kunnen worden. We zijn die gesprekken op dit moment met de
verschillende besturen van de twee sectoren aan het voeren.
Waarschijnlijk ga ik daar voor een deel al voor de zomer het gesprek met
u over hebben. Specifiek wat betreft de Wib gaat dat na de zomer
zijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Maar ziet deze minister ook …
De voorzitter:
Wacht even. Mevrouw Keijzer, voor een interruptie.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wauw. Maar ziet deze minister ook dat er jaar na jaar mensen afstuderen
die niet meer met een gewone Nederlander kunnen praten over hun
vakgebied, omdat dat in het Engels is? Ziet zij het belang
daarvan?
Minister Letschert:
Ik zei in het begin ook dat ik absoluut het belang van de Nederlandse
taal zie en het belang dat wij vanuit de verschillende onderwijssectoren
die manier om te kunnen integreren en mee te kunnen doen in die
arbeidsmarkt vormgeven.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Voorzitter, ik heb nu geleerd om mijn interruptie binnen die 30 seconden
te houden. Hoe gaat dat gesprek met die Nederlander nou
plaatsvinden?
De voorzitter:
Wacht even, mevrouw Keijzer. U heeft drie interrupties geplaatst.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, onder de 30 seconden tellen ze niet mee, toch?
De voorzitter:
Ja, maar ik probeer het bij drie te houden. U mag nog even uw laatste
plaatsen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat had u van tevoren niet gezegd.
De voorzitter:
Maak 'm even en dan gaan we snel verder. Dan weet u dat ook.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wie mag nu? Ik had mijn vraag al gesteld.
De voorzitter:
U mag nog even uw laatste interruptie plaatsen, maar we proberen het in
drieën te doen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Oké. Mijn vraag is de volgende. Er studeren mensen af, bijvoorbeeld in
de psychologie, die niet in staat zijn om met een Nederlandse patiënt in
het Nederlands te praten over wat er aan de hand is en wat er moet
gebeuren. Is dat ook een belang dat deze minister meeneemt? Zo ja, hoe
dan?
Minister Letschert:
Dat belang zie ik. Op het hoe kom ik serieus terug op het moment dat dat
in gesprekken met de sector over de zelfregieplannen, in het licht van
het huidige coalitieakkoord, is afgestemd. Maar ik ben het eens met het
belang.
De voorzitter:
Goed. Ik zie dat er behoefte is aan interrupties. Ik sta het nu wel toe,
want het is een vrij lang blokje. De heer De Beer vroeg het zich ook al
even af, maar de heer Claassen was eerst. Daarna mag de heer Van
Houwelingen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik wil even terug naar die buitenlandse studenten en de relatie met de
talentstrategie. Ik denk dat mevrouw Keijzer terecht zegt dat er ook een
financiële prikkel achter zit. Vaak gebruiken universiteiten de instroom
van buitenlandse studenten om een andere opleiding te financieren.
Betekent dat niet dat als we dit onderwerp echt willen aanpakken, we ook
moeten kijken naar andere financiering van opleidingen, juist om te
voorkomen dat dit soort handgrepen worden gebruikt om opleidingen
overeind te houden?
Minister Letschert:
Er wordt via verschillende sporen naar de bekostiging van het hoger
onderwijs gekeken. Onlangs is er een eerste analyse gemaakt vanuit de
KNAW, die ik inmiddels op mijn bureau heb liggen. Ook binnen de
bestuurlijke omgevingen van sectoren zelf — dan heb ik het met name over
de hogescholen en de universiteiten — zijn er werkgroepen die bekijken
welk type bekostigingsstelsel beter recht zou doen aan de
maatschappelijke opgaven die er zijn. Ze halen bepaalde prikkels die
erin zitten er ook uit. Ik denk dat het goed is dat wij, vanuit het
kabinet, over de uiteindelijke voorstellen vanuit het ministerie met u
in gesprek gaan, als we die ook echt allemaal goed geanalyseerd hebben.
Zover ben ik nog niet. Dat is anders voor het mbo, want daarvoor lag er
al een heel traject met een reviewcommissie die naar de herziening van
het bekostigingsstelsel van het mbo kijkt. Het lijkt mij verstandig om
op een soortgelijke manier diezelfde discussie te gaan voeren binnen de
hogescholen en de universiteiten. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen,
want dan zou ik dat weinig onderbouwd met u delen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Als we gaan kijken naar een ander financieringsstelsel, is de minister
dan ook bereid om niet alleen landelijk te kijken, maar ook naar waar de
regio's misschien meer behoefte aan hebben? Kan de regio misschien
sturend zijn in het kijken naar een ander bekostigingssysteem?
Minister Letschert:
Dat staat absoluut bij ons op het netvlies. Je ziet dat ook terugkomen
in de gesprekken die ik nu heb rondom het mbo. Het is overigens ook een
gedeelde ambitie vanuit de sectoren zelf. Zij voelen een collectieve
verantwoordelijkheid om het onderwijs ook in de regio's van kwalitatief
hoogwaardig niveau te laten voortbestaan. Dat is dus niet iets waar wij
alleen top-down op moeten sturen. Ik merk echt dat dat een collectief
gedragen ambitie is.
De voorzitter:
Oké, helder. Ik zag de heer Van Houwelingen nog.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Er worden niet alleen studenten uit het buitenland gehaald, maar ook
wetenschappers. Daar gaat mijn vraag over. De NWO heeft het Tulp Fonds
ingericht om wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe te halen. Op
hetzelfde moment — dat weten we — worden er goed functionerende
Nederlandse wetenschappers aan Nederlandse universiteiten ontslagen
omdat er onvoldoende geld is. Is dat niet heel wrang? Hoe kan dat zo
zijn? Dat is mijn vraag.
Minister Letschert:
We hebben daar vorige week ook een mooi debat over gevoerd toen we het
hadden over het onderzoek binnen onze sectoren. Ik denk dat het
belangrijk is dat wij onze eigen wetenschappers vooral in het zonnetje
zetten voor het werk dat ze hier doen en ze het liefst ook stabiele
loopbaanpaden bieden. Tegelijkertijd is talent van buiten ook altijd
absoluut noodzakelijk. Dat geeft vaak nieuwe inzichten en nieuwe kennis
die ook ons eigen wetenschapssysteem enorm verrijken. Ik ben daar dus
groot voorstander van. Uiteraard is "balans" hier ook weer het
keyword.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Een korte vervolgvraag. Politiek is natuurlijk afwegingen maken. Mijn
vraag is nog niet helemaal beantwoord. Er worden op dit moment,
bijvoorbeeld bij het UCR in Middelburg, goed functionerende
wetenschappers ontslagen omdat er onvoldoende geld is. Op hetzelfde
moment halen we wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe met het
Tulp Fonds. Is het in het Nederlandse belang niet volstrekt logisch dat
we eerst onze eigen goed functionerende Nederlandse wetenschappers
behouden voordat we wetenschappers uit het buitenland hiernaartoe
halen?
Minister Letschert:
Nogmaals, ik denk dat het belangrijk is dat we die balans houden. Je
kunt wetenschappers die bijvoorbeeld bij een bepaalde instelling
mogelijkerwijs niet meer zouden kunnen werken niet zomaar een-twee-drie
ergens anders plaatsen. Dat heeft ook te maken met het type vakgebieden
dat instellingen nodig hebben. Volgens mij gaat het om balans. We moeten
zuinig zijn op de wetenschappers die we in Nederland in huis hebben. We
verrijken ons wetenschappelijke systeem en onze kennis door ook
wetenschappers uit andere landen de mogelijkheid te bieden om hier een
carrièrepad te bewandelen. Dat is altijd de kern van wetenschap geweest.
Het is internationaal. Het inspireert elkaar. Dat betekent dus niet dat
we onze Nederlandse wetenschappers uitsluiten.
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Afsluitend, voorzitter. Het is niet zo dat Nederlandse wetenschappers
overgeplaatst moeten worden naar andere universiteiten. Ik heb het hier
over wetenschappers, bijvoorbeeld van het University College Roosevelt —
dat weet ik heel zeker — die ontslagen worden omdat er onvoldoende geld
is. Die willen graag hun baan in Middelburg behouden, maar dat kan niet.
Dat is de situatie. Dat zou misschien wel kunnen als bijvoorbeeld geld
dat nu aan het Tulp Fonds is gealloceerd, voor dat soort Nederlandse
wetenschappers zou worden ingezet. Die keuze zouden wij maken.
Minister Letschert:
Ik denk dat de politieke afwegingen over bijvoorbeeld dit fonds anders
liggen bij de partij van de heer Van Houwelingen dan bij mijn partij.
Dat kan.
De voorzitter:
Gaat u verder. U heeft nog een klein aantal onderwerpen in het eerste
blokje, denk ik.
Minister Letschert:
Zeker. Eens eventjes kijken. We hebben het nu voldoende over de
talentstrategie gehad, denk ik.
Het LLO. We hebben in het debat over LLO, toen ik hier zat met de
minister van SZW en de staatssecretaris, waarbij het onder andere ging
over laaggeletterdheid, aangegeven dat er voor de zomer een brief naar
de Kamer komt waarin wij de integrale benadering van het hele LLO-domein
met u zullen gaan bespreken, omdat er ook in het coalitieakkoord vanuit
die drie ministeries beleidslijnen en initiatieven zijn opgenomen. Dan
gaat het over de leerrechten. Het gaat ook over het aanbod. Het gaat
over de discussie rondom publiek-privaat. In dat debat hebben we daar al
een mooi gesprek over gevoerd. Ik heb de punten die u toen met mij
gedeeld heeft ook ter harte genomen. Die zal ik uiteraard verder
meenemen bij de uitwerking van onze voorstellen. Die brede LLO-brief
komt voor de zomer uw kant op. Daarbij wil ik benadrukken dat de rol van
het vervolgonderwijs in dat aanbod wel heel belangrijk is, maar dan moet
het ze ook wel mogelijk worden gemaakt om die rol te vervullen. Dat is
niet altijd makkelijk, ook gezien de wettelijke mogelijkheden. Die
discussie hebben we gevoerd en die zullen we verder uitkristalliseren in
die beleidsbrief.
Dat was blokje één.
De voorzitter:
Dat was blokje één. Hartelijk dank. Dan gaan we verder met Oekraïne en
het bindend studieadvies. Er zijn geen interrupties, denk ik. Nee.
Minister Letschert:
Zeker. Ik wil graag beginnen met het bindend studieadvies. Daar is veel
over te doen, omdat er onlangs een onderzoek naar boven is gekomen …
Nou, naar boven is gekomen? Dat klinkt zo mysterieus. Het is uitgekomen,
moet ik zeggen. Sindsdien is er veel discussie over het bsa. Er is al
jaren een discussie over het bsa. Op verschillende momenten in de tijd
is door uw Kamer verschillend gewogen of de overheid daar een rol in
moet pakken, om daar voor de sector keuzes in te maken. Er is toen
besloten om de keuze bij de sectoren, de individuele instellingen, te
laten. Het is ook geen verplichting om een bsa toe te passen, het is een
keuze. Als je wil bevorderen dat studenten de eindstreep halen, zul je
die keuze niet alleen moeten maken via het bsa-instrument, maar dit ook
moeten inbedden in flankerend beleid, zoals studiebegeleiding, de opbouw
van het curriculum, de toetsing en de mogelijkheden tot herkansing. Dat
allemaal, niet alleen het bsa, leidt uiteindelijk tot studeerbaarheid en
slagingskansen van onze studenten.
Waarom zeg ik dat nu allemaal? Omdat ik van mening ben dat de
instellingen en opleidingen op dat niveau met elkaar het gesprek moeten
voeren of het bsa-instrument, gezien het onderzoek dat we kennen, past
bij de visie van de onderwijsinstelling. De medezeggenschapslagen, zowel
die op facultair niveau op de universiteiten als de centrale
medezeggenschappen, hebben een heel belangrijk adviesrecht. Dat is waar
het gesprek zou moeten plaatsvinden. Ik kan me voorstellen dat het feit
dat we hier met elkaar het debat voeren en het feit dat het zo veel in
het nieuws is, de instellingen uitdaagt om met hun medezeggenschap, waar
studenten, docenten, onderwijsondersteunend personeel en wetenschappers
samen met de facultaire of universitaire besturen het gesprek hebben,
richting te kiezen, in plaats van dat ik vanuit mijn ministeriële
verantwoordelijkheid top-down ga zeggen dat het bsa eruit moet. Dat ben
ik vooralsnog niet voornemens. Ik hoor wel heel graag hoe de Kamer in de
nieuwe samenstelling hiernaar kijkt. Daar sta ik uiteraard voor
open.
De voorzitter:
Allereerst is er een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik sloeg vooral aan op de laatste opmerking van de minister, omdat ze
het een beetje van zich afduwt in die zin dat het niet haar
verantwoordelijkheid is. Mijn vraag gaat over de besluitvorming rond het
bsa. Het is ingevoerd, terwijl de effectiviteit en doelmatigheid
onvoldoende was vastgesteld. Dat blijkt ook uit onderzoek. Wil de
minister op z'n minst onderzoeken hoe dit überhaupt tot stand is
gekomen? Daar ligt het probleem natuurlijk ook.
Minister Letschert:
Ik wil dit absoluut niet van mij afduwen. Maar er wordt in veel
discussies die wij met uw Kamer hebben, verwezen naar de belangrijke rol
van de medezeggenschap. Ik vind dat die hierin ook een belangrijke rol
heeft. Ik vind echt dat de medezeggenschap op die instellingen, die
gekozen is met de mandaten die daarbij horen, hier een stap kan, mag of
moet zetten. Nogmaals, dat is afhankelijk van de discussie en de manier
waarop het bij die instelling is ingebed in flankerend beleid. Het is
dus absoluut niet iets om weg te duwen. De samenstelling van uw Kamer is
inmiddels anders dan zoveel jaar geleden toen deze discussie vrij intens
werd gevoerd. Als uw Kamer daar nu anders over denkt, ga ik graag met u
in gesprek over de voorstellen die u met mij zou willen delen. Ik heb nu
zelf echter niet het voornemen om het bsa wettelijk te gaan
verbieden.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Kan de minister dan wel toezeggen om samen met de instellingen te kijken
naar mogelijkheden om studenten alsnog een studie succesvol te laten
volgen of passende alternatieven te zoeken? Kan ze toezeggen om dat
samen met instellingen te doen?
Minister Letschert:
Dat is al de verantwoordelijkheid. Dat is een dagelijkse … Ik ben niet
dagelijks met alle instellingsbesturen van al die instellingen in
gesprek. Maar dat is waarom je in het onderwijs zit: je wilt dat je
studenten de eindstreep halen. Als ze de minister nodig hebben om dat te
beseffen, heb ik met die instelling waarschijnlijk een heel ander
gesprek.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Het ging concreet om het bindend studieadvies. De minister wijst naar de
medezeggenschapsraad. Laat haar nu twee dagen geleden zeggen dat dat op
heel veel instellingen niet goed geregeld is. Mijn vraag is heel
concreet: als de Kamer af wil van het bindend studieadvies of in ieder
geval wil kijken naar een minder dwingende vorm, is de minister dan
bereid om samen met instellingen te onderzoeken hoe we dat kunnen
bewerkstelligen?
