[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-01-19. Laatste update: 2026-01-20 20:47
Thorbeckezaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

Wet werkelijk rendement box 3

Opening

Verslag van een wetgevingsoverleg

De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 januari 2026 overleg gevoerd over Wet werkelijk rendement box 3.

De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,

Van der Lee

De griffier van de vaste commissie voor Financiën,

Weeber

Voorzitter: Van der Lee

Griffier: Lips

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Van Eijk, Grinwis, Hoogeveen, Van der Lee, Oosterhuis, Stoffer, Struijs, Stultiens, Vermeer en Vlottes.

Aanvang 11.30 uur.

Wet werkelijk rendement box 3

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (36748);
  • de brief van de staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 18 november 2025 inzake schriftelijke antwoorden op een deel van de vragen die zijn gesteld tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 17 november 2025 over het pakket Belastingplan 2026 (36812, nr. 34).

De voorzitter:

Goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën. Het is een wetgevingsoverleg over box 3 en de toekomst daarvan. Van harte welkom aan de staatssecretaris en zijn ondersteuning en aan de leden, die ik zo even ga voorstellen. Voordat ik dat doe, wil ik nog even benadrukken dat er twee wetgevingsrapporteurs zijn geweest bij dit wetsvoorstel: mevrouw Van Eijk en de heer Stultiens. De aanwezige leden zijn de heer Grinwis namens de ChristenUnie, mevrouw Van Eijk namens de VVD, de heer Vlottes namens de PVV, de heer Vermeer namens de BBB — ik zat even te zoeken naar uw naam, en dat terwijl ik de heer Vermeer heel goed ken — de heer Stoffer namens de SGP, de heer Stultiens namens GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Oosterhuis namens D66, mevrouw Inge van Dijk namens het CDA, de heer Struijs namens 50PLUS en de heer Hoogeveen namens JA21.

Het is een wetgevingsoverleg. Er is in principe geen limiet op de interrupties, maar ik ga natuurlijk wel een beetje opletten. Ik hoop dat ze kort en bondig zijn, want we willen dit wetsvoorstel wel binnen de vastgestelde tijd behandelen. Ik zoek ook nog even naar een goed lunchmoment. Ik had het al eerder vanochtend met de staatssecretaris daarover. We kunnen proberen om de eerste termijn te doen voor de lunch. Maar als er interrupties bij komen, wordt het toch wel heel krap. Ik denk dat ik op een bepaald moment, ergens tussen een en twee, even ga schorsen voor de lunch, maar dat zult u merken. Er zijn twee leden die mogelijk tijdens de vergadering even eruit moeten, omdat er een update over Groenland wordt gegeven door de minister. Wij houden daar rekening mee bij de sprekersvolgorde als dat nodig is. Dat even ter introductie.

Dan gaan we beginnen. Als eerste geef ik het woord aan de heer Grinwis, die zijn inbreng doet namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel en goedemorgen allemaal. We hebben er zin in. We hebben er ook lang op gewacht. Bij de behandeling van de Wet tegenbewijsregeling box 3 begon ik mijn bijdrage met een citaat van de aloude kerkvader Augustinus uit de vierde eeuw na Christus: "Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende." Ik heb het weleens eerder in de context van box 3 gezegd. Het zal voor niemand als een verrassing komen als ik zeg dat de ChristenUnie niet is opgericht om de belangen van de vermogenden, de rijken der aarde te verdedigen. In haar politieke prioriteiten zal mijn fractie juist eerder opkomen voor wie tekortkomt of wie tekort wordt gedaan, geïnspireerd door dat prachtige grondmotief dat telkens terugkomt in de Bijbel, bijvoorbeeld in de Psalmen: "Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken, bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil." Maar toch, ik herhaal de woorden van Augustinus: "Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende." Ook als je vindt dat een bepaalde groep niet zielig is in vergelijking met andere groepen, heb je als overheid je toch op gerechtigheid te baseren. Nogal wiedes, zou ik bijna willen zeggen. Of zoals het aan de wijze koning Salomo toegeschreven Bijbelboek begint: "Heb de gerechtigheid lief, heersers van de aarde". Met andere woorden, het begin van alle politiek is je beleid te funderen op recht en rechtvaardigheid. Ik zeg het nog maar eens: "Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende."

Over die uitspraak is nog veel meer te zeggen, maar deze woorden zijn zonder meer van toepassing op box 3. Als je het mij vraagt, is de gerechtigheid de afgelopen jaren ver te zoeken geweest in het box 3-dossier. In die zin is het goed dat we nu deze wet behandelen. Heel veel slechter dan het huidige overbruggingsstelsel kan het niet. Dan mogen we nog van geluk spreken dat een monsterverbond onder aanvoering van de ChristenUniefractie, gesteund door gelukkig genoeg partijen, tegen het zere been van de beoogde minderheidscoalitie de verdere verhoging van het box 3-forfait voor overige bezittingen, met name verhuurde huizen en aandelen, met bijna 30%, van 6 naar 7,78%, heeft kunnen voorkomen.

Ik zei het al: heel veel slechter dan nu kan het niet. Toch ligt er nu een stelsel op tafel dat wat mij betreft nodeloos complex is en door die complexiteit in sommige gevallen tot zeer ongewenste uitkomsten leidt. Dat maakt het een lastig debat, vol lastige afwegingen. Slechter dan het sinds vooral 2017 is kan het dus niet. In die zin is het voorliggende wetsvoorstel een stap vooruit. Tegelijkertijd is het ook geen aanlokkelijk perspectief om hier nu als politicus verantwoordelijkheid voor te nemen. Als je wat wilt veranderen met amendementen, dan wordt al heel snel geroepen: neenee, dat kan niet, want dan komt de invoering per 1 januari 2028 in het gedrang. Of: neenee, dat kan niet, want het moet wel allemaal budgetneutraal. Dat zit mij wel dwars. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het de staatssecretaris ook dwarszit, maar dat hij van de nood een deugd maakt. "Eerst maar eens deze wet doorvoeren per 1 januari 2028 en daarna doorschakelen naar een box 3-stelsel dat meer op vermogenswinst is gebaseerd dan het voorliggende voorstel, dat uitgaat van vermogensaanwas."

Voorzitter. Nog los van de heffingsgrondslagen en de heffingsmethoden die onder het voorliggende voorstel liggen, nog los van fundamentele discussies over wel of geen rekening houden met inflatie bij de belastingheffing over vermogen — daar is door veel burgers de afgelopen jaren een punt van gemaakt, wat ik heel goed snap — en nog los van of er belasting moet worden geheven over vermogensaanwas of vermogenswinst, is er een ander fundamenteel punt. Is de wet met het nieuwe box 3-stelsel wel uitvoerbaar, eenvoudig en begrijpelijk? Mijn antwoord op die vraag is nee. Juist daarom heb ik in het verleden meermaals — een jaar geleden deed ik dat heel expliciet — een pleidooi gevoerd voor een eenvoudige vermogensbelasting, desgewenst met een samenloop- c.q. anticumulatieregeling, zoals we die in het verleden ook hebben gekend. Dat doe ik niet omdat ik de theoretische voordelen van de vermogenswinst- of aanwasbelasting niet zou zien of snappen, maar omdat de pure eenvoud van de vermogensbelasting ook wat waard is.

Kijk alleen al naar het enorme beslag dat dit nieuwe box 3-stelsel legt op de uitvoering. Alleen al bij de Belastingdienst kost het structureel 877 voltijdsbanen en meer dan 112 miljoen euro per jaar om dit nieuwe systeem uit te voeren, zo zegt de staatssecretaris in antwoord op mijn vragen. En dan hebben we het nog niet eens over al die lasten en al die moeite bij al die belastingplichtigen, want voor hen gaat het ook meer moeite kosten. Die capaciteit had wat mij betreft beter gestoken kunnen worden in een broodnodige fundamentele hervorming van de inkomstenbelasting en het toeslagenstelsel, een hervorming die cru genoeg door de invoering van dit ingewikkelde box 3-stelsel nog urgenter wordt. Ik kom daar later in mijn bijdrage op terug. Dat heeft alles te maken met verzamelinkomens, heffingskortingen en toeslagen.

Wat ik wil zeggen is: het belang van eenvoudige belastingheffing en eenvoudige stelsels wordt, als er het erop aankomt, onderschat in de politiek en de ambtenarij. Ik besef heus wel dat ik mijzelf ook niet kan vrijpleiten van het in stand houden van complexe regelingen. Maar in het kader van het debat van vandaag moet mij van het hart dat de optie van een vermogensbelasting die dicht in de buurt ligt van de oude vermogensrendementsheffing van 1,2%, niet serieus genoeg is overwogen door het kabinet, of desnoods 1% voor vermogens onder de miljoen en 2% voor die daarboven. Er wordt wat geschermd met de landsadvocaat en met dat een anticumulatieregeling uitvoeren ook niet alles is, maar u en ik weten dat een niet te hoge vermogensbelasting niet alleen door iedereen begrepen zou worden, maar ook door zeer veel belastingplichtigen zou worden geaccepteerd als belasting op je vermogen. Omdat heel veel politici de afgelopen tig jaar steeds hebben gesmeekt om een belasting op basis van werkelijk rendement, lijkt de houding een beetje te zijn geworden: whatever it takes. Dat is een risicovolle houding als het gaat om ons belastingstelsel.

Ja, ik ken alle tegenwerpingen, inclusief die over dat het rechtvaardig is om belasting te heffen over de daadwerkelijk genoten vruchten en dus niet over de boom. Echter, bij dit alles moeten we wel beseffen: eenvoud is ook rechtvaardigheid. Daar is ons kabinet mijns inziens te gemakkelijk overheen gewalst. Ziet de staatssecretaris dat ook zo? Waarom wel of niet? Geldt hiervoor niet ook die aloude wijsheid dat het betere de vijand van het goede is? Heeft de staatssecretaris bijvoorbeeld de fraudegevoeligheid die gepaard gaat met het nieuwe stelsel wel voldoende gewogen? Neem bijvoorbeeld de kosten die gemaakt moeten worden bij vastgoed? Hoe is nu goed controleerbaar voor de fiscus dat wat belastingplichtigen opgeven, echt klopt? In welke mate zal dat gecontroleerd worden door die 877 fte? Graag een reactie. Ook dit zijn van die overwegingen die zwaar in het voordeel van een lage, brede vermogensbelasting uitvallen, maar dat was u al duidelijk.

Voorzitter. Dan mijn vragen over het voorstel dat voorligt. Ik begin met de algemene vragen en kom dan bij de specifieke. Het budgettaire belang is volgens mij leidend geweest bij de vormgeving van het nieuwe stelsel. Dat leidt in mijn ogen tot fundamenteel verkeerde uitgangspunten en mogelijk zelfs tot juridische kwetsbaarheid. De opbrengsten van het oude box 3-stelsel waren natuurlijk buitengewoon stabiel, met name voordat het gerommel met forfaits begon en de rechter zich roerde. In feite was er sprake van een simpele vermogensbelasting van 1,2% per jaar. Daarmee weet je ook precies wat de opbrengst per jaar is en dat geeft rust, reinheid en regelmaat. Maar bij een stelsel op basis van werkelijk rendement kan dat naar zijn aard eigenlijk niet of in elk geval veel lastiger. Soms zijn rendementen immers negatief. Als je consequent bent, dan zou je ook moeten werken met negatieve belastingen. Je krijgt dan geld terug bij een verlies. Dat is macro-economisch bovendien heel wenselijk, omdat deze belasting werkt als een automatische stabilisator ten tijde van laagconjunctuur. Maar dit staat natuurlijk op gespannen voet met het uitgangspunt van een stabiele opbrengst.

Daarom is er kort en goed voor gekozen om niet te werken met een teruggave. Verliezen kunnen enkel met een toekomstig positief resultaat worden verrekend, maar ik zag wel een interessant amendement van collega Hoogeveen langskomen om daar wat aan te doen. Bij de elementen die onder het vermogenswinstregime vallen is dit probleem minder prominent, maar zeker bij illiquide vermogensbestanddelen onder een vermogensaanwasbelasting is dit wat mij betreft een kwestieus uitgangspunt. Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Kan hij met name ingaan op de eventuele juridische kwetsbaarheden? Anders gezegd: hoe groot is de kans dat iemand bij een verlies naar de rechter stapt en zegt "als we werkelijk rendement belasten, dan geldt dat ook voor negatief werkelijk rendement" en de rechter daar vervolgens in meegaat?

Dat budgettaire argument heeft volgens mij ook gespeeld bij de keuze voor het uitgangspunt van een vermogensaanwasbelasting ten koste van een vermogenswinstbelasting. Mijn vraag aan de staatssecretaris luidt: klopt het dat de opbrengsten van een vermogensaanwasbelasting op de korte termijn, in de eerste tien tot vijftien jaar, hoger zijn dan bij een vermogenswinstbelasting, maar dat de opbrengsten van een vermogenswinstbelasting nadien hoger zijn en dus ook structureel tot hogere inkomsten zullen leiden, bijvoorbeeld vanwege de rente-op-rente-effecten? Bij het voldoen aan een belastingclaim bij vermogensaanwas zul je soms iets moeten verkopen wat niet meer kan renderen. Is dat zo? In de memorie van toelichting en in de uitingen van de staatssecretaris wordt steeds gezegd dat het op de lange termijn om het even is. Mijn vraag is of dat zo is. De logische vervolgvraag is: is een keuze voor een vermogensaanwasbelasting daarmee op langere termijn niet financieel onverstandig? Ik hoor graag hoe de staatssecretaris dit ziet en ik wil hem vragen om dit ook te relateren aan zijn opmerking in de krant dat het wetsvoorstel dat nu voorligt wat hem betreft een tussenstation is.

Voorzitter. Mijn vrees is dat nu het nieuwe box 3-stelsel grotendeels gefundeerd is op het vermogensaanwasprincipe, box 2, dat in feite een vermogenswinstregime is, veel aantrekkelijker wordt, waardoor boxhoppen ook aantrekkelijker wordt. Ziet de staatssecretaris dit als een probleem of zegt hij "in de afgelopen jaren was box 2 nog aantrekkelijker, dus al dat boxhoppen heeft al plaatsgevonden"? Hoe wordt dit gemonitord en welke opties ziet de staatssecretaris om hier nu of in de toekomst iets aan te doen?

De staatssecretaris heeft gezegd dat deze wet geen eindstation is. Daar ben ik het zeer mee eens. Het is goed om de vinger aan de pols te houden en om in de komende jaren datgene wat niet of suboptimaal werkt gaandeweg aan te passen. Hoe gaat hij dat aanpakken? Welk proces heeft hij voor ogen en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Dat vraag ik ook omdat een grondige evaluatie pas voor 2033 op de rol staat. Wat doe je in de tussentijd? Is daar nog een voorziening voor nodig in de wet of kunnen we dat afdoen met een toezegging?

Voorzitter. Ik kom op een drietal specifieke punten. Ik besef dat ik veel laat liggen, maar om hier een uur vol te praten, is ook weer zo wat. Een aantal punten die relevant zijn, zullen mijn collega's zeker gaan maken. De zaal is niet voor niks zo vol. Ik wil drie punten maken. Het eerste punt gaat over het verzamelinkomen. Vervolgens ga ik het hebben over vastgoed en ten slotte over onze prachtige NSW-landgoederen.

Het eerste punt gaat over het verzamelinkomen. Het nieuwe stelsel heeft invloed op het verzamelinkomen en daarmee op de heffingskorting. In de schriftelijke ronde gaf ik het voorbeeld van twee huishoudens met hetzelfde box 3-inkomen, maar met een verschil in de verdeling van de box 1-inkomsten als gevolg van het feit dat het ene een tweeverdienershuishouden is en het andere een eenverdienershuishouden. Door de doorwerking van het box 3-inkomen op het verzamelinkomen komt een eenverdiener in de situatie terecht waarin de niet-werkende partner de algemene heffingskorting kan verzilveren. In het voorbeeld dat ik gaf in de nota naar aanleiding van het verslag is de belastingdruk op het box 3-inkomen daardoor effectief 0%. Een tweeverdienersgezin met precies hetzelfde box 3-inkomen moet de volle mep aan box 3-belasting betalen en zelfs meer door een verdere afbouw van de algemene heffingskorting als gevolg van een hoger verzamelinkomen. Nu is het natuurlijk volledig terecht dat het bij wijze van uitzondering eens een keer de eenverdiener is die fiscaal profiteert, maar deze hele situatie onderstreept toch de complete onuitlegbaarheid en innerlijke tegenstrijdigheid van ons belastingsysteem. Is de staatssecretaris dat met me eens?

Ergo, het voorliggende voorstel voor een vernieuwde belastingheffing in box 3 vergroot de noodzaak tot hervorming van box 1 en de toeslagen. Daarmee bedoel ik de regelingen onder de motorkap. Heffingskortingen en toeslagen die inkomensafhankelijk zijn, dienen grotendeels verdwijnen. De progressiviteit van onze inkomstenbelasting zal weer gewoon tot uiting moeten komen in de tarieven en wel zo dat het de extremen in marginale druk uitbant. For the time being kunnen we het ook zo regelen dat we box 3-inkomen niet meer meetellen in het verzamelinkomen. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen dit idee? In de nota naar aanleiding van het verslag staat geen compleet antwoord op mijn vragen, dus ik overweeg een motie op dit punt. Die motie vraagt niet om het box 3-inkomen niet meer mee te tellen in het verzamelinkomen — dat zou wel een hele grote stap zijn — maar om op z'n minst inzicht te krijgen in de consequenties van zo'n stap voor huishoudens en de overheidsfinanciën. Misschien kan de staatssecretaris in zijn termijn hier ook nog op ingaan.

Dan kom ik op vastgoed. Dat is een heikel punt namelijk: box 3 en vastgoed. Dan focus ik met name op vastgoed in de vorm van huizen, al dan niet verhuurd. Nog niet eens zo heel veel jaren geleden was het een feestje om verhuurd vastgoed in box 3 te hebben, maar inmiddels is het een crime. Met de Wet tegenbewijs is dat er niet veel beter op geworden. Helaas is mijn amendement om kostenaftrek daarin mogelijk te maken verworpen. Gelukkig is het andere amendement, om de verhoging van 6% naar 7,78% verondersteld rendement voor onder andere verhuurde huizen, eind november aangenomen. Maar ook nu deze belastingverhoging van bijna 30% er niet is gekomen, zijn de uitpondcijfers skyhigh. En ja, dat heeft in de grote steden te maken met de Wet betaalbare huur, maar overall in Nederland heeft het toch vooral te maken met belastingen, met box 3. Een van de belangrijkste redenen om toch maar in te stemmen met voorliggende wet is juist de verlichting die deze gaat bieden aan particuliere verhuurders, maar tegelijk zitten er in deze wet nog heel wat addertjes onder het gras.

Allereerst het fenomeen van de vastgoedbijtelling van 3,35%. Is die nou wel zo redelijk? Waarom doen we dit wel als iemand een vakantiehuis voor zichzelf koopt, maar niet als iemand zijn spaargeld omzet in een goudstaaf? Graag hier een principieel antwoord op, omdat dit toch best wel een belangrijke kwestie is. In de memorie van toelichting wordt uitgebreid betoogd dat de vastgoedbijtelling heel terughoudend is berekend en zo. Maar is het niet raar dat we vakantiehuizen in Nederland die niet worden verhuurd gaan aanslaan met een bijtelling? Dat doen we voor vakantiehuizen van Nederlanders net over de grens of verder weg ook niet. Toch? En andersom: geldt die vastgoedbijtelling dan ook voor vakantiehuizen in Nederland die in buitenlandse handen zijn? Hoe zit dat nou precies? Maar oké, als je dan toch iets wilt bijtellen op het niet-verhuurde vastgoed, waarom dan niet een actueel bijtellingspercentage? Waarom is in de wet 3,35% gehanteerd op basis van data uit 2019, 2020 en 2021? Data uit die jaren zijn namelijk gebruikt door SEO om in 2022 een berekening te maken. Waarom is de bijtelling in het wetsvoorstel niet geactualiseerd op basis van de jaren 2022-2025? Vastgoed Belang rekende voor dat we met dezelfde methode als SEO heeft gehanteerd nu zouden uitkomen op een bijtelling van 2,80% en dat het raadzaam is deze jaarlijks te actualiseren. Ik heb hierop een amendement in voorbereiding, maar ik ben ook heel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris hierop. Ik kan me niet voorstellen dat hij, zoals nu eigenlijk in de stukken staat, tot na 2033, dus tot na de eerste evaluatie, wil wachten met actualisering van een bijtellingspercentage dat gebaseerd is op data uit 2019, 2020 en 2021.

Voorzitter. Dan ga ik over naar het verhuurde vastgoed. Stel dat je een huis verhuurt in een stad waarin de WOZ-waardes flink zijn opgelopen. Je verhuurt het sociaal, maar bij een huurdersmutatie besluit je tot een stevige verbouwing. Die verbouwing loopt iets uit, waardoor je onder de 90%-eis komt c.q. minder dan 328 dagen van het jaar verhuurt, bijvoorbeeld 300 of 310 of 320, in ieder geval iets minder dan 328. Dat gaat in deze casus, dus van een huis met een lage huurprijs maar met een hoge WOZ-waarde dat sociaal wordt verhuurd, ermee gepaard dat je in één keer in het regime komt van de vastgoedbijtelling van 3,35%. Dat loopt echt in de papieren. Ik heb wat sommetjes gezien van reële voorbeelden van huizen in de grotere steden die, ondanks alle aanleiding om uit te ponden, nog steeds sociaal of in ieder geval heel betaalbaar worden verhuurd. Je hebt dan dus recht op leegwaarderatio's van 73% tot 79%. Ja, en dan kom je zomaar uit bij minder dan 90% in het vastgoedbijtellingsregime. Mijn vraag is dan ook of 90% niet een te scherpe eis is. Waarom geen 300 dagen ofwel 10 maanden als eis om in categorie 1 van verhuurd vastgoed — er zijn drie categorieën — te worden aangeslagen? Ik heb hiervoor een amendement in voorbereiding, maar voordat ik dat indien hoor ik graag de reactie van de staatssecretaris, waar ik heel erg benieuwd naar ben. Ik vraag ook of wij dit in de wet moeten regelen, want het staat sec in de wet niet zo duidelijk. In artikel 5.15, lid 2, onderdeel a, van de wet staat gewoon "het grootste deel van het kalenderjaar", maar in de memorie van toelichting staat dat hiermee minder dan 90% is bedoeld. Het kan misschien ook met een motie, maar ik hoor de reactie wel. Voor de zekerheid is het amendement in ieder geval in voorbereiding.

Het pièce de résistance dat ik bij het vastgoed aan de orde wil stellen, gaat over de inbrengwaarde van verhuurde woningen. In de memorie van toelichting staat op pagina 27: "Voor de beginwaarde geldt voor verhuurde woningen die in Nederland zijn gelegen en waarvoor de huurder recht heeft op huurbescherming, de leegwaarderatio. Dit sluit aan bij de huidige systematiek van de leegwaarderatio." In de nota naar aanleiding van het verslag, pagina 42, staat: "Aangezien de WOZ-waarde ervan uitgaat dat de woning, waarvoor de huurders huurbescherming genieten, niet wordt verhuurd en niet is bezwaard, zorgt de leegwaarderatio er juist voor om de waarde van een woning in verhuurde staat zo goed mogelijk te bepalen." Maar is dat nou wel zo logisch?

Stel je verhuurt een woning in een stad waar de prijzen erg hard zijn gestegen en de WOZ-waardes hoog zijn. Je verhuurt de woning nog steeds onder het regime van de huurprijsbescherming; dat is nu dus sociaal en midden. Je hebt dus een leegwaarderatiokorting. Als je sociaal verhuurt, is het niet denkbeeldig dat dit zomaar de maximale korting is van 27%, namelijk 100% minus 73%, op het inbrengmoment in 2028. Een jaar later besluit je huurder om het huurcontract op te zeggen, en je besluit de woning te verkopen. Bij een WOZ-waarde van, zeg, vier ton ten tijde van het inbrengmoment mag je dan bijna €40.000 aan belasting extra aftikken, om precies te zijn: €38.880; dit in vergelijking met een inbrengwaarde conform de WOZ-waarde zonder leegwaarderatiokorting.

De door het kabinet voorgestelde manier van het bepalen van de inbrengwaarde van verhuurd vastgoed heeft als risico dat juist sociaal verhurende particuliere verhuurders, als zij de huidige gure box 3-tijd al overleven, gaan uitponden voor 2028 of op z'n minst proberen om hun huis voor 2028 leeg te krijgen, zodat zij het in 2028 met een reguliere WOZ-waarde in kunnen brengen in box 3. Dat leidt tot mijn vraag aan de staatssecretaris: kunnen we bij de inbrengwaarde van verhuurde woningen op 1 januari 2028 de leegwaarderatiokorting niet beter gewoon achterwege laten? Hoe kijkt hij daartegen aan? En als we dat zouden willen, hoe moeten wij dat dan regelen? Gewoon met een motie, of met een wet of … Kan de staatssecretaris hier iets op toezeggen?

Ik kom bij mijn laatste onderwerp.

De voorzitter:

U bent al wel voorbij de opgegeven spreektijd.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Is dat zo? Die was zo'n twintig minuten.

De voorzitter:

Ja. Die heeft u al gebruikt. Ik roep u op om het bondig te houden.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Sorry. Ik ga snel door. Ik hoor dat mijn collega Van Eijk een paar minuten minder heeft. Ik zal snel doorgaan. Ik heb nog één onderwerp, voorzitter, en dan stop ik ermee, voor nu.

Box 3 en de NSW-landgoederen: dat is mijn laatste punt. Dit laatste punt brengt mij bij de prachtige Natuurschoonwet van 1928, die al bijna 100 jaar heel veel prachtige natuur, cultuurlandschappen en nationaal erfgoed beschermt door de instandhouding ervan mogelijk te maken, en die al dit moois ook toegankelijk maakt voor het publiek. Deze NSW-landgoederen zijn in particulier bezit. Deze particulieren zorgen voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en natuurschoon en maken het mogelijk dat anderen daarvan kunnen genieten. Dat is geen vetpot, zeker nu niet met het extreem hoge veronderstelde rendement voor de categorie overige bezittingen in box 3. Met de komst van de Wet werkelijk rendement zou er weer licht aan de horizon moeten verschijnen, maar het tegendeel is het geval. Donkere wolken pakken zich samen.

Dat dit geen fictieve bedreiging is, werd mij wel duidelijk uit de gesprekken die ik hier de afgelopen weken over voerde. Ter voorbereiding van dit debat heb ik de afgelopen week nog wat van die prachtige landgoederen mogen bezoeken, namelijk Eyckenstein en Prattenburg, beide gelegen in de provincie Utrecht. Ik heb genoten van de schoonheid en van de liefde voor dat landgoed bij de beheerders, bij de eigenaren, maar ook van de Excelsheets, waaruit bleek dat het niet eenvoudig is om al dat moois voor de toekomst te behouden. Dat willen we wel, toch? Als kind heb ik menig voetstap gezet op de wandelpaden van bijvoorbeeld landgoed Prattenburg, op de grens van Veenendaal en Rhenen. Dat zijn mooie herinneringen. Maar ik weet zeker dat heel veel Nederlanders van die mooie herinneringen hebben of nog steeds met enige regelmaat een mooi landgoed of particulier beheerd natuurgebied bezoeken. Lang niet iedereen zal weten dat de instandhouding daarvan afhangt van die aloude Natuurschoonwet. De waarde van de grond en eventuele gebouwen op die mooie grond is op papier weliswaar hoog, maar er staat weinig financieel rendement tegenover. Als je vervolgens wel belasting moet betalen over de papieren waardestijging van de grote grondslag, is het financieel natuurlijk snel klaar. Precies daarom is er de Natuurschoonwet, met vrijstellingen in het successierecht en andere belastingen.

In het oude box 3-stelsel ging het, voordat er gerommeld werd met verschillende forfaits en box 3 effectief een vermogensbelasting van 1,2% was, voor de meeste NSW-landgoederen net goed. Met een rendement — dat blijkt uit onderzoek — dat doorgaans net onder de 1% uitkwam, rekende het bijna rond. Je hield niks over, maar vooruit. Als je eigenaren spreekt, zeggen ze dat de problemen echt begonnen toen de forfaits omhooggingen. Maar gelukkig was er dus een lichtpunt, want in de toekomst zou er belasting worden geheven over werkelijk rendement. Daar zijn we nu. Voor zover het gaat over de te betalen belastingen over het directe rendement, regelt deze wet het op zich prima. Als er bijvoorbeeld sprake is van huurinkomsten, worden deze netjes belast.

Het probleem zit echter in de belasting van de waardestijging volgens winstbelastingsystematiek. Bij overdracht naar de volgende generatie worden vervreemdingsvoordelen — anders gezegd: de toename van de WOZ-waarde — belast. Dit zal in de bijdragen van collega's vaker terugkomen bij andere punten, maar ik focus nu even op de NSW-landgoederen. Op korte termijn is dat niet zo'n probleem. Het gaat immers om de waardestijgingen vanaf de ingang van de Wet werkelijk rendement. Maar je kunt je voorstellen dat binnen enkele decennia de papieren waardestijging flink oploopt. Hoe moet je daar bij vererving of schenking de belasting over voldoen als je het NSW-landgoed in stand zou willen houden en geen zaken wilt verkopen om de belasting te voldoen? Dat is toch de hele essentie van die NSW-landgoederen. Wat mij betreft is dat echt een fout in deze wet. Waar in het successierecht dit probleem goed ondervangen wordt door de Natuurschoonwet, gaat de Wet werkelijk rendement hier ten onrechte tegen de geest van de Natuurschoonwet in. Daarom heb ik samen met de collega's Stoffer en Vermeer een amendement ingediend om dit recht te zetten.

Dat was het laatste punt van mijn bijdrage in eerste termijn, voorzitter. Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. U sprak ongeveer een kwart langer dan uw opgegeven tijd, maar het is ook een belangrijk onderwerp. Mevrouw Van Eijk van de VVD heeft beloofd dat ze dat gaat inhalen. Ik geef haar het woord.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dank u wel, voorzitter. We gaan het zien. Vandaag spreken we over de Wet werkelijk rendement box 3. Dat is een wet die niet op zichzelf staat, maar die het resultaat is van jarenlange discussie, juridische correcties en maatschappelijke onvrede. Het huidige box 3-stelsel heeft het vertrouwen in ons belastingstelsel ernstig beschadigd. Burgers zijn geconfronteerd met belastingheffing over rendement dat zij niet hebben behaald, soms zelfs in jaren waarin hun vermogen nauwelijks iets opleverde. Dat is niet uit te leggen en niet houdbaar gebleken. De rechter heeft dat vastgesteld, maar belangrijker nog: de samenleving voelt dat al langer zo. De overstap naar belastingheffing op basis van werkelijk rendement is geen experiment, maar een noodzakelijke correctie. De vraag waar wij vandaag voor staan, is niet óf we moeten veranderen, maar hoe we dat op een verantwoorde manier doen.

Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern van het VVD-verhaal. De VVD staat voor een belastingstelsel dat rechtvaardig is, dat economische groei ondersteunt, dat uitvoerbaar is voor de overheid en dat begrijpelijk is voor burgers. Deze wet raakt aan al die uitgangspunten. Met de hervorming van box 3 kiest de VVD nadrukkelijk niet voor een ideologische verschuiving in de belastingmix. Het gaat hier niet om het zwaarder belasten van vermogen of het afstraffen van sparen en beleggen, integendeel. Het gaat om het herstellen van een fundamenteel beginsel: inkomen wordt belast naar wat daadwerkelijk wordt verdiend. Voor de VVD is dat de enige eerlijke manier om vermogen te belasten.

Voorzitter. De VVD begrijpt dat het kabinet niet heeft gekozen voor een allesomvattende risicovolle stelselherziening. In plaats daarvan ligt er een gerichte hervorming die inspeelt op de uitspraken van de rechter en op de uitvoeringsrealiteit. Tegelijkertijd kijkt de VVD verder vooruit. We hebben altijd gezegd dat als je echt zuiver wilt belasten naar rendement, de vermogenswinstbelasting, heffing bij realisatie, economisch gezien het meest voor de hand ligt. Dat biedt ruimte voor vermogensopbouw, voorkomt liquiditeitsproblemen en sluit aan bij de logica van bijvoorbeeld het pensioenstelsel: eerst laten groeien, daarna belasten. Dat is ook het meest eerlijk: geen belasting over rendement dat mogelijk nooit optreedt.

Maar wij zijn ook realistisch. Een volledige vermogenswinstbelasting is op korte termijn niet uitvoerbaar en niet budgettair inpasbaar. Daarom steunen wij deze wet als een noodzakelijke tussenstap. Ik vraag de staatssecretaris expliciet of hij bereid is om die ook zo te benoemen: als een stap op weg naar een toekomstbestendig stelsel, waarbij in de komende jaren samen met de Kamer wordt verkend welke verdere stappen mogelijk zijn zonder de uitvoerbaarheid of stabiliteit van het stelsel in gevaar te brengen. Een toezegging op dit punt zou voor mijn fractie van groot belang zijn. Kan de staatssecretaris toelichten hoe zo'n transitie eruit zou kunnen zien? Je zou bijvoorbeeld stap voor stap specifieke categorieën beleggingen onder de vermogenswinstbelasting kunnen brengen.

Voorzitter. Een belangrijk liberaal uitgangspunt is beleggingsneutraliteit. De VVD wil dat kapitaal zijn weg vindt naar de meest productieve bestemmingen op basis van economische afwegingen, niet op basis van fiscale prikkels of barrières. Zo kan iedereen zijn geld beleggen zoals hij dat zelf wil. Dat geldt in het bijzonder voor de keuze tussen rechtstreeks, direct, beleggen en collectief beleggen, via een fonds. Collectief beleggen biedt beleggers schaalvoordelen, risicospreiding, professionele expertise en toegang tot markten die voor individuele beleggers moeilijk bereikbaar zijn. Daarom is het van groot belang dat het fiscale stelsel deze vorm van beleggen niet benadeelt. Nederland kent al jarenlang het uitgangspunt dat het fiscaal geen verschil mag maken of iemand rechtstreeks of via een fonds belegt. Dat principe is verankerd in onder andere de regimes van fiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen. De VVD hecht eraan dat dit uitgangspunt ook onder het nieuwe box 3-stelsel zo veel mogelijk overeind blijft. Vindt de staatssecretaris dat de Wet werkelijk rendement box 3 deze beleggingsneutraliteit respecteert? Kan hij verduidelijken hoe wordt voorkomen dat collectieve beleggingen fiscaal ongunstiger worden behandeld? Dit is belangrijk voor het vertrouwen van beleggers en voor de consistentie van het stelsel.

Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende ondernemers.

De voorzitter:

Een ogenblik graag. U heeft nog een interruptie van de heer Stultiens over het vorige gedeelte.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag over het punt van de vermogenswinstbelasting. De VVD geeft aan: we kiezen daar nu niet voor vanwege onder andere de budgettaire inpasbaarheid; het kost gewoon veel geld en dat hebben we nu niet. Dat vind ik een goed argument, maar waarvan denkt de VVD dat in de toekomst dan wel te betalen? Mevrouw Van Eijk zegt dat het een tussenstap is, maar waar zal het geld hiervoor in de toekomst dan wel gevonden worden?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Goede vraag. Ik zit hier ook niet om allerlei ramingen ter discussie te stellen, maar ik weet wel dat er heel veel onzekerheid is rondom de ramingen. Er zijn best wel wat veronderstellingen gedaan voor hoe de vermogenswinstbelasting in de toekomst gaat uitpakken en hoe die zich verhoudt tot de vermogensaanwasbelasting. Dat er een periode nodig is om ervoor te zorgen dat je budgettair gezien uiteindelijk uitkomt op hetzelfde niveau of, zoals mijn collega, de heer Grinwis, aangaf, zelfs op een hoger niveau qua structurele opbrengst, ligt ook vast in de ramingen. Ik denk dat we daar met z'n allen goed naar moeten kijken. Veel belangrijker is dat die beweging, als je die, al dan niet gefaseerd, gaat maken, juridisch ook houdbaar is. Daar heb ik zelf nog wel twijfels over, omdat iedere uitzondering die we nu hebben gemaakt, kwetsbaar is. Als je het in stappen doet en iedere keer een categorie aan de vermogenswinst toevoegt, is dat ook kwetsbaar. Eigenlijk zou je in één keer om moeten gaan. Ik denk dat we daar nog even op moeten puzzelen. Het directe antwoord daarop heb ik dus niet, maar ik denk dat er nog wel heel vragen te stellen en antwoorden te geven zijn.

De voorzitter:

De heer Stultiens, voor een vervolgvraag.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ja, nog één vervolgvraag. De VVD is inderdaad niet de partij die de ramingen de schuld geeft. Het gaat inderdaad geld kosten; de vraag is hoeveel. Hoeveel geld is de VVD bereid om de komende jaren uit te trekken voor die stap? Mijn partij is daar niet toe bereid; dat is een duidelijk standpunt. Ik denk dat het de samenleving helpt als we hierover eerlijk en duidelijk zijn. Als de VVD hier geen geld voor wil uittrekken, laten we dan geen valse hoop wekken. Of is de VVD wel bereid om cumulatief x-miljard uit te trekken voor de vermogenswinstbelasting?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Mijn vragen waren in eerste instantie ook gericht aan de staatssecretaris. Voor een beweging naar volledige vermogenswinst is een bepaalde transitie nodig. Die zal in stappen moeten verlopen. Daar horen ook ramingen bij. Ik wacht het antwoord van de staatssecretaris even af.

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende ondernemingen. Start-ups en scale-ups zijn de motor voor onder andere innovatie en digitalisering. Zij zorgen voor nieuwe banen, nieuwe producten en nieuwe verdienmodellen. De VVD is dan ook positief over het feit dat het kabinet in deze wet aandacht heeft voor investeringen in startende ondernemingen.

Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de uitwerking. Investeren in start-ups is per definitie risicovol, langdurig en illiquide. Winsten zijn vaak pas na jaren zichtbaar, als er al een exit plaatsvindt. Belastingheffing over een niet-gerealiseerde waardestijging kan investeerders in een onmogelijke positie brengen. Zij kunnen worden geconfronteerd met belastingaanslagen zonder dat zij de middelen hebben om deze te betalen. Dat kan leiden tot gedwongen verkoop, verlies van toekomstig rendement en uiteindelijk minder investeringen in jonge bedrijven. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het kabinet het stimuleren van investeringen in start-ups als expliciete doelstelling ziet en dat het nieuwe box 3-stelsel deze investeringen niet mag ontmoedigen?

De definitie van start-ups moet dan ook voldoende aansluiten bij de praktijk. In het licht van box 3 zouden de criteria iets moeten zeggen over de daadwerkelijke liquiditeit van aandelen. Veel succesvolle start-ups blijven lang illiquide. Is de staatssecretaris bereid te erkennen dat een termijn van tien tot vijftien jaar, gekoppeld aan een daadwerkelijk realisatiemoment, beter aansluit bij de economische realiteit? Daarnaast roept, zoals ik net ook al zei, elke beperking maar ook elke verbreding in de definitie van start-ups nieuwe vragen op. Hoe verhoudt dit zich tot het staatssteunrecht? Het moet immers uitlegbaar zijn waarom aandelen in een startende onderneming onder het regime van de vermogenswinst vallen en aandelen in het midden- en kleinbedrijf of een familiebedrijf onder het regime van de vermogensaanwas vallen. Hoe wordt voorkomen dat buitenlandse start-ups waarin Nederlandse beleggers investeren, buiten de regeling vallen?

Voorzitter. Vastgoed vormt het meest complexe onderdeel van dit wetsvoorstel. De VVD steunt het uitgangspunt om vastgoed te belasten op basis van werkelijk rendement — dat is bijvoorbeeld noodzakelijk om de verhuur van een woning lonend te laten blijven — maar de uitwerking vraagt om zorgvuldigheid. De vastgoedbijtelling bij leegstand van een bedrijfspand of een beperkt eigen gebruik van een tweede woning staat op gespannen voet met het uitgangspunt van werkelijk rendement. Wie geen huur ontvangt, geniet bijvoorbeeld geen rendement. Het forfait van 3,35% is blijkbaar gebaseerd op cijfers uit het verleden; mijn collega Grinwis gaf dit in zijn inbreng al aan. Inmiddels zijn de omstandigheden veranderd. Kan de staatssecretaris reflecteren op de actualiteit van dit percentage en wordt overwogen of het mogelijk en/of wenselijk is om jaarlijks of tweejaarlijks te herijken? Wij overwegen op dit punt een motie, maar ik begrijp dat de heer Grinwis daarop een amendement in voorbereiding heeft, dus we gaan wachten op de appreciaties, denk ik.

De voorzitter:

De heer Grinwis heeft daar ook een interruptie over.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Daar wilde ik gelijk op doorvragen. Volgens mij zijn we het eens en zien we hetzelfde probleem. Stel je, even los van de fundamentele discussie over de vastgoedbijtelling, voor dat je die bijtelling toch accepteert en dat die in de wet zit; dan kun je twee dingen doen. De eerste mogelijkheid is dat je inderdaad per motie regelt dat die bijtelling jaarlijks geactualiseerd gaat worden. Nu is namelijk in de stukken gezegd dat dat pas na 2033 en na de evaluatie gebeurt. Tegelijkertijd blijft dan die 3,35% in de wet staan. Hoe zwaar is dit punt dan voor de VVD-fractie? Als het inderdaad de bedoeling is dat die vastgoedbijtelling alleen maar een actuele bijtellingswaarde reflecteert, zou dat namelijk in principe ongedekt kunnen. Of vindt collega Van Eijk dat als je de 3,35% verlaagt naar, zeg, 2,8%, daar een dekking bij hoort? Hoe ziet ze dit?

