Conceptverslag Verdienvermogen van Nederland
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D17776, datum: 2026-04-15, bijgewerkt: 2026-04-15 11:14, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-09 10:00: Verdienvermogen van Nederland (Commissiedebat), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Verdienvermogen van Nederland
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft op 9 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat, over:
de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid d.d. 3 juli 2025 inzake kabinetsreactie op SER-advies Naar verdere succesvolle toepassing van sociale innovatie (33009, nr. 163);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 27 november 2025 inzake voortgang acquisitiebeleid en evaluatie NFIA 2019-2023 (32637, nr. 719);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 17 oktober 2025 inzake industriebeleid met focus (29826, nr. 277);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 9 december 2025 inzake Monitor Ondernemingsklimaat 2025 (32637, nr. 738);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 4 februari 2026 inzake publicatie Financieringsmonitor 2025 (32637, nr. 749);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 3 februari 2026 inzake aanvullende besluitvorming NGF-project Impuls Open Leermateriaal (36800-L, nr. 8);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 20 februari 2026 inzake toelichting op de uitvoering van de motie van het lid Kostić c.s. over een onderbouwde visie en bijbehorend actieplan voor de toekomst van de Nederlandse industrie (Kamerstuk 29826-250) (29826, nr. 279);
de brief van de minister van Economische Zaken d.d. 12 februari 2026 inzake jaarresultaten van de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) en het Invest in Holland netwerk 2025 (32637, nr. 750).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Van Eijk
De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Reinders
Voorzitter: Van Eijk
Griffier: Krijger
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Bühler, Van Eijk, Van Houwelingen, Keijzer, Van der Lee, Martens-America, Nanninga, Oualhadj, Prickaertz en Vermeer,
en mevrouw Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen allemaal. Welkom bij de vaste commissie voor Economische
Zaken. Aan de orde vandaag is het commissiedebat met als onderwerp het
verdienvermogen van Nederland. Hartelijk welkom aan de minister van
Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Herbert. We hebben een indicatieve
spreektijd van vier minuten. Ik stel voor om vier interrupties in de
eerste termijn aan te houden. We gaan van start met de heer Vermeer, die
zijn inbreng zal doen namens de BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Het verdienvermogen van Nederland is de
verdienste van de regio en de grensregio's. Ik noem de scheepsbouwers in
Hardinxveld-Giessendam, Chemelot in Limburg, en Chemport Europe en de
Eemshaven in het noorden van Nederland. Het zijn stuk voor stuk sectoren
en clusters waarin veel burgers met veel trots en passie een enorme
bijdrage leveren aan onze innovatie- en concurrentiekracht en ons
verdienvermogen. Stuk voor stuk zijn het sectoren die gezamenlijk het
verdienvermogen van Nederland en daarmee onze welvaart dragen. We hebben
dit debat al vaker gevoerd. Problemen zoals het wegglijden op de
ranglijstjes van verdienvermogen, het dalende ondernemersklimaat en het
achterblijven van onderzoek en ontwikkeling blijven wij als commissie
debat na debat aankaarten. De problemen blijven helaas.
Onze grensregio's zijn de eerste waarschuwing voor wat Nederland staat
te wachten als we het tij niet weten te keren. Bedrijven beoordelen het
Nederlandse ondernemersklimaat nog maar met een 6,1. Herstel blijft uit.
Tegelijkertijd overweegt een op de vijf bedrijven verplaatsing van de
activiteiten. Onder internationaal opererende bedrijven loopt dat op tot
bijna een kwart. In Limburg, Brabant en het Noorden zien ondernemers
dagelijks dat investeren over de grens eenvoudiger wordt dan hier
investeren, niet omdat ondernemers dit nou zo graag willen, maar omdat
de omstandigheden in Nederland ze daartoe dwingen.
Dat heeft een aantal duidelijke oorzaken. Nederlandse bedrijven hebben
te maken met hoge energieprijzen, hogere lasten en een stapeling van
regels, terwijl buurlanden actief ingrijpen om hun industrie te
ondersteunen. Ook netcongestie en stikstofproblematiek zorgen ervoor dat
bedrijven niet kunnen uitbreiden of verduurzamen, terwijl een stapeling
van regels dit wel eist. In de derde plaats is er de onzekerheid. Juist
de voorspelbaarheid van beleid scoort het slechtst. Het vertrouwen van
ondernemers in de overheid staat onder druk. Juist in het dagelijkse
economische verkeer lekt er verdienvermogen weg. Bij prijsverschillen op
het gebied van brandstof en andere kosten wijken consumenten en
ondernemers uit naar Duitsland en België. Dat raakt niet alleen
tankstations, maar ook winkels, horeca en logistiek. Zo verdwijnt er
stap voor stap economische activiteit uit onze grensregio's.
Kan de minister concreet aangeven hoe zij voorkomt dat grensregio's
structureel op achterstand staan ten opzichte van buurlanden? Ik zou van
de minister graag een reflectie willen op de impact die het dalende
verdienvermogen heeft op de voorzieningen in de regio. Welke rol heeft
het rapport Elke regio telt! in het economische beleid van het kabinet?
Hoe gaan we netcongestie met prioriteit oplossen voor de industriële
clusters die ons verdienvermogen dragen? Waar gaat het kabinet de
benodigde 195 miljard vandaan halen? Of blijft die afgewenteld worden op
burgers en ondernemers? Hoe zorgt dit kabinet er op de kortst mogelijke
termijn voor dat de verschillen met buurlanden wat betreft kosten,
energieprijs en regeldruk niet verder oplopen, zodat investeren in
Nederland weer de logische keuze wordt?
Richting het verdienvermogen zou ik ook nog het probleem willen
aandragen dat we gisteren besproken hebben in een debat over de
AI-infrastructuur. Dat probleem geldt eigenlijk voor de totale
infrastructuur. De Logistieke Alliantie kwam ook al met een brandbrief.
Zowel de investering in keiharde infrastructuur als de investering in
digitale infrastructuur blijft echt achter. Ook voor het investeren in
een AI-gigafabriek, waar we het de afgelopen weken over hebben gehad, is
gewoon geen geld beschikbaar op de EZ-begroting. Dat is wat ons betreft
echt ongekend slecht. We hebben dat al eerder gezien bij IPCEI-projecten
in Europa. We kunnen het Europese geld daarbij niet als hefboom
gebruiken, omdat we zelf niets gereserveerd hebben voor de
reserveringen. Kan de minister aangeven wat zij daar concreet aan gaat
doen bij de eerstvolgende miljoenennota?
Mevrouw Bühler (CDA):
De heer Vermeer geeft heel duidelijk aan dat hij zorgen heeft over de
grensregio's. De grensregio's zien inderdaad best wel wat uitdagingen.
Ik herken dat, want ik woon zelf in een grensregio. Ik ken ook heel veel
ondernemers die juist ontzettend positief zijn over het feit dat zij in
een grensregio zitten, omdat zij daardoor een hele mooie markt bedienen.
Ik zou graag willen weten hoe de heer Vermeer dat ziet. Daarnaast noemde
de heer Vermeer ook de chemie van Chemelot in Zuid-Limburg. Welke
oplossingen ziet hij om de chemie te behouden en te versterken?
De voorzitter:
Dat waren er twee in één.
De heer Vermeer (BBB):
Allereerst dank voor deze vraag. Er wordt hier gezegd: best wel wat
uitdagingen in de grensregio's. Dat vind ik toch wel een beetje zwak
uitgedrukt. Het verschilt natuurlijk heel erg per soort bedrijf of je
last hebt van het leven en werken in een grensregio. Als jij afhankelijk
bent van buitenlandse consumenten bijvoorbeeld, dan kan dat ook
voordelen winnen. Maar als jij in de supermarktbranche zit, waar je
eerst nog gewoon tabak kon verkopen, wat nu allemaal niet meer mag, en
je net over de grens een winkel ziet staan — met een oppervlak van de
helft van deze zaal — die per maand 1 miljoen euro omzet draait, dan
weet je gewoon dat er gigantisch veel omzet en dus ook verdienvermogen
en kostentoerekening over de grens verdwijnt. Als mensen eenmaal de weg
naar het buitenland gevonden hebben, gaan ze daar ook allerlei andere
boodschappen doen. Inmiddels gaat het naast tanken en tabak ook om
drogisterij-artikelen et cetera. Dat holt het voorzieningenniveau in de
grensregio uit. Er moet dus een onderscheid gemaakt worden tussen
bedrijven die profiteren van grensoverschrijdende transacties en
bedrijven die heel erg te maken hebben met consumentengedrag. Die
laatsten bepalen voor een deel ook ons verdienvermogen. Daar moeten we
dus goed naar kijken.
Dan de chemie. Voor de chemie is het probleem eigenlijk tweeledig.
Enerzijds moeten zij aan de slag met de energietransitie. Bij Chemelot
gaat het dan bijvoorbeeld om die 380kV-aansluiting die maar niet komt.
Dat is echt een groot probleem. Terwijl de stroom van de Noordzee naar
het Roergebied getransporteerd wordt, kunnen die elektronen onderweg
alleen maar naar Chemelot zwaaien, want daar komen ze niet langs. Ook
hebben we een uitdaging met de hele grondstoffentransitie, die misschien
nog wel groter is. Dus ik denk dat we echt een soort actieplan moeten
maken om ervoor te zorgen dat dat gebied nu eens goed ontsloten wordt
qua energievoorziening. Ook moeten we gaan nadenken over hoe we daar de
juiste grondstoffen naartoe krijgen, die uiteindelijk de olieproducten
en fossiele brandstoffen vervangen. Dat is niet zomaar gelukt, daar is
niet één pasklare oplossing voor, maar het begint wat ons betreft met de
juiste aansluiting op het 380kV-net.
De voorzitter:
Ik zie verder geen interrupties. Dan geef ik het woord aan mevrouw
Bühler, die haar inbreng zal doen namens het CDA.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dank u wel. Ik deel de analyse van de heer Vermeer over ... Nu gaat mijn
tijd natuurlijk lopen, hè? Ik ga heel snel beginnen.
Voorzitter. Afgelopen dinsdag tijdens de technische briefing spraken we
met Peter Wennink. Wat ik hoorde, was: "Word wakker, Nederland! We zijn
onze koppositie snel aan het verliezen. Ons verdienvermogen staat onder
druk. Maak competitiviteit daarom leidend in beleid, met oog voor de
samenleving en de brede welvaart".
Het CDA heeft vandaag drie punten. Zet in op kritische technologieën.
Daarbij is de beschikbaarheid van kapitaal een belangrijke factor. De
nationale investeringsinstelling is een belangrijke stap om meer privaat
kapitaal te mobiliseren. De nationale investeringsinstelling moet
additioneel zijn aan de markt en kunnen instappen waar risico's voor
marktpartijen nog te groot zijn. Daarbij zijn enkele punten van belang.
Ten eerste: duidelijkheid over de relevantie van het EMU-saldo en het
handelingsperspectief dat daaruit volgt. Wanneer kan de Kamer hierover
een brief verwachten? Het liefst zou dat voor de Voorjaarsnota zijn.
Daarnaast is een sterke aansluiting met draagvlak in de financiële
sector essentieel, zodat de NII daadwerkelijk een katalysator kan worden
voor privaat kapitaal. Hoe wil de minister dit borgen in de opzet en
governance van de NII? Het CDA wil graag weten op welke wijze de
minister de weg naar de inrichting van een effectieve en geloofwaardige
NII voor zich ziet. Is de minister het met mij eens dat het zonde van de
inspanning zou zijn als we dit niet in één keer opzetten, met het
vertrouwen van de financiële sector en institutionele beleggers?
De voorzitter:
Ik zie een interruptie op dit punt van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We hebben het al eerder in de Kamer gehad over de nationale
investeringsinstelling, ook wel met deskundigen. Daar kwam naar voren
dat je marktfalen niet marktconform kunt oplossen. Wil deze instelling
dus een rol van betekenis spelen, zul je meer risico's moeten nemen dan
de markt op dit moment doet. Dat betekent dat een deel van die
kapitaalinjectie echt saldorelevant moet zijn. Is het CDA daar inmiddels
ook van overtuigd geraakt?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik denk dat het heel belangrijk is — die vraag stel ik dus nu ook aan de
minister — om een goed instituut, een goede instelling te krijgen die
datgene kan doen waar ze voor nodig is. Daarom vind ik het ook heel
belangrijk om die vraag over saldorelevantie te stellen. We moeten die
ook meenemen in de ontwerpfase. Ik ben heel benieuwd hoe dat kan
uitpakken.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van der Lee.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is een terechte vraag. Volgens mij hebben we die ook al eerder aan
de minister gesteld. Ik ben dus heel benieuwd naar die uitwerking, maar
de minister handelt op basis van een coalitieakkoord dat mede door het
CDA is uitonderhandeld. Daarin is het handhaven van de grens van 3%
heilig verklaard. Is het CDA onder omstandigheden bereid om meer ruimte
te creëren voor de nationale investeringsinstelling? Of krijgen we
straks gewoon antwoorden van de minister in de trant van: "We hebben een
regeerakkoord en een afspraak. Het kan niet saldorelevant worden, want
we hebben het geld niet."
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik zou echt heel graag willen weten hoe we dit zouden kunnen invullen.
Ik heb ook aangegeven dat ik het belangrijk vind dat we iets gaan doen
wat werkt. Volgens mij is het kabinet in eerste instantie aan zet om
iets uit te werken. Ik zou het ook heel fijn vinden als we dit uitwerken
samen met partijen in de markt. We zouden vooral financieel
specialisten, bankiers en ervaringsdeskundigen moeten inzetten die weten
hoe we een instituut kunnen opzetten dat daadwerkelijk het werk doet dat
we graag willen. Dat is met name: inzetten op een manier waarop we in de
hele keten kunnen instappen en datgene dat blijft liggen in de markt
kunnen financieren. Als dat wordt uitgewerkt, willen wij heel graag zien
wat dat betekent, ook in combinatie met die saldorelevantie.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dan een volgend punt: er is veel te winnen met verdere integratie binnen
de Europese kapitaalmarkt. Onze zusterpartij heeft een wetsvoorstel
ingediend om alvast met een Benelux-kapitaalmarkt te starten. We willen
dat heel graag ondersteunen. De vraag aan de minister is: kunnen we dit
ook alvast uitzoeken?
Dan kom ik op het tweede punt: Europese samenwerking en een gelijk
speelveld is van wezenlijk belang. Zonder gelijk speelveld verliezen
Nederlandse bedrijven het van landen met ruimere staatssteun. Denk aan
Frankrijk en Duitsland met hun industriepakketten. In het vorige debat
heb ik hier ook al een opmerking over gemaakt. Het CDA ziet dat de
Nederlandse mentaliteit behoudender is dan die van andere Europese
landen. Herkent de minister dit? Wil zij verder onderzoeken en met
voorstellen tot een gelijksoortige oplossing komen?
De voorzitter:
U bent al ruim over uw spreektijd heen. Ik wil u dus vragen om te gaan
afronden.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ja, dank u wel. In mijn afronding ...
De voorzitter:
Excuses, mevrouw Bühler, ik zat naar de verkeerde lijn te kijken. U
heeft nog een minuut. Maakt u dus gerust uw spreektijd af.
Excuses!
Mevrouw Bühler (CDA):
O! Ik vond het ook al snel.
Dan zou ik als laatste het behoud van verduurzaming van de primaire
industrie willen benoemen. Wennink noemt dit "basisinfrastructuur". De
chemie wordt niet actief genoemd in de taskforcebrief, maar ik voorzie
grote problemen als we niks doen. Zonder eigen basisindustrie geen
innovatie, zeker geen duurzame innovatie. Daarom moeten we hen niet
wegduwen, maar ondersteunen in de transitie naar een duurzame productie,
om zo strategisch weerbaar te zijn. Snelheid is juist nu cruciaal, maar
dat zien we niet terug.
Ook voor ons was het een zure verrassing om in de Voorjaarsnota te lezen
dat de IKC-middelen vanwege capaciteitsproblemen bij de RVO een jaar
doorgeschoven worden. Met deze mentaliteit komen we er niet. Kan de
minister toezeggen alles op alles te zetten om wel in 2026 de
IKC-regeling te openen? En is het echt geen mogelijkheid om de envelop
voor de elektriciteitsprijs verder naar voren te halen? 2028 is echt te
ver weg.
Nu rond ik af. Investeren in ons toekomstige verdienvermogen is nodig om
onze welvaart op pijl te houden. Ik wil de minister heel veel succes
wensen met de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Ik
voeg nog een hele kleine opmerking toe: moet VWS niet worden toegevoegd,
als belangrijke klant van de biotech-industrie?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van der Lee heeft nog een vraag voor u.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Bühler verwees naar Peter Wennink, die van de week in de Kamer
was en toen heel nadrukkelijk kritiek leverde op de veel te strikte
toepassing van de staatssteunregels door Nederland, specifiek rond
ondernemingen in moeilijkheden. Een start-up is trouwens bijna per
definitie een onderneming in moeilijkheden. Er wordt onderhandeld in
Europa om die regels te versoepelen. Dat lijkt de goede kant op te gaan,
maar ik vind dat het allemaal veel te lang duurt. Is het CDA met mij van
mening dat de minister er goed aan zou doen om wat soepeler om te gaan
met de interpretatie van ondernemingen in moeilijkheden? Want nu gaan
zelfs bedrijven die in een goedgekeurd groeifondsproject participeren,
hun financiering niet krijgen omdat ze, als start-up, gezien worden als
onderneming in moeilijkheden. Dat is toch echt de omgekeerde
wereld?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ja, meneer Van der Lee, dat ben ik met u eens. Ik heb in het vorige
debat ook aangegeven dat ik zie dat onze omgang met staatssteun ons
beperkt. Ik heb toen al aangegeven dat ik twijfels heb over de manier
waarop wij daarnaar kijken. Wat dat betreft kunnen wij ons daar al in
vinden. Dit is een voorbeeld van een andere of een striktere
interpretatie vanuit Nederland als het gaat om hoe we naar zaken kijken.
Wij hebben bijvoorbeeld ook een andere manier van boekhouden. Volgens
mij moeten we hierover echt goed het gesprek met elkaar aangaan. Ik doe
ook een oproep aan de minister om hier werk van te maken.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het is altijd mooi om een oproep te horen om het niet zo nauw te nemen
met de Europese regels, maar ik had een andere vraag, naar aanleiding
van het interruptiedebatje dat mevrouw Bühler had met de heer Vermeer. U
zei daarin dat ondernemers in de grensregio mooi hun markt kunnen
bedienen. Wij waren bij een petitieaanbieding in de Kamer van
grensondernemers. Die hebben het heel zwaar. Het is zelfs zo — daar
schrok ik van — dat voor sommige primaire vestigingen in Limburg geldt
dat Nederlanders kopen over de grens en die primaire vestigingen alleen
gebruiken om dat tabak over heel Nederland te verdelen. Mijn vraag is
dus welke mooie kansen u dan nog ziet voor deze ondernemers, want ik zie
ze niet.
Mevrouw Bühler (CDA):
Laat ik het zo zeggen: ik deel de analyse als het gaat over de
grensregio en de grote prijsverschillen die je ziet op de
consumentenmarkt. Overigens ben ik niet anders gewend dan dat we altijd
al over de grens boodschappen doen met elkaar. Het is een groot
rondreizend circus, zeg ik elke keer. De Belg komt namelijk ook in
Nederland dingen kopen, omdat die de producten hier fijner of prettiger
vindt. Je ziet in die grensregio dus gewoon dat consumenten over en weer
aan de slag zijn. Maar ik zou het jammer vinden als we die grensregio's
neerzetten als kansloze regio's, want dat zijn ze niet. Er zijn genoeg
kansen om ook internationaal te ondernemen. Er zijn in de grensregio's
heel veel ondernemers die zeggen: wij hebben een hele mooie toegang tot
een hele mooie Europese markt. We hebben ook heel veel kansen als het
gaat om het over de grens halen van talent dat internationaal actief is,
als het gaat om mensen die in België of in Duitsland wonen en in
Nederland werken en vice versa. Daar wil ik eigenlijk voor waken: ik doe
de oproep om vooral niet alleen te kijken naar de uitdaging op
consumentenniveau waar we nu mee te maken hebben. Ik vind echt dat we
daar oog voor moeten hebben en dat wil ik niet wegmoffelen, maar we
moeten niet onze ogen sluiten voor kansen die je hebt met een
internationale ligging.
