[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2025-11-26. Laatste update: 2025-11-26 21:43
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

18e vergadering, woensdag 26 november 2025

Opening

Voorzitter: Van der Lee

Aanwezig zijn 132 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van den Berg, Van Berkel, Bevers, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Boswijk, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Van der Burg, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Erkens, Faber, Grinwis, De Groot, Hamstra, Heinen, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jetten, Jumelet, Kathmann, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Mulder, Mutluer, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders en Zwinkels,

en de heer Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de heer Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de heer Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van woensdag 26 november 2025.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Termijn inbreng

De voorzitter:

We zijn toe aan een tweeminutendebat over de Regeling ambulancezorgvoorzieningen in verband met de uitoefening van de meldkamerfunctie. Dat gaan we voeren met de minister van VWS, die ik van harte welkom heet. Ik geloof dat de heer Bushoff al gelijk een punt van orde heeft.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een korte vraag, voorzitter. Als de overige leden dat toestaan, zou ik willen verzoeken om te mogen deelnemen aan dit tweeminutendebat. Dat is met een spreektijd van nul minuten, maar afhankelijk van de inbreng van de heer Claassen zou ik eventueel in de gelegenheid willen zijn om een moeilijke vraag te stellen. Misschien doe ik dat niet, maar ik zou de mogelijkheid daartoe graag openhouden.

De voorzitter:

Is daar bezwaar tegen? Nee? Dan geef ik het woord aan de eerste spreker, de heer Claassen. Hij voert het woord namens de fractie van de PVV. Ga uw gang.

De heer Claassen (PVV):

Voorzitter. De minister is van plan om de bemensing van de alarmcentrales van de ambulancezorg anders in te richten omdat er een arbeidstekort is. Wat onze fractie betreft zal het effect nu zijn dat de kwaliteit van de zorg zal gaan afnemen, want alle seinen vanuit het werkveld, van de mensen die wij daar spreken — dat zijn niet alleen de centralisten, maar ook de ambulanceverpleegkundigen — staan op rood. Als je namelijk kijkt naar de inrichting, dan zie je dat die gaat leiden tot functiedifferentiatie. Er zijn grote zorgen. Er zijn grote zorgen dat de verdere protocollering van het vak van centralist onderschat wordt. De minister lijkt ongevoelig te zijn voor alle argumenten van het beroepenveld. Wij durven dit experiment niet aan. Daarom hebben we de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de wijziging van de Regeling ambulancezorgvoorzieningen in verband met de uitoefening van de meldkamerfunctie grote negatieve gevolgen kan hebben voor zorgvragers, zorgverleners alsmede de beschikbaarheid van zorg en daarmee het maatschappelijk belang;

overwegende dat per 1 januari 2027 de Wet BIG wordt aangepast en de medisch hulpverlener acute zorg, de MHAZ, hiermee een BIG-registratie krijgt waardoor er meer personeel beschikbaar zal kunnen zijn om binnen de huidige kaders zelfstandig alle functies op de meldkamer te kunnen beoefenen, en de effecten daarvan eerst geëvalueerd moeten worden;

verzoekt de regering om de invoering van de wijziging van de Regeling ambulancezorgvoorzieningen in verband met de uitoefening van de meldkamerfunctie tot 1 januari 2027 uit te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Ten Hove.

Zij krijgt nr. 42 (35471).

De heer Claassen (PVV):

Deze motie is ingediend door mijzelf en door mijn nieuwe collega, Tamara ten Hove. Zij is net nieuw in de Kamer en ik ben heel trots op haar.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. U krijgt nog een vraag van de heer Bevers.

De heer Bevers (VVD):

Ik heb toch een vraag. De heer Claassen zegt: de mensen die wij spreken, zeggen dat alle seinen op rood staan. Dat is natuurlijk in tegenstelling tot het bericht dat wij afgelopen week hebben gekregen van Ambulancezorg Nederland en van onder andere V&VN Ambulancezorg. Ik zou toch op z'n minst iets van duiding willen hebben over hoe hij die tegengestelde berichten afweegt. Uw motie gaat namelijk over uitstel, terwijl Ambulancezorg Nederland heel duidelijk zegt dat het veilig en noodzakelijk is.

De heer Claassen (PVV):

Dat is het verschil. Wij gaan op werkbezoek bij de centralisten. Wij spreken de mensen die op de ambulance rijden. Dat staat blijkbaar in schril contrast met wat de managers zeggen, die blijkbaar vertegenwoordigd worden door de mensen die de VVD spreekt. Wij staan niet voor het afbreken van de zorg en de kwaliteit daarvan. Daarom maken wij ons hier hard voor. Dat is het grote verschil. Daar komt het verschil vandaan. Wij praten met de mensen die moeten uitvoeren en de heer Bevers praat met de mensen die het denken te moeten managen.

De heer Bevers (VVD):

Kort, en dan zal ik erover ophouden. Het gaat er niet over dat wij met managers spreken — leuk geprobeerd, meneer Claassen — het gaat over een brief die de Tweede Kamer in de afgelopen weken heeft gekregen. Die kat zou ik dus even terug in de zak stoppen.

De heer Claassen (PVV):

Nee, die kat blijft er wat mij betreft uit. Er is echt een groot verschil tussen naar het werkveld gaan ... Ik heb daar zelf gewerkt en een collega heeft daar gewerkt. We kennen de mensen, we spreken met de mensen in het veld. Volgens mij is het doel van volksvertegenwoordigers ook om daarnaar goed te luisteren. Daarom sta ik hier.

De voorzitter:

Nogmaals dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Bevers. Nee? O nee, "0 minuten" zie ik staan. Als ik mijn bril niet op heb, zie ik het cijfertje niet. We gaan even vijf minuten schorsen. Daarna krijgen we antwoord van de minister van VWS en een appreciatie van de ingediende motie. We zijn even geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat over de Regeling ambulancezorgvoorzieningen. Ik geef het woord aan de minister van VWS.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. De regionale ambulancediensten zijn continu bezig met doorontwikkeling en dat geldt ook voor de meldkamerzorg, waar we vandaag over spreken. De meldkamer moet het hoofd bieden aan twee ontwikkelingen: enerzijds de groeiende zorgvraag en anderzijds een stijgend tekort aan verpleegkundigen. Het is natuurlijk absoluut onwenselijk dat er wachttijden optreden op de meldkamer. De zorg op de meldkamer moet daarom steeds slimmer worden ingericht. Door de huidige wijziging kunnen meer verschillende professionals dan alleen verpleegkundigen ingezet worden op de meldkamerambulancezorg.

Dat heeft twee positieve ontwikkelingen tot gevolg. Er kan uit een grotere groep worden geworven om vacatures te vullen. Daardoor blijft de bezetting beter op orde en daarmee ook de werkdruk. Ten tweede ontstaat de mogelijkheid om verschillende functies te ontwikkelen binnen het aannameproces en zo ontstaat er meer ruimte voor aanvullende triage, waarmee onnodige ambulanceritten kunnen worden voorkomen. De verpleegkundige expertise komt daardoor juist beter tot haar recht.

Bovendien heeft de ambulancesector samen met alle relevante partijen recent een kwaliteitskader vastgesteld, waarin voor elke taak op de meldkamer ambulancezorg de minimale eisen worden omschreven die gesteld worden aan de deskundigheid en de opleiding van de ambulancezorgprofessionals. Zij moeten daar dus allemaal aan voldoen en ook blijven voldoen. Voor alle centralisten geldt dat zij pas starten na een opleidingstraject dat leidt tot de benodigde bevoegdheids- en bekwaamheidseisen zoals gesteld in het kwaliteitskader.

Ook de betrokkenheid van een verpleegkundig centralist als achterwacht is belangrijk. In de nieuwe opzet zullen 112-centralisten bij twijfel of bij een gevoel dat het protocol tekortschiet, altijd terugvallen op een verpleegkundige. Die kan op basis van zijn of haar klinisch inzicht besluiten om bijvoorbeeld de urgentie toch hoger in te schalen. Ook bieden de coördinerend verpleegkundig centralisten coaching en begeleiding, zoals bij het overnemen van complexe casuïstiek. Voor die coördinerende rol geldt dat je BIG-geregistreerd moet zijn en bepaalde certificaten, zogenaamde EPA's, moet behalen om te voldoen aan de sectorale eisen in het kwaliteitskader. Het is goed om te beseffen dat de verpleegkundige van de rijdende dienst ter plaatse pas de diagnose vaststelt. De ambulancezorgprofessional op de meldkamer stelt alleen het toestandsbeeld vast en bepaalt welke inzet daarbij hoort.

Samengevat ben ik ervan overtuigd dat met deze wijziging geen afbreuk wordt gedaan aan de patiëntveiligheid en de kwaliteit van de triage op de meldkamer ambulancezorg. Ik deel met de heer Claassen het belang daarvan.

Voorzitter. Dan ga ik naar de motie van de heer Claassen. Ik zou willen zeggen dat de triage op de meldkamer geen voorbehouden handeling is in de zin van de Wet BIG. Het is dus niet nodig om tot 2027 te wachten totdat de MHAZ, de medisch hulpverlener acute zorg, in de BIG is opgenomen. Regulering op grond van de Wet BIG volgt alleen als het noodzakelijk is om patiënten te beschermen tegen bijvoorbeeld heelkundige handelingen, katheterisatie, defibrillatie of het voorschrijven van geneesmiddelen; dan spreken we van voorbehouden handelingen. Zowel de vereniging voor verpleegkundigen ambulancezorg als de Vereniging voor Medisch Managers Ambulancezorg en de IGJ onderschrijven deze wijziging, ook gelet op het recent verschenen kwaliteitskader met vereisten en waarborgen voor kwaliteit, waar ik het over had. Het is dus, en dat deel ik met de heer Claassen, heel belangrijk dat die kwaliteit gegarandeerd is. Ik zag dat zij uw Kamer hierover gisteren ook een brief hebben gestuurd — ik denk dat de heer Claassen die brief gisteren ook heeft ontvangen — om deze wijziging te ondersteunen. Door de wijziging te beperken tot de BIG-geregistreerden, sluit ik dus onnodig groepen buiten die goed in staat zijn om de triage voor hun rekening te nemen. Bovendien zou een uitbreiding met alleen de medisch hulpverleners acute zorg nauwelijks invloed hebben op het probleem van de arbeidsmarktkrapte.

Voorzitter. Op grond van dit alles moet ik de motie ontraden.

De heer Claassen (PVV):

Dat is geen verrassing. De Wet BIG gaat over voorbehouden handelingen, maar maakt een hulpverlener ook tuchtrechtelijk aansprakelijk. Dat betekent dat er ook kwaliteitseisen aan zitten. Het gaat niet alleen over de handeling, maar ook over het tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn. Ik vind dat toch een belangrijk onderdeel van het inzetten van mensen op een centrale. Wat gebeurt er, vraag ik de minister, als er niet één acute situatie is waar die coördinerende verpleegkundige op moet toezien, maar meerdere? Hij kan zich niet opsplitsen om in zeer acute gevallen, waarin binnen 30 seconden tot een minuut beslist moet worden, te beslissen of het een A1-rit of een A2-rit wordt of hoeveel auto's er moeten gaan; bij een reanimatie gaan er twee auto's. Als er meerdere acute situaties zijn, wat bijna regulier is, hoe gaat hij dat dan oplossen? Als die functiedifferentiatie er is, is er maar één volledig gecertificeerd hulpverlener en moeten de anderen maar kijken hoe zij daarbij begeleid worden. Dat is toch te ridicuul voor woorden?

Minister Bruijn:

Ik begrijp de vraag over de situatie die de heer Claassen schetst, maar je moet het natuurlijk vergelijken met de situatie zoals die nu is. Er zijn nu personeelstekorten. In de huidige situatie waarin zich in de meldkamer twee acute zorgvragen tegelijkertijd voordoen, is er één BIG-geregistreerde die die twee casus tegelijkertijd moet behandelen. In de nieuwe situatie is er één niet-BIG-geregistreerde, die natuurlijk wel onder kwaliteitscontroles staat en ook aan alle eisen moet voldoen zoals we die besproken hebben, die de zaak kan beantwoorden. Daarnaast is er dan een verpleegkundige die daarop toeziet en die coacht. De verpleegkundige kan in dit voorbeeld dan de tweede vraag beantwoorden. Als ik me strikt beperk tot de situatie die de heer Claassen schetst, dan gaan we er dus op vóóruit. In de nieuwe situatie zijn er namelijk twee mensen die de zaak kunnen beantwoorden en die aan kwaliteitskaders voldoen. In de oorspronkelijke situatie was er één persoon die dat kon.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Claassen.

De heer Claassen (PVV):

Ja, afrondend. In de motie staat "overwegende te komen tot een evaluatie". Zou de minister mij kunnen toezeggen dat er daadwerkelijk een evaluatie gaat plaatsvinden, laten we zeggen over twee jaar, en dat hij aan ons rapporteert wat de gevolgen zijn van de invoering van deze wijziging?

Minister Bruijn:

Dat zeg ik graag toe.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

We gaan op dinsdag 2 december aanstaande stemmen over de ingediende motie. We schorsen een ogenblik, want ik zie nog niet alle woordvoerders voor het volgende tweeminutendebat. Dat is trouwens ook met de minister van VWS, dus hij kan gewoon blijven zitten. We schorsen een ogenblik.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het volgende tweeminutendebat, over acute zorg. Zoals ik net al zei, is dit wederom met de minister van VWS.

Als eerste wil ik graag het woord geven aan mevrouw Van der Plas namens BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Goedemorgen, allemaal. Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de zorgsector kampt met een afnemende beroepsbevolking en tegelijkertijd steeds hogere eisen aan zorgpersoneel worden gesteld;

overwegende dat deze combinatie leidt tot toenemende werkdruk, stress en risico op uitval, zoals blijkt uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en TNO;

verzoekt de regering in kaart te brengen welke extra eisen en taken de afgelopen tien jaar aan zorgpersoneel zijn toegevoegd en welke beleidsregels en bekostigingssystemen hebben bijgedragen aan de huidige personeelstekorten;

verzoekt de regering de Kamer hierover uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 te informeren, inclusief voorstellen om deze druk structureel te verlagen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 470 (29247).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de acutezorgketen, inclusief spoedeisendehulpafdelingen, acute verloskunde en intensivecareafdelingen, onder druk staat door vergrijzing, stijgende zorgvraag en personeelstekorten;

overwegende dat het huidige stelsel van prestatiebekostiging perverse prikkels bevat die leiden tot overbehandelingen en centralisatie;

verzoekt de regering hoe dan ook budgetbekostiging in te voeren voor de spoedeisende hulp, acute verloskunde en intensive care,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 471 (29247).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat was 'm. Welkom aan de scholieren op de tribune. Mooi dat jullie er zijn!

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

En natuurlijk ook welkom aan de andere mensen!

De voorzitter:

Nogmaals dank. Mevrouw Dobbe gaat nu spreken. Dat doet zij namens de Socialistische Partij. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel. Ook goedemorgen aan iedereen, overal.

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er momenteel wordt gesproken over het concentreren van de 24 uurszorg van het Spaarne Gasthuis in Haarlem-Zuid of Hoofddorp;

constaterende dat er daarnaast wordt gesproken over het afschalen van de zorg in het ziekenhuis in Haarlem-Noord, ondanks de belangrijke regionale functie daarvan;

overwegende dat het verder uitkleden van ziekenhuizen niet in het belang is van patiënten;

verzoekt de regering om zich ervoor in te zetten om een volwaardig ziekenhuis te behouden in Haarlem en Hoofddorp en de zorg in het ziekenhuis in Haarlem-Noord niet af te schalen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 472 (29247).

Mevrouw Dobbe (SP):

En de tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is om per 1 januari 2027 budgetbekostiging in te voeren in de acute zorg, waarbij parallel een groeipad wordt uitgewerkt voor een optimale bekostiging, bestaande uit een differentiatie aan acute zorg en een toekomstbestendig normenkader;

overwegende dat een concrete en spoedige uitwerking en uitvoering van dit groeipad essentieel is om de invoering van budgetbekostiging in de acute zorg te laten slagen;

overwegende dat de minister voornemens is de Kamer hierover in Q1 2026 nader te informeren, maar dat een concreet plan ontbreekt;

verzoekt de regering om een concreet plan te maken voor de uitwerking en uitvoering van het groeipad voor de acute zorg, waarin per onderdeel tijdlijnen en deadlines worden vastgesteld, en de Kamer hierover in Q1 2026 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Krul.

Zij krijgt nr. 473 (29247).

Mevrouw Dobbe (SP):

Deze motie roept op om concreet te worden.

De voorzitter:

De heer Claassen heeft een interruptie over de tweede motie, denk ik. O, toch over de eerste motie? Gaat uw gang.

De heer Claassen (PVV):

Het gaat over de eerste motie. Ik krijg een beetje Groundhog Day-gevoelens bij die motie, want we hebben een soortgelijk verhaal gezien bij het Zuyderland. Wat gaat er nu anders, volgens de SP, dan wat er bij het Zuyderland is gebeurd? Het verzoek dat u doet in deze motie, hebben we tweeënhalf jaar geleden ook gedaan bij het Zuyderland. Ik vraag aan de SP: wat gaat u nu anders doen om te voorkomen dat we in een soortgelijke situatie terechtkomen als bij het Zuyderland?

Mevrouw Dobbe (SP):

Nou, de heer Claassen vraagt aan de SP wat wij anders gaan doen. Wij hebben altijd gepleit voor het volwaardig openhouden van het Zuyderland. In tegenstelling tot de heer Claassen zaten wij niet voor een deel van de afgelopen periode in het kabinet. Wij gaan niet zo veel anders doen. Wij blijven doordrukken dat het ziekenhuis volwaardig behouden blijft, zowel in Haarlem als in Heerlen. De heer Claassen was mij net voor, want ik heb hier een hele stapel moties meegenomen over het Zuyderlandziekenhuis, die niet zijn uitgevoerd. Dat zijn moties die onder andere ingediend zijn door de heer Claassen, weet ik, omdat hij ook opkomt voor behoud van een volwaardig ziekenhuis als het Zuyderland. Ik wilde de minister vragen: wat is er gebeurd met al deze moties? Welke inzet is er daadwerkelijk geweest? Waarom worden deze moties, die zijn aangenomen, keer op keer op keer op keer niet uitgevoerd?

De heer Claassen (PVV):

Tot slot, voorzitter. Ik ben een medestander van mevrouw Dobbe en dat weet mevrouw Dobbe. Daarom de vraag … Laat ik het anders zeggen: wat gaan we beiden dan anders doen? Wat is het achterliggende plan om het anders te gaan doen dan de vorige keer? Als we hetzelfde doen als wat we deden, krijgen we hetzelfde als wat we nu hebben. Wat gaan wij beiden nu anders doen?

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik denk dat het voor ons als Kamer belangrijk is om niet te accepteren dat moties niet worden uitgevoerd. Daarom vraag ik ook aan deze minister waarom deze moties niet zijn uitgevoerd. Volgens mij moeten wij samen optrekken om ervoor te zorgen dat als deze Kamer besluit om iets te willen en iets te doen, en aan het kabinet vraagt om iets te gaan doen, dat het ook daadwerkelijk gebeurt. Dat is bij het Zuyderland tot nu toe nog niet gebeurd. Dat mogen wij niet accepteren. Daar moeten wij op blijven aandringen. Daarom heb ik een hele concrete vraag: wat heeft de minister gedaan met al deze moties? Ik kan ze allemaal opnoemen, maar daar heb ik de tijd niet voor. U kunt ze echter wel allemaal nazoeken, want alle moties die zijn aangenomen over het Zuyderland pleiten voor inzet om het te behouden, inzet om het volwaardig te behouden en ervoor te zorgen dat het gewoon gebeurt. Dat is allemaal niet gebeurd en dat is heel kwalijk. Wij, als Tweede Kamer, mogen dat niet accepteren; dat ben ik helemaal met de heer Claassen eens.

De voorzitter:

Dank u voor uw inbreng.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan heb ik nog één vraag. De vorige keer in dit debat heb ik gevraagd, en heb ik een toezegging gekregen van deze minister, of er in ieder geval per afdeling van het Zuyderlandziekenhuis inzicht zou kunnen komen in waar de tekorten zitten, ook in de opleiding per afdeling. Die toezegging hebben wij gekregen, maar dat hebben wij, net zoals de uitvoering van deze motie, nog niet gezien. Ik wil dus vragen: wanneer wordt deze toezegging uitgevoerd?

Dank u wel.

De voorzitter:

Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Claassen. Hij voert het woord namens de PVV-fractie. Ga uw gang.

De heer Claassen (PVV):

Ik heb twee moties. Eentje gaat toch weer over de ambulancezorg, maar op een andere manier.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat nog niet iedere Advanced Life Support-ambulance in Nederland over de apparatuur beschikt om ter plaatse cardiale enzymen, de zogenaamde troponines, te kunnen bepalen;

overwegende dat patiënten hierdoor vervoerd worden naar het ziekenhuis en hun eigen risico daardoor direct kwijt zijn;

overwegende dat het bepalen van cardiale enzymen door de ambulancedienst vele ritten naar het ziekenhuis en opnames op de Eerste Hart Hulp voorkomt en dit daardoor de beschikbaarheid van zorg ten goede komt;

verzoekt de regering te bewerkstelligen dat elke Advanced Life Support-ambulance in Nederland wordt uitgerust om zelfstandig cardiale enzymen te kunnen testen en dat deze handeling standaard wordt opgenomen in de protocollen van Ambulancezorg Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Ten Hove.

Zij krijgt nr. 474 (29247).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het groeipad voor de invoering van budgetfinanciering nog niet concreet is;

overwegende dat voorkomen moet worden dat budgetfinanciering voor alle SEH's niet geregeld is voor de deadline in juli, waardoor men in 2028 niets aan de herverdeling heeft;

overwegende dat budgetfinanciering zou moeten leiden tot kostenreductie acute zorg voor regionale ziekenhuislocaties;

verzoekt de regering om voor de Voorjaarsnota 2026 een concreet en volledig overzichtelijk groeipad voor de invoering van budgetfinanciering voor alle SEH's met de Kamer te delen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 475 (29247).

Hartelijk dank voor uw inbreng. We gaan nu luisteren naar de heer Bushoff van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ga uw gang.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb één vraag en één motie. Ik begin met de motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voorkomen beter is dan genezen voor patiënten, de druk op de acute zorg en de kosten;

overwegende dat ongewenste prikkels voor ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra er juist voor zorgen dat de zorgvraag en -kosten stijgen, zoals vergoeden per verrichte behandeling, waardoor het aantrekkelijker is een patiënt te opereren dan diegene bijvoorbeeld naar de fysiotherapeut te sturen;

overwegende dat het veranderen van dergelijke ongewenste financiële prikkels en preventieve maatregelen zoals proactieve zorgplanning bij patiënten in de laatste levensfase kunnen bijdragen aan het beheersbaar houden van de (acute) zorgvraag en de kosten en doorgaans prettiger zijn voor patiënten;

verzoekt de regering een verkenning uit te voeren naar hoe het verminderen van ongewenste prikkels enerzijds en een verhoogde inzet van proactieve zorgplanning en preventie anderzijds kunnen bijdragen aan het verlagen van het aantal niet-noodzakelijke operaties en ziekenhuisbezoeken, en opties hiervoor aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.

Zij krijgt nr. 476 (29247).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Deze motie heeft dus als doel om ervoor te zorgen dat er minder mensen onnodig in het ziekenhuis terechtkomen. Dat is echt prettig voor mensen zelf, dat is goed om de druk op de acute zorg te verlichten en dat is ook echt heel erg belangrijk voor het beheersbaar houden van de kosten. Vandaar deze motie, om toch te kijken of we hier in ieder geval de komende jaren een stap in kunnen zetten. Dit zou een voorbereidende stap kunnen zijn. In dit licht zou de minister deze motie ook kunnen zien.

Tot slot nog één vraag. Die gaat over concentratie in verhouding tot het in de regio beschikbaar houden van acute zorg. Er worden nu voorbereidingen getroffen voor de eerste tranche van de concentratie van zorg middels volumenormen. Daarover leven best wel veel zorgen, met name in dunner bevolkte regio's. Ik wil de minister daarom ten eerste vragen of hij deze zorgen herkent en ten tweede of hij de opvatting van GroenLinks-PvdA deelt dat als je concentreert, dit altijd hand in hand moet gaan met goede randvoorwaarden voor de spreiding van acute zorg.

Tot zover.

De voorzitter:

Hartelijk dank. Tot slot in de termijn van de Kamer geef ik het woord aan de heer Bevers. Hij voert het woord namens de VVD-fractie. Gaat uw gang.

De heer Bevers (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Geen moties vanuit de VVD, maar wel een paar korte opmerkingen. Ik heb in het debat Acute zorg aangekondigd met, helaas inmiddels voormalig, collega Joseph een aantal zaken rond de mmt's in Oost-Nederland en Zuid-Nederland te gaan proberen te regelen. We hebben daarvoor voor de verkiezingen nog een amendement ingediend. Dat proces loopt. We proberen dat nog wat te verfijnen in overleg met de minister.

Wat betreft de budgetbekostiging ben ik in het debat helder geweest: de VVD is geen voorstander van invoering daarvan. We hebben echter daarover een afspraak gemaakt en we zullen ons daaraan houden. Ik heb toezeggingen van deze minister gekregen over de monitoring en de verslagen over de invoering daarvan en de effecten daarvan.

Voorzitter. Gezien het advies van de NZa om de budgetbekostiging voor de acute verloskunde niet in te voeren, zullen we daar ongetwijfeld binnenkort opnieuw over spreken met elkaar.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Een ogenblik, meneer Bevers. Wilt u nog even blijven staan, want u krijgt nog interrupties. Als eerste is er een interruptie van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Toch even over die budgetbekostiging. Het kan natuurlijk heel goed dat daar verschillende gevoelens over leven in de Kamer, maar ik heb toch de volgende vraag. Er zijn heel veel mensen, met name uit de dunner bevolkte regio's — ik denk bijvoorbeeld alleen al aan de provincie Friesland, die de heer Bevers goed bekend is — zoals bestuurders van regionale ziekenhuizen en bestuurders van gemeenten, maar ook de zorgverleners en de mensen die daar wonen, die zeggen: help ons nou om de zorg in de regio overeind te houden. Budgetbekostiging zou daar echt een bijdrage aan kunnen leveren. Hoe reageert de heer Bevers in de richting van al deze mensen, ook in de richting van de mensen in zijn eigen provincie?

De heer Bevers (VVD):

Ik ben daar steeds heel duidelijk over geweest. Ik ben het zeker met u eens dat we ervoor moeten zorgen dat zorg dichtbij goed en op een verantwoorde manier geregeld wordt. Dat kan ook in de acute zorg in een aantal tussenvormen, anders dan spoedeisende hulp financieren via de budgetbekostiging. Ik weet van de situatie — u kent die ook — dat de fusieplannen vanuit Leeuwarden, Heerenveen, Sneek en Joure afgeketst zijn omdat er toch getracht wordt ook daar een eigen spoedeisende hulp open te houden. Laat ik heel helder zijn: de VVD is er gewoon niet van overtuigd dat de grote problemen in de spoedeisende zorg, die met name zitten in het oplossen van de personeelsproblemen, de beschikbaarheid van personeel, worden opgelost door budgetbekostiging. Daarom zeggen wij: ja, zoek naar goede vormen, maar ga daar niet geforceerd op deze manier mee om. Ik heb ook gezegd dat wij ons aan de afspraak houden, dus daar kan u wel van uit blijven gaan. Maar het is heel helder: zorg dichtbij moet goed geregeld worden. We kunnen ook werken met spoedklinieken. Ik ben in Hoogeveen geweest, waar ze dat op die manier hebben opgelost. Er zijn dus wel degelijk mogelijkheden. Drenthe is een goed voorbeeld: daar kan het wel zonder coûte que coûte de spoedeisende hulp open te houden.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Afrondend. Ik denk dat iedereen in deze Kamer zegt: personeelstekorten in de zorg moet je ook aanpakken, wil je inderdaad de zorg beschikbaar houden, juist ook in de regio. Ik denk dat iedereen het daarover eens is. Maar de vraag is: is het of-of of is het en-en? Moet je ook wat doen aan de bekostiging van de acute zorg, zoals bepleit wordt door met name al die mensen die in die regionale ziekenhuizen werken en door de bestuurders die daarmee te maken hebben et cetera? Ik krijg gewoon niet helder van de VVD wat zij tegen die mensen zegt. Waarom zou het niet het verhaal van en-en zijn?

De heer Bevers (VVD):

Het verhaal is uiteindelijk en-en. Daarom hebben wij ook gezegd dat wij ons aan de afspraak houden. Maar laat het helder zijn: je spreekt in de volle breedte over dit probleem. Wij hebben daar zowel bij topklinische als bij regionale ziekenhuizen en ook bij umc's over gesproken. Je ziet dat er verdeeld wordt gedacht over het idee dat budgetbekostiging de oplossing zou zijn voor de problemen voor het openhouden van een spoedeisende hulp. Wij denken dat het echt niet de oplossing is.

Mevrouw Dobbe (SP):

Die budgetbekostiging moet er natuurlijk gewoon komen, want dat is iets wat de Kamer heeft besloten en wil, net zoals het openhouden van het Zuyderlandziekenhuis en andere ziekenhuizen in de regio. Maar dus ook het Zuyderlandziekenhuis. Ik had net een hele stapel met moties bij me die zijn aangenomen in de Tweede Kamer, om een volwaardig ziekenhuis in Heerlen, het Zuyderlandziekenhuis, te behouden. Die moties worden gewoon niet uitgevoerd. Dat is natuurlijk niet uit te leggen aan de mensen in Heerlen en omgeving. Ik vroeg mij af: wat vindt de heer Bevers er nu van dat die moties van de Tweede Kamer niet worden uitgevoerd?

De heer Bevers (VVD):

Daar kan ik een heel formeel antwoord op geven, maar ik zal er iets nader op ingaan. Bij de moties die wij hier indienen is altijd de vraag: gaan wij erover? Hebben wij er iets over te zeggen? Dat is toch een lastige vraag. Wij kunnen de minister een opdracht geven, maar de conclusie van de minister kan wel zijn dat de motie zoals de Kamer die heeft ingediend, niet of moeilijk uitvoerbaar is of dat hij daarbij op problemen stuit. Dat is een vraag die u bij de minister neer moet leggen: waarom is dat zo? Natuurlijk moet een motie in principe uitgevoerd worden — we hebben straks nog een ander tweeminutendebat; daar komt dat ook aan de orde — tenzij het kabinet of de minister constateert dat niet waar te kunnen maken. Dat is nu eenmaal zoals we het afgesproken hebben in dit huis. Ik geef terug aan mevrouw Dobbe, maar ook aan anderen die in dit verband spreken over de wens dat een ziekenhuis opengehouden wordt: er zijn een aantal omstandigheden, een aantal factoren, waar wij gewoon niet altijd invloed op hebben. Ik denk dat we daar ook eerlijk over moeten zijn.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik denk dat het heel belangrijk is wat de heer Bevers zegt: als het niet uitgevoerd kan worden. Deze moties waren namelijk niet onuitvoerbaar verklaard. Die zijn ook niet onuitvoerbaar. Ze zijn prima uitvoerbaar. Er is hier dus een verschil tussen kunnen en willen. Er is een verschil tussen een volwaardig ziekenhuis, het Zuyderlandziekenhuis, open kúnnen houden ... Dat kan natuurlijk gewoon, als je dat wil. Maar dit kabinet, deze minister en de vorige bewindspersonen wilden dat niet. Daarom zitten wij nu met de situatie dat wat de Tweede Kamer wil, namelijk een volwaardig Zuyderlandziekenhuis, niet wordt uitgevoerd op dit moment. Wat vindt de heer Bevers nu van dat verschil tussen kunnen en willen? Het is hier namelijk heel duidelijk politieke onwil, wat niet uit te leggen is aan de mensen in Heerlen.

De heer Bevers (VVD):

Mevrouw Dobbe maakt nu echt een karikatuur van de mogelijkheden die een kabinet heeft om in individuele besluiten in een regio over een ziekenhuis te treden. U weet dat net zo goed, en daar is ook door de vorige ministers al over gecommuniceerd. Ik verwacht dat deze minister ook een antwoord op uw vragen zal geven. Maar laat heel helder zijn: er is heel duidelijk gezegd dat het geen kwestie van willen is. Er is van alles aan gedaan. Ook voormalig minister Agema heeft alles op alles gezet om dat gesprek in Limburg te voeren. Zij heeft daar moeite voor gedaan, maar heeft ook moeten constateren: uiteindelijk kan de minister daar geen aanwijzing voor geven. Het is dus geen kwestie van willen. Soms kunnen dingen niet. Ik ben het met u eens: dan zal de minister moeten aangeven dat hij het bij nader inzien toch niet kan uitvoeren. Dan is het ook helder. Maar we moeten daar wel eerlijk over zijn.

De heer Claassen (PVV):

Ik heb nog een vraag over de budgetfinanciering. Ik vroeg me af: als de heer Bevers straks met mevrouw Yeşilgöz naar de formatietafel loopt, blijft hij dan net als nu een fervent voorvechter van budgetfinanciering? Of wordt het meteen van tafel gekiept bij het eerste regeringsmoment?

De heer Bevers (VVD):

Dat is niet aan mij. Deze minister zal antwoord gaan geven op alle vragen die gesteld zijn over de afspraken die wij, hoe klein onze coalitie ook is — ik kijk even naar collega Van der Plas — op dit moment met elkaar gemaakt hebben en die het kabinet uitvoert. Ik ken de geheimen van de formatietafel ook niet, dus dat moeten we maar gewoon afwachten.

De voorzitter:

Dank voor uw inbreng. Dit was ook de termijn van de Kamer. We gaan nu tien minuten schorsen en dan krijgen we het antwoord van de minister en een appreciatie van de zeven ingediende moties.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Acute zorg. Ik geef het woord aan de minister van VWS.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Ik ga eerst naar de moties en kom dan bij een aantal vragen.

De motie op stuk nr. 470 van mevrouw Van der Plas van de BBB moet ik ontraden. Ik vind het goed om te kijken welke administratieve lasten professionals tot last zijn. Daar heb ik ook al een start mee gemaakt. Daar kan ik mevrouw Van der Plas zeker ook in tegemoetkomen. In juni 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de veldbevraging. Daarbij is aan zorgprofessionals gevraagd welke administratie volgens hen zou overblijven als ze maximaal 20% van hun tijd aan administratie zouden mogen besteden. Wij zetten hier dus vol op in. Dat was in de wijkverpleging, ggz en huisartsenzorg. Vervolgens heb ik het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord op mijn tweede werkdag als minister mogen tekenen, met alle veldpartijen. Daar hebben we twee hoofddoelen vastgesteld met elkaar: het afwenden van het arbeidsmarkttekort en het terugdringen van wachttijden. In het kader van het afwenden van het arbeidsmarkttekort is de afspraak gemaakt om die afspraak te verbreden naar de overige zorgsectoren. De aanbesteding van dat onderzoek is al in gang gezet. Als onderdeel van het AZWA zijn we ook bezig met het verlagen van de administratieve druk. Ik kan wel toezeggen dat ik de Tweede Kamer zal informeren over de uitkomsten van die tweede ronde van de veldbevraging, wanneer die afgerond is. Het onderzoek zelf is dus niet wenselijk. In die zin moet ik de motie ontraden. Maar ik zeg dus toe dat ik uw Kamer zal informeren over de uitkomsten van die tweede ronde.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik vraag me af waarom zo'n onderzoek waar ik naar vraag in de motie niet wenselijk is. We zien wel in de opleidingen dat heel veel mensen echt wel in de zorg willen werken. Als ze eenmaal in de zorg werken, is de enorme regeldruk die zorgpersoneel ervaart echter vaak een reden om ermee te stoppen. Zo'n onderzoek kan ons als Kamer natuurlijk ook echt inzicht geven in welke regels er allemaal bij zijn gekomen en kan er ook toe leiden dat de Kamer misschien zelf met voorstellen komt. Maar dan moeten we wel echt goed inzicht hebben in wat erbij is gekomen en wat het gevolg daarvan is geweest. Dan kunnen wij als Kamer ook zelf kijken met welke voorstellen wij eventueel zelf komen.