De voorzitter:

Helder.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Het is een belangrijk punt dat we moeten blijven monitoren. Daarom vraag ik ook of je jaarlijks of tweejaarlijks moet herijken. Het hangt natuurlijk ook af van de ontwikkelingen in de markt hoe urgent zoiets is. Ik heb gezien dat de collega van het CDA een amendement heeft ingediend om de evaluatie in ieder geval naar voren te halen. Ik vind het heel erg belangrijk om dat tijdig te doen. Ik denk dat als die verschillen groot zijn, we inderdaad moeten kijken naar een aanpassing ten aanzien van de budgettaire dekking. Ten aanzien van de budgettaire dekking ben ik heel even overvraagd. Ik wil even de reactie van de staatssecretaris afwachten en eventueel de appreciatie van het amendement van de heer Grinwis. Maar ik vind wel dat op het moment dat je een robuuste wet wil neerleggen en je noodgedwongen nog steeds afhankelijk bent van bepaalde forfaits, die forfaits ook in het kader van de eenvoud altijd zo veel mogelijk de werkelijkheid moeten benaderen. Dan is de vraag hoe je daar het dichtst bij in de buurt komt en wat daarvoor nodig is.

De voorzitter:

Dat was voldoende voor de heer Grinwis, maar de heer Vermeer heeft een aanvullende interruptie.

De heer Vermeer (BBB):

Mijn vraag aan mevrouw Van Eijk is dan: maar dan is het toch niet logisch om er een vast percentage in te zetten? Dan moet er in de wet toch alleen maar een systematiek c.q. een procedure vastgelegd worden?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik kom hier later in mijn inbreng nog op terug, onder mijn kopje tegenbewijsregeling. We hebben namelijk gezien hoe kwetsbaar de huidige wet- en regelgeving is. In de parlementaire behandeling van de vorige wet is er diverse keren over gesproken of je in de wet al een tegenbewijsregeling zou moeten opnemen. Wat betreft de kwetsbaarheden die in deze wet zitten, zou je op dit specifieke punt, de vastgoedbijtelling en de startwaarde op het moment dat je vastgoed inbrengt, als belastingplichtige naar mijn mening de mogelijkheid moeten hebben om aan te tonen dat die waarde of dat rendement lager is. Daar ligt een deel van de oplossing, los van het feit dat je het vooralsnog met een forfait in de wet kan vastleggen.

De heer Vermeer (BBB):

Maar mevrouw Van Eijk zegt nu eigenlijk: u heeft daarin gelijk, maar het probleem moet neergelegd worden bij de belastingplichtige, want die moet dan maar geconfronteerd worden met de problemen die veroorzaakt worden door vaste percentages c.q. forfaits.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dit forfait is niet willekeurig en zomaar gekozen, hè? Ik stel net als de heer Grinwis vragen over de actualiteit, van: kloppen de cijfers nog? Maar kijkend naar het onderzoek dat gedaan is en het percentage dat nu gekozen is, denk ik dat daar de benodigde zorgvuldigheid en voorzichtigheid in vastligt, waarbij je met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan zeggen dat een heel groot gedeelte van de vastgoedeigenaren met dit percentage prima uit de voeten kan en ook niet uitkomt op een lager rendement. Maar je kunt het actualiseren. In het geval dat je werkelijk rendement lager is of de startwaarde echt substantieel lager is en de wet daar onvoldoende in voorziet, zie ik wel mogelijkheden voor een tegenbewijsregeling, zodat dat alsnog aangetoond kan worden. Ik denk dat dat maar een heel beperkt aantal belastingplichtigen aangaat.

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Wat ik zojuist zei ten aanzien van mogelijk tegenbewijs geldt ook voor bijvoorbeeld de startwaarde van vastgoed. Belastingheffing op basis van een waarde die pas achteraf bekend wordt, raakt de rechtszekerheid. Is de staatssecretaris bereid om te kijken naar een alternatief waarbij er vooraf duidelijkheid bestaat voor de belastingplichtige?

Tot slot wil ik iets zeggen over de afbakening tussen onderhoud en verbetering. Met de verduurzamingsopgave zullen veel grensgevallen ontstaan. Duidelijke praktische richtlijnen zijn essentieel om uitvoeringsproblemen te voorkomen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: gaan die er komen?

Voorzitter. Bij NSW-landgoederen verschuift onder het nieuwe box 3-stelsel het fiscale knelpunt naar het moment van schenking of vererving, wanneer in één keer vermogensbelasting verschuldigd wordt zonder dat daar liquiditeit tegenover staat. Dat vergroot het risico op gedwongen verkoop en verlies van waardevol natuur- en cultuurerfgoed. Vindt de staatssecretaris ook dat de systematiek van de Natuurschoonwet 1928 ook in box 3 moet worden gerespecteerd? Het amendement-Grinwis biedt wellicht een evenwichtige oplossing en ik ben benieuwd naar de appreciatie van de staatssecretaris van dit amendement.

Voorzitter. Bij oude kapitaalverzekering in box 1 dreigt door het afschaffen van het overgangsrecht het heffingsmoment naar voren te worden gehaald. Per 1 november '29 zou dan in één keer belasting worden geheven over het volledig opgebouwde rendement, terwijl betrokkenen dit geld niet liquide hebben. Het gaat om een kleine en overzichtelijke groep, maar de impact voor deze mensen is groot. De VVD vindt het onaanvaardbaar dat burgers om reden van uitvoeringseenvoud worden geconfronteerd met onverwachte en hoge aanslagen. Wij pleiten daarom voor een oplossing waarbij de belastingclaim wel wordt vastgesteld per 1 november 2029, maar pas wordt ingevorderd op het moment dat de verzekering daadwerkelijk tot uitkering komt. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om op dit punt een toezegging te doen.

Voorzitter. Een stelsel dat uitgaat van werkelijk rendement moet ook eerlijk omgaan met verliezen. De VVD begrijpt dat uitvoerbaarheid grenzen stelt. Niet alles kan en niet alles moet, maar het risico bestaat dat belastingplichtigen met fluctuerende rendementen uiteindelijk belasting betalen over een positief rendement, dat zij per saldo nooit hebben gehad. Hoe weegt de staatssecretaris dit risico? Is hij bereid de effecten van de gekozen verliesverrekeningssystematiek actief te monitoren? Kan hij toezeggen dat, als blijkt dat er structureel onrechtvaardige uitkomsten ontstaan, het kabinet bereid is om bij te sturen?

Voorzitter. Nederland is een land van spaarders. Dat is op zichzelf een kracht, maar in een tijd van grote investeringsopgaven, van woningbouw tot energietransitie en strategische autonomie, is het ook wenselijk dat meer particulier vermogen zijn weg vindt naar productieve investeringen. De VVD ziet in de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement een kans om het gesprek te voeren over hoe particulier beleggen fiscaal kan worden gestimuleerd zonder het stelsel ingewikkeld te maken. Eenvoud is hierbij cruciaal. Burgers haken af als regelingen te complex worden. Andere landen laten zien dat eenvoudige instrumenten, zoals een beleggingsrekening of vrijstelling voor bepaalde vormen van rendement, effectief kunnen zijn. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is om, parallel aan dit wetstraject, met de Kamer te verkennen welke opties kansrijk zijn voor Nederland.

Voorzitter. Nederland is een open economie die afhankelijk is van internationaal talent. Ons vestigingsklimaat staat onder druk en fiscale voorspelbaarheid speelt daarbij een grote rol. De combinatie van heffing over niet-gerealiseerde vermogenswinst en het afschaffen van de partiële buitenlandse belastingplicht dreigt Nederland internationaal uit de pas te laten lopen. Dit vergroot het risico op dubbele belasting en schaadt het vertrouwen van internationaal talent. Het budgettaire voordeel van het afschaffen van de regeling is beperkt, terwijl de economische schade groot kan zijn. Is de staatssecretaris bereid om de effecten van de keuzeregeling voor de partiële buitenlandse belastingplicht opnieuw te wegen en de Kamer hierover te informeren?

Voorzitter. Als wij zeggen dat wij belasten naar werkelijk rendement, dan moet er ook ruimte zijn om aan te tonen dat het werkelijk rendement in specifieke gevallen lager is. Zonder een effectieve en uitvoerbare tegenbewijsregeling ontstaat het risico dat er opnieuw belasting wordt geheven over inkomen dat niet is genoten, met alle juridische kwetsbaarheden van dien. Dat geldt nadrukkelijk voor onderdelen waarin forfaits worden toegepast, zoals vastgoed, leegstand, eigen gebruik en waarderingskwesties rondom illiquide vermogensbestanddelen. De VVD begrijpt dat niet elk individueel geval maatwerk kan krijgen en dat uitvoerbaarheid grenzen kent, maar we vinden wel dat de wet een duidelijk begrensde en werkbare mogelijkheid moet bieden om tegenbewijs te leveren in uitzonderlijke situaties. Ik vraag de staatssecretaris daarom of hij bereid is om de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling opnieuw te verkennen en te wegen. De reikwijdte daarvan moet zo worden vormgegeven dat nieuwe procedures bij de rechter worden voorkomen.

Tot slot, voorzitter.

De voorzitter:

Mevrouw Inge van Dijk heeft eerst nog een interruptie over de tegenbewijsregeling.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank je wel, voorzitter. Ik snap het punt van de VVD natuurlijk heel goed, maar ik was een beetje op zoek naar hoe de VVD aankijkt tegen die begrenzing. Hoe zien zij die en welke voorstellen zouden zij daar zelf voor in het mandje willen leggen?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Zoals ik aangaf in mijn spreektekst is dat vooral daar waar je forfaits gebruikt dan wel bepaalde veronderstellingen, percentages, inbouwt, bijvoorbeeld de 3,35%-vastgoedbijtelling en het 90%-criterium waarin de drie verschillende categorieën zijn onderverdeeld als het om vastgoed gaat. Die vind ik gewoon heel erg kwetsbaar, omdat die zo veel als mogelijk proberen aan te sluiten bij het werkelijk rendement maar dat nog niet zijn. Ik denk dat daar de punten zitten waarover heel veel discussie kan ontstaan en dat je dat zou kunnen voorkomen als je een belastingplichtige de mogelijkheid geeft om aan te tonen dat het anders is. Als je het hebt over de WOZ-wetgeving of als je kijkt naar lagere regelgeving, zie je dat daar best al een aantal ankers in zitten, maar ik vraag me af of we daarin niet verder moeten gaan en het ook in deze wet op een goede manier moeten vastleggen. Er komt sowieso nog een aanpassingswet, dus de mogelijkheden om te kijken waar we bij moeten sturen of waar we zoiets zouden moeten toevoegen, zijn er dus nog volop. Vandaar komt mijn vraag aan de staatssecretaris op dit moment.

De voorzitter:

Er is een vervolgvraag van de heer Stultiens.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

De uitvoeringstoets bij deze wet is al best zorgwekkend, met vier rode vlaggen en één gele. We waren samen rapporteur en dat was een van onze grote bezwaren of angsten. Nu lijkt het er eigenlijk op, hoor ik nu bij een nieuwe suggestie, dat we het nog moeilijker gaan maken, met een tegenbewijsregeling. Ziet mevrouw Van Eijk ook die zorg dat we nu in plaats van 900 fte nóg meer mensen nodig hebben om dit voor elkaar te krijgen?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dat is een dilemma. Enerzijds begrijp ik heel goed dat iedere regeling die wij toevoegen de complexiteit kan verhogen. We hebben echter in de afgelopen tien jaar ook gezien hoe kwetsbaar wet- en regelgeving is als je vasthoudt aan bepaalde percentages en forfaits. Die kwetsbaarheid zou je volgens mij deels kunnen oplossen door in specifieke gevallen, waarin we denken dat die kwetsbaarheid heel erg groot is, toch te kijken of je dat er met een tegenbewijsregeling uit kan halen. Ik zei net richting mevrouw Inge van Dijk ook al dat ik denk dat we op heel veel punten daadwerkelijk rendement redelijk goed gaan benaderen. Er is ook voor de nodige voorzichtigheid gekozen bij het invullen van die percentages. We moeten hier niet van wegkijken. Dit niet regelen in de wet is volgens mij namelijk een van de fouten geweest die wij in de afgelopen tien jaar hebben gemaakt.

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijk gaat haar afrondende opmerking maken. O, toch nog niet. De heer Grinwis heeft nog een interruptie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik hoorde collega Van Eijk in een keer zomaar opmerken een einde te maken aan een belastingconstructie die in het verleden is aangeraden, namelijk de partiële buitenlandse belastingplicht. Dat is de partiële belastingplicht voor buitenlanders die hier een job uitvoeren, bijvoorbeeld CEO's. We hebben die belastingconstructie met goede redenen omver gehaald. Zo hoeven andere mensen namelijk minder krom te liggen om al die belasting op te brengen. Wat is nou de portee van haar opmerking? Wil zij het voor bijvoorbeeld Franse CEO's mogelijk maken om hun goederen in Frankrijk allemaal buiten onze belastingplicht te houden? Wat is de portee?

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Het punt is dat we hier naar een stelselwijziging gaan wat betreft de Wet werkelijk rendement. Zeker de verschuiving van vermogensaanwas naar vermogenswinst, die om goede redenen is gekozen, maakt dat er op sommige vermogensbestanddelen daadwerkelijk dubbele heffing optreedt. Ik ben het heel erg met de heer Grinwis eens als het gaat om opmerkelijke belastingconstructies, belastingontwijking en het niet heffen van belasting over bepaalde vermogensbestanddelen. We slaan hier door naar de andere kant. Als je een stelselherziening doet in box 3, dan vind ik dat je in ieder geval opnieuw moet kijken naar de intentie die wij bij de afschaffing van die partiële buitenlandse belastingplicht hadden. Werkt die nog zoals bedoeld of slaat het nu door, waardoor er na invoering van deze wet een onbedoeld effect is opgetreden? Ik denk dat het goed is om daarnaar te blijven kijken.

De voorzitter:

Dan nu de slotopmerking van mevrouw Van Eijk.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ja. De VVD hecht groot belang aan invoering per 1 januari 2028. Dat is noodzakelijk om het huidige stelsel achter ons te laten en om juridische procedures en nieuwe budgettaire opgaven te voorkomen. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om volledige transparantie over de uitvoeringsgereedheid. Hoe staat het met de ICT, de uitfasering van oude systemen en de beschikbaarheid van taxateurs en business valuators? Welke wijzigingen zonder risico voor de planning zijn er nog mogelijk? Voor de VVD is het uitgangspunt helder: uitvoerbaarheid en tijdige invoering gaan voor. Beleidswensen kunnen altijd worden meegenomen in een latere aanpassingswet, maar het fundament moet eerst stevig staan.

Afsluitend, voorzitter. De VVD steunt de richting van deze wet. We erkennen de noodzaak en waarderen de inzet van het kabinet. Wij willen deze hervorming laten slagen. Tegelijkertijd vragen wij op een aantal punten om toezeggingen en verduidelijking. Dat doen we niet om het proces te blokkeren, maar om het wetsvoorstel beter, eerlijker en toekomstbestendiger te maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Vlottes. Hij spreekt namens de PVV-fractie.

De heer Vlottes (PVV):

Voorzitter, veel dank. Daar is ie dan eindelijk, de Wet werkelijk rendement box 3. De afgelopen jaren konden we hier op fiscaal gebied eigenlijk vrijwel niks doen of box 3 kwam wel om de bocht zeilen. Dat zorgde bij de meesten van ons voor een spreekwoordelijke wegtrekker. Dat is ook wel heel goed te verklaren, want er is nogal wat gebeurd. Tijdens het beruchte kerstarrest van 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wijze waarop het inkomen uit sparen en beleggen wordt berekend in strijd is met het eigendomsrecht. Op basis hiervan heeft het toenmalige kabinet de Wet rechtsherstel box 3 en daarna de Overbruggingswet box 3 in het leven geroepen. In het arrest van 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat ook deze wet in strijd zou zijn met het eigendomsrecht. Er volgden nog enkele arresten en terwijl de oorspronkelijke inwerkingtreding was voorzien voor 1 januari 2025, is die nog eens twee keer uitgesteld. Nu moet dit voor 15 maart zo specifiek mogelijk zijn behandeld in de Tweede Kamer, anders dreigt er weer vertraging. En dat niet alleen! Ook iedere wijziging in het voorliggende wetsvoorstel kan leiden tot vertraging en iedere bijkomende vraag over de heffingsketen of de complexiteit van deze wet zorgt ervoor dat de inwerkingtreding per 2028 niet meer gehaald kan worden, aldus de memorie van toelichting.

Kortom, voorzitter, eigenlijk kan niks. Want laten we wel zijn: op deze manier is het geen doen. Nu zitten we hier, zogezegd opgejaagd en gegijzeld door de Belastingdienst cum suis, en is het eigenlijk tekenen bij het kruisje. Kan de staatssecretaris hierop reageren? Hoe beoordeelt hij dit wetstraject? Kan hij aangeven wat er eigenlijk nog wel mogelijk is om de door hem zo verlangde inwerkingtreding van 2028 te halen? Wat zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de planning van het arrest van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag over de té hoge rente in de Vpb? Daar was dit kabinet eerder namelijk erg positief over: het zal allemaal niet zo'n vaart lopen; het valt allemaal wel mee. Nou, dat is dus niet het geval. Sterker nog, ook deze derving loopt in de miljarden. Het enkele aannemen van deze wet is immers nog geen garantie dat er geen derving of verdere vertraging zal ontstaan. Bij de minste of geringste tegenslag kan er zomaar weer vertraging optreden.

Voorzitter. Zo ongeveer niemand is blij met dit wetsvoorstel: brancheorganisaties niet, vakverenigingen niet, particulieren niet, beleggers niet, ondernemers niet en ook de Raad van State niet. De enige die vast blijft houden aan deze wet, is het kabinet. Hoewel, in het meest recente interview in Het FD lezen we dat fiscalist Heijnen de voorkeur geeft aan een brede vermogensbelasting, terwijl staatssecretaris Heijnen liever wil vasthouden aan een variant met vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting, als een soort tussenstation, alsof we hier bij een AO over spoor zitten. Kennelijk zou een verdere doorontwikkeling naar zo'n vermogenswinstbelasting wel al mogelijk zijn in 2030 of 2031. Nu kunnen allemaal dingen niet en is het "computer says no", maar over twee jaar ligt de fiscale wereld kennelijk aan onze voeten voor wederom een nieuw box 3-systeem. Ik neem aan dat hier staatssecretaris Heijnen zit. Kan hij deze uitspraken ook namens fiscalist Heijnen nader toelichten? Kan hij daarbij aangeven welke stappen hij al heeft gezet naar dat eindstation, om in spoortermen te blijven? En waarom kan dit eindstation in 2030 kennelijk wel gehaald worden, maar in 2028 nog niet? Graag een reactie.

Voorzitter. Desalniettemin zegt het kabinet het wetsvoorstel vooral in lijn met het arrest van de Hoge Raad te hebben gelegd. Dit is een bekende cirkelredenering. In de arresten zelf verwijst de Hoge Raad namelijk naar de doelstellingen die het kabinet zichzelf heeft opgelegd: uitvoerbaarheid en het op peil houden van de belastingopbrengsten. Zo schrijft de Hoge Raad in een arrest van 2024 in rechtsoverweging 5.4.8 dat positieve en negatieve waardeveranderingen ook tot het werkelijk rendement behoren indien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Nu komt ie: "Dit vloeit voort uit het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel." Kan de staatssecretaris hierop reageren? In welke mate is het op peil houden van de belastingopbrengsten leidend geweest bij het vormgeven van de Wet werkelijk rendement? Hoe verhoudt dit zich tot de proportionaliteitstoets, de vermogensaanwasbelasting, artikel 1 EVRM en het realisatiebeginsel? En klopt het dat de Hoge Raad geen uitspraak heeft gedaan over de juridische houdbaarheid van een variant van een vermogensaanwasbelasting? Ik bedoel een soort papieren rendementsheffing.

Voorzitter. Dan het heffingsvrije resultaat. Volgens het kabinet zou dit beter aansluiten bij de systematiek van werkelijk rendement. In het huidige stelsel geldt een heffingsvrije voet van ongeveer €58.000 per belastingplichtige. Met dit wetsvoorstel vervalt dit en komt er een heffingsvrij resultaat van €1.800 in de plaats. Als we dit even heel simpelweg afzetten tegen een stijging van 12% in de afgelopen vijf jaar van het aantal mensen dat belegt — het is een maatschappelijke trend — betekent dit dat er nog meer geld gecasht gaat worden door de overheid. Waar mensen thuis eerder nog nooit gehoord hadden van een box 3-heffing, gaan meer mensen box 3-belasting betalen op basis van deze wet. Dan heb ik het niet per se over institutionele beleggers, maar gewoon over normale mensen, die de veel te lage rente van de bank zat zijn, hun pensioen zien verdampen of gewoon willen investeren in hun toekomst. Waarom is er voor dit resultaat gekozen? Waarom worden mensen die al dan niet hobbymatig wat beleggen of dit juist doen als een spaarpotje voor de toekomst, nu geconfronteerd met een belasting op basis van papieren rendement?

Voorzitter. Dan de verliesverrekening. In het voorstel is dit ongelimiteerd toegestaan voor positieve rendementen in toekomstige jaren. Waarom kan dit niet worden toegestaan voor een achterwaartse verliesverrekening? Volgens de staatssecretaris is dit omdat het passend is in een stelsel waarin de mutaties zijn betrokken die nog niet gerealiseerd zijn. Dan verwijs ik toch weer terug naar de overwegingen van de Hoge Raad. Die heeft namelijk overwogen dat de wetgever geen belastingheffing beoogt waardoor de belastingplichtige moet interen om de belasting te betalen. Exact dit dreigt nu dus wel te gebeuren. Graag een reactie daarop.

Voorzitter. Dan de vastgoedbijtelling. Eigenlijk is het een huurwaardeforfait; wederom een forfait. In deze wet is er eigenlijk sprake van een soort rupsje-nooit-genoeg als het gaat om belastingoptimalisatie. Voor vastgoed zijn we weliswaar af van de papieren werkelijkheid, maar dan komt er toch weer een forfait van 3,35% om de hoek kijken bij eigen gebruik van een tweede woning — lees: een vakantiewoning — met een grens van zo'n 90% indien de woning verhuurd is. Waarom is hiervoor gekozen? Ook belastingadviseurs hebben hier bedenkingen bij. Even heel basaal: waarom moet iemand die een week zelf gebruikmaakt van een vakantiewoning evenveel betalen als iemand die meerdere maanden of ieder weekend gebruikmaakt van zijn vakantiewoning? Op deze manier overstijgt de belastingdruk voor het eigen gebruik het werkelijk rendement. Kan de staatssecretaris hierop reageren?

Voorzitter. Uiteindelijk is het eigenlijk allemaal een kwestie van prioriteiten; ik schetste dat al aan het begin van mijn betoog. Tussen de puinhopen van allerlei herstelwetgeving door is er nu een soort van gewerkt aan een nieuw box 3-stelsel. Maar ook deze staat alweer op de helling en moet alweer voor verbetering vatbaar zijn. Desondanks moeten we onder het argument "tijd" tekenen bij het kruisje, ondanks de vele bezwaren en rode vlaggen die op dit moment al wapperen. Het is namelijk geen belasting op basis van werkelijk behaald rendement. De Hoge Raad sprak er in het kerstreces zelf ook nog over dat het over een werkelijk behaald rendement moet gaan. Geen wonder dat er nu al massaal rechtsgangen zijn aangekondigd en de dagvaardingen zo ongeveer al worden getypt. Met deze wet zijn we vooral slechter af. Je zou bijna terugverlangen naar een soort forfaitair stelsel.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Eigenlijk zit er aan het einde van het betoog nog een cliffhanger als het gaat om wat de PVV dan wel wil. Ik geef de heer Vlottes graag de kans om te zeggen voor welke oplossing de PVV precies staat.

De heer Vlottes (PVV):

Deze wet is bizar slecht. Ik vind het dan heel raar … De PVV heeft altijd gezegd dat wij voor een belasting op basis van werkelijk gerealiseerd rendement zijn. Dat hebben we eigenlijk altijd al gezegd, en dat heb ik de afgelopen jaren zelf ook gezegd. Dat is waar je naartoe zou moeten. Het balletje is constant vooruitgeschoven. Nu ligt deze wet er, en moeten we er eigenlijk op basis van het argument "tijd" maar voor zijn, terwijl ik hier links en rechts hoor dat er nog het nodige aan gesleuteld zou moeten worden.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dat is knap ontweken, maar dat is geen antwoord op de vraag. Een jaar geleden zaten we hier ook. Toen had de PVV hele stoere woorden. Ze kondigde aan: we gaan een motie indienen voor een vermogenswinstbelasting. Die heb ik nooit gezien. Er kwam een slappe onderzoeksmotie. Vandaag hoor ik weer grote woorden. Wat wil de PVV?

De heer Vlottes (PVV):

Nogmaals, een vermogenswinstbelasting op basis van daadwerkelijk gerealiseerd rendement. Dat is niet veranderd. Daar is inderdaad ook een onderzoeksmotie over ingediend.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ja, maar dan is de vraag — die stelde ik een jaar geleden ook, en toen was er geen antwoord — wie er bij de PVV gaat betalen voor de vermogenswinstbelasting. Die gaat de komende jaren miljarden kosten, ten gunste van beleggers en miljonairs. Wie gaat er bij de PVV betalen voor dit plan?

De heer Vlottes (PVV):

Dit is werkelijk waar onzin. Er wordt nu naar de vermogensaanwasbelasting gegrepen omdat die zogezegd een "budgettaire neutraliteit" zou bewerkstelligen, maar dat is helemaal niet duidelijk. Wij zien bijvoorbeeld bij de Wet tegenbewijsregeling dat de derving mogelijk wel meevalt. Kortom, we weten niet wat nou de feitelijke raming is. Ik heb er toevallig naar gekeken. Kijk bijvoorbeeld naar de beginstadia van deze wet. Dat was onder toenmalig staatssecretaris Van Rij; ik verwijs dan terug naar ongeveer 2022. Toen was er ook de volgende discussie. "Als je nou een vermogenswinstbelasting doet," waar wij voor zijn, nogmaals, "of een vermogensaanwasbelasting, hoe verhouden die twee zich tot elkaar?" Het antwoord daarop was eigenlijk heel duidelijk: hoewel in de praktijk de derving niet eenvoudig te ramen is, zal het eenmalig enkele miljarden bedragen. Maar dit is totaal niet duidelijk. Dan zouden we vooral daarnaar moeten kijken. Dan moet er vooral onderzoek worden gedaan naar hoe die twee zich tot elkaar verhouden. Maar dat die twee op een gegeven moment dezelfde opbrengst kunnen genereren, staat vast.

De voorzitter:

De heer Grinwis …

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter …

De voorzitter:

Tot slot dan echt, ja.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

De heer Vlottes heeft het over "enkele miljarden", maar het zijn er minstens 10. We gaan hopelijk straks horen om hoeveel het precies gaat. De vraag is wel hoe de PVV die "enkele miljarden" gaat betalen. Ik hoor nu weer hele grote woorden: "We gaan tegen het voorstel stemmen." Dat mag. De heer Vlottes wil een alternatief. Hoe gaat de PVV die miljarden betalen?

De heer Vlottes (PVV):

De miljarden vliegen ons om de oren als het gaat om het rechtsherstel van box 3. De miljarden vliegen ons om de oren. Er gaat geen jaar voorbij … Wij hebben vanaf dag één dat dit speelde — uit mijn hoofd gaan we dan terug naar 2017 — al gezegd dat we naar een belasting op basis van daadwerkelijk gerealiseerd rendement moeten. Jarenlang wordt het balletje vooruitgeschoven en wordt er niks mee gedaan. De miljarden stapelen zich op, zoals de heer Stultiens ook zegt. We moeten naar die belasting op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Dan hadden we nu niet in deze puinhoop gezeten van herstelbetalingen en herstelwetgeving.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik zie het dilemma dat collega Vlottes schetst. Dat heb ik zelf ook geschetst. Maar we moeten zo meteen wel stemmen. Je kunt zeggen: ik stem hier tegen, want dit is superslecht. Maar wat je dan in stand laat, is een overbruggingsregeling met een tegenbewijsregeling zonder kostenaftrek, helaas, die vanuit veel perspectieven misschien nog wel slechter is. Hoe weegt de PVV-fractie dat? Je moet je er wel toe verhouden dat wat we nu hebben verschrikkelijk is, en dat wat we krijgen misschien wel iets minder verschrikkelijk is. Het is nog steeds niet goed, niet leuk, om alle genoemde argumenten, maar dit in stand laten is ook niet je van het.

De heer Vlottes (PVV):

De PVV was ook voor de kostenaftrek, juist ook bij die tegenbewijsregeling die ook weer tot allemaal ellende leidde bij de Belastingdienst. Maar ook met deze wet weten we niet waar het eindigt. Ook dit gaat leiden tot procedures. Alles is al aangekondigd. Er staat nota bene al: nou, daar zal de rechter uitspraak over moeten doen. Dit is één grote puinhoop. De PVV heeft een rechte lijn. We hebben altijd gezegd dat we belasting moeten heffen op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Kennelijk zijn er door wisselende samenstellingen van de Kamer andere keuzes gemaakt. Wij staan voor die oorspronkelijke keuze. Wij hebben namelijk gezegd: we moeten belasting heffen op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Dan moet u mij nu niet opzadelen met de puinhopen die door andere partijen zijn gecreëerd.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De Wet tegenbewijs is ingediend door een kabinet waar de PVV in zat. Amendementen om kostenaftrek te regelen, die onder andere door mij zijn ingediend, zijn ontraden door datzelfde kabinet. Maar goed, dat terzijde. Feit is, dat op het moment dat je hiertegen stemt, je iets in stand houdt wat voor veel mensen nog veel erger is. We hebben het vandaag bijvoorbeeld veel over vastgoed gehad, specifiek over de vastgoedbijtelling, maar ook over de ontwikkeling op de huurmarkt en de hoge uitpondcijfers. Wil je die zaken voor je kap nemen? Dat vind ik oprecht een dilemma. Wat we nu hebben, kunnen we absoluut niet langer in stand houden. Als we er morgen of vandaag vanaf zouden kunnen, zou ik dat gelijk doen. Dit is dan niet ideaal, maar is die weging dan echt zo zwart-wit? Zeg je dan echt: "Wat er nu voorligt, is zo slecht dat we daar gewoon tegen zijn. Als de kosten van het huidige stelsel dan hoger zijn dan die van het nieuwe stelsel, dan zij dat maar zo"? Is het een beetje een tactiek van de verschroeide aarde van de PVV-fractie?

De heer Vlottes (PVV):

Ik heb geen idee of dat "verschroeide aarde" is. Maar nogmaals: deze wet zorgt alleen maar voor een puinhoop. Ik hoor dat de heer Grinwis de aanname doet dat dit een verbetering zou zijn ten opzichte van de puinhoop die er de afgelopen jaren is geweest, maar daar is de PVV-fractie niet van overtuigd. Hetzelfde geldt voor de ramingen en voor de dervingen die zijn ontstaan. Nogmaals: feitelijk staat vast dat we al 10 à 12 miljard hebben vrijgemaakt en besteed voor alleen al rechtsherstel in box 3. Dan moeten we ook nog maar afwachten wat de opbrengsten hiervan zouden kunnen zijn.

De heer Oosterhuis (D66):

Even los van de precieze manier waarop belasting wordt geheven over vermogens, los van vermogenswinsten, vermogensaanwas en rendementen: hoe kijkt de PVV naar de rol van vermogen in de belastingmix? We belasten arbeid, consumptie en vermogen. Zegt de PVV dat het belasten van vermogen op dezelfde manier moet blijven gebeuren, of zou dat ook wat meer of wat minder kunnen zijn? Hoe kijkt de PVV daarnaar?

De heer Vlottes (PVV):

Ik heb net al gezegd dat vermogen belast moet worden op basis van daadwerkelijk gerealiseerd rendement. Dat is dan ook mijn antwoord op de vraag van de vertegenwoordiger van D66.

De heer Oosterhuis (D66):

Maar het gaat me vooral om het niveau waarop die rendementen belast worden, de tarieven. Vindt de heer Vlottes dat die goed zijn zoals die zijn, of vindt hij dat die lager of progressiever kunnen zijn? Heeft de heer Vlottes daar een visie op?

De heer Vlottes (PVV):

Werkelijk waar … De heer Oosterhuis houdt zich op dit moment bezig met hogere tarieven. Het zal werkelijk wel, maar ik kijk naar de voorliggende wet en de voorgeschiedenis van box 3. Iedereen kiest zijn eigen prioriteiten. Ik zie alle problemen met de wet. Die heb ik gepoogd inhoudelijk naar voren te brengen. Dan ga ik me nu niet bezighouden met percentages, tarieven en de vraag wie, wat en hoeveel er belast moet worden.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik ga nog een poging wagen. De heer Vlottes en de VVD vinden elkaar als het gaat om de vraag waar we uiteindelijk uit willen komen. We zitten nu in een situatie die suboptimaal is. We zitten op dit moment ook in een situatie waarin het voor beleggers en mensen met vermogen een spel zonder nieten is. Je profiteert van de wet op het moment dat je rendement lager is dan je forfaitair rendement — dan kom je met tegenbewijs — maar als jouw rendement hoger is dan het forfaitair rendement, hoef je daar op dit moment geen belasting over te betalen. Maar als we met elkaar een beweging willen maken naar het belasten van werkelijk rendement, dan is deze wet als tussenstap natuurlijk wel een verbetering ten opzichte van hetgeen we hebben. Ik zou graag de reactie van de heer Vlottes daarop willen horen.

De heer Vlottes (PVV):

"Tussenstap?" "Tussenstap?" Er is geen enkele garantie op die tussenstap. De tussenstap of het tussenstation is door de staatssecretaris naar voren gebracht, waarvan akte, maar die garantie is er helemaal niet. De enige feitelijke omstandigheid die er nu is, is deze wet. Die ligt hier voor. We zouden dan met z'n allen maar moeten kijken waar dit eindigt, terwijl alle seinen nu al op rood staan. Zoals ik al zei, worden de dagvaardingen zo ongeveer nu al geschreven en wordt de gang naar de rechter nu al gemaakt. Dan heb ik het ook over Straatsburg; er moet vanuit daar ook nog een oordeel hierover worden gegeven. Die vraag heb ik ook terecht gesteld: hoe verhoudt dit zich tot artikel 1? U heeft het over een tussenstap, maar dit is de wet en we moeten maar aannemen waar die gaat landen.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor de inbreng, meneer Vlottes. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stultiens, die zijn inbreng gaat houden namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Dit wetsvoorstel zit vol met gemiste kansen. Het is een gemiste kans dat de enorme vermogensongelijkheid niet wordt aangepakt. Het is een gemiste kans dat de belastingdruk niet wordt verschoven van werk naar vermogen. Het is ook een gemiste kans dat er geen einde komt aan de vlaktaks in box 3. En dat terwijl we al zo vaak gewaarschuwd zijn: al die ambtelijke rapporten van de afgelopen jaren, de studies van het Centraal Planbureau en vandaag het nieuwe rapport van Oxfam. De belastingen op werk en vermogen zijn niet met elkaar in balans. Hoe rijker je bent, hoe lager je effectieve belastingdruk, en de rijken worden steeds rijker. Op die gemiste kansen kom ik zo meteen terug.

Ik ga beginnen met wat er vandaag wél voorligt: een belasting op basis van daadwerkelijk rendement in plaats van fictief rendement. Dat is inderdaad een stap vooruit. Een belangrijk vraagstuk de afgelopen jaren ging over het moment van belasten. Kies je voor een jaarlijkse vermogensaanwasbelasting of een belasting op basis van gerealiseerde vermogenswinsten? GroenLinks-PvdA is voorstander van een vermogensaanwasbelasting. Die is economisch gezien het minst verstorend en beter uitvoerbaar voor de Belastingdienst en voor mensen zelf. Er is minder kans op uitstelgedrag en ja, het leidt niet tot miljarden aan budgettaire derving in de komende jaren. We vinden het daarom jammer dat er is gekozen voor een hybride variant.

Een onderbelicht aspect in deze discussie is de precieze budgettaire derving. Deze discussie speelt al jaren hier in de Kamer, maar de harde bedragen ontbreken. Af en toe hoor je: ja, het kost misschien een paar miljard de komende jaren en structureel maakt het niks uit. Op die ordegrootte snap ik het, maar het gaat om groot geld. Ik vraag aan de staatssecretaris heel precies: hoeveel extra geld loopt de overheid nu mis, omdat er wordt gekozen voor een hybride versie versus aanwas? En hoeveel geld zou het kosten de komende jaren, of de jaren nadat een nieuwe Kamer dat wijzigt, als er voor vermogenswinst wordt gekozen? Want het budgettaire probleem is niet opgelost als we het over een paar jaar alsnog zouden veranderen. Ik vraag namelijk om harde en complete cijfers, omdat dat uitmaakt voor het debat hier in de Kamer.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik bemerk bij collega Stultiens een enorme focus op de korte termijn, terwijl in de memorie van toelichting staat dat het op langere termijn niet uitmaakt voor de opbrengsten. Sterker, er werd ook ingebracht dat een vermogenswinstbelasting structureel weleens meer zou kunnen opleveren dan vermogensaanwas, omdat je bij vermogensaanwas wordt gedwongen om bepaalde zaken die renderen te verkopen om belasting te kunnen betalen. Het rente-op-rente-effect zou dus kunnen leiden tot meer opbrengsten aan vermogenswinstbelasting voor de Staat dan bij vermogensaanwas. Hoe weegt collega Stultiens deze verschillende facetten: korte termijn versus lange termijn, maar ook dat vermogenswinst misschien weleens meer zou kunnen opleveren op langere termijn dan vermogensaanwas?

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dank voor deze goede vraag. Laat ik beginnen met de korte termijn. Er wordt vaak mee geschermd dat het even een kwestie van een paar jaar is. Ik heb bijvoorbeeld in het verslag gevraagd wat deze hybride versie kost, vergeleken met aanwas. Dan krijg ik als antwoord: voor de komende tien jaar opgeteld 23 miljard. Dan loop je 23 miljard euro mis vanwege deze variant. Dat zijn ordegrootten van klimaatfondsen, van stikstoffondsen. De heer Grinwis weet beter dan ik hoeveel huizen je kan bouwen met dat geld. Daar praten we over.

Ik vind het te makkelijk om hier te roepen om een andere versie te kiezen maar niet bereid te zijn om te zeggen hoe je het betaalt. Als het op termijn structureel meer winst oplevert, dan maakt dat het aantrekkelijker. Dat hoor ik dan graag van de experts van Financiën, maar ik heb die cijfers voorlopig niet gezien. Ik zie alleen de cijfers van Financiën, die ik moet vertrouwen. Dan wordt er gezegd dat we structureel naar hetzelfde toe bewegen. Het jaartal wordt niet genoemd, maar we zien wel dat je de komende tientallen jaren geld misloopt. Als er nieuwe cijfers komen, dan sta ik daarvoor open. Dan blijven die andere bezwaren trouwens wel staan van uitstelgedrag en uitvoerbaarheid. Die vind ik ook belangrijk. Maar precies om deze reden vraag ik heel duidelijk aan de staatssecretaris om harde complete cijfers, want dan hebben we in elk geval een gedeelde basis voor dit debat.

De voorzitter:

De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik vraag dus naar het budgettaire verschil tussen aanwas, hybride en winst, want dan heb je volgens mij een goed debat. Ik vraag dit ook, omdat heel veel partijen dit al jarenlang boven de markt laten hangen. Ik vind dat als wij als Kamer, als politiek het vertrouwen willen vergroten, we ook eerlijk moeten zijn. Als wij met elkaar niet bereid zijn dat geld uit te trekken — dat geldt voor mijn partij — dan moeten we gewoon de eerlijke conclusie trekken dat het geen vermogenswinst wordt. Als partijen het wel willen, mag dat ook, maar zeg dan hoe je het gaat betalen. Maar dat heb ik nog niet een partij hier horen doen in de afgelopen jaren.

Voorzitter. Behalve over de budgettaire verschillen tussen die varianten heb ik ook nog een aantal vragen over de budgettaire raming bij dit wetsvoorstel. In het basispad daalt de opbrengst van het oude stelsel van zo'n 9 miljard naar 7 miljard in 2060. Hoe komt dat nou precies, vraag ik de staatssecretaris. Ik lees in de toelichting dat het komt doordat de hoge waardestijgingen uit het recente verleden niet onbeperkt kunnen worden volgehouden in de toekomst. Is er een nadere onderbouwing van waarom dat de afgelopen jaren wel zo was, maar over 30 jaar niet? Ik ben benieuwd hoe dat zit. Als het inderdaad klopt, zou ik verwachten dat ook bij deze nieuwe wet de opbrengst moet afnemen in de komende jaren. Als het forfaitaire rendement afneemt, zou je denken dat er ook iets gaat gebeuren met het werkelijke rendement. Ik ben benieuwd hoe dat zit. Tot nu toe is dat voor mij een raadsel.

Een ander pijnpunt bij het voorstel heeft betrekking op de uitvoering. Daarover is al veel gezegd door mijn collega's. Van deze uitvoeringstoets wordt niemand hier vrolijk, denk ik. Er zijn vier rode vlaggen en één gele vlag, en er is structureel 900 fte nodig voor dit wetsvoorstel. De Belastingdienst erkent zelf al: het gaat de komende jaren niet lukken om al deze mensen te werven. Dit leidt tot verslechterde dienstverlening en een achterblijvend niveau van toezicht. Volgens mij krijgen alle partijen hier buikpijn van zo'n uitvoeringstoets. Als zo'n toets voorbijkomt, moet je normaal gesproken als Kamer zeggen: zo'n wet sturen we terug. Maar het lastige is: wat is het alternatief? De huidige situatie is namelijk ook een drama qua uitvoering en over de oude situatie wordt gezegd dat dat juridisch niet meer mag. Eigenlijk lijkt het er dus op dat we als Kamer heel weinig keuze hebben.