De voorzitter:
De heer Van Houwelingen heeft een vervolgvraag.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, ik heb een vervolgvraag. Ik ben wat bezorgd over die kansen. Ik heb
dit weekend toevallig over de grens getankt, in België, niet zozeer om
die paar euro te besparen, maar om eens te kijken hoe dat er dan
uitziet. Dan rij je eerst langs Nederlandse tankstations. Daar zie je
helemaal niemand. Die zijn uitgestorven. Die kunnen gewoon stoppen. Dan
kom je bij het eerste Belgische tankstation en daar blokkeren de
Nederlandse auto's de hele weg, tot irritatie van de Belgen. Het is
ongelofelijk. Hoe moet je als ondernemer dan concurreren? Dat is alleen
nog de benzine. We hebben het over de tabak gehad. Ik zie niet welke
kansen die ondernemers in de grensregio hebben. Volgens mij zijn ze
zelfs kansloos.
Mevrouw Bühler (CDA):
We hebben het over verschillende grootheden. Het gesprek over
tankstations hebben we ook al eerder gevoerd, maar als je het hebt over
ondernemen en je hebt een mooi bedrijf … Ik ken een mooi bedrijf in de
regio. Ik kan er 101 opnoemen, bijvoorbeeld een mooie meubelzaak die
kantoren mooi inricht. Die gaat bijvoorbeeld — dat is heel mooi — naar
Duitsland en heeft hele mooie projecten in België. Dat zijn allemaal
voorbeelden waardoor je je markt vergroot als je in de grensregio
zit.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort, afrondend. Natuurlijk: als je in de grensregio zit en je moet
concurreren op bijvoorbeeld die accijns of op tabak, dan ben je, denk
ik, kansloos. Ik snap dat er andere bedrijven kunnen zijn waarvoor het
anders is, maar die bedrijven in de grensregio hebben het op dit moment
heel zwaar.
Mevrouw Bühler (CDA):
Dat is een andere discussie en die ontken ik niet.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb in mijn betoog helemaal niet willen zeggen dat de grensregio
kansloos is, want die is niet kansloos als het kabinet maar de juiste
maatregelen treft. We maken het kansloos als we dát niet doen.
Natuurlijk, ik snap de oproep van mevrouw Bühler om ook positief over de
grensregio te praten, omdat je daar ook talent kunt binnenhalen en zo,
maar dat kan an sich op elke plek in Nederland. Daar zit niet de
uitdaging. De uitdaging zit erin dat we al jaren praten over grote
accijnsverschillen en we de accijnsinkomsten vervolgens keihard zien
dalen. Dat kost op dit moment gewoon al miljarden aan tabaks-, alcohol-
en brandstofaccijnzen. Dat kost ons gewoon miljarden aan
verdienvermogen; ook dat is verdienvermogen. Vervolgens gaat dat
allemaal gewoon naar het buitenland toe en dat moet een halt toegeroepen
worden. Is mevrouw Bühler het met me eens dat het kabinet gewoon veel te
laks is op dit terrein en dat dit echt ingrijpen vraagt? Nogmaals, voor
de honderdduizendste keer: ik ben tegen roken, maar ik drink wel af en
toe een glas whisky of een biertje.
Mevrouw Bühler (CDA):
Volgens mij hebben we het tijdens het debat gehad over de gevolgen van
de gebeurtenissen in het Midden-Oosten; we hebben ook een aantal vragen
gesteld aan het kabinet. Verder heb ik niks te zeggen over de accijnzen
en dergelijke, want dat zit gewoon echt in een andere commissie en dat
is volgens mij een ander gesprek dat we moeten voeren.
De voorzitter:
De heer Vermeer met een vervolgvraag.
De heer Vermeer (BBB):
Dit is nou het grootste probleem hier in Den Haag: de verschillende
silo's van de ministeries en dan ook Kamerleden die zeggen "dat moeten
we in een andere commissie doen". Dit is verdienvermogen van Nederland.
Dit gaat juist hierover. Als we dat allemaal als losse problemen blijven
behandelen en overal een brief over vragen van het kabinet, gaat er
niets gebeuren behalve verdere uitstroom van verdienvermogen naar het
buitenland. Dit debat gaat over het verdienvermogen in Nederland. Daar
moeten we wat oplossen. Is mevrouw Bühler het met mij eens dat wij
moeten stoppen met alles als losse onderdelen zien en juist een
integrale benadering moeten kiezen om dit probleem te tackelen? Mevrouw
Bühler wou het wel hebben over de 380kV-aansluiting van Chemelot,
terwijl die eigenlijk ook niet bij dit debat hoort. Dan komen we toch
nergens?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik wilde het niet per se hebben over de 380kV-kabel. Die bracht u op. Ik
wilde het volgende aangeven. Op het moment dat we het hebben over
verdienvermogen, gaat het vooral over op welke wijze we ervoor zorgen
dat we de kansen verzilveren die er zijn. Daar moeten we echt met elkaar
aan de slag. Volgens mij zijn de uitdagingen daar enorm groot. Op het
moment dat we het gaan hebben over zaken die financiële impact hebben en
daar keuzes en afwegingen in moeten maken, moeten we dat integraal doen
— dat ben ik helemaal met u eens — op het moment dat de financiën op
tafel liggen. Daar moeten we dan de keuzes maken, want dan kan je de
goede afwegingen maken. Dat is waarom ik heb gezegd: dit moeten we in
een ander debat met elkaar bespreken.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik waardeer in zekere zin de optimistische blik van het CDA wel, maar
dat doet toch niet helemaal recht aan de werkelijkheid. Ik begrijp dat
punt ook niet zo goed. Wij horen voortdurend alarmsignalen uit de
grensregio's. De sprekers voor mij zeiden dat al: ongelijke wetgeving,
hogere belastingen en noem maar op. Dan is er ook nog het probleem dat
het grondgebied van Nederland dat geraakt wordt door
grensregioproblematiek steeds groter wordt. Het kruipt ook steeds verder
ons land in, dat uitstralende effect. Dus ik snap het punt niet zo heel
goed dat het CDA hier probeert te maken en wat ik er een beetje
vervelend aan vind, is dat, zoals ik het beluister, ook echt de urgentie
wordt afgehaald van het dringende beroep dat ook wij op de minister doen
om dit aan te pakken door een paar positieve puntjes eruit te lichten.
Dat kan toch de bedoeling niet zijn van het CDA?
Mevrouw Bühler (CDA):
Het is fijn dat u die vraag stelt, want dan kan ik daarop reflecteren.
Het is absoluut niet de bedoeling geweest om de problematieken die
spelen in de grensstreek onder het tapijt te moffelen of weg te
relativeren. Dat was absoluut niet de bedoeling, want ik zie die elke
dag als inwoner van de grensstreek, juist tussen twee grenzen in. Het
ging mij erom om vooral ook te laten zien dat de grens ook kansen biedt.
Ik ben het er enorm mee eens dat we moeten inzetten op een gelijk
speelveld. Een van de punten van het CDA is dat we ervoor moeten zorgen
dat we een gelijk speelveld hebben binnen Europa. Ik heb niet voor niks
net de opmerking gemaakt dat we moeten kijken naar een kapitaalmarkt,
die we bijvoorbeeld nu al direct met de omliggende landen in de Benelux
kunnen oppakken. De uitdagingen die wij zien in de grensstreek hebben
meer te maken met het gelijke speelveld als het over economie
gaat.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ben blij dat te horen. Ik deed mijn interruptie ook niet om het CDA
af te branden, maar wel om even duidelijk te markeren waar we staan met
z'n allen. Het is inderdaad een kans om dat even toe lichten. Ik weet
zeker dat veel ondernemers uit de grensregio dit soort debatten goed
volgen en ik zou willen dat die er echt van doordrongen zijn dat wij
hier collectief die urgentie voelen. Ik zal dat straks ook aan de
minister voorleggen. Ik heb nog een vraag aan het CDA. Wat zijn de
maatregelen ten aanzien van een gelijk speelveld die het CDA zou willen
voorstellen? Kunnen wij rekenen, ook binnen de coalitie, op hun steun om
dat probleem met z'n allen aan te pakken?
Mevrouw Bühler (CDA):
Als we het gaan hebben …
De voorzitter:
Uw microfoon, mevrouw Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Als we het gaan hebben over gelijk speelveld economisch gezien, zijn er
een aantal punten. Dat hebben we al gezegd. De elektriciteitsprijzen, de
CO2-heffing en dat soort industriële zaken moeten worden
opgepakt binnen Europa. Ook onze lokale koppen moeten we afzwakken. Daar
kijkt het CDA heel erg kritisch naar.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik ben blij dat mevrouw Bühler het heeft over het gelijke speelveld.
Laten we eerlijk zijn. We hebben het over de grensstreek en mevrouw
Bühler heeft het specifiek over Limburg, maar als we kijken naar de
concurrentie denk ik dat de grensstreek inmiddels is doorgetrokken naar
Amsterdam. Het is zelfs voor mensen in Amsterdam momenteel lonend om in
de auto te stappen en naar België of Duitsland te rijden daar te tanken,
alcohol te kopen, sigaretten te kopen en noem het allemaal maar op.
Daarmee verliezen wij in Nederland enorm veel geld. Dan mijn vraag aan
mevrouw Bühler. Ik denk dat de enige mogelijkheid om tot een gelijk
speelveld te komen is om op een gegeven moment te kijken naar onze
accijnzen. Het probleem is nu uitvergroot door wat zich in Iran
afspeelt, maar het is natuurlijk een probleem dat al jaren speelt: een
ongelijk speelveld door het feit dat wij een hogere btw hebben en veel
hogere accijnzen dan onze buurlanden. Mijn vraag aan het CDA is of zij
bereid zijn om in te stemmen met het verlagen van de accijnzen, zodat er
juist een gelijk speelveld ontstaat.
Mevrouw Bühler (CDA):
Als u het daarover hebt, geef ik het antwoord dat ik net heb gegeven.
Dit zijn gesprekken met een financiële component en die moeten we echt
op een integrale manier met elkaar voeren op de plekken waar we die
keuze kunnen maken. Dus ik blijf bij dat antwoord.
De voorzitter:
Goed. Ik ga het woord geven aan de heer Prickaertz voor zijn inbreng
namens de PVV.
De heer Prickaertz (PVV):
Dank, voorzitter. Het verdienvermogen van Nederland staat onder druk.
Alhoewel de stukken een gemengd beeld laten zien, blijft het algehele
oordeel dat het ondernemersklimaat in Nederland toch wel zwak is.
Ondernemers geven het een matig zesje, geen cijfer om trots op te zijn
en wat betreft de PVV een waarschuwing die we serieus moeten
nemen.
Vooral het mkb voelt die achteruitgang. Ongeveer 99% van onze bedrijven
behoort tot het mkb. Zij zorgen voor bijna 60% van de omzet van het
bedrijfsleven en vormen de grootste werkgever van ons land. Toch wordt
het juist voor deze groep steeds moeilijker om het hoofd boven water te
houden. De regeldruk blijft toenemen, terwijl de kosten voor energie,
brandstof en personeel blijven stijgen. In tijden van economische
onzekerheid is het essentieel dat het mkb overeind blijft. Wat wringt,
is dat het kabinet dit ziet gebeuren, maar er toch voor kiest om
helemaal niets te doen. Hoever moeten prijzen nog oplopen voordat de
regering wel in actie komt? En belangrijker: is het tegen die tijd niet
al te laat? De signalen zijn er immers al jaren. Doorrekeningen laten
zien dat dit nog maar het begin is en dat met name brandstofprijzen
verder zullen stijgen. Het ongelijke speelveld met onze buurlanden — we
hadden het daar net al even over — dat al groot was, wordt alleen maar
groter, ook omdat deze landen wel ingrijpen, met als een van de gevolgen
dat steeds meer Nederlanders hun geld over de grens uitgeven. Dat kost
onze economie inmiddels naar schatting miljarden.
Het volgende punt is arbeidsproductiviteit. De arbeidsproductiviteit in
Nederland groeit nauwelijks, terwijl we tegelijkertijd kampioen parttime
werken zijn. Als de parttimers enkele uren per week meer zouden gaan
werken, zou een groot deel van het probleem rondom arbeidsproductiviteit
opgelost zijn. Helaas is het in vrijwel alle gevallen niet rendabel voor
de parttimer om meer uren te werken. Zolang een groot deel van het
arbeidspotentieel onbenut blijft, drukken we onze productiviteit en
houden we personeelstekorten in stand. Hoe kijkt de minister naar deze
ontwikkeling? Ziet zij ook dat het hoge aandeel parttimers een rem zet
op onze arbeidsproductiviteit? Wat gaat zij concreet doen om ervoor te
zorgen dat meer arbeidspotentieel wordt benut en de
arbeidsproductiviteit weer gaat stijgen?
Daarnaast blijft de toegang tot financiering een structureel probleem.
Hoewel de cijfers suggereren dat bankfinanciering iets toegankelijker
wordt, geldt dat nauwelijks voor de kleinere mkb'er. Juist daar lopen
ondernemers vast. Zij worden nog steeds gedwongen om uit te wijken naar
non-bancaire financiers, waar rentes hoog en voorwaarden ondoorzichtig
zijn. Dat is wat mijn partij, de PVV, betreft onwenselijk. De vraag is
dus wat de minister concreet gaat doen. Hoe staat het met initiatieven
om misstanden in de financieringsmarkt aan te pakken? Is zij
bijvoorbeeld bereid om te kijken naar instrumenten die excessieve rentes
begrenzen, zoals we die voor de consument ook kennen? Zonder betaalbare
financiering kunnen ondernemers immers niet investeren, niet groeien en
uiteindelijk niet bijdragen aan onze economische veerkracht.
Het probleem zit veel dieper. Ondernemers hebben ruimte nodig, geen
extra lasten. In plaats van steeds nieuwe verplichtingen op te leggen,
zou het kabinet zich moeten richten op het wegnemen van belemmeringen.
De stapeling van regels, zeker op het gebied van verduurzaming, dreigt
de industrie en het mkb eerder af te remmen dan vooruit te helpen. Dat
ondermijnt niet alleen bedrijven, maar uiteindelijk ook onze welvaart.
Daarom is het noodzakelijk om keuzes te maken: verminder de regeldruk,
bescherm het mkb tegen oneerlijke marktmacht en zorg voor een eerlijk
speelveld met onze buurlanden. Juist in tijden van crisis moet de
overheid pal staan voor de ondernemers. Dat betekent ook gerichte
lastenverlichting, zoals het verlagen van accijnzen zodat stijgende
brandstofkosten niet volledig worden doorgeschoven naar ondernemers en
uiteindelijk naar alle huishoudens. Als we niets doen, betalen niet
alleen ondernemers de prijs, maar iedere Nederlander.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van mevrouw Oualhadj.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, op de valreep schiet mij nog een vraag te binnen. We zijn het
volgens mij allemaal met elkaar eens dat we soms wat zijn doorgeschoten
in het aantal regels dat er inmiddels is. Welke regels ziet u dan als
voorbeeld om mee te beginnen om af te schaffen? Ik hoor u zeggen dat het
dan zou gaan om regels die bijvoorbeeld verduurzaming bevorderen. Waar
moet ik dan aan denken? Dat eigenlijk vooral.
De heer Prickaertz (PVV):
Dat zijn inderdaad een heleboel regels, voornamelijk op het gebied van
verduurzaming. Dat is bijvoorbeeld de ondernemer dwingen om elektrische
voertuigen aan te schaffen. Een mooi voorbeeld is de ambulante handel.
Marktkooplui krijgen nog maar een vergunning voor maximaal twee jaar en
moeten dan wel verplicht van de gemeente waar zij een markt hebben een
elektrische bus gaan aanschaffen. Vervolgens gaan ze naar de bank en die
zegt: ja, moet u luisteren, u hebt een vergunning voor twee jaar en daar
kunnen wij geen financiering op loslaten die bij wijze van spreken vier
of vijf jaar duurt. Daar lopen ze in vast. We krijgen straks — even uit
mijn hoofd — de 17%-regeling op auto's. Dat betekent dat bedrijven die
zakelijke auto's op de weg hebben die op benzine rijden, of zelfs
hybride auto's, een extra bijtelling krijgen van 17%. Dat wordt allemaal
doorgevoerd in de kosten. Dat kost klauwen met geld en dat belemmert
alleen maar het ondernemen. Dat zorgt er niet voor dat ze meer kunnen
gaan ondernemen, maar alleen maar minder.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dat kan in sommige gevallen misschien wel kloppen, maar tegelijkertijd
lezen we ook dat juist die verduurzaming ontzettend belangrijk is voor
het verdienvermogen van Nederland en daar hoor ik u ook van zeggen hoe
ontzettend belangrijk is dat we dat blijven aanjagen. Hoe rijmt u die
twee dingen dan met elkaar?
De heer Prickaertz (PVV):
Ik geloof niet dat ik heb gezegd of ervoor sta dat verduurzaming juist
goed is voor de ontwikkeling. Op sommige punten moet er verduurzaamd
worden, maar laat die verduurzaming nou zo veel mogelijk aan die
ondernemer zelf over en ga nou niet van overheidswege dwingende systemen
opleggen die eigenlijk alleen maar heel veel kosten. Laat ik even uit
eigen ervaring spreken. Ik ben 25 jaar ondernemer geweest. Wij handelden
in flesjes water. Ik was de allereerste in Nederland die volledig
overstapte op volledig gerecycled pet. Dat is ook een stukje marketing,
maar de grap was dat nadat ik daarmee begonnen was heel veel van mijn
collega's mij daarin volgden. Dan zie je dus dat ook daar een stuk
verduurzaming optreedt. Ik vind echt dat de ondernemer zelf daar de
keuze in moet maken en dat dat niet opgelegd moet worden. Als een
ondernemer van overheidswege allerlei zaken opgelegd krijgt, kan het
zijn dat dat in een jaar gebeurt waarin die ondernemer eigenlijk niet in
staat is om die investeringen te doen. Ik ben ervan overtuigd dat als
die ondernemer gewoon goed kan ondernemen en geld kan verdienen, die
investeringen vanzelf komen.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Ik geef het woord aan mevrouw Nanninga, die
haar inbreng zal doen namens de fractie JA21.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ja, dat was wel de bedoeling, voorzitter. Daarvoor zit ik hier. Dank u
wel.
Voorzitter. Investeringen blijven achter, bedrijven stellen besluiten
uit en kijken nadrukkelijk naar het buitenland. De productiviteitsgroei
blijft al langere tijd laag. Deze ontwikkelingen raken direct onze
toekomstige welvaart. Het investeringsklimaat staat onder druk en
daarmee het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Ondernemers
hebben vooral grote behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid. Vanuit
een heel groot deel van onder meer de financiële sector wordt dat ook
expliciet aangegeven, net als door VNO-NCW, Brainport Eindhoven, de
Nederlandse Vereniging van Banken en de vele, vele, vele kleinere
mkb-bedrijven die wij spreken. Allemaal is het hetzelfde. Overal is het
refrein: voorspelbaar beleid. Er is geen duidelijke lijn. Het beleid in
Nederland wisselt voortdurend, is versnipperd en dat helpt niemand. Je
ziet ook wat het in de praktijk betekent. Kijk naar KLM, onze nationale
trots. Dat is een bedrijf dat moet investeren voor tien, twintig jaar
vooruit: nieuwe vliegtuigen, nieuwe technologie. Dat zijn hele grote
beslissingen, maar ze hebben geen idee aan welke regels ze straks moeten
voldoen omdat die regels dus steeds veranderen. Daarom mijn vraag aan de
minister wat zij doet met deze geluiden. Natuurlijk wil ook de nieuwe
minister een stempel drukken. Die heeft een visie, die heeft ideeën. Hoe
gaat zij dat doen zonder nog meer regels te maken of regels te
veranderen?
Ik had hier nog een kritisch blokje staan over regeldruk, maar wat ziet
mijn oog vanmorgen, vast niet geheel toevallig, in De Telegraaf? Dat er
een heleboel regels worden geschrapt. Nou, dat is hartstikke mooi. Doe
zo voort, zou ik namens JA21 willen zeggen. Zorg dat u aan het einde van
deze termijn bekendstaat als de minister van Afuera!: bakken en bakken
met regels schrappen. Dat is een goed begin. Ondernemend Nederland zal u
voor eeuwig dankbaar zijn als u deze lijn vasthoudt.
Dan wil ik het graag hebben over de grensregio's. Dat kondigde ik net al
even aan. De sprekers voor mij hebben het daar terecht ook over gehad.