Minister Letschert:
Ik zit even na te denken. Het is nu namelijk geen verplichting. Het is
geen instrument dat een instelling móét toepassen. Stel dat ik nu
instellingsbestuurder zou zijn. Als ik dan weer een nieuw onderzoek zou
zien en de discussie in de samenleving en in de Kamer, dan zou ik zelf
dat gesprek actief opzoeken met mijn medezeggenschap en kijken of wij
dit goed ingebed hebben in alle mogelijkheden om studenten die
studiebegeleiding te geven. Als u mij vraagt of ik dat nog eens actief
met de twee sectoren wil bespreken, is mijn antwoord: uiteraard. Maar
als u mij nu vraagt of ik zelf een wet ga voorbereiden om het bsa er nu
uit te halen, is het antwoord: nee, dat zou nu niet mijn eerste stap
zijn.
De voorzitter:
Kunnen we dat als een toezegging noteren? Wanneer komt u daarop
terug?
Minister Letschert:
Ik weet niet zo goed welke toezegging u bedoelt.
De voorzitter:
Ik hoorde wel iets van een toezegging, waarbij u zei dat u breder dan
het bsa …
Minister Letschert:
Ja, dat is een goeie. We hebben met de Kamer afgesproken dat wij u op de
hoogte houden van thema's rondom studentenwelzijn. Er is ook een
Kamerbrief daarover in de maak. Die krijgt u voor de zomer. Ik kan in
mijn gesprekken met de koepels vragen hoe de gesprekken verlopen binnen
hun sectoren. Ik heb inderdaad het bericht van Zuyd Hogeschool rondom
het persoonlijk studieadvies gezien. Er werd mij vandaag ook gevraagd
wat de instellingen met elkaar delen over de ervaringen. Daar wil ik u
uiteraard over informeren. Daar zal ik ook proactief naar vragen, als
dat uw vraag is.
De voorzitter:
Daar ga ik van uit. Op welke termijn komt dat richting de Kamer?
Minister Letschert:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor de zomer van 2026?
Minister Letschert:
Dat zeg ik er nooit bij!
De voorzitter:
Maar ik vraag het nu wel! Ik noteer "2026".
Minister Letschert:
Zeker.
De heer Ergin (DENK):
De minister wijst naar de autonomie van onderwijsinstellingen, maar we
hebben hier te maken met een instrument waardoor minder studenten met
een diploma hun opleiding verlaten. Dat speelt name bij de
universiteiten, maar ook bij de hogescholen. Dat zou voor de minister
toch een zwaarwegend argument moeten zijn om in te grijpen, in plaats
van te wachten op een uitspraak van de Kamer? Waarom houdt de minister
de boot af?
Minister Letschert:
Deels omdat ik echt sta voor de autonomie van die instellingen, niet
alleen van de bestuurlijke laag, maar ook van de medezeggenschap. Er
zijn voldoende opleidingsomgevingen waar de studenten zelf niet willen
dat het bsa er bij hun opleiding af gaat, waar de slagingskansen en
-percentages van studenten heel hoog zijn. Er is niet één generieke
situatie. Mijn insteek is op dit moment als volgt. Iedereen in deze twee
sectoren heeft dit laatste onderzoek gezien. Er zijn meer onderzoeken
geweest. Neem die ter harte. Ga het gesprek aan met je medezeggenschap.
Ga kijken of het bsa zoals je dat op je eigen opleiding hebt gezet, past
bij het totaal aan interventies van de opleiding om te zorgen voor goede
studiebegeleiding en -advisering. Als je van mening bent dat het bsa
niet past en dat je het slagingspercentage en het studiesucces via
andere methoden kunt bevorderen, doe dat dan. Daar heb je op dit moment
geen uitspraak van de minister voor nodig.
De voorzitter:
Tweede interruptie van de heer Ergin.
De heer Ergin (DENK):
Het punt is dat het bsa niet leidt tot meer studiesucces. Als de vraag
was of er meer studiesucces moet komen, had ik begrepen dat de minister
wil kijken naar bepaalde elementen in het bsa. Na al die signalen is er
nu eindelijk een uitgebreid onderzoek waarin letterlijk wordt gesproken
over "een averechts effect". Dan kan ik niet begrijpen waarom de
minister het nog steeds heeft over de autonomie van
onderwijsinstellingen en niet zelf de regie neemt.
Minister Letschert:
Zoals ik net al zei, hangt het studiesucces niet alleen van het bsa af.
Het is een pakket aan maatregelen, interventies en voorzieningen die je
studenten biedt. Ik beveel alle instellingen aan om, daar waar op
opleidingsniveau het slagingspercentage laag is én er een bsa is, heel
goed naar deze studies te kijken en met de medezeggenschap het gesprek
aan te gaan of het bsa in het licht van de percentages die daar gelden
passend is, of er andere voorzieningen nodig zijn of dat het bsa eruit
moet. Nogmaals, geef de sectoren en de opleidingen — dit speelt namelijk
echt op opleidingsniveau — de ruimte om dit onderzoek, dat vorige week
pas uitkwam, te bespreken. Ik zal dat nauwlettend in de gaten houden. Ik
heb net toegezegd dat we dit proactief met de twee onderwijssectoren
bespreken. Daar zal ik u voor de zomer opnieuw over informeren. Als het
bsa bij een opleiding het effect heeft zoals u dat schetst, dan zou je
verplicht moeten zijn om of dat flankerend beleid in te richten, of het
bsa eraf te halen. Dat ben ik met u eens. Maar geef de sectoren nu ook
de tijd om de bevindingen van dit onderzoek tot zich te nemen. Nogmaals,
ik ben niet van de haastpolitiek. Vorige week kwam er een onderzoek uit
en dan zou ik nu meteen moeten zeggen: het bsa gaat eruit. Dat is niet
mijn stijl.
De voorzitter:
Goed. Dan gaan we nu naar mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik begrijp dat de minister zegt dat het wettelijk gezien aan de
instellingen is en dat de medezeggenschap daarbij een rol heeft. Daarbij
moet wel worden opgemerkt dat dat natuurlijk alleen een adviesrecht is.
Mijn vraag is meer: hoe weegt zij het onderzoek en wat vindt zij daarvan
als zij ziet dat het er vooral voor zorgt dat jongens weg moeten van een
opleiding — die hebben namelijk toch vaak wat meer tijd nodig — terwijl
ze het later wel blijken te kunnen?
Minister Letschert:
Als ik instellingsbestuurder zou zijn, zou ik dit onderzoek serieus
nemen en daar met de medezeggenschap en de opleidingsdirecteuren over
gaan praten. Dan over het adviesrecht. Ook al is het geen instemming,
maar als je een negatief advies krijgt van je medezeggenschap, moet je
wel een heel goed verhaal hebben om toch door te gaan. Dus een negatief
advies van je medezeggenschap is voor mij geen te negeren
statement.
De voorzitter:
Mevrouw Rooderkerk heeft geen vragen meer, dus dan gaan we naar de heer
Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik denk dat in de media het beeld is ontstaan dat het verplicht is om
een bsa te hebben. Ik denk dat het goed verwoord is dat dit niet zo is,
maar dat universiteiten en hogescholen dat wel hanteren, zij het divers.
Ik denk dat dan het volgende veel beter is. Mijn vraag is eigenlijk: wil
de minister regie nemen om met de instellingen en organisaties na te
denken over hoe je dan komt tot flankerend beleid om te stimuleren dat
studenten intrinsiek bereid zijn om te komen tot de afronding van hun
studie? Er moet wel een stok achter de deur zijn. "Een" stok achter de
deur; dat hoeft geen bsa te zijn. Mijn vraag in mijn eerste termijn was
ook als volgt. Voorzitter, ik blijf gewoon doorpraten, want ik ga hierna
toch weg.
Minister Letschert:
Nou, wat jammer.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, maar overigens pas na het antwoord. Zuyd Hogeschool heeft
bijvoorbeeld een persoonlijke benadering en volgens mij helpt dat veel
beter om een student erdoorheen te krijgen. Is de minister het daarmee
eens?
Ten tweede denk ik dat opleidingen en medezeggenschap niet alleen
adviesrecht hebben. Bij de totstandkoming van de OER kan de
medezeggenschap het oordeel vellen of ze het eens is met de OER of niet
en in dat laatste geval moet het assessmentprogramma worden aangepast.
Daarin kunnen heel veel drempels zitten die ervoor zorgen dat studenten
de opleiding niet halen. Ze hebben wel zeggenschap en niet alleen
adviesrecht. Ik wil even bij de minister toetsen of het klopt wat ik nu
zeg.
Minister Letschert:
Mijn hersenen zijn aan het malen. In de tijd dat ik nog rector was, wist
ik dit altijd meteen en precies. Als het bsa altijd in de OER zit, heeft
u gelijk en ligt de facultaire instemming op dat vlak. Houd mij even ten
goede.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Los van het bsa kun je in je curriculum natuurlijk drempels inbouwen
waar een student overheen moet om te komen tot een x-aantal studiepunten
en door te mogen in het eerste of naar het tweede, derde of vierde jaar.
Daarbij heeft de medezeggenschap volgens mij gewoon instemmingsrecht en
niet alleen adviesrecht. Ik wil de minister dus meegeven dat er heel
veel middelen zijn waarmee een organisatie wel kan sturen zonder dat we
direct iets doen met dat bsa, want eigenlijk is dat maar een
dingetje.
Minister Letschert:
Dat kan ik beamen. Ik dacht dat de heer Claassen net wilde weten of het
bsa in de OER zit. Ik heb net het Kamerlid Abdi toegezegd dat ik dit in
het bestuurlijk gesprek dat ik heb met de twee onderwijssectoren op
tafel ga leggen. Absoluut.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb één korte vraag. Wil de minister ook meenemen dat het soms heel
verstandig is om een bindend studieadvies te krijgen, omdat je gewoon op
de verkeerde studie zit?
Minister Letschert:
Of ik dat mee wil nemen?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou ja, in alles waarmee u bezig bent en waarmee u straks gaat
terugkomen naar deze commissie.
Minister Letschert:
Zeker. De vraag is dan alleen welk instrument het meest effectief is om
die boodschap mee af te geven. Ik denk dat we daar de discussie over
hebben. Een eenzijdig instrument gaat 'm niet worden. Dat probeer ik ook
te betogen. Het heeft echt een inbedding nodig in een breder palet aan
voorzieningen die instellingen bieden aan studenten. Dat gaat via de
studieadviseurs en via de studentenpsychologen. Er zijn allerlei
manieren om studenten bij je te houden, te begeleiden en op enig moment
in het belang van de student ook te kunnen zeggen: deze studie is het
wellicht niet voor jou; wat als we nu eens gaan bekijken welke studie
wel zou passen? Dat zit trouwens ook in die bsa-route. Hoe kan je daar
de voorlichting proactief op voeren? Dat zal ik graag meenemen.
De voorzitter:
Oké, helder. Ik denk dat u in het tweede blokje nog wat over Oekraïense
studenten heeft of wellicht nog meer over het bsa?
Minister Letschert:
Nee, meneer de voorzitter, ik denk dat we het onderwerp bsa voor nu
kunnen afsluiten. Dat voel ik aan. Dat is prima.
Oekraïne is een heel belangrijk onderwerp. Ik begrijp helemaal de zorg
vanuit de Kamerleden Abdi en Rooderkerk, en ik voel ook wel de
frustratie en misschien een beetje woede over de vraag waarom het
kabinet nog geen uitsluitsel heeft gegeven over wat te doen met de groep
scholieren die zich nu aan het oriënteren is op een mogelijke studie in
Nederland, waarvoor nu de oriëntatiefase loopt. Kamerlid Abdi noemde ook
de deadline van 1 mei. Ik kom dadelijk op de fase waarin het kabinet
zit, maar ik wil eerst een kleine nuance aanbrengen, namelijk dat
studenten tot 1 mei het recht hebben om te worden toegelaten als ze
voldoen aan de toelatingseisen die daarbij horen. Na 1 mei kan je je nog
steeds inschrijven. Dan is het geen recht meer, maar is het aan de
instelling om in gesprek met de student te bepalen of die alsnog kan
worden toegelaten. Met betrekking tot die periode rond 1 augustus en 1
september is er dus nog wel een mogelijkheid om studenten alsnog aan die
instelling toelaatbaar te laten zijn.
Maar dat was niet de achtergrond van uw vraag. Die was: hoe zorgen we
nou dat die scholieren die binnenkort hun examen halen het verlaagde
collegegeldtarief van €2.600 zouden mogen betalen in plaats van de om en
nabij €10.000 — soms is het, afhankelijk van het type opleiding, iets
meer — die voor studenten geldt die niet uit Europese Unie komen? In de
berekeningen die wij gemaakt hebben, zou het gaan om een groep van in
totaal bijna 10.000 potentiële studenten. Nu wordt het misschien heel
akelig, omdat het over geld gaat. Het gaat in totaal 100 miljoen euro
kosten — dat is dus serieus geld — als wij die groep de garantie zouden
willen geven dat als zij zich inschrijven, wij de kosten op ons nemen
van het bedrag waarmee wij de instellingen subsidiëren als zij
uiteindelijk voor dat lagere collegegeld instromen. Wij zijn met het
kabinet op dit moment echt nog steeds in gesprek over de vraag of wij
dekking zouden kunnen vinden voor dat bedrag. Het kabinet en onze
minister-president hebben al meerdere keren geuit dat wij onze
verantwoordelijkheid voor de Oekraïense inwoners en de mogelijke
studenten serieus nemen.
Wij moeten ook nog een besluit nemen over de rechten van Oekraïense
ontheemden na maart 2027. Dan loopt namelijk de tijdelijke bescherming
vanuit die EU-richtlijn, die Richtlijn Tijdelijke Bescherming, af.
Daarin loopt ook de discussie over het wettelijke collegerecht vanaf die
periode mee. Je zou willen dat het dan voor die groep duidelijk is welk
type collegegeldtarief gaat gelden. Het vorige kabinet heeft aangegeven
dat de Oekraïense ontheemden onder het lagere wettelijk collegegeld
zouden vallen. In het coalitieakkoord is dat omarmd. Bij de bespreking
van de Miljoenennota voor dat jaar gaan wij daar met de Kamer opnieuw
over in gesprek. Dat lost op dit moment nog even niks op voor de groep
die nu aan de lat staat om mogelijk te gaan studeren. Nogmaals, ik ben
nog met het kabinet aan het bekijken wat er eventueel mogelijk is voor
deze groep, maar daarover heb ik nu nog geen uitsluitsel.