Ik doe nog één laatste poging bij de staatssecretaris. Is er echt alles aan gedaan om deze uitvoeringstoets minder slecht te maken? Zijn er nog manieren over waardoor wij als Kamer de komende — hoelang hebben we nog? — twee maanden kunnen bijsturen om deze wet beter uitvoerbaar te maken? Ik vind het eerlijk gezegd echt zonde van onze broodnodige mensen dat hier 900 fte aan gaat werken. Als we niet kunnen bijsturen, wat gaat er in de komende jaren dan gebeuren als dat aantal mensen niet kan worden aangenomen? Denk bijvoorbeeld aan het aantal waarderingsexperts, want daarvan zegt de staatssecretaris: dat gaat waarschijnlijk niet lukken; ik ga het oplossen met extra data. Wat betekent dat precies?

Voorzitter. Een ander risico bij dit voorstel, en eigenlijk bij belasting in het algemeen, is belastingontwijking of zelfs -ontduiking. Daarom vraag ik: heeft de staatssecretaris alle potentiële constructies scherp op het netvlies? Hoe gaat de Belastingdienst bijvoorbeeld onderscheid maken tussen beleggen in kunst, dat wel belast is, en kunst voor eigen gebruik, die niet belast is? Ik ben zelf geen kunstbelegger of liefhebber, maar dat klinkt alsof er een heleboel grensgevallen mogelijk zijn. Ik hoor graag hoe de staatssecretaris dit uitvoerbaar maakt, ook voor mensen zelf.

Dan de hypotheekrenteaftrek.

De voorzitter:

De heer Grinwis heeft nog een vraag op dit punt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Vastgoed is vanochtend al een paar keer aan de orde gekomen. Daarvoor wordt in de wet een bijtelling van 3,35% voorgesteld. Ik zag dat mijn collega in zijn inbreng heeft geopperd om die misschien nog wat hoger te maken. Voor kunst geldt geen bijtelling, net als voor goud en andere bronnen. Hoe waardeert mijn collega van GroenLinks-PvdA dat we voor het ene goed een veronderstelde bijtelling hebben, omdat je ervan geniet, maar voor andere bronnen van vermogen niet? Daar is toch geen touw aan vast te knopen?

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Daar ga ik een paar dingen op zeggen. Eén. Mijn partij blijft — ik kom er straks nog op terug — voorstander van een vermogensbelasting voor de allerrijksten. De categorie met veel goud zal daar dus onder vallen. Twee. Zoals ik het lees in het verslag, zijn de categorieën die ik daaronder zou willen laten vallen — denk aan dure boten et cetera — categorieën waarvan het kabinet zegt: dat neemt in waarde af, dus het levert niks op om dat toe te voegen. Dat vind ik daar lastig aan. Wij hebben inderdaad vragen gesteld over die vastgoedbijtelling. Er is gekozen voor de onderste 10% van de percentielen. Daarvan kun je zeggen: dat is eigenlijk best mild. Wij komen niet met amendementen om dat te wijzigen, omdat ik de discussie ook snap, maar ik vind het een goede balans om te kijken naar een veilige marge, waarbij 90% van de huizen erboven zit. Dan denk ik: dat durf ik wel aan. Als het punt van de heer Grinwis is hoe het zit met goud kunst en boten ... Elk amendement dat zorgt voor een uitvoerbare belasting voor deze categorieën, zal ik van harte steunen.

De voorzitter:

De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik ga verder met mijn lijstje potentiële belastingontwijkingroutes. Ik begin met de hypotheekrenteaftrek. Het is de hoogste tijd dat die verder wordt afgebouwd. Ik hoop dat mijn buren daar werk van maken aan de formatietafel. Ik wil wel het volgende vragen, want daarvoor is gewaarschuwd in campagnetijd. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat die renteaftrek wordt verplaatst naar box 3 als die wordt beperkt in box 1, waar ik voorstander van ben? Kan de staatssecretaris opties in kaart brengen? Dat hoeft niet binnen een dag, maar het zou helpen als het op korte termijn kan, want ik weet niet hoelang ze nog formeren. Dat zou helpen, want als we dit willen afbouwen, is het volgens mij niet de bedoeling dat we het probleem verplaatsen naar box 3, want dan zijn we verder van huis. Ik hoor graag of de staatssecretaris daar wat aan zou kunnen doen.

Dan maak ik nog een klein uitstapje naar box 2. Het kabinet schrijft terecht: "Bij vermogenswinst krijg je een lock-ineffect. Er is een prikkel om belastingheffing uit te stellen door winst niet te realiseren." Het kabinet verwijst daarbij naar allerlei rapporten, zoals het Bouwstenenrapport uit 2020, het ibo uit 2022 en het CPB-rapport uit 2024. Het zijn allemaal argumenten waaruit blijkt dat er veel vermogen opgepot zit in box 2, soms ook als beleggingsvermogen. Mijn vraag aan het kabinet is: als het kabinet dit ziet en terecht erkent, waarom doet het daar dan niks aan bij box 2? Waarom laten we dit ongemoeid? Ik vind de argumenten sterk genoeg om hier niet voor te kiezen bij box 3.

Tot slot op dit punt. Een van de doornen in mijn oog van de afgelopen jaren is het verhuld vermogen in het buitenland. De wetenschap denkt dat zo'n 18 tot 44 miljard euro van Nederlandse huishoudens in het buitenland verhuld is. De staatssecretaris zegt in antwoord op onze vragen: wij hebben zelf geen betere inschatting, dus we denken dat het klopt. Bij zulke bedragen moeten alle alarmbellen gaan rinkelen. Doen wij als land, als overheid, genoeg om dit op te sporen, qua capaciteit en eventuele nieuwe wetgeving? Want ik vind het niet uit te leggen aan alle mensen die wel netjes belasting betalen dat er voor tientallen miljarden wordt verhuld in het buitenland. Zou de staatssecretaris op basis van gegevens bij de Belastingdienst in kaart kunnen brengen hoeveel vermogen wél wordt aangegeven per land? Ook dat hoeft niet vandaag, want ik snap dat dat tijd kost. Maar ik denk wel dat dat ons helpt in onze zoektocht naar verhuld vermogen.

Voorzitter. Dat brengt mij bij de gemiste kansen van het wetsvoorstel. In de afgelopen jaren zijn er veel rapporten verschenen die zeiden: verschuif de belastingen van werk naar vermogen, want in het huidige stelsel is het evenwicht zoek. Het kabinet geeft aan: wij gaan met dit voorstel geen herverdeling maken van de lasten over de verschillende grondslagen. Ook de VVD zegt net: we willen geen ideologische verschuiving van arbeid naar kapitaal. Maar vasthouden aan de status quo is ook een ideologische keuze en in onze ogen een enorme gemiste kans. We wachten al tien jaar op dit wetsvoorstel. Het ligt er nu eindelijk, dus waarom maken we geen gebruik van de mogelijkheid om de ongelijkheid in het stelsel te herstellen? Wij komen daarom vandaag als GroenLinks-PvdA zelf met een wetswijziging, die mede is ingediend door de SP, voor een toptarief in box 3 in plaats van de huidige vlaktaks. Waarom wordt inkomen uit vermogen niet hetzelfde behandeld als inkomen uit werk? Waarom betalen hardwerkende mensen wel een toptarief als ze veel gaan verdienen, maar beleggers, pandjesbazen en miljonairs niet? Waarom kiest het kabinet toch voor de vlaktaks? Klopt het dat vele andere landen wél een progressieve belasting hebben voor inkomen uit vermogen? En klopt het ook dat Nederland vroeger, in de jaren 1964 tot 2001, wel een progressief tarief had voor inkomen uit vermogen?

Voorzitter. Tot slot wil ik stilstaan bij de enorme vermogensongelijkheid in Nederland en wereldwijd. Vandaag hebben we het jaarlijkse rapport van Oxfam kunnen zien, dat altijd verschijnt rondom Davos. Wat lezen we? De elite wordt rijker en machtiger dan ooit en de belastingregels bevoordelen de groep die toch al rijk is in plaats van het algemeen belang. Ook in Nederland hebben de rijkste 500 families hun vermogen zien verdrievoudigen in tien jaar tijd. Het is daarom de hoogste tijd voor een miljonairsbelasting, een vermogensbelasting voor bijvoorbeeld de rijkste 1%. We hebben eerder vragen gesteld over het voorstel van Zucman, dat bij de G20-top in Brazilië is ingediend. Dat gaat over een wereldwijde minimumbelasting van 2% voor vermogens boven de 100 miljoen. De antwoorden hierop waren helaas niet concreet genoeg.

Daarom stel ik opnieuw drie vragen aan de staatssecretaris. Ook hiervoor geldt: als het niet lukt om die vandaag te beantwoorden, dan graag binnen twee weken. Dan komt Zucman namelijk op bezoek bij de commissie voor Financiën. Vraag één: hoeveel geld zou deze belasting opleveren in Nederland? Vraag twee: per wanneer is die uitvoerbaar voor de Belastingdienst? En vraag drie: wat is er nodig qua voorwaarden om het juridisch houdbaar te maken? Denk bijvoorbeeld aan een anticumulatiebepaling van 85%, zoals in Frankrijk. We horen graag hoe dit vormgegeven kan worden. Vervolgens kun je een politiek debat voeren over de vraag of het wenselijk is. Wij vinden van wel, maar het helpt in elk geval om te weten of het kan en wat het oplevert.

Ik heb daarnaast nog één vraag: wat doet Nederland in deze discussie concreet Europees en wereldwijd om dit aan te jagen? Er is Kamerbrede steun om dit wereldwijd in te voeren. Hoe staat het met de oproep van het kabinet in de Gedragscodegroep om het uit te breiden van bedrijven naar vermogenden? Ik lees in het verslag: Nederland is hard bezig met de discussie, maar het kan lang gaan duren. Die antwoorden stellen me niet erg gerust, dus ik hoor graag of wij vaker een update kunnen krijgen over hoe het staat met die ontwikkelingen wereldwijd, wat Nederland precies gedaan heeft en welke bondgenoten we hierop hebben.

Voorzitter, tot slot. Dit wetsvoorstel is een stap vooruit. Mijn fractie zal het daarom steunen. Tegelijkertijd is het een wetsvoorstel vol met gemiste kansen. Wij bieden de Kamer daarom vandaag in elk geval één amendement aan, waarmee we het wetsvoorstel een stuk beter kunnen maken. Ik hoop dat alle partijen die in de campagne zeggen op te komen voor de werkende Nederlander, dit voorstel ook zullen steunen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Oosterhuis, die spreekt namens de D66-fractie.

De heer Oosterhuis (D66):

Dank u, voorzitter. Langverwacht en toch gekomen. Al in 2017 is in het regeerakkoord afgesproken om werkelijk rendement te gaan belasten. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk ligt dit voorstel er nu. Ik hoor heel veel kritische vragen. Daar heb ik er zelf ook een heel aantal van, maar voor mij — misschien is het mijn optimistische aard — is het glas toch echt halfvol. Misschien is dit wel een van de grootste belastinghervormingen sinds 2001, en een belangrijke. Het is een wet die raakt aan een kernvraag van onze rechtsstaat: hoe belasten we vermogen op een manier die rechtvaardig is, uitvoerbaar en in overeenstemming met onze grondrechten? Dat is hoognodig, want het huidige stelsel is onhoudbaar. Mensen betaalden belasting over rendementen die zij nooit hebben behaald, terwijl anderen met hogere rendementen relatief weinig bijdroegen. Door de jaren heen is box 3 daarom steeds verder opgelapt, met noodverbanden, tijdelijke reparaties en tegenbewijsregelingen. Wat na de uitspraken van de Hoge Raad resteert, is een stelsel dat nog net leeft, maar nauwelijks meer functioneert. Het is een soort fiscaal Frankenstein, samengesteld uit losse onderdelen, juridisch wankel, slecht uitlegbaar en uiterst complex. Dat fiscale Frankenstein heeft ook een prijs: momenteel worden er miljarden euro's minder belasting geheven op vermogen dan beoogd. Dat raakt aan een groter vraagstuk. Nederland kent een hoge en groeiende vermogensongelijkheid. D66 vindt dat er niets mis is met het hebben van vermogen — mensen werken daar vaak hard voor — maar als de verdeling te scheef wordt, heeft dat steeds minder te maken met inzet en steeds meer met toeval, met de plek van je wieg. Kansengelijkheid is voor D66 cruciaal. Een te scheve vermogensverdeling is slecht voor de economie, slecht voor het functioneren van onze samenleving en voor onze democratie. Juist daarom is het goed dat deze wet er nu ligt. Het is geen wondermiddel, maar wel een noodzakelijke stap om afscheid te nemen van een onhoudbaar stelsel.

Voorzitter. Ik ga het vandaag niet al te spannend maken: D66 staat positief tegenover deze wet. Ik vind het belangrijk dat deze per 2028 wordt ingevoerd. Dat neemt niet weg dat ik nog veel vragen heb en er ook nog genoeg discussie valt te voeren over eventuele wijzigingen en over vrijstellingen, hoogte van tarieven et cetera. Ik kijk daarbij ook naar mijn buurman. Maar we behandelen deze wet nu midden in de kabinetsformatie. Ik vind het wel verstandig om die eerst af te ronden. Er komen ook nog genoeg momenten om te wijzigen, bijvoorbeeld bij een Belastingplan.

Voorzitter. De afgelopen jaren is veel gesproken over de vraag of vermogenswinst of de vermogensaanwas moet worden belast, of het hele vermogen, zoals de heer Grinwis voorstelt. Beide varianten, vermogenswinst en vermogensaanwas, hebben voor- en nadelen. Ik vind de keuze in dit wetsvoorstel best wel begrijpelijk en verdedigbaar: een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel en een vermogenswinstbelasting voor minder liquide vermogensbestanddelen, zoals vastgoed. Een aanwasbelasting verstoort de markt minder, doordat mensen hun verkoopbeslissing niet uitstellen. Als je weet dat je bij verkoop over tien of twintig jaar aan rendement belasting moet aftikken, nodigt dat immers niet erg uit om te verkopen. Een bijkomend voordeel vind ik dus ook dat een aanwasbelasting de belastingdruk over de jaren spreidt en er niet in één keer een grote belastingaanslag is. Nadeel van de aanwasbelasting is wel dat je belasting betaalt over rendementen die nog niet altijd zijn gerealiseerd. Dat is leuk als je aandeel in waarde stijgt, maar het is minder leuk om daar belasting over te moeten betalen als het volgend jaar weer in waarde daalt. Ik snap ook wel dat mensen dat een lastig principe vinden, maar met de mogelijkheid tot onbeperkte voorwaartse verliesverrekening is daar wat mij betreft goed in voorzien. Voor onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen gaat een vermogenswinstbelasting gelden. Voor andere vermogensbestanddelen moet de belasting betaald worden uit vrij beschikbaar spaargeld of door het verkopen van een deel van de beleggingen. Zijn er nu situaties waarin de staatssecretaris daar problemen voorziet, bijvoorbeeld met slecht verhandelbare aandelen of werknemersparticipaties? Hoe weegt hij de kritiek op dat punt?

Een vermogensaanwasbelasting sluit ook beter aan bij de situatie waar we vandaan komen. Een vermogenswinstbelasting kent een ingroeitijd, waardoor er best wel lange tijd minder belastinginkomsten zijn. Dat leidt in ieder geval tot een budgettair gat, waar we het net al even over hebben gehad, maar ik zie ook wel het risico dat in die ingroeiperiode de vermogensongelijkheid toeneemt. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Voorzitter. De keerzijde van het belasten van rendement is dat het de prikkel om met wat meer risico te beleggen kleiner maakt. Als je €50.000 hebt, waarvan de helft spaargeld is en de andere helft aandelen zijn, betaal je meestal meer belasting dan wanneer je €150.000 op een spaarrekening hebt staan. Ik kan mij indenken dat dit voor mensen een reden kan zijn om de stap naar beleggen uit te stellen of niet te zetten. Dat zou ik wel jammer vinden. Heeft de staatssecretaris hiernaar gekeken? Heeft hij bijvoorbeeld overwogen om een aparte vrijstelling voor spaargeld en een aparte vrijstelling voor overige beleggingen in te voeren?

Voorzitter. Een vermogenswinstbelasting heeft als voordeel dat het werkelijk gerealiseerde rendement wordt belast, maar het nadeel is dat die belasting over een aantal jaren heel fors kan oplopen. Dat zie ik ook wel als een risico bij de vermogenswinstelementen in dit wetsvoorstel, bijvoorbeeld bij life events zoals een scheiding of bij overlijden. Stel dat je ouder komt te overlijden; je erft een vakantiehuis dat al decennia in de familie is en dat wil je niet graag verkopen. Of je gaat scheiden, terwijl je werknemersparticipaties hebt in een succesvolle start-up. Dan moet belasting worden betaald over de niet-gerealiseerde waardemutaties. Dat kan leiden tot forse belastingaanslagen op momenten waarop mensen emotioneel en soms ook financieel al onder druk staan. De heer Hoogeveen heeft een amendement dat hieraan raakt. Ik zie uit naar de appreciatie van dat amendement.

Ik heb sowieso een paar vragen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er goede en voorspelbare betalingsregelingen zullen zijn voor belastingplichtigen die in dit soort situaties met een hoge heffing worden geconfronteerd? Worden die regelingen ook actief onder de aandacht gebracht? Hoe wordt in deze situaties rekening gehouden met het doenvermogen van mensen die onverwacht te maken krijgen met complexe fiscale verplichtingen? Voor D66 is het belangrijk dat een stelsel dat rechtvaardigheid beoogt, ook rechtvaardig is in moeilijke persoonlijke omstandigheden.

Mijn laatste vraag over dit onderwerp. Er moet ook worden afgerekend bij trouwen. Misschien begrijp ik de memorie van toelichting op dit punt niet helemaal goed, maar zoals ik het lees, moet er ook worden afgerekend als er wordt getrouwd in beperkte gemeenschap van goederen. Stel je trouwt op je 55ste. Je hebt inmiddels een vakantiehuisje en dat is €50.000 in waarde gestegen. Wat mij betreft is het scenario dan niet geheel ondenkbaar dat je dan op je trouwdag €18.000 aan belasting mag aftikken. Dan wordt die bruiloft toch een stuk minder feestelijk. Sterker nog, misschien gaan mensen om die reden wel níet trouwen. Als men in beperkte gemeenschap van goederen trouwt en het vakantiehuis in dit voorbeeld buiten de gemeenschap van goederen blijft, waarom moet dan toch belasting worden betaald? Is dat nu noodzakelijk en redelijk?

Voorzitter. Dan heb ik vragen over de vastgoedbijtelling. Dit is eigenlijk de enige uitzondering op het werkelijke rendement. Hierbij wordt namelijk uitgegaan van een forfaitaire bijtelling van 3,35%. Ik stel voorop dat ik die bijtelling terecht vind. Eigen gebruik kan worden gezien als inkomen in natura. Die bijtelling is ook een goede prikkel om vastgoed te verhuren. Zeker in een tijd van woningtekorten vind ik dat legitiem. Meneer Grinwis maakte de vergelijking met de goudstaaf, maar in een goudstaaf kun je niet wonen. Volgens mij is het ook voor de lokale omgeving goed dat woningen en vakantiehuisjes worden verhuurd in plaats van grotendeels leegstaan. Ik zie dat er kritiek is op de juridische houdbaarheid van deze vastgoedbijtelling. Ik zou het risico dat die sneuvelt bij een rechter willen minimaliseren. Daarom nodig ik de staatssecretaris uit om de kritiek op dit punt vast bij voorbaat te pareren. Tegelijkertijd vraag ik hem waarom gekozen is voor het laagste deciel als uitgangspunt, want 90% van het vastgoed heeft een hogere huurwaarde. Is de staatssecretaris ervan overtuigd dat een hoger percentage juridisch onhoudbaar is? Of is hij om een andere reden wat conservatiever?

Onderhoudskosten mogen worden verrekend met de vastgoedbijtelling. Betekent dit ook dat, als de onderhoudskosten hoger zijn dan de bijtelling, er fiscaal gezien een verlies is dat verrekend kan worden?

Voorzitter. Dan heb ik een aantal vragen over de tarieven. Het belastingtarief van 36% in box 3 is lager dan het tarief van de tweede schijf in box 1 en het is ook lager dan het gecombineerde tarief van box 2 en de vennootschapsbelasting. D66 ziet liever een wat hogere belasting op vermogen en een lagere op arbeid. Verwacht de staatssecretaris nu grote gedragseffecten als het tarief in box 3 meer richting de tweede schijf in box 1 of richting de combinatie van vennootschapsbelasting en box 2 gaat?

Ook ziet D66 principieel veel in een progressief tarief voor inkomen en dus ook voor inkomen uit vermogen. Vermogen en inkomen uit vermogen zijn in Nederland namelijk heel ongelijk verdeeld en een vlak tarief doet dus onvoldoende recht aan verschillen in draagkracht. Ziet de staatssecretaris ruimte, nu of in de toekomst, om toe te groeien naar zo'n progressieve tariefstructuur in box 3? Welke uitvoerings- en gedragseffecten voorziet het kabinet daarbij?

Voorzitter. Ik vraag de staatssecretaris of dit stelsel door het kabinet wordt gezien als een eindpunt of juist als een fundament waarop verdere keuzes mogelijk zijn. Welke knoppen zouden volgens de staatssecretaris nog toegevoegd kunnen worden? Is er bijvoorbeeld ruimte voor gerichte correcties voor zeer grote vermogens? Hoe kijkt het kabinet naar de mogelijkheid van een aanvullende vermogensbelasting, niet als een vervanging, maar als een aanvulling op dit stelsel? Wat zijn de voorwaarden waaronder zo'n vermogensbelasting voor de echt grote vermogens, beginnend bij een miljoen, zou ik zeggen, juridisch houdbaar is? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de wenselijkheid van het belasten van inkomen uit vermogen, maar ook van de omvang van het vermogen?

Ik vraag dit niet omdat D66 morgen nieuwe belastingen wil invoeren, maar wel omdat de Raad van State terecht wijst op de noodzaak van een integrale visie op het belasten van vermogen. Kan de staatssecretaris schetsen hoe hij die samenhang ziet, ook in relatie tot box 1 en box 2? Ook internationaal zien we dat extreem rijken allerlei mogelijkheden hebben om zo min mogelijk belasting te betalen. Bij welke initiatieven is de staatssecretaris betrokken om er met andere landen voor te zorgen dat er ook bij die groep eerlijk belasting wordt geheven?

Voorzitter. Naast het tarief is ook de hoogte van het heffingsvrij resultaat van belang. Op dat punt is tijdens dit wetstraject nog een opmerkelijke keuze gemaakt, die nergens is toegelicht. In een eerdere versie van het wetsvoorstel, de consultatieversie, was de hoogte van het heffingsvrij resultaat €1.250. In het wetsvoorstel is dat op €1.800 gezet. Was is de reden hiervoor? Leverde het wetsvoorstel meer op dan verwacht of zit hier een andere keuze achter? In de huidige box 3 hebben we een heffingsvrij vermogen van ruim €57.000. Als je dan uitgaat van de 2%-inflatiedoelstelling van de ECB, zou zo'n heffingsvrij resultaat van ongeveer €1.200 meer voor de hand liggen, als je het neutraal overzet. Waarom is het heffingsvrij resultaat dan toch verhoogd en heeft het kabinet er niet voor gekozen om met zo'n extra opbrengst, die er blijkbaar was, de belasting op arbeid te verlagen of om deze meevaller te gebruiken om de — laat ik mild zijn — budgettaire uitdaging die dit kabinet achterlaat enigszins te verkleinen?

Voorzitter. Ik kom bijna aan het einde. Bij het Belastingplan heb ik aandacht gevraagd voor het laten herleven van de belastingvoordelen in box 3 voor groen sparen en beleggen. Die hebben we ook weer bevestigd in de afspraken die we met het CDA hebben gemaakt voor de kerst. Dat belastingvoordeel zit nu niet in deze wet, omdat die in de huidige box 3 uitgefaseerd wordt. Ik zie 'm wel graag terugkeren in deze wet. We moeten natuurlijk wel nette afspraken maken over de dekking daarvan, dus daarvoor komt deze behandeling net wat vroeg. Ik vraag wel aan de staatssecretaris of het nog uitvoerbaar is per 2028 als we dat dus niet nu doen, maar als dat wordt opgenomen in het eerstvolgende Belastingplan.

Voorzitter. Ik sluit af. Het oude box 3-stelsel is echt een fiscaal monster van Frankenstein geworden. De bedoeling is goed, maar uiteindelijk is het echt een monster dat niemand meer kan verdedigen. Met deze wet zetten we een noodzakelijke stap om dat monster achter ons te laten. Ik zie het als een noodzakelijke stap. Het is niet perfect, niet eenvoudig, maar wel beter. Het is eerlijker voor spaarders, rechtvaardiger voor beleggers en steviger verankerd in de rechtsstaat. Mijn steun gaat gepaard met kritische vragen, omdat we willen dat dit stelsel standhoudt, juridisch, in de uitvoering en maatschappelijk. De komende jaren zullen leren of dit evenwicht in de praktijk werkt. Daarvoor blijven monitoring, evaluatie en bijsturing onmisbaar.

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens en daarna van de heer Grinwis.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Met een heel groot deel van het betoog van D66 ben ik het eens. Het is alleen jammer dat het nu samenvalt met de formatie. Ik snap heel goed dat er wordt onderhandeld; daar ga ik niet flauw over doen. Maar ik ben wel benieuwd wat die woorden dan waard zijn. Ik hoor u over progressieve belasting, vermogensbelasting en aanpak. Dat zijn allemaal dingen die ik steun. Komt er over een paar weken een soort amendementenpakket of is dit meer voor het Belastingplan van volgend jaar? Wat betekenen deze goede woorden voor de komende jaren?

De heer Oosterhuis (D66):

Volgens mij zijn alle zaken die ik daarin op dat vlak zou willen wijzigen, los van de afspraken die we daarover kunnen maken, dingen die prima in het Belastingplan geregeld kunnen worden. Ik zou het dus eerder in het Belastingplan terugzien dan in amendementen die na dit WGO nog worden ingediend.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De eerste hobbel is volgens mij op 30 januari of 31 januari, als er dan een conceptcoalitieakkoord ligt. Volgens mij kunnen we als Kamer afspreken dat we in ieder geval na de bekendmaking van dat coalitieakkoord stemmen, zodat we een vergelijking kunnen maken en kunnen zien of alle pijnpunten erin zitten.

Ik heb een vraag over wat collega Oosterhuis zei over inflatie. Hij zei dat het heffingsvrije inkomen van €1.800 daaraan gerelateerd moet zijn. Tenminste, dat was volgens mij de portee van zijn inbreng. Is dat zo? Inflatie is voor veel burgers sowieso een enorm pijnpunt in box 3, want daar wordt helemaal geen rekening mee gehouden. Je wordt gewoon volledig aangeslagen over het nominaal inkomen. Is het heffingsvrije inkomen dan inderdaad een soort compensatie voor inflatie? Hoe bedoelde de heer Oosterhuis dat? Als dat zo is, moet je het heffingsvrije inkomen dan niet vaststellen op basis van de daadwerkelijke inflatie van de afgelopen jaren? Dan is €1.800 misschien wel te laag, met het oog op de inflatiepercentages van de afgelopen jaren.

De heer Oosterhuis (D66):

Ik bedoelde het niet zoals meneer Grinwis het nu uitlegt. Ik heb gezien dat het heffingsvrije resultaat gaandeweg is verhoogd van €1.200 naar €1.800. Dat roept vragen bij mij op, want waarom is dat gebeurd? Toen dacht ik zelf: wat is nu redelijk, uitgaande van de huidige situatie, waarin we een heffingsvrij vermogen hebben? Ik vind het heel reëel dat mensen spaargeld kunnen aanhouden voor onverwachte gebeurtenissen, want je huis moet misschien gerepareerd worden, je auto of de wasmachine gaat een keer kapot et cetera. Ik vind het heel realistisch dat je daar risicovrij, belastingvrij, een bedrag voor op je rekening mag hebben. Maar als ik dat dan relateer … We hebben nu een heffingsvrij vermogen van €57.000. Ik denk dat dat een heel redelijk bedrag is. Mocht je getrouwd zijn en/of een fiscaal partner hebben, dan wordt dat bedrag nog eens verdubbeld. Als je dat doorrekent naar wat een redelijk heffingsvrij resultaat zou zijn, zou je bijvoorbeeld ook de rente op spaargeld kunnen gebruiken. In alle gevallen kom ik dan eerder uit op een bedrag van rond de €1.200 dan rond de €1.800.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Het heffingsvrije vermogen is nu ruim €59.000; dat is een gevolg van dat mooie amendement. Dan is €1.800 een rendement van ongeveer 3% op die €59.000, als je het zou bekijken zoals de heer Oosterhuis in zijn bijdrage deed. Dat is toch niet zo heel onredelijk? Ik vond de redenering met de inflatie erin wat gezocht. Als het hem ernst is om ook de inflatie te corrigeren via een soort heffingsvrij resultaat, zou dat bedrag nog eerder omhoog moeten dan omlaag. Volgens mij is de inflatie sowieso een enorme olifant in de Kamer, die we niet echt serieus bespreken met elkaar. Het is een enorm ding. Eigenlijk teert het in, maar vervolgens mag je wel belasting betalen over je nominale inkomen, dat in de praktijk veel minder waard is.

De heer Oosterhuis (D66):

Als de inflatie jarenlang, vele jaren lang, boven die 2% zou zitten, zou dat inderdaad het geval zijn, maar als het incidenteel of kortdurend het geval is, denk ik dat dat wat minder het geval is. Daar komt bij dat alle vrijstellingen elk jaar geïndexeerd worden met de tabelcorrectiefactor. Daarmee wordt de inflatie natuurlijk al wel gecompenseerd. Ik zie dat dus toch net anders.

De voorzitter:

Ik zag mevrouw Van Eijk een beweging maken.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ja. Ik heb inderdaad een hele korte vraag naar aanleiding van de inbreng van de heer Oosterhuis ten aanzien van het stimuleren van beleggen. Dat vinden we allebei belangrijk, maar als je uitgaat van een rendement van 2% op een vermogen van ongeveer €60.000 of €70.000, kom je niet verder dan sparen. Als je een beetje een serieus rendement wilt behalen met investeringen in beleggingen et cetera, zou een verruiming van het heffingsvrije resultaat veel meer voor de hand liggen dan een verlaging daarvan.

De heer Oosterhuis (D66):

Dit is ook de reden dat ik in mijn bijdrage de suggestie heb gedaan voor een vrijstelling voor sparen en een vrijstelling voor beleggen, maar ik hoor van graag de staatssecretaris of dat uitvoerbaar is. Ik kan me ook andere mogelijkheden indenken om dit te stimuleren. Dit was de reden voor die suggestie.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de tijd en ook naar de sluitingstijd van het restaurant. Gelet op de opgegeven spreektijd van mevrouw Van Dijk lijkt het me verstandig om nu voor een halfuur te schorsen om te lunchen. Dan gaan we daarna verder. Ik kan dan trouwens ook beginnen met de heer Vermeer. De heer Vermeer en de heer Stoffer moesten even de zaal uit, maar die zijn er weer. Dan beginnen we met de heer Vermeer om 13.40 uur. Ja? We zijn tot dan geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën, het wetgevingsoverleg over de Wet werkelijk rendement box 3. We hebben al zes van de elf sprekers gehad. We gaan nu door met de tweede helft van de eerste termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de heer Vermeer, die het woord voert namens de BBB-fractie.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. De weg richting rechtvaardige belasting in box 3 gaat niet over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 … Voorzitter, ik ben wat buiten adem. Zou de heer Stoffer eerst even mogen?

De voorzitter:

Ja, zeker.

De heer Vermeer (BBB):

In verband met mijn longen lijkt me dat beter.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de heer Stoffer namens de SGP-fractie.

De heer Stoffer (SGP):

Dank, voorzitter, met alle plezier. We bespreken vandaag een wet met een lange geschiedenis. Heel veel voorgangers van deze staatssecretaris zijn al met deze wet bezig geweest. Het is goed dat er vandaag een concreet voorstel voorligt. Hoewel wij kritisch zijn op onderdelen van de wet — daar kom ik zo op terug — zijn we blij dat die er vandaag ligt. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat er veel meer op basis van werkelijk rendement wordt geheven. Dat is goed. Daar pleit de SGP ook al jaren voor. Ik heb helaas niet alle sprekers voor mij kunnen horen, maar degenen die ik wel heb gehoord, hebben ook al aangegeven dat het oude stelsel de houdbaarheidsdatum ruim overschreden heeft. Dat vinden wij ook. Met kunst- en vliegwerk en middels de reparatiewetgeving hebben we het stelsel de afgelopen jaren in de lucht gehouden, maar ik denk dat iedereen het er wel over eens is dat het goed is dat er een nieuw stelsel komt. Vooral de lage rentestanden op spaargelden zorgden ervoor dat burgers veel zwaarder belast werden dan rechtvaardig is, terwijl beleggers met hoge rendementen soms juist te laag belast werden. Dat zullen ze zelf niet gevonden hebben, maar ik denk dat dat objectief gezien het geval was. Daarom moet er gewoon een stelsel op basis van het werkelijk rendement komen. Dat is rechtvaardig en doet recht aan de draagkracht van belastingplichtigen.

Ik zei het al: deze wet kent een lange geschiedenis. Er is lang gesproken over de vormgeving; moest er geheven worden op basis van vermogensaanwas of vermogenswinst? Laat ik gelijk zeggen: ik kan de huidige opzet in grote lijnen volgen, maar zie ook wel een aantal bezwaren. Omdat er belasting wordt geheven op basis van niet-gerealiseerde vermogensaanwas, kunnen er grote problemen ontstaan, zoals bij kleine beleggers, die ondanks een kleine portefeuille toch al snel belasting moeten gaan afdragen. Vaak zijn dat middeninkomens, maar ook eigenaren van tweede woningen kunnen al snel in de problemen komen als ze hun woning niet of nauwelijks verhuren. Dat geldt ook voor kleine ondernemers die hun pensioen belegd hebben, maar elk jaar al belasting moeten afdragen over hun pensioenvermogen. Kortom, als SGP zijn we zeker van mening dat het stelsel aangepakt moet worden, maar zien we ook bezwaren in dit voorstel.

Voorzitter. Voor vrijwel alle vermogensbestanddelen wordt er geheven op basis van vermogensaanwas, maar er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld voor start- en scale-ups. Dat is te begrijpen, want een belasting op vermogensaanwas zou daar hele negatieve gevolgen hebben. Datzelfde geldt overigens voor aandelen in familiebedrijven. Die worden niet elk jaar opnieuw gewaardeerd, wat wel moet gebeuren in het nieuwe stelsel. Mijn vraag is of de staatssecretaris het ermee eens is dat dit een grote extra uitvoeringslast voor familiebedrijven met zich meebrengt. Die aandelen zijn namelijk niet vrij verhandelbaar en als er over de vermogensaanwas betaald moet worden, dan gaat het al snel ten koste van het familiebedrijf zelf.

De SGP is er voorstander van om de aandelen in familiebedrijven te belasten op basis van vermogenswinstbelasting. In het eerste voorstel van deze wet was dit ook zo geregeld, maar op basis van een onderzoek is geconcludeerd dat dit mogelijk in strijd is met Europese regelgeving, met name omdat familiebedrijven lastig te definiëren zijn. Mijn vraag is dan ook of de oplossing niet veel meer zit in het beter definiëren van familiebedrijven. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij daartegen aankijkt. De gevolgen voor familiebedrijven, en daarmee voor de Nederlandse economie, en voor de grote maatschappelijke waarde die zij hebben, zijn namelijk groot. Ik zou de staatssecretaris toch willen uitdagen om te bezien of hier een oplossing voor te realiseren is. Overigens speelt een vergelijkbaar probleem bij kapitaalverzekeringen. Ook die zijn niet liquide, terwijl er wel jaarlijks belasting betaald moet worden. Ziet de staatssecretaris ook dit probleem en zou daar misschien een oplossing voor te realiseren zijn?

Voorzitter. Bij tweede woningen wordt niet altijd geheven op basis van het werkelijk rendement, bijvoorbeeld bij vakantiewoningen die weinig verhuurd worden. Dan geldt de vastgoedbijtelling over het hoogste bedrag van de huuropbrengsten en de vastgoedbijtelling. Dat is, hoe je het ook wendt of keert, een forfaitair rendement en doet niet altijd recht aan de situatie in de praktijk. Los daarvan wordt er dan dus belasting geheven terwijl er soms helemaal geen inkomsten zijn. Door de VVD is ook al iets gezegd over een tegenbewijsregeling. Maar goed, we zien wel wat de beantwoording daarop is. Hoe dan ook, er gelden voor verhuur van recreatiewoningen ook beperkingen, zoals een verbod op verhuur in de winter. Mijn vraag is: houdt de vastgoedbijtelling daar nu rekening mee?

Bij het vaststellen van de vastgoedbijtelling is aangesloten bij de gemiddelde economische huurwaarde, maar als een woning of ander vastgoed niet verhuurd wordt, dan is er gewoon geen huuropbrengst. De eigenaar wordt er niet beter van en er zijn geen inkomsten. Je weet bij het vaststellen van de gemiddelde huuropbrengst één ding nagenoeg zeker: bijna niemand haalt precies dat gemiddelde. Er zitten ook altijd burgers bij die een lagere huuropbrengst hebben, terwijl we in dat geval wel belasting heffen op basis van een forfaitair rendement dat zeker niet altijd recht doet aan de werkelijkheid.

Ten slotte, voor al het onroerend goed wordt belasting geheven op basis van de huur van huurwoningen, terwijl er een breed scala aan typen onroerend goed is. Mijn vraag is: is er een risico op rechtszaken die dit forfaitaire rendement gaan testen? Is er dan ook een risico dat bijvoorbeeld de Hoge Raad de wetgever opnieuw terugfluit? Los van de juridische grondslag: er wordt dus niet geheven op basis van werkelijk rendement. Volgens mij doet dat afbreuk aan het wetsvoorstel.

Voorzitter. Een ander probleem doet zich voor bij landgoederen onder de Natuurschoonwet. Ten eerste zijn dat landgoederen met vaak grote maatschappelijke waarde. De heer Grinwis heeft daar al mooi beeldend over verteld. Ik zal alle landgoederen waarover ik in mijn jeugd heb gewandeld niet noemen, maar ik ben het geheel met hem eens. Kenmerkend is ook dat deze landgoederen weinig van eigenaar veranderen en dat die ook bij wisseling van eigenaar geen liquide vermogen opleveren. Op basis van het voorliggende wetsvoorstel moet er echter wel belasting worden betaald over de vermogensaanwas op papier. Dat zet het voortbestaan van deze belangrijke landgoederen op het spel. Ik heb daarom ook van harte meegetekend met het voorstel van de heer Grinwis, die in zijn amendement een vrijstelling voorstelt. Hierdoor hoeft er onder voorwaarden geen belasting te worden betaald over de papieren waardestijging. Uiteraard zijn ook wij benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris.

Datzelfde speelt overigens bij verpachte landbouwgronden. Ook daar is sprake van een grote maatschappelijke waarde, omdat langdurig verpachte landbouwgronden een duurzaam verdienmodel stimuleren en zorgen voor verantwoord gebruik van landbouwgronden. Ook hier dreigt nu te worden belast bij bijvoorbeeld vererving, maar ook hier zijn geen liquide middelen beschikbaar. Er kán vaak ook niet verkocht worden, omdat er sprake is van langdurige pachtcontracten. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij inziet dat dit tot grote financiële problemen zou kunnen leiden. Een oplossing kan zijn om bij langdurig bezit de heffing te matigen of te werken met een afbouw van de heffing als onroerend goed langere tijd in bezit is. Mijn vraag is: welke oplossing zou de staatssecretaris hiervoor kunnen bieden?

Voorzitter. Deze wet wijzigt het stelsel van box 3 grondig en de gevolgen zijn groot. De invoering moet heel goed gemonitord worden, zeker omdat uit de uitvoeringstoets blijkt dat de impact ingrijpend is en het risico op procesverstoringen groot is. Ook de Raad voor de rechtspraak wijst op een substantiële stijging van de werklast. Ik snap heel goed dat je niet al na een jaar kunt evalueren, maar een regelmatige invoeringstoets is volgens de SGP wel essentieel en kan al snel na aanname van dit wetsvoorstel gebeuren. Bij de Wet toekomst pensioenen, ook een grote stelselwijziging, wordt regelmatig een invoeringstoets gedaan. Dat is belangrijk om problemen en uitdagingen bij de invoering snel in beeld te krijgen en eventuele aanpassingen op tijd door te voeren. Mijn vraag is dan ook of de staatssecretaris bereid is om regelmatig invoeringstoetsen te doen. Mocht dat niet zo zijn, dan overweeg ik een motie op dit punt.

