Fiche: Chips Act 2.0
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Brief regering
Nummer: 2026D36416, datum: 2026-07-10, bijgewerkt: 2026-07-22 15:04, versie: 2 (versie 1)
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Gerelateerde personen:- Eerste ondertekenaar: T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Onderdeel van kamerstukdossier 22112 -4407 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie.
Onderdeel van zaak 2026Z16093:
- Volgcommissie: vaste commissie voor Digitale Zaken
- Volgcommissie: vaste commissie voor Europese Zaken
- Voortouwcommissie: vaste commissie voor Economische Zaken
- 2026-09-01 15:00: Regeling van werkzaamheden (Regeling van werkzaamheden), TK
- 2026-09-01 16:45: Procedurevergadering commissie Economische Zaken (Procedurevergadering), vaste commissie voor Economische Zaken
Preview document (🔗 origineel)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4407 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij vier fiches die
werden opgesteld door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie
voorstellen (BNC).
Fiche: Mededeling routekaart uitfasering dierproeven chemische veiligheidstests (Kamerstuk 22 112, nr. 4405)
Fiche: Mededeling over Europese Tech Soevereiniteit (Kamerstuk 22 112, nr. 4406)
Fiche: Chips Act 2.0
Fiche: Strategic Roadmap Digitalisation and AI in the Energy Sector (Kamerstuk 22 112, nr. 4408)
De minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche: Chips Act 2.0
1. Algemene gegevens
Titel voorstel
Regulation of the European Parliament and of the Council on a framework of measures for strengthening the Union’s semiconductor ecosystem, repealing Regulation (EU) 2023/1781(Chips Act 2.0)
Datum ontvangst Commissiedocument
3 juni 2026
Nr. Commissiedocument
COM(2026)504
EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex%3A52026PC0504
Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
SWD(2026)504
Behandelingstraject Raad
Raad voor Concurrentievermogen
Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Rechtsbasis
Artikelen 4, 6 114 en 173, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)
Besluitvormingsprocedure Raad
Gekwalificeerde meerderheid
Rol Europees Parlement
Medebeslissing
2. Essentie voorstel
Op 3 juni 2026 presenteerde de Europese Commissie (hierna: de Commissie) het Europese Techsoevereiniteitspakket (hierna: het pakket), bestaande uit vier voorstellen. Aanleiding voor het pakket zijn de toenemende geopolitieke spanningen, de mondiale concurrentiestrijd op (digitale) sleuteltechnologieën en de risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen op het gebied van onder meer cloud, AI en halfgeleiders.
Om dit aan te pakken beoogt de Commissie om de positie van de EU over de gehele digitale waardeketen te versterken. In dit fiche wordt nader ingegaan op Chips Act 2.0 (hierna: CAII). De overige voorstellen zijn geapprecieerd in separate BNC-fiches.
De CAII is een herziening van de Chips Act uit 2023 (Verordening (EU) 2023/1781). In het voorstel voor de CAII identificeert de Commissie twee hoofdproblemen: (i) de afhankelijkheid van derde landen voor het ontwerp en de productie van halfgeleiders; (ii) onvoldoende crisisparaatheid.
Om deze problemen aan te pakken, formuleert de Commissie twee doelstellingen. Allereerst het versterken van het concurrentievermogen van de Europese halfgeleiderindustrie om de technologische soevereiniteit en weerbaarheid van de EU te vergroten. Dit wil de Commissie doen door industriële opschaling, onderzoek en innovatie te versnellen, de leveringszekerheid van halfgeleiders te waarborgen en strategische afhankelijkheden te verminderen. Ten tweede het versterken van de crisisparaatheid voor de halfgeleidersketen en haar eindmarkten met behulp van een uniform juridisch kader en door onmisbaarheid, weerbaarheid en welvaart van de EU op het gebied van halfgeleidertechnologieën te vergroten.
Om de concurrentiekracht van de Europese halfgeleidersector te vergroten, verschuift de Commissie de focus gedeeltelijk van een voornamelijk aanbodgerichte aanpak, naar een combinatie met vraaggerichte maatregelen. Volgens de Commissie kunnen een sterkere Europese vraag naar halfgeleiders en een grotere Europese productiecapaciteit elkaar versterken. Deze aanpak sluit aan bij andere Europese initiatieven, waaronder de Cloud & AI Development Act (CADA) en het AI Continent Action Plan, die onder meer gericht zijn op de ontwikkeling van AI-datacenters en -(giga)fabrieken binnen de EU. Hiermee wil de Commissie de vraag naar geavanceerde AI-chips stimuleren. Verder legt de Commissie ook de link met de Industrial Accelerator Act (IAA), waarmee wordt ingezet op het versterken van de productiecapaciteit van strategische sectoren binnen de EU.
De drie bekende pijlers uit de Chips Act van 2023 komen deels terug, maar er worden ook specifieke herzieningen geïntroduceerd.
Hoofdstuk II, pilaar I, Chips for Europe Initiative 2.0 ziet primair toe op onderzoek, ontwikkeling en innovatie. In deze herziening ligt de focus op het sneller opschalen van succesvolle pilotlijnen naar commerciële productiecapaciteit. De meest prominente wijziging is de structurele verankering van kwantumchips en (geïntegreerde) fotonica als sleuteltechnologieën (operationeel doel 3 en 5) die in aanmerking komen voor de genoemde instrumenten, met een expliciete link naar toepassingen in AI en kritieke sectoren zoals defensie, gezondheid en datacenters. Daarnaast introduceert CAII twee volledig nieuwe instrumenten om de Europese marktpositie te versterken: (i) Grand Challenges voor grootschalige, sectoroverschrijdende initiatieven gericht op technische en industriële doorbraken onder andere in coördinatie met de nieuwe CADA; (ii) Demand Acceleratorsom via een nieuw Demand Forumen Innovation Procurement de Europese vraag naar en integratie van lokaal ontworpen en geproduceerde halfgeleiders te stimuleren.
Hoofdstuk III, Pilaar II over “vraag- en aanbodzekerheid” verschuift de focus van het stimuleren van algemene industriële capaciteit naar de actieve bescherming van de halfgeleidertoeleveringsketen en geeft de mogelijkheid aan de overheid om op te treden als strategische marktpartij.
Onder de eerste Chips Act bestonden twee aparte labels; de Integrated Production Facility en de Open EU Foundry. Die twee worden in de herziening samengevoegd en vervangen door één nieuwe, bredere status: de European Semiconductor Technology Initiative (ESTI) Een ESTI is een statuserkenning voor "first-of-a-kind" (FOAK)- initiatieven die d.m.v. een innovatief element aantoonbaar bijdragen aan de leveringszekerheid en weerbaarheid van het Europese halfgeleiderecosysteem. Aan de status zijn voordelen verbonden, zoals versnelde vergunningsprocedures en een grondslag voor staatssteunautorisatie. In het voorstel wordt ook de reikwijdte van de bestaande bepaling voor FOAK faciliteiten verduidelijkt waarbij de gehele halfgeleiderwaardeketen, waaronder ontwerpactiviteiten, gespecialiseerde materialen, productieapparatuur en -processen, printplaten, assemblage en geavanceerde verpakkingstechnologieën, wordt meegenomen.
Daarnaast is er een nieuw instrument, de Strategische Projecten, dat breder inzetbaar is en kan worden toegekend aan initiatieven over de gehele chipwaardeketen, zoals geavanceerd chipontwerp, de ontwikkelingen geavanceerde productiemachines en -apparatuur, en innovatieve verpakkingstechnieken. Om voor deze status in aanmerking te komen, moet het project worden getrokken door een domestic undertaking (een bedrijf gevestigd in of gecontroleerd vanuit de EU of een betrouwbare partnerregio) en aan drie harde criteria voldoen. Het moet een grensoverschrijdende dimensie hebben via samenwerking tussen meerdere lidstaten, aantoonbaar bijdragen aan de Unie-brede weerbaarheid (resilience), welvaart (prosperity) of onmisbaarheid (indispensability), en in de kern duurzaam economisch levensvatbaar zijn met een duidelijke markt- of vraagsturing. Ook wordt het mogelijk om nationale cofinanciering voor strategische projecten onder de FOAK te brengen, mits dit in overeenstemming is met de Europese staatssteunregels. Zonder vooruit te lopen op de Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) onderhandelingen wordt er voor Strategische Projecten ook de mogelijkheid geschetst voor Europese financiering. In het voorstel wordt één strategisch project al vastgelegd voor op Advanced Semiconductor Manufacturing dat moet leiden tot de realisatie van de eerste Europese productiefaciliteit die geavanceerde halfgeleiderproductie combineert met geavanceerde 3D-verpakkingstechnologieën. In de annex van het voorstel worden nog vijf prioritaire terreinen voor potentiële strategische projecten benoemd. Zowel Strategische Projecten als European Semiconductor Technology Innitiatives worden als uitzonderlijk voor het nationaal belang bestempeld en kunnen in het kader van Europese milieuwetgeving de juridische status van ‘overriding public interest’ krijgen.
Het voorstel introduceert tevens een label voor European Semiconductor Regions of Excellence met een sterke investeringsagenda op het gebied van halfgeleiders. Dit label moet investeringen aantrekken en regionale ecosystemen versterken op het gebied van productie, onderzoek, innovatie, vaardighedenontwikkeling en duurzame infrastructuur.
De Commissie stelt voor om publieke aanbestedingen strategisch in te zetten om de Europese chipsector te stimuleren en geopolitieke ketenrisico's te verkleinen. Voor aanbestedingen in risicogevoelige, vitale sectoren zoals gedefinieerd onder de NIS2, introduceert het voorstel de mogelijkheid naast prijs ook weerbaarheidscriteria als niet-financieel criterium mee te wegen. Dit kan worden omgezet in een verplichting zodra er een toeleveringsrisico (‘sufficient risk’) dreigt. Bedrijven moeten in dat geval diepgaande ketenanalyses aanleveren. Hoewel deze dwingende regels zich primair richten op overheidsopdrachten, bevat het voorstel ook de mogelijkheid voor de Commissie om deze verplichtingen via gedelegeerde handelingen uit te breiden naar private spelers binnen in het voorstel gedefinieerde ‘risk prone sectors’.