Als laatste wil ik nog noemen dat ik de afgelopen weken heb gesproken
met de onderwijssectoren, die zelf een mogelijkheid hebben om het lagere
collegegeldtarief aan te bieden. Meerdere instellingen doen dat ook. Ik
wil niet de volledige verantwoordelijkheid bij hen leggen. Dat zou
makkelijk zijn, zo van: jij regelt het niet; ga het dan nou maar in de
onderwijssector regelen. Maar er zijn meerdere onderwijsinstellingen in
hbo- en wo-land die dat doen. Nogmaals, een andere aanpak zou ook vanuit
hun oogpunt beter zijn.
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Heel kort. Ik vroeg natuurlijk aan de minister: hoe heeft dit kunnen
gebeuren? Ik vroeg dus eigenlijk meer om een reflectie op het feit dat
we het sinds de aangenomen motie en sinds het coalitieakkoord nu pas
hebben over de aantallen en wat daar mogelijk voor nodig is. Wat is er
al die tijd eigenlijk concreet gedaan? Dat was mijn concrete
vraag.
Minister Letschert:
Het is toch best een flinke financiële claim en daar moet ik dekking
voor vinden. Dat klinkt heel basaal, maar dat is wel zo. Wij voelen ons
er ook niet comfortabel bij om te kijken naar mogelijke scenario's om
die groep kleiner te maken, want dan ga je onderscheid maken binnen die
groep. Ook hebben we gekeken naar voorstellen vanuit uw Kamer, die
vanuit het oogpunt van gelijkwaardigheid toch niet de voorkeur van het
ministerie hebben. Je wilt de dekking dus eigenlijk voor de totale groep
gereed hebben. Daar ben ik op dit moment nog mee bezig, maar ik heb 'm
nog niet; daar wil ik ook eerlijk in zijn.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dat begrijp ik. Ik hoor het de minister zeggen. Ik val in herhaling,
maar dit gaat ook over het voorwerk dat is gedaan. Hoe komt het dat we
het nu pas hebben over ramingen en dekkingen? Wat is er nou concreet
gebeurd sinds die motie is aangenomen en het vorige kabinet heeft
aangegeven: we gaan dit regelen? Waarom is het tot op de dag van vandaag
dan niet geregeld?
Minister Letschert:
Ik ben even mijn herinnering aan het opfrissen aan de tijd toen ik hier
nog niet was. "Dat is knap", hoor ik mevrouw Keijzer zeggen. Wat ik weet
is dat er in de gesprekken, ook nu in de huidige Taskforce Asiel en
Migratie, wordt gekeken naar verschillende domeinen als het gaat om
vergoedingen. Daarbij kan het gaan om huisvesting of zorg, maar ook
onderwijs is daar een onderdeel van. In de eerdere gesprekken echter is
dat naar mijn weten niet op die manier, zo scherp als wij het nu met
elkaar doen, sinds de tasforce er is, besproken. Ik kan voor u wat beter
op een rij zetten wat er sinds de motie is gebeurd. Uiteraard ben ik
bereid om u dat op papier toe te sturen, want zover gaat mijn
herinnering niet terug. Ik weet wel dat we sinds het aantreden van het
huidige kabinet met elkaar, ook binnen de coalitie, gesprekken hebben
over hoe we ervoor kunnen zorgen dat we ook voor deze groep, voor wie
opleiding zo belangrijk is, iets kunnen doen zodat ook zij tegen dat
lagere collegegeld kunnen instromen. Tegelijkertijd gaat het ook weer
niet om een dusdanig klein bedrag dat het meteen op die manier geregeld
kan worden. Dat is het eerlijke verhaal.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Afsluitend. Eigenlijk vind ik het gewoon teleurstellend, als ik heel
eerlijk ben. Ik had gehoopt dat de minister zou zeggen: we gaan het
inderdaad regelen. Nu hoor ik de minister weer zeggen "mogelijk" en
"grote bedragen". Ik denk dat we met elkaar kunnen vaststellen dat er
een meerderheid is en dus steun voor het kabinet om dit mogelijk te
maken. Ik doe bij dezen dus de dringende oproep om niet langer te
wachten en te dralen maar om te komen met een gepaste structurele
regeling, want het gaat hierbij ook om het nakomen van beloftes door de
overheid en de betrouwbaarheid van de overheid. Dat wil ik de minister
dus echt nog een keer op het hart drukken.
Minister Letschert:
Ik heb dat goed opgeslagen.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dan kunt u dat in uw volgende herinnering weer meenemen.
Zullen we dat dan maar afspreken? Dit was het tweede blokje, over het
bindend studieadvies en Oekraïense studenten. Dan gaan wij verder met
het derde blokje.
Minister Letschert:
Ik hoor de bel. Pauze?
De voorzitter:
Nee, de groeten. Uw werkdag eindigt pas aan het eind van de dag. Het
derde blokje gaat over bezettingen en sociale veiligheid. We gaan gewoon
door!
Minister Letschert:
We gaan van het ene mooie thema naar het andere. Aanstaande dinsdag
hebben wij een debat in de Kamer over het rapport van de Taskforce
Antisemitismebestrijding. Die taskforce hield zich bezig met de
veiligheid op Nederlandse universiteiten en hogescholen en op onze
stations. Ik geloof dat uw Kamer voor het weekend verder geïnformeerd
wordt over de reactie van het kabinet op de aanbevelingen van die
taskforce. Daar gaan we aanstaande dinsdag met elkaar het debat over
voeren. Daar kijk ik absoluut naar uit. Ik ga nu ook al wel het een en
ander zeggen, want ik wil u allemaal niet tot dinsdag laten wachten.
Sinds ik deze functie vervul, heb ik al een aantal keren met
vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap en met Joodse studenten
gesproken, ook ter voorbereiding van de reactie van het kabinet op de
aanbevelingen van de taskforce. Daar was ik overigens, totdat ik
informateur werd, zelf lid van. Daarna ben ik eruit gestapt. Het raakt
je enorm als je de studenten spreekt die aangeven dat ze op de campussen
hun identiteit niet meer durven te laten zien en die ervoor kiezen hun
eigen identiteit te verhullen, omdat ze zich onveilig voelen op de
instelling waar ze zelf studeren. Dat raakt denk ik iedereen die dat
soort verhalen hoort. Als kabinet hebben we daarin dus een opdracht,
maar ook binnen de onderwijssector hebben we een opdracht. Geen enkele
onderwijsinstelling wil namelijk dat studenten, met welke vorm van
discriminatie ze ook te maken hebben, hun eigen identiteit zouden moeten
verhullen. Laat ik dat als eerste zeggen.
Ook begrijp ik het ongenoegen en de frustratie vanuit de Kamer over hoe
bepaalde vormen van demonstraties ontaarden in bezettingen, die
veiligheidsproblemen met zich meebrengen en die ervoor zorgen dat
onderwijs in bepaalde gebouwen moet worden uitgeroosterd, en die
intimidatie opleveren voor medewerkers die in die gebouwen werken. Dat
heeft allemaal niks meer met demonstreren te maken. Dat heeft te maken
met het misbruiken van het recht op demonstreren in ons land, wat ik een
enorm belangrijk grondrecht vind. Dat mag ook schuren. Ik heb zelf veel
studie gedaan naar het recht op demonstreren: wanneer houdt schuren op
en ben je ook andere wetten aan het overtreden? Of: wanneer heb je te
maken met botsende grondrechten, namelijk van het demonstratierecht en
het recht op onderwijs? Die kunnen botsen. Dat is niet altijd zwart-wit,
en het is ook vanuit bestuurlijk oogpunt soms best ingewikkeld om dan
tijdig de juiste route te kiezen. Ik denk dat instellingen in de
afgelopen jaren, door schade en schande wijs geworden, geleerd hebben
hoe zij daarmee moeten omgaan.
Je ziet tegenwoordig ook dat instellingen veel sneller de grens aangeven
van wat begint als een demonstratie en eindigt in een bezetting, met
mogelijke veiligheidsconsequenties en repercussies voor de staf die
binnen die gebouwen werkt. Dat uitte zich bijvoorbeeld afgelopen week
aan de Universiteit Maastricht, waar de bezetting binnen een dag tot een
einde werd gebracht. Ik hoorde een van de Kamerleden wat verbaasd
zeggen: waarom ga je dan nog onderhandelen? Dat woord is dan ook niet
altijd goed gekozen, want het is vaak niet eens onderhandelen. Het is de
groep zelf bewegen om het gebouw te verlaten, zonder dat de hele lokale
driehoek — dat vergt ook weer veel capaciteit — in actie moet komen. Dat
is eigenlijk het gesprek dat je voert. Als dat niet lukt, dan neemt de
lokale driehoek het over. Ik hoef u niet uit te leggen wat er dan voor
situaties kunnen ontstaan.
Nogmaals, wij gaan daar aanstaande dinsdag zeker langer met elkaar over
doorpraten. In dat debat zal ik ook aangeven hoe ik de rol van mijzelf
als stelselverantwoordelijke zie. Ik zal aangeven hoe ik mijn rol zie
ten aanzien van de bestuurlijke verantwoordelijkheden die instellingen
hebben en de verantwoordelijkheden van de lokale driehoek. Op dat vlak
is heel veel geleerd, maar dat kan nog steeds beter. Aanstaande dinsdag
zullen we zeker het gesprek met elkaar voeren over de vraag waar dat dan
in zit, waar dat nog beter kan en wat daarin de rol is van mij als
minister — en uiteraard van de minister van JenV. Daarom gaan wij ook
samen met u dat debat voeren.
Ook ga ik dan met u praten over de rol van de huisregels. Die regels
zijn er niet voor niks. Universiteiten en hogescholen hebben huisregels.
Dat betekent ook dat je geen gebouwen mag vernielen, geen graffiti op de
muren mag spuiten, geen staf naar buiten mag jagen en niet met
gezichtsbedekkende kleding naar binnen mag gaan. Hoe kan het dan dat in
de ogen van de samenleving of van de Kamer niet altijd opvolging wordt
gegeven aan die huisregels? Die zijn er immers niet voor niks. Daar
zitten ook allerlei dilemma's in. Dat is soms bijvoorbeeld het geval als
het gaat over het identificeren van degenen die iets bezet hebben en
over het vrijgeven van de identificatie van die personen aan de
instellingen. Soms weet je niet eens om wie het gaat als je je
huisregels wil toepassen, maar de huisregels zijn er. Er zijn ook
ordemaatregelen mogelijk. Dan gaat het over schorsing, over iemand
verwijderen van de opleiding en ook over routes buiten de eigen
huisregels. Op het moment dat je een student of een medewerker die
bijvoorbeeld graffiti op je muren spuit op heterdaad betrapt, kun je als
instelling aangifte doen.
Instellingen doen dat ook. Het gaat dan niet alleen om aangifte voor die
vernieling, maar ook om het claimen van de schadevergoeding via de
civiele route. Het kost namelijk enorm veel geld om elke keer al die
muren weer schoon te maken. Instellingen doen dat dus. Misschien hebben
instellingen te weinig genoemd dat dat gebeurt. Soms is er ongeloof bij
mensen in de samenleving en ook bij uw Kamer over hoe daar wordt
opgetreden. Dat begrijp ik. Nogmaals, daar zullen we wat mij betreft
aanstaande dinsdag breder het debat over voeren. Dan kent u ook de
reactie op alle aanbevelingen en dan is de minister van JenV er als het
gaat over de rol van die driehoek en de bestuurlijke
verantwoordelijkheid binnen de instellingen.
De voorzitter:
Dat was dit blokje. Mevrouw Keijzer heeft een interruptie.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat klinkt allemaal goed, maar wat doet de minister vervolgens? Toen zij
nog werkte aan de universiteit van Maastricht was er wel ruimte voor een
kantoortje voor pro-Palestinademonstranten, maar met Israëlische
wetenschappers was het toch wel erg ingewikkeld allemaal. Vorige week
zei ze nog als antwoord op een vraag van mij: als je de ene toestaat,
moet je de andere ook toestaan.
Minister Letschert:
Ik wil heel graag met mevrouw Keijzer een keer de specifieke context van
Maastricht bespreken vanuit mijn vorige rol als bestuurder. Dat lijkt me
sowieso interessant. Ik denk niet dat dit de gelegenheid daarvoor zou
zijn. Ik zit hier nu ook in een andere rol. Dan zou ik me nu namelijk
gaan verdedigen vanuit die rol. Ik denk dat dit niet de plek daarvoor
is. Pro-Palestijnse demonstraties mag je toestaan. Ik ben heel vaak
trots geweest op studenten die zich uitten, ook als het gaat over wat
zij in het Midden-Oosten aanschouwen. Tegelijkertijd moeten instellingen
er ook voor zorgen — we hebben het vorige week in het debat ook gehad
over de pluriformiteit van opvattingen — dat er ruimte is voor
Israëlische of Joodse sprekers om hun verhaal te kunnen houden en dat
dit op een zorgvuldige en veilige manier gebeurt. Dat is op
verschillende momenten verkeerd gegaan, soms om redenen die met
veiligheidsmaatregelen te maken hadden omdat die niet gegarandeerd
konden worden. Dat is erg zat; dat wil ik hier ook bij zeggen. Dat is
erg zat. Maar zo zwart-wit als het soms misschien overkomt, is het ook
weer niet altijd. Ik moet daar als minister voor staan en daar moeten de
sectoren ook voor staan. Vorige week hebben we er in het debat met
elkaar over gesproken dat de rectoren van de veertien instellingen een
traject in gang hebben gezet. Dat doen ze om die schurende gesprekken en
de dialoog over onderwerpen waarbij je van tevoren weet dat je het
daarover totaal oneens gaat zijn, gegarandeerd een plek te blijven geven
binnen die universiteiten. Daarover verschillen we, denk ik, helemaal
niet zoveel van mening.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat wij niet van mening verschillen is mooi, maar wat doe je er
vervolgens mee? Voor een pro-Israëlische activist, Rawan Osman, en een
Joodse student, Kestenbaum, is geen ruimte, maar wel voor pro-Palestina…
— ik zeg even "slopers", want daar gaat het soms bijna om. Je kunt niet
aan de ene kant belijden dat je daarmee gelijk moet omgaan en dat
vervolgens niet doen. Dan wordt het voor mij gewoon ingewikkeld om naar
deze minister te luisteren, want ik houd ervan dat je, als je a zegt,
ook a doet.