Dit wetsvoorstel zou budgetneutraal moeten zijn ten opzichte van het huidige stelsel. Op korte termijn is dat zo, als je de uitvoeringskosten meerekent, maar op langere termijn is er flinke overdekking, van maar liefst 1,9 miljard euro per jaar. Daar komt nog bij dat de opbrengst vergeleken wordt met het oude stelsel, terwijl de Hoge Raad heeft gezegd dat het oude stelsel in strijd was met het recht. Er zou dus eigenlijk vergeleken moeten worden met het huidige, tijdelijke gerepareerde stelsel. Kortom, dit wetsvoorstel zorgt voor een forse lastenverzwaring voor burgers. Mijn vraag is waarom er niet is gekozen voor een langere termijn waarin de budgetneutraliteit wordt getoetst. En waarom is er ook niet besloten om na een bepaalde periode bijvoorbeeld het heffingsvrije resultaat te verhogen, of het tarief te verlagen? De opbrengst van de nieuwe heffing is daarnaast zeer conjunctuurgevoelig. In goede jaren is er een goede opbrengst, en andersom. Dat is vooraf niet duidelijk. Dat zou grote gevolgen kunnen hebben voor de inkomsten van het Rijk, en daarmee ook voor de begrotingsregels. Mijn vraag is hoe de staatssecretaris dit voor zich ziet. Zou er aanvulling van begrotingsregels nodig zijn?

Voorzitter. Dit wetsvoorstel introduceert ook een administratie- en bewaarplicht voor particulieren. Op dit moment hebben ze die bewaarplicht niet. Voor veel mensen gaat dit wetsvoorstel dus extra werk opleveren, zeker omdat de termijn van de bewaarplicht zeven jaar is. Gelukkig geldt deze bewaarplicht niet voor mensen met alleen spaargeld bij Nederlandse banken, omdat de Belastingdienst deze gegevens vrij eenvoudig kan opvragen bij banken. Wat de SGP betreft wordt deze administratie- en bewaarplicht zo lastenluw mogelijk uitgewerkt. Het wetsvoorstel biedt namelijk een grondslag om deze plicht nader uit te werken. Het moet voor belastingplichtigen ook zo makkelijk mogelijk worden gemaakt om aan de administratie- en bewaarplicht te voldoen. Mijn vraag is of dat ook de inzet is van de staatssecretaris. Steeds meer financiële gegevens van belastingplichtigen kunnen door de Belastingdienst worden opgevraagd bij financiële instellingen. Ik schat in dat dat alleen maar meer zal worden. Mijn vraag is hoe de staatssecretaris bij de uitwerking rekening houdt met die toenemende gegevensdeling.

Voorzitter. Sommige mensen hebben weliswaar vermogensbestanddelen waarvan de Belastingdienst niet automatisch gegevens krijgt, maar soms is dat vermogen zo klein dat op voorhand al te zien is dat er geen belasting verschuldigd is. Mijn laatste vragen zijn dan dus ook waarom er niet voor gekozen is om de administratie- en bewaarplicht in die gevallen te laten vervallen, of om de verantwoordelijkheid daarvan bij belastingplichtigen te leggen en een generieke plicht te schrappen.

Daar laat ik het bij. Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan ga ik even terug naar de heer Vermeer voor zijn inbreng namens de BBB-fractie.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. De weg richting een rechtvaardige belasting in box 3 gaat niet over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 heeft het kabinet gepoogd orde op zaken te stellen. Een onderdeel hiervan is de invoering van de Wet tegenbewijsregeling. Mijn fractie was en is daar bepaald niet enthousiast over. Ik noem nogmaals een paar redenen waarom dat zo is: kosten zijn niet aftrekbaar voor woningbezitters en vermogensaanwas, oftewel papieren winst, wordt meegerekend als rendement. Het rendementspercentage van een individueel belegger valt daardoor veel hoger uit dan het daadwerkelijk is. Dan heb ik het nog niet eens gehad over inflatie. Tegenbewijs leveren heeft in veel gevallen weinig zin meer. Ik heb destijds, in juni, een amendement ingediend om woningbezitters in ieder geval de mogelijkheid te geven hun bezit over te hevelen naar een bv, om zo massale verkoop van huurwoningen te stutten. Dat amendement heeft het niet gehaald. We zien nu om ons heen hoe de huurmarkt krimpt.

Afgelopen week berichtten diverse media dat starters meer woningen kunnen kopen door het zogeheten uitponden. Dat lijkt goed nieuws, maar het leidt ook tot meer woningnood voor mensen die afhankelijk zijn van huur. Wij hebben een werkelijkheid gecreëerd waarbij verhuren niet loont. De verhuurder wordt als het ware vermorzeld tussen een hoge box 3-belasting aan de ene kant en de Wet betaalbare huur aan de andere kant. Het is vast socialistisch te noemen, maar het is niet sociaal. Dat is kwalijk, want ook het beleid dat zich moet richten op het vlottrekken van de koopsector is gebaat bij een gezonde, vrije huursector; vaak gebruikt als tussenstation voor mensen die net niet kunnen kopen, maar te veel verdienen voor sociale huur. Deze dynamiek wordt kapotgemaakt.

Voorzitter. Dan kom ik bij de Wet werkelijk rendement, die hopelijk wat verbetering gaat bieden, al is dat wat BBB betreft nog niet voldoende. Zoals vaker aangegeven pleit BBB voor een belasting over daadwerkelijk gerealiseerd rendement en niet over papieren winsten. De vermogensaanwasbelasting voor niet-onroerende zaken zien wij dan ook liever helemaal verdwijnen. Dat dit niet van de ene op de andere dag kan, snappen we. Ik ben blij dat de staatssecretaris de Wet werkelijk rendement, zoals die nu voorligt, ook niet per definitie beschouwt als een eindstation. Waarom starten we echter met iets waarvan we nu al weten dat het niet rechtvaardig is? We moeten het patroon van budgetneutraliteit doorbreken oftewel stoppen met de focus op kortetermijnopbrengst en het negeren van zaken als inflatie. De heer Stultiens van GroenLinks-PvdA zei zojuist in een interruptie: er moet geld voor uitgetrokken worden. Dit gaat echter over budget en niet over rechtvaardigheid. Het "geld uittrekken voor" noemen van iets wat eigenlijk al onrechtvaardig belast wordt, is precies het probleem waarover we hier praten.

Dit roept ook vragen op over het standpunt van voorgaande bewindspersonen. Er is namelijk veelvuldig gesteld dat een vermogenswinstbelasting onuitvoerbaar zou zijn, omdat belastingplichtigen dan de historische kostprijs van al hun bezittingen decennialang moeten bijhouden. Bovendien zou dit voor de Belastingdienst niet te handhaven zijn. Blijkt een vermogenswinstbelasting anno 2026 ineens wel een begaanbaar pad in de uitvoering? Wat is er dan veranderd?

De Wet werkelijk rendement zal naar verwachting ook gaan leiden tot enkele problemen. Diverse organisaties uit het veld hebben gewaarschuwd voor problemen met de belastingheffingen rond belangen in niet-beursgenoteerde bedrijven. Enerzijds speelt daarbij de waarderingsproblematiek, wat een uitdaging kan zijn als er geen duidelijke kaders worden gegeven. Een juridische strijd tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst is dan het gevolg. Anderzijds kunnen er bij vermogensaanwasbelasting liquiditeitsproblemen ontstaan als de aandelen in kwestie moeilijk verhandelbaar zijn en er wel belasting moet worden betaald over een gegeven jaar. De meeste mensen hier aan tafel hebben dat ook al benoemd.

De staatssecretaris heeft hier al de nodige aandacht aan besteed door te stellen dat een te ruime invulling van de uitzonderingsregeling als staatssteun zou kunnen worden aangemerkt. De uitzondering voor start-ups zou beter uit te leggen zijn vanwege het belang van innovatie. Ook het brede mkb is van onschatbare waarde voor innovatie en voor de economie. We hebben het in dit huis vaak over de noodzaak van een kapitaalmarktunie, Europese crowdfundingregels en securitisatie van bedrijfsobligaties, omdat mkb-financiering stukloopt. De beperkte kaders van de uitzondering op de vermogensaanwas, zoals nu vormgegeven, brengen gezonde mkb-financiering niet dichterbij maar juist verder weg. Kan de staatssecretaris ook vanuit die invalshoek nog eens reflecteren op zijn voorlopige beslissing om de uitzonderingsregeling niet uit te breiden?

Dan de uitvoering van de Wet werkelijk rendement. De staatssecretaris schrijft dat hij het risico reëel acht dat er met name rond het waarderingsvraagstuk een personeelstekort en een pensioneringsgolf ontstaat. De staatssecretaris wil meer personeel betrekken vanaf de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, maar heeft hij ook een alternatief klaarliggen om aan genoeg mensen te komen wanneer de UHT dit onvoldoende kan bieden?

Dan nog een vraag over vastgoedbijtelling. De huurinkomsten voor verhuurders van woningen in box 3 stijgen met name sinds 2021 veel minder hard dan de WOZ-waarde. Is wat de staatssecretaris betreft de vastgoedbijtelling, die gebaseerd is op data, van voor 2021 dan niet te hoog? De heer Grinwis tipte dat ook al aan in zijn betoog. Zou deze niet veel vlotter geactualiseerd moeten worden? Is het gebruik van een vastgoedbijtelling sowieso wel gerechtvaardigd wanneer een tweede woning niet is verhuurd? Daar refereerde de heer Stoffer ook al aan. Het gaat dan immers om consumptief, eigen gebruik.

Over de verliesverrekening wil ik ook nog een paar vragen stellen.

De voorzitter:

Een ogenblik, want de heer Grinwis heeft een interruptie voor u.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik ben het natuurlijk helemaal eens met de vragen die de heer Vermeer stelde, want die leken heel erg op die van mij. Hoe zou hij hiermee om willen gaan? Ik heb een amendement in voorbereiding om het percentage op basis van de data van 2022 tot en met 2025 vast te stellen — dat is dus veel recenter — en om het jaarlijks te actualiseren. Eventueel kun je, zoals de heer Vermeer eerder zei in een interruptie, inderdaad volstaan met het vastleggen van dat systeem in de wet, zonder een percentage. Dat doe je dan bij een belastingplan. Waar wil hij gaan landen? Of is hij vooral heel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris?

De heer Vermeer (BBB):

Dat laatste sowieso, natuurlijk. Daarom stel ik de vraag ook. Zoals ik in die interruptie ook al liet blijken, vind ik dat in de wet systematieken en kaders vastgesteld moeten worden en geen absolute getallen. Dat brengt ons namelijk elke keer in de problemen en leidt tot allerlei rechtszaken en hersteloperaties. Een forfait moet gebaseerd zijn op rechtvaardigheid, om welk percentage het dan ook gaat. Dan moet je dat continu bijstellen. Wat mij betreft wordt dat gewoon elk jaar herberekend en komt daar een getal uit volgens de systematiek die we in de wet vastleggen. Anders schilderen we onszelf in de hoek.

De voorzitter:

De heer Vermeer vervolgt zijn betoog.

De heer Vermeer (BBB):

Ik was gebleven bij de verliesverrekening. Daar wil ik ook een paar vragen over stellen. Voor met name oudere belastingplichtigen met meer dan een miljoen vermogen in box 3 wordt het mogelijk veel aantrekkelijker om over te stappen naar box 2, aangezien verlies alleen verrekend kan worden met toekomstige jaren en niet met verleden jaren. Er is natuurlijk een periode geweest waarin een miljoen aan vermogen klonk als iets fantastisch waarmee je in de meest illustere rijtjes en magazines terechtkwam. Maar als bijvoorbeeld een ondernemer of zzp'er al zijn pensioen zelf heeft moeten sparen, dan zit je, met je eigen huis erbij, al heel snel op dit soort bedragen.

Als in het laatste levensjaar verlies wordt geleden, krijgen belastingplichtigen geen inkomstenbelasting terug. Is dit voor nabestaanden van ouderen met relatief veel vermogen niet zeer onrechtvaardig, vraag ik de staatssecretaris. Zet dat niet de deur open voor meer overstappers naar box 2? Hoe kijkt het ministerie van Financiën hiernaar? Wat zijn de prognoses? Is het gebrek aan verliesverrekening met verleden jaren niet per definitie onrechtvaardig? Er kan immers belasting betaald worden over winst die later verdampt. De belasting is dan al betaald. Graag ook hier een reactie op.

Tot slot. De heer Grinwis heeft een initiatief gelanceerd om landgoederen die vallen onder de Natuurschoonwet bij schenking of vererving voorwaardelijk vrij te stellen van box 3-belasting. Wat BBB betreft vormen landgoederen een belangrijk onderdeel van ons cultureel erfgoed en zijn ze van onschatbare waarde voor recreatie, biodiversiteit en ons landschap in het algemeen. Daarom hebben wij dit amendement meegetekend. Ook ben ik erg benieuwd naar de antwoorden op de vragen die collega Stoffer gesteld heeft over langdurige pacht, om te kijken of we daar ook nog iets moeten repareren.

Hier wou ik het bij laten voor nu. Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik werd toch een beetje uitgenodigd door de heer Vermeer, doordat hij mij noemde in zijn inbreng. Hij maakt een tegenstelling tussen "budgettair" en "rechtvaardig". Maar ik vind het onrechtvaardig als werkende mensen straks moeten opdraaien voor budgettaire gaten aan de vermogenskant. Daarom maak ik mij hier zorgen over. Mijn vraag aan de heer Vermeer is de volgende. Hij geeft aan dat hij voor vermogenswinstbelasting is. Hoeveel minder inkomsten gaan wij daardoor hebben als overheid de komende, zeg, 20, 30 jaar en hoe gaat BBB om met dat gat?

De heer Vermeer (BBB):

Ik maak ook nu weer, na deze interruptie, bezwaar tegen de terminologie die GroenLinks-PvdA hanteert. Die praat erover dat burgers moeten opdraaien voor de budgettaire gaten van vermogenden. Maar het zijn geen budgettaire gaten die veroorzaakt worden door vermogenden, want het zijn budgettaire gaten die veroorzaakt worden door ministers van Financiën en de Tweede Kamer wanneer zij begrotingen goedkeuren waarbij het budget leidend wordt in plaats van een rechtvaardige belasting. Dat is echt een andere manier van denken. Daarom blijf ik daar bezwaar tegen maken, want woorden doen ertoe.

Als je naar een vermogenswinstbelasting toe gaat, dan zul je in principe niet minder belastingopbrengsten krijgen, of wellicht alleen voor de korte termijn. Dat kun je incidenteel dekken. Als wij incidenteel miljarden kunnen lenen aan allerlei landen om ons heen en miljarden in Europese regelingen kunnen stoppen dan kunnen wij ook miljarden reserveren en onze schuld eventueel tijdelijk iets laten oplopen om hetzelfde te doen voor onze eigen mensen hier in Nederland.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Het ging lang over de toon en over de woordkeuze, maar de vraag is eigenlijk niet beantwoord. Hoeveel minder inkomsten komen er binnen? Dat is volgens mij heel neutraal geformuleerd. En hoe wil BBB dat gat gaan betalen?

De heer Vermeer (BBB):

Hoeveel er minder binnenkomt, dat moet uitgerekend worden. Dat is een combinatie met de tarieven. Het kan gaan om enkele miljarden in de eerste paar jaar. Dat kunnen we betalen door eventueel de staatsschuld tijdelijk iets op te laten lopen. Zie het dan maar als een lening voor toekomstige opbrengsten.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dat laatste is helder: het moet uit de staatsschuld komen. De heer Vermeer zegt dat het moet worden uitgerekend, maar hij pleit hier voor vermogenswinstbelasting. Dan neem ik aan dat hij al weet hoeveel het kost. De voorganger van de staatssecretaris gaf aan dat het ging om meer dan 10 miljard. Is de heer Vermeer bereid de staatsschuld met 10 miljard op te laten lopen voor een vermogenswinstbelasting?

De heer Vermeer (BBB):

Ja.

De voorzitter:

Dat was kort en krachtig. Dank, nogmaals, voor uw inbreng. We gaan naar mevrouw Inge van Dijk, die gaat spreken namens het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dankjewel, voorzitter. Ik heb in het kerstreces best wel wat tijd besteed aan dit onderwerp, omdat het natuurlijk belangrijk is. Toen ik van dit weekend dit stuk er weer bij pakte, betrapte ik mezelf erop — en dat heb ik nog nooit gedaan — dat ik het stuk een titel had gegeven: "Hoe belasting op sparen en beleggen een soap werd." Dat heeft natuurlijk ook wel een aanleiding.

Even een stapje terug voordat we over de toekomst gaan praten. Box 3 is ooit bedacht als iets gemakkelijks: de overheid ging ervan uit dat je met spaargeld en beleggen altijd wel wat verdiende; over dat veronderstelde rendement betaalde je dan belasting. Dat werkte prima zolang sparen nog rente opleverde. Maar de tijden veranderden: de rente daalde richting nul en spaarders zagen hun vermogen nauwelijks groeien, maar toch bleef de belastingaanslag komen. Dat voelde steeds onrechtvaardiger. "Is dat belasting betalen over geld dat ik niet verdien?" Dat vroegen veel mensen zich af. In 2021 trok de Hoge Raad aan de noodrem. In het zogeheten kerstarrest werd vastgesteld dat het systeem niet eerlijk was; de wet moest op de schop. Alleen bleek een goed alternatief lastig te maken.

De oplossing werd een tijdelijke noodmaatregel. Daarbij wordt er onderscheid gemaakt tussen spaargeld en beleggingen, maar rekent de Belastingdienst nog steeds met aannames in plaats van de echte opbrengst. Voor veel mensen voelt dat als half werk, dat niet aansluit op de werkelijkheid waar zij mee te maken hebben.

Nu ligt er een plan voor een nieuwe wet waarmee er belasting kan worden geheven over het werkelijke rendement. Dat klinkt logisch, maar roept nieuwe vragen op. Wat als je beleggingen op papier meer waard worden, maar je geen geld in handen krijgt? Hoe ingewikkeld wordt de administratie? Waarom kiezen we in Nederland wéér voor een systeem dat afwijkt van de manier waarop de rest van de wereld het doet? Wat begon als een simpele belasting, is uitgegroeid tot een fiscale soap zonder duidelijke ontknoping. Of misschien komt er vandaag toch een begin van een ontknoping. Laten we daar in ieder geval voor gaan.

Voorzitter. In de afgelopen jaren hebben wij, maar ook vele anderen uit de wetenschap en de praktijk, gepleit voor een systeem van werkelijk rendement op basis van een volledige vermogenswinstbelasting in plaats van de hybride variant die nu voorligt. We blijven moeite houden met een systeem dat niet-liquide waardestijgingen belast en waarbij er wéér wordt gekozen voor een afwijkende behandeling binnen ons fiscale stelsel. We wijken ook af van andere landen.

Keer op keer zijn onze vragen hierover met halve of nietszeggende antwoorden afgedaan, waardoor het idee om een andere route in te slaan wat ons betreft niet echt een serieuze kans heeft gehad. Dat is jammer, want wij zouden graag een robuuster en helderder stelsel ingevoerd hebben. Maar de tijd begint te dringen. Nu staat voorop dat er zo snel mogelijk een nieuw systeem moet worden ingevoerd dat de huidige onhoudbare Overbruggingswet en tegenbewijsregeling vervangt. Wat ons betreft, gaan we als Kamer nu geen wijziging van deze wet doorvoeren die implementatie vertraagt, want verder uitstel is gewoonweg onwenselijk en onverstandig.

Dat betekent voor ons echter niet dat dit de eindstreep is. Wij willen graag dat het nieuwe systeem wordt doorontwikkeld naar een "box 3 2.0". Daarvoor hebben wij een aantal wensen. Het toekomstige gesprek hierover begint ermee dat wij onze wensen transparant op tafel leggen. Zoals gezegd, wil het CDA uiteindelijk naar een situatie van volledige vermogenswinstbelasting. De nadelen hiervan zijn al meerdere malen toegelicht, maar het is toch gewoon logisch en eerlijk dat je alleen belasting betaalt over werkelijk verdiende winst en niet over denkbeeldige groei? Wat ons betreft maakt de vermogensaanwasbelasting inbreuk op het draagkrachtbeginsel, omdat ervan uit wordt gegaan dat er voldoende andere middelen zijn om een heffing over niet gerealiseerd vermogen te betalen. Ook houden wij de fiscaliteit liever coherent door de nieuwe box 3 in lijn te brengen met de bestaande systematiek in box 1 en box 2 en met die in de rest van de wereld. Andere landen hebben ook een manier gevonden om met zogenaamde lock-ineffecten om te gaan, bijvoorbeeld door het hanteren van meerdere tarieven. Die hoeven wat ons betreft dus geen showstopper te zijn. Dat doen we inmiddels immers ook in box 2.

Voorzitter. Ik zou ook graag nog eens de budgettaire opbrengst van een volledige vermogenswinstbelasting in kaart gebracht willen zien, zeker omdat de opbrengsten mogelijk hoger zijn doordat beleggingen kunnen doorgroeien. Dit doet namelijk ook iets met de directe rendementen die wel jaarlijks in de heffing worden betrokken.

Nog een belangrijk voordeel is dat dit het langetermijnbeleggen stimuleert. Dat stimuleert dan ook de economische groei weer. Dat is een onderwerp waar we het hier in de Kamer op dit moment veel over hebben. Hoe krijgen we meer geld van sparen naar beleggen en dus in onze Nederlandse economie? Samengestelde groei is nu eenmaal sterker.

Voorzitter. Een moeilijk punt was steeds de vooraf ingevulde aangiften. Banken hebben inmiddels aangegeven dat ze met twee jaar meer voorbereidingstijd een volledige vermogenswinstbelasting in kunnen voeren. Zou de staatssecretaris nogmaals in kunnen gaan op de argumenten over onuitvoerbaarheid ten aanzien van een volledige vermogenswinstbelasting? Gegevens uit het verleden zouden vanwege de step-up die per inwerkingtreding zou gaan gelden, namelijk geen probleem moeten zijn. Banken kunnen wel gegevens over buitenlandse klanten verstrekken op basis van een vermogenswinstbelasting in andere landen. Hoe rijmt hij dat in dit licht met de bezwaren?

Daarnaast voeren we een win-winregeling in Nederland in om ons investeringsklimaat verder te versterken. Dat betekent een faciliteit in box 3 om fiscaal gunstig een lening te verstrekken aan mkb-bedrijven. Ons toekomstig verdienvermogen staat of valt met investeringen die we hierin met elkaar willen doen, en deze faciliteit kan dat weer de goede kant op duwen. Maar dit verhaal kent de staatssecretaris inmiddels wel van het CDA, want dat heeft hij al heel vaak van ons gehoord. Hiervoor is dus een aanpassing in box 3 nodig. Is de staatssecretaris op koers met het door hem toegezegde onderzoek naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in de eerste helft van 2026? Ziet hij mogelijkheden dat een dergelijke faciliteit snel kan worden ingevoerd zonder het nieuwe stelsel naar achter te schuiven?

Voorzitter. Ook zouden we graag zien dat sparen voor je eerste huis — wij noemen dat altijd het oude bouwsparen — weer terugkomt en fiscaal vriendelijker behandeld gaat worden. Het CDA vindt het verstandig dat jongeren zich kunnen voorbereiden op de aankoop van een woning door daar gericht voor te sparen, zodat zij zich niet tot hun nek in de schulden hoeven te steken bij het kopen van hun eerste huis. Wat ons betreft wordt dat op termijn gecombineerd met een wat lagere zogenaamde loan-to-value, zodat we de stijgende huizenprijzen richting de toekomst ook wat verder kunnen dempen.

Ten vierde: een goede en snelle implementatie van de winstdelingsregeling voor start-ups en scale-ups zoals het kabinet heeft toegezegd. Dank voor de brief hierover. Wij zien ernaar uit om dit voorstel snel in de Kamer te bespreken.

Voorzitter. Dit is onze inzet richting de toekomst. Dat betekent niet dat we ons voor de komende jaren al helemaal kunnen vinden in het voorliggende voorstel, want op een aantal onderdelen heb ik nog wel wat vragen en zie ik wat risico's, allereerst wat de uitvoering betreft. Het kabinet is er, in tegenstelling tot de Raad voor de rechtspraak, van overtuigd dat inwoners het nieuwe stelsel als rechtvaardig gaan ervaren en dat we dit gaan terugzien in minder bezwaren. Maar rekent de overheid zich hiermee niet erg rijk? Het CDA is er niet zo van overtuigd dat het vertrouwen in box 3 weer heel snel terug gaat komen. Zeker in de eerste jaren na de implementatie gaan we dat, denken wij, wel degelijk merken. Dat is nou juist de meest spannende periode voor de Belastingdienst, als het gaat om het aantrekken van de juiste mensen en de juiste aantallen mensen om het nieuwe stelsel op een goede manier te kunnen implementeren. Want een stelsel op basis van werkelijk rendement is rechtvaardiger maar ook complexer.

Het kabinet schrijft dat vanwege de toename van complexiteit bij de Belastingdienst een uitbreiding van de personele capaciteit van circa 900 fte nodig is. De verwachting is dat de werving in de transitieperiode van drie tot vijf jaar na inwerkingtreding van de wet niet gerealiseerd kan worden. In de transitieperiode zal hierdoor het niveau van dienstverlening en toezicht onvoldoende zijn. Wat zijn de gevolgen als deze mensen niet kunnen worden aangetrokken voor uitvoering en handhaving? Kan de staatssecretaris het iets meer concreet maken? Stel dat er een tegenvaller is van 10% in het aantrekken van mensen. Wat wil dit dan concreet zeggen in de praktijk?

Met name op het gebied van waarderingsdeskundigen zien we een probleem. En laat dit nou net de grootste categorie onder die 900 fte zijn, namelijk 205 fte. Zouden deze aantallen waarderingsdeskundigen ook nodig zijn in een situatie van volledige vermogenswinstbelasting, is onze aanvullende vraag.

De Belastingdienst geeft aan de onhaalbare wervingsopgave te willen oplossen met extra data. Wat wordt daar precies mee bedoeld?

Met onvoldoende dienstverlening en toezicht wordt het risico gelopen dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscale verplichtingen afneemt. Hier staat dus een hele grote vlag. Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen hier nog een keer op te reageren. Zien we in dit kader inmiddels positieve ontwikkelingen of is de vlag inmiddels verder dieprood aan het kleuren?

Dan even door over uitvoering. Een goed functionerende ICT is randvoorwaardelijk. De uitfasering van CoolGen in relatie tot lopende herstelwerkzaamheden van box 3 vraagt veel en voortgang is bepalend voor de implementatie van het nieuwe stelsel. Zijn er signalen dat de lopende herstelwerkzaamheden verdere vertraging tot gevolg hebben of liggen we op koers?

Rechtvaardigheid versus complexiteit merken ook inwoners. Overigens delen wij de stellingname van het kabinet dat iets meer aanleveren door inwoners om werkelijk rendement aan te kunnen tonen niet per se problematisch hoeft te zijn. Maar wat eenvoudiger kan naar de toekomst toe moet ook echt eenvoudiger. We vragen dan ook een toezegging van de staatssecretaris om zich hiervoor in te blijven zetten en de Kamer hier jaarlijks over te informeren.

Voorzitter. Ten tweede heb ik zorgen over liquiditeitsrisico's ten aanzien van de vermogensaanwasonderdelen. Zo kan er wel degelijk een juridisch risico zijn als de heffing hoger is dan wat er aan liquide vermogensinkomsten aanwezig is. Het lijkt ons juridisch lastig te verantwoorden als mensen vermogen van de hand moeten doen om de belasting te kunnen betalen. Wij denken dat het goed is om hierover de komende tijd signalen te verzamelen via de Belastingdienst zelf en eventuele rechtszaken die hierover worden gestart, deze te inventariseren en hierover jaarlijks aan de Kamer te rapporteren. Er kan ook prima hulp gevraagd worden aan belastingadviseurs. Zij kunnen signalen en knelpunten met de Belastingdienst delen, bijvoorbeeld na aangiftedatum. Is de staatssecretaris bereid om dit op te pakken? Het kan namelijk vooral wrang uitpakken voor mensen die niet heel veel ander vermogen hebben, bijvoorbeeld omdat zij te maken krijgen met een incidentele hoge koersstijging en daardoor een hoge heffing, waardoor zij aandelen moeten verkopen om de heffing te kunnen betalen.

Voor familiebedrijven is niet de uitzondering van vermogensaanwas doorgevoerd, omdat dat volgens het kabinet zou leiden tot staatssteun. Concreet betekent dit dat over de waardestijging van aandelen in familiebedrijven jaarlijks vermogensaanwasbelasting moet worden betaald, ook als deze niet beursgenoteerd zijn en dus jaarlijks moeten worden gewaardeerd. Ook dit zijn geen liquide inkomsten. Het karakter van een aandeel in een familiebedrijf is wel echt anders. Daar verkoop je er niet zomaar even eentje van; die wil je behouden als lid van de familie. Dat noopt familiebedrijven dus tot hogere dividenduitkeringen, zodat de heffing kan worden betaald. Juist dat doet weer wat met de reserves die bestemd zijn voor de bedrijfsvoering.

Zouden er voor aandelen in familiebedrijven langere betalingsregelingen kunnen worden gehanteerd, omdat deze aandelen langer aangehouden worden en minder liquiditeit genereren dan reguliere beleggingsportefeuilles? Want hoewel het kabinet aangeeft dat het geen betalingsproblemen verwacht voor het overgrote deel van de belastingplichtigen, moeten we dit wat ons betreft goed in de gaten blijven houden en moeten we ons hier de komende tijd actief over laten informeren. Als er geen problemen ontstaan is dat natuurlijk goed, maar als er wel knelpunten zijn, is het goed om daar eventueel met elkaar iets aan te kunnen doen. Ik sluit me ook aan bij de vragen van de SGP en BBB.

Het sluitstuk van het risico van mogelijke liquiditeitsproblemen, is de heffing over het belastbare rentebestanddeel bij kapitaalverzekeringen, waarbij er niet gewacht wordt tot de kapitaalverzekering daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Ook verzekeraars kaarten dit aan als problematisch, maar vanwege de lange periodes waarover volgens het kabinet de rente zou moeten worden bijgehouden, is het onuitvoerbaar en moet er direct worden belast. Het kabinet verwijst ook hierbij naar een betalingsregeling.

Misschien moeten we onszelf de bredere vraag stellen of ruimere betalingsregelingen überhaupt zouden moeten worden toegestaan in bepaalde situaties, of bijvoorbeeld met minder bewijslast, zodat je niet pas toegang krijgt tot de betalingsregeling wanneer je hebt bewezen dat je inkomen echt ontoereikend is, maar die toegang gemakkelijker direct op aanvraag kan worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan spreiden over twaalf maanden. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar?

Voorzitter. Ten derde wil ik ingaan op vastgoed in box 3. In het wetsvoorstel wordt een vastgoedbijtelling geïntroduceerd voor de berekening van de economische huurwaarde voor onroerende zaken die niet worden verhuurd. Dit vindt het kabinet redelijk, omdat een tweede woning vermogen is en dus potentieel rendement genereert via waardestijging. Maar daar reken je toch ook al over af bij verkoop? Kan de staatssecretaris de redelijkheid nog een keer goed toelichten? 3,35% forfait voor iemand die maar een klein deel van het jaar gebruikmaakt van zijn vakantiewoning, tikt wel erg hard aan. De vastgoedbijtelling van 3,35% is gebaseerd op rendementen voor reguliere huurwoningen, terwijl vakantiewoningen doorgaans een veel lager rendement opleveren. Het onderzoek van SEO waarnaar verwezen wordt, ziet alleen op het rendement van huurwoningen. Is de staatssecretaris bereid het onderzoek te laten aanvullen door ook de rendementen op vakantiewoningen te toetsen? Die hebben immers echt andere kenmerken, zoals seizoensgebondenheid. Het lijkt ons terecht dat het forfait herijkt wordt, mochten hier andere resultaten uit volgen. Wij zien ook hierbij namelijk een juridisch risico dat zo'n hoog forfait voor een vakantiewoning inbreuk maakt op het recht op ongestoord genot van je bezit. Als er iets is wat we niet kunnen gebruiken, is het nieuwe juridische risico's.

Voorzitter. We lezen dat de woningen van vermogenden met een aflossingsvrije hypotheek in de nieuwe box 3 kunnen worden opgebracht, waar aftrek van zo'n hypotheek in mindering gebracht kan worden. Kies de juiste hoogte van je hypotheek en je creëert een hypotheekrenteaftrek in box 3 terwijl de hypotheek niet wordt afgelost. Dat werkt natuurlijk alleen voor mensen die ook ander vermogen in box 3 hebben, waar ze de renteaftrek tegen af kunnen zetten. Echter, is dat de bedoeling? Dat vragen wij ons af. Graag een visie van de staatssecretaris hierop.

Ten vierde, voorzitter, een vermogenswinstbelasting voor de start-ups. Voor aandelen in startende bedrijven geldt een vermogenswinstbelasting voor de eerste vijf jaar van het bedrijf. Maar wij vragen ons af: is vijf jaar wel lang genoeg? Waarom sluiten we niet aan bij de fiscale regeling voor medewerkersparticipatie, waar start-ups en scale-ups onder vallen, door de beschikking van RVO te volgen voor de heffing? Die heeft een geldigheidsduur van acht jaar en kan worden verlengd met periodes van vijf jaar indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Voordat een bedrijf een beetje waarde opbouwt en de aandelen in waarde stijgen, gaan er echt wel een aantal jaren voorbij. Is zo'n langere periode niet juist ook belangrijk voor de aandelen van medewerkers, omdat die na vijf jaar ook vaak geen liquide middelen zullen hebben? Is hierover voldoende overleg geweest met de start-upsector en is gekeken welke termijn op de praktijk aansluit?

Ik wil even doorgaan op de praktijk voor niet-beursgenoteerde aandelen. We hebben gevraagd of op praktische wijze kan worden omgegaan met het jaarlijks aanleveren van de waardering van niet-beursgenoteerde aandelen door uit te mogen gaan van de gedeponeerde jaarrekening van de entiteit waarin de aandelen worden gehouden. Het kabinet staat daar niet negatief tegenover. Het zegt dat het vormvrij is, net als in het huidige systeem. Daarom vindt het kabinet het niet nodig om dit in de wet op te nemen, maar men merkt wel op dat er via een ministeriële regeling invulling gegeven kan worden aan de verplichting waaraan een belastingplichtige dient te voldoen, waardoor de belastingplichtige meer rechtszekerheid zal ervaren. Deze regeling moet nog nader worden onderzocht en uitgewerkt. Rechtszekerheid en rechtsbescherming zijn voor het CDA heel belangrijk. Het lijkt ons dus goed om belastingplichtigen zo praktisch mogelijke handvatten te bieden. Een ministeriële regeling hiervoor is een goed idee. Is de staatssecretaris bereid om deze regeling verder uit te werken samen met de box 3-adviespraktijk, zodat die zo goed, duidelijk en praktisch mogelijk aansluit bij het werk van de adviseurs en de praktijk voor box 3-belastingplichtigen?

Voorzitter. Ten vijfde de evaluatie van de wet. Het kabinet is zich bewust van de toename van de complexiteit en de bijbehorende risico's, maar toch stelt het kabinet voor om de wet pas na vijf jaar te evalueren. Is het, gezien de wetsgeschiedenis in combinatie met de complexiteit en de risico's die we nu al kennen, niet verstandiger om dit naar voren te halen en de wet na drie jaar te evalueren? We willen tijdig kunnen bijsturen op deze wet, waarbij nog zo veel onzekerheid is over de tijdige en juiste uitvoering, en over de gevolgen in de praktijk. Wij hebben hier in ieder geval een amendement over ingediend.

Voorzitter. Ik heb nog een paar kleinere puntjes. Het kabinet geeft aan dat het toevoegen van achterwaartse verliesverrekening in de eerste jaren van het nieuwe stelsel leidt tot honderden miljoenen derving. Geldt dat ook als je bij de achterwaartse verrekening de step-up hanteert, zodat verliezen pas vanaf 2028 achterwaarts kunnen worden verrekend met rendementen die na 2028 ontstaan?

Een ander vraagstuk dat bij ons leeft, is de aftrekbaarheid van rente voor consumptieve schulden. Ik bedoel dan niet de aftrekbaarheid van rente voor schulden die bezit in box 3 betreffen, maar het aftrekken van rente op persoonlijke leningen of doorlopend krediet voor bijvoorbeeld een auto, meubelen of een vakantie. Ik weet dat het complex is om een knip te maken in de uitvoering omdat de gegevens over deze schulden niet bekend zijn, maar feitelijk stimuleren we het fiscaal om op de pof te leven, waarmee je een voordeel kunt krijgen in de heffing op je andere vermogen. Hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar? Ziet hij mogelijkheden om dit anders in te richten? Want dit punt steekt ons.

Voorzitter. Het nieuwe stelsel voor box 3 heeft een effect op de toeslagen en de heffingskorting. Ik snap de uitleg van het kabinet hierover. Ik hoop dat het risico in de praktijk inderdaad zo beperkt is als men schrijft, maar u zult begrijpen dat wij hier toch wat onzeker over zijn. Dit betreft vaak een kwetsbare groep en daarom moeten we extra voorzichtig zijn. Kan de staatssecretaris hier nogmaals een toelichting op geven? Het CDA hecht specifiek op dit onderdeel aan een goed piepsysteem. Als er signalen komen waaruit blijkt dat de praktijk weerbarstiger is, dan moet er snel geacteerd kunnen worden. Is dit er en, zo niet, gaat de staatssecretaris dit dan op een of andere manier vormgeven?

Een discussie die helaas ook te vaak voorkomt in de Kamer gaat over het verlenen van vrijstelling in box 3 voor vermogen dat inwoners krijgen als gevolg van het uitkeren van schadebedragen en hersteloperaties. Ik hoop dat dit nooit meer gaat gebeuren, maar het CDA zou het goed vinden als het vermogen in deze gevallen automatisch wordt vrijgesteld van box 3. Is zoiets eenvoudig in te richten, zo vraag ik de staatssecretaris. Het is er inmiddels al voor Groningen.

Met betrekking tot de landgoederen ben ik benieuwd naar de appreciatie van het amendement van de heer Grinwis. Wij staan daar in principe positief tegenover.

Afrondend: het nieuwe box 3-stelsel is beter dan het failliete forfaitaire stelsel omdat het beter aansluit bij het werkelijk rendement, maar het blijft in de kern problematisch. Zolang er belasting wordt geheven op basis van aannames in plaats van feitelijke opbrengsten, blijft er sprake van rechtsongelijkheid. Zoals Peter Essers stelt, mag fiscale eenvoud niet ten koste gaan van rechtvaardigheid. Box 3 laat zien dat een systeem dat is gebaseerd op fictie het draagkrachtprincipe ondermijnt. Daarom is het nieuwe stelsel geen definitieve oplossing, maar slechts een tussenstap richting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar belastingstelsel.

Dank je wel, voorzitter.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag gaat over het gedroomde eindpunt van mevrouw Van Dijk, namelijk box 3 2.0. Ze geeft aan dat haar voorkeur vermogenswinst is. Dat hebben meer partijen hier gezegd. Ik stel daarbij de vraag hoeveel geld zij bereid is om daarvoor neer te leggen. Hoeveel derving is zij bereid te accepteren? De meeste partijen geven helaas geen concrete bedragen aan of geven niet aan hoe ze het dekken. Ik hoop dat het CDA dat wel doet.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Als de heer Stultiens goed heeft geluisterd, heb ik heel nadrukkelijk gevraagd om het nou eens gewoon goed in beeld te brengen, ook voor de lange termijn. Wij geloven dat als we beleggen echt kunnen stimuleren, die opbrengst weleens groter zou kunnen zijn. Dat hopen we ook. Daarmee is het probleem op de korte termijn niet opgelost. Dat deel ik helemaal met de heer Stultiens. Wij geven ook aan dat er misschien oplossingen te bedenken zijn in tarieven of iets dergelijks, maar ik ga nu niet tegen de heer Stultiens zeggen hoe we het gaan doen. We willen in ieder geval een opening voor een mogelijke oplossing bieden, maar het begint wel bij de vraag waar we over praten en waar we op de lange termijn over praten. Ook als we weten wat het op de lange termijn eventueel extra oplevert, is dat wat mij betreft wel een andere discussie dan wanneer het alleen op de korte termijn geld kost.

De voorzitter:

De naam wordt niet uitgesproken als "Stultjens", maar als "Stultíéns". Het is niet erg, maar ik zeg het toch maar even. Dank nogmaals voor uw inbreng. Dan gaan we naar de heer Struijs, die spreekt namens 50PLUS.

De heer Struijs (50PLUS):

Dank u wel, voorzitter. Tegen de natuur van 50PLUS in hebben wij nog meer vragen dan standpunten. Dat zal wel uit mijn betoog blijken. We hebben een lange historie in de Eerste Kamer hierin, maar een kortere in de Tweede Kamer. Ik dank bij voorbaat sowieso de staf van de staatssecretaris, maar met name mijn collega's en de diverse fractiemedewerkers, dat ze ons zeer ter wille zijn de komende week met stoom en kokend water de hele meute aan vragen die wij hebben en alles wat er verder ligt, te beantwoorden. Uiteraard hebben wij ons wel erin verdiept, maar wij zijn bezig met een inhaalslag. Dat zal in mijn betoog ook wel blijken. Maar we hebben er uiteindelijk zeker standpunten over en ook geven wij nu al een duidelijke richting aan.

Wij hebben ook wat existentiële vragen, maar dat heeft misschien wat met de achterstand te maken. Ik ben hier niet om de noodrem op de trein te gooien, maar als ik met een frisse blik kijk naar de laatste tien jaar en de vragen die ontzettend leven in Nederland, vraag ik mij af waarom box 3 daadwerkelijk op de schop moet. Ik denk dat de kracht van de herhaling 'm er toch in zit om in duidelijke woorden aan de mensen duidelijk te maken waarom wij hier zitten en we ons soms in complexe discussies ingraven. Die discussies zijn terecht — laat ik dat vooropstellen — maar mensen raken soms een beetje het spoor kwijt waarom we dit allemaal doen. Ik verzoek sowieso de staatssecretaris soms ook even de mensen in het land mee te nemen in waarom we deze discussie nu al meer dan tien jaar voeren.

