[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-03-31. Laatste update: 2026-04-01 00:20
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

57e vergadering, dinsdag 31 maart 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 147 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Bevers, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en de heer Aartsen, minister van Werk en Participatie, de heer Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, en de heer Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van dinsdag 31 maart 2026.

Vragen Piri

Vragen Piri

Vragen van het lid Piri aan de minister van Buitenlandse Zaken over het bericht "Pentagon wil wapens voor Oekraïne naar Midden-Oosten sturen".

De voorzitter:

Aan de orde is het mondelinge vragenuur. Ik heet de minister van Buitenlandse Zaken van harte welkom in vak K. Ik geef het woord aan mevrouw Piri van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Het is weinigen ontgaan dat er een verzoek is binnengekomen voor het wijzigen van de naam. Dat vraagt een zorgvuldige behandeling vanuit het Presidium en in ieder geval tot die tijd zal ik de naam GroenLinks-Partij van de Arbeid hanteren. Het woord is aan mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week dinsdag vuurde Rusland 948 drones en tientallen raketten af op Oekraïense dorpen en steden. In Lviv werd een zestiende-eeuws klooster geraakt, in de regio Ivano-Frankivsk een kraamkliniek, en in de regio Poltava woningen en een hotel. Het resultaat is opnieuw vele burgerdoden en -gewonden. Er zijn kinderen verminkt en getraumatiseerd voor de rest van hun leven. De Oekraïense krijgsmacht is innovatief, maar tegen zo'n barrage van terreur heeft die niet de middelen om al zijn burgers te beschermen. Dat maakt het des te pijnlijker dat het Pentagon zou overwegen om wapens die betaald zijn met Europees belastinggeld en die bestemd zijn voor Oekraïne naar het Midden-Oosten te sturen. Hoe kijkt de minister hiernaar?

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Berendsen:

Voorzitter. Dank, mevrouw Piri, voor het stellen van de vraag. De zorgen die u heeft over de aanvallen op Oekraïne deel ik volledig. Ik kom zojuist van de Lviv-conferentie, die georganiseerd is in Breda. Mijn collega, de vicepremier van Oekraïne, meneer Kachka, was daar ook. We hebben dit daar ook besproken en die zorgen deel ik volledig. De berichtgeving is dat de VS zouden overwegen om wapens die via het PURL-initiatief, waar Nederland onderdeel van is, voor Oekraïne bestemd zijn, naar het Midden-Oosten te sturen. De NAVO staat, als coördinator van militaire steun aan Oekraïne, in nauw contact met de Verenigde Staten. De NAVO geeft aan dat alles waarvoor NAVO-lidstaten en -partners betaald hebben via PURL ofwel al is geleverd ofwel naar Oekraïne blijft stromen. Dat is wat ons betreft ook de enige mogelijke route.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Maar hoe kijkt de minister dan naar de quote van zijn Amerikaanse ambtsgenoot, de heer Rubio? Die zegt dat er nog geen wapens van Oekraïne naar het Midden-Oosten zijn omgeleid, maar dat het wel zou kunnen gebeuren.

Minister Berendsen:

Dat geeft zorgen. In algemene zin geeft het natuurlijk zorgen dat de aandacht van de VS zich zou verplaatsen naar Iran, terwijl het grootste veiligheidsrisico dat dit kabinet ziet voor Nederland en voor Europa aan onze oostflank is. Dat is namelijk de Russische dreiging en de voortdurende invasie van Rusland in Oekraïne. Tegelijkertijd hebben wij gewoon een garantie voor de investeringen die we hebben gedaan via het PURL-initiatief, ook met partners, in wapens die bedoeld zijn voor Oekraïne. Wij hebben de garantie van de NAVO en van de VS dat die spullen gewoon naar Oekraïne blijven gaan. Natuurlijk hebben we wel zorgen over wat het betekent voor eventueel ander materieel dat niet onder dit initiatief valt. Uiteindelijk zie ik dit ook, nogmaals, als een nieuwe motivatie, voor zover we die niet al voldoende hadden, voor Nederland en Europa om ook fors meer te investeren in de eigen defensiecapaciteiten, zodat we zelf meer kunnen doen en onze afhankelijkheid op het gebied van veiligheid kunnen verminderen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Daar kom ik straks ook zeker op terug. Maar ik zag net nog het volgende bericht. Het bericht is dat de Verenigde Staten in 31 dagen tijd 2.400 Patriotmissiles hebben afgeschoten in het Midden-Oosten. 2.400. We weten dat de productiecapaciteit op dit moment 650 is. Dat betekent dat je drieënhalf jaar nodig hebt om weer aan te vullen wat in één maand is afgeschoten. Hoe kan de minister dus garanderen dat Europa en Oekraïne waar het gaat om de leveringen die we al gedaan hebben, niet achteraan in de rij kunnen aansluiten? Valt dat überhaupt te garanderen? Dat is bijna onmogelijk.

Minister Berendsen:

Die garantie geven de VS aan de NAVO, en de NAVO coördineert onze militaire steun aan Oekraïne. Die garantie hebben we dus van de VS. Tegelijkertijd deel ik de zorgen. Als de VS hun aandacht verplaatsen, betekent dat uiteindelijk ook iets voor Oekraïne in de toekomst. Die zorg hebben wij en die zorg heeft Oekraïne. Dat betekent dat we er alles aan doen om de aandacht van de VS ook aan de oostflank van Europa te houden. Dat doen we samen met onze bondgenoten. We blijven tegelijkertijd investeren in onze eigen defensiecapaciteit en defensie-industrie — dat zullen we versneld moeten doen — inderdaad zonder dat we deze snelheid überhaupt kunnen bijbenen. Het is dus wel een onderdeel van de oplossing. Dat betekent dat onze aandacht daar continu op gericht zal blijven.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

De minister zegt: wij hebben de garantie van de VS richting de NAVO dat in ieder geval dat PURL-initiatief door blijft gaan. Wat staat er dan nog uit qua bestelling, en binnen welk tijdsbestek, wat nog geleverd gaat worden en waar echt een garantie op zit?

Minister Berendsen:

Het grootste deel van in ieder geval het pakket waar Nederland aan heeft bijgedragen, dus de 750 miljoen die wij verdeeld over drie pakketten hebben gebruikt, is geleverd. Er is natuurlijk geen openbare informatie over het type materieel, hoe ver het is, waar het is en of het al geleverd is, maar daarvan hebben wij simpelweg de garantie dat dat gewoon naar Oekraïne blijft vloeien. Ik maak me wel zorgen over het volgende. Ik sta hier niet te verkondigen dat er geen zorgen zijn, want we zien bijvoorbeeld dat bepaalde leveringstijden langer worden omdat de heavy airlifting capacity van de Verenigde Staten, oftewel de vliegtuigen waarmee het materieel vervoerd zou moeten worden naar Oekraïne, nu volledig wordt ingezet in Iran. De leveringen voor Oekraïne gaan nu via zee en via land. Dat betekent dat die leveringen langer duren dan wanneer vliegtuigen zouden kunnen worden ingezet. Dus die zorgen zijn er wel degelijk. Wij doen er alles aan om onze verantwoordelijkheid te nemen om ook in de toekomst onze eigen veiligheid te kunnen waarborgen.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dáár ben ik het wel mee eens. Een garantie op wat al geleverd is, geloof ik wel. Maar het gaat nu natuurlijk om wat er nog uitstaat en wat de prioriteiten zijn van de VS. Er zijn meerdere partijen die die wapens en wapensystemen hebben aangekocht. Dan is het de vraag wie er als eerste in de rij komt. Helaas hoor ik wat dat betreft in ieder geval niet een 100%-garantie van het kabinet dat Oekraïne en Europa voor zullen gaan. We hebben zelf als Nederland vorige week ook nog bestellingen gedaan bij de VS als het gaat om die Patriotsystemen.

Voorzitter. Ik zag vandaag ook het bericht dat Polen informeel door de VS is verzocht om hun Patriotsystemen, missiles en raketten door te schuiven naar het Midden-Oosten. Ik vroeg me het volgende af. Wat vindt de minister daarvan? Heeft Nederland ook zo'n informeel verzoek gehad? Is dit nu iets wat de Amerikanen bij alle Europese NAVO-bondgenoten uitzetten?

Minister Berendsen:

Ik ben niet bekend met dit verzoek. Ik weet dat wij dat verzoek in ieder geval niet hebben gekregen en als we dat verzoek van de VS zouden krijgen, dan is ons antwoord volstrekt helder. Het grootste veiligheidsrisico dat wij zien, speelt namelijk aan de oostflank. Dat betekent dat onze inzet daar gepleegd wordt. Ik doel dan op steun aan Oekraïne.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dat is dan een geruststelling. Zoals de minister zelf ook al zei, is het hoog tijd om nu te kijken naar serieuze Europese alternatieven. Het is geen keus meer. Het is nu een must. Nu we zien wat daar in een maand tijd allemaal is afgeschoten, hebben we de luxe niet. Er zijn straks namelijk geen spullen meer in de VS. Hoe wil deze minister daar werk van maken? Ik denk dan aan het opschalen van de productie van luchtafweer, zoals de SAMP/T, de IRIS-T of de Sky Sabre. Hoe zorgen we ervoor dat dat nu echt veel meer vaart krijgt?

Minister Berendsen:

Daartoe heeft het kabinet allerlei ambities, maar worden we ook gestimuleerd door de Kamer met moties op dat gebied. Ik denk dat Nederland inderdaad een actieve rol moet spelen, samen met de Europese partners, als het gaat om de defensie-industrieën hier. Luchtafweerinstallaties van Europese makelij zijn ontzettend belangrijk. Tegelijkertijd moeten we investeren in onze defensie-industrie, ook in Europees verband. Zoals ik al meldde kwam ik zojuist van de Lviv-conferentie in Breda. Daar is gisteravond ook een grote top geweest van allerlei bedrijven die ook actief zijn in de defensie-industrie, om Oekraïense bedrijven te koppelen aan Nederlandse bedrijven, zodat we ook daar versnelling kunnen bereiken. Dus wat mij betreft moeten we inzetten op de Europese kopgroep, op Europese initiatieven op het gebied van veiligheid en defensie-industrie, ook bilateraal, en moeten we het bedrijfsleven stimuleren om hier stappen op te zetten.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Mooi, maar daar is natuurlijk ook geld voor nodig. Daarom was er de afgelopen twee weken ook de kritiek van mijn fractie, omdat dit kabinet ervoor kiest om de hulp aan Oekraïne te halveren ten opzichte van vorig jaar. Ik keek uit naar de Voorjaarsnota om te kijken waar de resterende 1,3 miljard van de motie-Klaver gebleven is. Het zit er niet in. En dat terwijl dit gaande is! Gaat het kabinet er dan ook voor zorgen dat er voldoende financiële middelen zijn om die massa-investeringen nu te doen?

Minister Berendsen:

Deze discussie is inderdaad de afgelopen week gevoerd met vele collega's, waaronder ook de minister-president, hier op deze plek. Dit kabinet blijft fors investeren in Oekraïne en blijft fors investeren in militaire steun. Dat blijft het doen. Nederland zit in de top vijf van landen die bijdragen aan de steun voor Oekraïne. Dat betekent dat we ook bilateraal inzet plegen op allerlei andere landen waarvan we ook echt vinden dat zij meer moeten doen. Maar dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om te blijven doen wat we doen.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Ik zag nog twee seconden staan op mijn schermpje. Zo snel kan ik niet praten.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Piri. Mevrouw Van der Werf.

Mevrouw Van der Werf (D66):

Hoe zit het nou met de wapens die de VS wel daadwerkelijk levert? Zijn dat dan ook de spullen die Oekraïne nodig heeft of zitten ze daar dan uiteindelijk sowieso op te wachten?

Minister Berendsen:

Er zijn door de VS meerdere pakketten samengesteld die geleverd worden aan Oekraïne en die ook te maken hebben met de behoeften van Oekraïne. De bekende pakketten bevatten inderdaad wat Oekraïne nodig heeft. Tegelijkertijd hebben we natuurlijk wel zorgen over toekomstige pakketten die eventueel samengesteld gaan worden. Wordt daarbij inderdaad tegemoetgekomen aan de precieze noden die Oekraïne heeft? Wat ons betreft is dat essentieel. Wat wij kunnen doen, zullen we blijven doen om dat ook voor elkaar te krijgen.

De heer Van Baarle (DENK):

Laat ik vooropstellen dat iedereen in dit huis kritiek heeft op de mensenrechtenschendingen die in Iran gepleegd worden en dat iedereen die ook veroordeelt. Tegelijkertijd is er nu discussie over leveringen voor Oekraïne die niet doorgaan vanwege de oorlog die door Israël en Amerika gevoerd wordt in Iran. Maar we zien dat die oorlog niet mag volgens het internationaal recht en een misdaad is. We zien dat daardoor het leven in Nederland onbetaalbaar raakt. Dan is toch het beste wat deze minister kan doen, vanuit het belang van Nederland, die oorlog afkeuren en alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die oorlog stopt?

Minister Berendsen:

Deze discussie hebben we al meerdere keren in deze Kamer gevoerd. Het standpunt van het kabinet is dat wij begrip hebben voor het feit dat de VS en Israël zich genoodzaakt voelden om aanvallen uit te voeren op het moorddadige Iraanse regime met alle impact op de veiligheid in de directe regio en ver daarbuiten. We hebben ook meermaals gezegd dat wij op basis van het internationaal recht met de informatie die we voorhanden hebben, niet zien dat er een juridische basis is om die aanvallen uit te voeren. Dit kabinet heeft ook zorgen over waar dit gaat eindigen. Wat is het eindspel? Wat zijn de einddoelen? Hoe gaan we komen tot een situatie in Iran en in de regio die weer stabiel is en een situatie die in de eerste plaats de-escalerend zou werken? Daar zien we op dit moment nog te weinig tekenen van.

De heer Van Baarle (DENK):

Nogmaals, iedereen veroordeelt de misdaden van de regering in Iran. Ik ook. De mensen in Nederland kunnen het leven niet meer betalen. Ze kunnen de benzine niet meer betalen. Ze worden keihard geraakt door de oorlog. De oorlog van Trump en Netanyahu zorgt voor verschrikkelijke misdaden, niet alleen in Iran waar burgerslachtoffers vallen, maar ook in Zuid-Libanon waar mensen verdreven worden en waar met annexatie gedreigd wordt. Nu gaan ook wapenleveringen aan Oekraïne wellicht niet door. In alle opzichten is deze oorlog niet in ons belang, maar deze minister staat erbij en zegt: ik heb er begrip voor. Waarom handelt deze minister niet in het belang van ons, van de Nederlanders, maar handelt hij in het belang van Trump en Netanyahu?

Minister Berendsen:

Wij handelen in het belang van Nederland. Wij bekijken waar onze belangen zitten. Als ik hier een knop zou hebben om ieder conflict ter wereld meteen te beëindigen, dan zou ik die hier samen met de heer Van Baarle indrukken. Dat is echter niet de situatie. Wij proberen verantwoordelijkheid te nemen in samenwerking met onze partners. Ons grootste veiligheidsrisico zit aan de oostflank. Daar zetten we vol in op steun voor Oekraïne. In samenwerking met internationale partners bekijken we ook op welke manier we kunnen bijdragen aan de bescherming van onze bondgenoten in de regio. Dat hebben we gedaan met ons fregat. Ook bekijken we in een internationale coalitie op welke stappen in het conflict het mogelijk is om bij te dragen aan een stabiele situatie, bijvoorbeeld bij vrije doortocht door de Straat van Hormuz.

De heer Dassen (Volt):

Het aantal raketten dat afgeschoten is richting Iran is immens. Het duurt drieënhalf jaar om dat aantal te vervangen. Is de minister met Volt van mening dat we er nu voor moeten zorgen dat we zo snel mogelijk eigen Europese capaciteit gaan opzetten? Dat betekent ook dat we daarin moeten investeren. We moeten dus niet meer investeren in Amerikaanse technologie. Het moet ook niet meer via PURL. We moeten meer aansluiten bij de Fransen, die veel meer Europees aan het investeren zijn. Op die manier kunnen we dadelijk, als de Amerikanen helemaal de verkeerde kant opgaan, aan Oekraïne blijven leveren.

Minister Berendsen:

Ik ben inderdaad met de heer Dassen van mening dat we de Europese defensie-industrie moeten versterken en moeten bekijken hoe we zo veel mogelijk daarin kunnen investeren. Als we kijken naar de directe noden van Oekraïne, is het kabinet tegelijkertijd van mening dat een aantal zaken te leveren zijn die Europa en andere partners op dit moment niet kunnen leveren. Voor de directe veiligheid van Oekraïne is het wel belangrijk dat de systemen die uit de VS komen en waar we op dit moment geen substituut, geen vervanging, voor hebben, wel vanuit de Verenigde Staten blijven komen.

De heer Dassen (Volt):

Is er dan een plan vanuit het kabinet om ervoor te zorgen dat ook voor dat soort middelen zo snel mogelijk een substituut komt? Daar zit natuurlijk een beetje het probleem. We zien nu dat de Verenigde Staten een beweging maken: alles moet naar het Midden-Oosten. Daar ligt hun focus nu op. Oekraïne komt steeds minder bovenaan het lijstje te staan, terwijl dat volledig in ons belang is. Is er een plan voor een substituut voor wat we nu nog uit de Verenigde Staten halen of is dat er niet?

Minister Berendsen:

Dat is er, zoals ik net al zei. De Kamer toont op dat vlak ook initiatief. De eerste initiatieven voor de Europese ontwikkeling van luchtafweerinstallaties zijn er. Nederland wil volop bijdragen aan de Europese defensie-industrie in het algemeen en samen met Europese partners en eventueel in kopgroepen ook aan specifieke systemen.

Mevrouw Maes (VVD):

Ik ben heel blij met wat u zegt over het opschalen van de productiecapaciteit. Ook ben ik blij dat u zegt dat u bekijkt of dat meer in Europees verband kan. Ik ben benieuwd of u iets kunt zeggen over de vraag of daar binnen Europa of in NAVO-verband ook al over gesproken wordt. Wordt er bekeken of je tot nieuwe coalities kunt komen?

De voorzitter:

Ik niet, maar ik denk dat u de minister bedoelt.

Mevrouw Maes (VVD):

Uiteraard.

Minister Berendsen:

Dit kabinet is continu aan het bekijken hoe Nederland met gelijkgestemde landen voortgang kan krijgen op allerlei gebieden, dus ook op dit soort gebieden. Wij zijn continu in gesprek met een aantal grote landen binnen Europa, met de coalition of the willing, zeker op het gebied van defensie. We bekijken op welke manier we onze bijdrage aan de Joint Expeditionary Force kunnen leveren. Dat zullen we blijven doen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik zou de minister willen vragen: wat had deze minister dan gedacht dat er zou gebeuren? Je ziet dat de VS, Trump, nu allerlei illegale oorlogen start. We hebben het gezien in Venezuela. We hebben het gezien in Iran. We hebben gezien dat Groenland werd bedreigd. Nog meer landen werden bedreigd en nu weer Cuba. Dat gebeurt allemaal. Dit kabinet of deze minister spreekt daar begrip voor uit of houdt het bij stilte. Dat is dan wat het is. Er is geen enkele veroordeling. Er is geen enkel kritisch gesprek met de Verenigde Staten. Nu zie je de gevolgen. Het Midden-Oosten is in oorlog gestort. De Iraniërs zijn geen stap dichter bij vrijheid. De energierekening hier stijgt en Oekraïne verliest een stuk wapensteun.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Mijn vraag is: wat had deze minister dan gedacht? Wat dacht hij dat er zou gebeuren met deze opstelling en ook die van Europa richting de Verenigde Staten? Is deze minister nu eindelijk bereid om te stoppen met het aan de leiband van de Verenigde Staten lopen en deze aanvallen te veroordelen?

Minister Berendsen:

Mijn verwachting is in ieder geval niet dat als Nederland positie had ingenomen, dat de VS en Israël dusdanig had beïnvloed dat die landen de aanvallen op Iran niet hadden uitgevoerd. Ik heb vanaf deze plek ook al meerdere keren gemeld dat we grote zorgen hebben over de moorddadigheid van het Iraanse regime, over de ontwikkeling van hun nucleaire installaties en raketinstallaties, over het bereik van hun ballistische raketten en over de steun aan proxy's, aan Rusland en aan de lange arm van Teheran helemaal tot Nederland toe. De inzet van dit kabinet is erop gericht om samen met Europese partners te kijken hoe we onze belangen het beste kunnen verdedigen. Richting Oekraïne is dat met steun aan Oekraïne. In een internationale coalitie bekijken we hoe we onze bondgenoten ook daar in de regio kunnen beschermen.

De heer Van Lanschot (CDA):

Dank aan collega Piri voor het stellen van deze belangrijke vraag en aan de minister voor de goede beantwoording. Dank ook aan het kabinet voor het naar voren halen van de meer dan 400 miljoen als verdere invulling van de motie-Klaver. Dat is een uitstekende zaak. Afgelopen weekend is de Kamercommissie Defensie in Polen en Oekraïne geweest. Daar spraken wij ook met parlementariërs uit Oekraïne. Die gaven aan dat er op het gebied van de steun en de wapens die we leveren heel veel goed gaat, maar dat er ook verbeteringen mogelijk zijn. Ja, ik kom bij mijn vraag, voorzitter. Zonder te veel in detail te treden, zeg ik: het gaat over exportvergunningen. Mijn vraag aan de minister is of het kabinet met een open houding zou kunnen kijken hoe wij de processen rond deze exportvergunningen zouden kunnen versnellen.

Minister Berendsen:

Dank voor deze vraag, want dat is precies wat we doen. Zeker als het gaat om Oekraïne willen we daar ruimhartig in zijn, om ervoor te zorgen dat zij de spullen die ze nodig hebben zo snel mogelijk krijgen. Maar als uw Kamercommissie daar geweest is en concrete suggesties heeft voor manieren waarop we dat kunnen verbeteren, gaan we daar absoluut naar kijken.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording.

Vragen Synhaeve

Vragen Synhaeve

Vragen van het lid Synhaeve aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Onderzoek naar kinderen en huiselijk geweld schiet al jaren tekort, vinden jeugdbeschermers’".

De voorzitter:

Daarmee zijn we aanbeland bij de tweede vraag. Dat is een vraag van het lid Synhaeve van de fractie van D66. We wachten nog even op de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Die zie ik namelijk nog niet in vak K. We verwachten inderdaad niet dat u er gaat staan, minister Berendsen!

Daar is de minister! Ik nodig mevrouw Synhaeve uit voor het stellen van haar vraag aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank u wel, voorzitter. Deze vragen gaan niet over een losstaand incident. Het gaat over iets veel groters, namelijk het volgende. Hoe zorgen we dat kinderen veilig zijn op de plek waar dat vanzelfsprekend zou moeten zijn: thuis? We weten dat er in elke klas een kind zit dat te maken heeft met geweld thuis. Dat zijn meer dan 120.000 kinderen per jaar. We weten al jaren dat dit het topje van de ijsberg is. Achter elke voordeur waar het niet veilig is, zit een kind dat stil is, dat niet vertelt wat er gebeurt en dat soms denkt dat het geweld normaal is.

Voorzitter. Er is werk aan de winkel. Want als het gaat om kindermishandeling bespreekbaar maken, hebben we allemaal een rol: in de klas, op de sportvereniging, op plekken waar kinderen zich veilig voelen en in deze Kamer. Het begint dus bij het bespreekbaar maken van kindermishandeling. Daarover heb ik de volgende vragen aan de minister. Hoe zorgt de minister ervoor dat kinderen doorkrijgen dat huiselijk geweld nooit normaal is? In het verlengde daarvan: hoe zorgt de minister ervoor dat het taboe op dit onderwerp doorbroken wordt, dat kinderen de ruimte voelen om hun thuissituatie te bespreken met de mensen die ze vertrouwen? Hoe zorgt de minister ervoor dat we als samenleving de signalen van een onveilige thuissituatie beter herkennen en durven te bespreken?

De voorzitter:

Het woord is aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.

Minister Sterk:

Dank u wel, voorzitter. Hier staat niet alleen een minister van Jeugd, die trots is dat ook jeugd nu een specifieke minister heeft, maar ook een moeder. Moeders weten als geen ander hoe belangrijk het is dat kinderen veilig kunnen opgroeien, ongeacht de omgeving waarin ze wonen en leven. Daarom is het zo ontzettend belangrijk dat wij daar allemaal een rol in hebben, zoals Kamerlid Synhaeve stelde. Dat vond ik ook het mooie aan haar verhaal. Ik als minister moet mijn uiterste best doen om te zorgen dat kinderen een plek vinden om hun verhaal te doen, om hun twijfels over wat er thuis gebeurt, het nietpluisgevoel, uit te kunnen spreken. Maar dat geldt ook voor alle mensen eromheen. Denk aan de buurvrouw, de oom of tante, de sportleraar, de leraar in de klas, maar ook de professional zoals de huisarts die hoort dat er problemen zijn in een gezin. Iedereen moet alert zijn op signalen die kunnen wijzen op onveilige thuissituaties. Als we daar allemaal werk van maken, hebben we een enorm leger aan mensen die ingezet kunnen worden om kindermishandeling te stoppen, te voorkomen en uiteindelijk de benodigde zorg en ondersteuning te geven aan die gezinnen.

Ik ben dus heel blij dat Kamerlid Synhaeve dit nu aan de orde stelt, zodat ook de ouders die misschien zelf ook het gevoel hebben dat het niet lekker loopt, die in het verleden te maken hebben gehad met geweld in hun eigen gezin, die lijden onder spanning, weten dat er instanties zijn waar zij advies kunnen krijgen en het gesprek kunnen aangaan. Dat kan heel laagdrempelig bij de huisarts, maar ook bij instanties zoals Veilig Thuis. Er is onlangs door de Kamer een amendement aangenomen waarmee Veilig Thuis 24 uur per dag bereikbaar is via een chat. Dat zijn allemaal middelen die we kunnen inzetten om ervoor te zorgen dat geweld in gezinnen geen plek heeft. We moeten er als samenleving, en ik ook zeker als minister, alles aan doen om dat taboe te doorbreken en mensen een duidelijke plek te geven waar ze hulp kunnen krijgen.

Mevrouw Synhaeve (D66):

De cijfers geven aan dat we de komende tijd een stapje extra zullen moeten zetten. De minister gaf in het Jeugdjournaal aan dat zij het geld voor nieuw onderzoek naar de omvang van kindermishandeling liever inzet om kinderen direct te helpen. Wat doet de minister nu concreet om deze kinderen te helpen? Om hoeveel geld gaat het en hoe wordt dat ingezet? Bereiken we dan ook echt de kinderen en de gezinnen die de hulp het allerhardst nodig hebben? Bereiken we hen ook op de goede plekken, bijvoorbeeld bij De Kindertelefoon?

Minister Sterk:

Het Kamerlid wijst op de middelen die er eerst waren voor onderzoek. We doen nog steeds onderzoek. In het verleden hebben we vooral onderzoek gedaan naar hoe vaak we te maken hebben met kindermishandeling. Het feit dat er kindermishandeling is, wat elke keer weer uit het onderzoek kwam, is niet genoeg. We moeten weten wat de oorzaken daarvan zijn en wat helpt. Daarom zijn we ander onderzoek gaan doen. Daarbij volgen we gezinnen waarvan we weten dat er sprake is van geweld en een onveilige situatie, die op dit moment ook hulp en ondersteuning krijgen, twee jaar lang. We gaan volgen wat die hulp en ondersteuning doet. De vraag daarbij is of we met die hulp en ondersteuning inderdaad bereiken dat de onveiligheid, de mishandelingen en het geweld in het gezin afnemen. Dat doen we zodat we dat ook op andere plekken kunnen inzetten. Dat is een van de zaken die we doen.

Daarnaast vraagt het CBS uit bij jongeren die ouder dan 16 zijn hoe zij terugkijken op hun jeugd. Een van de problemen van kindermishandeling is natuurlijk — dat bleek ook weer uit de Jeugdjournaaluitzending — dat heel veel kinderen helemaal niet weten dat het niet normaal is wat er bij hen thuis gebeurt. Als ze ouder worden, ontdekken ze vaak wel dat er dingen zijn gebeurd die niet oké zijn. Door die signalen in beeld te krijgen, krijgen we beter zicht op wat er zich afspeelt en vooral hoe we daar hulp bij kunnen bieden.

Ik gaf al aan dat we investeren in Veilig Thuis. Ik hoorde — ik wilde "de spokesperson" zeggen — de woordvoerder van Veilig Thuis ook zeggen dat zij behoefte heeft aan onderzoek. Ik wil eigenlijk ook graag met haar in gesprek over wat dat zou moeten zijn. Naar mijn idee zijn we juist al op zoek naar de hulp en de ondersteuning die werken. Dat doen we ook samen met Veilig Thuis. Ik ben wel benieuwd naar de verdieping die zij daar nog aan wil geven. Dat zou ik dus in ieder geval als toezegging willen doen.

Verder is het, zoals ik net al zei, voor onze samenleving ook van belang dat wij oog en oor houden. De Kindertelefoon is een belangrijke plek voor kinderen, die wij als ministerie ook subsidiëren. Ook is er een Week tegen Kindermishandeling. Maar een uitzending als het Jeugdjournaal helpt natuurlijk ook enorm. Het wordt door heel veel kinderen bekeken, met hun ouders. Soms wordt het op scholen nog teruggekeken. Het zijn allemaal manieren die we inzetten om kindermishandeling bespreekbaar te maken.

De voorzitter:

De antwoorden mogen iets korter, minister.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dank voor de belangrijke toezegging. Het is heel goed dat we ook naar nieuwe vormen van onderzoek kijken, maar het helpt dan heel erg als we weten wat er in de praktijk gemist wordt. De minister gaf net aan dat we ook moeten kijken welke hulp en ondersteuning echt werken. Een van de dingen waarvan we weten dat het werkt — ik heb daar afgelopen december ook een motie over ingediend — is Handle with Care. Op het moment dat sprake is van een melding van huiselijk geweld en de politie wordt opgeroepen, houdt Handle with Care in dat er via Veilig Thuis een signaaltje gaat naar de school waar de kinderen op zitten, met de boodschap: handle with care, let even op deze kinderen. We weten dat dat werkt. We weten ook dat er jaarlijks meer dan 25.000 kinderen leven in een gezin waarvan we weten dat er sprake is van huiselijk geweld waar politie-inzet aan te pas komt. Mijn vraag aan de minister is dus of zij kan aangeven hoe het gaat met de uitvoering van deze motie.

Minister Sterk:

Ja, dat kan ik. Ik heb natuurlijk niet zo heel veel tijd gehad om dit voor te bereiden, maar we zijn ermee bezig. We hebben in mei een commissiedebat over dit thema. Ik wil u toezeggen dat ik in dat debat wat dieper zal ingaan op wat er op dit moment mee gebeurt. Ik kan u in ieder geval wel geruststellen: we zijn ermee bezig.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Dat is een geruststelling, maar het helpt als we dat echt kunnen versnellen. Elke week opnieuw maakt dat het verschil voor jonge mensen in een kwetsbare situatie.

Als we kijken naar de organisaties die zich bezighouden met bescherming van kinderen, zien we dat er eigenlijk heel veel verschillende organisaties betrokken zijn: Veilig Thuis, de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming. Juist bij grote misstanden, bijvoorbeeld bij het pleegmeisje in Vlaardingen, bijvoorbeeld bij de misstanden in het gezinshuis in Noord-Nederland, bijvoorbeeld bij de misstanden in De Glind — de lijst is nog heel veel langer — merken we dat niemand zich uiteindelijk echt verantwoordelijk voelt. Is het kabinet bereid om te kijken hoe we dit beter kunnen organiseren, zodat er geen kind meer tussen wal en schip valt en één organisatie zich ook echt verantwoordelijk gaat voelen?

Minister Sterk:

Ik zou bijna zeggen dat het Kamerlid op haar wenken wordt bediend, want wij zijn samen met mijn collega van JenV bezig om een toekomstscenario vorm te geven. Wij zien dat er op dit moment een soort estafette plaatsvindt. Gevallen worden doorgegeven, maar niemand is eigenlijk uiteindelijk de echte probleemeigenaar daarvan. Wij zijn dus de hele keten aan het bekijken. We willen vooral aan de voorkant de verantwoordelijkheid voor het oplossen van de problematiek in het hele gezin in beeld brengen, dus niet alleen bij het kind maar in het hele gezin. Die willen we daar neerleggen en daar goede expertise omheen organiseren. Er moet dus niet alleen naar het kind worden gekeken. Als er geweld in het gezin is, kan dat soms ook naar buiten komen doordat er geweld is tegen vrouwen of er verslavingsproblematieken zijn. Hiermee willen we voorkomen dat een kind uiteindelijk bij de Raad voor de Kinderbescherming terechtkomt, terwijl we dat met eerdere interventies misschien hadden kunnen voorkomen, en willen we bereiken dat er in de hele keten beter wordt samengewerkt.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Synhaeve.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ja, beter samengewerkt en dus ook verantwoordelijkheid genomen. Ik denk dat het daarom gaat. Heel kort: het biedt enorme kansen dat we nu weer een minister van Jeugd hebben, juist om de zorgen op al die verschillende terreinen serieus te nemen. We gaan laten zien dat het beter kan.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van Meetelen.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

De minister hoort vandaag dat het zicht ontbreekt, terwijl de inspecties al jaren spreken over een crisis in de jeugdbeschermingsketen. Is de minister bereid te erkennen dat dit niet alleen een uitvoeringsprobleem is, maar ook een kennisprobleem van de overheid zelf? We beschermen kinderen onvoldoende en we meten onvoldoende wat hun overkomt.

Minister Sterk:

Ik deel de oprechte zorgen van mevrouw Van Meetelen. Het is ontzettend belangrijk dat wij goed in beeld hebben wat er speelt, maar vooral ook hoe we kunnen zorgen dat kinderen uiteindelijk toch in een veilige omgeving kunnen opgroeien. Daarom doen we nu dat onderzoek naar wat werkt. Daarom volgen we die gezinnen. Ieder kind dat opgroeit in een gezin waar geweld is, is er gewoon een te veel. Daar werken we heel hard aan. Dat doe ik niet alleen; dat doe ik met de gemeentes, de jeugdzorgorganisaties, maar ook met organisaties als Veilig Thuis. Daar wordt dus echt alle inzet op gepleegd.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik heb een vraag aan de minister over het besluit van de inspectie om het verscherpt toezicht bij Enver te stoppen. Dat is een jeugdorganisatie die betrokken was bij het Vlaardings pleegmeisje, maar ook bij talloze andere pleeggezinnen en pleegkinderen. Ik ben benieuwd wat de minister ervan vindt dat dit verscherpt toezicht stopt, terwijl de veiligheid nog lang niet op orde is. Is zij bereid om via haar aanwijzingsbevoegdheid in te grijpen in dit besluit?

Minister Sterk:

Het toeval wil dat ik vanmiddag met de inspecteur-generaal spreek. Het lijkt mij goed dat ik deze casus daarbij inbreng en met haar bespreek. Ik ken deze inhoud niet, maar het lijkt me goed dat ik me daarover goed laat informeren door haar.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Ik zou de minister het volgende willen vragen. Ze geeft namelijk aan dat er wel degelijk onderzoeken gedaan worden, maar daarbij gaat het met name over de kinderen waarbij al is vastgesteld dat er misstanden zijn. Het gaat er hier juist om dat de groep waarbij daadwerkelijk iets speelt, buiten beeld is. Hoe kan zij dan de effectiviteit van het gevoerde beleid meten? We hebben vorige week met haar collega-minister een debat gehad over de ggz. Daarbij werd de bal eigenlijk een beetje gespeeld in de richting van Onderwijs, in die zin dat daar de verantwoordelijkheid ligt, onder andere via het programma STORM. Wat ons betreft moet VWS hierin echt de lead nemen, of het nu gaat om mentale problemen of om kinderen die in een kwetsbare situatie opgroeien. Is ze het dus eens … Hoe gaat zij de effectiviteit van haar beleid meten als ze niet weet hoe groot die daadwerkelijke groep is?

Minister Sterk:

De effectiviteit van het beleid gaan we juist meten door het volgen van de gezinnen waarvan we weten dat er sprake is van geweld en waar hulp en ondersteuning wordt geboden. Daarbij gaan we dus heel goed volgen of het werkt wat we doen. Doen we de goede interventies? Werken we daar goed in samen? Het andere dat u stelt is natuurlijk precies het probleem: als het niet gemeld wordt en als kinderen niet vertellen wat er is, kun je het ook niet weten. Je moet dus de bereidheid vergroten om te melden, om plekken te organiseren en om er gesprekken over te kunnen voeren. Daar heb ik volgens mij net in antwoord op Kamerlid Synhaeve al het nodige over gezegd. Ik ben het daar dus zeer mee eens. Daar moeten we heel hard aan werken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Toen ik cao-onderhandelaar was van de kinderopvang was vroegsignalering van kindermishandeling een van de dingen waarvan we zeiden: daar moet meer op geschoold worden. Dat kan ik me ook voorstellen bij de lerarenopleiding. Ziet de minister daarin nog een rol voor zichzelf weggelegd?

Minister Sterk:

Ik ben niet de minister van Onderwijs, dus ik zie daarin niet een directe rol voor mij weggelegd. Ik ben wel bereid om dit in ieder geval op te nemen in de gesprekken die we natuurlijk ook voeren met de andere departementen. Nogmaals, dit is niet een probleem dat alleen deze minister kan oplossen; dit vraagt iets van heel mensen. Kinderen bevinden zich namelijk in heel veel domeinen: school, werk, de sportschool en de sportvereniging. Ik zal dit meenemen in de gesprekken die ik met haar voer.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Het antwoord van de minister triggerde mij toch wel enorm. Vanmiddag is daarover een gesprek. Daarmee weet ik echter nog helemaal niets over de aanwijzende bevoegdheid die de minister heeft en kan inzetten omdat blijkt dat Enver helemaal nog niet voldoet aan van alles en nog wat. Enver voldoet aan het minimale om in ieder geval onder het inspectietoezicht uit te komen. Ik zou aan deze minister willen vragen of zij voor eind volgende week voor de Kamer een brief kan opstellen met de uitkomsten van dat gesprek en de consequenties voor Enver, temeer omdat wij in deze Kamer al meerdere debatten over onder anderen het Vlaardings pleegmeisje hebben gevoerd.

Minister Sterk:

Volgens mij hebben wij in mei een commissiedebat over deze thema's. Het lijkt mij goed dat ik in ieder geval zorg dat u daarvoor geïnformeerd bent, zodat we daar dan verder over kunnen spreken. Dat geeft mij ook de gelegenheid om me hier wat verder in te verdiepen. Ik vind namelijk dat ik daar inderdaad mijn rol in moet pakken. Ik informeer uw Kamer daarover.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording van deze vragen.

Vragen Moinat

Vragen Moinat

Vragen van het lid Moinat aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht "Honderden 'onhandelbare' jongeren voor miljoenen 'gedumpt' op vakantieparken: 'Zij leven in het niks'".

De voorzitter:

Ik geef nu het woord aan mevrouw Moinat voor haar vragen namens de Groep Markuszower, eveneens aan de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Het woord is aan mevrouw Moinat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank, voorzitter. Vorige week stond ik hier om een debat met deze minister aan te vragen over een 13-jarig jongetje dat uit huis was geplaatst en als noodgreep zonder begeleiding op een vakantiepark werd gedumpt. Vanuit de Kamer vond men dat we geen debat hoefden te voeren over een individueel geval, dus er hoefde geen debat te komen. Dit snap ik.

Voorzitter. De inkt was nog niet droog of Zembla kwam met een onthullende uitzending. Het zou niet over één casus gaan, maar over honderden kinderen die gedumpt worden op vakantieparken. Jaren geleden is in politiek Den Haag besloten de gesloten jeugdzorginstellingen langzaamaan zorgvuldig te sluiten en af te bouwen. "Zorgvuldig" was het mantra van alles en iedereen hier. Kwetsbare jongeren moet je niet van de ene naar de andere situatie overgooien, maar moeten langdurig goed en stabiel geholpen worden. Wat blijkt? In onder andere het AD valt te lezen dat het Rijk zijn eigen gesloten voorzieningen sluit, maar nul komma nul regelt voor de gevolgen daarvan. In plaats daarvan schuift het Rijk het probleem doodleuk door naar gemeentes. Zolang Den Haag niet meer verantwoordelijk is, horen wij niets van de minister. Het is namelijk niet alleen van de laatste tijd en dus van deze minister. Wat blijkt: hulpeloze kinderen dumpen op vakantieparken omdat het systeem wederom faalt, gebeurt gewoon al jarenlang. De kosten bedragen tot wel 1,75 miljoen per kind per jaar. Ik herhaal het nog een keer: 1,75 miljoen voor één kind in één jaar. Wat levert het op? Een doodongelukkig kind op een vakantiepark, ver weg van de ouders, dat nog net zo onhandelbaar, suïcidaal en getraumatiseerd is als daarvoor, gewoonweg omdat het niet de zorg krijgt die het behoort te krijgen. Is de minister het met mij eens dat het pertinent niet kan dat we kinderen dumpen op vakantieparken omdat het systeem faalt en de overheid haar wettelijke plicht maar even aan haar laars lapt? Hoe vindt de minister zelf dat het gaat?

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Sterk:

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen met zeggen dat ik die zorg deel en dat ik ook erg verontwaardigd was toen ik vorige week de berichten las in de krant en hoorde over Zembla. Ik heb meteen gevraagd wat hier nou aan de hand is en hoe het kan dat juist deze jongeren, die al zo'n complexe problematiek hebben, vaak al heel veel in hun leven hebben meegemaakt waardoor zij uiteindelijk daar terecht zijn gekomen en ontzettend kwetsbaar zijn, terug te vinden zijn op zo'n vakantiepark. Dat zou toch niet moeten mogen?

Ik ga even terug naar waar u ook aan refereerde. We hebben hier in de Kamer in 2022 unaniem met elkaar afgesproken dat we de gesloten jeugdzorg afbouwen. Daar hebben we onszelf tot 2030 de tijd voor gegeven. We hebben er middelen voor vrijgemaakt om dat goed te doen. Het eerlijke antwoord is dat we al best wel een eind op weg zijn. In 2019 hadden we 1.700 plaatsingen. Sinds vorig jaar zitten we op 656 plaatsingen. Helaas is er dus nog steeds een kleine groep voor wie er op dit moment geen passende voorzieningen zijn en voor wie er geen passende zorg te vinden is. Die groep komt dus blijkbaar soms op zo'n vakantiepark terecht. Die zorg herken en voel ik ook. Ik zie ook hoe de jeugdbeschermers en de zorgprofessionals worstelen met de vraag hoe ze nou moeten omgaan met deze jongeren, die vaak niet alleen een gevaar zijn voor zichzelf, maar soms ook voor hun omgeving.

We moeten dus heel hard werken aan de passende zorg. Ook moeten we dus constateren dat dat op dit moment niet goed lukt. Ik denk dat daarover het voorbeeld gaat dat we in de krant zagen. We zien overigens ook dat er plekken zijn waar het wel goed lukt. Ik noem bijvoorbeeld Levvel, waar ik binnenkort zelf ook ga kijken. Volgens mij is het heel erg belangrijk dat we ook gaan kijken hoe we die goede voorbeelden kunnen uitvergroten en optillen, zodat andere partijen daar ook hun voordeel mee kunnen doen.

Omdat ik vorige week dezelfde verontwaardiging als mevrouw Moinat had, is er inmiddels wel wat gebeurd. Gisteren is er al overleg geweest met de inspectie en de VNG over wat we hieraan kunnen doen. Mijn collega van JenV was daar overigens ook bij. Ik ga kijken hoe we de aanpak kunnen versterken en versnellen om ervoor te zorgen dat deze jongeren, met een hele dure bekostiging, uiteindelijk niet ook nog heel eenzaam op zo'n vakantiepark terechtkomen.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank. Ik heb inderdaad op de NOS gelezen dat de minister al heeft gezegd dat ze ook vindt dat gemeenten minder geld voor noodoplossingen moeten betalen en dat deze kinderen sneller de juiste zorg moeten krijgen. Ik vind het prachtig dat deze minister een gesprek gaat voeren, maar dat is wel een paar jaar te laat. Ik herhaal de eerdere vraag dus nog maar even: wat gaat u als minister concreet vandaag nog doen — ik heb het dan niet over van de week gesprekken aangaan — om deze kinderen van die vakantieparken af te halen en de zorg te bieden die zij nodig hebben? Ik wil hier namelijk niet volgende week weer staan om tegen deze minister van leer te trekken. Dit is echt onacceptabel. Dit is al jaren aan de gang. Het is niet sinds een week. Ik verwacht dus dat deze minister vandaag nog iets gaat doen en niet van de week een gesprek aangaat. Deze jongeren hebben een zeer problematische jeugd, zijn zeer problematisch voor henzelf en zitten nu op een vakantiepark met een soort bewakinkje in een soort settinkje van gesloten jeugdzorg. Ik wil gewoon van de minister weten wat zij concreet gaat doen, behalve het gesprek aangaan met wie dan ook.

Minister Sterk:

Soms moet je dat gesprek wel voeren om uiteindelijk met al die partijen de oplossing van het probleem verder te brengen. Ik ga daar dus alle inzet op plegen. Het eerlijke verhaal is ook dat dit gewoon een hele complexe groep is. We hebben best wel met dilemma's te maken. We hebben namelijk te maken met het dilemma van de autonomie van de jongeren, van de vrijheid die de jongeren graag daarbij willen hebben en van de veiligheid, die natuurlijk een rol speelt. Ook is de vraag hoe dat zich verhoudt tot vrijheidsbeperkende maatregelen. Dus het zoeken naar plekken waar deze jongeren passende zorg kunnen krijgen, is gewoon ingewikkeld. Ik kan u misschien teleurstellen, maar dat ga ik vandaag niet oplossen. Ik kan wel toezeggen dat ik dat gesprek ga intensiveren. Dat is gisteren al begonnen en dat gaat volgende week verder. Ik weet ook dat de VNG er alles aan doet om te zorgen dat wij die complexe jongeren — nou ja, ik moet niet zeggen "complexe jongeren" — dus jongeren met een complexe zorgvraag echt een plek kunnen geven waar ze in alle veiligheid zichzelf kunnen ontwikkelen. We zijn het er allemaal over eens dat dat moet gebeuren. Daar zijn we mee bezig. Ik zal zorgen dat u daar als Kamer binnenkort, als er meer over te melden is, zeker meer informatie over krijgt.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik kan niet anders dan concluderen: goed verhaal, lekker kort, doen we niks mee. Vorige week stond ik hier ook, en toen lag dit artikel hopelijk ook al bij de minister. U heeft geen enkele gang naar de Kamer gemaakt om ons ook maar te informeren over iets wat u ging doen. Het enige wat ik uit deze vragenronde kan concluderen, is dat van dit bureaucratisch geneuzel van deze minister op dit moment geen kind beter wordt. De enigen die er beter van zijn geworden, zijn de mensen aan wie het geld betaald is en de ingehuurde krachten die zonder diploma's bij deze kinderen zitten. Daarom ga ik straks alsnog een debat aanvragen met deze minister, om dit te bespreken.

Minister Sterk:

Waarvan akte.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het klopt dat deze Kamer heeft gezegd dat we moeten stoppen met gesloten jeugdzorg, maar niemand heeft daarmee bedoeld dat kinderen alleen in vakantieparken zouden zitten. Volgens mij is hier een groot probleem aan de hand — dat geven wethouders die vandaag buiten stonden ook aan — namelijk dat de beweging van gesloten jeugdzorg naar gezinszorg stopt. Er zijn pilots waarbij er een systeem rondom een gezin wordt gebouwd. Dat is goedkoper, maar daarmee zorg je er ook aan de voorkant voor dat heel veel jongeren niet verder afglijden.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag is: waarom lukt het het kabinet maar niet om die beweging daadwerkelijk te maken, met als gevolg dat honderden kinderen momenteel tussen wal en schip vallen, nota bene alleen op vakantieparken?

Minister Sterk:

Ik deel dezelfde verontwaardiging en frustratie als ik Kamerlid Ceder hoor uitspreken. Dat is ook mijn vraag. Ook ik vind het belangrijk dat wij zorgen dat deze kinderen die veilige omgeving krijgen. Ik zie dus ook dat wij op dit moment met elkaar niet in staat zijn om dat in voldoende mate te regelen. Je ziet dat gemeentes een soort noodhulpoplossing kiezen door een tijdelijke plaatsing op zo'n vakantiepark, maar dat mag nooit het antwoord zijn. We moeten er alles op inzetten met elkaar — vandaar ook dat ik zeg dat ik die gesprekken wil intensiveren — om op zoek te gaan naar een duurzame oplossing voor deze groep jongeren. Ik geef ook de winstwaarschuwing dat het een ingewikkeld vraagstuk is. Dat weet u volgens mij ook. Want als het makkelijk was, dan hadden we het hier in de Kamer al lang opgelost. We zetten alles op alles, samen met de VNG en de zorgaanbieders, om te zorgen dat dit niet zo blijft. Dit moet geen duurzame situatie worden voor deze jongeren.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben vandaag exact vijf jaar Kamerlid. Al vijf jaar hoor ik dezelfde verhalen. Al vijf jaar staan we hier en zeggen we dat het crisis is. Volgens mij is er een fundamenteel probleem, namelijk dat het kabinet weigert te erkennen dat die beweging naar het gezin betekent dat er minder geld bij JenV moet zijn en dat je dat veel meer naar de gemeenten moet trekken, om ook ruimte te bieden om een heel gezin te gaan helpen. Mijn vraag is of de minister kan toezeggen te gaan verkennen of het aantal interventies rondom een gezin de oplossing is, zodat we ervoor kunnen zorgen dat we aan de ene kant afbouwen en aan de andere kant opbouwen. Als we aan beide kanten bezuinigen, krijgen we wat we nu zien. Kan de minister toezeggen dat in ieder geval te onderzoeken en de Kamer daarover te informeren?

Minister Sterk:

Dat zijn we op dit moment ook aan het doen. We zijn juist die beweging naar de voorkant aan het maken, waarbij we zorg en welzijn samen willen nemen. Als er dan sprake is van zorgen om een kind of problematiek thuis, willen we dat in het hele gezin bekijken en willen we kijken wat er in de omgeving van een gezin mogelijk is aan ondersteuning. Dat is juist de beweging die we aan het maken zijn, niet alleen in de jeugdzorg, maar ook in de langdurige zorg. Dat past volgens mij ook heel erg bij wat Kamerlid Ceder vraagt van het kabinet. Dus ja, volgens mij sturen wij daar allerlei brieven over naar u en volgens mij is dit een heel belangrijk onderwerp, waar we zeker mee verder moeten. Ik geloof oprecht dat dat ook een antwoord is op excessen die uiteindelijk verderop in de keten kunnen ontstaan als we niet vroegtijdig interveniëren.

De heer Hamstra (CDA):

Dit is volgens mij precies wat we niet willen: te weinig personeel en te weinig plekken voor de meest kwetsbare jongeren in onze samenleving. De oplossing op vakantieparken, die ook in het krantenartikel staat, is helemaal geen oplossing. Het is én niet passend én ook nog veel te duur. De gemeenten kunnen dat uiteindelijk helemaal niet betalen. Mijn vraag aan de minister is dan ook: welke rol zou de nieuwe Wet reikwijdte, die nu in internetconsultatie is en in de loop van het jaar naar ons toe komt, kunnen spelen in het vinden van passende zorg voor deze meest kwetsbare jongeren in onze samenleving?