Minister Bruijn:

Dat begrijp ik, maar daar staat tegenover dat er in 2025 een veldbevraging is geweest. Dus we hebben aan de professionals gevraagd van welke administratieve lasten zij nu eigenlijk het meeste last hebben. Dat lijkt me ook de belangrijkste vraag. En we hebben gevraagd wat er volgens hen zou overblijven als maximaal 20% van hun tijd aan administratie besteed zou mogen worden. Mijn voorstel is dat we dat eerst uitwerken, zoals in het AZWA met alle veldpartijen is afgesproken, dat we dat ook echt doen, en dat ik de Kamer daarvan op de hoogte stel, voordat we nog veel breder onderzoek gaan doen, wat alleen maar weer meer tijd zal kosten. Maar ik begrijp de oproep van mevrouw Van der Plas wel.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Wanneer kunnen we dat verwachten?

Minister Bruijn:

Ik zal u daarvan op de hoogte stellen zodra die tweede veldbevraging afgerond is. Ik kan op dit moment niet goed overzien wanneer dat is, maar ik streef er zeker naar om dat in de eerste helft van 2026 af te ronden.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 471 van mevrouw Van der Plas van de fractie van de BBB, over het invoeren van budgetbekostiging voor de SEH, acute verloskunde en ic. De budgetbekostiging voor de spoedeisende hulp ga ik per 1 januari 2027 invoeren. Dat besluit heb ik al genomen. Ik beraad mij nog op de adviezen van de NZa over de acute verloskunde en de intensive care. Voor het kerstreces ontvangt uw Kamer mijn appreciatie van die adviezen. Het eerste advies heb ik al aan de Kamer ter hand gesteld. Die appreciatie volgt. Het tweede advies over de ic komt eraan. Dus ik wil er op dit moment niet op vooruitlopen, maar ik kan wel toezeggen dat ik voor het kerstreces de Kamer mijn appreciaties van die twee adviezen, dus over de acute verloskunde en de intensive care, zal doen toekomen.

De voorzitter:

Wat is uw oordeel over de motie?

Minister Bruijn:

Daarmee moet ik de motie ontraden, want ik kan op dit moment nog niet besluiten om hoe dan ook de budgetbekostiging voor de acute verloskunde en de intensive care in te voeren. Dat kan wel voor de spoedeisende hulp, want dat besluit heb ik al genomen.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Bruijn:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 472 van de SP, van mevrouw Dobbe, over het Spaarneziekenhuis. Het Spaarneziekenhuis, het Spaarne Gasthuis moet ik eigenlijk zeggen, volgt een zorgvuldig proces om een besluit te nemen over het zorgaanbod in Haarlem en Hoofddorp. Gemeenten, inwoners, medewerkers en ketenpartners zijn daarbij betrokken. Uiteindelijk beslist het ziekenhuis zelf waar welke zorg wordt aangeboden. De wetgeving geeft het kabinet en de minister niet de bevoegdheid om dat te doen. Ik zeg er meteen bij: dat is maar goed ook, want stel dat ik een opdracht zou geven aan een ziekenhuis die niet uitvoerbaar is wegens bijvoorbeeld een tekort aan personeel of andere tekorten. Uiteindelijk beslist het ziekenhuis dus zelf waar en welke zorg wordt aangeboden, natuurlijk wel in goed overleg met de zorgverzekeraar, die een zorgplicht heeft. Daarbij moet het ziekenhuis zijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit kunnen waarmaken. Ik weet dat het Spaarne de toegankelijkheid van de zorg goed in het oog heeft. Maar op grond hiervan moet ik de motie zoals die luidt ontraden.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik hoor de minister zeggen dat het wettelijk niet kan, en dat dat maar goed ook is. Maar deze minister is toch ook stelselverantwoordelijk. Hoe het stelsel eruitziet is toch een politieke keuze, geen natuurwet. Daar gaan wij dan toch hier met z'n allen over?

Minister Bruijn:

Dat klopt. In deze Kamer is dus ook de keuze gemaakt om niet een wet te maken waarin de bevoegdheid gegeven wordt aan de regering om in te grijpen bij lokale zorginstellingen. Ik zeg er meteen bij: dat vind ik inderdaad een goede zaak, want die verantwoordelijkheid ligt op decentraal niveau. Dat is een keuze van de wetgever. Daar heb ik dus mee te dealen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

Maar even duidelijk gezegd: dan is het dus een keuze van dit kabinet en deze minister om dit niet te doen en hier niet in te grijpen, en is het niet zo dat het niet kan. Dat wil ik hier nog een keer benadrukken. Volgens mij zijn er een heleboel mensen die willen dat een volwaardig ziekenhuis daar behouden blijft, dat sowieso in heel Nederland een volwaardig ziekenhuis dichtbij is. Daar hebben wij ook hier in de Tweede Kamer ons over uitgesproken. Er wordt telkens net gedaan alsof dat niet kan, maar het is een politieke keuze om dat niet te doen. Het is onwil. Dat wil ik even duidelijk benoemd hebben hier.

Minister Bruijn:

De politieke keuze om niet de bevoegdheid aan de regering te geven om in te grijpen, is een keuze van de Kamer. Die gaat uiteindelijk als wetgever over de wetgeving.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Bruijn:

Samen met de Eerste Kamer.

De voorzitter:

Ja, laten we die niet vergeten.

Minister Bruijn:

Laten we die niet vergeten.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 473, van mevrouw Dobbe van de fractie van de SP, over de uitwerking van het groeipad. Die geef ik oordeel Kamer. Ik zal uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026, zoals gevraagd, informeren over de uitwerking en de uitvoering van het groeipad. Daarbij zal ik ook tijdlijnen opnemen voor de uit te voeren acties.

Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 474, van de fractie van de PVV, over de troponinesneltest. Dat is een hele mooie test. De troponinesneltesten zijn een belangrijke ontwikkeling om hartinfarcten thuis al te kunnen herkennen zonder dat een patiënt daarvoor eerst naar het ziekenhuis moet. Het gaat ook om stille infarcten die je op het ecg niet ziet; de heer Claassen weet als vakbroeder precies waar ik het over heb. Met een prik in de vinger wordt er wat bloed afgenomen en het apparaatje kijkt of er een bepaalde stof in zit die bij een hartinfarct vrijkomt. Meerdere ambulancediensten zijn aan de slag gegaan met die sneltest. De resultaten zijn veelbelovend. Het is ook in een studie gevalideerd in Brabant. De sneltest zou in 2026 landelijk worden uitgerold. Dat heeft Ambulancezorg Nederland mij laten weten. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft het al mogelijk gemaakt om de kosten voor die test te declareren. Het is dus niet nodig om hier als wetgever nog op aan te sturen, want een mooie innovatie als deze regelt zichzelf. Maar als ik deze motie zo mag lezen dat wij in ieder geval aan dezelfde kant van het touw trekken, kan ik 'm oordeel Kamer geven.

Voorzitter. Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 475, van de heer Claassen van de PVV, over de uitwerking van het groeipad. Ik kan uw Kamer in het eerste kwartaal van 2026, zoals gevraagd, informeren over de uitwerking en de uitvoering van het groeipad. Ik zal daarbij ook tijdlijnen opnemen voor de uit te voeren acties. Ik kan deze motie dus oordeel Kamer geven.

Voorzitter. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 476, van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord, het AZWA, zijn afspraken gemaakt over proactieve zorgplanning. Er is onder andere afgesproken dat partijen bevorderen dat proactieve zorgplanning structureel wordt ingebed in de reguliere zorgprocessen en de bekostiging. Er is ook concreet gemaakt wie wat gaat doen. Een van die afspraken is dat het Rijk, zorgverzekeraars en het Zorginstituut opschaling, borging en monitoring van proactieve zorgplanning ondersteunen. In de bijlage Werkagenda team Rijksoverheid bij het AZWA is ook aandacht voor financiële prikkels die eraan bijdragen dat het deel van de patiënten dat onnodige zorg krijgt eerder in het sociaal domein of de eerste lijn geholpen kan worden of geen patiënt had hoeven te worden als goed ingezet werd op preventie. Het team overheid monitort de AZWA-afspraken en stuurt bij waar nodig. Kortom, er zijn eigenlijk al heel veel afspraken gemaakt in die richting. In die zin moet ik de motie dus ontraden, maar ik kan wel toezeggen — dat doe ik ook graag — dat ik hier in de eerstvolgende rapportage over het AZWA op in zal gaan en daarbij dus ook de door de heer Bushoff aangestipte punten zal meenemen.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Het is mij natuurlijk om het even of het wordt meegenomen in een rapportage die toch al naar de Kamer komt of dat het apart naar de Kamer wordt gestuurd. Waar het mij om gaat, is dat we als Kamer meer inzicht krijgen in precies de drie dingen die gevraagd worden in de motie, zodat we daar op termijn wellicht ook keuzes in kunnen maken. Beluister ik goed dat de minister zegt: eigenlijk kan alle informatie die gevraagd wordt in de motie de kant van de Kamer op komen en ik doe dat op een nader te bepalen moment waarop ik toch al een rapportage aan de Kamer stuur? Hoor ik de minister dan goed?

Minister Bruijn:

Nou, ik heb gezegd dat alles wat al is afgesproken in het AZWA … Het komt mij voor dat dat eigenlijk wel bijna overlapt met wat de heer Bushoff vraagt in zijn motie. Daar zijn afspraken over. Dat wordt gedaan. Ik monitor dat. Ik zal daar ook over rapporteren. Het lijkt mij het beste om op dat moment te kijken of er misschien nog leemtes zijn in die rapportage en of wij misschien in een volgende rapportage bijvoorbeeld extra punten moeten meenemen.

De voorzitter:

Dank aan de minister. U had nog een antwoord op een enkele vraag.

Minister Bruijn:

Ja, ik had nog twee vragen van mevrouw Dobbe en een vraag van de heer Bushoff. Een vraag van mevrouw Dobbe ging over niet uitgevoerde moties ten aanzien van het Zuyderland. Hier is uitgebreid op ingegaan in meerdere Kamerbrieven, het meest recent in het SO, het schriftelijk overleg, van 30 oktober. De kern is dat de keuzes over de inrichting alleen door het ziekenhuis zelf te maken zijn. Dat is eigenlijk wat we net ook bespraken. Het ziekenhuis draagt de verantwoordelijkheid voor het leveren van veilige zorg. Het heeft ook die taak. Als de Kamer zou verplichten welke afdelingen open moeten zijn, kunnen ziekenhuizen die verantwoordelijkheid niet meer dragen.

Mevrouw Dobbe vroeg ook nog naar het inzicht in het personeelstekort per afdeling in het ziekenhuis. Dat staat opgenomen in de Kamerbrief van 30 oktober met een reactie op de vragen uit het schriftelijk overleg. Het is per afdeling gegeven, dus daar kunnen we misschien nog een keer naar kijken.

De voorzitter:

De heer Claassen, wat sneller.

De heer Claassen (PVV):

Ja, heel snel, voorzitter. Die brief heb ik natuurlijk ook gelezen. We hebben dat debat over arbeidsmarkttekorten ook gevoerd. In de brief ging het vooral over de verpleegkundig-specialistische varianten, over de verpleegkundige specialisten of over de specialistische verpleegkundigen. Maar in mijn vraag — misschien sluit dat aan bij de vraag van mevrouw Dobbe — ging het natuurlijk ook over de initiële opleidingen, de opleiding mbo 4 en hbo niveau 6, hbo-v. Hoe zit het daar met de aantallen en de tekorten? Want dat is de pool waarin gevist moet worden om te komen tot die verpleegkundige specialisten. Dat ontbreekt nog in de brief. Misschien kan de minister toezeggen om daar nog even nader op in te gaan en daar de cijfers over te geven.

Minister Bruijn:

Mevrouw Dobbe vroeg naar de inzichten in de personeelstekorten per afdeling. Dan kom je dus niet per se bij opleidingstrajecten terecht. Maar ik ben van harte bereid om daar nog even naar te kijken.

Mevrouw Dobbe (SP):

Volgens mij werden in de toezegging ook de opleidingen genoemd. Maar goed, het is fijn dat u daarnaar wilt kijken. Dan komt u daar op terug. We hopen dat dit ergens genoteerd wordt als toezegging en dat het binnenkort ook komt. Daar mag de voorzitter zo meteen wat over zeggen.

Ik heb nog wel een vraag over de inzet voor het Zuyderlandziekenhuis. De minister refereert aan verschillende brieven waarin hierop is teruggekomen. Ja, in verschillende brieven is vermeld dat er een gesprek is geweest en dat het niet is gelukt, of dat het kabinet het niet wenselijk vindt. Maar mijn oprechte vraag is: wat is er nou écht gedaan om de mogelijkheden te bekijken om dat ziekenhuis volwaardig open te houden? Een heleboel mensen in Heerlen voelen dat. Welke opties zijn afgewogen? Dan heb ik het ook over de opties die dit kabinet niet als wenselijk ervaart, zoals een wijziging van de wet. Die is door dit kabinet beoordeeld als niet wenselijk, maar het had wel gekund. Hoe is dat afgewogen? Waar kunnen wij dat terugvinden, zodat wij ook echt kunnen zien welke inzet er daadwerkelijk is geweest, los van af en toe een gesprek?

Minister Bruijn:

Dan gaat het, denk ik, vooral ook over de moties waarvan mevrouw Dobbe zei: "Waarom zijn die niet uitgevoerd? Ze zijn namelijk niet benoemd als onuitvoerbaar." Dat is natuurlijk een punt, want daar is een procedure voor. Op 3 juli is er een Kamerbrief gestuurd over de reden waarom vier moties niet naar de letter zijn uitgevoerd. Daar hebben we dus over gecommuniceerd. Drie van de vier zijn wel in de geest van de motie, de bedoeling van de motie, uitgevoerd. Dat zijn de drie moties over geboortezorg die zijn ingebracht in de werkgroep geboortezorg. De motie over een aanwijzing geven aan het Zuyderland is onuitvoerbaar. Die wettelijke bevoegdheid is er niet. Daar hebben we dus wel degelijk over gecommuniceerd op 3 juli. Die stappen zijn gezet, maar nogmaals, we zijn gewoon niet bevoegd om een aanwijzing te geven. Ik zeg er zelfs bij: dat is maar goed ook, want het zou niet werkbaar zijn als de regering per zorgaanbieder gaat bepalen welke zorg daar aangeboden wordt. Dat is aan de decentrale zorgaanbieder, in goed overleg met de zorgverzekeraar, die wel een zorgplicht heeft.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Dobbe.

Mevrouw Dobbe (SP):

In een aantal van die moties wordt ook gevraagd om zich in te zetten. Hoe je je dan inzet, ligt natuurlijk heel erg aan de insteek van het kabinet en aan wat het wel of niet wenselijk acht. Mijn vraag is dus: kunnen we de afwegingen zien die zijn gemaakt om bepaalde inzet niet te plegen? Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan komen met een bepaalde wetswijziging als de minister constateert: "Dat kan niet, want het mag niet van de wet. Daarom kunnen wij niet ingrijpen." Is er dan bijvoorbeeld overwogen om de wet wel of niet aan te passen? Waar kunnen wij die afweging dan terugvinden, zodat wij ook daadwerkelijk weten dat er oprechte, echte, serieuze inzet is geweest?

Minister Bruijn:

Die overweging is er niet geweest, want de wens om die wet te wijzigen hebben wij als regering niet, omdat het onwenselijk zou zijn als vanuit Den Haag bepaald gaat worden welk ziekenhuis welke zorg wel of niet gaat leveren. Dat staat nog los van allerlei andere zorgaanbieders, zoals verpleeghuizen. Dat zou onwerkbaar zijn. Dat vinden wij dus ook niet wenselijk. De neiging om dit met een wetswijziging te regelen is er dus ook niet geweest.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. Nee, we gaan niet …

Mevrouw Dobbe (SP):

Het is dus politieke onwil.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog. Er is nog één vraag.

Minister Bruijn:

Tot slot is er nog een vraag van de heer Bushoff over de eerste tranche van concentratie. Er loopt een zorgvuldig proces met alle zorgpartijen aan de zogenaamde ronde tafel. Ik vind het inderdaad belangrijk — daarover ben ik het eens met de heer Bushoff — dat concentratie van zorg hand in hand gaat met spreiding van zorg. Dat wordt ook breed gedeeld. Via de ronde tafel onder regie van het Zorginstituut wordt de vinger aan de pols gehouden. Als bijsturing nodig is, verloopt dat via die route. Ik kan toezeggen dat ik uw Kamer daarvan op de hoogte houd. We zijn het er namelijk allemaal over eens dat een zorgvuldige balans tussen spreiding en concentratie van zorg in de verschillende lijnen van het zorgstelsel belangrijk is. Dat is op dit moment dus ook onder de aandacht.

De voorzitter:

De heer Bushoff nog.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ja, kort, voorzitter. Erkent de minister dat daar toch wel zorgen over zijn, met name in de regio, waar ze afhankelijk zijn van goede spreiding van acute zorg? Wat kan de minister doen qua extra regie daarop voeren om te voorkomen dat de zorgen van de mensen die daar wonen bewaarheid worden? Is de minister daar eventueel ook toe bereid?

Minister Bruijn:

Er is natuurlijk altijd, en gelukkig, aandacht voor en er zijn soms, helaas, ook zorgen over het zorgaanbod als geheel, het totale zorglandschap. Dat moeten we altijd blijven onderhouden met elkaar. Daarbij heb je ook zeker de belangen van de regio te bewaken. De budgetbekostiging ziet daar bijvoorbeeld ook op; dat is een maatregel die ik genomen heb. Om daar op dit moment de vinger aan de pols te houden, houd ik de rondetafel waar nu onder regie van het Zorginstituut dit onderwerp wordt besproken, in de gaten. Ik zal uw Kamer daarvan op de hoogte stellen. Maar ik denk niet dat ik nu door het beeld moet gaan lopen.

De voorzitter:

Was dat het van de kant van de minister?

Minister Bruijn:

Ja.

De voorzitter:

Dan zijn we aan het einde gekomen van dit debat.

De voorzitter:

We gaan dinsdag 2 december aanstaande stemmen over de ingediende moties. We schorsen een ogenblik, want u krijgt een andere voorzitter. Daarna gaat u verder met het derde debat. Dan zijn we op dit moment geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik heet opnieuw de minister van VWS welkom; ik had dat zelf nog niet gedaan, maar hij was al in ons midden. Aan de orde is het tweeminutendebat Uitwerking motie-Bushoff/Van den Hil over in gesprek gaan met het veld over een vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur (29282, nr. 613). Daarvoor wil ik als eerste het woord geven aan mevrouw Westerveld, die haar inbreng zal leveren namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Een jaar geleden werd een heel redelijke motie ingediend door de heer Bushoff — ik kan ook niet anders zeggen; hij zit dáár — en mevrouw Van den Hil, die waarschijnlijk ook meekijkt, want ze is nog heel betrokken. Dit was een heel redelijke motie, waarin de minister werd opgeroepen om in gesprek te gaan met het veld. Het ging over de beroepenstructuur. Die motie zei: ga nou in gesprek en kom tot een oplossing. Er was namelijk een probleem ontstaan. Ik vat het even heel kort samen. Een groep psychologen en orthopedagogen waren gestart met de opleiding tot kinder- en jeugdpsycholoog op basis van communicatie van VWS. Er zou namelijk een nieuwe beroepenstructuur komen. Maar die nieuwe beroepenstructuur ging niet door, waardoor een hele specifieke groep van zo'n 1.000 mensen een probleem hadden. Deze mensen kunnen niet volwaardig aan de slag als gz-psycholoog, terwijl de sector staat te springen om goedopgeleide mensen. Ik hoef de minister natuurlijk niet te vertellen over de grote problemen die er zijn. Dan heb ik het over de wachtlijsten die we kennen in de jeugdzorg en de ggz, de mensen die radeloos zijn, maar ook degenen die aan het werk willen maar nu niet aan het werk kunnen. Dit vraagt, vinden wij, echt de inzet van het ministerie om alles op alles te zetten en de tekorten in de sector op te lossen. Zo moeilijk was die motie ook niet, zou je zeggen. Die is een jaar geleden al ingediend, zeg ik nog een keer, maar toch staan we hier weer. Daarom heb ik een paar vragen aan de minister.

Ten eerste: waarom is die motie niet uitgevoerd? Waarom horen wij dat het verzoek om een gesprek te voeren, waartoe wordt opgeroepen in de motie, niet is opgepakt? Waarom is er niet samen met de mensen uit het veld gezocht naar een oplossing? Hoe legt de minister dit beleid uit, als het gaat om het vertrouwen van deze groep in het overheidsbeleid en om de kosten die ze hebben gemaakt, de tijd die ze erin gestoken hebben en de investering die ze hebben gedaan om die nieuwe opleiding te volgen? Het heeft ook gevolgen voor de sector en de zorgcontinuïteit. Is de minister bereid om alsnog een oplossing te vinden voor deze groep, die soms tot wel €30.000 heeft geïnvesteerd in het volgen van die opleiding? Waarop baseert het ministerie de gedachte dat een overgangsregeling of een oplossing geld zou kosten? Een laatste vraag. De minister heeft eerder beloofd om vinger aan de pols te houden ten aanzien van de plaatsing van de hbo-psycholoog op de beroepenlijst. Hoe staat het daarmee?

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Bevers voor zijn inbreng namens de fractie van de VVD.

De heer Bevers (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Als mede-indiener van de motie waar we het vandaag over hebben, zal het u niet verbazen dat ik ook al refereerde aan mevrouw Van den Hil. Ja, zij is nog steeds heel betrokken, dus ik heb haar hierover gesproken. In ieder geval heeft ook de VVD een licht tot matig kritische basishouding ten opzichte van de manier waarop deze motie is uitgevoerd. Wij hebben daar ook vragen over, maar ik zal heel eerlijk zijn: collega Westerveld heeft de vragen die wij hadden eigenlijk al gesteld. Die ga ik niet herhalen, maar ik ben natuurlijk wel in gespannen afwachting van de antwoorden van de minister, want wij zijn hier ook wat kritisch over.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bevers. Ik schors de vergadering voor twee minuten, waarna we gaan luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en wil de leden verzoeken weer even orde te betrachten in de zaal. Het woord is aan de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Graag neem ik uw Kamer en mevrouw Van den Hil, die inderdaad vast meekijkt en die ik hiervandaan ook groet, mee in het dossier van de vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur binnen de psychologische zorg naar aanleiding van de vragen van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik zal eerst terugkijken, dan ingaan op het uitvoeren van de motie-Bushoff/Van den Hil en vervolgens ook vooruitkijken, en dan kom ik bij alle vragen die gesteld zijn.

Voorzitter. In de afgelopen jaren is al veel gesproken over een mogelijke vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingenstructuur binnen de psychologische zorg. Mijn ambtsvoorganger heeft de Kamer er eind 2024 over geïnformeerd dat het conceptwetsvoorstel dat de beroepenstructuur zou vereenvoudigen, niet zou worden doorgezet. Dat besluit is genomen mede naar aanleiding van het ontbreken van draagvlak bij het veld, zoals in de internetconsultatie van het wetsvoorstel duidelijk werd. Er waren bij de internetconsulatie bijna 2.300 overwegend negatieve reacties op het voorstel. Dat was dus aanleiding om het wetsvoorstel niet door te zetten. Bovendien droeg het voorstel onvoldoende bij aan het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het verbeteren van de transparantie.

Naar aanleiding van het besluit om het conceptwetsvoorstel niet door te zetten zijn K&J-psychologen, begrijpelijkerwijs, teleurgesteld. Verschillende veldpartijen, zoals het NIP en het Collectief KJ NIP in opleiding, een collectief van kinder- en jeugdpsychologen in opleiding, hebben mij en mijn voorgangers dit jaar regelmatig gevraagd om een coulanceregeling op te stellen voor een groep psychologen die zich heeft omgeschoold naar K&J-psycholoog. Dat is de groep waar mevrouw Westerveld op doelde. Dat hebben ze gedaan in de verwachting dat het zou leiden tot een BIG-registratie als gz-psycholoog. Die groep heeft echter, vooruitlopend op de besluitvorming over dat wetswijzigingsvoorstel, op eigen initiatief — dus voordat die besluitvorming had plaatsgevonden en daarmee ook op eigen risico — geanticipeerd op de aanname van dat conceptwetsvoorstel. Tijdens een wetgevingsproces kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden ingetrokken. Aan beleidsvoornemens bij een wetsvoorstel kunnen daarom ook geen rechten worden ontleend. Dat geldt voor alle wetsvoorstellen. Dit geldt overigens voor alle wetsvoorstellen die hier in dit huis worden voorgelegd door de regering, maar ook voor initiatiefvoorstellen. Een voorstel is pas definitief — dat zult u als Voorzitter van de Tweede Kamer ook met me eens zijn — als de hamer in de Eerste Kamer is gevallen.

Laat ik hierover heel duidelijk zijn. Er zijn geen toezeggingen gedaan over het daadwerkelijk doorzetten van dat conceptwetsvoorstel. Net als bij alle conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die niet doorgaan, zal er ook in dit kader geen coulanceregeling komen. Daarnaast constateer ik net als mijn voorgangers dat regulering van het beroep kinder- en jeugdpsycholoog in de Wet BIG niet nodig is als het gaat om de kwaliteit, patiëntveiligheid en de continuïteit van zorg. Bovendien is het niet proportioneel en kan het kostenopdrijvend werken. Zoals u weet is de Wet BIG in deze Kamer vastgesteld. Daar staat in dat we de BIG niet reguleren, tenzij dat noodzakelijk is, en dus niet andersom. Dit is bovendien ook in lijn met het advies van het Zorginstituut van 2022 over de k&j-psychologen. Het is ook in lijn met de ramingen van het Capaciteitsorgaan en met het advies van de Gezondheidsraad van afgelopen zomer over regulering in de Wet BIG. Uw Kamer is hierover gisteren in mijn BIG-brief — als ik 'm zo mag noemen — geïnformeerd.

Voorzitter. Dan kom ik bij de uitvoering van de motie van de leden Bushoff en Van den Hil, waar mevrouw Westerveld van Partij van de Arbeid-GroenLinks ook vragen over gesteld heeft. Gegeven het genomen besluit en de wensen en zorgen van de k&j-psychologen, die ik zojuist beschreven heb, is in december vorig jaar een motie ingediend door de leden Bushoff en Van den Hil. Zij hebben om een gesprek met het veld verzocht, onder wie de k&j-psychologen, over de beroepen- en opleidingenstructuur. Het afgelopen jaar zijn er naar aanleiding van de motie diverse contactmomenten geweest met verschillende veldpartijen. Zo heeft mijn ministerie in februari overlegd met het NIP en met de NVP — dat zijn allemaal psychologenkoepels — naar aanleiding van het stopzetten van het wetsvoorstel. In mei is er contact geweest met het NIP over de knelpunten die de k&j-psychologen in de praktijk in bredere zin ervaren. Ook zijn er diverse brieven van veldpartijen, zoals ook van het Collectief K&J beantwoord en is er met het Collectief K&J in juni contact geweest. Ik kan u ook nog melden dat ik gisteren zelf met de directeur van het NIP heb gesproken. Dat was een constructief gesprek — zo heb ik het althans beleefd — waarbij positief vooruit is gekeken naar een gesprek dat mijn ministerie en het NIP begin volgend jaar — in januari, om precies te zijn — zal hebben. Dat is zo als het met de agenda's lukt. Ik geloof dat de afspraak al gemaakt is.

Voorzitter. Ik hoor wat uw Kamer zegt over het uitvoeren van de motie. Ik zeg dan ook toe dat mijn gesprekken met het veld serieus zullen worden voortgezet. Het is niet zo dat er niks gebeurd is; er is best veel gebeurd. Naast overleg met het NIP zeg ik toe, ook naar aanleiding van de vraag van mevrouw Westerveld, dat ik met andere veldpartijen zal spreken. Dat kan ook voor de begrotingsbehandeling van begin maart, zodat uw Kamer er ook op kan rekenen dan op de hoogte te zijn.

Dan over de verkenning van de pilot over de elders verworven competenties.

De voorzitter:

Maar niet voordat u een interruptie krijgt van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb twee opmerkingen bij het betoog van de minister. Allereerst geeft hij aan dat er gesprekken zijn geweest, dat er contact is geweest. Als we het hebben over het NIP, mag ik inderdaad verwachten dat het ministerie regelmatig contact heeft over allerlei wetsvoorstellen en andere onderwerpen die lopen. Dat geldt ook voor beroepsverenigingen, belangenverenigingen, vakbonden enzovoort. Het gaat in de motie natuurlijk over het volgende. Er wordt specifiek gevraagd om over dit probleem te praten met deze groep psychologen, dus met dit collectief …

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

… en met het NIP. Ik vind de beantwoording van de minister, namelijk dat er in algemene zin contact is geweest … Wij horen echt andere verhalen uit het veld. Dat was mijn eerste opmerking.

Minister Bruijn:

Dan heb ik mij niet goed uitgedrukt. We hebben met de psychologen en met de koepels die ik net noemde over dit specifieke probleem gesproken. Het is ook terecht dat mevrouw Westerveld daarnaar vraagt. Het gesprek dat ik gisteren zelf heb gevoerd met de directeur van het NIP ging ook uitsluitend over dit onderwerp.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, dat is fijn, maar de motie is een jaar geleden ingediend. Ik neem dat deze minister, die hier nog niet zo lang zit, niet kwalijk, maar als we allemaal weten dat er een acuut probleem ontstaat en er in december vorig jaar een motie is ingediend die erom vraagt te gaan praten om tot een oplossing te komen, dan mag je toch wel verwachten dat er niet pas de dag voor het debat een gesprek plaatsvindt? Nogmaals, ik neem het deze minister niet kwalijk, want ik weet dat hij er nog maar kort zit, maar het is wel de verantwoordelijkheid van het kabinet om al eerder aan de slag te gaan met zo'n motie als die wordt ingediend.

Minister Bruijn:

Er is ook al in februari vorig jaar — niet heel lang na het indienen van die motie — overleg geweest met het NIP én de NVP, dus twee verschillende koepels, over het stopzetten van dat conceptwetsvoorstel, over dat specifieke onderwerp. Daarna is er in mei contact geweest met het NIP over de knelpunten die in de praktijk worden ervaren. Dat raakt natuurlijk ook aan dit onderwerp. Verder zijn diverse brieven van veldpartijen zoals het Collectief van K&J-psychologen beantwoord en is er ook in juni nog contact geweest. Ik ga er dus niet in mee als mevrouw Westerveld zegt dat er met die motie niets gedaan zou zijn. Ik denk dat die echt is opgepakt, ook door mijn voorgangers. Maar ik ben het met haar eens dat er meer veldpartijen zijn dan alleen de genoemde. Ik zeg dan ook toe dat ik ook met de andere veldpartijen in gesprek ga, en wel voor de begrotingsbehandeling. Hoe we dat organiseren, met een rondetafel of via het NIP, dat moeten we even bekijken.

De voorzitter:

Heel kort, mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Hier gaan we gewoon niet uit komen, want wij horen andere signalen, ook omdat de groep K&J-psychologen, het collectief bedoel ik, bewust wordt genoemd in de motie. Ook langs die weg horen wij gewoon andere geluiden. Ik snap dat het niet deze minister persoonlijk was, maar hier gaan wij niet uit komen. Wij horen in ieder geval andere signalen dan de minister zelf terugkrijgt. Dat wil ik hier toch gezegd hebben.

Voorzitter. Ik had nog een andere opmerking, namelijk dat ik de minister onnodig hard vind als het gaat over eigen risico's enzovoort voor bijscholing. Ik zou denken dat we van mensen die professional zijn mogen verwachten dat ze zich laten bij- en omscholen. Sterker nog, het zou moeten worden toegejuicht dat ze dat doen ...

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

... want de sector staat daarom te springen. Ik vind woorden als "het wetsvoorstel was er nog niet door, dus het was een eigen risico" ... Volgens mij moet dat niet zo gezegd worden en zouden mensen aangemoedigd moeten worden. Mijn punt was, en dat is ook mijn vraag: het is ook een verantwoordelijkheid van het ministerie om ervoor te zorgen dat er genoeg goed opgeleide professionals zijn. Hoe denkt de minister vanuit die hoek bekeken aan oplossingen?

Minister Bruijn:

Ik ben het met mevrouw Westerveld eens: het gaat hier om twee verschillende dingen. Het gaat om hoe je omgaat met een wetsvoorstel dat nog niet is aanvaard. Dat hebben we denk ik besproken. Daar kunnen we nog eens op ingaan. Het andere is het meer algemene probleem van de arbeidsmarkt. Ik ben het met mevrouw Westerveld eens dat dit een punt is. Ik heb in de afgelopen periode gesprekken gevoerd over de verkenning naar aanleiding van de pilot EVC, elders verworven competenties. Kun je meer mensen laten instromen op basis van hun elders verworven competenties, en kan dat bij voorkeur in verkorte trajecten? Kun je specifiek masterpsychologen met veel werkervaring verkort opleiden tot gz-psychologen? Daar is een tekort aan, precies zoals mevrouw Westerveld zegt. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in mijn BIG-brief. Die heb ik gisteren verstuurd; hij is misschien nog niet gearriveerd. Maar ik heb in dit verband ook gesproken met een aantal partijen: de stichting TOP — dat is de organisatie die verantwoordelijk is voor het toewijzingsvoorstel van opleidingsplaatsen voor medische vervolgopleidingen in de ggz — en de Stichting EVC, kort voor elders of eerder verworven competenties, die de pilot heeft uitgevoerd, en vLOGO, de vertegenwoordigers van opleiders in de ggz en de NZa. Die verkenning is ook relevant voor K&J-psychologen met veel werkervaring die zich willen laten scholen tot het BIG-beroep gz-psycholoog, waar het hier specifiek om gaat, nog even los van dat wetsvoorstel.

Tot slot wordt de vereenvoudiging van de beroepen- en opleidingsstructuur binnen de psychologische zorg aan de AZWA-tafels besproken. Ook hier is ruimte voor het goede gesprek. Met alle genoemde acties — de gesprekken met mijn ministerie, de gesprekken met andere veldpartijen, mijn gesprek met het NIP, de verkenning rondom de pilot EVC en de mogelijkheden die er zijn aan AZWA-tafels — zijn goede stappen gezet en ik ga daar ook mee verder. We hebben immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid: goede zorg voor kinderen, jongeren en volwassenen die psychologische hulp nodig hebben. Ik heb er vertrouwen in dat we daar uitkomen.

Tot slot. Het hele onderwerp waar wij nu over spreken, is er ook op gericht om gz-psychologen meer in hun kracht te zetten en te kijken naar mogelijkheden van verkorte opleidingstrajecten voor bijvoorbeeld K&J-psychologen.

De voorzitter:

Dit begint verdraaid veel op een commissiedebat te lijken. Ik geef u echt voor de allerlaatste keer de ruimte voor één opmerking, mevrouw Westerveld. Maar het moet echt kort, want er staat nog meer op de agenda vandaag en dat hebben we ook te bewaken. Tot slot.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Mijn oproep aan de minister zou zijn om het wat kort te houden en het over deze specifieke groep van 1.000 mensen te hebben. Het is namelijk prima dat er wordt verteld wat er allemaal nog meer gebeurt en ik moet erbij zeggen dat dat ook heel belangrijk is, maar ik zou graag een oplossing willen voor deze groep van 1.000 mensen.

Minister Bruijn:

Ja, maar de laatste vraag van mevrouw Westerveld was breder dan dat, dus die heb ik ook breder beantwoord, in lijn met de vraag van mevrouw Westerveld. Die vraag ging namelijk over arbeidstekorten. Daar doen we wat aan met elders verworven competenties en verkorte trajecten. Daar is dit onderwerp ook helemaal op gericht. Er kunnen misschien verwachtingen ontstaan door wetsvoorstellen die nog niet zijn aanvaard, die nog in de consultatie zitten, die nog in de Tweede Kamer of in de Eerste Kamer liggen, maar daar kunnen geen rechten aan worden ontleend. Dat geldt voor alle gemiddeld 250 wetswijzigingsvoorstellen die we hier behandelen.