Het verdienvermogen staat daar al langer onder druk en het wordt alleen
maar erger. De prijsverschillen met buurlanden lopen verder op en de
grensregio schuift ook steeds verder Nederland in. Het gebied dat last
heeft van die grensregioproblematiek wordt steeds groter. Dat is al
bijna de helft van ons land. Het gaat ook al lang niet meer alleen over
tankstations. Mensen gaan er een dagje van maken. Die gaan tanken,
boodschapjes doen. Ze gaan naar de meubelboulevard, gaan een hapje eten
en pakken misschien zelfs een hotelletje. Er wordt dus niet één sector
geraakt, maar de hele lokale economie: winkels, horeca, detailhandel en
noem maar op. Ondertussen hebben we zelf de lasten verder verhoogd. De
belastingen op hotels zijn verhoogd begin dit jaar, bijvoorbeeld. Het
effect werken we in de hand. Mijn vraag aan de minister is of het
kabinet in beeld heeft hoe groot dit effect inmiddels is voor de
grensregio's en hoever die economische grens Nederland al ingeschoven
is. Erkent de minister dat wat we in die regio's zien gebeuren een
direct gevolg is van oplopende prijsverschillen en beleid dat uit de pas
loopt met onze buurlanden? Welke concrete stappen — dat is natuurlijk
het belangrijkste — zet zij om te voorkomen dat dit effect zich verder
verspreidt en er structureel verdienvermogen uit Nederland
weglekt?
Dan nog even kort over de familiebedrijven. Dat is een uniek economisch
ecosysteem, dat we echt moeten zien te behouden. We hebben van de week
een briefing gehad van de heer Wennink, die daar ook een warm
pleitbezorger voor was. Hij had ook een intelligent idee over een soort
tussenpausschap, waarbij als de opvolging niet meteen door een directe
nazaat geregeld kan worden, je iemand kan aanstellen en nog steeds in de
BOR blijft vallen. Ik vind dat de BOR er ook bekaaid afkomt in het
coalitieakkoord, met een bijzinnetje. Het kabinet is niet voornemens om
daar iets aan te doen. Ik zou toch wel graag iets meer zekerheid willen
voor die sector, want het is echt zonde om zo'n bedrijfstak te zien als
kapitaal dat belast kan worden terwijl dat vaak helemaal niet zo is. Het
zit echt in het bedrijf. Dat is iets anders dan een erfenis in geld die
je krijgt van je ouders. Dat besef zit nog onvoldoende fiscaal ingeweven
in ons systeem.
Voorzitter. Dan nog één punt. Daar gaan we weer: houd het Groningenveld
open, voor de leveringszekerheid, voor het investeringsklimaat, voor
onze economie. We blijven het benadrukken: sluit dat niet onomkeerbaar
af. De halve polder is dat ook met ons eens. Doe dit niet. Hou dit als
noodreserve.
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Dank je wel. Dan geef ik het woord aan de heer Van der Lee, die zijn
inbreng zal doen namens de fractie van GroenLinks-PvdA.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal proberen om mijn inbreng te beperken tot
datgene waar de minister van Economische Zaken over gaat. Dat zijn niet
de accijnzen, niet de belastingdruk in het algemeen, niet de
duurzaamheidsregels, niet de BOR: dat ligt bij andere departementen. Ik
snap de discussies daarover, maar het lijkt me goed om ons op deze
minister te richten.
Uit het ACM-rapport over de staat van de markt blijkt een heel
zorgwekkende trend, namelijk dat de bedrijfsdynamiek in Nederland
afneemt en de marktconcentratie toeneemt. We zien dat gevestigde
bedrijven ten koste van innovatie en een goede en gezonde marktwerking
en productiviteit hun positie weten te versterken, wat ten koste gaat
van kleinere, innovatievere en nieuwere ondernemingen. Ik ben wel
benieuwd wat deze minister gaat doen om die trend te keren. We hebben
het in het vorige debat al gehad over de ACM en haar instrumenten. Dat
lijkt mij heel belangrijk, maar in dit debat wil ik me meer op de andere
kant concentreren, namelijk hoe we ervoor zorgen dat start-ups en
scale-ups meer kansen krijgen dan ze op dit moment krijgen.
Dan kom ik terug op de discussie over staatssteunregels. Al eerder is er
een motie van mijn partij aangenomen die pleit voor een versoepeling van
de definitie "onderneming in moeilijkheden". De voorganger van de
minister heeft daarop gereageerd en de inzet bekendgemaakt in de
onderhandelingen in Europa. Ik ben benieuwd hoe het daarmee staat.
Volgens mij wil iedereen dat die versoepeling er komt. Waarom kunnen we
daar niet proactief op handelen? Nederland staat bekend als een van de
striktste landen als het gaat om staatssteun, omdat we een
laisser-faireverleden hebben, maar dat is echt verleden tijd. We kunnen
meer risico's nemen, ook op dit punt, maar dat doen we niet — en dat
gaat ten koste van de bedrijfsdynamiek en trouwens ook ten koste van een
goede marktwerking in Nederland zelf. Is de minister bereid om
vooruitlopend op onderhandelingen daar al soepeler mee om te gaan? Dat
goedgekeurde projecten uit het Groeifonds mislukken omdat bedrijven
worden aangemerkt als "onderneming in moeilijkheden", vind ik namelijk
echt de wereld op zijn kop.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er een interruptie van mevrouw Bühler.
Mevrouw Bühler (CDA):
Meneer Van der Lee, we hebben net al kort gesproken over staatssteun.
Volgens mij delen we de analyse, maar ik vroeg me af of u het idee hebt
dat het ook te maken heeft met een mentaliteitskwestie in Nederland dat
wij veel sneller naar de showstopper "staatssteun" grijpen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat is niet alleen een mentaliteit; Nederland is groot geworden als
handelsnatie. Handel bedrijf je omdat er een verschil is in comparatieve
voordelen. Daardoor heb je ook handel over de grens heen. Of je nou wel
of niet in de grensregio woont, dat maakt eerlijk gezegd niet uit. Met
die vrijhandel zijn we rijk en groot geworden. Ik snap dat we daarvoor
gevochten hebben en dat we daarom streng waren op staatssteunregels,
zeker na de RSV-enquête, maar we leven in een hele andere geopolitieke
tijd, waarin protectionisme domineert en waarin grote geopolitieke
blokken hun markten beschermen. Dan moet je je anders opstellen. Volgens
mij is dat besef wel doorgedrongen, maar door onze hele legacy aan
maatregelen en culturen uit het verleden zetten we die stappen te
langzaam, al was het maar omdat wetgeving aanpassen tijd kost. Binnen
Europa kost het nog eens extra tijd. Voordat je dat dan weer in
Nederland hebt geïmplementeerd, ben je weer een paar jaar verder. Ik
denk dat we meer ruimte moeten creëren en moeten accepteren van elkaar,
ook als lidstaten, dat we sneller handelen dan we misschien volgens de
formele regels mogen. Het klopt dat Nederland specifiek de cultuur had
om het nog strikter te interpreteren, gelet op de redenen die ik net
noemde.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel interessant. De heer Van der Lee zegt: we moeten die formele regels
misschien niet zo strikt interpreteren. Ik probeer enige consistentie te
ontwaren in zijn betoog, want ik ken de Partij van de Arbeid als een
partij die altijd heel strikt is op Europese regels. We hebben onlangs
nog een debat gehad over de kinderopvang. Waarschijnlijk weet u dat er
een nieuwe constructie, een DAEB-constructie, komt. Dat is alleen maar —
ambtenaren zeggen dat ook — omdat we anders wellicht niet voldoen aan
Europese regelgeving, en we daardoor ooit een boete zouden kunnen
krijgen. Ik vind het op zich een mooi betoog van de heer Van der Lee dat
hij zegt "laten we het nu maar soepel interpreteren", want wij zijn
helemaal niet voor Europese regels. Maar is het dan zo afhankelijk van
het onderwerp dat de PvdA zegt: in het ene geval moet het wél strikt en
in het andere geval kan het wat soepeler? Hoe kijkt u dan meer op
metaniveau naar Europese regels?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dit zijn zulke algemene vragen. Het is best lastig om daarop te
antwoorden. Veel regels, zeker in Europa, zijn er juist om een gelijk
speelveld te waarborgen. Hoe meer we harmoniseren op Europees niveau,
hoe minder last je als bedrijf hebt van 27 verschillende jurisdicties
met allemaal hun eigen regels. Regels schrappen is dus, sorry, een
beetje een populistisch pleidooi. Het gaat erom welke regels je schrapt
en met welk doel. Ik, en volgens mij de collega's ook, krijg dagelijks
bedrijven over de vloer die aandringen op bepaalde regels op bepaalde
terreinen, omdat het hun concurrentiepositie verbetert en bijvoorbeeld
een gelijker speelveld creëert. Het gaat dus om de vraag welke regels je
ter discussie stelt en van welke regels je vindt dat ze goed gehandhaafd
moeten worden. En dan zie ik dat er in Europa op zich brede consensus is
dat de manier waarop we "ondernemingen in moeilijkheden" nu definiëren,
per definitie betekent dat start-ups in de problemen komen, omdat ze nog
niet de financiële stabiliteit hebben die een gezond bedrijf heeft;
daarom zijn ze start-ups. Als die consensus er is, moeten we dan heel
lang wachten totdat er een heel juridisch proces doorlopen is, of kunnen
we proactief met elkaar al wat soepeler ermee omgaan en er gezamenlijke
afspraken over maken voordat we het helemaal definitief goed geregeld
hebben? Dáár pleit ik voor, maar wel op een manier waarop we het gelijke
speelveld binnen Europa bewaken; dat vind ik wel belangrijk. Dat zijn de
regels waarvoor wij ons hardmaken.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een gelijk speelveld in Europa is volgens mij juist de reden waarom we
zo'n tegenstander zijn van staatssteun, althans, historisch gesproken.
Als relatief klein land verliezen we namelijk altijd de wedstrijd van
landen zoals Frankrijk en Duitsland, die gewoon veel meer geld hebben om
hun eigen bedrijven te ondersteunen. Maakt de heer Van der Lee zich daar
geen zorgen over?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat is traditioneel gezien de reden geweest waarom Nederland zich zo
opstelde. Ik herinner me nog het proefschrift van Hans Wijers uit de
jaren tachtig, want ik heb hier als student vroeger op gestudeerd. Mede
naar aanleiding van de RSV-enquête en van wat er in onze buurlanden
gebeurde, verklaarde hij industriebeleid als geheel een beetje taboe,
want je kunt als overheid niet de winnaars uitkiezen en je hebt de kans
dat je vooral verliezers zit te financieren. De realiteit is 40 jaar
later een andere. De Nederlandse economie is relatief gezien veel
sterker dan die van Duitsland en Frankrijk. Wij hadden en hebben een
veel innovatiever ecosysteem in Nederland. Maar wat zie ik nu gebeuren?
Dat kalft af, omdat we blijven hangen in opvattingen die destijds heel
terecht waren, maar die niet meer passen bij de tijd waarin we nu leven.
We moeten dus op een andere manier aankijken tegen staatssteun. Ik zie
nu — de ACM beschrijft die trend ook — dat de bedrijfsdynamiek afneemt.
Het duurt dus steeds meer jaren voordat nieuwe bedrijven groter worden.
De marktconcentratie neemt toe. Dat betekent dat een beperkt aantal
bedrijven de markt domineert. Dat is niet wat wij willen. We willen het
omgekeerde. De huidige kijk op staatssteun versterkt dus een trend die
we juist niet moeten willen. We moeten juist jonge, vernieuwende
bedrijven stimuleren en daarom op een andere manier naar de
staatssteunregels kijken. Dát probeer ik duidelijk te maken.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan is mijn vervolgvraag: als wij dat doen, dan doen Duitsland en
Frankrijk dat ook, dus verliezen wij dan niet automatisch die strijd,
omdat er in Duitsland en Frankrijk nu eenmaal meer geld is? Er zijn ook
veel meer klanten; daarmee bedoel ik gewoon inwoners van een land.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Maar ook hier is het niet zo ... In relatief opzicht heeft Nederland
veel meer geld. De staatsschuld in Frankrijk is 123%. Die van Duitsland
ligt tegen de 70%. Nederland zit op 45%. Wij hebben heel veel geld. We
kiezen er alleen zelf voor om helemaal geen risico's te nemen. Wennink
bepleit: neem wat meer risico's, kies voor echte investeringen en laat
die ten koste gaan van de staatsschuld, want dan kun je nu een voordeel
opbouwen. Maar waar kiest de coalitie voor? De coalitie kiest voor de
grootste nationale kop op Europese regels, namelijk dat het tekort niet
maximaal 3% mag zijn, maar 2% moet zijn. Dan geef je structureel een
financiële ruimte van 12 miljard per jaar weg, terwijl je op dit moment
bijvoorbeeld ook kunt investeren in "first of a kind"-ondernemingen, in
scale-ups die risicovol investeren. Dan kom je er niet met een paar
miljoen, maar moet je een paar honderd miljoen willen investeren, met
risico. Daar kun je ook publiek geld voor inzetten, als je bereid bent
om de Nederlandse investeringsinstelling de ruimte te geven om die
risico's te nemen. Dat betekent wel dat het geld zou kunnen kosten, wat
ten koste gaat van de staatsschuld. Maar waar kiest de coalitie voor?
Die zegt: "Nee, dat mag niet. Het moet marktconform gebeuren." Dan ga je
concurreren met private financiers. Zo gaat het niet werken.
De voorzitter:
Meneer Van der Lee, u vervolgt uw betoog.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik was al begonnen over de noodzaak.
De voorzitter:
Excuus, ik zie nu — het is echt een uitdagende zaal hiervoor trouwens —
dat de heer Vermeer een interruptie heeft.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben het helemaal eens met de heer Van der Lee dat we meer moeten
investeren en dat we onszelf niet in die ruimte vast moeten zetten. We
kunnen dat investeren ook nog met revolverende fondsen doen.
Uiteindelijk kan dat ons zelfs geld opleveren. Ik werd wel even
getriggerd toen hij zei dat hij geregeld wordt benaderd door bedrijven
die meer regels willen. Kan hier er drie noemen, of gaat het dan vooral
om het handhaven van bestaande regels?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik zal een heel concreet voorbeeld noemen. Ik heb jaren contact gehad
met Unilever. Hier is trouwens ook een mooi boek over geschreven door
Jeroen Smit; "Het grote gevecht" heet het volgens mij. Dat gaat over de
fase waarin Unilever koploper was wat betreft duurzaamheid. In die
periode wilde Unilever heel graag dat de Nederlandse overheid ook voor
andere concurrenten de lat op een aantal terreinen hoger zou leggen, om
zo in termen van duurzaamheid beter te presteren. We zien dat dit niet
is gebeurd. Dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat ook bij Unilever
het traditionele aandeelhouderskapitalisme weer naar boven kwam en de
duurzaamheidsambities werden weggeschreven. We zijn daar niets mee
opgeschoten. Sterker nog, Unilever heeft Nederland verlaten.
Dezelfde trend zag je bij Shell. Ons wordt altijd verweten dat dit
vertrek vanwege de dividendbelasting was, maar dat is totale onzin. Ook
daar zag je leiderschap dat wilde verduurzamen en dat daarvoor om steun
vroeg, ook op het gebied van regelgeving, van de Nederlandse overheid en
Europa, maar die steun onvoldoende kreeg. Vervolgens werd het door
traditionele aandeelhouders weer gedwongen om op een Amerikaanse, of
Angelsaksische manier te ondernemen. Het gaat er dus heel erg over
wanneer je welke regel instelt en welk type activiteiten je
maatschappelijk wenselijk vindt. Het gaat er ook over of je het
belangrijk vindt om ervoor te zorgen dat nieuwe markten ook markten
worden waarin Nederlandse ondernemingen die innovatief zijn, ook qua
verduurzaming, een verdienmodel kunnen ontwikkelen dat niet alleen in
Nederland en niet alleen in Europa werkt, maar dat internationaal gezien
tot de meest concurrerende behoort.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Excuses dat ik wat later was. Ik val in een prachtig mooi betoog van de
heer Van der Lee, zoals we GroenLinks-PvdA ook kennen. Ik heb in eerste
instantie een verduidelijkende vraag: zegt de heer Van der Lee nou dat
Unilever vertrekt omdat wij niet genoeg Nederlandse koppen op Europese
regelgeving hebben om te verduurzamen? Is dat een van de redenen
geweest? Hoe reflecteert de heer Van der Lee dan op de grootste klacht?
Ik heb het over het feit dat bijvoorbeeld de voormalig CEO van ASML aan
de bel trok na aanneming van een amendement waar de heer Van der Lee de
architect van was. Dat amendement heeft voor dusdanige schommelingen in
het fiscaal beleid gezorgd dat de roep om stabiel beleid steeds groter
werd. Kan de heer Van der Lee iets verduidelijken ten aanzien van die
eerste vraag? Kan hij ten tweede ook een stukje zelfreflectie tonen?
Ging het echt alleen om verduurzamen?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dat zijn heel veel vragen en verwijten in één keer. Waar zal ik
beginnen? Ten aanzien van de eerste vraag: lees het boek van Jeroen
Smit. Lees het eens. Ik weet dat u dat niet vraagt, maar het zou heel
verstandig zijn als u het eens leest. Dan zult u ook begrijpen dat ik
niet zeg dat het ligt aan te weinig nationale koppen op Europese regels.
Een bedrijf had ambitie en was intrinsiek gemotiveerd om op een
duurzamere, maar in potentie ook een voor de markt aantrekkelijke manier
te produceren, maar is op alle mogelijke manieren tegengewerkt en
gefrustreerd. Dat heeft niet te maken met het punt dat u maakt.
Dan het andere punt. Dat is ook altijd het klassieke verwijt van uw
partijleider, die te pas en te onpas begint over dat ene amendement.
Voor een partij die kabinetscrisissen veroorzaakt en die Nederland al
vijf jaar lang tot een soort standstill heeft gebracht wegens politieke
motieven, vind ik dat altijd hele grote woorden. Ik ken Peter Wennink
redelijk goed; ik heb vaker met hem gesproken. Voor ASML is het fiscale
vestigingsklimaat helemaal niet het probleem. Kapitaal is ook helemaal
geen probleem. ASML had behoefte aan ruimte voor uitbreiding. Dat bedoel
ik niet alleen in fysieke zin, maar ook in de zin dat er
maatschappelijke functies kunnen worden ontwikkeld, zodat zij een
verdubbeling in productiecapaciteit kunnen realiseren. Dat generieke
geklaag over het fiscale vestigingsklimaat doet echt tekort aan de vraag
wat een cruciaal en gezond vestigingsklimaat voor een land maakt. Het
gaat om veel meer dingen: om goeie infrastructuur, een goed opgeleide
bevolking, een prettig leefklimaat, een hele stabiele, zekere
rechtsstaat en natuurlijk ook een overheid die niet voortdurend
jojobeleid voert, bijvoorbeeld als het gaat om verduurzaming. Wel of
niet een CO2-heffing: hoe vaak dat al niet heen en weer is
gegaan. Dan kunt u mij kritiek geven op een amendement dat geloof ik 1
miljard groot was en dat heel terecht bedrijven die eigen aandelen
inkopen, wil belasten. Zij ontlopen daarmee namelijk de
dividendbelasting, terwijl dat toch een cadeau is aan de aandeelhouders
in plaats van dat ze dat geld investeren in de Nederlandse
economie.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ben er altijd enorm van gecharmeerd als het eerste antwoord is dat ik
een bepaald boek of artikel moet lezen om beter te begrijpen wat mijn
collega hier aanhaalt. Ik doe dat dan maar met liefde en ik zal de heer
Van der Lee laten weten wat ik ervan vindt. Dan wil ik ook gezegd hebben
dat de toon die de heer Van der Lee hier aanslaat, niet nodig is. Die
gebruik ik ook niet de andere kant op. De heer Van der Lee en zijn
voorganger, de heer Thijssen, met wie ik altijd heerlijke debatten had
en die ik altijd nog een beetje mis in dit huis, weten … Ja, dat waren
mooie debatten, meneer Vermeer; u heeft er ook van genoten. Er waren
namelijk fundamentele verschillen in hoe je kijkt naar de rol van de
overheid in relatie tot het vestigingsklimaat. Het moeilijke vind ik
alleen dat de heer Van der Lee zo wild om zich heen slaat terwijl wij
hier stabiliteit proberen te creëren, of dat nou gaat over fiscaal
beleid of andere zaken. Ik vind het zo jammer dat de heer Van der Lee
eigenlijk zegt dat het aan alles ligt en dat het allemaal stabiel moet
zijn, maar dat zijn partij het geen probleem vindt om bepaalde
rekeningen die betaald moeten worden neer te leggen bij het
bedrijfsleven. Volgens mij vraagt het bedrijfsleven hier dat wij op elk
aspect zorgen voor die rust en die voorspelbaarheid. Is de heer Van der
Lee dat dan niet een klein beetje met mij eens?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Laat ik positief beginnen. Ik ben het met u eens dat
investeringszekerheid heel belangrijk is en dat stabiliteit ook
belangrijk is. Dat betekent ook politieke stabiliteit. Daar hoort dan
niet bij geforceerd een kabinet laten vallen op een manier die, denk ik,
heel onverantwoord was. Daarnaast sla ik helemaal niet wild om mij heen.