De Commissie legt daarnaast expliciet een relatie met de herziening van de Cybersecurity Act (CSA II). In het kader van de Chips Act 2.0 worden cybersecurity-risicobeoordelingen voorzien voor halfgeleiders die worden toegepast in kritieke sectoren en publieke aanbestedingen.
Hoofdstuk IV, Pilaar III, over “monitoring en crisisbeheersing” intensiveert de controle op de toeleveringsketen en de bevoegdheden voorafgaand aan een crisis. Ten eerste wil de Commissie naast doorlopende monitoring met lidstaten een Business-to-Business Semiconductor Supply Chain Platform oprichten die moet dienen als een 'digitale tweeling' van Europese halfgeleiderwaardeketens. Deze tweeling zal o.a. dienen om stresstests uit te voeren en om betere inzage te krijgen in de risico’s. Deelname is vrijwillig, behalve voor ESTI's en Strategische Projecten en is strikt voorbehouden aan EU-ondernemingen (domestic undertakings). Tevens verbreedt de Commissie haar mandaat voor preventieve informatie-inwinning. Wanneer lidstaten of de Commissie concrete signalen ontvangen van ernstige tekorten die de vitale maatschappelijke en economische functies van kritieke sectoren bedreigen, mag de Commissie, na consultering van de ESB een informatieverzoek doen aan het platform of aan marktpartijen buiten het platform. In de crisisfase blijven maatregelen zoals geïntroduceerd onder de eerste Chips Act, zoals priority-rated orders, joint procurement en common purchasing bestaan.
In hoofdstuk V over governance wordt de besluitvormingsstructuur gestroomlijnd. Het mandaat van de European Semicon Board (ESB) wordt uitgebreid in het kader van de nieuwe instrumenten, bijvoorbeeld door deze een rol te geven bij de toekenning van de labels voor European Regions Of Excellence, advisering over strategische projecten en het beoordelen van internationale partnerschappen. Verder richt de Commissie de Industrial Alliance for Semiconductors op om een doorlopend dialoog te voeren met ESB en wordt deze alliantie verantwoordelijk gemaakt voor de uitvoering van de Demand Accelerators en het Demand Forum.
b) Impact assessment Commissie
Het Draghi-rapport uit 2024 liet er geen misverstand over bestaan: als Europa zijn concurrentiepositie en toekomstige welvaart wil behouden, moet het investeren in strategische technologieën zoals halfgeleiders. Maar ondanks de vooruitgang die werd geboekt met de eerste Chips Act uit 2023, blijft de Europese halfgeleidersector kwetsbaar. Met de CAII wil de Commissie deze uitdagingen aanpakken.
Alvorens deze herziening voor te stellen heeft de Commissie verschillende opties onderzocht om de impact van de Chips Act te versterken, van voorzichtige aanpassingen tot een radicale koerswijziging.
Optie 0: doorgaan op de huidige voet (basislijnscenario), is eigenlijk geen reële optie, aangezien uit de evaluatie van de eerste Chips Act bleek dat deze weliswaar vooruitgang heeft geboekt, maar onvoldoende is gebleken om de structurele kwetsbaarheden aan te pakken.
Optie 1: Verbeteren van de randvoorwaarden (horizontale aanpak). Denk aan investeringen in onderzoek en innovatie (R&D&I), vaardigheden en talentontwikkeling, een regionaal label voor Semiconductor Excellence, een business-to-business semiconductor supply chain platform, en snellere procedures voor vergunningen.
Optie 2: voorkeursoptie: "Strategische soevereiniteit" door middel van horizontale en verticale maatregelen. Deze optie bouwt voort op optie 1, en voegt er nieuwe instrumenten, zoals strategische projecten, vraagsturing via aanbesteden en een scherpere focus op Grand Challenges aan toe.
De Semicon Coalition heeft verzocht om meer focus op uniciteit en onmisbaarheid in de keten (i, weerbaarheid, en toekomstig verdienvermogen1, ook de industrie is voorstander van sterkere coordinatie, vraagsturing en betere toegang tot financiering en digitale infrastructuur. Deze voorkeursoptie is daarmee in lijn met de Nederlandse inzet.
Er zijn hogere kosten gemoeid met deze aanpak dan de baseline optie, met name door een hoger EU-budget voor Strategische Projecten en commitment van middelen door de lidstaten voor deze projecten. De Commissie is echter van mening dat de opbrengsten van de maatregelen, in termen van strategische autonomie, concurentievermogen en toekomstig verdienvermogen, deze kosten ruimschoots zullen rechtvaardigen. Hier wordt verder op ingegaan in sectie 5.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Nederland speelt een leidende rol in de mondiale halfgeleiderketen. De sector is van groot belang voor ons toekomstig verdienvermogen, onze weerbaarheid en om maatschappelijke uitdagingen te kunnen oplossen. De internationale concurrentie staat echter allesbehalve stil. Bovendien zien we hoe, in een geopolitiek onzekere wereld, dit tot kwetsbaarheden op allerlei terreinen kan leiden. Het kabinet zet zich daarom in voor het versterken van het Nederlandse en Europese concurrentievermogen en weerbaarheid op het gebied van kritieke (digitale) technologieën. Daarbij wordt een integrale benadering van de gehele digitale-technologiewaardeketen gehanteerd, van halfgeleiders en digitale infrastructuur tot cloud, software en AI. Deze inzet sluit aan bij het coalitieakkoord, de opdrachtbrief aan de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat (TTWV), de kabinetsappreciaties van het Draghi- en het Wennink-rapport, de Industriebrief, de Nationale Technologiestrategie (NTS), de kabinetsaanpak economische veiligheid, de kabinetsstrategie op Open Strategische Autonomie en de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie2. In deze beleidsinitiatieven wordt rekening gehouden met zowel technologie-specifieke inzet als horizontaal en randvoorwaardelijk beleid.
Daarnaast is er gerichte inzet nodig op enkele specifieke markten. Zowel in de industriebrief als de NTS wordt de halfgeleiderindustrie aangemerkt als één van de strategische markten. Op 1 april 2026 bood de minister van Economische Zaken en Klimaat de Semicon Visie 20353 aan de Tweede Kamer aan. Dit document is de opmaat naar een programma zoals aangekondigd in de brief Industriebeleid met focus. Het kabinet heeft de Kamer al eerder geïnformeerd over de start van een aantal belangrijke initiatieven ter versterking van de halfgeleiderindustrie zoals Beethoven, en de Important Projects of Common European Interest 4.
Gezien het mondiale karakter van de halfgeleiderindustrie en het belang van een sterke Europese positie daarin, bevindt Nederland zich in de voorhoede van EU-beleidsontwikkeling op het onderwerp van halfgeleiders en technologie. Zo heeft het kabinet zich ingespannen voor de totstandkoming van de Semicon Coalition die, eerst met een kopgroep van negen lidstaten gevolgd door steun van alle 27 lidstaten, een verklaring ondertekende gericht op het versterken van Europese onmisbaarheid, weerbaarheid en welvaart in de mondiale waardenketen met een gezamenlijke inzet voor de herziening van de Chips Act. Ook heeft het kabinet mede het initiatief genomen voor een onderzoek naar de businesscase voor de Europese halfgeleiderindustrie.
Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Op hoofdlijnen kan het kabinet zich vinden in het voorstel voor de CAII. Deze sluit in grote lijnen aan bij de Nederlandse non-paper over het Tech Soevereiniteitspakket5 en de Semicon Coalition Declaration. Het kabinet beschouwt het voorstel voor de CAII nadrukkelijk als onderdeel van het bredere pakket en zal zich blijven inzetten voor een geïntegreerde benadering over de volle breedte van de “Europese Technologiestack”. Het kabinet benadrukt hierbij dat aanbod en vraag binnen deze stack inherent hand in hand moeten gaan: de stimulering van de Europese halfgeleiderindustrie moet daarom direct aansluiten op de behoeften van Europese cloud- en AI-aanbieders, zodat de verschillende beleidsinitiatieven elkaar optimaal versterken ten behoeve van onze technologische soevereiniteit. In dat kader is het opvallend dat het pakket niet de gehele technologiestack van AI omvat terwijl dit een belangrijke eindmarkt is voor chips. Zoals ook beschreven in het BNC-fiche over het pakket mist het kabinet een brede visie op de AI-waardeketen en zal daarom pleiten voor aanvullende actie, zodat samen met de CAII en de CADA de hele technologiestack van AI wordt gedekt.
Een dergelijke focus is wel van belang voor Europese onmisbaarheid, weerbaarheid en welvaart. In dit kader zal het kabinet aansluiting zoeken bij initiatieven vanuit het Europese technologie-ecosysteem, waaronder de European Tech Creators Coalition (TCC). Het kabinet ziet de TCC als een waardevol initiatief dat kan bijdragen aan een meer holistische benadering van de Europese technologiewaardeketen. De TCC kan onder meer een rol spelen bij de identificatie, prioritering en ondersteuning van projecten en daarmee bijdragen aan een betere aansluiting tussen Europese industriële vraag, investeringen en beleidsontwikkeling.