Het lijkt logisch en principieel om dit te veranderen, maar wat voor rechtvaardigheid zit hier nou echt onder? Het onderbuikgevoel van veel mensen zegt: ja, is dit weer een wens om meer geld te krijgen en dekking te zoeken en zijn wij dadelijk weer de klos? Op wie "zij" zijn kom ik zeker terug.

Laten we even terugkijken naar ons systeem en de verandering vanaf 2001. Ik ga dat hier niet helemaal terughalen, maar je merkt langzaam maar zeker dat mensen denken "ja, maar men gaat weer geld halen uit box 3, mijn vermogen dat ik heb opgebouwd, terwijl ik daar al belasting over heb betaald" en dat soort dingen allemaal. Het gaat natuurlijk wel over meer, maar ik waarschuw ervoor dat het draagvlak elke keer weer aandacht verdient van ons als controlerend orgaan. De geschiedenis leert ons hier dat de oorzaak van de huidige verbouwing van box 3 ligt in de uitspraken van onder andere de Hoge Raad. Spaarders voelden zich benadeeld omdat ze bij rentestanden van 1% steevast werden aangeslagen voor pak 'm beet 4%. Daarin schuilt natuurlijk ook het wantrouwen van menig burger.

Als 50PLUS voeren wij al jaren een gevecht — daarin zit ook een deel van ons bestaansrecht — rond de pensioenen en het niet-indexeren. Mensen zien daar een directe relatie in. Een ander aspect is de beoordeling van de geschiedenis die ik net heb uitgesproken. Waarom is de rentestand nu plots 1% lager? Dat heeft vele oorzaken, maar één ervan is bij ons in de gelederen toch wel belangrijk en manifest. Die had toch te maken met de ingreep van de ECB. In het verleden moesten veel dingen gered worden. Ik noem Griekenland en de betalingen rond covid. Dat was allemaal te verklaren. "Maar als die ingrepen niet via dat rendementssysteem waren gegaan," zo denken mensen, "had ik een hoger rendement gehad en dan had ik wél die indexatie gekregen." Zo leggen mensen constant verbanden die echt om antwoorden of duiding vragen. Ik ga hier niet in op allerlei investeringen en rendementen op obligaties, maar de rentemanipulatie door de ECB — zo wordt het aangevoeld — leeft echt bij vele mensen. Mogelijk kan de staatssecretaris dit wat meer duiden. Hoe kijkt hij daarnaar?

Wij kijken dus nog steeds met wat verdriet en ook wel een beetje met wat onderbuikgevoelens naar het indexatieloze tijdperk. Wat brengt ons dat in de toekomst? Want vijftien jaar lang geen indexatie … Nou ja. U zult wel denken "dit is geen pensioendebat", maar wij zien wel degelijk een relatie met wat nu aan de orde is. Mijn punt is dat de extreme verruiming van het monetaire beleid in die periode — wat leren we daarvan? — niet alleen wantrouwen heeft gecreëerd maar ook slachtoffers heeft gemaakt. Dat is de stresstest van de nieuwe wet. Hoe zit deze stresstest in elkaar? Hebben we de weerbaarheid van de nieuwe wet wel voldoende bekeken?

Hoe zijn we hier gekomen? Waarom gaat box 3 voor iedereen op de schop? Daar komen wat existentiële vragen uit voort. Wil de minister toch nog even de aanleiding en de redenen voor dit wetsvoorstel in duidelijke taal verwoorden, zeker voor 50PLUS, maar misschien ook voor mensen hier of mensen die meekijken of -luisteren. Is de gekozen oplossing ook een logische als de marktrente dadelijk weer genormaliseerd is? Hoe werkt deze nieuwe wet bij een normaal functionerende marktrente, die door allerlei invloeden nog steeds sterk fluctueert? Stel dat het op de wereld toch nog een keertje in orde komt. Hoe verhoudt zich deze wet dan? Dat vind ik toch wel een interessant gegeven. Vindt de staatssecretaris ook dat het internationale monetaire beleid, waar we direct mee te maken hebben, een belangrijke aanleiding is geweest voor de verbouwing van box 3? Of ziet hij daarmee geen relatie? Het antwoord op die existentiële vragen wil ik toch wel even weten.

Er komt sowieso een hervorming van box 3, maar hier komt de eerste blauwe olifant: het aanstaande regeerakkoord. Ik noem het zelfs geen paarse krokodil, maar een blauwe olifant, gewoon om hiervoor nog eens extra aandacht te vragen, want dit is groot. Vanmiddag voer ik met enkele andere fractievoorzitters gesprekken over de toekomst. Ik moet daarom eerder weg. Bij dezen bied ik daarvoor nu al mijn excuses aan. Dat heb je met een kleine fractie, maar dat neemt niet weg dat deze discussie erg belangrijk is. Gelukkig heb ik hele goede vragen gehoord van mijn collega's. Hoe verhoudt zich dit tot een regeerakkoord dat er dadelijk komt? Is er dan nog voldoende ruimte voor eventuele aanpassingen en voor een beetje valide discussie met de Tweede Kamer of worden we dan weer in een pressurecooker gestopt? Ik zoek dus ook een beetje ruimte, niet om te vertragen, maar wel vanwege de urgentie. Ik heb geen voorspellende waarde, maar ik vermoed zomaar dat een regeerakkoord dat er dadelijk komt, invloed gaat hebben op dit wetgevend voorstel.

Dan iets anders waar ik even aandacht voor vraag. Op 25 november is in de Eerste Kamer een motie aangenomen, uiteraard mede gesteund door 50PLUS. Het is toch wel interessant om die motie nog even te bekijken in het licht van hetgeen wij vandaag bespreken. Die motie verzoekt de regering een onafhankelijke adviescommissie in te stellen die voorstellen doet tot herziening en vereenvoudiging van het stelsel van belastingen en toeslagen, en verzoekt de regering op redelijke termijn overleg te voeren over de inhoud van de taakopdracht alvorens een dergelijke opdracht te geven. Ik ben hier in de Tweede Kamer wel benieuwd wat de staatssecretaris verwacht dat met deze motie zal gebeuren. Wordt box 3 onderdeel van die opdracht? Ik neem aan van wel, maar is dat wel zo? Dan wordt het wel belangrijk dat dit integrale adviesrapport van een staatscommissie in aantocht ook invloed gaat hebben op het plan van box 3. Dat geeft natuurlijk veel onzekerheid als dat allemaal zo is. Maar goed, mijn vraag is heel duidelijk: hoe kijkt de staatssecretaris hiernaar en kan hij mogelijk een toelichting geven?

Het is glashelder, zeg ik toch maar als schot voor de boeg. Wij willen ook een systeem van belasting van werkelijk gerealiseerd rendement zonder afwijkende regimes. Wij snappen de complexiteit en dat er allerlei dingen mogelijk zijn.

Wij kijken heel kritisch naar de vermogensaanwasbelasting en elementen daarvan. Het is namelijk een belasting op papier van niet-gerealiseerde waardestijgingen. Dit past niet helemaal in het box 3-stelsel. Misschien kan de staatssecretaris met een nadere duiding komen en onze zorgen wegnemen. Wij willen zo veel mogelijk de risicobereidheid ondermijnen in die zin dat we weten dat we hiermee risico's nemen, maar de vraag is hoe we die beperken. Kunnen we daar niet met z'n allen nog één keer kritisch naar kijken? Goed, ik ga maar even snel door. Kan de staatssecretaris bevestigen dat een afname van risicobereidheid inderdaad een gedragseffect is of kan zijn van de vermogensaanwasbelasting? Dat is een vraag die bij ons enorm leeft.

Dan ten aanzien van de vermogensheffing in box 3 die wordt gebaseerd op fictieve rendementen. Dit vinden wij echt een groot probleem. Dit vinden wij eigenlijk sowieso een gepasseerd station dat je niet meer moet willen nemen. Ik heb hier gelukkig al meerdere collega's over gehoord.

Dan kom ik natuurlijk ook op de tweede woning. U kunt zich voorstellen dat veel mensen van onze achterban een tweede woning hebben. Ik heb het niet over een derde en een vierde woning. Die mensen zitten gezellig uitkijkend op de moestuin in hun tweede woninkje, waar ze veel voor gespaard hebben en die onderdeel van hun pensioen hun is. Om daar nu weer belasting over te betalen … Daar komen we als 50PLUS natuurlijk sowieso op. Ik denk dat dit ook voor de collega's heel voorspelbaar was. Kijk, wij willen er op alle fronten naar streven dat er uitgegaan wordt van belastingen over werkelijk gerealiseerd rendement. Dus rechtvaardig, consistent, voorspelbaar en betrouwbaar; laat ik deze waardes toch nog maar even delen.

Ik heb eerder een vraag gehoord in de Eerste Kamer die mij erg intrigeert. Na invoering van dit box 3-stelsel op 1 januari 2028 kunnen een nieuw kabinet en een nieuwe Kamer, als ze dat opportuun achten, altijd een volledige vermogenswinstbelasting invoeren. Dat past uitvoeringstechnisch kennelijk ook, want ik heb van de Belastingdienst en van banken en verzekeraars begrepen dat die minimaal twee jaar nodig hebben om dit mogelijk te maken. Hoe kijkt de staatssecretaris naar deze algemene vermogenswinstbelasting? Dat blijft toch nog wel even boven de markt hangen. Wij zijn hier zeer kritisch op, maar wij laten ons graag overtuigen van de nut en noodzaak hiervan.

Het fictieve rendement van 3,35% op de tweede woning laat ik nu even voor wat het is. Een heleboel collega's zijn daar al op ingegaan. Kijk, het gaat niet alleen om het fictieve rendement op huurinkomsten. Het gaat ook om het draagvlak. Als je elke keer vanuit fictief vermogen gaat redeneren, neem je een enorm risico, zeker in juridische zin. Je kunt voorspellen dat de Hoge Raad hier wat over gaat zeggen, en terecht. Wees dus terughoudend met fictief rendement, in wat voor vorm dan ook. Als er een uitzondering moet worden gemaakt op het principe van werkelijk gerealiseerd rendement, dan moet je dat wat ons betreft niet doen — ik herhaal: niet doen — op dit fictieve rendement.

Het is al eerder gezegd, maar ik wil het toch nog een keer benoemen. Ik zat afgelopen weekend namelijk bij iemand die zijn geld heeft geïnvesteerd in kunst en niet in een tweede huisje. Dan kan het gaan om goud en dat soort dingen allemaal. Ik vroeg ook hoeveel belasting hij nou betaalt over dat schilderij, dat inderdaad een redelijk vermogen kost. Nou, niets. Hij zei: ik heb gelukkig geen vakantiehuisje genomen. In deze anekdote zit natuurlijk ook wel de kern van het draagvlak voor deze wet. Hoe ver is deze wet nu? Wat belast je wel en wat belast je niet binnen het vermogen? Dat is soms ook een gewetensvraag. We zullen niet alles dekkend krijgen via wetgeving, hier, vanuit de Kamer, maar het is toch goed dat we deze constateringen doen. Ik zie dus een paar grote blauwe olifanten, zoals ik ze noem. "Blauw" staat voor belastingen, zoals u weet.

Aan de uitvoerbaarheid is al meerdere keren gerefereerd. Hoe uitvoerbaar is deze wet, met alles erop en eraan? Mijn collega begon, terecht, over ICT en ik hoorde andere collega's iets zeggen over de druk op de Belastingdienst. Over dat soort dingen wil ik toch wel iets meer weten. Ik weet als geen ander, uit andere wetgeving, dat het echt het draagvlak ondermijnt als een wet niet uitgevoerd kan worden. Het helpt enorm als de uitvoering reëel kan plaatsvinden. Wat gebeurt er als de ECB nu weer ingrijpt? Hoe is de stresstest en wat is de weerbaarheid van deze wet in een hele onzekere mondiale wereld, die constant onder druk staat door allerlei monetaire ingrepen? Kan daar een beetje duiding aan worden gegeven?

Tot slot. Ik herhaal het nog maar eventjes: krijgt de Kamer na het regeerakkoord voldoende tijd om toch nog eens even kritisch naar deze wet te kijken?

Dit was mijn bijdrage, met veel vragen. Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we tot slot in de eerste termijn van de Kamer naar de heer Hoogeveen, die zal spreken namens JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):

Voorzitter, dank u zeer. Toen box 3 in 2001 werd ingevoerd, was het forfaitaire stelsel nog verdedigbaar. Men wilde eenvoud en ging uit van stabiele rendementen. Die werkelijkheid bestaat inmiddels niet meer. Rentes daalden, rendementen werden volatieler en de techniek werd sneller, waarmee ook de beweging van kapitaal sneller werd. Gevolg: steeds meer mensen betaalden belasting over inkomsten die zij nooit hadden genoten. Het Kerstarrest heeft daarin terecht een duidelijke grens getrokken. De Hoge Raad was helder: belasting mag alleen worden geheven over rendement dat daadwerkelijk is behaald. Een stelsel dat structureel losraakt van de werkelijkheid overschrijdt rechtsstatelijke grenzen. Daarmee was duidelijk dat box 3 in deze vorm niet kon blijven bestaan.

Nu ligt er een nieuw wetsvoorstel, waarin wordt gekozen voor belastingheffing op basis van het werkelijke rendement. Dat is een noodzakelijke stap, maar wie die stap zet, moet ook consequent zijn. Anders ontstaat opnieuw een stelsel waarin belasting wordt geheven op momenten waarop mensen geen draagkracht hebben.

Voorzitter. Box 3 is bedoeld om inkomsten uit vermogen te belasten: niet het bezit zelf, maar het rendement. Daarom is box 3 geen vermogensbelasting, maar een inkomstenbelasting. Inkomen heeft één essentieel kenmerk: het komt beschikbaar. Je kunt het uitgeven of herinvesteren. Dat is precies waarom belastingheffing over gerealiseerde opbrengsten als rechtvaardig wordt ervaren. Dat uitgangspunt verdwijnt zodra we ongerealiseerde waardestijgingen gaan belasten. Dan wordt belasting geheven over een waardestijging die alleen op papier bestaat. Het vermogen is meer waard geworden, maar er is niets verkocht en er is geen geld beschikbaar gekomen. Toch volgt er een belastingaanslag. Mensen kunnen dan in theorie worden gedwongen om te verkopen of in te teren, niet omdat zij winst hebben gemaakt, maar om die belasting te kunnen betalen. Dat is dus geen belasting op inkomen, maar een directe ingreep in het vermogen zelf. Dat is de kern van de spanning in dit wetsvoorstel.

Voorzitter. Het kabinet kiest voor een hybride stelsel. Voor de meeste vermogensbestanddelen geldt een vermogensaanwasbelasting en papierwinsten worden jaarlijks belast. Voor andere vermogens, zoals onroerende zaken, geldt belastingheffing pas bij verkoop. Dat betekent dat binnen één box verschillende belastingmomenten gelden. Economisch vergelijkbare situaties worden fiscaal verschillend behandeld, afhankelijk van de vorm waarin het vermogen is ondergebracht. In Europees perspectief is dat overigens een tamelijk uitzonderlijk stelsel. Vermogenswinsten worden vrijwel altijd belast bij realisatie.

Voorzitter. Wie de memorie van toelichting van het kabinet leest, ziet dus vooral budgettaire argumenten en uitvoeringsargumenten. Een aanwasbelasting levert eerder en gelijkmatiger opbrengsten op, maar dat is geen principiële rechtvaardiging binnen de inkomstenbelasting. Daarom heb ik de volgende vraag aan de staatssecretaris: erkent hij dat dit geen onvermijdelijk gevolg is van het Kerstarrest, maar een bewuste, met name budgettaire beleidskeuze? Ziet hij het risico dat Nederland hiermee internationaal een uitzonderingspositie inneemt?

De consequentie van deze keuze is helder: belasting kan verschuldigd zijn zonder verkoop en zonder liquiditeit. In goede jaren wordt belasting geheven op papierwinsten; in slechte jaren verdampt de waarde. Maar de belasting over eerdere jaren blijft bestaan. Dat zet het draagkrachtbeginsel onder druk. JA21 is daar uit principe kritisch op. Tegelijkertijd willen wij ook af van de huidige tegenbewijsregeling. Nog meer vertraging betekent dat mensen nog langer vastzitten aan een oneerlijk stelsel. Daarom doen wij dus gerichte voorstellen om een aantal knelpunten binnen het huidige wetsvoorstel te repareren.

Voorzitter. Ik kom dus met twee amendementen, die één gezamenlijke kern hebben: belastingheffing op het verkeerde moment. Het eerste amendement gaat over de verliesverrekening. In het wetsvoorstel kunnen verliezen wel vooruit maar niet achteruit worden verrekend. Het lijkt misschien een technische keuze, maar het probleem zit 'm bij het eindmoment. Zodra de belastingplicht eindigt — dat kan bijvoorbeeld zijn door emigratie, overlijden of het volledig afbouwen van vermogen — kunnen verliezen definitief niet meer worden verrekend. Dat betekent dat belasting kan zijn betaald over eerdere winsten, terwijl het totale rendement over de hele periode nul of zelfs negatief is. Dat is geen randgeval, maar een structureel gevolg van het ontbreken van een carry back. Op dat moment komt de heffing onomkeerbaar los te staan van het werkelijke totaalrendement.

Stel dat iemand een goed beleggingsjaar heeft en daarover belasting betaalt en er het jaar daarna een forse waardedaling volgt. Over die twee jaar samen is er dus geen winst, maar de belasting over het eerste jaar blijft bestaan. Zeker bij emigratie of overlijden is dat definitief. Ons amendement introduceert daarom een beperkte carry back van één jaar. Het is geen ruime faciliteit, maar een noodzakelijke correctie om te voorkomen dat belasting definitief wordt geheven over inkomen dat per saldo nooit is genoten.

Dan het tweede amendement; dat gaat over de doorschuiffaciliteiten en raakt in feite hetzelfde probleem, maar op een ander moment. In het wetsvoorstel kan belastingheffing namelijk optreden bij civielrechtelijke herverdelingen, zoals bij een scheiding, terwijl er geen verkoop plaatsvindt en er geen liquiditeit ontstaat. Neem een echtpaar dat bij scheiding een gezamenlijk beleggingsportfolio verdeelt. Er wordt niets verkocht en er komt geen geld vrij. Toch kan er belasting verschuldigd zijn, uitsluitend doordat het eigenaarschap wijzigt. Daarbij is geen sprake van realisatie en ook niet van draagkracht. Ook dit is een eindmoment, niet in economisch maar in juridisch opzicht. Ook hier wordt de belastingclaim gematerialiseerd op een moment waarop betalen in feite niet mogelijk is.

Ons amendement zorgt ervoor dat de belastingclaim wordt doorgeschoven. Er wordt niet afgerekend op één moment zonder draagkracht, maar pas bij daadwerkelijke realisatie. Met deze amendementen veranderen wij de koers van dit wetsvoorstel niet, maar zorgen wij er alleen voor dat de belasting niet wordt geheven op momenten waarop dat principieel en praktisch niet te rechtvaardigen is.

Voorzitter, tot slot. Voor JA21 is dit wetsvoorstel, net als voor veel partijen die vóór mij spraken, geen eindpunt. Het is een noodzakelijke stap om de tegenbewijsregeling definitief achter ons te laten, maar wij blijven van mening dat belastingheffing in box 3 uiteindelijk moet aansluiten bij gerealiseerde winst. Belasting moet volgen op inkomen, niet op papier, en moet niet komen op momenten waarop mensen geen draagkracht hebben. Net als veel collega's vraag ik dus aan de staatssecretaris of hij dit stelsel ziet als eindstation of als noodzakelijke tussenstap. Is hij bereid om zodra de rust is teruggekeerd te verkennen hoe box 3 verder kan worden ontwikkeld richting belastingheffing over gerealiseerde winst?

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dat was de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de staatssecretaris. Hoeveel tijd heeft u nodig? Tot 15.45 uur? Ja, dat kan. Dan gaan we om 15.45 uur verder, met de reactie van de staatssecretaris. We zijn geschorst tot dat moment.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën. Dit is het wetgevingsoverleg dat gaat over de Wet werkelijk rendement box 3. We zijn toe aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Heijnen:

Dank u, voorzitter. We spreken vandaag over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Dat is een ingrijpende en noodzakelijke herziening van belastingheffing over vermogen. Ik heb heel veel vragen van u ontvangen. We hebben geteld en het zijn er meer dan 130. Ik ga proberen om die allemaal zo goed als mogelijk te beantwoorden. Ik wil dat doen aan de hand van de volgende thema's. Ik wil in mijn inleiding beginnen met de uitgangspunten van het stelsel. Dat is een beetje algemeen. Dan kom ik bij aanvullende wensen en regelingen. Dan ga ik het hebben over de uitvoering, waar ook veel vragen over waren. Dan is er een onderdeel budgettair. Daarna is er een onderdeel vastgoed, inclusief landgoederen die vallen onder de Natuurschoonwet. Er is een hoofdstuk internationaal, plus zeer vermogende personen. Tot slot is er de verzamelbak: het thema overig.

We kunnen er heel lang bij stilstaan. Diverse Kamerleden hebben dat ook gedaan, maar ik denk dat we er allemaal wel van overtuigd zijn dat we echt een nieuw stelsel nodig hebben. Vervolgens kun je van gedachten wisselen over de vraag waar je dan naartoe wil. Is dat een volledige vermogensaanwasbelasting? Is dat een volledige vermogenswinstbelasting? Maar het huidige stelsel is dringend aan vervanging toe en ik denk dat dat ook het uitgangspunt is van alle, in ieder geval de meeste, leden van uw commissie. Als we het huidige stelsel langer zouden houden, leidt dat tot een budgettaire derving van, zoals bekend, ieder jaar 2 miljard. Wat ons betreft zou dat dus een extra aansporing zijn om zo snel als mogelijk naar een nieuw stelsel, de Wet werkelijk rendement, toe te gaan, los van het feit dat het huidige stelsel voor de belastingplichtige erg complex en moeilijk doenbaar is. Ik realiseer me terdege dat het nieuwe wetsvoorstel ook een aantal rode vlaggen en één gele vlag heeft, maar het huidige stelsel zoals dat nu geldt, de Wet tegenbewijsregeling box 3, is ook zeer complex, zowel voor de Belastingdienst als voor de burgers.

Sinds 2001 hebben wij gewerkt met forfaits. Ik heb eens even terugkeken: met de contourennota van 15 april 2022 gaf een van mijn voorgangers, de heer Van Rij, destijds het startschot voor de Wet werkelijk rendement box 3. Dat is bijna vier jaar geleden en nu spreken we over het concrete wetsvoorstel. Als je, zoals ik heb gedaan, kijkt naar de invoering van het boxenstelsel in 2001, met onder andere box 3, dan zie je dat dat een voorstel van, volgens mij, Leo Stevens was, waarbij aangegeven werd dat het tijdelijk was en dat we op termijn toe moeten naar een belastingheffing over werkelijk genoten rendement, ook voor vermogensinkomsten. Ruim 25 jaar later praten we daar nu over. Ik denk dat we allemaal vinden dat dat weleens tijd werd.

Wat ons betreft zetten we met deze wet een eerste stap naar een volledig robuust stelsel op basis van werkelijk rendement. Ik ga daar zo nog even op in. De heer Vlottes vroeg ernaar. Ik zeg het volgende als staatssecretaris van Financiën. Wat mij en wat dit dubbeldemissionaire kabinet betreft zou in de toekomst een volledige vermogenswinstbelasting aangewezen zijn, maar daar gaan wij niet meer over. Uiteindelijk vind ik dat aan het nieuwe kabinet en aan u als Tweede Kamer. Er werd ook een vergelijking gemaakt met mij als treinconducteur: zitten we nu op een tussenstation of op een eindstation? Wat mij betreft zitten we dus nadrukkelijk op een tussenstation en is het eindstation volledige vermogenswinstbelasting, maar ook daarover zeg ik dat uw Kamer en het nieuwe kabinet de machinisten zijn. Die bepalen of we na het tussenstation verder rijden en, zo ja, waar we dan naartoe gaan. Maar nogmaals, ik zeg als staatssecretaris van Financiën: wat mij betreft volledige vermogenswinstbelasting. En het klopt, meneer Vlottes, dat ik daarnaast toevallig ook fiscalist ben.

De heer Vermeer vroeg daarover wat de mogelijkheden naar de toekomst toe zijn. U heeft er in het verleden vaker over gesproken, ook met mijn voorgangers, waarbij nooit zo nadrukkelijk is gesproken over een volledige vermogenswinstbelasting. Is er dan iets gewijzigd ten opzichte van toen, omdat dat nu opeens wel mogelijk lijkt? Volgens mij was het destijds ook mogelijk, alleen moet je het, denk ik, ook een beetje plaatsen in de tijdgeest. Ik zeg alleen: nu kan het wel, maar ook niet meteen; dat heb ik nadrukkelijk aangegeven. Als we naar een nieuw stelsel voor vermogenswinstbelasting willen, kan dat pas een aantal jaar na 1 januari 2028, omdat het anders voor de uitvoering niet haalbaar is en ook voor de banken, die hierin een belangrijke rol hebben, uitvoerbaar moet blijven. Vorige week is er nog overleg geweest met de diverse banken en de brancheorganisatie. Die gaven ook aan dat, als dat politiek gewenst is, een overstap naar volledige vermogenswinstbelasting en aanlevering van die gegevens door de banken kan, maar dat de banken minimaal twee jaar nodig hebben om hun systemen daarop aan te passen. Dat betreft dus de vraag: hoe nu verder?

De voorzitter:

Er is nog een interruptie daarover van de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Ik wil de staatssecretaris bedanken voor zijn antwoord daarop. Ik heb wel begrepen dat banken dat voor andere landen bijvoorbeeld al wel moeten opgeven, dus dan zit het toch gewoon in hun systeem? Hoe kan het dan nu opeens zo zijn dat ze daar twee jaar werk voor nodig achten?

Staatssecretaris Heijnen:

Het klopt wat de heer Vermeer stelt. Dat is bijvoorbeeld zo voor Amerikaanse staatsburgers die hier hun aangifte moeten doen. Zij zijn ook in Amerika verplicht om hun volledige wereldinkomen en vermogenswinst op te geven. Dat is een hele, hele beperkte groep. Als we dat voor alle belastingplichtigen zouden gaan doen, dan hebben we het in totaal over 3,5 miljoen belastingplichtigen. Dat vergt toch wel wat extra werk.

De heer Vermeer (BBB):

Ik heb zelf jarenlang in de automatisering gewerkt. In de essentie van het systeem hoeft het niet uit te maken of je iets voor één persoon doet of voor 1 miljoen. Dit suggereert dat het allemaal handwerk is. Zie ik dat goed?

Staatssecretaris Heijnen:

Daar overvraagt de heer Vermeer mij. Ik heb niet jarenlang in de automatisering gewerkt. Dat weet ik niet. Ik weet niet hoe de banken het nu doen. Ik weet alleen wat de banken aangeven wat voor hen mogelijk is.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik gaf al aan dat het ook na 1 januari 2028 mogelijk blijft om het nieuwe stelsel door te ontwikkelen, als het nieuwe kabinet en uw Kamer dat willen. Deze wijzigingen zouden dan wat mij betreft het liefst uitgewerkt kunnen worden in volgende belastingplannen of losse wetsvoorstellen. Daarbij moet uiteraard gekeken worden of en wanneer de voorstellen haalbaar en uitvoerbaar zijn. Daarnaast moeten de voorstellen uiteraard ook gedekt zijn.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De staatssecretaris heeft steeds gesteld dat de Tweede Kamer voor 15 maart 2026 haar ei moet leggen over dit wetsvoorstel, omdat anders de invoering op 1 januari in het gedrang komt. Geldt dat coûte que coûte voor het hele voorstel, inclusief alle parameters, of kunnen parameters bijvoorbeeld bij het eerstvolgende Belastingplan nog worden aangepast zonder dat dat invloed heeft op de invoering van het stelsel op 1 januari 2028?

Staatssecretaris Heijnen:

Dat is een goede vraag. Op dit moment zou het huidige wetsvoorstel in zijn totaliteit voor 15 maart door uw Kamer aangenomen moeten worden. Dan beginnen met name de banken, maar ook andere partijen die gegevens aanleveren, namelijk te bouwen. Zijn er daarna nog aanpassingen mogelijk? Wellicht wel, maar dat zal per aanpassing bekeken moeten worden. Ik denk wel dat er op onderdelen aanpassingen mogelijk zijn in het Belastingplan 2027 of eventueel in het Belastingplan 2028, maar de banken hebben aangeven dat het wetsvoorstel wel op 15 maart 2026 aangenomen moet zijn.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat laatste snap ik. Er zitten ook allemaal parameters in, zoals 36% belasting en 3,35% vastgoedbijtelling. We komen daar nog over te spreken. Kan de staatssecretaris anders toezeggen om nog voor de stemming een brief aan ons te sturen over welke onderdelen essentieel zijn om nu vast te stellen en welke onderdelen eventueel, onder invloed van politieke opvattingen met een meerderheid, nog gewijzigd kunnen worden? Ik heb het dan dus met name over de parameters zoals de tarieven die ik net noemde. Het lijkt me logisch, inherent aan het systeem, dat dat gewoon altijd aanpasbaar is. Dat is bij belastingplannen ook altijd zo, zelfs nog anderhalve maand voor het nieuwe jaar. Het is niet ideaal, maar het kan wel. Ik zou daar graag een beetje meer duidelijkheid over krijgen, want het is een hele bombastische uitspraak. Waar heeft die wel betrekking op en waarop niet?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik kan dat aangeven en die toezegging doen. Ik snap de vraag en ik kan me daar ook heel goed iets bij voorstellen.

De voorzitter:

De griffier registreert deze toezegging.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik heb een aanvullende vraag nu die brief er toch gaat komen. Ik zou het dan ook wel fijn vinden als de financiële consequenties van eventuele aanpassingen meegenomen worden, zodat de Kamer, als die iets wil, ook aanspreekbaar is en let op de dekking.

Staatssecretaris Heijnen:

We nemen dat mee.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan ga ik naar een aantal concrete vragen. De heer Vlottes vroeg of er geen strijdigheid is met het EVRM. Nee, we zijn van mening dat dit stelsel de toets van het EVRM doorstaat. Belastingheffing over ongerealiseerde waardestijging wordt door de Hoge Raad niet als strijdig met het EVRM gezien, omdat die ook tot het daadwerkelijk rendement behoort. Door te heffen op basis van werkelijk rendement inclusief ongerealiseerde waardestijging, wordt aangesloten bij de draagkracht van belastingplichtigen.

Dan vroeg de heer Hoogeveen waarom wij kiezen voor een stelsel dat nergens anders in Europa in deze vorm wordt toegepast. Hij vroeg of dat niet juist een risico is. Laat ik beginnen met de opmerking — volgens mij is dat wel helder — dat het ideale stelsel niet bestaat, althans niet op dit moment. Ik denk dat het kabinet en meerdere voorgaande kabinetten om goede redenen hebben gekozen voor dit voorstel, omdat dit een juiste balans biedt voor de overgang naar werkelijk rendement. Een volledige vermogenswinstbelasting kent een aantal nadelen die mogelijk oplosbaar zijn, maar waar je wel rekening mee moet houden. Een aantal werden al genoemd: budget, uitvoering, lock-ineffect en dergelijke en uiteraard ook de budgettaire dekking, maar daar ga ik zo meteen nog in een apart hoofdstuk verder op in.

Ja, zeg ik tegen de heer Vlottes, de heffingsvrije voet van €1.800 bestaat nog en daar is het ook al een aantal keer over gegaan. De parameters zijn inderdaad zodanig gekozen dat het wetsvoorstel budgettair neutraal is. Daarbij is er rekening mee gehouden dat de meeste belastingplichtigen met een kleiner vermogen nu onder het heffingsvrije vermogen blijven. Ze zullen naar verwachting ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Er is met name budgettair gekeken. Qua uitvoering is er gekeken naar het aantal belastingplichtigen dat met box 3 te maken krijgt.

Dan een vraag van de heer Grinwis over de vermogensbelasting.

De voorzitter:

Ogenblik. Er is toch nog een vraag van de heer Vlottes over dit antwoord.

De heer Vlottes (PVV):

Is er dan ook gekeken naar meer volatiele beleggingen, zoals crypto? Dan merk je in een bepaald jaar vooral dat er gigantische rendementen kunnen worden behaald, maar in een ander jaar heb je mogelijk verliezen. Dan ga je heel snel over die €1.800 rendement heen. Dan kom je dus sneller in aanmerking voor de box 3-belasting.

Staatssecretaris Heijnen:

In de ramingen zijn alle mogelijke beleggingen meegenomen, uiteraard in een bepaalde verhouding. Het zijn allemaal geïsoleerde modellen die berekend zijn, dus dat geldt ook voor crypto. Maar het kan inderdaad zo zijn dat iemand die alleen in crypto belegt, het ene jaar heel veel rendement heeft en het andere jaar heel veel verlies.

Dan ga ik naar het stokpaardje van de heer Grinwis, de simpele vermogensbelasting. Het klinkt eenvoudig, maar schijn bedriegt. Mijn ambtsvoorgangers hebben hier ook al meerdere Kamerbrieven aan gewijd. Er is een anticumulatiebepaling; die is noodzakelijk. Dan ga ik ook nog wat terug in de tijd. Vroeger was dat de 68%-regeling. Voor '94 — ik heb het zelf nog meegemaakt — was het zelfs de 80%-regeling, waarbij betaalde vermogensbelasting en inkomstenbelasting destijds niet meer dan 68% van het belastbaar inkomen mocht zijn. Dit was om een nieuwe inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen. Een dergelijke anticumulatiebepaling lijkt in de praktijk veel op de tegenbewijsregeling. Belastingplichtigen moeten daarvoor namelijk ook het werkelijk rendement berekenen. Hierdoor verliest wat ons betreft de vermogensbelasting zijn eenvoud. Daarnaast vinden wij een vermogensbelasting niet geheel rechtvaardig, omdat er over hele hoge rendementen geen belasting wordt geheven. Dat alles overziend kiest het kabinet voor een heffing over de inkomsten uit vermogen, dus over de vruchten en niet over de stam.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

We gaan de discussie niet meer helemaal overdoen, hoor. Het punt is helder. Er ligt nu een wetsvoorstel voor en daar moeten we onze mind over opmaken. Ik heb het gevoel dat het tweede argument dat de staatssecretaris noemde, dominanter is geweest dan het eerste, de anticumulatieregeling. In theorie is dat inderdaad een heel omvangrijk gebruikte regeling, maar de praktijk is dat niet zo heel veel mensen gebruikmaakten van die anticumulatieregeling, omdat ze in de praktijk niet zomaar boven die 68% uitkwamen. Dat nuanceert dus wel het eerste deel van het betoog. Als alle belastingplichtigen in box 3 gebruik zouden maken van die anticumulatieregeling, heb je niks aan de vermogensbelasting qua uitvoerbaarheid; dat geef ik gelijk toe. Maar de praktijk is gelukkig altijd anders geweest, ook in andere landen. Dat geef ik nog maar even mee aan de staatssecretaris. Het is in zekere zin water onder de brug, maar ik denk dat we ooit nog zullen terugverlangen naar de dag waarop we de fout hebben gemaakt om een heel ingewikkeld stelsel aan te nemen en dat we dan denken: hadden we toch maar een vermogensbelasting gehad.

Staatssecretaris Heijnen:

We zullen zien.

Dan het thema boxhoppen en de vraag daarover van de heer Grinwis. Hij vroeg: wordt boxhoppen nu mogelijk aantrekkelijker met het nieuwe box 3-stelsel? Wij zijn van mening dat de prikkel voor boxarbitrage juist afneemt, omdat nu in box 3, net als in box 2, belasting wordt geheven over daadwerkelijk rendement en niet meer over forfaitair rendement. Daarmee kunnen fiscale redenen om vermogen dat in box 3 forfaitair hoog wordt belast over te hevelen naar box 2, wat ons betreft in ieder geval afnemen. Wij realiseren ons echter terdege dat er verschillen blijven bestaan tussen box 2 en box 3, bijvoorbeeld wat betreft het genietingstijdstip van de vermogensaanwasbelasting, die we niet in box 2 kennen. Dat verschil blijft er wel. Ook het tarief is verschillend. Het tarief in box 3 is nog altijd iets lager dan het gecombineerde tarief in box 2. De twee laagste schijven, AB en vpb, zijn om en nabij 39%, afgerond. Dat zou er weer voor pleiten om bij box 3 te blijven zitten. Of arbitrage wel of niet voordelig is, hangt denk ik vaak af van de individuele situatie.

Tot slot nog twee dingen. Het oprichten van een bv kost ook geld. Die moet onderhouden worden en brengt administratieve lasten met zich mee. Voor de overdracht van vastgoed aan een bv vormt de overdrachtsbelasting vaak een belemmerende factor. Die is inmiddels weliswaar 8%, maar ja, dat rendement moet je eerst nog maar eens zien te maken.

Dan ook een aantal vragen van mevrouw Van Eijk, de heer Hoogeveen en de heer Vlottes. De eerste is of ik bereid ben om samen met uw Kamer te onderzoeken hoe een overgang naar een volledige vermogenswinstbelasting kan worden vormgegeven. Als uw Kamer dat wenst, kan dat uiteraard worden verkend. Ik ben daar even heel voorzichtig mee, want ik denk dat ik dat niet meer persoonlijk ga doen. Ik denk wel dat het goed is, ook voor mijn opvolger, om samen met uw Kamer het traject inclusief de tijdlijnen te verkennen, om te kijken hoe je dat zou moeten doen. Aan de andere kant realiseer ik me dat er andere partijen zullen zijn die over willen naar een volledige vermogensaanwasbelasting. Daar zou je dan wellicht ook naar kunnen kijken. Daar kun je ook in meenemen hoeveel tijd er nodig is voor wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en implementatie door de ketenpartners.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Verkennen kan nooit kwaad. Ik denk dat wat er nu ligt, na jaren van verkennen tot stand is gekomen. Ik heb dus niet het gevoel dat het nog heel veel gaat veranderen. Ik zou wel willen vragen of de staatssecretaris, als dit verkend gaat worden, heel expliciet kan omschrijven wat de kosten en budgettaire gevolgen zijn. We komen er straks bij het volgende blokje op. Ik vind nog steeds dat er veel te gemakkelijk voorbijgegaan wordt aan het feit dat je nog járenlang geld kwijt bent. Ook als er vandaag een motie komt met het verzoek dit verder te verkennen, laten we dan wel duidelijk maken wat de kosten daarvan zijn.

Staatssecretaris Heijnen:

Prima.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dank voor de reactie van de staatssecretaris. Ik had ook wel verwacht dat hij zou denken dat niet meer zelf te kunnen gaan doen, maar je weet het nooit. Ten aanzien van mijn vraag. Ik had ook specifiek gevraagd: gaat dat dan stap voor stap, of in één keer? Komt de staatssecretaris daar nog op? Hoe meer uitzonderingen je toevoegt, hoe kwetsbaarder het stelsel wordt. Dat weten we allemaal. Dat zou bijna suggereren dat je eigenlijk in één keer over moet als je die stap wil maken. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen.

Staatssecretaris Heijnen:

Jazeker, voorzitter. Dat was het tweede deel van mijn antwoord. Ik denk dat het goed is om alle stappen in beeld te brengen en dan de vraag te beantwoorden. Ga je dat stap voor stap doen, dus per vermogensbestanddeel, of ga je dat in één keer doen? Ik denk dat een aantal overwegingen daarbij zouden kunnen zijn of het budgettair en uitvoeringstechnisch kan en of het juridisch houdbaar is. Ik denk dat het goed is om alle stappen die je zou kunnen en moeten zetten in beeld te brengen, en vervolgens aan de hand van die stappen gezamenlijk te beoordelen wat je gaat doen en hoe je het gaat doen.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de vermogensaanwasbelasting en mogelijke betalingsproblemen. Er zijn situaties, bijvoorbeeld van slechte aandelen of werknemersparticipatie, waarbij dat speelt. Onze verwachting is dat de vermogensaanwasbelasting niet tot dit soort liquiditeitsproblemen en dus betalingsproblemen leidt. Het is onze ervaring dat belastingplichtigen doorgaans niet alleen dit soort vermogensbestanddelen hebben, maar een gevarieerd pakket aan vermogensbestanddelen, ook met liquide vermogen. Uit onderzoek blijkt dat box 3 op dit moment in ieder geval zelden tot betalingsproblemen leidt. We hebben niet de indruk dat dat onder het nieuwe stelsel anders zal zijn. Misschien nog even ter toelichting: op dit moment zijn er al betalingsregelingen van standaard vier maanden en op verzoek twaalf maanden. In hele schrijnende gevallen kan er zelfs maatwerk plaatsvinden en kunnen langere betalingsregelingen worden afgesproken. Er zijn dus al betalingsregelingen. Voor zover dat nodig is, kan er ook voor box 3 gebruik van worden gemaakt. Dan had de heer Oosterhuis een andere vraag, over een uitspraak van de Raad van State dat het noodzakelijk is om een integrale visie op het belasten van vermogen te ontwikkelen. Het ging ook over de relatie tot box 1 en box 2 en over in internationaal perspectief voorkomen dat extreem rijken allerlei manieren hebben om zo min mogelijk belasting te bepalen. Voor de integrale visie heeft het kabinet naar verschillende opties gekeken. Dat hebben wij ook in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag uitgewerkt. We hebben het hier bij het bespreken van het pakket Belastingplan wat uitgebreider over gehad. Ik denk dat het belangrijk is om zoiets in z'n totaliteit mee te nemen; als je het gaat hebben over de integrale herziening van ons belastingstelsel, zou je dit volgens mij ook mee moeten nemen. We hebben op dit moment naar box 3 gekeken. De vraag over die relatie tot box 1 en box 2 zie ik toch wat meer in het kader van de integrale herziening van ons belastingstelsel.

Dan de internationale fiscale behandeling van zeer rijke …

De voorzitter:

Ogenblik, er is toch nog een vraag van de heer Oosterhuis.