Minister Sterk:

Met die Wet reikwijdte zorgen we er vooral voor dat die jongeren die het echt nodig hebben, zorg krijgen. Soms krijgen jongeren zorg terwijl er een ander probleem is in het gezin, bijvoorbeeld verslaving, schuldenproblematiek of misschien het ontbreken van een passende woning. Als je dat vroeg in beeld hebt, kun je daar tijdig iets aan doen en hulp opzetten. Zo zorg je ervoor dat de kinderen die echt zorg nodig hebben — dan heb je het dus over deze groep, maar bijvoorbeeld ook over meisjes met anorexia — een plek hebben en dat er medewerkers zijn die die passende zorg kunnen bieden aan deze groep. Dus ja, die Wet reikwijdte zal ervoor moeten zorgen dat we wat strenger selecteren en juist meer in de eerste lijn met elkaar opvangen. Zo kunnen we de jongeren die echt hulp en zorg nodig hebben ook echt helpen.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik hoor de minister zeggen dat we de goede kant opgaan, omdat we minder kinderen in gesloten jeugdzorg plaatsen. Dat kunnen we natuurlijk alleen maar zeggen als de alternatieven kwalitatief heel erg goed zijn. Dat kunnen we niet als we deze kinderen wegstoppen op vakantieparken waar we ze een-op-eenbegeleiding bieden, waar geen interactie met leeftijdsgenoten meer is en waar we tal van vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen, om maar iets te noemen. Ik heb de vorige keer in het debat aangegeven dat we 180 miljoen hebben gereserveerd voor de af- en ombouw van de gesloten jeugdzorg, maar ik zie die alternatieven niet.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Synhaeve (D66):

Ik ben ook bij Levvel geweest. Die 180 miljoen is veel te weinig; we hebben veel meer nodig. Hoe gaat deze minister vanuit haar stelselverantwoordelijkheid erop sturen dat die plekken er ook echt komen?

Minister Sterk:

Nogmaals, ik deel met de hele Kamer de verontwaardiging dat we er nog niet zijn. Dat is niet goed en het mag niet zo zijn dat kinderen met een-op-eenbegeleiding eenzaam op zo'n vakantiepark zitten. Volgens mij is dat nooit wat we gewild hebben toen we zeiden dat we de gesloten jeugdzorg willen gaan afbouwen. Daar zijn we mee bezig. We zien nu dat het gewoon nog steeds niet op orde is. We moeten dus ervoor zorgen dat dit soort excessen voorkomen worden. Ik denk dat het dan toch belangrijk is om — u noemde net Levvel als voorbeeld — er juist wel voor te zorgen dat er snel wordt opgeschaald. Zo zullen gemeentes zich niet meer geroepen voelen om een soort noodoplossing te creëren op zo'n vakantiepark, wat inderdaad ook nog eens een keer ongelofelijk duur is. In plaats daarvan moeten ze plekken krijgen waar deze jongeren kunnen worden opgevangen. Ik gaf net al een paar dilemma's weer waar we mee te maken hebben. Het zoeken naar een andere passende vorm van zorg voor deze jongeren is niet zo makkelijk. Zoals het in de gesloten jeugdzorg is gegaan, daarvan hebben we gezegd: dat nooit meer. Je ziet dat zorgbehandelaars daarmee worstelen. Dat is een vraag die we met elkaar hebben op te pakken: niet alleen het kabinet, niet alleen de VNG en niet alleen de zorgaanbieders, maar wij met elkaar. Daar wil ik heel hard aan werken. Dat doen we ook en daar gaan we wat mij betreft nog meer mee aan de slag.

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Ik wil allereerst zeggen dat ik de frustratie van alle andere Kamerleden deel. Ik hoop dat de minister die ook voelt. Wat we elke week lezen, is natuurlijk totale waanzin. Op deze manier staan we hier dadelijk elke week opnieuw.

Dan mijn vraag. Er komen steeds nieuwe jeugdhulpaanbieders bij. De inspectie waarschuwt tegelijkertijd voor de risico's bij aanbieders die hiervoor onvoldoende zijn toegerust. Hoe voorkomt de minister dat dit uit pure wanhoop, omdat er gewoon niks is in de noodopvang, groeit ten koste van de kwaliteit en veiligheid?

Minister Sterk:

Daarom is het heel goed dat we de inspectie hebben, die daarop toeziet en die zal ingrijpen op het moment dat zij signalen krijgt en risicovolle situaties ziet. Ik val nu toch een beetje terug in het verhaal dat ik net ook al heb verteld. Ik zet alles op alles om dit proces te versnellen en te versterken, met alle partijen die daar een rol in hebben. Ik ben het met u eens dat kinderen niet op deze manier in vakantieparken terecht mogen komen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Deze minister heeft het over een kleine groep en over excessen, maar het gaat hier over honderden kinderen die gedumpt zijn op een vakantiepark, met beveiligers voor de deur, en die niet de zorg en de hulp krijgen die ze nodig hebben. Allerlei bedrijven verdienen hier blijkbaar ontzettend veel geld aan. Denk aan beveiligingsbedrijven, allerlei coachingbureaus en weet ik veel wat we allemaal hebben gelezen. Daar gaat het hier om. Het gaat om deze kinderen, die zijn gedumpt op een vakantiepark. Deze minister komt niet verder dan de uitspraak: ik was ook verontwaardigd toen ik dit las. We hebben dit uit de media moeten vernemen.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Waarom wist deze minister dit niet? Blijkbaar zit ze er niet bovenop, aangezien ze niet weet dat er honderden kinderen op vakantieparken zitten.

De voorzitter:

De minister.

Mevrouw Dobbe (SP):

Voorzitter, als u het mij nog even toestaat: we moeten van deze minister een tijdslijn hebben met een deadline waarop deze kinderen allemaal weg zijn van die vakantieparken. Ze moeten niet naar een andere waardeloze plek, maar ze moeten goede zorg krijgen. Wat is de deadline van deze minister daarvoor?

Minister Sterk:

Ten eerste is dit niet mijn verantwoordelijkheid als minister, maar die van de gemeentes, die deze afspraken hebben gemaakt met deze zorgaanbieders en die deze kinderen op deze parken hebben geplaatst. Het is natuurlijk heel ernstig dat deze gemeentes dat doen omdat ze op dit moment soms geen alternatief hebben. Daarom zoek ik met de gemeentes naar hoe ze dit kunnen verbeteren, bijvoorbeeld door er meer op regionaal niveau voor te zorgen dat er expertise is om deze jongeren goed te kunnen plaatsen. Daar hebben we ook middelen voor vrijgemaakt. Wat ik kan doen, samen met de inspectie, de VNG en de jeugdzorgaanbieders, is er vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid voor zorgen dat we dit soort problemen niet langer op deze manier hoeven op te lossen. Deze jongeren moeten passende zorg krijgen. Dat hebben we ook met elkaar afgesproken toen we in de Kamer hebben besloten om de gesloten jeugdzorg te stoppen. Ik geloof dat je "gesloten jeugdhulp" moet zeggen. We zitten in dat proces. Het gaat mij ook niet snel genoeg. We willen uiteindelijk dat er in 2030 nog maar voor enkele jongeren op zo'n manier een plek moet worden gevonden. Misschien is 400 een kleine groep, maar iedere jongere die daar zit, is er natuurlijk één te veel.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Mevrouw Dobbe heeft de vraag die ik wilde stellen eigenlijk al gesteld. Dat geeft mij de gelegenheid om een andere vraag te stellen. De minister gebruikt structureel het woord "jongeren", maar het gaat hier echt om kinderen. Kinderen verdienen het om als kind gezien te worden. Ze zijn kwetsbaar en afhankelijk. Wij zijn verantwoordelijk voor hun welzijn. Ik wil de minister het volgende vragen. De minister probeert de verantwoordelijkheid een beetje af te schuiven door te zeggen dat de Kamer iets heeft besloten. Maar er wordt hier iets afgebouwd zonder dat er een alternatief is. Er komen straks nog veel meer bezuinigingen aan, ook richting de jeugdzorg.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Wiersma (BBB):

Hoe gaat deze minister voorkomen dat er opnieuw allerlei zaken worden opgebouwd en we hier over twee jaar weer staan omdat een nog veel grotere groep jongeren met de vingers tussen de deur komt?

Minister Sterk:

In 2022 is het besluit gevallen om de gesloten jeugdzorg af te bouwen. Volgens mij hebben we toen ook afgesproken dat we nieuwe alternatieve vormen gingen opbouwen. Daar hebben we 176 miljoen voor vrijgemaakt. Dat geld is nog niet op. Dat proces loopt nog. Het is dus niet zo dat we iets hebben stopgezet en we hebben gezegd: zoek het maar uit. We zijn met elkaar met dat proces bezig. Ik heb net ook aangegeven dat het echt een ingewikkeld vraagstuk is, want je hebt zowel bij kinderen als bij jongeren te maken met autonomie, veiligheid en de ruimte die je hebt om vrijheidsbeperkende maatregelen te nemen. Het is voor heel veel partijen gewoon een worsteling om een passende vorm te vinden om deze jongeren op te vangen. We zitten nu in die worsteling. We zijn daarover in gesprek.

Je ziet daar ook al goede oplossingen voor, zoals Levvel — ik noemde het net al — of Elker. Zo zijn er vast nog andere voorbeelden te noemen die ik nu nog niet ken. Volgens mij is het van groot belang dat we die met elkaar gaan opschalen. Ik doe dat heel graag met de gemeenten, want zij zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de inkoop van deze zorg. U zegt dat er nog van alles bij komt vanuit de jeugdzorg. Volgens mij proberen we er juist in de hervorming van de jeugdzorg voor te zorgen dat we de jongeren die echt deze specialistische zorg nodig hebben, er veel meer aan de voorkant uit halen. We proberen het bij jongeren die problemen hebben die door andere factoren worden veroorzaakt, zoals door ouders of een woonplek, ook op die manier op te lossen, zodat de zorg voor de jongeren met een echte zorgvraag mogelijk gemaakt wordt.

De voorzitter:

Ook bij deze vraag mag het antwoord iets korter en bondiger, minister. Mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik was erbij toen die motie werd ingediend en ook bij alle debatten daarna. Er was destijds al wel degelijk bekend dat er onvoldoende alternatieven waren. Gemeenten en zorgverleners trokken destijds al aan de bel, omdat ze zeiden dat het bedrag dat erbij gekomen is — de minister heeft het over 176 miljoen — onvoldoende was. We weten allemaal dat kleinschalige zorg met de allerbeste hulpverleners veel duurder is dan een aantal grote gesloten jeugdzorginstellingen. Mijn vraag aan de minister is dus of zij bereid is om te investeren, juist om op langere termijn te voorkomen dat deze problemen zo uitdijen dat ze zo groot zijn als ze nu zijn. Destijds werd dat namelijk niet gedaan en werd er door een Kamermeerderheid tegen onze moties gestemd die dat voorstelden. Is de minister bereid om wel datgene wat nodig is te investeren in deze kleinschalige initiatieven?

Minister Sterk:

Dat is volgens mij wat we op dit moment ook doen. Dat geld is nog steeds niet op; volgens mij is het pas voor ongeveer de helft uitgegeven. Er zijn dus nog middelen om inderdaad juist in die kleinschalige opvangvoorzieningen te investeren.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan is het toch belachelijk dat het geld nog niet op is? We kregen destijds als Kamer al signalen dat er te weinig was om die ombouw goed neer te kunnen zetten. We wisten toen ook al — ik begrijp alle verbazing hier nu, maar als je langer op dit dossier meewerkt, weet je dit al jaren — dat er onvoldoende geschikte plekken zijn voor deze jongeren. Dat weten we al jaren. Over de situatie die in de reportage naar voren kwam, zegt natuurlijk iedereen dat het nooit meer mag gebeuren, maar het kan voor niemand een verrassing zijn dat er al die jaren onvoldoende is gedaan. Waarom heeft ook het ministerie er niet harder bovenop gezeten dat er echt gewerkt zou worden aan die goede alternatieve plekken waar deze jongeren wel op hun plek zijn, waar ze de allerbeste hulpverleners krijgen, waar ze onderwijs hebben en waar ze goed worden geholpen door mensen die met warmte en liefde naar hen omkijken?

Minister Sterk:

Ik deel echt de passie die mevrouw Westerveld hier laat zien en dat deze jongeren gewoon het allerbeste verdienen, want dit zijn jongeren die vaak uit een hele moeilijke omgeving komen en die een hele rugzak met zich meedragen vol ellende waar wij ons misschien wel nauwelijks iets bij kunnen voorstellen. Die jongeren verdienen het niet om dan in zo'n noodoplossing, op zo'n plek, terecht te komen. Wij moeten daar alles aan doen. Mevrouw Westerveld weet ook dat het moeilijk is om een vorm te vinden waarin deze jongeren weer veilig zijn voor zichzelf en hun omgeving, omdat ze zo veel hebben meegemaakt en zo'n complexe problematiek hebben. Er zijn echt ontwikkelingen waarin we zien dat het al beter past, maar dat geldt nog steeds niet voor elke jongere. Het is onze dure plicht om te zorgen dat we dat wel voor elkaar krijgen. Deze minister staat hier om daar samen met de andere partijen aan te werken, maar deze minister is ook realistisch: we hebben dat niet morgen al geregeld voor al deze jongeren. We hebben gelukkig middelen. Ik ga het gesprek aan en dat intensiveren, omdat ik vind dat dit eigenlijk niet zo zou mogen gebeuren.

Mevrouw Wendel (VVD):

Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat de gesloten jeugdzorg zo veel als mogelijk moet worden afge… Sorry, ik werd even afgeleid.

De voorzitter:

Ja. Er is een beetje rust in de plenaire zaal gevraagd. Mevrouw Wendel.

Mevrouw Wendel (VVD):

Dank, voorzitter. Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat die gesloten jeugdzorg zo veel als mogelijk moet worden afgebouwd. Tegelijkertijd is wat er nu gebeurt, namelijk dat die jongeren worden gedumpt op vakantieparken, wat ook nog eens miljoenen kost, echt niet de bedoeling. Ik wil de minister vragen, uiteraard via de voorzitter, of dit ook te maken heeft met het tijdpad dat wij hebben geschetst om de gesloten jeugdzorg af te bouwen. Zo ja, hoe gaat de minister er dan voor zorgen dat niet tijd maar kwaliteit leidend is bij deze afbouw? Het doel is natuurlijk uiteindelijk dat deze jongeren passende zorg hebben en dat ze liefdevol behandeld worden.

Minister Sterk:

Wat nou precies de achterliggende oorzaak is en of dat 'm nou in het tijdpad zit … Ik stel in ieder geval vast dat we nog de tijd hebben genomen om dit af te gaan bouwen tot 2030. Dat zijn de afspraken die we hebben gemaakt. Of tijd nou het probleem is … Ik krijg zelf veel meer de indruk dat het ermee te maken heeft dat het nog steeds moeilijk is om met elkaar te formuleren wat nou precies die passende zorg voor deze groep is. De gesloten jeugdhulp zoals we die hadden, willen we niet meer. Voor een deel van de groep hebben we inderdaad andere oplossingen. Dat zie je ook. Een deel van de groep is al wel geplaatst, maar er is dus nog steeds een groep die zo'n complexe vraag heeft dat daar op dit moment nog geen passend aanbod voor is. Daar moeten we keihard voor werken. We hebben daar ook goede voorbeelden van. Ik zie het als mijn taak om daarover het gesprek aan te gaan en het zo snel mogelijk op te schalen, zodat ook andere jongeren daar gebruik van kunnen maken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

In het artikel van mevrouw Moinat reageert de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geschrokken. Ook ik had een artikel ingestuurd voor het vragenuurtje — volgens mij kunnen we dat iedere week doen — over een onderzoek naar zorginstellingen die eigenlijk nauwelijks iets merken na tekortkomingen en zelfs na een onnatuurlijke dood van cliënten. Zorgbedrijven mogen zich namelijk eindeloos blijven verbeteren. Kan de minister de rol van de inspectie toelichten? Hoe zorgen we er nou voor dat de inspectie zelf niet hoeft te schrikken?

Minister Sterk:

Mevrouw Van Brenk stelt wel een hele grote vraag. De inspectie is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg en is ook wel afhankelijk van het onderzoek dat ze zelf doet of van signalen die ze krijgt. Als ze signalen krijgt, moet ze daar ook op acteren. Als ze het gevoel heeft dat er voor jongeren zulke grote risico's zijn dat die jongeren zelf gevaar lopen, moet ze ook ingrijpen of verscherpt toezicht instellen. Dat is volgens mij ook de taak die ze uitvoert. Ik heb al eerder aangegeven dat ik vanmiddag een gesprek heb met de inspecteur-generaal en dat ik over een aantal casussen ook graag nog met haar van gedachten wil wisselen. Volgens mij vervult het IGJ in die zin gewoon wel de rol die ze heeft, maar ze is natuurlijk wel afhankelijk van de signalen die ze soms krijgt. Dat is volgens mij ook een rol die we met elkaar te spelen hebben.

De voorzitter:

Mevrouw Keijzer, tot slot.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

De falende overheid: je schaft iets af, je belooft dat het anders wordt, maar wat daarvoor nodig is, heb je nog lang niet klaarstaan en vier jaar later zitten jongeren met grote zorgvragen en problemen in vakantieparken; mind you. Wil deze minister ons gewoon binnen een week of twee vertellen wat hier nou aan de hand is en wat er nodig is? Het is namelijk echt volstrekt onvoldoende om als minister alleen te zeggen "ik was ook verontwaardigd toen ik het las en ik ga het gesprek aan".

Minister Sterk:

Volgens mij weet Kamerlid Keijzer als geen ander hoe complex de werkelijkheid soms is en hoe eenvoudig die soms op papier lijkt. Ik heb net aangegeven dat wij bezig zijn met een hele grote beweging, namelijk om te zorgen dat jongeren uit de gesloten jeugdhulp op een plek komen waar ze veilig zijn. Wij hebben daar gelukkig al een grote groep jongeren in kunnen onderbrengen. Omdat wij zulke situaties als samenleving niet meer willen, moeten we met elkaar ook constateren dat een passend antwoord op de problemen van deze specifieke groep moeilijk te formuleren is. Nogmaals, er zijn ook goeie voorbeelden van en die moeten we gaan uitvergroten, maar we hebben gewoon te maken met een dilemma tussen de autonomie van die jongeren en de vrijheidsbeperkende maatregelen die je daar soms tegenover moet stellen. We hebben als samenleving gezegd dat we de gesloten jeugdhulp niet meer willen, maar ik denk dat we nog steeds worstelen met een goed antwoord op die vragen. Daar werken we op dit moment met heel veel partijen aan en daar wil ik mij de komende tijd met nog meer intensiteit voor gaan inzetten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit vragenuur. Ik schors een enkel ogenblik, waarna we gaan stemmen.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik deel de Kamer mee dat aan mevrouw Q.M. Rajkowski met ingang van 31 maart tot en met 20 juli 2026 tijdelijk verlof is verleend.

Beëdiging van de heer Verkuijlen

Beëdiging van de heer Verkuijlen

Aan de orde is de beëdiging van de heer Verkuijlen (VVD).

De voorzitter:

Dat betekent dat we de benoeming van een nieuwe collega aan de orde hebben. Daarvoor geef ik als eerste het woord aan de heer Ellian tot het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven.

De heer Ellian (voorzitter van de commissie):

Voorzitter. De commissie voor het onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer R. Verkuijlen te Hilversum. De commissie is tot de conclusie gekomen dat de heer R. Verkuijlen te Hilversum terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De commissie stelt u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de verklaringen en beloften zoals die zijn voorgeschreven bij de Wet beëdiging ministers en leden Staten-Generaal van 27 februari 1992, Staatsblad nr. 120, af te leggen.

De commissie verzoekt u tot slot om de Kamer voor te stellen het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.

De voorzitter:

Ik dank de commissie voor haar verslag en stel voor dienovereenkomstig te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:

Ik verzoek de leden en de overige aanwezigen in de zaal, voor zover dat mogelijk is, te gaan staan. De heer Verkuijlen is in het gebouw der Kamer aanwezig om de voorgeschreven verklaringen en beloften af te leggen.

Ik verzoek de griffier hem binnen te geleiden.

(De heer Verkuijlen wordt binnengeleid door de griffier.)

De voorzitter:

De door u af te leggen verklaringen en beloften luiden als volgt:

"Ik verklaar dat ik, om tot lid van de Staten-Generaal te worden benoemd, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd.

Ik verklaar en beloof dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen.

Ik beloof trouw aan de Koning, aan het Statuut voor het Koninkrijk en aan de Grondwet.

Ik beloof dat ik de plichten die mijn ambt mij oplegt getrouw zal vervullen."

De heer Verkuijlen (VVD):

Dat verklaar en beloof ik.

De voorzitter:

Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van deze Kamer en ik schors voor een enkel ogenblik voor overhandiging van de bloemen door de fractievoorzitter, waarna felicitaties na de stemmingen aan de heer Verkuijlen mogen worden overhandigd.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

De voorzitter:

Ik stel voor zo dadelijk ook te stemmen over een brief van het Presidium (35351, nr. 32) en over de aangehouden motie-Ceulemans (36800-XV, nr. 65).

Ik geef het woord aan mevrouw Lammers voor een verzoek.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):

Voorzitter. Onder punt 4, de stemmingen over de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000, wil ik verzoeken om vandaag alleen over de amendementen te stemmen en niet over het wetsvoorstel. De Kamer moet meer tijd gegund worden om over de amendementen te kunnen nadenken.

De voorzitter:

Dus uw voorstel is om alleen niet over het wetsvoorstel te stemmen vandaag?

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):

Ja, precies.

De voorzitter:

Ik kijk of daar bezwaar tegen is.

De heer Krul (CDA):

Dan zou ik wel graag donderdag over de wet willen stemmen.

De heer Boomsma (JA21):

Exact, ja.

De voorzitter:

Ik moet er dan wel een meerderheid voor hebben dat er donderdag gestemd wordt over het wetsvoorstel.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Als we donderdag over het wetsvoorstel stemmen, is dat prima. Steun.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Laat ik de doorslaggevende stem zijn, voorzitter. Zeker donderdag stemmen. Graag.

De heer Russcher (FVD):

Donderdag stemmen.

De heer Ellian (VVD):

Ja, donderdag.

De heer Dassen (Volt):

Prima om donderdag te stemmen.

Mevrouw Podt (D66):

Ja, prima, voorzitter.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dit wetsvoorstel wordt er al met stoom en kokend water doorheen gejaagd, dus dit vereist een zorgvuldige behandeling. Wat ons betreft stemmen we gewoon volgende week dinsdag. Dan hoeft ook niet de hele Kamer speciaal hiervoor donderdag terug te komen.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Donderdag kunnen we op een zorgvuldige manier stemmen wat mij betreft.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, prima om later te stemmen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter, prima. Ik heb een stemverklaring aangekondigd, maar die doe ik dan donderdag. Die trek ik dus bij dezen in.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik sluit mij aan bij mevrouw Teunissen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Donderdag is prima, voorzitter.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Er later over stemmen is prima.

De heer Struijs (50PLUS):

In draf. Donderdag stemmen.

De voorzitter:

Het gaat dan alleen over het donderdag stemmen over het wetsvoorstel. Daar is een meerderheid voor, dus dat gaan we zo doen.

Ik heb hier staan dat ook de heer Van Duijvenvoorde nog het woord wenst voor een verzoek. Ja, over de eerste hoofdelijke stemming. Meneer Van Duijvenvoorde.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Mijn verzoek is dat we over de motie op stuk nr. 1773, die nu op hoofdelijk staat, fractiegewijs gaan stemmen.

De voorzitter:

Dus een fractiegewijze stemming over de motie op stuk nr. 1773. Ik kijk of er bezwaar tegen is vanuit de Kamer dat we daar fractiegewijs over stemmen. Dat is niet het geval. Dan gaan we dat doen.

Stemming motie Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026

Stemming motie Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026,

te weten:

  • de motie-Russcher/Van Duijvenvoorde over zich ervoor inzetten dat de EU vasthoudt aan het historische aandeel van circa 23% in de makreelvangst (21501-32, nr. 1773).

In stemming komt de motie-Russcher/Van Duijvenvoorde (21501-32, nr. 1773).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026

Stemmingen Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026) (36871).

De fractie van de PVV verzoekt om een hoofdelijke stemming over het amendement-Vondeling/Wilders op stuk nr. 61, I. Mevrouw Westerveld verzoekt om een hoofdelijke stemming over haar amendement op stuk nr. 25, I.

We hebben een aantal stemverklaringen over voorstel 36871. Als eerste geef ik daarvoor het woord aan de heer Diederik van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Het huidige asielsysteem laat de meest kwetsbaren in de kou staan en confronteert Nederland met aantallen nieuwkomers die de spankracht van onze samenleving te boven gaan. De smeekbrieven van de minister accentueren hoezeer het asielbeleid faalt. Wie kijkt naar vooruitgestuurde kinderen, naar mensensmokkelaars die grof geld verdienen en naar de grote zorgen onder burgers, erkent dat. Het Europees Asiel- en Migratiepact is geen wondermiddel, maar wel een stap in de goede richting, mits restrictief geïnterpreteerd en consequent gehandhaafd. Tegelijk blijft er werk aan de winkel om het asielbeleid aan te scherpen, ook nationaal. De asielwetten die in de Eerste Kamer liggen, leveren daaraan een bijdrage. We vertrouwen erop dat de senaat dat onderkent en zijn verantwoordelijkheid neemt voor modernisering van het asielbeleid. Dat maakt dat wij nu tegen amendementen zullen stemmen die al in deze wetten zijn opgenomen.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Ellian voor een stemverklaring.

De heer Ellian (VVD):

Voorzitter. In de Eerste Kamer ligt op dit moment de zwaarste en strengste aanscherping van de asielwetgeving ooit. In de Asielnoodmaatregelenwet is opgenomen dat illegaliteit strafbaar wordt gesteld. Uiteraard zijn wij hier tevreden over. We gaan ervan uit dat de Eerste Kamer de wetten dan ook zal aannemen. Aangezien de Eerste Kamer nu aan zet is, heeft de VVD-fractie in de Tweede Kamer besloten om tegen het amendement te stemmen dat de strafbaarstelling van illegaliteit in de uitvoeringswetten van het pact amendeert.

De voorzitter:

Dank u wel.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 10).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Westerveld/Dassen (stuk nr. 27, I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en DENK voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 27 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

Dan een hoofdelijke stemming over het amendement-Westerveld c.s. op stuk nr. 25, I. Ik verzoek de griffier de namenlijst op te lezen. Ik vraag om stilte in de zaal, zodat we uw stem goed kunnen noteren.

In stemming komt het amendement-Westerveld c.s. (stuk nr. 25, I).

Vóór stemmen de leden: Mohandis, Moorman, Mutluer, Van Oosterhout, Ouwehand, Patijn, Piri, Struijs, Stultiens, Teunissen, Tseggai, Vliegenthart, Westerveld, Zalinyan, El Abassi, Abdi, Van Baarle, Beckerman, Bikker, Van Brenk, Bromet, Bushoff, Ceder, Dassen, Jimmy Dijk, Dobbe, Ergin, Grinwis, De Hoop, Kathmann, Klaver, Kostić, Kröger, Lahlah en Van der Lee.

Tegen stemmen de leden: Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Moinat, Mooiman, Edgar Mulder, Müller, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Paulusma, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Synhaeve, Tijmstra, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vermeer, Vervuurt, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Wiersma, Wilders, Zwinkels, Van Ark, Armut, Van Asten, Becker, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Bevers, Biekman, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, El Boujdaini, Brekelmans, Tijs van den Brink, Bühler, Van Campen, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dekker, Heera Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Chris Jansen, Jumelet, Keijzer, Kisteman, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Krul, Lammers, Van Lanschot, Van Leijen, Lohman en Van der Maas.

De voorzitter:

Ik constateer dat dit amendement met 35 stemmen voor en 111 stemmen tegen is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 25 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Dassen (stuk nr. 59).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en DENK voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 11).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het nader gewijzigde amendement-Boomsma/Ceulemans (stuk nr. 58) tot het invoegen van een onderdeel Ia.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor dit nader gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 12).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 13).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 14).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Westerveld/Dassen (stuk nr. 62).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder (stuk nr. 18).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 16).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder (stuk nr. 63).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Vondeling (stuk nr. 9, I) tot het invoegen van een onderdeel Ua.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, JA21, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement het andere op stuk nr. 9 voorkomende amendement als verworpen kan worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Dassen/Westerveld (stuk nr. 36).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder (stuk nr. 19).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Dassen (stuk nr. 32).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en DENK voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 15).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Ceder (stuk nr. 17).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Vondeling/Wilders (stuk nr. 57, I) tot het invoegen van een onderdeel BDa.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit gewijzigde amendement de overige op stuk nr. 57 voorkomende gewijzigde amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Vondeling/Wilders (stuk nr. 8, II) tot het invoegen van een artikel IA.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 8 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Lammers/Markuszower (stuk nr. 29, II) tot het invoegen van een artikel IA.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement het andere op stuk nr. 29 voorkomende amendement als verworpen kan worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Boomsma/Ceulemans (stuk nr. 23).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Ceder (stuk nr. 35) tot het invoegen van een artikel VIIIa.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

In stemming komt het amendement-Ceder/Westerveld (stuk nr. 20).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

We gaan nu hoofdelijk stemmen. Ik verzoek opnieuw om stilte in de zaal. Het woord is aan de griffier.

In stemming komt het amendement-Vondeling/Wilders (stuk nr. 61, I) tot het invoegen van een artikel XIIA.

Vóór stemmen de leden: Lammers, Maeijer, Markuszower, Van Meetelen, Van Meijeren, Moinat, Mooiman, Edgar Mulder, Nanninga, Van der Plas, Prickaertz, Raijer, De Roon, Russcher, Schilder, Stöteler, Vermeer, Vlottes, Vondeling, Wiersma, Wilders, Van den Berg, Boomsma, Boon, Martin Bosma, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dekker, Emiel van Dijk, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Faber, Goudzwaard, Graus, Heutink, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Chris Jansen, Keijzer en Kops.

Tegen stemmen de leden: Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maes, Martens-America, Mathlouti, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moorman, Müller, Mutluer, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Podt, Poortman, Rooderkerk, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Verkuijlen, Vervuurt, Vliegenthart, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Zalinyan, Zwinkels, El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Bevers, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Dassen, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Eijk, Ellian, Ergin, Flach, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Den Hollander, De Hoop, Huidekooper, Huizenga, Jagtenberg, Jumelet, Kathmann, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar en De Kort.

De voorzitter:

Ik constateer dat dit amendement met 43 stemmen voor en 103 stemmen tegen is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement het andere op stuk nr. 61 voorkomende amendement als verworpen kan worden beschouwd.

Dan resteert alleen nog de stemming over het wetsvoorstel, maar we hebben zojuist besloten om die donderdag te doen.

De heer Jimmy Dijk (SP):

De SP-fractie wordt geacht tegen het amendement op stuk nr. 9 te hebben gestemd.

De voorzitter:

Dat noteren we.

Stemmingen moties Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026

Stemmingen moties Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026),

te weten:

  • de motie-Van der Plas over een plan van aanpak voor het geval dat andere lidstaten het pact niet naleven (36871, nr. 37);
  • de motie-Van der Plas/Ceder over naast het bbp en het inwonersaantal ook het landoppervlak en de bevolkingsdichtheid meewegen in het solidariteitsmechanisme (36871, nr. 38);
  • de motie-Westerveld c.s. over voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een kinderrechtentoets uitvoeren (36871, nr. 39);
  • de motie-Westerveld/Dassen over het solidariteitsmechanisme dit jaar niet afkopen (36871, nr. 40);
  • de motie-Vondeling/Wilders over onze grenzen sluiten, een volledige asielstop afkondigen en alle vormen van herverdeling en afkoop in het Asiel- en Migratiepact afwijzen (36871, nr. 41);
  • de motie-Vondeling over het intrekken van alle tijdelijke verblijfsvergunningen van Syriërs en zorgen dat Syriërs direct terugkeren naar Syrië (36871, nr. 42);
  • de motie-Vondeling over het uitlezen van gegevensdragers bij asielzoekers wettelijk verplicht stellen (36871, nr. 43);
  • de motie-Diederik van Dijk/Boomsma over monitoren in hoeverre het Asiel- en Migratiepact daadwerkelijk bijdraagt aan de beperking van de asielinstroom (36871, nr. 44);
  • de motie-Lammers over met gelijkgezinde landen binnen een jaar komen tot een voorstel voor de behandeling van asielaanvragen uitsluitend buiten de EU (36871, nr. 45);
  • de motie-Lammers over het maximaal intensiveren van grenscontroles en net als Duitsland asielzoekers niet binnenlaten (36871, nr. 46);
  • de motie-Lammers over een uitzetprogramma starten en wekelijks 800 illegalen uitzetten (36871, nr. 47);
  • de motie-Boomsma/Diederik van Dijk over aanvullende maatregelen om de instroom van asielzoekers te beperken indien die zes maanden na invoering van het Asiel- en Migratiepact niet drastisch is gedaald (36871, nr. 48);
  • de motie-Boomsma/Diederik van Dijk over in overleg treden met de Europese Commissie en landen met een buitengrens over naleving van het pact (36871, nr. 49);
  • de motie-Boomsma/Diederik van Dijk over het vrijmaken van voldoende aparte capaciteit bij de IND voor het starten van herbeoordelingsprocedures (36871, nr. 50);
  • de motie-Dassen over in de uitvoeringsregelgeving vastleggen dat biometrie bij minderjarigen uitsluitend plaatsvindt indien dit noodzakelijk en proportioneel is (36871, nr. 51);
  • de motie-Dassen over een gedetailleerd plan met tijdpad presenteren voor de afbouw van (crisis)noodopvang en het realiseren van reguliere opvangplekken (36871, nr. 52);
  • de motie-Ceder/Diederik van Dijk over onderzoeken op welke wijze remigratie ten aanzien van alle vormen van verschillende verblijfstitels verder gestimuleerd kan worden (36871, nr. 53);
  • de motie-Ceder over onderzoeken hoe gezinsleden die wachten op gezinshereniging al in het land van herkomst kunnen starten met integratie (36871, nr. 54);
  • de motie-Ceder/Van der Plas over een definitie en afwegingskader formuleren voor het implementeren van Europese regelgeving (36871, nr. 55);
  • de motie-Ceder/Westerveld over alles op alles zetten om te voorkomen dat de rechtspraak vastloopt (36871, nr. 56).

In stemming komt de motie-Van der Plas (36871, nr. 37).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas/Ceder (36871, nr. 38).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Westerveld c.s. (36871, nr. ??, was nr. 39).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK en de ChristenUnie voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Vondeling/Wilders (36871, nr. 41).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Vondeling (36871, nr. 42).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Vondeling (36871, nr. 43).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Diederik van Dijk/Boomsma (36871, nr. 44).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Lammers (36871, nr. 45).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Lammers (36871, nr. 46).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Lammers (36871, nr. 47).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Boomsma/Diederik van Dijk (36871, nr. 48).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Boomsma/Diederik van Dijk (36871, nr. 49).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boomsma/Diederik van Dijk (36871, nr. 50).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dassen (36871, nr. 51).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dassen (36871, nr. 52).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Ceder/Diederik van Dijk (36871, nr. ??, was nr. 53).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Ceder (36871, nr. 54).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Ceder/Westerveld (36871, nr. 56).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Vier jaar oorlog in Oekraïne

Stemmingen moties Vier jaar oorlog in Oekraïne

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over vier jaar oorlog in Oekraïne,

te weten:

  • de motie-Dassen/Brekelmans over zich aansluiten bij de oproep om te onderzoeken hoe Russische militairen en veteranen een Schengenverbod opgelegd kunnen krijgen (36045, nr. 271);
  • de motie-Dassen/Stoffer over onderzoeken of en hoe de overheid financieel kan bijdragen aan mbo-initiatieven die Oekraïense vluchtelingen middels microcredentials op korte termijn opleiden (36045, nr. 272);
  • de motie-Dassen c.s. over onderzoeken hoe de ontwikkeling van Europese en Oekraïense dps-systemen versneld kan worden (36045, nr. 273);
  • de motie-Hoogeveen over een meer resultaatgerichte inzet van het EU-Ukraine Strategic Partnership on Raw Materials (36045, nr. 274);
  • de motie-Hoogeveen over lidstaten die te weinig bilaterale steun aan Oekraïne leveren hierop aanspreken (36045, nr. 275);
  • de motie-Van der Werf c.s. over de productie van Europese luchtafweersystemen en bijbehorende raketten in Oekraïne versneld opschalen (36045, nr. 276);
  • de motie-Van der Werf c.s. over aansluiting zoeken bij Europese luchtafweerinitiatieven (36045, nr. 277);
  • de motie-Van Lanschot over verkennen of en onder welke voorwaarden de Europese trainingsmissie EUMAM verlengd kan worden (36045, nr. 279);
  • de motie-Stoffer/Bikker over de toekomst van Oekraïne nadrukkelijk meewegen bij besluitvorming over een militaire bijdrage in de Straat van Hormuz (36045, nr. 280);
  • de motie-Brekelmans c.s. over uitspreken Oekraïne te steunen tegenover Rusland in de grootschalige oorlog (36045, nr. 281);
  • de motie-Struijs/Van der Werf over bijzondere aandacht voor ouderen en gezinnen vlak bij de frontlinie (36045, nr. 282);
  • de motie-Dekker over de 3 miljard euro steun voor Oekraïne inzetten in Nederland (36045, nr. 283);
  • de motie-Dekker over afzien van de 400 miljoen euro extra steun (36045, nr. 284);
  • de motie-Dekker over gesprekken stimuleren met Rusland (36045, nr. 285);
  • de motie-Dobbe over het VS-besluit tot sanctieverlichting voor Rusland veroordelen (36045, nr. 286);
  • de motie-Dobbe over garanderen dat de steun aan Oekraïne niet ten koste gaat van publieke en sociale voorzieningen (36045, nr. 287);
  • de motie-Dobbe over tot initiatieven komen voor onderhandelingen en vrede tussen Rusland en Oekraïne (36045, nr. 288).

In stemming komt de motie-Dassen/Brekelmans (36045, nr. 271).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Meneer Markuszower.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Bij agendapunt 5, de stemmingen over moties ingediend bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026, willen wij graag geacht worden tegen de motie op stuk nr. 51 te zijn.

De voorzitter:

Wij noteren het.

In stemming komt de motie-Dassen/Stoffer (36045, nr. 272).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dassen c.s. (36045, nr. 273).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Hoogeveen (36045, nr. 274).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Hoogeveen (36045, nr. ??, was nr. 275).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Werf c.s. (36045, nr. 276).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Werf c.s. (36045, nr. 277).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Lanschot (36045, nr. 279).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Stoffer/Bikker (36045, nr. 280).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Brekelmans c.s. (36045, nr. 281).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Struijs/Van der Werf (36045, nr. 282).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dekker (36045, nr. 283).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dekker (36045, nr. 284).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dekker (36045, nr. 285).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dobbe (36045, nr. 286).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dobbe (36045, nr. 287).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, de PvdD, DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dobbe (36045, nr. 288).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemming brief Parlementaire behandeling van de verantwoordingsstukken over 2025 en de Voorjaarsnota 2026

Stemming brief Parlementaire behandeling van de verantwoordingsstukken over 2025 en de Voorjaarsnota 2026

Aan de orde is de stemming over de brief van het Presidium inzake de parlementaire behandeling van de verantwoordingsstukken over 2025 en de Voorjaarsnota 2026 (31428, nr. 19).

De voorzitter:

Ik stel voor conform het voorstel van het Presidium te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

Stemming brief Adviesaanvraag aan de Onderwijsraad over de vraag "Wat is de definitie van goed onderwijs?"

Stemming brief Adviesaanvraag aan de Onderwijsraad over de vraag "Wat is de definitie van goed onderwijs?"

Aan de orde is de stemming over de brief van het Presidium over een adviesaanvraag aan de Onderwijsraad over de vraag "Wat is de definitie van goed onderwijs?" (36800-VIII, nr. 140).

De voorzitter:

Ik stel voor conform het voorstel van het Presidium te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

Stemmingen moties Besluit veilige jaarwisseling

Stemmingen moties Besluit veilige jaarwisseling

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Besluit veilige jaarwisseling,

te weten:

  • de motie-Kostić over gemeenten op het hart drukken zo veel mogelijk rekening te houden met wilde dieren bij de afweging om een vuurwerkontheffing te verlenen (35386, nr. 38);
  • de motie-Van der Plas over de nadeelcompensatie onderdeel laten blijven van het Besluit veilige jaarwisseling en beide gelijktijdig aan de Kamer voorleggen (35386, nr. 39);
  • de motie-Zwinkels/Kostić over de leeftijdsgrens voor zowel supervisors als ontbranders vaststellen op ten minste 18 jaar (35386, nr. 40).

In stemming komt de motie-Kostić (35386, nr. 38).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (35386, nr. 39).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Zwinkels/Kostić (35386, nr. 40).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemming motie Geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving

Stemming motie Geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving

Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het debat over geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving,

te weten:

  • de motie-Van der Plas over het vuurwerkverbod voor de (28684, nr. 831).

Stemmingen Economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland

Stemmingen Economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten voor Nederland,

te weten:

  • de motie-Klaver c.s. over onderzoeken of en hoe er een maximumprijs voor brandstoffen in Nederland ingevoerd kan worden (23432, nr. 670);
  • de motie-Klaver c.s. over bij het uitwerken van opties voor openstelling van het Tijdelijk Noodfonds Energie meenemen of en hoe middeninkomens aanspraak kunnen maken op dit fonds (23432, nr. 671);
  • de motie-Klaver c.s. over opties voorbereiden om overwinsten van olie- en gasproducerende bedrijven af te romen en deze toe te voegen aan het totale maatregelenpakket (23432, nr. 672);
  • de motie-Klaver c.s. over een nationaal versnellingsplan voor energieonafhankelijkheid ontwikkelen (23432, nr. 673);
  • de motie-Jimmy Dijk over de ACM het mandaat en de middelen geven om de prijzen van boodschappen te controleren en te reguleren en waar nodig te maximeren (23432, nr. 674);
  • de motie-Jimmy Dijk over de regeling Tegemoetkoming Energiekosten weer invoeren voor energie-intensief mkb (23432, nr. 675);
  • de motie-Jimmy Dijk c.s. over de maximale onbelaste reiskostenvergoeding verhogen met ten minste €0,03 per kilometer (23432, nr. 676);
  • de motie-Jimmy Dijk over de accijnzen op brandstof verlagen en dit dekken met meeropbrengsten uit de btw op brandstof (23432, nr. 677);
  • de motie-El Abassi over een ruimhartig en toegankelijk energienoodfonds instellen gericht op lage en middeninkomens (23432, nr. 678);
  • de motie-El Abassi over uitspreken dat de kosten van de energiecrisis niet onevenredig mogen worden afgewenteld op huishoudens (23432, nr. 679);
  • de motie-El Abassi over de CBAM-inkomsten alsnog inzetten voor verlaging van de brandstofaccijns (23432, nr. 680);
  • de motie-Teunissen over met een breed pakket aan energiebesparingsmaatregelen komen gebaseerd op de aanbevelingen van het IEA (23432, nr. 681);
  • de motie-Teunissen over overwinsten van oliebedrijven inzetten voor tijdelijke steun aan kwetsbare huishoudens (23432, nr. 683);
  • de motie-Teunissen over de maximumsnelheid op snelwegen verlagen (23432, nr. 684);
  • de motie-Dassen/Teunissen over het Nationaal Isolatie Offensief versneld, breder en toegankelijk uitvoeren (23432, nr. 685);
  • de motie-Dassen over in Europees verband pleiten voor het voorbereiden van een mogelijke nieuwe Europese solidariteitsbijdrage (23432, nr. 686);
  • de motie-Dassen over onder andere toeslagen en lastenverlichting op arbeid betrekken bij het onderzoeken en uitwerken van maatregelen (23432, nr. 687);
  • de motie-Grinwis/Flach over ruim voor de zomer komen met een kabinetsreactie op het IEA-rapport (23432, nr. 688);
  • de motie-Grinwis/Flach over het Warmtefonds zijn zegenrijke werk laten voortzetten (23432, nr. 689);
  • de motie-Grinwis/Flach over bij het tegemoetkomen van huishoudens en bedrijven zo nodig budgetten betrekken die voor latere jaren bij het coalitieakkoord zijn opgenomen (23432, nr. 690);
  • de motie-Vermeer over de vrachtwagenheffing voor onbepaalde tijd uitstellen (23432, nr. 692);
  • de motie-Neijenhuis/Oualhadj over een nationale aanpak voor een weerbare economie (23432, nr. 693);
  • de motie-Nanninga c.s. over onderzoeken of de Rijksoverheid substantiële extra inkomsten heeft uit de btw-afdracht op brandstof en, zo ja, die aanwenden voor een lagere brandstofaccijns (23432, nr. 694);
  • de motie-Nanninga/Flach over een integrale aanpak om hoge boodschappeninflatie te voorkomen (23432, nr. 695);
  • de motie-Nanninga over het definitief onklaar maken van de gasputten in Groningen tijdelijk opschorten (23432, nr. 696);
  • de motie-Prickaertz over de btw op boodschappen per direct afschaffen (23432, nr. 697);
  • de motie-Prickaertz over per direct de brandstofaccijns tijdelijk verlagen en de btw op brandstof tijdelijk verlagen naar het lage tarief (23432, nr. 698);
  • de motie-Prickaertz over de energiebelasting tijdelijk verlagen en de btw op energie verlagen naar het lage tarief (23432, nr. 699);
  • de motie-Martens-America c.s. over de prijstransparantie van benzinestations op een lastenluwe manier vergroten om de prijzen aan de pomp te laten dalen (23432, nr. 700);
  • de motie-Heutink over werk maken van een structurele oplossing voor de hoge brandstofprijzen (23432, nr. 701);
  • de motie-Heutink over per direct, al dan niet tijdelijk, de accijnzen op benzine en diesel met €0,25 verlagen (23432, nr. 702);
  • de motie-Heutink over de belastingvrije kilometervergoeding met €0,05 per kilometer verhogen naar €0,28 (23432, nr. 703);
  • de motie-Heutink/Keijzer over versneld inzetten op kernenergie om de afhankelijkheid van andere landen fors te verkleinen (23432, nr. 704);
  • de motie-Heutink over voor het meireces met een gedetailleerde strategie komen om op goedkope wijze de gas- en olievoorraad weer te vullen (23432, nr. 705);
  • de motie-Dekker over stoppen met het storten van beton op onze kostbare Groningse aardgasbron (23432, nr. 706);
  • de motie-Dekker over stoppen met het ontmantelen van de Groningse bovengrondse gasinfrastructuur (23432, nr. 707);
  • de motie-Dekker c.s. over de CBAM-inkomsten over 2026 en 2027 inzetten voor een korting op de brandstofaccijns (23432, nr. 708);
  • de motie-Bontenbal c.s. over een samenhangende aanpak voor de korte, middellange en lange termijn (23432, nr. 709);
  • de motie-Bontenbal/Klaver over een periodieke weerbaarheidsanalyse van de Nederlandse economie opstellen (23432, nr. 710);
  • de motie-Keijzer over circa 1 miljard van het budget voor Oekraïne, asiel, stikstofbeleid, klimaat en defensie inzetten voor verlaging van de brandstofaccijns (23432, nr. 711);
  • de motie-Flach/Grinwis over onderzoek naar de introductie van landelijke autovrije zondagen (23432, nr. 712);
  • de motie-Flach c.s. over bezien wat de mogelijkheden zijn voor het gebruik van het Europese visserijfonds voor crisissteun (23432, nr. 713);
  • de motie-Struijs over actief samenwerken met sociale partners bij het uitwerken van maatregelen (23432, nr. 714).

In stemming komt de motie-Klaver c.s. (23432, nr. 670).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Klaver c.s. (23432, nr. 671).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Klaver c.s. (23432, nr. 672).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Klaver c.s. (23432, nr. 673).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk (23432, nr. 674).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, de PvdD, DENK, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk (23432, nr. 675).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, DENK, BBB, Lid Keijzer en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk c.s. (23432, nr. 676).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, DENK, de ChristenUnie, Lid Keijzer en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk (23432, nr. 677).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-El Abassi (23432, nr. 678).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-El Abassi (23432, nr. 679).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-El Abassi (23432, nr. 680).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, de SGP, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Teunissen (23432, nr. 681).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Teunissen (23432, nr. 683).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Teunissen (23432, nr. 684).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van Volt en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dassen/Teunissen (23432, nr. 685).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dassen (23432, nr. 686).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Dassen/Neijenhuis (23432, nr. ??, was nr. 687).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Flach (23432, nr. 688).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Flach (23432, nr. 689).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat de uitslag bij handopsteken niet kan worden vastgesteld.

In stemming komt de motie-Grinwis/Flach (23432, nr. 690).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat de uitslag bij handopsteken niet kan worden vastgesteld.

We moeten er hoofdelijk over stemmen, meneer Grinwis. Meneer Grinwis zegt dat dat niet het geval is. Dank u wel.

In stemming komt de motie-Vermeer (23432, nr. 692).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Neijenhuis/Oualhadj (23432, nr. 693).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB en Lid Keijzer voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nanninga c.s. (23432, nr. 694).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nanninga/Flach (23432, nr. 695).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nanninga (23432, nr. 696).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Prickaertz (23432, nr. 697).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Prickaertz (23432, nr. 698).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Prickaertz (23432, nr. 699).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Martens-America c.s. (23432, nr. 700).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Heutink (23432, nr. 701).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Heutink (23432, nr. 702).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Heutink (23432, nr. 703).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Heutink/Keijzer (23432, nr. 704).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, Volt, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Heutink (23432, nr. 705).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de SGP, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dekker (23432, nr. 706).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dekker (23432, nr. 707).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dekker c.s. (23432, nr. 708).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, DENK, de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Bontenbal c.s. (23432, nr. 709).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van JA21 ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bontenbal/Klaver (23432, nr. 710).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Keijzer (23432, nr. 711).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Flach/Grinwis (23432, nr. 712).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de PvdD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Flach c.s. (23432, nr. 713).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Struijs (23432, nr. 714).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten

Stemmingen moties Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU)2022/2555 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende maatregelen voor een hoog gezamenlijk niveau van cyberbeveiliging in de Unie, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 910/2014 en Richtlijn (EU) 2018/1972 en tot intrekking van Richtlijn (EU) 2016/1148 (PbEU 2022, L 333) (Cyberbeveiligingswet) (36764) en het wetsvoorstel Regels ter implementatie van Richtlijn (EU) 2022/2557 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 betreffende de weerbaarheid van kritieke entiteiten en tot intrekking van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad (PbEU 2022, L 333) (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) (36765),

te weten:

  • de motie-El Boujdaini over de informatiepositie van burgemeesters en voorzitters van de veiligheidsregio's versterken bij cyberincidenten met gevolgen voor de openbare orde (36764, nr. 15);
  • de motie-El Boujdaini/Kathmann over een cybersecuritystelsel voor het Caribisch deel van het Koninkrijk dat aansluit bij het niveau in Europees Nederland (36764, nr. 16);
  • de motie-Zwinkels over het versterken van de uitwisseling van dreigingsinformatie binnen ketens (36764, nr. 17);
  • de motie-Kathmann over onderzoek naar een wettelijke nazorgplicht bij persoonsgegevenslekken op grote schaal (36764, nr. 18);
  • de motie-Kathmann over het inrichten van één centraal meldloket (36764, nr. 19);
  • de motie-Kathmann over relevante organisaties proactief oproepen om de vitaalbeoordeling uit te voeren (36764, nr. 20);
  • de motie-Kathmann over bij de evaluatie bezien of de wetten aangepast kunnen worden met betrekking tot verplichtingen uit lagere regelgeving (36764, nr. 21);
  • de motie-Van den Berg over zo min mogelijk dubbeling voor entiteiten die zowel onder de Cyberbeveiligingswet als de Wwke vallen (36764, nr. 22);
  • de motie-Van den Berg over verplichtingen, bewijslasten, auditlogica en verantwoordingsinformatie onder de Cbw en de Wwke zo veel mogelijk harmoniseren met BIO en ENSIA (36764, nr. 23);
  • de motie-Van den Berg over halfjaarlijks informeren over de toepassing van artikel 34 van de Wwke (36765, nr. 12);
  • de motie-Van den Berg over geen meervoudige beboeting voor hetzelfde feitencomplex (36764, nr. 24).

In stemming komt de motie-El Boujdaini (36764, nr. 15).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-El Boujdaini/Kathmann (36764, nr. 16).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van Groep Markuszower ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Zwinkels (36764, nr. 17).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Kathmann/Dassen (36764, nr. ??, was nr. 18).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Kathmann (36764, nr. ??, was nr. 20).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van Groep Markuszower ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Kathmann (36764, nr. ??, was nr. 21).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van den Berg (36764, nr. 22).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van den Berg (36764, nr. 23).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van den Berg (36765, nr. 12).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de fractie van Lid Keijzer ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van den Berg (36764, nr. 24).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

Stemming brief Jaarverslag 2025 van het College van onderzoek integriteit van de Tweede Kamer

Stemming brief Jaarverslag 2025 van het College van onderzoek integriteit van de Tweede Kamer

Aan de orde is de stemming over de brief van het Presidium inzake het jaarverslag 2025 van het College van onderzoek integriteit van de Tweede Kamer (35351, nr. 32).