De voorzitter:

Minister, was u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?

Minister Bruijn:

Wel als er geen nadere vragen zijn, voorzitter.

De voorzitter:

Dan zijn we daarmee aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Maar de minister blijft in ons midden. We gaan namelijk meteen door naar het tweeminutendebat Hulp- en geneesmiddelenbeleid.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik wil de heer Claassen namens de Partij voor de Vrijheid als eerste het woord geven voor zijn inbreng van de zijde van de Kamer. Meneer Claassen, u heeft het woord.

De heer Claassen (PVV):

Voorzitter, ik heb geen motie, maar ik heb wel een inleiding en een paar vragen voor de minister.

Jaar in, jaar uit wil een Kamermeerderheid dat het stelsel voor markttoelating van dure medicijnen — tussen haakjes heb ik hier staan: wat is dan duur? — geoptimaliseerd wordt. Om die reden heb ik ook diverse moties ingediend. Maar het blijft soms een totaal raadsel wat er met de toelating van sommige medicijnen gebeurt, ondanks dat die door de EMA zijn goedgekeurd en overigens ook nog voldoen aan de criteria van de wetenschap.

Ik zou talloze levensreddende medicijnen kunnen noemen, maar ik wil vandaag één medicijn extra noemen, namelijk het medicijn Voxzogo. Als dat in een vroeg stadium aan kinderen met dwerggroei, achondroplasie, gegeven wordt, kan het het leven van deze kinderen en hun ouders nog mooier maken. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Erkent de minister dat het voor veel weesgeneesmiddelen schier onmogelijk is om de kosteneffectiviteit aan te tonen, vanwege de beperkte data die men heeft? Het gaat immers om kleine patiëntenaantallen, waardoor de effectiviteit slechts beperkt valt aan te tonen. Doordat het effect pas op termijn wordt ervaren, is de kosteneffectiviteit op dit moment eigenlijk onmogelijk vast te stellen, zeker in het geval van Voxzogo. Is de minister bereid om de regelgeving op korte termijn aan te passen om uit de impasse van deze casus te komen? Is de minister bereid om met alle partijen van deze casus, dus inclusief de patiënten, de behandelaars en de industrie, om tafel te gaan zitten om te kijken hoe we uit deze kwestie, deze impasse, kunnen komen en of we het op korte termijn kunnen oplossen? Is het wellicht een idee om het systeem van ODAP, Orphan Drug Access Protocol, uit te breiden en zo zorg te dragen voor ruimere en snellere toegankelijkheid voor nieuwe weesgeneesmiddelen?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Claassen. Ik nodig meneer Bushoff uit en ik geef hem het woord voor zijn inbreng namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. U heeft het woord.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de toezegging tijdens het commissiedebat om naar een alternatieve dekking te zoeken wat betreft de bezuiniging op de zelfzorgmedicijnen en om in ieder geval in kaart te brengen wat deze bezuiniging zou betekenen, voor welke groepen dat zou gelden en wat de effecten voor deze groepen zouden zijn. Ik ben er blij mee dat de minister die toezegging heeft gedaan.

Ik heb nog wel twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de geneesmiddelentekorten grote impact hebben op patiënten en zorgverleners;

constaterende dat er op dit moment geen verplichting bestaat tot het melden van tekorten door farmaceuten, groothandelaren en apothekers;

constaterende dat er tegelijk meerdere meldpunten bestaan die allemaal slechts een deel van de informatie over de geneesmiddelentekorten bevatten, waardoor informatie versnipperd, onvolledig en moeilijk vindbaar is;

verzoekt de regering zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor een verplicht centraal meldpunt voor medicijntekorten in overleg met zorgverleners, leveranciers en verzekeraars, en de Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.

Zij krijgt nr. 956 (29477).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dan de tweede motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat geneesmiddelenbulletin Ge-Bu na 60 jaar dreigt te verdwijnen door het stopzetten van de subsidie vanuit VWS;

constaterende dat Ge-Bu een belangrijke functie vervult als enig onafhankelijk tijdschrift in Nederland dat generieke informatie verstrekt over geneesmiddelen en daarmee tegenwicht biedt aan de farmaceutische industrie;

overwegende dat de aangekondigde bezuiniging voor 2026 is teruggedraaid middels het amendement van Bushoff, Bevers en De Korte, maar Ge-Bu per 2027 alsnog dreigt te verdwijnen bij het uitblijven van structurele financiering;

verzoekt de regering om bij de voorjaarsbesluitvorming te bezien of de financiering voor Ge-Bu ook na 2026 gecontinueerd kan worden en hiertoe opties voor te leggen aan de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bushoff.

Zij krijgt nr. 957 (29477).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bushoff. Ik schors de vergadering voor zes minuten voor de voorbereiding van de beantwoording en appreciatie van de zijde van het kabinet.

De voorzitter:

Ik heropen. We gaan luisteren naar de minister van VWS voor zijn appreciatie van de moties en de beantwoording van de vragen. Het woord is aan u.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de vragen van de heer Claassen, als u het goedvindt. Erkent de minister dat een kosteneffectiviteitsanalyse niet mogelijk is bij weesgeneesmiddelen vanwege beperkte data? Nee, dat erken ik niet. Voor veel weesgeneesmiddelen is de kosteneffectiviteit goed te bepalen. Het effect ten opzichte van de kosten van het geneesmiddel is voor veel weesgeneesmiddelen goed te bepalen, dus in die zin kan ik het antwoord geven zoals ik dat geef.

Dan had de heer Claassen een aantal vragen over Voxzogo. Het gaat om het aanpassen van de regeling, het om tafel zitten en het uitbreiden van het ODAP. Er is veelvuldig overleg tussen het Zorginstituut en de betreffende firma van Voxzogo. Ik ben natuurlijk gevoelig voor de wens die achter de vraag van de heer Claassen ligt en voor het belang van de patiënten. Er wordt om die reden ook naar de mogelijkheid gekeken om Voxzogo voorwaardelijk toe te laten. Daarvoor moet de firma een proefdossier indienen. Ik blijf natuurlijk de vinger aan de pols houden in het belang van de patiënten. Dit is de stand van zaken als het daarom gaat.

Voorzitter. Dan kom ik bij de moties.

De voorzitter:

We hebben eerst nog een interruptie van de heer Claassen.

De heer Claassen (PVV):

Heel kort. Als je als volksvertegenwoordiger in het onderwerp duikt en met de mensen spreekt, lijkt het erop dat er twee werelden bestaan. Er is de wereld van de farmaceut, die iets moet aanleveren, terwijl aan de andere kant wordt gezegd: volgens mij is dat gebeurd. Er ontstaat totale onduidelijkheid of dat wel of niet is gebeurd. Mijn wens als volksvertegenwoordiger is om daar grip op te hebben en te weten wat er nu precies gebeurt. Daarom vraag ik aan de minister om met iedereen in gesprek te gaan om eens boven water te krijgen wat hier nu misgaat. Volgens mij gaat hier echt iets grondig mis. Dat zal voor een deel te maken hebben met het systeem dat we bedacht hebben, waar hele goede punten in zitten maar dat ook verbeterd kan worden, zoals we hebben gezegd. Maar dat zit ook in de manier waarop er met elkaar gecommuniceerd wordt om hier tot een oplossing te komen. Ik vind het echt schrijnend dat dit nu aan de hand is. Ik heb eigenlijk een soort noodkreet aan de minister: help vooral de ouders en de kinderen om tot duidelijkheid te komen over wat er in dit dossier misgaat.

Minister Bruijn:

Ik begrijp de wanhoop en de frustratie van ouders en familieleden heel goed. Maar ik wil hier nogmaals het belang benadrukken van de bestaande procedures en de beoordelingssystematiek. Daar zitten hele goede kanten aan. In Nederland kijken we naar het effect van een geneesmiddel. We wegen dat af tegen de kosten. Daar zijn we behoorlijk ruimhartig in als we naar andere landen kijken met dezelfde manier van financiering of dezelfde benchmark.

De voorzitter:

U gaat naar de moties.

Minister Bruijn:

In dit geval spreken we met iedereen, en zeker ook met de producent over het indienen van het dossier. Zonder dossier kunnen wij die kosteneffectiviteit niet beoordelen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Claassen.

De heer Claassen (PVV):

Dan constateer ik dat dat het is. Dat betekent dat we ons daar nog verder in moeten verdiepen.

Ik had nog één vraag over het Orphan Drug Access Protocol.

Minister Bruijn:

Het uitbreiden van het Orphan Drug Access Protocol vinden wij niet voor de hand liggen, maar we zijn natuurlijk wel bezig om naar een toekomstbestendig stelsel van bekostiging van geneesmiddelen toe te werken. Bij die overweging kunnen die vragen uiteraard ook aan de orde komen.

Voorzitter. Dan ga ik naar de moties. De eerste motie, op stuk nr. 956, is van de heer Bushoff van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik werk al met partijen aan een centraal informatiepunt over geneesmiddelentekorten, dus ik sta aan de kant van de heer Bushoff, die daar ook om vraagt. Ik informeer u dit voorjaar daarover in de voortgangsbrief over beschikbaarheid van geneesmiddelen. Overigens geldt er allang een meldplicht, waar de heer Bushoff naar vraagt, voor handelsvergunninghouders voor verwachte leveringsonderbrekingen. Maar dat weet de heer Bushoff natuurlijk ook. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, omdat het zeker een ondersteuning is van het beleid.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 956: oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

Voorzitter. Dan de tweede motie, op stuk nr. 957, van de heer Bushoff van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Ik wil deze motie met klem ontraden. Uit een peiling onder zorgverleners, voorschrijvers en apothekers blijkt dat vrijwel niemand gebruikmaakt van het Ge-Bu. De beroepsgroepen halen hun informatie steeds meer zelf op door middel van geneesmiddelencommissies en via het Farmacotherapeutisch Kompas. Mijn voorgangers hebben de afgelopen twee jaar samen met de betrokken partijen gewerkt aan het verbeteren van de informatievoorziening voor praktiserende zorgverleners en informatie over specifieke doelgroepen zoals ouderen, kinderen en zwangeren. Er zou anders met name voor deze doelgroepen weinig tot geen geneesmiddeleninformatie beschikbaar zijn. Ik begrijp goed dat het lastig kan zijn om afscheid te nemen van een bulletin waar jaren met veel overtuiging aan gewerkt is — ik heb er zelf als beroepsbeoefenaar in het verleden ook plezier van gehad — maar de tijden en behoeften zijn veranderd. Ik vind het belangrijk om overheidsgelden uit te geven daar waar ze echt nodig zijn. Ik beëindig daarom nu echt de structurele subsidieverlening van €800.000. Ge-Bu heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar de bezwaarschriftencommissie van VWS heeft dat bezwaar verworpen. Ge-Bu is daar niet tegen in beroep gegaan, waarmee ook van hun kant de juridische route is beëindigd. Ik ben en blijf dus van mening dat het besluit om Ge-Bu niet langer te financieren het juiste besluit is. Ik zal u hier nog een toelichtende brief over sturen voor de stemming.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

In de recente periode zijn er toch ook een aantal voorbeelden geweest van publicaties van het Ge-Bu die natuurlijk wel degelijk heel veel invloed hebben gehad, bijvoorbeeld op het aanpassen van richtlijnen. De eerste vraag is daarom eigenlijk of de minister die meerwaarde ook ziet.

Minister Bruijn:

De voorbeelden ken ik niet, maar die meerwaarde kan er geweest zijn. Dat doet er niet aan af dat uit een peiling blijkt dat vrijwel niemand meer gebruikmaakt van het Ge-Bu. Dat gaat om de beroepsgroepen zelf, de voorschrijvers en de apothekers. De overige argumenten heb ik met u gedeeld. Die argumenten leiden tot dit besluit.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ja, dan tot slot. Als de minister hierover dan toch nog informatie aan de Kamer stuurt, zou ik in die informatie ook graag alle voorbeelden willen hebben van publicaties van het Ge-Bu die inderdaad tot richtlijnaanpassingen of tot veranderingen in het zorgveld hebben geleid. Het zou goed zijn om die informatie in ieder geval te hebben. Dat lijkt me dan ook wel zo eerlijk.

Minister Bruijn:

Dat kan ik niet toezeggen. Als ik alle voorbeelden uit de geschiedenis op een rijtje moet zetten die hebben geleid tot invloed in een …

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Vijf jaar, voorzitter.

De voorzitter:

Meneer Bushoff, de minister is aan het woord.

Minister Bruijn:

Nee, ik ga dat niet doen. Het besluit is genomen. De juridische procedure is gelopen. Er is geen gebruik gemaakt van de beroepsprocedure. Het besluit staat vast.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 957 is ontraden. Ik dank de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zijn aanwezigheid.

De voorzitter:

Ik schors een enkel ogenblik. Daarna gaan wij verder met het volgende tweeminutendebat, over het gevangeniswezen. De vergadering is geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik heet de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Aan de orde is het tweeminutendebat Gevangeniswezen. Het commissiedebat heeft plaatsgevonden op 24 september.

Ik wil graag het woord geven aan mevrouw Schilder voor haar inbreng namens de Partij voor de Vrijheid. Zij is de eerste spreker van de zijde van de Kamer. U heeft het woord.

Mevrouw Schilder (PVV):

Voorzitter, dank u voor het woord. Criminelen horen hun straf volledig uit te zitten en niet eerder vrij te komen omdat er te weinig capaciteit is. Dit is niet uit te leggen aan de slachtoffers of aan de samenleving. Dit is een ondermijning van de rechtsstaat. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat honderden gedetineerden tot twee weken eerder worden vrijgelaten en dat dit onuitlegbaar is aan slachtoffers;

constaterende dat er al zespersoonscellen bestaan en recent extra capaciteit is ontstaan door meerpersoonsgebruik;

overwegende dat uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat detentie in meerpersoonscellen geen negatieve effecten heeft op mentale gezondheid en zelfs kan leiden tot minder contrabande en minder suïcidepogingen;

overwegende dat het onwenselijk en onbegrijpelijk is dat veroordeelde criminelen vervroegd vrijkomen terwijl er binnen het huidige systeem nog veel mogelijkheden zijn om capaciteit te vergroten;

verzoekt de regering om per direct meerpersoonscellen de norm te maken en om bij verbouwing van iedere eenpersoonscel, met uitzondering van isoleercellen, een meerpersoonscel te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schilder.

Zij krijgt nr. 1074 (24587).

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Abdi voor haar inbreng namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. U heeft het woord.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat onder meer uit eigen JenV-onderzoek blijkt dat de ervaren psychosociale arbeidsbelasting hoog is, dat dit onder andere komt door (dreigende) agressie en geweld, dat de zorg voor DJI-personeel onder hoge druk staat door het personeelstekort en versobering van het gevangeniswezen en dat personeel niet alleen op de werkvloer, maar ook in het privéleven geïntimideerd wordt;

constaterende dat de Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken dat PTSS onder omstandigheden erkend kan worden als beroepsziekte voor gevangenispersoneel;

van mening dat de mensen die Nederland helpen veilig te houden zélf in onveiligheid worden gebracht en dat personeelszorg onderdeel is van goed werkgeverschap;

verzoekt de regering om PTSS te erkennen als een beroepsziekte voor het personeel van DJI, een adequate regeling te treffen om traumatiserende ervaringen en de gevolgen ervan in het werk te voorkomen en te helpen verwerken, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.

Zij krijgt nr. 1075 (24587).

Dank u wel, mevrouw Abdi. Het woord is aan meneer Sneller voor zijn inbreng namens de fractie van D66.

De heer Sneller (D66):

Dank, voorzitter, en welkom aan de staatssecretaris. Het debat is van alweer even geleden. Het ging toen onder andere over het cellentekort. Ik vroeg me af of er een nieuwe stand van zaken is, want het is alweer meer dan twee maanden geleden.

De afgelopen periode is er wat ophef ontstaan rondom de strafrechtadvocaten die actief zijn in de ebi en de AIT. Dank voor de brief daarover. Het is altijd lastig om te bepalen in welke mate van detail je je nou moet bemoeien met dit soort uitvoeringskwesties. Tegelijkertijd is het ook onze taak om te controleren of het binnen de kaders blijft zoals we die bij de wetsbehandeling hebben afgesproken. Ik heb daar nog twee vragen over aan de staatssecretaris.

Eén. Klopt het dat het technisch mogelijk is geworden om het gelaat en de aantekeningen van de advocaten en van de gedetineerde te filmen? Welke waarborgen zijn er precies ingericht? Wie heeft er besloten dat die camera's daar op ooghoogte moeten komen en dat die met AI zijn uitgerust? Waarom is dat zo gegaan? Ik lees tegelijkertijd dat er gesprekken lopen en dat de staatssecretaris de beroepsgroep zeer serieus zegt te nemen. Ik dien dus een motie in, maar die houd ik vervolgens aan in afwachting van wat die gesprekken op korte termijn zullen opleveren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voorkomen van voortgezet crimineel handelen vanuit detentie om een daadkrachtige aanpak vraagt en dat dit binnen rechtsstatelijke grenzen, waaronder het recht op een eerlijk proces, dient plaats te vinden;

overwegende dat in de extra beveiligde inrichting (ebi) en de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) onlangs nieuwe veiligheidsmaatregelen zijn ingegaan naar aanleiding van de gewijzigde Penitentiaire beginselenwet en dat de Kamer hier slechts summier over is geïnformeerd;

overwegende dat deze maatregelen, zoals de technische mogelijkheid van het filmen van aantekeningen of de gezichten van advocaten en hun cliënten, tot grote zorgen en onduidelijkheid, onder andere ten aanzien van de wijze van opslag en toegang tot deze beelden, bij strafrechtadvocaten hebben geleid ten aanzien van de vertrouwelijkheid van hun gesprekken;

overwegende dat een grote groep strafrechtadvocaten met cliënten in de ebi en AIT daarop hebben besloten hun werk neer te leggen en dat belangrijke strafzaken hierdoor stil dreigen te vallen;

verzoekt de regering de maatregelen die zijn genomen ter uitvoering van de gewijzigde Penitentiaire beginselenwet te herzien, zodat geen kennis kan worden genomen van de inhoud van de gesprekken tussen advocaten en hun cliënten, en de vertrouwelijkheid daarmee is gewaarborgd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sneller.

Zij krijgt nr. 1076 (24587).

Er is een interruptie van de heer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

De motie wordt bij voorbaat aangehouden, begrijp ik, maar ik heb toch een vraag. Ik kwam gisteren voormalig minister Weerwind tegen. Dat was leuk; we konden wat herinneringen ophalen. Dit hele gebeuren, dit hele visuele toezicht — dat weet meneer Sneller nog wel — is bedacht door D66-minister Weerwind. Ik stelde iets anders voor namens de VVD, namelijk: laten we kijken of we mee kunnen laten luisteren door andere advocaten. Dat wilde iedereen niet. Maar dit was jullie eigen voorstel. Wat ik even scherp probeer te krijgen, ook aan de hand van de motie, is: staat D66 nog wel achter het visuele toezicht en gaat het om wat uitvoeringsvragen, of zegt D66 dat dit helemaal van tafel moet?

De heer Sneller (D66):

De heer Ellian wil nog even terugblikken, dus dan blikken we nog even terug. Onder andere het audiovisuele toezicht is afgewezen door het vorige kabinet en het huidige kabinet op de grond dat het in strijd is met artikel 6 EVRM en een aantal grondrechten die in onze Grondwet staan. Waarom was dat? Gesprekken tussen advocaten en hun cliënten — in dit geval zijn dat gedetineerden — moeten vertrouwelijk zijn. We moeten niet via een omweg audiovisueel toezicht creëren, bijvoorbeeld door te liplezen, zodat de inhoud toch bekend kan worden, maar dan toevallig visueel. Ik sta nog steeds achter de kaders zoals we die in de Penitentiaire beginselenwet hebben vastgelegd.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Sneller. Dan geef ik het woord aan meneer Ellian voor zijn inbreng namens de fractie van de VVD.

De heer Ellian (VVD):

Ik heb drie moties van mijn hand.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit cijfers blijkt dat in enkele penitentiaire inrichtingen structureel telefoons of andere communicatiemiddelen binnengebracht blijven worden;

van mening dat deze penitentiaire inrichtingen extra hulp en toezicht van buiten nodig hebben;

verzoekt de regering om:

  • een kleine, wendbare taskforce p.i. schoonvegen in te stellen, die heimelijk opereert en waarin intelligence, innovatie alsmede uitvoering gezamenlijk participeren;
  • bij Justitieel Complex Zaanstad, PI Alphen aan den Rijn, PI Dordrecht, PI Heerhugowaard Zuyder Bos, PI Veenhuizen Esserheem en Norgerhaven, PI Rotterdam De Schie en Hoogvliet minimaal zes maanden lang verscherpte controles toe te passen;
  • daarbij intensieve en voor lokale medewerkers onaangekondigde zoekacties uit te voeren onder verantwoordelijkheid van de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid;
  • de Kamer hierover uiterlijk september 2026 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 1077 (24587).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Marengoproces enorme vertraging oploopt, met alle maatschappelijke gevolgen van dien, doordat inmiddels drie advocaten van Ridouan Taghi zijn aangehouden;

verzoekt de regering om te bewerkstelligen dan wel te bevorderen dat op grond van artikel 13 Advocatenwet een advocaat wordt toegewezen aan Ridouan Taghi die zonder contact met betrokkene rechtsbijstand zal leveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 1078 (24587).

De heer Ellian (VVD):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mogelijk sprake is van het tot stand brengen van contact tussen Ridouan Taghi en Faissal Taghi, beiden ebi-gedetineerden, terwijl zij beiden aantoonbaar bezig waren met plannen om uit de extra beveiligde inrichting te ontsnappen;

verzoekt de regering om te realiseren dat gedetineerde criminelen in de extra beveiligde inrichting geen onderling contact mogen hebben, alsmede dat gedetineerden in de extra beveiligde inrichting en de Afdeling Intensief Toezicht geen onderling contact mogen hebben, alsmede dat gedetineerde criminelen uit hetzelfde criminele samenwerkingsverband geen onderling contact mogen hebben,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 1079 (24587).

Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):

Eén verduidelijkende vraag over de tweede motie. Helemaal aan het eind zegt de heer Ellian, als ik het goed heb gehoord: zonder contact met de cliënt. Ik vroeg me af hoe de heer Ellian kijkt naar alles waar wij het de afgelopen jaren over hebben gehad en hoe dat zich verhoudt tot het recht op een eerlijk proces, maar ook hoe het in de praktijk moet werken. Zou hij daar iets meer over kunnen zeggen?

De heer Ellian (VVD):

Dank. Ik waardeer de vraag. We zijn, denk ik, met elkaar in een grijs gebied terechtgekomen omdat drie advocaten van één persoon aangehouden zijn en één advocaat is veroordeeld. Ik herinner me nog dat ik twee jaar geleden ervoor gepleit heb om nooit meer iemand bij deze meneer naar binnen te laten zonder dat er andere ogen meekijken. Dat kon niet. Men wilde niet. En voilà, er werd een derde advocaat aangehouden. Dus je zult iets moeten. Wat ik ervan begrijp, is dat er mogelijk advocaten geïnteresseerd zijn, maar niemand nog contact met hem wil hebben. Ik denk dat je dat niemand echt kwalijk kan nemen. Alleen, de heer Sneller wijst terecht op een eerlijk proces. Alhoewel ik me diep vanbinnen best afvraag of je in dit land niet op een gegeven moment je rechten helemaal hebt verspeeld, kun je dat risico hier niet nemen. Daarmee bedoel ik dat je niet kunt stellen dat we zonder advocaat doorgaan. Immers, dan loopt de beste man misschien de bajes uit. Dat moeten we te allen tijde zien te voorkomen. Vandaar dat ik heb gezocht wat we kunnen doen. De orde van advocaten draait rondjes en rondjes en rondjes. Wijs iemand toe. Volgens mij weten zij best wie er geïnteresseerd zou zijn. Diegene kan dan zonder contact op basis van het dossier bijstand leveren bij de materiële en de formele verweren. Dan heeft de man in ieder geval adequate bijstand gehad.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Merci, voorzitter.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank, voorzitter. Allereerst kort over de staking van strafrechtadvocaten in de ebi, waarover collega Sneller zojuist ook sprak. Dank aan de staatssecretaris voor de brief die wij gisteren ontvingen. Het CDA onderschrijft de noodzaak van visueel toezicht om voortzetting van crimineel handelen tegen te gaan, mits het verschoningsrecht gewaarborgd blijft, zoals ook de afspraak was. Het is goed dat de staatssecretaris met partijen om tafel is gegaan en nog gaat om zorgen over de uitvoering van het toezicht weg te nemen. Wij volgen dit nauwlettend.

Ik heb verder drie korte vragen naar aanleiding van het commissiedebat. Eén. De staatssecretaris kon toen niet garanderen dat alle 3.000 cellen die gerenoveerd moeten worden, behouden blijven en zegde toe dat er een nader onderzoek komt. Kan de staatssecretaris hierover een update geven en aangeven welke keuzes op dit moment worden overwogen om deze cellen wel te kunnen blijven gebruiken?

Ten tweede. De staatssecretaris gaf aan dat opnieuw gekeken wordt naar de heropening van de p.i. Almere. Heeft de staatssecretaris in beeld of dit vordert en krijgt de Kamer inderdaad, zoals toegezegd, voor het einde van het jaar nog de menukaart hierover?

Ten slotte horen wij graag van de staatssecretaris of er sinds het commissiedebat van september nieuwe ontwikkelingen zijn wat betreft het eerder vrijlaten van gevangenen wegens capaciteitstekorten. We hopen namelijk dat deze maatregel zo min mogelijk en het liefst natuurlijk helemaal niet wordt ingezet. Eerder zei de staatssecretaris dat slachtoffers in principe over vervroegde vrijlating worden geïnformeerd. Kan hij toelichten wat hij met "in principe" bedoelt?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Straatman. Dan is het woord aan de heer Eerdmans voor zijn inbreng namens de fractie van JA21.

De heer Eerdmans (JA21):

Voorzitter, dank. Ik had ook de vraag hoe het nu staat met code zwart. Is daar intussen meer over te zeggen dan het feit dat wij veroordeelden twee weken eerder naar huis moeten sturen vanwege het capaciteitstekort? Heel graag een mondelinge update, als dat gaat.

Voorzitter. Dan twee voorstellen van JA21 op dit gebied naar aanleiding van het debat.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het plan om Nederlandse gevangenen op te sluiten in Estland is gestrand;

verzoekt het kabinet een verkenning te starten om cellen in het buitenland in gebruik te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Eerdmans.

Zij krijgt nr. 1080 (24587).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bijna 400 (nood)gevangenisplekken niet in gebruik kunnen worden genomen vanwege de stikstofproblematiek;

overwegende dat er een uitzondering op de stikstofregels wordt gezocht voor defensie;

verzoekt het kabinet voor de bouw van (nood)gevangenissen een uitzondering te maken op stikstofregels,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Eerdmans.

Zij krijgt nr. 1081 (24587).

De heer Eerdmans (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Eerdmans. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tien minuten voor de voorbereiding van de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de ingediende moties. De vergadering is geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de ingediende moties.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter, dank u wel. Het is interessant om te zien hoe Kamerleden eerst samenklitten en hoe snel ze vervolgens in één keer in hun bankjes zitten.

De voorzitter:

Als u binnenkomt ...

Staatssecretaris Rutte:

Ik dacht dat het door de nieuwe Voorzitter kwam.

De voorzitter:

Nee, dat is toch het charisma dat u deze zaal in brengt.

Staatssecretaris Rutte:

Dat hoor ik graag. Leuk, al dat gedol, maar we hebben het over een serieus onderwerp, namelijk het gevangeniswezen. Er is een aantal vragen gesteld en een aantal moties ingediend. Ik zou graag met de beantwoording van de vragen willen beginnen.

Er is door meerdere leden gevraagd naar het ontstane — hoe zal ik het zeggen? — conflict tussen advocaten en DJI over het visueel toezicht. U heeft daarover vanochtend een uitgebreide brief van mij ontvangen. Daar staat een behoorlijk gedetailleerd verhaal in. In zijn algemeenheid zou ik daar het volgende over willen zeggen: wij houden ons aan de wet. Als er twijfels zijn over of wij ons aan de wet houden, wil ik die bij dezen wegnemen. Wij houden ons aan de wet, dus visueel toezicht kan en mag nooit verder gaan dan wat in de wet wordt toegestaan. Wij zijn wel in gesprek met advocaten om hun ook het vertrouwen te kunnen geven dat het in de praktijk ook zo is, zodat zij ook voelen dat wij ons aan de wet houden. Dat klinkt misschien wat vreemd, maar je kunt je voorstellen dat je ook in een operationele situatie iets tegenkomt waardoor je denkt: hoe kan dit? U heeft ook in de brief kunnen lezen hoe kort sommige termijnen waren. Dat heeft allemaal bijgedragen aan het gevoel dat er nu is. We werken er hard aan om die gevoelens weg te nemen. Er worden allemaal andere dingen gezegd, bijvoorbeeld "klopt dat wel?" en "dit is niet conform de wet", maar wij houden ons aan de afspraken uit de wet.

Goed. Dan ga ik verder. Meerdere leden hebben gevraagd om een stand van zaken over de huidige capaciteit bij DJI. De een noemt het "code zwart", de ander noemt het "zorgelijk" of "99% bezettingsgraad": we horen het allemaal. Op dit moment is de reguliere bezettingsgraad nog steeds boven de 99%. De situatie is sinds de laatste update die ik heb gegeven, niet verslechterd. Ze is ook niet verbeterd. We zitten nog steeds in een heel kritieke situatie. Ik stuur op korte termijn een reguliere updatebrief, zodat u ook echt kunt zien hoe we er precies voor staan, op gedetailleerd niveau. Maar de situatie is niet anders dan een paar maanden geleden. De situatie verandert wel steeds. Er doen zich kansen voor, en daar maken we gebruik van, maar we zitten nog steeds op het algehele percentage van 99%.

Mevrouw Straatman vroeg naar achterstallig onderhoud. Daar gaan grote getallen over rond: als we niet instappen in het onderhoud, zouden we 3.000 plekken kwijtraken. Daar is door meer mensen naar gevraagd. Ik stuur daarover op korte termijn een wat uitgebreider verhaal — dat hebben we in het debat de "menukaart" genoemd — en daarin speelt ook het onderhoud een belangrijke rol. In die menukaart maak ik heel erg duidelijk waar we op afstevenen bij ongewijzigd beleid en aan welke knoppen we kunnen draaien om te komen tot een meer gewenste uitkomst, ieder met zijn eigen effectiviteit, maar ook met zijn eigen budgettaire impact. Het is niet zo dat in één keer 3.000 cellen door achterstallig onderhoud niet meer beschikbaar zullen zijn, maar het is wel zo dat de huidige financiële ruimte die we hebben, er op een bepaald moment toe leidt dat we langzaam maar zeker niet meer in staat zijn fatsoenlijk onderhoud te plegen en daardoor cellen uit de sterkte kunnen lopen. Daar ligt dus wel een forse opdracht. Die probeer ik voor u zo inzichtelijk mogelijk te maken.

In die menukaartbrief zal ook iets staan over p.i. Almere. Daar vroeg mevrouw Straatman ook naar. Die zal daar ook een plek in krijgen. Ik ben daarover in gesprek met de burgemeester van Almere. We vinden het een heel serieuze optie om die te heropenen. De financiële middelen om dat nu te kunnen doen, ontbreken, maar we kunnen wel heel duidelijk inzichtelijk maken: dit is wat het vraagt en dit zijn de tijdpaden die daarmee gemoeid zijn. Als het gaat om nieuwe klassieke gevangeniscapaciteit, is Almere wel de meest voor de hand liggende optie op dit moment. Maar de budgettaire middelen heb ik niet. Dat komt terug in de menukaart, samen met heel veel andere opties, zodat u ook weet waar we het dan over hebben.

Dan denk ik dat ik de vragen heb gehad en wil ik graag doorgaan met de moties.

Ik begin met de motie van mevrouw Schilder op stuk nr. 1074 over het normeren van meerpersoonscellen. Zij zegt: het moet echt altijd de norm zijn om meer mensen op één cel te plaatsen. DJI zet alles op alles om cellen zo optimaal mogelijk te benutten, waar dat mogelijk is en verantwoord kan. Vanwege de veiligheid van het personeel en de gedetineerden blijven plaatsingscriteria voor meerpersoonscellen, de personeelsnorm en de gebouwelijke eisen, zoals ventilatie en de afmetingen van cellen, bepalend. Bij renovaties en uitbreidingen worden de mogelijkheden voor meerpersoonscellen eigenlijk altijd wel bekeken. Ik sta voor de veiligheid van het personeel. Dat betekent ook dat er grenzen zijn aan de inzet van meerpersoonscellen. Je kunt je ook regimes voorstellen waarin dit helemaal niet past. Dat gaat wat verder dan alleen maar de eenzame opsluiting. Ik moet vanwege het absolute karakter ervan deze motie ontraden, in de wetenschap dat wij, daar waar wij de kansen zien, wel degelijk inzetten op meerpersoonscellen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1074 wordt ontraden. Mevrouw Van der Plas had zojuist een andere verplichting hier in dit huis, maar zij is gelukkig inmiddels bij ons voor een interruptie. Ga uw gang, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, dat klopt. Er worden in deze Tweede Kamer tientallen debatten per dag gehouden, dus je moet weleens van zaal naar zaal. Excuses dat ik hier wat later aansloot. Ik wil de minister ...

De voorzitter:

De staatssecretaris.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De straatssecretaris, excuses. Ik wil hem nog even complimenteren met zijn beantwoording gisteren bij het kindervragenuur. Dat deed hij heel erg goed en heel erg begrijpelijk voor kinderen en dus ook voor iedereen in Nederland. Maar dat even terzijde.

Staatssecretaris Rutte:

Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Even over deze motie. Het is niet mijn motie, maar ik wil er wel graag wat over zeggen. Je kunt niet zomaar even overal twee mensen op een cel plaatsen, hoe sympathiek het ook klinkt. Dat gaat ook problemen opleveren voor het gevangenispersoneel. Als mensen met bepaald verward gedrag bij elkaar komen, kan dit voor het gevangenispersoneel gewoon gevaarlijke situaties opleveren.

De voorzitter:

En wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik zou dit niet willen. Ik zou wel graag willen horen of de staatssecretaris bereid is om bij iedere renovatie te bekijken hoeveel extra capaciteit gecreëerd kan worden door cellen geschikt te maken voor meerpersoonsgebruik. Ik snap de overwegingen wel om dit te doen. Dus ik wil de staatssecretaris eigenlijk vragen of hij kan toezeggen bij die renovatie te kijken of capaciteit beschikbaar gemaakt kan worden voor de meerpersoonscellen.