De heer Oosterhuis (D66):

Ja, voordat de staatssecretaris zo meteen doorgaat naar het internationale perspectief. Mijn vraag over de relatie met box 1 en box 2 ging natuurlijk ook over het evenwicht tussen die boxen en de tariefstelling. Het tarief in box 3 is nu wat lager dan het gecombineerde tarief in box 2 — ik heb het over vennootschapsbelasting — en het tarief in box 1. Stel dat het tarief van box 3 wat meer die richting op gaat, wat zijn dan de effecten die de staatssecretaris daarvan verwacht?

Staatssecretaris Heijnen:

Poeh, dat vind ik lastig. Daar hebben wij in het kader van dit wetsvoorstel niet naar gekeken. In het verleden heeft uw Kamer wel vaker met mijn voorgangers van gedachten gewisseld over het globale evenwicht, zoals dat dan genoemd wordt. Als je ervoor kiest om het tarief in box 3 wat meer te laten bewegen richting, met name, box 1, dan zal dat zeker gevolgen hebben. Maar u overvraagt mij als u mij vraagt welke gevolgen dat zijn.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Tot slot in dit blokje een vraag van de heer Struijs; ik zie dat hij helaas niet aanwezig is. Hij vroeg waarom het stelsel eigenlijk op de schop moet. Dat hebben we volgens mij al besproken: het huidige stelsel is onhoudbaar en te complex voor burgers en Belastingdienst, zorgt voor een jaarlijkse budgettaire derving en — dat vinden wij ook heel belangrijk — leidt niet tot een rechtvaardige belastingheffing. Dat zijn de redenen waarom we deze stap willen zetten. Ik denk dat dit de meeste leden die al wat langer in deze commissie zitten, wel bekend is.

Dan ga ik naar het blokje aanvullend …

De voorzitter:

U begon net aan iets internationaals. Toen beantwoordde u die interruptie, maar u heeft vervolgens uw antwoord niet gegeven. Ik denk dat daar anders weer een interruptie over gaat komen.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik kom er niet mee weg, hè? Even kijken.

Ik ga hier trouwens bij het blokje internationaal en belastingheffing bij zeer vermogende particulieren nog uitgebreid op in, realiseer ik me nu. Mag ik er dan op terugkomen?

De voorzitter:

Ja. Dan geloof ik dat we nu doorgaan met de aanvullende wensen.

Staatssecretaris Heijnen:

Voorzitter. Dan begin ik met de vraag van de heer Vermeer. Meerdere leden stelden deze vraag, volgens mij. "Waarom is er eigenlijk voor gekozen om alleen voor start-ups voor een afwijkende regeling te kiezen en niet voor het brede mkb? Daar vindt namelijk ook heel veel innovatie plaats." Ik begrijp deze vraag heel goed. Niet alleen start-ups, maar ook bestaande mkb-bedrijven dragen bij aan innovatie en aan de economie. Uit de uitgevoerde staatssteunanalyse blijkt echter dat de ruimte om uitzonderingen op de hoofdregel te maken, beperkt is. Zoals u zich ongetwijfeld herinnert, is naar aanleiding van deze analyse de eerder voorgestelde uitzondering voor familiebedrijven geschrapt. De groep mkb-bedrijven is net zoals die van familiebedrijven heel breed en divers, misschien nog wel diverser en breder dan alleen familiebedrijven. Om die reden zien we dan ook geen ruimte om voor mkb-bedrijven een uitzondering te maken op de hoofdregel. Ik wil daar ook nog het volgende bij opmerken. Dan hebben we het met name over aandelen in familiebedrijven; ik denk dat de heer Vermeer dat bedoelt. Het grootste deel van die belangen valt natuurlijk in box 2. Je hebt het met name over die belangen in die familiebedrijven waarvoor box 2 niet geldt, maar waarop box 3 van toepassing is.

Dan gaan we naar verliesverrekening en al dan niet achterwaartse verliesverrekening. Daar zijn ook heel veel vragen over gesteld door onder anderen mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen, die ook een amendement in voorbereiding heeft. De heer Vermeer en mevrouw Van Eijk hadden ook diverse vragen over verliesverrekening en al dan niet achterwaartse verliesverrekening. Laat ik beginnen met de vraag van mevrouw Van Dijk over de budgettaire derving. Bij het bepalen van de budgettaire derving is er rekening mee gehouden dat verliezen alleen worden verrekend met inkomen uit 2028 of later. Andere landen die geen achterwaartse verliesverrekening hebben, zijn bijvoorbeeld twee Scandinavische landen, te weten Noorwegen en Zweden. Ook in Engeland kunnen verliezen alleen worden verrekend met winst in eerdere jaren in geval van enkele uitzonderlijke situaties. Het gebeurt dus niet veel, maar het gebeurt wel in Europa.

Dan het amendement van de heer Hoogeveen met een beperkte carry back van één jaar. Ik begrijp die wens heel goed. De Belastingdienst geeft echter aan dat het zeer complexiteitsverhogend is. Ik zeg dat niet om de discussie gelijk af te kappen. Ik geef aan wat het voor de systemen betekent. Het is namelijk een ingrijpende structuurwijziging. De staffel en de structuur van de aanslag moeten worden aangepast. Daarom geeft de Belastingdienst aan dat inwerkingtreding per 1 januari 2029 niet uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het amendement ook budgettaire gevolgen, die niet worden gedekt. Volgens de budgettaire tabel levert dat in bijvoorbeeld 2028 een derving op van 1,2 miljard en in 2029 van 1 miljard, en zo neemt die jaarlijks af. Het betekent toch een budgettaire derving ten opzichte van het basispad waarvoor dan dekking zou moeten worden gevonden.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dat begrijp ik. Het is ook een reden dat er nog geen dekking in het amendement zat, omdat wij in afwachting waren van die budgettaire gevolgen. Ik keek naar het budgettaire effect, maar ik moet zeggen dat ik die cijfers niet helemaal begreep. Misschien kan de staatssecretaris het wat verduidelijken. Er staat: in 2028 1,2 miljard, in 2029 ruim 1 miljard, daarna 0,5 miljard en in 2031 367 miljoen. Maar dan staat er: structurele kosten 12 miljoen. Nou weet ik niet zo goed hoe daarop is gekomen. Of het is een hele steile afbreuk of we rekenen ergens door tot in de 23ste of 24ste eeuw. Kan de staatssecretaris dat budgettaire effect misschien wat verduidelijken?

Staatssecretaris Heijnen:

Mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen, voorzitter?

De voorzitter:

Ja. Geeft u uw oordeel over het amendement in de eerste termijn of in de tweede termijn?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik ging ervan uit dat amendementen en moties in de tweede termijn worden ingediend, waarna ik die zal appreciëren.

De voorzitter:

De amendementen zijn al bekend, dus het helpt soms wel voor de tweede termijn als men het oordeel al weet. Maar ja, dat is aan u.

Staatssecretaris Heijnen:

Oké. Dat hadden wij niet voorbereid, maar ik kan het amendement van de heer Hoogeveen wel appreciëren. Ik heb het eigenlijk min of meer al in mijn toelichting aangegeven. Het is uitvoeringstechnisch en budgettair een probleem. Ik kom nog terug op de cijfers. Het is niet gedekt; vandaar dat ik dit amendement moet ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 9 is daarmee ontraden. De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan gaan we naar het andere amendement van de heer Hoogeveen. Dat betreft de doorschuiffaciliteit bij het beëindigen van een huwelijk door een scheiding, door een life event. Ook dat — helaas, ik val in herhaling — is een structuurwijziging in de keten Inkomensheffing. Dat is een ingrijpende verandering en kan niet uitgevoerd worden per 1 januari 2028. Er zijn budgettaire gevolgen berekend. Wellicht dat de heer Hoogeveen ook daar een nadere toelichting op wil. Die zullen we ook meenemen in mijn tweede termijn. Om dezelfde redenen als bij het eerste amendement, kan ik dit amendement helaas alleen maar ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 8 is ontraden, meneer Hoogeveen.

De heer Hoogeveen (JA21):

Ik vond dat inderdaad ... Maar goed, fijn als de staatssecretaris er in de tweede termijn op terugkomt. Bij die doorschuiffaciliteit kregen wij zelfs door dat het geen budgettair effect zou hebben. Dat leek vrijdag opeens weer anders te zijn. Daar hebben wij nog nadere informatie over gevraagd. Daar hebben wij nooit meer iets van vernomen. Wellicht dat de staatssecretaris daar in de tweede termijn op terug kan komen.

Staatssecretaris Heijnen:

Zeker, daar kom ik op terug. Het is goed — dat werd al eerder in dit debat aangegeven — dat er geen discussie is over de feiten en uitgangspunten.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Vermeer had ook een vraag over verliesverrekening in het laatste levensjaar. Is dat geen reden om nog snel, vlak voor het overlijden of in het jaar van overlijden, naar een bv te gaan? Hij vroeg zich ook af hoeveel belastingplichtigen er zijn met een vermogen van meer dan 1 miljoen in box 3. Ik ga met die laatste vraag beginnen. Dat zijn er in 2028 volgens de raming 104.000. Er zijn dan dus 104.000 belastingplichtigen met een box 3-vermogen van meer dan een miljoen.

Het klopt, zoals de heer Vermeer aangaf, dat bij overlijden niet het volledig geleden verlies kan worden verrekend met positieve inkomsten in dat jaar. Als er geen positieve inkomsten zijn, blijft dat verlies permanent onverrekend. Dat klopt. Maar daarbij moet wel worden bedacht dat in het laatste jaar, of in het jaar van overlijden, de nog niet belaste waardeaangroei van onroerend goed alsnog in de heffing wordt betrokken. Dat zou wellicht wel voldoende basis bieden om die verliezen te verrekenen. Ik vraag me af of dit soort situaties heel veel gaan voorkomen en of dit inderdaad een weg gaat worden die veel belastingplichtigen kiezen. Het oprichten en onderhouden van een bv kost geld en hoeft fiscaal zeker niet altijd voordelig te zijn.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik weet niet of deze vraag hier past of dat de staatssecretaris er nog op terugkomt. Bij overlijden moet men belasting betalen over gereduceerde winst, omdat het wordt geïnterpreteerd als een moment van verkoop, waarop dus vermogenswinst wordt gemaakt. Dat kan tot grote liquiditeitsproblemen leiden bij de nabestaanden, of het nou gaat over bijvoorbeeld verhuurd vastgoed — we mogen huurders in dit land gelukkig niet in één keer op straat zetten — of om beleggingen die niet zomaar liquide te maken zijn. In dergelijke gevallen is het een enorme aanslag. Hoe ziet de staatssecretaris dat? Zijn er dan ruimhartige betalingsregelingen voorhanden? Er wordt namelijk niet zo veel over gezegd in de stukken. Bij sommige zaken hebben we doorschuiffaciliteiten, maar hierbij niet.

Staatssecretaris Heijnen:

Dat klopt. Gelukkig is bij het pakket Belastingplan 2026 die termijn aanzienlijk verruimd, van acht naar twintig maanden. Dat geeft, denk ik, al heel veel lucht om actie te ondernemen. Daarnaast kunnen we met de bestaande betalingsregelingen van vier maanden, twaalf maanden, of zelfs nog langer in individuele en echt heel moeilijke situaties, goed uit de voeten, denk ik. Dus ja, mogelijk zal een beperkt aantal situaties zich voordoen. En ja, dan kan er gebruikgemaakt worden van de bestaande betalingsregelingen.

De voorzitter:

De heer Grinwis heeft nog een vervolgvraag.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Heel kort hierover. De staatssecretaris classificeert die betalingsregelingen als ruim. Stel dat je verhuurd vastgoed hebt, waarin huurders zitten met vaste contracten voor onbepaalde tijd, en er een enorme waardestijging is geweest. Dan moet je misschien in één keer tonnen aftikken bij de Belastingdienst. Vier of twaalf maanden klinkt mij dan helemaal niet ruim in de oren. Is dat niet een reden om toch nog een keer naar die betalingsregelingen te kijken in relatie tot het nieuwe box 3-stelsel, dat hier voorligt?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik vraag mij dat af. Bij de aangifte van de erfbelasting is de termijn nu sowieso al twintig maanden. Daar komt twaalf maanden bij, bij de betalingsregelingen die geen maatwerk betreffen. Dan heb je bijna drie jaar de tijd om het te verkopen of om iets anders te regelen. Als er dan nog betalingsproblemen overblijven, dan is het mogelijk om de betalingsregeling via maatwerk nog verder te verlengen. Ik denk dus niet dat de huidige betalingsregelingen nog ruimer hoeven te worden.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik blijf even bij de verliezen. Mevrouw Van Eijk vroeg of de effecten van de gekozen verrekeningssystematiek kunnen worden gemonitord. Ja, dat zullen we doen. De gevolgen van de gekozen verliesverrekening is een van de elementen die we zullen meenemen in de evaluatie van het wetsvoorstel. Dat kan ik bij dezen toezeggen.

De heer Grinwis en de heer Vlottes vroegen hoe het werkt met negatieve rendementen. Daarvoor geldt een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening. We hebben het daar al over gehad, dus ik weet niet of daar nog verdere vragen over zijn. Ik denk dat we het daar al uitgebreid over hebben gehad.

Mevrouw Van Eijk vroeg naar andere landen met eenvoudige instrumenten, bijvoorbeeld beleggingsrekeningen of vrijstellingen voor bepaalde vormen van rendement. Zij vraagt mij of ik bereid ben om parallel aan dit wetstraject samen met de Kamer te verkennen welke opties kansrijk zijn voor Nederland. In het commissiedebat Ecofin van 3 december jongstleden heb ik toegezegd een onderzoek op te starten. Ik geloof dat mevrouw Van Dijk daar ook naar vroeg. Dat onderzoek wordt in de eerste helft van 2026 uitgevoerd. Dat ligt nog op plan. Het zal in de eerste helft van 2026 met uw Kamer gedeeld worden.

De voorzitter:

Mevrouw Van Eijk op dit punt.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik denk dat de antwoorden die de staatssecretaris en de minister geven niet altijd helemaal gelijk lopen als het gaat over beleggingen, al dan niet in EU-verband. Er is ook nog een fiche over EU-beleggingsrekeningen geweest. Daarin stond heel nadrukkelijk: "We vinden een EU-beleggingsrekening heel interessant. Dat is allemaal hartstikke logisch. We gaan serieus kijken naar een nationale optie na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3." Het zal dan volgtijdelijk plaatsvinden. Ik zou dat een gemiste kans vinden, dus ik vraag de staatssecretaris nogmaals of het parallel kan gebeuren.

Staatssecretaris Heijnen:

Nu moet ik voorzichtig worden. Die opmerking is terecht. Wat mij betreft loopt het parallel. Ik ben het volledig met mevrouw Van Eijk eens. Waarom zou je wachten als je het ook parallel kunt doen? Je neemt nog geen beslissing of je het wel of niet gaat doen; je gaat er alleen maar onderzoek naar doen. Ik zal dat met de minister afstemmen.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Oosterhuis vroeg of ik in de toekomst wil toegroeien naar een progressieve tariefstructuur in box 3 en welke uitvoerings- en gedragseffecten ik zie. De heer Stultiens had het daar ook over. Ik heb al aangegeven dat dit niet het eindstation is wat betreft het demissionaire kabinet. Wij zien de Wet werkelijk rendement als een tussenstation, maar de vraag wat het eindstation wordt, bijvoorbeeld een progressieve tariefstructuur zoals we die inmiddels ook kennen voor box 2, wil ik heel graag aan het volgende kabinet en aan uw Kamer laten. Op dit moment zou het — u voelt 'm al aankomen — een ingrijpende structuurwijziging zijn, die mogelijk en waarschijnlijk tot een latere invoeringsdatum zal leiden dan 1 januari 2028.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik heb hier wel een vraag over. We moeten deze wet aannemen in maart. Er zijn nog 22 maanden over om hem te implementeren. Er wordt een heel nieuw systeem opgetuigd van fictief rendement naar daadwerkelijk rendement. Er komt nog een aanvullend wetsvoorstel. Er komt nog een definitie van start-ups. En toch zegt de staatssecretaris: ja, maar een toptarief toevoegen wordt moeilijk. Vraag één is: is dat echt zo? Vraag twee is: per wanneer is dat dan wel mogelijk?

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, het is echt zo. Het is echt een ingrijpende structuurwijziging. Per wanneer is het wel mogelijk? Een aantal jaren na 1 januari 2028. Dat geldt eigenlijk voor veel van de ingrijpende structuurwijzigingen. Eerst moet Cool:Gen zijn uitgefaseerd, zoals u allemaal heeft gelezen. Dat is voor eind 2027 voorzien. Dan moet het nieuwe box 3-stelsel worden geïmplementeerd. Vervolgens kunnen dit soort wijzigingen meegenomen worden, als men dat wil. Ik denk dat je dan wel over een aantal jaren na 1 januari 2028 spreekt.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik geloof de staatssecretaris op zijn woord, maar laat ik het zo zeggen: het is moeilijk voor te stellen dat je met 900 fte in 22 maanden niet één tarief kan toevoegen. Maar laat ik ervan uitgaan dat het klopt. Dan zou ik graag in de tweede termijn horen welke datum precies mogelijk is. We hebben een amendement liggen en ik wil geen dingen indienen die niet kunnen, dus vandaar dat ik het vraag. Het helpt wel om het exact te weten en ik hoor dan graag wat de eerst mogelijke datum is waarop het wel uit te voeren is.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik kom daar in de tweede termijn op terug.

We hebben het al een aantal keer gehad over tussenstation of eindstation. De heer Grinwis vroeg mij hoe ik het nu ga aanpassen om te beoordelen of dingen wel goed werken of beter zouden kunnen werken. Welk proces is aan de orde en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Ik kan u toezeggen dat ik u na de invoering van de wet zal informeren over de uitvoering, bijvoorbeeld via de bekende stand-van-zakenbrieven, die doorgaans halfjaarlijks vanuit de Belastingdienst worden gestuurd. Aan de hand van de evaluatie, al dan niet na vijf jaar, kan worden gekeken wat de ontwikkelingen zijn met betrekking tot de uitvoerbaarheid, doenbaarheid voor de burger en de belastingopbrengsten. Ook kan een invoeringstoets worden gedaan, die we tegenwoordig vaker doen. Die zal ik met uw Kamer delen.

Dan een vraag van mevrouw Van Dijk: is de termijn van vijf jaar voor startende ondernemingen niet te kort en waarom sluiten we niet aan bij de fiscale regelingen voor medewerkersparticipaties? Bij de nieuwe definitie zal inderdaad de termijn worden verlengd. RVO zal een beschikking afgeven. Die geldt in eerste instantie voor acht jaar en kan worden verlengd met termijnen van vijf jaar, als nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan. Ik werk ook aan een apart wetsvoorstel met deze verbeterde definitie, samen met de regeling voor medewerkersparticipaties. Wij koersen hierbij op een inwerkingtreding per 1 januari 2027. Deze definitie kan en zal vervolgens uiteraard ook worden gebruikt in box 3 vanaf 1 januari 2028. Mevrouw Van Eijk noemde een termijn van tien tot vijftien jaar, geloof ik. Daar zou je met deze nieuwe regeling, acht plus vijf, aan kunnen voldoen.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik weet niet zeker of daarmee het kopje startende ondernemingen klaar is, want ik had daar meer vragen over. Anders heb ik een aantal aanvullende vragen.

Staatssecretaris Heijnen:

De startende ondernemingen komen verderop in de stukken nog terug.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Oké. Dan specifiek op dit punt. Ik snap dat we naar eenvoud streven. Ik zou het liefst ook eenzelfde definitie hebben in zowel de Wet op de Loonheffing voor de medewerkersparticipatie als in de Wet werkelijk rendement box 3 wat betreft de aandelen in startende ondernemingen. De vraag is echter of dat juridisch houdbaar is, omdat het doel van de uitzondering in de Wet werkelijk rendement een andere is dan de stimuleringsmaatregel rond de medewerkersparticipatie in de Wet op de Loonheffing. Ik vraag mij af of we niet in in allerlei andere discussies terechtkomen als we zo aan die definitie gaan sleutelen dat die niet meer helemaal aansluit bij het doel van de uitzondering in de Wet werkelijk rendement. Volgens mij werd het maken van die uitzondering vooral gedreven door het feit dat het een illiquide karakter heeft. Ik vraag mij af of die dan niet kwetsbaarder wordt. Met andere woorden: ik volg de lijn van eenduidigheid, eenvoud en dezelfde definitie, maar ik denk wel dat we scherp moeten blijven op het eventueel verder inkaderen als het gaat om de Wet werkelijk rendement box 3 om die daar ook juridisch houdbaar te houden en geen discussies te krijgen over aandelen in familiebedrijven, aandelen in mkb's en aandelen in andere bedrijven. Ik maak mij daar zorgen over. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen.

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, ik snap dat. Ik denk ook dat we daar goed rekening mee moeten houden. Aan de andere kant: wat betreft de medewerkersparticipatie zijn er ook regelingen voor andere dan start-ups. Daarvoor geldt ook geen specifieke regeling. Daar moet je dus ook al rekening mee houden als het gaat om de juridische kwetsbaarheid. Dus ja, ik denk dat het belangrijk is om daar rekening mee te houden, maar dat geldt voor beide regelingen. Zou dat ertoe leiden dat de definitie voor de ene regeling wellicht anders zou moeten zijn dan voor de andere regeling, dan is dat maar zo, maar op dit moment gaan wij ervan uit dat dit niet het geval is.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Stoffer stelde een vraag over de waardering van aandelen in familiebedrijven en de jaarlijkse waardering in het nieuwe stelsel. "Brengt dat niet een grote uitvoeringslast voor de Belastingdienst, maar ook voor die bedrijven met zich mee?" Sinds de invoering van het box 3-stelsel moeten bezittingen jaarlijks worden gewaardeerd, namelijk op de waarde in het economisch verkeer. Dat geldt ook voor dit soort aandelen, voor aandelen in familiebedrijven. Op dit punt brengt het nieuwe box 3-stelsel dus geen wijziging met zich mee.

Dan een tweede vraag van de heer Stoffer. Misschien hadden wij die net moeten behandelen. De uitzondering voor familiebedrijven is geschrapt. Hij vroeg zich af of we "familiebedrijven" dan niet beter zouden moeten definiëren, zodat dit bij een staatssteuntoets wél juridisch houdbaar is. Wij hebben hier uitgebreid onderzoek naar gedaan en we hebben dit extern laten toetsen. Na dat onderzoek en die externe toetsing zien wij niet echt ruimte voor het maken van een uitzondering voor familiebedrijven. Dat komt doordat het concept "familiebedrijf" geen homogene groep is. Dit laat zich daarom niet makkelijk lenen voor een uniforme bruikbare definitie. Een nauwere afbakening voor bijvoorbeeld alleen kleine of middelgrote familiebedrijven zou geen oplossing bieden. Wat ons betreft is het in die situatie nog steeds zeer lastig om te onderbouwen waarom een uitzondering gerechtvaardigd is ten opzichte van bedrijven die onder de hoofdregel vallen. Dus ja, naar de definitie is goed gekeken, maar wij zien geen mogelijkheden om die vrijstelling of die familiebedrijven via een aanpassing van de definitie alsnog onder de vermogenswinstbelasting te laten vallen.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Even over die definitiediscussie. Dat is een Europese discussie. In Europa bestaan ook maatregelen om familiebedrijven te steunen. Daar hebben ze, neem ik aan, ook definities. In hoeverre wijken die af van hetgeen wij doen? Zou daar dan nog wat meer evenwicht in te vinden zijn?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik weet niet of dat met mevrouw Van Dijk was, maar ik herinner me dat wij het tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan ook over familiebedrijven hebben gehad en wel in relatie tot de BOR. Misschien was dat niet bij het pakket Belastingplan maar eerder; ik weet het niet. Volgens mij hebben we toen ook gekeken naar de definitie van "familiebedrijven" en hoe ze dit in andere landen doen. Ik denk dus dat dat heel goed is. Niet vergeten mag worden dat het misschien wat eng is om specifiek alleen naar familiebedrijven en de definitie van familiebedrijven in diverse landen te kijken, omdat je dan ook het hele belastingstelsel zou moeten meenemen waarin dat een rol speelt. Ik vind het in ieder geval een goede suggestie van mevrouw Van Dijk om daar eens wat breder, in Europees verband, naar te kijken. Volgens mij vinden er ook regelmatig onderzoeken op dit vlak plaats, met name naar hoe familiebedrijven in diverse Europese landen fiscaal worden behandeld.

De heer Stoffer (SGP):

Het antwoord van de staatssecretaris klinkt op zich logisch, maar is hij het met mij eens dat het erop neerkomt dat het ten koste gaat van familiebedrijven als je belasting over vermogensaanwas moet betalen? Dan ga je het aandeel in de familiebedrijven toch verwateren? Als je niet uitkijkt, wordt het allemaal private equity. Als het in twee families komt, dan is het nog niet zo'n punt. Maar stel dat het allemaal private equity wordt. Stel dat mensen denken: weet je, laat het dan maar gaan. Dan krijgen we een heel ander soort bedrijfscultuur in Nederland. Ziet de staatssecretaris dat? Wij zitten nu een wet te maken en dan denk je in systemen, procedures enzovoorts. Maar het kan zomaar een heel groot maatschappelijk effect hebben waarvan we op een gegeven moment, over een aantal jaar, denken: wat hebben we er met elkaar van gemaakt?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik snap de zorg van de heer Stoffer en ik denk dat het goed is om daar rekening mee te houden als dat inderdaad een probleem zou zijn. We hebben het echter over belangen in familiebedrijven van minder dan 5%, want alle andere belangen vallen in box 2. Ik denk dat 95% van de aandelen in familiebedrijven in box 2 valt en niet in box 3, dus daarbij hebben we dat probleem niet. Daarnaast is het zo, als je het hebt over de juiste verwatering, dat je zelfs bij een belang tot en met 0,5% onder box 3 kunt blijven vallen via een fictief aanmerkelijk belang. Ik denk dus dat de maatschappelijke impact waar de heer Stoffer voor vreest uiteindelijk wel zal meevallen door de familiebedrijven niet onder de vermogenswinstbelasting te brengen.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan ga ik naar het kopje uitvoering. Daar zijn ook heel veel vragen over gesteld en veel voorstellen voor gedaan. Om te beginnen wil ik nog een keer heel helder aangeven wat nu die ingrijpende veranderingen zijn die leiden tot een vertraging van de tijdige inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In feite maak ik dan een drieslag. Op de eerste plaats zijn dat grote aanvullende ICT-aanpassingen bij de Belastingdienst die niet meer in het portfolio van de keten IH kunnen worden ingepast. Voorbeelden hiervan zijn het invoeren van een tweede tariefschijf — ik zal op verzoek van de heer Stultiens aangeven wanneer dan wel — een differentiatie in het heffingsvrije resultaat tussen sparen enerzijds en beleggen anderzijds, waar ook naar werd gevraagd, en een herinvoering van groen beleggen. Dat zijn allemaal voorbeelden van grote aanvullende ICT-aanpassingen die ingrijpende wijzigingen zijn. Ook het invoeren van een doorschuiffaciliteit voor de NSW-landgoederen zou een ingrijpende verandering zijn, maar daar ga ik zo meteen nog uitgebreider op in. Dat zijn dus de ICT-aanpassingen. Ten tweede is er sprake van een ingrijpende verandering als een aanpassing leidt tot een grotere personele behoefte dan waar we nu al mee zitten, dus als er meer dan 900 mensen extra aangenomen moeten worden. Die aanvullende wervingsopgave is ook een grote wijziging. Het risico bestaat dat de Belastingdienst die niet tijdig kan invullen. Dan een derde, zoals u wellicht ook in de nota naar aanleiding van het verslag hebt gelezen. We werken heel veel samen met ketenpartners. Als er een wijziging wordt voorgesteld die heel veel extra werk betekent voor de ketenpartners, voor andere organisaties, dan is dat ook een ingrijpende wijziging. Dat zijn dus de ingrijpende wijzigingen. Zo moet u die zien.

Dan een vraag van de heer Vermeer op het gebied van de uitvoering. Die gaat met name over het personeelstekort. Hij vroeg of ik een alternatief heb om genoeg mensen te werven, met name op het vlak van extra personeel. De Belastingdienst is ervan overtuigd dat door het ingroeimodel de tijdige werving van medewerkers mogelijk is. Daarnaast zullen we uiteraard zo veel als mogelijk gebruikmaken van medewerkers die al bij de aanvullende hersteloperatie voor box 3 worden ingezet. Deze medewerkers hebben inmiddels al de relevante ervaring opgedaan. Hopelijk zijn ze over een aantal jaren klaar met hun werkzaamheden voor het herstel en kunnen ze overstappen naar werkzaamheden voor de Wet werkelijk rendement. Daarnaast — de heer Vermeer wees daar al op — zullen wij ook gericht medewerkers gaan benaderen van afdelingen die binnen de Rijksoverheid gaan afschalen, zoals de Dienst UHT. Die werd al genoemd. Wij verwachten dus dat we die medewerkers kunnen vinden.

Wij zien wel een uitdaging om voldoende medewerkers met specifieke expertise, zoals waarderingsdeskundigen, te werven. We zijn bezig om ook daarvoor in een oplossing te voorzien. Dat willen wij doen middels slim gebruik van data en informatie om de medewerkers die zich hiermee bezighouden te ondersteunen. Dan moet u denken aan een dashboard met onroerende zaken om het toezicht minder arbeidsintensief te maken. Ja, ook dit soort medewerkers moeten wij werven. Wij verwachten dat dat niet leidt tot problemen waardoor de invoering per 1 januari 2028 in gevaar komt. Wij denken na over slimme ondersteuning, zodat dat op een goede manier kan plaatsvinden.

De heer Vermeer (BBB):

Ja, en als dat niet lukt, moeten we dus versneld naar echte winstbelasting.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik weet niet of dat de conclusie is, voorzitter.

De vraag van de heer Stultiens ligt op hetzelfde terrein. Hij vroeg of echt alles is gedaan om de uitvoeringstoets minder slecht te maken, of echt alles uit de kast is getrokken. Ja, wij zijn van mening van wel. Wij zien op dit moment geen verbeterpunten voor het voorliggende wetsvoorstel die de uitkomsten van de uitvoeringstoets zouden kunnen verbeteren. Dat is natuurlijk jammer, maar wij vonden het wel belangrijk om transparant en eerlijk te rapporteren over de uitdagingen waar de Belastingdienst mee te maken heeft.

Mevrouw Van Eijk had ook een vraag over de uitvoering, over ICT en de uitfasering van oude systemen. Binnen de ICT van de Belastingdienst heeft uitfasering van de verouderde software Cool:Gen prioriteit; dat heeft u gelezen. Die uitfasering was eigenlijk voorzien voor eind dit jaar, maar dat wordt nu eind volgend jaar. Dan moet die voltooid zijn. Vervolgens heeft de Wet werkelijk rendement prioriteit. De Belastingdienst koerst dus op invoering per 1 januari 2028, zoals al gezegd. Dat geldt ook voor taxateurs en business valuators. Dat zijn schaarse en specifieke groepen die doorlopend, ook nu al, door de Belastingdienst worden geworven. Wij verwachten niet dat dit leidt tot problemen waardoor de invoering per 1 januari 2028 in het geding komt.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Welke risico's ziet de staatssecretaris nog als het gaat om de uitfasering van Cool:Gen? Of is er met dat jaar uitstel een dusdanige marge ingebouwd dat dat nog steeds een haalbare datum is, als de Kamer wegblijft van allerlei nieuwe beleidswensen, structuurwijzigingen et cetera?

Staatssecretaris Heijnen:

Dat laatste, zeg ik in antwoord op de vraag van mevrouw Van Eijk. Dat heeft u ook in de uitvoeringstoets kunnen lezen. Als er geen ingrijpende wijzigingen van dit wetsvoorstel komen en als er geen ingrijpende andere wetsvoorstellen worden ingediend die een groot beslag leggen op de ICT van de keten IH, zijn wij ervan overtuigd dat invoering per 1 januari 2028 nog steeds mogelijk is.

Dan nog een vraag van mevrouw Van Eijk; de heer Grinwis vroeg er ook naar. Ik heb toegezegd daarop terug te komen. Zij vroegen: welke wijzigingen zijn nog mogelijk zonder risico voor de planning? Dat gaat over de parameterwijzigingen, over het tarief voor het heffingsvrije resultaat. Ik kom daar, zoals gezegd en toegezegd, schriftelijk op terug.

Over betalingsregelingen heb ik het gehad en de specifieke vraag van de heer Oosterhuis heb ik volgens mij ook al min of meer beantwoord: is het mogelijk een heffingskorting voor groen beleggen te introduceren? Dat is een structuurwijziging in de keten inkomstenheffingen. Zijn vraag was: wanneer zou dat dan kunnen? Ik zal de Belastingdienst ook verzoeken om te onderzoeken binnen welke termijn deze maatregel eventueel kan worden ingevoerd. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik dat niet komende week al kan aanleveren. Ik hoop dat dat geen probleem is. Zou de Kamer daartoe besluiten, dan kan dat natuurlijk gewoon in het Belastingplan worden opgenomen.

De voorzitter:

De heer Oosterhuis en dan mevrouw Van Eijk.

De heer Oosterhuis (D66):

Dit zou wat mij betreft een van de wijzigingen zijn voor in de brief die is toegezegd aan de heer Grinwis. Misschien kan daarin worden meegenomen of deze wijziging uitvoerbaar is per 2028.

Staatssecretaris Heijnen:

Misschien heb ik het niet duidelijk genoeg gezegd. Invoering per 1 januari 2028 is uitvoeringstechnisch niet mogelijk. Ik zal terugkomen op de vraag per wanneer het dan wel kan. Het is niet mogelijk, omdat het een ingrijpende structuurwijziging is. Het is anders dan een parameterwijziging, bijvoorbeeld de 3,35% waar de heer Grinwis naar vroeg, of een tarief. Dit is echt wel een grote ICT-structuurwijziging, die per 1 januari 2028 helaas niet ingevoerd kan worden.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Ik probeer even mee te denken. Ik bedoel, wij behoorden tot degenen die de regelingen gesloopt hebben, dus dat erken ik hier ook volmondig, maar daarbij waren er natuurlijk twee onderdelen: een extra heffingsvrij vermogen en een heffingskorting. Die zijn allebei technisch gezien in de wet blijven staan, omdat in één keer afschaffen ook niet kan. Met andere woorden, er is nog wel iets. Misschien kan de staatssecretaris dus ook nog ingaan op die varianten, want er waren er twee.

Staatssecretaris Heijnen:

Staat u mij toe dat in de tweede termijn te doen, voorzitter. Dan kom ik daar graag op terug.

De voorzitter:

Ik ben heel flexibel, maar ik kijk even naar de leden. Die vinden dat ook wel goed, denk ik. Ja. Dan kunt u verder.

Staatssecretaris Heijnen:

Over de invoeringstoets hebben we het al gehad.

Dan een vraag over de administratie- en bewaarplicht. Onder anderen de heer Stoffer vroeg daarnaar. Voor een kleine groep belastingplichtigen wordt een administratie- en bewaarplicht ingevoerd, namelijk voor diegenen met bezittingen waarover de Belastingdienst geen contra-informatie van banken, verzekeraars of andere partijen ontvangt. Het is dus geen generieke plicht, maar het gaat om maatwerk. Het is vervolgens eenieders verantwoordelijkheid als belastingplichtige om hieraan te voldoen. Ik ben er, zeg ik heel eerlijk tegen de heer Stoffer, geen voorstander van om die administratie- en bewaarplicht te koppelen aan de omvang van iemands vermogen of het inkomen daaruit; dat kan immers per jaar verschillen. Zoals volgens mij ook in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven, geldt die informatie- en bewaarplicht nu eenmaal voor een aantal extra belastingplichtigen. We streven er in ieder geval naar de belastingplichtigen op het aangifteformulier duidelijk te maken welke gegevens ze hoelang zouden moeten bewaren om daaraan te voldoen.

Dan een vraag van mevrouw Van Dijk. Die was heel concreet: stel nu dat we 10% minder mensen kunnen werven dan we voorzien hadden; wat betekent dat dan? Ja, dat zal gevolgen hebben. Dat zal mogelijk gevolgen hebben voor het toezicht en de handhaving. Dan zullen er keuzes gemaakt moeten worden wat betreft de mate en de omvang van het toezicht. Dat is dus concreet mijn antwoord.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank voor het antwoord. Ik was ook op zoek naar het volgende. Jullie weten dat dit risico er is. Daar denken jullie over na. Dan bepaal je misschien ook een ondergrens met elkaar, van: als we dit niet meer kunnen werven, wordt het echt onverantwoord. Kunt u ons daar een stukje in meenemen?

Staatssecretaris Heijnen:

Mij is eigenlijk niet bekend dat wij een harde ondergrens hebben bepaald, zoals "als het meer dan 10% is, moeten we niet verdergaan", ook omdat we ervan uitgaan dat we de benodigde mensen kunnen werven. Op dit moment lukt dat ook. Het antwoord op die vraag moet ik dus schuldig blijven.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan een andere vraag van mevrouw Van Dijk, over de hele grote rode vlag bij onvoldoende dienstverlening en toezicht, en het risico dat daarmee gelopen wordt dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscale verplichtingen, afneemt. Zij vroeg hoe ik dat zie en of ik daar nog een keer op in wilde gaan. Op dit moment zijn er geen aanwijzingen dat hierdoor, met onvoldoende dienstverlening en toezicht, het risico wordt gelopen dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan de fiscale verplichtingen afneemt. Wij zullen dit soort zaken uiteraard wel monitoren en in de evaluatie meenemen, wellicht gekoppeld aan hoe het op dit moment met de wervingsopgave staat.

Dan ga ik naar het favoriete thema van ons allemaal, namelijk budgettair. Er zijn een aantal vragen gesteld over de verschillen tussen de structurele opbrengst op lange termijn van een vermogenswinstbelasting en de structurele opbrengst op lange termijn van een vermogensaanwasbelasting. De heer Grinwis en mevrouw Van Dijk vroegen of deze in kaart kunnen worden gebracht en of de keuze voor een vermogensaanwasbelasting budgettair gezien op langere termijn niet juist slechter is. De heer Stultiens keek wat meer naar de korte termijn, alhoewel tien jaar ook vrij langdurig is. Een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogensaanwasbelasting levert in de eerste vijf jaar cumulatief circa 5 miljard minder op dan het huidige hybride stelsel.

De heer Grinwis vroeg daarnaast of een volledige vermogenswinstbelasting op de langere termijn tot hogere belastinginkomsten leidt. In de raming zoals die is gecertifieerd door het CPB leveren een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting over de lange termijn structureel evenveel op. Nadat de vermogenswinstbelasting en eventueel de verliesverrekening zijn ingegroeid, is de grondslag immers gelijk. Je zou kunnen zeggen dat een vermogenswinstbelasting meer oplevert omdat er niet verplicht verkocht hoeft te worden en dat vermogen dan extra rendeert. Een geïnvesteerd bedrag groeit bij een vermogenswinstbelasting harder dan bij een vermogensaanwasbelasting. Dat is mechanisch natuurlijk gewoon juist. Het is echter de vraag, en denk ik niet juist, of dit tot meer welvaart of economische groei leidt. De welvaart van een tussentijdse belastingopbrengst in een vermogensaanwasbelasting is namelijk niet nul. Je betaalt belasting. Geld verplaatst zich dan van de burger naar de overheid en die kan deze middelen vervolgens inzetten om zo op een andere wijze welvaart te creëren.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Het ging eigenlijk met name om het volgende feit. Doordat je vermogenswinstbelasting hebt, durf je misschien risicovoller te beleggen, omdat je weet dat je pas aan het einde af hoeft rekenen en je portefeuille bij elkaar kan houden. Dat was eigenlijk de relatie met de economische groei. Volgens mij benoemden meerdere collega's die relatie. Het ging niet zozeer om het afrekenen voor de portemonnee van het Rijk en dat we met dat geld zouden kunnen investeren.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik weet niet of het systeem van belastingheffing, althans vermogensaanwasbelasting versus vermogenswinstbelasting, bijdraagt aan de bereidheid om risico te nemen. Zo begrijp ik de vraag namelijk nu. Op het moment dat je vermogen voor een langere termijn tot je beschikking hebt, heb je natuurlijk meer jaren de tijd om eventuele verliezen goed te maken. Dat is een beetje hoe ik de vraag nu begrijp. Maar goed, dan ga je ervan uit dat in de vermogensaanwasbelasting juist die vermogensbestanddelen moeten worden verkocht om aan de belastingclaim te voldoen, terwijl die vermogensbestanddelen slecht renderen. Ik vraag me af of dat verband zo een-op-een gemaakt kan worden, heel eerlijk gezegd.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan is er ook een budgettaire vraag van de heer Stultiens: hoeveel belastinggeld lopen we de komende 30 jaar opgeteld en cumulatief mis door te kiezen voor dit hybride wetsvoorstel in plaats van een volledige vermogensaanwasbelasting? De heer Stultiens verwees al naar mijn eerdere beantwoording, waarin ik zei dat de opbrengst bij eventueel volledige vermogensaanwas in de eerste tien jaar gelijk is aan cumulatief 23 miljard. De totale omvang van dit budgettaire effect bedraagt de komende 30 jaar cumulatief circa 42 miljard. Dat zou je dan dus moeten afzetten tegen de cumulatieve opbrengst van een vermogenswinstbelasting. Als het goed is, zou het totaal aan elkaar gelijk moeten zijn; alleen de verdeling over de jaren is anders.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dat laatste snap ik niet helemaal, want dat eenmalige bedrag gaan we toch nooit meer inlopen? De staatssecretaris zegt dat het structureel hetzelfde oplevert. Dat snap ik, maar dat temporele effect gaan we toch nooit inlopen? Als je die stap dus maakt, als je voor een ander systeem kiest, moet je toch gewoon bereid zijn tientallen miljarden budgettaire derving te accepteren?