Minister Letschert:
Ik begrijp mevrouw Keijzers behoefte om op die specifieke situatie
dieper in te gaan. Nogmaals, daar ben ik graag toe bereid. Maar ik denk
niet dat dit de plek is om vanuit een soort verdedigend perspectief en
vanuit mijn oude functie de feiten die er toen waren en die tot die
overwegingen hebben geleid, te bespreken. Daar is dit Kamerdebat volgens
mij niet voor bedoeld. Wat u van mij mag verwachten, is dat ik als
minister en als verantwoordelijke voor het stelsel, met die sectoren
voor het volgende zorg. Op het moment dat er geen ruimte is om vanuit
verschillende perspectieven bepaalde thema's met elkaar te bespreken,
falen we als wetenschappelijk systeem. Daar mag u mij verantwoordelijk
voor houden. En nogmaals, ik bied graag aan om dieper met u in gesprek
te gaan over die specifieke situatie, die naar mijn mening toen
uitlegbaar was. Daar mag u uiteraard iets anders van vinden, maar ik zou
daar niet het hele debat aan willen wijden.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Tot slot, voorzitter. Trauma-arts Frenkel was ook niet welkom in
Amsterdam. Als je elke keer redenen hebt waardoor Israëlische
wetenschappers niet kunnen komen, terwijl — laat ik het maar gewoon
zeggen — rapaille universiteiten sloopt en je die wel toelaat, dan gaat
er iets mis. Ik vind dat deze minister, als zij wetenschap en gelijke
berechting hoog in het vaandel heeft, ook moet zorgen dat haar daden
daarmee in overeenstemming zijn. Genoeg voor nu. Volgende week hebben we
hier weer een debat over, maar dan wil ik gewoon van deze minister horen
hoe ze dit gaat regelen. Want het is om je kapot voor te schamen.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer, dit was uw tweede lange interruptie. Dan weet u dat
even. Een reactie van de minister.
Minister Letschert:
Nee, meneer de voorzitter. Ik kijk uit naar dinsdag.
De voorzitter:
Dat was een korte reactie. Ik ga naar de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zei net dat veiligheidsmaatregelen niet gegarandeerd konden
worden en dat dat al erg genoeg is. Dat ben ik natuurlijk helemaal met
haar eens. Kan zij nader uitleggen wanneer veiligheidsmaatregelen niet
konden worden gegarandeerd, hoe vaak dat is gebeurd en wat we daaraan
gaan doen?
Minister Letschert:
Dan gaat we toch te veel in op één incidentele casus waar ik toevallig
alles van weet. Dus daar reageerde ik op. Volgens mij is dit debat daar
niet voor. Ik zit hier als minister; ik zit hier niet als voormalig
universiteitsbestuurder. Als u meer inzicht wil in de specifieke
situatie waar uw collega-Kamerlid naar verwijst, dan ben ik uiteraard
bereid dat te delen. Maar dat was geen generiek statement.
De heer Boomsma (JA21):
Oké, want dat vroeg ik me even af. Ik hoef niet per se op dit moment dat
incident helemaal uit te diepen. Dat heb ik begrepen. Dat kan op een
ander moment. Maar de minister zegt dat veiligheidsmaatregelen niet
gegarandeerd konden worden. Ook als dat één keer voorkomt, is dat
natuurlijk wel reden tot zorg, voor ons allemaal.
Minister Letschert:
Absoluut, dat deel ik. Dat zei ik net ook een aantal keer: het kan niet
zo zijn dat je als universiteit niet meer garant kan staan voor het
voeren van debatten over welk thema dan ook, ook al zijn die zo schurend
als het maar kan. Daar is een universiteit voor. Punt.
De voorzitter:
Punt. Kijk eens aan. Afsluitend nog, meneer Boomsma?
De heer Boomsma (JA21):
Dan is dat wel een hele belangrijke gezamenlijke opdracht.
Minister Letschert:
Daar ben ik het helemaal mee eens.
De voorzitter:
Gaat u verder. We zijn bij het vierde blokje, denk ik dan, over
studiefinanciering, stages, compensatie en DUO.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter, met uw toestemming ga ik nog een kort antwoord
geven op de vraag van Kamerlid De Beer over de wettelijke zorgplicht
sociale veiligheid. U vroeg: wanneer komt u met uw wet daarvoor? Mijn
voorgangers begonnen al met het uitwerken van die wettelijke zorgplicht
in een soort verkennende fase. Ik ben op dit moment bezig met het verder
uitwerken van een manier waarop zo'n wettelijke zorgplicht zo effectief
mogelijk kan worden vormgegeven zodat het niet een soort gedrocht wordt
waar de sectoren eigenlijk helemaal niet mee geholpen zijn. In die fase
van de besprekingen zitten we. Dat betekent dat de informatie omtrent
dat wetsvoorstel na de zomer uw kant op komt. Maar u krijgt heel veel
voor de zomer, dus misschien is het goed om het rondom een aantal
onderwerpen wat te gaan faseren.
De voorzitter:
Kunt u "na de zomer" wat specifieker maken?
Minister Letschert:
In de herfst. Een mooi seizoen.
De voorzitter:
De herfst. Wanneer loopt de herfst eigenlijk af?
Minister Letschert:
Ik hoor: op 21 december. Dan pas? Ja, dan begint de winter.
De voorzitter:
Goed. U gaat ook een beetje over de scherpte van de toezegging, samen
met mij. Maar als u hiermee kan leven, dan gaan we dat noteren. Gaat u
verder, minister.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Dan gaan wij naar de verschillende vragen over de
studiefinanciering. We hebben ook nog het studentenleenstelsel. Ik heb
alles zo goed als mogelijk verzameld, maar hoor het graag als dat niet
zo is.
We hebben in het coalitieakkoord twee maatregelen genomen ten aanzien
van de positie van studenten en de wijzigingen die het kabinet wil
aanbrengen in de studiefinanciering. Eén maatregel is bedoeld om met
name de positie van uitwonende studenten te verbeteren. Wij denken er nu
aan om de basisbeurs voor uitwonende studenten te verhogen met een
bedrag van €50. Nogmaals, in de beleidsbrief bespreek ik de voornemens.
Dan ga ik daar graag dieper met u op in. Daarnaast hebben we in het
coalitieakkoord een maatregel opgenomen rondom de rentemaatregel. Ook
die zijn we momenteel aan het uitwerken en komt uw kant op.
Tegelijkertijd ben ik me er uiteraard van bewust dat er bij uw Kamer en
uw voorgangers veel vragen leven en wensen zijn ten aanzien van de
financiële positie van studenten en het gelijktrekken van de financiële
positie van studenten in het mbo, hbo en wo. Er is meerdere malen
gepleit voor een verhoging van de studiefinancieringsbedragen voor alle
studenten. Dat hebben we meerdere keren in Kamerbrieven voor u in kaart
gebracht, inclusief de kosten die daarmee gepaard gaan.
Als je het mij vraagt, willen we het allemaal goed regelen voor
studenten. We willen allemaal dat studenten geen stress krijgen doordat
ze het einde van de maand niet halen of omdat ze te veel moeten werken
om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Tegelijkertijd zijn de
basisbeurs en de uitwonendenbeurs ook niet bedoeld om het volledige
levensonderhoud van studenten te kunnen opvangen. Er is een soort
driehoek van ouders, studenten en de studiefinanciering om ervoor te
zorgen dat je in je levensonderhoud kan voorzien. Als je het deel van
ouders niet hebt, kun je gebruikmaken van de aanvullende beurs of het
onderdeel van de leningen.
Het eerlijke verhaal is ook dat we op het moment dat we alles gelijk
zouden willen trekken, een heel ander dekkingsverhaal met elkaar te
bespreken hebben. Dat gaan we uiteraard met elkaar doen op het moment
dat het kabinet komt met de plannen voor de middelen die het voornemens
is in te zetten. Ik kan me zo voorstellen dat we op dat moment met
elkaar het gesprek hebben over de vraag of de weging die wij als
coalitie gemaakt hebben, overeenkomt met de weging die uw Kamer zou
maken. Dat is dan weer het voordeel van werken met een
minderheidscoalitie, want u heeft daar absoluut ook iets over te zeggen.
Nogmaals, de inzet van het kabinet is de uitwonende beurs verhogen en de
rentemaatregel uitwerken. Ik ga heel graag met u in gesprek over de
voorkeuren die u heeft en de vraag of u daar andere keuzes in zou willen
maken. Ik denk alleen dat we dat moeten doen op het moment dat die brief
er ligt.
Meneer de voorzitter. Kamerlid Rooderkerk vroeg hoelang het dan duurt
als de maatregel ten aanzien van de uitwonendenbeurs door de Kamer zou
komen. Dan heb je toch te maken met een wetswijziging. Ik dacht dat het
misschien heel makkelijk zou zijn, omdat je een bedrag verandert. Dat
lijkt niet zo te werken, want daar staat toch weer twee jaar voor. Dat
betekent dat dit op zijn vroegst vanaf het studiejaar 2028-2029 zou
kunnen werken. Als ik het kan versnellen, doe ik dat, maar dit zijn wel
routes waar wetswijzigingen doorheen gaan. Dat is het eerlijke
antwoord.
Meneer de voorzitter. Dan heb ik nog een antwoord met betrekking tot de
motie-Straatman c.s. die oproept om een wetswijziging te verkennen
rondom de doorstroom van de hbo-bachelor naar de wo-master. Deze
verkenning gaan wij uiteraard uitvoeren. Die loopt al voor een deel. We
moeten kijken wat er juridisch en uitvoeringstechnisch nodig is om dat
te doen. Wat zijn de gevolgen voor de doorstroom naar de wo-master als
wij hiervoor zouden gaan? Als ik dat weet, kan ik ook inschatten wat die
maatregel zou gaan kosten. Ook hiervoor moet dekking gevonden worden.
Die dekking heb ik op dit moment niet in mijn begroting zitten. Wij gaan
dan ook weer met elkaar het gesprek hebben over de vraag of die weging
op de juiste manier gedaan is. Die verkenning komt in hetzelfde
najaar.
Kamerlid Hamstra vroeg naar de problemen van studenten met een
gokverslaving die de studiefinanciering gebruiken voor hun
gokverslaving. Volgens mij was dat de link die u maakte. Wij zijn binnen
het ministerie bekend met die problematiek. We weten niet hoe groot die
groep studenten is. Ik heb mij laten informeren dat het soms voorkomt
dat DUO van een betrokkene het verzoek krijgt om de studiefinanciering
stop te zetten. DUO heeft niet zelf de bevoegdheid om dat te doen;
alleen de student zelf kan de studiefinanciering stopzetten. DUO kan
uiteraard ook niet controleren waar een student de studiefinanciering
aan besteedt. De betrokkenen die dat mogelijkerwijs melden, zijn dan ook
de personen die in dat soort situaties de hulplijn bieden bij een
behandeling voor verslaving of bij de financiële begeleiding die nodig
is. Het is heel lastig om DUO daarvoor aan te kijken. Als het gaat om
kansspelverslaving, weet u wellicht al, meneer de voorzitter … O,
excuses. Dat is een slechte link! Als het gaat om kansspelverslaving
kunnen mensen en hun familieleden bij de Kansspelautoriteit een gokstop
aanvragen. Dan kun je namelijk een halfjaar niet meer gokken op
goksites, in speelhallen en in casino's. Dat is wat ik nu te bieden heb
op deze vraag.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Er zijn spookstudenten: studenten die wel ingeschreven staan, maar die
feitelijk niet studeren. Daar heb ik ook mails over ontvangen. Zij
kunnen nog wel leningen krijgen via DUO, terwijl ze die bijvoorbeeld
kunnen gebruiken om te gokken. Ik hoor van ouders dat ze daar niks tegen
kunnen doen. Dat is misschien heel veel detail voor deze vraag, maar
wellicht wil de minister daar eens naar kijken. Ik vind dat namelijk wel
zorgelijk.
De voorzitter:
Wil de minister daarnaar kijken?
Minister Letschert:
Ja, ik wil daar zeker naar kijken. Ik heb daar nu ook geen antwoord op.
Ik zou dus buiten mijn boekje gaan als ik daar nu op zou
antwoorden.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Kan het misschien in de tweede termijn, en anders in een verzamelbrief?
Ik kan de informatie sowieso toesturen. Ik denk wel dat het goed is om
te kijken naar het feit dat dit gebeurt en dat er niks tegen te doen
is.
De voorzitter:
Volgens mij is uw vraag dus eigenlijk: wanneer komt dit terug?
Minister Letschert:
Ik zou voorstellen om dit in een soort verzamelbrief op te nemen. Anders
zou ik nu namelijk snel DUO moeten bellen. Dan krijgen we misschien ook
een half antwoord.
De voorzitter:
Als u een appje stuurt, krijgt u dat in uw rol als minister
gelijk.
Minister Letschert:
Ja, maar als ik de vraag van meneer Hamstra begrijp, zit hier echt een
zorg. De vraag van mevrouw Rooderkerk gaat ook de kant van die zorg op.
Ik wil dan eigenlijk wel wat tijd hebben om daar met de betrokken
ambtenaren over te praten, zodat we een serieus en heel doorwrocht
antwoord uw kant op kunnen sturen, in plaats van dat ik nu misschien een
heel snel antwoord krijg. Dat zou mijn voorkeur hebben.
De heer Hamstra (CDA):
Ik ben blij met het laatste wat de minister zegt, want daar ben ik zelf
ook naar op zoek. Ik hoor de minister het, als antwoord op mijn vraag
ten aanzien van die oplossingsrichtingen, hebben over de rol van DUO en
het dwingende karakter. Dat hoeft wat ons betreft ook helemaal niet.
Maar ik ben wel benieuwd of er nog andere oplossingsrichtingen zijn. Als
u dat kunt meenemen in datzelfde schrijven dat u de Kamer doet toekomen
zijn wij daar hartstikke blij mee. Dank daarvoor.
Minister Letschert:
Ja, daar kunnen wij zeker naar kijken.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Ik was net even aan het zwaaien, want mijn zoon staat
voor het raam met zijn schoolklas. Als jullie dus ook allemaal even
kunnen zwaaien … Nu zien ze het net niet! Toch wel, kijk eens aan.
Geweldig!
Vervolgt u uw betoog.
Minister Letschert:
Mevrouw Raijer stelde de vraag of wij het goed zouden vinden als de
pechgeneratie geen rente zou hoeven te betalen over de studieschulden.
Zij vroeg ook of ik bereid zou zijn om te onderzoeken wat het kost om
deze rente volledig te laten vervallen. Dat hebben we gedaan.
Minister Letschert:
In het kader van Keuzes in Kaart is afgelopen zomer uitgerekend dat de
totale kosten van deze maatregel 7,2 miljard bedragen. Dat is prijspeil
2025. Hier staat zo mooi dat hiervoor binnen de OCW-begroting geen
middelen beschikbaar zijn. Ik denk dat dat vanzelfsprekend is. Het is
misschien belangrijk om daaraan toe te voegen dat een dergelijke
maatregel ook in de uitvoering echt supercomplicerend zou werken. Ik
denk dat we met de compensatie die geboden is, een belangrijke stap
hebben gezet. De rente op deze manier regelen zou echter vrij lastig
worden.