Staatssecretaris Rutte:

Dank voor deze interruptie. Ik denk ook dat daar precies het verschil zit tussen de heel stellige motie van mevrouw Schilder en dat wat mevrouw Van der Plas nu voorstelt. Inderdaad, bij een verbouwing, als we een gevangenis aanpakken, doet zich weleens de kans voor om te zeggen: als we het anders doen, kunnen we net wat meer ruimte creëren in de cel en kun je wel op een veilige manier overgaan tot meerpersoonscellen. Dan doen we dat ook. Dat is eigenlijk staand beleid. Als u dat als toezegging wilt meenemen, vind ik dat ook goed. Ja, zeker.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 1075.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dan gaan we door. Ik blader ook door. Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 1075 van mevrouw Abdi. Zij vraagt om PTSS te erkennen als een beroepsziekte voor personeel van de DJI, te helpen een adequate regeling op te zetten ten aanzien van ervaringen en de Kamer hierover te informeren. Het is sowieso goed dat mevrouw Abdi aandacht vraagt voor dit onderwerp. Ik ben in het verleden ook woordvoerder op het onderwerp politie geweest. Ook daar is geconfronteerd worden met PTSS een groot probleem. Ook brandweermensen hebben daarmee te maken. Ongetwijfeld kan dit ook voorkomen bij medewerkers van de DJI. Het is belangrijk dat daar aandacht voor is. De werkdruk en psychosociale belasting bij de DJI zijn hoog. Maar het erkennen van PTSS als beroepsziekte is niet aan JenV. De DJI houdt zich wel aan de cao van het Rijk. Medewerkers worden ondersteund conform de reguliere bedrijfskundige zorg. Daarvoor gelden de afspraken rondom traumagerelateerde zorg en expertise. Dat klinkt heel ambtelijk, maar in de praktijk betekent het wel degelijk dat als een medewerker PTSS oploopt, hij passende zorg en passende ondersteuning krijgt om daarmee om te kunnen gaan. Dan moet ik tot een oordeel komen. Dan kom ik dus op basis hiervan tot ontraden, omdat de DJI niet zelfstandig PTSS kan erkennen als een beroepsziekte. Maar ik denk dat we in de praktijk wel ongeveer doen wat mevrouw Abdi belangrijk vindt. Maar het is aan haar om dat zo te ervaren.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank aan de staatssecretaris voor deze beantwoording. Ik heb begrepen van het personeel zelf, maar ook van de vakbond, dat het wel degelijk anders ligt. Daarom verwijs ik ook naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, omdat die natuurlijk wat zegt over ambtenaren. Dus ik zou de staatssecretaris wel willen verzoeken om hiernaar te kijken, omdat in de praktijk personeel eigenlijk niet het gevoel heeft dat het voor dezelfde regelingen in aanmerking komt als het gaat over het uitbetalen van WIA en loon. Kan de staatssecretaris dit dan ten minste onderzoeken? Mijn motie roept daar wel degelijk toe op.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, ik ben zeker bereid om te laten onderzoeken wat de stand van zaken daar is. Het andere kan ik gewoon niet doen. Medewerkers van de DJI vallen namelijk onder de cao van het Rijk. Ik heb best veel invloed, maar daar heb ik niet direct invloed op. Maar dit laat ik graag nader onderzoeken voor mevrouw Abdi.

De voorzitter:

We noteren de toezegging. U gaat naar de motie op stuk nr. 1076.

Staatssecretaris Rutte:

Die motie is van de heer Sneller. O, die is aangehouden, dus dan ga ik door.

De voorzitter:

Ja. De motie op stuk nr. 1077.

Staatssecretaris Rutte:

Ja. U ziet dat ik daar een hele lange beantwoording op had.

De voorzitter:

Dat hoeft niet hoor.

Staatssecretaris Rutte:

Die zullen we niet horen. Nee, dat ging over de motie die is aangehouden. Dat zorgt voor suspense hier in de zaal, denk ik. Nee.

We gaan door naar de motie op stuk nr. 1077 van de heer Ellian, over de contrabande en de taskforce. Het is heel goed dat de heer Ellian hier aandacht voor vraagt. Het is niet de eerste keer dat hij dat doet. Net als de heer Ellian wil ik te allen tijde voorkomen dat contrabande een inrichting binnen kan komen. De Dienst Justitiële Inrichtingen zet zich hier dan ook hard voor in door verscherpte techniek en controles. Die controles zijn van groot belang, waarbij ik benadruk dat niet alle aangetroffen contrabande gedetineerden kan bereiken. Veel registraties zien op wat vroegtijdig wordt onderschept. Al voor de eerdere motie van de heer Ellian werden verscherpte controles uitgeoefend door risico- en informatiegestuurde inzet waar nodig. Dit is op deze manier vormgegeven omdat verscherpt toezicht binnen het gevangeniswezen juridisch helaas niet mogelijk is. Maar het risicogestuurd inzetten van controles levert daarbij ook het meeste resultaat op. De kennispositie van DJI is de afgelopen jaren vergroot door de komst van het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid van DJI en ook de Detentie Intelligence Unit, de DIU. Hierbij werken uitvoeringspartijen als DJI, het Openbaar Ministerie en het Gedetineerden Recherche Informatiepunt van de politie samen aan gedeelde analyses over gedetineerden. Op basis van deze informatie worden vervolgens gerichte controles ingezet. Ondanks dat ik het idee van het Kamerlid Ellian waardeer, is het oprichten van een nieuwe taskforce overbodig, zou je kunnen zeggen, of moeilijk uitvoerbaar, vanwege de al bestaande samenwerkingsverbanden. We zouden dan in het bijzonder willen kijken naar de Detentie Intelligence Unit als club die daar juist wel extra aandacht aan kan geven en dat ook zou moeten doen. Dan kom ik tot een oordeel en kom ik toch, wikkend en wegend, tot het ontraden van deze motie.

De voorzitter:

Ontraden. Ik geef ruimte voor een interruptie, maar wil zowel de staatssecretaris als de leden wel vragen om het beknopt te houden, want we lopen al aardig uit de tijd.

De heer Ellian (VVD):

Mijn teleurstelling kan ik altijd beknopt uitdrukken, voorzitter. Ik vind dit echt heel teleurstellend. Ik begrijp het niet. Er worden continu telefoons gevonden. Dan is nog steeds, na al die jaren, het antwoord: ja, maar wat we doen gaat goed. Ik vraag om een taskforce die snel en wendbaar is, die die p.i.'s gaat schoonvegen. Ik kom er op een later moment wel op terug, maar ik vind het zó teleurstellend dat ook de urgentie niet gevoeld wordt. Je zou moeten willen zeggen "die p.i. gaan we schoonvegen".

De voorzitter:

Staatssecretaris, behoeft dat verder nog een reactie?

Staatssecretaris Rutte:

Nou, ik voel wel mee met de ergernis van de heer Ellian over de contrabande en dat het ons nog niet lukt om dat voldoende te doen. Deze Detentie Intelligence Unit is wel echt een nieuwe kracht. Die zullen we breder en scherper moeten gaan inzetten. Dat heeft mijn volle aandacht.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1077 is ontraden. De motie op stuk nr. 1078.

Staatssecretaris Rutte:

Die is ook van de heer Ellian. Ik ben de heer Ellian zeer erkentelijk voor zijn zorg en de gevraagde aandacht voor dit punt. Ook ik deel zijn zorg. Ik heb een verantwoordelijkheid voor het inrichten van een stelsel dat erop gericht is rechtsbijstand te kunnen verlenen aan iedereen die deze toekomt. Om die reden hebben de betrokken instanties in de voorbije periode intensief met elkaar overlegd om tot een oplossing te komen. Die overleggen vinden nog steeds plaats. Dat stopt niet. Door de verschillende ketenpartners wordt hard gewerkt om spoedig een werkbare oplossing te vinden in deze kwestie. De beschikking van het hof laat zien dat dit stelsel ook functioneert, of in ieder geval dat ze nog in gesprek zijn om tot een oplossing te komen. Dat zal ook moeten. Ik zie deze motie als ondersteuning om door te gaan en alles op alles te zetten om te zorgen dat de heer T. een advocaat krijgt. Ik zou 'm …

De voorzitter:

Oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rutte:

… oordeel Kamer willen geven. Precies.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1078: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1079.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, van de heer Ellian. Je raakt soms verstrikt in je eigen woorden. Het is wat.

De voorzitter:

"Oordeel Kamer" hoeft op zich niet per se een toelichting, hoor, want daar zijn leden meestal al wel heel blij mee.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, maar ik vind het wel van belang. Ik vind het wel van belang. Deze kwestie heeft soms gewoon wat toelichting nodig.

De motie op stuk nr. 1079, over het contact tussen vader en zoon, de heren T.; laat ik het zo zeggen. Ik waardeer de inspanning van het Kamerlid Ellian om de veiligheid te waarborgen tegen risico's vanuit hoogrisicogedetineerden in deze afdelingen. Dat siert hem. In de huidige situatie geldt echter al dat gedetineerden in de ebi en de afdeling AIT in beginsel geen onderling contact hebben. Een individueel regime is het uitgangspunt. Enkel wanneer het vanuit veiligheidsoverwegingen verantwoord is, kan de directeur van de inrichting na afstemming met het landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid van DJI, het Openbaar Ministerie en de politie, dus na een uitgebreide afweging, besluiten om een gedetineerde in een kleine groep de activiteiten van het dagprogramma te laten volgen. Dat gebeurt op basis van actuele gegevens. Daar wordt iedere maand opnieuw naar gekeken.

De voorzitter:

En de appreciatie?

Staatssecretaris Rutte:

Ja, ik zou nog één ding willen zeggen. Een algeheel verbod, waar de heer Ellian voor pleit, is ook in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat kan niet. Wat wel kan, is iedere keer opnieuw constateren dat de zorg die hij heeft dat bepaalde mensen niet met elkaar in contact mogen komen, nog steeds van toepassing is. Dan brengen wij hen niet met elkaar in contact. Maar gezien de wijze waarop deze motie opgesteld is, zal ik 'm moeten ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1079: ontraden. Heel kort, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

U wordt steeds strenger, voorzitter.

De voorzitter:

Zeker.

De heer Ellian (VVD):

En u zit er pas net. Ik wijs de staatssecretaris, maar ook de collega's, op de aangenomen motie op stuk nr. 969. Die is vorig jaar tijdens het debat over de incidenten in de ebi ingediend. Daarin staat "verzoekt de regering om zo veel mogelijk een individueel programma, dus niet in groepen, als uitgangspunt te hanteren". Dit is niet het moment om met elkaar te dimdammen over of de motie is uitgevoerd, maar de staatssecretaris mag het volgende noteren. Ik ga alles navragen. Ik ga alle misdaadjournalisten van Nederland laten uitzoeken of er nu wel of niet in groepjes gerecreëerd wordt en of er contact mogelijk is in de ebi en de AIT, want ik word met dit antwoord nu met een kluitje in het riet gestuurd, ondanks de aardige woorden van de staatssecretaris. Volgens mij verdien ik dat niet. Dit hebben we gewoon afgesproken met elkaar. We hebben afgesproken: geen contact tussen gedetineerden in de ebi. Ik begrijp niet waarom dat nu wel aan de orde zou zijn.

Staatssecretaris Rutte:

Het uitgangspunt is en blijft een individueel programma. Daar waar mensen wel contact met elkaar kunnen hebben, is dat iedere keer opnieuw gewogen op basis van de actuele veiligheidsinformatie. Ik kan niet geheel uitsluiten dat mensen inderdaad weleens dingen samen doen, maar in de basis gebeurt dat niet daar waar dat niet kan en gevaarlijk is.

De voorzitter:

Mevrouw Abdi, heel kort.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Heel kort. Ik hou mijn motie aan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1080.

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een motie van de heer Eerdmans over gevangenissen in het buitenland. Ik blijf … Ik ben alert. Ik zou willen zeggen "ik blijf alert", maar ik ben ook alert op kansen om in het buitenland, binnen Europa, capaciteit te creëren. De meeste andere landen hebben echter uitdagingen die nog groter zijn dan in Nederland, maar als de kans zich voordoet, springen we erbovenop. Ik geef deze motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1080: oordeel Kamer. Tot slot de motie op stuk nr. 1081.

Staatssecretaris Rutte:

Tot slot de uitzondering op de stikstofregels. Als dat voor defensie lukt, zou het al heel bijzonder zijn. Voor DJI lijkt dat een bijna onmogelijk iets. We doen alles wat kan. Als we ruimte vinden om binnen de regels iets voor elkaar te krijgen, doen we dat ook. Ik wil best mijn best doen om mensen heel lief aan te kijken om te zien of we hier een uitzondering voor kunnen maken, maar dat krijg ik simpelweg niet voor elkaar. Ik moet de motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1081: ontraden. Kort, meneer Eerdmans.

De heer Eerdmans (JA21):

Nou, iemand lief aankijken, dat kunnen we allemaal doen. Dat is gratis. Dat is geen punt.

De voorzitter:

Doet u dat eens.

De heer Eerdmans (JA21):

Het is ook goed om bij de voorzitter in een goed daglicht te komen staan. Maar de vraag is eigenlijk: zou het kabinet het willen? Zouden we willen dat gevangenen niet eerder worden vrijgelaten en zouden we daarvoor inderdaad willen proberen om een uitzondering te maken op de stikstofregels? Ik vind het namelijk een prima uitgangspunt dat we daarmee proberen de gevangenen binnen de muren te houden. Is de staatssecretaris het daarmee eens?

Staatssecretaris Rutte:

Ik voel wel mee met de heer Eerdmans. Vanuit mijn eigen portefeuille vind ik het extreem belangrijk en ook maatschappelijk is dit heel erg belangrijk. Maar daar speelt gewoon een bredere discussie. Defensie is ook extreem belangrijk. Bepaalde bedrijven die niet kunnen uitbreiden door stikstofregels zullen zeggen: wij zijn heel belangrijk. Ziekenhuizen die willen nieuwbouwen, zijn ook heel belangrijk. Dit onderwerp moet in samenhang worden bekeken. Ik kan daar niet per motie één enkele uitzondering op maken. Dat zegt niks over de mate waarin ik dit van belang vind, maar het heeft er wel mee te maken dat we hier niet per motie deze weging kunnen maken. Althans, ik kan dat niet.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Eerdmans (JA21):

Dan komen we in de categorie "we hebben gewoon een enorm probleem met het stikstofslot". Dat begrijp ik, maar het gaat hier om de rechtsstaat. Heel veel instituten hebben hierover gezegd: dat moeten we gewoon niet willen in Nederland. We moeten niet door de bodem zakken, waardoor we gevangenen straks à la Engeland misschien wel een maand eerder, voortijdig, weg moeten sturen. Dan zou ik als staatssecretaris van Veiligheid wel de ambitie uitspreken, net zoals de collega van Defensie dat doet, om waar het kan te proberen om gevangenissen, noodgevangenissen, te bouwen en te kijken of we een uitzondering kunnen maken. Is die ambitie er, of niet? Dat is eigenlijk de hamvraag.

De voorzitter:

De staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

De ambitie is om waar het maar kan invulling te geven aan extra capaciteit. We hebben te maken met budgettaire beperkingen en ook met stikstofbeperkingen. Een categorale uitzondering voor DJI is op dit moment gewoon niet haalbaar, hoezeer ik ook meeleef met de heer Eerdmans en vanuit mijn gedrevenheid rondom deze portefeuille met hem meevoel. Dan vraagt u van mij het onmogelijke.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat Gevangeniswezen. Ik dank de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voor zijn aanwezigheid.

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot 13.20 uur, waarna we verder zullen gaan met het tweeminutendebat Funderend onderwijs.

Mededelingen

Voorzitter: Paulusma

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik heb een uitgebreide regeling van werkzaamheden, dus ga er goed voor zitten, zou ik zeggen.

Ik stel aan de Kamer voor in te stemmen met het volgende aangepaste schema voor de begrotingsbehandelingen:

  • in de week van 9 december 2025: Algemene Zaken en de Koning;
  • in de week van 16 december 2025: Koninkrijksrelaties;
  • in de week van 13 januari 2026: Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp;
  • in de week van 20 januari 2026: Infrastructuur en Waterstaat en Economische Zaken;
  • in de week van 27 januari 2026: Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid;
  • in de week van 3 februari 2026: Binnenlandse Zaken en Asiel en Migratie;
  • in de week van 10 februari 2026: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Klimaat en Groene Groei;
  • in de week van 24 februari 2026: Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
  • in de week van 3 maart 2026: Defensie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Voorts stel ik daarbij voor de volgende spreektijden te hanteren:

  • D66 en PVV: 278 minuten;
  • VVD: 246 minuten;
  • GroenLinks-PvdA: 230 minuten;
  • CDA: 214 minuten;
  • JA21: 142 minuten;
  • Forum voor Democratie: 126 minuten;
  • BBB: 102 minuten;
  • DENK, SGP, Partij voor de Dieren, ChristenUnie en SP: 94 minuten;
  • 50PLUS: 86 minuten;
  • Volt: 78 minuten.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het debat over de Najaarsnota 2025, daarbij de begrotingsvolgorde aan te houden qua sprekersvolgorde en de volgende spreektijden te hanteren:

  • D66 en PVV: 8 minuten;
  • VVD, GroenLinks-PvdA en CDA: 7 minuten;
  • JA21 en Forum voor Democratie: 6 minuten;
  • BBB, DENK, SGP, Partij voor de Dieren, ChristenUnie, SP, 50PLUS en Volt: 5 minuten.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het tweeminutendebat Advies Fryske taal en kultuer 2024-2028 en Advies Friestalige Journalistiek (33335, nr. 25), met als eerste spreker het lid Vermeer van BBB;
  • het tweeminutendebat Ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (36387, nr. 50), met als eerste spreker het lid Flach van de SGP;
  • het tweeminutendebat Voortgang Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (30995, nr. 106), met als eerste spreker het lid Kröger van GroenLinks-PvdA.

Op verzoek van de fractie van de PVV benoem ik:

  • in de commissie voor de Werkwijze het lid Markuszower tot lid en het lid Stöteler tot plaatsvervangend lid;
  • in de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven het lid Moinat tot lid en het lid Maeijer tot plaatsvervangend lid;
  • in de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing het lid Faber tot lid.

Op verzoek van de fractie van de FVD benoem ik:

  • in de contactgroep België de leden Van Duijvenvoorde, Dekker en Van Houwelingen tot lid;
  • in de contactgroep Duitsland de leden Dekker, Van Meijeren en Van Houwelingen tot lid;
  • in de contactgroep Verenigde Staten de leden Jansen, De Vos en Dekker tot lid;
  • in de contactgroep Frankrijk de leden Dekker en Baudet tot lid.

Op verzoek van de fractie van JA21 benoem ik in de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties het lid Nanninga tot lid.

Op verzoek van de fractie van 50PLUS benoem ik:

  • in de contactgroep Frankrijk het lid Struijs tot lid;
  • in de contactgroep Duitsland het lid Struijs tot lid;
  • in de contactgroep Verenigd Koninkrijk het lid Van Brenk tot lid;
  • in de contactgroep België het lid Van Brenk tot lid.

Op verzoek van de fractie van het CDA benoem ik in de vaste commissie voor Asiel en Migratie het lid Tijs van den Brink tot lid in plaats van het lid Armut.

Op verzoek van de fractie van de VVD benoem ik in de contactgroep Frankrijk de leden Erkens en Schutz tot lid.

Ik deel aan de Kamer mee dat voor de volgende debatten de termijn voor toekenning is verlengd:

  • het dertigledendebat over de samenwerkingen met Israëlische universiteiten;
  • het debat over geweld tegen de politie en hulpverleners en de hufterigheid in de samenleving.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan ga ik nu in volle vaart verder met het tweeminutendebat Funderend onderwijs. Ik heet de leden van de Kamer en de staatssecretaris in vak K van harte welkom. Ik geef met alle plezier het woord aan de heer Stoffer. Ga uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter, ik heb een procedurele vraag. Ik kon destijds niet bij het debat zijn, maar ik zou me graag voor nul minuten willen aanmelden om eventueel verduidelijkende vragen te kunnen stellen over sommige moties. Ik zal er terughoudend mee omgaan, maar de vraag aan de collega's is of dat mag.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de Kamer. Het is wel handig als mevrouw Moorman gewoon op haar plek blijft zitten als we bezig zijn met de vergadering. Zijn er leden die niet willen dat de heer Stoffer nul minuten spreektijd krijgt? Ik zie geen handen. Dan is de heer Stoffer van harte welkom om mee te doen aan dit debat. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Moorman van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid voor haar bijdrage. Het spreekgestoelte gaat vanzelf omhoog, dus als u de collega's even de ruimte laat om 'm omhoog te doen, kunt u gewoon gaan spreken.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

O, ja! Ah, oké.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Excuus dat ik hier meteen de orde verstoor. Dat was zeker niet mijn bedoeling. U kijkt mij streng aan en dat is ook terecht.

Voorzitter. Fijn dat ik in dit tweeminutendebat de mogelijkheid krijg om twee moties in te dienen namens de fractie van GroenLinks-PvdA. Ik lees ze meteen maar aan u voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het tekort aan docenten in het primair en voortgezet onderwijs meer dan 10.000 fulltimebanen bedraagt;

overwegende dat alle mogelijkheden om het lerarentekort in te dammen moeten worden onderzocht en dat zijinstromers een deel van het tekort kunnen oplossen;

overwegende dat de AOb het Actieplan Tijd voor de zij-instromer heeft opgesteld met voorstellen voor concrete maatregelen, zoals het bovenformatief aannemen van zijinstromers, een volledig salaris vanaf dag één en voldoende begeleiding;

verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre de maatregelen uit het AOb Actieplan Tijd voor de zij-instromer kunnen bijdragen aan het oplossen van het tekort aan docenten en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn, en de Kamer hier voor de behandeling van de Voorjaarsnota over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Beckerman.

Zij krijgt nr. 848 (31293).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dat was de eerste motie.

Voorzitter. Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat leraren in het primair onderwijs gemiddeld zes tot acht uur per week kwijt zijn aan administratieve handelingen;

constaterende dat 26% van de leraren overweegt het onderwijs te verlaten vanwege de vele administratieve taken;

overwegende dat er grote verschillen zijn tussen leraren en scholen in de hoeveelheid tijd die zij besteden aan administratie omdat er sprake is van uiteenlopende processen en verwachtingen;

overwegende dat in landen als het Verenigd Koninkrijk, België en Australië leraren vier uur per week aan administratie besteden;

verzoekt de regering om uitvoering te geven aan de oproep van de Algemene Rekenkamer om samen met de Inspectie van het Onderwijs een handleiding te ontwikkelen voor het primair en voortgezet onderwijs waarin duidelijk staat welke administratieve taken wel en niet noodzakelijk zijn en hoe administratieve processen vereenvoudigd kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.

Zij krijgt nr. 849 (31293).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

U mag de motie aan de bode geven. De motie op stuk nr. 848 is ingediend samen met mevrouw Beckerman, zie ik. Geldt dit ook voor de motie op stuk nr. 849? Nee, hoor ik; alleen uw eerste motie dient u samen met mevrouw Beckerman in. Dank u wel.

Dan nodig ik nu graag de heer Ceder van de fractie van de ChristenUnie uit voor zijn bijdrage.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Een tijd geleden heb ik aandacht gevraagd voor mannen voor de klas, omdat we zien dat het aantal mannen voor de klas steeds verder daalt en dat de uitstroom op de pabo van mannelijke onderwijzers, althans, van mannen die onderwijzer willen worden, vrij groot is. Ik ben blij dat het ministerie daar actie op voert, maar dat gebeurt nog alleen op de instroom. Ik zou graag willen dat we ook ten aanzien van de uitstroom stappen kunnen zetten, zodat we ervoor kunnen zorgen dat we de dalende trend stoppen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een brede Kamermeerderheid is voor concrete afspraken met het werkveld en een concreet doel voor meer mannen voor de klas (motie-Ceder c.s. (27923, nr. 467));

constaterende dat het LOBO nu een streefcijfer van 30% heeft gesteld wat betreft instroom van mannelijke pabostudenten en ook zeven meesterlijke tips hiervoor heeft opgesteld;

overwegende dat het ook van belang is om in te zetten op het behouden van studenten en goede begeleiding van starters;

verzoekt de regering om in overleg met het werkveld te kijken hoe de uitstroom van de mannen verkleind kan worden door uitval te voorkomen teneinde nog meer meesters te behouden voor het onderwijs, en de Kamer periodiek te informeren over de voortgang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 850 (31293).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Daarnaast hebben we het tijdens het commissiedebat gehad over de vraag hoe verschillende waarden met elkaar kunnen botsen in het onderwijs. We hebben toen eigenlijk geconcludeerd dat het belangrijk is dat de onderwijsinspectie haar rol pakt, dat de politiek rolvast blijft en dat het goed is dat scholen, ouders en andere betrokkenen dat gesprek met elkaar aangaan. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat scholen vanuit hun eigen overtuiging vorm mogen geven aan goed onderwijs, binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat;

overwegende dat de onderwijsinspectie wet- en regelgeving stevig dient te handhaven en moet optreden bij overtreding, bijvoorbeeld bij discriminatie;

verzoekt de regering om, in samenwerking met profielorganisaties uit de volle breedte van het primair en voortgezet onderwijs, initiatieven aan te moedigen tot schoolbrede gesprekken tussen leraren, leerlingen en ouders over goed onderwijs, het samen school zijn en de waarden en normen die daarbij horen, en hier handvatten voor te ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 851 (31293).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Kisteman van de fractie van de VVD uit voor zijn bijdrage.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. We hadden een nuttig en goed debat over funderend onderwijs. Voor de VVD blijft digitale geletterdheid een belangrijk thema. Dit moet bij zowel leerlingen als leraren prioriteit krijgen. Mijn fractie heeft nog één vraag: wat is de stand van zaken van de Wet toezicht informeel onderwijs? Wanneer kan de Kamer dit wetsvoorstel verwachten?

Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag mevrouw Beckerman van de fractie van de SP uit voor haar bijdrage. U hoeft niet te rennen, hoor. Ik snap dat het even wennen is.

Mevrouw Beckerman (SP):

Goedemiddag, allen.

Voorzitter. Een hoge werkdruk, veel administratieve lasten, te grote klassen: dit alles zorgt ervoor dat we te weinig leraren voor de klas hebben. Bevoegde leraren kiezen een ander beroep en zijinstromers vallen uit. Daarom hebben we net samen met GroenLinks-PvdA een motie ingediend om obstakels voor zijinstromers weg te nemen en hen financieel beter te ondersteunen. Maar geld alleen is niet genoeg. De SP zal de strijd voor kleinere klassen — door ons de "kleineklassenstrijd" genoemd — blijven voeren.

Ook kleinere scholen zijn onderwerp van discussie. In sommige steden zijn er nu te veel, met als gevolg onderlinge competitie van leraren en voorzieningen. Daarom wil dit kabinet het makkelijker maken om kleine scholen op te heffen. Het is mooi dat daarbij rekening wordt gehouden met dunner bevolkte regio's. De SP vindt het niet alleen belangrijk dat elke leerling onderwijs op gepaste afstand heeft, maar ook dat elke leerling toegang heeft tot openbaar onderwijs. Voor alle leerlingen moeten scholen beschikbaar zijn zonder dat geloof een drempel vormt. Er zijn nu al regio's waar ouders nauwelijks een keuze hebben voor openbaar onderwijs. Die keuze mag niet verder onder druk komen te staan. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het makkelijker wil maken om kleine scholen te sluiten, maar scholen in dunbevolkte gebieden daarbij wil ontzien middels een afstandscriterium;

constaterende dat openbaar onderwijs in bepaalde regio's nu al onvoldoende beschikbaar is;

overwegende dat elke leerling een grondwettelijk recht heeft op toegankelijk openbaar onderwijs;

verzoekt de regering om in de vormgeving van het afstandscriterium ook zorg te dragen voor het voortbestaan van openbare scholen in dunbevolkte regio's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 852 (31293).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

U heeft het ook over het stichten van kleine scholen.

De voorzitter:

Met "u" bedoelt u mevrouw Beckerman.

De heer Kisteman (VVD):

Ja, sorry. Mevrouw Beckerman heeft het ook over kleine scholen in dunbevolkte regio's. Maar er is ook die wet over het stichten van kleine scholen. Hoe kijkt mevrouw Beckerman daartegen aan? Die geeft immers de mogelijkheid om kleine scholen ook in grote steden te stichten, een mogelijkheid die nu vrij klein is. Hoe kijkt mevrouw Beckerman daartegen aan?

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik moet eerst even resumeren om te zien of ik uw vraag goed begrijp. Mijn motie gaat deels ook over het openhouden van kleine scholen. Daar heeft het kabinet een plan voor gepresenteerd. Ze zeggen: we zien in steden dat kleine scholen met elkaar aan het concurreren zijn, dus we moeten echt goed kijken of dat wel zo wenselijk is. Dan zie je namelijk dat er een lerarentekort ontstaat en dat voorzieningen onder druk komen te staan. Dat kan ook in dunner bevolkte regio's tot problemen leiden. Daar heb je al dorpen waar een school verdwijnt. Daar is aandacht voor. Dat juichen wij toe. Met deze motie zeggen wij: ja, maar houd ook aandacht voor het openbaar onderwijs. Ik geloof dat de heer Kisteman nu zegt "je kunt wel makkelijk een school stichten". Ik denk dat dat een ander debat is, maar het heft elkaar niet helemaal op, want het sluiten van een openbare school om vervolgens weer een nieuwe te stichten ... Ik neem aan dat de VVD dat niet ziet als een wenselijk scenario. Maar het kan zijn dat ik de vraag niet goed heb begrepen. Dan hoop ik op een toelichting.

De heer Kisteman (VVD):

Nee, ik zal het even verhelderen. Dat is juist het probleem. In dunbevolkte gebieden wordt het aanbod van scholen kleiner of het verdwijnt, maar de mogelijkheid om kleine scholen te stichten, blijft bestaan. Is de SP het dan met de VVD eens dat dit juist een probleem is en dat de wet met daarin de mogelijkheid om kleine scholen te stichten, stopgezet zou moeten worden?

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik geloof dat hij 'm echt moet toelichten. De zorg zit voor de SP bij het verdwijnen van openbaar onderwijs op plekken waar de afstand tot openbaar onderwijs nu al te groot is. Dat gaat in heel veel gevallen over het openhouden van bestaande scholen. Op een plek waar je al een tijd geen openbaar onderwijs meer hebt, kan het gaan over het stichten van een school. Ik denk dat de VVD iets anders bedoelt. Ik denk dat de VVD de criteria om een school te stichten te makkelijk vindt, waardoor er te veel kleine scholen ontstaan, zoals ik dat stedelijke probleem benoemde. Daar gaat deze motie niet over. Die gaat echt over het recht op openbaar onderwijs en dat dat recht onder druk komt te staan als je niet kijkt naar plekken waar het openbaar onderwijs nu al verdwenen is of onder druk staat.

De heer Kisteman (VVD):

Ik zal het nog één keer proberen, heel kort.

De voorzitter:

Nee, nee, nee, één moment. Kort en afrondend. We gaan hier ook niet het commissiedebat overnieuw doen. Als u er nu niet uitkomt, kunt u wellicht in de schorsing nog even samen naar deze motie gaan kijken. Maar gaat uw gang. Kort.

De heer Kisteman (VVD):

Het recht op het stichten van kleine scholen staat de motie die mevrouw Beckerman indient, indirect in de weg.

De voorzitter:

Ik kijk naar mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ja, voorzitter, maar ik begrijp de heer Kisteman echt oprecht niet. Ik begrijp niet wat de VVD hier wil. Willen ze het recht op het stichten van een school stoppen of juist beperken, of juist niet? Ik geloof niet dat dit íéts te maken heeft met het recht op het openbaar onderwijs en het juist ook in dunbevolkte gebieden overeind houden daarvan. Wellicht kunt het toelichten in de pauze, want …

De voorzitter:

Dan ga ik concluderen dat …

Mevrouw Beckerman (SP):

... volgens mij begrijpt de VVD onze motie nog niet. Of ik begrijp de vraag niet. Maar we komen hier vast uit.

De voorzitter:

Ik ga ervan uit dat u eruit komt. U heeft uw motie ingediend. De staatssecretaris heeft aangegeven zes minuten nodig te hebben voor de appreciatie. Ik schors voor zes minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Funderend onderwijs. Ik geef met alle plezier het woord aan de staatssecretaris voor de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van de gestelde vragen. Ga uw gang.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Het is fijn om hier te zijn. Ik dacht één vraag gehoord te hebben, van de VVD, over de stand van zaken van het wetsvoorstel voor de Wet toezicht informeel onderwijs. Het wetsvoorstel is net voor advies bij de Onderwijsraad en het College voor de Rechten van de Mens geweest. Die adviezen zal ik betrekken bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel. Als uw Kamer dit onderwerp verder wil bespreken, dan ben ik daar te allen tijde toe bereid.

Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 848, van mevrouw Moorman, over zijinstroom: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 848 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 849, van mevrouw Moorman van GroenLinks-PvdA: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 849 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

Dan de motie op stuk nr. 850, van de heer Ceder. Als ik uw motie zo mag uitleggen dat ik ga verkennen hoe we preciezer zicht kunnen krijgen op de uitval van mannen in het onderwijs, dan geef ik uw motie oordeel Kamer. Ik kan daar nog iets aan toevoegen, namelijk dat het behouden van mannelijke leraren, en uiteraard ook van vrouwelijke leraren, van groot belang is in de aanpak van het lerarentekort. Daar zetten we ook al sterk op in. Het behouden van studenten en leraren, mannen en vrouwen, voor het onderwijs is echt een van de speerpunten van mijn beleid. We stimuleren en ondersteunen besturen en hogeronderwijsinstellingen bij deze taak. Dat doen we onder andere door te werken aan de begeleiding van studenten en startende leraren en door het beroep aantrekkelijker te maken met een inmiddels goed salaris. Ook proberen we de werkdruk te verlagen en de administratieve lasten te beperken.

De voorzitter:

Ik denk dat u alleen maar enthousiast kunt knikken, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Even ter verduidelijking. Ik vind het heel goed dat er een streefcijfer is voor de instroom. Dat is echt top. Maar qua uitstroom zien we dat er gewoon veel mannen afhaken tussen het begin en het einde van de opleiding. Ons punt is ook: kijk hoe we zo veel mogelijk mannen kunnen behouden. Als ik dat ook in de interpretatie mag lezen, dan kan ik akkoord gaan.

Staatssecretaris Becking:

Ja, voorzitter.

De voorzitter:

U bent eruit gekomen. Dan krijgt de motie op stuk nr. 850 oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 851, van de heer Ceder, over schoolbrede gesprekken met leraren: overbodig. Ik deel met u het belang van het voeren van het goede gesprek op school. Ik moedig ook schoolbrede gesprekken aan via de route van de formele medezeggenschap en via de informele routes die reeds op scholen bestaan. Ik werk aan een wetsvoorstel om de stem van leraren en schoolleiders beter te borgen, met als doel dat ze een stevige stem krijgen in de beslissingen die in het onderwijs worden gemaakt. Daarom acht ik die motie overbodig.

De voorzitter:

Ik kijk toch even naar de heer Ceder. Trekt u 'm in? Houdt u 'm aan? Wilt u erover nadenken? De heer Ceder gaat erover nadenken. De appreciatie blijft: overbodig. Dan de motie op stuk nr. 852.

Staatssecretaris Becking:

Deze motie is van mevrouw Beckerman van de SP en gaat over het garanderen van openbaar onderwijs in dunbevolkte gebieden. Voor de zomer van 2026 stuur ik uw Kamer een brief over de uitwerking van de herziening van de kleinescholentoeslag in de dunbevolktheidstoeslag; het is een hele zin. Ik vraag u om uw motie tot die tijd aan te houden.

De voorzitter:

De staatssecretaris verzoekt om de motie aan te houden. Mevrouw Beckerman gaat daarop reageren.

Mevrouw Beckerman (SP):

Nou kijk, dan zijn we heel erg laat. Het is een vrij sympathiek en klein verzoek. Wij vragen dit aan het kabinet: "Wij weten dat u hiermee bezig bent. Wij weten dat u in 2026 terugkomt naar de Kamer. U bent daar nu mee bezig. Neem alvast mee dat de beschikbaarheid van openbaar onderwijs in dunbevolkte gebieden mee moet worden genomen in die regeling." Dus aanhouden tot de regeling er is ... Als het er niet in zit, zou je het kabinet weer opzadelen met nieuw werk. U zou het eigenlijk kunnen zien als een simpele aanmoediging. Nou ja, simpel is het niet.

Staatssecretaris Becking:

Als de tekst is "mee te nemen in", kan ik daarin meegaan. Maar als we het gesprek op de inhoud voeren, wordt het ingewikkelder.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman?

Mevrouw Beckerman (SP):

Maar de tekst van de motie is: "verzoekt de regering om in de vormgeving van het afstandscriterium". Het kabinet zegt daarmee bezig te zijn. Wij zeggen dan: zorg ervoor dat je ook het voortbestaan van openbare scholen meeneemt. Dit lijkt mij het juiste moment voor deze motie. Wij verzoeken het kabinet om daarvoor zorg te dragen. Want het recht op openbaar onderwijs is echt een groot goed voor de SP.

Staatssecretaris Becking:

We nemen natuurlijk sowieso het belang van het openbaar onderwijs ook mee, dus als ik 'm zo interpreteer, dan zijn we eruit dat het zo kan.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman knikt ja.