De voorzitter:

Ik stel voor conform de voorstellen van het Presidium te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

Stemmingen moties Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025

Stemmingen moties Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025,

te weten:

  • de motie-Steen over samen met de VNG en omgevingsdiensten een landelijke handreiking pur-toezicht te ontwikkelen (28325, nr. 305);
  • de motie-Steen/Nobel over de fastlane en typegoedkeuring zo uitwerken dat voor flexwoningen die aan typegoedkeuring voldoen bij herplaatsing geen integrale technische toetsing plaatsvindt (28325, nr. 306).

In stemming komt de motie-Steen (28325, nr. 305).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Steen/Nobel (28325, nr. 306).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Staat van de Volkshuisvesting

Stemmingen moties Staat van de Volkshuisvesting

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting,

te weten:

  • de motie-De Hoop c.s. over een evaluatie van de Wet betaalbare huur voordat aanpassingen worden voorgesteld (32847, nr. 1408);
  • de motie-Grinwis/Steen over de systematiek van en uitzonderingsruimte voor passend toewijzen tegen het licht houden (32847, nr. 1409);
  • de motie-Beckerman over een huurbevriezing invoeren voor zolang de door de oorlog veroorzaakte energiecrisis voortduurt (32847, nr. 1410);
  • de motie-Beckerman over een plan om de stijging van de huren te beteugelen (32847, nr. 1411);
  • de motie-Steen over een methodiek en instrumentarium om maatschappelijke baten mee te nemen in businesscases van bouwprojecten (32847, nr. 1412);
  • de motie-Nobel over het woningwaarderingsstelsel indexeren met de consumentenprijsindex plus één procentpunt (32847, nr. 1413);
  • de motie-Russcher over een pilot waarbij starters op basis van hun huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur (32847, nr. 1415);
  • de motie-Van Leijen over onderzoeken hoe het Utrechtse model voor woningdelen landelijk kan worden ingevoerd (32847, nr. 1416);
  • de motie-Van der Plas over direct stoppen met handhaving op permanente bewoning van recreatiewoningen (32847, nr. 1417);
  • de motie-Clemminck over onderzoeken of de Rotterdamse aanpak voor dakloze arbeidsmigranten landelijk kan worden toegepast (32847, nr. 1418);
  • de motie-Mooiman over gemeenten oproepen terughoudend te zijn met het verhogen van bouwleges (32847, nr. 1419);
  • de motie-Mooiman over toelichten welke doorbraaklocaties niet zijn geselecteerd (32847, nr. 1420);
  • de motie-Mooiman over landelijke richtlijnen voor een uniforme en vereenvoudigde toepassing van de Wet Bibob bij woningbouwprojecten (32847, nr. 1421);
  • de motie-Mooiman over provincies oproepen geen alternatief beleid te ontwikkelen voor de Ladder voor duurzame verstedelijking bij woningbouw (32847, nr. 1422);
  • de motie-Mooiman c.s. over in gesprek met de provincie Zuid-Holland een doorbraak forceren voor de woningbouwprojecten Straathof te Rijpwetering en Zuidrand te Oud Ade (32847, nr. 1423).

In stemming komt de motie-De Hoop c.s. (32847, nr. 1408).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Steen (32847, nr. 1409).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Meneer Grinwis?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

U was scherper dan wij. Wij waren inderdaad vóór de motie op stuk nr. 1408.

De voorzitter:

We noteren het. Dank u wel. Dat doet me goed.

In stemming komt de motie-Beckerman (32847, nr. 1410).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdD, DENK, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Beckerman (32847, nr. 1411).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, de PvdD, DENK, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Steen (32847, nr. 1412).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de fractie van Lid Keijzer ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Russcher (32847, nr. 1415).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Van Leijen (32847, nr. ??, was nr. 1416).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (32847, nr. 1417).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Clemminck/Nobel (32847, nr. ??, was nr. 1418).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Mooiman (32847, nr. 1419).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Mooiman (32847, nr. 1420).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Mooiman (32847, nr. 1421).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Mooiman (32847, nr. 1422).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Mooiman c.s. (32847, nr. 1423).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Fiscaliteit

Stemmingen moties Fiscaliteit

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Fiscaliteit,

te weten:

  • de motie-Hoogeveen/Grinwis over het herijken van de raming van het budgettaire beslag (32140, nr. 291);
  • de motie-Hoogeveen over onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren (32140, nr. 292);
  • de motie-Hoogeveen over onderzoek naar een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3 (32140, nr. 293);
  • de motie-Grinwis/Oosterhuis over een geleidelijker transitiepad voor de youngtimerregeling (32140, nr. 294);
  • de motie-Stultiens over bij het komende Belastingplan de belastingen op inkomen en arbeid verlagen (32140, nr. 296);
  • de motie-Inge van Dijk/Van Eijk over fiscale regelingen met hoge administratieve lasten inventariseren en concrete vereenvoudigingsvoorstellen uitwerken (32140, nr. 297);
  • de motie-Inge van Dijk/Van Eijk over oplossingsrichtingen voor de onwenselijke effecten van de pseudo-eindheffing (32140, nr. 298);
  • de motie-Vermeer over de gevolgen van grenstoerisme voor de economische activiteit nauwkeurig integraal onderzoeken (32140, nr. 299);
  • de motie-Vermeer/Van der Plas over de tulpentaks niet invoeren (32140, nr. 300).

In stemming komt de motie-Hoogeveen/Grinwis (32140, nr. 291).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, Volt, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Hoogeveen (32140, nr. 292).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Hoogeveen (32140, nr. 293).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Oosterhuis (32140, nr. 294).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Stultiens (32140, nr. 296).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de ChristenUnie, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Inge van Dijk/Van Eijk (32140, nr. 297).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Inge van Dijk/Van Eijk (32140, nr. 298).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Vermeer (32140, nr. 299).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Vermeer/Van der Plas (32140, nr. 300).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemmingen moties Advies NZa deel 2 budgetbekostiging acute verloskunde (AV)

Stemmingen moties Advies NZa deel 2 budgetbekostiging acute verloskunde (AV)

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Advies NZa deel 2 budgetbekostiging acute verloskunde (AV),

te weten:

  • de motie-Wiersma over een landelijk actieplan voor bereikbare acute verloskunde (29247, nr. 482);
  • de motie-Maeijer over een aanwijzing geven aan de NZa om een pilot te starten voor budgetbekostiging voor de acute verloskunde (29247, nr. 483);
  • de motie-Dobbe over maatregelen om te voorkomen dat acute verloskunde uit nog meer ziekenhuizen verdwijnt (29247, nr. 484);
  • de motie-Bushoff/Vliegenthart over de toegankelijkheid van de acute verloskunde waarborgen (29247, nr. 485);
  • de motie-Claassen over een escalatiemechanisme bij structurele schending van de zorgplicht (29247, nr. 486).

In stemming komt de motie-Wiersma (29247, nr. 482).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Lid Keijzer en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Maeijer (29247, nr. 483).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, Volt, de PvdD, DENK, BBB, Lid Keijzer, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Dobbe (29247, nr. 484).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD, DENK, de SGP, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Bushoff/Vliegenthart (29247, nr. 485).

De voorzitter:

Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de nader gewijzigde motie-Claassen (29247, nr. ??, was nr. 486).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze nader gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Toegankelijkheid van de huisartsenzorg

Stemmingen moties Toegankelijkheid van de huisartsenzorg

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Toegankelijkheid van de huisartsenzorg,

te weten:

  • de motie-Dobbe over vastleggen dat het waarborgen van voldoende praktijkruimtes voor huisartsen een publieke verantwoordelijkheid is (33578, nr. 173);
  • de motie-Dobbe over regelen dat private-equitypartijen worden geweerd uit de huisartsenzorg (33578, nr. 174);
  • de motie-Wiersma over het vergroten van het aantal regionale opleidingsplaatsen voor huisartsen (33578, nr. 175).

In stemming komt de motie-Dobbe (33578, nr. 174).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, de PvdD, DENK, de SGP, de ChristenUnie, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Wiersma (33578, nr. 175).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Staat van de infrastructuur

Stemmingen moties Staat van de infrastructuur

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Staat van de infrastructuur,

te weten:

  • de motie-Heutink/Bikkers over voor infrastructuur beschikbare middelen zo goed en zo snel mogelijk inzetten (36800-A, nr. 42);
  • de motie-Heutink over zeker twee MIRT-projecten afronden voor toevoeging van een nieuw project (36800-A, nr. 43);
  • de motie-Heutink over per kalenderjaar zeker één wegaanlegproject realiseren (36800-A, nr. 44);
  • de motie-Zalinyan/De Hoop over onderzoeken hoe maatschappelijke kosten zoals die voor aanleg en onderhoud zijn verdeeld over groepen gebruikers (36800-A, nr. 45);
  • de motie-Bikkers over in het afwegingskader voor infrastructuurprojecten expliciet rekening houden met de realisatietermijn (36800-A, nr. 46);
  • de motie-Bikkers over in het afwegingskader voor infrastructuurprojecten rekening houden met de bijdrage aan de economische ontwikkeling (36800-A, nr. 47);
  • de motie-Grinwis/Stoffer over instandhouding en veiligheid vooropstellen in het afwegingskader (36800-A, nr. 48);
  • de motie-Emiel van Dijk/Vlottes over van de motorrijtuigenbelasting een doelbelasting maken (36800-A, nr. 49);
  • de motie-Emiel van Dijk/Vlottes over ondubbelzinnig afstand nemen van plannen die een beslag leggen op (on)gerealiseerde waardestijgingen van woningen (36800-A, nr. 50);
  • de motie-Stoffer/Grinwis over de betekenis van de apparaatstaakstelling voor de uitvoeringscapaciteit bij Rijkswaterstaat in kaart brengen (36800-A, nr. 51);
  • de motie-Van Leijen over de uitvoerbaarheid betrekken bij het afwegingskader (36800-A, nr. 53);
  • de motie-Boelsma-Hoekstra c.s. over meekoppelende belangen op het gebied van woningbouw, regionale economie, weerbaarheid en defensie meewegen in het afwegingskader (36800-A, nr. 54);
  • de motie-Boelsma-Hoekstra/De Hoop over het bredewelvaartskader meewegen in het afwegingskader (36800-A, nr. 55);
  • de motie-Van der Plas over het alternatieve plan met gescheiden verbinding als uitgangspunt nemen voor de tijdelijke fiets- en voetgangersbrug bij de Gerrit Krolbrug (36800-A, nr. 56);
  • de motie-Goudzwaard over de impact op de bereikbaarheid meewegen bij de prioritering van de instandhoudingsopgave (36800-A, nr. 57);
  • de motie-Goudzwaard over dure levensduurverlengende maatregelen voorkomen bij kunstwerken die het einde van hun levensduur naderen (36800-A, nr. 58).

In stemming komt de motie-Heutink/Bikkers (36800-A, nr. 42).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Heutink (36800-A, nr. 43).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Heutink (36800-A, nr. 44).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, DENK, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Zalinyan/De Hoop (36800-A, nr. 45).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bikkers (36800-A, nr. 46).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, JA21, Lid Keijzer en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bikkers (36800-A, nr. 47).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis/Stoffer (36800-A, nr. 48).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Emiel van Dijk/Vlottes (36800-A, nr. 49).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Emiel van Dijk/Vlottes (36800-A, nr. 50).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, DENK, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Stoffer/Grinwis (36800-A, nr. 51).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de fractie van Lid Keijzer ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Leijen (36800-A, nr. 53).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21 en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boelsma-Hoekstra c.s. (36800-A, nr. 54).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boelsma-Hoekstra/De Hoop (36800-A, nr. 55).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de ChristenUnie, JA21, BBB en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (36800-A, nr. 56).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, de PvdD, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Goudzwaard (36800-A, nr. 57).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Goudzwaard (36800-A, nr. 58).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemming motie Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026

Stemming motie Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026

Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026,

te weten:

  • de motie-Ceulemans over concrete scenario's om de verplichte loondoorbetaling bij ziekte te verkorten (36800-XV, nr. 65).

In stemming komt de gewijzigde motie-Ceulemans (36800-XV, nr. ??, was nr. 65).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van D66, Volt, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Lid Keijzer, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Dat waren de stemmingen. Ik schors kort, waarna we verdergaan met de regeling van werkzaamheden.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is de regeling van werkzaamheden.

Ik deel aan de Kamer mee dat de vaste commissie voor Defensie het lid Paternotte tot voorzitter heeft gekozen en het lid Ten Hove tot ondervoorzitter.

Ik deel aan de Kamer mee dat de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het lid Den Hollander tot voorzitter heeft gekozen en het lid Hamstra tot ondervoorzitter.

Op verzoek van de fractie van de VVD benoem ik:

  • in de contactgroep Frankrijk de leden Maes en Van der Maas tot lid;
  • in de contactgroep Duitsland de leden Maes en Meulenkamp tot lid;
  • in de contactgroep Verenigd Koninkrijk het lid De Beer tot lid;
  • in de contactgroep Verenigde Staten de leden De Beer, Maes en Ellian tot lid;
  • in de vaste commissie voor Asiel en Migratie het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Defensie het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature, het lid de Beer tot lid in plaats van het lid Den Hollander en het lid Den Hollander tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid De Beer;
  • in de vaste commissie voor Digitale Zaken het lid Verkuijlen tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Economische Zaken het lid Verkuijlen tot lid in de bestaande vacature, het lid Bikkers tot lid in plaats van het lid Den Hollander en het lid Den Hollander tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Bikkers;
  • in de vaste commissie voor Europese Zaken het lid Verkuijlen tot lid in plaats van het lid Den Hollander en het lid Den Hollander als plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Financiën het lid Verkuijlen tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid het lid Bikkers tot lid in de bestaande vacature en het lid Verkuijlen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Bikkers;
  • in de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het lid De Beer tot lid in plaats van het lid Den Hollander;
  • in de commissie voor de Rijksuitgaven het lid Schutz tot lid in plaats van het lid Den Hollander en het lid Den Hollander tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Schutz.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:

  • het tweeminutendebat Armoede- en schuldenbeleid (CD d.d. 26/03), met als eerste spreker het lid Flach van de SGP;
  • het tweeminutendebat Ggz/suïcidepreventie (CD d.d. 26/03), met als eerste spreker het lid Synhaeve van D66.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de heer El Abassi voor zijn verzoek. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Dank, voorzitter. Zoals ik had aangegeven, wil ik twee debataanvragen samenvoegen.

Voorzitter. Ik heb hier vaker debatten aangevraagd over de veiligheid van religieuze instellingen. Afgelopen week was het weer raak: een moskee in Almere had weer last van intimidatie en bedreiging. Niet alleen een moskee, maar ook een synagoge is aangevallen. Wat ons betreft is er geen ruimte voor haat, bedreiging en intimidatie. Daarom zou ik het dertigledendebat dat wij hebben staan over de veiligheid van religieuze instellingen willen omzetten naar een meerderheidsdebat.

De voorzitter:

Dat betreft dus een samenvoeging van de eerste twee voorstellen die u heeft gedaan, toch?

De heer El Abassi (DENK):

Ja.

De voorzitter:

Ik ga kijken of daar steun voor is.

De heer Krul (CDA):

Steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik twijfel een beetje. Er wordt namelijk ook een antisemitismedebat ingepland en dit valt daar eigenlijk ook onder. Er is nog een debat over terrorisme en extremisme op 27 mei. Er is nog een commissiedebat op 21 mei over discriminatie, racisme en mensenrechten. Dat is dus allemaal veel sneller. Daarom twijfel ik dus een beetje.

De voorzitter:

Dus wat betekent dat?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat betekent dat ik het verzoek niet steun.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Steun, voorzitter.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ik sluit me aan bij de woorden van mevrouw Van der Plas: geen steun.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Ik sluit me ook bij die woorden aan.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Geen steun.

Mevrouw Faber (PVV):

Geen steun, want er is ook nog een debat naar voren getrokken betreffende antisemitisme. Daar kan het prima bij.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Het verzoek ging niet over antisemitisme, maar over religieuze instellingen die aangevallen worden. Het is jammer dat ik geen meerderheid heb, maar volgens mij heb ik wel genoeg voor een dertigledendebat. Ik had er al een staan, dus dat wil ook behouden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dat stond nog op de lijst, ja. Dank u wel.

Het woord is aan de heer Claassen voor zijn verzoek namens Groep Markuszower. Gaat uw gang.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Voorzitter. De minister van VRO is misschien nieuw hier, maar heeft ruim 30 jaar ervaring als bestuurder bij het ministerie van Defensie. Daar zou je toch meer van mogen verwachten. Tot nu toe geeft haar handelen niet veel vertrouwen in haar kunde om het parlement juist en tijdig, en overigens ook via de juiste kanalen, te voorzien van informatie. Die informatie is vervolgens ook nog eens onjuist, met als doel te onderbouwen dat we in Nederland met schaarste moeten leven in plaats van investeren om onze welvaart te behouden. In de beantwoording van de schriftelijke vragen wordt niet overtuigend duidelijk wat nu de aanleiding en de overwegingen zijn geweest om haar handelen te rechtvaardigen. We krijgen zelfs nog geen excuus. Daarom wil ik graag een debat met de minister van VRO, en misschien ook wel met de minister-president, om inzicht te krijgen in welke keuze de minister wil maken om de juiste parlementaire wegen te bewandelen. Als dat niet duidelijk wordt, moet de zogenaamde "D66-pleister" maar verwijderd worden.

De voorzitter:

Ik ga kijken of er steun is voor dit voorstel.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Wij hebben dit vorige week, als Progressief Nederland …

De voorzitter:

Als wat?

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

… gekwalificeerd als een "beginnersfout", maar de minister heeft twee keer een brief geschreven en daarmee is wat ons betreft de kous nu af. Ik word ook een beetje moe van de gretigheid op rechts om deze minister het moeilijk te maken. Laten we gewoon debatten voeren over Wonen met deze minister, want daar is behoefte aan.

De voorzitter:

Ja, en u spreekt hier namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Steun voor het debat.

De heer Nobel (VVD):

Vanuit de VVD geen steun.

De heer Mooiman (PVV):

Steun voor het debat.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Ook steun voor het debat.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Claassen.

Het woord is aan mevrouw Vondeling voor haar verzoek namens de PVV.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Het COA dwingt gemeenten om opvanglocaties voor asielzoekers langer open te houden en neemt daarbij de gemaakte afspraken met lokale overheden volledig op de hak. Terwijl het hele land bezwijkt onder de asielchaos weigert de minister van Asiel en Migratie de massale instroom te stoppen. In plaats daarvan is hij alleen nog maar bezig met het creëren van nog meer opvangplekken. Vorige week nog smeekte de minister gemeenten om meer opvangplekken. De situatie loopt volledig uit de hand. Daarom wil ik heel snel een plenair debat met de minister van Asiel en Migratie.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter. Het staat in heel veel gemeenten echt op ontploffen. Het reguliere commissiedebat Asiel en Migratie is ook nog eens uitgesteld. Het is dus echt belangrijk om op korte termijn een plenair debat over Asiel en Migratie te hebben, dus steun voor het verzoek.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Steun voor het debat.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Wel voor een dertigledendebat? Dan mag het op de lijst.

De voorzitter:

Ja, we zetten het erbij.

Het woord is aan mevrouw Moinat voor haar verzoek namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank u, voorzitter. Ik wil graag in debat met de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht Honderden onhandelbare jongeren voor miljoenen gedumpt op vakantieparken. We hebben vanmorgen in het mondelinge vragenuurtje de minister bevraagd, maar alle Kamerleden die haar bevraagd hebben, hebben nog niet het gewenste antwoord gekregen, vandaar een debataanvraag.

De voorzitter:

Ik ga kijken of daar steun voor is.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter. Er is zo ontzettend veel mis in de jeugdzorg en volgens mij is er toch echt brede ontevredenheid in de Kamer over de antwoorden. Het is steeds te kort om het bij een mondelinge vraag dan wel een commissiedebat te bespreken, dus ik zou heel graag voor de jeugd en de jeugdzorg, en alle misstanden die daarbij aanwezig zijn, zo snel mogelijk een plenair debat willen aanvragen.

De voorzitter:

Ja. Wat betekent dat? U steunt dat dus?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ja, inderdaad. Een plenair debat, zo breed als ik het net heb geschetst, is mijn verzoek.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Prima idee!

Mevrouw Van Meetelen (PVV):

Voorzitter, ik heb het volgende. Mevrouw Coenradie had vanmorgen ook deze debataanvraag erop staan. Die is eraf gehaald, om een breder debat ervan te maken. Ik zou dat ook eventueel willen, maar dan wel met de zekerheid dat we nu dan ook met z'n allen besluiten om er een breed plenair debat van te maken. Als dat niet het geval is, blijft mijn debataanvraag van daarstraks staan.

De voorzitter:

We stemmen echt over het voorstel dat hier staat, want anders wordt het wel héél ingewikkeld.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter, steun voor het debat. Ik zou daar ook graag een brief over willen hebben, met specifiek ook aandacht voor de rol van de inspectie.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Steun voor het debat, maar ik bouw toch even voort op wat er net gezegd is, want volgens mij zijn er nog twee andere verzoeken die hier eigenlijk ook aan raken, namelijk die van mevrouw Van Meetelen en mevrouw Coenradie, in ieder geval als het gaat over jongeren in de jeugdzorg in Hoenderloo. Ik denk dus dat de opmerkingen die hiervoor zijn gemaakt, sloegen op de verbreding daarvan naar de jeugdhulp en de jeugdbescherming.

De voorzitter:

We doen het even stap voor stap.

Mevrouw Wendel (VVD):

Ik steun wat mevrouw Synhaeve net schetste. Tegelijkertijd hebben we in de strategische pv ook jeugd geprioriteerd, dus mocht het in een commissiedebat nog sneller kunnen, heel graag — dan kan dat ook — maar ik steun dit verzoek.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun voor dit verzoek.

De heer Krul (CDA):

Even stap voor stap: we kunnen die verschillende verzoeken straks ook nog samenvoegen, dus ik steun dit verzoek en ook het andere en laten we dan kijken wat we kunnen samenvoegen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Ik vroeg in het vragenuurtje gewoon om een brief over twee weken om duidelijk te maken wat ze nou concreet gaat doen. Dit komt namelijk niet uit de lucht vallen. Zoals ze zelf zei, is het beleid vier jaar geleden gewijzigd. Er wordt al vier jaar aan gewerkt. Blijkbaar is er geld over en toch zitten er jongeren — kinderen! — in vakantieparken. Ik wil binnen twee weken een brief over wat ze gaat doen. Steun voor dit verzoek.

De voorzitter:

"Ze" is in dit geval de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Excuus, voorzitter, de minister van Jeugd.

De voorzitter:

Zo is dat.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Steun, ook voor een brief. Als er dan toch een brief komt, zou ik ook graag een update willen van het excuses- en hersteltraject, dat de jongeren in de gesloten jeugdzorg is beloofd, ook omdat ik in de Voorjaarsnota helemaal niets las over dat excuses- en hersteltraject. Ik had eigenlijk wel verwacht daarover iets te lezen.

De voorzitter:

We geleiden dat door naar het kabinet.

De heer El Abassi (DENK):

Steun, ook voor een brief.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Steun, ook voor de brief en ook steun om al die debatten samen te gaan voegen; dat lijkt me wel zo makkelijk.

De voorzitter:

U heeft een meerderheid, mevrouw Moinat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Mooi. Laten we de debatten inderdaad samenvoegen.

De voorzitter:

Ik zie ook steun van mevrouw Wiersma, dus ook de BBB-fractie steunt het verzoek.

Ik geef meneer Dassen het woord voor zijn verzoek.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter. Mijn eerste verzoek is hetzelfde verzoek als mijn verzoek van vorige week. Dat gaat erover dat de Amerikaanse wetgever bij tien bigtechbedrijven gevoelige data heeft opgevraagd over Europese ambtenaren en over gesprekken die zij gevoerd hebben. Het lijkt mij zeer verstandig als wij als Kamer een plenair debat voeren over hoe je daarmee omgaat en wat de Europese alternatieven zijn, juist om dit in de toekomst te kunnen voorkomen.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Steun.

Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):

Steun.

Mevrouw Wendel (VVD):

Voorzitter. Volgens mij is het goed om een breder debat over onlinekinderrechten te voeren, bij voorkeur in een commissie, maar als dat niet sneller kan, dan steun ik dit debat.

De heer Van Baarle (DENK):

Steun.

De heer Jumelet (CDA):

Steun, voorzitter.

Mevrouw Beckerman (SP):

Steun, maar werd er net niet over het volgende verzoek een oordeel gegeven door de VVD?

De voorzitter:

Klopt. Mevrouw Wendel?

Mevrouw Beckerman (SP):

Mevrouw Wendel, u heeft een oordeel gegeven over het vólgende verzoek op de lijst in plaats van over dit verzoek. Maar goed, wij geven steunen.

De voorzitter:

En steunt u het onderhavige verzoek of steunt u het niet?

De heer Verkuijlen (VVD):

Namens de VVD zeg ik: wij steunen het niet, maar wij zouden wel graag van het kabinet een brief willen ontvangen.

De voorzitter:

We noteren het.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Steun.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mede namens de SGP: steun.

De voorzitter:

U heeft een meerderheid, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Het volgende verzoek.

De heer Dassen (Volt):

Het volgende verzoek gaat over een rechterlijke uitspraak in de Verenigde Staten over de gevoeligheid voor kinderen voor verslaving en hun rechten op dat gebied; Facebook heeft die zaak verloren. Het lijkt mij gezien het belang van die uitspraak verstandig om daar spoedig een debat over te voeren, om ook hier over te gaan op erkenning van deze verslaving en van de gevolgen die die verslaving heeft voor onze samenleving.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is.

Mevrouw Wendel (VVD):

Mijn vurige pleidooi van net was uiteraard voor dit verzoek bedoeld. Excuus.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dat is ook opmerkelijk. Maar steun voor het verzoek.

De heer Van Baarle (DENK):

Steun.

Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):

Grandioze overwinning voor iedereen die strijdt voor een veilige en gezonde onlineleefwereld, dus van harte steun.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Het is hartstikke belangrijk, dus steun. Graag het debat breder trekken dan alleen deze casus, dus zodanig dat het over onlineveiligheid van kinderen op social media gaat.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Steun.

Mevrouw Beckerman (SP):

Steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

De voorzitter:

U heeft een meerderheid, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Ik zie meneer Ceulemans staan, maar die neemt … Mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Mag ik een punt van orde maken?

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik heb een punt op de regeling van werkzaamheden gezet, maar ik zag dat er een meerderheid is voor een debatverzoek van het lid Moinat. Ik zou mijn punt op de regeling van werkzaamheden willen intrekken als we dat bij dit verhaal kunnen betrekken, zodat er één groot plenair debat komt.

De voorzitter:

Eén plenair debat; daar hebben wij ook een meerderheid voor genoteerd. Dat gaan we dus doen. U heeft uw verzoek dus ingetrokken.

Het woord is aan meneer Ceulemans namens JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Dank, voorzitter. Afgelopen donderdag zagen we een brief van minister Van den Brink aan alle Nederlandse gemeenten. Die brief werd ook wel als "smeekbrief" gekwalificeerd en bevatte de oproep om oplopend tot 7.900 nieuwe noodopvangplekken voor asielzoekers en statushouders op te leveren. Het asielbeleid loopt op alle mogelijke manieren vast, met dit soort lapwerk tot gevolg en met grote gevolgen voor maar geen draagvlak onder de samenleving. Ik verzoek om een debat hierover met de minister van Asiel en Migratie.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Steun.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Krul (CDA):

Geen steun.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Steun.

De heer Van Baarle (DENK):

Geen steun.

De heer Ellian (VVD):

We hebben in de commissie over twee weken een debat hierover. Laten we dit daar doen. Dus geen steun.

Mevrouw Jagtenberg (D66):

Geen steun.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Er staat een commissiedebat. Dus geen steun voor dit verzoek.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid.

De heer Ceulemans (JA21):

Dat debat gaat over de Spreidingswet, niet hierover.

De voorzitter:

Toch heeft u geen meerderheid.

Meneer Van den Berg krijgt het woord voor zijn verzoek namens JA21.

De heer Van den Berg (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil de Kamer vragen om de behandeling van de amendementen over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten met een week uit te stellen. We hebben een zeer goed inhoudelijk debat gehad, maar het blijven twee complexe wetten. Zij zijn echter wel belangrijk voor de weerbaarheid van Nederland. Om die amendementen zorgvuldig met de Kamer voor te bereiden, willen wij graag vragen om een week uitstel van de stemmingen.

De voorzitter:

Die stemmingen staan op dit moment dus gepland voor volgende week. Ik kijk of er een meerderheid is voor uitstel. Dat wil ik graag horen.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Op zich steun, mits het dus geen impact heeft op de implementatie van deze twee wetten, want die zijn al vertraagd.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Steun.

De heer Krul (CDA):

Prima, voorzitter.

De heer Stöteler (PVV):

Steun.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Mede namens Partij voor de Dieren: steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Prima.

Mevrouw Beckerman (SP):

Geen bezwaar, prima.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Mede namens ChristenUnie: steun.

De voorzitter:

We gaan het zo doen.

De heer Van den Berg (JA21):

Nou, dank aan de Kamer, voorzitter.

De voorzitter:

U heeft nog een tweede verzoek.

De heer Van den Berg (JA21):

Ja. Voorzitter. Uit een bericht vanuit Netbeheer Nederland blijkt dat de kosten voor energie-infrastructuur tot ongekende hoogten zullen stijgen als we op het huidige ondoordachte elektrificatiepad doorgaan. De 269 miljard euro die tot 2040 geïnvesteerd moet worden, moet ergens van betaald worden. In het bericht zien we dat een verdubbeling van de netwerktarieven voor huishoudens een optie is en in 2027 zouden die kosten al met 40% kunnen stijgen. Gezien de huidige energiekosten lijkt het me geen goed idee om huishoudens dit ook alvast in het vooruitzicht te stellen. Daarom wil ik hierover een debat met de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, en specifiek over netcongestie.

De voorzitter:

Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun. Mocht er een meerderheid komen, dan kan het commissiedebat Betaalbare energierekening komen te vervallen.

De voorzitter:

Dat kunt u inderdaad via de vaste Kamercommissie regelen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat laat ik aan de heer Van den Berg.

De voorzitter:

Ja, steun dus.

De heer Jumelet (CDA):

Voorzitter, geen steun. Ik zou het juist willen betrekken bij het commissiedebat Betaalbare energierekening.

Mevrouw Müller (VVD):

Ook geen steun. We hebben vier commissiedebatten staan, onder andere eentje op 22 april, over netcongestie.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Met andere kwalificaties dan die nu naar voren gebracht worden, wil Progressief Nederland het wel steunen.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Voorzitter, even een punt van orde. Er gaat hier toch echt wat mis, volgens mij. Volgens mij moeten wij nog stemmen over het gebruik van die naam.

Maar, voorzitter, ik heb wel zin in een debat over het slopen van windmolens. Dus laten we dat maar doen.

De voorzitter:

U heeft uw punt gemaakt.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun. Commissiedebat.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Het net kan het niet aan. Steun.

De heer Kops (PVV):

Steun.

De heer El Abassi (DENK):

Steun.

De voorzitter:

Ik maak echt eerst even dit punt af. Nee, mevrouw Bromet, we gaan eerst dit punt afmaken.

Mevrouw Beckerman (SP):

Steun voor het debat, uiteraard met andere kwalificaties dan hier gegeven worden.

De voorzitter:

Is er een meerderheid voor het verzoek van de heer Van den Berg? Dat is niet het geval.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik wil een punt van orde maken. Wij gaan zelf namelijk over hoe we onszelf noemen. Ik begrijp dat de Kamer daar nog een besluit over moet nemen — dat respecteren wij ook — maar wij mogen de woorden gebruiken die we zelf kiezen.

De voorzitter:

Het punt is dat de voorzitter niet kan gaan over de woorden die individuele Kamerleden kiezen, maar ik zeg er wel bij tegen de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid dat vanuit de voorzitter, vanuit de Kamerleden van andere fracties en vanuit vak K echt nog wel de fractienaam GroenLinks-Partij van de Arbeid gebezigd zal blijven worden, in ieder geval tot nader order. We zullen zien hoe dat verdergaat.

Mevrouw Lammers krijgt het woord. Dat wordt de heer Markuszower? U bent elkaar ook zo goed aan het afwisselen, heel goed. Gaat uw gang, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Ik kom bij het eerste verzoek. Dat is inderdaad namens mevrouw Lammers, maar zij is wel van dezelfde fráctie, die u "groep" blijft noemen. Het lid Lammers wil een debat met de minister van Asiel en Migratie over het bericht dat de no-gozones in Europa zich uitbreiden. In dat artikel wordt migratie gezien als het sleutelprobleem en wij willen daar graag een debat over. Onze straten worden namelijk steeds onveiliger, onze dochters kunnen niet meer veilig over straat en onze zussen, moeders en vrouwen ook niet. Daar moet dus iets aan gedaan worden.

De voorzitter:

Ik ga kijken of daar steun voor is.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter. Steun voor dit debat, maar net als bij de jeugdzorg constateer ik ook hierbij dat er allemaal verschillende, versnipperde verzoeken zijn. Misschien is het handig om die van tevoren te bundelen. Dat maakt de kans op steun voor een debat misschien ook wat groter. Maar ik steun dit debat.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter. Wij vinden het heel urgent dat er gewoon op korte termijn een plenair asieldebat komt. Er zijn net twee verzoeken van mevrouw Vondeling en van mij afgewezen en ik heb niet de illusie dat er voor dit verzoek wel een meerderheid komt, maar ik steun ze bij voorbaat alle drie.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Voorzitter. Ik noem mezelf vandaag maar "de vereniging voor Volendammers" en ik steun dit verzoek.

De heer Krul (CDA):

Voorzitter. Ik spreek niet namens de vereniging voor Volendammers. Er zijn meerdere asieldebatten aangevraagd en ik denk dat het goed is om binnenkort plenair door te praten over asiel, maar laten we dingen dan clusteren en dit soort debatten niet afzonderlijk inplannen. Voor dit verzoek dus geen steun, maar als er zaken samengevoegd kunnen worden, verandert dat mogelijk.

De voorzitter:

Meneer Markuszower, u wilt iets zeggen, maar ik wil eerst even alle collega's beluisteren. Anders wordt het zo'n janboel. Meneer Russcher.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Steun.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

De heer Van Baarle (DENK):

Geen steun.

De heer Ellian (VVD):

Ik sluit me aan bij de woorden van collega Krul: geen steun.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Mag ik dan nog een ordevoorstelletje doen? Mag ik al die asieldebatten die op de lijst staan, bundelen?

De voorzitter:

Tot één debat?

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Tot één debat. Dat is dus eigenlijk de suggestie van mevrouw Van der Plas. En dan heb ik volgens mij ook de meerderheid met Krul en Ellian.

De voorzitter:

Maar dan zegt u … Dan gaan we even zakendoen. U heeft drie debataanvragen en u wilt die bundelen tot één debat.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Ja, als dat mag, en wat mij betreft ook de verzoeken van mevrouw Vondeling …

De voorzitter:

Nou, u gaat over uw eigen debatten. Ik ga dat voorstel in stemming brengen. De heer Markuszower stelt voor om één debat te voeren en daarin alle drie de debatten te bundelen. Ik kijk of daar een meerderheid voor is.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Heel verstandig en heel goed. Steun.

De heer Ceulemans (JA21):

Exact wat ik zonet zei. Ik wil gewoon een plenair asieldebat, en hoeveel er daarvoor samengevoegd worden, kan me niet zo veel schelen. Ik wil gewoon op korte termijn een plenair asieldebat.

De heer Krul (CDA):

Voorzitter. Ik meen mij te herinneren dat iemand ooit zei dat we tijdens de regeling geen nieuwe voorstellen moeten doen, maar goed. Als dat nu wel gebeurt, geven wij steun voor een plenair debat over asiel, bestaande uit verschillende aanvragen geclusterd. Steun daarvoor.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter. Wat mij betreft staan er echt voldoende momenten op de agenda om het over asiel te hebben. Ook voor dit gebundelde voorstel dus geen steun.

Mevrouw Vondeling (PVV):

Steun voor een debat over asiel, maar dan vraag ik me af of we daarbij dan ook terrorisme gaan meenemen. Anders wil ik graag een debat aanvragen over terrorisme.

De voorzitter:

De heer Markuszower doet nu één voorstel. Dat ligt voor. Wat daaronder valt, kunt u zelf betrekken bij het debat. U gaat zelf over uw woorden; dat heb ik zojuist ook al bij een andere fractie aangegeven.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Steun.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Geen steun. In de procedurevergadering kunnen we overleggen om te komen tot een goed plenair debat, want daar zijn we altijd voor in.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Geen steun. We hebben ook ongelofelijk veel debatten over asiel en migratie. Daarom geen steun. Er staan vandaag ook nog ontzettend veel andere belangrijke onderwerpen op de lijst waar we nooit plenair over praten, dus vandaar.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Steun.

De heer Ellian (VVD):

Steun, voorzitter. Ik heb alle waardering voor hoe u voorzit, maar het is wel moeilijk te volgen. Maar ik ga akkoord met één plenair debat over asiel.

De voorzitter:

U heeft het dus wel gevolgd. Heel goed. U heeft een meerderheid, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Dank u wel.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Claassen voor zijn verzoek namens Groep Markuszower. Gaat uw gang, meneer Claassen.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Er wordt uitgegaan van 10 miljard aan zorgfraude. Het wordt steeds duidelijker dat dat maar het puntje van de ijsberg is en ook maar een lage inschatting. Steeds meer berichten duiken op waaruit blijkt dat ons zorgpremiegeld in de zakken van boeven, van tuig, terechtkomt. Zo wordt nu ook drugsgeld door criminelen witgewassen via pgb's, iets waar de Kamer al zo vaak over gesproken heeft en zich over uitgesproken heeft. We zien liever dat de regering dit soort praktijken met voorrang aanpakt in plaats van fors te bezuinigen op de zorg. Waar blijft de Wet integere bedrijfsvoering?

De voorzitter:

Uw voorstel.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Die wet ligt ondertussen al twee jaar op de plank, voorzitter. Daarom wil ik graag een debat met de ministers van VWS en JenV om te bespreken hoe zij deze ellende binnen hele korte tijd de kop in gaan drukken, criminelen op gaan pakken en het geld terugstorten op de rekening van VWS.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is.

Mevrouw Wendel (VVD):

Voorzitter. De VVD wil zorgfraude keihard aanpakken. Daarom spreken we hier graag over drie weken in het commissiedebat Goed bestuur over. Dat kan veel sneller dan door middel van dit voorgestelde plenaire debat. Dus geen steun hiervoor.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Steun.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Alles rondom zorgfraude zullen wij steunen, dus dit ook.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Heel goed dat we het vaker gaan hebben over het aanpakken van zorgfraude in plaats van hier steeds krokodillentranen te huilen over dat de zorgkosten de pan uit rijzen. We moeten zorgfraude aanpakken, ervoor zorgen dat zorg voor iedereen weer betaalbaar is en inderdaad beginnen bij de boeven die hun zakken vullen ten koste van zieke mensen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Dit is ernstig. Graag ontvang ik een brief van het kabinet met een reactie hierop, waarin aangegeven wordt wat ze hieraan gaan doen. Maar geen steun nu voor een plenair debat. Het kan in de commissie. Dit zeg ik mede namens de SGP-fractie.

Mevrouw Tijmstra (CDA):

Dit kan behandeld worden bij het geplande commissiedebat, dus geen steun.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Geen steun. Dat kan op 23 april.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Wel steun. Als we met elkaar het aanpakken van zorgfraude belangrijk vinden, dan moeten we het er ook met elkaar over hebben. Ik heb het dan over zorgfraude van organisaties en bedrijven, niet van mensen zelf. Het is goed om dat even te benoemen. We wachten inderdaad al twee jaar op een wet. De Kamer vraagt ook voortdurend: stuur die wet nou eens naar de Kamer. Laten we daar maar een plenair debat over hebben.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik sluit me aan bij de woorden van Kamerlid Westerveld, dus steun voor het debat.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Geen steun voor het debat, want er zijn best veel debatten waar dit thuis zou kunnen horen. Ik vind het wel een belangrijk onderwerp. Ik wil me aansluiten bij het voorstel van het lid Grinwis om wel een brief van het kabinet hierover te vragen.

De voorzitter:

Dat verzoek geleid ik door naar het kabinet. U heeft geen meerderheid, meneer Claassen.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik heb geen meerderheid, maar het is echt ridicuul om te bedenken dat dit gaat over goed bestuur en toezicht. Dit gaat over criminelen.

De voorzitter:

Ja. U heeft het gezegd.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dit past niet in dat commissiedebat. Eigenlijk is het een wanvertoning.

De voorzitter:

Waarvan akte.

Het woord is aan de heer Chris Jansen voor zijn debatverzoek namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Vorige week stond ik hier omdat de halve kottervloot niet kon uitvaren vanwege de dure dieselprijzen. Nu bereikte ons het bericht dat de Vissersbond vreest dat de hele vissersvloot, de hele kottervloot, niet kan uitvaren vanwege de gestegen dieselprijzen. Daarom verzoek ik wederom om een debat met de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur en dit dan graag op korte termijn.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is. Er is wat onrust in de zaal. Ik zou graag iedereen goed willen kunnen verstaan.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Meneer de voorzitter, mede namens de SGP steun voor dit debatverzoek. Wij ontvangen graag voorafgaand aan dat debat een brief van de staatssecretaris over hoe hij de zojuist aangenomen motie-Flach in dezen uitvoert.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun. Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Grinwis.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Steun.

Mevrouw Jagtenberg (D66):

Geen steun.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun. Ik sluit me ook aan bij de woorden van de heer Grinwis. Dit belangrijke debat moet spoedig plaatsvinden.

Mevrouw Wendel (VVD):

Geen steun. Dit kan bij het commissiedebat Landbouw- en Visserijraad.

De heer Lohman (CDA):

Geen steun. Het is belangrijk, maar het is al onder de aandacht gebracht van de staatssecretaris.

De heer Van Baarle (DENK):

Voorzitter. Het is goed om te spreken over de gevolgen van de oorlog. Dat kan het snelst in de commissie, dus geen steun voor dit verzoek.

De heer Ceulemans (JA21):

Steun.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Het is een drama, wat er met onze vissers gebeurt. Steun voor dit verzoek.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Jansen.

Het woord is aan mevrouw Beckerman voor haar verzoek namens de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):

Goedemiddag! Ik ben vandaag jarig.

(Geroffel op bankjes)

Mevrouw Beckerman (SP):

En in plaats van felicitaties zou ik graag de steun van collega's willen vragen voor een debat over het bericht "Bouw van minstens zeven megadatacenters gaat door, ondanks politiek verzet". Ik hoef dat volgens mij niet verder toe te lichten. Het leek mij goed om daarbij de minister van VRO uit te nodigen. Waarschijnlijk is het ook wel slim om de minister van KGG en de staatssecretaris van EZ uit te nodigen. Ik hoop nu natuurlijk op brede steun.

De voorzitter:

Dat doet u weer uiterst charmant. Ik ga kijken of daar steun voor is voordat ik u ga feliciteren.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Gefeliciteerd, natuurlijk. Graag een brief en we steunen dit van harte, zeker omdat het zo vriendelijk gevraagd is.

Mevrouw Kathmann (GroenLinks-PvdA):

Van harte gefeliciteerd en van harte steun.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Van harte, en dat geldt ook voor mijn steun.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ja, nu ben ik toch een beetje de party pooper. Ik feliciteer mevrouw Beckerman van harte, maar we steunen dit voorstel niet, helaas.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Proficiat. Van harte steun.

De heer Kops (PVV):

Idem, steun.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Van harte gefeliciteerd. Helaas steunen we het verzoek niet, want dit kan betrokken worden bij twee commissiedebatten, namelijk dat over ruimtelijke ordening en het debat van volgende week over digitale economie en infrastructuur.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Van harte gefeliciteerd. Normaal zouden wij fundamenteel tegen stemmen, maar omdat het je verjaardag is, krijg je onze steun.

De voorzitter:

Zie je, het werkt wel!

De heer El Abassi (DENK):

Gefeliciteerd en steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Van harte gefeliciteerd en steun.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Geen steun.

De heer Krul (CDA):

Én gefeliciteerd, én steun.

Mevrouw Beckerman (SP):

Kijk, een meerderheid, toch?

De voorzitter:

U heeft een meerderheid.

Mevrouw Beckerman (SP):

Nou, super! Ik hoop dat ik vaker zo jarig ben.

De voorzitter:

Met de hartelijke felicitaties. Maak er een mooie dag van, mevrouw Beckerman.

Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar verzoek.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. U en ik hebben vandaag een feestje te vieren en een paar anderen in deze Kamer ook, zoals de heer Grinwis en mevrouw Bikker. Het is vandaag namelijk precies vijf jaar geleden dat wij hier — nou, niet hier, maar in het oude Tweede Kamergebouw — werden beëdigd, namelijk op 31 maart 2021. Er is een lustrum te vieren, dus ik hoop ook op steun voor mijn debatten.

De voorzitter:

Ik dacht dat u daarover een debat wilde gaan voeren.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nee, iedereen die vandaag een lustrum viert: van harte gefeliciteerd! Het waren roerige jaren; nog steeds.

Voorzitter. Ik sta hier om een debat aan te vragen — dat moet zo snel mogelijk maar in ieder geval voor de zomer plaatsvinden — met de minister en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur naar aanleiding van de Kamerbrief die wij vrijdag hebben ontvangen over de Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof. In het commissiedebat hadden wij het stikstof- en mestdebat al even uitgesteld, omdat we aan het wachten waren op een brief. Die brief is er nu. Ik las in de brief dat er ook nog wat brieven komen binnenkort. Omdat dit zo'n groot en veelomvattend onderwerp is, lijkt het me goed om daar een debat over te houden in de plenaire zaal en wel zo snel mogelijk, maar in ieder geval voor de zomer.

De voorzitter:

Ik ga kijken of daar steun voor is.

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, steun voor het verzoek en ook alvast voor het volgende verzoek van mevrouw Van der Plas. Dat scheelt weer lopen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Voorzitter, steun. Niet alles is altijd feestelijk, want de dag daarvoor werd mijn eerste termijn als Kamerlid beëindigd, mevrouw Van der Plas. Maar toch gefeliciteerd!

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Steun.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Volgens mij hadden we het debat deze week uitgesteld, omdat we nog zaten te wachten op een andere brief. Dat was een brief over een plan om de stikstofcrisis op te lossen. Ik steun het verzoek voor een plenair debat, maar dan wil ik wel graag eerst die brief gezien hebben. Anders praten we in de lucht.

De voorzitter:

Dat geleiden we door naar het kabinet.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Mede namens de ChristenUnie: steun.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

Mevrouw Beckerman (SP):

Gefeliciteerd! Steun, maar wel met dezelfde kanttekening als mevrouw Bromet al maakte, namelijk dat het goed is als het kabinet ook met díé brief komt. Daar moet ook wel wat tempo op zitten.

Mevrouw Wendel (VVD):

Geen steun. We zouden wel graag een schriftelijke reactie op de reacties uit het middenveld willen.

De heer Lohman (CDA):

Gefeliciteerd met de vijf jaar, maar geen steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

De heer Van Baarle (DENK):

Gefeliciteerd met de vijf jaar, inderdaad, voor iedereen die dat aangaat. Steun, met dien verstande dat ik ook de lijn van mevrouw Bromet steun.

De voorzitter:

Dan heeft u een meerderheid, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel. Heel fijn. Heel erg bedankt. Ik denk dat we het verzoek van mevrouw Bromet ook kunnen beschouwen ...

De voorzitter:

Zeker.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We verzoeken om dat door te geleiden aan de minister om daar zo snel mogelijk mee te komen.

De voorzitter:

Bij dezen!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja? Oké.

De voorzitter:

Uw volgende verzoek.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn volgende verzoek, ja! Een gerenommeerde ecoloog, Luigi Boitani, heeft zich uitgelaten over het wolvenbeleid in Nederland. Hij constateert ook dat de wolf zich razendsnel aan het aanpassen is en dat de wolf zelfs al zodanig aangepast is dat hij het stadspark in Groningen zou kunnen krijgen als leefgebied. Dat zijn niet mijn woorden, maar zijn woorden. Vervolgens lezen we over het gedrag van wolven die zich mengen onder de mensen. Dat is weliswaar in Duitsland. Daar is een vrouw in het gezicht gebeten in Hamburg. Ook is er vanochtend een wolf doodgereden op de A1. In 2025 waren er ongeveer duizend aanvallen op vee. Dat aantal loopt steeds meer op. Het zijn geen incidenten meer, maar dat is structureel.

De voorzitter:

Uw verzoek.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Van veeartsen horen wij dat zij inmiddels met PTSS-klachten kampen door wat zij in de weilanden aantreffen. Kortom, ik denk dat het hoog tijd is om een debat te houden over de aanwezigheid van de wolf in Nederland en over wat wij verder willen. Dat debat zou ik graag willen doen met de staatssecretaris van LVVN.

De voorzitter:

Ik kijk of u daar een meerderheid voor heeft.

Mevrouw Wendel (VVD):

Geen steun. Wij willen graag door op de ingeslagen weg van de staatssecretaris.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Opnieuw van harte steun voor dit verzoek van mevrouw Van der Plas, mede namens de SGP. Ik zou het kabinet willen oproepen om de AMvB voorafgaand aan het plenaire debat naar de Kamer te sturen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. BBB moet er wel bij vertellen dat de meeste dierhouders geen maatregelen nemen om hun dieren te beschermen. Wederom geen steun voor dit zinloze debat.

De heer Schoonis (D66):

Geen steun.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Lohman (CDA):

Geen steun.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Steun.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nee. Ook geen 30 leden, denk ik.

De voorzitter:

Ook niet, nee.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan gaat er binnenkort wat ergs gebeuren, en staat iedereen hier te steunen. Maar iedereen mag steunen of niet steunen. Dat mogen ze uiteraard zelf weten.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Het woord is aan …

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Tot gauw!

De voorzitter:

Tot gauw.

Het woord is aan meneer Jimmy Dijk voor zijn verzoek namens de SP.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter. Dan ga ik het ook gewoon zo proberen: mijn vrouw Mechteld is vandaag jarig.

(Hilariteit)

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ja! Het is een supermooie dag. Het was afgelopen weekend in Brussel echt hartstikke leuk. We hebben een prima weekend gehad. Ik hoop daarmee ook op uw vrolijkheid en uw steun voor een zeer serieuze zaak. Het gaat over oudere mensen die werkloos raken. We weten al jaren dat zij door werkgevers als kostenpost worden gezien, in plaats van dat ze een reële, eerlijke kans maken om een baan te krijgen als ze solliciteren. Daarvoor wil ik graag een debat aanvragen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voorzitter:

Ik kijk of u steun heeft.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Als je als oudere werkloos wordt, ben je nog lang niet jarig. Dus steun voor dit verzoek. Ik zou ook graag een brief hierover willen ontvangen.

De voorzitter:

Dat geleiden we door.

De heer Van Baarle (DENK):

Felicitaties en steun.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Steun.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Ik sluit me van harte aan bij de woorden van de heer Van Baarle, dus felicitaties en steun.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Felicitaties. Vandaag hebben de havens aangekondigd dat ze vijf dagen gaan staken, omdat ze niet pikken wat er nu gebeurt. Ik denk dat er maatschappelijk ook enorme behoefte is om dit goed te bespreken. Steun.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun.

De heer Neijenhuis (D66):

Voorzitter. Felicitaties. We hebben het hier vorige week over gehad en we hebben de komende weken ook nog een paar gelegenheden. Dus geen steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Proficiat en steun.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Voorzitter. We hebben het hier uitgebreid over gehad in het kader van de begroting twee weken terug. Dus geen steun voor dit verzoek.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Van harte gefeliciteerd. Helaas geen steun voor het verzoek.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Wel 30 leden, dus ik wil 'm graag daarbij zetten.

De voorzitter:

We zetten het erbij. En de felicitaties met uw vrouw

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u. Ik kon het proberen, hè?

De voorzitter:

Ja, natuurlijk.