Meneer de voorzitter. Mevrouw Raijer vroeg ook of studenten op de
BES-eilanden een hogere prestatiebeurs krijgen dan studenten in
Nederland. Er is inderdaad een aparte studiefinanciering voor
Caribisch-Nederlandse studenten, omdat zij bijna altijd moeten verhuizen
voor hun studie en te maken hebben met andere gemiddelde kosten dan de
studenten die hier zijn. Studeren in de Caribische regio brengt ook
andere kosten met zich mee op het gebied van huisvesting,
levensonderhoud en andere kostenposten. Dat is waarom die keuze in het
verleden is gemaakt. De studiefinanciering voor Caribisch-Nederlandse
studenten kent veel minder verschillende voorzieningen vanwege de
kleinschalige uitvoeringscapaciteit die aanwezig is in het Caribische
deel. Om die reden er ooit een studiefinanciering ontstaan met aparte
bedragen, een andere uitvoering en een andere wet.
Meneer de voorzitter. Dan had ik een vraag van de heer Ergin over de
ministersplaatsen. De ministersplaats moest ik ook even opzoeken. Ik
dacht dat u meer ministers wilde; dat kost heel veel geld. Ik ben er
inmiddels achter wat ministersplaatsen zijn. Ik leer dus heel veel
tijdens dit soort debatten. Het is belangrijk om hier te vertellen dat
ik me samen met de eilanden en het ministerie van VWS specifiek wil
inzetten voor een bredere integrale aanpak om de tekorten in de zorg in
Caribisch Nederland terug te dringen. Wij hebben uw Kamer hier in
december vorig jaar over geïnformeerd en hebben aangegeven welke stappen
het ministerie daarvoor zet. Er zijn namelijk verschillende maatregelen
mogelijk die eerder en meer effect hebben voor Caribische studenten. Er
is ook aangegeven dat het invoeren van de ministersplaatsen nu niet
gerechtvaardigd is. Dat garandeert ook niet de terugkeer van Caribische
professionals naar de eilanden. We hebben in de brief van december ook
aangegeven dat de effectiviteit van deze aanpak over drie jaar getoetst
zal worden. Dan komen de gereserveerde plaatsen voor de Caribische
studenten uiteraard weer op tafel. Dit is waar we nu staan in het
proces.
Dat was het blokje studenten, studiefinanciering ... Nee, nog niet, nog
niet. Ik heb nog meer. Ik heb nog meer, maar ik heb de punten een klein
beetje verdeeld. Ik wil nu overgaan naar de stages.
In het coalitieakkoord hebben wij het voornemen opgenomen om een
wettelijke stagevergoeding te verankeren. Ik heb al eerder aan uw Kamer
aangegeven dat wij voor de zomer komen met een brief met de hoofdlijnen
voor deze wetgeving. In de verkenning die u in de Kamerbrief van januari
2026 heeft gekregen, worden een aantal keuzes en dilemma's geschetst. Ik
zit nu midden in die keuzes en dilemma's. Sinds ik in functie ben en
daar zelf het een en ander over gezegd heb, merk ik dat verschillende
partijen mij benaderen om de kant van het dilemma die zij
vertegenwoordigen, met mij te bespreken. Ik wil daar in deze
pre-voorjaarsperiode nog de tijd voor nemen, om uiteindelijk goed en
weloverwogen met uw Kamer het gesprek te kunnen voeren over hoe ik die
verschillende dilemma's weeg. Nogmaals, de dilemma's zijn er oprecht.
Als ik de weging met het ministerie gemaakt heb en het voorstel naar u
heb gestuurd, ga ik uiteraard graag met u in gesprek. Voor die weging is
het natuurlijk ook van belang dat de effecten van die wetgeving op het
aantal stageplekken goed in kaart worden gebracht, en de mogelijkheden
voor een stagefonds ook. Dat zijn allemaal geen hele makkelijke
onderwerpen en dilemma's. Vandaar dat ik daar even de tijd voor wil
nemen.
Dan had ik ook een vraag van uw Kamer over stagediscriminatie. Ik ben
hierover uiteraard al in gesprek met de verschillende partijen, nu nog
in het bijzonder met die in de mbo-sector. Ook de voortgang van deze
gesprekken zullen wij met u delen. We zullen ook delen wat dat betekent
voor het manifest en de continuering daarvan. We hebben een
mbo-werkagenda. Ik heb ook veel gesprekken met de MBO Raad en ik ben
veel bij het mbo geweest in de afgelopen periode. Ik kom daar dus graag
bij u op terug.
De voorzitter:
U rondt het blokje af. Dan gaan we richting AI, denk ik. Of niet?
Minister Letschert:
Nog niet. U bent sneller dan het licht, maar ik ga sneller worden. Tot
hoe laat hebben we?
De voorzitter:
We beginnen wel richting het einde van het debat te komen, dus als u een
versnelling op kan schakelen, zou ik dat zeer op prijs stellen.
Minister Letschert:
U heeft te veel vragen gesteld, meneer de voorzitter!
Hoe staat het met onze kabinetsplannen voor studentenwelzijn? Wij
investeren jaarlijks 15 miljoen in studentenwelzijn via het Landelijk
Kader Studentenwelzijn. Dat kader bevat de gezamenlijke afspraken met de
instellingen en de studenten. Daarin is ook opgenomen — dat is van
belang om te noemen — dat studenten partner zijn in het opzetten en
evalueren van die studentenwelzijnsinitiatieven. Universiteiten hebben
ook zelf mogelijkheden om studentenwelzijnsinitiatieven mogelijk te
maken, soms financieel en soms door het faciliteren van bijvoorbeeld
ruimtes. U krijgt binnenkort een tussenevaluatie van dat kader. Op basis
daarvan zal ik de voortzetting van de aanpak verder aanscherpen. Dat
gebeurt uiteraard ook hier weer in overleg met alle betrokken partijen.
Er komt voor de zomer een brief uw kant op, ook in reactie op het advies
van de Onderwijsraad. Dat zit dus allemaal in de planning. Het wordt een
heel drukke zomer. Er is ook nog een debat voor de zomer.
Dan kreeg ik een vraag over studenten met een beperking. Ook hierbij is
het een belangrijke verantwoordelijkheid voor onze instellingen om
toegankelijk onderwijs te bieden. Studenten met een ondersteuningsvraag
kunnen bij onderwijsinstellingen ook om maatwerk vragen, zodat zij op
een passende manier onderwijs kunnen volgen. In het geval van
studievertraging kunnen studenten ook financiële compensatie krijgen via
het studentenondersteuningsfonds. Dat is allemaal ingeregeld binnen de
specifieke instellingen. Ik heb wel onderzoek laten uitvoeren naar hoe
instellingen hun wettelijke taak uitvoeren om die ondersteuning ook echt
te bieden. Dat is natuurlijk allemaal heel mooi op papier, maar
uiteindelijk wil je dat het daadwerkelijk effectief werkt voor de
studenten die hier ongelofelijk veel behoefte aan hebben. Uw Kamer
ontvangt, weer voor de zomer, nog een brief met de uitkomsten hiervan.
Er loopt dus een onderzoek naar hoe de wettelijke taak voor toegankelijk
onderwijs, in het bijzonder voor studenten met een beperking, in de
praktijk werkt.
De voorzitter:
U heeft gewoon geen tijd om te drinken, dus u zit in de goede
versnelling. Gaat u verder. Dan zijn we bij AI, denk ik. O, eerst een
interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Heel kort, voorzitter. Mijn vraag gaat over het onderzoek dat voor de
zomer komt. Dat is eerder al gemeld door de minister. Worden studenten
met een beperking ook betrokken bij dit onderzoek en bij de adviezen die
daaruit volgen?
De voorzitter:
Worden studenten daar ook bij betrokken? Een vraag aan de
minister.
Minister Letschert:
Ik begrijp dat er met studenten is gesproken, maar laat mij, in het
licht van de tijd die we nog hebben, voor de zomer nog een goede check
doen om te kijken of dit voldoende geborgd is.
De voorzitter:
Dit was het voor u, mevrouw Abdi? Oké. Helder. Dan gaan we verder, naar
AI.
Minister Letschert:
Ik krijg versterking, zie ik. Ik weet niet of dat een goed teken
is.
De voorzitter:
U heeft het nodig, denk ik. Ja, ik weet het ook niet. Morele support,
zullen we maar zeggen. Dan AI.
Minister Letschert:
Ik word er altijd zenuwachtig van! Over AI hebben we vorige week al een
prachtig gesprek gehad. De opkomst van AI zorgt aan de ene kant voor
enorme kansen. Het zorgt voor onderwijssectoren ook wel voor uitdagingen
om zich daarop in te richten en om daarin de docenten en de
ondersteunende staf, die de onderwijsondersteunende kant bedienen, mee
te nemen en soms ook mee te krijgen. Het volgende is belangrijk. Je wil
niet dat instellingen allemaal ieder voor zich het eigen wiel gaan
uitvinden. Je wil ook dat ze van elkaar leren over wat ze daarin
doen.
Nu is het goede nieuws dat het kabinet al eerder had besloten om een
groot Nationaal Groeifondsproject te financieren. Dat heet Npuls. Het is
prachtig om dat een keer op een werkbezoek te zien, zeg ik voor degenen
die nog werkbezoekinvulling zoeken. Via dat NGF-project helpen we
namelijk ook de instellingen om deze transitiefase met elkaar te
doorlopen. In dit NGF-programma werkt het vervolgonderwijs gezamenlijk
aan een doordachte en verantwoorde inzet van AI, onder andere via de
Centers for Teaching & Learning die daarvoor zijn. Ze hebben ook de
juiste expertise in huis, zowel onderwijskundig gezien als wat meer aan
de kant van data science, om het onderwijs hierbij kundig te
ondersteunen en te adviseren. Dan hoeven niet 14 plus 36 instellingen
dat allemaal apart te doen. Het is dus echt een gezamenlijk ingediend
programma. Nogmaals, dat is gefinancierd door de overheid.
Even over de richtlijnen, meneer de voorzitter. Dan ben ik hiermee
klaar. Dit is namelijk ook de plek waar wordt gewerkt aan de
gezamenlijke kaders, richtlijnen en handreikingen over de inzet van AI
in zowel het onderwijs als de toetsing. Ook hierbij wil je namelijk dat
instellingen van elkaar leren en bijvoorbeeld met elkaar bespreken: wat
verliezen we als we bijvoorbeeld bepaalde schrijfopdrachten niet meer in
onze instellingen hebben, omdat we niet meer geloven dat die zelf
geschreven zijn? En: welke andere vormen van essays, werkstukken en
opdrachten ga je dan introduceren die niet via het apparaat gemaakt
zijn? Nogmaals, dat gebeurt dus via dat hele grote Npuls-programma. Het
is ook een verantwoordelijkheid voor de sector zelf, maar ik ben heel
blij dat het kabinet in de vorige fase dit project heeft gefinancierd om
daar met deze incidentele middelen richting aan te kunnen geven.
Als laatste het volgende. De Onderwijsraad benadrukte in zijn verkenning
over de intelligente inzet van technologie uit 2022 ook dat het een
actieve rol is, die we echt bij het onderwijsveld moeten neerleggen. Dat
is ook wat we uiteindelijk met het NGF-project op die manier hebben
kunnen borgen. Npuls kijkt ook naar de digitale vaardigheden van
docenten en studenten. Ik denk dat dat ook heel erg van belang is. De
kaders die Npuls opstelt, kunnen door de instellingen gebruikt worden in
hun eigen beleid, waar ze uiteraard met hun eigen medezeggenschap dan
het gesprek over hebben. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid ben ik
actief betrokken bij het NGF, want ik heb een verantwoordelijkheid met
betrekking tot alle NGF-projecten die vanuit OCW zijn ingediend, ook als
het gaat over de monitoring van het behalen van resultaten.
Dan was er ook nog een vraag over AI en de arbeidsmarkt.
De voorzitter:
Er is eerst nog even een interruptie van mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank voor dit antwoord. Ontzettend goed om te horen wat hier
gebeurt. Hier loopt inderdaad een heel mooi programma voor, dat ook heel
hard nodig is voor het onderwijs. Ik ben benieuwd of de minister ons van
de uitkomsten of tussenuitkomsten hiervan op de hoogte wil stellen. Ik
roep ook op tot regie hierop, want we laten heel veel aan de
instellingen zelf in het onderwijs, maar dit is nou echt iets wat het
hele onderwijs verandert. Het helpt heel erg als we een voorbeeld nemen
aan Estland of Frankrijk en daar een brede visie vanuit het kabinet over
neerleggen, zodat instellingen weten dat ze daarmee aan de slag
kunnen.
Minister Letschert:
Ik denk dat het kabinet een deel van de regie al heeft gepakt met een
NGF-project via de departementale route, waarbij het departement in de
leidende rol zat om het project te kunnen vormgeven. Nogmaals, dat was
samen met de onderwijssectoren. Daarmee is al aangetoond hoe belangrijk
het is, want dat is een keuze geweest van het departement.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is heel goed, denk ik. Ik ben dus heel benieuwd naar de uitkomsten.
Mijn vraag is ook meer of de minister ons daarover zou kunnen
informeren. Wanneer is daar meer over te vertellen? Ik hoop natuurlijk
dat die opbrengsten niet alleen aan instellingen zelf worden gelaten,
maar dat we dan ook vanuit dit project een visie kunnen neerzetten
waardoor instellingen weten hoe ze ermee aan de slag kunnen.
Minister Letschert:
Ja, de resultaten. Er zijn tussentijdse fases bij zo'n groot programma
als een Groeifondsprogramma, in dit geval Npuls. Ongeveer eind 2026 zal
misschien een logisch moment zijn, ook vanuit het programma zelf, om de
volgende resultaten te delen. Dat is misschien ook een mooi consortium
om hier eens uit te nodigen in een wat meer technische sessie, zoals
onlangs ook is gebeurd bij een ander NGF-project. Ik vind het lastig om
nu al toe te zeggen dat het kader vanuit het ministerie komt, want het
is juist nu vanuit die departementale route samen met de sector in
beweging. Ik ben heel benieuwd wat daaruit komt. Als ik zou zien dat
daar eigenlijk niet voldoende uit komt waarop we ook vanuit onze
ministeriële verantwoordelijkheid de regie kunnen pakken, ga ik graag
opnieuw met u in gesprek. Maar op dit moment is men bezig met de
ontwikkeling van zowel de kaders als de richtlijnen. Ik ben daar eerlijk
gezegd heel blij mee.
De voorzitter:
Afsluitend, mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat laatste heb ik duidelijk gehoord, maar mijn eerste vraag was of zij
ons dan kan informeren over de tussenstand en de uitkomsten. Kunnen we
dat eind van het jaar per brief ontvangen?
Minister Letschert:
Dat kan zeker, meneer de voorzitter.