Mevrouw Beckerman (SP):

Als dat met dit dictum kan, dan ben ik daar heel erg blij mee. We willen 'm in ieder geval in stemming brengen, omdat het op tijd moet gebeuren en de kabinet er nu aan werkt. Dank aan het kabinet voor de reactie.

De voorzitter:

En wat wordt de appreciatie dan?

Staatssecretaris Becking:

Dan wordt het oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 852 oordeel Kamer. Mevrouw Moorman, heeft u een vraag over uw eigen ingediende motie? Een hele andere urgente vraag? Heel kort.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik weet niet of het mag, maar ik heb een vraag naar aanleiding van wat ik de heer Beckerman net hoorde zeggen, namelijk dat hij bij de Kamer terugkomt over de kleine scholen. Ik hoorde net een vraag van de VVD naar aanleiding van de motie van mevrouw Beckerman over meer ruimte voor nieuwe scholen. Daardoor zouden steeds weer nieuwe kleine scholen, vooral bijzondere scholen, worden opgericht. Zou de heer Beckerman dat mee kunnen nemen op het moment dat hij de Kamer informeert over de kleine scholen?

De voorzitter:

Het is "staatssecretaris Becking" en het is "mevrouw Beckerman".

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Excuus, voorzitter. Ik maak allemaal fouten hier de eerste keer. Daar leer ik van, dus dank u wel. Excuus aan staatssecretaris Becking voor het verkeerd uitspreken van zijn naam, en ook aan mevrouw Beckerman.

Staatssecretaris Becking:

Dank voor alle excuses. Ik probeer nog even goed te begrijpen wat mevrouw Moorman nu aan mij vraagt, eerlijk gezegd.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we niet de discussie overdoen die we net hadden tussen de VVD en de SP, want dat gaf ook een hoop verwarring. Wellicht kunt u uw vraag zo concreet mogelijk stellen.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Als ik staatssecretaris Becking goed heb begrepen, gaf hij aan mevrouw Beckerman naar aanleiding van de motie aan dat hij later in het komende jaar terugkomt bij de Kamer op de kleine scholen en hoe daarmee om te gaan. Er was hier ook een vraag van de VVD over de impact van meer ruimte voor nieuwe scholen, omdat dat mogelijk weer tot het stichten van kleine scholen leidt. Ik zou staatssecretaris Becking willen vragen om dat ook mee te nemen.

Staatssecretaris Becking:

Volgens mij was er nog geen duidelijkheid over waar het debatje van net precies over ging. Deze motie gaat over de uitwerking van de herziening van de kleinescholentoeslag in dunbevolkte gebieden. Ik kan nu niet zeggen dat we dat ook meenemen. Dat gaat toch te ver.

De voorzitter:

Oké. Daar hebben we het met elkaar mee te doen. Dank u wel voor de beantwoording.

De voorzitter:

Ik schors voor enkele ogenblikken en dan gaan wij verder met het volgende debat.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de herziening van de wettelijke grondslagen van de kerndoelen met focus op lezen, schrijven en rekenen. Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet opnieuw de staatssecretaris in vak K van harte welkom.

Wij hebben een hele bijzondere dag, want we hebben vier maidenspeeches. Gaat u er allen dus zo meteen goed voor zitten, zou ik zeggen. Mevrouw Moorman heeft ook aangegeven geïnterrumpeerd te willen worden. De andere drie collega's hebben aangegeven de ruimte te willen hebben om hun maidenspeech te volbrengen in stilte, of niet in stilte maar zonder interrupties.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

We beginnen met collega Ceder. Die heeft zeker geen maidenspeech, maar ik heet hem wel van harte welkom voor zijn bijdrage. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst welkom aan alle nieuwe collega's in deze commissie. Ik denk dat alleen ik, de heer Stoffer en mevrouw Rooderkerk de laatsten der Mohikanen zijn en dat de rest nieuwkomer in de commissie is. Ik zie de heer Kisteman verbaasd kijken. Excuses! De vier musketiers. Mevrouw Van der Plas zwaait ook. Oké, deze inleiding gaat dus niet goed.

De voorzitter:

Als je begint met namen, dan vergeet je altijd iemand!

De heer Ceder (ChristenUnie):

In ieder geval welkom aan alle anderen. Ik zie een paar nieuwe gezichten. Ik kijk uit naar de goede, inhoudelijke bijdragen, want het gaat ergens over vandaag.

Voorzitter. Vandaag bespreken we de herziening van de grondslagen van de kerndoelen. Dat is een belangrijk onderwerp. Ik merk daarbij ook gelijk op dat ik wat moeite heb met de term "kerndoelen". Zijn de onderwerpen die in de wet genoemd worden namelijk ook daadwerkelijk de kern en het doel van het onderwijs? Doen we het onderwijsveld, de leraren en de schoolbestuurders daar misschien niet ook tekort mee, als we het daartoe reduceren? Nu weet ik dat deze wet dat niet als doel beoogt, maar het raakt denk ik wel een belangrijke kern. Onderwijs is meer dan het overdragen van kennis. Het vormt kinderen en jongeren tot wie ze zijn, hoe ze in het leven staan en hoe ze bijdragen aan de maatschappij. De eerste verantwoordelijkheid voor die vorming ligt de ouders — dat vergeten we soms nog wel eens — en niet bij de school, bij de Staat of bij anderen. Ouders hebben in principe het recht om kinderen wat betreft normen, waarden en overtuigingen op te voeden zoals zij achten of denken dat goed is. Dat recht werkt door in het onderwijs. Het vloeit bijvoorbeeld ook voort uit het grondwettelijke recht op onderwijsvrijheid.

Voorzitter. Dit versterkt de diversiteit in het onderwijs, het geeft de ruimte om vanuit een duidelijke identiteit onderwijs te geven en het biedt juist een sterke garantie voor dat vormend onderwijs. Ik denk dat het dan ook geen toeval is dat identiteitsgebonden scholen, of scholen die daar een sterke nadruk op leggen, over het algemeen ook de best presterende scholen van Nederland zijn.

Voorzitter. Het onderwijs dient, naast vorming, natuurlijk ook basisvaardigheden over te brengen. Zo kan het kind voorbereid aan de slag en participeren in deze samenleving. Laten we eerlijk zijn, daar bestaan terecht grote zorgen over. Vorige week was het nog in het nieuws dat het er belabberd voor staat met de schrijfvaardigheid van de Nederlandse scholier. Dat is niet de enige basisvaardigheid waarmee het slecht is gesteld, ook de leesvaardigheid gaat al jaren achteruit. De ChristenUnie vindt dat het snel anders moet. En ik weet dat vele partijen in dit huis dat ook vinden.

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken is een van de manieren waarop de regering wil proberen om hier verandering in te brengen. Het wetsvoorstel focust op de verbetering van de beheersing van de basisvaardigheden, namelijk van lezen, schrijven en rekenen. De regering wil met het wetsvoorstel ook het curriculum wat meer bij de tijd brengen. Zo wordt er bijvoorbeeld een wettelijke grondslag gecreëerd voor het opstellen van kerndoelen voor digitale geletterdheid en het burgerschap. Ik kan kort zijn over de noodzaak van de wet. Die is wat de ChristenUnie betreft namelijk een logische volgende stap in deze curriculumherziening, waarmee de conceptkerndoelen een wettelijke verankering krijgen.

Toch wil ik in mijn bijdrage ook wat langer stilstaan bij drie zaken. Allereerst wil ik stilstaan bij de doelen van de wet, die ik net noemde. Deze hangen immers samen met wat we mogen verwachten van het onderwijs. Ten tweede heb ik een aantal vragen over de curriculumherziening. Ten derde wil ik het specifiek over dit wetsvoorstel hebben. Ik zal ook een aantal wijzigingen die ik als concept heb ingediend, proberen toe te lichten.

Allereerst wil ik het hebben over de doelen van de wet. Voordat ik inhoudelijk inga op het wetsvoorstel, wil ik hierbij stilstaan. Ik vind het verbeteren van de beheersing van de basisvaardigheden, een van de doelen van dit wetsvoorstel, vrij ambitieus. Ik zie namelijk ook andere oorzaken die veel meer ten grondslag liggen aan die slechte beheersing. Dan kijk ik bijvoorbeeld, in navolging van de Onderwijsraad, naar oorzaken buiten het onderwijs. Denk aan de digitalisering van de samenleving. Mijn vraag aan de minister is wat bijvoorbeeld het effect is van alle uren op sociale media en smartphones op de lees- en schrijfvaardigheid. Is dat gemeten? Ook zien we dat de leerlingen die geen voorschoolse educatie hebben doorlopen grotere achterstanden hebben. Er zijn dus ook andere oorzaken, die dit wetsvoorstel niet oplost. Hoe reflecteert de staatssecretaris hierop? Is hij bereid om een bredere visie met bijbehorende maatregelen op te stellen, om ouders te ondersteunen in hoe ze bij kunnen dragen aan de leerontwikkeling van hun kind? Ik overweeg een motie hierop. Of ik die motie indien, is afhankelijk van het antwoord van de minister hierop.

Voorzitter. Ten tweede wil ik benadrukken dat het opdoen van basisvaardigheden niet het enige doel is van het onderwijs. Het onderwijs is geen leerfabriek. Het gaat dus niet alleen over het overdragen van kennis, maar ook over het leren functioneren binnen een gemeenschap, cultuur of beroepsgroep en over persoonsvorming, het ontwikkelen van een eigen identiteit en kritisch denkvermogen. Dat zijn in ieder geval de drie doelen die pedagoog Gert Biesta onderscheidt: kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming. Ik zie dat SLO in het proces van het bepalen van de kerndoelen deze drie doelen voor ogen heeft gehouden. In de debatten en in de voorstellen van dit kabinet lijkt de nadruk echter vooral op kwalificatie te liggen. Die nadruk lijkt te verschuiven. De twee andere doelen lijken onderbelicht. Herkent de staatssecretaris dit en ziet hij het gevaar dat door deze nadruk de andere doelen wellicht kunnen ondersneeuwen? Ik krijg hier graag een reflectie op. Wij willen ervoor waken dat steeds alle drie de doelen in onderwijswetgeving en -beleid structureel aan bod komen.

Voorzitter, dan de curriculumherziening. Ik wil allereerst opmerken dat het opstellen van de conceptkerndoelen een enorm proces is geweest met veel meedenken en -spreken vanuit het werkveld. Ik complimenteer dan ook de SLO, alle scholen die hebben meegedacht en -gewerkt, de wetenschappelijke curriculumcommissie, de ambtenaren van OCW en alle anderen die bezig zijn geweest met deze curriculumherziening. Ik begrijp in algemene zin, ook vanuit het werkveld, dat men prima met deze doelen uit de voeten kan, dus goed werk. Nogmaals complimenten.

Ik lees ook kritiek, bijvoorbeeld over hoe een onderwerp als duurzaamheid onvoldoende aan bod komt. Kan de staatssecretaris schetsen op welke manier de weging is gemaakt om iets al dan niet mee te nemen in de conceptkerndoelen? Hoe zwaar woog de inbreng van bijvoorbeeld vakorganisaties? Hoe representatief en gedragen zijn die conceptkerndoelen nu echt vanuit het werkveld? Kan de staatssecretaris hier iets over vertellen? Ik ben ook benieuwd op welke manier de veelkleurigheid van ons onderwijsstelsel is meegenomen. Zijn de verschillende richtingen, van vrije scholen, montessori's tot evangelische scholen, bewust hierin meegenomen? Ik zie graag een schets van de staatssecretaris van het gelopen proces.

Dan kijk ik naar de toekomst. Hoe wordt het werkveld ook nu betrokken bij de implementatie van het curriculum? Beseffen scholen wel degelijk wat hun te wachten staat qua verandering? Ik hoor graag op welke manier de staatssecretaris het werkveld hierbij meeneemt. Ik besef dat het de verantwoordelijkheid van de scholen zelf is, maar ik hoor ook graag op welke manier er ondersteund wordt.

Tot slot op dit punt wil ik wijzen op de eerdere opmerkingen van de Raad van State bij de Wet over de burgerschapsopdracht. Toen stelde de Raad dat de onderwijsinspectie met gepaste terughoudendheid toezicht diende te houden op de vaardighedencomponent van het burgerschapsonderwijs, aangezien de wijze van invulling ervan sterk zal samenhangen met het profiel van de school. Op welke manier neemt de staatssecretaris dit advies ter harte nu er kerndoelen over burgerschap zijn opgesteld en de inspectie hier ook toezicht op gaat houden? Kan hij concreet schetsen op welke manier de inspectie de eigen richting en de pedagogisch-didactische visie van de school respecteert bij het toezicht? De regering erkent immers zelf al dat burgerschapsonderwijs nauw verbonden is met al deze zaken.

Dan de inhoud van het wetsvoorstel. Na de opmerkingen van de Raad van State heeft de regering de zware nahangbepaling uit het wetsvoorstel geschrapt. Daar heeft de ChristenUnie, gezien de inhoudelijke argumentatie, begrip voor. Ik vraag de staatssecretaris wel waarom hij als vervanging daarvoor bijvoorbeeld niet een lichte voorhangbepaling heeft toegevoegd. De kerndoelen en de uitwerking van die kerndoelen, die met dit wetsvoorstel ook kunnen worden vastgelegd, raken immers aan de grondwettelijke vrijheid van inrichting. Het is dan ook goed dat er een formele parlementaire betrokkenheid blijft bij het vaststellen van de kerndoelen, en daarmee van het curriculum van scholen. Is de staatssecretaris het hiermee eens? Ik heb al een amendement ingediend om die voorhangbepaling alsnog op lichte wijze voor te leggen, samen met collega Boomsma en mevrouw Van der Plas.

De kerndoelen gaan over het wat, over wat er aan bod gaat komen in het onderwijscurriculum. Over het hoe hebben scholen, terecht, heel veel vrijheid. Maar de laatste jaren is de overheid over het wat wel wat doorgeschoten. We hebben heel veel moties aangenomen over wat er allemaal wel niet in het onderwijs aan bod zou moeten komen. Scholen ervaren overladenheid. Het is goed dat de staatssecretaris met deze curriculumherziening weer focus aanbrengt.

Toch heb ik op twee hele specifieke punten een amendement ingediend met een lichte uitwerking van de tekst met betrekking tot de conceptkerndoelen. Die zijn voor de ChristenUnie belangrijk, want die voegen niet iets toe aan de werklading, maar verduidelijken wel waar de focus op zou moeten liggen. Die twee punten vinden we zo belangrijk dat we het waard vinden om ze tot wetsniveau verheffen.

Het eerste punt is financiële educatie, financiële geletterdheid. Dat vinden we belangrijk, mede gezien de grote schuldenproblematiek onder jongeren. Het is bekend dat je armoede heel vaak overdraagt. Of het nou gaat om de Amsterdamse Bijlmer of de Veenkoloniën, als ouders niet goed omgaan met geld, is de kans groot dat kinderen hetzelfde gedrag of soortgelijk gedrag gaan vertonen. De cyclus van armoede houd je dan in stand. School zou een plek kunnen zijn waar je in ieder geval wat vaardigheden meekrijgt, juist in een tijd waarin jongeren gewoon een Klarnabetaalpas kunnen aanschaffen, je op je 18e al kan kopen op afbetaling en er weinig checks-and-balances zijn om te voorkomen dat jongeren al heel vroeg in de schulden belanden. Dat kunnen we afdekken door ook op de scholen daar waar we al leren over economie, daar wat nadruk op te leggen en dat tot uiting te brengen in de wet als het gaat over financiële geletterdheid. Laten we niet vergeten dat schulden, ook onder jongeren, een maatschappelijke kostenpost zijn van miljarden euro's en dat hieraan een economische component te hangen valt. Daarom hebben wij dit als amendement toegevoegd. We weten dat dit al benoemd wordt en dat het al onderdeel is van het curriculum. Maar door het op wetsniveau te regelen, hopen we er ook als parlement uiting aan te geven dat dit een belangrijk onderwerp is. Hopelijk kunnen we de cyclus, die we al generaties zien, doorbreken door dit wettelijk zo vast te leggen.

Voorzitter. Het tweede is benadrukken dat het bij geschiedenis en staatsinrichting moet gaan over het gehele Koninkrijk der Nederlanden — we zijn immers een koninkrijk — en niet alleen over Europees Nederland. Dit hebben we verduidelijkt in het amendement, zodat we ook toekomstige generaties al veel duidelijker maken wat het betekent om onderdeel te zijn van het Koninkrijk, dat de grenzen van ons Koninkrijk niet ophouden bij de Noordzee, maar bij Zuid-Amerika. Gezien de geopolitieke ontwikkelingen lijkt het me ook heel verstandig om dit tot uitdrukking te brengen. Het is niet een extra taak; dit wordt al geleerd. Maar door het op wetsniveau zo zuiver neer te leggen, denk ik dat we ook recht doen aan de daadwerkelijke staatsrechtelijke inrichting van onze samenleving.

Voorzitter. Daarnaast valt mij op dat momenteel de evaluatie mist in het wetsvoorstel. De doelen zijn echter ambitieus; zo begon ik mijn bijdrage. Het lijkt dan ook goed dat er na enige tijd wordt geëvalueerd in hoeverre dit wetsvoorstel en de kerndoelen daadwerkelijk bijdragen aan het behalen van de doelen, waaronder het verbeteren van de beheersing van de basisvaardigheden. Ook daarvoor heb ik een amendement ingediend.

Daarnaast …

De voorzitter:

Ik hoorde net een kleine punt. Mevrouw Rooderkerk wil u graag een vraag stellen. Gaat uw gang.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

De heer Ceder had het al over het tegengaan van de overladenheid van het onderwijs. Hij heeft een paar amendementen ingediend. Maar er zijn meer onderwerpen. Duurzaamheid vinden wij ook belangrijk. Die staat al in de kerndoelen, niet in de wet. Omgang met AI vinden wij belangrijk. Die staat al in de kerndoelen, niet in de wet. Waarom wil hij deze onderwerpen dan wel in de grondslagen van de wet zetten? We willen niet dat daar willekeur in ontstaat en willen daar zelf in ieder geval ook terughoudendheid in betrachten.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat begrijp ik. Die terughoudendheid heb ik zelf ook betracht door bijvoorbeeld duurzaamheid er niet in op te nemen. Dan als het gaat om deze twee punten. Als eerste als het gaat om de Staat en het Koninkrijk. Er staat nu al letterlijk — ik weet niet of de kijkers de tekst ooit gezien hebben — dat men iets moet leren over de Staat. Wat wij daaraan toevoegen is dat wij aangeven dat dit gaat over het Koninkrijk, want dat is volgens mij de facto de staatskundige inrichting zoals we die met elkaar kennen. Het is geen aanvulling op wat er geleerd zou moeten worden. Volgens mij is het een feitelijke correctie en aanvulling op hoe wij als Koninkrijk bestaan en ons staatkundig tot elkaar verhouden. Het is denk ik vooral op dat punt een aanvulling op wat er staat. Voor mij is wat wij toevoegen een correctere versie dan hoe het nu in de wet staat als je kijkt naar hoe wij staatkundig bestaan, wat dus een koninkrijk is. Dat is het eerste.

Het tweede gaat over financiële geletterdheid. We hebben die toegevoegd omdat economie er nu alleen als los onderdeel in staat. Financiële geletterdheid is inderdaad in de conceptdoelen meegenomen. We constateren en zien alleen dat we het al langer hebben over financiële educatie op scholen en dat er op verschillende manieren aandacht aan gegeven wordt. Maar je merkt dat tegelijkertijd de problemen rondom jongeren met schulden steeds meer toenemen. Eigenlijk merk je dat er steeds meer behoefte aan is dat jongeren voordat ze 18 worden, financieel geletterd zijn. Je ziet ook dat de gevolgen daarvan voor het individu, jongeren die in de schulden raken, groot zijn. Maar ook de maatschappelijke kosten zijn gigantisch. De totale schuldenlast is uit mijn hoofd 14 miljard per jaar. Ook dit is geen toevoeging aan de werklast, dit is een verduidelijking van wat al in de conceptkerndoelen staat, maar wat we tot uitdrukking laten komen in de wet, zoals we dat bijvoorbeeld ook doen met digitale geletterdheid. AI is ook een belangrijk punt. Volgens mij omvat digitale geletterdheid dat, net zoals financiële geletterdheid omgaan met schulden of creditcards omvat. Volgens mij zijn we het hierover eens. Dit is geen extra werkdruk of werklast, maar het is een verduidelijking van wat al in de conceptkerndoelen staat ten aanzien van financiële geletterdheid. Het tweede is volgens mij een correctie op hoe het Koninkrijk ook daadwerkelijk staatkundig is ingericht.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank voor die toelichting. Het belang van het eerste voorstel en de probleemschets die bij het tweede voorstel hoort, deel ik helemaal. Wij vinden het in die zin dus sympathiek. Alleen, het is vooral van belang dat kinderen ook echt leren wat ze zouden moeten leren. De heer Ceder geeft aan: dat staat al wel degelijk in de kerndoelen, dus laten we dat dan vastleggen. Wij zijn in ieder geval terughoudend om echt in die grondslagen nog allemaal wijzigingen te gaan doen. Omdat het met zoveel experts, leraren en scholen tot stand is gekomen, vinden wij dat we daar als Kamer niet te veel in moeten willen wijzigen. Dat is meer een oproep aan de collega's. Verder ben ik ook gewoon benieuwd naar de appreciatie van de staatssecretaris.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Daar ben ik het mee eens. Toch nog voor de duidelijkheid, want daar begon ik ook mee: we moeten uitkijken met welke extra last we bij leraren neerleggen. Maar dit zijn juist twee punten die nul komma nul extra last bij leerkrachten neerleggen. Ze staan al in de conceptkerndoelen. In ieder geval de staatsinrichting van het Koninkrijk komt daarin al tot uiting. Alleen, ik denk dat het er verkeerd of krampachtig staat. Volgens mij doe je hiermee ook recht aan de feitelijke staatkundige situatie.

Financiële geletterdheid staat er, net als digitale geletterdheid, ook al in, maar ik denk dat je hiermee ook echt uiting geeft aan een probleem waar we het in commissieverband in de commissie voor SZW, niet OCW, geregeld met elkaar over hebben. We zien dat er een grote groep jongeren is die steeds minder weet hoe om te gaan met geld. Bij economie leren kinderen wat hoogconjunctuur en laagconjunctuur is, wat allemaal goed is, maar we willen er ook in de wet uitdrukking aan geven dat je voordat je 18 bent, in ieder geval ook in staat moet zijn om financieel weerbaar te zijn. Ik denk dat die vaardigheid zo belangrijk is, juist in deze tijd, dat die ook in de wetstekst tot uitdrukking zou moeten komen.

De voorzitter:

Gaat u verder met de afronding van uw betoog.

O, er is toch nog aanleiding tot een vraag.

De heer Kisteman (VVD):

We hebben het in de commissie ook veel gehad over het periodiek onderhoud. We vinden het belangrijk dat de kerndoelen met de tijd meegaan. Maar als we dit nou gaan vastleggen in de wet en straks blijkt dat die financiële geletterdheid helemaal niet zo belangrijk is, niet van toepassing is, dan moeten we een hele wetswijziging gaan doorvoeren, terwijl we juist als commissie hebben gezegd periodiek onderhoud te willen. Dat vinden we belangrijk: dat de kerndoelen met de tijd mee kunnen gaan. Staat het amendement dat de heer Ceder nog wil indienen hieraan straks in de weg?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nee, ik denk dat financiële geletterdheid iets is wat sinds het begin der tijden belangrijk is. Dat zal over vier jaar niet anders zijn. Sterker nog, kijk naar de steeds ingewikkelder wordende samenleving, naar de manier waarop nieuwe initiatieven zoals buy now, pay later zich richten op jongeren en naar wat er op social media allemaal aan reclames op hen afkomt. Ik weet niet hoe oud meneer Kisteman is, maar in mijn tijd — ik ben inmiddels 36 jaar — had ik niet te maken met de verleidingen en uitdagingen waar jongeren vandaag de dag mee te maken hebben. Ik ben dus niet bang dat het onderwerp financiële geletterdheid verdwijnt. Ik denk dat het steeds belangrijker zal worden. Stel je voor dat we het zo goed doen met elkaar dat financiële geletterdheid niet meer nodig zou zijn en ook uit de kerndoelen verdwijnt. Dan zal dat uit de evaluatie moeten blijken. Zo zullen er nog andere dingen blijken. Ik snap uw argument, maar volgens mij weerhoudt dat dit punt niet.

Ik benadruk wel dat dit een dusdanig belangrijk punt is dat je dat ook in de wet tot uitdrukking zou moeten laten komen. Het staat al in de conceptkerndoelen, dus het is niet zo dat we nu iets extra's vragen. Maar we maken het wel zichtbaarder en belangrijker. Ik denk dat dat een belangrijke uitdrukking is van hoe we het als parlementariërs ook een belangrijk punt vinden dat je kinderen dit meekrijgen.

De heer Kisteman (VVD):

Ik sluit deels aan bij de inbreng van mevrouw Rooderkerk. Als nu elke fractie haar eigen paradepaardjes in die wet gaat vastleggen, wat is dan het nut van al het werk dat het veld heeft gedaan? Maar vooral, en dan stel ik nogmaals die vraag: wat willen we dan nog met periodiek onderhoud gaan doen? Want dat vervalt dan min of meer, omdat de wet dan leidend is.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het er niet mee eens dat hiermee al het werk vervalt. Financiële geletterdheid staat al in de conceptkerndoelen. Juist doordat het veld heeft samengewerkt, is dit al gemarkeerd als een heel belangrijk thema. Het is dus niet zo dat ik dit verzonnen heb; dit is al geconcludeerd en gemarkeerd. Nu staat er in de tekst dat kinderen economie bijgebracht zou moeten worden, wat ook heel belangrijk is. Wij voegen daaraan toe dat het gaat om economie en financiële geletterdheid, omdat economie een micro-, meso- en macrocomponent heeft, en financiële geletterdheid ook een individuele component heeft. Dat is geen paradepaardje. Ik denk dat de cijfers uitwijzen dat we een groot probleem hebben, als het gaat over jongeren die helaas te weinig van huis meekrijgen over financiën. We zien ook dat er cycli zijn van armoede in verschillende wijken. Een van de manieren om dat te doorbreken is volgens mij door er via het onderwijs aandacht aan te geven. Ik ben met u eens dat je het niet een paradepaardje moet laten zijn, maar dat dit een serieus belangrijk onderwerp is. Als het lukt om dit te tackelen, levert dat ook economische en maatschappelijke baten op. Dat loopt volgens mij echt in de miljarden per jaar. Daarnaast is het voor de individuele jongere tegenwoordig heel belangrijk om dit als basisvaardigheid mee te krijgen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het dus eens met uw punt, maar ik denk niet dat dit daaronder valt.

De voorzitter:

Meneer Ceder ...

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik denk dat wij er met een motie in de Kamer ook uitdrukking aan hebben gegeven dat wij dit met zijn allen een heel belangrijk punt vinden.

Voorzitter. Ik heb het gehad over de evaluatiebepaling. Die heb ik ingediend. Daarnaast lees ik, in aanvulling op de heer Kisteman, dat er periodiek onderhoud van de kerndoelen gaat plaatsvinden. Dat vind ik meer dan terecht, zeker gezien het feit dat de kerndoelen op een uitzondering na bijna twintig jaar geleden voor het laatst werden geactualiseerd. Er komt nu vanuit SLO een periodieke onderhoudskalender aan. Het lijkt mij goed om deze eens in de zoveel tijd te updaten, zoals de Onderwijsraad ook adviseert. Zo ja, op welke doelen? Ook hiertoe heb ik een amendement ingediend, samen met de collega's Moorman, Kisteman en Rooderkerk.

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Deze wetsbehandeling is een belangrijke mijlpaal in de jarenlange curriculumherziening. Misschien is dat voor ons als parlement een moment om wat meer terughoudendheid te betrachten wanneer een en ander is vastgelegd en zo, als het wettelijk kader straks staat, overladenheid bij het onderwijs te voorkomen. In plaats van ad hoc sturen op incidenten de komende jaren is een overzichtelijk proces voor de curriculumherziening van belang. Ik zag dat de wetenschappelijke curriculumcommissie hiervoor aanbevelingen heeft gedaan.

Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris deze adviezen oppakt. Is hij bereid om wellicht per brief inhoudelijk te reageren op de adviezen en uiteen te zetten of en, zo ja, op welke manier hij er uitvoering aan wil geven? De komende jaren gaan alle scholen in Nederland ermee aan de slag in de praktijk. Ik wil dan ook eenieder die in het onderwijs werkt daarbij veel succes en plezier wensen.

Dank je wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag mevrouw Rooderkerk van de fractie van D66 uit voor haar bijdrage. Ga uw gang.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter. Allereerst ook namens mij hartelijk welkom aan alle nieuwe collega's in toch wel de mooiste commissie van deze Kamer.

Voorzitter. Afgelopen week concludeerde de inspectie dat een op de zes tweedeklassers het schrijfniveau van de basisschool niet haalt. Een op de zes! Dat zijn tienduizenden jongeren die moeite hebben om een alinea te formuleren, een verslag te schrijven of überhaupt op te schrijven wat er in hun hoofd gebeurt. Tienduizenden leerlingen lopen hiermee het risico op laaggeletterdheid. En dat terwijl schrijven net als lezen de sleutel is tot alles wat volgt, van denken, met elkaar van gedachten wisselen, of dat nou is via een liefdesbrief of een kerstkaart, het afronden van een opleiding, tot je plek vinden in de samenleving. Dat kunnen we niet accepteren.

Gelukkig zetten we vandaag dan ook een stap in de goede richting, want de nieuwe kerndoelen brengen lezen, schrijven en rekenen in het hart van het onderwijs, niet als los vak, maar als fundament van elk leergebied. Straks wordt schrijven onderdeel van elk vak, van biologie tot geschiedenis, precies zoals het hoort. D66 steunt deze wet dan ook van harte. Wat ons betreft gaan we hier voortvarend mee aan de slag. In België stampten ze in één jaar een gedetailleerd kennisrijk curriculum uit de grond. Wij deden er ietsje langer over: twintig jaar. De laatste wijziging van ons curriculum was in 2006. Sindsdien hadden we de commissie-Dijsselbloem, de commissie-Schnabel, Onderwijs2032 en Curriculum.nu. Er waren duizenden leraren die meedachten, stapels papier, prachtige en minder prachtige ideeën, maar er was geen nieuw curriculum, terwijl de lees- en schrijfscores daalden en de kerndoelen steeds minder aansloten op de wereld.

In 2006 was kunstmatige intelligentie nog een vaag toekomstbeeld. Inmiddels is AI in elke klas aanwezig. Als ik op scholen ben, dan vraag ik ook weleens aan de leraar: in hoeverre gebruiken jullie nou ChatGPT in de klas? Vaak krijg ik dan het antwoord: niet echt. Dan vraag ik het aan de leerlingen en dan gaan alle handen omhoog. We moeten daar wat mee. Deze nieuwe kerndoelen brengen het weer terug naar de tijd van nu.

Ik ben wel benieuwd hoe de staatssecretaris kijkt naar de afgelopen tien jaar aan curriculumherziening. Er ligt een amendement voor van ons, de ChristenUnie, de VVD en GroenLinks-PvdA om regelmatig het curriculum te gaan herzien. Ik ben benieuwd hoe hij dat voor zich ziet.

Voorzitter. Als we het hebben over de basisvaardigheden, gaat het over meer lezen, meer schrijven en meer rekenen, maar hoe we dat doen maakt het verschil tussen stilstand en vooruitgang. Sommige partijen kiezen hier voor lezen, schrijven en rekenen ten koste van ander onderwijs, maar dat onderscheid is kunstmatig. Daar sta ik graag even bij stil. Goed onderwijs begint bij nieuwsgierigheid naar de wereld, daar woorden aan weten te geven en een leraar die dat in goede banen leidt. De grootste invloed op leesbegrip heeft niet het kunnen aankruisen van een hoofdgedachte of het toepassen van een leesstrategie, maar het daadwerkelijk begrijpen van wat je leest omdat je iets weet van de wereld om je heen. Je begrijpt een tekst over de getijden pas echt als je weet hoe hoog- en laagwater in elkaar steekt of als je weleens bij de zee bent geweest. Je begrijpt pas wat een tekst over voetbal zegt als je sport enigszins begrijpt, of wat een ritme is als je zelf muziek leert maken. Daarom moet lezen geïntegreerd zijn in elk vak, niet als een aparte activiteit, maar als onderdeel van lessen over geschiedenis, aardrijkskunde en de maatschappij. Daarom moeten we stoppen met het vak begrijpend lezen. Zelfs de bedenker ervan heeft zich er inmiddels van afgekeerd. Iedereen die ooit een willekeurige methode voor begrijpend lezen heeft opengeslagen, voelt waarom. Het is taal zonder wereldkennis, zonder context en zonder betekenis.

Ik vind dat dit curriculum daar goede stappen in zet, maar we moeten wel kritisch zijn op de manier waarop we het curriculum toetsen, want de toetsing stuurt het onderwijs. Op dit moment stuurt die de verkeerde kant op. Onze doorstroomtoets en ons eindexamen Nederlands zijn te vaak gericht op trucjes, zoekvragen, signaalwoorden, strategieën en zelfs multiplechoicedictees. Een gratis tip: bij twijfel, kies altijd antwoord B. Maar zo zou het niet moeten zijn. Er zijn scholen die geweldig, thematisch en kennisrijk onderwijs geven, zoals de scholen waar ik kom, waar overal boeken te vinden zijn: op het bureau, in de klas en overal in de gangen; scholen die op allerlei manieren met verhalen omgaan en in elk vak dat aan bod laten komen. Die scholen staan voor een duivels dilemma: gaan we daarmee door of stoppen we de tijd in het trainen voor de toets zodat die betere resultaten oplevert?

Daarom stel ik de volgende vragen aan de staatssecretaris. Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de nieuwe kerndoelen worden gevolgd door nieuwe toetsing, dat toetsen niet langer strategieën en trucjes belonen, maar echte taalbeheersing, schrijfvaardigheid, woordenschat en kennis? Gaat er daarbij echt getoetst worden op die schrijfvaardigheid? Hoe wordt de samenloop en dubbeling met de referentieniveaus opgelost?

De voorzitter:

Ik hoorde een punt. Ik zie dat de heer Boomsma heel graag een vraag wil stellen. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Ik vind het een uitstekende vraag hoe je meer aandacht kunt besteden aan schrijfvaardigheid in plaats van bijvoorbeeld aan multiplechoiceantwoorden. Alleen, ik denk wel dat het goed nakijken van geschreven teksten veel tijd vergt. Dat kost veel meer tijd dan het nakijken van bijvoorbeeld een multiplechoiceproefwerk. Ik heb daar zo ook nog een vraag over, maar ik ben benieuwd hoe mevrouw Rooderkerk dat ziet. Hoe zorgen we er nou voor dat leraren voldoende tijd krijgen om opstellen na te kijken en gericht suggesties te geven voor het verbeteren van die schrijfvaardigheid?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Mooie vraag. Dit is nou juist waar wat mij betreft over nagedacht moet worden wanneer we kijken naar de resultaten van hoe het gesteld is met de schrijfvaardigheid. Als je dat niet afdoende oefent op school, dan is het ook niet verwonderlijk dat het niet goed gaat met de schrijfvaardigheid. Nakijken is een van die zaken, maar daar kun je natuurlijk allerlei vormen voor maken. Het is wat mij betreft niet voldoende om alleen naar zo'n eindtoets te kijken. Dat is ook in het debat over de doorstroomtoets heel vaak naar voren gekomen. Het is natuurlijk een van de instrumenten die je hebt als leraar om te kijken hoe het met de ontwikkeling van een kind gaat, maar op scholen waar dat goed gebeurt, hoort er vaak een heel portfolio bij, waarbij ze veel vaker aan het schrijven zijn en daar al veel meer in alle lessen en gedurende de jaren mee bezig zijn. Dit is juist een van de vragen die wat ons betreft beantwoord moeten worden als we willen zorgen dat die schrijfvaardigheid daadwerkelijk verbetert.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Duidelijkere kerndoelen en betere toetsing gaan helpen, maar ze lossen de problemen in de klas niet vanzelf op. Daarom wil ik met deze nieuwe Kamer werken aan doorbraken voor het onderwijs. In mijn initiatiefnota over lezen en schrijven, Lezen voor je leven, doe ik daarvoor een aantal voorstellen, zoals leraren meer ruimte geven voor hun vak, met minder administratie, minder niet-lesgevende taken en minder vergaderingen, en met in plaats daarvan kleinere klassen en meer tijd voor voorbereiding en professionalisering. Dat doen we door het vakmanschap centraal te stellen, met meer doorgroeimogelijkheden en loopbaanpaden voor leraren, en door meer wetenschappelijke kennis de school in te helpen. Het is namelijk zorgelijk dat 40% van de pabostudenten nooit vrijwillig een boek leest. Laat dat tot u doordringen. Slechts de helft van de leraren Nederlands vindt dat ze voldoende kennis en vaardigheden hebben voor het geven van goed schrijfonderwijs.