Uw volgende verzoek.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik zal haar zo meteen even bellen om te zeggen dat ik het gebruikt heb om een meerderheid te krijgen, maar dat het niet gelukt is. Maar dank voor de felicitaties.

Mijn tweede verzoek gaat over het debat dat we afgelopen week ook hebben gevoerd. We zien dat de energiecrisis en de betaalbaarheidscrisis in Nederland steeds verder toenemen. Die nemen niet af maar toe. Voordat we een nieuw debat ingepland hebben, ben ik bang dat we weken verder zijn. Ik zou hier dus graag een debat willen hebben over de oplopende inflatie en de stijgende kosten van basisbehoeften in Nederland. Dat zou ik graag willen doen met de minister van Economische Zaken.

De voorzitter:

Ik kijk of u daar steun voor heeft.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Steun.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Het lijkt wel of we een onbarmhartig kabinet hebben, dus veel steun voor het verzoek.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun voor het verzoek.

De heer Neijenhuis (D66):

Ik meen me toch te herinneren hier vorige week nog met de heer Dijk de degens over te hebben gekruist, dus geen steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Steun voor het verzoek. Misschien is het handig dat ook de minister van Financiën daarbij komt.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Neijenhuis: geen steun.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Ik tel, denk ik, weer 30 leden. Ik zal het de komende weken ook blijven doen, dus dan weten jullie dat. Zoals mevrouw Van der Plas dit bij de wolf doet, vind ik dat dit bij de betaalbaarheidscrisis van Nederland moet, want dit probleem wordt niet kleiner, maar zal groter worden. En ja, richting D66 gezegd, daar moet je iedere week een debat over voeren.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Markuszower voor zijn verzoek namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Ja, voorzitter, voor een debat met de minister-president, zelfs, over hoe zijn kabinet met de Kamer denkt om te gaan. Vorige week is met een slinkse truc een begroting erdoorheen gejast. De meerderheid van de Kamer heeft onder bepaalde voorwaarden voor de begroting van de heer Sjoerdsma gestemd. Die voorwaarden zijn een week later verbroken. Tevens meent de heer Sjoerdsma te kunnen denken dat UNRWA niet geïnfiltreerd is door de terroristen van Hamas, terwijl er heel veel bewijs is dat dit wel zo is. Dus graag een debat met de minister-president, want zo gaat dit natuurlijk niet. Als de Kamer zich buitenspel laat zetten, wat doen we hier dan de hele dag?

De voorzitter:

Ik ga kijken of u daar steun voor heeft.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Er is morgenvroeg een commissiedebat helemaal over dit onderwerp, dus ik zou het gewoon morgenvroeg doen.

De voorzitter:

Dus geen steun.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Maar dit is te makkelijk. Deze regering heeft een minderheid van 66 zetels. Er is een debat geweest over de regeringsverklaring. Toen is er van een groot gedeelte van de Kamer welwillendheid geweest om ze een kans te geven. Als je vervolgens, omdat je met z'n 66'en iets afgesproken hebt, denkt dat je op zo'n manier over de Kamer heen kunt walsen, dan gaat er iets fundamenteel mis. Steun, dus.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ook wij hebben vragen over hoe de steun aan UNRWA, die er keihard moet komen, daadwerkelijk gematerialiseerd wordt. Daar hebben we informatieverzoeken over gesteund. Er komt een brief, waarover we morgenochtend gaan debatteren met de minister. Dus geen steun.

De heer Schoonis (D66):

Morgenochtend, inderdaad. Geen steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter, steun. Wat betreft de motivatie wil ik me aansluiten bij de woorden van mevrouw Keijzer.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter. Ik kan me ook heel goed vinden in de woorden van mevrouw Keijzer. Maar collega Hoogeveen heeft gisteren een brief gevraagd, die betrokken wordt bij het debat van morgen. Morgenochtend is er dus een debat over. Mochten de brief en het debat daar aanleiding toe geven, dan is een plenair debat volgende week prima, maar voor nu wachten we nog op morgenochtend.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Er is morgen inderdaad een debat hierover en daar kan dit bij betrokken worden, dus geen steun.

De heer Van Baarle (DENK):

Ik zie de heer Markuszower graag morgenochtend, dus geen steun voor zijn verzoek.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Ik verwacht dat morgen niet gaat doen wat men hoopt dat het gaat doen, dus we steunen dit verzoek. Het is namelijk stuitend hoe er met de Kamer is omgegaan.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Er is morgenochtend een commissiedebat, maar om deze brutaliteit niet ongestraft voorbij te laten gaan: steun voor dit debat, mede namens de SGP-fractie.

Mevrouw Maes (VVD):

Ik sluit me van harte aan bij de woorden van mevrouw Van Ark.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Komen we aan 30 leden?

De voorzitter:

Nee, ook niet.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Nog even voor de volledigheid. Een collega van mij zou morgen bij dat debat zijn, maar dat is met minister Sjoerdsma. Ik had dus gevraagd om een debat met de minister-president over procedures et cetera.

De voorzitter:

U heeft het gezegd.

Mevrouw Piri krijgt het woord voor haar verzoek. Gaat uw gang.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Volgens mij waren we gisteren van links tot rechts geschokt over het besluit van de Israëlische regering en de Knesset om de doodstraf uit te breiden, opnieuw leven in te blazen en dan ook alleen maar toe te passen op Palestijnen. Wij hebben vorige week, toen dit eraan zat te komen, in de commissie Buitenlandse Zaken de minister al urgent om druk gevraagd. Nu is het gebeurd en nu is het ook belangrijk dat wij ons hier als Kamer urgent over kunnen uitspreken. Het hoeft geen lang debat te zijn. Daarom is mijn verzoek om een kort plenair debat met de minister van Buitenlandse Zaken hierover deze week of uiterlijk volgende week in te plannen. Ik zeg daar meteen het volgende bij, want ik spreek mensen ook in de tussentijd. Mocht daar geen meerderheid voor zijn, dan zou ik graag het verzoek willen doen om het als onderwerp toe te voegen aan het plenaire debat van morgen over christenvervolging.

De voorzitter:

Ik kijk of u steun heeft voor uw voorstel.

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Toen de naam PRO naar buiten kwam, dacht ik dat mevrouw Piri daar "PLO" van wilde maken in plaats van "PRO" …

De voorzitter:

Nee, nee, meneer Markuszower. Steun of geen steun?

De heer Markuszower (Groep Markuszower):

Geen steun dus.

Mevrouw Maes (VVD):

Geen steun, omdat ik denk dat het beter tot zijn recht komt als we het behandelen bij het plenaire debat, dat volgens mij nog voor het meireces moet plaatsvinden, waar vorige week steun voor was.

De heer Van Baarle (DENK):

Het is echt schokkend dat de Israëlische regering, na alle misdaden die al gepleegd zijn, nu ook Palestijnen wil gaan opknopen. Steun voor het verzoek. Hier moet zo snel mogelijk over gedebatteerd worden. Dit moeten we stoppen.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Als er zoiets ongekends als dit gebeurt, als de doodstraf in een land wordt heringevoerd en dan alleen voor een zeker deel van de bevolking, lijkt het me heel goed om daar het debat over te voeren. Volgens mij zegt mevrouw Piri terecht dat dat geen ellenlang debat hoeft te zijn, maar het is wel goed om hier met het kabinet de degens over te kruisen.

De heer Vermeer (BBB):

Geen steun. Ik zou heel graag willen dat we het debat over christenvervolging van morgen hier niet mee gaan belasten.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. Het is echt heel heftig wat hier gebeurt. Het is openlijk genocidaal en racistisch beleid. Hier moeten we het debat over voeren. Het kabinet had eigenlijk al in actie moeten komen, dus van harte steun.

Mevrouw El Boujdaini (D66):

Steun.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Geen steun.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter, geen steun. Er zijn hier doorlopend debatten over Gaza, dus ik zou het niet op prijs stellen als dit morgen betrokken wordt bij het debat over christenvervolging.

De heer Van Lanschot (CDA):

Voorzitter. Shocking ontwikkeling. We willen dit graag bespreken tijdens het debat Midden-Oosten op 16 april, dus voor nu geen steun.

De voorzitter:

U heeft geen steun, mevrouw Piri.

Mevrouw Piri (GroenLinks-PvdA):

Dat begrijp ik, voorzitter. Ik wil nog heel kort reageren. Voor de mensen die denken dat het debat morgen niks te maken heeft met Palestijnen: het gaat ook om christenen die worden opgehangen. Voor de mensen die denken dat we hier elke week een debat hebben over Gaza: ik zou het even nagaan, want over het algemeen is daar nooit een meerderheid voor in deze Kamer.

De voorzitter:

Ja, u heeft het gezegd.

Het woord is aan mevrouw Bikker voor haar verzoek namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Enige weken geleden spraken we in de Kamer over de sluiting van de zorgvilla's voor zeer ernstig meervoudig gehandicapte kinderen. We weten allemaal dat als deze villa's sluiten, ouders in de problemen komen. 185 kinderen staan al op een wachtlijst en de wachttijd is inmiddels tien jaar. Moet u zich voorstellen wat dat betekent voor deze ouders. De minister heeft gezegd: ik ga alles op alles zetten om tot een goede oplossing te komen. Maar vandaag is de dag dat deze villa's zullen sluiten en we zien dat vast personeel langzaam maar zeker toch de deur achter zich dichttrekt. Daarmee staat deze zorg onder druk. Er zijn heel veel lessen te leren over wat er gebeurt als een bedrijf dit overneemt, maar allereerst wil ik het hebben over de gevolgen voor deze kinderen. Ik zou hierover dus, mede namens de SGP, een debat willen aanvragen, ten spoedigste te houden.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Steun.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Absoluut steun, voorzitter. Het gaat letterlijk over de levens van deze kinderen. We hebben met de hele Kamer gezegd dat er een oplossing moet komen en de minister heeft ons als Kamer beloofd dat die oplossing er zou komen, maar wij horen hele andere verhalen van de mensen over wie het gaat. Ik vind dat we hier als Kamer een verantwoordelijkheid in hebben. Als een minister ons belooft dat er een oplossing komt, moeten wij er, vanuit onze controlerende taak, voor zorgen dat we de minister daaraan houden. Ik kijk dus ook uitdrukkelijk naar andere partijen om dit verzoek te steunen.

De voorzitter:

U steunt het verzoek.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Steun.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Van harte steun.

De heer Ceulemans (JA21):

Steun.

De heer El Abassi (DENK):

Steun.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Ik ga het ook benadrukken: als de belofte is gedaan dat dit geregeld wordt, moeten wij als Kamer ervoor zorgen dat het kabinet zich daaraan houdt en moeten wij het daarop aanspreken, dus volop steun.

Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):

Bij het vragenuurtje hebben we het over honderden kinderen gehad die een plek hadden in de gesloten jeugdzorg, maar nu in vakantieparken zitten. Dit doet daar ook weer aan denken. Er komt ander beleid, er wordt beloofd dat het wordt opgelost, maar het gebeurt niet. Steun voor het verzoek.

Mevrouw Synhaeve (D66):

Steun. Het zou fijn zijn om dan op voorhand ook een brief te krijgen, specifiek over het onderdeel "voortgang sluiting", die vandaag in zou gaan.

De voorzitter:

Dat verzoek geleiden wij door.

Mevrouw Wendel (VVD):

Steun voor het verzoek, voorzitter.

Mevrouw Tijmstra (CDA):

Ook steun voor het debat, en ook voor het verzoek om een brief van het kabinet te vragen.

De voorzitter:

U heeft een meerderheid, mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel. Ik hoop dat u het debat spoedig kunt inplannen.

De voorzitter:

Daar gaan we naar kijken. Het woord is aan het lid Kostić voor haar verzoek namens de Partij voor de Dieren.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank, voorzitter. In verband met de snelheid van de besluitvorming in Europa en de mogelijk grote impact, doen we het verzoek om een debat over de Food and Feed Safety Simplification Omnibus in te plannen met de staatssecretaris van LVVN, het liefst net na het reces, in de week van 11 mei, maar als het moet, kan het ook in de week daarop. Dit verzoek wordt mede ingediend door het CDA, 50PLUS, de SP, GroenLinks-PvdA, oftewel PRO, D66, DENK en Volt. Daarmee wordt het verzoek door een meerderheid van de Kamer ingediend.

De voorzitter:

Maar dat is dus niet namens PRO, maar namens GroenLinks-PvdA.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, sorry.

De voorzitter:

Dat is namelijk de formele lijn die we hier met elkaar hanteren. Ik hoop niet dat ik dit nog maanden hoef te zeggen.

De heer Schoonis (D66):

Van harte steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik heb het verzoek namens D66 ingediend, dus …

De heer Chris Jansen (PVV):

Geen steun.

De voorzitter:

U heeft wel een meerderheid.

Mevrouw Becker van de VVD wordt vervangen door mevrouw Martens-America, die ik het woord geef voor haar verzoek.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Het aantal eergerelateerde geweldsgevallen neemt rap toe. 757 gevallen, met helaas ook dodelijke afloop. Een eerwraak zoals die in het geval van Ryan staat ons nog helder op het netvlies, maar er zijn natuurlijk nog heel veel meer gevallen, ook richting mannen, wegens hun geaardheid, of omdat ze zelf geen geweld willen toepassen. Het lijkt ons van essentieel belang om dit hier op de agenda te zetten, helemaal omdat het debat inmiddels drie keer is aangevraagd, maar steeds is vervallen. We willen dan ook vragen om dit debat voor de zomer in te plannen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Graag een brief en steun voor dit verzoek.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat geldt ook voor de ChristenUniefractie: steun.

De heer Ceulemans (JA21):

Steun, ook om het op korte termijn in te plannen.

Mevrouw Tijmstra (CDA):

Steun.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Steun.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Steun.

De heer Vermeer (BBB):

Steun.

Mevrouw Jagtenberg (D66):

Steun.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik ben blij dat de VVD eens wakker wordt en islamgerelateerd geweld een keertje op de agenda zet, dus steun.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Steun.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Steun.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun.

De voorzitter:

U heeft een meerderheid, mevrouw Martens-America.

Tot slot is het woord aan de heer Kops voor zijn verzoek namens de PVV.

De heer Kops (PVV):

Voorzitter. De Europese Commissie heeft een brief gestuurd aan alle Energieministers van de Europese Unie. De boodschap is, kort gezegd: het brandstofverbruik moet omlaag, maar de accijnzen moeten dat niet. Het tegenovergestelde moet natuurlijk gebeuren, want die accijnzen moeten wel degelijk omlaag, net als de bemoeizucht van de Europese Commissie. Graag doe ik dus hierbij het verzoek om die betreffende brief van de Europese Commissie aan de Kamer te zenden, met daarbij dan een reactie van het kabinet. Ook verzoek ik een debat met de minister van Klimaat en Groene Groei.

De voorzitter:

Uw informatieverzoek geleiden we door naar het kabinet.

De heer Kops (PVV):

Dank.

De voorzitter:

Ik ga kijken of u steun heeft voor het debat.

Mevrouw Müller (VVD):

We hebben een plenair debat staan over de energieleveringszekerheid. Daar zou ik dit graag bij willen betrekken. Vandaag was de minister ook bij een extra ingelaste Raad van Ministers in Europa. Ik zou eigenlijk aan het ministerie willen vragen om ons daar snel over terug te koppelen.

De heer Jumelet (CDA):

Ik sluit mij bij mevrouw Müller aan. Geen steun, voorzitter.

De heer Schoonis (D66):

Ik sluit daar ook bij aan. Geen steun.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Steun.

De heer Ceulemans (JA21):

Als ik het verzoek goed begrijp, dan wil de heer Kops wachten op de brief en als die brief gekomen is, daar dan een debat over voeren, toch?

De voorzitter:

Ik denk dat hij aanstuurt op een hele snelle brief, inclusief het onderhavige stuk, en dat hij dan heel snel een debat wil.

De heer Kops (PVV):

Per ommegaande, exact.

De heer Ceulemans (JA21):

In die volgorde steun.

De voorzitter:

Heel goed.

De heer Russcher (FVD):

Steun.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Mensen moeten niet onnodig veel onnodige kilometers maken, maar dat doen de meeste mensen ook niet. Maar politici moeten niet mensen gaan zitten aanspreken op minder kilometers maken terwijl ze afhankelijk zijn van hun autootje om op hun werk te komen, tegelijkertijd zien dat de kosten omhooggaan en daar niets aan doen, dus steun voor dit verzoek.

De heer Vermeer (BBB):

Deze ongewenste inmenging in de levenssfeer van mensen moet stoppen, zeker als die van de EU komt.

De heer El Abassi (DENK):

Steun.

De voorzitter:

U heeft geen meerderheid, meneer Kops.

De heer Kops (PVV):

En 30 leden?

De voorzitter:

Die heeft u wel.

De heer Kops (PVV):

Graag op de lijst. Dank u wel.

De voorzitter:

We zetten 'm erbij.

Dat was de regeling van werkzaamheden. Ik schors kort, waarna we verdergaan met een aantal tweeminutendebatten. De vergadering is kort geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dames en heren, we gaan beginnen met het tweeminutendebat Pensioenonderwerpen. We zijn een uur uitgelopen ten opzichte van het laatste schema. Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Edgar Mulder van de PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Voorzitter. De PVV wilde dit tweeminutendebat voeren naar aanleiding van het commissiedebat van eind januari. We wilden dat eigenlijk om twee moties in te dienen. Eén motie zou gaan over het beperken van de AIO, want het is gekkenwerk dat iedereen die hier maar binnen komt dobberen, ook al is iemand hier maar 2 of 3 jaar, hetzelfde krijgt als een Nederlander die hier 50 jaar is. Ten tweede waren er destijds wat tekenen dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd. Daar wilden we ook iets tegen doen. Maar ja, toen kwamen het debat van de regeringsverklaring en het eindverslag van de informateur. We hebben ook nog een begrotingsbehandeling gehad. Toen waren die moties dus al twee of drie keer ingediend. Ik zal medelijden hebben met de Kamer en het niet voor de zoveelste keer doen.

Voorzitter, ik heb wel een vraag aan de minister, als u mij dat toestaat. Pensioendeelnemers in Nederland hebben geen vrije keuze. Zoals iedereen weet, bepaalt waar je werkt namelijk waar je geld wordt belegd. Daarom moeten pensioenfondsen zich houden aan de prudent-personregel. Dat betekent geen links geneuzel, maar beleggen in het belang van deelnemers en pensioengerechtigden. Nu blijkt dat het rendement van de laatste vijf jaren gemiddeld erg slecht is, afgezet tegen een benchmark zelfs heel erg slecht. Van de 120 onderzochte pensioenfondsen in Nederland bleek dat er 30 een negatief beleggingsrendement haalden. 30 van de 120! ABN AMRO Pensioenfonds: negatief. Philips: negatief. ING, IBM, PMT, de kappers, verloskundigen: al die pensioenfondsen draaien in de min, en dat met de resultaten die de afgelopen vier jaar op de beurs zijn geboekt. Het is an sich best knap. Onze vraag is even eenvoudig als noodzakelijk. De PVV wil van deze minister voor het volgende debat over pensioenen graag een reactie op de vraag hoe het kan dat Nederlandse pensioenfondsen zo extreem slecht presteren.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Dijk van de SP.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het inflatiecijfer deze maand 2,7% is en de verwachting is dat de prijzen nog verder zullen stijgen;

constaterende dat de pensioenen van veel gepensioneerden de afgelopen jaren achterlopen op de prijzen;

verzoekt de regering pensioenfondsen die nog niet over zijn op het nieuwe stelsel op te roepen de pensioenen waar mogelijk te indexeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 697 (32043) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verhoging van de AOW-leeftijd niet is meegenomen in de Voorjaarsnota;

constaterende dat dit plan door het kabinet is doorgespeeld naar de SER, maar de vakbonden hierover nog niet in gesprek willen;

verzoekt de regering de verhoging van de AOW-leeftijd definitief te schrappen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 698 (32043) (#2).

Dank u wel. De volgende spreker is de heer Vermeer van de BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werknemers binnen de Wet toekomst pensioenen belangrijke keuzes moeten maken over hun pensioen;

overwegende dat persoonlijk financieel en pensioenadvies dat door de werkgever wordt aangeboden momenteel als belast loon wordt aangemerkt en daarmee ontmoedigend werkt;

verzoekt de regering te bezien hoe financieel advies voor (bijna) gepensioneerden dat door of via de werkgever wordt verzorgd, kan worden vrijgesteld van loonbelasting, en de Kamer te informeren over de mogelijke beleidsopties en de bijbehorende budgettaire consequenties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 699 (32043) (#3).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met de Wet toekomst pensioenen de financiële risico's nadrukkelijk bij deelnemers zijn komen te liggen, terwijl de governance van pensioenfondsen hierop niet fundamenteel is aangepast;

overwegende dat deelnemers verplicht zijn aangesloten, maar nauwelijks doorslaggevende zeggenschap hebben over besluiten die direct hun pensioen raken;

verzoekt de regering om met voorstellen te komen voor de inrichting van de governance van pensioenfondsen onder de Wtp, waaronder meer directe en structurele zeggenschap van deelnemers en een herijking van de rol van de sociale partners,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 700 (32043) (#4).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat (gewezen) deelnemers in de solidaire premieregeling een variabele uitkering krijgen en deze (gewezen) deelnemers daar geen enkele keuze in hebben;

overwegende dat er in de flexibele premieregeling op pensioeningangsdatum wel een keuzerecht is voor een variabele uitkering of een vaste uitkering;

overwegende dat uit diverse onderzoeken naar voren komt dat de meerderheid van de mensen de voorkeur geeft aan een vaste uitkering, zelfs als deze lager is;

overwegende dat een vaste uitkering bij pensioenfondsen voorheen de standaard was, behoudens incidentele kortingen;

overwegende dat het goed is om (gewezen) deelnemers zeggenschap en keuzes te geven ten aanzien van hun eigen pensioenvoorziening, hetgeen zal bijdragen aan het vertrouwen;

verzoekt de minister te onderzoeken hoe er alsnog een keuzerecht kan worden geïntroduceerd in de solidaire premieregeling, waarbij de (gewezen) deelnemer op pensioeningangsdatum een keuze kan maken tussen een vaste of een variabele uitkering;

verzoekt de minister daarbij bijzondere aandacht te geven aan het toekennen en meegeven van een deel van de solidariteitsreserve aan de (gewezen) deelnemer als hij de keuze maakt voor een vaste uitkering, en uiterlijk voor het einde van het jaar een reactie naar de Kamer te zenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 701 (32043) (#5).

Dank u wel.

De heer Vermeer (BBB):

We gaan zo overhoren of de minister dat allemaal gehoord heeft.

De voorzitter:

Dan is nu het woord aan mevrouw Van Ark van het CDA.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. In de pensioentransitie gaat er veel aandacht uit naar de regels, de procedures en de complexe systematiek, maar voor veel mensen is het vooral belangrijk om te begrijpen waar ze aan toe zijn en dat ze erop kunnen vertrouwen dat de transitie goed verloopt. De minister heeft toegezegd in het voorjaar een brief te sturen over de knelpunten en verschillende situaties rond de compensatieregeling, en dat mantelzorg en ouderschapsverlof daarin worden meegenomen. Dat is nodig, want het is belangrijk om nu het nog kan te kijken naar of en hoe dit op te lossen is. In sommige gevallen biedt het pensioenfonds zelf een mogelijkheid om vrijwillig de regeling voort te zetten, maar helaas bieden niet alle fondsen die mogelijkheid. Bovendien zijn heel veel mensen zich er helemaal niet van bewust dat ze mogelijk actie moeten ondernemen als ze in deze periode van baan wisselen of verlof opnemen. Het is voor het CDA belangrijk dat mensen niet tussen wal en schip vallen door onbedoelde nadelen in de compensatieregelingen en dat we regelingen maken die uitlegbaar en logisch zijn. Juist daar laten we het nu liggen, terwijl dit te voorzien was.

Voorzitter. Wij wachten de brief af en komen daar graag op terug. In dat kader steunen we de ook de motie-Patijn hierover.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat is een mooi bruggetje naar de volgende spreker, mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Wij maken ons grote zorgen over het compensatiegat dat ontstaat als je van baan wisselt, mantelzorgverlof opneemt of werkloos wordt. Dat is waarom we deze motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de Wet toekomst pensioenen mogelijkheden zijn opgenomen om specifieke groepen te compenseren voor het pensioengat dat ontstaat als gevolg van het afschaffen van de doorsneepremie;

constaterende dat verschillende pensioenfondsen blijken te kiezen voor compensatie ineens bij het invaren, in plaats van verspreid over de tijd;

overwegende dat het gevolg hiervan is dat sommige deelnemers compensatie mislopen om uiteenlopende redenen, zoals overstap van een fonds dat nog niet ingevaren is naar een fonds dat al wel ingevaren is, of tijdelijke werkloosheid in de periode dat ingevaren wordt;

overwegende dat de Wet toekomst pensioenen spreekt van "adequate" compensatie, en dat dubbele compensatie voor sommigen en helemaal geen compensatie voor anderen moeilijk "adequaat" genoemd kan worden;

verzoekt de regering voor het meireces in kaart te brengen welke groepen compensatie mislopen, in kaart te brengen hoe groot die groepen zijn, in gesprek te gaan met de Pensioenfederatie en de Stichting van de Arbeid over adequate compensatie voor deze groep en in kaart te brengen hoe mensen beter geïnformeerd kunnen worden over de gevolgen van een verandering in hun werksituatie tijdens de pensioentransitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn, Van Brenk, Van Ark en Neijenhuis.

Zij krijgt nr. 702 (32043) (#6).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Wij maken ons echt heel veel zorgen. We zien namelijk dat mensen die compensatie missen en dat gaat soms over honderden euro's aan pensioenrechten. Dit is nooit voorzien en nooit de bedoeling geweest toen het pensioenakkoord gesloten werd. Ik hoop dat er een goede oplossing komt. Ik ga ervan uit dat de minister de druk op de uitvoerders en de sociale partners flink op zal voeren om een oplossing te vinden.

Hartelijk dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van Brenk van 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Bij het begrotingsdebat heb ik het uitgebreid over pensioenen gehad en heb ik een toezegging gekregen dat er een grondige analyse komt van de minister over de rampzalige rendementen van de pensioenfondsen en dat hij ervoor zorgt dat er een benchmark komt om de pensioenkosten, die de pan uitrijzen bij de pensioenfondsen, onderling te vergelijken. Tijdens dit debat, over pensioenonderwerpen, heb ik een probleem gevonden: de Amerikaanse bedrijven die de Belgiëroute hebben genomen. Heel specifiek ging dit over Johnson & Johnson. Daarom heb ik een motie gemaakt die daarop van toepassing is, maar eigenlijk gaat over al die Amerikaanse bedrijven die naar België zijn gevlucht.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat pensioenfonds Johnson & Johnson ondanks de hoge dekkingsgraad van 173% niet indexeert;

constaterende dat Nederlandse werknemers en gepensioneerden die een werkgever hebben met een pensioenfonds gestationeerd in België er niet van op aan kunnen dat er streng toezicht is;

overwegende dat er door de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel met deze werkgevers nieuwe afspraken gemaakt moeten worden opdat de Nederlandse indexeringsafspraken, door de stationering van het pensioenfonds in België, niet opnieuw ontweken kunnen worden;

verzoekt de regering om het overgangsmomentum aan te grijpen om in nauw overleg met De Nederlandsche Bank er zorg voor te dragen dat in de transitieplannen ook voor pensioendeelnemers met werkgevers die hun pensioen in België hebben gestationeerd correcte afspraken gemaakt worden, zodat ook zij daadwerkelijk indexatie kunnen krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 703 (32043) (#7).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Ceulemans van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter, dank. Een tweetal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat pensioenfondsen het vermogen van deelnemers beheren met als doel het realiseren van een koopkrachtig en stabiel pensioen, en dat beleggingskeuzes daaraan primair moeten bijdragen;

overwegende dat er zorgen bestaan over de mate waarin maatschappelijke en activistische doelstellingen een rol spelen in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen;

verzoekt de regering om in kaart te brengen in hoeverre niet-financiële doelstellingen een rol spelen in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 704 (32043) (#8).

De heer Ceulemans (JA21):

De tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de invoering van de mogelijkheid om bij pensionering een deel van het pensioen in één keer op te nemen (bedrag ineens) herhaaldelijk is uitgesteld en momenteel pas in 2029 wordt voorzien;

overwegende dat verdere vertraging het vertrouwen in de uitvoering ondermijnt;

verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk met pensioenuitvoerders in overleg te treden over de mogelijkheden om de invoering van het bedrag ineens alsnog te vervroegen, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 705 (32043) (#9).

Dank u wel. Als laatste spreker mevrouw Michon-Derkzen van de VVD.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ook ik had de minister in dit tweeminutendebat willen bevragen over het nieuws rondom het bedrag ineens. Ik had hem willen vragen om daar een brief over te sturen. De ene keer lezen we dat we het niet doen omdat de Eerste Kamer dat heeft besloten; dan lezen we weer dat we het niet doen omdat het Nibud het geen goed idee vindt. Mijn fractie vindt het juist een heel goed idee dat mensen zelf kunnen kiezen hoe ze met hun pensioen omgaan. Ik vind de motie van de heer Ceulemans dan ook heel redelijk. Ik zou de minister willen vragen om een brief te sturen over wat hier nou achter zit en waarom die vertraging nodig is, want ik ben het daar op voorhand niet mee eens.

Voorzitter. Ik heb ook één motie en die ziet op een openstaand punt in wetgeving. We hebben natuurlijk lang met elkaar over de Wet toekomst pensioenen gesproken. Er komt nog een wet aan over de toezeggingen die uit deze wet voortkomen. Maar we hebben hier ook nog een andere wet met elkaar te bespreken, en dat is de Wet pensioenverdeling bij scheiding. Die ligt al een tijd op de plank. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet toekomst pensioenen (Wtp) per 1 juli 2023 kracht van wet heeft;

constaterende dat het kabinet in 2019 de Wet pensioenverdeling bij scheiding (Wps) bij de Kamer heeft ingediend als opvolger van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding om de wetgeving beter aan te laten sluiten bij de actuele maatschappelijke situaties;

constaterende dat de Wps niet is behandeld in de Kamer en moet worden aangepast aan de Wtp;

overwegende dat hierdoor de regeling inzake het bijzonder partnerpensioen knelt met de huidige wetgeving;

van mening dat het noodzakelijk is om spoedig de Wps te behandelen;

verzoekt de regering om een ambitieus tijdpad vast te stellen voor de Wet pensioenverdeling bij scheiding, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 706 (32043) (#10).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De minister heeft aangegeven een kort moment van schorsing nodig te hebben, dus ik schors voor enkele momenten.

De voorzitter:

We gaan weer verder met de beantwoording, de oordelen, van de minister. Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. Als ik enigszins slurry, zoals dat zo mooi heet in het Engels, klink, komt dat doordat ik vanmorgen ben geopereerd aan mijn kaak. Dat is dus niet omdat ik al gedronken heb op dit tijdstip; dat er geen verkeerde verhalen in de wereld komen.

De heer Mulder had een vraag over de rendementen bij pensioenfondsen. Ik heb een uitgebreide brief toegezegd aan mevrouw Van Brenk. Als de heer Mulder het goed vindt, wil ik die daarbij betrekken. Het is hetzelfde onderwerp.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 697 van de heer Dijk. Die moet ik ontraden, omdat de pensioenfondsen zelf over het indexatiebeleid gaan. Ik kan daar dus weinig aan doen. Dat is geen politiek besluit. Ik kan mij niet mengen in hun besluit.

De heer Dijk zal niet verbaasd zijn dat ik de motie op stuk nr. 698 moet ontraden …

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 697: ontraden?

Minister Vijlbrief:

Ja, de motie op stuk nr. 697: ontraden. De motie op stuk nr. 698 ook: ontraden. Dat is omdat het kabinet nu niet definitief de verhoging van de AOW-leeftijd wil schrappen, maar wel heeft beloofd daar een pas op de plaats te maken en met de sociale partners in gesprek wil daarover.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 698: ontraden.

Minister Vijlbrief:

Dat brengt mij bij de motie op stuk nr. 699 van de heer Vermeer. Die gaat over het pensioenadvies vrijstellen van de loonbelasting. Daar moet ik van zeggen dat die helaas "ontijdig" is. De heer Vermeer is er nu even niet. De staatssecretaris van Financiën komt met een antwoord. Hij gaat hier namelijk over, omdat die vraag al gesteld is in een commissiedebat. Die motie is dus ontijdig. Ik zie de heer Vermeer nu niet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 699: ontijdig. De heer Vermeer had een andere verplichting, dus hij heeft zich afgemeld.

Minister Vijlbrief:

Dan wordt die in feite ontraden, omdat de heer Vermeer 'm niet kan aanhouden. Maar dat laat ik aan u, voorzitter.

De motie op stuk nr. 700 over de governance van pensioenfondsen kan ik oordeel Kamer geven. Dat is een hele oude motie van het lid Palland. De resultaten van het onderzoek worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Die motie van de heer Vermeer loopt daar wat op vooruit, maar als ik 'm zo mag interpreteren dat de reactie op de motie-Palland ook een reactie op zijn motie is, geef ik 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 700: oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 701 van de heer Vermeer over keuzerecht moet ik ontraden, want dat past niet in de nieuwe vormgeving van het pensioenstelsel en ook niet bij de afspraken in het pensioenakkoord.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 701: ontraden.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 702 over compensatie bij het invaren door pensioenfondsen: oordeel Kamer. Ik herken de zorgen van mevrouw Patijn. Ik begrijp dus wat zij vraagt. Ik snap dat zij de boel beter in beeld wil hebben. Ik zeg hier nadrukkelijk bij dat achteruitgang bij een overstap een mogelijkheid is. Er spelen ook andere argumenten bij een overstap; dat weet mevrouw Patijn natuurlijk ook. Het is natuurlijk aan de sociale partners en niet aan de fondsen om hier afspraken over te maken. Dat gezegd hebbende, begrijp ik haar zorgen. Mijn voorstel zou zijn dat ik in gesprek ga met de sociale partners over deze situatie en dat ik inderdaad de Kamer voor het meireces daarover informeer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 702: oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Dan ga ik naar de motie van mevrouw Van Brenk over Johnson & Johnson. Ik snap de zorg van mevrouw Van Brenk. Ik moet daarbij wel opmerken dat de Nederlandsche Bank natuurlijk als toezichthouder in Nederland betrokken is, maar dat het prudentiële toezicht is belegd bij de Belgische toezichthouder. Desalniettemin ben ik bereid om met DNB in overleg te treden over wat er mogelijk is. Daarbij geef ik dus wel de winstwaarschuwing dat er afspraken over de indexatie worden gemaakt door werkgever en werknemer en dat daar dus een Belgische toezichthouder voor is. Maar ik zal mijn best doen.

De voorzitter:

Dus wat is het oordeel over de motie op stuk nr. 703?

Minister Vijlbrief:

Oordeel Kamer. Sorry als ik dat niet had gezegd.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk wil daarover een vraag stellen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Specifiek voor dit moment geldt dat al die bedrijven gaan invaren in de nieuwe wet, de Wtp. Dit is dus het moment van die transitie; DNB zou dus ook kunnen kijken welke afspraken daarin staan rondom indexatie. Als de minister daar zijn inzet op zou willen plegen, dan zou dat ons heel wat waard zijn.

Minister Vijlbrief:

We lopen toch al uit de tijd, heb ik begrepen, dus het korte antwoord is: ja.

De heer Ceulemans heeft een motie, op stuk nr. 704, over activistisch beleggen. Dat onderwerp hangt eigenlijk al een paar keer boven de markt. Ook die geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 704: oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Net als de heer Ceulemans nu, vroeg de heer Aartsen, welbekend in deze Kamer, ooit in een motie om het toezicht aan te scherpen om het uitgangspunt van het realiseren van een koopkrachtig pensioen centraal te laten zijn. Samen met DNB hebben we toen gekeken naar de wetgeving en het toezicht. Als ik de motie zo mag interpreteren dat ik de resultaten van dat onderzoek nog een keer met de Kamer zal delen, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven. En ik kom überhaupt nog een keer, zo zeg ik in het kader van een vraag van mevrouw Van Brenk, terug op de rendementen. Dan heb je het eigenlijk over hetzelfde. Ik zie de heer Ceulemans twijfelen, maar ik wacht even.

De heer Ceulemans (JA21):

Misschien leg ik uw woorden dan iets te kort door de bocht uit, maar zegt u nu eigenlijk: ik heb het onderzoek al gedaan, en ben bereid het nog een keer te forwarden? Wat zegt u eigenlijk precies?

Minister Vijlbrief:

Die vertaling is wel heel kort door de bocht, maar ik geloof dat ik dat wel zei. Dus in die zin klopt het, maar eigenlijk probeerde ik tegen de heer Ceulemans te zeggen: maakt u zich geen zorgen, want dit onderwerp komt terug als we daar in het kader van het verzoek van de heer Mulder en mevrouw Van Brenk naar gaan kijken. Want dit gaat in wezen over dezelfde vraag.

De heer Ceulemans (JA21):

Oké.

De voorzitter:

Deze motie kreeg oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 705.

Minister Vijlbrief:

Dan de motie op stuk nr. 705 over het bedrag ineens: oordeel Kamer. Ik zeg daar wel bij: er is uitgebreid overleg geweest — ik had toen een andere rol — over de inwerkingtreding hiervan. Mevrouw Michon vroeg in dat verband om een brief. Ik zal nog een keer met de sector in overleg gaan. Dat is één. Maar ik ga geen valse hoop wekken. De reden daarvoor is als volgt. Ik heb het zelf nog een keer goed nagevraagd. Als je dat gaat doen terwijl men nog bezig is met invaren, dan zal dat tot uitvoeringsproblemen leiden. Ik zal het nog een keer opschrijven. Ik ga in gesprek met de sector en ik zal de Kamer laten weten waar dat toe leidt. Maar ik wil de verwachtingen wel managen, want ik begrijp van de sector hoe moeilijk het is. Ik zal een brief sturen naar de Kamer hierover. Ik deel overigens met de Kamer het belang hiervan. Ik heb daar zelf ook altijd voor gepleit. Ik schrok zelf ook een beetje toen ik dit bericht zag. Dit was overigens mede naar aanleiding van de behandeling in de Eerste Kamer.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

We wachten de brief van de minister af. We komen daar nog over te spreken. Het enige wat ik hier wel naar voren wil brengen, is dat alle fondsen niet op hetzelfde moment invaren. Er zijn al heel veel fondsen ingevaren. Zou je ook kunnen zeggen "wat kan al wel"? We hoeven niet op de laatste te wachten om dit mogelijk te maken. Ik hoop dat we ook dat soort opties in de brief teruglezen.

Minister Vijlbrief:

Ik zal het idee meenemen. Ik weet niet of het kan. Ik durf er nu geen ja op te zeggen, maar ik neem het idee mee. Het is een logische vraag.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 705 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Oordeel Kamer.

De laatste motie, op stuk nr. 706, krijgt ook oordeel Kamer. Die gaat over de Wet pensioenverdeling bij scheiding en ziet op het vaststellen van een ambitieus tijdpad. Die kan ik oordeel Kamer geven. Ik zal de Kamer binnen drie maanden informeren over het tijdpad.

Voorzitter, daarmee hebben we de tien moties en de vragen gehad.

De voorzitter:

Dank u wel. De motie op stuk nr. 706 krijgt ook oordeel Kamer. De heer Dijk gaat nog een vraag stellen.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik denk dat het debat over het verhogen van de AOW-leeftijd de komende tijd nog veel en vaak zal spelen, dus ik zat een beetje te twijfelen of ik er nog een vraag over moest stellen. Ik vind het zo opvallend dat de verhoging van de AOW-leeftijd niet in de Voorjaarsnota is meegenomen. Er bestaat hier in de Tweede Kamer geen meerderheid om de AOW-leeftijd te verhogen zoals het kabinet het wil. We zien vandaag dat de havens acties aan het voeren zijn tegen deze kabinetsplannen, maar deze minister blijft volharden in het willen verhogen van de AOW-leeftijd. Waar denkt deze minister de steun vandaan te krijgen, zowel hier in de Kamer als in de samenleving, om de AOW-leeftijd te verhogen, terwijl we het juist de andere kant zien opgaan?

Minister Vijlbrief:

Ik geloof dat dit vijf vragen waren in één vraag.

De voorzitter:

Dat is een debat op zich. Dit is een tweeminutendebat over pensioenen, dus …

Minister Vijlbrief:

Ik geef kort antwoord. De reden dat dit niet in de Voorjaarsnota terugkomt, is dat het pas zichtbaar is in de budgettaire ramingen vanaf 2033 en daar gaat de Voorjaarsnota niet over. Dat weet de heer Dijk ook wel. Dat is de reden daarvoor.

Wat betreft uw politieke vraag: er is in deze Kamer een motie ingediend om de effecten van de een-op-eenkoppeling te verzachten. In het debat over de regeringsverklaring was dat voldoende voor een meerderheid in de Kamer om geen motie aan te nemen om dit van tafel te halen. De heer Dijk weet dat ik zelf heb gezegd dat ik het voor dit moment van tafel haal als het een belemmering is voor de gesprekken met de bonden. Dat is waar we nu staan.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is dit debat ten einde. Dank aan de minister.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan verder met het tweeminutendebat over de WIA-problematiek. De eerste spreker is de heer Ceder van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank, voorzitter. Ik heb een vraag en twee moties. Verzekeringsartsen hebben een brief gestuurd naar aanleiding van mijn motie ten aanzien van de taakherschikking bij het UWV. De vraag is of de minister kan toezeggen met hen in gesprek te gaan en hun aandachtspunten mee te nemen bij de planvorming rondom de taakherschikking van verzekeringsartsen.

Voorzitter, dan kom ik bij de moties. In het commissiedebat sprak de minister voor het eerst vrij duidelijk uit dat het UWV het ministerie niet of niet tijdig heeft geïnformeerd over de problemen rond de kwaliteit van de WIA-beoordeling. Het is zeer zorgelijk dat het UWV dit niet goed heeft gedaan. Ik heb daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het rapport van de Rekenkamer blijkt dat de raad van bestuur al veel eerder op de hoogte was van de gebrekkige kwaliteit van de WIA-beoordelingen, hier meerdere malen over is gesproken in de raad van bestuur maar het ministerie pas jaren later geïnformeerd is over de gebrekkige kwaliteit van de beoordelingen;

betreurt daarom de gang van zaken rond de kwaliteit van WIA-beoordelingen;

verzoekt de regering lessen te trekken uit het Rekenkamerrapport aangaande de overlegstructuur tussen het ministerie en de uitvoeringsorganisaties en te waarborgen dat het ministerie voldoende geïnformeerd wordt over de geleverde kwaliteit door de uitvoeringsorganisaties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 871 (26448) (#11).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Dit laat zien, zo blijkt ook uit het rapport en het debat, dat het contact tussen allereerst ambtenaren en het ministerie én ambtenaren en de Kamer nog verbeterd kan worden. Ik weet dat we stappen gezet hebben als het gaat om de oekaze-Kok, maar het gaat niet alleen om regels: het gaat om cultuur en dat je het met elkaar moet blijven bewerken. Ik denk dat het een belangrijke les is om dit nog verder te ontwikkelen. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de ernst en omvang van de WIA-problematiek de Kamer te laat heeft bereikt;

overwegende dat het mogelijk moet zijn voor ambtenaren om signalen sneller dan nu en vanuit ontspanning door te geven aan volksvertegenwoordigers;

verzoekt het kabinet de oekaze-Kok nog verder te versimpelen en in te zetten op cultuurverandering, zodat ambtenaren zich vrijelijk kunnen uitspreken in de omgang met Kamerleden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 872 (26448) (#12).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Dijk van de SP.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Er zijn zo veel mensen in ons land die heel graag willen werken, maar nu aan de kant staan en in de bijstand zitten. Er zijn zo veel mensen in ons land die op dit moment een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben, maar ook heel graag passend werk zouden willen hebben. Ik heb afgelopen maand bij het begrotingsdebat van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een voorstel gedaan voor 50.000 banen voor mensen die een steuntje in de rug nodig hebben om hen aan het werk te krijgen en hen daarbij te helpen. Dat werd weggestemd. Ik denk dat dat komt door de dekking die wij daarbij leverden, dus ik probeer het nu op deze manier.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 120.000 mensen geen passende baan kunnen vinden;

constaterende dat basisbanen en banen bij sociaal ontwikkelbedrijven een oplossing kunnen bieden;

verzoekt de regering te onderzoeken welke mogelijkheden en knelpunten er zijn om het aantal werkplekken bij sociaal ontwikkelbedrijven en het aantal basisbanen bij gemeenten uit te breiden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 873 (26448) (#13).

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Het straffen van mensen met een arbeidsbeperking of een arbeidsongeschiktheidsuitkering, is het straffen van mensen die pech hebben. De problemen die dit kabinet, en verschillende kabinetten hiervoor, zelf heeft veroorzaakt bij het UWV zijn uitvoeringsproblemen. Het is een politieke keuze om mensen hard te pakken en honderden euro's uit hun portemonnee te halen terwijl zij daar geen schuld aan hebben, omdat ze de pech hebben gehad om arbeidsongeschikt te raken. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet van plan is te bezuinigen op de arbeidsongeschiktheidsregelingen;

constaterende dat dit geen oplossing is voor de huidige knelpunten binnen de arbeidsongeschiktheidsregelingen;

verzoekt de regering niet te bezuinigen op arbeidsongeschiktheidsregelingen, maar de knelpunten echt aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk en Patijn.

Zij krijgt nr. 874 (26448) (#14).

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Tot slot moet het mij iets van het hart. Mensen die hun leven lang hard hebben gewerkt en de pech hebben gehad om arbeidsongeschikt te raken, fysiek of mentaal, worden door dit kabinet keihard gestraft. Ik heb eerder in het begrotingsdebat aangegeven dat dat een politieke keuze is. Er is geen enkele reden toe. Er worden hier ook mensen bang gemaakt met het idee dat de kosten voor sociale zekerheid aan het stijgen zijn. Die zijn al tientallen jaren exact hetzelfde percentage van onze gemeenschappelijke koek, van dat wat we ieder jaar met elkaar produceren. Die bangmakerij moet dus stoppen en het straffen van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering moet zeker stoppen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van Ark van het CDA.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. Geen motie van mijn kant, maar ik heb nog wel een paar vragen. We weten dat de problemen rond de uitvoering van de WIA groot zijn en dat veel mensen wachten op duidelijkheid over hun inkomen en toekomst. Tegelijkertijd zien we dat het systeem steeds verder verstopt raakt, onder andere door het tekort aan verzekeringsartsen en de grote aantallen beoordelingen en herbeoordelingen. In dat licht wil ik ook de financiële prikkels in het systeem benoemen, met name de dwangsommen bij niet tijdig beslissen. Deze dwangsommen zijn bedoeld als rechtsbescherming voor burgers. Dat is ook goed, maar in een systeem met oplopende achterstanden is het de vraag of dwangsommen daadwerkelijk tot rechtsbescherming leiden of vooral hoge kosten opleveren. Er worden al maatregelen genomen om de druk op het UWV en het oplopen van de dwangsommen te beperken, zoals tijdelijke verlenging naar zestien weken van de beslistermijn voor WIA-beoordelingen. Desondanks krijgen we signalen dat het UWV nog steeds wordt overladen met dwangsommen. Het aanvragen van herbeoordelingen blijft een inherente financiële prikkel voor werkgevers. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat grote sommen geld die voor arbeidsongeschikten bedoeld zijn, verdwijnen in dwangsommen, zonder resultaat? Is de minister bereid om nader in kaart te brengen wat er op korte termijn nog mogelijk is om de doorstroming te bevorderen en dwangsommen te beperken, en hierover een brief naar de Kamer te sturen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Neijenhuis van D66.

De heer Neijenhuis (D66):

Dank u, voorzitter. Het commissiedebat was misschien geen fijn debat, maar wel een heel belangrijk debat. Dit is een onderwerp waar ik en volgens mij ook veel collega's veel indringende mails over hebben gekregen en veel gesprekken over hebben gevoerd. Er zijn bij het UWV op dit punt ook grote problemen in de uitvoering. Dank voor de toezegging van de voorganger van de minister om te kijken naar een oplossing voor mensen die zo lang op een beoordeling of een herbeoordeling moeten wachten dat hun situatie gedurende die tijd al verslechtert. De brief hebben we inmiddels al ontvangen. Mooi dat er een oplossing voor het probleem bestaat, al is het een suboptimale, met een soort van dubbele beoordeling. Ik zou wel de oproep aan de minister willen doen om daar ook echt vol mee aan de slag te gaan, omdat de uitvoering nog niet uniform plaatsvindt. Graag actie daarop.

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij arbeidsongeschiktheid in bepaalde gevallen kans op herstel en daarmee bijstelling van het AO-percentage uit te sluiten is, bijvoorbeeld bij een limitatieve lijst van progressieve ziekten;

overwegende dat in het kader van toekomstige hervormingen van het AO-stelsel ook zal moet worden gekeken naar de mate van inkomenszekerheid voor deze groep;

verzoekt de regering te bevorderen dat medische diagnoses beter gedeeld worden met keuringsartsen om (her)keuringen versneld af te kunnen doen;

verzoekt de regering om maatregelen uit te werken die bijdragen aan meer inkomenszekerheid voor AO-ontvangers waarvoor kans op herstel nagenoeg is uitgesloten, bijvoorbeeld door een lijst ernstige, progressieve ziekten vast te stellen op basis waarvan een medische diagnose afdoende is om herkeuringen te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis en Ceder.

Zij krijgt nr. 875 (26448) (#15).

De heer Neijenhuis (D66):

Met dat voorstel wordt volgens mij alles op alles gezet om die wachtlijsten zo snel mogelijk naar beneden te krijgen. Zo zijn er volgens mij nog meer voorstellen.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is nu aan mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik moet heel snel gaan lezen. Of ik hevel het over naar het tweeminutendebat dat we hierna hebben.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er aanhoudende en ernstige problemen zijn in de uitvoering bij het UWV en deze fouten steeds te laat geconstateerd, gecommuniceerd en opgelost worden;

constaterende dat de communicatie tussen het UWV en het ministerie van SZW nog steeds niet goed verloopt;

overwegende dat het aanstellen van een regeringscommissaris van betekenis kan zijn voor een cultuurverandering, zodat fouten sneller boven water komen en inzicht verkregen wordt in de omvang en reikwijdte van de problematiek en het werken aan oplossingen;

verzoekt de regering voor het einde van 2026 een regeringscommissaris UWV-problematiek aan te stellen, met mandaat om overal binnen het UWV onderzoek te doen, met de mogelijkheid om waar nodig interventies te plegen en voorstellen te doen om problemen structureel op te lossen en herhaling in de toekomst te voorkomen;

verzoekt de regering deze regeringscommissaris tevens onafhankelijk te positioneren tussen de raad van bestuur van het UWV en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in, waarbij de regeringscommissaris rechtstreeks rapporteert aan de minister en de Kamer periodiek informeert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn en Ceder.

Zij krijgt nr. 876 (26448) (#16).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Algemene Rekenkamer aanbeveelt om het voor uitkeringsgerechtigden mogelijk te maken om de plausibiliteit van hun beoordeling en uitkering te checken;

overwegende dat werknemers daarmee beter kunnen volgen en begrijpen wat het UWV doet, zodat zij eerder aan de bel kunnen trekken wanneer er fouten worden gemaakt, signalen sneller bij het UWV terechtkomen, eerder met mensen in gesprek gegaan kan worden en oplossingen eerder tot stand kunnen komen;

verzoekt de regering de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer over te nemen en het voor de uitkeringsgerechtigden mogelijk te maken de plausibiliteit van de beoordeling en onderliggende berekening als het gaat om de daglonen, de uitkeringshoogte en de sociaal-medische beoordeling te controleren;

verzoekt de regering er daarom voor zorg te dragen dat werknemers op verschillende momenten in het beoordelingsproces meegenomen worden en een ingang hebben voor vragen en signalen over mogelijke fouten en bij het organiseren hiervan de cliëntenraad en vakbonden te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 877 (26448) (#17).