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, ik zei het verkeerd, sorry. Ik bedoelde te zeggen dat een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting over de hele looptijd uiteindelijk evenveel opleveren, maar dat de verdeling over de jaren verschillend is. Ik ben het met de heer Stultiens eens dat je op het moment dat je de switch maakt een stuk zult moeten investeren. De vraag is of je dat inloopt; dat zou kunnen, maar dat denk ik niet. Dat was de vraag.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij blijft dan het punt staan. Er komt een keer een moment in de toekomst dat de structurele opbrengst hetzelfde is, maar de derving van al die jaren daarvoor ga je nooit meer goedmaken. Dat betekent dus dat als wij vandaag de keuze maken voor een hybride stelsel, we de komende 30 jaar minstens 42 miljard euro mislopen, omdat we niet kiezen voor vermogensaanwas. Het is volgens mij goed om dat hier met elkaar te beseffen. Dezelfde vraag geldt als je vervolgens naar vermogenswinst gaat, waar sommige partijen voor zijn. Hoe groot is dat gat de komende 30 jaar dan? Er is nu gezegd: 5 miljard in vijf jaar tijd. Ik ben benieuwd wat nu het totaalbedrag is dat je niet meer gaat inlopen in de toekomst als je ooit overstapt op vermogenswinst.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik snap de verwarring. Volgens mij heb ik aangegeven — ik kijk ook even vragend naar mijn ondersteuning aan mijn rechterkant — dat de totale omvang van de vermogensaanwasbelasting over de eerste 30 jaar 42 miljoen is. Daar zou je de totale opbrengst van de vermogenswinstbelasting over dezelfde periode tegen af moeten zetten. Dat verschil zou je dan mislopen op het moment dat je besluit om over te gaan. Ik snap de verwarring, want die is inmiddels ook bij mij ontstaan. Ik kom daar in de tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Toch willen mensen daarop door, zie ik.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Als de staatssecretaris onderscheid maakt tussen directe en indirecte opbrengsten, dan komt hij er volgens mij prima uit. Dan kom je namelijk tot de conclusie dat het aan elkaar gelijk is.

De voorzitter:

De heer Vermeer? Oh nee, sorry. Ik moet eerst de staatssecretaris een antwoord laten geven op de vraag van mevrouw Van Eijk.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik sluit me aan bij de analyse van mevrouw Van Eijk.

De heer Vermeer (BBB):

Ik wilde dan toch ook zeggen dat het per saldo onder de streep tot hetzelfde resultaat zou moeten leiden. Het is alleen een andere uitsmering over de jaren. De heer Stultiens zegt dat we daar tekortkomen, omdat hij het beperkt tot een bepaalde periode. Je krijgt het later weer terug. Het is dus gewoon een investering in toekomstige belastingopbrengsten.

Staatssecretaris Heijnen:

Ja. Dat was ook mijn redenatie en analyse. Ik zal daar eventueel in de tweede termijn nog op terugkomen.

De voorzitter:

Dan komen we daar in de tweede termijn nog even op terug. Dan gaan we nu door.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Stoffer vroeg mij waarom er niet is gekozen voor een langere termijn waarin de budgetneutraliteit getoetst wordt, bijvoorbeeld om na een bepaalde periode het heffingsvrije resultaat te verhogen of het tarief te verlagen. Op basis van eerder gemaakte afspraken is het uitgangspunt dat het nieuwe box 3-stelsel budgettair neutraal moet zijn ten opzichte van het basispad. Er is dan ook geen extra geld beschikbaar om hiervan af te wijken. Door het ingroeien van de verliesverrekening en de vermogenswinstsystematiek op vastgoed levert het nieuwe stelsel op de korte termijn minder op dan het huidige stelsel. Daar hadden we het net ook over. Het is aan een nieuw kabinet om de tarieven in de toekomst, zou men dat willen, in overleg met uw Kamer eventueel aan te passen.

De heer Vermeer (BBB):

Volgens mij was het mevrouw Van Eijk, die in haar bijdrage begon over de vraag of je dan niet ook alles wat je niet meer hoeft uit te geven aan herstelacties et cetera mee moet nemen. Er moet volgens mij een duidelijk overzicht gemaakt worden van wat er de afgelopen jaren netto nou eigenlijk is binnengehaald bij box 3. Budgetneutraliteit kun je namelijk betrachten ten opzichte van wat wij vijf jaar geleden dachten binnen te kunnen halen of ten opzichte van wat wij de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd hebben. Het kan niet zo zijn dat volgens Financiën al de reserveringen voor herstel overeind moeten blijven, maar die vervolgens niet meegerekend worden bij de budgetneutraliteit.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik kan me daarin vinden.

De voorzitter:

Dan vervolgt de staatssecretaris zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Stoffer had een tweede vraag op dit vlak. Hij stelt dat de inkomsten van de nieuwe heffing erg conjunctuurgevoelig worden en vraagt zich daarom af of er aanvullingen op begrotingsregels nodig zijn. Dat klopt. De inkomsten zullen veel conjunctuurgevoeliger zijn dan in het huidige forfaitaire stelsel. Conform het trendmatig begrotingsbeleid lopen eventuele mee- en tegenvallers in het saldo. Dit zorgt voor stabiel fiscaal beleid en stabiliseert de economie. Tegenvallers hoeven niet gedekt te worden. Eveneens biedt een meevaller geen extra budgettaire ruimte, maar goed, dat is zo volgens de huidige begrotingsregels. Hij vraagt of de begrotingsregels aangepast moeten worden. Ik heb daar zelf ook weleens over nagedacht. Mogelijk is dat het geval, maar die keuze zou ik heel graag bij een volgend kabinet willen leggen.

De heer Oosterhuis vraagt mij waarom het heffingsvrij resultaat is verhoogd van €1.250 naar €1.800. Daar hebben we het eigenlijk al over gehad. Dat heeft enerzijds te maken met een stukje budgettaire neutraliteit. Anderzijds is het doel om het aantal nieuwe belastingplichtigen in box 3 zo beperkt mogelijk te houden. Dat is een politieke keuze geweest.

Dan is er nog een vraag van de heer Stultiens over internationaal verhuld vermogen in het buitenland van tussen de 18 miljard en 24 miljard. Hij stelt vaker de vraag of er in dit verband niet heel veel alarmbellen zouden moeten afgaan op mijn ministerie. Rapporten en cijfers hierover hebben uiteraard alle aandacht van het kabinet. Sinds 2016 ontvangen wij via de Common Reporting Standard van 107 landen gegevens. Uit een analyse van die CRS-data door het ministerie van Financiën blijkt dat in 2024 zich naar schatting 52 miljard vanuit Nederlandse huishoudens in het buitenland bevindt. Maar goed, dan zijn we er nog niet als het gaat om de vraag of dat daadwerkelijk verhoogd vermogen is. Er is pas sprake van verhoogd vermogen op het moment dat het vermogen niet aangegeven wordt. Die gegevens, die CRS-data, zijn weliswaar bijzonder waardevol, maar er is niet direct uit af te leiden of dat vermogen wel of niet belast is geweest in Nederland.

Het gaat dus om complexe situaties; dat zult u begrijpen. Dat vergt nadere analyse. Op dit moment zijn de Belastingdienst en mijn ambtenaren op het ministerie daar druk mee bezig. Uit die analyse, die hopelijk op niet al te lange termijn gedeeld kan worden, volgt dan ook het antwoord op de vraag hoeveel vermogen uit het buitenland onterecht niet is opgegeven. Dat was de vraag van de heer Stultiens. We weten in ieder geval wel uit aangiftes en gegevens over box 3, specifiek als het gaat over onroerend goed, dat in 2022 12% van het opgegeven vastgoed buitenlands vastgoed betrof, maar we hebben geen uitsplitsing van landen beschikbaar. Dat vergt ook een nadere analyse. Met andere woorden: op dit moment zijn we bezig met een analyse op basis van de CRS-data en op het moment dat we daar nadere gegevens van hebben, zullen we die uiteraard delen met de Kamer.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Een hele korte vervolgvraag. Het is goed om te horen dat er hard wordt geanalyseerd op het ministerie. Is er enige indicatie te geven van wanneer die analyse naar de Kamer komt?

Staatssecretaris Heijnen:

Daar kom ik in de tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Dan vervolgt u uw betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

De heer Stultiens vroeg ook iets onder budgettair. In het basispad daalt de opbrengst van het oude stelsel van jaarlijks 9 miljard in 2028 naar circa 7 miljard in 2060. Hoe kan dat en waarom geldt deze afname dan niet in het nieuwe stelsel op basis van het werkelijk rendement? Dat zou je wellicht verwachten. Het is onze inschatting dat de recente waardestijgingen in box 3 hoger zijn dan de structurele waardestijgingen. Zo bezien is de verwachting dat deze rendementen de komende jaren zullen stabiliseren. Dat is het uitgangspunt bij de ramingen. Dat resulteert uiteindelijk in lagere opbrengsten. Deze waardestijgingen op de lange termijn zijn gebaseerd op CBS-prognoses en werken uiteraard ook door in het nieuwe stelsel, maar in de budgettaire reeks van het nieuwe stelsel wordt dit beeld vertroebeld en is dit niet meer een-op-een te vergelijken. Dat komt onder andere door de ingroei van de vermogenswinstbelasting. Dat is waarom u dat ziet.

Dan tot slot onder budgettair een vraag van de heer Struijs namens 50PLUS. Hij vraagt mij of ik vind dat het internationale monetaire beleid ook aanleiding is geweest voor de hervorming van box 3. Nou ja, het klopt dat de hoogte van de ECB-beleidsrente van invloed is op het indexatiebeleid van pensioenen. De ECB voert monetair beleid uit met als doelstelling het waarborgen van prijsstabiliteit in de eurozone als geheel. U zult begrijpen dat ik me als staatssecretaris van Financiën en als fiscalist echt niet uitlaat over hoe de ECB het monetaire beleid zou moeten uitvoeren. De hervorming van box 3 vloeit primair voort uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Die zijn we nu aan het implementeren via een codificatie van deze wetgeving.

Dat waren volgens mij de meeste vragen onder het kopje "budgettair". Ik heb nog twee vragen die ik geparkeerd had naar de tweede termijn — ik heb ze zelf niet gelezen — naar aanleiding van de vragen van de heer Hoogeveen.

Vraag één is hoe de cijfers met betrekking tot de achterwaartse verliesverrekening en de budgettaire reeks tot stand zijn gekomen. Hij vroeg of ik dat kan verduidelijken. De omvang van de derving door het invoeren van een carry back van een jaar neemt langzaam af door de eeuwigdurende carry forward. In feite wordt de carry back op een gegeven moment dus ingehaald door de carry forward; zo zou je het kunnen zeggen. Dat betekent dat op de zeer lange termijn die carry back van een jaar geen derving meer veroorzaakt. Dat is de reden waarom die budgettaire reeks zo afneemt. Consistent met de andere ramingen binnen box 3 is 2060 als jaar genomen waarin de structurele opbrengst wordt gerapporteerd, maar de afname van de derving door de carry back groeit zeer langzaam. Die gaat dus nog wel even door na 2060. Vandaar dat de maatregelen in 2060 nog een kleine derving overhouden van 12 miljoen, die dan als structureel wordt aangemerkt. Ik zie de heer Hoogeveen nog enigszins vragend kijken.

De heer Hoogeveen (JA21):

Ik neem dit mee naar de tweede termijn.

Staatssecretaris Heijnen:

De tweede vraag van de heer Hoogeveen betreft de doorschuiffaciliteit bij beëindiging van een huwelijk door scheiding. Ik heb aangegeven dat dat een structuurwijziging is die niet uitvoerbaar is per 2028. De heer Hoogeveen vroeg ook om een nadere toelichting op de budgettaire effecten: eerst waren er geen budgettaire effecten en nu ineens wel; hoe zit dat? De doorschuiffaciliteit zou op twee manieren effect hebben op de realisatiemomenten van vermogenswinst op vastgoed, namelijk bij het aangaan van een huwelijk onder volledige gemeenschap van goederen en aan het einde bij echtscheiding. De maatregel zorgt ervoor dat de vermogenswinstbelasting pas bij volledige verkoop van het vermogensobject moet worden voldaan. De verschuiving van het realisatiemoment van de vermogenswinstbelasting heeft op de langere termijn dus geen budgettaire gevolgen. De verwachting is wel dat de maatregel ervoor zorgt dat het heffingsmoment wordt uitgesteld, wat budgettaire gevolgen heeft in de eerste jaren. Ik lees dit nu voor, maar ik moet hier zelf ook nog enigszins op kauwen. Het lijkt mij dus goed dat ik daar in de tweede termijn nog even op terugkom.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank aan de staatssecretaris voor de snelle reactie nog in deze termijn. Ik hoorde hem misschien niet goed. Heb ik goed begrepen dat de doorschuiffaciliteit per 1 januari 2028 niet uitvoerbaar is?

Staatssecretaris Heijnen:

Dat klopt. Dat heeft u goed gehoord.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dat vind ik dan wel apart, want wij hebben een quickscan ontvangen waarin stond dat het wél uitvoerbaar is per 1 januari 2028. Dat wringt dus. Dus óf die quickscan is onjuist of de appreciatie van vandaag is onjuist. In die zin ben ik dus een beetje in verwarring.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik snap de verwarring. Ik hoor net in mijn rechteroor de verklaring hiervan. Ik snap de verwarring helemaal en ik was ook enigszins verward toen ik dit hoorde, want dit was mij niet bekend. Ik heb begrepen dat de Belastingdienst op vrijdag per abuis een onjuiste quickscan heeft gestuurd, die de Belastingdienst later ook heeft ingetrokken, en dat de verwarring daardoor wordt veroorzaakt. Uit die quickscan, die onjuist was, zou gebleken zijn dat dit wél uitvoerbaar was, terwijl dat niet zo is. Excuus voor de verwarring.

De heer Hoogeveen (JA21):

Oké. Daar moet ik even naar kijken en dan kom ik ook daarop terug in de tweede termijn.

De voorzitter:

Ik wijs erop dat we geacht worden om te eindigen om 18.30 uur, want er wordt heel veel doorgeschoven naar de tweede termijn en u moet allemaal nog een tweede termijn houden. We hebben nog drie blokjes: vastgoed, zeer vermogenden en overig.

Staatssecretaris Heijnen:

Dat klopt, voorzitter. Ik zal proberen om het sneller te doen, maar ik gaf al aan dat er meer dan 130 vragen zijn gesteld en ik wil proberen om die zo volledig mogelijk te beantwoorden. Ik ga mijn best doen.

In het blokje vastgoed zijn veel vragen gesteld over de vastgoedbijtelling. Levert die niet een extra risico op rechtszaken op? Wij denken van niet. De brutohuurwaarde is die van het tiende percentiel, 3,35%. Volgens ons is dat daarmee proportioneel en ook juridisch houdbaar. Wij zien op dit moment dan ook niet echt een reden om dat percentage nog lager vast te stellen. Tegen de heer Vlottes zeg ik dat we met name ten behoeve van de uitvoerbaarheid en doenlijkheid voor een forfait hebben gekozen. Het bepalen van een economische huurwaarde van een individuele niet verhuurde onroerende zaak is namelijk zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen ontzettend moeilijk. Vandaar dat wij hebben gekozen voor een forfait, waar wij geen juridische risico's aan zien.

Er zijn veel vragen gesteld over het percentage, de 3,35%, ook door de heer Grinwis en de heer Oosterhuis. Ik heb begrepen dat SEO met name over een langere periode heeft gekeken en dat over die langere periode die 3,35% een goede basis geeft voor de bijtelling die gekozen zou moeten worden. Als je actuelere cijfers neemt, zoals ook Vastgoed Belang heeft gedaan, kom je op een lager percentage uit — de heer Grinwis noemde 2,8% — maar dat heeft SEO niet gedaan. SEO heeft met name een hele lange periode gedaan. In die periode zie je dat 3,35% in meerdere of mindere mate het percentage is.

De voorzitter:

De heer Vlottes heeft nog een vraag, volgens mij over het vorige antwoord.

De heer Vlottes (PVV):

Ja, over het vorige antwoord. De staatssecretaris zegt geen juridische risico's te zien bij die 3,35%. Misschien kan de staatssecretaris daar uitvoeriger op ingaan, want als een vakantiewoning uitsluitend voor eigen gebruik wordt gebruikt, is het realisatie-uitgangspunt als iemand ieder weekend zelf gebruikmaakt van die vakantiewoning natuurlijk anders dan als hij dat twee weekenden per jaar doet. Dat is natuurlijk wel een verschil, maar in beide gevallen geldt hetzelfde forfait. Dat is natuurlijk ook een juridisch risico.

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, maar wij denken dat de Hoge Raad uiteindelijk zal kijken naar het feit dat de tweede woning ter beschikking staat, ongeacht het gebruik dat daarvan wordt gemaakt. Dat ter beschikking staan als zodanig zien wij als voldoende reden om deze heffing te rechtvaardigen. Nogmaals, we hebben bewust gekozen voor het laagste, tiende percentiel. Dat is één. Twee: onderhouds- en financieringskosten blijven gewoon aftrekbaar, zodat het rendement waarover je belasting betaalt uiteindelijk nog aanzienlijk lager is.

De heer Vlottes (PVV):

Nog één keer. Het ter beschikking staan zegt natuurlijk niets over het feitelijk gebruik ervan, waar je belasting natuurlijk op gebaseerd is. De belasting is gebaseerd op het rendement dat je haalt uit je eigen vakantiewoning. Dat iets ter beschikking staat, zegt natuurlijk niks over het genot dat je ervan hebt gehad en dus wat je fiscaal gezien gerealiseerd hebt. Ik hoop dat de staatssecretaris begrijpt wat ik bedoel.

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, dat klopt, maar fiscaal gezien word je, op het moment dat het ter beschikking staat, geacht daarvan gebruik te kúnnen hebben gemaakt en word je geacht iets te hebben genoten. Dat hebben we bepaald op die 3,35% bruto. In die zin is dit fiscaal niet ongebruikelijk.

De voorzitter:

De heer Grinwis nog op dit punt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De staatssecretaris stelt dat de vastgoedbijtelling van 3,35% is gebaseerd op een langere reeks in het SEO-rapport, maar bij mijn weten, het rapport scannend, heeft SEO alleen de data uit de jaren 2019, 2020 en 2021 echt gebruikt om daar uiteindelijk die 3,35% uit af te leiden.

Staatssecretaris Heijnen:

Dat klopt, maar ze hebben wel naar een langere periode gekeken en kwamen tot de conclusie dat daar waar nu misschien tot een lagere waarde wordt gekomen, in het verleden die 3,35% wel een redelijk gemiddelde was. In die zin hebben ze die langere periode niet gebruikt voor die 3,35%, maar hebben ze wel gebenchmarkt ten opzichte van een langere periode en hebben ze gekeken of dat redelijk en reëel is.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Helder; dat is een belangrijke nuance, maar dan komen we bij vers twee van de forfaits. Als je een forfait gebruikt, moet dat zo dicht mogelijk aansluiten bij de werkelijkheid. Is het dan niet reëel om dat forfait regelmatig te actualiseren en om, als het zelfs al in 2028 ingaat, een zo actueel mogelijk forfait te gebruiken en het daarna ook regelmatig te herzien?

Staatssecretaris Heijnen:

Ja, dat zou kunnen. Wellicht is dat ook zo. Ik zal in mijn schriftelijke reactie ook ingaan op de vraag of deze wijziging zonder risico kan worden ingevoerd met 1 januari 2028 als invoeringsdatum. Wij hebben er onderbouwd voor gekozen om dat forfait in het tiende percentiel te pakken. De onderhouds- en rentekosten zijn aftrekbaar. Wij denken dat er op die manier in ieder geval niet te hoog wordt belast. Vandaar dat wij geen juridische kwetsbaarheid zien, maar als de Kamer wil dat het forfait jaarlijks of tweejaarlijks geactualiseerd wordt, is dat uiteindelijk uiteraard aan de Kamer.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik kom bij de landbouwgronden. Bij de vererving van verpachte landbouwgronden die vaak tegen lage pacht worden verpacht, zijn er geen liquide middelen beschikbaar. Zie ik dat probleem ook niet en kan ik daar iets aan doen? Voor landbouwgronden en welke onroerende zaken dan ook geldt dat de heffing over de waardeaangroei wordt uitgesteld tot het moment van vervreemding. Op enig moment moet daar belasting over worden betaald. Ik zeg tegelijkertijd dat voor landbouwgronden die tegen een lage pachtprijs worden verpacht, die lage pacht verdisconteerd zal zijn in de waarde. De waarde voor de te betalen erfbelasting zal ook lager zijn. Datzelfde geldt voor commercieel vastgoed met een langlopend huurcontract: ook bij de waardebepaling daarvan hou je rekening met de huur die je ontvangt. Puur en alleen voor verpachte landbouwgronden zien wij als kabinet op dit moment dus geen aanleiding om de vermogenswinst vrij te stellen. Wij denken dat het belangrijk is om zo veel mogelijk vast te houden aan de hoofdregel: voor onroerend goed zijn de resultaten belast bij realisatie. Dat is bij vervreemding, maar het kan ook bij vererving of schenking zijn.

Er zijn heel veel vragen gesteld over de vrijstelling voor landgoederen. Toch even vooraf: ik heb de petitie van de eigenaren van landgoederen met heel veel belangstelling in ontvangst genomen en gelezen en ik heb die ook met hen besproken. Het probleem dat de opbrengsten onvoldoende zijn om de belasting te betalen, wordt niet veroorzaakt door het nieuwe box 3-stelsel. Althans, dat is op dit moment ook al het geval. Het was misschien anders in het oude stelsel, zoals de heer Grinwis aangaf. Hij maakte heel slim de vergelijking met het oude stelsel, waarin het net wel kon. Laat ik het dan zo formuleren: dit wordt dus niet veroorzaakt door het nieuwe stelsel ten opzichte van het huidige stelsel. Ik snap heel goed dat je hier iets aan zou willen kunnen doen, want ook ik vind de landgoederen en de instandhouding daarvan heel belangrijk. U bent bij een aantal landgoederen op bezoek geweest. Ik ga volgende week vrijdag ook bij een landgoed op bezoek om daar nog een keer over van gedachten te wisselen. Ik heb dat bewust na deze behandeling gepland. Ik snap de vraag heel goed.

In antwoord op een vraag van mevrouw Van Eijk wil ik ook aangeven dat ik inmiddels, ook uit de rapportage, heb begrepen dat je bij landgoederen een vrijstelling hebt voor groen en een belastingheffing voor rood. Voor gebouwde eigendommen moet je wél belasting betalen in box 3. Daar biedt het nieuwe stelsel voordelen ten opzichte van het oude stelsel zoals dat nu geldt. Onderhoudskosten en andere kosten zijn aftrekbaar en een eventuele waardestijging wordt pas belast bij realisatie, terwijl die nu jaar op jaar wordt belast. Dat levert in principe dus liquiditeitsvoordeel op. Dit betekent ook dat als er verliezen worden gemaakt, die verliezen kunnen worden verrekend, wat ons betreft niet carry back, maar wel naar de toekomst toe. Maar goed, het probleem zal zijn dat er elk jaar verliezen worden geleden. In die zin snap ik het verzoek. Wij zijn van mening dat, als wij deze wijziging zouden doen, dat wel een ingrijpende wijziging is, waarvan invoering per 1 januari 2028 niet goed mogelijk is.

De voorzitter:

Kunt u ook al aangeven wat het oordeel over het amendement is? Dan geef ik daarna de heer Grinwis het woord. O, de heer Grinwis wil nog een suggestie doen voordat hij een oordeel krijgt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ja, want ik kan natuurlijk ook rekenen. Voordat er "ontraden" wordt uitgesproken, heb ik een suggestie. Tegen sommige punten is wat in te brengen. Er zijn bijvoorbeeld ook nu huurinkomsten en die zullen straks dan ook belast worden. Die noemde de staatssecretaris niet, maar dat zijn ook directe inkomsten die onder het nieuwe stelsel waar landgoederen mee te maken krijgen, keurig belast zullen worden. Het gaat dus niet alleen om de kostenverrekening die erbij komt; er zijn ook inkomsten die er nu ook al zijn en die dan ook belast worden. Dat valt dus tegen elkaar weg. En ja, ik vind het niet zo gek om dit te vergelijken met het stelsel dat we tot en met 2016 hebben gekend, met een rendementsheffing van 1,2%. Ze hebben meer de pech gehad dat ze door een definitiewijziging in de categorie overige bezittingen terecht zijn gekomen. Er is dus echt wel wat af te dingen op de aanvliegroute die de staatssecretaris net koos. Maar dan het amendement, want de staatssecretaris voelt sympathie. Hij zegt: als u dat wilt, loopt de invoering van het stelsel gevaar. Ik snap dat nog niet helemaal, want het is slechts een doorschuiffaciliteit. Hoezo zou de invoering van het hele stelsel daarmee gevaar lopen? Maar oké, ik weet het goed gemaakt met de staatssecretaris: ik wil daar best naar luisteren en dan voeg ik aan het amendement toe dat het met een koninklijk besluit op een later tijdstip in te voeren is. Dan is het tegenargument van de staatssecretaris volgens mij opgelost en dan is het aan hem en zijn opvolger om het geëigende moment te kiezen, zodat de invoering per 1-1-2028 van dit stelsel, zoals dat vandaag in den brede voorligt, geen gevaar loopt. Wat vindt de staatssecretaris van die oplossing? Ik heb dit klaarliggen en kan het sturen.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan zou ik dat graag nog even in de tweede termijn willen appreciëren, want het amendement zoals dat er nu ligt, zou ik inderdaad de appreciatie "ontraden" moeten geven. Ik zal dan kijken naar de aanpassing die de heer Grinwis nu voorstelt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dan ga ik bij dezen samen met de collega's Stoffer en Vermeer het gewijzigde exemplaar indienen.

De voorzitter:

Oké, dan krijgen we daar in de tweede termijn een oordeel over. Dan vervolgt de staatssecretaris zijn betoog. Nee, toch nog niet, want de heer Oosterhuis heeft nog een vraag.

De heer Oosterhuis (D66):

Ja, een inhoudelijke vraag, ook nog op dit punt; misschien kan de staatssecretaris ook daar in de tweede termijn op ingaan. Ik moet mijn definitieve oordeel over dit amendement ook nog vormen, maar los van de uitvoerbaarheid wordt de WOZ-waarde van een NSW-landgoed bij mijn weten vastgesteld op basis van de bestemmingswaarde. Die zouden naar alle waarden in het economisch verkeer altijd gecorrigeerd zijn voor de bestemming en ook voor de instandhouding. Als dus zowel voor de beginwaarde als voor de vervreemdingswaarde bij vererving wordt gerekend met de bestemmingswaarde, wat is dan ook inhoudelijk het oordeel van de staatssecretaris over de meerwaarde van het amendement? Daar ben ik wel benieuwd naar.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik denk dat ten gevolge van de inbrengwaarde, waarbij je moet gaan waarderen per 1 januari 2028, het probleem de eerste jaren wellicht — en ik bedoel dat niet vervelend — wat minder gevoeld zal worden bij vererving of schenking dan nadat er een lange periode is verstreken, ervan uitgaande dat die waardestijging dan wat minder hoog is. Want daar praten we over en dat is, denk ik, ook wat u bedoelt. Vanuit die optiek geef ik ook aan, en de heer Grinwis heeft daar met zijn amendement en de invoeringsdatum per koninklijk besluit een oplossing voor verzonnen, dat je dat altijd ook nog later — bij een belastingplan of dergelijke — zou kunnen invoeren. Vandaar dat ik me ook een motie daartoe zou kunnen voorstellen, waarbij je een belastingplan lostrekt van dit wetsvoorstel om geen enkel risico te lopen. Maar goed, de heer Grinwis heeft er een andere oplossing voor verzonnen en daar gaan we naar kijken.

De voorzitter:

Dan vervolgt de staatssecretaris zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Voorzitter. Ik ga nog in op een aantal vragen over buitenlandse woningen. Ik vraag me af of we daar al te lang bij stil moeten staan, want het klopt inderdaad dat er voor buitenlandse woningen geen WOZ-beschikkingen worden afgegeven. Over het algemeen zijn buitenlandse woningen namelijk ook niet belastbaar in Nederland, op grond van de vele verdragen die wij hebben afgesloten.

Een punt dat ik wel belangrijk vind, is de hypotheekrenteaftrek. De heer Stultiens vroeg daarnaar en ook mevrouw Van Dijk. In feite is het zo dat de hypotheekrente, als die niet meer aftrekbaar is in box 1, op grond van de huidige wetsvoorstellen in principe gewoon aftrekbaar zou zijn in box 3. Ik vind het echt aan een volgend kabinet om daar iets aan te doen als men dat ongewenst vindt.

Wel vroeg mevrouw Van Dijk nog of er wellicht onderscheid zou moeten worden gemaakt voor wat betreft aftrekbare rente tussen enerzijds consumptieve leningen en anderzijds andere leningen. Ook dat vind ik aan een volgend kabinet, maar ik zeg wel: ik denk dat daar een heel lastige kwalificatiediscussie aan ten grondslag ligt. Als je dat gaat doen, denk ik dat je heel veel discussie en extra werk op je af gaat krijgen. Maar het kan.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Een korte vraag. Ik snap op zich dat deze staatssecretaris geen beslissing meer gaat nemen hierover, maar de vraag was eigenlijk gewoon informatief of hij opties in kaart kan brengen voor hoe je dit effect tegen kan gaan als daar politieke wil voor is. Dat lijkt mij een verzoek dat hij wel zou moeten kunnen uitvoeren.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik wil dat best doen, maar ik zou mij zomaar kunnen voorstellen dat daar op 30 januari al een aantal opties uitgewerkt aangeleverd worden. Ik weet het niet, maar de formerende partijen zullen daar ongetwijfeld ook al naar gekeken hebben. Maar ik kan dat doen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik hoop dat de formerende partijen dat gevraagd hebben, maar ik weet het natuurlijk niet. Het lijkt me fijn als de rest van de Kamer het ook krijgt.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik weet het ook niet, voorzitter.

De voorzitter:

Hij is bereid dat te doen.

Dan gaan we naar het laatste blokje, overig?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik heb ook nog een aantal ... Voorzitter. Ik heb eigenlijk ook nog internationaal, maar als u mij dat vraagt, wil ik best naar overig gaan, met als risico dat ik een aantal andere vragen niet beantwoord.

De voorzitter:

Nou nee, doe dan maar internationaal, want meestal gaat dat sneller dan als iedereen weer gaat interrumperen.

Staatssecretaris Heijnen:

Een vraag van de heer Stultiens over vermogensongelijkheid, ook naar aanleiding van het vandaag verschenen rapport van Oxfam Novib, waar ook ik in de kranten over heb gelezen. Zou ik dat omwille van de tijd mogen doorschuiven? Ik denk namelijk dat het enigszins offtopic is van box 3. Het lijkt me wel heel goed om daar in de toekomst uitgebreid over te debatteren, maar gezien de tijd doen we dat op dit moment wellicht beter niet.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik denk niet dat het offtopic is, want we hebben het over het belasten van vermogen. Ik snap wel dat het meer tijd kost om het rapport te lezen. Ik heb toevallig een debatverzoek staan morgen en hoop op steun van de Kamer. Maar mag ik dan het kabinet vragen om een reactie op het rapport op korte termijn, zodat we daar over door kunnen praten?

Staatssecretaris Heijnen:

Tja, ik weet niet ... Een reactie "op korte termijn". Waar denkt de heer Stultiens dan aan?

De voorzitter:

Er zijn al schriftelijke vragen ingediend, zo hoor ik de griffier fluisteren, dus dan moet er sowieso een reactie komen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik snap dat we hier lang zitten vandaag, maar ik heb vragen gesteld over het rapport. We hebben het over het belasten van vermogen vandaag. Ik vind het best om het niet vandaag te doen, maar dan helpt het om binnen — weet ik veel — drie weken een reactie te hebben van het kabinet op dit rapport, dus met wat het daarvan vindt.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik begreep inmiddels ook van mijn secondant dat er schriftelijke vragen zijn gesteld. Daar zullen wij op ingaan en dan zullen wij ook op dit punt terugkomen.

De voorzitter:

Gaat u door.

Staatssecretaris Heijnen:

Dan een andere vraag van de heer Stultiens, over onze activiteiten in internationaal verband om mensen met heel veel vermogen te belasten. Ik weet dat dit de aandacht heeft van de heer Stultiens en ook van Nederland. We hebben samen met enkele andere lidstaten een initiatief genomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden binnen de EU te agenderen. Zoals bekend heeft Nederland samen met Frankrijk daar een non-paper voor opgesteld. In het afgelopen najaar heeft er ook een discussie plaatsgevonden met andere EU-lidstaten, op nadrukkelijk verzoek van Nederland. Op basis van deze discussie is wel duidelijk geworden dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten erg verdeeld zijn. Een belangrijk deel van die lidstaten is er niet van overtuigd dat verdere besprekingen over dit onderwerp toegevoegde waarde zullen hebben. Wij zullen ons als Nederland uiteraard blijven inzetten voor het voortzetten van deze discussies, bijvoorbeeld door een actieve rol in het onderwerp tax, inequality and growth bij de OESO. Maar goed, we zijn ook afhankelijk van andere lidstaten om daarover van gedachten te kunnen blijven wisselen.

Dan tot slot op dit punt, voorzitter, en dan ga ik echt naar overig. De vraag van de heer Stultiens over wat een wereldwijde minimumbelasting van 2% op vermogen, de Zucmanbelasting, zou opleveren in Nederland, per wanneer dat uitvoeringstechnisch haalbaar zou zijn, en de voorwaarden om dat ook juridisch haalbaar te maken, bijvoorbeeld met een anticumulatiebepaling van 85% zoals Frankrijk kent. Ik moet de heer Stultiens teleurstellen. Ik kan daar op dit moment geen schatting van geven. Dat is geheel afhankelijk van hoeveel landen eraan meedoen en welke landen dat zijn. Daarnaast moet er een heldere vermogensgrens zijn, en moet ook helder zijn welke vermogens wel en niet worden meegenomen. Geldt dat bijvoorbeeld ook voor de eigen woning? Geldt het ook voor ondernemersvermogen? Dat soort vragen zullen moeten worden beantwoord. Ik zeg daarbij even dat elke schatting die ik nu zou geven, een slag in de lucht is. Ik zou dat dan ook niet willen doen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ook hiervoor geldt: ik snap dat er vandaag niet heel veel nieuwe varianten komen, maar we hebben de vraag niet voor niks schriftelijk al gesteld bij de inbreng van de wet. En ja, dit raakt zeker aan het onderwerp, dus dan blijft de vraag staan: is de staatssecretaris bereid om de komende weken varianten uit te werken? En dan heel simpel: 2%; 100 miljoen; ál het vermogen. Volgens mij zijn dat de basisingrediënten. Wat levert dat op? Wanneer kan het? Is het juridisch haalbaar? Die vragen proberen we al een jaar te stellen. En de heer Zucman komt hier over twee weken op bezoek, dus het zou ons helpen om te weten wat het voor Nederland betekent.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik begrijp die vraag heel goed, hoor, zeker omdat de heer Stultiens die vraag al vaker heeft gesteld. Alleen, hij vraagt me nogal wat. Wat betekent dit budgettair? Waar moeten we rekening mee houden? Hoe zou een dergelijke wetgeving er ongeveer uit moeten zien? Tja, ik moet heel eerlijk zeggen dat ik niet denk dat we dat binnen twee à drie weken kunnen aanleveren. Ik zou dat misschien kunnen zeggen, maar dan zou ik niet eerlijk zijn.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dan is de logische vervolgvraag: hoelang duurt het dan voordat deze informatie wel wordt geleverd? Ik ga gewoon door met vragen tot we het hebben, hoor. Het wordt in die zin dan misschien vervelend, maar ik vind het als Kamerlid gewoon nuttig om te weten. Het zijn vrij informatieve vragen.

Staatssecretaris Heijnen:

Over een aantal weken is er een commissiedebat Internationale fiscaliteit. Zou ik mogen voorstellen dat ik of mijn opvolger voorafgaand aan dat debat in een brief daarop zal ingaan?

De voorzitter:

Dat debat is op 25 februari. Ja, dank.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik heb begrepen dat mijn opvolger dan benoemd is.

De voorzitter:

Daar weten wij helemaal niets van.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik ook niet.

De voorzitter:

Nee. Gaat u door.

Staatssecretaris Heijnen:

Ik ga naar het mapje overig, voorzitter, en ik hoop dat ik een beetje tijd heb ingehaald. Een vraag van mevrouw Van Eijk over de tegenbewijsregeling en de forfaits die zijn opgenomen. Ik heb daar echt heel goed naar gekeken en ik kwam maar één forfait tegen, namelijk de vastgoedbijtelling. Daar hebben we het denk ik uitgebreid over gehad.

Dan collectieve beleggingen versus individuele beleggingen. Die worden in het wetsvoorstel krek op dezelfde manier behandeld. In dit wetsvoorstel maakt het dus geen verschil. Wat ons betreft is beleggingsneutraliteit daarmee gehandhaafd.

Dan een vraag van de heer Grinwis over ...

De voorzitter:

Ogenblik, mevrouw Van Eijk.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Mag ik daaruit afleiden dat dit straks ook geldt voor aandelen in startende ondernemingen en dat het dus niet uitmaakt of het een directe investering is dan wel in een fonds of, zoals het tegenwoordig heet, fonds-in-fonds?

Staatssecretaris Heijnen:

Goede vraag, waarop ik op dit moment het antwoord schuldig moet blijven. Ik snap de vraag, een terechte vraag ook. Je zou ervan uitgaan dat dat wel zo is, maar ik wil dat even bevestigd zien.

De voorzitter:

De staatssecretaris gaat verder met zijn betoog.

Staatssecretaris Heijnen:

Concreet was de vraag van de heer Grinwis of het box 3-inkomen niet uitgezonderd zou moeten worden van het verzamelinkomen. Daar ben ik in principe geen fan van, zeg ik tegen de heer Grinwis. Het is denk ik ook moeilijk uit te leggen als iemand met een hoog inkomen uit box 3 daardoor recht blijft houden op allerlei heffingskortingen en inkomensafhankelijke regelingen. Maar ik ben het wel met hem eens — daar hebben we het al eerder over gehad — dat het belangrijk is om het belastingen- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen. Zo begrijp ik zijn vraag eigenlijk ook.

Dan een vraag over kapitaalverzekeringen, met name het heffingsmoment. Kapitaalverzekeringen zijn, zo geeft de heer Stoffer aan, niet liquide, terwijl er wel jaarlijks belasting moet worden betaald. Zie ik hier een probleem? Dan verwijs ik even naar zijn eerdere vraag over landbouwgronden. Zou dit ook niet opgelost moeten worden? Hetzelfde antwoord: over het rendement wordt geheven en dat rendement wordt net zoals bij andere vermogensbestanddelen berekend door middel van vermogensvergelijking. Voor zover de vraag ziet op kapitaalverzekeringen van voor 2001 vinden de meeste afrekeningen over de tot en met 31 december 2027 opgebouwde rente plaats op het moment dat de verzekering expireert. Dat is echt in het merendeel van de gevallen. Dan is de liquiditeit beschikbaar. Ik denk, zoals ik al eerder heb aangegeven, dat we voorzichtig moeten zijn met het extra uitsluiten van allerlei vermogensbestanddelen van de vermogensaanwasbelasting, juist vanwege het risico dat en de analyse die we nog gaan doen of het niet juridisch kwetsbaar is.

Dan een soortgelijke vraag van mevrouw Van Eijk: zouden we de belastingclaim al kunnen vaststellen en doorschuiven op het moment dat de kapitaalverzekering expireert, in plaats van — wat was het? — november 2029, zoals nu in het wetsvoorstel staat? Deze oplossing is onderzocht, maar bleek niet uitvoerbaar. Anders dan verondersteld, is de samenstelling van de groep belastingplichtigen met een dergelijke box 1-polis niet bekend. Noch bij de verzekeraars, noch bij de Belastingdienst is bekend dat het om een beperkte of overzichtelijke groep gaat, evenmin dat de belasting vaak niet voldaan kan worden. Ook de verzekeringsmaatschappijen weten niet, zo hebben wij begrepen, om hoeveel mensen het gaat. Omdat de box 1-polissen niet uit de aangifte blijken, weet ook de Belastingdienst niet om wie het gaat. De insteek van het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt, is afschaffing van het huidige overgangsrecht. Dat is van belang, denken wij, voor de uitvoering. Dat is mijn reactie hierop.

Ja, zeg ik tegen mevrouw Van Eijk, wij zijn het met elkaar eens dat het nieuwe stelsel investeringen in start-ups niet mag ontmoedigen. Daarom geldt voor start-ups ook die vermogenswinstbelasting, waar we het al over hebben gehad.

We hebben het gehad over de termijn van tien of vijftien jaar voor een start-up. Dat wordt automatisch geregeld via de beschikking van RVO van acht jaar die een aantal keer verlengd kan worden, elke keer met vijf jaar.

We hebben het gehad over de definitie en dat we goed moeten kijken of de definitie gelijk kan zijn en of dat zowel voor de regeling voor start-ups als voor box 3 niet tot additionele juridische kwetsbaarheid leidt.