Het kabinet plaatst enkele kanttekeningen bij de probleemanalyse en oplossingsrichting, die door het voorstel te eenzijdig defensief focussen op weerbaarheid en productiecapaciteit. Het voorstel toont hier een inconsistente lijn. Europese onmisbaarheid en welvaart raken te veel op de achtergrond en er ontbreekt een concrete visie op hoe de EU in de komende jaren zal zorgen voor het behouden en creëren van control points in de mondiale waardeketen, terwijl deze juist essentieel zijn voor echte weerbaarheid. Mondiale onmisbaarheid wordt niet primair en efficiënt bereikt via het dupliceren van productiecapaciteit, maar door het uitbouwen van Europa's unieke technologische sterktes. Het kabinet verwelkomt een eerste verschuiving richting vraagsturing, aangezien een vraaggestuurde aanpak de concurrentiekracht effectief benut. Het kabinet zal er scherp op toezien dat zowel vraagsturing als onmisbaarheid centraal en evenredig verankerd blijven in de verordening en de verschillende instrumenten.
Het kabinet staat positief tegenover de herziene opzet van het Chips for Europe-initiatief en ondersteunt de continuering van de strategische koers uit de eerste Chips Act. Ook is het kabinet voorstander van het voortzetten van de Chips Joint Undertaking (Chips JU) en de reeds beproefde instrumenten, zoals de Pilot Lines, het Design Platform en de vergrote focus op opschaling en industrialisatie. Het kabinet benadrukt hierbij het belang van continuïteit en het voortbouwen op reeds gedane investeringen om kapitaalvernietiging te voorkomen. In het bijzonder steunt het kabinet de expliciete opname van operationele doelstellingen gericht op geïntegreerde fotonica en quantum chips. Gezien de Nederlandse sleutelpositie en de strategische waarde van deze technologieën voor de toekomst van de Europese halfgeleiderindustrie, is een gerichte Europese focus hierop essentieel en zet het kabinet in op verzilvering van de Nederlandse ambities op o.a. fotonica uit de Semicon Visie 2035.
Het kabinet staat tevens positief tegenover de introductie van het instrument van de Grand Challenges in het pakket als geheel. Wel vraagt het kabinet verdere verduidelijking over de geselecteerde prioriteitsgebieden en governance van de Grand Challenges, in het bijzonder ten aanzien van de rolverdeling hierin tussen de Commissie, de Chips JU en de lidstaten in de vorm van de ESB. Het kabinet zet daarbij in op een prominentere rol voor lidstaten in de selectie en prioritering van deze Grand Challenges. Hierbij benadrukt het kabinet dat tevens een actieve en structurele betrokkenheid van de industrie essentieel is voor het succes hiervan. In de huidige prioritering mist het kabinet de erkenning van de cruciale rol die geavanceerde productiemachines en -apparatuur spelen. De ontwikkeling en productie van deze hoogwaardige apparatuur zijn een bewezen en unieke Europese sterkte en zijn cruciaal in onze onmisbaarheid waar Europa op in moet blijven zetten.
Het kabinet is van mening dat de benodigde equipment een integraal onderdeel moet zijn van de Grand Challenges, en bepleit dat de ontwikkeling van de volgende generatie productiemachines een Grand Challenge op zichzelf zou moeten vormen en zal pleiten voor opname hiervan in Annex I.
Zoals benoemd verwelkomt het kabinet een meer vraaggestuurde aanpak en het kabinet ondersteunt dan ook de Demand Accelerators en Demand Forum maar heeft vragen bij de praktische uitwerking en impact van de instrumenten. Specifiek met betrekking tot de rol van de Industrial Alliance en de financiering van deze instrumenten. Momenteel is het niet helder hoe deze instrumenten zullen worden ingericht en waar eventuele verantwoordelijkheden worden belegd. Hiermee is het niet mogelijk de impact van deze instrumenten goed in te schatten. Het kabinet zal daarom inzetten op verduidelijking van deze instrumenten waarbij vormgeving in gezamenlijkheid met de industrie centraal zou moeten staan.
Het kabinet verwelkomt de voorgestelde vereenvoudiging en verduidelijking binnen de ESTI's en de FOAK status. Het kabinet vraagt om nadere verheldering over de specifieke positionering van de ontwikkeling van geavanceerde productiemachines en -apparatuur binnen de FOAK-definitie. Het is voor het kabinet cruciaal dat baanbrekende ontwikkelingen in de toeleveringsketen van halfgeleiderapparatuur, expliciet onder deze definities kunnen vallen om de Europese concurrentiekracht optimaal te versterken.
Hierin is ook de voorgestelde definitie voor 'domestic undertaking' van groot belang. Deze is bepalend is voor de toegang tot de ESTI's, de status van strategisch project en de toepassing bij overheidsaanbestedingen. Het kabinet vraagt om verduidelijking van deze definitie en is van mening dat het gehanteerde eigenaarsschaps-criterium (>50%) te strikt is geformuleerd. Het kabinet zal de precieze impact hiervan op Nederlandse bedrijven nader onderzoeken, en zal er in de onderhandelingen op inzetten dat bedrijven die in essentie een Nederlands of Europees karakter hebben, niet buiten de boot vallen. Daarnaast benadrukt het kabinet dat de definitie de noodzakelijke internationale samenwerking met betrouwbare, gelijkgestemde partners niet in de weg mag staan. In die context hecht het kabinet er tevens aan dat de voorgestelde maatregelen, waaronder die op het gebied van overheidsopdrachten, in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de EU zoals die van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en EU-handelsovereenkomsten, worden vormgegeven.
Het kabinet steunt de inzet op ‘Strategische Projecten’ met een grensoverschrijdende benadering die de gehele waardeketen beslaat, en de vereisten dat projecten substantieel bijdragen aan Unie-brede weerbaarheid, welvaart en onmisbaarheid. ‘Strategische Projecten’ moeten in de kern duurzaam economisch levensvatbaar zijn. Effectieve vraagcreatie dient een inherent onderdeel van het projectontwerp te worden, zodat projecten succesvol blijven en kunnen meebewegen met toekomstige technologische generaties. Het kabinet heeft echter serieuze zorgen over de voorgestelde governance, waarbij de Commissie een onevenredig grote rol krijgt in de projectselectie en procedurele helderheid ontbreekt. Hoewel prioritering via de ESB zou moeten verlopen, legt Artikel 19 het Advanced Manufacturing Project direct dwingend vast als strategisch project. Het kabinet is niet per se tegen dit project, maar de huidige vorm — waarin formele afstemming met lidstaten feitelijk wordt gepasseerd — is inconsistent met de beschreven processen met betrekking tot ‘Strategische Projecten’. Tevens plaatst het kabinet kanttekeningen bij de voorgestelde projecten onder Annex II en of deze daadwerkelijk voldoen aan de gestelde eisen. Door de eenzijdige nadruk op productiefaciliteiten en weerbaarheid dreigen ambities op onmisbaarheid, welvaart en vraagcreatie ondergesneeuwd te raken. Het kabinet zal daarom pleiten voor een meer transparante selectieprocedure met sterkere sturing door de lidstaten via de ESB. Selectie moet primair plaatsvinden op basis van excellentie en de bijdrage aan zowel onmisbaarheid als weerbaarheid, waarbij de mate van nationale cofinanciering niet doorslaggevend mag zijn voor deelnemende partijen. Met het oog hierop zal het kabinet zich maximaal inzetten om te borgen dat het Nederlandse bedrijfsleven en kennisecosysteem een prominente positie kunnen innemen binnen deze strategische projecten, in lijn met de ambities uit de Semicon Visie 2035.
Het kabinet verwelkomt het aanmerken van ESTI's en Strategische Projecten als uitzonderlijk nationaal belang en in het kader van milieuwetgeving de juridische status van ‘overriding public interest’ om vergunningverleningsprocedures te stroomlijnen en versnellen. Hierbij wordt de kanttekening geplaatst dat bij de versnelling van het vergunningsverleningsproces rekening moet worden gehouden met de realiteit waarin omgevingsdiensten opereren.
Tevens is het kabinet positief over het faciliteren van één centraal aanspreekpunt, de one stop shop voor vergunningverlening en aanverwante procedures en het gebruik van de European Business Wallet hiervoor6. Het kabinet constateert echter dat de precieze rolverdeling en de samenhang tussen het single access portal, de European Business Wallet en de one-stop shop niet eenduidig uit het voorstel blijken. Het kabinet acht daarom nadere verduidelijking van deze onderdelen en de samenhang hiertussen wenselijk.
Daarnaast is het kabinet van mening dat de coördinatie van vergunningverlening maatwerk vereist en afhankelijk moet zijn van de aard, omvang en locatie van een project. Daarbij dient voldoende ruimte te bestaan om per geval te bepalen welk bestuursniveau, het Rijk, de provincie of de gemeente, het meest geschikt is om de regie te voeren. Het kabinet acht het van belang dat de voorgestelde systematiek aansluit bij bestaande nationale bevoegdheidsverdelingen en instrumenten, waaronder de coördinatieregeling uit de Omgevingswet en zal zich inzetten voor een formulering die lidstaten expliciet de ruimte biedt bestaande nationale systemen te handhaven.
Het kabinet staat positief tegenover het concept van European Semiconductor Regions of Excellence. Deze aanpak sluit goed aan bij de sterke Nederlandse ecosystemen en gebiedsgerichte aanpak, en biedt kansen voor de profilering van opkomende regio's en bredere regionale ontwikkeling. Het kabinet vraagt echter om verheldering over de bepalingen in Artikel 26, lid 3 met betrekking tot de reikwijdte en exacte implicaties voor regio's die dit specifieke label niet dragen, of voor innovatieve bedrijven die buiten deze geselecteerde clusters gevestigd zijn.
Het kabinet zal er in de onderhandelingen op toezien dat innovatieve bedrijven buiten deze regio's niet worden benadeeld of uitgesloten.