Het is dus van belang dat we de lat verhogen door les te geven vanuit hoge verwachtingen, maar ook met meer focus. Er zijn zo veel goedbedoelde initiatieven over financiële educatie, mindfulness, EHBO-lessen, boerderijeducatie en moestuinen. Er is elke week wel weer een nieuwe dag, week of maand die aandacht verdient. Soms past dat bij het onderwijs, als het ook aansluit op de lessen van de school, maar vaak is het ook ruis. Dat vraagt ook iets van ons als nieuwe Kamer. Er zijn namelijk veel nieuwe gezichten vandaag. We zullen ongetwijfeld vaak met elkaar stevige debatten voeren, maar we hebben ook één gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat is de verantwoordelijkheid om voor het onderwijs te gaan staan in onze fracties, om ervoor te zorgen dat we de kerstboom niet verder optuigen. Het is onvermijdelijk dat u straks in uw fracties de oproep hoort om een maatschappelijk probleem in het onderwijs te gaan oplossen. Laten we dan met z'n allen zeggen: nee, we houden focus op wat telt. Dat zeg ik in de wetenschap dat wij ons hier in het verleden ook weleens schuldig aan hebben gemaakt. U mag raden welke uit het rijtje dat ik eerder noemde dat was. Mijn collega weet het vast.

Voorzitter. Over het aanbrengen van focus heb ik nog een vraag, specifiek met betrekking tot de kunstvakken. Vakverenigingen zeggen daarover: er dreigt verschraling te ontstaan. Maar ik hoor het ministerie zeggen: het blijft zoals het is. Kan de staatssecretaris even helder uiteenzetten wat er in de huidige situatie en de nieuwe situatie van scholen wordt verwacht dat ze onderwijzen over kunst en cultuur, en dan zowel ten aanzien van de grondslagen in de wet als de uitwerking daarvan in de kerndoelen? Wat ons betreft blijven die namelijk van gelijk belang.

Tot slot, voorzitter. Deze wet is een grote stap in de goede richting. Het is het sluitstuk van een jarenlang proces en hopelijk de basis van een agenda waarin we leraren weer ruimte geven om les te geven en we uitgaan van hoge verwachtingen en vakmanschap, waardoor kinderen niet alleen goed kunnen lezen, schrijven en rekenen, maar ook veel weten over de wereld om hen heen, zodat ze niet iets, maar iemand worden. Daar ga ik mij de volgende periode graag voor blijven inzetten.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van der Plas, gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Even over dat begrijpend lezen. Vroeger — oma vertelt — hadden we begrijpend lezen, technisch lezen, schrijven, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde. Begrijpend lezen was juist zo belangrijk om ook andere teksten, als je bijvoorbeeld geschiedenis of aardrijkskunde had, goed te begrijpen. Ik vraag me dus een beetje af hoe mevrouw Rooderkerk het nu precies voor zich ziet om het begrijpend lezen af te schaffen en dat te integreren in andere vakken. Dat zie ik niet helemaal.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dat is heel interessant, want dit is nu juist het hele punt. We hebben het heel lang op die manier gedaan. Vroeger ging het inderdaad zo. Toen had je een apart vak begrijpend lezen. De wetenschappelijke inzichten van nu laten echter zien dat dit niet de juiste manier was om leesonderwijs te geven. Hoe weten we dat? Ook omdat we zien dat inmiddels een op de drie kinderen van school komt zonder goed genoeg te kunnen lezen en schrijven om mee te komen in het leven. Die zorg delen we allebei; dat weet ik. Dat komt dus omdat het als apart vak gegeven wordt, maar er daarnaast in dat vak vooral gefocust wordt op strategieën om zinnen te ontleden of te begrijpen, terwijl het leesplezier daarmee uit alle leerlingen wordt geslagen. Maar de experts, de wetenschappers die daarnaar hebben gekeken, ook bij de rondetafel die we daar in de vorige periode over hebben georganiseerd, zeggen eenduidig: "Zorg voor een rijk curriculum. Zorg dat lezen in alle vakken naar voren komt. Zorg bijvoorbeeld dat je ook gedichten leest bij een cultuurles en dat je bij aardrijkskunde grote teksten leest, zodat je meer weet over die onderwerpen." Als je dan vervolgens een tekst leest, begrijp je ook echt wat er staat. Dat is volgens de huidige wetenschappelijke inzichten hoe het moet worden vormgegeven. Ik ben blij om te zien dat dat ook is hoe het nu in de kerndoelen is opgeschreven.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Hele generaties zijn van school af gekomen en konden gewoon lezen, schrijven en rekenen. Dat is de oude lesmethode. We hoeven niet alles te doen zoals in de jaren vijftig, zestig of zeventig, maar met name het probleem qua lees- en schrijfvaardigheid is echt een probleem van nu. Vroeger had je dat veel minder. Je had kinderen die iets minder goed konden schrijven en je had kinderen die iets minder goed konden lezen. Ik begrijp het idee van mevrouw Rooderkerk op zich wel, maar om dat begrijpend lezen in andere vakken toe te passen, zul je toch een basis moeten hebben met begrijpend lezen. Juist daar leren kinderen die niet zo goed begrijpend kunnen lezen namelijk de vaardigheid begrijpend lezen, waardoor je het ook makkelijker in al die andere vakken kunt toepassen. Maar dan zul je toch begrijpend lezen als basis moeten hebben en dat vak niet moeten afschaffen?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Er lopen inderdaad een paar dingen door elkaar. Het vak Nederlands blijft uiteraard bestaan. Ik probeer alleen duidelijk te maken dat je er veel breder aandacht aan moet besteden. Dat heb ík niet bedacht. Dat is verweven in de huidige kerndoelen, omdat dat volgens de wetenschappelijke inzichten is hoe we goed leren lezen. In de kerndoelen zie je dat dat uiteraard in het vak Nederlands is, maar daarnaast moet je ook in al die andere vakken aandacht hebben voor lezen en schrijven. Als je iets leert, is dat niet alleen luisteren naar de leraar, maar daar ook een verhaal over lezen en daar vervolgens iets over opschrijven. Dat is dus hoe je dat goed leert. Dit maakt het eigenlijk veel breder in ons onderwijs dan alleen bij dat ene uur per week dat je dat vak volgt.

De voorzitter:

Kort en afrondend op dit punt, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat begrijp ik en daar sta ik ook helemaal achter. Maar het afschaffen van het vak begrijpend lezen vind ik geen goede keuze, omdat dat een basis, een fundament, is voor het begrijpend lezen in alle andere vakken. Dat vak moet dus blijven omdat het ervoor zorgt dat kinderen vaardiger worden in al die andere vakken om stukken te lezen, te begrijpen en uit te leggen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Feitelijk is het zo dat door de manier waarop het vak in het verleden werd gegeven, waar deze kerndoelen nu dus een slag op maken, je niet beter ging leren lezen. Daardoor leer je namelijk vooral trucjes en strategieën. Kinderen beleven nu dus heel weinig plezier aan lezen omdat ze de afgelopen jaren zo veel op die manier zijn onderwezen. Ik stel niks nieuws voor. Ik sluit mij aan bij de kerndoelen. De kerndoelen zijn opgesteld door experts en leraren. Ze zijn ook op 200 scholen getest. Ik bepleit vooral dat we dat nu zo gaan doen. Ik neem aan dat mevrouw Van der Plas dat overigens ook vindt, maar dat is wat mij betreft hoe we het zien.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, ik blijf even bij de woorden "begrijpen". Ik begrijp dat u het er niet over eens gaat worden. Ik wil dit debatje niet met zes interrupties nog tot in den treure uitmelken. Ik had net al gezegd: de laatste korte, afrondende interruptie. Als u een ander punt heeft, geef ik u daartoe het woord, maar anders ga ik mevrouw Moorman voor haar maidenspeech uitnodigen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Eén ding nog: ik wil graag dat mevrouw Rooderkerk goed begrijpt dat ik het snap en dat ik het er ook mee eens ben dat het in andere vakken terug moet komen. Ik hoop dat mevrouw Rooderkerk begrijpt dat ik vind dat het vak begrijpend lezen an sich ook bewaard moet blijven als fundament voor het begrijpend kunnen lezen bij andere vakken. Dat is mijn punt.

De voorzitter:

Mevrouw Rooderkerk, u mag daar kort iets op zeggen. Anders geef ik het woord aan de heer Ergin.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Volgens mij begrijpen we elkaar voor een groot deel. Maar voor de duidelijkheid: we hebben het nu over het nieuwe curriculum en de kerndoelen. Daarin komen de laatste inzichten van leraren over hoe je goed lees- en schrijfonderwijs geeft, naar voren. Het is vooral van belang dat we dat nu gaan doen. Hoe scholen dat vervolgens inrichten, is aan de scholen zelf.

De heer Ergin (DENK):

Samen met mevrouw Rooderkerk heb ik me de afgelopen twee jaar actief verzet tegen de monsterbezuinigingen op het onderwijs. We weten dat we het vandaag hebben over de conceptkerndoelen, maar heel veel zaken zijn randvoorwaardelijk voor goed onderwijs. Denk bijvoorbeeld aan onderwijshuisvesting, docenten en leerkrachten voor de klas, voldoende activiteiten buiten de lessen om; daar zijn heel veel voorbeelden van. Ik zou mevrouw Rooderkerk het volgende willen vragen in het licht van dit wetsvoorstel. Vindt zij dit wetsvoorstel voldoende om de basisvaardigheden te verbeteren en vindt zij al die andere activiteiten die we in de afgelopen periode hebben proberen te behouden, nog steeds belangrijk?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ja. Ik zie alleen niet wat de tegenstelling hier is, want deze nieuwe kerndoelen brengen focus aan. Ze zorgen ervoor dat het lees-, schrijf- en rekenonderwijs weer up-to-date is. Na twintig jaar is er nu een vernieuwing: wat moet je leren en hoe leer je dat goed? Daarnaast wordt ook beter uitgewerkt hoe je burgerschap vormgeeft. Leren over de democratie en de rechtsstaat en ook over digitalisering is heel belangrijk. Daar ligt dus de focus op, maar cultuur is daar bijvoorbeeld ook een onderdeel van. In die zin denk ik dat alles waarvan wij vinden dat het onderwijs kinderen daarin moet onderwijzen, erin zit, zodat kinderen niet alleen leren om iets te worden, maar ook leren om iemand te worden, dus om zich als persoon te ontwikkelen.

De heer Ergin (DENK):

Ik stelde de vraag ook niet vanwege een tegenstelling. Volgens mij zijn wij het er allemaal over eens dat het, met alle technologische vooruitgang en vernieuwing die er is, sowieso verstandig is om iets uit 2006 te herzien en om te kijken of we dat meer bij de tijd kunnen brengen. Maar ik wil het in dit debat niet alleen hebben over "we doen het zelf" en over sjablonen, want met alleen sjablonen komen we er niet meer. Er is zo veel kapotgemaakt in het onderwijs door het huidige dubbel demissionaire kabinet dat we eigenlijk extra stappen moeten zetten. Ik ben op zoek naar ruimte voor die extra stappen. Als ik kijk naar de bezuinigingen die nog ingeboekt staan, zie ik bijvoorbeeld 35 miljoen euro voor sectorplannen. Dat is dan voor het hoger onderwijs. Ook is er een generieke taakstelling: 10% budgetkorting op onderwijs. De uitdagingen in de klas kunnen we niet oplossen door alleen de kerndoelen, die nu nog conceptkerndoelen zijn, beter te maken. We moeten ook investeren in het herstellen van al die dingen die kapot zijn gemaakt.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, meneer Ergin?

De heer Ergin (DENK):

Mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk is of we met D66 in het kabinet gaan zien dat deze bezuinigingen volledig van tafel gaan.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik begrijp dat de heer Ergin zichzelf hiermee aan de formatietafel uitnodigt. Ik geloof niet dat dat helemaal de setting is. Wij vinden als D66 dat je moet investeren in onderwijs. Ik maak mij, net als de heer Ergin, heel veel zorgen over de bezuinigingen van 1,5 miljard op het onderwijs, die nu nog in de begroting van dit dubbel demissionaire kabinet staan. Wat ons betreft is dat niet de manier waarop je met onderwijs en innovatie omgaat. Ik hoop echt van harte dat we het voor elkaar gaan krijgen om dat tij te keren, want het onderwijs verdient echt meer en onze leerlingen verdienen echt beter.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Ergin (DENK):

Een uitnodiging aan de formatietafel … Volgens mij zijn er inmiddels heel veel gesprekken gevoerd. Het was niet de bedoeling om aan de formatietafel te gaan zitten. Volgens mij is D66 bezig met andere partijen om wat te doen. Ik wens D66 daarbij heel veel succes. Het punt dat ik wil maken is als volgt. Dit debat over hoe we het onderwijs willen verbeteren, over hoe we ervoor willen zorgen dat kinderen beter onderwijs en goed onderwijs krijgen, is niet alleen een kwestie van kerndoelen. Het gaat veel breder. Ik hoop dat de vurige mevrouw Rooderkerk, die echt keihard heeft geknokt voor het onderwijs in de afgelopen periode, dat ook in een coalitierol gaat doen. Dat is eigenlijk de enige wens die ik nog wil uitspreken.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Absoluut. Dat is hoe u mij kent.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik mevrouw Moorman van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid uitnodigen voor haar maidenspeech. Dat is altijd een heel bijzonder moment. Mevrouw Moorman heeft aangegeven geïnterrumpeerd te mogen worden, maar ik zou de collega's toch wel willen vragen om mevrouw Moorman in ieder geval een aantal minuten de ruimte te geven om haar verhaal te vertellen. Na de maidenspeech ga ik schorsen, zodat mevrouw Moorman de felicitaties in ontvangst kan nemen.

Ik heet u van harte welkom. Gaat uw gang met uw maidenspeech.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank voor het woord. Inderdaad: dit is een mooi moment. Het is een voorrecht om hier te mogen spreken als volksvertegenwoordiger. Ik begrijp inderdaad dat het de gewoonte is om mij, tijdens mijn eerste bijdrage hier, niet te onderbreken, maar mijn Amsterdamse oud-collega's zouden zeggen: "Weet u dat wel zeker? Weet u wat u zich op de hals haalt als u haar zomaar zonder onderbrekingen door laat praten?" Ik zou u dus inderdaad graag uitnodigen dat wel te doen. Dat meen ik serieus, want ik hou van het debat. Onze democratie hoort een ideeënstrijd te zijn, dus schroom niet, interrumpeer als u wilt. Ik zie dat ook als een teken dat u let op wat ik zeg.

Ik vind het een groot plezier dat mijn eerste debat hier gaat over zo'n belangrijk onderwerp: de grondslagen voor de kerndoelen onderwijs die we hier vaststellen. Het gaat eigenlijk over een hele fundamentele vraag. Het gaat over wat wij in onze maatschappij noodzakelijk vinden om mee te geven aan onze kinderen, over wat wij beschouwen als cruciaal in de ontwikkeling van onze kinderen, zodat zij zich kunnen ontplooien tot vrije, verantwoordelijke burgers in onze samenleving. In onze klaslokalen geven wij de toekomst vorm. Onderwijs is dé manier om iedereen een gelijke kans te geven op een voorspoedige toekomst. Via onderwijs ontwikkelen we onszelf, maar ook de samenleving als geheel. Hoe wij het onderwijs vormgeven, hoe wij kansen bieden, hoe wij kinderen vooruithelpen; dat gaat ten diepste over wie wij als samenleving willen zijn en hoe wij met z'n allen naar onze toekomst kijken. Maken wij van ons onderwijs een individuele wedstrijd, een soort hordeloop met bijbehorende scorelijst en prijsuitreiking voor de winnaar? Of zien wij het onderwijs als een manier om ál het talent in onze samenleving te ontplooien, zodat we elkaar verder kunnen helpen en gezamenlijk vooruitkomen? Ik denk dat u zomaar kunt raden waar mijn fractie en ik voor kiezen.

Onderwijs is het krachtigste wapen dat we kunnen inzetten voor verandering. Dat zei Nelson Mandela al. Het is onmisbaar voor iedereen die streeft naar vrijheid, gelijkheid en solidariteit. Het is onontbeerlijk voor iedereen die de strijd aan wil gaan tegen vooroordelen, onwetendheid en al die hardnekkige krachten die de verdeeldheid tussen mensen vergroten. Het belang van onderwijs valt dus never nooit te onderschatten. Toen niet, nu niet, nooit niet.

Ik stapte in 2010 vanuit de wetenschap de politiek in omdat ik niet tegen onrecht kan. Als sociaaldemocraat geloof ik sterk in de kracht van gelijke kansen voor een betere samenleving. Voor mij volgde daaruit logischerwijs dat ik me in de politiek heel graag wilde bezighouden met onderwijs. Tot mijn vreugde kreeg ik die portefeuille ook. Die heb ik nooit meer losgelaten, ook niet toen ik later fractievoorzitter werd, oppositieleider en wethouder. Nu ben ik dus Kamerlid met de mooiste portefeuille.

Voorzitter. In Amsterdam heb ik als raadslid en wethouder in de praktijk gezien dat wij politici ontzettend veel kunnen doen om van het onderwijs een motor voor gelijke kansen te maken, hoe we ervoor kunnen zorgen dat we al onze kinderen meegeven wat zij nodig hebben voor een goede toekomst. Door vroeg te beginnen met een gratis voorschool bijvoorbeeld; door de kansenaanpak waardoor kinderen in armere buurten meer taal- en rekenonderwijs krijgen; door High Dosage Tutoring, rekenonderwijs waarmee in Zuidoost kinderen in een halfjaar tijd soms wel twee niveaus omhooggingen. Ze konden het dus wel, als ze maar de aandacht kregen die ze nodig hadden. Door een bredebrugklasbonus ook, die kinderen langer de tijd geeft om zich te ontplooien en elkaar te blijven ontmoeten; door familiescholen waar we niet alleen de kinderen het allerbeste onderwijs geven, maar ook de ouders ondersteunen, met taal, met financiën, met werk, waardoor er meer rust in de huishoudens komt voor kinderen om te leren en ouders beter in staat zijn om hun kinderen ook te begeleiden bij dat leren.

Voorzitter. Ik heb ook gezien hoe hard het nodig is dat we ongelijk investeren voor gelijke kansen en dat er in onze samenleving nog steeds een grote samenhang is tussen wie je ouders zijn en hoe groot je kansen zijn in het onderwijs. We leven in dit land nog steeds in de illusie dat iedereen in Nederland een gelijke kans heeft, omdat ons onderwijs voor iedereen beschikbaar is. Maar de werkelijkheid is totaal anders: er loopt in ons land nog steeds een grote kansenkloof door de samenleving. Kijkt u maar eens op internet naar de kansenkaart van Nederland. Daarop zie je dat er een hele duidelijke samenhang is tussen de schooladviezen voor leerlingen en de buurt waarin ze wonen. Hoe rijker, hoe groter de kans op een havo- of vwo-advies.

Dat is eerlijk gezegd ook niet zo gek als je kijkt naar waar de lerarentekorten het grootst zijn, waar de kwaliteit van het onderwijs het meest onder druk staat, waar het meeste wordt uitgegeven aan bijles en privaat onderwijs, en naar waar ouders hun kinderen wel kunnen ondersteunen en waar niet. Als je dat weet en op je laat inwerken, dan kan je eigenlijk niet verbaasd zijn dat een schoolloopbaan in Nederland maar deels afhankelijk is van eigen inzet en talent. Veel wordt bepaald door de andere factoren waar je als kind, als leerling, eigenlijk maar weinig invloed op hebt. Of er een vaste leraar voor de klas staat, of het onderwijs van goede kwaliteit is, of je ouders hebt die je kunnen ondersteunen.

Dat zou natuurlijk niet zo moeten zijn. Ieder kind verdient het om een eerlijke kans te krijgen. Onze samenleving wordt simpelweg beter als we talent niet verloren laten gaan en als we niet voortdurend een oneerlijke wedstrijd met elkaar hoeven te voeren die zorgt voor stress en voor gevoelens van vernedering, als we talenten niet rangordenen in "hoger" en "lager" maar ze allemaal de waardering krijgen die ze gewoon verdienen.

Voorzitter. Dat vormt voor mij het hart van sociale en democratische politiek: de belofte dat we pas vooruitkomen als we iedereen de kans geven om mee te gaan, dat we gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor elkaar, dat we elkaar als gelijkwaardig zien en dat we de samenleving sterker maken als het met iedereen goed gaat.

Tijdens een werkbezoek aan Helsinki, dat toch wel het walhalla van het onderwijs is, was ik onder de indruk van het motto dat zij gebruiken voor het onderwijs: de beste school is de school om de hoek. Kortom, het maakt niet uit waar je naar school gaat, want het onderwijs is overal even goed. Was dat maar het geval in Nederland! De OESO heeft eerder al laten zien dat de verschillen tussen scholen in de westerse wereld nergens zo groot zijn als in ons land. Het maakt dus nogal uit waar je naar school gaat voor de kansen die je in het leven krijgt.

Voorzitter. Ik heb me als wethouder eerlijk gezegd weleens geërgerd over hoe er in deze Kamer over onderwijs en kansengelijkheid is gesproken. Sowieso verbaas ik me erover dat funderend onderwijs is ondergebracht bij een staatssecretaris, natuurlijk niks ten nadele van de staatssecretaris, en het hoger onderwijs bij een minister. Het straalt toch een beetje uit alsof we de kinderen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs minder belangrijk vinden, terwijl juist die in mijn ogen de meeste aandacht verdienen. Het begint toch bij het fundament? Als je dat niet goed legt, dan staat alles wat je daarbovenop bouwt eigenlijk wankel.

Voorzitter. Daarnaast wordt hier regelmatig een oneigenlijk onderscheid gemaakt tussen focus op kansenongelijkheid en kwaliteit van onderwijs, alsof het een ten koste gaat van het ander. Maar kansenongelijkheid los je niet op door alleen maar te zorgen dat iedereen een gratis schoolontbijt heeft. Hoe belangrijk het ook is dat kinderen niet met honger naar school gaan en hoe groot de schande ook is dat dat in een rijk land als Nederland nog steeds gebeurt, de ongelijkheid in het onderwijs gaat veel dieper en heeft juist álles met kwaliteit te maken. Want als niet iedereen even goed onderwijs krijgt en, erger nog, als de kinderen die minder meekrijgen van thuis ook nog eens minder meekrijgen op school, dan vergroten we de ongelijkheid. Dat is dus precies wat je terugziet op de Kansenkaart en in talloze onderzoeken.

Mevrouw Rooderkerk verwees er al naar: vorige week presenteerde de onderwijsinspectie de resultaten van een peiling naar schrijfvaardigheid. We gaan het daar later over hebben in een debat. Dat is belangrijk, want uit dat onderzoek blijkt dat 40% van de vmbo-basis/kader-leerlingen lager scoort dan het meest basale niveau van 1F. 40%! Dat betekent dat 40% van deze leerlingen nog niet eens een normaal appje of mailtje kan schrijven, en dus ook niet een goede prompt voor AI. Dat gaat over een kwart van onze kinderen in het middelbaar onderwijs.

Vorig jaar was er net zo'n soort peiling, namelijk naar de leesvaardigheid. Daaruit bleek zelfs dat twee derde van de leerlingen op vmbo-basis/kader onder het basale referentieniveau 1F scoorde. Dat betekent dat 60% van vmbo-basis/kader-leerlingen nauwelijks informatie kan verwerken. Zij kunnen nauwelijks een bijsluiter lezen, laat staan een belangrijke brief van de overheid of informatie die je op basis van een AI-prompt krijgt. Mijn vraag is dan: wie gaat deze kinderen helpen om mee te komen in de samenleving? Hoe gaan we voorkomen dat zij straks ook behoren tot die groep van inmiddels al bijna 3 miljoen laaggeletterde mensen in ons land? Dat zijn mensen die kwetsbaarder zijn voor financiële onzekerheid en gezondheidsproblemen en meer afhankelijk zijn van de steun van de overheid. Als we het fundament niet op orde brengen, niet veel meer prioriteit geven, dan doen we niet alleen heel veel onrecht aan onze kinderen, aan leerlingen, maar zadelen we ook onze samenleving op met een enorm probleem voor de toekomst.

Voorzitter. We moeten dus aan de slag. Ik ben daarom blij dat ik hier mag staan, om te zeggen dat het goed is dat we onze kerndoelen voor het onderwijs goed onder de loep nemen. Dat is een belangrijke basis voor goed onderwijs, maar we moeten dat ook vooral doen om onszelf hier steeds bij de les te houden, want dit is uiteraard niet dé oplossing.

Om onderwijs op niveau te krijgen, zullen we de komende jaren echt veel meer moeten doen. We moeten investeren in voorschoolse educatie en in onze lerarenopleidingen. Ons lerarentekort moeten we aanpakken. We moeten dat bizar vroege selectiemoment, dat leidt tot stress, segregatie, onbenut potentieel, echt uitstellen. We moeten ouders ondersteunen in familiescholen en zo verder.

Voorzitter. U kunt erop rekenen dat er van onze fractie op al deze onderwerpen voorstellen zullen komen. Maar nu toch even terug naar de grondslagen waarvoor we hier zijn. Ik wil alle leraren, schoolleiders en overige deskundigen die de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan het verbeteren van de kerndoelen, heel hartelijk bedanken. Het is een enorm lang en intensief proces geweest van bijna twintig jaar. Ik denk dat we blij mogen zijn met het resultaat. Uiteraard zijn er altijd dingen waarover je iets kunt opmerken of waarover je vragen kunt stellen. Natuurlijk kunnen we elke keer wel weer denken: is dit nou precies wat we moeten leren? Maar ja, dit is wel waar het over gaat.

Ik zet een punt, voorzitter.

De voorzitter:

Nou wat fijn, deze service; ik hoor een punt! De heer Boomsma, ga uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank, voorzitter. Goed om mevrouw Moorman weer te treffen in een volksvertegenwoordigend orgaan, zij het een ander dan waar wij elkaar enige jaren geleden nog hebben getroffen. Ik ken haar pleidooi voor een latere selectie. Dat zou een enorm ingrijpende wijziging van ons hele onderwijsstelsel vergen. Als je een driejarige brugklas invoert, waarbij kinderen van vwo, havo en vmbo allemaal in dezelfde brugklas zitten, moeten leraren op al die verschillende niveaus, praktisch en theoretisch, in dezelfde klas onderwijs geven. Dat zou toch een enorme extra belasting voor die leraren vormen? Wil GroenLinks-PvdA dit inderdaad zo snel mogelijk invoeren? Op welke termijn dan?

De voorzitter:

Ik snap dat mevrouw Moorman door haar bijdrage deze vraag uitlokt, maar ik denk dat we het debat moeten voeren over de wet die we vandaag behandelen. Mevrouw Moorman, ik geef u natuurlijk wel het woord, zodat u kunt reageren.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik wil de heer Boomsma enorm bedanken voor het stellen van juist deze vraag. Ik denk inderdaad dat het selectiemoment moet worden uitgesteld. Het is niet zo dat dit nog niet zou gebeuren in ons onderwijs. Juist door een bredebrugklasbonus zoals die in bijvoorbeeld Amsterdam wordt toegepast, worden op tien middelbare scholen brugklassers bij elkaar gehouden, van vmbo-basis tot en met vwo. Dat gaat prima. Maar als de heer Boomsma vraagt of dat geen extra investering vergt, bijvoorbeeld in kleinere klassen, om te zorgen dat er echt aandacht is voor degene die extra ondersteuning nodig heeft, dan is dat natuurlijk waar. Daarom is het ook zo ontzettend pijnlijk dat juist die extra investering voor brede brugklassen is geschrapt door het huidige kabinet. We zouden dat inderdaad moeten terugdraaien.

De heer Boomsma (JA21):

Ik denk dat het heel goed is dat daar op bepaalde scholen ruimte voor is via een bredebrugklasbonus of anderszins, maar de vraag is nu of de partij van mevrouw Moorman dat ook wil verplichten, dus dat het aan alle scholen wordt opgelegd. Dat bekent namelijk dat het hele onderwijs volledig overhoop wordt gehaald. Gymnasia bijvoorbeeld, maar ook de hele onderbouw van het vwo en havo zouden dan niet meer in de huidige vorm kunnen bestaan. Is dat werkelijk wat haar partij nu bepleit?

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Vooral de wetenschappers laten in hoge mate — ik denk zo ongeveer 95% van alle wetenschappers — zien dat de grote ongelijkheid in Nederland, die dus veel groter is dan in andere landen, voor een groot deel ontstaat doordat wij zo ontzettend vroeg selecteren. Ik denk dat we onze kinderen daar inderdaad geen recht mee doen. Maar ik snap natuurlijk wat de heer Boomsma zegt: je moet dit soort processen zorgvuldig doen. Het lijkt mij heel verstandig om bijvoorbeeld met een staatscommissie te bekijken hoe we dat selectiemoment zouden kunnen uitstellen. U kunt erop rekenen dat daar voorstellen voor komen vanuit onze fractie.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw bijdrage.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik had het erover dat er natuurlijk altijd wel wat is aan te merken op zo'n proces. Als het over kerndoelen gaat, vragen mensen zich af of er niet ook andere dingen in moeten — ik heb er al een aantal gehoord — want dit gaat natuurlijk in essentie over wat we moeten leren in het onderwijs. Maar ik denk wel dat we ons moeten beheersen om het harde werk dat in het veld is gedaan, hier te veel te gaan amenderen. Dat neemt niet weg dat ik een aantal inhoudelijke vragen heb aan de staatssecretaris naar aanleiding van de signalen die zijn gegeven als gevolg van deze grondslagen en de kerndoelen die daarbij komen.

Allereerst duurzaamheid; dat werd ook al gezegd door het lid Ceder. Toenmalig staatssecretaris Dekker deed de toezegging aan mijn collega Westerveld dat organisaties, leraren en wetenschappers zouden worden betrokken bij de herziening en dat duurzaamheid zou worden toegevoegd. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: hoe is deze toezegging nou precies opgevolgd? We krijgen namelijk signalen van leraren die vinden dat er in de kerndoelen te weinig aandacht is voor duurzaamheid. Zit dat misschien ergens waar wij het nu niet zien?

Dan over de verschillende kunstdisciplines. Door middel van een nota van wijziging is het woordje "en" in de regel "beeldend, muziek en dans, theater en film" vervangen door "of", dus "of dans, theater en film". Het lijkt alsof de staatssecretaris daarmee het kerndoel van de kunstvakken juist versmalt. Kan de staatssecretaris toelichten of dat inderdaad zo is? Hoe houden we in beeld of dit ook niet tot negatieve effecten leidt? Hoe voorkomen we bijvoorbeeld dat er op sommige scholen vanuit een ideologische overweging misschien geen enkele aandacht meer wordt gegeven aan iets als dans, theater of film? Dat laatste zouden we toch niet moeten willen.

Dan over seksuele weerbaarheid en het voorkomen van seksueel geweld. Daar kregen we ook vragen over. De vraag is: is hier nu wel voldoende aandacht voor? Valt dit misschien onder het onderdeel gezond gedrag, een onderdeel dat de SGP per amendement juist wil schrappen uit de wet?

Als laatste hebben we nog vragen op het punt van burgerschap. In de reactie op het advies van de Raad van State geeft het kabinet aan dat er een spanning kan ontstaan tussen burgerschapsonderwijs en de opvattingen die voortvloeien uit de richting van de school. Zou de staatssecretaris kunnen toelichten wat hij bedoelt met deze spanning en wat hij daar dan vervolgens aan wil doen? Ik hoop toch niet dat hier eigenlijk staat dat het kan voorkomen dat leerlingen of leraren geen uiting kunnen geven aan bijvoorbeeld hun verliefdheid op iemand van hetzelfde geslacht, dat mensen niet kunnen zijn wie ze zijn op school. In onze ogen kan er nooit een acceptabele spanning zijn in de gelijkwaardige behandeling van mensen.

Voorzitter. Zoals gezegd zullen we dus zeer terughoudend zijn met inhoudelijke amendementen op de wet. Dat neemt niet weg dat we ons erbij betrokken voelen en op de voet zullen volgen hoe de implementatie daadwerkelijk gaat plaatsvinden. De laatste keer dat de kerndoelen werden vastgesteld, was in 2006. Er werden destijds geen discussies gevoerd over mobieltjes in de klas of het omgaan met AI. Sindsdien is de wereld fors veranderd. Mijn volwassen dochter was toen nog niet eens geboren en heeft er inmiddels al een hele schoolcarrière op zitten. De wereld verandert dus snel. Het is daarom ook noodzakelijk dat we de kerndoelen tegen het licht houden. Een cyclus van acht jaar lijkt daarmee een goede termijn te zijn. We leggen dat graag vast in de wet, zoals dat nu ook per amendement is ingediend door de heer Ceder. Zo gaan ongewenste en onverwachte zaken, zoals sneuvelende kabinetten of pandemieën, niet te veel in de weg zitten en tot uitstel leiden.

Voorzitter. Ik heb ook nog wat vragen over de implementatie van de kerndoelen, die onder een gesternte van een miljardenbezuiniging op het onderwijs gebeurt. Die bezuiniging treft vooral die dingen, die de kansengelijkheid juist bevorderen. Denk daarbij aan de voorschool, extra taal- en rekenonderwijs en brede brugklassen. Ik zei dat net al in het interruptiedebatje. De Raad van State vraagt zich terecht af waar de aanpak blijft om de kwaliteit daadwerkelijk te verbeteren. Alleen het vaststellen van kerndoelen gaat namelijk natuurlijk niet tot de noodzakelijke verbetering leiden. Ondertussen hebben we gezien dat de sector als gevolg van deze grote miljardenbezuiniging van tafel is gelopen bij het herstelplan. Leraren krijgen daarnaast nauwelijks extra tijd om zich de kerndoelen ook echt eigen te maken en ze om te zetten in goede lesprogramma's. Deze nieuwe kerndoelen kunnen daarmee dus juist leiden tot die overladenheid waarvan we de hele tijd zeggen dat we die willen bestrijden. Dus hoe gaan we zorgen dat de kinderen ook écht het goede onderwijs gaan krijgen dat ze verdienen en waarmee we de ongelijkheid gaan bestrijden? Hoe zorgen we ervoor dat we voldoende geschoolde leraren hebben om dat onderwijs ook daadwerkelijk te gaan bieden? En hoe zorgen we ervoor dat het nieuwe leermateriaal dat op basis van de kerndoelen wordt ontwikkeld van goede kwaliteit is, en niet vooral een verdienmodel van uitgeverijen en techbedrijven, die de markt steeds meer in handen krijgen?

Voorzitter, tot besluit. Ons onderwijs staat onder druk, maar we hoeven niet te wanhopen. We zien overal in het land voorbeelden van scholen die steengoed onderwijs geven, ongeacht de plek waar ze staan. Zij laten zien wat werkt. Nu is het nog de kunst om die lessen óveral toe te passen. We hebben hiervoor in Amsterdam het Onderwijskennis Netwerk Amsterdam opgezet. Hierdoor kunnen scholen die geweldige resultaten behalen op bijvoorbeeld het gebied van lezen, zoals de Alan Turingschool of onze Amsterdamse school, andere scholen helpen om dat ook te doen. Deze scholen laten zien dat als we ons daadwerkelijk op de juiste manier voor de kinderen inzetten, er geen énkel kind onder het 1F-niveau hoeft te scoren. De kennis is er dus allang. Het is alleen een kwestie van die kennis ook op de juiste manier benutten.