Dank u wel. Dan is het woord nu aan de heer Ceulemans van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Dank u wel. Opnieuw twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het UWV kampt met een structureel tekort aan verzekeringsartsen;

constaterende dat door de bestrijding van schijnzelfstandigheid van de zelfstandige verzekeringsartsen de helft daarvan is vertrokken;

overwegende dat alle beschikbare medische capaciteit nodig is voor de uitvoering van de WIA;

verzoekt de regering om binnen de geldende wet- en regelgeving te zoeken naar constructies waarbij verzekeringsartsen ook buiten een vast dienstverband kunnen worden ingezet voor medische beoordelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 878 (26448) (#18).

De heer Ceulemans (JA21):

En dan de tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het ziekteverzuim bij de overheid, inclusief de Rijksoverheid, met circa 7% tot de hoogste sectoren behoort en structureel boven het landelijk gemiddelde ligt;

verzoekt de regering om met een plan van aanpak te komen om het ziekteverzuim binnen de overheid structureel terug te dringen, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 879 (26448) (#19).

Dank u wel. Tot slot de heer De Beer van de VVD.

De heer De Beer (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Geen motie, maar wel een vraag aan de minister. De VVD maakt zich grote zorgen over de toenemende instroom in de WIA. Dat levert niet alleen een drama op voor de mensen zelf, zoals de minister ook in de media heeft gezegd, maar ook een groot probleem voor de belastingbetaler en voor onze welvaart. Met meer mensen aan de zijlijn loopt de werkdruk voor het werkzame deel van Nederland verder op. Onze voorzieningen komen ook onder druk te staan en de oplopende rekening belandt uiteindelijk bij werkend Nederland: in totaal 19 miljard euro, dit jaar bijna 300 miljoen extra en richting 2031 zelfs een miljard euro extra.

Wat de VVD betreft moet er dus worden ingegrepen, want anders zien we verder alleen maar verliezers. De oplopende instroom in de WIA moeten we proberen om te buigen, te beginnen bij meer inzicht in de doelgroep en bij meer preventie aan de voorkant. Wij vragen het kabinet een nadere analyse van de instroomcijfers. Welke maatregelen kunnen worden genomen om de verschillende doelgroepen zo veel mogelijk aan het werk te houden? We willen een stelsel dat houdbaar, betaalbaar en uitvoerbaar is. Graag een reactie of, beter gezegd, een toezegging van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan vijf minuten schorsen en dan gaan we verder met de beantwoording en het oordeel over de moties.

De voorzitter:

We gaan weer verder met het tweeminutendebat. Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Vijlbrief:

Voorzitter, dank u wel. Ik kreeg de vraag van mevrouw Van Ark of ik bereid ben in kaart te brengen wat er mogelijk is om de doorstroom te bevorderen en dwangsommen te beperken. We zijn bezig om bestuurlijke dwangsommen buiten werking te stellen. Hiervoor wordt een wetsvoorstel voorbereid. Als mevrouw Van Ark daar genoegen mee neemt, is dat het antwoord op haar vraag.

De heer De Beer pak ik dan maar even in één keer mee; die zat helemaal aan het eind. Hij vroeg om een analyse van de instroom. Jazeker. Ik heb vorige week naar aanleiding van de cijfers in de Voorjaarsnota al gezegd dat het strikt noodzakelijk is om beter te kijken naar die instroom en wat we daaraan kunnen doen. Ik hoop daar rond augustus, rond de augustusbesluitvorming en Prinsjesdag, wat meer over te kunnen zeggen. Dan kom ik daar dus graag op terug bij de Kamer.

Even kijken. Dat brengt mij bij de heer Ceder. De heer Ceder had ook nog een vraag. Wat is de stand van zaken van de taakherschikking en gaat de minister ook in gesprek met verzekeringsartsen? Daar wordt aan gewerkt. Dat is een van de onderdelen die wij in het coalitieakkoord noemen. Ik verwacht voor de zomer het plan van aanpak te kunnen versturen. Daarvan is inderdaad een onderdeel een gesprek met de verzekeringsartsen, zoals de heer Ceder vroeg.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Fijn. Er wordt nog weleens verschillend gedacht over de denkrichtingen en ik zou graag willen vragen of de minister kan toezeggen dat er een verslag van het gesprek naar de Kamer toe komt. Wij zouden namelijk graag van tevoren willen kijken vanuit welke denkrichting de minister de motie verder uitvoert. Voor mij is het dus prima, en de vraag is of u nog een verslag naar de Kamer zou willen sturen, voordat u vervolgens verdergaat.

Minister Vijlbrief:

Als de heer Ceder hier nu geen termijn aan gaat verbinden — dat is uitlokking, wat ik nu doe, maar het is toch verstandig om dat even te zeggen — zeg ik dat toe. Dan krijgt hij dat gewoon. Ik weet alleen niet wanneer het gaat plaatsvinden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is prima, zolang dat natuurlijk vóór de definitieve keuze is, want dat is de reden waarom ik dat vraag.

Minister Vijlbrief:

Dat was de gedachte.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ja, dank.

Minister Vijlbrief:

Dan had de heer Ceder ook een vraag over het waarborgen van de informatievoorziening en het lessen trekken uit het Rekenkamerrapport. Dat ging over de gang van zaken rond de kwaliteit van de WIA-beoordelingen. Daarvoor geldt oordeel Kamer. Het Rekenkamerrapport wordt niet helemaal precies goed geciteerd, maar dat laat ik maar even.

De voorzitter:

U bent begonnen met de moties?

Minister Vijlbrief:

Jazeker. Had ik dat moeten zeggen? De motie op stuk nr. 871 is dit, sorry. Ik betreur net als de heer Ceder dat er fouten zijn gemaakt. We gaan dus zeker die lessen trekken uit het Rekenkamerrapport. Ik zal u dus rond de zomer informeren over de voortgang daarvan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 871: oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Ja. En dan heb ik de motie op stuk nr. 872. Die noem ik maar even de oekaze-Kokmotie. Daar ga ik toch wat strenger over zijn; die vind ik eigenlijk overbodig. Die oekaze-Kok is versimpeld. Dat zei de heer Ceder ook. Die had het over culturen et cetera. Het valt overigens ook niet onder mijn verantwoordelijkheid, maar goed, ik dacht: laat ik er in het kader van de eenheid van het kabinetsbeleid toch maar een oordeel over geven. Ik vind deze motie dus overbodig. De oekaze-Kok is flink aangepast. Ik wil de heer Ceder ook wel uitleggen hoe ik hiermee omga, als hem dat helpt. Wat mij betreft is er veel ruimte voor ambtenaren om contact te hebben met de Kamer wanneer dat nuttig is. Het blijft immers allemaal mijn verantwoordelijkheid. Dat vind ik zelf op zich dus prima. De motie op stuk nr. 872 is dus overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 872 is overbodig.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 873 krijgt oordeel Kamer. De heer Dijk heeft haarfijn aangevoeld dat hij met dit dictum wél oordeel Kamer zou krijgen. Ik onderzoek dit dus graag. Dat gaan we doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 873 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 874 wordt ontraden. Dat hoef ik, denk ik, niet toe te lichten. Ik ben het ermee eens dat de knelpunten moeten worden aangepakt, maar ik ben het met de rest van het dictum niet eens. Dat gaan we zien.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 874 wordt ontraden.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 875 is van de heer Neijenhuis en de heer Ceder. Die krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 875 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Ik denk dat ik de rest daarvan even weglaat. We zijn het er gewoon mee eens, dus we gaan dat doen.

De motie op stuk nr. 876 gaat over de regeringscommissaris. Die motie heeft wat meer woorden nodig. Kijk, die regeringscommissaris, het voorstel van mevrouw Patijn, is één manier om hiermee om te gaan, maar ik moet zeggen dat ik ook wel andere wegen zie om die communicatie te verbeteren. Die regeringscommissaris heeft een paar nadelen. Ten eerste zet je weer een etage op de zogeheten controletoren. Ten tweede kost het instellen even, terwijl we die tijd eigenlijk niet hebben. Ik moet de motie dus ontraden, maar mijn voorstel aan mevrouw Patijn zou zijn om haar even aan te houden en te wachten op een brief van mij, waarin ik de Kamer een aantal opties schets om dit probleem op te lossen. Dat zou mijn aanbod aan mevrouw Patijn zijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik wil daar heel even over kunnen nadenken, en erover kunnen overleggen met Ceder. Ik kom er voor de stemmingen op terug.

De voorzitter:

Dus de motie is ontraden …

Minister Vijlbrief:

Die is ontraden tenzij die aangehouden wordt.

De voorzitter:

… tenzij die aangepast wordt. Dan de motie op stuk nr. 877.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 877 krijgt oordeel Kamer. Dit kunnen we doen, mevrouw Patijn, en dit gaan we ook doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 877 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

We moeten wel even rekening houden met de uitvoerbaarheid door het UWV. Dat is wel belangrijk, zeg ik erbij, maar we gaan gewoon doen wat er staat.

Dan een motie van de heer Ceulemans. Daar staat geen nummer op, maar dat zal de motie op stuk nr. 878 zijn.

De voorzitter:

Dat is inderdaad de motie op stuk nr. 878.

Minister Vijlbrief:

Die gaat over het buiten een vast dienstverband inzetten van zelfstandige verzekeringsartsen. Die geef ik oordeel Kamer. Het UWV kijkt al waar ze met externe artsen kunnen werken. Ik zie dit als een ondersteuning. Ik geef de motie dan ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 878 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 879 van de heer Ceulemans moet ik "ontijdig" geven, omdat deze motie niet binnen mijn mandaat valt. Zij hoort echt thuis bij de minister van BZK als werkgever voor de sector Rijk. Dus die krijgt van mij als appreciatie ontijdig. Volgens mij ben ik er dan weer doorheen.

De voorzitter:

Meneer Ceulemans, wilt u de motie aanhouden? Het oordeel op de motie op stuk nr. 879 is namelijk "ontijdig".

De heer Ceulemans (JA21):

Dat doe ik dan.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik wil nog even terugkomen op de motie op stuk nr. 872. Ik heb die niet voor niets ingediend. Ja, het is zo dat de oekaze-Kok de afgelopen jaren is afgebouwd. Het is tegelijkertijd ook zo dat de WIA-problematiek jarenlang de Kamer niet heeft bereikt, terwijl we wel heel lang met het UWV en ook met andere uitvoeringsorganisaties gesprekken hebben gevoerd. Mijn stelling is de volgende. Als wij opnieuw gaan kijken waar er nog knelpunten zijn om in ieder geval de vrijheid te vinden om dit soort dingen aan te geven, ook in gesprekken, dan kunnen we dit voor de toekomst voorkomen. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de WIA-problematiek, die nu tienduizenden mensen raakt, dan niet had hoeven plaatsvinden, in ieder geval niet in deze proporties. Dus ik vraag de minister toch of hij van mening is dat de situatie waarin we nu zitten komt doordat die oekaze-Kok en de cultuur daaromheen volledig operationeel is of dat de minister nog ruimte ziet en hij die ruimte wil verkennen. Dat is eigenlijk de inzet van mijn motie. Goed. Ik laat het hierbij, want anders herhaal ik mezelf.

Minister Vijlbrief:

Nou moet ik toch even wat strenger gaan zijn. De motie zegt volgens mij: verzoekt het kabinet de oekaze-Kok nog verder te versimpelen. Ik zeg daar dus bij: a is dat net gebeurd en b denk ik niet dat dat een oplossing is voor het probleem dat de heer Ceder beschrijft, terwijl ik het wel met hem eens ben dat dit probleem er is. Maar ik denk niet dat deze motie daarbij gaat helpen. Daarom noem ik 'm overbodig en geef ik 'm niet een ander soort oordeel. Dat is wat ik probeer te zeggen.

De voorzitter:

Oké. Voor de duidelijkheid: de motie op stuk nr. 872 krijgt nog steeds het oordeel overbodig.

Minister Vijlbrief:

Ja.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik heb een vraag over de motie op stuk nr. 874 en die is eigenlijk best wel simpel. Vindt de minister dat mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering een te hoge uitkering krijgen?

Minister Vijlbrief:

Ik houd me gewoon aan het dictum van de motie. Er staat: verzoekt de regering niet te bezuinigen op arbeidsongeschiktheidsregelingen. Wij gaan hervormen en bezuinigen op de arbeidsongeschiktheidsregeling. Dit debat hebben we heel uitgebreid gevoerd tijdens de begroting. De heer Dijk en ik waren het niet eens over de vraag of dat nodig zou zijn of niet, waarbij ik steeds heb gezegd dat het om twee dingen gaat: hervormen, de instroom beperken et cetera, et cetera, maar ook de kosten. We hebben daar afgelopen vrijdag toch weer een voorbeeldje van gezien. Dat kwam al in het debat aan de orde. Ik doel dan op een tegenvaller in de WIA van meer dan een miljard euro in 2030. Dat vind ik voldoende reden om wel te kijken naar bezuinigingen op de arbeidsongeschiktheidsregeling.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Mijn vraag is heel helder: vindt de minister dat mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering een te hoge uitkering krijgen?

Minister Vijlbrief:

Het dictum van de motie zegt dat we niet moeten bezuinigen. Bezuinigen kan ofwel via de hoogte van de uitkeringen, ofwel door de instroom enorm te beperken. Ik heb de motie het oordeel ontraden gegeven. Ik ga geen antwoord geven op de vraag of ik de uitkering te hoog vind, want dat betekent dat ik over iedereen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft zou zeggen dat hij een te hoge uitkering heeft. Dat ga ik niet zeggen.

De voorzitter:

Nee, we gaan dit stoppen.

Minister Vijlbrief:

Ja.

De voorzitter:

Dank u wel. De motie op stuk nr. 874 blijft ontraden. Dank u wel voor uw antwoorden, de oordelen op de moties en de komst naar de Kamer. Succes met de kies.

Minister Vijlbrief:

Nee, ik blijf nog. Ik moet nog de helft van het andere tweeminutendebat doen.

De voorzitter:

O, oké. De minister blijft nog even.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan meteen verder met het volgende debat. Dat is het tweeminutendebat Uitvoering sociale zekerheid. De eerste spreker is de heer Ceder van de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb een vraag en twee moties. In de media zijn berichten verschenen over het delen van pasfoto's tussen gemeenten en het UWV voor handhaving. We weten dat dat niet mag. Dat weet het UWV ook, maar toch vragen ze nog steeds om foto's, begrijp ik. Drie grote gemeenten zijn daar nu mee gestopt en dat is goed, maar kan de minister toezeggen in gesprek te gaan met het UWV om ervoor te zorgen dat er geen foto's meer gedeeld worden, en kan hij dat ook toezeggen richting de Kamer?

Voorzitter. Dan de moties. Het kabinet gaat het kindgebonden budget en de kinderbijslag samenvoegen tot één regeling. Dat is in zichzelf een goed plan volgens de ChristenUnie, maar ik maak me wel een beetje zorgen over de manier waarop het kabinet dit gaat uitvoeren. Dat bleek ook wel uit het debat. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een brede politieke wens is om de inkomensonzekerheid van veel huishoudens te verminderen door de huidige toeslagen, waaronder het kindgebonden budget, te vervangen;

overwegende dat dit kabinet het kindgebonden budget en de kinderbijslag wil samenvoegen tot één kindregeling;

overwegende dat de Kamer heeft uitgesproken dat de armoede niet mag stijgen;

verzoekt de regering er in het uiteindelijke wetsvoorstel voor de nieuwe kindregeling voor te zorgen dat de inkomenseffecten voor lage inkomens niet negatief zullen zijn, bijvoorbeeld via flankerend fiscaal beleid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Flach.

Zij krijgt nr. 880 (26448) (#20).

De heer Ceder (ChristenUnie):

En tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat niet-gebruik van inkomensregelingen en toeslagen ervoor kan zorgen dat mensen onnodig in financiële problemen komen en niet-gebruik dus bestreden moet worden;

constaterende dat de overheid over vrijwel alle inkomens- en vermogensgegevens beschikt die nodig zijn om inkomensregelingen aan te vragen, maar dat burgers die zelf niet eenvoudig kunnen inzien en gebruiken voor de aanvraag van regelingen;

spreekt uit dat mogelijke budgettaire gevolgen nooit reden kunnen zijn om niet-gebruik van regelingen niet tegen te gaan;

verzoekt de regering om te verkennen hoe, naast de Wet proactieve dienstverlening SZW, niet-gebruik verder tegengegaan kan worden en daarbij ook gegevensuitwisseling tussen gemeenten en de Belastingdienst/Dienst Toeslagen mogelijk te maken, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 881 (26448) (#21).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van Ark van het CDA.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. Weer geen motie, maar wel een paar vragen. Het vorige kabinet heeft de hervorming van het stelsel van inkomensondersteuning en sociale zekerheid ingezet. Dat is een brede agenda met verschillende sporen gericht op het stapsgewijs werken aan vereenvoudigingen, hervormingen en uitvoerbaar beleid. We zijn het, denk ik, met elkaar eens dat het van groot belang is dat deze hervormingsagenda ook onder het nieuwe kabinet voortvarend verder wordt gebracht, omdat de noodzaak er nog onverminderd is. Is de minister het met ons eens dat verdere uitwerking van en concrete sturing op de uitvoering van deze agenda nodig is, omdat de trajecten bijdragen aan een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuning en sociale zekerheid voor mensen waarin werken loont? Is de minister bereid om toe te zeggen dat hij voor de zomer samen met zijn collega van Fiscaliteit en Toeslagen een brief naar de Kamer stuurt met een herzien tijdpad voor de uitvoering van deze agenda, zodat we de vaart erin kunnen houden?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van Brenk, 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Iets wat niet deugt, moet je blijven benoemen. Dat moet uiteindelijk gewoon opgelost worden. Daarom zal ik het blijven herhalen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Wajongers van waarde zijn voor de maatschappij;

overwegende dat Wajongers naar vermogen hun steentje bijdragen;

overwegende dat werken moet lonen, ook voor Wajongers;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat werkende Wajongers (met en zonder arbeidsvermogen) minimaal het minimumloon betaald krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 882 (26448) (#22).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Mulder van de PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dank. Ook geen motie van mijn kant, want die motie is al ingediend bij het begrotingsdebat. Die ging over de taaleis. Maar ja, als je taaleis zegt, dan zeg je bijstand. Om de woorden van mevrouw Van Brenk te herhalen: iets wat niet deugt, moet je blijven benoemen. Daarom heb ik een vraag over de bijstand, want meer dan 50% van de mensen in de bijstand komt van buiten Europa. De getallen zijn schokkend. 70% van alle Somaliërs zit in de bijstand. Meer dan 50% van de Irakezen en ook meer dan 50% van de Eritreeërs zit in de bijstand. Dat is onhoudbaar, want zoals het mooie gezegde luidt: de bijstand is geen vangnet meer voor Nederlanders, maar een hangmat voor allochtonen. Die mensen halen voor alles hun neus op wat Nederlands is, behalve voor ons geld. Daar moeten we iets aan doen. Daarom heb ik één vraag aan de minister. Wat gaat hij doen om te voorkomen dat we hier over twee jaar staan met cijfers waaruit blijkt dat 80% tot 100% van de mensen in de bijstand allochtoon is?

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik doe iets niet heel elegants: ik ga nu een motie indienen die eigenlijk een beetje bij het vorige debat past, maar ook wel bij dit debat. Het paste net even niet in de tijd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat fouten in de vaststelling van het WIA-dagloon gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrije pensioenopbouw bij pensioenfondsen;

overwegende dat het UWV voornemens is deze fouten te herstellen via financiële compensatie zonder het WIA-dagloon met terugwerkende kracht te corrigeren in de polisadministratie, waardoor pensioenfondsen niet over de juiste brongegevens beschikken om hun administratie en uitkeringen correct aan te passen;

verzoekt de minister te onderzoeken en te onderbouwen in hoeverre de effecten voor arbeidsongeschiktheidspensioendeelnemers worden meegenomen in de compensatieregeling, en de Kamer hierover te informeren vóór vaststelling van de compensatieregeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 883 (26448) (#23).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik een motie die er helemaal in past.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Landelijke Cliëntenraad een belangrijke rol vervult in het vertegenwoordigen van mensen die afhankelijk zijn van sociale zekerheid en de uitvoering door onder andere het UWV;

overwegende dat de ervaringen en signalen van cliënten essentieel zijn voor het verbeteren van beleid en uitvoering en dat het eerder opmerken van signalen problemen kan voorkomen;

verzoekt de minister te bezien hoe de positie en betrokkenheid van de Landelijke Cliëntenraad bij beleidsvorming en uitvoering structureel kan worden versterkt, hierop actie te ondernemen, en de Kamer hierover binnen een halfjaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 884 (26448) (#24).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Ceulemans van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Qua onderwerp heeft dit tweeminutendebat een beetje overlap met het commissiedebat Armoede, dat we vorige week hebben gehad. Ook daar ging het over de recente armoedecijfers en de rol van de energierekening daarin, vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de energierekening een belangrijke factor is in de recente stijging van armoede in Nederland;

constaterende dat Nederland de hoogste energiebelasting op gas van Europa heft, bedoeld om aardgasgebruik te ontmoedigen, terwijl het overgrote deel van de huishoudens en bedrijven nog afhankelijk is van een aardgasaansluiting;

overwegende dat voor veel huishoudens en ondernemers geen reëel alternatief voor gas beschikbaar is, waardoor verdere verhoging van de energiebelasting op gas direct leidt tot hogere vaste lasten zonder gedragsalternatief;

overwegende dat juist huishoudens met lage en middeninkomens onevenredig hard getroffen worden door dergelijke lastenverzwaringen;

verzoekt de regering af te zien van verdere verhogingen van de energiebelasting op gas,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Van den Berg.

Zij krijgt nr. 885 (26448) (#25).

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel. De minister heeft aangegeven vijf minuten nodig te hebben voor de voorbereiding van de beantwoording.

De voorzitter:

We kunnen weer verder met het debat over de uitvoering van de sociale zekerheid. Welkom aan minister Aartsen. Het woord is aan hem.

Termijn antwoord

Minister Aartsen:

Dank, voorzitter. Dank aan de leden voor de vragen en de moties. Er zijn drie vragen aan mij gesteld. De eerste was van mevrouw Van Ark van het CDA. Zij vroeg of wij kunnen toezeggen voortgang te maken met de hervormingsagenda inkomensondersteuning en of wij u daar voor de zomer meer over kunnen laten weten. Dat kan ik van harte toezeggen. Het is een belangrijke ambitie van dit kabinet om zowel te vereenvoudigen als te kijken naar hoe werken meer kan gaan lonen. Daarover staan ook een aantal ideeën in die agenda. Het is belangrijk dat die agenda wordt doorgezet. Ik kan dat dus van harte toezeggen. De staatssecretaris van Financiën en beide ministers zullen daarover met een brief komen voor de zomer.

Dan vroeg de heer Mulder hoe we ervoor gaan zorgen dat — ik weet het exacte jaartal even niet — in de verre toekomst of in de nabije toekomst niet 100% van de mensen in de bijstand van niet-westerse afkomst is of statushouder is. Een van de ambities van dit kabinet, en specifiek van deze minister, is om echt aan de slag te gaan met werk voor nieuwkomers. Ik heb in eerdere debatten al aangegeven dat ik vind dat het aantal statushouders, maar ook asielzoekers, dat niet werkt veel en veel en veel te hoog is. Ik heb ook aangegeven dat niemand beter wordt van nietsdoen, dat iedereen een bijdrage dient te leveren en dat in een sterk land niemand langs de kant kan staan. We kunnen het ons ook niet permitteren om mensen niet mee te laten doen, want we hebben op dit moment grote tekorten. Daarom zal het kabinet nog voor de zomer een groot actieplan, een plan van aanpak, presenteren dat laat zien hoe we ervoor gaan zorgen dat zo veel mogelijk statushouders en asielzoekers meedoen, en vooral werken, in onze samenleving.

Voorzitter. Dan de heer Ceder. Ik pak maar meteen zijn motie op stuk nr. 881 mee. Die gaat over proactieve dienstverlening. Daar had hij een vraag over. Misschien is het goed om het hier even te zeggen, want ik zag er in de media links en rechts al wat over verschijnen. Ik zal uw Kamer morgen een brief sturen met verdere uitleg over de Voorjaarsnota, waarin het een en ander staat over het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening. Maar laat ik hier klip-en-klaar over zijn: het kabinet gaat door met het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening. We gaan door met de gegevensdeling tussen het UWV, de SVB en de gemeentes. Dit wetsvoorstel kent meerdere onderdelen. Met meerdere regelingen willen we niet-gebruik aanpakken. Dat is onderverdeeld in verschillende AMvB's, met verschillende datums voor inwerkingtreding. Aan elke AMvB hangt ook een financiële dekking vast. Afgelopen augustus is daar al het een en ander in geschoven. Bij deze Voorjaarsnota is het kabinet genoodzaakt geweest om de financiële middelen die beschikbaar waren voor de algemene bijstand aan te wenden voor de financiële tegenvallers die er op dit moment op het gebied van sociale zaken zijn. We maken daarom inderdaad een pas op de plaats als het gaat om dit onderdeel, maar het is wel de bedoeling om die pas door te gaan zetten. We willen het zo inregelen — ik zal dat morgen in de brief wat verder uiteenzetten — dat de wet in principe in stand blijft, net als de AMvB, maar dat het koninklijk besluit alleen kan worden geslagen en de inwerkingtreding alleen kan worden gestart op het moment dat er voldoende financiële dekking is. Ik ga als we het wetsvoorstel gaan bespreken graag het debat aan met uw Kamer over hoe we dat verder kunnen gaan brengen.

De voorzitter:

En het oordeel over de motie is?

Minister Aartsen:

We kunnen de motie op stuk nr. 881 dus oordeel Kamer geven. Dit is een langdurig traject, waarbij we soms misschien een stapje achteruit moeten doen, maar wat mij betreft wel vooruit gaan lopen. De motie kan dus oordeel Kamer krijgen. Dat sluit ook aan bij de uitspraak in de motie; die deelt het kabinet volledig.

De voorzitter:

Een korte vraag van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel voor het oordeel. Ik heb nog niet meegemaakt dat we een wet behandelen en het kabinet en de coalitiepartijen al van tevoren zeggen: we hebben er geen geld voor, dus behandel 'm maar, vervolgens stoppen we 'm in de ijskast en pas als we weer geld vinden of de coalitiepartijen met elkaar besluiten dat het belangrijk genoeg is, want schaarste wordt verdeeld, gaat het traject door. Ik wacht de brief af die eraan komt, maar ik vraag me toch af of de minister dan inmiddels niet denkt dat we de behandeling gewoon even moeten uitstellen. Anders moeten we een debat met elkaar voeren waarin dit een centraal punt zal zijn. Ik heb niet eerder meegemaakt dat zo'n handeling wordt uitgevoerd. Volgens mij gaat de Kamer erover, dus ik vraag me af of de minister het eigenlijk niet veel passender vindt om de wetsbehandeling even uit te stellen totdat we weten dat de aangenomen wet ook snel uitgevoerd wordt.

Minister Aartsen:

Nee, dat zou ik onverstandig vinden. Ik zou het juist verstandig vinden om door te gaan. Het enige bezwaar dat er dan namelijk nog is, is of er op dat moment voldoende financiële ruimte structureel aanwezig is om dat te doen. Het gaat om 28 miljoen euro structureel. Op het moment dat het wetsvoorstel door beide Kamers is aangenomen, is het een kwestie van een koninklijk besluit slaan. Dat kan ik met één krabbel doen, dus dat kan relatief snel zodra de financiële dekking beschikbaar is. Het kabinet ziet het als volgt voor zich. We maken voortgang met het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening. Dan hebben we namelijk de wettelijke grondslag. Dit onderdeel laten we pas in werking treden op het moment dat er financiële ruimte gevonden is. Wij waren nu genoodzaakt om dit bedrag te onttrekken uit dit wetsvoorstel, omdat de financiële situatie echt heel erg nijpend is. Omdat dit geld nog niet vaststond in de begroting, hoef je het niet terug te draaien. Daarmee maken we het niet minder fraai en minder leuk, maar ik zou wel door willen gaan met het wetsvoorstel, omdat we dan uiteindelijk met één druk op de knop weer vooruit kunnen. Uw Kamer gaat mij bij de behandeling van het wetsvoorstel ongetwijfeld heel kritisch bevragen, ook specifiek over dit punt. Uiteindelijk is het een kwestie van: trekken we dat geld op dat moment of op een ander moment wel of niet uit? Als het wetsvoorstel is aangenomen, kunnen we met één koninklijk besluit dat onderdeel in werking laten treden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 881 krijgt oordeel Kamer. Het debat over het wetsvoorstel komt eraan.

Minister Aartsen:

Ik hoop uw Kamer hier morgen een brief over te sturen. Ik zou het zonde vinden als dit blijft dooretteren en hier onduidelijkheid over bestaat. Het is heel technisch, maar daarom stuur ik u graag een mooie brief daarover.

Voorzitter. Dan even een stapje terug naar de eerste motie. De motie op stuk nr. 880 kan ik oordeel Kamer geven. Het streven van de heer Ceder is ook zeker mijn streven. De ambitie om de twee kindregelingen samen te voegen, gecombineerd met het feit dat dit kabinet met een envelop 600 miljoen hiervoor beschikbaar kan stellen, kan juist zorgen voor een andere invulling, waarbij je ervoor probeert te zorgen dat werken meer gaat lonen. We zullen bijvoorbeeld moeten bekijken hoe dat zit bij het kindgebonden budget, dat nu wel heel ruim is opgezet. Ik noem ook de ambitie om kinderarmoede tegen te gaan bij jonge ouders. Er zijn een aantal opmerkelijkheden. Ik verwacht u in mei een soort uitgangspuntenbrief, een bouwstenenbrief, te sturen over de nieuwe kindregeling. Wij zijn daar heel druk mee. Ik kan u toezeggen dat ik u een brief stuur over hoe die regeling eruit komt te zien. Daarmee kan ik uw zorgen misschien wel wegnemen. In principe krijgt de motie oordeel Kamer. Daarbij moet ik wel vermelden dat we nooit 100% voor ieder individu kunnen garanderen dat ze er nooit op achteruit zullen gaan. Maar ik deel uw streven, vandaar dat ik de motie oordeel Kamer geef.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 880: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Ook de motie op stuk nr. 882 van mevrouw Van Brenk kan ik oordeel Kamer geven. Deze motie ziet specifiek toe op de mensen met een Wajong-uitkering die werken met loondispensatie. We zijn op dit moment aan het bekijken hoe je veel meer kan doen met loonkostensubsidie. Ook daar zullen we snel stappen op gaan zetten. Het is belangrijk dat ook voor Wajongers werken gaat lonen en dat we die stap kunnen gaan zetten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 882: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Tot zover, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de andere minister.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. De heer Ceder vroeg naar het gebruik van pasfoto's door UWV. Ik geef direct toe dat dat een vergaand middel is. Ik heb daar overigens nog niet zo heel lang geleden Kamervragen over beantwoord. Dat waren schriftelijke vragen, dacht ik. UWV heeft de bevoegdheid tot het opvragen en gebruiken van een kopie van foto's onder de Wet SUWI. Proportionaliteit en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur horen daarbij wel toegepast te worden, zeg ik voordat jurist Ceder dat gaat zeggen. Ik houd niet zo van deze situatie waarin UWV via de kranten in debat is met gemeenten. Ik ga met UWV en VNG in gesprek om een passende oplossing te zoeken. Er worden ook onderzoeken gedaan door de AP. Ik verwijs nogmaals naar het antwoord op de Kamervragen van Groep Markuszower, dacht ik, op dit punt.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank en fijn. Ook op dit punt vraag ik of u dit kunt terugkoppelen aan de Kamer. Ik ben benieuwd naar de reikwijdte. Misschien wil de Kamer in meerderheid kijken of we dat niet toch binnen een bepaald kader moeten beperken. De vraag is of u de uitkomsten daarvan naar de Kamer kunt sturen.

Minister Vijlbrief:

Als dit gesprek heeft plaatsgevonden, zal ik een brief naar de Kamer sturen met de uitkomst ervan. Zeker.

Dan waren we, dacht ik, bij de motie op stuk nr. 883, van mevrouw Patijn. Dat is een hele ingewikkelde motie. Ik kan 'm nu oordeel Kamer geven, als ik 'm van mevrouw Patijn echt als een onderzoeksmotie mag interpreteren. Er staat wel: te onderzoeken en te onderbouwen. Maar als "onderbouwen" betekent "we gaan het doen", geef ik de motie geen oordeel Kamer, want dat durf ik nu gewoon niet toe te zeggen. Dat is in de uitvoering ingewikkeld. Als het in de motie alleen gaat om "onderzoeken", kan ik 'm oordeel Kamer geven. Dan zou de motie op stuk nr. 883 dus oordeel Kamer krijgen.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Patijn knikken, dus de motie op stuk nr. 883 krijgt oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 884 krijgt sowieso oordeel Kamer. Dat doe ik graag.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 884: oordeel Kamer.

Minister Vijlbrief:

Er komt nog een brief over en het komt ook aan de orde in de SUWI-evaluatie.

Ten slotte de motie op stuk nr. 885. Die is ontijdig en hoort eigenlijk niet thuis in dit debat. Deze motie hoort echt thuis in een debat waar de staatssecretaris van Financiën of de minister van Financiën bij aanwezig is. Die geef ik als oordeel dus "ontijdig". Ik denk zomaar dat de heer Ceulemans en ik elkaar in een van die debatten, in wat voor rol dan ook, wel weer gaan tegenkomen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 885: ontijdig. Is de heer Ceulemans bereid om de motie aan te houden?

De heer Ceulemans (JA21):

Ik moet eerlijk bekennen dat het niet helemaal als een verrassing komt. Ik laat 'm vooralsnog eventjes staan, omdat ik het wel een fundamenteel probleem vind dat we in dit land aan de ene kant het leven kunstmatig duur aan het maken zijn — we stuwen de energierekening kunstmatig op — en dat we aan de andere kant de gevolgen daarvan weer gaan dempen met belastinggeld in de vorm van toeslagen, fondsen et cetera. Ik vind dat daadwerkelijk een onderwerp voor een debat over sociale zekerheid en armoede, dus ik laat de motie vooralsnog even staan.

De voorzitter:

Als de motie niet aangehouden wordt, krijgt ze het oordeel "ontraden".

Minister Vijlbrief:

Zo is het.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel.

De voorzitter:

Over de moties wordt volgende week dinsdag gestemd. Ik schors tot 19.30 uur voor de dinerpauze. Daarna gaan we verder met het tweeminutendebat Nieuw financieringsstelsel kinderopvang.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan beginnen met het tweeminutendebat Nieuw financieringsstelsel kinderopvang. De minister gaat op zijn stoel zitten, de Kamerleden ook. Als eerste spreker wil ik mevrouw Moorman van GroenLinks-PvdA naar voren roepen.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een vraag en vijf moties, dus ik ga snel van start.

Mijn vraag: vanaf wanneer gaat het CBS de prijzen in de kinderopvang monitoren?

Dan mijn moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat betaald overblijven een financiële drempel kan vormen voor ouders;

verzoekt de regering om per regio in kaart te brengen bij hoeveel van de basisscholen sprake is van tussenschoolse opvang en tegen welke kosten ouders hier gebruik van kunnen maken, en de Kamer hierover te informeren voor het meireces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 577 (31322) (#26).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onduidelijk is wanneer de Wet herziening financieringsstelsel kinderopvang naar de Kamer komt;

verzoekt de regering om voor het meireces een procesbrief naar de Kamer te sturen met daarin de planning van het wetstraject van de Wet herziening financieringsstelsel kinderopvang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 578 (31322) (#27).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat integrale publieke kinderopvang en onderwijs goed zijn voor de ontwikkeling van kinderen;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke stappen nodig zijn om te komen tot een integraal stelsel van kinderopvang en onderwijs, en daarbij de Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen te betrekken, en de Kamer hierover te informeren voor het meireces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 579 (31322) (#28).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om in kaart te brengen wat de uitvoeringskosten zijn van het innen van de 4% eigen bijdrage in de kinderopvang, en de Kamer hierover te informeren voor het meireces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 580 (31322) (#29).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 71% van de kinderopvanglocaties een prijs vraagt boven de maximumuurprijs;

verzoekt de regering om in beeld te brengen hoe ver de prijzen van de kinderopvanglocaties boven de maximumuurprijs liggen, en in hoeverre dit verschilt per doelgroep en per regio, en de Kamer hierover te informeren voor het meireces,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 581 (31322) (#30).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik had er zo nog één kunnen doen, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank ú wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Van Ark van het CDA.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. De komende jaren wordt er toegewerkt naar het stelsel van gratis kinderopvang. Wij hebben er in het schriftelijk overleg onze zorgen over geuit dat de vraag naar kinderopvang fors zal toenemen, terwijl er nu al grote personeelskrapte is. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de invoering van bijna gratis kinderopvang naar verwachting zal leiden tot een aanzienlijke stijging van de vraag naar kinderopvang, terwijl de sector nu al kampt met personeelstekorten en capaciteitsdruk;

overwegende dat het tijdig voorbereiden op deze vraagstijging essentieel is om toegankelijkheid en kwaliteit van de kinderopvang te waarborgen;

overwegende dat naast reguliere maatregelen ook creatieve oplossingen kunnen worden gezocht, bijvoorbeeld het parttime inzetten van gepensioneerden, leerwerkconstructies voor studenten pedagogiek en pabo, versterken en uitbreiden van het aanbod van gastouders, het slimmer digitaal matchen van vraag en aanbod enzovoorts;

verzoekt de regering samen met de sector nogmaals te zoeken naar creatieve oplossingen die kunnen bijdragen aan het vergroten van de capaciteit, en daar voor de zomer over te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ark.

Zij krijgt nr. 582 (31322) (#31).

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. Ik heb nog een vraag. Per 1 januari 2023 …

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, is er een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik zou over deze motie graag een vraag willen stellen. Ik ben het er natuurlijk mee eens dat we er alles aan moeten doen om voldoende personeel te krijgen. Ik lees ook in de stukken dat dat hét grote knelpunt is. Tegelijkertijd is deze sector enorm gereguleerd met een maximumaantal kinderen per pedagogisch medewerker; we willen ook pedagogisch medewerkers op de kinderopvang. Mag ik dus aan mevrouw Van Ark vragen waar zij dan aan denkt? Vinden we eigenlijk dat we dan die norm op moeten rekken? Of vinden we dat er ook niet-gediplomeerde pedagogisch medewerkers op de kinderopvang moeten werken? Want hoe anders, wil ik eigenlijk vragen. Natuurlijk willen we allemaal dat er voldoende personeel is.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik heb in mijn motie al een aantal onderzoeksrichtingen gezet. Het betekent ook het slimmer digitaal matchen. Ik zie dat ouders bijvoorbeeld heel erg lang op zoek zijn. Daar brengen we natuurlijk niet de capaciteit mee op orde. Je kan echter ook denken aan pabo-studenten. Je kan ook denken aan het inzetten van gepensioneerden of aan het flexibeler maken ervan, maar zoals u aangeeft, moeten we misschien ook wat creatiever kijken naar hoe we het op dit moment vormgeven en of daar mogelijk wat meer rek in zit. Wat mij betreft moeten we dus echt out of the box denken om dit probleem aan te pakken.

De voorzitter:

Dank u wel. Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik heb nog een vraag. Per 1 januari 2023 is de koppeling gewerkte uren losgelaten, met als doel minder terugvorderingen. De arbeidseis blijft wel bestaan, maar zonder koppeling kun je in theorie met één uur werken per maand aanspraak maken op 230 uur bijna gratis opvang. Destijds werd een beperkte toename van opvanguren verwacht, omdat de eigen bijdrage nog een remmende werking had. Wij vragen ons af wat de effecten zijn als die eigen bijdrage straks minimaal wordt. Wordt dit ook meegenomen in de evaluatie van het loslaten van de koppeling gewerkte uren? Wanneer vindt deze evaluatie plaats? Is de minister ook bereid de verwachte effecten van bijna gratis kinderopvang zonder koppeling met gewerkte uren in de impactanalyse bij het wetsvoorstel mee te nemen?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De minister heeft aangegeven ... O nee, de heer Mulder. Neem me niet kwalijk. Vergeet ik u bijna! De PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Het is wel een hele korte bijdrage, want ik heb slechts één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat kinderopvang als hoofddoel heeft dat ouders werk en zorg voor hun kind kunnen combineren;

overwegende dat de kinderopvangtoeslag dus een instrument is voor het stimuleren van arbeidsparticipatie;

verzoekt de regering om de arbeidseis in de kinderopvangtoeslag te handhaven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Edgar Mulder.

Zij krijgt nr. 583 (31322) (#32).

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu vijf minuten schorsen.

De voorzitter:

We gaan weer beginnen. Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Aartsen:

Ik had de moties precies tussen de katheder en het bankje neergelegd. Toen ging de katheder omhoog en lagen de moties niet meer op volgorde. We gaan kijken hoever we komen.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 577 van mevrouw Moorman vraagt mij om het een en ander in kaart te brengen over de tussenschoolse opvang. Deze motie moet ik helaas ontraden. De tussenschoolse opvang is geen wettelijke vorm van kinderopvang en valt op dit moment onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ook dat ministerie beschikt niet over deze informatie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 577: ontraden. Mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, u kon mijn lichaamstaal inderdaad lezen. De bedoeling van deze motie is juist dat dit misschien wél onder de kinderopvang zou moeten vallen. Kan de minister ons de weg wijzen wat betreft hoe we dan aan deze informatie zouden kunnen komen? Het is namelijk noodzakelijk om keuzes te kunnen maken over waarvoor we willen dat kinderopvangvergoedingen gaan gelden.

Minister Aartsen:

Dan moet ik echt verwijzen naar mijn collega van OCW, aangezien het volledige onderwijs, dus beide gevallen, tot haar domein behoren. In deze setting moet ik de motie ontraden. Ik snap het punt van mevrouw Moorman. Ik denk alleen dat zij dit bij de minister van Onderwijs zal moeten doen.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 578 kan ik oordeel Kamer geven. Ik kan zelfs een toezegging doen als u dat fijner vindt, maar een motie mag ook. Ik zeg u toe dat er voor het meireces een Kamerbrief komt met een tijdspad.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 578 krijgt oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 579 gaat over een integraal stelsel. Deze motie moet ik om twee redenen ontraden. Een politieke reden is dat dit kabinet in het coalitieakkoord heeft afgesproken dat het ongewijzigd zal doorgaan met de herziening van het financieringsstelsel. Ik denk dat het belangrijk is om dat op deze manier te doen. Het integraal doen heeft een aantal voordelen, maar ook een aantal nadelen ten aanzien van de kwaliteit en diversiteit die we op dit moment hebben in het kinderopvangstel, zeg ik er maar even bij.

Daarnaast is op dit moment alle capaciteit nodig om de inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2029 te halen. Ik vind dat echt belangrijk. Ik mag deze portefeuille nu iets meer dan een maand doen. Iedere keer dat ik de ambitie voor bijna gratis kinderopvang uitspreek, is de toch een beetje cynische reactie van de buitenwereld: we horen inmiddels al tien jaar dat dat gratis gaat worden. Ik denk dat het een belangrijke ambitie is om echt met volle vaart door te gaan, met alle capaciteit die we hebben. Het zou overigens de eerste toeslag zijn die we afschaffen sinds 2003, zeg ik uit mijn hoofd. Dat is inmiddels alweer meer dan een kwarteeuw geleden.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp eigenlijk goed wat de minister zegt. Tegelijkertijd moeten wij, juist omdat het afschaffen van een toeslag zo'n enorme, belangrijke wijziging is, ook heel goed kunnen beoordelen of dit nou de juiste weg is. Dat is ook een politiek besluit, zeker als er een minderheidskabinet zit. Wij moeten gewoon een afweging kunnen maken. Nou ligt dat rapport van de Scenariostudie Vormgeving Kindvoorzieningen er. Dat zegt ook: je zou de arbeidseis bijvoorbeeld ook pas na twee dagen kunnen laten ingaan. Wij vinden het heel belangrijk om die afwegingen te kunnen maken. Ik vind het dus een beetje jammer dat wij nu door haast niet de informatie krijgen die we eigenlijk nodig hebben om onze afwegingen te kunnen maken.

De voorzitter:

Heeft u een vraag?

Minister Aartsen:

"Haast" zou ik niet bij dit wetsvoorstel willen zeggen. Volgens mij gaat dit heel zorgvuldig. De motie vraagt mij om stappen te zetten ten aanzien van een integraal stelsel kinderopvang en onderwijs. Dat zijn twee fundamenteel verschillende stelsels. Natuurlijk, die ambitie of visie mag je vanuit een politieke ideologie hebben. Ik wil er hier alleen wel voor waken dat we het goede de vijand laten zijn van het betere. Laten we dat nou niet doen. Als het ons zou lukken om een stap te zetten richting bijna gratis kinderopvang op 1 januari 2029 — we zijn dan meer een kwart eeuw verder sinds we over de toeslagen spraken — dan zou dat echt een fantastische stap zijn voor kinderen en ouders. We gaan in de scenario's ongetwijfeld ook nog spreken over de arbeidseis. Ik interpreteer nu even, maar volgens mij is mevrouw Moorman daar vooral naar op zoek. Hoe kunnen we daarover een goed inhoudelijk debat voeren? Ik denk dat we daar gewoon even de tijd voor moeten nemen in dit voorjaar of richting de zomer. Zoals de motie op dit moment geformuleerd is, moet ik 'm echt ontraden.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik heb toch het gevoel dat de minister 'm anders leest dan hier staat. Ik zeg namelijk niet dat er een integraal stelsel moet komen. Ik vraag: wat zijn de stappen die nodig zijn zodat we dat tegenover elkaar af kunnen wegen? De bedoeling van deze motie — als ik 'm anders moet formuleren, dan hoor ik het graag van de minister — is om wat er is aangegeven in de scenariostudie te laten zien aan de Kamer. Dat bedoel ik in de zin van: wat is er dan in de stappen voor nodig zodat wij vervolgens een afweging kunnen maken? Ik bedoelde met "haast" niet … Haastige spoed is zelden goed. Ik bedoelde juist dat we hier al heel lang mee bezig zijn en dat we daarom ook in die laatste stap een zorgvuldige afweging moeten maken. Dat was de bedoeling van deze motie.

Minister Aartsen:

Die kan ik goed volgen, maar ik denk niet dat het helpt als we de capaciteit die we hebben … Het is echt spannend of we 1 januari 2029 halen. Ik zei net al dat mijn grootste zorg is dat het weer wordt uitgesteld en dat we weer in de vertraging schieten. Laten we die capaciteit nou daarop richten. Laten we onze politieke capaciteit gebruiken om daar een goed politiek debat over te voeren. Ik hoor aan het betoog van mevrouw Moorman dat zij vindt dat we dat nog onvoldoende doen. Laat mij als nieuwe minister dan de ambitie uitspreken dat ik er enorm naar uitkijk om daar echt een fundamenteel en goed politiek debat over te voeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 579: ontraden.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 580 moet ik overbodig verklaren. Het is inmiddels allemaal al in kaart. Een hoger vergoedingspercentage heeft geen gevolgen voor de uitvoeringskosten. De uitvoeringskosten zullen niet substantieel hoger liggen. Het zal ook geen significante gevlogen hebben. Als je dit overigens wel zou doen, dan moet je daar ongeveer 600 miljoen euro bijplussen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 580: overbodig.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, excuus, hoor. Ik wil niet overal op interrumperen, maar misschien komt het door de korte dicta van de moties. Op het moment dat je geld int, kost dat meer dan wanneer je geen geld int. Daar gaat het om. Wat kost het innen van die 4% ten opzichte van het überhaupt niet doen? Daar zijn eigenlijk helemaal geen goede cijfers over.

Minister Aartsen:

De cijfers die ik heb gegeven, gaan erover dat een hoger vergoedingspercentage geen gevolgen heeft voor de uitvoerbaarheid, de uitvoerder nog steeds een bedrag tot aan de MUP moet uitkeren en het uit te keren bedrag in dit geval slechts wat hoger wordt. Daarom dienen er dus geen significante gevolgen te worden verwacht voor de uitvoeringskosten. Ik zie mevrouw Moorman nee schudden, dus dat betekent dat het antwoord dat ik geef niet aansluit bij de vraag die ze heeft. Ik denk dat we moeten zoeken naar een andere manier om de vraag van mevrouw Moorman te kunnen beantwoorden.

De voorzitter:

De tweede poging van mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

De vraag die hier staat: er zijn uitvoeringskosten, want wij vragen nog steeds 4%. Wij zouden graag willen weten wat die uitvoeringskosten zijn. We weten namelijk wat die 4% oplevert. We willen dat graag tegen elkaar afzetten. Dat is niet zo'n gekke vraag en dat is de vraag die hier voorligt.

Minister Aartsen:

Nogmaals: de informatie die ik nu heb, geeft aan dat er geen significante kosten tegenover staan. Laten we de vraag die mevrouw Moorman buiten de microfoon stelt over hoe dat nou kan, heel even schriftelijk behandelen. Dan kunnen we misschien kijken hoe we "significant" allebei kwantificeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 580: overbodig. Wel komt er een schriftelijke reactie van de minister. We gaan door met de motie op stuk nr. 581.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 581 verzoekt de regering om in beeld te brengen in hoeverre de prijzen nu boven het wettelijk uurtarief liggen. Die informatie is reeds voorhanden. Ik moet deze motie dus ook overbodig verklaren. We hebben al inzicht in de kengetallen binnen de kinderopvang, bijvoorbeeld in de kwartaalrapportage en het CBS-dashboard, dat voor iedereen toegankelijk is. Daarmee proberen we zo veel mogelijk informatie en inzicht te geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 581: overbodig. Mevrouw Moorman, opnieuw.

Minister Aartsen:

Ik zeg er ook maar gewoon bij: als u nog iets mist, hoor ik dat graag. Dan doen we het in dezelfde brief die ik net heb toegezegd. Mevrouw Moorman en ik zouden vandaag een kop koffie drinken. Ik denk dat dat nodig was geweest. Ik moest die afspraak helaas annuleren vanwege een prangende andere afspraak, maar ik denk dat ik er zelf heel veel spijt van heb dat we die koffie niet hebben gedronken!

De voorzitter:

Het is wel lekker transparant.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat meneer Aartsen nooit meer een afspraak afzegt.

Minister Aartsen:

Nee, en mevrouw Moorman al helemaal niet!

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik snap het, hoor, want dat dashboard is er. Maar het is best wel zoeken. Dan kan de heer Aartsen natuurlijk zeggen "je had vanochtend een halfuur over, want de afspraak werd afgezegd", maar het zou heel prettig zijn om voor deze punten even een overzicht te hebben. Dat helpt ons enorm. Dat is een vriendelijk verzoek.

Minister Aartsen:

Ik hoor de behoefte aan de zijde van de Kamer. Ik ga even kijken hoe we dit op een goede manier kunnen vormgeven.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dan trek ik de motie in en zie ik dit gewoon als een toezegging.

De motie op stuk nr. 582.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 582 gaat over creatieve oplossingen zoeken. Die kan ik oordeel Kamer geven. Dat is een ondersteuning van wat we al doen. Ik zie het ook als een aansporing om samen met de sector in overleg te treden. Ik ben aan het kijken of we een samenwerkingsagenda kunnen maken samen met de sector. Ik zeg er overigens wel het volgende bij. Mevrouw Van Ark deed in haar bijdrage de aanname dat meer vergoeding automatisch zou leiden tot meer vraag naar kinderopvang, tot enorme aanvragen. We zien nu juist — dat zagen we vorige week ook — dat we de vergoedingspercentages hebben opgekrikt, maar dat effect eigenlijk nog niet zichtbaar is. Dat toont wat mij betreft aan — ik heb zelf onderdeel uit mogen maken van de enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening — dat het wantrouwen omtrent toeslagen, en specifiek de kinderopvangtoeslag, enorm hoog is. Juist het ontkrachten van die aanname is voor mij een motivatie om door te gaan met de hervorming van het kinderopvangstelsel en het afschaffen van die toeslag.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 582 krijgt oordeel Kamer. Mevrouw Van Ark heeft toch nog een vraag.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Mijn vraag is specifiek of er ook een brief naar de Kamer kan over wat het kabinet daar op dit moment aan doet. Ik begrijp dat het kabinet bezig is met die creatieve oplossing, maar ik zou daar graag een brief over ontvangen.