Het kabinet verwelkomt de meer strategische positionering van de ESB en de grotere betrokkenheid van de industrie. Het kabinet benadrukt echter dat de ESB een doorslaggevende, sturende rol moet hebben in de prioritering van Grand Challenges en strategische projecten. Hoewel het voorstel deze sturing benoemt, stelt het kabinet vast dat de concrete invulling en voorsortering in de bijgevoegde Annexen al zeer vergaand en gedetailleerd zijn. Dit beperkt de beoogde flexibiliteit en de strategische sturing door de lidstaten in de praktijk. Het kabinet zal er in de onderhandelingen op aandringen dat de Annexen de ESB niet buitenspel zetten, zodat de board daadwerkelijk de ruimte behoudt om bij te sturen.
Het kabinet steunt in beginsel de strategische inzet van aanbestedingen en de introductie van een niet-financieel weerbaarheidscriterium om de Europese chipsector te stimuleren. Wel zijn nadere duiding en mogelijke aanscherping nodig om de effectiviteit voor het Europese ecosysteem en weerbaarheid te kunnen beoordelen, ook in samenhang met de herziening van Cybersecurity Act. Het kabinet acht het van belang dat de verhouding tussen de Chips Act 2.0, de herziene Cybersecurity Act (CSA II), de NIS2-richtlijn en de Cyber Resilience Act (CRA) helder wordt afgebakend.
In het CAII voorstel is de mate van verplichting onduidelijk, vage criteria zoals een ‘sufficient risk’ en het ontbreken van duidelijke drempelwaarden maken onduidelijk wanneer verplichtingen gelden en wie hierover finale bevoegdheid heeft. Waarbij het kabinet kritisch is op de vrijblijvendheid, en de introductie mist van een zwaardere bepaling of directe verplichting voor grootschalige Europese projecten, zoals AI-gigafabrieken. Het kabinet is bovendien kritisch over de elementen van de vereiste ketenanalyses, waarbij het onduidelijk is hoe ver terug in de toeleveringsketen overheden en inschrijvers moeten graven.
Specifiek voor de risk-prone sectors vraagt het kabinet om verduidelijking over de reikwijdte van de verplichtingen waarbij ook de link met verplichtingen in andere sectorale wetgeving zoals de IAA moet worden verhelderd. Het kabinet onderschrijft het belang van het bieden van ondersteuning aan entiteiten buiten de publieke sector om vergelijkbare toeleveringsketenanalyses uit te kunnen voeren en dat de Commissie richtsnoeren kan uitbrengen met voorstellen voor methodologie van deze analyses en mogelijke bijbehorende mitigerende maatregelen. Tevens erkent het kabinet de noodzaak om mitigerende maatregelen te kunnen opleggen in situaties van dringende strategische afhankelijkheden. Hierin is het van belang om heldere afspraken te maken over methodes van risico-inschatting en drempelwaardes. Het kabinet zal in de onderhandelingen inzetten op een heldere afbakening en drempelwaardes, om dubbelingen met andere sectorale wetgeving en disproportionele administratieve lasten of rechtsonzekerheid voor zowel het bedrijfsleven als de uitvoerende instanties in de lidstaten te voorkomen.
Het kabinet verwelkomt de doorlopende inzet op crisisparaatheid en erkent dat effectieve crisismechanismen en een sterke informatiepositie essentieel zijn om verstoringen in de halfgeleiderswaardeketen tijdig te mitigeren. Het kabinet benadrukt hierbij het belang van complementariteit met aangekondigde initiatieven voor monitoring en crisisrespons upstream in de keten, zoals het Critical Raw Materials Centre voor kritieke grondstoffen dat is aangekondigd onder het ResourceEU Action Plan. Daarnaast zal het kabinet vragen om nadere onderbouwing van de voorgestelde crisismechanismen, in relatie tot andere, al bestaande crisismechanismen zoals de interne-marktnood- en weerbaarheidswet (IMERA). Ook vraagt het kabinet om een duidelijkere afbakening van de voorgestelde pre-crisis- en crisisfasen. Het blijft onduidelijk welke drempelwaarden worden gehanteerd.
Het voorgestelde Business-to-Business Semiconductor Supply Chain Platform is in essentie een positief initiatief om de transparantie te vergroten, mits er sprake is van een brede en intrinsieke buy-in vanuit het bedrijfsleven. Het is tevens noodzakelijk dat de Commissie verduidelijkt hoe zij onvolledige informatie over de mondiale waardeketen denkt aan te vullen, wie het beheer van dit platform op zich neemt, hoe misbruik van bedrijfsgevoelige gegevens wordt voorkomen en hoe dit zich verhoudt met de voorstellen in de Communication on Strengtening of the EU Economic Security, zoals het voorgenomen Economic Security Information Hub. Hierbij benadrukt het kabinet dat pre-crisis- en crisismaatregelen proportioneel moeten blijven en de administratieve en operationele druk op ondernemingen niet onevenredig mogen verzwaren.
Het kabinet verwelkomt de mogelijkheid voor de Commissie om Strategische Partnerschappen voor Halfgeleiders te kunnen sluiten met bestaande en opkomende internationale partners, met als doel om samenwerking binnen de waardenketen en de weerbaarheid van de toeleverketen zelf te bevorderen. Dit sluit aan bij de Nederlandse inzet om mondiale samenwerking in de keten te versterken. Van groot belang acht het kabinet daarbij de kaderstellende rol voor de ESB die in dit proces is opgenomen, bij het formuleren van prioriteiten, criteria en strategische doelstellingen. Het kabinet onderstreept daarbij dat Europese partnerschappen complementair dienen te zijn aan nationale inspanningen. Het is goed dat de Commissie nadrukkelijk de synergie met inspanningen van lidstaten zelf zal opzoeken, in lijn met de Nederlandse opvatting over subsidiariteit. Bovendien zullen partnerschappen coherent zijn met andere initiatieven zoals Global Gateway en de International Digital Strategy. Het kabinet zal zich inzetten voor een proactieve rol van de ESB en mist in het voorstel nog een integrale aanpak op basis van een analyse van kansen en risico’s voor elk van de voorgenomen partnerschappen.
Eerste inschatting van krachtenveld
Met het Techsoevereiniteitspakket wil de Commissie in het algemeen een grotere regierol pakken en proactief beleid voeren over de gehele digitale waardeketen. Deze aanpak, en daarmee de voorgestelde aanpak in CAII, wordt verwelkomd op hoofdlijnen door zowel grote als kleine lidstaten. Het Europees Parlement pleit in dit kader voor verregaandere maatregelen. Het is nog niet bekend in welke commissie het voorstel wordt behandeld en wie de rapporteur voor het voorstel is.
In de aanloop naar de publicatie van de Chips Act 2.0 heeft Nederland de Semicon Coalitie opgezet welke opriep tot een ambitieus EU halfgeleider beleid gestoeld op indispensability, resilience & prosperity. Deze ambitie wordt nog steeds door alle lidstaten gedeeld met wel accentverschillen tussen meer focus op geavanceerde en meer volwassen technologieën. Er zal naar verwachting verschil van mening zijn tussen de lidstaten over wat de definitie van een domestic undertaking moet inhouden. Ook hebben lidstaten met een zwakkere halfgeleiderindustrie zorgen uitgesproken over hoe zij gepasseerd kunnen worden met de nieuwe Chips Act. Verder zal het project van een geavanceerde halfgeleiderproductiefaciliteit in de EU ook tot verdeeldheid leiden bij de lidstaten.
4. Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit
a) Bevoegdheid
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden in overeenstemming met de EU-verdragen toetst het kabinet of de EU handelt binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten in de EU-verdragen zijn toegedeeld om de daarin bepaalde doelstellingen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet is positief over de bevoegdheid van de EU voor het voorstel voor de CAII. Het voorstel voor de CAII ziet namelijk op aspecten van functioneren van de interne markt en industriebeleid. Het voorstel is daarom gebaseerd op de artikelen 4, lid 2a en 6b, 114, lid 1, en 173, lid 3, VWEU. Artikel 4 VWEU legt de grondslag voor de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten, met name op terreinen zoals de interne markt, industriebeleid en digitale regelgeving. Artikel 114 VWEU geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van lidstaten die die instelling en de werking van de interne markt betreffen. Op het terrein van de interne markt heeft de EU een gedeelde bevoegdheid met de lidstaten, zoals vastgelegd in artikel 4, lid 2, onder a, VWEU. Artikel 173, lid 3, VWEU, geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen te nemen ter versterking van het concurrentievermogen van de Europese industrie, zonder harmonisatie van nationale wetgeving. Deze rechtsgrondslag is passend voor het ondersteunen van onderzoek, innovatie en industriële inzet van nieuwe technologieën, zoals quantumchips en fotonica. Op dit terrein is sprake van een ondersteunende bevoegdheid van de EU, zoals vastgelegd in artikel 6, onder b, VWEU, die de eigen bevoegdheden van de lidstaten onverlet laat.
b) Subsidiariteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen, toetst het kabinet de subsidiariteit van het voorstel. Dit houdt in dat het kabinet, op de gebieden die niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, toetst of de doelstellingen van het voorstel niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.
Het oordeel van het kabinet is positief over de subsidiariteit van het voorstel voor de CAII. De verordening heeft tot doel de veerkracht, technologische soevereiniteit en concurrentiepositie van de Europese halfgeleidersector te versterken, evenals de voorzieningszekerheid van kritieke chips voor strategische sectoren zoals defensie en gezondheidszorg.
Gezien het grensoverschrijdende en mondiale karakter van de halfgeleidersector en de sterke onderlinge afhankelijkheid van lidstaten voor verschillende schakels in de waardeketen kunnen deze doelstellingen onvoldoende door individuele lidstaten worden verwezenlijkt. Een EU-brede aanpak is daarom noodzakelijk.
De halfgeleidersector kenmerkt zich bovendien door hoge kapitaalintensiteit, waarbij de benodigde investeringen in onderzoek, opschaling en productiefaciliteiten de draagkracht van individuele lidstaten en zelfs grote lidstaten te boven gaan. Door gezamenlijk op te treden kunnen lidstaten binnen de Europese interne markt schaalvoordelen realiseren en kritische massa bereiken die nodig is om de Europese positie in de mondiale halfgeleidermarkt te versterken. Daarnaast is de sector gevoelig voor geopolitieke spanningen. Om op dit wereldtoneel relevant te blijven, is een gecoördineerde Europese aanpak essentieel.