De voorzitter:
Ik denk dat dat dan een toezegging is en dat we gaan noteren dat u dat
doet. De toezeggingen zal ik aan het eind van het debat uiteraard
herhalen. U heeft nog één onderwerp in dit blokje, volgens mij. Klopt
dat?
Minister Letschert:
Ja, meneer de voorzitter. Dat gaat over de vraag hoe we naar het gebruik
van AI kijken in het licht van de arbeidsmarkt van de toekomst en de
curricula die daarop voorbereiden. Ook hiervoor is het programma Npuls
belangrijk, omdat binnen dat programma wordt gewerkt aan een visie op AI
en het curriculum in het beroepsonderwijs. Laten wij ook die bouwsteen
afwachten en die verder bespreken op het moment dat daarvan de eerste
resultaten naar buiten komen.
De voorzitter:
Helder. Dan hebben we voordat we richting de tweede termijn van de kant
van de Kamer gaan nog een blokje overig, denk ik. Het blokje overig komt
er nog aan. Als u nog wat heeft gemist, zou ik zeggen: open uw oren; het
komt eraan.
Minister Letschert:
Ik wil heel snel door naar overig, meneer de voorzitter, maar bij overig
hoort ook de schadeafhandeling met betrekking tot de controle op de
uitwonendenbeurs. Dat is nog niet helemaal overig, maar ik ga daar snel
doorheen. Even kijken of ik het op de goede volgorde heb liggen.
Misschien eerst de vraag wie er nou gecompenseerd worden. Meerderen van
u hebben daar vragen over gesteld. Zijn het ook de fraudeurs? Het gaat
dus over de schadeafhandeling van de uitwonendenbeurs. Zoals ik ook in
de brief die naar buiten is gegaan, verwoord heb, worden er twee groepen
onderscheiden bij de schadeafhandeling. Studenten die maatregelen hebben
gehad, krijgen een generiek bedrag van €2.000. Die hebben meer gehad dan
alleen een huisbezoek. Studenten die alleen een huisbezoek hebben gehad,
krijgen een bedrag van €500 voor de schadeafhandeling. Voor de laatste
groep geldt dat zij ook schade hebben geleden als gevolg van het
overtreden van de privacywetgeving. We moeten dat dus ook vergoeden.
Feit is dat wij hiermee ook de oud-studenten moeten compenseren die
moedwillig misbruik hebben gemaakt van de uitwonendenbeurs. Maar deze
"fraudeurs" — zo noem ik ze even — zijn op onrechtmatige wijze
geselecteerd voor de controle. Daardoor is de overheid aansprakelijk
voor de geleden schade. Daar hebben we heel veel juridisch advies over
ingewonnen, ook bij onze landsadvocaat. Dat is de situatie. Dus omdat
het verkregen bewijsmateriaal eigenlijk onrechtmatig is, is daarmee de
schade toegebracht. De hele analyse kunt u lezen in de brief.
Studenten kunnen dus kiezen voor het generieke bedrag of voor het
maatwerktraject. Het maatwerktraject is uiteraard veel intensiever en
brengt dus ook hogere kosten met zich mee, want er vindt dan per dossier
een inhoudelijke beoordeling van dat maatwerktraject plaats. Dat vraagt
heel veel van onze uitvoering. Uiteraard kan het ook voorkomen dat
studenten in beroep gaan bij de rechter. Dan gaat natuurlijk het
uitvoeringstraject daar ook in mee. Meneer Boomsma vroeg waarom de helft
van de totale kosten uit uitvoeringskosten bestaat. Ik heb daar ook best
wel kritische vragen over gesteld toen ik binnenkwam, maar ik heb mij
laten uitleggen dat dit de kosten zijn die daarmee gepaard gaan. Dat
verhaal gaf ik u net ook. Dat zit 'm dus met name in die
maatwerkroutekant.
De heer Boomsma (JA21):
Maar begrijp ik het nou goed? Mensen hebben gefraudeerd. Die zijn dus
terecht gecontroleerd en kregen terecht een maatregel. Die krijgen nu
niet alleen al het geld waarvoor ze hebben gefraudeerd terug, maar
krijgen nu ook nog eens €2.000 compensatie. Is dat nu het verhaal?
Minister Letschert:
Het is geen compensatie. Het is schadevergoeding. Er is gezegd dat de
manier waarop de selectie is gedaan onrechtmatig is. De stappen die
daarna zijn gezet, doen er dan even niet meer toe. Daar wordt de
schadevergoeding voor gegeven. We kunnen dat allemaal heel vervelend
vinden — ik begrijp dat het onrechtvaardig voelt — maar dit is hoe het
juridisch zit.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zei ook dat de privacywetgeving is overtreden. Geldt dat dan
in het algemeen? Want bij al die huisbezoeken wordt de privacywetgeving
overtreden. Maar dat geldt dan toch in algemene zin en toch niet alleen
voor deze groep?
Minister Letschert:
Dat lijkt mij ook. Dat de privacywetgeving overtreden is, geldt voor
beide groepen, maar uw vraag gaat over de fraudeurs. De manier waarop
het bewijs om dat te detecteren verkregen is, is onrechtmatig verklaard.
Daarmee vervallen dan ook de stappen daarna op basis waarvan de
maatregelen zijn opgelegd. Dat is superonrechtvaardig. Dat begrijp ik.
Maar ja …
De voorzitter:
Afsluitend, meneer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
We kunnen er toch ook voor kiezen om dit niet te doen? De regering zet
nu toch een proactieve stap? We kunnen toch ook gewoon zeggen: laten we
dit niet doen, want ze hebben het geld toch al teruggekregen?
De voorzitter:
Afsluitend.
Minister Letschert:
Er zijn al meerdere verzoeken tot schadevergoeding ingediend bij DUO.
Die moeten afgehandeld worden. De reden waarom wij hiermee nu als
overheid proactief naar buiten komen, los van de discussie over de
fraudeurs binnen de groep, is dat de overheid hierin ook echt wel fouten
heeft gemaakt. In de discussie die we hierover hadden, is er op een
bepaalde manier tot een selectie gekomen die heeft geleid tot indirecte
discriminatie. Dat willen we repareren. Daar hebben we excuses voor
aangeboden. Dat zal ik ook opnieuw doen. Daar hoort deze
schadeafhandeling bij.
Ik ga door.
De heer Ergin (DENK):
Ik vraag me het volgende af. Nu ontstaat het beeld dat al die 25.000
studenten per definitie aan het frauderen waren. Dat beeld klopt niet.
Daar is onderzoek naar gedaan. Het blijkt nu ook uit de eerste en de
tweede groep. Kan de minister dat op z'n minst even rechtzetten? Het
beeld dat het allemaal fraudeurs waren, klopt namelijk niet.
Minister Letschert:
Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik zei net ook dat de overheid hierin
fouten heeft gemaakt. Daarom komen wij nu proactief met een aanpak om
die fouten te herstellen. Ik heb net uitgelegd hoe het te verklaren is
dat er in de groep ook mensen zitten die wel een keuze hebben gemaakt
die niet hoort.
De voorzitter:
Helder. Gaat u verder met de beantwoording van de laatste vragen.
Minister Letschert:
Kamerlid Ergin heeft de vraag gesteld waarom DUO nou zelf die schade
gaat afhandelen. DUO en het ministerie willen richting de oud-studenten
herstellen wat er is misgegaan en daarmee ook bijdragen aan het herstel
van vertrouwen. Dit gaat ook om de herzieningsopgave en de
schadeafhandelingskant. De herzieningsopgave zit ook bij DUO. Dat gaat
hand in hand. Ik heb er alle vertrouwen in dat DUO deze
schadeafhandeling heel professioneel oppakt. Schadeafhandeling door DUO
is eenvoudiger en doelmatig, en daardoor proactiever, wat wij hier
voorstaan, dan het laten afhandelen van de schade door een externe
partij. Dat is de keuze die we nu vanuit het ministerie maken. Nogmaals,
ik heb er vertrouwen in dat dit door DUO heel serieus wordt opgepakt met
alle integriteit die daarbij hoort.
De heer Ergin (DENK):
Ik wens de minister heel veel succes met de massaclaims die gaan komen,
omdat de minister bij de eerste groep reactief een VSO gaat voorstellen.
Je hebt dus een groep die complexe schade heeft. Dat is dus een groep
die bijvoorbeeld oneerlijk is behandeld of waarvan het
besluitvormingstraject rondom het stopzetten van de studiefinanciering
niet goed is verlopen. Waarom zegt de minister niet bewust: om te
voorkomen dat er discussies gaan ontstaan over de vraag of DUO dit wel
op een eerlijke manier doet, ga ik op zoek naar een externe partij die
hier ervaring mee heeft, namelijk SGH, en ga ik in ieder geval voor die
complexe groep de maatwerktrajecten daar beleggen? Waarom kiest de
minister daar niet gewoon voor? Dat is toch veel logischer? Daar hebben
we toch al ervaring mee?
Minister Letschert:
Ik heb net in mijn antwoord aangegeven waarom ik er vertrouwen in heb
dat DUO deze aanpak nu gaat uitwerken. Nogmaals, studenten kunnen dus
kiezen voor het generieke pad en het maatwerkpad. Wij staan ervoor dat
onze uitvoeringsinstantie deze hersteloperatie tot een goed einde
brengt. Ik ben oprecht content dat we hiermee proactief aan de slag gaan
om studenten zo snel mogelijk die schadevergoeding te kunnen geven. Als
zij die niet in de generieke vorm willen, kunnen zij kiezen voor een
maatwerktraject met alle elementen die bij een maatwerktraject
horen.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Letschert:
Dan was er nog de vraag hoe de huidige controles op de uitwonendenbeurs
eruitzien. Dat was een vraag van de heer Boomsma.
De voorzitter:
Excuses, minister, er is toch een vraag van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Sorry, voorzitter, het is een beetje ongebruikelijk, maar ik moet zo
gaan. Ik had een vraag gesteld over de ov-boetes. Misschien komen die zo
nog aan bod, maar ik zat er even gerust op te wachten. Het is een beetje
ongebruikelijk, maar ik dacht: het komt wel overeen.
De voorzitter:
Ik kijk even of de minister het heeft. Ja, dit kost u wel een paar
punten, mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat besef ik.
Minister Letschert:
Bij mij niet.
De voorzitter:
Bij u niet, maar …
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter, zal ik dan snel even antwoorden en dan naar de
studentenreisproducten gaan? Dan eerst heel kort de vraag van meneer
Boomsma over de huidige controles. Die vinden zowel schriftelijk als via
huisbezoeken plaats. Studenten worden geselecteerd op basis van een
aselecte steekproef. Er wordt op dit moment gewerkt aan een nieuw
controleproces in de vorm van een interventieladder, zodat studenten
niet direct worden geconfronteerd met een huisbezoek, maar er wat
stapjes tussen zitten. Er zal in de toekomst alleen nog gewerkt worden
met een risicogericht selectiemodel als dit op de juiste manier
ontwikkeld kan worden volgens de daarbij horende eisen en waarborgen.
Dus ook hierover gaan we vast met elkaar in gesprek als DUO daar verder
in is.
Ik had nog een laatste vraag van meneer Ergin over de bedragen, de €500
en de €2.000. Deze bedragen zijn gebaseerd op jurisprudentie. Er is
gekeken naar welk bedrag proportioneel is voor welke specifieke casus.
Er is een vergelijking gemaakt met andere casussen. Zo heeft het geleid
tot dit bedrag.
Dan ga ik naar de studentenreisproducten en naar de vraag of ik de
ov-boetes in de ritprijs in rekening kan brengen. Dat was uw concrete
vraag. De ov-boetes zijn door tal van maatregelen gedaald met 90% in de
afgelopen tien jaar, van ruim 50 miljoen naar inmiddels 5 miljoen. Dat
is even een eerste feit. Het idee van een ritprijs in rekening brengen
als ov-boete klinkt sympathiek, maar dat heeft enorme
uitvoeringsconsequenties voor DUO. Daarnaast kan het ook nadelig zijn
voor studenten die bij dit systeem meer moeten gaan betalen dan de halve
maand ov-boete, die ze nu hebben, kost. We verwachten wel dat met het
nieuwe ov-betaalsysteem — dat heet "OVpay"; zeg ik dat goed? — de
ov-boetes nog verder zullen gaan dalen dan wat ik net al heb geschetst.
Ik zie dat wel als een van de belangrijkste maatregelen van de komende
tijd, omdat studenten met OVpay niet meer naar de ophaalautomaat hoeven
om het studentenreisproduct aan te zetten of stop te zetten. Ze kunnen
dat digitaal doen. Dat is dus een tweede stap in manieren om die boetes
zo laag mogelijk te krijgen. Maar van 50 miljoen naar 5 miljoen is best
al wel een flink resultaat.
Dan ga ik nu naar overig.
De voorzitter:
Nou, doe uw best. Nee, hoor.
Minister Letschert:
Dit is gewoon een hele actieve commissie, die mij flink aan het werk
zet.
De voorzitter:
Ja, het is ongelofelijk. Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Ik doe het heel kort, meneer de voorzitter. Visitaties. Meneer Boomsma
had het met uw Kamer over de regeldruk en de stress die visitaties
opleveren. We hebben het dan deels over de onderzoeksvisitaties via het
SEP-protocol en de visitaties op de opleidingen via de
opleidingsaccreditaties en de instellingsaccreditaties. Die
instellingsaccreditatie is een keer per zes jaar. Ik wil die wel even
uit elkaar houden, omdat de onderzoeksvisitaties via een andere lijn in
een instelling lopen dan de opleidings- en instellingsaccreditaties. In
de instellingsaccreditatie zit ook geen onderzoeksevaluatie. Dat gaat
echt alleen maar over het onderwijs. Het zijn ook andere mensen die dat
doen. Daarmee belast je in ieder geval niet dezelfde mensen. Als uw zorg
zit in dat we dezelfde personeelsleden belasten, zeg ik: dat geldt zelfs
niet voor de ondersteunende staf; het zijn andere bloedgroepen; andere
diersoorten. Nee, dat mag ik natuurlijk niet zeggen.
Willen we een nieuw stelsel? Ik denk dat ik er op dit moment, na zes
weken en twee dagen, nog niet van overtuigd ben dat er een grote
wijziging in het accreditatiestelsel aan de opleiding- en
onderwijskwaliteitskant moet komen. Dat was ook de constatering van de
inspectie in haar periodieke onderzoek daarnaar. Ik zie wel dat je bij
het kwaliteitszorgstelsel uiteraard altijd verbetering kan toepassen,
ook als het gaat over eigenaarschap van docenten en studenten en het
terugbrengen van lasten. Dus dat gesprek wil ik zeker met de sectoren
hebben. Hoe zorgen we er nou voor dat de ervaren administratieve last
minder wordt? Ligt dat aan ons in Den Haag of ligt dat aan hoe je dat
zelf in je eigen instelling hebt ingeregeld? Dat kan namelijk ook. Daar
ga ik zeker mee aan de slag. Momenteel loopt er ook een onderzoek naar
concrete opties voor de verbetering van de kwaliteitszorgstelsel in het
hbo en het wo. Daarbij kijken we naar twee zaken. We hebben al hard
gewerkt in zes weken, hè?