Dat begint soms bij de meest simpele en voor de hand liggende dingen. Als je wilt dat kinderen beter en meer gaan lezen, dan moeten er bijvoorbeeld wel boeken beschikbaar zijn en moeten er leraren zijn die leerlingen ook enthousiast maken. Als ik hoor dat er op de lerarenopleiding nauwelijks wordt gelezen, dat de helft van de leraren überhaupt nooit voor het plezier een boek leest en dat driekwart van de vo-scholen geen schoolbibliotheek heeft, dan is er nogal veel dat we kunnen aanpakken dat voor de hand ligt. We zouden de liefde voor lezen bij leraren veel meer kunnen bevorderen, bijvoorbeeld door ons op de opleidingen te richten en door daar voldoende aandacht te geven aan het voorzien van alle leraren van bijvoorbeeld een gratis bibliotheekabonnement. En elke school zou toch een schoolbibliotheek moeten hebben, met een goede leesconsulent, om leerlingen de weg te wijzen en enthousiast te maken?

Ik rond af. Ik zou willen dat ik met dit debat en met de moties die ik straks waarschijnlijk zal indienen, het hele onderwijs in één keer zou hebben gered. Maar dat is natuurlijk niet zo. We stellen niets meer dan grondslagen vast waarop we de rest moeten bouwen. Ik hoop dat we dat bouwen de komende jaren gezamenlijk gaan doen, door onze aandacht te richten op wat het meest belangrijk is: onze samenleving, onze kinderen, onze toekomst. Zij verdienen dat wij het met elkaar beter voor ze gaan maken. Er is nog veel te doen. Ik heb er zin in!

Voorzitter, dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Ik dank mevrouw Moorman voor haar bevlogen maidenspeech. Ik ga enkele minuten schorsen. U mag hier blijven staan, mevrouw Moorman, want dan gaan alle collega's u een hand geven. Wellicht krijgt u ook bloemen. Ja, ik zie de bloemen al komen. Ik schors voor enkele minuten voor de felicitaties.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen aan de bijdrage van de heer Kisteman van de fractie van de VVD. Ga uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik mevrouw Moorman van harte feliciteren met haar maidenspeech en welkom heten in onze commissie. Voor mij is het de een na mooiste commissie die we in huis hebben, want ik vind Economische Zaken natuurlijk de mooiste. Natuurlijk feliciteer ik ook alvast alle anderen die vandaag nog een maidenspeech gaan houden, en ik heet de nieuwe collega's welkom in deze commissie; ik zal niet meneer Ceder nadoen door ze bij naam te noemen.

De kinderen die nu naar school gaan, zijn straks degenen die onze problemen oplossen. Zij worden de ondernemers, de vakmensen, de uitvinders en de leiders van morgen. Of ze nu later willen werken met hun hoofd, hun handen of allebei, ze hebben allemaal één ding nodig en dat is een sterke basis. Een sterke basis betekent: goed kunnen lezen, schrijven, rekenen, digitaal vaardig zijn en begrijpen hoe onze democratie werkt. Met die goede basis kunnen zij, net als velen van ons hier, hun dromen verwezenlijken.

Maar die goede basis wankelt. Jaar na jaar horen en zien we de basisvaardigheden achteruitgaan. Kinderen komen met een achterstand van de basisschool of het voortgezet onderwijs. Op het mbo zijn docenten soms drukker met het inhalen van achterstanden dan met onderwijs geven in de praktische vaardigheden. Soms lukt het inhalen van die achterstanden niet meer en verlaten leerlingen met een achterstand het mbo. De gevolgen voor deze leerlingen, maar ook voor onze economie, zijn groot. Ze komen minder goed mee bij hun nieuwe baan of in transities, zoals de digitalisering.

Om deze neergaande trend te keren, is het voor de VVD-fractie essentieel dat er wordt doorgepakt. Gelukkig hebben dit kabinet en vorige kabinetten veel stappen gezet om de basisvaardigheden te verbeteren, van het Masterplan tot deze nieuwe wet. Eén van die oplossingen om de achterstanden op te lossen zijn de nieuwe kerndoelen: een duidelijkere omschrijving van wat er wordt verwacht dat leerlingen kunnen en kennen. In de memorie van toelichting lezen we duidelijk waarom dit nodig is. De huidige kerndoelen zijn globaal, bieden de leraren te weinig richting en zijn onvoldoende meegegroeid met maatschappelijke ontwikkelingen, zoals digitalisering. Dat ondermijnt de kwaliteit en flexibiliteit van het onderwijs en draagt bij aan de extra werkdruk van leerkrachten.

Deze wetgeving is de wens van de politiek en het veld. Wat nu voorligt, wordt breed gedragen. Het is belangrijk dat deze wet zo snel mogelijk door kan. Verder uitstel is wat mijn fractie betreft erg onwenselijk. De laatste herziening — dat is al een paar keer gezegd — dateert van 21 jaar geleden. De VVD wil doorpakken. Elke vertraging gaat ten koste van nieuwe generaties kinderen. Om die reden zullen wij amendementen of moties die de invoering van deze kerndoelen vertragen dan ook niet steunen.

De nu voorliggende wet benadrukt het belang van lezen, schrijven en rekenen expliciet. Dat is voor mijn fractie, zoals voor veel partijen in de Kamer, ontzettend belangrijk. De VVD is ook erg blij met de verankering van de digitale geletterdheid en burgerschap in deze kerndoelen. Onze kinderen groeien op in een wereld waarin technologie overal is. Hun sociale leven speelt zich veel meer online af. Digitale vaardigheden, zoals het vermogen om online informatie of AI te beoordelen en je veilig te bewegen op het internet, zijn net zo belangrijk geworden als goed leren lezen, rekenen en schrijven. Door deze vaardigheden vast te leggen in de kerndoelen, gaan leerlingen digitaal vaardig van school af. Het is goed dat dit niet langer vrijblijvend is, maar een stevig en volwaardig onderdeel van het curriculum wordt.

Dat geldt ook voor burgerschap. Kinderen leren respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Het gaat daarbij om Nederlandse normen en waarden als gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit. Burgerschap draagt enorm bij aan de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Met de kerndoelen voor burgerschap wordt nu de grondslag gecreëerd voor burgerschap in het funderend onderwijs. Dit is een belangrijke stap, want uit onderzoek van de onderwijsinspectie in 2025 bleek dat het bij heel veel scholen vaak ontbreekt aan concrete leerdoelen of een samenhangend curriculum, of dat het onderwijs onvoldoende wordt afgestemd op de sociale context waarin leerlingen opgroeien. Ook internationaal zijn de burgerschapscompetenties lager dan in vergelijkbare landen.

Voorzitter. Wat de VVD betreft zijn we er niet. Zo houden scholen nog ruimte open voor hun eigen interpretatie van de kerndoelen. Het is goed dat scholen hun eigen identiteit hebben, maar deze ruimte mag nooit leiden tot uitsluiting of het beperken van de vrijheid, gelijkwaardigheid of veiligheid van leerlingen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe hij ertegen aankijkt dat scholen aan de ene kant leerlingen moeten leren dat iedereen gelijk is, maar aan de andere kant afkeuren als je als jongen verliefd wordt op een jongen, en dat scholen onderwijzen dat er verschillende godsdiensten zijn, maar andere afwijzen als fout. Wat vindt de staatssecretaris ervan dat er scholen in Nederland zijn die in ons onderwijs artikel 23 boven artikel 1 zetten? Eigenlijk is dat toch scheef? We onderwijzen het ene, maar doen het andere. Ik overweeg hierover in tweede termijn een motie in te dienen.

Voorzitter.

De voorzitter:

Ik hoorde een punt. Dat gaf aanleiding voor mevrouw Moorman om in de benen te komen. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

De heer Kisteman vraagt aan de staatssecretaris wat hij ervan vindt, maar wat vindt de VVD ervan?

De heer Kisteman (VVD):

Een hele goede vraag. Dat kunt u wel raden natuurlijk. Wij vinden dat artikel 23 niet boven artikel 1 kan gaan. Wij vinden niet dat je op school kan leren — die voorbeelden gaf ik net — dat je als jongen verliefd mag worden op een jongen, terwijl de school dat vervolgens veroordeelt of zegt dat het niet mag, dus zegt dat gelijkwaardigheid belangrijk is, maar vervolgens bepaalde leerlingen gaat uitsluiten of discrimineren. Daar zijn wij groot tegenstander van.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Is de heer Kisteman het dan ook met mij eens dat er dus eigenlijk helemaal geen spanning zou moeten zijn, zoals nu is aangegeven op basis van het advies van de Raad van State?

De heer Kisteman (VVD):

Daar zijn wij het volledig mee eens. Als je artikel 1 als leidraad neemt, dat we gelijkwaardig zijn en we niet mogen discrimineren, dan zou er geen spanningsveld kunnen zijn binnen de vrijheid die het onderwijs heeft. Dat zou niet mogen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Dan naar het herstelplan van het onderwijs. Dat ligt momenteel stil, gezien het feit dat bonden en raden hier hun handtekening onder vandaan hebben gehaald en het nu aan het nieuwe kabinet lijkt te zijn hoe hiermee verder te gaan. Er wordt echter als het om de kerndoelen gaat, meerdere malen verwezen naar het herstelplan. Zo staat er: "In het herstelplan onderwijs komt een uitwerking van hoe leraren worden geprofessionaliseerd om het nieuwe curriculum goed te laten landen in de klas." En: "Ook maatregelen ten aanzien van betere toetsing, effectieve leermiddelen, professionalisering van leraren en de implementatie van de nieuwe kerndoelen in de lerarenopleidingen zijn onderdeel van het herstelplan." Ik zou graag van de staatssecretaris willen weten of en, zo ja, hoe deze onderwerpen nu verder worden opgepakt, ondanks dat het herstelplan stilligt. Hoe wordt deze Kamer op de hoogte gebracht van hoe leraren worden geprofessionaliseerd en hoe de kerndoelen worden verwerkt in de lerarenopleiding? Ik ga er niet van uit, maar het zal toch niet zo zijn dat de kerndoelen straks zijn vernieuwd, maar parallel de leraren niet goed worden toegerust om dit in de praktijk toe te passen?

Dan nog een punt waar de VVD veel waarde aan hecht: het verlagen van de leerplicht naar 4 jaar. Dit is ook een schakel in het verbeteren van de basisvaardigheden en het voorkomen van achterstanden. We zien dat juist in de eerste jaren de basis gelegd wordt voor taalontwikkeling. Te vaak zien we dat kinderen die al op jonge leeftijd minder taalaanbod krijgen, later extra hulp nodig hebben, of zelfs blijvend op achterstand komen. Door de leerplicht te verlagen, zorgen we ervoor dat alle kinderen, ongeacht hun thuissituatie, zo vroeg mogelijk toegang krijgen tot onderwijs en daarmee ontwikkelkansen. Het is een effectieve manier om achterstanden te voorkomen in plaats van te repareren. Daarom de volgende vraag aan de staatssecretaris. Zijn voorganger wilde de leerplicht verlagen naar 4 jaar. Wil deze staatssecretaris dat ook en, zo ja, welke concrete stappen kunnen wij hier verwachten?

De voorzitter:

Bent u bijna aan het einde van uw betoog?

De heer Kisteman (VVD):

Ja, bijna. Want?

De voorzitter:

Ik geef u de gelegenheid om het af te ronden.

De heer Kisteman (VVD):

Ik heb nog twee punten.

De voorzitter:

Dan geef ik mevrouw Moorman het woord. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Het ging over het verlagen van de leerplicht. Welk bewijs heeft de heer Kisteman dat het verlagen van de leerplicht naar 4 jaar daadwerkelijk gaat helpen om de kansengelijkheid te bevorderen voor kinderen?

De heer Kisteman (VVD):

Dat vind ik een hele goede vraag. Ik denk dat dit deels aansluit op uw inbreng. Als kinderen al gebruik kunnen maken van voorschoolse educatie, kunnen achterstanden daar weggewerkt worden. Hoe eerder zij in aanraking komen met onderwijs, des te beter dat is voor de ontwikkeling. Dus voorschoolse educatie is er een. We willen de leerplicht niet verlagen naar 2 jaar. Dus voorschoolse educatie is al een goede stap. Er is een hele grote groep kinderen die nu een achterstand hebben en die pas op hun 5de naar school gaan. Als we de leerplicht verlagen naar 4 jaar, kunnen we die groep daarmee naar voren halen, waarmee we die achterstanden kunnen voorkomen of minder groot maken.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Onderzoek laat zien dat 98,5% van de 4-jarigen naar school gaat en dat kinderen die niet naar school gaan, soms gewoon op wereldreis zijn; dat zijn niet per se de kinderen die een grote achterstand krijgen in het onderwijs. Ik ben heel blij met het eerste deel van de beantwoording van de heer Kisteman, namelijk dat voorschoolse educatie veel meer bijdraagt aan de kansen van kinderen. Dat blijkt ook uit onderzoek. Zou het niet veel beter zijn om daarop in te zetten in plaats van op de soort van symbolische maatregel van het verlagen van de leerplichtleeftijd naar 4 jaar?

De voorzitter:

Voordat ik de heer Kisteman het woord geef, wil ik graag het verzoek doen om weer terug te gaan naar de kern van het debat, waar we het vandaag over hebben. Maar gaat u over tot beantwoording.

De heer Kisteman (VVD):

Ik snap dat u dat zegt, voorzitter, maar het is wel een heel samenhangend verhaal. Mevrouw Moorman zei daarstraks: ik ga met mijn inbreng niet alle problemen oplossen. Met de herziening van de kerndoelen lossen we ook niet alle problemen op, maar het zijn wel allemaal fragmenten die we bespreken. Ik snap uw vraag.

Ik ben in Rotterdam op diverse scholen geweest in achterstandswijken waar kinderen pas op 5-jarige leeftijd naar school gingen, waar ze aan de hand van hun moeder bij het schoolplein werden afgezet. Daar werd dan tegen de schoolleider gezegd: hier is mijn dochter, hier is mijn zoon; die heeft recht op onderwijs, is 4 jaar en moet naar school. Achteraf bleek dat die kinderen al veel ouder waren, dat ze al 5 jaar waren. Uit dat soort steden — mevrouw Moorman kent Amsterdam beter dan ik — kwamen die vragen vandaan. Daar deden ze die oproep: verlaag alsjeblieft die leerplichtleeftijd, want dan hebben wij ook een stok achter de deur om die kinderen naar het onderwijs te kunnen halen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter, tot slot. Het periodiek onderhoud. Het heeft ruim 21 jaar geduurd voordat deze herziening tot stand is gekomen. Mevrouw Rooderkerk zei het ook al: daarop kunnen we als Kamer ook zeker onszelf aankijken. Collega Ceder zal mede namens de VVD een amendement indienen dat ervoor zorgt dat er wettelijk wordt vastgelegd dat er periodiek onderhoud zal plaatsvinden. Dit lijkt de VVD zeer verstandig. Wij steunen het dan ook van harte.

De VVD-fractie is blij dat deze wet eindelijk voorligt, en wil doorpakken. Met dit wetsvoorstel zetten we een grote stap naar beter onderwijs, waarin de basis weer op één staat: taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. Dat is duidelijker voor leraren en sluit aan bij de wereld van vandaag.

De voorzitter:

Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we nu over tot opnieuw een bijzonder moment: de maidenspeech van mevrouw Armut van de fractie van het CDA. Zij heeft aangegeven niet onderbroken te willen worden, dus dat zal ik ook niet toestaan. Mevrouw Armut, ik wens u heel veel plezier met uw maidenspeech.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Het is een grote eer om hier als Tweede Kamerlid te mogen staan. Dat ik mijn eerste toespraak in de plenaire zaal bij een onderwijsdebat met de focus op lezen, schrijven en rekenen mag doen, maakt het voor mij extra bijzonder. Onderwijs vormt een rode draad door mijn leven. Ik begon jaren geleden op het vmbo en ging via het mbo naar het hbo en naar de universiteit. Daarnaast stond ik vorig jaar zelf een periode voor de klas, op een vmbo-school in Groningen. Ik heb ervaren wat voor verschil een leraar kan maken. Dag in, dag uit zetten zij zich uit liefde voor de leerlingen in en begeleiden zij ze tot zelfstandige, nieuwsgierige kinderen die hun talenten ontdekken en tot bloei komen.

Tot wat voor mens je opgroeit, wordt voor een groot deel in je jeugd bepaald. Waar je wieg staat, wie je ouders zijn, hoe breed je het thuis hebt: het heeft allemaal invloed. Het leven van mijn ouders laat zien hoe bepalend geboortegrond kan zijn: hoe het deuren opent of juist sluit. Mijn ouders groeiden op in een wereld die in niets leek op de mijne, in een omgeving waar naar school gaan niet vanzelfsprekend was, hoe graag je ook wilde leren. De verhalen van mijn ouders maakten mij al op jonge leeftijd duidelijk dat het geen vanzelfsprekendheid is dat je naar school mag gaan en dat je uiteindelijk kan studeren.

Omdat hij zelf die kans niet had gekregen, beloofde mijn vader mij al vroeg dat hij me nooit een boek zou weigeren. Hij zei dan: een boek is een schatkist. Dat liet ik me geen twee keer vertellen, tot lichte wanhoop van mijn moeder, want boeken waren ook toen niet goedkoop. Carry Slee, Jacques Vriens, Roald Dahl, Annie M.G. Schmidt, Francine Oomen, Paul van Loon: ik verslond zoveel kinderboeken als ik kon. Uit goed fatsoen wisselde ik soms de boekwinkel af met de bibliotheek. Boeken brengen je in andere werelden. Je voelt geluk, pijn, verdriet, blijdschap, ergernis of hoop; elke keer door de ogen van een ander. Terwijl je je waant in een wereld die niet de jouwe is, leer je nieuwe woorden, word je creatiever, begrijp je emoties beter en verbreed je je kennis.

We mogen ons in Nederland gelukkig prijzen met het onderwijs dat we hebben. Als CDA'ers geloven we dat scholen geen fabrieken zijn die mensen moeten afleveren die zich er vervolgens voor moeten inzetten om zo veel mogelijk economisch rendement te behalen. Het is een gemeenschap. Een plaats waar vriendschappen ontstaan. Waar je leert omgaan met verschil. Waar je in de klas zit met kinderen uit andere bubbels. Daar begint de samenleving. Het christendemocratisch gedachtegoed ziet het onderwijs als meer dan alleen kennisoverdracht. De school is een van de plekken waar je een groot deel van je tijd doorbrengt. Het is daarom een belangrijke plek, waar je leert dat onze democratie niet vanzelfsprekend is. Dit vraagt van ons allemaal dat we de democratie versterken. Voor ons is het daarom logisch dat er ook in het onderwijs aandacht is voor burgerschapsvorming. Leerlingen moeten weten hoe onze democratie werkt, welke rechten en plichten zij hebben en hoe je vreedzaam omgaat met meningsverschillen.

Als CDA'ers hechten wij aan het principe van gespreide verantwoordelijkheid. Steeds vaker zien we dat het onderwijs wordt gezien als vindplaats en oplossing voor allerlei sociale problemen. Die valkuil leidt ertoe dat scholen steeds meer maatschappelijke taken op hun bord krijgen, waardoor lezen, rekenen en schrijven onder druk komen te staan. De ontwikkeling van een kind is geen taak van één partij, maar een gezamenlijke opdracht van ouders, scholen en de overheid. Ouders spelen een centrale rol in de opvoeding, de overheid schept de randvoorwaarden die nodig zijn om ieder kind eerlijke kansen te bieden en scholen en leraren zorgen voor goed onderwijs. Een gemeenschap ontstaat immers niet door sturing van bovenaf, maar groeit van onderop, in gezinnen, op scholen, in verenigingen en in buurten. Of je kunt lezen, schrijven en rekenen heeft een grote invloed op de rest van je leven. Het zijn de basisvaardigheden die maken dat je mee kunt doen, dat je kansen krijgt en dat ongelijkheid kleiner wordt. Het zijn vaardigheden die je vrijheid geven.

Dat het nooit te laat is om te leren, bewezen ook mijn ouders. Zonder diploma's maakten ze er van het begin af aan het beste van. Hard werken doen ze nog steeds, mijn moeder bij een kwekerij en mijn vader als beveiliger in de Eemshaven. Afgelopen zomer nog behaalde hij zijn mbo-diploma. Ik ben er trots op dat ze er vandaag bij kunnen zijn.

Dat brengt mij bij de behandeling van deze wijziging van wet. Allereerst ook van mij, van het CDA, de complimenten aan iedereen die betrokken is geweest bij de totstandkoming van deze grondslagen. Het is in samenspraak gebeurd met de onderwijswereld. Complimenten en dank daarvoor.

Voorzitter. Dit wetsvoorstel legt de juridische basis die nodig is om nieuwe kerndoelen te kunnen vastleggen. Zonder een wetswijziging kunnen geen concretere kerndoelen worden vastgelegd. Mijn fractie maakt zich zorgen over het niveau van rekenen, lezen en schrijven van leerlingen. Ook de Raad van State en de Onderwijsraad zijn helder: deze lage taal- en rekenvaardigheden vinden hun oorsprong niet alleen in, maar ook buiten het onderwijs. Hoewel de staatssecretaris erkent dat dit het geval is, blijft mijn fractie zoekende naar concrete maatregelen om tot een integrale aanpak hiervan te komen. Daarom vraagt het CDA de staatssecretaris welke aanvullende gerichte maatregelen hij ziet om achterstanden die al voor groep 1 ontstaan, te voorkomen en te verkleinen, zodat kinderen een gelijke start kunnen maken op de basisschool. Het CDA ziet bijvoorbeeld kansen in het aanbieden van voor- en vroegschoolse programma's aan kinderen van 2 en 3 jaar die dat voor hun ontwikkeling nodig hebben. Ziet de staatssecretaris dat als een van de gerichte maatregelen?

De staatssecretaris zet helder uiteen waarom de behoefte aan een herziening groot is. Eerder waren de kerndoelen zeer globaal geformuleerd, wat sommige schoolleiders en leraren te weinig houvast bood. Het zou onduidelijk zijn geworden wat verplicht is en wat niet, met als gevolg dat leraren zich overladen voelden. Het is van groot belang dat een balans wordt gevonden tussen dat gebrek aan houvast en te dichtgetimmerde kerndoelen. Daarom vraag ik de staatssecretaris: hoe waarborgt hij dat kerndoelen niet het effect hebben dat ze het vakmanschap van leraren beperken doordat leraren in een keurslijf terechtkomen?

Het CDA vindt het positief dat de regering voornemens is lezen, rekenen en schrijven naar een hoger niveau te tillen. Zoals we eerder al hebben benadrukt, doen we dit niet alleen met de herziening van kerndoelen. Het vraagt een brede aanpak. Wel lijkt het ons essentieel om te kijken of deze bouwstenen daadwerkelijk bijdragen aan het doel dat we met elkaar stellen. Kan de staatssecretaris aangeven of, en zo ja hoe, hij voornemens is om te evalueren of de nieuwe kerndoelen daadwerkelijk leiden tot een beter lees- en rekenniveau? Hoe voorkomt hij dat dit verzandt in een papieren tijger zonder gewenst effect in de klas?

Nu burgerschap expliciet onderdeel wordt van de kerndoelen, betekent dat ook dat de onderwijsinspectie hierop moet gaan toezien. Kan de staatssecretaris toelichten hoe dit concreet vorm gaat krijgen? Het lijkt het CDA niet altijd makkelijk meetbaar te maken. Daar horen we graag meer over. En heeft de inspectie voldoende mogelijkheden om hier adequaat toezicht op te kunnen houden?

Ook lees ik in de nota naar aanleiding van het verslag dat de komende jaren een grootschalig onderzoek plaatsvindt naar effectieve werkwijzen en monitoringsstrategieën binnen het burgerschapsonderwijs. De eindresultaten worden naar verwachting in 2029 gepubliceerd. Wat kunnen wij precies verwachten van een grootschalig onderzoek? Kan de staatssecretaris dit toelichten? Voorzitter, tot slot. Ook ik kijk uit naar samenwerken met deze commissie en samen aan de slag gaan voor goed onderwijs. Ik kijk uit naar de debatten, die we op inhoud zullen voeren, en de stappen die we samen kunnen zetten.

Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Ik dank u voor uw hele persoonlijke bijdrage. Dat is altijd mooi om te horen in deze Kamer. Ik schors voor enkele minuten zodat u gefeliciteerd kan worden. Ik geef u graag als eerste de hand.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Het wordt een steeds heuglijker dag, want we hebben nu een derde maidenspeech. Ook dit is een heel bijzonder moment. Ik nodig mevrouw Raijer van de fractie van de PVV uit voor haar maidenspeech. Ook mevrouw Raijer heeft aangegeven niet geïnterrumpeerd te willen worden, dus dat zal ik ook nu niet toestaan. Ik ga met heel veel plezier luisteren naar uw bijdrage. Gaat uw gang.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreek ik hier voor het eerst in deze Kamer. Een bijzonder en eervol moment. 26 november is voor mij een betekenisvolle datum: het is de dag waarop ik geboren ben, maar ook de dag waarop mijn moeder precies een jaar is overleden. Zij was iemand die scherp naar de politiek keek, die de PVV waardeerde en die geloofde in duidelijke taal en duidelijke keuzes. Ze kan dit moment helaas niet meer meemaken, maar dat verandert niets aan mijn inzet. Ik sta hier om het werk te doen dat gedaan moet worden, zonder omwegen, zonder ruis en met de overtuiging dat het anders moet. Laat ik meteen duidelijk zijn: ik ben niet naar de Tweede Kamer gekomen om het bestaande beleid te bevestigen of om braaf mee te draaien in de Haagse polonaise. Ik ben hier om te zeggen waar het op staat. Als dat hard binnenkomt, dan is dat maar zo, want in het onderwijs is de werkelijkheid al lang verzacht, verbloemd en weggepoetst.

Voorzitter. Ik heb veertien jaar in de gemeenteraad van Almere gezeten. Ook daar heb ik gezien wat er misgaat in het onderwijs, niet vanuit een beleidsdocument of vanachter een bureau, maar op straat, op scholen en in gesprekken met ouders, leerlingen en leraren. Daar hoor je namelijk de echte verhalen. Daar zie je de schade van beleid dat wordt bedacht door mensen die nog geen vijf minuten voor de klas zouden overleven.

Voorzitter. Nu ligt hier de wetswijziging in verband met de herziening van kerndoelen. Kerndoelen moeten gaan over hetgeen waar onderwijs voor bestemd is: de overdracht van kennis en het bijbrengen van vaardigheden. Alles begint bij taal en rekenen, bij lezen en schrijven. Taalvaardigheid is macht. Wie de taal beheerst, kan meedoen. Wie de taal uitstekend beheerst, bepaalt. Als we de afgelopen decennia iets hebben gezien, is dit het. De sociaal-maatschappelijke tweedeling anno 2025 ligt tussen degenen met en degenen zonder de juiste woorden. Woorden zijn machtsmiddelen. Kennis is macht.

Voorzitter. Die onverteerbare tweedeling komt niet uit de lucht vallen. Ons onderwijs is jarenlang misbruikt als politieke speeltuin. De overheid wilde opvoeden in plaats van onderwijzen. Ondertussen zakten de prestaties door de bodem. Een op de drie kinderen verlaat het onderwijs als functioneel analfabeet. In het vmbo kan 40% geen eenvoudige tekst op basisschoolniveau produceren. Cynischer wordt het niet. Iedereen die de mond vol heeft van kansengelijkheid, heeft dit laten gebeuren. Sterker nog, onder het motto "kansengelijkheid" werden latten verlaagd, werd de leraar gedegradeerd tot coach en begeleider en veranderde de school in een dagopvang. Kansengelijkheid werd een race naar de bodem. Kansengelijkheid werd kansloosheidsgelijkheid, behalve natuurlijk in de rijke linkse bubbels. Daar liggen de kansen voor het oprapen. Daar plukt men de vruchten van de kansenongelijkheidscatastrofe die over de rest van het land werd uitgestort. De volgende stap, die de meritocratie de nek om zal draaien, is de brede brugklas, zodat ook de havo- en vwo-leerlingen eraan mogen geloven. Ieder talent, iedere inzet, iedere ambitie zal en moet opgeofferd worden op het linkse altaar van gelijke uitkomsten.

Voorzitter. Het onderwijs is ingestort doordat wordt losgelaten wat werkt: evidence-informed onderwijs, waar een uitstekende leraar zijn vak uitoefent. Aan slecht onderwijs valt lekker te verdienen. Adviseurs, trainers, curriculumclubs, projectbureaus: iedereen verdient eraan, behalve de leerling. De klas is het sluitstuk geworden van een pervers systeem dat vooral zichzelf in stand houdt.

Voorzitter. De PVV onderschrijft het belang van stevige, concrete kerndoelen voor lezen, schrijven en rekenen. Dat is het fundament van elk kennisrijk curriculum. Maar nieuwe kerndoelen alleen gaan het onderwijs niet redden, want als er geen orde in de klas, geen rust, geen discipline en geen hoge verwachtingen zijn, dan is elk kerndoel een papieren werkelijkheid. Laat dat nou precies zijn waar het misgaat. We zien klassen waar chaos heerst en leraren die zeggen: ik ben meer hulpverlener dan docent. Graag een reactie van de staatssecretaris. Het onderwijs kan geen seconde meer wachten op het herstel van een veilige leeromgeving en van autoriteit. Hoe gaat de staatssecretaris dit regelen, vooruitlopend op de nieuwe wetgeving?

Voorzitter. We maken ons zorgen over de conceptdoelen burgerschap en digitale geletterdheid. We vrezen dat voor deze twee leergebieden aparte "vink-uurtjes" gecreëerd worden op scholen waar een kennisgericht curriculum juist het hardst nodig is en dat daar onzinnige lesmethodes zullen worden geproduceerd en massaal zullen worden aangeschaft, zodat iedereen er maar weer van af is en iedereen weer een centje bij heeft kunnen verdienen. Wij willen dat burgerschap en digitale geletterdheid geïntegreerd worden in andere vakken. Burgerschap moet volgens de PVV geïntegreerd worden in vakken als maatschappijleer, geschiedenis, aardrijkskunde, economie en andere gammavakken. Geschiedenis van de westerse beschaving moet wat ons betreft weer verplicht worden als eindexamenvak.

Een ander bezwaar: de huidige conceptkerndoelen burgerschap hebben een ideologisch karakter. Ze bevatten termen en denkbeelden die rechtstreeks uit een links-utopisch wereldbeeld komen. Thema's als diversiteit, identiteit, solidariteit en maatschappelijke betrokkenheid worden behandeld alsof dat per definitie neutrale termen zijn, maar dat zijn ze helemaal niet. Juist dat maakt deze kerndoelen riskant en contraproductief. Ze geven scholen alle ruimte om burgerschap in te vullen vanuit een mogelijk activistische agenda, waar de PVV nooit voor zal staan. Wij willen een neutrale, rechtsstatelijke invulling, gericht op kennis van Nederland, van rechten en plichten, van hoe onze democratie functioneert. Niet meer, niet minder. Graag horen wij hier een reflectie op van de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris dan ook gelijk uitleggen waarom SLO zoveel ruimte krijgt om kerndoelen een ideologische invulling te geven? Hoe wordt hier vanuit het ministerie naar gekeken? Hoe gaat de staatssecretaris waarborgen dat het burgerschapsonderwijs daadwerkelijk tot de beoogde resultaten leidt? Graag een concreet antwoord.

Voorzitter. De kritiek uit het veld is ook niet mals. Red Het Onderwijs schrijft over digitale geletterdheid: "Het is een prima idee om onderwijs in digitale vaardigheden te verwerken in het curriculum, maar het kader waarbinnen de kerndoelen digitale geletterdheid zijn geformuleerd, is utopisch. Het is niet reëel om dat in de werkelijke onderwijssituatie succesvol ten uitvoer te brengen. Er zijn geen randvoorwaarden uitgewerkt voor een bepaald niveau digitale geletterdheid van een leerling op een bepaald moment. Het is onduidelijk wat als basis van digitale geletterdheid wordt beschouwd voor de doorsnee gebruiker, voor gevorderden en voor de expert. Het is zelfs onduidelijk wat echt noodzakelijk is om zelfredzaam te zijn. Het is volstrekt onverantwoord om een nieuw vakgebied op deze wijze in kerndoelen te formuleren. Gebrek aan ambitie kun je SLO niet verwijten, maar gebrek aan realiteitszin wel." Ook hier is de vraag aan de staatssecretaris hoe het kan dat SLO zoveel ruimte krijgt. Hoe verhoudt dit zich tot de samenwerking met het ministerie en het veld?

Voorzitter, ik ga afsluiten. Het is een eer om hier te mogen staan, maar het is ook een verantwoordelijkheid die ik zeer serieus neem. Ik ben hier niet gekomen om het systeem tevreden te stellen, maar om het onderwijs te herstellen. Dat begint met iets wat in Den Haag vaak het moeilijkst blijkt: de feiten benoemen en gaan voor wat werkt.

Dank u.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel. Ik wil u danken voor uw gepassioneerde bijdrage en van harte feliciteren. Ik schors enkele ogenblikken, zodat u ook de felicitaties van de collega's in ontvangst kan nemen.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen aan de bijdrage van mevrouw Van der Plas. Die is er in al haar enthousiasme al en dat waardeer ik zeer. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel. Ik wil beginnen met een kleine anekdote.

De voorzitter:

Dat gaat wel van uw spreektijd af, hè.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, dat weet ik. Daar komen we wel uit, even snel. We hebben mooie maidenspeeches gehoord van mevrouw Raijer, mevrouw Armut en mevrouw Moorman. Normaal is het zo dat je eerste speech in een plenair debat je maidenspeech is, maar heel officieel is dat niet zo. Officieel mag je zelf weten wanneer je je maidenspeech houdt. Ik kan u vertellen dat ik nog nooit een maidenspeech heb gehouden.

De voorzitter:

U gaat mij dan verrassen. Dit wordt dan uw maidenspeech!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik zit hier bijna vijf jaar en ik heb nog nooit een maidenspeech gehad.

De voorzitter:

Ik hoop dat de fractie aan komt rennen met bloemen. Dan maken we er een moment van.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik ga wel overwegen om dat in de komende jaren nog een keer te doen.

De voorzitter:

Het is heel leuk.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Maar goed, dit wilde ik even als kleine anekdote vertellen.

De voorzitter:

Gaat uw gang. Ik verheug me enorm op uw maidenspeech.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Die geen maidenspeech is.

De voorzitter:

Op een ander moment.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja.

Voorzitter. Ik wil eerst even melden dat ik het amendement op stuk nr. 17 intrek. Ik teken namelijk mee met het amendement van de heer Ceder over de voorhangprocedure. Nogmaals felicitaties aan de leden die hun maidenspeech hebben gehouden.

Voorzitter. Onderwijs is de basis en de toekomst van onze samenleving. Als BBB zeggen wij: onderwijs moet terug naar de kern. Geen ellenlange lijst van eisen, maar focus op wat kinderen echt nodig hebben in hun hoofd, met hun handen en in hun hart. Het wetsvoorstel beoogt een herziening van de wettelijke grondslagen voor de kerndoelen. Kerndoelen beschrijven wat kinderen sowieso op school moeten leren in het funderend onderwijs. Op papier klinkt het goed: meer aandacht voor lezen, schrijven en rekenen en een actualisering van het curriculum. Maar bij het lezen van dit wetsvoorstel rijst bij mij een fundamentele vraag: moeten er werkelijk afzonderlijke kerndoelen worden vastgesteld voor alle opgesomde onderwerpen? Moet het onderwijs wettelijk worden vastgelegd tot in de haarvaten van beeldend, muziek, dans, theater en film? Is het werkelijk nodig om natuur en biologie als gescheiden domeinen te behandelen terwijl ze in de praktijk vaak samenhangend worden aangeboden? De wet telt pagina's vol met technische wijzigingen, vernummeringen, delegatiebepalingen en harmonisaties. Maar waar is de ruimte voor de leraar? Waar is het vertrouwen in de professional? Waar is de eenvoud die scholen nodig hebben om goed onderwijs te geven?