De verordening voorziet in een Europees kader voor crisisbeheersing, dat de lidstaten in staat stelt om gezamenlijk en gecoördineerd op te treden bij verstoringen in de toeleveringsketen. Dit voorkomt fragmentatie van de Europese interne markt en belemmeringen voor het vrij verkeer als gevolg van nationale maatregelen en zorgt voor een gelijk speelveld binnen de interne markt. Het kabinet erkent het grensoverschrijdende karakter van de waardeketen en de voordelen van het optreden als Europees blok in crisissituaties.
Het kabinet is om deze redenen van mening dat optreden op het niveau van de EU is gerechtvaardigd. Bovendien kan een wijziging van bestaande EU-regelgeving slechts op EU-niveau plaatsvinden.
c) Proportionaliteit
Als onderdeel van de toets of de EU mag optreden conform de EU-verdragen, toetst het kabinet of de inhoud en vorm van het optreden van de Unie niet verder gaan dan wat nodig is om de doelstellingen van de EU-verdragen te verwezenlijken. Het oordeel van het kabinet is positief met enkele kanttekeningen.
De verordening heeft tot doel de veerkracht, technologische soevereiniteit en concurrentiepositie van de Europese halfgeleidersector te versterken, evenals de voorzieningszekerheid van kritieke chips voor strategische sectoren. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstellingen te bereiken, omdat het een gedifferentieerde en doelgerichte aanpak biedt die inspeelt op de specifieke uitdagingen van de sector. Zo voorziet de verordening in ondersteuning van onderzoek en innovatie via de Chips for Europe Initiative 2.0, in financiële steun voor strategische projecten en in maatregelen voor crisisbeheersing. Deze instrumenten zijn geschikt om de technologische achterstand van Europa op het gebied van geavanceerde chips te verkleinen en de afhankelijkheid van derde landen te verminderen.
Daarnaast gaat het voorgestelde optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat het zich richt op specifieke knelpunten in de toeleveringsketen en flexibiliteit biedt voor lidstaten om nationale prioriteiten te stellen binnen het Europese kader.
Ook biedt de verordening ruimte voor aanvullende nationale maatregelen, zoals cofinanciering van strategische projecten, mits deze in lijn zijn met de Europese staatssteunregels.
Het kabinet heeft echter vragen bij de proportionaliteit van bepaalde financiële en bestuurlijke aspecten van de verordening. De nadruk op co-financiering brengt risico’s mee voor het gelijke speelveld. Het kabinet vraagt de Commissie daarbij aandacht te besteden aan het risico op sub-optimalisatie in de Europese halfgeleidersector. Het kabinet heeft als aanjager van de (verklaring van de) Semicon Coalition gevraagd om versterking van de waardenketen en inzet op versterking en creëren van controlpoints, met als startpunt de vraagzijde. Indien in de uitvoering te veel nadruk op productiefaciliteiten zou worden gelegd, leidt dit niet automatisch tot versterkte vraag naar chips in de EU en vermindert dit niet onze afhankelijkheid van ontwerp van niet-EU chips en digitale infrastructuren. Te veel focus op één marktsegment en weerbaarheid in plaats van op het opbouwen van Europese sterktes en onmisbaarheid in de keten zou de maatregel niet proportioneel laten bijdragen aan het overkoepelende doel. Het kabinet zet daarom in op een sterkere borging van de rol van de lidstaten in de selectie van Strategic Projects.
Tot slot vraagt het kabinet om een verduidelijking van de administratieve lasten voor bedrijven ten aanzien van het mechanisme voor crisisrespons en -voorbereiding. Het kabinet constateert dat in vergelijking met de eerste Chips Act uit 2023 de Commissie toegenomen bevoegdheden krijgt op gebied van crisiscoördinatie, die onder meer ziet op een business-to-business platform en mogelijkheden van de Commissie om bedrijven tot actie te manen in de “preventieve fase”, dus voordat er een crisis op is getreden. Het kabinet erkent de noodzaak om informatie te verzamelen en mitigerende maatregelen te kunnen opleggen in situaties van dringende strategische afhankelijkheden. Het kabinet benadrukt hier wel dat verplichtingen in het kader van crisisinterventie, zoals verplichte informatieverzoeken aan bedrijven en prioriteitsorders, grijpen diep in op de marktwerking en contractvrijheid. Het kabinet acht deze bevoegdheden alleen proportioneel als ze strikt worden beperkt tot extreme noodsituaties, en vooraf nauwkeurig worden afgestemd met de lidstaten via de European Semiconductor Board. Het voorstel ziet hier nu voldoende op toe.
5. Financiële consequenties, gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Consequenties EU-begroting
Het Commissievoorstel voor de Chips Act 2.0 voorziet voor de huidige MFK-periode (tot en met 2027) niet in een directe herallocatie van operationele middelen. Het kabinet vindt dat, indien er toch herallocatie moet plaatsvinden, de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021-2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
De Commissie erkent in het voorstel en de Impact Assessment expliciet dat de toekomstige operationele financiering van de Unie volledig afhankelijk is van de uitkomsten van de onderhandelingen over het volgende Meerjarig Financieel Kader (MFK 2028-2034).
Desalniettemin schetst de Commissie in de Impact Assessment onder de voorkeursoptie die is opgenomen in het wetsvoorstel (Beleidsoptie 2) vergaande financiële scenario's. Zo wordt voor het aanpakken van de kwetsbaarheden in de geavanceerde chipsproductie (front-end manufacturing) ingezet op een publiek-private investeringsomvang van circa EUR 40 miljard middels het nieuwe instrument ‘Strategische Projecten’. Uitgaande van een staatssteunintensiteit van 30 tot 40 procent, raamt de Commissie de benodigde totale publieke middelen (EU en lidstaten samen) op EUR 15 miljard. De Commissie wijst het voorgestelde ECF aan als de primaire bron voor de EU-financiering en noemt de cohesiefondsen als mogelijke nationale financieringsbron.
Voor de overige grootschalige onderdelen van het voorstel, zoals het Chips for Europe Initiative 2.0, legt de Commissie in dit stadium nog geen budgettaire claims, deze zullen pas worden gealloceerd in de context van de formele onderhandelingen over het MFK 2028-2034. Wel wordt in de impact assessment de verwachting geschept dat deze budgetten onder het nieuwe MFK, komend uit het ECF en FP10, zullen worden verhoogd ten opzichte van huidige budgetten komend uit Horizon en Digital Europe middelen uit het huidige MFK.
Tevens claimt de Commissie, in het wetsvoorstel een operationeel budget van EUR 70 miljoen voor de oprichting en het beheer van het Business-to-Business Semiconductor Supply Chain Platform in de MFK-periode (2028-2034). De Commissie stelt ook voor dit bedrag te financieren uit het nieuw op te richten ECF.
Het kabinet neemt kennis van de in de impact assessment genoemde bedragen. Het voorstel zelf lijkt niet vooruit te lopen op de besluitvorming over de MFK-periode 2028-2034 en beschrijft vooral de mogelijkheid tot EU-financiering. Hoewel het kabinet erkent dat het ECF waarschijnlijk de primaire financieringsbron voor de halfgeleiderindustrie op EU-niveau zal zijn, en het kabinet halfgeleidertechnologie ook als prioriteit onder het ECF ziet,7 merkt het kabinet wel op dat hiermee vooruitgelopen wordt op de integrale weging van middelen na 2027 en de keuzes die in de implementatie van het ECF gemaakt moeten gaan worden. Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
Wel vraagt het kabinet aan de Commissie om daarbij aandacht te besteden aan het risico op sub-optimalisatie in de Europese halfgeleidersector. Het kabinet heeft als aanjager van de (verklaring van de) Semicon Coalition gevraagd om versterking van de gehele waardeketen, met als startpunt de vraagzijde. Indien in de uitvoering te veel nadruk op productiefaciliteiten zou worden gelegd, leidt dit niet automatisch tot versterkte vraag naar chips in de EU en vermindert dit niet onze afhankelijkheid van ontwerp van niet-EU chips en digitale infrastructuren. Te veel focus op één marktsegment zou de maatregel niet proportioneel laten bijdragen aan het overkoepelende doel.
Tot slot benoemt het voorstel dat binnen de Commissie additionele FTE's nodig zullen zijn voor uitvoering van verschillende nieuwe taken onder het voorstel, zoals het Business-to-Business platform en uitvoering ‘Strategische projecten’, met een totaal van 19 FTE waarbij een deel kan worden opgevangen door heralloceren van personele inzet bij de EC. Het kabinet is van mening dat de ontwikkeling van de administratieve uitgaven in lijn moeten zijn met de ER-conclusies van juli 2020 over het MFK-akkoord. Het kabinet is kritisch over de stijging van het aantal werknemers.
b) Financiële consequenties (incl. personele) voor rijksoverheid en/ of medeoverheden
Het voorstel betreft deels een uitbreiding en aanscherping van bestaand beleid (vervanging van de eerste Chips Act), maar introduceert ook fundamenteel nieuwe verplichtingen en instrumenten met mogelijke financiële impact. Op dit moment kunnen de exacte implementatie- en handhavingskosten voor de Nederlandse begroting nog niet volledig kwalitatief worden gekwantificeerd, aangezien deze mede afhangen van de precieze inrichting van de nationale structuren en de uitkomst van de MFK 2028-2034 onderhandelingen, wel kunnen indicaties worden gegeven. Eventuele budgettaire gevolgen worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform de regels van de budgetdiscipline.