Minister Aartsen:

Laat me dan eerst heel even goed met de sector overleggen. Ik heb twee weken geleden de eerste kennismaking mogen hebben. Ik heb de sector uitgenodigd om mee te denken over zo'n samenwerkingsagenda. Laten we dat eerst even goed op een rijtje zetten, want dan kunnen we dit ook echt verder brengen. Er kan zeker een brief komen, maar dat zal dan net voor het begin van het zomerreces zijn.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Prima.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 583.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 583 verzoekt de regering om de arbeidseis in de kinderopvang te handhaven. Deze kan ik oordeel Kamer geven, mits ik 'm zo mag lezen dat dit in ieder geval voor de periode tot aan 2029 gaat gelden. Tot die tijd is het onverstandig om 'm los te laten. Voor daarna zou ik dit nu niet willen vastzetten. Daar lopen nu gesprekken over met de sector. Tussen 0 en 100 zit nog steeds heel erg veel. Ik wil wel de ruimte houden om er met de sector van gedachten over te wisselen. Het kost heel veel geld en zorgt voor heel veel extra vraag naar kinderopvang, dus op korte termijn kunnen we dit sowieso niet doen, dus oordeel Kamer. Ik wil wel even het voorbehoud houden dat ik de periode na 2029 niet dicht wil zetten, omdat ik ook met de sector in gesprek wil over hoe zij de toekomst van de kinderopvang zien nadat we deze stap hebben gezet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 583: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Dan nog een aantal vragen.

Mevrouw Van Ark vroeg mij naar de evaluatie van de koppeling gewerkte uren. Die loopt op dit moment. Wij verwachten die voor de zomer met uw Kamer te kunnen delen.

Mevrouw Moorman vroeg wanneer het CBS start met het volgen van een aantal zaken. Daarvoor moet ik verwijzen naar de kwartaalrapportages en het CBS, maar ik stel voor dat we deze gemakshalve ook gewoon even meenemen in de brief. Ik ga het niet nog een keer wagen om een teleurstellend antwoord te geven!

Dat waren de vragen en de moties, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat brengt ons bij het einde van dit tweeminutendebat over het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang.

De voorzitter:

De stemmingen zijn volgende week dinsdag. We gaan over enkele ogenblikken verder met het debat over goedkeuring van het verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan beginnen met het debat over goedkeuring van het op 21 juni 2019 te Genève tot stand gekomen Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer, met als eerste spreker vanavond mevrouw Van Ark van het CDA.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Voorzitter. Vandaag spreken we over de goedkeuring van het ILO-verdrag 190, over het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer. Dat is anno 2026 nog steeds hard nodig. Een paar jaar geleden zagen we nog het schandaal bij The Voice, waar kwetsbare jongeren in een situatie belanden waarin de bescherming op de werkvloer tekortschoot. Voor het CDA is de kern helder: iedereen moet veilig kunnen werken. Geweld, intimidatie en seksueel grensoverschrijdend gedrag horen nergens thuis en zeker niet op de werkvloer. Dat raakt aan menselijke waardigheid, aan fatsoen en aan goed werkgeverschap. Daarom staan wij heel positief tegenover ratificatie van dit verdrag.

Tegelijkertijd vinden wij dat de echte toets niet op papier ligt, maar in de praktijk. Merkt de werknemer hier straks ook daadwerkelijk iets van? Dat is voor onze fractie de belangrijkste vraag. Voor de uitvoering van het verdrag is volgens het kabinet geen specifieke wijziging van wet- en regelgeving noodzakelijk. Tegelijkertijd zegt het kabinet dat er wel degelijk meer nodig is om grensoverschrijdend gedrag krachtig aan te pakken. Daarom werkt de regering aan trainingen, een sectorale aanpak, publiekscommunicatie, hulpmiddelen voor werkgevers en werknemers. Ook werkt de regering aan een apart wetsvoorstel voor een verplichte gedragscode bij intern ongewenst gedrag bij werkgevers met tien of meer werknemers.

Dan is voor het CDA de vraag: hoe zorgen we ervoor dat we niet vooral nieuwe papieren verplichtingen optuigen, maar echt iets verbeteren op de werkvloer? Daar zit ook een reëel risico. Werkgeversorganisaties waarschuwen in het aparte traject rond de verplichte gedragscode voor extra regeldruk en een one-size-fits-allbenadering. Tegelijkertijd zien we dat ratificatie alleen niet genoeg is als gedrag, leiderschap en aanspreekbaarheid op de werkvloer niet mee veranderen. Beide signalen moeten we serieus nemen.

Voorzitter. Het CDA kiest daarom voor een lijn die op de werkvloer uiteindelijk leidt tot echte verandering, geen papieren verandering. Als eerste punt: normen moeten helder zijn, maar cultuur en gedrag zijn minstens zo belangrijk. Een veilige werkvloer organiseer je niet alleen met regels, maar ook met voorbeeldgedrag, aanspreekbaarheid, leiderschap en een werkomgeving waarin mensen veilig hun grens kunnen aangeven. De regering noemt als belangrijke elementen voor Nederland: aandacht voor gedrag en cultuur en de primaire verantwoordelijkheid van de werkgever voor een veilige werksfeer. Dat onderschrijven wij.

Twee: laagdrempelige hulp is cruciaal. In de stukken staat dat in het bestaande stelsel mogelijke maatregelen bijvoorbeeld een vertrouwenspersoon, een gedragscode of een klachtenregeling kunnen zijn. Zulke instrumenten kunnen helpen. Tegelijkertijd werken ze alleen als daar op de werkvloer ook een cultuur van aanspreekbaarheid, veiligheid en goed leiderschap onder ligt. Voor onze fractie is het van belang dat werknemers in de praktijk weten waar ze terechtkunnen; dus niet pas als het helemaal escaleert maar juist eerder. Kan de minister aangeven hoe hij bevordert dat werknemers in de praktijk altijd ergens terechtkunnen en dat laagdrempelige ondersteuning beschikbaar is? Kan hij daarbij ook ingaan op de rol van het Huis voor Klokkenluiders, juist waar het gaat om de vraag of het voor werknemers helder genoeg is waar zij zich kunnen melden en wat er vervolgens met hun signaal gebeurt?

Drie. De zorgvuldige opvolging van meldingen moet beter. De regering schrijft dat een goede klachtenregeling bijdraagt aan zorgvuldige afhandeling, maar dat het stellen van kwaliteitseisen het met name voor kleinere bedrijven lastig kan maken om een klachtenregeling inclusief klachtencommissie op te zetten. Daarom wordt die nu niet wettelijk verplicht. Dat is op zichzelf begrijpelijk, maar dan moet er wel iets tegenover staan. Hoe gaat de minister er samen met sociale partners voor zorgen dat klachtenafhandeling in de praktijk echt verbetert, ook zonder algemene wettelijke plicht? En hoe worden de lessen uit het werk van de Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld daarin op de langere termijn geborgd? Ik vraag dit, temeer omdat we weten dat haar termijn eind dit jaar eindigt.

Vier. We willen oog houden voor het mkb. Juist kleinere werkgevers willen vaak wel het goede doen, maar hebben minder capaciteit, minder juridische kennis en minder hr-ondersteuning. Hoe voorkomt de minister dat goedbedoeld beleid uitmondt in extra regeldruk? En hoe wordt straks getoetst of maatregelen niet alleen op papier bestaan maar ook echt bijdragen aan sociale veiligheid en cultuurverandering op de werkvloer?

Voorzitter, tot slot. Nog een punt over Caribisch Nederland. Het kabinet is daar eerlijk over: voor Bonaire, Sint-Eustatius en Saba geldt het verdrag nog niet, omdat de juridische infrastructuur daar nog niet op orde is. Kan de minister schetsen welke stappen nog nodig zijn om het verdrag op termijn ook voor Caribisch Nederland te laten gelden?

Voorzitter. Het CDA steunt het verdrag, maar onze boodschap is wel: niet tevreden zijn met alleen een mooie norm maar blijven sturen op wat mensen op de werkvloer merken. Veilig werk vraagt om normen, maar ook om cultuurverandering, toegankelijkheid en een goede uitvoering.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Patijn van GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Dit is een belangrijk, maar ook een vrij technisch debat. Ik denk dat we allemaal erg bezig zijn met de inhoud. Het deed me dan ook goed om te horen dat collega Van Ark precies hetzelfde zei als wat ik wil benadrukken, namelijk dat geweld en intimidatie niet thuishoren op de werkvloer. Daar zullen we het allemaal over eens zijn. Daarom is het juist zo belangrijk dat we zeggen dat we geweld en intimidatie afkeuren.

Het verdrag dat we vandaag behandelen, stelt dat iedereen het recht heeft op een wereld zonder geweld en intimidatie op de werkvloer. Maar alleen ratificatie van het verdrag is niet genoeg. Het is nodig dat bijvoorbeeld ook de arbowetgeving in lijn wordt gebracht met dit verdrag. Het voorstel dat er nu ligt, stelt met zoveel woorden dat de bestaande wetgeving volstaat. Tegelijkertijd zien we in de praktijk dat geweld en intimidatie nog altijd structureel voorkomen. Ik sprak laatst samen met collega Neijenhuis met een groep Bijenkorfmedewerkers. Zij vertelden dat jonge uitzendkrachten in de avond een hele verdieping in hun eentje moeten bemensen. Dat voelt niet veilig en dat is het ook niet. Wat moet je doen als er gestolen wordt of als een klant agressief wordt? Mijn eerste vraag aan de minister is dan ook simpel: als het huidige systeem voldoende is, waarom werkt het dan niet voor een Bijenkorfmedewerker die in zijn eentje op de werkvloer staat? Erkent de minister dat de huidige aanpak tekortschiet en, zo ja, is hij bereid om aanvullende actie te ondernemen en om zo nodig wetgeving te maken?

Voorzitter. We hebben bij de schriftelijke inbreng al vragen gesteld over de reikwijdte van de wet. Wie valt eronder en wat is er nodig om het effectief aan te pakken? Ik moet helaas concluderen dat er nog gaten zitten in de implementatievoorstellen die er nu liggen. De tekst uit het verdrag is helder. In een ingezonden artikel stellen onder andere Bureau Clara Wichmann en FNV dat de Nederlandse wetgeving niet voldoet aan de eisen van het verdrag. Het verdrag is duidelijk: de bescherming moet breder van toepassing zijn dan nu in Nederland geldt. Ten eerste: hoe zit het met de groepen die ook bescherming verdienen, zoals zzp'ers, platformwerkers, sollicitanten en vrijwilligers?

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Kisteman, maar ik dacht: ik wacht even totdat u uw vragen heeft gesteld. Maar er valt nu toch een stilte, dus meneer Kisteman, gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Ik stond hier al aan het begin van het betoog van mevrouw Patijn, toen ze zei dat er wel iets moet gebeuren. In de Arbowet staat wat ondernemers moeten doen om voor minder discriminatie of een veilige werkvloer te zorgen. Stel dat we wel voor extra wetgeving gaan zorgen door dit verdrag in de Arbowet over te nemen. Wat gaat dat dan oplossen op de werkvloer?

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

De belangrijkste punten ga ik nog maken. Er zijn groepen die nu niet onder de werkingssfeer vallen. Er zijn momenten op de dag waarop mensen niet onder de werkingssfeer van de Arbowet vallen en dus geen bescherming hebben. Maar misschien wordt het duidelijker als ik nu verder mag gaan met mijn bijdrage.

De heer Kisteman (VVD):

Ik ben er een beetje bang voor dat de goede ondernemers, die dit al doen, gaan lijden onder nog meer regeldruk en dat de ondernemers die het niet goed doen, zich toch niet aan de regels houden. Is mevrouw Patijn het ermee eens dat als we dit niet overnemen maar we voor meer regels gaan zorgen door het vast te leggen in de Arbowet, zoals mevrouw Patijn voorstelt, de goede ondernemers daaronder gaan lijden omdat er nog meer stapeling in de regels komt en de ondernemers die het niet goed doen er uiteindelijk toch niks mee gaan doen?

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik ken het mantra van de heer Kisteman als het gaat over regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en bescherming tegen intimidatie en geweld op de werkvloer. Hij heeft het altijd over de regeldruk, vooral als het gaat om regels die werknemers moeten beschermen. Dat hoor ik u vaak zeggen. Het gaat nu echt om regels die ik nodig acht voor deze mensen. Het gaat niet om regeldruk, maar om de bescherming van werknemers, zodat zij hun werk veilig kunnen doen, zodat zij weten dat er geen sprake is van intimidatie en zodat zij erop kunnen rekenen dat de werkgever verplicht is om daar wat aan te doen en de Arbeidsinspectie zo nodig handhaaft als daar niet aan wordt voldaan.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Dit staat dus al in de Arbowet. Ondernemers moeten zich hier al aan houden. Ze moeten ervoor zorgen dat werknemers veilig naar hun werk kunnen gaan en dat werknemers niet gediscrimineerd worden. Dus wat gaat er dan veranderen als wij dit zouden overnemen en er nieuwe regels aan toe gaan voegen?

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Het gaat helemaal niet om nieuwe regels ten aanzien van wat een werkgever moet doen voor de huidige groep werknemers. Er ontbreken groepen werknemers in de definitie van de Arbowet. Er ontbreken momenten van de werkdag die relevant zijn voor de handhaving. Het ILO-verdrag — dat is waarom we hier zijn — zegt daarover dat die wel degelijk in de wetgeving thuishoren. De vertaling van het ILO-verdrag naar de wetgeving is nu dus niet compleet.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel. Ik had het over de groepen die ook bescherming verdienen en die nu niet of niet volledig onder de arbowetgeving vallen, zoals zzp'ers, platformwerkers, sollicitanten en vrijwilligers. Het verdrag noemt deze groepen expliciet: "Dit Verdrag beschermt werknemers en andere personen in de wereld van werk, met inbegrip van werknemers zoals gedefinieerd door de nationale wetgeving en praktijk (…)". Dat is geregeld in de wet, zoals de heer Kisteman net vroeg. Het verdrag vervolgt: "(…) alsook werkende personen, ongeacht hun contractuele status, personen in opleiding, met inbegrip van stagiaires en leerlingen, werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd, vrijwilligers, werkzoekenden en sollicitanten, en personen die het gezag, de taken of de verantwoordelijkheden van een werkgever uitoefenen". Deze groepen worden op dit moment niet benoemd in de Arbowet. De minister zelf zegt hierover dat de Arbowet nu niet op alle groepen van toepassing is: sollicitanten, ex-werknemers en zelfstandigen vallen niet of niet volledig onder de Arbowet. Erkent de minister dat dit niet strookt met het verdrag? Ik wil hier heel graag een duidelijk antwoord op met een toelichting waarom dat wel of niet zo zou zijn volgens de minister. Is de minister bereid de werkingssfeer van de Arbowet aan te passen en de genoemde doelgroepen wel volledig onder de werkingssfeer van de wet te brengen?

In de nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat de groepen die nu niet onder de Arbowet vallen een beroep kunnen doen op het civiele recht. Wij verwachten dat mensen die stap niet gaan zetten. Ziet de minister dat ook? Is de minister het met ons eens dat de Arbeidsinspectie de mogelijkheid moet krijgen om te handhaven, ook waar het om deze groepen gaat? Is de minister bereid de wet aan te passen zodat deze overeenkomt met wat er in het verdrag staat? We moeten bijvoorbeeld sollicitanten toch gewoon beschermen zoals het verdrag benoemt, bijvoorbeeld tegen discriminatie bij de sollicitatie?

Wij zien ook een gat als het gaat om uitzendkrachten die zowel een baas op de werkvloer hebben als een administratieve baas bij het uitzendbureau. Wij vinden dat werkgevers nog te makkelijk naar elkaar kunnen wijzen als het bijvoorbeeld gaat om voorlichting over veilig werken. Ziet de minister dit ook? Kan hij aangeven wat hij daaraan zou kunnen doen?

Als tweede wil ik het hebben over de momenten waarop de Arbowet volgens het verdrag moet gaan gelden. Het verdrag benoemt in artikel 3 de volgende punten: tijdens werkgerelateerde trips, zoals uitjes, via werkgerelateerde communicatie, ook online, in een door de werkgever verstrekte accommodatie en tijdens het woon-werkverkeer. Uit de beantwoording begrijpen we dat woon-werkverkeer soms wel en soms niet onder de reikwijdte van de Arbowet valt. Als er sprake is van zeggenschap over de werknemer, dan is er sprake van een zorgplicht. Kan de minister aangeven wanneer er sprake is van zorgplicht? Hoe zit het als je carpoolt naar je werk vanaf de woonlocatie die je werkgever regelt? Hoe zit het als je met je busje van de aannemer, je werkgever, naar de andere kant van het land rijdt voor een klus? Hoe zit het als je als thuiszorgmedewerker te maken hebt met een gebroken dienst en je dus, dankzij het rooster dat je werkgever heeft gemaakt, vier keer op een dag met woon-werkverkeer te maken hebt? Hoe zit het met de callcentermedewerker die aan het einde van de avond over het donkere industrieterrein naar een halte moet lopen om daar alleen op de bus te wachten? Heeft de werkgever dan wel of geen verantwoordelijkheid? Is op dat moment wel of niet de Arbowet van toepassing? Nee, nu nog niet. Deze wet regelt dat ook niet. Is de minister met ons van mening dat dit beter geregeld kan worden, ook omdat het ILO-verdrag dit voorschrijft? Graag een reactie van de minister.

Verder ontbreekt ook de implementatie van veel andere bepalingen uit het verdrag. Hoe zit het met online werken? Hoe zit het met woningen die door werkgevers verstrekt worden en waarvan de huur op het inkomen wordt ingehouden, dus locaties waar mensen niet beschermd worden door die Arbowet? Hoe zit het met intimidatie van arbeidsmigranten buiten werktijd? Hoe zit het met de kwetsbaarheid van flexwerkers? Hoe zit het met doorwerking in huiselijk geweld? Dit zou allemaal in de wet moeten staan. Kan de minister aangeven of hij dit alsnog gaat oppakken?

Voorzitter. Een ander punt is de meldingsbereidheid, die nog steeds te laag is. Melden is heftig voor werkenden, zeker vanuit een kwetsbare arbeidspositie. We weten ook dat afhankelijkheid van tijdelijke contracten mensen tegenhoudt om melding te maken. Daarom stel ik opnieuw de vraag: wat gaat het kabinet concreet doen om de drempels voor melden weg te nemen en slachtoffers beter te beschermen? Geweld en intimidatie op de werkvloer vraagt ook om een cultuurverandering. Het gaat er ook om hoe mensen met elkaar omgaan. Juist daarom is het werk van de Regeringscommissaris Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zo belangrijk. Kan de minister kort schetsen hoe het staat met het werk en het nationaal actieprogramma? We zien dat er sinds het aanstellen van de regeringscommissaris samen met sectoren echt dingen verbeteren op de werkvloer, met concrete resultaten. Ziet de minister dit ook? Ziet hij ook dat er daardoor verschil gemaakt wordt?

Ook de handhaving verdient aandacht. De Nederlandse Arbeidsinspectie speelt een cruciale rol, maar het is de vraag of die voldoende uitgerust is. Ziet de minister, net als wij, de noodzaak om de capaciteit van de NLA uit te breiden? Is de capaciteit en inzet van de Arbeidsinspectie, als het gaat om het tegengaan van geweld en intimidatie, voldoende? Zo ja, waar blijkt dat uit?

Voorzitter. Ratificatie is alleen betekenisvol als die gepaard gaat met een stevige agenda. Wij vragen de minister om met wetgeving te komen zodat de Arbowet in lijn is met wat er letterlijk in het verdrag staat. Mijn fractie overweegt te komen met moties om de reikwijdte van de wet uit te breiden als het gaat om de doelgroepen én de momenten waarop wetgeving van toepassing is, maar liever hebben wij een bereidwillige minister die toezegt voor het einde van het jaar de wet aan te gaan passen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Kisteman van de VVD.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Onze ondernemers houden dit land draaiende: ze investeren, nemen risico's en komen met oplossingen voor de problemen van vandaag en morgen. Dankzij onze ondernemers kunnen wij investeren in onderwijs en zorg. Ondernemers zorgen voor werkgelegenheid, creëren banen en investeren in hun mensen. Laten we eerlijk zijn: de meeste ondernemers doen het gewoon heel goed. Ze investeren in hun mensen, zorgen voor een bloemetje als de werknemer jarig is of voor een fruitmand als iemand ziek is. Ze denken met iemand mee bij wie het thuis even tegenzit. Dat is de realiteit op de werkvloer in Nederland: werkgevers en werknemers die samen de schouders eronder zetten en ondernemers die niet op afstand staan, maar gewoon tussen hun mensen samen de handen uit de mouwen steken. Over het algemeen kunnen werknemers hun werk veilig doen, is er geen geweld of intimidatie op de werkvloer en gaan werknemers met veel plezier naar hun werk, zonder zorgen over wat er kan gebeuren op de werkvloer.

Voorzitter. Het gaat niet altijd goed. Soms maken werknemers geweld mee op de werkvloer of worden zij geïntimideerd en soms is hun werkomgeving niet veilig. Wat mijn fractie betreft worden die ondernemers hierop aangesproken en worden ze aangepakt. Ze hebben zich aan de wet te houden. Dat brengt mij ook gelijk tot mijn vraag aan de minister. Is de minister het met mijn fractie eens dat veruit de meeste werkgevers al aan dit verdrag voldoen en dat zij gewoon goed zijn voor hun werknemers en voor veilige en prettige werkomstandigheden zorgen? In hoeverre houdt Nederland zich al aan dit verdrag? Ziet de Arbowet hier niet al op toe? Ondernemers moeten op basis van de RI&E al een beleid voeren dat discriminatie, intimidatie en geweld voorkomt. De Arbeidsinspectie groeit al flink. Klopt het dat de Arbeidsinspectie de bestaande regels daardoor veel beter kan handhaven? Mijn fractie snapt ook dat dit kabinet dit verdrag beleidsarm wil overnemen. Kan de minister toezeggen dat dit verdrag geen extra regeldruk voor onze ondernemers gaat opleveren, zoals ook in het regeerakkoord is afgesproken? Ondernemers lopen tenslotte al vast in alle onnodige regels, maar ook in alle dubbele regels, ook als het gaat om de RI&E. Veel ondernemers lopen hierin vast. Ik zal in mijn tweede termijn dan ook een motie indienen die gaat over die RI&E.

Voorzitter. Mijn fractie wil dat iedereen in Nederland veilig naar zijn werk kan, dat er geen geweld op de werkvloer is en dat er niet wordt geïntimideerd. Laat dat vooropstaan, maar dit moet niet leiden tot meer regeldruk waar de goede ondernemers onder lijden en de slechte ondernemers zich toch niet aan houden.

Daar wou ik het bij laten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Neijenhuis van D66.

De heer Neijenhuis (D66):

Voorzitter. Elk jaar krijgt een op de zes werknemers te maken met ongewenst gedrag op het werk. Werk is de plek waar je je thuis hoort te voelen en waar verbinding, ontwikkeling en meedoen centraal zouden moeten staan, maar bij nog te veel mensen is er sprake van intimidatie, uitsluiting, verlies van zingeving en uitval. Overal ter wereld waar mensen aan de slag zijn of waar we producten of diensten afnemen, zouden we er zeker van moeten zijn dat intimidatie en geweld uit den boze zijn op de werkvloer. Daarom is het goed dat de ILO een verdrag aannam om geweld en intimidatie op de werkvloer uit te bannen en is het goed dat we dat vandaag kunnen bespreken.

Er zijn drie dingen die ik graag aan de orde wil stellen: het vraagstuk in hoeverre wet- en regelgeving inderdaad echt volstaat, de impact op specifiek de vrouwen en de impact op winkelpersoneel. Er is een lange weg te gaan tussen verdragen en de dagelijkse praktijk, maar alles begint met een goede wet. Het nu voorliggende verdrag is beleidsarm, maar de komende tijd wordt op het ministerie wel verder gewerkt aan voorstellen die aan dit onderwerp raken. Daarom vraag ik de minister of hij bereid is om bij komende wetstrajecten opnieuw kritisch te kijken of de gereedschapskist volstaat.

Laat ik maar meteen man en paard noemen: D66 is blij dat het kabinet komt met een wetsvoorstel om een gedragscode intern ongewenst gedrag te verplichten, al gebeurt dat dus nog niet in dit wetsvoorstel. Maar als wij de beslisnota's erop nalezen, zien we dat het oorspronkelijke wetsvoorstel wel toezag op een klachtenregeling; dat zat in ieder geval nog in de naam. Het is niet echt goed duidelijk waarom hiervan is afgezien. Daarom vraag ik de minister waarom er niet is gekozen voor zo'n verplichte klachtenregeling. Was dit oorspronkelijk wél het plan, waarom is dit er weer uit gehaald en is de minister bereid dit te heroverwegen?

Nog zo'n twijfelpunt is de Arbowet. Geweld en intimidatie spelen zich niet alleen af op de werkplek, maar ook bij een zzp-opdracht, online of onderweg. Dat vraagt mogelijk om een bredere reikwijdte van de Arbowet. In het onderliggende voorstel is dat niet aan de orde. Wederom blijkt uit de beslisnota's dat het kabinet een uitbreiding van de Arbowet per AMvB destijds nog wel als optie achter de hand hield om tegemoet te komen aan de kritiek op de invulling van het verdrag. Ook in de memorie van toelichting wordt gezinspeeld op deze mogelijkheid. Ik sluit me dus aan bij de vragen van mevrouw Patijn: kan de minister dit nader toelichten, welke voor- en nadelen ziet hij hierbij en is hij inderdaad bereid om per AMvB die reikwijdte van de Arbowet aan te passen als de Kamer hierom vraagt? Hoe kijkt de minister ook naar het verschil met het verdrag dat ook groepen zoals sollicitanten en oud-werknemers betrekt, terwijl zij niet onder de Arbowet vallen?

Voorzitter. Het is geen geheim dat vrouwen significant vaker slachtoffer zijn van intimidatie dan mannen. Een derde van de vrouwen heeft op het werk te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het is daarmee niet de uitzondering maar een breed verspreid probleem. Bescherming van vrouwen is nog niet vanzelfsprekend. Dit gaat niet alleen om fysiek geweld, maar ook om subtielere vormen van intimidatie, waardoor vrouwen zich elke dag onveilig kunnen voelen op de werkvloer. Een dubbelzinnige opmerking, te dichtbij staan of foute appjes; we zien ze nog veel te vaak. Dit zorgt ervoor dat vrouwen met een knoop in de maag naar hun werk gaan. Dat is onacceptabel en daarom vraag ik het volgende aan de minister. Veel vrouwen ervaren een hoge drempel om ongewenst gedrag te melden, zeker in sectoren met een groot machtsverschil. Welke maatregelen treft de minister om deze meldingsdrempel te verlagen, zodat slachtoffers zich daadwerkelijk durven te melden? En nog los van de vraag of de huidige verplichtingen uit de Arbowet worden aangescherpt of niet: hoe gaat de minister ervoor zorgen dat werkgevers daadwerkelijk meer actie ondernemen om intimidatie, en in het bijzonder intimidatie richting vrouwen, te voorkomen? Zijn de huidige capaciteiten en bevoegdheden van de Nederlandse Arbeidsinspectie daarvoor wel voldoende?

Voorzitter. Mijn laatste punt. Mevrouw Patijn noemde het net ook al: we spraken enkele weken geleden met een diverse groep mensen die werken in de winkelstraat. Wat mij sterk raakte, waren hun verhalen over hoe zij dagelijks in de vuurlinie staan van een steeds asocialere samenleving, waarin mensen een steeds korter lontje hebben en meteen agressief reageren als iets ze niet zint of als ze worden aangesproken op hun gedrag. Het moet gezegd: veel werkgevers staan echt vierkant achter hun mensen als zij te maken krijgen met geweld of intimidatie van klanten. Maar we zien het ook te vaak misgaan. Om logische redenen zal ik geen namen of toenamen noemen, maar het is niet oké om voorbeelden te horen waarin op complete verdiepingen van warenhuizen de beveiliging is wegbezuinigd, of verhalen van personeel dat op de noodknop drukt, waarna de politie er eerder is dan de manager. Er zijn ook verhalen van jonge vrouwen die 's avonds laat alleen de winkel beheren en moeten afsluiten en dan ook nog eens een minimumjeugdloon krijgen. Dat betekent dat we nog een weg te gaan hebben. Is de minister bereid om aan de slag te gaan zodat hij een goed beeld krijgt van hoe wijdverspreid deze problemen zijn? Is hij bereid om met werkgevers in gesprek te gaan om oplossingen en duidelijke normen af te spreken, en om te spreken over hoe om te gaan met geweld en intimidatie in winkels? Ik overweeg een motie op dit punt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Mulder.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ik vraag me af of de collega van D66 vindt dat de tweet van minister Vijlbrief over zijn bitches ook valt onder intimidatie op de werkvloer.

De heer Neijenhuis (D66):

Het afleggen van verantwoording over dat soort tweets laat ik graag aan de minister zelf over.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dat is een beetje een zwakke reactie. Ik krijg hier een hele redevoering over hoe belangrijk het is dat vrouwen beschermd moeten worden, en dat één op de drie lastig wordt gevallen en dat dat onacceptabel is. Onacceptabel. Dus ik stel die vraag nog een keer. Valt die tweet over de bitches van minister Vijlbrief ook onder intimidatie van een collega op de werkvloer? Het was voor heel Nederland zichtbaar.

De heer Neijenhuis (D66):

Volgens mij hebben ze dat al helemaal uitgepraat. Daar is de heer Mulder ook van op de hoogte. Daar ga ik hier nu niet op reageren. Dat moet u aan de mensen in kwestie vragen.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, tot slot. Maar dat is dus makkelijk. Dan mag ik iemand intimideren. Daarna praat ik het uit en dan is het goed. Dat is makkelijk. Daarvoor moet je een wetsvoorstel optuigen, natuurlijk.

De heer Neijenhuis (D66):

Ik ga niet mee in deze discussie.

De heer Kisteman (VVD):

Als ik de heer Neijenhuis goed hoor, lijkt hij toch te pleiten voor een verruiming van de Arbowet, waardoor daar meer regels voor komen of waardoor de regels ruimer worden geïnterpreteerd. Maar wat gaat dit dan doen aan de problemen die er kunnen zijn, zoals een onveilige situatie of discriminatie op de werkvloer?

De heer Neijenhuis (D66):

Die Arbowet hebben we niet voor niets. Die is er juist om ervoor te zorgen dat we, als er geweld of intimidatie is, dat dan kunnen aanpakken en zodat we de mensen die dat doen ook daadwerkelijk de straf kunnen geven die ze daarvoor zouden moeten krijgen. Straf voor wie straf verdient, dat zou de VVD toch moeten aanspreken? Daarom hebben we die regels en daarom vind ik ook dat die moeten worden toegepast op het moment dat er geweld of intimidatie is op de werkvloer. We hebben daar nu dit verdrag voor, dat eigenlijk zegt dat dat helemaal nooit mag. Er zijn wat dingen waarbij ik me afvraag of die onder de huidige Arbowet eigenlijk wel goed geregeld zijn. Dus ja, daar stel ik wat vragen over. Het lijkt me niet meer dan logisch dat we ervoor moeten zorgen dat we de mensen die in de fout gaan ook echt kunnen aanpakken.

De heer Kisteman (VVD):

Daar ben ik het volledig mee eens. Zoals de heer Neijenhuis zegt, hebben we daar de Arbowet voor. Daar staat het dan ook in. Waarom zouden er dan nóg meer regels moeten komen, die ervoor gaan zorgen dat ondernemers die zich al aan de regels houden nog meer moeten doen, en ondernemers die het toch niet doen ermee wegkomen?

De heer Neijenhuis (D66):

Die moeten daar natuurlijk niet mee wegkomen. Die moeten we aanpakken als ze in de fout gaan. De heer Kisteman zegt dat we er ook voor moeten zorgen dat ondernemers die het goed doen, geen onnodige regeldruk ervaren en niet eindeloos hoeven te rapporteren over wat ze allemaal doen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Laten we vooral kijken hoe we dat kunnen verbeteren. Dat zeker. Maar als hij hier een soort beeld schetst van "regels zijn toch zinloos wat niemand houdt zich eraan", ben ik het daar echt niet mee eens. We hebben juist regels om te zorgen dat mensen die de fout ingaan, de straf krijgen die zij verdienen.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Kisteman (VVD):

Het beeld dat ik schets, is dat er nóg meer regels voor ondernemers bij komen als wij dit verdrag beleidsrijk gaan overnemen, terwijl wij juist met z'n allen voorstander zijn van minder regels. Dat hebben we ook afgesproken in het regeerakkoord. Laten we dus kijken hoe we dat kunnen doen, en hoe we ervoor kunnen zorgen dat ondernemers zich aan de regels houden. Laten we niet met extra regels komen, en laten we ondernemers die zich er niet aan houden, harder aanpakken. Maar laten we alsjeblieft niet zorgen voor nog meer regels, waar de goede ondernemers de dupe van worden.

De heer Neijenhuis (D66):

Met dat laatste ben ik het uiteraard helemaal eens.

De voorzitter:

Dank u wel. O, mevrouw Patijn heeft ook nog een vraag.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik dacht: ik laat dit debatje over regels even gaan, en dan heb ik nog een vervolgvraag over regels. Eigenlijk heb ik maar één vraag, dus dat maakt het makkelijker. Ik zou graag van de heer Neijenhuis willen weten of hij net zo bang is voor de RI&E als de VVD. Vindt hij ook dat de RI&E overal maar moet verdwijnen en overal maar ingeperkt moet worden? Of is de heer Neijenhuis ervan overtuigd dat het een belangrijk instrument is om te zorgen dat er aan preventie gedaan wordt?

De heer Neijenhuis (D66):

Zeker. Het is een heel belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat dingen goed geregeld zijn op de werkvloer voor heel veel werknemers in Nederland. Alleen zijn wij er ook wel voor om altijd te blijven kijken hoe we het beter werkbaar kunnen maken voor ondernemers, en hoe we ervoor kunnen zorgen dat zij niet overladen worden met heel veel regeldruk in het rapporteren als zij toch al goed bezig zijn. U vindt ons altijd aan uw zijde om te kijken hoe we die regeldruk kunnen verminderen. Maar uw vraag was of ik het zie als een goed instrument om ervoor te zorgen dat er goede dingen op de werkvloer gebeuren. Jazeker.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het nu de beurt aan de heer Ceulemans van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Yes, dank u wel, voorzitter. Mijn inbreng vanavond is mede namens de collega's van de SGP.

Voorzitter. Dat geweld en intimidatie niet thuishoren op de werkvloer is zo'n beetje de grootste open deur die je kunt bedenken. Als er een wet voor nodig was om dat duidelijk te maken, of als een wet dat überhaupt zou kunnen voorkomen, dan zou waarschijnlijk iedereen voor zijn, maar daar is simpelweg geen sprake van. Niemand wil geweld of intimidatie op de werkvloer, maar daar is het ratificeren van een verdrag in onze wet niet voor nodig, in de eerste plaats omdat de huidige Nederlandse wet- en regelgeving in de vorm van strafrecht, arbowetgeving en arbeidsrecht nu al voldoet aan de eisen van dit verdrag. We hebben in Nederland al een breed scala aan verplichtingen en regels voor ondernemers. Voor JA21 is het dus de vraag: wat voegt dit verdrag in de Nederlandse praktijk nog toe?

Maar dat we in de huidige praktijk een voor Nederland overbodig verdrag hebben, betekent niet dat het geen kwaad kan. Integendeel. Boven op alle wet- en regelgeving die we al hebben, betekent de implementatie van dit verdrag namelijk een nieuwe laag internationale normen en mogelijke rechterlijke interpretaties. Ik citeer een wat dat betreft zorgwekkend antwoord op een vraag van de SGP in de nota naar aanleiding van het verslag: "Ratificatie geeft een belangrijk signaal aan de internationale gemeenschap over de inzet van Nederland om alle nodige maatregelen te nemen om geweld en intimidatie op de werkvloer te voorkomen en aan te pakken. Daarnaast verbindt Nederland zich door ratificatie aan de in het verdrag neergelegde arbeidsnormen en is Nederland gehouden aan de verplichtingen van het verdrag. Het verdrag kan, net als alle andere internationale beleidsnormen, een belangrijke rol spelen bij de opstelling van nieuwe wet- en regelgeving. Ook toekomstige wet- en regelgeving moet voldoen aan de verplichtingen van het verdrag." Kan de minister hier nader op ingaan? Hoe gaat dit verdrag doorwerken in nieuwe nationale wet- en regelgeving?

Ik zei het al: het verdrag zet de deur wijd open voor interpretatie. Ik citeer hierover uit de memorie van toelichting: "In hoofdstuk 1 is een brede definitie van geweld en intimidatie en van gendergerelateerd geweld en gendergerelateerde intimidatie neergelegd die ziet op een reeks onaanvaardbare gedragingen of de dreiging daarvan, hetzij incidenteel, hetzij herhaaldelijk, die gericht zijn op of naar alle waarschijnlijkheid resulteren in fysieke, psychologische, seksuele of economische schade. Van gendergerelateerd geweld en/of gendergerelateerde intimidatie is er sprake wanneer mensen op basis van hun geslacht of gender disproportioneel getroffen worden. Dit omvat tevens seksuele intimidatie." Wat is disproportioneel getroffen worden? Op basis van deze definitie kan dat zowel ernstig geweld als een loonschaal minder inhouden. Hoe ziet de minister dit? Ziet hij het levensgrote risico dat deze definitie hierdoor tot in het oneindige kan worden opgerekt, met alle gevolgen van dien voor ondernemers?

Hetzelfde geldt voor de reikwijdte. Wat onder de "wereld van het werk" wordt verstaan, blijft ook na het lezen van de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag erg vaag. Wat is nu de concrete definitie, volgens de minister? Het betreft dus niet alleen de werkplek, maar ook de wereld onderweg en online. Ik vraag aan de minister: wat is nou de wereld van werk, waar ligt de grens en wie bepaalt die? Ziet de minister het risico dat werkgevers straks aangesproken kunnen gaan worden op incidenten tussen werknemers in een in de praktijk totaal niet werkgerelateerde setting? En wat verandert er wat dat betreft ten opzichte van de huidige situatie?

De regering schrijft dat het verdrag geen rechtstreeks werkende bepalingen bevat, maar het verplicht wel tot beleid, toezicht en handhaving in een — ik citeer — "integrated, inclusive and gender-responsive approach". Dat zijn precies de containerbegrippen waar rechters, hoven en comités later alle kanten mee op kunnen. Kan de minister hierop reageren?

Wat JA21 extra zorgelijk vindt, is het hele circus van inclusietaal dat hiermee binnen wordt gehaald. Er wordt niet gewoon gesproken over het voorkomen van misstanden, maar over "inclusive, integrated and gender-responsive beleid in de volledige wereld van het werk, inclusief gender-based violence and harassment tegen allerlei vulnerable and marginalized groups". Vandaag gaat het over evidente misstanden, waar iedereen tegen is en waar Nederlandse werkenden al tegen beschermd worden, maar morgen kan een college onder datzelfde label oordelen dat een willekeurige loodgieter, bakker of boer te weinig doet aan allerlei diversiteitsbeleid, met alle gevolgen van dien. Kan de minister in gewoon Nederlands uitleggen wat er wordt bedoeld met een inclusive, integrated and gender-responsive approach en met gender-based violence tegen vulnerable groepen? Kan deze vage combinatie straks worden gebruikt om bijvoorbeeld diversiteitsbeleid bij ondernemers juridisch af te dwingen, zonder dat de Kamer daar ooit expliciet mee heeft ingestemd? Kan de minister zwart-op-wit toezeggen dat een ondernemer die geweld en intimidatie op de werkvloer netjes aanpakt, maar geen diversiteits- of genderbeleid voert, nooit op basis van dit verdrag als in strijd met een inclusive approach kan worden weggezet? Straks zitten Nederlandse ondernemers die met alle goede bedoelingen gewoon een fatsoenlijke en veilige werkvloer willen bieden, vast aan al deze vage begrippen, niet aan een helder wetsartikel dat deze Kamer heeft vastgesteld, maar aan een verdragstekst en soft law die door rechters stap voor stap kan worden ingevuld. Dan is het nog maar een kleine stap voordat een ondernemer niet alleen wordt afgerekend op het voorkomen van geweld, maar ook op het niet voldoende uitvoeren van een gender responsive agenda of diversiteitsprogramma omdat dat ergens uit die inclusive approach wordt afgeleid.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mooi betoog. Ik ben het er grotendeels mee eens. Die subjectieve en vage criteria zijn ook een grote zorg van ons. Maar ik begrijp dat het als het goed is al in onze arbowetgeving zit. Kan ik dan concluderen dat JA21 de huidige wetgeving, die we dus al hebben in Nederland op dit punt, vindt doorschieten?

De heer Ceulemans (JA21):

Nou, mijn punt is dat het kabinet zegt dat dit verdrag al min of meer geïncorporeerd is op dit moment. Het verdrag schrijft bepaalde zaken voor en doet bepaalde aanbevelingen. Het kabinet zegt dat dit al allemaal in onze nationale wet- en regelgeving zit. Mijn punt is dat de verdragstekst wel de verdragstekst blijft. Als er straks rechtszaken zijn, kunnen rechters vrijelijk op basis van dit verdrag gaan interpreteren dat Nederland daar niet aan voldoet en allerlei aanvullende eisen gaan opleggen, bijvoorbeeld op het gebied van diversiteitsbeleid, aan ondernemers die daar helemaal niet op zitten te wachten.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Oké, afsluitend. Dus de wetgeving zoals die nu is gaat JA21 niet te ver of is niet te subjectief? Maar u bent wel bang dat het verdrag ertoe kan leiden dat het zo zou kunnen worden.

De heer Ceulemans (JA21):

Mijn punt gaat op dit moment niet zozeer over de huidige wet- en regelgeving in Nederland. Mijn punt is dat het kabinet stelt dat Nederlandse wet- en regelgeving op dit moment eigenlijk al voldoet aan dit verdrag. Mijn angst is dat het daar niet bij blijft en dat dit verdrag kan worden aangegrepen om tot allerlei vrijelijke interpretaties te komen die weer tot nieuwe verplichtingen voor werkgevers kunnen leiden. Dat is iets wat wij niet willen.

We hebben in andere dossiers gezien wat er gebeurt als je vage internationale normen koppelt aan activistische jurisprudentie. Het asielbeleid is feitelijk al bij de rechter komen te liggen. Nationale keuzes zijn onder curatele gezet via EU-normen met een rechterlijke uitleg. Iedere ondernemer in Nederland weet wat dat betekent: jaren van onzekerheid, telkens strengere eisen en een politiek die zich verschuilt achter verdragen en rechters. JA21 wil voorkomen dat we op het terrein van arbeidsverhoudingen dezelfde film nog een keer gaan afdraaien ten koste van de vrijheid van ondernemers.

Intussen is er in de Nederlandse praktijk allang geen blinde vlek meer op dit terrein. Werkgevers zijn nu al verplicht om psychosociale arbeidsbelasting zoals agressie, geweld of ongewenst gedrag op te nemen in de RI&E. In sectoren waar de problematiek groot is, zoals zorg, horeca en delen van de vleessector, bestaan uitgebreide sectorale regelingen en protocollen van de arbeidsinspectie en de brancheorganisaties. Dit verdrag helpt die sectoren geen steek verder. Het voegt alleen een internationale laag toe die later tegen de sector gebruikt kan worden.

JA21 wil niet dat dit verdrag straks als nieuw breekijzer wordt gebruikt om nog een ronde extra verplichtingen aan ondernemers op te leggen of om bestaande regeldruk niet meer te durven schrappen. Ondernemers in Nederland snakken naar vermindering van regeldruk en niet naar een verdere opeenstapeling. Daarom overwegen wij een motie die de regering verzoekt te waarborgen dat implementatie en ratificatie van dit verdrag niet zal leiden tot dergelijke aanvullende verplichtingen, toezichteisen of juridische druk voor ondernemers, boven op het bestaande nationale kader. We verzoeken ook te waarborgen dat dit verdrag niet wordt gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk, waaronder zware en kostbare regelingen, niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen. Wie vandaag zegt dat dit verdrag niets extra's betekent, kan geen bezwaar hebben tegen het vastleggen van die belofte.

Daarnaast vragen wij de regering expliciet te garanderen dat ratificatie niet zal worden aangegrepen om eerder door ATR neergesabelde gedragscodewetgeving tegen ongewenst gedrag of vergelijkbare generieke regels met extra regeldruk voor ondernemers, opnieuw of in aangepaste vorm in te dienen. Dit wetsvoorstel kreeg niet voor niets een dictum vier: nut en noodzaak niet aangetoond met regeldruk buiten proportie. Dit verdrag mag geen achterdeur worden om via de internationale route alsnog een gedragscodewet op te bouwen.

Voorzitter. JA21 is tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. JA21 is echter ook tegen de reflex om bij elk maatschappelijk probleem een nieuw verdrag, een nieuwe laag juristerij en nieuwe verplichtingen voor ondernemers te creëren. Nederland heeft al adequate bescherming. De regering zegt dat zelf ook. Er is geen noodzaak om ons verder op te sluiten in vage internationale normen die later door rechters worden ingevuld. Daarom steunen wij deze exercitie niet.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Neijenhuis.

De heer Neijenhuis (D66):

Als je de stukken onder dit verdrag en de stukken van de regering leest, dan zie je dat het verdrag alleen toeziet op het beleid dat lidstaten moeten voeren. De heer Ceulemans schetst hier het beeld dat dit verdrag toch ook direct werking zou kunnen hebben op ondernemers of op de mensen zelf. Natuurlijk is het altijd goed om bij dit soort verdragen nog even het naadje van de kous te willen weten en te vragen hoe het precies zit en wat precies de reikwijdte is. Accepteert de heer Ceulemans niet het oordeel van de regering dat het echt alleen ziet op lidstaten en op het beleid van lidstaten? Denkt hij toch dat het verdrag wel echt direct een uitwerking heeft op mensen en ondernemers zelf?

De heer Ceulemans (JA21):

We zien dat de panelen in de praktijk altijd gaan schuiven, ook als er aan de voorkant wordt gezegd dat iets geen directe werking heeft. Nederland heeft officieel een eigen asielbeleid, terwijl we door allerlei rechterlijke en juridische interpretaties feitelijk gewoon vastzitten aan het internationale beleid, waardoor we heel weinig kanten op kunnen. Dat zien we op veel terreinen. Ik wil voorkomen dat het verdrag waar we het vandaag over hebben ook op arbeidsrechtelijk terrein gaat gelden in de praktijk. Nederland kan het interpreteren. Nederland kan zeggen dat de doelstellingen eigenlijk al zijn geïncorporeerd in de nationale wetgeving die we nu kennen, maar de verdragtekst blijft wel de verdragtekst. Een rechter kan daar straks aan gaan toetsen en aan de hand daarvan straks vrijelijk gaan interpreteren met als gevolg: extra regels of een verplichting voor inclusiebeleid voor ondernemers die daar niet op zitten te wachten, maar gewoon hun boterham willen verdienen.

De heer Neijenhuis (D66):

Het verdrag ziet echt alleen op lidstaten. Lidstaten kunnen elkaar hierop aanspreken. Dat zou ik wel even recht willen zetten. Natuurlijk snap ik dat de heer Ceulemans dan nog vraagt of het bij de rechter per ongeluk toch nog wat verder opgerekt kan worden. Dat is helemaal goed, maar ik zou het wel waarderen om het daar gewoon bij te houden. Op het moment dat we hier met z'n allen constateren dat dit verdrag gewoon tussen lidstaten bestaat, moeten we daar niet allemaal beelden bij oproepen die nu in ieder geval nog niet de bedoeling zijn.

De heer Ceulemans (JA21):

Op het moment dat lidstaten elkaar kunnen gaan aanspreken en de nationale rechter op dat feit moet gaan toetsen en dat vervolgens tot een zaak leidt, dan kan dat wel degelijk tot interpretatie aan de hand van dit verdrag leiden.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik hoor de heer Ceulemans bijna fulmineren tegen het ILO-verdrag. Het is toch een in vrede tot stand gekomen verdrag, waarbij mensen elkaar proberen op te zoeken. Zowel werkgevers als werknemers zijn overigens vertegenwoordigd in de ILO. Het gaat over de grootte van de groep en over wanneer de wet van toepassing is. Ik vraag me toch wel een klein beetje af of de heer Ceulemans überhaupt nog iets vanuit het perspectief van werkenden kan bespiegelen, in plaats van alleen maar een soort van agressie over deze Kamer heen te storten.

De heer Ceulemans (JA21):

Ik heb niet het idee dat ik … Dadelijk word ik nog beticht van geweld en intimidatie in deze Kamer. Ik ben volgens mij geen agressie aan het uitstorten over u allemaal. Ik zeg gewoon dat ik grote vrees heb voor wat dit verdrag gaat betekenen voor werkgevers. Mijn hele punt is juist … Ik ben hartstikke op de hand van werknemers. Ik vind dat werknemers veel meer moeten overhouden van het geld dat ze verdienen, in plaats van dat zij het kwijt zijn aan de belastingen die u allemaal wilt heffen. Wij staan dus altijd aan de kant van de werknemers. Ik ben er alleen van overtuigd dat werknemers in dit land over het algemeen al uitstekend worden beschermd en dat zij zeker geen internationaal verdrag nodig hebben dat op deze manier geïnterpreteerd kan worden om voor hun rechten te zorgen.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Bent u dan bekend met de 1,8 miljard euro die werknemers en de maatschappij verliezen omdat die die door gebrekkig beleid en gebrekkige bescherming verloren gaat? Onderzoek van TNO heeft dat inmiddels aangetoond. Bent u het met mij eens dat het bizar is dat er heel zwaar bezuinigd gaat worden op de WIA, met beleid om ervoor te zorgen dat er voldoende preventie is en dat de instroom naar beneden gaat? Volgens mij heeft de partij van Ceulemans heel nadrukkelijk gezegd dat het zo belangrijk is om te zorgen dat de instroom naar beneden gaat. Is het dan niet juist nodig dat mensen meer bescherming gaan krijgen?

De heer Ceulemans (JA21):

U haalt nu volgens mij echt vijf of zes dingen door elkaar. Op papier zijn werknemers in Nederland over het algemeen goed beschermd. Dat kunnen we volgens mij gewoon constateren met elkaar. Dat wil niet zeggen dat er in de praktijk geen dingen fout lopen; er zullen in de praktijk altijd dingen fout lopen. Maar het verschil tussen u en mij is dat u denkt dat dit verdrag, en de doorvertaling ervan in Nederlandse wetgeving, daar een groot verschil in gaat maken. Sterker nog, u zei aan het begin van uw betoog zelf dat het verdrag nodig is, omdat geweld en intimidatie nog altijd voorkomen op de werkvloer. U denkt toch niet dat het ratificeren van zo'n verdrag, met allerlei ontzettend vage, brede, inclusieve begrippen, ertoe gaat leiden dat er geen intimidatie of geweld meer op de werkvloer is? Als ik dat zou kunnen oplossen met een wet, zou ik ervoor zijn. Maar ik heb niet de illusie dat het met een wet op te lossen is. De enige illusie die ik heb, is dat deze wet — daar ben ik vrij zeker van — tot niets anders gaat leiden dan extra belasting voor werkgevers, op een manier waar werknemers weinig mee opschieten. Daar ben ik dus gewoon geen voorstander van.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij heeft de heer Ceulemans de wet- en regelgeving dan niet goed gelezen. In het verdrag staat dat er groepen zijn die nu niet onder de wet vallen en die juist wel onder die bescherming horen, zoals zzp'ers en stagiaires. Zij verdienen de bescherming van de Arbowet die gewone werknemers ook verdienen, maar hebben die op dit moment niet. Het is bizar dat er alleen maar gezegd wordt "o, regels, o, zo erg, o, zo vervelend en wat een belasting voor werkgevers", terwijl dit gewoon gaat over de vraag: hoe ga je zorgen dat je iederéén op de werkvloer voldoende beschermt, op dezelfde manier?

De heer Ceulemans (JA21):

Ik vind dat dit op dit moment via nationale wet- en regelgeving over het algemeen voldoende geborgd is. Voor zover dat niet het geval is, heb ik niet het idee dat dit verdrag een oplossing is, maar dat het eerder voor nieuwe problemen zorgt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Mulder van de PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Laat ik net als de rest hier vanavond aanwezig beginnen met te zeggen dat geweld en intimidatie op de werkvloer volledig onacceptabel zijn. Iedereen moet veilig zijn op zijn werk. Daar mag geen enkel misverstand over bestaan.