De voorzitter:
En twee dagen.
Minister Letschert:
En twee dagen. Wij richten ons op een betere inzet van de ITK. Hoe kun
je de ITK zo gebruiken dat instellingen meer ruimte krijgen bij de
beoordeling van de opleidingen als ze die ITK positief hebben afgerond?
Nu doet dat eigenlijk niets, buiten dat je heel blij bent dat je een
positieve ITK hebt. Je wilt eigenlijk wel dat je daar ook een soort
beloning voor krijgt.
De voorzitter:
En ITK staat voor?
Minister Letschert:
Instellingstoets kwalificatiezorg. Nee, mijn ondersteuning zegt dat dat
niet klopt. Wat zei ik? Hier naast me wordt gezegd: integrale toets
kwaliteitszorg. Ik heb het zelf heel vaak moeten doen. Een mogelijkheid
zou bijvoorbeeld kunnen zijn om, als we dat onderzoek eenmaal op tafel
hebben, te kijken naar een verruiming van die accreditatietermijn. Dat
noemde u al. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn, maar laten we eerst
eens kijken wat er uit dat onderzoek komt. Dan kunnen we daarna met
elkaar bepalen dat we van zes naar acht jaar gaan of dat we iets doen
met de individuele opleidingsaccreditaties. Verder loopt er een
onderzoek naar effectief en proportioneel toezicht, want we hebben ook
wel de ambitie om het externe toezicht door de NVAO en inspectie te
verduidelijken en te verbeteren door hun goede handvatten te geven voor
toezicht bij tussentijdse signalen over opleidingskwaliteit. De
inspectie heeft hier namelijk ook aandacht voor gevraagd in haar
evaluatierapport in 2024 over dit hele accreditatiestelsel.
Samengevat: na de zomer krijgt u van mij een brief over de aanpak rondom
de kwaliteitszorg, waarbij ik dus de resultaten van het onderzoek
meeneem. Dan ga ik ook gericht en onderbouwd op uw vragen en ideeën
antwoord kunnen geven. Het onderzoek wordt begin 2027 helemaal afgerond.
Dan kunnen we pas echt gericht over de uitkomsten en de opvolging
praten. Dus eerst krijgt u een brief over een aanpak en dan komt er pas
een onderzoek. Laat me even kijken wat er mogelijk is om daarover al
eerder iets met u te delen en wat hierin wijs is. We delen de ambitie
van minder regels en minder administratieve lasten. Waar we de
verbeteringen zien, zou ik ze wel willen toepassen.
Dan ga ik naar de examencommissies. Daarover ging ook een vraag van de
heer Boomsma. Het rapport van de examencommissies heeft OCW drie
aanbevelingen gedaan over examencommissies. Zoals we ook in de
aanbiedingsbrief bij dat rapport hebben geschreven, is de vervolgstap
dat ik in gesprek ga met de inspectie. Dat gesprek vindt op korte
termijn plaats. Dan ontvangt u mijn beleidsreactie op de aanbevelingen.
Dat is dus na zomer in die bredere brief over de kwaliteitszorgaanpak in
het hbo en het wo. Die brief komt er dus aan en ook de reactie op de
examencommissiediscussie. Ik vind het misschien ook belangrijk om te
zeggen dat de conclusies en de aanbevelingen over die examencommissies
die de instellingen en de koepels aangaan, door de inspectie al actief
bij hen onder de aandacht zijn gebracht. We hebben die dus niet achter
gehouden. Daar zijn ze al mee aan de slag.
Dan ga ik snel door, want u wilt vast allemaal naar de zon.
De voorzitter:
Ja en de tijd is ook bijna op, dus dat is ook een puntje.
Minister Letschert:
Maar ik heb nog maar een paar vragen. Laat ik beginnen met de migratie
van de nieuwe cloudomgeving binnen DUO. Dat is een vraag van mevrouw
Raijer. Deze migratie is in 2026 gestart met circa 20% van de totale
workload. Daarmee wordt de daadwerkelijke productiecapaciteit verplaatst
en wordt de overgang van DUO als eigen beheerder naar een
regieorganisatie met ODC-Noord als leverancier voor de
cloudinfrastructuur verder vormgegeven. Wij verwachten de eerste
resultaten tegen het einde van dat jaar. Voor de komende zes jaar — dat
is misschien ook wel belangrijk om te noemen — verwacht ik nog wel
ongeveer 30 miljoen aan kosten hiervoor. Dat is best veel geld.
Vervolgens worden andere delen van de applicaties stapsgewijs
gemigreerd. Als we niks doen, hebben we te maken met een minder veilige
en minder flexibele omgeving en met hogere kosten voor zowel DUO als
ODC-Noord. Dat lijkt me geen wenselijke route.
Ik heb de vraag gekregen of de ICT-afdelingen binnen DUO op dezelfde
wijze werken. Ja, alle DUO-kantoren maken reeds gebruik van dezelfde
ICT-architectuur. Dat is een compliment waard, want dat is niet overal
al het geval. Een compliment mogen we hier ook weleens uitdelen.
Meneer de voorzitter. Dan heb ik een hele mooie vraag van de heer Van
Houwelingen over de motie van de Kamer waarin staat dat de
wetenschappelijke consensus niet per se meteen de waarheid is. Dat debat
hebben we vorige week ook heel mooi gevoerd. Volgens mij is de kern van
de wetenschap het constant bevragen van de stand van de wetenschap van
dat moment. Dat is wat de wetenschap is en daar moeten we kritisch op
blijven. Volgens mij is dat ook de wetenschappelijke houding die je bij
iedere wetenschapper mag verwachten. Amen.
De voorzitter:
Maak uw verhaal even af, minister, want u bent bij de laatste vraag.
Meneer Van Houwelingen, hou uw interruptie even vast.
Minister Letschert:
De laatste vraag is een interessante vraag: waarom kiezen wij er niet
voor om het PD, dus het professional doctorate, in te bedden onder de
universitaire regie? Dat zou ik nou juist niet willen, want het PD heeft
juist een hele andere oriëntatie dan de PhD binnen de universiteiten.
Het PD is veel meer praktijkgericht, met het doel interventies en
toepassingen in maatschappelijke vraagstukken te kunnen verrichten. Ik
vind het wel interessant wat de internetconsultatie gaat opleveren, want
die loopt nu natuurlijk. Ik ben heel benieuwd naar de verschillende
opvattingen, die ik nu al voorbij zie komen op social media. Laten we
ons vooral door de internetconsultatie laten voeden en dan verder het
gesprek voeren over de vragen van de Groep Markuszower.
De voorzitter:
Kijk eens aan. De heer van Houwelingen had nog een interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de beantwoording. Ik heb twee korte vervolgvragen die ik toch
belangrijk vind. De minister zegt dus, als ik het goed begrijp, dat die
consensus … Daar hebben we het in de Kamer heel vaak over en dan denken
de Kamerleden: o, dat is de waarheid. De minister is natuurlijk ook
rector magnificus geweest, professor. Dat u het ermee eens bent, is toch
niet per se automatisch de waarheid?
De voorzitter:
Ik vind dit een heerlijke afsluiting.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik heb twee vragen.
De voorzitter:
Ja, dit is de eerste.
Minister Letschert:
Ik heb net geantwoord wat ik heb geantwoord. Wetenschap gaat dus over
het verrijken van kennis, iedere dag weer. Het elkaar bevragen en de
hele peer review, die een onderdeel zijn van het wetenschappelijke
systeem, hebben als doel om elkaar te blijven uitdagen en te blijven
bevragen. Dat is mijn antwoord.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is dus geen duidelijk ja. Dat is eigenlijk wel heel zorgwekkend. De
minister is ongetwijfeld bekend met paradigmawisselingen en met Thomas
Kuhn. Ik hoop uit het geknik op te maken dat de minister voor deze motie
had gestemd.
Dan mijn laatste vraag. Die wil ik nog wel even gesteld hebben. De
minister heeft het net ook weer gehad over de waaier: het
onderwijsgebouw is niet per se een ladder, maar een waaier. Dan begrijp
ik dat plan om die doctorstitel ook mogelijk te maken op het hbo niet
goed: wat is daar, als ik dat toch nog even mag vragen, dan de logica
achter geweest? Ik zou zeggen: geef het hbo dan zijn eigen titels:
"gezel", "ambachtsman", "meester" of zo. Waarom dan titels uit het
academisch onderwijs in het hbo introduceren? Die logica begrijp ik
niet. Die vraag wilde ik graag tot slot nog even stellen.
De voorzitter:
Tot slot, de minister.
Minister Letschert:
Ik neem meneer Van Houwelingen heel graag een keer mee naar een van de
hogescholen waar ik laatst was om met de PD's te spreken. Het is dus
echt een andere graad. Het is ook geen titel. De dokterstitel blijft
voorbehouden aan de PhD's die aan de universiteit promoveren. De PD is
een professional doctorate; zo moet je het ook noemen. Dat komt achter
de naam van de kandidaat. Dat is een graad. Dat klinkt verwarrend, maar
dat is wel het onderscheid. De doctorstitel is voorbehouden aan degene
die promoveert aan de Nederlandse universiteit. De PD-graad, zoals wij
die nu voorstellen en die voorligt voor de internetconsultatie, is een
graad die PD'ers — zo noem ik ze inmiddels — krijgen nadat ze vier tot
zes jaar lang keihard hebben gewerkt aan een praktijkgericht onderzoek,
vaak met beide benen in de sector waar ze onderzoek naar doen. Dat kan
privaat of publiek zijn. Uiteindelijk leveren die een eindproduct op dat
heel ander is dan het traditionele proefschrift aan een
universiteit.
De voorzitter:
Afsluitend, de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, afsluitend. Het is behoorlijk verwarrend. Het zijn weer allemaal
Engelse termen. Het is jammer dat er niet gekozen is voor Nederlandse
termen in het vakonderwijs, wat het hbo toch is, als het goed is, en dat
er voor zo'n verwarrende Angelsaksische constructie wordt gekozen. Dat
is wat ik er maar bij zeg.
Minister Letschert:
Ik denk dat je ook "professioneel doctoraat" kan zeggen, hoor. Misschien
heb ik er zelf even een Engelse term in gegooid.
De voorzitter:
Dat kan gebeuren. Maar goed, helder. Dank u wel.
Ik denk dat we de beantwoording in de eerste termijn hebben gehad. We
gaan wat mij betreft direct door met de tweede termijn van de zijde van
de Kamer. U heeft een minuut en twintig seconden spreektijd in de tweede
termijn. Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Rooderkerk, die
spreekt namens D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Veel dank aan de minister voor de beantwoording
van de vele vragen die hier zijn gesteld. Om te beginnen wil ik graag
het tweeminutendebat aanvragen, voordat ik dat vergeet. We zijn blij om
te horen dat we de financiële situatie van studenten gaan verbeteren.
Daar is het in dit debat al uitgebreid over gegaan. Wel is het
natuurlijk zo dat het nog even duurt, omdat er een wetswijziging voor
nodig is. Dat hoorde ik de minister ook zeggen. Zij gaf aan dat het 'm
niet per se zit in het veranderen van het bedrag. Is het mogelijk om
iets meer te schetsen wat daar dan precies voor nodig is, zodat we daar
beter zicht op hebben? Kan dat met een amendement niet toch sneller? Dat
is de aard van mijn vraag.
Ten aanzien van AI in het hoger onderwijs: ik ben heel blij dat de
minister aangaf dat daar een heel mooi project van NPUs op loopt, waar
wij hopelijk veel informatie uit kunnen halen. Ik ben er ook blij mee
dat zij in het kader van die talentenstrategie ook heel goed aan het
bekijken is wat de impact hiervan is op het onderwijs en op de studenten
en de werkenden van de toekomst. Ik zie zelf wel echt het nut van een
strategie vanuit het kabinet, maar we hebben hier morgen nog een debat
over met de staatssecretaris.
Tot slot het mentale welzijn van studenten. Het bindend studieadvies is
wat ons betreft een eenzijdig instrument. Ik hoorde dat de minister ook
zeggen. Wij zien veel liever persoonlijke begeleiding via
studieadviseurs. Op dat punt overwegen wij dus een motie. Ik verwacht
ook steun van meerdere partijen hiervoor. Dus dank voor dit debat.
De voorzitter:
Hartelijk dank, mevrouw Rooderkerk. We gaan naar de heer De Beer van de
VVD-fractie.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het ook kort houden. Ik wilde eigenlijk
nog even uitweiden over de samenwerking tussen wo, hbo en mbo. We hebben
vorige week of de week daarvoor stilgestaan bij de wetswijziging op het
gebied van het beroepsonderwijs. Toen hebben we vooral gekeken van mbo
naar hbo en wo. Ik kan me voorstellen dat in de talentstrategie en
rondom de visie op de campusontwikkeling ook de lijn van wo richting mbo
verder verkend wordt en dat we dat ook vanuit dat perspectief bekijken.
Het is voldoende als de minister als antwoord alleen "ja" zegt.
Dan de sturing op arbeidsmarktrelevantie en maatschappelijke impact. Ik
had het over studiekeuzevoorlichting, accreditatie en bekostiging in
mijn eerste termijn. Wellicht kan de minister nog een klein beetje
aanvullen als het gaat om accreditatie. Wordt dat ook meegenomen in de
verkenning en in de toekomstige voorstellen? Ik heb ook nog wel de vraag
welke handvaten we instellingen nou te bieden hebben om effectief op te
treden op het moment dat er echt overtredingen en bezettingen et cetera
zijn. Ik begrijp van de minister dat er volgende week een apart debat
over is in het kader van de Taskforce Antisemitismebestrijding, maar
wellicht kan de minister toch nog één keer in dit debat een duidelijk
antwoord op de vraag geven.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer de Beer namens de VVD-fractie. Dan kijk ik naar de
heer Boomsma van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Er
komen natuurlijk nog veel brieven onze kant op, dus we zien daar
allemaal naar uit. Ten aanzien van de internationalisering: JA21 vindt
toch echt dat we ook de rol van het Nederlands als academische taal
moeten blijven koesteren en beschermen en vindt dat dat dreigt nog
onvoldoende te gebeuren. Als ik ook zie dat er een bachelor psychologie
in Amsterdam is met 1.600 studenten in het collegejaar 2025-2026,
waarvan de helft niet Nederlands is, denk ik: is het nou echt in ons
belang om dat op die manier te doen? Hoe controleren we ook of het
Engels dat veel docenten spreken überhaupt wel fatsoenlijk is? Je hoort
er ook heel veel van dat stonecoal English. Dat is volgens mij voor
niemand goed.