Voor R&D support bouwt het voorstel voort op de structuur van de Chips Joint Undertaking. Lidstaten die deelnemen aan de indirecte acties binnen dit programma zijn verplicht tot nationale cofinanciering (matching) van de projecten. Voor de Nederlandse cofinanciering van de activiteiten onder de Chips Joint Undertaking zijn reeds middelen beschikbaar op de begroting van het Ministerie van EZK. De exacte financiële omvang van de Chips Joint Undertaking is voor de periode vanaf 2028 momenteel nog indicatief en hangt direct samen met de Nederlandse ambities en de MFK-onderhandelingen. Zoals benoemd onder 5a, schept de impact assessment wel de verwachting dat er een verhoging van budgetten zal plaatsvinden wat daarbij ook impact heeft op de vraag voor nationale cofinanciering.
Het voorstel brengt potentieel omvangrijke financiële consequenties voor de rijksbegroting met zich mee. De Commissie raamt de benodigde totale publieke middelen (EU en lidstaten samen) voor deze grootschalige projecten in de geavanceerde chipsproductie (front-end manufacturing) op EUR 15 miljard incidenteel, echter is dit voor enkel één van de voorgestelde projecten. Voor de andere projecten onder Annex II worden kostenindicaties gegeven, echter wordt hier niet gereflecteerd op de verhouding publiek-private investeringen, tevens wordt niet benoemd hoeveel projecten de Commissie ambieert. De Commissie stelt dat gecoördineerde cofinanciering tussen de EU, lidstaten en de markt de budgettaire druk per lidstaat verlaagt in vergelijking met het solitair toekennen van staatssteun. Het staat lidstaten hierin vrij om zelf invulling te geven aan de mate van cofinanciering. Dit betekent dat er zal moeten worden afgewogen of nationale cofinanciering wenselijk is, bijvoorbeeld met het oog op de positie van het Nederlandse halfgeleiderecosysteem. .
De Commissie raamt dat de grootschalige publiek-private investeringen voor ‘Strategische Projecten’ onder de voorkeursoptie (Beleidsoptie 2) op de langere termijn substantiële, positieve netto fiscale stromen genereren die de initiële overheidssteun gedeeltelijk compenseren.
Uitgaande van een voorbeeldinvestering van EUR 40 miljard in 'Strategische Projecten' schat de Commissie dat dit zal leiden tot een stijging van EUR 6,6 miljard tot EUR 11,5 miljard aan extra jaarlijkse omzet (revenue) voor Europese halfgeleiderproducenten.
Op basis van macro-economische modellering raamt de Commissie dat deze extra marktactiviteit voor de EU een directe fiscal returns oplevert van tussen de EUR 380 miljoen en EUR 662 miljoen. Deze extra inkomsten voor de schatkist worden gedreven door vennootschapsbelasting over de extra chipomzet, alsmede door loonbelasting en sociale premies die voortvloeien uit de nieuw gecreëerde directe en indirecte werkgelegenheid. Hierbij is het echter van grote afhankelijkheid waar deze investeringen zullen landen waar dus ook de directe fiscal returns zullen landen.
Ter evaluatie van de huidige situatie constateert het kabinet dat er onder de operationele looptijd van de huidige Chips Act (1.0) tot dusver enkel cofinanciering is geweest voor projecten onder Pijler I, Chips JU en er geen nationale staatssteuninvesteringen zijn gedaan door Nederland onder pijler II, FOAK instrument. Tevens is de huidige beschikbare cofinanciering voor de Chips JU te laag om mee te doen met alle voor NL relevante projecten. Met de Semicon Visie 2035 en het daaruitvolgende gerichte programma op Semicon in lijn met de ‘industriebrief met focus’ heeft Nederland wel de ambitie voor een versterkte inzet op de halfgeleiderindustrie over de gehele waardeketen, die nauw aansluit bij de ambities in de CAII. “Hier wordt invulling aangegeven in lijn met de ‘industriebrief met focus’.
De Commissie stelt in de Impact Assessment dat de terugkerende kosten voor lidstaten, specifiek voor het versnellen van vergunningverlening en de validatie van informatieverplichting binnen het crisis- en pre-crisismechanisme, gematigd van omvang zijn. Volgens de Commissie kunnen deze extra taken grotendeels worden opgevangen en geabsorbeerd binnen de bestaande nationale administratieve en ambtelijke structuren. Opvallend is dat de Commissie voor haar eigen apparaat wél een directe uitbreiding van de personele capaciteit noodzakelijk acht, maar een dergelijke structurele uitbreiding aan de kant van de lidstaten niet voorziet.
Daarnaast verplicht het voorstel lidstaten tot het inrichten van een National Single Access Portal voor de afhandeling van vergunningprocedures voor strategische projecten en Europese Semiconductor technologie initiatieven. De ontwikkeling, implementatie en het beheer van dit portaal zullen naar verwachting uitvoeringskosten met zich meebrengen voor de rijksoverheid. De exacte omvang van deze kosten is op dit moment nog niet inzichtelijk en zal mede afhangen van de nadere uitwerking van de vereisten in de verordening en de aansluiting op bestaande nationale systemen. Het voorstel voorziet daarbij in het gebruik van European Business Wallets voor de uitwisseling van informatie en documenten. Deze Business Wallets worden reeds ontwikkeld in het kader van andere Europese regelgeving. Het is op dit moment nog onduidelijk in hoeverre het gebruik hiervan binnen de CAII aanvullende implementatie-, integratie- of beheerkosten voor Nederland met zich mee zal brengen.
Het voorstel introduceert het label European Semiconductor Region of Excellence. Dit brengt met zich mee dat provincies of regio’s die dit label ambiëren, omvangrijke regionale investeringsplannen moeten opstellen. Naar verwachting past dit binnen de huidige activiteiten van regio's in Nederland die hier aanspraak op willen maken.
Daarnaast stelt de verordening dat lidstaten administratieve en rechterlijke procedures rondom vergunningverlening voor strategische projecten als 'urgent' moeten behandelen. Dit kan leiden tot extra personele druk en prioriteringskosten bij medeoverheden (provincies en gemeenten) die verantwoordelijk zijn voor de omgevingsvergunningen.
Tevens heeft het kabinet vraagtekens bij de verplichting om niet- vertrouwelijke informatie opgehaald in het kader van crisismonitoring aan de nationale statistische instanties van de lidstaten en aan de Commissie (Eurostat) te verstrekken, voor de productie van statistieken overeenkomstig Verordening (EU) 2024/3018. Het kabinet zal de Commissie hierover om opheldering vragen en inzetten op verduidelijkingen in het voorstel. Zonder duidelijkheid over toekomstige verplichtingen, leidt dit tot onzekerheid over de uitvoeringstaken voor het CBS. Het kabinet staat hier kritisch tegenover, mocht dit leiden tot aanvullende uitvoeringskosten.
Financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger
Het voorstel voor de Chips Act 2.0 heeft directe gevolgen voor de regeldruk van het Nederlandse bedrijfsleven, met name voor grotere marktpartijen en producenten in de halfgeleiderswaardeketen. Burgers worden door dit voorstel niet rechtstreeks geraakt in hun administratieve lasten.
De Commissie stelt in haar impact assessment dat de totale administratieve- en nalevingskosten gematigd en proportioneel zijn. In lijn met het 'Think Small First'-principe worden micro-, kleine en middelgrote ondernemingen (mkb/SMEs) volledig vrijgesteld van de verplichte rapportage- en informatieplichten onder het pre-crisis- en crisismechanisme (Pilaar III). De regeldruk concentreert zich hiermee uitsluitend op grotere, systeemrelevante halfgeleiderbedrijven (zoals chipfabrikanten en essentiële toeleveranciers). Deze vrijstelling is echter niet terug te zien het wetsvoorstel, wel wordt hier benoemd dat expliciet rekening zal worden gehouden met regeldruk voor het mkb. Het kabinet zal verduidelijking vragen over de vrijstelling voor het MKB en zal erop toezien dat eventuele additionele regeldruk proportioneel is.
Voor deze specifieke groep grotere bedrijven leidt het voorstel tot verschillende vormen van regeldruk. Zoals aangegeven in 3b wordt opgeroepen tot verdere verduidelijking van de verschillende verplichtingen in het kader van crisismonitoring.
Afgeleid vanuit de impact assesment is er enerzijds sprake van eenmalige regeldrukkosten, het aansluiten op het Business-to-Business Semiconductor Supply Chain Platform, met een schatting van EUR 100.000 per bedrijf met terugkerende kosten van EUR 50.000. Deelname aan het platform is vrijwillig. Indien er bovendien formeel een crisisfase wordt geactiveerd of een information request wordt gedaan naar bedrijven buiten het platform wordt hiervoor een schatting van EUR 2782 per bedrijf gegeven.
Nederland heeft een van de belangrijkste halfgeleiderclusters van Europa (met wereldspelers in de machinebouw, chipontwerp, assemblage en gespecialiseerde toeleveranciers). Een realistische en representatieve aanname binnen dit type EU-beleid is dat Nederland ongeveer 10% tot 15% van de grotere, kritieke marktpartijen binnen de Europese waardeketen (de door de Commissie geïdentificeerde 483 grote bedrijven) voor zijn rekening neemt. Dit vertaalt zich naar schatting 48 tot 72 grote bedrijven in Nederland die direct onder deze verplichtingen zullen vallen. Voor de gezamenlijke Nederlandse bedrijven betekent dit eenmalig tussen de € 4,8 miljoen en € 7,2 miljoen en jaarlijks terugkerende kosten: Bij € 50,000 per bedrijf voor het structureel operationeel houden en voeden van het platform, stijgen de bedrijfseigen kosten voor de Nederlandse sector met structureel € 2,4 miljoen tot € 3,6 miljoen per jaar, ervan uitgaande dat de Nederlandse bedrijven zich aansluiten bij het platform. Daarbij wordt de notie gegeven dat private initiatieven die geaggregeerde Supply chain intelligence leveren stukken duurder zal zijn voor individuele bedrijven.