Ik constateer alleen dat één door mij ingediend amendement voor de VVD
een enorme hang-up is. Dat amendement kwam trouwens niet alleen van mij;
het had een Kamermeerderheid en het is gewoon aangenomen, trouwens na de
kabinetsval waar ik part noch deel aan had. Hier zit echter de VVD-wens
achter om gevestigde belangen en gevestigde partijen te bedienen. Dat
wordt ook bevestigd door het ACM-rapport. Wie lobbyt het hardst voor
bepaalde fiscale maatregelen? Dat zijn de grootste bedrijfslobby's en de
grote gevestigde bedrijven, terwijl we zien dat de bedrijfsdynamiek
afneemt en de marktconcentratie toeneemt. We bedienen op dit moment dus
de verkeerde bedrijven. Ik kijk naar de heer Vermeer, die het altijd
voor het mkb en bedrijven in de grensregio's opneemt. Dat deed de heer
Prickaertz ook. Het mkb delft voortdurend het onderspit. Ik denk dus dat
de VVD zal moeten nadenken en terug moet kijken op de afgelopen — wat is
het? — twintig jaar dat ze regeerden: doen we nou wel in alle opzichten
het beste voor het verdienvermogen van Nederland? En waarom staan we er
dan niet beter voor? Waarom zien we op al die terreinen dat Nederland
wegzakt? Dat kunt u niet GroenLinks-Partij van de Arbeid verwijten, want
— helaas — ook dit keer hadden we graag meegedacht en meegewerkt, en ook
in een coalitie gezeten. Het is de VVD die dat altijd blokkeert.
De voorzitter:
Ten slotte, mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik ben blij dat de heer Van der Lee het even kwijt is. Ik denk dat ik
het woordje "VVD" wel tien keer heb gehoord in het antwoord op een
simpele vraag hoe we hier gezamenlijk, van links tot rechts, voor die
stabiliteit zouden kunnen zorgen. Maar ik ben graag de boksbal voor de
heer Van der Lee, om hem in dit huis dat stuk emotie een plekje te
kunnen laten geven. Dan een ander aspect. De reden waarom ik toch elke
keer weer terugkom op die fiscale zaak, is dat wel degelijk juist voor
start-ups en scale-ups die fiscale zaken ontzettend belangrijk zijn.
Meneer Van der Lee, dat is een wedstrijd die ik graag op de inhoud met u
aanga. Neem het verbreden van de Wbso. Als er blijkt dat de Innovatiebox
niet bij de juiste mensen terechtkomt, moeten we kijken hoe we ervoor
gaan zorgen dat de Innovatiebox wel bij de juiste mensen terechtkomt.
Laat mij hier toch wel echt even het volgende gezegd hebben. Dit is waar
de partij van de heer Van der Lee niet in geloofd: we hebben een
ecosysteembenadering, die van een spin in het web. Op het moment dat een
bedrijf als ASML vertrekt, vallen er 1.500 mkb-bedrijven om. Als een
bepaalde fiscale maatregel ervoor zorgt dat grote innovatieve bedrijven
hier blijven, dan is dat dus van belang voor ons hele land.
Maar dan ga ik toch weer even terug, want de heer Van der Lee vond ook
de expatregeling niet belangrijk. Die is essentieel voor start- en
scale-ups om de war on talent in Nederland te winnen. Dus u kunt nu
zuchten en wegkijken, maar mijn oproep was om van links tot rechts in
dit huis te zorgen voor stabiel beleid, of het nou gaat over
investeringen in veiligheid, de rechtsstaat of fiscaliteit. Meneer Van
der Lee, u heeft mijn partij tien keer genoemd in één zin. Zullen we er
nou gewoon voor gaan zorgen dat al de mensen die meekijken en de mensen
op de tribune ervan uit kunnen gaan dat zij niet de rekening krijgen
voor alle projecten van ons hier?
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Jaja, wat zal ik zeggen over uw toon? Ik denk niks. Ik ga lekker weer in
discussie. Wat zei Peter Wennink bij de presentatie van zijn rapport?
"Ik hoop dat Nederland tot een meerderheidscoalitie komt, want dat geeft
uitzicht op uitvoering van dit rapport en stabiel overheidsbeleid." Wie
blokkeert een meerderheidscoalitie in Nederland? Dat is de VVD. En dan
die grote woorden over politieke stabiliteit. Kijk nou naar de afgelopen
zes weken. Hebben we nou een stabiele situatie gecreëerd in Nederland?
Op ieder onderwerp is er gedoe en is het onduidelijk welke meerderheid
tot stand gaat komen. Dat is toch niet waar bedrijven op zitten te
wachten? Dus ik zou zeggen: gebruik misschien wat minder grote woorden
en denk na over hoe we het beter kunnen doen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog, want u was volgens mij nog niet aan het einde
gekomen van uw inbreng.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ja, dat ga ik doen. Ik was gebleven bij de noodzaak om "first of a
kind"-projecten te financieren met publieke middelen, gekoppeld aan de
terechte ambitie om een Nederlandse investeringsinstelling te creëren en
meer financiële draagkracht te geven. Is de minister bereid om in de
uitwerking van de Nederlandse investeringsinstelling uitgebreid in te
gaan op de manier waarop dat soort investeringen, die toch al gauw een
paar honderd miljoen bedragen en risicovol zijn, tot stand kunnen worden
gebracht? Dan heb ik het vooral over scale-ups, want daarmee missen we
echt wel de boot op dit moment.
Dan wilde ik nog een punt maken over de bezuinigingen op het
Toekomstfonds, want die vind ik toch echt heel vreemd. Daarin zitten de
Seed Capital-regeling, het Innovatiekrediet en de
Vroegefasefinanciering. Daarop bezuinigen staat toch weer haaks op wat
nodig is? Is de minister bereid om daar opnieuw naar te kijken en om met
een oplossing te komen om de bezuinigingen op dit punt ongedaan te
maken? Ik denk namelijk dat dit echt het paard achter de wagen spannen
is.
Dan nog even één zin over het volgende. Stel, je wil een bedrijf, een
scale-up, opzetten en je hebt een paar honderd miljoen nodig voor een
best wel revolutionair idee. Ben je dan bij de investeringsinstelling
aan het goede adres? Welke rol gaat het Nationaal Agentschap voor
Disruptieve Innovatie daar nou eigenlijk in spelen? Is dat alleen maar
voor heel klein, fundamenteel onderzoek of voor start-ups, of is dat ook
een loket voor scale-ups? Hoe ziet de minister dat?
Dat was redelijk binnen de tijd, denk ik.
De voorzitter:
Dank u wel. Voordat ik de heer Van Houwelingen het woord geef, heb ik
een puntje van orde. Ik werd er zojuist op gewezen dat mevrouw Keijzer
formeel geen onderdeel uitmaakt van deze commissie, dus ik wil even
rondkijken om te zien of niemand bezwaar heeft tegen haar deelname aan
dit debat. Dat is een beetje laat, maar ik wil dat wel eventjes netjes
gezegd hebben.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Ik realiseerde mij dat heel goed toen u mij het
woord gaf, maar ik dacht: weet je, ik ben op de helft, dus laat maar
zitten. Maar ik ben heel benieuwd of de collega's mij hier accepteren.
Dank u wel.
De voorzitter:
Volgens mij komt dat goed. Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Van
Houwelingen voor zijn inbreng namens Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Nederlanders zijn een vindingrijk, bedrijvig en
ondernemend volk, een volk dat tijdens de hoogtijdagen van de Gouden
Eeuw de grootste welvaartsgroei doormaakte die de wereld ooit had
gezien. Terwijl de economieën van andere landen stagneerden of zelfs
krompen, waren wij gedurende lange tijd tweemaal zo welvarend als
bijvoorbeeld Engeland, Spanje en Frankrijk. Omgerekend naar hedendaagse
verhoudingen zou dit uitkomen op een inkomen per hoofd van de bevolking
van ruim een ton.
Voorzitter. Wij waren een toren aan het bouwen die tot in de hemel
reikte. Draaien we de klok 400 jaar vooruit, dan belanden we in onze
tijd en zien we dat we deze toren nog wel willen bouwen, maar dat dit
ons simpelweg onmogelijk wordt gemaakt door volstrekt contraproductief
beleid. Onze ondernemersgeest wordt in de fles gehouden, bekneld, beknot
en gekneveld door regelzuchtig wanbeleid.
Voorzitter. Er zijn een aantal thema's die invulling geven aan dit
wanbeleid. Een voorbeeld is de massamigratie, die ons sinds 1995 600
miljard euro per jaar heeft gekost. En er is natuurlijk de EU, waar wij
nettobetaler van zijn. Dat kost 5 miljard per jaar, geld dat naar
Brusselse bureaucratische tekentafelarchitecten vloeit, die elke dag
karrenvrachten aan regels en voorschriften opstellen die het
ondernemingsklimaat om zeep helpen en mkb'ers de nek omdraaien. Wij zijn
trouwens vooral voor het mkb en het kleinbedrijf. Ik wil ook het
Groningengasveld nog even noemen, dat nog honderden miljarden kubieke
meters gas herbergt, maar dat wij op dit moment volstorten met beton en
waarvan wij as we speak de winningsinstallaties ontmantelen en naar
Oekraïne verschepen.
Voorzitter. Waarom in hemelsnaam? Laten we eens inzoomen op de gevolgen
van de ideologie die ten grondslag ligt aan de sluiting van het gasveld
in Groningen: de klimaatreligie. Dit geloof is niet alleen desastreus
voor onze energierekening, maar ook voor de Nederlandse industrie. Zo
zijn er tal van voorbeelden van bedrijven die het land verlaten of,
erger nog, failliet gaan, omdat ze hier niet meer kunnen overleven. Dit
komt niet doordat wij geen competente beroepsbevolking hebben, maar
doordat zij hier gebukt gaan onder energiebelasting, nettarieven,
CO2-heffingen, trage vergunningverlening, stikstofregelgeving
en regelzucht. Zo huisvest de Rotterdamse haven het grootste chemische
cluster van Europa. Helaas is deze groep bedrijven aan het afnemen in
omvang. Zo sloot in 2021 al de grootste anodefabriek ter wereld,
Aluchemie. In 2024 sloot een van 's werelds grootste plasticproducenten,
Indorama, zijn vestiging in Rotterdam. Vorig jaar kondigden Tronox en
LyondellBasell/Covestro aan hun vestigingen op de Maasvlakte te gaan
sluiten. Maar ook Dow Chemical, waar zo'n 14.000 banen mee samenhangen,
geeft aan door de hoge kosten hier al niet meer te kunnen concurreren
met bedrijven uit het buitenland.
Voorzitter. We zijn massaal onze industrie aan het verliezen. Dat is
eigenlijk mijn grootste zorgpunt op dit moment. Waar komt dit door? Heel
simpel: het klimaatbeleid. Heel veel landen doen niet mee, beginnen
later of hebben een later groeipad. Denk aan China, India en Afrika. De
VS hebben het Parijsakkoord sowieso al verlaten. In 1992 had Europa een
groter aandeel — dat is het gevolg dat je krijgt — in de wereldeconomie
dan de VS, namelijk ruim een kwart. Vandaag de dag is het aandeel van
Europa gekelderd naar een schamele 14%. We zijn dus aan het krimpen. De
VS daarentegen nemen nog steeds een kwart van de wereldeconomie voor hun
rekening. Groene groei bestaat dus niet, maar groene krimp wel.
Daarmee wil ik eindigen, voorzitter. Heel veel bedrijven hebben ons
benaderd. We zijn ook op werkbezoek geweest bij heel veel bedrijven.
Nyrstar, een zinkbedrijf in Brabant, kan bijvoorbeeld nét nog het hoofd
boven water houden. Een aluminiumfabriek in Groningen is al failliet.
Een Japans bedrijf in de Maasvlakte heeft me verteld: we gaan niet meer
investeren of misschien zelfs weg, omdat de energieprijzen te hoog zijn.
We hadden ook een rondetafel, waar ExxonMobil bij zat. Zij zeiden ook:
we gaan niet meer investeren, want dat is te duur. De vraag die ik
vooral aan de minister zou willen stellen, is: hoe kijkt de minister
hiertegen aan? De hoge energieprijzen zorgen ervoor dat we onze
industrie verliezen. Daarmee verliezen we ook ons innovatievermogen; dat
kwam bij het rondetafelgesprek met Wennink aan de orde. Dat is namelijk
vaak gekoppeld aan de industrie. Innovatie vindt binnen de industrie
plaats. Ik hoop dat de minister met een ander antwoord komt dan "groene
groei". Dat is wat ons betreft een oxymoron. Ik hoop dus dat de minister
met een wat serieuzer antwoord komt.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Oualhadj, die haar inbreng
zal leveren namens de fractie van D66.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. Alles waar we als land trots op zijn, onze zorg,
ons onderwijs, onze pensioenen, betalen we met ons verdienvermogen. Elke
dag zijn er miljoenen mensen in Nederland die daaraan bijdragen. De
vraag in dit debat is dan ook: beschermen en versterken we de welvaart
of kijken we toe hoe die langzaam afbrokkelt? Want als onze groei op het
huidige pad blijft, verliest een gemiddeld huishouden zo'n €1.700 per
jaar aan koopkracht. In een slechter scenario loopt dat verder op. Dat
zijn geen abstracte cijfers, maar gezinnen die keuzes moeten maken die
ze niet willen maken.
Het is aan ons hoe we daarop reageren. In het coalitieakkoord zie ik
stappen in de goede richting. Tegelijk heb ik wel wat vragen over het
tempo en de uitvoering. De probleemanalyses liggen er. De Monitor
Ondernemingsklimaat laat zien dat groei stagneert. Onze publieke
R&D-investeringen lopen terug. Er liggen ook oplossingen. Denk aan
de industriebrief met zes groeimarkten, de Productiviteitsagenda en het
rapport van Peter Wennink, dat al maanden op de plank ligt, met 51
concrete investeringsvoorstellen. Zoals de heer Wennink deze week aangaf
in de technische briefing kunnen sommige voorstellen in principe morgen
al worden uitgevoerd of geadapteerd. Mijn vraag aan deze minister is
dus: waar kunnen we nu al mee beginnen, zonder te wachten op de
nationale investeringsinstelling, die er logischerwijs nog niet is, maar
in de maak is? We kunnen namelijk geen tijd verliezen. Is de minister
bereid om voor de zomer duidelijkheid te geven over de uitvoering van
deze plannen en welke financiering waarvoor beschikbaar komt?
Dan nog even over de halfgeleidersvisie, die onlangs naar de Kamer is
gekomen. Ik ben blij dat die er ligt, want daarmee zijn de bouwstenen
voor een uitvoeringsprogramma gelegd. In de begeleidende brief lees ik
dat er al best wat stappen worden gezet, maar dat er nationaal en
Europees meer nodig is om de ambities waar te maken. Voor mij is dan nog
onduidelijk waar dat precies over gaat. Gaat het om financiering,
prioritering of de uitvoering? Ik las ook in die begeleidende brief een
uitnodiging van deze minister om daarover met de Kamer in gesprek te
gaan. Dat doen we natuurlijk heel graag, maar doen we dat dan op basis
van die begeleidende brief? Komt er nog een andere begeleidende brief
met daarin een deel over die financiering, uitvoering en prioritering,
of doen we het puur op basis van de visie van de Semicon Board?
Voorzitter. Ik wil dan ook nog een zorg delen. Geopolitieke onrust zet
niet alleen onze economie onder druk, maar ook de private investeringen
die we nu nodig hebben. In onzekere tijden trekken investeerders zich
doorgaans snel terug en worden innovaties en jonge bedrijven als eerste
geraakt. Heeft de minister scenario's doorgerekend waarin private
investeringen in sleuteltechnologieën terugvallen? Welke rol ziet zij
dan voor de overheid om te voorkomen dat een tijdelijke dip leidt tot
structurele schade? Juist dan kan de overheid het verschil maken door
richting te geven, commitment te tonen en investeringen overeind te
houden, bijvoorbeeld door als eerste klant op te treden wanneer
innovaties marktrijp zijn. In dat licht bevat het coalitieakkoord dus
ook de oprichting van — we hadden het er net al over — een nationale
investeringsinstelling binnen twee jaar. Hoe zorgen we er nou voor dat
die snel wordt opgetuigd? Hoe ziet de minister die vormgeving? In die
zin sluit ik mij aan bij de vragen daarover van collega Bühler.
Voorzitter, ik rond af. In dit coalitieakkoord staan veel elementen om
een investeringskabinet waar te maken. Dat is goed nieuws. Laten we die
kans benutten. Elke euro die we vandaag investeren, is er een die we
later dubbel en dwars kunnen terugverdienen. Zo houden we zelf de regie
over onze toekomst. Ik kijk dus ook uit naar de invulling van deze
minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Keijzer voor haar
inbreng.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank u wel, voorzitter. Hier in de Haagse politiek zijn we
wereldkampioen in het produceren van papieren oplossingen. We
rapporteren, overleggen, accorderen, maar zodra het echt gaat over wat
Nederland nodig heeft om het verdienvermogen te behouden, slaat de
twijfel toe. Dan grijpen kabinetten terug op de bekende reflex: meer
regels, meer lasten, meer Haagse sturing. Als het ingewikkeld wordt,
wordt het probleem toch weer doorgeschoven naar de markt, want die lost
alles wel op. Ik zit hier vandaag als eenpitter, omdat ik dit een
belangrijk onderwerp vind, namelijk: hoe verdienen wij ons geld? Dat
gaat toch echt via het bedrijfsleven.
Zoals ik net uiteenzette, leidt hoe we omgaan met deze belangrijke
sector er echter toe dat we beleid hebben dat steeds verder losraakt van
de economische werkelijkheid. Elke keer komen er nieuwe heffingen,
fiscale taakstellingen en er is voortdurende onzekerheid over
belastingen. Tegelijkertijd zijn er mooie woorden over
concurrentiekracht, maar zien we maatregelen die Nederlandse bedrijven
structureel op achterstand zetten ten opzichte van Europese
concurrenten. Die kloof tussen wat nodig is en wat er gebeurt, zie je
het scherpst bij het midden- en kleinbedrijf. Het is juist de kleine
ondernemer die dorpen en wijken draaiende houdt, niet alleen economisch,
maar zeker ook sociaal. Deze ondernemers lopen juist vast. Veel van hen
verdienen ongeveer een modaal inkomen, zo niet minder, maar dragen wel
risico's. Ze nemen personeel aan en houden hun omgeving overeind.
Daar komt bij dat de overheid fiscaal onbetrouwbaar is geworden. Regels
veranderen voortdurend. Fiscale regimes verschuiven en uitzonderingen
worden de regel. Ondernemen vraagt om vooruitkijken en investeren, maar
wie durft dat nog als je niet meer zeker weet welke regels de overheid
stelt? Neem het verhogen van het btw-tarief op bloemen. Dat is een
maatregel die ondernemers direct raakt in hun portemonnee, zonder dat
bekend is bij de overheid hoeveel het uiteindelijk gaat opleveren. Het
is het bekende CPB-cafetariamodel: mooie woorden over ondernemerschap,
maar zodra er ergens nog een gaatje te vullen is, wordt er snel naar het
bedrijfsleven gekeken.
Dan ga ik naar het grotere plaatje. Te vaak wordt dit belangrijke debat
gereduceerd tot één relativerende zin. Ik zag die van de week weer op de
economische pagina van een grote krant staan, namelijk: we hebben toch
ASML nog? Dat mag nooit de discussie zijn. De echte vraag is of wij in
Nederland de voorwaarden creëren waaronder de ASML'en — meervoud dus! —
willen blijven investeren, groeien en innoveren. Een land kan niet
leunen op een handjevol iconen terwijl de basis afbrokkelt. Daar moeten
wij onze aandacht en maatregelen op richten.