Over de visitaties: er worden nieuwe onderzoeken gedaan, maar er lopen
natuurlijk al heel veel onderzoeken. Er is al veel gedaan: dat onderzoek
rond het externe toezicht et cetera. Volgens mij weten we al heel wat,
maar wij wachten dat dan toch af, in ieder geval tot voor de
zomer.
Nog één vraag over de DUO en de schadevergoedingen voor deze studenten.
Als de minister zegt dat de privacy is overtreden, gaat het er dan om
dat er huisbezoeken zijn afgelegd en de privacy wordt overtreden bij
zo'n huisbezoek in algemene zin en die huisbezoeken dan nu ook niet meer
worden toegepast of ziet dat specifiek op de groep die is geselecteerd
als gevolg van dat indirect discriminerende algoritme?
De voorzitter:
Dank u wel voor uw tweede termijn. Dan gaan we nu naar mevrouw Raijer
namens de PVV-fractie.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook de minister bedanken voor haar
antwoorden. Mijn collega Boomsma zei het inderdaad al: er komt voor de
zomer heel veel naar ons toe. Ik wil het volgende nog even meegeven.
Toen ik het over de BES-eilanden had, ging het niet over de extra
onkosten die studenten hebben, want als ze naar Amerika en Canada gaan,
krijgen ze behoorlijk hoge bedragen. Als Nederlandse studenten in
Amerika willen studeren, krijgen ze daar ook geen compensatie voor. Daar
had ik het dus over. Ik ga me er nog wel op beraden of ik daar bij het
tweeminutendebat nog een motie over ga indienen.
Dank u.
De voorzitter:
Helder. Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Hamstra van de
CDA-fractie.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Ook onze dank aan het kabinet en de minister voor de
beantwoording in de eerste termijn. We hoorden dat in het kader van de
talentstrategie de instrumenten samenhangend in worden gezet en dat de
betreffende brief voor de zomer naar ons toe komt. Daar zijn we heel erg
blij mee, dus dank daarvoor. We hebben het gehad over de
motie-Straatman: de verkenning loopt al. Fijn dat u daar zo voortvarend
mee aan de slag bent geweest en we zijn er ook blij mee dat we daar in
de herfst meer over terughoren.
Tot slot. We hebben het gehad over de gokverslaafde studenten, dus de
"spookstudenten", zogezegd. Ik ben blij dat u de zorgvuldigheid betracht
om te zeggen dat u daar nu niet op terug kan komen en dat die
maatregelen en de oplossingsrichtingen nog onze kant op komen. We zouden
graag de volgende toezegging krijgen: zou dit voorafgaand aan het eerder
aangevraagde tweeminutendebat naar ons toe kunnen komen? Dat zou ik nog
graag aan u willen vragen.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de heer Van Houwelingen van de fractie van
Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de beantwoording. Ik heb verder geen vragen of opmerkingen,
voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Ergin van DENK.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Het tweeminutendebat is aangevraagd. Tijdens dat
tweeminutendebat zal DENK een voorstel indienen over het bsa. Om daar
goed een ei over te kunnen leggen, zou ik van de minister een overzicht
willen van alle opleidingen met lage slagingspercentages waar een bsa
wordt gehanteerd, want de minister wees in haar beantwoording specifiek
op die groep. Ik zou daar graag nog een keer naar willen kijken.
Voorzitter. Het tweede punt gaat over de compensatie door DUO. Ik vond
het toch wel naar — ik wil dat nog wel even benadrukken — dat er hier
wordt gedaan alsof die hele groep bestaat uit fraudeurs, terwijl DUO in
specifieke postcodes, waar Nederlanders met een migratieachtergrond
woonden, specifiek keek naar opleidingsniveaus en zich daar richtte op
mbo's, wat ook een oververtegenwoordiging van Nederlanders met een
migratieachtergrond met zich meebrengt. Ik vind het heel jammer dat we
na al die onderzoeken nog steeds een debat voeren over het punt dat het
zou gaan om allemaal fraudeurs. Dat wil ik graag nogmaals benoemd
hebben.
Ik ben eigenlijk heel ontevreden over het antwoord van de minister over
de ministersplaatsen. De Kamer heeft een motie aangenomen om
ministersplaatsen in te voeren. Daar is dus een meerderheid voor. De
minister komt dan met een verkenning waarin staat waarom dit niet kan.
Ze wijst daarbij naar allerlei randzaken die wellicht interessant zouden
kunnen zijn, maar niet in de motie staan.
De voorzitter:
Uw tweede termijn lokt een korte interruptie uit van de heer
Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Erkent de heer Ergin wel dat er gewoon is gefraudeerd? Heel veel mensen
hebben gefraudeerd. Zij hebben opgegeven dat ze niet thuis zouden wonen.
Erkent hij dat dat verwerpelijk is?
De heer Ergin (DENK):
Fraude is verwerpelijk.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Zullen we het hierbij laten? Anders zijn we nog langer
bezig dan we hadden afgesproken. Ik kijk even naar de minister. Kan zij
zonder schorsing toe? Misschien wordt er nog een laatste antwoord
gepend, terwijl wij direct naar de tweede termijn van de zijde van het
kabinet gaan. Ik geef wederom de minister het woord.
Minister Letschert:
Dank u wel, dank u wel. Ik heb zo veel mogelijk meegeschreven en mijn
geweldige team naast mij ook.
Mevrouw Rooderkerk vroeg waarom het zo lang duurt. Dat was eerlijk
gezegd ook mijn vraag toen ik binnenkwam. De bedragen van de beurzen
zijn in de wet verankerd en dus niet in lagere regelgeving. Die staan
gewoon in de wet. Als je die wilt aanpassen, moet je de wet aanpassen.
Dat kost wat voorbereiding. Je hebt een internetconsultatie nodig en er
komt weer een uitvoeringstoets. De Raad van State komt ook nog met
advies en dan komen we bij de Kamer. Dat is de route. Bovendien hebben
we in het licht van onze minderheidspositie ook nog een gesprek over de
vraag of de hele Kamer dit een goede maatregel vindt. Daarom hebben we
deze datum vastgesteld.
Meneer de voorzitter, ik ga gewoon in één keer door, hè?
De voorzitter:
Ja.
Minister Letschert:
Dan heb ik een vraag van de heer De Beer over de waaier en de verkenning
van de routes. Ja, als het gaat over de relatie tussen accreditatie en
de arbeidsmarkt, gaan wij met elkaar bespreken wat we willen doen. Wat
is daarin wetenschappelijk uitlegbaar? Nogmaals, ik zei dat de
arbeidsmarkt van de toekomst niet zo gemakkelijk te voorspellen is en
dat we ook een bredere vorming van onze studenten willen. Ik neem dit
dus mee en kom daarop terug. De keuzes die we daarin maken en de
instrumenten die daarbij horen, zullen voor een deel in de
talentstrategie terugkomen. Een deel komt terug in de brief over het
kwaliteitszorgstelsel en het hele accreditatieverhaal.
De heer De Beer (VVD):
En de bekostiging?
Minister Letschert:
En de bekostiging! Dit zijn allemaal elementen die met elkaar te maken
hebben, zoals alles in het leven.
Dan werd gevraagd of ik in de doorontwikkeling van bijvoorbeeld
regionale campussen ook ga kijken of je van wo naar mbo kunt. Ja,
inderdaad het moet niet meer gaan over laag en hoog, maar over wat past.
Waar wil een student zijn grootste meerwaarde leveren? Het is dus niet
alleen maar een route een kant op.
Ik denk dat ik de vragen nu niet in de juiste volgorde beantwoord, maar
dat maakt misschien niet zo veel uit, nietwaar?
De voorzitter:
Nee, hoor. Dat maakt niets uit. Gaat u verder.
Minister Letschert:
Nee, toch? Ik maak toch even de vragen van meneer De Beer af. Hij vroeg
welke handvaten de instellingen hebben om demonstraties die uit de hand
lopen, aan te pakken. De instellingen hebben een aantal handvaten. Dat
staat nog even los van wat de driehoek, het justitieapparaat daarin kan
betekenen. Instellingen kunnen schorsen, berispen en, indien ernstig,
aangifte doen. Ik noemde net al het voorbeeld van de vernielingen aan
gebouwen. Uiteraard kan de instelling ook de politie inschakelen op het
moment dat een demonstratie uitloopt in een bezetting die
veiligheidsvraagstukken en bedreigingen van medewerkers mede als gevolg
heeft. Dan is het een kwestie van een telefoontje naar de driehoek en
zeggen: dit gaan wij niet accepteren. Dit is de lijn die de instellingen
daarin kiezen. Dan heb ik de vraag van de heer De Beer beantwoord.
Ik heb een vraag van de heer Boomsma gekregen over privacy. Misschien is
het nu te technisch aan het worden, maar dit zit in het selectiemodel.
De studenten hadden niet op die manier geselecteerd mogen worden, en
daarmee heb je dus ook hun privacy geschonden. Ik denk dat het
verstandig is … Iedereen die gecontroleerd is, is dus geselecteerd.
Daarmee is de privacy geschonden. Ik proef uw interesse in dit dossier.
Het lijkt me best interessant om daar met collega's in een technische
briefing wat dieper op in te gaan. Ik weet niet helemaal zeker of u die
brief heeft ontvangen. Ik denk het eigenlijk wel. Het is best een
uitgebreide brief. Ik sta er altijd voor open om ook zoiets te
organiseren, mocht u daar interesse in hebben.
De heer Boomsma (JA21):
Ik heb het allemaal zitten lezen, maar mijn verbazing werd er niet heel
veel minder om. Formeel gezien is het een aantasting van de privacy.
Maar dat ziet dus niet zozeer op het huisbezoek waarbij je bij mensen
gaat controleren hoeveel tandenborstels er in huis staan; dat ging over
de selectie zelf. Ja. Dan begrijp ik het.
Minister Letschert:
Dat klopt.
Dan ga ik meteen door naar de vraag van mevrouw Raijer over de
BES-studenten en hun studiefinanciering. Zij vroeg waarom die voor
Amerika en Canada hoger zou zijn en wil daar wellicht een motie over
indienen. Het heeft ook te maken met de wens die er bestaat om het
studeren in de regio — en dan hebben we het over de regio dáár — te
promoten om een braindrain te voorkomen. Daarom is de afweging gemaakt
om deze bedragen op die manier vast te stellen. Niet iedereen kan in
Europees Nederland studeren. Niet alle opleidingen zijn mogelijk op de
eilanden. Laten we dat ook met elkaar vaststellen. De
onderwijsinfrastructuur zoals we die in Nederland kennen is natuurlijk
niet op onze drie prachtige eilanden op dezelfde manier aanwezig, met
het aanbod dat daarbij hoort.
Dan had ik een vraag van Kamerlid Hamstra over de gokverslaafden en
spookstudenten. Hij vroeg of we die voor het tweeminutendebat kunnen
bespreken. Volgens mij heb ik net toegezegd daarop in te gaan in de
voortgangsbrief, de verzamelbrief. Dan kan ik dat echt gedegen doen. Als
we eerder antwoorden hebben, zijn we natuurlijk altijd bereid om die
iets eerder te delen, maar dit wil je ook zorgvuldig doen. Hiervoor
blijf ik bij de voortgangsbrief. Dat lukt dus niet voor het
tweeminutendebat.
Meneer de voorzitter. Dan de ministersplaatsen. Het probleem dat daar is
geconstateerd, zit in de hele keten. De oplossing die u voorstelt, gaat
dus niet het hele probleem aanpakken. Studenten keren niet terug naar de
eilanden na een lange studie in Nederland. Alle onderdelen bekijken is
geen vertragingstactiek of iets niet serieus nemen, maar echt iets
willen doen om hier een oplossing voor te creëren. Daar is ook een
wetswijziging voor nodig. Vandaar het antwoord. Ik begrijp dat dit voor
u teleurstellend is, maar dit is wel het eerlijke antwoord.
Dan heb ik ze volgens mij allemaal gehad.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Mijn richttijd was 17.30 uur. Dan hebben we nog 30
seconden. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit … Nee. Mevrouw
Raijer heeft nog een interruptie.
Mevrouw Raijer (PVV):
Toch nog even terugkomend op wat de minister net zei over dat naar
Amerika gaan om te studeren. Zij kunnen toch gewoon naar Nederland komen
om te studeren? Volgens mij hebben wij hier heel veel
universiteiten.
Minister Letschert:
Zeker, maar wat ik zei was het volgende. De afweging die toen was
gemaakt, is om de braindrain in de regio … Dat is dus dichterbij in de
regio dan helemaal hier in Nederland. De vrees is dat studenten niet
meer terugkeren. Dat is de reden die ik daarbij aangeef.
De voorzitter:
Goed. Hartelijk dank. We zijn aan het einde gekomen van dit debat. De
minister heeft de volgende toezeggingen gedaan:
De nieuwe nota van wijziging van de Wet internationalisering in balans komt na de zomer.
De minister komt in de Kamerbrief over studentenwelzijn voor de zomer terug op hoe de gesprekken met de sectoren rondom het bindend studieadvies lopen.
De minister komt in de herfst met het vervolg van de wettelijke zorgplicht in het kader van sociale veiligheid.
De minister komt in de verzamelbrief terug op het vraagstuk rondom spookstudenten die lenen bij DUO om hun gokverslaving in stand te houden.
Voor de zomer komt er een brief met de uitkomsten over hoe de wettelijke taak voor studenten met een beperking in de praktijk werkt. Hier worden de desbetreffende studenten ook in meegenomen.
De minister komt voor het einde van het jaar met een update van het groeifondsproject Impuls.
Na de zomer komt er een brief over de kwaliteitszorg. Afhankelijk van het onderzoek kijkt de minister of dit eerder kan.
Afsluitend is er een tweeminutendebat aangevraagd door het lid
Rooderkerk. Als u zich hier ook in herkent, dan zijn dat de toezeggingen
voor vandaag.
Er viel mij iets op. Soms vraag ik me af hoe we in het debat
afkortingengebruik in de klauwen kunnen houden. ITK, OVP, OER, bsa, LLO,
Npuls, Wib, NGF … Verder zeg ik niks. Denkt u straks nog maar eens terug
aan deze nieuwe herinnering.
Goed. Ik dank de minister en haar ondersteuning hartelijk voor de
beantwoording van de vragen. Ik bedank ook alle Kamerleden die tot het
einde zijn gebleven; dat is een extra puntje. Ik bedankt alle mensen die
op de publieke tribune met ons meekijken, en zeker ook de
Kamerondersteuning. Zonder jullie werd dit helemaal niks.
Er is dus een tweeminutendebat aangevraagd, en de eerste spreker is
mevrouw Rooderkerk. Dat zal worden doorgegeven aan de Griffie Plenair en
zo snel als mogelijk worden ingepland. Ik sluit hierbij het debat, en ik
wens u allemaal nog een hele fijne avond.
Sluiting 17.32 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|