Daarnaast wijst de Commissie op aanzienlijke private kostenbesparingen door efficiëntiewinst: de versnelde vergunningverlening vermindert vertraging gerelateerde kapitaalkosten voor marktpartijen met naar schatting EUR 625 miljoen per representatieve geavanceerde faciliteit.
Reactie kabinet advies ATR
Het Adviescollege toetsing regeldruk kwam tot de volgende adviespunten ten aanzien van het BNC-fiche:
1. ATR adviseert de Commissie te bewegen tot een toezegging hoe en wanneer de totale regeldruk van de subsidiemodules van de CAII in beeld zal worden gebracht.
2. ATR adviseert een uitbreiding van CAII-aanbestedingseisen naar aanbestedingen door NIS2- en CAII-bedrijven pas te overwegen als de regeldrukeffecten daarvan in beeld zijn gebracht.
Het kabinet deelt de zorgen van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) over het ontbreken van een integraal beeld van de regeldruk bij de subsidiemodules van de Chips Act 2.0 (CAII), zolang de financiële kaders onduidelijk zijn. In lijn met het ATR-advies zal het kabinet er op aandringen dat de Europese Commissie nader naar deze regeldruk kijkt bij de totstandkoming van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de uitwerking van gedelegeerde handelingen, zodat administratieve lasten strikt worden geminimaliseerd.
Ten aanzien van de CAII-aanbestedingseisen brengt het kabinet een nuance aan: de veronderstelling dat deze generiek worden uitgebreid naar alle NIS2-bedrijven is niet accuraat. Eventuele verplichtingen richten zich via een Implementing Act en in samenspraak met de European Semiconductor Board (ESB) specifiek op risicogevoelige sectoren (Risk-Prone Sectors), waarbij dwingende maatregelen pas gelden bij een objectief sufficient risk en onvoldoende sectorinspanning. Hoewel de reikwijdte hiermee restrictiever is, onderschrijft het kabinet dat de exacte regeldruk voor deze sectoren momenteel onduidelijk is en cumulatie met de NIS2-richtlijn een reëel risico vormt.
Het kabinet zal daarom aandringen op een nadere impactanalyse door de Commissie om disproportionele lasten te voorkomen. Indien de Commissie geen acties onderneemt op het nader in beeld brengen van de regeldrukeffecten van de subsidiemodules (1) en aanbestedingseisen (2), zal het kabinet zelf acties ondernemen om de regeldruk te ramen.
Gevolgen voor concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Met het Techsoevereiniteitspakket kiest de Commissie voor pro-actievere aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de digitale waardeketen te verminderen. Het pakket heeft al geleid tot negatieve reacties van buitenlandse overheden en bedrijven die waarschuwen voor een té protectionistische houding. Hoewel deze geïntegreerde ketenbenadering het Europese concurrentievermogen en de weerbaarheid op lange termijn kan verbeteren, moet ook rekening worden gehouden met mogelijke reacties en/of vergeldingsmaatregelen van variërende ordergrootte tegen de EU in het algemeen.
De CAII beoogt de concurrentiekracht van de Europese halfgeleiderketen te verbeteren door de introductie van vraaggerichte instrumenten, zoals vraagversnellers en innovatieve aanbestedingen, die de afzet van lokaal ontworpen en geproduceerde chips moeten stimuleren. De Commissie stelt in haar impact assessment dat deze aanpak, in synergie met de CADA, marktkansen vergroot en de marktintroductie van sleuteltechnologieën zoals (geïntegreerde) fotonica versnelt. Het kabinet ziet aanknopingspunten in deze verschuiving naar onmisbaarheid en unieke niches om het Europese verdienvermogen op de lange termijn te versterken. Daar staat tegenover dat het kabinet waakt voor prijsopdrijvende effecten verderop in de keten door de sterke focus op lokale integratie, en onnodige toename van regeldruk door het nieuwe B2B-monitoringplatform wil voorkomen om het vestigingsklimaat niet te verslechteren. Daarnaast vraagt het kabinet aandacht voor een integraal Europees kader voor de voorgestelde sectorspecifieke versnelling van vergunningen, waarbij kritisch gekeken zal worden naar de uitvoerbaarheid voor de overheid en de aansluiting bij bestaande nationale procedures.
De CAII heeft geopolitieke gevolgen, omdat deze direct raakt aan de open strategische autonomie van de EU op het gebied van één van de meest sensitieve technologieën en beoogt de risicovolle strategische afhankelijkheden van derde landen af te bouwen. Met name de voorstellen rond de exclusieve toegang tot het B2B-supplychainplatform voor EU-ondernemingen, de definitie van domestic undertakings en leveringszekerheidscriteria die worden toegepast bij publieke aanbestedingen of strategische projecten raken aan geopolitieke verhoudingen en kunnen door partnerlanden als protectionistisch of marktverstorend worden ervaren. Het kabinet vindt het van essentieel belang dat deze maatregelen en de criteria voor internationale partnerschappen binnen de ESB transparant, proportioneel en conform de internationale verplichtingen van de EU (waaronder die van de Wereldhandelsorganisatie, WTO en EU-handelsovereenkomsten) zijn, om internationale handelsrelaties en de toelevering van schaarse grondstoffen niet in gevaar te brengen. Uitgangspunt van het kabinet is dat de samenwerking met betrouwbare en gelijkgestemde handelspartners zo min mogelijk moet worden belemmerd en dat dergelijke maatregelen gebaseerd zijn op objectieve risicobeoordelingen, juridisch voorspelbaar zijn en verenigbaar blijven met internationale verplichtingen en het functioneren van de interne markt mede gelet op het risico van internationale tegenreacties.
6. Implicaties juridisch
a) Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving en/of sanctionering beleid (inclusief toepassing van de lex silencio positivo)
Het voorstel heeft naar verwachting gevolgen voor de nationale wet- en regelgeving, waarbij de omvang van de aanpassingen verschilt per onderdeel van het voorstel. Het voorstel is vormgegeven als verordening, waardoor de bepalingen in beginsel rechtstreeks toepasselijk zijn in de lidstaten. Niettemin vergt de uitvoering naar verwachting nationale implementatie in de vorm van institutionele en procedurele aanpassingen, met name op het terrein van vergunningverlening en interbestuurlijke coördinatie.
Het voorstel schrijft niet de toepassing van de lex silenco positivo voor, maar verlangt wel een maximale versnelling van vergunningverlening voor strategische projecten. In Nederland zal hiervoor naar verwachting aansluiting worden gezocht bij bestaande instrumenten onder de Omgevingswet, in het bijzonder het projectbesluit, dat kan worden ingezet voor gecoördineerde en integrale besluitvorming over complexe ruimtelijke projecten.
b) Gedelegeerde en/of uitvoeringshandelingen, incl. NL-beoordeling daarvan
Het voorstel voor de CAII kent de bevoegdheid toe aan de Europese Commissie om gedelegeerde handelingen vast te stellen als bedoeld in artikel 290 VWEU. Deze bevoegdheid is neergelegd in de artikelen 12, lid 2 en 3 en 17, lid 1, van het voorstel in samenhang met artikel 55 van het voorstel en betreft de bevoegdheid om bijlagen I, II en III van het voorstel te kunnen wijzigen. Deze bijlagen betreffen (I) een technische beschrijving van de reikwijdte van acties beschreven in de CAII, (II) Prioritaire onderwerpen voor Strategische Projecten, en (III) Indicatoren voor de monitoring van de implementatie van de CAII. De bevoegdheidsdelegatie is beperkt tot wijziging van de inhoud van deze bijlagen. Nu het gaat om de aanpassing van niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling, is delegatie juridisch mogelijk. Het kabinet acht de inhoud van de bijlagen naar hun aard en strekking niet-essentieel, waardoor overdracht van deze bevoegdheid aan de Commissie passend wordt geacht Het betreft met name technische en operationele elementen die naar verwachting relatief frequent aanpassing behoeven om aansluiting te houden bij technologische en marktontwikkelingen. Het kabinet acht de keuze voor delegatie daarom doelmatig en proportioneel.
De tekst voor de bevoegdheidsdelegatie komt bovendien overeen met de toepasselijke modelbepaling uit het IIA Beter Wetgeven. Het kabinet kan derhalve instemmen met de voorgestelde bevoegdheidsdelegatie voor het vaststellen van gedelegeerde handelingen.
Het voorstel kent daarnaast de bevoegdheid toe aan de Europese Commissie om uitvoeringshandelingen vast te stellen in de zin van artikel 291 VWEU. Deze bevoegdheid is neergelegd in respectievelijk de artikelen 26, lid 1, 31, lid 2, 32, lid 1, 4 en 5, 39, 42 lid 8, en 50, lid 7 in samenhang met artikel 56 van het voorstel.
Artikel 26 (1) voorziet in de instelling van een label “Excellente Europese Halfgeleider Regio” dat door de Commissie kan worden toegekend aan een regio op voorstel van een regionale autoriteit, met expliciete steun van de betrokken de lidstaat. Het kabinet staat positief tegenover deze bepaling en acht de keuze voor een uitvoeringshandeling passend, aangezien het gaat om de uniforme toepassing van vooraf vastgestelde criteria bij de toekenning van een EU-label.
Artikel 31 (2): de Commissie krijgt de bevoegdheid om vast te stellen voor welke toeleverancierssectoren aanbestedende diensten een security of supply declaration moeten opvragen bij overheidsopdrachten. Hoewel dit op zichzelf kan worden gezien als een technische uitwerking van de verordening, bepaalt de Commissie hiermee ook welke sectoren daadwerkelijk onder deze verplichting vallen. Daarom kan worden betoogd dat de Commissie niet alleen de verordening uitvoert, maar ook mede de reikwijdte ervan bepaalt. Dat roept de vraag op of een gedelegeerde handeling (artikel 290 VWEU) niet passender zou zijn dan een uitvoeringshandeling (artikel 291 VWEU).