Voorzitter. De vraag die vandaag voorligt, is niet of wij tegen geweld en intimidatie zijn. De vraag is of het verdrag iets toevoegt aan het welzijn in Nederland en de manier waarop we hier met elkaar omgaan. In Nederland hebben we al veel heel goed geregeld. We hebben al uitgebreide regels via de Arbo. We hebben bepalingen in het Burgerlijk Wetboek als iets buiten de Arbo valt. Werkgevers hebben een zorgplicht. Werknemers kunnen naar de rechter. De Arbeidsinspectie houdt toezicht. We hebben in Nederland eigenlijk alles al geregeld wat dit verdrag uitademt en zegt te willen regelen.

Voorzitter. U weet dat wij als PVV kritisch zijn op het weggeven van soevereiniteit, en terecht, want ook in dit geval kunnen we zelf beslissen over dit soort zaken. Wat ik vandaag van de minister zou willen weten, is of het echt klopt dat er geen extra regels en geen nieuwe rapportageverplichtingen komen via dit verdrag. Klopt dat? Kan de minister vandaag klip-en-klaar bevestigen en toezeggen dat dit verdrag niet leidt tot meer regels voor ondernemers in Nederland? Ten tweede zou ik willen weten of dit verdrag iets verandert aan de manier waarop we kunnen ingrijpen als er overtredingen zijn. Of is dat nu in Nederland ook al volledig goed geregeld via de Arbo en het Burgerlijk Wetboek? Dat is de tweede vraag.

Dan kan ik naar een afronding gaan. Waar het vanavond volgens mij voornamelijk om gaat, is of het klopt wat voortdurend door het kabinet wordt gezegd, namelijk dat de uitvoering van dit verdrag, als we het accepteren en goedkeuren, geen wijziging van onze huidige wet- en regelgeving betekent. Kan de minister daar heel expliciet op ingaan? Klopt het wat ik twee, drie keer heb gelezen? Dat is een beetje vreemd, als ik de discussie hier volg. Voegt dit verdrag nou wel of niet iets toe aan de huidige wet- en regelgeving? Als het vooral een bevestiging is van wat we al doen in Nederland en het niet tot nieuwe verplichtingen leidt, zeg dat dan ook gewoon. Dat maakt mijn fractie niet echt enthousiast, maar het hoeft ook niet te betekenen dat we tegen gaan stemmen. Wij laten onze beslissing afhangen van dit debat en vooral van de duidelijke antwoorden van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik heb toch even een vraag. De PVV gaat dus niet per se tegenstemmen, terwijl — dat werd ook duidelijk in het betoog van JA21 — we door het verdrag te tekenen, er niet langer zelf over gaan. We kunnen onze wetgeving niet meer aanpassen zoals wij dat wellicht in de toekomst in de Kamer zouden willen. Het is toch een vorm van soevereiniteitsoverdracht. Vindt de PVV dat geen probleem?

De heer Edgar Mulder (PVV):

Zoals ik heb geprobeerd te zeggen, zien wij er geen gevaar in als wij op papier klip-en-klaar de garantie krijgen dat het niks verandert en dat het niks toevoegt. Als de minister echter zegt dat dat wel zo is, dan verandert de zaak, want dan komen er opeens 26 genders bij en dan moeten we het ook accepteren als die rare dingen willen op de werkvloer. Maar laten we eerst de antwoorden afwachten en dan bepalen of je ook als hond verkleed naar je werk mag en of je werkgever dan een hondenhok moet hebben of een bak water of zo. Daarom vraag ik of dat heel duidelijk kan worden toegezegd. Daar wachten we op.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ziet de heer Mulder dan niet één punt over het hoofd? Wij gaan dit via dat verdrag vastleggen en in zekere zin internationaal codificeren. Stel dat wij in de toekomst als Kamer zaken willen aanpassen in de Arbowet; dat zou kunnen gebeuren. Dan heb je kans dat het kabinet gaat zeggen dat het niet meer kan, omdat we het verdrag getekend hebben. Dat gebeurt ook bij Europese regelgeving, zoals u weet. Ook al komen er nu geen extra verplichtingen bij, we geven dat toch uit handen. Is dat niet problematisch?

De heer Edgar Mulder (PVV):

Daarom wil ik een heel duidelijk antwoord, zwart-op-wit. Ik ben nog steeds niet zo argwanend dat ik een belofte … Alhoewel, als ik zie wat er gebeurd is rondom JA21 en de SGP en de toezegging omtrent UNRWA … Laat ik ervan uitgaan dat ik nog steeds vertrouwen heb in de antwoorden van ons kabinet.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Tot slot. Ik denk dat mijn ambtsgenoot dezelfde vraag had. Logischerwijs is het simpelweg zo dat als wij dit verdrag tekenen, we eraan gebonden zijn. In ieder geval voor tien jaar, begrijp ik. Dat belemmert de handelsruimte voor deze Tweede Kamer. Dat is een logische gevolgtrekking. Dat vinden wij problematisch, en ik hoop de PVV ook.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Daarom wil ik weten wat we gaan tekenen. Vandaar mijn vragen aan de minister en mijn vraag of hij dat wil bevestigen.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik hoor de heer Mulder een beetje een karikatuur maken van de wet waarover we vandaag praten. Ik zou willen melden dat een op de twee vrouwen op dit moment last heeft van intimidatie op de werkvloer. Dat kunnen kleine dingen zijn, maar soms is het helaas groter. Ik wil de heer Mulder graag vragen of hij het belangrijk vindt dat we dit goed geregeld hebben voor werknemers, voor vrouwen. Ik hoor hem alleen zeggen dat het voor ondernemers goed te doen moet zijn. Dat ben ik met u eens, maar uiteindelijk gaat het erom hoe we dit hebben geregeld voor vrouwen op de werkvloer, om hen goed te beschermen. Is hij het met mij eens dat we dat gewoon moeten regelen in dit land?

De heer Edgar Mulder (PVV):

Volledig. Sterker nog, ik wil dat niet alleen voor vrouwen regelen, maar ook voor mannen.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik ben blij dat u daar aandacht voor heeft. Ik ben blij dat u aandacht heeft voor waar het hier eigenlijk om draait. Ik denk namelijk dat we echt moeten oppassen dat we hier geen karikatuur van maken.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Maar ik wil er geen karikatuur van maken. De mensen die met 26 genders komen, maken een karikatuur van zichzelf. Het was alleen bedoeld om te zeggen dat we de normale zaken al goed geregeld hebben in Nederland. Vrouwen mogen niet worden lastiggevallen, mannen mogen niet worden lastiggevallen. Al die dingen hebben we de afgelopen jaren volgens mij al goed vastgelegd. Mijn vraag is: komt daar nog meer bij? Ik gaf een voorbeeldje waarvan wij vinden dat het niet nodig is. Maar heel concreet: geen geweld op de werkvloer. Iedereen die dat doet, moet daarop worden aangesproken. Ik deed net in een interruptiedebatje daarvoor nog het voorstel dat je ook als je foute tweets verstuurt, daarop zou moeten worden aangesproken.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik neem aan dat de heer Mulder het met mij eens is dat het hierbij niet gaat om de vraag of het mannen of vrouwen zijn, maar om de gedachte dat er überhaupt geen geweld op de werkvloer mag zijn.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, maar dat was mijn statement, hè? U kwam met vrouwen en ik zei: het is voor vrouwen en mannen. U wilt het alleen voor vrouwen; ik wil het voor iedereen op de werkvloer.

De voorzitter:

Dank u wel. Er is toch nog een interruptie, van de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, voor alle zekerheid. Ik ben het met de heer Mulder eens. Het kabinet zegt dat we met de huidige wet- en regelgeving eigenlijk al voldoen aan het verdrag, dus dat dat niets nieuws oplevert. Ik wil in ieder geval een motie indienen om te markeren: oké, garandeer ons dan dat dat verdrag, wanneer het geratificeerd is, geen extra verplichtingen of regels oplevert. Los daarvan is het volgende natuurlijk wel het geval. Er staat letterlijk in: ook toekomstige wet- en regelgeving moet voldoen aan de verplichtingen van het verdrag. Is de heer Mulder het met mij eens dat met dit verdrag, ook als het op dit moment geen extra regeldruk voor ondernemers zou betekenen, wel onze speelruimte in de toekomst wordt ingeperkt? Wij hebben dan namelijk zelf minder te zeggen over de regelgeving waar werkgevers bijvoorbeeld aan moeten voldoen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dat ben ik helemaal met u eens, maar nogmaals: daarom wil ik graag die toezegging hebben. Als u het ziet zoals u het nu brengt, heeft die motie ook geen zin, want u gaat er dan toch al van uit dat het einde oefening is. Als we voldoende toezeggingen krijgen, denk ik dat we met die toezeggingen in de hand later misschien toch iets kunnen regelen.

De heer Ceulemans (JA21):

Tot slot. Ik tel mijn zegeningen, dus als we met elkaar in een motie kunnen bepalen dat we niet willen dat het tot nieuwe wet- en regelgeving leidt waar ondernemers nu nog niet aan hoeven te voldoen, maar waar ze straks wel aan moeten voldoen, is dat mooi meegenomen. Maar wij weten natuurlijk niet met welke toekomstige wetten toekomstige kabinetten überhaupt nog gaan komen. Linksom of rechtsom is het wel zo dat er met het ratificeren van dit verdrag verplichtingen komen waar nieuwe wet- en regelgeving aan moet voldoen, waar we op dit moment nog niet aan hoeven te voldoen. Vindt de heer Mulder dat geen onwenselijke beperking van onze eigen autonomie?

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, maar eigenlijk vind ik alle internationale wetten wat dat betreft een beperking, of ze nou uit Genève of uit Brussel komen.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik hoor de heer Mulder een heleboel zeggen over welke mensen er allemaal niet zo belangrijk zijn op de werkvloer. Hij had het over als honden verklede mensen. Ik vind het gewoon een grove manier om groepen te beledigen. Dat is niet nodig, naar mijn idee, maar dat is een keuze van de heer Mulder.

Ik ben wel benieuwd of hij … Zijn partij heb ik er vaak voor horen pleiten dat het belangrijk is dat zzp'ers een goede positie krijgen en dat zzp'ers dezelfde bescherming krijgen als werknemers. Die hebben ze op dit moment niet, maar het ILO-verdrag geeft wel aan dat dat belangrijk is. Dat geldt ook voor andere groepen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, dat is correct.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dus als de wetgeving op dit moment niet toereikend is om die mensen onder de bescherming van de arbowetgeving te brengen, wil de heer Mulder ook dat die wordt aangepast? Dan gaat het niet alleen maar om de regeldruk; nee, dan gaat het gewoon om het bieden van bescherming aan werknemers.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Nee, dat is niet helemaal waar, want zzp'ers zijn natuurlijk niet hetzelfde als werknemers. Zij kiezen ervoor om zzp'er te zijn, om ondernemer te zijn. We willen ook niet dat er verplichte verzekeringen worden voorgeschreven. Dat moet een keuze zijn. In mijn bijdrage heb ik het niet alleen gehad over de Arbowet, maar ook over het Burgerlijk Wetboek. Alle dingen die hierin staan, alle dingen waarover we vanavond hebben gesproken — denk aan beledigen en intimideren — zijn gewoon verboden. Dat is denk ik ook het hele punt met dit verdrag. Ik snap dat dit verdrag werkt in een hoop landen waar zaken niet goed geregeld zijn, maar in Nederland hebben we dit juist al heel goed geregeld. We willen ook dat het goed geregeld blijft. Als dit verdrag verder niets toevoegt, wil ik alleen nog weten of het extra regelgeving of verplichtingen met zich meebrengt. Als dat wel het geval is, zouden we namelijk tegen dit verdrag kunnen stemmen. Als het eigenlijk een herhaling van zetten is, zouden we misschien wel voor kunnen stemmen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik zou de heer Mulder dan ook willen vragen om er nog eens goed naar te kijken, want op dit moment zal die stagiair, die vrijwilliger of die zzp'er als hij slechter wordt behandeld, omdat hij niet onder de Arbowet valt en daar toch rechten aan wil ontlenen, naar de civiele rechter moeten. Dan is er geen Arbeidsinspectie die daarop handhaaft en dan zijn er geen bepalingen die hem daarvoor beschermen. Vindt de heer Mulder nou wel of niet dat die bescherming eigenlijk gewoon ook bestuursrechtelijk moet gaan gelden voor deze groep?

De heer Edgar Mulder (PVV):

Nou nee, als het civielrechtelijk al goed geregeld is, dan hoeft dat van mij niet speciaal te veranderen. Het is ook niet zo … Mevrouw Patijn doet dat wel vaker: als iemand het niet met haar eens is, doet ze alsof die de papieren niet goed gelezen heeft. Ga er nou eens van uit dat er ook mensen zijn met een andere opvatting. Ik sta er gewoon anders in dan GroenLinks-PvdA.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Moinat van de Groep Markuszower.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank, voorzitter. Vandaag bespreken we het Verdrag van Genève inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer, een reeds in 2019 gesloten verdrag dat nu ter ratificatie hier in de Kamer behandeld wordt.

Het beschermen van werknemers tegen allerhande problemen klinkt mooi. Eigenlijk is alles ook al opgenomen in onze nationale wetgeving, zo valt te lezen. Conclusie: Nederland is een land waar dingen goed geregeld zijn, waar werknemers beschermd worden en waar veel te verbeteren valt, maar gelukkig niet op het gebied van de bescherming van werknemers. Toch ligt dit verdrag hier, om wederom het zoveelste verdrag boven onze nationale wetgeving te plaatsen, om wederom een instrument toe te voegen dat er door de rechtspraak en anderen aan de haren bijgesleept kan worden en om Nederland wederom een beetje verder vast te zetten met bureaucratische rompslomp, exact hetgeen Nederland nou juist niet kan gebruiken.

Voorzitter. Dan ga ik nog iets dieper in op de tekst en de inhoud van het verdrag. Dat bevat bepalingen over effectief toegang hebben tot genderresponsieve mechanismen. Echt, wie verzint dit soort teksten? In de ochtend lekker bedrijfsuitjes bespreken, daarna heerlijk op kosten van de belastingbetaler luxe lunchen in Zwitserland om het daarna te gaan hebben over "genderresponsieve mechanismen". Ik vraag me soms echt af in wat voor krankzinnigheid we als land en als Europa terechtgekomen zijn.

Ondanks dat het in eerste instantie positief klinkt, zit achter dit positieve laagje een tekst die het Nederlandse ondernemers moeilijk gaat maken. Daarachter zit een dikke laag bureaucratische stof. Pesten als strafbaar feit: welkom, zou ik zeggen, in de rubberentegelmaatschappij. Misdragingen moeten we willen aanpakken als maatschappij, maar laten we alsjeblieft niet overal de lange lat van de overheid overheen halen. Dan is pesten nog een van de serieuzere onderwerpen uit het verdrag. Het verdrag probeert ook dingen te reguleren over bedrijfsuitjes. Als u zich dus afvraagt waar uw belastinggeld aan uitgegeven wordt: aan overleggende ambtenaren in een Zwitsers luxe stadje die het hebben over bedrijfsuitjes. Voor zover de overheid en haar kerntaken.

Voorzitter. Dit verdrag moeten we dus niet willen. Het is bovenal een verspilling van tijd en belastinggeld, maar de waanzin houdt nog niet helemaal op. Om te beginnen kent het verdrag de verplichting om publiekscampagnes op te zetten over hetgeen in het verdrag is bepaald. Oftewel: binnenkort op uw beeldbuis een ambtenaar die u gaat uitleggen dat een bedrijfsuitje bovenal ook een gevaar kan zijn, dat een grapje tegen vrouwelijke collega's uit den boze is, of dat er meer schuilt achter de borrelpraat tijdens de vrijdagmiddagborrel. Als ik naar onze eigen fractie kijk, is er niks zo goed als af en toe een goede grap maken naar je collega, wat klaarblijkelijk toch wel erg problematisch kan zijn, volgens dit verdrag.

Maar goed, alle gekheid op een stokje. Zijn we als land niet een beetje de weg kwijt aan het raken met dit soort dingen? Helemaal onderaan het verdrag vinden we de kers op de diversiteit-en-inclusietaart: er moeten maatregelen genomen worden in de regels omtrent werk, gelijkheid én migratie. Wat is dit voor waanzin? Wat staat er nu eigenlijk in artikel 11? Graag een reactie van de minister.

Alles samenvattend snap ik niet waarom het verdrag überhaupt gesloten is. Ik zal mijn fractie dan ook adviseren tegen de ratificatie ervan te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Neijenhuis.

De heer Neijenhuis (D66):

Vindt mevrouw Moinat dat de baas een werknemer een klap kan geven op een bedrijfsuitje?

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Nee.

De heer Neijenhuis (D66):

Is het dan niet op zich best logisch dat je op het moment dat je wetgeving aan het maken bent en verdragen aan het sluiten bent om ervoor te zorgen dat geweld en intimidatie niet voorkomen, kijkt naar de vraag waar die allemaal op van toepassing zouden kunnen zijn? Die zouden van toepassing kunnen zijn op niet alleen de fysieke werkvloer van het bedrijfskantoor, maar ook op dingen daarbuiten die wel degelijk met het werk te maken hebben.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik zie het zo: als ik een klap krijg van mijn werkgever, dan doe ik daar aangifte van. Volgens mij hebben we alles namelijk al geborgd in nationale wet- en regelgeving. Voor ons hoeft daar dus niet een ratificatie van een verdrag bij.

De heer Neijenhuis (D66):

Die conclusie hebben we hier in het debat op zich al getrokken. Alleen, mevrouw Moinat maakt het punt dat het onzin is dat er überhaupt een verdrag gemaakt is en dat er over bedrijfsuitjes gesproken wordt, terwijl ik hier een hele duidelijke vraag stel. Als je bepaalde regels met elkaar afspreekt over hoe je op het werk met elkaar om hoort te gaan, dan geldt dat natuurlijk ook voor bedrijfsuitjes. Dat geldt ook voor heel veel andere dingen, waarover goed is nagedacht in dat verdrag, om ervoor te zorgen dat er geen mazen in de wet zijn waardoor de foute lui er gewoon mee wegkomen als ze mensen opzadelen met geweld en intimidatie. Ik vraag dus toch aan mevrouw Moinat: ziet u dat allemaal als onzin of is het misschien toch best redelijk dat je, als je kijkt hoe je geweld en intimidatie kunt voorkomen, ook iets verder kijkt dan je neus lang is en kijkt waar dat allemaal op van toepassing zou kunnen zijn?

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik kijk zeker verder dan mijn neus lang is. Volgens mij zijn deze gedragingen die D66 noemt gewoon zeer strafrechtelijk vervolgbaar. Volgens mij zijn die te allen tijde strafbaar, of die nou op een bedrijfsuitje gebeuren of hier in de Kamer in de wandelgangen. Daar heeft dit verdrag helemaal niks aan toe te voegen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. We bespreken vandaag het Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer. Vooropgesteld, FVD keurt elke vorm van geweld natuurlijk af. Dat gezegd hebbende: dit verdrag handelt niet alleen over fysiek geweld, maar ook over psychologische schade en intimidatie. Vervolgens rijst natuurlijk de vraag: wanneer is hier nu eigenlijk sprake van? In de arbowetgeving wordt gesproken over psychosociale arbeidsbelasting, gedefinieerd als "factoren in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen". Deze ontzettend brede definitie is bedoeld om een heel scala aan gedragingen te onderwerpen aan het toeziend oog van de Arbeidsinspectie.

Voorzitter. Forum vraagt zich af of dit eigenlijk wel wenselijk is, ten eerste omdat het nog meer druk op werkgevers legt. Ik noem vertrouwenspersonen, gedragscodes, klachtenregelingen en risico-inventarisaties. Het is alsof er tal van administratieve en beleidsmatige verplichtingen nodig zijn om een vreedzame, prettige en gezonde werksfeer te handhaven. Dit is sowieso belangrijk. Het komt namelijk de productiviteit ten goede.

Ten tweede bedrukt het de werksfeer. Wanneer betreedt een grapje de intimidatiesfeer? Het werd net ook al gezegd. Dit is een persoonlijke kwestie. Aangezien het onmogelijk is om de gedachten van je toehoorders te lezen, is het ook onmogelijk om te weten of je grapje als intimiderend beschouwd zal worden. We zijn bang dat dit gaat leiden tot een werkomgeving waar collega's een gewaagd grapje of een flirtactie laten schieten uit angst voor consequenties en sancties. Werknemers krijgen het gevoel dat zij op eieren moeten lopen. Dit bederft juist het ervaren werkplezier en verhoogt daarmee de psychologische werkdruk. Het werkt dus precies averechts.

Voorzitter. Ten derde werkt deze brede definitie willekeur en cancelcultuur in de hand. Zo is het goed mogelijk dat de subjectivering van strafbaar gedrag ertoe leidt dat iemand met terugwerkende kracht wordt beschuldigd van het plegen van een intimiderende handeling — intimidatie is immers een persoonlijke opvatting en mensen kunnen van opvattingen veranderen — waardoor er juist een angstcultuur ontstaat, namelijk een angstcultuur om gecanceld te worden. Graag horen wij van de minister hoe hij reflecteert op deze drie gevolgen van het hanteren van een subjectieve, brede, haast alomvattende definitie van "geweld en intimidatie". Daarnaast horen wij graag hoe hij reflecteert op de rol van het verdrag bij het in stand houden van deze definitie. Vindt hij deze gevolgen problematisch? Zo nee, kan de minister uitleggen waarom de gevolgen volgens hem niet problematisch zijn?

Voorzitter. FVD is tegen ratificatie van dit verdrag. FVD is dat ten eerste omdat de vermeende voordelen die hieruit te verkrijgen zijn, reeds verankerd zijn in Nederlandse wetgeving. Zo biedt het Wetboek van Strafrecht tal van mogelijkheden om geweld en bedreiging tegen te gaan. Zo is bedreiging reeds strafbaar: artikel 285. Mishandeling: artikel 300. Dwang: artikel 284. Seksuele misdrijven: artikel 242. Belaging en stalking: artikel 285. Seksuele straatintimidatie sinds 1 juni 2004: artikel 429. Ten slotte doxing sinds 1 januari 2024: artikel 285. Daarbij bestendigt ratificatie de subjectivering van verboden gedag, aangezien de toekomstige wetgeving ook moet voldoen aan de verplichtingen en eisen zoals gesteld in dat verdrag. Er is daardoor sprake van soevereiniteitsoverdracht aan de Internationale Arbeidsorganisatie, de IAO.

Voorzitter, afsluitend. Forum draagt soevereiniteit, een lage regeldruk en een gezonde werkomgeving hoog in het vaandel. Aangezien dit verdrag hetzij op directe, hetzij op indirecte wijze op gespannen voet staat met deze drie speerpunten, zullen wij niet akkoord gaan met de goedkeuring ervan.

Dank u wel.

De heer Kisteman (VVD):

De heer Van Houwelingen sluit zijn spreektekst af door te zeggen dat Forum voor minder regeldruk is. Begrijp ik hieruit dat de heer Van Houwelingen dit echt ziet als meer regeldruk?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dat is dus de vraag. Er zijn ook al veel vragen over gesteld aan de minister. De vraag is in hoeverre dit verdrag wellicht tot meer regelgeving leidt. Wij vinden zelfs de huidige arbowetgeving in een aantal opzichten te ver gaan, omdat de subjectivering dusdanig ver wordt doorgevoerd — ik heb al gezegd dat psychosociale belasting een probleem kan zijn — dat je daarmee als Staat echt in dat bedrijf gaat zitten. Een goede werksfeer maak je samen in het bedrijf. Daar heb je niet per se de Staat voor nodig. Dat zal de VVD hopelijk aanspreken.

De heer Kisteman (VVD):

Daar ben ik het mee eens. Vorige week stemden wij over een door de SGP en mij ingediende motie om met een kantoren-RI&E te komen, zodat kantoren met een beperkt aantal werknemers, namelijk tot twintig, uitgezonderd kunnen worden van de RI&E. Daar heeft Forum tegen gestemd, terwijl die juist zou leiden tot minder regeldruk voor ondernemers met het kantoor als werkvloer. Kan de heer Van Houwelingen uitleggen waarom hij dan nu zegt voor minder regeldruk te zijn, maar in de praktijk tegen moties stemt die voor regeldrukverlaging kunnen zorgen?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik moet bekennen dat ik hierover enigszins overvraagd word. Ik heb de tekst van die motie namelijk niet paraat. Zoals u weet, gaat het soms ook over de overwegingen die in de motie staan. Ik ga de tekst erbij pakken. Misschien kan ik in de tweede termijn een antwoord geven, maar ik heb de exacte tekst nu niet paraat.

De heer Kisteman (VVD):

Als ik straks een motie indien om de RI&E te vereenvoudigen, met een aantal verzamelmoties, zouden de heer Van Houwelingen en Forum dan wel voor kunnen stemmen?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Als het leidt tot minder bemoeizucht en regeldruk, dan zijn we daar in principe voor, maar ik moet even de exacte tekst zien. Dat is hier nu het probleem.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan schorsen tot 21.30 uur. Daarna gaan we verder met de beantwoording door de minister.

De voorzitter:

Het is 21.29 uur, maar ik zie dat iedereen weer aanwezig is. We kunnen dus verdergaan met de beantwoording van de minister.

Termijn antwoord

Minister Aartsen:

Dank, mevrouw de voorzitter. Dank aan de leden voor hun inbreng. Dank aan de leden voor hun hoge interesse in dit ILO-verdrag, dit International Labour Organizationverdrag, C190. Ik hoopte veel debatten uitgebreid te voeren en zoals u zult snappen, stond dit debat bovenaan het lijstje. Alle gekheid op een stokje: in de kern is het natuurlijk goed dat we hier nog even fundamenteel over spreken. Uiteindelijk gaat het natuurlijk wel over een belangrijk onderwerp, namelijk een veilige werkplek. We verzanden zo ongetwijfeld in de Arbowet en de techniek. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik besteed heel veel tijd van een dag en van mijn leven op de werkvloer. Dat zal als Kamerlid ongetwijfeld niet anders zijn. Het is dus ook heel fijn en heel prettig dat je je veilig voelt, jezelf kunt zijn en je zonder angst, stress of andere negatieve gevoelens op je werk kunt begeven. Sterker nog, dat is noodzakelijk. Werk maakt een heel belangrijk onderdeel uit van je leven. Ik denk dat het belangrijk is dat iedereen zich veilig moet kunnen voelen en dat er goede waarborgen zijn. Een veilige werkplek is een werkplek zonder geweld en intimidatie. Ik denk dat het daarom van belang is dat we dit ILO-verdrag hebben, dat dat onderstreept. Het is een steuntje in de rug voor alles wat Nederland al doet op het gebied van het tegengaan van ongewenst gedrag.

Want ja, ongewenst gedrag is een groot probleem. We zien dat vorig jaar bijna 17% van de medewerkers hiermee te maken heeft gehad. Dat zijn alleen nog de cijfers, maar er zitten natuurlijk ook verhalen van mensen achter. Het gaat over mensen die met stress, angst of schaamte naar hun werk toe gaan. Dat mogen we natuurlijk nooit normaal vinden. Ik denk dat we elkaar erin weten te vinden dat we dat allemaal willen tegengaan. De vraag is natuurlijk hoe we dat tegengaan.

Dat brengt mij bij het debat dat net is gevoerd. Om het maar eens even met een Brabants spreekwoord te zeggen: ik denk dat het goed is om heel even de kerk weer een beetje terug in het midden van het dorp te zetten. Ik heb hier in het debat vandaag namelijk toch een aantal sentimenten gehoord. Aan de ene kant wordt er gezegd: dit is een belangrijk probleem en we moeten dit tot drie cijfers achter de komma proberen dicht te regelen. Ik snap die reflex. Tegelijkertijd moeten we beseffen dat dit soort problemen — ik zal er dadelijk meer over zeggen — zich heel moeilijk laten vatten in wetten, in codes, in regels, in papieren zaken. Aan de andere kant heb ik in het debat toch ook veel gehoord dat dit verdrag ongeveer de bijl aan de wortel van de Nederlandse soevereiniteit zou zetten, alsof er, als we dit zouden doen, een hoop gekkigheid en ellende over Nederland wordt uitgestort.

Voorzitter. Ik kan u melden: het is geen van tweeën. Ik ga proberen dat een beetje terug te brengen naar proporties waarmee we met elkaar dit probleem daadwerkelijk tegen kunnen gaan zonder aan de ene of de andere kant door te schieten. Laat ik vooropstellen dat we het in Nederland goed hebben geregeld op dit onderdeel. We hebben echt een aantal zaken goed geregeld. Het kan altijd beter; we mogen nooit achterover leunen. Maar het is niet zo dat er door dit verdrag heel veel dingen moeten worden gedaan. Dat is niet nodig. Het is ook niet nodig om onze wet- en regelgeving in Nederland aan te passen. We hebben de Arbowet. Ik zal zo iets zeggen over de reikwijdte van die Arbowet. Die Arbowet zorgt ervoor dat werkgevers de verantwoordelijkheid hebben over wat er op de werkvloer gebeurt, dat zij daar aansprakelijk voor zijn en dat zij verantwoordelijkheid dragen voor hoe de situatie is.

Los van die Arbowet en wat er op de werkvloer gebeurt, hebben we natuurlijk nog veel meer. We hebben nog tal van andere wetten in Nederland. We hebben überhaupt het arbeidsrecht dat werknemers in den brede beschermt. We hebben wetten die beschermen op het gebied van gelijke behandeling. We hebben het civiele recht in Nederland, waar je te allen tijde naartoe kunt. Je wordt ook ondersteund als je daarnaartoe gaat op het moment dat je vindt dat een andere inwoner van ons land iets doet waarbij jij je niet fijn voelt en vindt dat er een grens over is gegaan. En we hebben het strafrecht dat, ongeacht op welke plek je bent, of je nou wel of niet op de werkvloer bent, geldt. Dat zegt dit verdrag ook. Dit verdrag zegt niet: pas de Arbowet aan. Dit verdrag zegt: zorg ervoor dat er voldoende nationale wetgeving is om de problemen die in dit verdrag worden geadresseerd op een goede manier aan te pakken. Dat doet dit verdrag. Dat doen wij op dit moment met bestaande wet- en regelgeving ook al. Als het gaat om werknemers of om degenen die onder het gezag en zeggenschap van een werkgever vallen, geldt de Arbowet. We hebben daarnaast het arbeidsrecht, het civiel recht en het strafrecht.

Voorzitter. Zijn wij dan gekke Henkie dat wij als enige land ter wereld dit verdrag ratificeren? Nee. Inmiddels hebben 54 landen dit verdrag al geratificeerd, waaronder een groot deel van de Europese landen. Zijn wij dan gekke Henkie dat wij als enige land — de andere kant op — ratificeren zonder de nationale wetgeving aan te passen? Nee. Landen als Ierland, Duitsland en Noorwegen — dat zijn wel een beetje Nederland-achtige landen — ratificeren dit ook zonder aanpassing van wetgeving. Is dit kabinet nou het enige dat zegt "we doen dit zonder"? Nee. We zien ook in het advies van de Raad van State dat hier geen opmerkingen over worden gemaakt. Als er nou één organisatie in Nederland is die bij wetgeving kijkt of we ons voldoende aan de internationale afspraken houden, dan is dat toch wel de Raad van State. Die concludeert niet dat Nederland iets geks doet door geen regels en wetten aan te passen op basis van dit verdrag.

Voorzitter. Dat brengt mij bij het fundamentele punt: wie is er nou verantwoordelijk voor een veilige werkvloer? Het eerlijke antwoord daarop is, ook weer een beetje nuchter: dat zijn we natuurlijk met z'n allen. We zijn er allemaal verantwoordelijk voor dat iedereen op een veilige, prettige manier op een werkvloer kan zitten. Specifiek in de arbowetgeving hebben we gezegd dat de werkgever daar de verantwoordelijkheid voor draagt. Die heeft een zorgplicht. Die is ook belangrijk. Daar hebben we ook wet- en regelgeving voor. In den brede is dat verstandig. Maar we zijn natuurlijk met z'n allen verantwoordelijk voor die veiligheid en die prettige werkomgeving.

Uiteindelijk is het niet zo dat dingen die in de samenleving gebeuren als sneeuw voor de zon verdwijnen op de werkvloer omdat je toevallig op je werk bent. Als we hufterigheid in het openbaar vervoer hebben, dan is dat niet alleen tegen reizigers, maar ook tegenover de mensen die daar werken. Als we überhaupt breed in de samenleving hufterigheid, geweld, intimidatie of seksuele intimidatie hebben, dan houdt dat niet op bij de grens van de werkvloer. Dat gaat natuurlijk over in elkaar. De samenleving is onderdeel van de werkvloer, en de werkvloer is onderdeel van de samenleving. Het is natuurlijk iets wat speelt in de hele samenleving. Dat zorgt ook voor het volgende. Ik zal zo de stap zetten naar regeldruk. Wij doen in dit huis oprecht ons best om met wetten, handreikingen en gedragscodes de wereld een stukje beter te maken. Op heel veel terreinen is het eerlijke en nuchtere verhaal dat de samenleving toch ook zichzelf moet normeren en er zelf voor moet zorgen dat we elkaar erop aanspreken als mensen over de grens gaan. Die werkgever kan daarbij helpen. Wij helpen daar dan vervolgens die werkgever weer bij. Die heeft ook een verantwoordelijkheid voor die werkvloer. Uiteindelijk is het toch ook de samenleving in den brede die primair op een goede manier moet zorgen voor het tegengaan van relatief subjectieve dingen als intimidatie, grensoverschrijdend gedrag en ongewenst gedrag.

De heer Ceulemans (JA21):

Volgens mij had de minister het in zijn inleidende blok over de ratificatie hiervan en waarom dat een goede zaak zou zijn. Ik heb eigenlijk een tweeledige vraag aan de minister: als er ten opzichte van de huidige situatie nog stappen gezet moeten worden om de veiligheid van werknemers op de werkvloer te verbeteren, waarom zouden we dat niet gewoon zelf kunnen? Waarom hebben we daar dat verdrag voor nodig? Als er wat deze minister betreft geen aanvullende stappen nodig zijn, waarom wil hij dan toch dit verdrag ratificeren? Als een motie overbodig is, zegt u: ik ontraad 'm. Als dit verdrag overbodig is, zegt u: ik ga het ratificeren.

Minister Aartsen:

Dat is gelijk een mooi bruggetje naar deel twee van mijn intro. Ik kijk even naar de voorzitter. Zij pakt eerst haar thee aan. Zal ik mijn intro even afmaken? Ik denk dat ik daarin antwoord geef op de heer Ceulemans.

Waarom doen we dit? Dat is eigenlijk de bredere kern. Allereerst, een verdrag sluit je natuurlijk niet met jezelf. Het is een beetje gek als je als land zegt: we zijn bezig met elkaar. Overigens zei mevrouw Patijn terecht dat de ILO niet een soort organisatie is die uit de hoge hemel is komen vallen. Het is een organisatie die is opgericht door vakbonden en werkgeversorganisaties. Nederland sluit zich daar ook bij aan. Volgens mij is het tripartiet overleg een mooie traditie, waarin werkgevers, werknemers én de overheid samen naar de ILO-vergaderingen gaan, maar dat terzijde. Je sluit een verdrag niet met jezelf; dat doe je met z'n allen. Dat betekent dat als je als Nederland al voldoet aan zo'n verdrag, niet kunt zeggen "dan sluiten we het maar niet". Juist internationale samenwerking zorgt er ten eerste voor dat de andere landen in de wereld zich ook aansluiten bij een verdrag. Ik denk dat er heel veel landen in de wereld zijn waarin nog veel meer winst te boeken is dan in Nederland, als het gaat om een veilige werkomgeving. Met deze stap zorgen we ook voor een betere werkvloer op andere plekken in de wereld. Ook zorgen we voor een gelijk speelveld. Ik denk dat dat juist ook belangrijk is. Als Europa één ding heeft geleerd, is het dat competitie op arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden zeer onwenselijk is. Je krijgt dan een spiraal naar beneden. Wat Nederland nou zo'n mooi land maakt, is dat we een spiraal omhoog krijgen als het gaat om arbeidsomstandigheden. Dat zijn allemaal zaken die maken dat we dit doen.

Wat voegt dit verdrag dan toe in Nederland? Voor Nederland is dit een steun in de rug. Het zorgt er ook voor dat we te allen tijde scherp blijven op wat hier gebeurt. Het is een belangrijk signaal dat Nederland dit belangrijk vindt en het zorgt voor een gelijker speelveld op internationaal niveau.

De heren Ceulemans, Van Houwelingen en Mulder vroegen mij nog hoe dit verdrag gaat doorwerken in nationale wetgeving; is er dan ook sprake van een soevereiniteitsoverdracht? Het antwoord daarop is: nee. Er is geen directe werking van dit verdrag als het gaat om nationale wetgeving. We sluiten hier gewoon aan bij wat we al hebben. Het ILO-verdrag zegt: zorg er nou voor dat je wetgeving hebt die hierop toeziet. Mijn antwoord zonet was dat we die hebben: arbowetgeving, arbeidsrecht, gelijkebehandelingsrecht, civiel recht en strafrecht. Dat is dus al op nationaal niveau geregeld. Daar hoeven we dus geen extra dingen voor te doen. We voldoen op dit moment al aan de eisen van het verdrag. Dat levert dan ook geen extra regeldruk op, zeg ik tegen de heer Mulder. Wat er wel onderdeel van uitmaakt, is dat we iedere twee jaar vervolgens een rapportage naar de ILO sturen. De ILO, dat zijn wij. Dat zijn onze eigen FNV en VNO. Een comité van experts kijkt vervolgens naar aanbevelingen op het moment dat zij vinden dat wij er niet aan voldoen. Die aanbevelingen zijn niet bindend.

De heer Van Houwelingen (FVD):

De minister zegt dat dit verdrag geen directe werking heeft op onze wetgeving, maar ik blijf toch met de vraag zitten: waarom sluiten we dit verdrag? We zijn natuurlijk wel gebonden aan de principes waarmee we akkoord gaan. Dus als wij over vier of vijf jaar als Kamer zouden besluiten om onze wetgeving te wijzigen, dan moeten we natuurlijk voldoen aan de uitgangspunten van dat verdrag. Als Kamer worden we daar dus aan gebonden. Waarom zouden we dat doen?

Minister Aartsen:

Nogmaals, omdat het ervoor zorgt dat je te allen tijde een borging hebt van een veilige werkomgeving. Dat is één. Ook zorgt het ervoor dat andere landen waar daar geen sprake van is, zich ook hieraan committeren. Dat is twee. Je zorgt voor een gelijk speelveld voor Nederlandse ondernemers met andere landen, zodat je geen spiraal naar beneden en geen competitie op arbeidsomstandigheden krijgt. Dat is drie. Ook denk ik dat de heer Van Houwelingen dit verdrag toch echt iets te zwaar aanzet, zwaarder dan het is. Dit verdrag zegt: zorg nou dat je nationale regels hebt voor het tegengaan van geweld op de werkvloer. We hebben nationale wetgeving waarin staat dat je bijvoorbeeld geen geweld mag plegen tegen een ander, ongeacht of het nou op de werkvloer is of niet. Dat hebben wij in Nederland al vastgelegd in de wet, in het strafrecht — tenzij er voorstellen komen om dat soort dingen te wijzigen, maar dat zie ik op de korte termijn niet gebeuren, dus is het toch ook een beetje een hypothetische discussie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik probeer het te begrijpen. Door dit verdrag te ratificeren stuurt het kabinet aan op een soort gelijkschakeling van een deel van het arbeidsrecht, van de arbowetgeving, tussen alle verdragspartners. Dat wordt als iets goeds gezien. Maar waarom zouden we dat willen? Waarom zou Nederland dat willen uniformiseren voor de hele wereld? Waarom willen we een gelijk speelveld? Dan kunnen we hetzelfde gaan zeggen over het onderwijs, over alles. Dat is het hele probleem met de Europese Unie. Het argument van een gelijk speelveld wordt altijd gehanteerd. Forum voor Democratie — en ik hoop dat dat ook voor deze Kamer geldt — wil zelf kunnen bepalen hoe wij onze arbowetgeving inrichten. We willen niet gebonden zijn aan internationale regelgeving. Misschien mag ik dit nog even kort aanvullen, voorzitter. Ik kan me er iets bij voorstellen dat je verdragen sluit met landen op het gebied van defensie, want dat is een internationale aangelegenheid. Maar waarom moeten we ons ook in het arbeidsrecht vastpinnen op internationale regelgeving? Wat schieten wij als Kamer en als Nederland daarmee op?

Minister Aartsen:

Volgens mij is dat gelijke speelveld van grote toegevoegde waarde. Ik vind de vergelijking met het onderwijs mank gaan. Het onderwijs is een nationale competentie en het is belangrijk dat dat ook zo blijft. Maar kijk bijvoorbeeld naar het werken met gevaarlijke of giftige stoffen. Het is niet zo dat een stof in Bangladesh niet giftig is, maar in Nederland wel. De heer Van Houwelingen moet het toch met mij eens zijn dat een stof in land a net zo giftig is als in land b? Het zou zeer onverstandig zijn als wij in Nederland wetten maken waarin we zeggen dat Nederlandse werknemers niet met zo'n giftige stof mogen werken omdat ze daar schade van kunnen oplopen, maar we dat wel toestaan in andere landen. Het gevolg daarvan zal zijn dat die producten vele malen goedkoper worden dan de producten die door Nederlandse ondernemers worden gemaakt. Dan heb je geen gelijk speelveld en schiet je jezelf als Nederland in de voet. Dat lijkt mij onverstandig.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, tot slot, voorzitter. Daar kun je een heel debat over voeren. Dat ga ik nu niet doen, maar stel dat je dat zou willen. Dan kun je bijvoorbeeld bilaterale afspraken maken met een land die precies over dat onderwerp gaan. Maar dat kunnen we sowieso niet meer, omdat we in de Europese Unie zitten. Dit is dus een fictieve discussie. We pinnen ons nu vast op dat verdrag. Dit is weer zo'n voorbeeld. We vinden dit echt een heel groot probleem. We zien dit elke keer langskomen. Er komen elke keer weer verdragen waardoor de soevereiniteit van deze Kamer wordt uitgehold. Het kabinet vindt dat nooit een probleem. We kunnen de tent hier straks wel sluiten, want alles gaat via internationale verdragen. We zijn al heel ver, zeker binnen de Europese Unie.

De voorzitter:

Ja, ja, ja. De interrupties moeten korter, want ik wil hier echt om 23.00 uur stoppen. De minister heeft een heleboel vragen gekregen. Hij is nog bezig met zijn inleiding, dus graag korte vragen en niet steeds dezelfde vragen herhalen. Mevrouw Moinat ... O, wilt u nog wat zeggen?

Minister Aartsen:

Ik hecht er toch waarde aan om te zeggen dat het beeld dat de heer Van Houwelingen oproept feitelijk gezien gewoon onjuist is. Hij ziet echt spoken ten aanzien van dit verdrag. Ik denk dat het goed is om op te nemen dat er spoken worden gezien die er niet zijn.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

De minister brengt het mooi. Ik zou zeggen: misschien kunt u met uw inleiding zelf in het campagnespotje meedoen. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat het kabinet straks met een wetsvoorstel komt om een gedragscode voor intern ongewenst gedrag verplicht te stellen voor werkgevers. Kan de minister mij garanderen dat hij dat wetsvoorstel niet naar de Kamer brengt, met dit verdrag in de hand?

Minister Aartsen:

Ja, want de afweging om dat wel of niet te doen, staat los van dit verdrag.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Aartsen:

Voorzitter. Dat brengt mij bij het punt …

De voorzitter:

Heeft u blokjes?

Minister Aartsen:

Ja. Regeldruk, reikwijdte, sociale veiligheid en varia. Het kopje varia is korter dit keer, dus dat biedt hoop.

Voorzitter. Er zijn aan de ene kant een hoop vragen gesteld over hoe we heel veel concrete situaties gaan regelen en hoe het kabinet denkt problemen te voorkomen en op te lossen. Aan de andere kant zijn er een hoop vragen gesteld over de regeldruk. Dat dilemma schetst precies wat er vaak gebeurt met regeldruk, vooral bij een onderwerp zoals dit. Als er weer een incident plaatsvindt of als er wat gebeurt, dan is onze eerste reflex altijd: laten we een wet, een gedragscode of een klachtenregister maken en laten we heel specifiek vastleggen in de wet hoe het moet worden geregeld. Ik begon mijn inleiding net door te zeggen dat het uiteindelijk de verantwoordelijkheid is van ons allemaal. De ambitie van dit kabinet, van deze coalitie, is om de regeldruk tegen te gaan, om geen nieuwe onnodige regels toe te voegen en om 500 regels te schrappen. Dat betekent ook dat we bij dit soort onderwerpen echt even kritisch moeten kijken waar het nou echt, echt, echt noodzakelijk én effectief is om nieuwe regels en wetten toe te voegen en waar dat niet geval is. Anders kom je uiteindelijk namelijk in een regelreflex terecht waar je volgens mij niet in wil zitten. Ik zei net al dat Nederland op dit moment voldoet aan de wet- en regelgeving: we hebben de Arbowet al, we hebben gelijkebehandelingswetgeving, we hebben het civiel recht en we hebben het strafrecht. Wat mij betreft zijn er dus ook weinig tot geen aanvullende regels of extra administratieve lasten nodig.

Het punt werd ook al gemaakt dat ongeveer 90% van de bedrijven minder dan 25 medewerkers in dienst heeft. Dat zijn over het algemeen dus gewoon kleine bedrijven, zoals restaurants, bakkers en schildersbedrijven. Juist voor dit soort mkb-bedrijven zien we dat nieuwe wet- en regelgeving gaat leiden tot een papieren werkelijkheid en een papieren tijger in plaats van dat het daadwerkelijk iets toevoegt. Dat is ook de reden waarom wij zeggen — mevrouw Van Ark zei dat terecht en heel mooi — dat we ons willen richten op de praktijk en op wat echt werkt. Ik denk dat je dan toch moet denken aan de publiekscampagnes die we draaien, aan sectorale aanpakken, aan gesprekken en aan handreikingen voor hoe je het als kleine werkgever goed kan organiseren als er wat aan de hand is, in plaats van gelijk grijpen naar wettelijke verankeringen.

Ik beraad mij op dit moment dus ook nog op hoe we omgaan met bijvoorbeeld de wettelijke klachtenregeling en met andere adviezen die we hebben gekregen, waaronder de gedragscode. Ik beraad mij op dit moment samen met het kabinet op hoe we dat wegen ten opzichte van de regeldruk, want je kunt niet allebei doen. Je kunt niet alles in wet- en regelgeving proberen vast te leggen én de ambitie hebben om de regeldruk te verlagen. Je zult daar toch een weging en een aflaat in moeten maken.

De heer Neijenhuis (D66):

Het is uiteraard heel logisch dat het wordt gewogen. Als er een voorstel naar ons toe komt, is dat ook een belangrijke weging die we hier in de Kamer moeten maken. Ik wil daar wel even op doorvragen, want het zijn volgens mij wel belangrijke punten: wanneer kunnen we verwachten dat die weging is afgerond en wanneer kunnen we het dan eventueel weer hier in de Kamer bespreken?

Minister Aartsen:

Ik zal zorgen dat dit wordt meegenomen in de brief voor het commissiedebat over gezond en veilig werken. Ik weet uit mijn hoofd niet wanneer dat debat is.

Voorzitter. Dan kom ik bij het blokje reikwijdte. Er zijn een aantal vragen gesteld over wie nou wel en niet onder dit verdrag vallen en over hoe het zit met de afbakening van de werkvloer, om het maar even zo te noemen, met alle voorbeelden van dien. Ik ga niet op alle voorbeelden specifiek in, want ook daarin heb je vaak te maken met interpretatiekwesties. Daarnaast zegt de bestaande jurisprudentie hier al het een en ander over. Het is misschien wel goed om in het algemeen een aantal zaken te noemen.

De Arbowet geldt voor iedereen met een gezagsrelatie of met zeggenschap van de werkgever over de gedragingen van de werknemer. Dat betekent dat bijvoorbeeld vrijwilligers dus in veelvoorkomende gevallen onder de reikwijdte van de Arbowet vallen. Ook in andere situaties zien we dat bijvoorbeeld zzp'ers gedeeltelijk onder de Arbowet vallen. Dat hangt af van of je meewerkend werkgever of meewerkend voorman bent; daar zit overigens nog een hele discussie achter. We gaan ongetwijfeld over de zzp'ers nog een bredere discussie voeren, over hoe dat zit en hoe zij zich tot de arbowetgeving verhouden. We zien dat stagiaires dus bijvoorbeeld ook onder de arbowetgeving vallen. In die situatie is sprake van zeggenschap. Stagiaires worden dus in de wet ook gezien als werknemers voor wie de werkgever verantwoordelijk is. Leerlingen vallen onder de Arbowet. Werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd, oud-werknemers die andere mensen pesten — dat voorbeeld werd net genoemd — vallen inherent niet onder de Arbowet. Je kunt een werkgever natuurlijk moeilijk verantwoordelijk houden voor het gedrag van oud-werknemers. Ik verwees daarom naar de andere wettelijke kaders dan de Arbowet. Naast de Arbowet heb je namelijk ook nog het civiele recht waar je een beroep op kunt doen en je hebt het strafrecht waar je een beroep op kunt doen in deze casussen. Je kunt hiervoor niet naar de werkgever kijken, want die heeft geen zeggenschap over, in dit geval, oud-werknemers. Dat geldt overigens ook voor werkzoekenden en sollicitanten. Zij vallen niet onder de Arbowetgeving, maar het is natuurlijk wel zo dat eenieder — dat geldt natuurlijk breder in de aansprakelijkheid — moet zorgen voor een goede en veilige werkomgeving als iemand bij hem of haar thuis, op de werkvloer of op kantoor is. Op het moment dat iemand dan over de schreef gaat, is er natuurlijk wel een zorgplicht. Dan zou je wel naar ander wettelijk instrumentarium kunnen grijpen. Al met al is het dus zo dat mensen ook op een andere manier worden beschermd, door middel van verschillende vormen van wetgeving.

Mevrouw Patijn vroeg mij nog specifiek naar uitzendkrachten. Die vallen ook onder de arbowetgeving, die hier ook duidelijk in is: zowel het inlenende bedrijf als het uitzendbureau is verantwoordelijk voor de veiligheid en de gezondheid van uitzendkrachten. De inlenende opdrachtgever draagt primair de grootste verantwoordelijkheid en is dus volgens de Arbowet verantwoordelijk voor de voorlichting van uitzendkrachten ten aanzien van gezond en veilig werken. Ook moet de inlenende opdrachtgever de RI&E delen met het uitzendbureau, dat deze vervolgens weer moet delen met de uitzendkrachten en hen moet informeren over de risico's van de inlenende opdrachtgever.

Dan waren er nog wat vragen gesteld over het woon-werkverkeer. Ook dit is …

De voorzitter:

Er is eerst nog een vraag van mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Woon-werkverkeer is volgens mij weer het andere blokje, maar dat weet ik niet zeker. De minister geeft aan dat sollicitanten er dan weer net niet onder zouden vallen. Hier is een wet behandeld over discriminatie bij sollicitatie, die uiteindelijk is verworpen. Dat is eigenlijk nergens geborgd. Is de minister niet van mening dat dat op de een of andere manier beter geborgd zou moeten worden, zeker gezien dit verdrag?

Minister Aartsen:

Nee, omdat er bij sollicitanten geen sprake is van een zeggenschaps- of gezagsrelatie. Dan is het heel ingewikkeld om daar de arbowetgeving op van toepassing te laten zijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Wat u nu zegt, is het 'm nou precies. De Arbowet beperkt zich tot de gezagsrelatie. Dat is nou precies waarom wij zeggen: de werkingssfeer van de Arbowet zou uitgebreid moeten worden, zodat deze groepen wel degelijk dezelfde bescherming kunnen genieten op basis van de Arbowet. Als alleen die nauwe definitie van "gezagsrelatie" geldt, kan dit soort groepen niet onder de bescherming van de Arbowet vallen en kan dit soort groepen de bescherming die in de Arbowet bedoeld is dus niet genieten.