De heer Stultiens vraagt of ik alle potentiële ontwijkingsconstructies scherp op het netvlies heeft staan. Hoe gaan we bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen beleggen in kunst en kunst voor eigen gebruik? De heer Struijs had daar ook een vraag over. Bij het opstellen van het wetsvoorstel is rekening gehouden met alle bekende ontwijkingsconstructies. Wij denken dat het, omdat het in de basis een box 3-belasting op basis van vermogensaanwasbelasting is, constructiebestendig is, want de mogelijkheden om belastingen uit te stellen zijn beperkt. Daarnaast is het zakelijkheidsbeginsel in het wetsvoorstel opgenomen om allerlei constructies te voorkomen. Het onderscheid tussen beleggen in kunst en kunst voor eigen gebruik bestaat op dit moment ook al. Ik kan me voorstellen dat dat wel tot de nodige inhoudelijke discussie leidt, maar dat is onder de huidige wet niet anders.

Dan vraagt mevrouw Van Eijk of ik bereid ben om de effecten van de afschaffing van de regeling voor de partiële buitenlandse belastingplichtigen opnieuw te wegen en de Kamer hierover te informeren. Misschien een heel flauw antwoord, maar dat laat ik graag aan een volgend kabinet. Volgens mij is destijds in meerderheid door de Kamer besloten om dit te doen; de heer Grinwis wees daar ook al op. Het gaat om een onderzoek naar de effecten en dat zou ik graag aan mijn opvolger overlaten.

Mevrouw Van Dijk vraagt naar het effect van box 3 op de toeslagen en de inkomensafhankelijke regeling. Daar hebben we het natuurlijk over gehad, maar mevrouw Van Dijk bedoelt denk ik dat door belastingheffing over werkelijk rendement het inkomen veel sterker kan fluctueren dan op dit moment het geval is. Je kunt je afvragen in hoeverre mensen die voor box 3-heffing in aanmerking komen, gebruikmaken van de toeslagen. Maar goed, er zullen mensen zijn. Dat betekent dat zij beter in de gaten moeten houden in hoeverre hun inkomen fluctueert aan de hand van het box 3-inkomen.

Mevrouw Van Dijk heeft ook nog een vraag over de inrichting van de administratie, namelijk of ik bereid ben om samen op trekken met de adviespraktijk, zodat de regeling goed aansluit bij de dagelijkse praktijk. Mijn antwoord is kort: ja. Momenteel doen we onderzoek naar de regeling. Bij de uitwerking zullen we vertegenwoordigers van de adviespraktijk meenemen.

Mevrouw Van Dijk vraagt mij om de toezegging om te blijven inzetten op een verdere vereenvoudiging van het belastingstelsel. Ik wil haar die toezegging heel graag doen, maar ik denk dat het reëler is om die toezegging ook aan mijn opvolger te vragen bij het eerste debat dat u met hem heeft.

Dan over de signalen over betalingsproblemen. Dat vind ik belangrijk. Wij hebben hierover ook regulier overleg met de ketenpartners en de Belastingdienst. Deze onderwerpen zullen dan ook besproken worden. Eerder gaf ik al aan dat wij van mening zijn dat de bestaande betalingsregelingen voldoen. Er wordt dus ook geen grote toename van de problemen verwacht. We voeren hier dus regulier overleg over en zullen dat uiteraard blijven doen. Mocht blijken dat die problemen in tegenstelling tot wat we verwachten toch gaan optreden, dan zal dat bij de evaluatie, bij de monitoring tot een aanpassing moeten leiden.

Dan een hele sympathieke, over een automatische vrijstelling voor box 3-inkomen over vermogen ten gevolge van het uitkeren van schadebedragen en hersteloperaties. Laten we hopen dat dat na Groningen en de toeslagenouders nooit meer noodzakelijk is. Voor Groningen is het geregeld. Het is moeilijk om daarvoor een automatische vrijstelling in te regelen. De schadevergoedingen zijn in geld en gaan op in het andere vermogen van een burger. Een bankrekening geeft niet aan waar het geld vandaan komt. Ik hoop dat het niet noodzakelijk is, maar op het moment dat er nieuwe schaderegelingen zoals voor Groningen komen, is het beter om daar op dat moment aandacht voor te hebben en ervoor te zorgen dat ze, indien gewenst, worden vrijgesteld dan nu al een automatisch vrijstelling in de wet op te nemen.

Ik heb heel snel een aantal vragen samengevoegd en beantwoord. Ik weet niet of ik daarmee alle vragen naar genoegen van de Kamerleden heb beantwoord.

De voorzitter:

Dat gaan we merken in de tweede termijn. Voordat we daarmee beginnen wil ik even een ordevoorstel doen. We hebben minder dan drie kwartier. We hebben meer dan drie uur gedaan over de eerste termijn. Ik denk dat de tweede termijn van de Kamer nog wel mogelijk is, maar gelet op het feit dat er veel is doorgeschoven, is het de vraag of het niet beter is om de beantwoording in tweede termijn op een ander moment in te plannen. Misschien kan er dan ook nog schriftelijk informatie komen, net als een schriftelijke appreciatie van de amendementen. Anders overschrijden we het tijdstip van 18.30 uur en ik weet niet hoelang het dan nog gaat duren. Ik stel voor dat we dat knipje maken. De agenda van de commissie is niet supervol, dus er is vast nog een ander moment te vinden om die tweede termijn even in te plannen. Kunnen de leden zich daarin vinden? Ja? Dan doen we nu gewoon de tweede termijn. Meneer Stultiens, over het ordevoorstel?

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ik kan me er op zich in vinden, maar betekent dat dat het vanavond niet uit kan lopen? Zegt u dat eigenlijk?

De voorzitter:

Nou ja, in principe is dat nooit zomaar mogelijk. Er zijn vanavond nog andere wetgevingsoverleggen. We hebben vandaag vier wetgevingsoverleggen. Het gaat niet alleen om uw tijd, maar ook om de tijd van het personeel. Ik kan op dit moment niet inschatten of uitloop mogelijk is en hoeveel. Daarom doe ik dit ordevoorstel. Mevrouw Van Dijk?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Ik vind het een prima ordevoorstel, maar er komen nog best wat vragen aan de orde en ik kan me voorstellen dat de collega's in tweede termijn daarop willen reageren. Dat wordt dan ingewikkeld. Kun je dan niet beter zeggen dat er zo veel mogelijk schriftelijk moet worden beantwoord en dat we de tweede termijn Kamer en kabinet in één keer doen?

De voorzitter:

Dat is ook een optie. Als u daar de voorkeur voor heeft?

Staatssecretaris Heijnen:

Ik zou, als ik de Kamerleden zo hoor, kunnen aanbieden dat wij alle moties en amendementen in ieder geval schriftelijk appreciëren deze week en eventuele openstaande vragen meenemen in de brief die we gaan sturen. Dan hebben we het allemaal netjes afgerond. Als dat voor uw Kamer werkt, zou dat kunnen.

De voorzitter:

Maar de moties moeten eerst zijn ingediend voordat ze beoordeeld kunnen worden. Dan is het even de vraag of we nu de moties indienen of dat we de tweede termijn van de Kamer en die van het kabinet beide op een apart moment doen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik een voorkeur voor de route van mevrouw Van Dijk. Er waren een paar openstaande vragen. De antwoorden daarop kunnen we dan schriftelijk krijgen in de komende dagen. Vervolgens plannen we dan ergens voor 15 maart de tweede termijn in voor Kamer en kabinet.

De voorzitter:

Ja? De heer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Op zich zitten we er nu klaar voor om de moties in te dienen, maar prima om dat later te doen. Tegelijkertijd, nu zitten we hier en het kan wel zijn dat de Financiënagenda niet zo vol is, maar de hoeveelheid begrotingen is immens, dus zitten mijn weken in januari en februari behoorlijk vol. Dat is ook wel een overweging en nu zitten we er toch.

De voorzitter:

U heeft dus eigenlijk een voorkeur ...

De heer Grinwis (ChristenUnie):

We zitten klaar voor de tweede termijn. Laten we die gewoon doen, want we weten nooit of iedereen er weer is en dan hebben we die in ieder geval in de pocket.

De voorzitter:

Ja? Ik zie instemmend geknik. Dan doen we dat, dan doen we gewoon de tweede termijn waarin de moties worden ingediend. Het aanbod is dat zowel de amendementen als de moties worden geapprecieerd en de openstaande vragen worden beantwoord. Dan doen we alleen de tweede termijn van de regering op een ander moment. Ja? Meneer Grinwis, aan u het woord namens de ChristenUnie. O, de staatssecretaris nog.

Staatssecretaris Heijnen:

Dat ik het goed begrijp: de leden doen nu hun tweede termijn en stellen dan ook nog eventuele vragen die openstaan. De leden dienen hun moties in. De amendementen zijn al bekend. Wij zullen beide, zowel de vragen als de moties en amendementen, schriftelijk beantwoorden. Maar dan is er toch geen tweede termijn meer van onze kant? Is dat dan geen tweede termijn?

De voorzitter:

Nee, dan is er wel nog een moment waarop u weer bevraagd kunt worden op wat u schriftelijk heeft geantwoord. Dat wordt een aparte tweede termijn. Dus zoals u net uw eerste termijn heeft gehouden, krijgt u dan een tweede termijn. Maar dan zijn er allerlei stukken en kan het vrij kort. De leden kunnen dan nog vragen stellen over uw appreciatie.

Staatssecretaris Heijnen:

Maar dan zou ik, als dat mag, er de voorkeur voor hebben dat wij, als de Kamer een tweede termijn doet, ook een tweede termijn doen. Dan kan ik gelijk alle moties en amendementen appreciëren en dan zijn we klaar.

De voorzitter:

Maar dat redden we niet binnen nu en 18.30 uur. Dat is mijn probleem. Ik snap uw voorkeur, maar ik vrees dat dat niet gaat lukken. Dat moet dus op een ander moment een vervolg krijgen. Mogelijk kan dat deze week nog. Ja? Dan ga ik de heer Grinwis alsnog het woord geven.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Tenzij de brief zo briljant is dat wij zeggen dat het allemaal niet meer nodig is; dat kan altijd.

Voorzitter. Allereerst heel veel dank aan de staatssecretaris. Het was een gigantisch pièce de résistance dat al heel lang lag te wachten. Tegelijkertijd moest het wel een keer behandeld worden. Mij moet wel van het hart — dat hebben denk ik veel collega's, ook mensen op de publieke tribune en mensen van de schrijvende pers — dat ik me afvroeg: zo veel complexiteit, gaan we dat ons land en ons volk echt aandoen? Daar zit ik wel mee. De alternatieven zijn gepasseerd. Op een gegeven moment moeten we gewoon een besluit durven nemen. Ik denk dat ik dat ook wel durf, maar ik doe het wel terwijl ik mijn hart vasthoud, want ik vind dat we nogal een stelselwijziging gaan optuigen. Daarmee gaan we heel veel complexiteit toevoegen aan ons belastingstelsel, terwijl we ieder jaar zeggen dat we het eenvoudiger moeten maken. Nou, het tegendeel is in de praktijk het geval. Daar vind ik wat van. Dat als eerste.

Ten tweede dien ik een paar moties in en vervolgens heb ik nog een paar openstaande vragen. Eerst de moties maar, dan hebben we die gehad. De eerste gaat over vermogenswinst.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de voorliggende Wet werkelijk rendement box 3 zeer waarschijnlijk geen eindstation is, en dat in de toekomst een verdere beweging richting een vermogenswinstbelasting (vwb) denkbaar is;

overwegende dat het vanwege het rente-op-rente-effect voor de hand ligt dat de vermogensopbouw bij een box 3-systeem dat gebaseerd is op een vermogenswinstbelasting, en mitsdien de structurele belastingopbrengst in box 3, groter is dan in het voorliggende voorstel;

overwegende dat toekomstige besluitvorming vraagt om inzicht in de structurele budgettaire effecten;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat de structurele budgettaire meeropbrengsten van een vermogenswinstbelasting in box 3 zijn, de Kamer hierover voor de zomer te informeren, en de uitkomsten mee te wegen in toekomstige besluitvorming over het box 3-stelsel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Van Eijk, Inge van Dijk, Vermeer en Stoffer.

Zij krijgt nr. 13 (36748).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het box 3-inkomen wordt opgeteld bij het verzamelinkomen en daarmee invloed heeft op de hoogte van de inkomensafhankelijke heffingskortingen en toeslagen;

overwegende dat het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een volatieler stelsel, waarmee ook de huidige inkomensafhankelijke heffingskortingen en toeslagen meer kunnen gaan fluctueren, en de effectieve belastingdruk dus hoger of lager kan uitvallen dan het belastingtarief in box 3;

overwegende dat Kamer en kabinet zich meermaals hebben uitgesproken voor een fundamentele herziening van het belasting- en toeslagenstelsel;

verzoekt het kabinet in kaart te brengen wat de consequenties voor huishoudens (effecten op heffingskortingen en toeslagen) en de overheidsfinanciën zijn van de doorwerking van het volatieler wordende box 3-inkomen op het verzamelinkomen, deze inzichten te betrekken bij de uitwerking van de hervorming van de inkomstenbelasting en het toeslagenstelsel, en de Kamer hierover bij het eerstvolgende Belastingplan te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.

Zij krijgt nr. 14 (36748).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat is dus in vervolg op een van de laatste antwoorden van de staatssecretaris, want hier is meer inzicht gewenst. Die volatiliteit met nog meer fluctuaties in een stelsel met veel inkomensafhankelijkheid gaat wel wat betekenen en wat inzicht daarin kan helpen om de urgentie van een belastingherziening te vergroten. Nu mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in art. 5.19 staat dat de vastgoedbijtelling op 3,35% wordt gesteld;

overwegende dat dit percentage is gebaseerd op onderzoek van SEO uit 2022 en daarin geanalyseerde data uit 2019, 2020 en 2021, en dat het derhalve verouderde data betreft;

overwegende dat als forfaits worden gebruikt, deze zo goed mogelijk dienen aan te sluiten op de werkelijkheid;

verzoekt de regering om zodra mogelijk, bij voorkeur voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028, het vastgoedbijtellingspercentage te actualiseren op basis van de meest recente en representatieve data, en dit vervolgens periodiek te blijven actualiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.

Zij krijgt nr. 15 (36748).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Bij vastgoed miste ik nog een aantal antwoorden van de staatssecretaris op gestelde vragen, zoals of het wel zo redelijk is om de leegwaarderatio te verdisconteren bij de inbrengwaarde van bijvoorbeeld sociaal verhuurd vastgoed, dus sociaal verhuurde huizen. Dan maak je het eigenlijk aantrekkelijk om óf uit te ponden voor 2028 óf in ieder geval ervoor te zorgen dat je het zonder huurders op die inbrengdatum inbrengt in box 3 als de Wet werkelijk rendement gaat gelden. Dat zijn toch wat perverse effecten, terwijl je juist verhuurders die betaalbaar verhuren, zou willen koesteren. Dat was het ene punt. Op het andere punt heb ik een amendement in voorbereiding, maar het lukt me niet meer om dat voor 18.30 uur in te dienen. Dat was: als je onder die 90% komt van het kalenderjaar die geldt voor als je je huis verhuurd moet hebben, dus op 89% vanwege bijvoorbeeld een verbouwing die een paar dagen uitloopt, dan word je in één keer deels aangeslagen tegen de vastgoedbijtelling. Is dat nou wel zo redelijk? Mijn voorstel was dus om dat op tien maanden te stellen, op 300 dagen. Dat is een afwijking van de reguliere interpretatie in de fiscale praktijk van die 90%. Daarop heb ik dus een amendement in voorbereiding, maar ik heb daar ook een vraag over gesteld. Misschien kan de staatssecretaris daar nog op ingaan in zijn brief, alvorens ik dat amendement indien.

Ten slotte, voorzitter, en dan laat ik het daar ook bij. Ik heb het amendement zoals aangekondigd, dat gaat over NSW-landgoederen, zojuist ingediend. Het is rondgedeeld, dus iedereen kan het bestuderen. Warm aanbevolen!

Tot zover.

De voorzitter:

Dat amendement heeft nr. 12.

We gaan luisteren naar mevrouw Van Eijk, namens de VVD-fractie, in haar tweede termijn.

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dank u wel, voorzitter, en dank ook aan de staatssecretaris voor het beantwoorden van de vragen. Ik ben blij dat we deze wet vandaag behandelen. Ik denk dat het ook goed is dat we gaan doorpakken. Het is een beweging naar het belasten van inkomen uit rendement. Wat ons betreft zouden we daar op termijn nog een stap verder in kunnen gaan. Ik weet dat dat op dit moment niet realistisch is en ook budgettair niet haalbaar is, dus wij zullen deze wet steunen. Ik was er heel even tussenuit, maar in de beantwoording heb ik de antwoorden gemist op de vragen over de partiële buitenlandse belastingplicht en het opnieuw wegen ervan in relatie tot deze nieuwe wet, de Wet werkelijk rendement box 3, inderdaad ook in relatie tot de vermogenswinstbelasting en hoe dat uitpakt in internationaal perspectief. Misschien kan de staatssecretaris daar nog op reageren in zijn schriftelijke beantwoording. En in het algemeen heb ik een oproep gedaan om ook het invoeren van een tegenbewijsregeling, of de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling, opnieuw te bekijken, om ervoor te zorgen dat deze wet ook op de langere termijn juridisch houdbaar is in die gevallen dat het aantoonbaar is dat het werkelijk rendement lager is dan een forfait of een bepaalde veronderstelling.

Ik heb een viertal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in het voorgestelde box 3-stelsel het eigen gebruik van onroerende zaken forfaitair wordt belast tegen 3,35% van de WOZ-waarde, uitgaande van een volledig jaar;

overwegende dat dit kan leiden tot belastingheffing over een voordeel dat niet of slechts gedeeltelijk is genoten, met name bij vakantiewoningen met een deels consumptief karakter;

overwegende dat de WOZ-waarde een onvolmaakte grondslag vormt en de voorgestelde systematiek juridisch kwetsbaar is;

verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is een uitvoerbare tegenbewijsregeling op te nemen voor het werkelijke voordeel van eigen gebruik van onroerende zaken;

verzoekt de regering tevens een tegenbewijsregeling voor de openingsbalanswaarde van vastgoed in box 3 uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 16 (36748).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het afschaffen van het overgangsrecht voor oude kapitaalverzekeringen in box 1 ertoe leidt dat per 1 november 2029 in één keer belasting wordt geheven over het volledige opgebouwde rendement;

overwegende dat betrokkenen deze belasting vaak niet kunnen voldoen omdat het vermogen niet liquide is;

overwegende dat het gaat om een beperkte en overzichtelijke groep, terwijl de financiële gevolgen groot en onverwacht zijn;

overwegende dat burgers om redenen van uitvoeringseenvoud niet opeens kunnen worden geconfronteerd met hoge belastingaanslagen zonder dat zij over het geld kunnen beschikken;

verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is om de verschuldigde belasting wel per 1 november 2029 vast te stellen, maar pas invorderbaar te maken op het moment dat de kapitaalverzekering daadwerkelijk tot uitkering komt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 17 (36748).

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Hierbij de opmerking dat het Verbond van Verzekeraars heeft aangedragen, ik neem aan ook op basis van inbreng en input vanuit de verzekeraars, dat het gaat om die overzichtelijke en relatief kleine groep. Misschien dat er dus nog een keer goed gekeken kan worden dan wel navraag gedaan kan worden bij het verbond waarom zij denken dat het wel zou moeten kunnen. Dat zijn tegenstrijdige geluiden.

Dan mijn derde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de gerichte fiscale uitzondering in box 3 voor aandelen in startende ondernemingen kan bijdragen aan innovatie, economische groei en het toekomstig verdienvermogen van Nederland;

overwegende dat investeringen in start-ups en scale-ups gepaard gaan met hoge risico's en beperkte liquiditeit, wat vraagt om een passend en investeringsvriendelijk fiscaal kader;

overwegende dat indirecte investeringen via start-upfondsen en fund-of- funds particuliere beleggers toegang geven tot risicospreiding en kapitaalmobilisatie;

overwegende dat het onwenselijk is dat belasting wordt geheven over vermogenswinsten die nog niet liquide zijn;

verzoekt de regering:

  • bij de verdere uitwerking van de fiscale regeling voor aandelen in startende ondernemingen te zorgen voor een ruimhartige en investeringsvriendelijke toepassing;
  • te bezien of directe en indirecte investeringen fiscaal behandeld kunnen worden;
  • te bezien of belastingheffing kan aansluiten bij daadwerkelijke liquiditeit, met ruimte voor tegenbewijs bij aantoonbare niet verhandelbaarheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk en Martens-America.

Zij krijgt nr. 18 (36748).

Mevrouw Van Eijk (VVD):

En de laatste, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement in box 3 kansen biedt om particulier beleggen te stimuleren en privaat kapitaal te mobiliseren voor Nederlandse en Europese bedrijven;

overwegende dat eenvoud essentieel is voor draagvlak, en complexe voorwaarden of sectorale afbakeningen particulier beleggen onnodig ontmoedigen;

overwegende dat andere landen laten zien dat eenvoudige fiscale regelingen, zoals vrijstellingen voor rente en dividend of laagdrempelige beleggingsrekeningen, effectief kunnen zijn;

overwegende dat het van groot belang is dat Nederland werkt aan economische groei en strategische autonomie in Europees verband;

verzoekt de regering parallel aan de invoering van het nieuwe box 3-stelsel te verkennen hoe een brede, eenvoudige fiscale regeling kan worden vormgegeven die langetermijnbeleggen in Nederlandse en Europese ondernemingen aantrekkelijker maakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Oosterhuis, Inge van Dijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 19 (36748).

Mevrouw Van Eijk (VVD):

Dat was het.

De voorzitter:

Dat was uw tweede termijn. Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Vlottes namens de PVV.

De heer Vlottes (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Dank ook voor de beantwoording. Ik kan het antwoord gemist hebben, maar ik meen mij te herinneren dat ik een vraag had gesteld over de mogelijke impact op de planning van de inwerkingtreding van deze wet naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag over de rekenrente in de vpb. Ik hoor graag wat daarvan de mogelijke gevolgen kunnen zijn.

We hebben het al kort gehad over die software uit het jaar kruik, Cool:Gen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat die in ieder geval niet meer voor vertraging zou zorgen. Maar ik heb nog geen antwoord gehoord op het recente arrest van de Hoge Raad over de vpb-rekenrente.

Dan nog één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wet werkelijk rendement een stelsel bevat van vermogensaanwasbelasting;

van mening dat belasting op rendement dient te gebeuren op daadwerkelijk behaald rendement en niet op papieren rendement;

verzoekt de regering op zo kort mogelijke termijn te zorgen voor een box 3-stelsel waarbij enkel gerealiseerde winsten worden belast op basis van een vermogenswinstbelasting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.

Zij krijgt nr. 20 (36748).

De heer Vlottes (PVV):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dat was kort maar krachtig. Dan de heer Stoffer namens de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Ook dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vele vragen die gesteld zijn. Ik heb nog drie moties en die zal ik nu indienen. De eerste luidt als volgt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de Uitvoeringstoets van de Wet werkelijk rendement box 3 onder andere blijkt dat de impact "ingrijpend" is, en dat het risico op procesverstoringen groot is;

overwegende dat het wetsvoorstel grote gevolgen heeft voor miljoenen belastingplichtigen, en dat de invoering voortdurend gemonitord moet worden, om problemen en uitdagingen in de invoering snel in beeld te krijgen, zodat daarop geanticipeerd kan worden;

verzoekt de regering na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 regelmatig, bijvoorbeeld elk half jaar, invoeringstoetsen uit te voeren waarin ingegaan wordt op de invoering, uitwerking en uitvoerbaarheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 21 (36748).

De heer Stoffer (SGP):

De volgende motie luidt als volgt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in een eerdere versie van de Wet werkelijk rendement box 3 een vermogenswinstbelasting gold voor aandelen in familiebedrijven;

overwegende dat deze vorm van belastingheffing daarbij ook beter past, omdat deze aandelen bijvoorbeeld niet vrij verhandelbaar zijn en niet jaarlijks gewaardeerd worden;

overwegende dat met name het definiëren van "familiebedrijven" de uitvoering van een vermogenswinstbelasting voor deze groep uitdagend maakt;

constaterende dat de definitie van "startups en scale-ups" nog nader uitgewerkt moet worden;

verzoekt de regering hierbij ook een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven mee te nemen, en alsnog te bezien hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting belast kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Grinwis en Vermeer.

Zij krijgt nr. 22 (36748).

De heer Stoffer (SGP):

En dan de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er bijvoorbeeld bij vererving of schenking van verpachte landbouwgronden belasting betaald moet worden over de waardestijging;

overwegende dat langdurige verpachting van groot belang is voor de toekomstbestendigheid van de landbouw, terwijl dat met dit wetsvoorstel onder druk komt te staan, omdat er bijvoorbeeld bij vererving en schenking geen liquide middelen beschikbaar zijn, en langdurige pachtcontracten daardoor onaantrekkelijker worden;

verzoekt de regering oplossingen in kaart te brengen, en daarbij in ieder geval een gehele of gedeeltelijke vrijstelling bij vererving en schenking en een belastingverlaging in combinatie met een minimale bezitsperiode mee te nemen, en de Kamer daarover zo snel mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 23 (36748).

De heer Stoffer (SGP):

Dat was het, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stultiens, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik begin met een woord van dank aan de staatssecretaris. Dank voor de uitgebreide antwoorden. Ook met een aantal toezeggingen ben ik blij. Hij gaat opties in kaart brengen voor hoe de route van box 1 naar box 3 met de hypotheekrenteaftrek kan worden voorkomen. Daar ben ik blij mee. We krijgen vóór het commissiedebat van de volgende maand een appreciatie of een analyse van de Zucman tax, van wat die oplevert, wanneer die kan en van wat die juridisch mogelijk maakt. En ik hoor nog van de staatssecretaris per wanneer ons amendement wel uitvoerbaar is. Ik moet daarbij zeggen dat je met 900 fte en 22 maanden toch hoopt dat een toptarief wel kan worden toegevoegd. Maar goed, blijkbaar werkt de wereld zo niet bij de Belastingdienst. Daar moet ik dan maar op vertrouwen. Dat doe ik ook, maar dan hoor ik graag per wanneer het wel kan.

Ik zei aan het begin van het debat dat we het wetsvoorstel gaan steunen. Ik zie wel een paar gemiste kansen. Daarom één motie. Hopelijk inspireer ik de formatietafel om een wijze keuze te maken. Die gaat over het toewerken naar een progressief belastingstelsel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het huidige belastingstelsel op sommige onderdelen niet progressief is, waardoor de rijkste Nederlanders een lager effectief tarief betalen dan de middenklasse;

constaterende dat inkomen in box 1 en box 2 wél progressief wordt belast maar inkomen in box 3 niet;

van mening dat inkomen uit werk niet zwaarder belast zou moeten worden dan inkomen uit vermogen;

verzoekt de regering bij het komende Belastingplan toe te werken naar een progressief belastingstelsel, onder andere door inkomsten in box 3 ook progressief te gaan belasten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.

Zij krijgt nr. 24 (36748).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dan is er eigenlijk nog één grote vraag blijven liggen. En het is eigenlijk ook wel raar dat die is nog steeds blijven liggen. Hij gaat over de budgettaire verschillen tussen varianten. Inmiddels weten we dat de vermogenswinstoptie een derving is van 5 miljard in vijf jaar. Maar ik vroeg expres naar de komende 30 jaar. Ik heb nu verschillende brokjes informatie en ik vind dat wij als Kamer het hele plaatje moeten hebben. Ik weet nu dat het bij vermogensaanwas 42 miljard meer oplevert dan wat er nu voorligt, dus de hybride variant. Ik zou graag wel de vraag de andere kant op beantwoord willen hebben, over vermogenswinst. De openstaande vraag — want daarover zijn volgens mij de meningen verdeeld hier in de Kamer — is: gaat dat budgettaire gat ooit worden ingelopen? Ik geloof zelf van niet, maar de idee ontstaat hier dat dat wel zo is. Ik hoor graag, op papier, hoe dat zit. Ik hoor graag waar ik een denkfout maak, maar volgens mij schuif je met een vermogenswinstbelasting opbrengst uit de toekomst naar voren en als je eenmaal dat punt bereikt hebt, heb je vervolgens die belastinginkomsten binnen en zijn er weer nieuwe toekomstige vermogenswinsten opgespaard; dan blijf je altijd vooruit hollen. Dus tenzij er ooit een dag komt waarop de wereld vergaat en we een eindafrekening maken, ga je zo gewoon tientallen miljarden vooruitschuiven. Als partijen hier dat willen, dan mag dat, maar dan verwacht ik wel een budgettaire dekking en onderbouwing. Die heb ik van niemand gehoord vandaag. Als wij bij een begrotingsdebat een paar potloden willen toevoegen bij onderwijs, krijgt iedereen de vraag hoeveel dat gaat kosten en hoe je dat gaat betalen. En hier hoor ik de hele dag al, eigenlijk jarenlang, wensen, wensen, wensen voor vermogenswinst, maar niemand die zegt hoe je dat gaat betalen. Nou, vraag één is dus: hoeveel gaat dat kosten? En klopt mijn analyse dat dit echt geld kost of is het slechts een temporeel effect? Ik denk het laatste. Vervolgens kunnen wij dan de komende jaren het debat live vervolgen. Ik vermoed dat dat nog jaren gaat duren. Ik denk dat het goed is dat we niet geld gaan uittrekken hiervoor, maar ik hoor graag op papier van de staatssecretaris of mijn analyse klopt. Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Oosterhuis, namens de D66-fractie.

De heer Oosterhuis (D66):

Dank u, voorzitter. En ook mijn dank aan de staatssecretaris voor de antwoorden op de vele kritische vragen die de Kamer heeft gesteld. Ik denk wel dat het goed is om voor ogen te blijven houden dat het, of het nu gaat om mensen met een miljoen of met een tweede woning, in het algemeen gaat over de wat meer draagkrachtigen in de samenleving en dat het grootste deel van de samenleving er toch alleen maar van kan dromen om ooit in deze box terecht te komen.

Vroeg in de beantwoording zei de staatssecretaris: het ideale stelsel bestaat niet. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft; elke vorm heeft zijn voor- en nadelen. We hebben het veel gehad over vermogenswinst versus vermogensaanwas. Volgens mij is ook vermogenswinst niet zaligmakend en zit daar in ieder geval een budgettaire hobbel. Ik denk dat het verstandig is om in beeld te brengen hoe groot die hobbel is, zodat wij daar goed geïnformeerd het debat over kunnen voeren. Een van die problemen bij vermogenswinst zit 'm bij die life-events: scheiden, overlijden. Ik vind het jammer dat het amendement van de heer Hoogeveen als niet-uitvoerbaar, of in ieder geval niet tijdig uitvoerbaar wordt geschetst. Er zijn betalingsregelingen, zo heeft de staatssecretaris toegelicht. Tegelijkertijd kan het echt om serieuze bedragen gaan, en betwijfel ik of die betalingsregelingen in alle gevallen afdoende zullen zijn. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de Wet werkelijk rendement box 3 een vermogenswinstbelasting geldt voor onroerend goed en aandelen in start-ups;

constaterende dat er sprake kan zijn van een forse vermogenswinstheffing over de waardestijging van onroerend goed en aandelen in start-ups bij ingrijpende persoonlijke gebeurtenissen zoals een echtscheiding of overlijden, terwijl het ongewenst of onmogelijk is om op dat moment het betreffende vermogensbestanddeel te verkopen;

overwegende dat er betalingsregelingen zijn die niet in alle gevallen voldoende zijn en er individuele betalingsregelingen mogelijk zijn;

verzoekt de regering om bij grote vermogenswinstheffingen bij ingrijpende persoonlijke gebeurtenissen de mogelijkheid tot een betalingsregeling actief onder de aandacht te brengen, en te bezien of verruiming van deze regelingen noodzakelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Oosterhuis, Grinwis en Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 25 (36748).

De heer Oosterhuis (D66):

Dan had ik specifiek over de ingrijpende persoonlijke gebeurtenis van het huwelijk een vraag gesteld die volgens mij nog niet beantwoord is. Wellicht kan de staatssecretaris daar in zijn brief op terugkomen en verduidelijken hoe dat precies zit.

Tot slot nog een vraag over groen beleggen. Ik was wat verrast door het antwoord van de staatssecretaris in eerste termijn. In de voorbereiding op dit debat had ik informeel contact met zijn ondersteuning. Toen kreeg ik het signaal dat een heffingskorting uitvoerbaar zou zijn per 2028, ook als dat nog bij het Belastingplan zou worden geregeld. Ik ging er dan ook van uit dat het zou kunnen, ook omdat ik naar aanleiding van het afgelopen Belastingplan hierover vrij veel heb gevraagd achter de schermen toen ik bezig was de amendementen. Toen kreeg ik nergens het signaal dat dat problematisch zou zijn in de uitvoering bij de knip tussen de huidige wet en de volgende wet. We hebben in de huidige box 3 nog een regeling voor groen beleggen. Ik wil de staatssecretaris vragen om iedereen op de kop te houden en te kijken of die heffingskorting uitvoerbaar is. Dit maakt wel dat ik nu een amendement begin te overwegen over een heffingskorting, al dan niet voorlopig op nul gezet en wellicht ook met een invoeringsdatum bij KB, zoals Grinwis hier creatief aan het doen is, om te bewerkstelligen dat dit zo spoedig mogelijk uitvoerbaar is. Daar blijf ik me mee bezighouden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Inge van Dijk namens het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Je zult het maar even op je bordje krijgen, dit dossier! Fijn dat we in ieder geval een stap verder zijn gekomen. Ik dank de collega's voor het debat.

Zoals het vaak gaat: democratie vraagt om eenvoud en bestuur creëert complexiteit. Dat doen we nu ook weer, daarvan zijn we ons zeer bewust. Het voelt ook wel ongemakkelijk, maar tegelijkertijd weten we dat als we dit nu niet doen, het de situatie er de komende tijd niet per definitie beter op maakt.

We hebben onze wensen voor de 2.0 op tafel gelegd, maar vandaag zullen we tot op zekere hoogte op onze handen blijven zitten, want we willen absoluut niet verder vertragen. Ik heb wel twee moties om alvast een en ander te onderzoeken.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken worden belast met een vastgoedbijtelling;

overwegende dat de vastgoedbijtelling is gebaseerd op onderzoek naar de huurwaarde van niet-verhuurde box 3-woningen;

overwegende dat vakantiewoningen verschillen van andere woningen omdat specifieke kenmerken zoals seizoensgebondenheid een rol kunnen spelen;

overwegende dat het van belang is de vastgoedbijtelling juridisch houdbaar vorm te geven, met het oog op het recht op ongestoord genot van eigendom;

verzoekt de regering een aanvullend onderzoek te laten doen naar rendementen op specifiek vakantiewoningen, en een juridische analyse te doen ten aanzien van een houdbare vastgoedbijtelling voor vakantiewoningen in eigen bezit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk en Grinwis.

Zij krijgt nr. 26 (36748).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

De laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de Wet werkelijk rendement box 3 een hybride stelsel van vermogensaanwas en vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd om het huidige failliete forfaitaire stelsel te vervangen en grote budgettaire derving van verder uitstel te voorkomen;

overwegende dat een volledige vermogenswinstbelasting beter aansluit binnen het Nederlandse fiscale systeem, internationaal de standaard is en bovendien het draagvlak kan verhogen omdat belastingplichtigen het als rechtvaardig ervaren dat alleen liquide vermogens belast worden;

overwegende dat een dergelijke systematiek door partijen die gegevens moeten aanleveren met een langere voorbereidingstijd uitvoerbaar wordt geacht;

verzoekt de regering in overleg met ketenpartners in kaart te brengen hoe het hybride stelsel kan worden doorontwikkeld naar een volledige vermogenswinstbelasting en hiervoor een stappenplan te ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk, Hoogeveen en Grinwis.

Zij krijgt nr. 27 (36748).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dankjewel, voorzitter.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Hoogeveen namens de JA21-fractie.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank u, voorzitter, en dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en de "on the spot"-beoordeling van mijn amendementen. De antwoorden waren wel wat onbevredigend en verwarrend, als ik zo vrij mag zijn, met name omdat ik vind dat de onderbouwing op een aantal punten onvoldoende is en deels ook haaks staat op de stukken die wij hebben ontvangen.

Laat ik beginnen met de uitvoerbaarheid. De staatssecretaris stelt dat de door mij voorgestelde amendementen niet uitvoerbaar zouden zijn. Dat verbaast mij, omdat in de quickscan die wij hebben gekregen, staat dat het niet te automatiseren is, maar wel uitvoerbaar per 1 januari 2028 via een aanpassing in de toelichting. Zojuist, twee minuten geleden, heb ik de juiste quickscan gekregen en die heb ik daardoor nog niet kunnen lezen. Daarom stel ik de vraag alsnog: kan de staatssecretaris aangeven waarom het amendement nu niet uitvoerbaar is en wanneer hij het wel uitvoerbaar acht? Of is het dat überhaupt niet?

Voorzitter. Het budgettaire argument en dan met name bij het amendement over de verliesrekening. De staatssecretaris ontraadt het amendement vanwege een hoge incidentele budgettaire derving. Wat daar dan bij opvalt, is dat het structurele effect volgens dezelfde raming beperkt blijft, namelijk dat het eindigt met slechts 12 miljoen. Overigens zijn de kosten sowieso opmerkelijk, omdat het wetsvoorstel zelf al voorziet in onbeperkte voorwaartse verliesverrekening, terwijl mijn amendement vraagt om slechts een zeer beperkte carry back van één jaar.

Met het amendement wordt slechts een heel beperkte achterwaartse verliesverrekening toegevoegd. Het totale verlies kan dus worden verrekend en daardoor neemt het mijns inziens niet of nauwelijks toe. Alleen het moment van verrekening verandert immers. De raming lijkt echter uitsluitend de derving van de carry back mee te nemen, dus zonder rekening te houden met het feit dat dezelfde verliezen daardoor niet of in mindere mate nog voorwaarts hoeven te worden verrekend. Daarmee wordt wel de budgettaire last van de carry back ingeboekt, maar niet de daarbij horende vermindering van toekomstige derving van de carry forward.

Dat leidt dus tot een overschatting van het incidentele effect en wekt de indruk dat hier vooral sprake is van een kasverschuiving en niet van een structurele lastenverzwaring. Daarom vraag ik de staatssecretaris uit te leggen waarom in de raming wel de derving van de carry back is meegenomen, maar niet de verminderde derving die ontstaat doordat dezelfde verliezen niet meer voorwaarts kunnen worden verrekend. Kunnen deze twee dervingen worden weggestreept ten opzichte van elkaar? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreid antwoord. Kan hij verder toelichten waarom deze twee effecten volgens hem niet tegen elkaar kunnen worden weggestreept?

Voorzitter, tot slot het proces. De onderbouwing die wij vandaag krijgen bij de ontrading van mijn amendementen, en dan met name op het punt van het budgettaire effect en de uitvoerbaarheid, is dus niet eerder met ons gedeeld. Sterker nog, sommige staan daar zelfs haaks op. Daarom heb ik daar niet op kunnen anticiperen. Dat geldt ook voor de uitvoering en het vinden van een geschikte dekking.

Ik verzoek de staatssecretaris daarom het volgende: een schriftelijke reactie waarin staat opgenomen op welke punten het oordeel van de staatssecretaris afwijkt van de geleverde documenten, en dan met name van de quickscan, die ik dus wel heb ontvangen. Ik krijg verder graag een schriftelijke reactie op mijn vraag wanneer de doorschuiffaciliteiten en de achterwaartse verrekening mogelijk zijn. Ten slotte wil ik een nieuwe schriftelijke reactie waarin staat hoe de kosten en de budgettaire derving van zowel de doorschuiffaciliteit als de achterwaartse verrekening zijn opgenomen. Dat mag dus allemaal in die schriftelijke reactie. Graag ontvang ik daarbij de toezegging dat de Kamer de tijd krijgt om de budgettaire effecten zorgvuldig te beoordelen en indien nodig de amendementen nader te wegen. Daarvoor is gezien de deadline vooralsnog voldoende tijd.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. We hebben nog acht minuten in de geplande tijd. Het gaat dus echt niet lukken om de tweede termijn van de regering te realiseren. Er zijn bovendien ook nog eens vijftien moties ingediend en die moeten ook nog allemaal geapprecieerd worden, net als overigens een aantal amendementen die nog geen appreciatie hebben gehad. Dat gaan we allemaal nog schriftelijk krijgen. Ik denk dat de griffier met de staf van de staatssecretaris zal zoeken naar een geëigend tijdstip om op korte termijn die tweede termijn van de zijde van de regering te laten plaatsvinden.

Ik zie dat de staatssecretaris de behoefte heeft om nog een opmerking te maken.

Staatssecretaris Heijnen:

Dank, voorzitter, en dank voor die mogelijkheid. Dank ook aan de Kamerleden voor hun vragen in het debat. Ik hoop dat ik die tweede termijn nog zelf mag voeren, want dat zou ik wel heel fijn vinden. Ik heb het even met mijn mensen afgestemd en we gaan uiterlijk woensdag alle openstaande vragen beantwoorden en de moties en amendementen appreciëren. Dan zal ik mijn staf vragen om contact te zoeken met de griffie om een datum af te spreken, wellicht ergens na volgende week en de week daarna, als dat past.

De voorzitter:

Ja hoor. Ik denk ook dat … Nou, daar ga ik eigenlijk niet over, maar als er een akkoord ligt, duurt het nog wel even voordat de formatie is afgerond en de bewindslieden zijn gevonden. Tenminste, dat is de ervaring uit het verleden. Ik denk dus dat er echt nog wel een moment te vinden is waarop dit debat met deze staatssecretaris kan worden afgerond.

Ik dank iedereen, ook de mensen die dit hebben gevolgd, hier op de publieke tribune of digitaal. Ik wens u een goed avondmaal.

Ik schors de vergadering, want we zien elkaar nog terug op een ander moment.

Sluiting