Artikel 32 eerste en vijfde lid, voorzien daarnaast in de bevoegdheid voor de Commissie om bij uitvoeringsbesluit, na overleg met de ESB, sectoren aan te wijzen als risicogevoelig, alsmede deze aanwijzing in te trekken indien de risico’s voldoende zijn gemitigeerd. Deze bevoegdheid heeft grotere gevolgen dan artikel 31, omdat de aanwijzing bepaalt welke delen van de halfgeleiderwaardeketen onder aanvullende maatregelen en toezicht kunnen vallen. De Commissie bepaalt daarmee feitelijk welke sectoren door het risicoregime van de verordening worden geraakt. Daarom bestaat hier een sterker argument dat sprake is van het nader invullen van de inhoudelijke reikwijdte van de verordening, hetgeen eerder wijst in de richting van een gedelegeerde handeling op grond van artikel 290 VWEU dan van een uitvoeringshandeling op grond van artikel 291 VWEU.
Artikel 32 (4) geeft de Commissie de bevoegdheid om bij uitvoeringsbesluit specifieke risicobeperkende maatregelen vast te stellen die door sectoren moeten worden toegepast voor bepaalde halfgeleiderproducten, nadat een sector als risicogevoelig is aangemerkt en is gebleken dat vrijwillige maatregelen onvoldoende worden nageleefd. Het kabinet acht de toekenning van deze uitvoeringsbevoegdheid passend, aangezien het gaat om het waarborgen van uniforme toepassing van maatregelen binnen de lidstaten. Tevens acht het kabinet de keuze voor een uitvoeringshandeling gerechtvaardigd, omdat hiermee een consistente en direct werkbare implementatie van maatregelen kan worden geborgd.
Artikel 39 voorziet in de activering, verlenging en beëindiging van de crisisfase. Er is sprake van een halfgeleidercrisis als (a) ernstige verstoringen in de toeleveringsketen of handelsbelemmeringen binnen de EU leiden tot aanzienlijke tekorten aan halfgeleiders, tussenproducten of grondstoffen, én (b) deze tekorten de levering, reparatie of onderhoud van essentiële producten voor kritieke sectoren zodanig belemmeren dat dit ernstige negatieve gevolgen heeft voor de samenleving, economie of veiligheid van de EU. De Europese Commissie beoordeelt – bij signalen van een potentiële crisis – of aan deze voorwaarden is voldaan, waarbij zij de impact op de Europese halfgeleiderindustrie en kritieke sectoren meeweegt.
Bij concrete en betrouwbare aanwijzingen kan de Commissie, na raadpleging van de ESB, voorstellen om de crisisstatus te activeren middels uitvoeringshandeling, waarover de Raad uiteindelijk beslist. Aangezien de duur van de crisisfase in de tijd beperkt is en de Raad expliciet moet instemmen met de maatregel acht het kabinet de toekenning van de bevoegdheid mogelijk en wenselijk, gelet op de noodzaak tot gecoördineerde besluitvorming in crisissituaties.
Artikel 42 (8) geeft de Commissie de bevoegdheid om bij uitvoeringshandeling uniforme regels vast te stellen voor het functioneren van orders met prioriteit, zoals beschreven in artikel 42 (1-7). Bij activering van de crisisstatus kan de Commissie halfgeleiderbedrijven (inclusief strategische projecten en initiatieven) verplichten om priority-rated orders te accepteren en voorrang te geven boven andere contractuele verplichtingen. Deze maatregel geldt alleen voor afnemers uit kritieke sectoren of hun toeleveranciers die ondanks risicomitigatie getroffen worden door tekorten. De Commissie legt de verplichting op via een besluit, na raadpleging van de ESB en met inachtneming van proportionaliteit, haalbaarheid en de belangen van het bedrijf. Bedrijven krijgen eerst de kans om gehoord te worden en zijn niet aansprakelijk voor contractbreuk als gevolg van de verplichte prioritering. De Commissie stelt via een uitvoeringsbesluit nadere praktische en operationele regelingen vast voor de werking van priority-rated orders, volgens de in artikel 55, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure. Gelet op de aard van de maatregelen, die betrekking hebben op de toepassing van prioritaire orders met directe gevolgen voor ondernemingen en toeleveringsketens, valt de uitvoeringshandeling onder de categorie maatregelen met een significante impact als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) 182/2011. De toepassing van de onderzoeksprocedure ligt daarom in de rede, zodat lidstaten via het comité betrokken zijn bij de vaststelling van deze uitvoeringsregels.
Artikel 50 regelt de bescherming van vertrouwelijke informatie die wordt verkregen bij de uitvoering van deze verordening. Dergelijke informatie mag uitsluitend voor de doeleinden van de verordening worden gebruikt en wordt beschermd volgens EU- en nationale wetgeving. Niet-vertrouwelijke informatie wordt gedeeld met nationale statistische autoriteiten en Eurostat voor statistische doeleinden. Informatie verkregen via specifieke artikelen (14, 33, 35, 38, 41 en 46) valt onder beroepsgeheim en geniet bescherming volgens de regels voor EU-instellingen en nationale wetgeving. De Commissie, nationale autoriteiten en betrokkenen (zoals leden van het Europees Halfgeleidercomité) zijn verplicht tot geheimhouding, met name om intellectuele eigendomsrechten en bedrijfsgevoelige informatie te beschermen. De Commissie zorgt voor gestandaardiseerde en veilige middelen voor het verzamelen, verwerken en opslaan van deze informatie. Informatie-uitwisseling met derde landen vindt alleen plaats in geaggregeerde vorm en onder strikte vertrouwelijkheidsafspraken, na notificatie aan het Europees Halfgeleidercomité. Voor de uitwisseling met derde landen wordt een enkel aanspreekpunt binnen de EU aangewezen.
De Commissie kan op grond van artikel 50, 7e lid uitvoeringsbesluiten vaststellen om de praktische regelingen voor de behandeling van vertrouwelijke informatie nader te specificeren, op basis van opgedane ervaringen. Deze besluiten worden genomen volgens de in artikel 56, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure.
Het kabinet verwelkomt het voornemen van de Commissie om voor dit belangrijke aspect aan het functioneren van het mechanisme nadrukkelijk aandacht te besteden en acht dan ook de toekenning van de bevoegdheid mogelijk en wenselijk. Ook de keuze voor uitvoering ligt hier voor de hand, omdat het gaat om het stellen van uniforme regels.
c) Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen), dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en besluiten) met commentaar t.a.v. haalbaarheid
Het kabinet acht het van belang dat lidstaten beschikken over voldoende tijd om de in de verordening opgenomen organisatorische, bestuurlijke en procedurele maatregelen te implementeren. Momenteel lijkt dat onvoldoende het geval (het voorstel is om de verordening in werking te laten treden op de dag volgend op de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie).
d) Wenselijkheid evaluatie-/horizonbepaling
De Commissie zal een uitgebreide evaluatie uitvoeren naar de effectiviteit, efficiëntie, samenhang, proportionaliteit en subsidiariteit van de Chips Act 2.0. Binnen vier tot vijf jaar na de datum van toepassing van de wetgevingshandeling zal een evaluatieverslag met de belangrijkste bevindingen worden voorgelegd aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Ook zal de Commissie de voortgang doorlopend monitoren en rapporteren aan de ESB. Het kabinet acht het wenselijk dat het voorstel wordt geëvalueerd na 4 tot 5 jaar, tevens is de continue monitoring wenselijk zodat de ESB waar nodig tussentijds kan sturen.
e) Constitutionele toets
Niet van toepassing
7. Implicaties voor uitvoering en/of handhaving
De verordening verplicht de oprichting van een nationaal single access portal (één-loketsysteem) dat volledig digitaal moet functioneren en gebruik moet maken van de European Business Wallets. Dit leidt tot een substantiële en directe IT-ontwikkelopdracht en operationele werkzaamheden voor de aangewezen nationale bevoegde autoriteit en uitvoeringsorganisaties (zoals RVO en Agentschap Telecom/RDI). Deze administratieve verplichtingen en rapportageketens zijn door de Commissie opgelegd om EU-brede interoperabiliteit te garanderen. Het kabinet beoordeelt deze digitaliseringsplicht in essentie als wenselijk voor de efficiëntie, maar kritisch wat betreft de regeldruk en de krappe implementatietermijn.
8. Implicaties voor ontwikkelingslanden
Geen implicaties voor ontwikkelingslanden anders dan de genoemde consequenties voor derde landen in het algemeen, zoals aangegeven onder onderdeel 5d.
Kamerstukken II 2024/25, 33 009, nr. 166 Update Halfgeleiderbeleid↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 29 826, nr. 277, Industriebeleid met focus
Kamerstukken II 2023/24, 33 009, nr. 140, Nationale Technologiestrategie
Kamerstukken II 2025/26, 30 821, nr. 332, Update voortgang Kabinetsinzet Economische Veiligheid
Kamerstukken II 2022/23, 35 982, nr. 9, Open Strategische Autonomie
Kamerstukken II 2023/24, 36 259, nr. 21, Agenda Digitale Open Strategische Autonomie↩︎
Kamerstukken II 2025/2026, 29 826, nr. 281, Semicon Visie 2035↩︎
Kamerstuk 33 009, nr. 141, Kamerstuk 33 009, nr. 159↩︎
Kamerstukken II 2025/26, 22 112, nr. 1195, Non-paper by the Netherlands on the EU Tech Sovereignty Package↩︎
Kamerstuk II 2025/2026, 22 112, nr. 4232, BNC-fiche Verordening Europese Business Wallet↩︎
Kamerstukken II, 2024/25, 22 112, nr. 4153, BNC-fiche ECF↩︎