Minister Aartsen:

Die bescherming komt natuurlijk ook voort uit een arbeidsovereenkomst. Daar worden natuurlijk ook op die manier weer handen en voeten aan gegeven, dus het is heel ingewikkeld om daar dezelfde eisen aan te stellen. Het opleggen van bijvoorbeeld een loonsanctie of een andere vorm van sanctie als er twee werknemers tegenover elkaar staan, gaat natuurlijk niet bij een sollicitant, want die heb je als werkgever niet in dienst. Om sollicitanten tegen seksueel overschrijdend gedrag, intimidatie en dergelijke in den brede te beschermen, hebben we toch ook andere instrumenten, zoals het civiele recht en het strafrecht, die eenieder tegen dit soort zaken beschermen. Sollicitanten verrichten namelijk natuurlijk ook geen structurele werkzaamheden. De meeste sollicitaties duren natuurlijk niet meer dan twee rondes.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik ga even terug naar wat de minister — ik wou "burgemeester" zeggen — zegt.

Minister Aartsen:

Dan moet u nog een jaar of twintig wachten.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

O, ambities! Ik ga even terug naar wat de minister zegt over de definitie van "werknemer" en de gezagsrelatie, want door die definitie in de Arbowet geeft die Arbowet geen bescherming aan groepen die misschien wel onder die Arbowet zouden moeten kunnen vallen. Dat gaat dan met name over zzp'ers, maar dat gaat ook over sollicitanten. Het is dus vanuit die Arbowet niet mogelijk om die extra bescherming te bieden zolang die definitie van de gezagsrelatie zo cruciaal is. Is de minister bereid om nog eens een keer goed te kijken of hij, ook in lijn met wat in het verdrag staat, misschien toch wat breder naar die groepen moet kijken en daar de Arbowet dus op moet herzien?

Minister Aartsen:

Dan moeten we even met een fileermesje, zeg maar, heel specifiek kijken naar de oude wetgeving. Dat wil ik best een keer doen, hoor, met mevrouw Patijn, want ik zeg heel eerlijk: ik zie dit probleem op het gebied van zelfstandigen wel ontstaan. We hebben laatst ook de UBO-uitspraak van de Hoge Raad gezien, waarin wordt gezegd dat er sprake kan zijn van zij-aan-zijwerk, waarbij persoon A werknemer is en persoon B zzp'er is en ze exact hetzelfde werk doen, terwijl ze een andere werkrelatie hebben. Dat soort situaties zie ik wel. Daarbij zie ik wel een aantal discrepanties met bijvoorbeeld de Arbowet. Waarom zou een glazenwasser die werknemer is niet boven een hoogte van 7 meter mogen gaan en een zzp'er wel? Die ruggen zijn identiek aan elkaar, dus het is gek dat dat bij de een wel kan en bij de ander niet. Dat probleem zie ik. Ik vind de kwestie echt lastig worden als het specifiek gaat om sollicitanten en anderen, omdat daarbij geen sprake is van een structurele relatie en niet van een gezagsrelatie. Dan is het ook een beetje de vraag waartegen je sollicitanten dan beschermt onder de Arbowet. De Arbowet beschermt werknemers tegen een hele hoop zaken: rusttijden, werken met gevaarlijke stoffen, overwerk. Daar is natuurlijk geen sprake van. Ik zie bij sollicitanten niet het probleem van overwerk of uitbuiting ontstaan. Dat zijn natuurlijk zaken die zich bij sollicitanten niet voordoen, dus ik denk dat de door mevrouw Patijn gezochte bescherming voor een groep beter vormgegeven kan worden onder het civiel recht of het strafrecht dan in de wet waarin zij dat zoekt.

Voorzitter. Mevrouw Patijn vroeg mij wanneer de zorgplicht op het gebied van woon-werkverkeer onder de Arbeidsomstandighedenwet valt. Woon-werkverkeer valt niet onder de werktijd en valt daarom in beginsel niet onder de Arbowet. Daar staat tegenover dat als de werkgever het vervoer zelf organiseert, dat weer wél onder de Arbowet valt. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor dienstreizen, waar ook een aantal vragen over zijn gesteld. De bescherming is op dit moment goed geregeld. We passen die dus niet aan. De bestaande jurisprudentie geeft al voldoende richting: wanneer is dat wel of niet het geval? We zien voorbeelden die wél onder de Arbowet vallen, bijvoorbeeld het door de werkgever geregelde carpoolen van werk naar een woonlocatie; ook daar ging een vraag van mevrouw Patijn over. Dat valt dus wél onder de arbowetgeving. Ook reizen in een busje van bijvoorbeeld de aannemer valt onder de arbowetgeving. Een voorbeeld dat niet onder de arbowetgeving valt omdat het regulier woon-werkverkeer, is dat een thuiszorgmedewerker zelf naar het werk rijdt of dat een callcentermedewerker naar een bushalte loopt. Daar zit uiteindelijk het verschil. Maar nogmaals, er zitten ook handreikingen in de jurisprudentie. Ik zou er ook voor willen waken dat we dit soort specifieke zaken exact vastleggen in wetten, omdat die dan wel heel erg smal gaan worden.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Toch even ... Ik neem even de callcentermedewerker die een avond werkt, om 23.30 uur of 0.00 uur naar huis gaat, de laatste bus nog kan halen, in haar eentje — ik ga even uit van een vrouw — over dat vrij verlaten industrieterrein loopt en in haar eentje staat te wachten bij de bushalte. Is dat niet precies wat het ILO-verdrag probeert aan te geven als momenten waarop de bescherming geleverd zou moeten worden die wij en misschien de minister zouden moeten willen bieden in de bescherming met de wetgeving?

Minister Aartsen:

Nee, want als je dat soort zaken wettelijk gaat regelen, denk ik dat je te ver doorschiet met de arbowetgeving, omdat dat in beginsel natuurlijk woon-werkverkeer is. Dan kom ik bij het bredere civielrecht en het bredere strafrecht, want als iemand zich onveilig voelt of als zich een strafbaar feit voordoet, is het natuurlijk, of je nou werkgever bent of niet, gewoon altijd je burgerplicht, een verplichting, om iemand bij te staan met hulp en met ondersteuning. We moeten dus oppassen met alles proberen te vatten onder het arborecht en de arbowetgeving, want anders verschuift die verantwoordelijkheid uiteindelijk tot de vraag wanneer die dan ophoudt. Houdt die op wanneer iemand in de bus zit, halverwege de bus zit of thuis wordt gebracht? Daar zit natuurlijk ergens een grijs gebied dat we met elkaar als wetgevers op een gegeven moment moeten accepteren. We moeten zorgen dat je het op een andere manier goed organiseert. Daarom valt ook het ene specifieke punt wel onder de arbowetgeving en het andere niet. Het is natuurlijk niet zo dat mensen vogelvrij zijn op het moment dat ze buiten de Arbowet vallen.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Maar dan zou iedere weldenkende werkgever of goedwillende werkgever — daar zijn er best veel van — denken: ik zorg dat die callcentermedewerker niet in die situatie terechtkomt dat hij of zij in zijn eentje over dat industrieterrein moet lopen en in zijn eentje op die bus moet wachten. Dus die regelt iets; die zorgt dat er taxi's geregeld worden of dat soort zaken. Maar er zijn te veel werkgevers — wij hebben dit voorbeeld niet voor niets genoemd — die misschien wel ergens in India zitten en niet zo heel erg bezig zijn met dit deel en niet nadenken over hoe ze zich daartoe verhouden. Bedrijven zijn namelijk vaak heel internationaal geworden. Ze denken niet na over dat er geld voor is en dat er mogelijkheden zijn om daar wat mee te doen. Het ILO-verdrag richt zich volgens mij juist op dit soort situaties. Hier zitten gaten in. Moet deze vrouw, als het een vrouw is, eerst iets overkomen waar ze aangifte voor kan doen? Is het niet logisch om te zeggen: "Preventie is belangrijk. Voorkom het nou en zorg dat het bijvoorbeeld in die RI&E opgenomen wordt."

Minister Aartsen:

Nee, want dan ga je de verantwoordelijkheid te breed trekken. Het is natuurlijk niet zo dat mensen, op het moment dat ze de fabriek of een bedrijfslocatie uit stappen, in een soort niemandsland terechtkomen. We hebben als samenleving breed de verantwoordelijkheid om de veiligheid op straat te borgen. We hebben die verantwoordelijkheid ook als overheid. Op het moment dat er verlichting is en op het moment dat mensen andere mensen lastigvallen op het industrieterrein, zijn ook de politie, de boa's, de gemeente en de burgemeester verantwoordelijk voor de veiligheid daar op straat. Ja, de werkgever kan daarin ook een belangrijke rol spelen. Ik zie overigens ook dat dat gebeurt. Ik herken het beeld van mevrouw Patijn over Indiase en internationale werkgevers niet. 90% van alle Nederlandse bedrijven heeft minder dan 25 medewerkers in dienst — 90%. Dan heb ik het dus nog niet eens over de grote midden- en kleinbedrijven van 50 of 100 mensen, maar echt om kleine bedrijfjes met minder dan 25 medewerkers. Je kunt de verantwoordelijkheid van werkgevers niet zo ver oprekken op basis van de wet. Ik zie namelijk dat heel veel werkgevers het wél op een goede manier organiseren. Die zeggen wel: ik zet je anders wel even thuis af, want het is donker vanavond en er is wat gebeurd. Of: bel even als ik je kan helpen. Uiteindelijk is dit ook een verantwoordelijkheid van de samenleving. Het is iets wat we als samenleving breed moeten doen. Daarvoor hebben we mevrouw Hamer aangesteld als Nationaal Coördinator, daarvoor hebben we een brede aanpak en daarvoor hangen er bij mij in de hal op het ministerie grote aanplakborden om grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan. Het is uiteindelijk dus ook een samenlevingsvraagstuk en niet alleen een vraagstuk van een werkgever.

De voorzitter:

Ik ga even ingrijpen, want de vragen zijn best lang en de antwoorden zijn ook lang, en het is inmiddels 22.05 uur. Een korte laatste vraag dus, en dan hoor ik ook graag van de minister of we nog steeds in het blokje reikwijdte zitten. Ja, hoor ik. Er komen hierna dus nog twee blokjes.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik zal concluderen. Voor mij is het niet voldoende. Voor mij is heel duidelijk dat mevrouw Hamer niet op het industrieterrein actief is om te zorgen dat er daar geen dingen fout gaan. Naar mijn idee is het ontzettend belangrijk dat we juist dit deel heel goed regelen.

Minister Aartsen:

Dat zijn we overigens met elkaar eens. De vraag is alleen met welk middel we dat moeten gaan doen.

De heer Ceulemans (JA21):

Ik ben het inhoudelijk eens met wat de minister zegt, maar volgens mij laat dit interruptiedebatje met mevrouw Patijn exact zien waar het risico zit, en laat het ook exact zien wat ik bedoelde in mijn eerste termijn. Door termen als "de wereld van werk" is dit zo breed interpreteerbaar dat mevrouw Patijn nu al heel anders interpreteert wat de verantwoordelijkheid van een werkgever is en waar die ophoudt, dan de minister zelf. Rechters kunnen dat straks ook doen. Ziet de minister dus niet in dat juist het interruptiedebatje exact laat zien waar het risico van dit verdrag zit?

Minister Aartsen:

Nee, omdat alles wat we hier met elkaar wisselen als medewetgevers onderdeel uitmaakt van de wetsgeschiedenis. Een toekomstige rechter zal dus refereren aan dit interruptiedebatje en aan hoe dit is "verhandeld". Ik ken een aantal situaties. Dat gebeurt echt. Uw woorden doen ertoe, zeg ik tegen de heer Ceulemans, ook voor rechters. Die zullen uiteindelijk in de bepaling bepalen hoe ze het interpreteren. Ik refereer niet voor niets aan bestaande jurisprudentie. De voorbeelden die ik noem, heb ik niet zelf bedacht. Daar hebben rechters zich over uitgelaten. Dat alles bij elkaar zorgt ervoor dat de interpretatie op die manier wordt geregeld. Laat ik hier namens de regering nogmaals duidelijk zeggen dat wij niet zien dat wij extra nieuwe regels hoeven te maken en dat dit verdrag daardoor ook niet gaat zorgen voor een oprekking van die interpretatie.

De heer Ceulemans (JA21):

Het is op zich een hele eervolle gedachte dat rechters de notulen van dit debat ooit gaan teruglezen.

Minister Aartsen:

Zeker! Dat is hun belangrijkste taak.

De heer Ceulemans (JA21):

Maar even los van wat hij in de notulen van dit debat leest, ziet de rechter gewoon een verdrag liggen waarin het gaat over de wereld van werk, wat natuurlijk voor heel veel interpretaties vatbaar is. Het gaat niet alleen over de werkvloer, maar het gaat ook over de digitale wereld, over contact met werknemers die zich buiten het bedrijf bevinden, over op weg ergens naartoe, over onderweg. Ziet de minister nou geen risico in zo'n definitie als "de wereld van werk", waar we nu al van zien dat dat heel verschillend geïnterpreteerd wordt? Een rechter kan dat straks ook gaan interpreteren. Een rechter kan straks gewoon dat verdrag erbij pakken, zien dat het betrekking heeft op de wereld van werk en bepalen dat het ook betrekking heeft op dit, dit en dit, wat niet in de wetsgeschiedenis is teruggekomen.

Minister Aartsen:

Dan maakt de heer Ceulemans zijn eigen rol echt te klein, wat mij betreft. Het is namelijk echt zo dat bij het maken van de wet de wetsgeschiedenis en alles wat we hierover uitspreken van belang is. Er zijn hele mooie boeken geschreven over hoe dat bijdraagt. Bij de interpretatie van zo'n definitie als "de wereld van werk" zullen rechters eerst kijken hoe de wetgever het heeft bedoeld. Dan kijken ze dus naar de memorie van toelichting. Dan kijken ze naar de vragen die de Kamer heeft gesteld en de antwoorden van het kabinet. Dan kijken ze naar dit debat. Dan kijken ze naar bestaande jurisprudentie. Daarom verwijs ik daar ook naar. Dat maakt hoe een rechter uiteindelijk zal oordelen. Daarom is het belangrijk dat we dit debat hebben met elkaar.

De voorzitter:

Kort, afrondend.

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, u heeft gelijk, voorzitter. Ik zal opschieten, maar dit was een van mijn belangrijkste punten, dus even kort afrondend dan. Er zijn natuurlijk nu al uit het blote hoofd duizend situaties te bedenken waarover het in dit debat helemaal niet gegaan is en waarin het in de hele wetsgeschiedenis niet gegaan is. Er kunnen gewoon zaken worden aangespannen waarbij het de vraag is of iets wel of niet werkgerelateerd is. Als de rechter dan terugvalt op een definitie van "de wereld van werk", ongeacht wat hier allemaal besproken is, zijn er nog heel veel situaties denkbaar waarin een rechter wel degelijk kan gaan interpreteren puur op basis van die definitie waar het simpelweg eerder niet over gegaan is.

Minister Aartsen:

Dan denk ik dat u de rol van de rechter niet voldoende gewicht toedicht. Nogmaals, die zal zich baseren op bestaande jurisprudentie. De punten die ik net aandroeg, heb ik niet zelf verzonnen. Dat is gebaseerd op eerdere interpretaties. Ik geef heel duidelijk aan dat dit verdrag niet gaat leiden tot nieuwe wet- en regelgeving en dus ook niet tot een andere interpretatie van dat soort kwesties.

Om het blokje af te ronden: er zijn een nog een aantal vragen gesteld over de interpretatie van andere bepalingen. Dan verwijs ik nogmaals naar de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving. Online werken valt op dit moment al onder de reguliere Arbeidsomstandighedenwet, de Arbowet. Migranten zijn op dit moment werknemers en worden zo ook beschouwd vanuit de bescherming van de Arbowet. Hetzelfde geldt voor flexwerkers. Woningen door een werkgever verstrekt vallen niet onder de Arbowet. In voorkomende gevallen kunnen mensen wel terecht in het civiel recht en het strafrecht in dit geval. Huiselijk geweld kan ook effecten hebben op het werk, maar daarvoor verken ik op dit moment een handreiking voor werkgevers. Volgens mij heb ik dan alles gezegd over de reikwijdte en de interpretatiekwesties, voorzitter.

De voorzitter:

Dan gaan we naar het blokje sociale veiligheid.

Minister Aartsen:

Mevrouw Van Ark vroeg mij hoe wij bevorderen dat werknemers altijd ergens anders terecht zouden kunnen voor laagdrempelige ondersteuning en naar de rol van het Huis voor Klokkenluiders. Werkgevers zijn op dit moment verplicht om te zorgen voor een veilige en gezonde werkplek. Hoe zij dat doen, staat werkgevers zelf uiteraard vrij. Ik ondersteun werkgevers hierin met bijvoorbeeld handreikingen, onder andere een handreiking over de manier waarop ze dat met vertrouwenspersonen en gedragscodes moeten doen. Die handreikingen stellen we altijd op met partijen uit het veld zelf. Daarnaast komt de Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld nog dit jaar met een advies over bijvoorbeeld het verstevigen van de onafhankelijkheid van vertrouwenspersonen. Bij misstanden kan een werknemer altijd advies vragen aan het Huis voor Klokkenluiders.

Mevrouw Patijn vroeg hoe het staat met het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Inmiddels is er reeds veel van dit nationaal actieprogramma bereikt, zowel op het gebied van een algemene cultuurverandering als op het gebied van het bespreekbaar maken alsook op het gebied van zaken die op de werkvloer spelen. Ik verwees net al naar de posters die bij mij op het ministerie hangen. We zien bijvoorbeeld dat dit ook in de sectorale aanpak samen met sociale partners zijn vruchten afwerpt. We zijn er echter nog niet en daarom kijken we ook naar het nieuwe actieplan, bijvoorbeeld als het gaat om de aanpak van geweld tegen vrouwen.

Voorzitter. De heer Neijenhuis en mevrouw Patijn vroegen mij nog wat over meldingen. Welke drempels nemen we weg? Nogmaals, wij zorgen ervoor dat er lagere drempels zijn. Dat benadrukken we ook richting werkgevers. Zij zijn uiteindelijk verantwoordelijk. Regeringscommissaris Hamer heeft hiervoor een handreiking gemaakt, waarmee werkgevers worden ondersteund bij het goed en zorgvuldig afhandelen van deze meldingen. We hebben daar ook al een sectorale aanpak voor lopen. Daarnaast ontwikkel ik nog een e-learningprogramma voor leidinggevenden om hen laagdrempelig te helpen om deze handreiking goed te doorleven. Dat zal volgend jaar beschikbaar komen.

De heer Neijenhuis vroeg mij naar het in beeld brengen van wijdverspreid geweld tegen en intimidatie van winkelpersoneel. Ik deel dat dat een groot probleem is. Ik weet zelf als geen ander wat voor enorme impact het kan hebben op een winkelier als dat plaatsvindt. Het is belangrijk om te vermelden dat bijvoorbeeld de minister van Economische Zaken bezig is met het Actieprogramma Veilig Ondernemen, waarmee ondernemers op allerlei manieren worden ondersteund in het tegengaan van geweld, agressie en intimidatie, zowel voor henzelf als voor de medewerkers in deze situatie. Er wordt voor ondernemers en personeel een handelingsperspectief bij geweld geboden met trainingen, opleidingen en een toolbox. Daarnaast werkt JenV intensief samen met publiek-private partners in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing voor de weerbaarheid van het bedrijfsleven. Ook zijn er specifieke strafrechtelijke bepalingen die het mogelijk maken om criminaliteit zoals geweld en winkeldiefstal aan te pakken.

De heer Kisteman vroeg of ik het met hem eens ben dat de meeste ondernemers voldoen. Ja, de meeste ondernemers hebben het beste voor met hun medewerkers. We zien dat we werkgevers kunnen helpen om de volgende stappen ook te kunnen maken.

Mevrouw Van Ark vroeg mij welke stappen er nog nodig zijn om het verdrag uiteindelijk ook in Caribisch Nederland te laten gelden. Op dit moment bevat de arbowetgeving in Caribisch Nederland geen bepalingen over psychosociale arbeidsbelasting, waar ongewenst gedrag onder valt. We zijn op dit moment bezig met het vervangen van de huidige wetgeving. Dat zal in 2030 het geval zijn. Het is de verwachting dat we de psychosociale arbeidsbelasting daarin meenemen. Dan bezien we ook de ratificatie van dit verdrag op Caribisch Nederland.

Voorzitter, ik neem even een slok water, want ik moet het gaan hebben over inclusive, integrated and gender-based response. Gevraagd werd of ik kan uitleggen wat dat is. Ook hier kies ik toch weer even voor een wat nuchtere aanpak, want ik denk dat dat verstandig is, ook gelet op het debat dat zojuist is gevoerd. Uiteindelijk betekent dit natuurlijk gewoon dat je rekening houdt met de situatie die zich voordoet. Ik denk dat ik niet per se wetenschappelijk onderzoek nodig heb of hoef aan te halen om aan te geven dat we met elkaar wel kunnen concluderen dat vrouwen vele malen vaker last hebben van seksuele intimidatie of seksueel geweld. Daar zijn tal van voorbeelden van geweest in het afgelopen jaar, met uitingen van vrouwen die de nacht terugeisen vanwege de situaties die zich daarin voordoen. Er waren in deze Kamer debatten over femicide. Als u wilt, kan ik daar nog wat meer informatie over verstrekken, maar op basis van gezond boerenverstand kunnen we allemaal concluderen dat vrouwen hier vele malen vaker last van hebben. Ja, er zijn ongetwijfeld mannen die hier last van hebben. Zeker. En ja, er zullen ook andere doelgroepen zijn. Volgens mij zijn we het echter met elkaar eens dat vrouwen hier over het algemeen vele, vele, vele malen vaker last van hebben. Dan is het ook niet gek dat je daar in de aanpak een klein beetje aandacht aan besteedt. Het lijkt me een hele nuchtere lijn dat we daar aandacht voor hebben, specifiek voor de situatie van vrouwen op de werkvloer.

Voorzitter. Dat was het ten aanzien van sociale veiligheid.

De heer Ceulemans (JA21):

Het zou inderdaad heel erg logisch zijn om daar aandacht aan te geven als het daadwerkelijk om dat soort zaken gaat. Maar mijn hele punt is dat het extreem breed omschreven is. Ik citeer letterlijk: het betreft dan "(...) de dreiging daarvan, hetzij incidenteel hetzij herhaaldelijk, die gericht zijn op, of naar alle waarschijnlijk resulteren in fysieke, psychologische, seksuele of economische schade". Van gendergerelateerd geweld of van gendergerelateerde intimidatie is volgens het verdrag sprake wanneer mensen op basis van hun geslacht of gender op zo'n manier disproportioneel getroffen kunnen worden. Er staat bijvoorbeeld ook "economische schade" in. Er is nogal een verschil tussen gewoon geweld of seksuele intimidatie op de werkvloer en economische schade, zoals de veronderstelde loonkloof, die wat ons betreft gewoon iets tussen werkgevers en werknemers is, waar de overheid niks in te zoeken heeft.

Minister Aartsen:

Ik zoek even naar een vraag.

De heer Ceulemans (JA21):

De vraag is of u dat met mij eens bent. Ik heb gevraagd wat u van die definities vindt. U zegt: het is heel logisch dat er op vrouwen gefocust wordt, want geweld is er veel vaker tegen vrouwen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Het is dus ook heel terecht als die aandacht daarnaar uitgaat. Maar mijn punt is nou juist dat dit in het verdrag allemaal veel breder omschreven is. Daar gaat het niet alleen over geweld, maar bijvoorbeeld ook over gendergerelateerde economische schade. Op grond daarvan kan ook betoogd worden dat dit verdrag bijvoorbeeld betrekking heeft op een vrouw op de werkvloer die vindt dat ze ten onrechte minder goed betaald wordt dan een mannelijke collega. Ziet de minister dat risico ook, als het zo breed omschreven is?

Minister Aartsen:

Nee, ik zie twee dingen. De heer Ceulemans pakt één klein onderdeeltje uit alle punten, zet daar de fietspomp op en maakt dat heel groot. Volgens mij moeten we dat niet doen. Volgens mij moeten we het klein maken en het gewoon nuchter bekijken. Dat zou de heer Ceulemans toch ook moeten aanspreken. Als het gaat om ongelijke betaling, ben ik het met de heer Ceulemans eens dat dat primair iets is tussen werkgever en werknemer. Maar dat betekent niet dat het goed is om een vrouw minder te betalen dan een man. Het is dus niet onlogisch dat je in een aanpak die ervoor zorgt dat dit soort situaties worden tegengegaan opneemt dat je dingen die je niet goed vindt ook probeert tegen te gaan. Ik heb net al gezegd dat ik er geen voorstander van ben om dat vervolgens tot acht cijfers achter de komma te gaan vastleggen in een wetsvoorstel met rapportageverplichtingen et cetera. Als je beleid formuleert en een verdrag maakt waarvan dit de doelstellingen zijn, vind je natuurlijk ook dit soort zaken, waarbij Jantje meer geld betaald krijgt dan Marietje, problematisch. Dat kan je dan niet kwalijk worden genomen. We kunnen met elkaar toch wel vaststellen dat het niet goed is … Uw Kamerleden krijgen toch ook allemaal evenveel betaald, ongeacht gender of geslacht?

De heer Ceulemans (JA21):

Dit is nou juist precies de kern, want die heeft niets met geweld en intimidatie te maken. We hebben het hier vandaag over het ratificeren van een verdrag tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. Vervolgens blijkt dat daar interpretaties en definities in staan die veel breder zijn dan toegespitst op geweld en intimidatie, met een reikwijdte die enorm voor interpretatie vatbaar is. Ik pak er niet zomaar iets uit. Ik illustreer dit punt aan de hand van het feit dat het ook gaat over gendergerelateerde economische schade, dus bijvoorbeeld ongelijke betaling op de werkvloer. Ik vind het ook niet fraai als dit gebeurt, maar het heeft niets met intimidatie of geweld te maken. Op het moment dat dit alsnog onderdeel is van zo'n verdrag, toont het volgens mij aan hoe groot het risico is dat dit verdrag heel vrijelijk geïnterpreteerd gaat worden, met als gevolg dat werkgevers tot meer verplichtingen worden gedwongen dan die ze nu hebben.

Minister Aartsen:

Ik ben dat niet eens met de heer Ceulemans. Dit verdrag gaat over een veilige werkomgeving. Daarmee bedoelen we dat die vrij is van geweld en intimidatie, maar bijvoorbeeld ook discriminatie of ongelijke behandeling. Volgens mij kunnen we toch ook stellen dat het niet prettig is om gediscrimineerd te worden op basis van of je vrouw of man bent. Daar zijn we allemaal tegen. Sterker nog, het staat volgens mij in artikel 1 van onze Grondwet. Het is dus niet gek dat je dat probeert tegen te gaan. Er wordt verondersteld dat er extra verplichtingen zijn, maar ik heb net al uitgelegd dat die er niet zijn. Het is heel gek om aan te slaan op een of twee woorden in een definitie die er uiteindelijk voor zorgt dat je bijvoorbeeld zaken tegengaat waar vrouwen vaker last van hebben dan mannen. Volgens mij is het, nogmaals, niet gek om daar iets aan te willen doen, of dat nou discriminatie of geweld is van fysieke, seksuele of economische aard.

De voorzitter:

We zijn bij het blokje varia.

Minister Aartsen:

Ja. Mevrouw Moinat vroeg mij naar artikel 11, waarin staat dat we moeten waarborgen dat alle vormen van geweld en intimidatie op de werkvloer worden aangepakt. Werkgevers zijn verantwoordelijk. Wij ondersteunen hen daar bijvoorbeeld met handreikingen bij.

De heer Van Houwelingen vroeg mij nog specifiek naar de definitie van "psychosociale arbeidsbelasting": wat betekent dat? Dat ging volgens mij over de discussie over hoe breed die definitie moet zijn. Ongewenste omgangsvormen, psychische intimidatie of schade door psychisch geweld vallen bijvoorbeeld onder "psychosociale arbeidsbelasting". Ik denk dat dat ook goed is, want soms kan psychische schade of psychisch geweld vele malen erger zijn dan fysieke schade of fysiek geweld.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Er moeten maatregelen worden opgenomen in regels omtrent werk, gelijkheid én migratie. Dat valt onder artikel 11. Daar had ik specifiek naar gevraagd en daar wil ik graag een reactie op.

Minister Aartsen:

Dan moet ik daar in de tweede termijn op terugkomen, want ik heb artikel 11 niet voor mijn neus liggen. Excuus. Ik kom daar in tweede termijn uitgebreid op terug, specifiek op het puntje migratie, als ik mevrouw Moinat goed begrijp.

Tot slot een aantal vragen over de Arbeidsinspectie. De Nederlandse Arbeidsinspectie is de afgelopen jaren flink gegroeid. Dit was nodig omdat de arbeidsmarkt flink is gegroeid en omdat we het aantal geconstateerde misstanden zagen toenemen. In het jaarverslag dat vorige week naar uw Kamer is gestuurd, staat dat de NLA in 2025 een aantal indicatoren heeft gerealiseerd. Toezicht blijft daarbij uiteindelijk wel het sluitstuk. We proberen natuurlijk vooral in te zetten op afschrikking en preventie, maar de werkgever is en blijft daar primair verantwoordelijk voor. Het is op dit moment lastig om de Arbeidsinspectie verder te laten groeien, omdat we ook wat betreft een aantal andere zaken een extra ambitie hebben, zoals de Wtta. Dan is het lastig om die extra stappen te kunnen zetten.

Voorzitter, ik heb geprobeerd alle vragen netjes te beantwoorden.

De voorzitter:

Nu staat iedereen op.

Minister Aartsen:

Precies. Dat is meestal de cue dat ik dat niet heb gedaan. Bij voorbaat excuus. We gaan een nieuwe poging wagen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

De minister heeft, denk ik, wel gepoogd om een antwoord te geven op iets wat voor mijn fractie belangrijk was. Ik vraag het toch nog een keer heel duidelijk. De minister stelt vast dat rechters altijd naar alle debatten kijken en al onze teksten nalezen. Als rechters Kamerleden al belangrijk vinden, dan zullen ze zeker luisteren naar de minister. Ik vraag nogmaals of de minister hier heel duidelijk en expliciet wil zeggen dat er met het implementeren, met het aanvaarden van deze wet, geen extra verplichtingen komen en dat de wetgeving qua Arbo en Burgerlijk Wetboek niet verder gaat dan nu al vastgelegd is in de Nederlandse wet.

Minister Aartsen:

Ja, dat kan ik onderschrijven. Op basis van dit verdrag zal dat niet gebeuren. Het staat uw parlement altijd vrij om nieuwe wetten te maken, maar dat is een nationale bevoegdheid. Op basis van het verdrag zal het niet gebeuren.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dank daarvoor. Dan nog één aansluitende vraag. De minister heeft vanavond twee keer gezegd, naar aanleiding van dit verdrag, dat hij geen voorstander is van een Nederlandse wet waarin alles tot zes cijfers achter de komma geregeld is. Maar dan zegt hij erbij dat hij "geen voorstander" is van die wet. Zou hij hier ook willen en durven zeggen dat hij het niet mee gaat maken dat zo'n wet wordt ingediend?

Minister Aartsen:

Nee, want we zijn een minderheidskabinet. Als uw Kamer besluit om een initiatiefwetsvoorstel aan te nemen om nieuwe wetten te maken, dan kan ik daar moeilijk voor gaan liggen. Om nou te dreigen met het weigeren van het contraseign, is wel heel nucleair.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Een derde nog en dan stop ik ermee. Dat is een leuk antwoord. Maar in een eerder debat vanavond ging het over de arbeidseis. Toen zei de minister zelf dat hij de grens ergens bij 2030 zou leggen, want hij wilde zijn handen vrij hebben. Daar gaan wij ook over. Daar gaat de minister dus ook niet over.

Minister Aartsen:

Zeker.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Maar het is het een of het ander, dus of dat antwoord van eerder vanavond klopte niet, of dit antwoord klopt niet.

Minister Aartsen:

Allebei de antwoorden kloppen sowieso. Het kabinet heeft ambities als het gaat om de arbeidseis. U snapt ook dat mijn bewegingsvrijheid wordt bepaald door hoe de Kamer dat regelt. Volgens mij verschillen de heer Mulder en ik op dit onderwerp niet van mening.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Volgens mij hebben we vandaag van de minister gehoord dat we niet allerlei nieuwe wetgeving gaan implementeren, maar dat we kijken hoe we dit in de praktijk goed gaan regelen. Heel veel vrouwen hebben inderdaad, zoals de minister ook aangeeft, dagelijks te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag op de werkvloer. In dat licht vraag ik nog een keer hoe het straks verder gaat met de regeringscommissaris die hiervoor is aangesteld, Mariëtte Hamer. Ik begrijp dat haar termijn eind dit jaar eindigt. Kan de minister aangeven of we van plan zijn die te verlengen? Is daar al duidelijkheid over? Ik vraag dit ook omdat we vandaag een aantal keer gerefereerd hebben aan het werk dat deze regeringscommissaris doet.

Minister Aartsen:

Ik kom daar in de tweede termijn even op terug, want ik meen dat we daar Kamervragen over hebben beantwoord of dat we dat op zeer korte termijn nog zullen doen, en dan bedoel ik zo'n korte termijn dat ik ze inmiddels al gelezen heb. Ik wil niet de grens overgaan dat ik dat al per ongeluk verklap, dus ik kom hier in tweede termijn op terug. Ik moet even precies weten wat ik in die antwoorden heb geschreven, zodat ik het juiste antwoord aan mevrouw Van Ark kan geven.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Het lijkt me best leuk als u alvast een spoiler geeft, maar we wachten het even af.

Minister Aartsen:

Dan stuur ik vanavond nog de antwoorden op die vragen naar de Kamer toe. Ik doe dat overigens samen met de minister van OCW. Laat me er in tweede termijn even op terugkomen; dan weet ik zeker dat ik de juiste antwoorden geef.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mag mevrouw Van Ark naar voren komen voor haar inbreng in de tweede termijn.

Termijn inbreng

Mevrouw Van Ark (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Mijn fractie hecht erg aan ratificatie van dit belangrijke verdrag. Wij hechten ook erg aan internationaal het goede voorbeeld geven. We constateren dat we het in Nederland eigenlijk al best goed geregeld hebben, maar tegelijkertijd zien we dat landen om ons heen het minder goed geregeld hebben. Ik denk dat het een heel goed signaal is dat wij, als we aan andere landen vragen om de regelgeving omhoog te zetten, diezelfde stap zetten en hier in Nederland kijken hoe we dit in de praktijk, en dus niet alleen in de wet- en regelgeving, beter kunnen regelen met elkaar. Wat dat betreft kijk ik uit naar verdere stappen die we hier kunnen zetten, niet zozeer in de wet, maar vooral in de praktijk.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Patijn, GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik heb, als het klopt, één toezegging, min of meer, gehoord van de minister, namelijk dat hij nog eens goed gaat kijken naar de definitie en de gezagsverhouding, omdat hij daar misschien ook wel iets in zag. Ik hoop daar dus nog een reactie op te krijgen.

Ik hoorde de minister niet meteen heel erg enthousiast over het uitbreiden van de Arbeidsinspectie, maar kan hij nog een keer goed uitleggen of de Arbeidsinspectie op dit moment wel handhaaft en zo ja, op welke manier ze dat dan doet als het gaat over ongewenst gedrag en agressie op de werkvloer? Wordt die handhaving effectief ingezet?

Dan heb ik nog twee moties, omdat ik toch nog niet helemaal blij was met de antwoorden die ik gekregen heb.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ILO-conventie 190 volgens artikel 2 werknemers en andere personen in de wereld van werk beschermt, met inbegrip van werknemers, zoals gedefinieerd door de nationale wetgeving en praktijk, alsook werkende personen, ongeacht hun contractuele status, personen in opleiding, met inbegrip van stagiairs en leerlingen, werknemers van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd, vrijwilligers, werkzoekenden en sollicitanten, en personen die het gezag, de taken of de verantwoordelijkheden van een werkgever uitoefenen;

constaterende dat de Arbowet nog niet op al deze doelgroepen van toepassing is;

verzoekt de regering verdere wetgeving uit te werken die de wet- en regelgeving in lijn brengt met ILO-conventie 190, de Kamer rond de zomer over de inhoud hiervan te informeren en wetgeving aan het einde van 2026 aan de Kamer aan te bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 7 (36684) (#33).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ILO-conventie 190 volgens artikel 3 van toepassing is op geweld en intimidatie in de arbeidssfeer tijdens, in verband met of als gevolg van het werk, waar volgens het verdrag ook de werkplek, plaatsen waar de werknemer wordt betaald, werkgerelateerde reizen, opleidingen, evenementen of sociale activiteiten, werkgerelateerde communicatie, met inbegrip van communicatie die mogelijk wordt gemaakt door informatie- en communicatietechnologieën, de door de werkgever verstrekte accommodatie en het woon-werkverkeer onder vallen;

constaterende dat de Arbowet nog niet op al deze plekken en momenten van toepassing is;

verzoekt de regering verdere wetgeving uit te werken die de wet- en regelgeving in lijn brengt met ILO-conventie 190, de Kamer rond de zomer over de inhoud hiervan te informeren en wetgeving aan het einde van 2026 aan de Kamer aan te bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 8 (36684) (#34).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Kisteman van de VVD.

De heer Kisteman (VVD):

Dank, voorzitter. Ik wil de minister danken voor zijn beantwoording. Het is ook goed om te horen dat hij meerdere malen heeft aangegeven dat het verdrag niet tot extra regeldruk gaat leiden. Ik heb, zoals ik in mijn eerste termijn heb aangegeven, één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ondernemers veel onnodige regeldruk ervaren;

constaterende dat voor veel ondernemers de RI&E onnodig ingewikkeld is geworden;

overwegende dat de Kamer meerdere moties van de leden Kisteman en Flach over de RI&E heeft aangenomen;

verzoekt de regering om uiterlijk voor de zomer van dit jaar de Kamer te informeren over concrete voorstellen voor modernisering en vereenvoudiging van de (Aanvullende) RI&E-verplichtingen;

verzoekt de regering daarbij om de suggesties uit eerder genoemde moties en relevante toezeggingen over de Aanvullende RI&E-verplichtingen mee te nemen, met bijzondere aandacht voor regeldruk voor werkgevers, en daarbij zowel de suggesties uit eerder aangenomen moties als relevante en efficiënte alternatieven uit andere EU-lidstaten te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kisteman en Flach.

Zij krijgt nr. 9 (36684) (#35).

De heer Kisteman (VVD):

Daar wou ik het bij laten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Neijenhuis van D66.

De heer Neijenhuis (D66):

Voorzitter. Dank voor de toezegging dat de minister voor het commissiedebat terugkomt op de klachtenregeling en de gedragscode. Zo had ik die toezegging volgens mij goed gehoord. Ik moet daar wel bij zeggen: de eerste de beste postduivenvereniging heeft zulke zaken gewoon goed op orde, en een goede werkgever dus eigenlijk ook. Het is dus altijd goed om te bekijken hoe we dit op een goede manier in wetgeving kunnen regelen en dat we geen overbodige regellast aan ondernemers opleggen, maar dit is natuurlijk wel the bare minimum voor een goede werkgever. Dat zou ik als partij ook wel willen uitstralen, als de minister hierop terugkomt voor dat debat.

Ik had ook nog vragen gesteld over de mogelijkheid om dat per AMvB te regelen. Dat was eerst wel een optie, maar dat zit er nu uiteindelijk niet in. Hoe is dat nou eigenlijk precies gelopen? Ook ten aanzien van die klachtenregeling en gedragscode is mijn vraag: waarom stonden die er eerst wel in en waarom nu niet? Daar kwam ik nog niet helemaal uit in de beantwoording van de minister.

Verder hebben we nog één motie, die ingaat op de problemen die we zien bij de agressie in de winkelstraat en bij het personeel dat daarvoor eigenlijk in de frontlinie staat. Daar gaat het heel vaak goed — heel veel ondernemers hebben daar zelf ook mee te maken en komen daarom ook echt daartegen in actie — maar daar gaat het heel vaak ook niet goed.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werknemers in de winkelstraat in het contact met de klanten steeds vaker te maken krijgen met onacceptabel geweld, agressie of intimidatie;

overwegende dat veel werkgevers hun verantwoordelijkheid pakken om hun personeel goed te beschermen, maar er in sommige gevallen ook ruimte voor verbetering is;

verzoekt de regering met werkgevers en werknemers een plan op te stellen voor het voorkomen en aanpakken van agressie in winkels en daarnaast te bezien of de normen voor het beschermen van werknemers effectief zijn en goed gehandhaafd worden, bijvoorbeeld door in de RI&E aandacht te hebben voor alleen staan in de winkel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis en Patijn.

Zij krijgt nr. 10 (36684) (#36).

De heer Neijenhuis (D66):

Zij is dus ook getekend door collega Patijn van Progressief Nederland; leuk om dat voor het eerst te kunnen zeggen in deze Kamer.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Ceulemans van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Dank, voorzitter. Dank voor de antwoorden van de minister in de eerste termijn, andermaal ook namens de SGP.

Het moge duidelijk zijn: wij zijn hier geen voorstander van. Dat is niet omdat we de minister ervan verdenken dat hij werkgevers met extra regels wil overladen, maar wel omdat wij vrezen dat het verdrag hier uiteindelijk alsnog toe kan gaan leiden. Ondanks dat wij er geen voorstander van zijn, kan ik ook tellen. Ik zie ook dat de meerderheid daar anders in staat.

Om desondanks een waarborg te hebben voor de toekomst, dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering stelt dat de Nederlandse wet- en regelgeving nu al voldoet aan het Verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer;

overwegende dat ondernemers nu al verplicht zijn agressie, geweld en ongewenst gedrag in de RI&E op te nemen en dat hiervoor in sectoren als zorg, onderwijs en horeca al uitgebreide aanpakken bestaan;

overwegende dat internationale afspraken in de praktijk vaker zijn aangegrepen om nationale regeldruk voor ondernemers niet te verminderen en dat open normen ruimte laten voor een rechterlijke interpretatie die kan uitpakken in steeds zwaardere verplichtingen voor werkgevers;

verzoekt de regering te waarborgen dat implementatie en ratificatie van dit verdrag niet zal leiden tot aanvullende wettelijke verplichtingen, toezichtseisen of juridische druk voor ondernemers boven op het bestaande nationale kader;

verzoekt de regering tevens te waarborgen dat dit verdrag niet zal worden gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk voor ondernemers niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Kisteman.

Zij krijgt nr. 11 (36684) (#37).

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Mulder. Hij slaat zijn beurt over. Mevrouw Moinat gaat ook niet. Tot slot de heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb één motie. Ik lees 'm voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat psychosociale arbeidsbelasting (PSA) in de Arbowet wordt gedefinieerd als "de blootstelling aan factoren in de arbeidssituatie die stress teweegbrengen", waarbij stress wordt omschreven als "een toestand die als negatief ervaren lichamelijke, psychische of sociale gevolgen heeft";

constaterende dat deze definitie elementen bevat die in hoge mate subjectief van aard zijn — het gaat immers om wat een werknemer als negatief ervaart — en dat daarmee de grens tussen aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag op de werkvloer afhankelijk is van de individuele beleving van de betrokkene;

constaterende dat de definitie van "psychosociale arbeidsbelasting" het juridische fundament vormt voor een reeks verplichtingen waaraan werkgevers zich vervolgens moeten houden;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze de definitie van "psychosociale arbeidsbelasting" in de Arbowet kan worden geobjectiveerd, zodat het daarop gebaseerde beleid berust op kenbare, meetbare en toetsbare normen, en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 12 (36684) (#38).

Dank u wel. We schorsen tot 22.45 uur.

De voorzitter:

De minister staat weer klaar, dus we gaan beginnen.

Termijn antwoord

Minister Aartsen:

Dank u. Dank aan de Kamer voor de gestelde vragen en de moties. Mevrouw Van Ark stelde een vraag over Regeringscommissaris Mariëtte Hamer. Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld is een tijdelijk programma en staat tot eind 2026 onder de regie van het ministerie van Sociale Zaken en het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. De Regeringscommissaris is hieraan gekoppeld. Haar termijn loopt dus ook af aan het einde van het jaar. De aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld wordt onderdeel van een nieuw nationaal actieplan: stop geweld tegen vrouwen. Dit zal zijn onder de coördinatie van het ministerie van VWS. De antwoorden op de Kamervragen die hierover zijn gesteld, zult u morgen of overmorgen aantreffen.

Mevrouw Moinat vroeg mij naar artikel 11 en migratie. Artikel 11, lid a moet zo worden gelezen dat arbeidsmigranten onderdeel zijn van de beschermingsreikwijdte van dit verdrag. Zoals eerder gemeld, vallen arbeidsmigranten op dit moment ook al onder de huidige arbobescherming. Wat dat betreft verandert er dus niks ten opzichte van de huidige situatie in de Nederlandse wetgeving.

Mevrouw Patijn vroeg mij nog of ik iets meer zou kunnen vertellen over de Nederlandse Arbeidsinspectie en de handhaving wat betreft ongewenst gedrag en agressie op de werkvloer. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft een programma voor psychosociale arbeidsbelasting en hanteert daarbij een risicogerichte aanpak. Inspecteurs pakken dus ook meldingen over PSA's op. Zodoende wordt er gecontroleerd op ongewenst gedrag en agressie op de werkvloer. Op grond van de Arbowet kijkt de Arbeidsinspectie wel naar het beleid van het bedrijf. De Arbeidsinspectie acteert dus niet op individuele gevallen als zodanig, maar acteert natuurlijk wel bij een signaal of melding bij een bedrijf of een sector.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Het beleid van dat bedrijf staat in de IR&E, toch?

Minister Aartsen:

Dat denk ik wel. Ja, dat is vastgesteld op basis van de arbowetgeving. Dat was het? Oké. Het voelt als een strikvraag! Ik dacht: nu komt er iets. Maar oké.

De heer Neijenhuis vroeg mij nog naar de klachtenregeling. Zoals ik al eerder heb gezegd, heeft het vorige kabinet besloten om de gedragscode en de klachtenregeling te onderzoeken. Op dit moment heroverweeg ik beide elementen nog in een brede aanpak van regeldruk. Ik zal daar in de brief richting het debat over gezond en veilig werken nog meer op terugkomen.

Mevrouw Patijn vroeg mij nog naar de interpretatie van de Arbowet. In het interruptiedebatje hadden we het ook over zzp'ers. Ik denk dat het goed is dat we daar nog even wat verder op doorkauwen met elkaar, want de discussie is wat nou wel en wat nou niet … We gaan nu heel diep het Arbobesluit in. Ik heb me laten vertellen dat het om artikel 9.5 gaat, over zij aan zij werken versus alleen werken. Volgens mij moeten we eens een breder gesprek hebben over waar nou sprake van is. Als het namelijk voor ons al niet duidelijk is, hoe kan het dan voor normale mensen duidelijk zijn, zeg ik maar even. Het is dus verstandig om daar eens over door te praten.

De voorzitter:

De moties.

Minister Aartsen:

De moties. Het dictum van de motie op stuk nr. 7, van mevrouw Patijn, zou ik het oordeel "overbodig" moeten geven, omdat het standpunt van het kabinet is dat dit verdrag al in lijn is met de bestaande wetgeving. Dat is precies wat het dictum het kabinet verzoekt. Het dictum is dus overbodig. Het gedeelte achter "overwegende" moet ik ontraden, want wij kunnen ons daar niet in vinden.

De voorzitter:

Wat is dan het oordeel van de motie? Overbodig of ontraden?

Minister Aartsen:

Als ik zeg "overbodig" en de motie wordt niet aangehouden, dan is ze toch automatisch ontraden, of niet? Nee?

De voorzitter:

Nee.

Minister Aartsen:

Volgens mij is het de bedoeling van mevrouw Patijn dat we daadwerkelijk de wet gaan aanpassen. Dan moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 7 wordt ontraden.

Minister Aartsen:

Hetzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 8. Nogmaals, het verzoek aan de regering is om wetgeving te maken en die in lijn te brengen met het ILO-verdrag. Het standpunt van het kabinet is dat Nederlandse wetgeving al in lijn is met het ILO-verdrag. Als ik de motie zo lees dat het lid Patijn mij verzoekt om wetgeving te maken om die aan te passen, moet ik deze ook ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 8: ontraden

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 9, van de leden Kisteman en Flach, kan ik oordeel Kamer geven. Ik informeer de Kamer voor de zomer over de stand van zaken van de RI&E en de ARIE-regeling. Op dit moment zijn we met de sociale partners bezig met knelpunten op het terrein van RI&E bij het mkb. Ook de huidige ARIE-regeling — voor de kijkers thuis: dat is de Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie — wordt op dit moment geëvalueerd door het RIVM.

De heer Kisteman (VVD):

Arie was vroeger mijn bijnaam thuis, maar dat is weer iets heel anders.

Minister Aartsen:

Dat maakt niet uit!

De heer Kisteman (VVD):

Kan het ook voor het commissiedebat, in plaats van voor de zomer? Misschien bedoelt de minister hetzelfde. We hebben in juni het commissiedebat Gezond en veilig werken. Zou dat kunnen? Denk er even over na. Wij zouden het fijn vinden als het net voor het commissiedebat kan, want dan kunnen we dat meenemen in het commissiedebat Gezond en veilig werken.

Minister Aartsen:

Ik weet niet of het commissiedebat begin of eind juni is, maar we kunnen er vast iets op verzinnen. Ik ga mijn uiterste best doen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 9: oordeel Kamer

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 10 van de leden Patijn en Neijenhuis over het aanpakken van agressie in winkels kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 10: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Dan de motie op stuk nr. 11 van de heer Ceulemans en Kisteman. Ook die kan ik aan het oordeel van de Kamer overlaten, met dien verstande dat Nederland op dit moment voldoet aan het verdrag en dat ratificatie niet leidt tot aanvullende wettelijke verplichtingen. Het kabinet heeft ook geen ambitie om wetgeving te starten vanuit dit verdrag.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer. O, een vraag van meneer Neijenhuis.

De heer Neijenhuis (D66):

We hebben een heel debat gehad over hoe je een verdrag al dan niet kan interpreteren, maar we hebben hier ook een motie die misschien toch wat moeilijk te interpreteren is. Ik vraag me toch wel een beetje af hoe de minister daar dan naar kijkt. Het verzoek is om te waarborgen dat dit verdrag niet zal worden gebruikt als argument om bestaande nationale regeldruk voor ondernemers niet te kunnen verminderen of vereenvoudigen. Kijk, als hier nou opeens een voorstel gedaan zou worden om de complete Arbowet af te schaffen, dan is dat een vermindering van regeldruk voor ondernemers, maar dan mag ik toch wel hopen — misschien is het zelfs bijna een feitelijke constatering — dat dit verdrag zal worden gebruikt om te zeggen: dat kan niet zomaar.

Minister Aartsen:

Dan krijg je allerlei hypothetische voorbeelden. Als wij morgen besluiten dat geweld is toegestaan, dan kom je met meerdere wetten in aanraking, waaronder denk ik ook deze. Volgens mij is het bredere punt dat hier wordt onderstreept door de leden Ceulemans en Kisteman — een moeilijke combinatie om uit te spreken, die twee; misschien moet ik hem gewoon Arie noemen! — juist om ervoor te zorgen dat er vanuit dit verdrag geen nieuwe wetten komen. Dat heb ik al eerder toegezegd. Wat dat betreft kan ik die motie ook zo lezen. Het staat iedereen natuurlijk vrij om argumenten te gebruiken. Het kabinet ziet in dit verdrag geen reden om nieuwe wetgeving te starten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 11: oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

Dan de motie op stuk nr. 12 van de heer Van Houwelingen. Die moet ik ontraden. De PSA-definitie van arbeidsrisico's wordt gebruikt om ondernemers te helpen om hier beleid op te maken. Dit beleid vindt zijn basis in de stand van de wetenschap en wordt ook getoetst door de onafhankelijke arbeidsinspectie, de Nederlandse Arbeidsinspectie.

Dat waren de moties, voorzitter.

De voorzitter:

Sorry, ik ...

Minister Aartsen:

Ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 12: ontraden.

Dank u wel. lk dank de minister.

De voorzitter:

Over de moties wordt over twee weken gestemd, tenzij de Kamer nu opspringt en zegt dat dat dinsdag al moet. Dat is niet het geval, dus gaan we over twee weken stemmen over de moties én het wetsvoorstel. Daarmee sluit ik de vergadering.

Sluiting