Voorzitter. De markt kan alleen functioneren met gelijke spelregels,
maar Nederland maakt het zichzelf steeds moeilijker. Kijk bijvoorbeeld
naar de brandstofprijzen. Vanmiddag hebben we daar een debat over, maar
hier speelt dat natuurlijk ook. Heel veel bedrijfsleven heeft ermee te
maken. Mkb'ers zien hun marges verdampen door beleid dat hen letterlijk
de markt uit prijst. Als ondernemers zich dan uitspreken, zoals de
chauffeurs die langzaam over de Afsluitdijk gingen rijden om aandacht te
vragen voor hun situatie, zegt Den Haag: we begrijpen uw zorgen, maar we
grijpen niet in. Buiten deze zaal ziet men echter geen nuance. Men ziet
een overheid die steeds meer vraagt en steeds minder luistert. Een land
kan alleen functioneren als markt, staat en gemeenschap in balans zijn,
maar die balans is zoek. De Staat trekt steeds meer naar zich toe, de
markt raakt verstrikt in regels en de gemeenschap wordt vergeten. Het is
belangrijk om dat evenwicht te herstellen.
Tot slot. Het is mooi om aan het begin van zo'n debat een groot
interview over minder regels in de krant te zien. Ik weet hoe het werkt.
Mooi. Interessanter is de vraag: gaat u de genoemde regels daadwerkelijk
schappen of is het een voornemen om ze te schrappen? Nog belangrijker:
hoeveel regels worden er elke maand toegevoegd? Neemt u die ook
mee?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ten slotte in de eerste termijn van de Kamer zal mevrouw
Martens-America haar inbreng doen namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik zei net al tegen mevrouw Keijzer — welkom
overigens — dat dit debat steeds populairder wordt. De heer Vermeer en
ik zaten hier vorig jaar met gemiddeld twee à drie collega's. Dit doet
mij dus goed, voorzitter.
Voorzitter. We spreken vandaag over het verdienvermogen van ons land,
over de economie, onze innovatiekracht en het vraagstuk: waar gaat men
vandaag, maar vooral de generatie van bijvoorbeeld mijn dochter later
haar geld mee verdienen? Als er één ding duidelijk is, dan is het dat
dat allemaal niet langer zeker is. Handelsrelaties en gedeelde belangen
zijn niet langer gegarandeerd. De technologische ontwikkelingen gaan
sneller dan wij ons hier zouden kunnen voorstellen.
Voorzitter. Waarom is het zo belangrijk dat wij dit debat hier op
structurele basis voeren? De reden haalde ik al eerder aan, namelijk dat
het gaat over onze welvaart, die van vandaag en die van de toekomst.
Wennink schreef al in zijn rapport dat ons land op z'n minst 1,5%
economische groei moet behalen om onze welvaart op peil te houden. Dan
gaat het om ons onderwijs, onze zorg, onze veiligheid et cetera. Dat
minimale percentage staat sinds een aantal weken natuurlijk nog verder
onder druk, namelijk sinds de oorlog in het Midden-Oosten is
uitgebroken. Wat mijn fractie betreft heeft die 1,5% economische groei
als doelstelling dan ook absoluut de prioriteit.
Gezien de beperkte spreektijd wil ik mijn bijdrage graag opknippen in
drie onderwerpen. Ik begin bij de sterkte van onze economie. De gevolgen
van de onrust in de wereld maken het op dit moment vrijwel onmogelijk om
te blijven kwantificeren wat daadwerkelijk de gevolgen zullen zijn voor
onze economie. Toch betekent dat niet dat we mogen gaan toekijken.
Recent hebben wij in dit huis nog een debat gevoerd over de gevolgen van
de oorlog in het Midden-Oosten voor onze economie. Daarin heeft de
minister toegezegd voor de zomer te komen met een aantal plannen, ook
over het behalen van die 1,5%. Mijn vraag is in hoeverre er nu ook wordt
gekeken naar onderwerpen als economische veiligheid en strategische
autonomie.
Voorzitter. Ik maak in dit huis al een aantal jaren een punt van het
versterken van de verschillende sectoren. Dat is de blauwdruk van
Project Beethoven. Dat is die zogenaamde "triple helix"-aanpak. Die laat
zien dat kiezen voor een bepaalde sector — we hebben bijvoorbeeld de
Nationale Technologiestrategie of de laatste industriebrief — en daar
investeren in de randvoorwaarden er daadwerkelijk voor zorgt dat mkb,
start- en scale-ups, zzp'ers en grote internationale bedrijven kunnen
blijven groeien. Zijn er al sectoren waarvoor de minister die blauwdruk
zou willen gebruiken om te zorgen dat die sectoren in Nederland blijven
groeien?
Dan de start- en scale-ups. Ik hoorde de heer Van der Lee zeggen: je wil
graag een scale-up beginnen. Nou ja, je begint met een start-up. Als je
mazzel hebt, groei je door tot een scale-up. Die groei is in Nederland
heel lastig. Het gaat om het ophalen van kapitaal, het aantal regels,
maar ook de starre arbeidsmarkt. Wij kijken bijvoorbeeld reikhalzend uit
naar de eerste contouren van de investeringsmaatschappij. Ik wil toch
alvast hebben gevraagd of daarbij ook het stuk borg- en garantstelling
wordt meegenomen. Dat is natuurlijk een van de grootste vragen vanuit de
start- en scale-uphoek.
Iets waarover we het hier wat minder vaak hebben, is het stuk sociale
zaken. Wennink schreef ook dat de Nederlandse arbeidsmarkt, die in
vergelijking met de landen om ons heen enorm star is, ervoor zorgt dat
juist kleine bedrijven niet doorgroeien. Neem de lange loondoorbetaling
bij ziekte en de extreme lobby van vakbonden om nieuwe bedrijven onder
te brengen in oude cao's. Nieuwe bedrijven moeten dus voldoen aan de
oude criteria en de oude polderafspraak. Wat zouden we daaraan kunnen
doen? Het is namelijk toch een polderafspraak, maar die is aantoonbaar
remmend. Kijk bijvoorbeeld naar een Picnic.
Voorzitter, ik rond af. Vandaag de dag zien we hoe belangrijk het is om
met z'n allen economische groei te realiseren. We hebben hier al een
aantal leuke debatjes gehad en we kunnen allemaal zien dat we een andere
mening hebben over percentages, over fiscaliteit of over welke sector
wel en niet, maar mijn oproep aan alle collega's is wel om er vooral
voor te zorgen dat we de bedrijven die we hier hebben, hier houden in
plaats van uitzwaaien.
Dank u wel.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik heb maar één interruptie, dus ik moet het even goed formuleren. We
hebben in het recente verleden twee grote crisissen gehad: de financiële
crisis en crisis door corona/oorlog Oekraïne. Daar zijn we in Nederland
op nogal verschillende manieren mee omgegaan. Nadat we heel veel geld
moesten uitgeven om banken te redden, hebben we wellicht te hard
bezuinigd. Daardoor is de economische groei misschien wel te veel geweld
aangedaan. We hebben goed steun gegeven bij corona en de oorlog.
Daardoor kwam Nederland beter dan andere lidstaten en met een hogere
groei uit die crisis. Mevrouw Martens wijst terecht op het huidige
conflict in het Midden-Oosten. Er wordt zelfs gewaarschuwd voor
stagflatie, ook door de Eurocommissaris. Als Nederland nu moet
ingrijpen, neigt de VVD dan naar een herhaling van wat we hebben gedaan
bij corona/Oekraïne of van wat we hebben gedaan voor het noodzakelijk
herstel na de kredietcrisis? Ik vraag daar natuurlijk naar omdat ik wil
weten hoe heilig die 3% straks is als die stagflatie echt een feit wordt
en we de zaken met publieke middelen vlot moeten trekken.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor de vraag. Ik denk dat het een heel legitieme vraag is, maar
het is ook een vraag die op dit moment niet beantwoord wordt. Wij weten
dat we binnen nu en twee weken — ik kijk met een schuin oog naar mijn
collega-woordvoerder Financiën — een brief krijgen van meerdere
ministers over de scenario's die op tafel liggen. Volgens mij wordt dat
getrokken door de minister van Economische Zaken. Dat is afwachten. Als
het goed is — dat is ons verteld — worden daarin verschillende
scenario's en lessen uit het verleden meegenomen. Daarna ga ik daarover
heel graag het gesprek aan met de heer Van der Lee of welke
woordvoerders dan ook leidend zijn. Ik denk dat we dat gesprek moeten
voeren op basis van cijfers en feiten.
Misschien een persoonlijke noot, meneer Van der Lee. De gevolgen van de
financiële crisis in 2010 zijn niet te vergelijken met de gevolgen van
de crisis tijdens de gehele covidperiode of van de oorlog in Oekraïne.
Er was toen niets, voor geen enkele ondernemer. Ondernemers stonden op
straat. Het verwijt dat daarna dusdanig hard moest worden bezuinigd dat
we onze hele economie om zeep hebben geholpen, vind ik dus lastig. Daar
is een generatie ondernemers uit voortgekomen die weet hoe het is als je
op je bek gaat en niemand een arm om je heen slaat, maar toch door moet.
Volgens mij moeten we de lessen uit 2010 meenemen om ervoor te zorgen
dat we geen staat creëren waarin iedereen afhankelijk is van steun. We
moeten hier gezamenlijk doorheen komen en de steun inzetten op het
moment dat die nodig is. Daar wil ik het bij laten.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben wel benieuwd wanneer mevrouw Martens-America en de VVD tevreden
zijn als in die brief staat dat er nu ook eens substantieel
investeringsgeld naar EZ toegaat, zodat wij mee kunnen doen met Europese
projecten. Dan kunnen wij immers Europees geld als hefboom gebruiken in
plaats van dat we alleen maar geld naar die kant overmaken.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank aan de heer Vermeer. Dit is een hele mooie en logische vraag. Ik
hoop ook dat wij daar de komende tijd langer over doorgaan. Er zijn
natuurlijk een aantal grotere projecten, bijvoorbeeld in relatie tot
DARPA of NADI, waarmee we hier aan de slag gaan. Dat zou om grote
budgetten kunnen gaan waarmee we hier met z'n allen de
defensie-industrie kunnen aanslingeren. Ik hoop dat daarbij ook nog een
rol voor de minister van Economische Zaken is weggelegd. Als ik de heer
Vermeer goed begrijp, vraagt hij hoe we ervoor gaan zorgen dat er meer
middelen naar de begroting van Economische Zaken gaan om dat vliegwiel
in gang te zetten. Daar wil ik met de heer Vermeer heel hard aan gaan
werken, want dat is waar we nu met z'n allen voor staan.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn
van de Kamer. De minister heeft aangegeven een schorsing van een
halfuurtje te willen. Ik schors dus tot 11.55 uur.
De vergadering wordt van 11.25 uur tot 11.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemorgen. Welkom terug bij de vaste Kamercommissie voor Economische
Zaken. Ik hervat het debat over het verdienvermogen van Nederland. Aan
de orde is de eerste termijn van de minister. Ik stel voor in deze
termijn drie interrupties toe te staan. Graag korte en krachtige
interrupties met een concrete vraag aan de minister. Het wordt een
uitdaging om dit debat op tijd af te ronden. Ik ga mij wel houden aan de
eindtijd van 13.00 uur. Dat betekent dat een tweede termijn of heel kort
zal zijn of niet zal plaatsvinden. De eerste termijn van de minister
willen we in elk geval vol benutten. We gaan dus kijken hoever we komen.
Ik geef graag het woord aan de minister.
Minister Herbert:
Dank, voorzitter. Het goede nieuws is dat dit debat mij ontzettend helpt
en stimuleert om alle volgende dagen weer druk verder te gaan met mijn
werk, want het raakt aan de thema's waar ik ook in de afgelopen dagen en
weken steeds mee bezig ben geweest. Het gaat over het verdienvermogen.
Dat is een ontzettend breed thema, maar concreet gaat het over onze
banen en bedrijven en de voorzieningen en de producten waar we elke dag
gebruik van maken. Het is de basis van onze brede welvaart. Dat is
waarmee we in ons land de zorg, het onderwijs en onze veiligheid
betalen. Het is dus van groot belang. Dat ik in uw bijdrages hoor dat u
zorgen daarover heeft — maken we ons daar wel sterk genoeg voor? — is
precies de reden waarom ik daarvoor elke dag aan het werk ben.
Inderdaad, we lopen tegen grenzen aan en we moeten knelpunten aanpakken
die de groei en innovatie nu nog te veel remmen. De Taskforce
Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat is een belangrijk gremium
vanwaaruit ik werk aan een agenda die hierop is gericht. Daarbij gaat
het natuurlijk over allerlei zaken, maar ook over zaken die u hier
vandaag aan de orde heeft gesteld, zoals gericht investeren in
innovatie, infrastructuur en nieuwe technologie. Dat is immers allemaal
nodig om onze economie te versterken. Dat alles doen we niet alleen
vanuit Economische Zaken. Wij werken daarbij veel samen met andere
departementen, onder andere in die taskforce. Hierbij adresseer ik maar
meteen de vraag van mevrouw Bühler: denken wij eraan om VWS daar ook bij
aan te haken? Ja, op de momenten dat dat relevant is, zal VWS ook bij
die taskforce aanhaken. We hebben afgesproken dat we de taskforce niet
onnodig laten uitdijen om maar iedereen aan tafel te hebben, maar als
dat op onderwerpen noodzakelijk is, gebeurt dat wel degelijk.
Mevrouw Bühler (CDA):
Op welke momenten zal VWS dan aanhaken?
Minister Herbert:
Dat zal bijvoorbeeld zo zijn als het gaat om toepassingen van innovaties
die specifiek interessant zijn voor VWS, bijvoorbeeld de toepassing van
biotechnologie en dergelijke.
Mijn beantwoording heb ik in een aantal blokken verdeeld. Het eerste
blok gaat over doorgroeien en investeren. Het tweede blok gaat over
ruimte voor ondernemers. Energie pak ik dan ook mee. Het derde blok gaat
over strategische autonomie, en dan blijft er nog een blok overig
over.
Ik ga starten met doorgroei en investeren. Gelukkig zijn er in Nederland
nog steeds ontzettend veel ondernemers met ambitie. Al die ondernemers
hebben we nodig voor ons toekomstige verdienvermogen. Zij hebben geld
nodig voor hun investeringen. Ja, ik herken dat zij op dit moment met
die vraag niet altijd bij banken terechtkunnen. Dat is ook wat een
aantal van u heeft geadresseerd. Daarom helpt de overheid bij de
zoektocht naar financiering. De FinancieringsGids is daar bijvoorbeeld
een instrument voor. Gisteren maakte ik kennis met de regionale
ontwikkelingsmaatschappijen, die daar een heel relevante rol in spelen,
net als een instantie als Qredits. De RVO helpt natuurlijk met goed
verwijzen en er is Invest-NL. Daar gebeuren al een heleboel goede
dingen, maar ik herken ook dat een aantal dingen beter moeten.
Voor ondernemingen in het brede mkb willen we dingen toevoegen. Daarbij
denken we bijvoorbeeld heel concreet aan de win-winlening, een fiscale
stimuleringsmaatregel die nu al werkt in Vlaanderen. We kijken echt hoe
we daar voor Nederland een kopie van kunnen maken.
Ook voor vrouwelijke ondernemers kunnen dingen verbeterd worden. Dat is
in uw bijdrages niet aan bod gekomen, maar ik vind het wel belangrijk om
ook dat te noemen, want we zien helaas dat vrouwelijke ondernemers nog
steeds te vaak minder financiering loskrijgen dan hun mannelijke
collega's. Daarom zetten we bijvoorbeeld in op een initiatief van
Code-V.
Tot slot — daar zijn de meeste van uw vragen over gegaan — herkennen we
heel erg dat startende en opschalende ondernemingen meer toegang tot
financiering nodig hebben. Precies daarin moet de nationale
investeringsinstelling haar plek krijgen, niet als enige oplossing, maar
in een set van maatregelen, eigenlijk passend binnen een portfolio, in
de funnel van groei, de groei van de start van het initiatief naar een
uiteindelijk succesvolle onderneming.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben het helemaal eens met de punten die de minister nu noemt. Mogen
wij ervan uitgaan dat de win-winlening als faciliteit in het
Belastingplan 2027 wordt opgenomen?
Minister Herbert:
Het is nog iets te vroeg om dat te kunnen toezeggen. Er loopt een
verkenning op dit moment, maar u mag van mij vragen dat ik daarbij op
maximale snelheid inzet. Daar zal ik dan ook aan tegemoetkomen.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Voor de zekerheid: komt de minister nog terug op de
investeringsinstelling?
Minister Herbert:
Jazeker.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Oké, dan wacht ik daarop.
Minister Herbert:
Die investeringsinstelling moet een superrelevante toevoeging worden. Ik
hoor dat u eigenlijk in uw vragen zegt: denk heel goed na over de manier
waarop je die inricht, zodat zij ook echt iets toevoegt. De heer Van der
Lee zei daarover heel specifiek dat zij niet moet gaan concurreren met
private investeerders die nu juist niet succesvol kunnen financieren. U
zegt dus: zorg ervoor dat zij onderscheidend is en daarmee iets toevoegt
aan het al bestaande landschap, zodat je daarmee uiteindelijk meer
impact genereert op wat je eigenlijk voor ogen hebt, namelijk het
versterken van het verdienvermogen.
Ik zeg dit zo omdat dit precies is waar ik mij druk over maak. Ik heb
daar ook een duidelijke opvatting over. Je kunt beter niet starten dan
starten met een verkeerd plan. Daarom wil ik in deze fase, dus voordat
je gaat ontwerpen en daarna gaat bouwen, heel scherp krijgen wat nu de
specs van die nationale investeringsinstelling moeten zijn. Met "specs"
bedoel ik: aan welke voorwaarden moet zo'n instelling voldoen zodat die
effectief zal zijn? Daarbij zijn door u een aantal specifieke dingen
aangemerkt. Daar ga ik nog niet van zeggen "ja, dat gaat het zeker
zijn", of "nee, dat gaat het niet zijn", omdat ik nog in de fase zit
waarin deze specificaties opgelijst worden. Ik herken echter de zorg die
u aan mij mee heeft gegeven: gaat het wel werken als het saldo relevant
moet zijn, dus als je hier je zak geld bij je wilt houden? Ik herken
deze zorg. We moeten dus een soort creativiteit gaan vinden: hoe kunnen
we hier een instelling voor bouwen die uiteindelijk wel degelijk
impactvol is?
Er zijn andere zaken door u benoemd. Ik kijk even of ik ze snel in mijn
stukken kan vinden. Naast het feit dat het goed ontworpen moet zijn,
heeft u gevraagd of we ook een beetje vaart kunnen maken. Dat was de
eerste vraag die ik kreeg toen ik aan boord kwam: kan het sneller? Ik
heb geleerd dat er eigenlijk best wat tijdrovende stappen gezet moeten
worden, want het gaat gewoon om het opzetten van een nieuwe instelling.
Gelukkig betekent dat niet dat er in de tussentijd niks is. Er bestaan
ook nu instrumenten die we goed willen blijven benutten. Ik zeg dit
omdat ik hiermee ook wil uitstralen dat mijn focus gericht is op het op
z'n best benutten van het landschap, van allerlei mogelijke instrumenten
die er nu zijn. Ik was bij RVO. Daar zag ik een prachtige kaart waarop
alle TRL-fases stonden van start-up naar uiteindelijk volwassen
onderneming. Ik zag hoeveel instrumenten er beschikbaar zijn. Dat is
mooi. Ik wil er heel secuur op zijn dat we inderdaad iets toevoegen wat
daarin echt een onderscheidend vermogen heeft.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Ook ik kijk reikhalzend uit
naar de eerste brief hierover, want wij voeren hier toch al twee jaar
het debat over. Wat betreft de investeringsinstelling zelf vroeg ik u
naar de borg- en garantstelling. We hebben natuurlijk meerdere
instituten die deze rol in de tussentijd zouden kunnen vervullen. Ik heb
het dan over Invest-NL en over Invest International. Er zijn nog een
aantal andere, maar zij hanteren wel allemaal andere voorwaarden voor
bedrijven om te kunnen groeien. Is een overbrugging mogelijk door de
voorwaarden meer op één lijn te brengen, zodat we het voor bedrijven
duidelijker kunnen maken en aantrekkelijker kunnen maken om gebruik te
maken van de huidige instrumenten? En kunnen we dan ondertussen werken
aan de investeringsinstelling? Want laten we eerlijk zijn: dat gaat nog
wel even duren, toch?
Minister Herbert:
Om allereerst even op die "toch" in te gaan: het gaat inderdaad even
duren voordat de nationale investeringsinstelling in werking treedt. We
hebben daarvoor de datum 1 januari 2028. Ja, ik ga daarover inderdaad
voor de zomer een brief naar uw Kamer sturen. Daarin staan dan de
definities: wat is het precies wat we voor ogen hebben?
Is er in de tussentijd iets mogelijk …
De voorzitter:
Excuus. U krijgt nog twee interrupties op dit punt.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik ben blij met de antwoorden van de minister, maar heb toch nog even
een vraag. Ik heb aangegeven dat ik het belangrijk vind dat de
financiële sector bij die inventarisatie aan tafel zit. Welke rol krijgt
die?
De voorzitter:
Sorry voor de onderbreking, minister. U was nog bezig met het
beantwoorden van de tweede helft van de vraag van mevrouw
Martens-America. Misschien kunt u die in dezen ook nog even
meenemen.
Minister Herbert:
Ik ga mijn best doen, voorzitter, om dit allemaal goed op te nemen. De
vraag was of er in de overbrugging naar de start van de NII iets
mogelijk is, en dan vooral door het meer gelijkschakelen van de
voorwaarden, waardoor bedrijven een betere toegang krijgen. Toen ik mij
hierin ging verdiepen, was ik best onder de indruk van de hoeveelheid
verschillende instrumenten die beschikbaar is. Ik dacht: goh, het is
voor een ondernemer best ingewikkeld om de goede weg te vinden. Daar is
de RVO heel erg mee bezig. Dat doen ze samen met de regionale
ontwikkelingsmaatschappijen om bedrijven beter te kunnen coachen: hoe
vinden zij nu hun beste loket? Dat is nog niet helemaal het antwoord op
de vraag of de voorwaarden dan ook gelijk te schakelen zijn. Ik vind dit
een goed punt. Ik weet op dit moment oprecht even niet of ik daar
mogelijkheden toe heb, maar ik snap wel wat daar interessant aan zou
kunnen zijn. Laat ik zeggen dat ik u in ieder geval kan beloven dat ik
er alles aan doe om goed te werken aan de transparantie over wat die
voorwaarden zijn en wat dus het best passende loket is. Dat doen we als
eerste via de RVO. Ik wil best graag onderzoeken of daar dan ook nog wat
in te tweaken is. Dat vind ik zelf ook interessant.
Dan kom ik terug op de vraag die mevrouw Bühler nog even onder mijn
aandacht bracht. Ik ga die even in mijn woorden samenvatten: voorkom dat
je vanuit het departement te veel in je eigen gelijk gaat zitten.
Overigens doet EZK dit nooit alleen, want we doen dit samen met
Financiën. Ja, dat herken ik. Ook ik vind het belangrijk dat al die
specificaties en het ontwerp van de nationale investeringsinstelling de
hele tijd worden getoetst op de vraag of dit gaat werken. Dat kun je
alleen maar doen door dit bij externe partijen te toetsen. Laat ik dan
ook experts van buiten meedenken over de vraag hoe je dat goed moet
opzetten? Ja. Dit was bijvoorbeeld een onderwerp van het gesprek dat ik
gisteren had met Peter Wennink, want ook ik zie graag dat een tafel
wordt georganiseerd om deze kennis aan te roepen.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Helder. Ik ben erg benieuwd, ook wanneer we de brief dan mogen
verwachten. We hebben ook nog geen kabinetsreactie gekregen op het
rapport van de heer Wennink. Ik ben benieuwd wanneer die reactie komt.
Ik zou daar nog een suggestie aan toe willen voegen. Binnen vier
domeinen zijn projecten geïdentificeerd waarvoor bedrijven nu al
appetijt hebben en waarvoor mogelijk ook al privaat kapitaal beschikbaar
is. Misschien is dat niet voldoende, maar die projecten zijn
geïdentificeerd. Mag ik ervan uitgaan dat in de kabinetsreactie al per
project wordt aangegeven hoe de overheid dat gaat faciliteren? Als dat
niet het geval is, vraag ik of dit niet bij uitstek iets is waar de
taskforce naar zou moeten kijken: hoe kunnen we deze projecten in de
komende periode op meerdere vlakken en met meerdere instrumenten
faciliteren dan sec via de investeringsinstelling? Als je dat simultaan
doet, trek je daar misschien ook wel lessen uit voor het op een juiste
wijze opzetten van de investeringsinstelling. Zou de minister die
toezegging willen doen?
Minister Herbert:
De heer Van der Lee zou zomaar de gedachte gekopieerd kunnen hebben die
ik ook zelf heb gehad, want ik zou die concrete projecten — eigenlijk
zitten daar coalities achter die in de bijlage van het rapport-Wennink
staan — heel graag willen gebruiken als een toetssteen om te toetsen of
alles wat wij ook maar gaan verzinnen, werkend te maken is. Daarin zit
de proof of the pudding. Gaat het werken bij die concrete initiatieven?
Dus ja, mijn allergrootste intentie is om aan zo veel mogelijk van wat
buiten het ministerie gebeurt, rugwind te geven. Naar die initiatieven
hoef ik niet zelf te gaan zoeken, want die zijn al opgelijst. Overigens
kennen we er inmiddels wel meer dan de 51 die in de bijlage van het
rapport-Wennink staan. Kom ik daarop terug richting uw Kamer? Ja. Een
algehele reactie op het rapport-Wennink komt, zoals volgens mij
gebruikelijk is, zes maanden na het verschijnen van het rapport. Dat zal
dus rond de zomer zijn van dit jaar. Kan ik daarin dan per project
aangeven wat voor steun er gegeven wordt? Eigenlijk zou ik een aanpak
voor willen stellen waarin het veel meer gaat over hoe we een filter
over al die concrete initiatieven leggen, waarin we komen tot de juiste
timing van wanneer we die dingen mee kunnen gaan geven. Dat roept vragen
op, zie ik.
De heer Vermeer (BBB):
De minister zei dat het gebruikelijk is om na zes maanden met een
reactie te komen, maar dat is een uiterste termijn. Dat mag niet als
gebruik gezien worden. Zes weken is beter dan zes maanden. Dit is dus
een aanmoediging om zeker niet zes maanden te wachten met een
reactie.
Minister Herbert:
Dank. Ik heb weer wat geleerd. Het klinkt ook heel logisch wat u zegt,
meneer Vermeer.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik ga er even van uit dat dit de volledige beantwoording was van de
vragen over de NII. Klopt dat? Of komen er nog onderwerpen? Ja? Oké. Dan
wacht ik.
De voorzitter:
Dan wacht u even met uw vraag. De minister vervolgt.
Minister Herbert:
Ik realiseer me dat ik zelf verwarring creëer. Ik heb twee dingen
toegezegd. Eén. Er komt een algehele reactie op het rapport-Wennink,
uiterlijk na zes maanden. Twee. Er komt een specifieke invulling van hoe
we de NII gaan opzetten. Dat is een onderdeel waar we aan gaan werken.
Dat komt voor de zomer.
Ik kijk even waar ik ben in wat ik u hierover zou willen vertellen. Ik
zou het interessant vinden om nog even te refereren aan de lessen die we
vanuit de Beethovenaanpak hebben getrokken. Dat wil ik zeggen naar
aanleiding van een vraag van mevrouw Martens. Het is inderdaad heel
interessant om projectmatige ondersteuning te geven aan iets wat voor
een bepaalde sector heel belangrijk is. Weet dat die Beethovenaanpak een
mooi voorbeeld is en dat die navolging krijgt vanuit ons ministerie in
hoe we die op meer plekken kunnen toepassen. Dat zal zijn op de
coalities die in de bijlage van het Wenninkrapport zitten, maar
eigenlijk ook nog wat breder, namelijk op alle domeinen die we
aangewezen hebben in ons industriebeleid.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik denk dat het volgende
belangrijk is om mee te geven. Ik kan haar in dezen niet
verantwoordelijk houden voor de toezeggingen van de ministers hiervoor,
maar er ligt toch echt wel een stapel aangenomen moties van ongeveer
twee jaar geleden om deze blauwdruk verder te gebruiken voor de nieuwe
sectoren. In lijn met de heer Vermeer wil ik zeggen dat onrust de
afgelopen jaren de rode draad is geweest door de commissie voor
Economische Zaken. Ik word wel een beetje zenuwachtig als de minister
zegt: we gaan kijken hoe we dit in de toekomst zouden kunnen gebruiken
voor bepaalde sectoren. We hebben de Nationale Technologiestrategie. We
hebben de industriebrief. Er komen nu brieven aan over hoe we de
economie op de been gaan houden. Ik zou toch graag horen of er een
reactie komt op hoe we de Beethovenaanpak, de ecosysteemaanpak, zouden
kunnen gebruiken voor andere sectoren, of dat we nog moeten onderzoeken
of dat überhaupt wenselijk is.
Minister Herbert:
Nee, we hoeven niet te onderzoeken of het wenselijk is. Het is
wenselijk. Hoe we dat precies gaan doen, wordt uitgewerkt in de
taskforce. De spoed die mij gemaand wordt, neem ik graag mee. U mag van
mij aannemen dat ik die in mijn hele lijf voel. Die straal ik ook elke
dag uit op mijn eigen departement.
De heer Van der Lee heeft mij nog specifiek gewezen op hoe belangrijk
het is om juist hoogrisico-investeringen te kunnen doen vanuit de
nationale investeringsinstelling. Ik ben me er goed van bewust hoe
belangrijk dat is. Eigenlijk raakt dat aan waar ik mijn betoog mee
begon: het moet wel iets toevoegen aan het nu al bestaande
financieringslandschap, want anders kun je het beter niet doen en je
geld anders inzetten. U mag dus van mij aannemen dat mijn hele denken
over hoe het totale instrumentarium ingericht moet zijn, erover moet
gaan om de funnel te optimaliseren. Ik zal dit ook altijd zo
beantwoorden. Ik wil eigenlijk voorkomen dat we te klein gaan kijken,
dus naar één instrument. Ik wil juist dat we de hele tijd kijken hoe
elke fase zorgt voor doorstroming. Ook in mijn gesprek gisteren met de
ROM's, de regionale ontwikkelmaatschappijen, heb ik het daarover gehad.
Natuurlijk, iedereen zou graag meer geld voor zichzelf willen hebben.
Dat snapt u. Dat begrijp ik ook heel goed. Ik zeg iedere keer dat ik
erop gebrand ben dat het geld dat we in totaal beschikbaar hebben, op de
juiste plek verdeeld wordt, zodat we de totale impact het grootst maken.
Er is helaas geen blauwdruk voor hoe dat precies moet. Dat moet dus
iedere keer beoordeeld worden. Dit is mijn visie op deze materie. Ik
hoop dat dit een beetje een richting geeft in de vragen die meneer Van
der Lee heeft gesteld.
Dan ga ik door naar het meenemen van de specifieke borg- en
garantstelling. Dat was een vraag van mevrouw Martens. Ja, die worden
meegenomen in de opzet van de NII. Die zitten dus in ieder geval in het
lijstje van die specs.
Dan zou ik nu eigenlijk graag de overstap willen maken naar de
kapitaalmarkt, tenzij er nog andere dingen zijn.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik heb nog een verhelderende vraag. Een van mijn vragen ging er juist om
dat Wennink zegt dat er een aantal investeringsinitiatieven of
investeringsvoorstellen zijn van de 51 voorstellen die we vandaag of
morgen zouden kunnen adapteren of uitvoeren. Begrijp ik dan nu goed dat
we eerst moeten wachten op de appreciatie, die uiterlijk over zes
maanden komt? Kunnen we dan pas starten? Of begrijp ik dat verkeerd? Als
dat klopt, dan ligt er nu dus al vijf maanden een rapport klaar waarin
51 concrete voorstellen staan, en moeten we nog zes maanden wachten. Dan
zijn we al bijna een jaar verder. Daar zit dus mijn zorg.
Minister Herbert:
Fijn dat ik dat nog wat kan verhelderen. Ik wil die zorg namelijk graag
wegnemen. We hebben het er bijvoorbeeld gisteren weer over gehad hoe we
de coalities die nu bijna startklaar zijn, heel snel aan tafel krijgen
om te weten wat ze nodig hebben om nu meteen verder te kunnen. Ik snap
heel goed dat dit soort initiatieven niet gaan wachten. Dus nee, alles
is erop gericht om alles wat snel kan, snel doorgang te laten
krijgen.
De voorzitter:
Ten aanzien van het rapport: het is zes maanden na verschijning van het
rapport, dus voor de zomer.
Mevrouw Bühler (CDA):
Ik ben blij met de antwoorden die we krijgen. We hebben het gehad over
de financiële sector, die aan tafel zit. De sectoren die in het
rapport-Wennink genoemd worden, zitten aan tafel. Ik vind het mooi om te
horen dat dit in de initiatiefase gebeurt. Ik zou ook heel graag willen
kijken naar methodieken waarin we dit kunnen borgen, zodat we steeds een
toetsing hebben of we nog op de goede weg zijn. Ik zou ook willen vragen
om in de governance na te denken over hoe we dit gaan vormgeven.
Minister Herbert:
Ik ben het hier ontzettend mee eens. We moeten de hele tijd aan de
buitenwereld toetsen of wat we ter facilitatie aanbieden, helpt. Mijn
ministerie is geen ondernemer, maar probeert faciliterend te zijn aan
ondernemers. Dit is dus exact mijn insteek. Dit is ook een van de
redenen waarom wij bijvoorbeeld regelmatig Catshuissessies gaan doen met
ondernemend Nederland, om ervoor te zorgen dat we de hele tijd feedback
krijgen. Dit was wat generieker, maar het past helemaal bij mijn lijn
van denken om die externe toets de hele tijd te doen.
Voorzitter. Dan ga ik nu door naar de kapitaalmarkt. Mevrouw Bühler
vroeg: kunnen we op de Europese kapitaalmarkt, die we zo hard nodig
hebben, slimmer en sneller zijn door daar op Benelux-niveau een stap in
te zetten? Daarbij refereerde zij aan een initiatief van de Belgische
zusterpartij. Ook hierin hoor ik weer de voorkeur voor snel. Die steun
ik overigens. Ik denk wel dat het goed is om goed te blijven kijken of
de Benelux-schaal groot genoeg is om impact te maken. Misschien weet u
dat we ook al met een aantal like-minded lidstaten binnen de EU proberen
om sneller vooruit te gaan dan wanneer we 27 lidstaten meehebben. Samen
met Frankrijk, Duitsland, Spanje, Italië en Polen wordt er gewerkt aan
een voorhoederol om de kapitaalmarkt op Europees niveau wat te
harmoniseren. De minister van Financiën heeft hierin een trekkende rol
en heeft de Kamer op 11 maart jongstleden hierover geïnformeerd. Het
staat allemaal niet in de weg om nog eens goed te kijken of we toch nog
sneller op Benelux-niveau iets kunnen doen. Ik heb inmiddels namelijk
geleerd dat daar misschien al wat meer regelgeving klaarstaat. Dank dus
voor de suggestie om daar in ieder geval naar te kijken.
Er zijn meerdere opmerkingen van u gekomen in de trant van: zijn we niet
roomser dan de paus wat betreft staatssteun? Dat woord is meteen een
beetje beladen, maar de strekking is: zijn we te voorzichtig in
Nederland? Ik ben altijd op z'n minst geprikkeld door dit soort
suggesties. Dan wil ik het zelf ook graag weten. Tot nu toe heb ik nog
niet bewezen gekregen dat Nederland hierin echt zo anders acteert dan
anderen, maar tegen iedereen die mij voorbeelden kan geven, zeg ik: daar
ben ik echt heel geïnteresseerd in. Ik herken wel dat er meerdere staten
zijn die net als Nederland vinden dat wij bijvoorbeeld voor
ondernemingen in moeilijkheden zaken zouden moeten veranderen. We
trekken er vanuit Nederland ook heel erg aan om dat op Europees niveau
opgelost te krijgen. Het is ook nodig om dat daar te doen. U vraagt mij
eigenlijk: zou je niet alvast wat vooruit kunnen lopen op de
veranderende regelgeving in Europa; we kunnen daarin toch wel wat meer
risico nemen? Mijn antwoord is dan eigenlijk: ik zou zelf best wat meer
risico willen nemen, maar mijn idee is dat ik daarmee de ondernemingen
in gevaar breng die dan iets zouden krijgen. Zij moeten het namelijk
terugbetalen als het later onrechtmatig blijkt te zijn geweest. Dat is
een keuze die ik niet voor ze kan maken.
De heer Vermeer (BBB):
Ik denk dat het probleem rond die staatssteun niet zozeer om de
individuele gevallen gaat, maar juist om het algemene gevoel dat steeds
aan de Kamer gegeven wordt, namelijk: dit kan niet, dat kan niet en dat
kan niet vanwege staatssteun. Volgens mij is het niet zo dat bedrijven
staatssteun terug moeten betalen als iets niet goed blijkt te zijn, maar
is dat vooral een probleem van de Nederlandse overheid zelf. Zit het
niet gewoon meer in de mindset binnen de ministeries? Als ik welke
jurist dan ook om een risico vraag, dan krijg ik die. Uiteindelijk moet
een bestuurder beslissen of diegene, alle risico's kennende, overwegende
en transparant aan de Kamer meedelende, het toch gewoon gaat doen.
Volgens mij zal er nooit een minister naar huis gestuurd worden omdat
hij met medeweten en goedkeuring van de Kamer een bepaald risico genomen
heeft.
Minister Herbert:
Ik trek even twee dingen uit elkaar, want ik heb eigenlijk twee dingen
aan elkaar geplakt. Eerst ging het over de algemene opmerking of we niet
te voorzichtig zijn wat betreft dingen die je als staatssteun zou kunnen
aanmerken. Toen ben ik doorgegaan met een specifiek onderwerp, namelijk
ondernemingen in moeilijkheden. Mijn kennis over dat laatste is dat als
we daarin iets doen wat niet blijkt te passen binnen Europese
regelgeving, de onderneming moet terugbetalen wat is aangemerkt als
staatssteun. Die risicoafweging kan ik niet nemen voor zo'n onderneming
en dat wil ik ook helemaal niet doen. Dat is onverantwoord gedrag, zou
ik zeggen. U trok mij eigenlijk weer naar de algemene opmerking: zijn we
niet te voorzichtig? Ik laat mij graag prikkelen om op z'n minst te
challengen waar mogelijkheden zitten. U mag van mij weten dat dat ook
mijn gesprek is als ik met juristen aan tafel zit. Ik wil inderdaad
graag weten waar de grenzen zitten en kijken hoe we daar zo dicht
mogelijk op kunnen zitten.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik had hierover meerdere vragen gesteld, zoals: hoe staat het nu in
Europa met de onderhandelingen? Dat komt nog wel. Maar omdat de minister
het nu zelf vraagt, het volgende. Ik heb in het verleden toch vaker
onderzoeken gezien die de verschillen tussen Nederland en andere
lidstaten laten zien, niet alleen in de frequentie waarin bepaalde
vormen van staatssteun voorkomen, maar ook in de mate waarin een land
wel of niet proactief naar Brussel gaat om te toetsen of iets wel of
niet mag. Nederland doet dat bijna systematisch van tevoren, om alle
risico's zo veel mogelijk uit te sluiten. Andere landen nemen veel meer
risico's. Die worden lang niet altijd afgestraft. Zo werkt het
natuurlijk in ieder disciplineringssysteem. Hoe zit het eigenlijk met
het toezicht? Hoe zit het eigenlijk met de opvolging daarvan? Brussel is
overbelast. We zijn hierin veel te conservatief. Dat heeft de Rekenkamer
in het verleden ook al aangetoond. Die bewijzen zijn er. De vraag is of
wij ook een keer de switch maken en toch wat soepeler worden als het
gaat om start- en scale-ups. Dat vereist een cultuurverandering. Ik vind
staatssteun voor gevestigde ondernemingen gevaarlijk, want dan ga je
misschien bedrijven overeind houden die gewoon niet meer competitief
zijn en het ook niet verdienen. Ik roep de minister echt op om hier, met
het apparaat, toch wat pragmatischer mee om te gaan.
Minister Herbert:
Dank voor de extra alertheid die ik hier weer meekrijg. Ik hoop dat u
niet van mij verwacht dat ik in algemene zin ga beloven op welke manier
ik hier precies in ga acteren, maar ik ben alert gemaakt. Dank
daarvoor.
Dan wat betreft ondernemingen in moeilijkheden. Ik heb heel goed gehoord
dat meneer Van der Lee daar meer vragen over heeft gesteld. Daar zou ik
nu dus wat preciezer op willen ingaan. Ja, wij werken samen met twaalf
lidstaten aan een paper voor de wijziging van de definitie van "de
onderneming in moeilijkheden". Dat wordt aangeboden aan de Europese
Commissie. Ik realiseer me dat dit een proces is dat veel tijd kost. Hoe
dit soort dingen gaan, is ook voor mij een les, maar weet dat ik me hier
erg druk over maak en dat het er in mijn beleving wel echt aan gaat
komen.
Meneer Van der Lee deed volgens mij in zijn vraag in de eerste termijn
de oproep: zou het nou niet kunnen lukken om wat te anticiperen op de
invoering van die wetgeving? Dat was misschien ook wel mijn hoop. Dat
zou ik namelijk best interessant vinden, maar dan zou ik wel willen
weten wat dan precies dat voorstel gaat zijn en hoe dat eruit gaat zien.
Dat lijkt er nu binnen enkele weken aan te komen. Uw aanname was ook dat
het dan nog twee jaar zou gaan duren voordat die wetgeving in zou gaan.
Mijn beeld is juist dat dat sneller kan, binnen een aantal maanden,
omdat het niet om een heel specifieke nieuwe … wet gaat. Ik moet nog
even wat beter leren welke woorden ik daarvoor moet gebruiken. Dit is in
ieder geval eerder te implementeren dan over twee jaar. Dat wordt enkele
maanden. Wanneer dit scherp genoeg is, zou ik het heel interessant
vinden om te kijken of we daar anticiperend op kunnen gaan insteken. Dat
gaat dan specifiek om start- en scale-ups. Overigens is het niet zo dat
er in de tussentijd niks is voor dit soort bedrijven. Ook hiervoor zijn
we via RVO heel erg aan het kijken hoe we ondernemingen ook nu zo vroeg
mogelijk reëel kunnen helpen aan een betere financiële positie.
De voorzitter:
De heer Van der Lee, op dit punt nog.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
We hadden drie interrupties, toch?
De voorzitter:
Ja.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Dan vraag ik toch om een combinatie. Ik wil hier wel graag een aparte
brief over zodra dat duidelijk is.
Minister Herbert:
Is goed.
De heer Van der Lee (GroenLinks-PvdA):
Ik wil nog terugkomen op iets dat hiermee in verband hangt. RVO is aan
het kijken naar alle instrumenten die er zijn, maar het is ook een
probleem dat een bedrijf elke keer opnieuw weer door het hoepeltje moet
springen. Kan er niet ook gestandaardiseerd worden in de toets die wordt
gedaan aan het begin van subsidietrajecten, zodat bedrijven één keer
bepaalde gegevens aanleveren en niet elke keer weer opnieuw dat proces
in moeten? De processen duren heel lang. Alleen al daarom haken veel
start-ups af, omdat ze de tijd daarvoor niet hebben. Ik denk dat daar
ook nog veel winst in zit. Wordt daar ook aan gewerkt?
Minister Herbert:
Mijn buurman probeerde me wat in te fluisteren, maar dat kon ik net niet
genoeg verstaan om het nu te kunnen herhalen. Ik heb de indruk dat het
een wat langere tekst is, dus dat het niet heel makkelijk is. Uiteraard
zal ik hier ook op terugkomen. Als ik dan toch een brief schrijf, kan ik
dit er goed in meenemen, denk ik. Die brief zeg ik namelijk inderdaad
toe.
De voorzitter:
De heer Van Houwelingen nog, op dit punt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, op dit punt, om toch even kort samen te vatten. Begrijp ik het dus
als volgt goed en vat ik het zo goed samen? Ik voel hier in de Kamer wel
vrij brede steun voor het subsidiëren van start- en scale-ups als dat
nodig is, maar dat is lastig vanwege Europese regelgeving, omdat die
bedrijven dan allicht zelfs een boete kunnen krijgen. De minister kan nu
in eerste instantie niet veel doen. Begrijp ik goed dat ze van de mooie
oproep van mijn buurman Van der Lee om het Europees recht misschien even
niet al te serieus te nemen — zo vat ik het maar even samen; mooie
oproep! — nu ook geen werk gaat maken, dat ze vooraf blijft toetsen en
dat er nu niet veel kan gebeuren, in ieder geval niet op korte termijn,
vanwege Europese regelgeving?
Minister Herbert:
De toon voelt ineens heel anders als ik deze vraag hoor. Ik heb
geprobeerd te zeggen dat het niet gaat om subsidie, maar om de definitie
van "de onderneming in moeilijkheden". De definitie van "de onderneming
in moeilijkheden" is met name iets wat in de weg zit voor start-ups en
scale-ups, zoals meneer Van der Lee zei. Die zou je bijna altijd kunnen
zien als ondernemingen in moeilijkheden. Dat erkennen we en daarom moet
daar een aangepaste definitie voor komen tegen deze achtergrond van
ondernemingen in moeilijkheden. Dat vraagt om Europese aanpassingen.
Daar werken we hard aan. Het is, denk ik, binnen een paar weken scherp
hoe dat voorstel eruit gaat zien, om het daarna binnen een paar maanden
in te voeren. In de tussentijd: als die definitie scherp is — nogmaals,
ik denk dat over een paar weken te hebben — dan ben ik bereid om
vervolgens te kijken of we dat anticiperend kunnen toepassen in
Nederland. Ik hoop dat daar heel veel daadkracht van uitstraalt; dat was
wel mijn intentie, in ieder geval.
De voorzitter:
U heeft in ieder geval een brief hierover toegezegd.
Minister Herbert:
Dat ook nog.
De voorzitter:
Dit soort punten kunnen volgens mij prima landen in die brief. Ik denk
dat de Kamer dan ook een compleet beeld gaat krijgen.
Eerst mevrouw Oualhadj en dan mevrouw Keijzer.
Mevrouw Oualhadj (D66):
We hebben in december een debat over start- en scale-ups gehad. Dat was
een van mijn eerste debatten als Kamerlid. Daar heb ik deze vraag
gesteld. Eigenlijk hebben we dit debat toen al met uw voorganger, de
heer Karremans, gevoerd. Daar is ook een toezegging gedaan dat er een
brief zou komen in Q1 van dit jaar. We zitten nu in de eerste week van
april. Dat is Q2, dus ik vind het prima dat er nog een brief gaat komen
en dat die toezegging nu nogmaals wordt gedaan, maar in principe had die
brief er al moeten liggen. Ik zal de woorden herhalen die ik toen ook
heb uitgesproken: in de wereld van start- en scale-ups zijn die maanden
echt cruciaal. Ook de Commissie in Brussel is er eigenlijk al van
overtuigd dat deze regelgeving inderdaad net te nauw wordt gehanteerd.
Ook de Commissie heeft die consultatie dus al uitgezet. Mijn vragen
waren toen juist daarom ook: kunnen we in de tussentijd niet wat voor
die ondernemers betekenen die soms inderdaad op het randje hangen van
wel of niet door kunnen?
Ik ben nog maar vijf maanden Kamerlid, maar ik raak dus een klein beetje
gefrustreerd — ik hoor meneer Vermeer mij al sterkte wensen; dank je wel
— dat we dit debat nu opnieuw aan het voeren zijn en er nog een keer een
toezegging over krijgen. Ik had eigenlijk gehoopt dat we in de aanloop
naar dit debat die brief of die toezegging hadden gekregen, zodat we
daar vandaag ook een inhoudelijker gesprek over hadden kunnen voeren.
Met het feit dat risico nemen heel gevaarlijk is, zoals u aangeeft, ben
ik het helemaal eens. We moeten ondernemers natuurlijk niet in
risicovolle situaties storten. Tegelijkertijd zien we in de omringende
landen juist dat het helemaal niet het geval is. Dat punt wilde ik dus
graag even gemaakt hebben.
Minister Herbert:
Helaas kan ik het verleden niet anders maken, maar het spijt me enorm
dat ik een belofte dan niet ben nagekomen. Die wil ik natuurlijk altijd
wel graag nakomen. Ik denk dat ik nu als beste kan beloven, en dan
herhaal ik eigenlijk wat ik net zei, dat ik binnen enkele weken die
brief stuur waarin de duidelijkheden staan. Ik realiseer me dat dat dus
eigenlijk na de afgesproken termijn is.
De voorzitter:
Mevrouw Keijzer nog, op dit punt.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Wil de minister in die brief dan ook meenemen hoeveel geld er voor die
verschillende categorieën beschikbaar is? Ik hoor hier eigenlijk een
onnavolgbare discussie over definities, waarbij de heer Van der Lee daar
volgens mij weer anders naar kijkt dan ik uit de woorden van de minister
hoor. Ik zou dus wel heel graag opgenomen willen hebben: oké, voor welk
soort bedrijf is dan welk budget beschikbaar?
Minister Herbert:
Ik zit even te zoeken of ik de vraag goed kan interpreteren. Volgens mij
zijn we aan het zoeken wat het concreet waard is als je iets aanpast in
de definitie van "ondernemingen in moeilijkheden". Feitelijk gaat het
hier over alle soorten subsidieregelingen die dan beschikbaar zijn. Ik
denk dat ik het niet kan toepassen op wat er precies is en met welke
hoeveelheid geld. Ik weet nu even niet goed hoe ik invulling kan geven
aan de bedoeling zonder iets toe te zeggen waaraan ik geen vorm kan
geven.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Gezien de benzineprijzen en dieselprijzen zit zo langzamerhand elk
bedrijf in Nederland in de problemen. Ik denk niet dat dát het bedrijf
is dat de minister bedoelt. Daarnaast heb je kennelijk de start-ups, die
ook in de problemen zitten, omdat ze een volgende stap moeten maken en
daar geld voor nodig hebben. Daarnaast heb je de bedrijven die
internationaal in de problemen komen, omdat ze de concurrentie niet
aankunnen doordat de regels hier een hogere kop hebben dan door Europa
voorgeschreven is. Er zullen vast nog andere bedrijven zijn die om geld
zitten te springen. Ik vind het wel fijn om, als aan het eind van alles
eindelijk de definitie helder is, in die brief niet alleen de definitie
te krijgen, maar ook het budget dat daarvoor op de begroting van de
minister staat.
Minister Herbert:
Ik richt me nu specifiek op start- en scale-ups die last hebben van het
feit dat de "onderneming in moeilijkheden"-definitie juist voor die
groep te nauw is. Daarmee pak ik dit punt dus niet in de breedte die
mevrouw Keijzer noemt. Ik zal enorm mijn best doen om in mijn brief zo
duidelijk mogelijk te zijn met betrekking tot de gestelde vragen. Ik
weet niet of ik hierbij precies ga aansluiten op wat mevrouw Keijzer
aangeeft. Ik focus me dus op de start-ups en scale-ups.
De voorzitter:
Helder.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Doet de minister dan de toezegging dat ze, als ze de definitie helder
heeft, in die brief ook opneemt welk geld waar op de begroting
staat?
Minister Herbert:
Ik ga enorm mijn best doen om een hele mooie brief te schrijven. Ik zal
deze dingen echt meenemen.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog. Bent u nog in het eerste blokje?
Minister Herbert:
Ja.
De voorzitter:
Oké.
Minister Herbert:
We gaan nu door naar een vraag van meneer Van der Lee. Hij vroeg naar de
verhouding tussen het NADI en de nationale investeringsinstelling;
wanneer moet je nou naar waarheen? In mijn hoofd zijn die instellingen
heel verschillend bedoeld. Het NADI is vooral de instelling om
technologische doorbraken sneller inhoudelijk gezien op een punt te
krijgen waarop ze naar een marktpropositie kunnen gaan. Dat is voor mij
iets anders dan waarvoor de nationale investeringsinstelling is bedoeld.
Daarbij gaat het veel meer over het beschikbaar krijgen van financiering
die nu niet loskomt uit de private partijen. Bij het NADI verwacht ik
dus eigenlijk hoogtechnologische, concrete toepassingen op specifieke
marktvragen die maatschappelijk relevant zijn.
Ik ga door naar het onderwerp arbeidsproductiviteit. Meneer Prickaertz
heeft daar vragen over gesteld. Hij benoemde dat er best veel parttime
gewerkt wordt in Nederland. Hij vroeg of we eigenlijk niet vooral daar
wat aan moeten doen om onze arbeidsproductiviteit omhoog te krijgen.
Allereerst herken ik uit mijn werkervaring hoe fijn het soms zou zijn
als je net wat meer uren van een bepaalde medewerker zou kunnen krijgen.
Ik vind het dus interessant om te kijken hoe dat ook echt aantrekkelijk
kan zijn in Nederland, dus hoe we dat kunnen aanmoedigen. Dat is
onderwerp van bijvoorbeeld de Productiviteitsraad, die de
Productiviteitsagenda helpt updaten. De Productiviteitsraad gaan we
vanuit het ministerie instellen. De Productiviteitsagenda is al een
eerste keer uitgebracht. Die komt er een tweede keer aan. Die gaat vanaf
nu jaarlijks herhaald worden. Het stimuleren van meer uren werken per
medewerker is daar onderdeel van.
Ik denk niet dat het hét antwoord is op de vraag hoe we de
arbeidsproductiviteit op het niveau krijgen dat we nodig hebben om de
economische groei hoog genoeg te krijgen. Eigenlijk gaat het verhogen
van arbeidsproductiviteit voor mij vooral om meer toegevoegde waarde per
uur. Meer uren toevoegen is altijd interessant. Kijkend naar hoe de
vergrijzing verloopt in Nederland, denk ik dat we tot 2040 te maken
hebben met een dalend aantal beschikbare uren. Daarom vind ik het zo
belangrijk dat we juist inzetten op innovatieve oplossingen en
innovatiever werken, dus slimmer werken in plaats van harder of meer
werken. Het is niet dat het daarmee dus buiten mijn aandacht valt,
alleen zet ik niet al mijn aandacht erop.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik realiseer me ook dat het meer een fiscaal aspect is. Ik heb een
aantal hele leuke voorbeelden gezien van mensen die parttime werken en
eigenlijk wel meer zouden willen werken. Het is gewoon niet rendabel.
Dat is eigenlijk wat ik graag even onder de aandacht wilde brengen. Dat
doe ik vanwege het feit dat zodra, bij wijze van spreken, een
alleenstaande moeder met twee kleine kinderen meer gaat werken, zij
daardoor haar eventuele zorg- en huurtoeslagen grotendeels verliest,
waardoor ze uiteindelijk aan die extra uren niets meer overhoudt. Ik
denk dat dat wel een kenmerkend probleem is in Nederland. Werken lonend
maken, meer dan het op dit moment is.
Minister Herbert:
Ik herken al deze vraagstukken. Ze liggen niet altijd op mijn terrein.
De staatssecretaris van Financiën heeft hiervan natuurlijk een deel in
de portefeuille. Maar het is bekend, ja.
Ik realiseer me dat ik nog heel veel vragen te gaan heb en dat we kort
de tijd hebben. Ik doe mijn best om daar sneller doorheen te gaan.
Wat ga ik specifiek doen om te zorgen dat er in de financieringen, bij
non-bancaire financiers, geen misstanden optreden? Dat was ook een vraag
van de heer Prickaertz. Ja, dat is voor mij ook een belangrijk punt.
Juist daarom hebben we Finankeur opgestart. Dat is voor vijf jaar
gesubsidieerd, om zelfregulering te versterken. Dat is een
onafhankelijke organisatie die erop toeziet dat die non-bancaire
financiers zich gedragen op de markt. Daarmee hebben we zwaardere
audits, scherpere normen en een hogere aansluitingsgraad. Er loopt nog
een onderzoek naar de omvang van dit probleem, ook naar aanleiding van
een motie-Flach. Ik neem de signalen dus zeker serieus, maar ik wil ook
wel graag de uitkomsten van dat onderzoek goed hebben om te weten of er
andere dingen nodig zijn.
Dan ben ik bij het Toekomstfonds. Dat is hier door de heer Van der Lee
nog een keer op tafel gelegd. Ik ga daar gewoon eerlijk over zijn: dat
is best een pijnlijk onderwerp, want natuurlijk had ik dat ook liever
behouden. Het is namelijk helemaal geen niet-werkend fonds, maar
tegelijkertijd moeten er soms ook keuzes gemaakt worden over waar je
bezuinigingen doorvoert, dus ook pijnlijke. Daar is het Toekomstfonds nu
onder gevallen. Eigenlijk heeft meneer Van der Lee opgeroepen om dat nog
eens te heroverwegen. Ik wil daar graag een wat generieker antwoord op
geven dan alleen over het Toekomstfonds. Ik wil eigenlijk graag
terugverwijzen naar wat ik eerder in dit gesprek zei, namelijk dat het
voor mij zo belangrijk is om te kijken naar hoe je de juiste mix van
instrumenten hebt op het hele portfolio, zodat je de totale impact
haalt. Dat betekent dat zo veel mogelijk potentieel succesvolle
start-ups de eindstreep halen in de zin dat ze goede marktspelers
worden. Ik realiseer me heel goed dat het Toekomstfonds daar nu een
belangrijke rol in heeft gespeeld. Ik wil blijven beoordelen of we
uiteindelijk genoeg instrumentarium hebben om het hele landschap goed te
vullen.
Mevrouw Nanninga heeft mijn aandacht gevraagd: hou ik goed in de gaten
dat ondernemers behoefte hebben aan stabiliteit, voorspelbaarheid en
niet te veel wisselende regelgeving, en liever helemaal geen, tenzij er
dingen bij kunnen komen die helpen? Ik realiseer me dit heel goed en kan
hierin ook erg uit ervaring tappen. Ik weet hoezeer je als ondernemer
niet kunt investeren als je niet weet waaruit je uiteindelijk je
terugverdienvermogen weer haalt. Dus ja, ik zet mij hier enorm voor in.
Daarin speelt natuurlijk het drukken van de regeldruk, dus het
verminderen van regeldruk, een belangrijk rol.
Mevrouw Keijzer heeft daar ook nog naar gevraagd: minister, let u dan
wel op dat er ook echt dingen doorgevoerd worden die nu in het lijstje
gezet zijn van regels die je wilt afschaffen? Ze vroeg dus of ze
uiteindelijk wel echt afgeschaft worden. Ja, daar is inderdaad een ander
lijstje voor. Inmiddels is de eerste set afgehandeld, dus doorgevoerd,
maar dat is inderdaad nog niet gelijk aan het aantal dat nu al
aangemerkt is. Dat zijn er, geloof ik, 318 in totaal of zo. Dus ja, daar
stuur ik ook op.
De volgende opmerking sprak mij ook zeer aan. Wordt er ondertussen ook
opgelet dat er niet te veel nieuwe regels bij komen? Ja, dat is voor mij
ook een apart lijstje. De Nederlandse regelgeving is in ieder geval in
de afgelopen tijd niet toegenomen als het gaat om de euro's die eraan
besteed moeten worden door bedrijven. Ik ben me er wel heel erg van
bewust dat we daarvoor ook in Brussel goed ons best moeten doen. Daar
zit absoluut mijn focus op. Binnen Nederland werken we er in ieder geval
met het ATR volop aan om alleen maar goede nieuwe regelgeving te laten
ontstaan. Dat is ook echt een onderwerp waarover ik met andere
departementen in gesprek ben, als het ondernemers raakt.
We hebben het al gehad over Wennink. Dan ben ik nu bij de ACM. Meneer
Van der Lee heeft mij er nog op gewezen dat we eigenlijk juist zien dat
de marktconcentratie toeneemt en dat dat niet helpt om de concurrentie
onderling op de markt voldoende intact te houden, en dat helpt weer niet
om de productiviteit te laten stijgen. Ik ben het daarmee eens. Ik heb
dat rapport van de ACM daarbij ook goed in beeld. Ik hoop eigenlijk dat
u herkent dat al die dingen waarop we inzetten, bijvoorbeeld met die
taskforce, zich juist allemaal richten op dit punt. Heb ik daar nog meer
over te zeggen? Ja, ik ben er volop op gericht om die trend te keren.
Dat is eigenlijk kort samengevat mijn punt.
We hebben het al over de Beethovenaanpak gehad. Dat was de vraag van
mevrouw Martens. Ondertussen heb ik mijn collega gevraagd om een beetje
te sorteren, zodat ik misschien met nog meer vaart door de andere
onderwerpen heen kan gaan, want ik zou eigenlijk naar het volgende blok
toe willen. Dat is het blok ruimte voor ondernemers.
Grensregio's. Meerdere van u hebben veel aandacht bij mij gevraagd voor
problematiek in de grensregio's. Ik ben bijvoorbeeld onlangs nog op
bezoek geweest in Berkelland en heb daar veel ondernemers gesproken. Ja,
natuurlijk leeft daar heel erg de vraag: hoe vergelijken we ons met het
buitenland? Het is overigens best moeilijk om een precies rekensommetje
te maken van wat nou precies de problematiek is van in een grensregio
moeten concurreren met partijen over de grens. Er zijn wel meerdere
dingen die we bewust doen om dit tot een gezonde situatie te leiden,
bijvoorbeeld het Nationaal Programma Vitale Regio's. Dat programma
besteedt expliciet aandacht aan het wegnemen van grensbelemmeringen die
juist kansen in de grensregio's verkleinen. Dat is een eerste ding
waarop ik inzet.
Een tweede ding is het Interreg-programma. Dat is een
stimuleringsprogramma met specifiek aandacht voor grensoverschrijdende
samenwerking. Het project AgriTech Innovation is daar een heel concreet
voorbeeld van. Van dit soort voorbeelden zouden we er meer willen laten
ontstaan.
Een derde focus passend bij die grensregioproblematiek — dan til ik het
wat hoger — gaat eigenlijk überhaupt over het maken van een gezonde
interne markt in heel Europa, waarmee je dus niet meer alleen de
buurlanden met elkaar vergelijkt, maar probeert het hele Europese
speelveld te harmoniseren. Er zijn meerdere dingen die daarbij spelen.
Dat is eigenlijk een hele actieagenda voor de interne markt. In het
voorjaar stuurt mijn ministerie daarover nog een actualisatie naar uw
Kamer.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voordat we ons weer verstrikken in hoog over Europese regelgeving, heb
ik de volgende vraag. Het is natuurlijk wel zo dat de concrete
problematiek voor met name het mkb in de grensregio wel degelijk alleen
te maken heeft met onze directe buurlanden. Je gaat niet naar Polen
rijden omdat de benzine daar goedkoper is. Dat is dus echt een
specifieke aanpak die je niet Europees moet doen, denk ik. Is de
minister dat met mij eens?
Minister Herbert:
Ik herken het voorbeeld dat mevrouw Nanninga geeft natuurlijk, zeker.
Specifiek de brandstofkosten hebben al veel aandacht gekregen in het
debat over de impact van het conflict in het Midden-Oosten. Er zijn
specifieke dingen door mij meegenomen om nog eens naar te kijken. Daar
komen we inderdaad op terug in de brief die binnenkort komt. Daar
refereerde een aantal van u al aan. De maatregelen komen daarin dus
terug.
De voorzitter:
Een vervolgvraag, mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Een verhelderende opmerking. Ik heb misschien niet het gelukkigste
voorbeeld gekozen. Ik had het niet specifiek alleen over brandstof, maar
over het hele probleem dat ik net schetste, dus dat mensen ook hun
boodschappen en drogisterijartikelen ... Ze gaan dan ook een hapje eten
en er misschien zelfs een dagje weg van maken. Mijn verzoek zou dus zijn
om daar niet specifiek alleen brandstof in mee te nemen.
Minister Herbert:
Dank voor deze verheldering. Dat begrijp ik. Overigens is het ook
andersom zo. Ik kom zelf oorspronkelijk uit het oosten van het land. Ik
weet heel goed dat er daar ook altijd erg veel Duitsers op de markt in
Enschede waren, bijvoorbeeld. Dat gaat natuurlijk heen en weer. Maar
goed, voordat we het te persoonlijk maken ... Ik wil alleen maar
aangeven dat het best lastig is om dit heel specifiek te maken, maar ik
heb hiervoor zeker aandacht.
Ik ga even door. Eigenlijk heeft meneer Vermeer mij gevraagd hoe ik
reflecteer op het dalende verdienvermogen waar dat speelt in de
grensregio's, en op de impact die dit heeft op de leefkwaliteit in die
gebieden. De Impulsaanpak winkelgebieden blijft bijvoorbeeld intact. Die
aanpak vind ik heel passend bij zo'n soort vraagstuk. Het gaat
bijvoorbeeld ook om aandacht voor het versterken van regionale
innovatieclusters. Dat zijn bewust gekozen maatregelen die in brede zin
goed oog houden voor en interventies doen in de regio's die steun nodig
hebben.
Meneer Vermeer heeft ook gevraagd of het rapport Elke regio telt! daar
nog een rol in speelt. Het antwoord is ja. Dat programma wordt getrokken
door Binnenlandse Zaken, maar er zit zeker een economische component in,
dus dat grijpt op elkaar in.
In algemene zin zijn er zaken gevraagd over regeldrukverschillen tussen
buurlanden, energieprijzen en noem het allemaal maar op. In de taskforce
worden dit soort zaken specifiek meegenomen. Ik ben al ingegaan op de
regeldrukaanpak binnen Nederland. Daar heb ik ook in de Europese context
aandacht voor. Ik zou het daar eigenlijk even op willen houden.
Er is mij specifiek nog gevraagd hoe we het voor elkaar gaan krijgen dat
de netcongestieproblemen onze industriële clusters niet in de weg staan.
Overigens hoop ik dat de netcongestieproblemen voor alle belemmeringen
opgelost gaan worden. Daar is mijn collega van KGG natuurlijk allereerst
verantwoordelijk voor. Ik kijk daar heel graag bij mee vanuit de
bedrijvenkant. Ik bied ook iedere keer aan om bedrijven te helpen
oplossingen te bieden. Ook weer uit mijn eigen werkervaring, van onlangs
nog, weet ik dat daar soms ook gewoon heel concrete oplossingen voor te
bedenken zijn, die ook nu al kunnen werken. Eigenlijk zeg ik dus iedere
keer, ook bij mijn collega aan tafel: ja, ik heb er een belang bij voor
de bedrijven en tegelijkertijd kan ik ook deel van de oplossing
zijn.
Dan is er een vraag gesteld over de indirecte kostencompensatie. Volgens
mij vroeg mevrouw Bühler mijn aandacht daarvoor, eigenlijk met de zorg
of dat nu wel goed gaat, omdat de RVO heeft aangegeven weinig capaciteit
te hebben om een loket te openen. Volgens mij is het goede nieuws
inmiddels dat dit loket weer open kan, en dat dit ertoe kan leiden dat
aanvragen ingediend kunnen worden in Q3. Ik hoop dat dit de oplossing is
voor wat u terecht aanwees als een blokkade.
Even kijken. Dan ga ik naar ... O ja, er is door mevrouw Bühler ook
gevraagd of de envelop voor het verlagen van de energiekosten naar voren
gehaald kan worden. Ook dit is eerder aan bod gekomen toen het ging om
maatregelen die passen bij de nu bestaande situatie in het
Midden-Oosten. Dit wordt door KGG getrokken. Ik ben daar zeker bij aan
het meekijken. Het is interessant om te bekijken of het naar voren
getrokken kan worden. We moeten wel goed blijven kijken of de
werkingskracht dan wel blijft bestaan. Daarbij is toch ook altijd weer
een budgettair vraagstuk op te lossen. Maar ja, we zijn erop aan het
studeren.
Ik kijk even of ik nog een vraag van meneer Van Houwelingen kan
beantwoorden. Hij legde op tafel dat bedrijven weggaan of niet
investeren omdat de energieprijzen te hoog zijn. Ja, ik onderschrijf
absoluut dat dit een probleem is, omdat de energiekosten in Nederland
inderdaad hoog zijn. Tegelijkertijd is natuurlijk de vraag interessant
wat je denkt dat daarvoor de oplossing gaat zijn. Als ik het een beetje
grofweg schets, zou je kunnen zeggen: dan moet je teruggaan naar hoe het
was en daarbij meer fossiele brandstoffen gebruiken. Dan ben ik
misschien toch meer van het geloof dat zegt: nee, je moet doorzetten
naar een nieuwe toekomst, die ook meer tot een mix leidt. U hoort mij
terecht zeggen dat er in die mix niet alleen duurzame energie zit. Ik
denk echt dat je goed moet zorgen voor spreiding, maar dat we wel naar
een nieuwe toekomst moeten. En dat vraagt investeringen. Ik denk dat de
situatie waar we nu wereldwijd in zitten, ons ook laat zien dat we in
ieder geval moeten voorkomen dat we te hard geraakt worden op sommige
plekken.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Daar gaat mijn vraag eigenlijk over. Worden we niet te hard geraakt?
Vaak zijn het clusters, krijgen wij te horen. Als het ene bedrijf
vertrekt, gaat het andere bedrijf ook weg. De minister is minister van
Economische Zaken en gaat over het verdienvermogen. Wordt de pijn niet
te groot? Is de minister ook bereid om uit te zoeken of het niet te erg
wordt?
Minister Herbert:
Precies zo'n regel als de IKC is specifiek bedoeld om te helpen
overbruggen naar een nieuwe toekomst. Ik sta er altijd voor open om te
kijken of dat instrumentarium wel effectief genoeg is, want het doel van
zo'n overbruggingsinstrumentarium is juist om samen naar een nieuwe
toekomst te kunnen komen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. Misschien mag ik een suggestie doen. De minister moet maar
bekijken wat ze ... Ik hoop dat het al gebeurt, maar is de minister
bereid om haar licht een keer op te steken bij clusters zoals Chemelot
en Terneuzen? Ik denk dat dit een heel goeie zaak zou zijn, want wij
krijgen te horen dat zij zwaar onder druk staan.
Minister Herbert:
Hier is zeker aandacht voor in het programma verduurzaming zware
industrie. Dat is eigenlijk exact waar dit zich op richt, ja.
Mevrouw Martens-America vroeg of we ook goed oog houden voor sociale
vernieuwing. Heel specifiek stelde zij de vraag of nieuwerwetse
bedrijven niet te veel naar ouderwetse cao's worden gedrongen. Ja, dit
is zeker ook een onderwerp waarvoor ik me heel erg wil inspannen,
natuurlijk altijd samen met het ministerie van SZW. Mijn visie hierop is
dat je het rapport-Wennink net nog een beetje zou moeten optillen tot
een verhaal dat ook raakt aan een soort vernieuwing van de polder. Dit
vraagt niet alleen om aanpassingen in bedrijven, maar eigenlijk om
aanpassingen van hoe je überhaupt met arbeid omgaat in dit land, en om
de aanpalende regels. Dus ja, ik ben ook geïnteresseerd in hoe we die
sociale vernieuwing meenemen.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Keijzer en dan mevrouw Martens-America.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Het ging net wel even heel snel. Ik hoorde minister de vraag van de heer
Van Houwelingen nog een keer herhalen. Ik had ook gevraagd naar het
probleem in het midden- en kleinbedrijf door de hoge brandstofprijzen.
Het antwoord van de minister was: ik geloof toch meer in duurzame
energie. Geloven mag van mij. Dat vind ik heel mooi. Maar dat betaalt de
rekening niet. Wat gaat deze minister nou doen aan die energieprijzen?
Ik snap dat ze daarover in het kabinet het gesprek moet voeren. Ik denk
trouwens dat het niet gaat lukken met een helemaal groene economie. In
de groene economie geloven gaat de rekening niet betalen, terwijl
bedrijven daar wel door kapotgaan. Dat kun je als minister van
Economische Zaken niet voor je rekening nemen.
Minister Herbert:
Dank dat ik de kans krijg om nog net een beetje te nuanceren wat ik
blijkbaar te ongenuanceerd heb uitgedrukt. Het was mijn bedoeling om te
zeggen dat ik erin geloof — misschien moet ik het woord "geloven" niet
meer gebruiken — dat we vooruit moeten kijken naar de door ons gewenste
toekomst. Daarvoor moeten we nu investeringen doen, voor een deel om wat
onafhankelijker te worden van een te eenzijdige energiemix. Ik denk dat
dit verstandig is. Die investeringen kosten geld. We hebben dus weer
overbrugging nodig voor partijen die daardoor nu wat zwaar geraakt
worden. De impact die bepaalde sectoren nu zo zwaar voelen, ga ik per
sector in kaart brengen. Daar komen we binnenkort op terug in de
maatregelenbrief. Ik zit even bij mezelf na te gaan of daarmee voldoende
antwoord gegeven is op de vragen die mevrouw Keijzer stelde. Eigenlijk
is er ... Nee, ik stop even met praten, want ik weet niet of ik het daar
beter mee ga maken.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ben ik erdoorheen, voorzitter?
De voorzitter:
Ja, u bent erdoorheen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou ja, het antwoord is niet gegeven; dat moge duidelijk zijn.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik wil dit moment toch aangrijpen om een heel klein beetje de verdieping
in te gaan, want het risico van deze debatten is altijd dat we onze
macro-economische wereldbeelden schetsen. Het ongeduld van mevrouw
Oualhadj heb ik hier helaas al tweeënhalf jaar. We moeten nu toch een
aantal specifieke dossiers gaan vastpakken die verspreid liggen bij
verschillende ministeries. Ik denk dat bijvoorbeeld de starre cao's een
aantoonbaar remmend effect hebben op de innovatieve economie. Dat ligt
bij uw collega. Ik wil deze minister niet vragen om uitspraken te doen
over een ander ministerie, maar iemand moet owner worden van het
oplossen van deze problemen. Of het nou gaat over de
medewerkersparticipatie, die ligt bij de staatssecretaris van Financiën,
de starre cao's of loondoorbetaling bij ziekte: ik ben een beetje op
zoek naar wie we waarvoor verantwoordelijk kunnen houden en op welke
termijn. Nu "Q3" zeggen is wel te laat voor onze economie. Ik ben dus
een beetje op zoek naar wie ownership neemt over de onderwerpen die
daadwerkelijk van belang zijn voor onze toekomstige economie, waar we
het vandaag toch over hebben.
Minister Herbert:
Ownership over de toekomstige economie voel ik heel erg als coördinerend
bewindspersoon voor de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en
Vestigingsklimaat. Is daarmee alles door mij te regelen? Nee, is helaas
het antwoord. Maar u mag mij er zeker aan blijven herinneren en op
blijven aanspreken. Ik wil er ook altijd enorm veel vaart achter
zetten.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik vermoed dat er geen tweede termijn van de Kamer meer gaat komen, want
de tijd daarvoor is voorbij, dus als u het mij toestaat, wil ik nog
graag een stukje meenemen, dan maar in een interruptie. Er is volgens
mij vandaag breed door de Kamer uitgesproken dat er zorgen zijn over de
huidige staat van de economie. Meerdere partijen hebben aangegeven dat
er, zoals mevrouw Keijzer al aangaf, problemen zijn door stijgende
kosten van brandstof, energie en noem het allemaal maar op. Ik denk dat
we op dit moment wel redelijk kunnen spreken van een crisis. De eerste
transportbedrijven zijn al op slot gegaan. Het enige wat ik hier hoor,
met alle respect, is dat het gaat over start-ups en scale-ups. Nogmaals,
daar gaat het regelmatig over. 90% van de start-ups faalt binnen tien
jaar. De meeste start-ups falen binnen twee tot vijf jaar. We hebben het
over staatssteun en over alle mogelijke manieren om in de toekomst
financiering mogelijk te maken, maar we horen helemaal niets, maar dan
ook werkelijk niets, over wat we op dit moment kunnen doen voor de
economie in Nederland en voor de ondernemers die eraan onderdoor gaan
door de kosten. Ook de brief laat maar op zich wachten. Er is vanmorgen
weer een bevestiging gekomen van de minister dat de brief voor de 23ste
gaat komen, terwijl er dinsdag Kamerbreed een motie is aangenomen van
mijn partijleider over de snelheid van een brief over ...
De voorzitter:
Meneer Prickaertz, ik wil u vragen om dit betoog af te ronden en uw
concrete vraag te stellen. En anders geef ik het woord aan de
minister.
De heer Prickaertz (PVV):
Ik zal het afronden met een vraag, voorzitter. Waarom gaat het elke keer
over dezelfde onderwerpen en niet over datgene wat op dit moment echt
cruciaal is?
Minister Herbert:
Ik ben vandaag gekomen voor een commissiedebat over verdienvermogen. Dat
betekent niet dat ik geen aandacht heb voor de dingen die nu actueel
zijn. Ik herken dus zeker de huidige zorgen als gevolg van de brandstof-
en energieprijzen. Zoals u weet, wordt er gewerkt aan een uitgebreide
scan van scenario's met maatregelen. Het was al toegezegd om die te
leveren op de door u genoemde datum. Daarmee zijn we inderdaad volop
bezig.
De voorzitter:
Ik zie dat u uw mapje dat nu voorligt, bijna leeg heeft. Heb ik dat goed
gezien?
Minister Herbert:
Ja.
De voorzitter:
Dan zouden we, gezien de tijd, nog tien tot vijftien minuten kunnen
uitlopen, maar ik realiseer me ook dat heel veel leden andere
verplichtingen hebben. De minister zelf heeft die waarschijnlijk ook.
Zou het haar lukken om de vragen die er nog liggen, in een brief te
zetten? Zo krijgen de Kamerleden in ieder geval antwoorden op hun vragen
en kunnen we ze eventueel betrekken bij een tweeminutendebat dat wel of
niet wordt aangevraagd. Dat ga ik dadelijk nog heel even inventariseren.
Op die manier kunnen we proberen om toch tot een afronding van dit debat
te komen. Ik kijk dus heel even rond naar de leden. Zijn er leden die nu
al aangeven een tweeminutendebat te willen aanvragen? Ik begin aan de
kant van mevrouw Bühler. Ik zie haar instemmend knikken?
Mevrouw Bühler (CDA):
Ja, graag.
De voorzitter:
Dan noteren we een tweeminutendebat met als eerste spreker mevrouw
Bühler. Er komt een brief van de minister over de openstaande punten die
wij niet hebben kunnen behandelen vandaag.
Tot slot zal ik in ieder geval de toezeggingen die tot nu toe zijn
gedaan, nog eventjes voorlezen.
De minister stuurt voor de zomer een kabinetsreactie op het rapport-Wennink met een specifieke invulling per onderdeel.
De minister stuurt een brief over staatssteun aan ondernemingen in moeilijkheden en over de definitie die daarvoor wordt gebruikt. Hierin worden alle vragen van de leden meegenomen, waaronder die over de financieringsdefinities et cetera.
Kunnen we daar een termijn op zetten?
Minister Herbert:
Ik had "een paar weken" gezegd.
De voorzitter:
Voor het meireces?
Minister Herbert:
Ja.
De voorzitter:
Dat is dus uiterlijk 23 april.
Ten slotte.
De minister stuurt voor de zomer een actualisatie van de programma's rond de grensproblematiek. In de volle breedte betrof dat de actualisatie van een aantal lopende programma's, al dan niet samen met de minister van BZK.
Dat weet ik dus niet, omdat het ook raakt aan de vitale regio's. Is
het anders geformuleerd?
Minister Herbert:
Ik herken wel dat we het gesprek hierover gehad hebben. Ik heb niet de
indruk dat ik hierover nog aparte informatie zou sturen. Daarover heb ik
niets gezegd.
De voorzitter:
Dan gaan we die doorstrepen, als niemand hierop aanslaat. Dan houden we
het bij deze twee toezeggingen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Toch nog even een vraag. Ik baal er echt van dat we nu niet aan bepaalde
beantwoording toekomen, maar goed, dat is dan wat het is. Maar ik zou de
minister dan wel echt willen vragen om mijn vragen in ieder geval
uitgebreid te beantwoorden, want een van de vragen ging over de private
...
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj, ik ga u onderbreken. Ik heb namens de commissie met de
minister de afspraak gemaakt om alle openstaande vragen van de leden in
een brief te zetten en te beantwoorden. Dat geldt voor alle leden.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dat geldt voor alle leden, maar er zitten ook wat urgente vragen in die
echt om de komende weken gaan. Het gaat om de huidige geopolitieke
situatie. Dat zou ik dus graag even willen benadrukken, als u mij dat
nog toestaat.
De voorzitter:
Bij dezen. Ik sluit de vergadering en ik wens u allen een prettige dag.
Dank u wel.
Sluiting 13.06 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|