BBB staat voor een nuchtere benadering. Wij willen geen onderwijs dat afvinkt, maar onderwijs dat begeleidt. Wij willen geen muurdichte overheidssturing tot in de lesmethoden, maar ruimte voor vakmanschap en regionale invulling. Wij pleiten voor herwaardering van praktijkonderwijs, voor levensvaardigheden en voor een stevige basis in taal, schrijven en rekenen. Wij willen dat kinderen leren wat ze nodig hebben om mee te doen in de samenleving.

Dat brengt mij bij een ander belangrijk punt, namelijk de manier waarop kerndoelen worden ingevoerd. Met dit wetsvoorstel mag de minister namelijk bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vaststellen. Dat klinkt misschien heel praktisch, maar het betekent dat de minister zonder parlementaire goedkeuring de inhoud bepaalt. Dat raakt aan de kern van ons onderwijs. Want kerndoelen zijn geen technische details. Ze vormen de ruggengraat van het onderwijsprogramma voor miljoenen leerlingen. Ze bepalen welke kennis, vaardigheden en waarden aan toekomstige generaties worden meegegeven. Juist vanwege dat fundamentele belang is het essentieel dat de volksvertegenwoordiging altijd het laatste woord kan hebben over de inhoud van de kerndoelen. En toch koos het kabinet ervoor om de nahangbepaling te schrappen. Daarmee verliest het parlement het recht om een AMvB, een algemene maatregel van bestuur, met kerndoelen tegen te houden. Wat overblijft, is slechts indirecte invloed via moties of debatten. Dat vinden wij als BBB volstrekt onvoldoende. Democratische controle is geen formaliteit, maar een fundament, zeker wanneer het gaat om de inhoud van het onderwijs. Daarom tekenen wij mee met het amendement van de ChristenUnie over het instellen van een voorhangbepaling. Dat doen wij niet om het proces te vertragen, maar wij vinden het gewoon democratischer dan wanneer een kabinet zonder breed maatschappelijk en politiek draagvlak kerndoelen of uitwerkingen oplegt die niet aansluiten bij de praktijk, de regio of de wensen van de leraren.

Voorzitter. Ook ontstond er afgelopen week onrust over lesmateriaal dat door ouders en boeren als activistisch wordt ervaren. In de Noordoostpolder kregen leerlingen opdrachten waarin het bevrijden van dieren werd gestimuleerd. Dat geeft een verkeerd beeld van de agrarische sector en vergroot polarisatie. Onderwijs hoort neutraal en feitelijk te zijn en niet ideologisch gekleurd. Juist dit onderstreept waarom democratische controle op kerndoelen wel nodig is. BBB vindt het dan ook positief dat de kerndoelen samen met het onderwijsveld worden ontwikkeld, maar er blijven wel risico's op een verkeerde invulling. Daarom moeten de kerndoelen helder, neutraal en democratisch gelegitimeerd zijn. Is de staatssecretaris bereid om naast de wettelijke kerndoelen een richtlijn op te stellen voor de neutraliteit van lesmateriaal, zodat maatschappelijke onrust, zoals die in de Noordoostpolder — maar het gebeurt in heel Nederland — wordt voorkomen? Hoe verhouden dit soort voorbeelden zich tot de ruimte die scholen behouden onder artikel 23 van de Grondwet? Kan de staatssecretaris toezeggen signalen van ouders en maatschappelijke organisaties structureel te betrekken bij evaluaties van het curriculum?

Voorzitter, tot slot. BBB is de partij voor en van de regio. Wij staan voor een Nederland waarin niet alleen de Randstad telt, maar waarin elke regio, van de Noordoostpolder tot de Achterhoek en van Limburg tot Caribisch Nederland, een volwaardige stem heeft. Onderwijs speelt daarin een sleutelrol. Er mag nooit een Haagse blauwdruk zijn die overal wordt uitgerold. Onderwijs moet aansluiten bij de eigenheid van de streek. Kinderen moeten natuurlijk leren lezen, schrijven en rekenen, maar ze moeten ook leren waar ze vandaan komen. Dat betekent ruimte voor regionale geschiedenis, cultuur en tradities, van de hunebedden in Drenthe tot vestingsteden in Brabant en van een bloemencorso in het Westland tot carnaval in Limburg en Brabant. Ook streektalen en dialecten, zoals Gronings, Twents, Limburgs en Papiaments, horen bij onze identiteit. Laten we ambacht en vakmanschap ook niet vergeten. De klompenmakerij, de molenbouw, de scheepsbouw, keramiek: dit is Nederland; dit is wie wij zijn. Ik zet hier even een punt.

De voorzitter:

Dat is heel fijn, want ik hoorde u zeggen dat u bijna tot een afronding kwam.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Klopt.

De voorzitter:

Ik wilde u de mogelijkheid geven om af te ronden, maar dit was een hele lange afronding, dus ik waardeer de punt. Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk voor een interruptie.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Even terug in het betoog van mevrouw Van der Plas bemerkte ik toch wat tegenstrijdigheid in haar verhaal. Eerst gaf zij aan dat zij zich afvroeg waarom we zo veel kerndoelen nodig hebben, omdat leraren het zelf wel weten, maar later stelde ze voor om een hele commissie voor neutraliteit op te richten, omdat leraren mogelijk verkeerde dingen zouden onderwijzen. Wat is het nou? Vertrouwt de BBB leraren nou in hun werk, in hun vakmanschap, of niet?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het gaat mij hierom. Bij de kerndoelen staan bijvoorbeeld natuur en biologie. Dat is volgens mij één: natuur kan ook onderwezen worden bij biologie. Waarom moeten daar allemaal afzonderlijke kerndoelen voor zijn?

Ten tweede: ik geloof eerlijk gezegd niet dat ik een commissie voor neutraliteit heb genoemd, zoals mevrouw Rooderkerk zei, maar ...

De voorzitter:

Dat kunnen we terugzien in de Handelingen, maar gaat u verder met uw antwoord.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Volgens mij heb ik die niet genoemd, maar dat even terzijde. Het gaat mij om het volgende. Ik begrijp dat leraren of scholen ik-weet-niet-hoeveel lespakketten en dingen krijgen toegestuurd en zelf mogen bepalen of ze daar iets mee doen. Dat snap ik. Daar gaan wij niet over en dat kunnen wij ook niet verbieden. Een lespakket kan passen binnen een bepaald kerndoel. De vrijheid van onderwijs is een groot goed, maar het is natuurlijk niet de bedoeling dat die vrijheid van onderwijs wordt gebruikt voor propaganda.

Ik noemde al even dat dierenactivisme waar kinderen op school les over hebben gekregen. Er staan sowieso al feitelijke onjuistheden in dat lesmateriaal. Er staat bijvoorbeeld in dat dieren zich niet mogen bewegen in een stal. Dat is pertinent onjuist, maar het wordt kinderen wel geleerd. Dat zijn gewoon feitelijk onjuiste lesjes. In dat lesmateriaal staat ook een verhaal in de zin van: we gaan dieren bevrijden uit stallen en we laten ze los; o, de dieren waren zo blij; de deuren gingen open, de dieren renden naar buiten en ze waren allemaal zo blij. Wie gaat die dieren dan bijvoorbeeld eten geven, als ze buiten lopen? Hoe komen ze aan water? Wie gaat die dieren verzorgen als ze ziek zijn? En dat nog los van het feit dat het gewoon strafbaar is om op het erf van een boer te komen, zomaar een schuur open te zetten en dieren los te laten. Ik vind dat soort materiaal dus best wel zorgelijk. Het zorgt ook voor heel veel polarisatie. Kinderen gaan er namelijk over nadenken. Die zeggen misschien: dat vind ik ook leuk; die diertjes moeten allemaal los. Er zitten ook kinderen van boeren op school. Die wordt verweten dat hun vader, de boer, een dierenmoordenaar is. Ik zet er dus wel vraagtekens bij of dat zo moet.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

De vraag is een beetje: hoe verhoudt dit zich dan tot de kerndoelen? Dit is iets waar mevrouw Van der Plas op aanslaat, maar de kerndoelen zijn natuurlijk juist bedoeld om in te richten waar ons onderwijs over moet gaan. Ze zijn vastgesteld door leraren en getest op 200 scholen. Ik zou er als politiek dus terughoudend in willen zijn om daar dan nog weer wat van te gaan vinden. Ik begrijp dat mevrouw Van der Plas van deze situatie zegt: daar moet wat aan gedaan worden. Wat is nu precies haar voorstel?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik wil benoemen dat dat gebeurt. Nogmaals, ik snap dat die knip daarin zit. Wij moeten eigenlijk aan scholen vertellen wat voor lessen ze moeten geven, maar niet hoe ze die lessen moeten geven. Dat is ook de vrijheid van onderwijs. Maar ik vind het wel belangrijk om dat aan te stippen. Stelt u zich even voor, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Rooderkerk, dat een andere ideologie of een ander soort activisme wordt gepropageerd op een school. Zouden we dat dan ook acceptabel vinden? Ik vind dat we het daar in ieder geval wel over moeten kunnen hebben, zonder dat ik zeg: er moet een verbod komen op dit soort lespakketten. Dat is dus niet aan ons. Het is vrij aan de school om een lespakket wel of niet uit te voeren.

Wat de kerndoelen betreft, zeggen wij: die zijn best wel uitgebreid. Ik noem ook natuur en biologie. Dat zijn twee aparte kerndoelen, terwijl je in mijn optiek biologie en natuur prima op elkaar in kunt passen. Binnen het kerndoel biologie kun je ook lesgeven over natuur, want biologie gaat per definitie ook over natuur. Moet je bij een kerndoel culturele vakken … Je zou ook voor culturele vorming kunnen kiezen en het dan aan de school over kunnen laten wat ze daaraan wil doen. Moet je dan expliciet film, theater, dans, beeldende kunst en muziek benoemen? We hebben net gehoord dat er ook een en/of-discussie is. De kunstorganisaties — zo zeg ik het maar even — zien ze het liefst allemaal. Daarvan vraag ik me af: moet je dat allemaal opschrijven of kun je het nog een beetje indikken, zodat het ook voor leraren behapbaar blijft?

De voorzitter:

Mevrouw Rooderkerk, afrondend op dit punt.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Wat ons betreft is dit gewoon een evenwichtig curriculum. Nogmaals, dat is vastgesteld door scholen en leraren. We moeten ons daar niet te veel in mengen.

Ten aanzien van het andere punt geldt natuurlijk de Grondwet. Scholen moeten voldoen aan de burgerschapsopdracht, aan de Grondwet, aan artikel 1 en artikel 23. De inspectie handhaaft daarop. Laten we die rollen heel zuiver houden en die discussies niet met elkaar gaan vermengen. Het lijkt mij namelijk leidend dat we nu die kerndoelen met elkaar vaststellen en dat daarmee duidelijk is voor docenten welke lessen zij geven. Daarin betrachten wij als partij in elk geval ook terughoudendheid.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Moet je je hier als politiek in mengen? Wij staan hier juist om over wetgeving te praten en wat wij daarvan vinden. Wij stellen daarbij vragen aan de regering. Hoe zien ze die invulling zelf? Dat zullen we straks ook zien in de beantwoording. Nogmaals, ik heb duidelijk aangegeven dat ik hier niet ga staan om te zeggen: dit mag niet en dat mag niet. Die vrijheid is er namelijk. Maar ik heb wel zorgen over bepaalde lesmaterialen die op scholen terechtkomen. Ik noemde het voorbeeld van dierenactivisme, maar stel dat dat een ander soort activisme zou zijn dat we met z'n allen niet wenselijk vinden. Dan zouden we daar toch wel iets van mogen vinden, lijkt me? Het lijkt me namelijk wel dat het niet allemaal even wenselijk is wat er aan leerlingen wordt voorgeschoteld. Nou, ik vind in dit geval — zo noemden de ouders van leerlingen op die school het ook — dat er dierenactivisten worden gekweekt. Is het de taak van een school om zoiets te doen? Je kunt leren over landbouw en over hoe dieren worden gehouden. Je kunt leren over biologische en gangbare veehouderij; dat kun je allemaal prima leren. Maar om nou uit een boekje les te geven waarin een verhaal wordt geschreven waarin twee kinderen dierenactivist worden en zich bij een dierenbevrijdingsfonds aansluiten, en daarbij ook nog een keer strafbare feiten plegen … Ik vind dat ik daar wel wat over mag zeggen en dat ik daar ook vragen over mag stellen.

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel voor deze reactie. Fijn dat mevrouw Van der Plas zich druk maakt over de overladenheid waar het onderwijs tegenaan loopt. Hoe kijkt mevrouw Van der Plas er dan naar dat het ministerie van LVVN lesmethodes naar scholen heeft gestuurd over hoe je met dieren leert praten? Hondentaal voor kids: draagt dat ook niet bij aan de enorme overladenheid? We kunnen ons afvragen wat dat nou toevoegt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou, ten eerste ben ik er niet van op de hoogte dat dit naar scholen is gestuurd. Dat is voor mij dus nieuw. Van scholen zelf weet ik wel dat zij aangeven: wij zouden willen dat al die overladenheid waar wij mee te maken krijgen, een keer gestopt wordt. Dus nogmaals, ik weet niet wat voor pakket dat is en waarom dat scholen toegestuurd wordt, maar ik zal het eens navragen bij het ministerie.

De heer Kisteman (VVD):

Dat pakket werd uiteindelijk niet gestuurd, want dat hebben wij als Kamer kunnen tegenhouden. Dat is fijn. Maar ik denk wel dat wij als Kamerleden met het ministerie het goede voorbeeld moeten geven: wij mogen zelf niet zorgen voor overladenheid. Is mevrouw Van der Plas dat met de VVD eens?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou ja, in principe ben ik het daarmee eens. Ik denk dat docenten, leraren, onderwijzers, ouders en zeker ook de kinderen zelf al genoeg op hun bordje hebben liggen, met het curriculum en de kerndoelen die er nu al zijn. Wij moeten goed kijken of we dat nog verder willen overbeladen. Daarom heb ik ook zo mijn vraagtekens bij het amendement van de heer Ceder over financiële geletterdheid. Dat past ook binnen rekenen of binnen burgerschap. Moet je daar dan weer een apart iets van maken? Hoewel ik het heel sympathiek vind en ook heel goed begrijp, denk ik toch dat we daar een beetje mee moeten oppassen.

De voorzitter:

Rondt u af?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, ik ga afronden. Ik heb nog een paar vragen aan de staatssecretaris. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat een lange lijst kerndoelen leidt tot overladenheid en regeldruk? Daar hebt u hem weer, meneer Kisteman. Hoe wordt geborgd dat scholen in krimpregio's en Caribisch Nederland voldoende ruimte houden voor een eigen invulling, inclusief de streekgeschiedenis en de eigen cultuur? Hoe wordt voorkomen dat uitwerkingen alsnog Haagse uniformiteit opleggen, terwijl juist maatwerk nodig is?

Voorzitter. Onderwijs moet kinderen voorbereiden op het leven en niet op een theoretisch ideaal. Dat betekent ook aandacht voor praktijkonderwijs, voor levensvaardigheden en ambacht. Vroeger gingen meisjes handwerken en jongens gingen handenarbeid doen. Gelukkig is dat nu "algemene technieken" geworden; zo heet het, geloof ik, en iedereen mag alles gaan doen. Maar je moet ook met je handen leren werken, en het is goed dat kinderen leren dat het helemaal niet erg is om een vak te leren, om lasser te worden of automonteur of kapper of welk vak dan ook.

Jongeren moeten leren hoe ze kunnen meedoen in de samenleving, hoe ze een vak leren en hoe ze verantwoordelijkheid nemen. Dat is de nuchtere benadering waarvoor BBB staat. Wij willen dat beleid altijd wordt getoetst op regionale impact. Wij willen dat scholen in kleine kernen behouden blijven, dat er ruimte is voor een eigen invulling en dat cultuur en erfgoed niet verdwijnen in een eenheidsworst, want Nederland is geen Randstad met een randje, maar een land van dorpen, steden, eilanden en platteland, en die zijn voor ons allemaal even belangrijk.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Ergin uit van de fractie van DENK voor zijn bijdrage in deze termijn.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ook ik wil mevrouw Moorman, mevrouw Armut en mevrouw Raijer feliciteren met hun maidenspeech. Uit ervaring kan ik zeggen dat het heel goed is om gelijk in de eerste twee weken je maidenspeech te houden, want dan is de spanning er gelijk vanaf en kun je doorpakken.

Voorzitter. Vandaag bespreken wij het wetsvoorstel dat raakt aan de basis van ons onderwijs. Dat is niet zomaar een technische wijziging, maar gaat eigenlijk over een fundament waarop kinderen hun toekomst bouwen en waarop onze samenleving haar toekomst bouwt. Ik wil direct beginnen met een constatering, en wel dat dit wetsvoorstel een van de weinige dingen is die dit mislukte kabinet überhaupt heeft weten te produceren. Als we kijken naar wat dit kabinet het onderwijs heeft gebracht, dan kom ik op niets anders dan monsterbezuinigingen en kaalslag, een ongekende kaalslag. Het kwam ook met loze beloftes zoals het herstelplan kwaliteit onderwijs, en dat er eindelijk structurele financiering geregeld zou worden in plaats van subsidiepotjes en subsidiespaghetti. Het Herstelplan kwaliteit onderwijs zou alles beter maken.

Aan de ene kant ben ik dus blij dat we na twintig jaar eindelijk iets op tafel hebben waar we met elkaar in debat over kunnen gaan, maar wat onderwijs betreft hebben we in de afgelopen twee jaar echt flinke stappen teruggezet. Telkens als de oppositie kritische vragen stelde over die bezuinigingen, over de vraag wanneer het Herstelplan kwaliteit onderwijs er zou komen, over de vraag waarom die ene kansenregeling weer was weggehaald en over de vraag waarom er weer een indexering was geschrapt, werd er gewezen op dat totaalplan. De Rekenkamer zei in mei van dit jaar: "Op dit moment is onduidelijk wat de komst van het herstelplan verandert aan doelen, geldstromen, instrumenten, monitoring en verantwoording."

Voorzitter. Ik benoem dit punt niet om eerdere debatten te recyclen. We hebben echt talloze debatten hierover gevoerd. Maar in de wet staat dat het doel is om de basisvaardigheid van leerlingen te verbeteren. Om dat te kunnen doen, is het toch echt belangrijk om naast de focus op de kerndoelen ook de focus te blijven houden op alle andere randvoorwaarden die belangrijk zijn voor goed onderwijs, ook omdat het kabinet bij herhaaldelijke vragen heel vaak heeft doorverwezen naar het herstelplan en de Rekenkamer eigenlijk met een best wel schokkende conclusie komt. Ik citeerde daarnet namelijk de Rekenkamer. Dat was geen samenvatting, maar gewoon een citaat uit het rapport van de Rekenkamer van mei dit jaar. Ik zou hierop graag een reactie willen van de staatssecretaris.

Voorzitter. Dit debat gaat ergens over. Het gaat over de toekomst en over onze kinderen. Het gaat ook over lezen, schrijven en rekenen. Dat zijn vaardigheden die je altijd nodig gaat hebben en die bepalend zijn voor of je overeind blijft in een wereld vol formulieren, brieven, opdrachten en verwachtingen. Een aantal collega's hebben al eerder in het debat benoemd dat een op de zes tweedeklassers het schrijfniveau van groep 8 niet haalt. Dat is echt schrijnend. We hadden het in dit huis altijd over stagemarktdiscriminatie, maar dat het percentage bij vmbo-basis en -kader op 40% ligt, betekent dat we heel snel debatten moeten voren over de vraag of onze leerlingen straks überhaupt wel stageverslagen kunnen schrijven. Het gaat om tienduizenden leerlingen. Als die leerlingen straks het mbo ingaan, vakmensen worden en heel belangrijk worden voor de toekomst van onze economie, dan is het echt schrijnend als ze te maken hebben met een achterstand die ze hun hele leven gaat achtervolgen. Daar moeten we zeker wat mee.

Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat de basis beter moet en dat we iets meer moeten doen met lezen, schrijven en rekenen. Maar ik wil ook geconstateerd hebben dat het extra wrang is dat de actualisatie zo lang heeft geduurd. Ik weet nog heel goed dat in een van mijn eerste dagen hier als medewerker van een Tweede Kamerlid, namelijk de heer Kuzu, Curriculum.nu bezig was met het herijken van de kerndoelen. Daar heb ik me als medewerker nog mee beziggehouden. Die herijking is echt helemaal en faliekant misgegaan. Gelukkig is er eindelijk een actualisatie, maar het is wel een punt dat ik wil maken. Waarom is dit nou zo stroperig gegaan en heeft dit zo lang moeten duren?

Voorzitter. Even over het wetsvoorstel zelf. Dat gaat eigenlijk over de kapstok, terwijl de jassen — dat zijn de kerndoelen — in september door SLO gepubliceerd zijn. Het is heel aanlokkelijk om het over de jassen, de kerndoelen, te hebben, maar het wetsvoorstel gaat eigenlijk over de systematiek daarachter. Toch zou ik aan de staatssecretaris willen vragen: wanneer en hoe worden die kerndoelen, die dus in september zijn gepubliceerd, nou definitief gemaakt? Ik wil, omdat ik dat belangrijk vind voor de toekomst van het land, één kerndoel er echt uitlichten, namelijk burgerschap. In het vervolg zal ik het vooral hebben over de techniek achter de wet.

Als je over de conceptkerndoelen van burgerschap leest, raak je overladen: 60 pagina's lang uitleg en toelichting. Even verderop lees je, volgens mij op pagina 40, de conclusie dat de docenten of leerkrachten die met de kerndoelen hadden geoefend, met twee verbeterpunten kwamen, namelijk: de kerndoelen zijn te ambitieus en in sommige gevallen zelfs te abstract. Is die exercitie om kerndoelen duidelijker te maken gelukt, vraag ik de staatssecretaris. Is die nou wel geslaagd? Dat er nu eindelijk wat op tafel ligt, zien we allemaal, maar is die exercitie daadwerkelijk geslaagd? Specifiek over burgerschap wil ik vragen wat er nou anders is ten opzichte van de wet over burgerschapsonderwijs die in 2021 is ingevoerd. In de vergelijking zien we namelijk heel veel overeenkomsten als het gaat over burgerschapsonderwijs.

Voorzitter. Als je de kerndoelen leest vanuit je eigen politieke visie, mis je iets. Ik ga daar geen amendement over indienen, maar ik wil wel dit benoemen. Wat burgerschap betreft sta ik achter de onderdelen die nu in de conceptkerndoelen staan. Dat zijn belangrijke uitgangspunten. Maar DENK vindt dat onze jongeren, onze kinderen onvoldoende worden voorbereid op de toekomst. Dan heb ik het over de samenstelling van Nederland in 2050. Nederland is nu al een diverse samenleving, maar in 2050 wordt het een superdiverse samenleving. Dat is geen politieke mening, maar een demografisch feit. Een woord als "pluriformiteit" blijkt in het 60 pagina's tellende conceptkerndoelenrapport over burgerschap slechts twee keer voor te komen, terwijl wij het heel belangrijk vinden dat wij onze leerlingen, onze kinderen voorbereiden op de toekomst. Tegelijkertijd wil ik er ook bij gezegd hebben dat mijn fractie er in ieder geval niet in gelooft dat een sjabloon aan kerndoelen, opgelegd vanuit de Tweede Kamer, de uitdagingen in het onderwijs zal gaan oplossen. De leerkracht die voor de klas staat, maakt uiteindelijk het verschil.

Voorzitter. Dan de randvoorwaarden. De kerndoelen alleen zijn niet voldoende, maar ook de randvoorwaarden zijn belangrijk. Onderwijshuisvesting. Alleen al het herstellen daarvan kost 25 jaar en miljarden euro's. Het lerarentekort. Als je in 2026 ook nog eens bezuinigt op de indexatie van het zijinstroomprogramma, dan los je het lerarentekort veel minder goed op. De bezuinigingen die zijn ingeboekt. Ik heb net in een interruptiedebat met mevrouw Rooderkerk al gerefereerd aan een aantal bezuinigingen. 400.000 kinderen die in armoede leven. Dat is geen exercitieprobleem en dat is niet iets wat je oplost met kerndoelen, maar dat zijn systeemproblemen. Ik zou graag aan de staatssecretaris willen vragen wanneer het kabinet, zolang dit kabinet er nog zit, zelf de basis op orde gaat krijgen wat betreft de systeemproblemen.

Voorzitter. Dan twee punten waarover we ook een amendement hebben ingediend op de wet. In een brief aan de informateur waarschuwt de Onderwijsraad namelijk dat de pluriformiteit van ons onderwijsstelsel onder druk staat. De Raad van State zegt in het advies iets soortgelijks. Er moet ruimte blijven voor artikel 23, maar ook voor pedagogische vrijheid. Wij vinden dat dit expliciet vermeld moet worden in de wettekst, aangezien we het vandaag ook over de kapstok hebben.

Voorzitter. Het tweede amendement gaat over de evaluatie. We zien bijvoorbeeld dat in de Wet passend onderwijs en de Wet beroep leraar een termijn van drie jaar wordt gehanteerd. Ik zou niet weten waarom we in deze wet — volgens mij was het een amendement van collega Ceder — een termijn van vijf jaar zouden moeten hanteren. Mijn fractie vindt dat we daarin één lijn moeten trekken, omdat we ook uit ervaring weten dat je de verbeterpunten eigenlijk al vrij vroeg ziet. Het onderwijs is heel snel. Ik denk dat er al in heel veel klassen wordt gewerkt met de kerndoelen die nu getest en gepubliceerd zijn en dat docenten dit voor een deel ook al aanvoelden. Zeker in het onderwijsveld zien we het vrij snel als er iets misgaat. Ik zou het jammer vinden als we daar langer op zouden moeten wachten. We moeten gewoon op tijd kijken of de fundering stevig is.

Voorzitter. Dan tot slot. De inspectiecijfers laten ons geen enkele ruimte voor slordigheid. We kunnen ons geen mislukte hervorming veroorloven. We kunnen niet nog een generatie met onnodige achterstanden aan hun lot overlaten. Met de twee amendementen proberen wij die twee zaken, namelijk de bescherming van identiteit, vrijheid en pluriformiteit maar tegelijkertijd ook een tijdige evaluatie, te verbeteren in de wet. Wij steunen de ambitie van dit wetsvoorstel, maar het moet wel hand in hand gaan met uitvoerbaarheid, rechtvaardigheid en realisme. We moeten blijven kijken naar een onderwijsstelsel dat sterk én eerlijk is en dat werkt voor kinderen, uiteraard met leraren. Ik hoop dat we daarmee weer een stap kunnen zetten in het organiseren van goed onderwijs.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

De heer Ergin zei eerder: ik ga onze politieke punten niet in amendementen zetten, want als iedereen dat gaat doen, wordt het overladen. Daar sluit ik me bij aan. Maar hij heeft wel een amendement ingediend dat zegt dat alles in lijn moet zijn met de vrijheid van onderwijs, naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State. Nou is het zo dat het kabinet naar aanleiding daarvan de memorie van toelichting al heeft aangepast en heeft gezegd dat het zich inderdaad beperkt tot de burgerschapswet. De fractie van DENK heeft ook voor die burgerschapswet gestemd, dus wat is nu het probleem?

De heer Ergin (DENK):

Wij vinden dat je iets precairs als artikel 23 niet alleen in de toelichting van een wet moet zetten, maar ook daadwerkelijk in de wet. Het is voor ons eigenlijk een manier om te markeren dat wij artikel 23 belangrijk vinden — het staat in de Grondwet — en dat we dat niet in de toelichting moeten doen, maar in de wet zelf.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Maar dan concludeer ik toch dat het feitelijk overbodig is, want dit is al geregeld. Dit is al onderdeel van de burgerschapsopdracht. Het is al in de memorie duidelijk gemaakt. Het valt hier inderdaad gewoon binnen. Als je overladenheid wilt voorkomen, lijkt mij dit amendement niet nodig, zou ik dan zeggen.

De heer Ergin (DENK):

De discussie over de overladenheid gaat in de richting van leerkrachten. Dit amendement legt volgens mij geen extra druk op leerkrachten. Het gaat met name over hoe wij onze zaken hier achter de schermen, onder de motorkap, regelen. Wij vinden artikel 23 belangrijk. Ik weet dat D66 daar een andere visie op heeft. Maar ik zou uw amendement nooit behandelen alsof het onnodig is, alleen maar vanwege een andere visie. Als we hier een wet behandelen, vind ik het belangrijk dat we heel goed scherp zijn op de kwaliteit van die wet en hoe we de wetten technisch onderbouwen. Ik vind dat een artikel in de Grondwet niet in de toelichting van de wet hoort, maar daadwerkelijk een plaats dient te hebben ín de wet.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Wat ons betreft hebben de artikelen van de Grondwet plaats in de Grondwet. Daar voldoen we aan. Deze wet voldoet daar ook aan. Het amendement lijkt mij daarom overbodig. Ik zeg daarmee niks over de Grondwet; die staat natuurlijk voorop.

De heer Ergin (DENK):

Dat was een constatering. Ik hoorde geen vraag. Het heeft natuurlijk ook te maken met hoe wij onze constitutie hebben ingericht. De artikelen in de Grondwet worden namelijk niet door een rechter getoetst, maar door de Staten-Generaal: door de Tweede en de Eerste Kamer. Wij vinden het belangrijk om dat gewoon duidelijk in de wetten op te nemen, omdat we ook zien dat regeringen, kabinetten, maar ook coalities soms anders omgaan met de geest van bijvoorbeeld artikel 23. Dat punt willen we graag rechtgezet hebben in dit wetsvoorstel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Stoffer van de fractie van de SGP uit voor zijn bijdrage in deze termijn. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. In de eerste plaats wil ik vanaf deze plek mevrouw Moorman, mevrouw Armut en mevrouw Raijer feliciteren met hun maidenspeech, en laatstgenoemde uiteraard ook met haar verjaardag vandaag.

Voorzitter. In november 2014 lanceerde toenmalig staatssecretaris Dekker een project voor een nieuw programma voor het lager en middelbaar onderwijs: Onderwijs2032. De vraag van de staatssecretaris was hoe we kinderen die toen in groep 1 begonnen, konden voorbereiden op het moment dat zij voor het eerst zouden gaan solliciteren, zo rond 2032. De staatssecretaris was erg onder de indruk van de snelheid waarmee de samenleving zich ontwikkelde. Hij vroeg zich af of het onderwijs nog wel bij de tijd was. In zijn brief benoemde hij het belang van zogenoemde "21ste-eeuwse vaardigheden". Hij zag ook heel veel in vakoverstijgende vaardigheden. Mild uitgedrukt ontlokte het project niet enkel enthousiasme in het onderwijs.

Voorzitter. De geschiedenis neemt een bijzondere loop, want precies elf jaar na het project van staatssecretaris Dekker is er opnieuw een staatssecretaris met VVD-kleur op de wangen die zich met het onderwijsprogramma bezighoudt. Daar zit hij! Mijn vraag is natuurlijk hoe de staatssecretaris terugkijkt op de lange weg die inmiddels is afgelegd. De politieke zwerftocht die we nu willen afronden, moet volgens de SGP een lesje in bescheidenheid zijn voor de politiek. Met een kleine overdrijving zeg ik dat we bijna in 2032 zitten en dat het ons nog niet gelukt is om duidelijkheid te geven over het nieuwe curriculum. De kleuters van Dekker doen in ieder geval eindexamen zonder dat er iets veranderd is aan het onderwijsprogramma. Dat heeft ook echt iets te maken met de manier waarop Onderwijs2032 begon.

Er zijn gelukkig ook positieve ontwikkelingen te melden. De samenleving gaat zo snel dat je sommigen inmiddels moet uitleggen wat "21ste-eeuwse vaardigheden" zijn. Het bleek meer een hype dan een hulp in het onderwijs. Die constatering onderstreept meteen een belangrijke boodschap: kom niet aan de vakinhoud. In bescheiden vorm leidde het project van Dekker uiteindelijk tot het sobere wetsvoorstel dat we vandaag bespreken over de herziening van de grondslagen voor de kerndoelen. Die bescheidenheid past de wetgever.

Voorzitter. Het is nuttig om het wetsvoorstel in historisch perspectief te bekijken. De huidige wettelijke grondslagen voor de kerndoelen dateren uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Maar wie nog honderd jaar verder terug zou kijken in de tijd, ziet nog steeds niet heel veel anders dan wat wij nu vandaag bespreken. In 1857 moest de industrialisering van Nederland nog behoorlijk op gang komen, maar het verplichte curriculum voor het zogeheten gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs uit de schoolwet van dat jaar lijkt opvallend veel op het wetsvoorstel van vandaag. Ik zie in de wettelijke opsomming uit 1857 staan: lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde, geschiedenis, natuur, levende talen, wiskunde, gymnastiek en tekenen. Ik zie daarin maar drie domeinen van toen die nu niet meer te herkennen zijn in de wet: vormleer, landbouwkunde en handwerken voor meisjes. In het wetsvoorstel van vandaag zie ik bovendien slechts vier onderdelen die toen onbekend waren: digitale geletterdheid, techniek, redzaamheid in het verkeer, en dans, theater of film. In zekere zin is de wereld maar bar weinig veranderd.

Uit de geschiedenis kunnen we belangrijke lessen trekken voor de samenleving en het onderwijs. In die zin zou de SGP best de stelling aandurven dat het curriculum juist de focus moet hebben op geschiedenis en niet allereerst op rekenen en taal, hoewel met name taal en geschiedenis natuurlijk onlosmakelijk verbonden zijn. Het onderwijs blijkt niet zozeer voor te bereiden op de dingen die veranderen, maar vooral op de dingen die hetzelfde blijven. De school is er voor de brede vorming van leerlingen: geestelijke en morele vorming, goede beheersing van rekenen en taal, kennis van de samenleving en de cultuur, en inzicht in de invloed van technologie op mens en maatschappij. Wie de geschiedenis niet kent, loopt sneller het risico om afgeleid te worden van de kern. De politiek loopt dan het risico om scholen hinderlijk voor de voeten te lopen.

Hoewel de SGP de noodzaak van de wetswijziging ondersteunt, heeft de SGP één fundamenteel kritiekpunt op het wetsvoorstel. Tot op heden stelde de wetgever altijd de brede vorming van de leerlingen centraal in de wet. Er bestond daarom nooit een wettelijke rangorde tussen de vakken; er was alleen een zakelijke opsomming van de leergebieden. De regering maakt echter een andere keuze. Het wetsvoorstel verwoordt een focus op lezen, schrijven en rekenen. Het wetsvoorstel stelt centraal dat de kerndoelen gaan over lezen, schrijven en rekenen. Vervolgens staat er eigenlijk: o ja, er zijn ook nog kerndoelen voor andere onderwerpen. De structuur van het wetsvoorstel creëert misschien onbedoeld een a-status en een b-status, en een oneigenlijke tegenstelling tussen de verschillende onderdelen van de brede vorming van de leerlingen. Mijn vraag is dan ook of de staatssecretaris ziet dat het risico dat die brede vorming van leerlingen onder druk komt te staan, aan de orde is. Een leerling die feilloos kan rekenen en spellen, maar weinig tot niets weet van de Holocaust, de werking van onze rechtsstaat en respect voor de medemens, is niet beter af dan de leerling die met veel algemene vorming beperkt in taal is en met zijn vingers moet tellen.

Zou de wetgever bovendien niet iets minder pretentieus moeten zijn over de gedachte dat we met deze wettelijke bepalingen de basisvaardigheden wezenlijk verbeteren? Zonder een wettelijke focus lukte het in het verleden toch zelfs om hogere resultaten voor basisvaardigheden te boeken dan nu het geval is. De SGP vindt het voorgestelde systeem een onnodige en onverstandige route. Deze fundamentele trendbreuk zou zelfs reden kunnen zijn om tegen het wetsvoorstel te stemmen. Daarom stel ik voor om dit te wijzigen met het amendement dat nummer 8 heeft gekregen. Laten we vasthouden aan de bestendige lijn die altijd in ons nationale onderwijs is gevolgd.

Voorzitter. Uit de gekozen structuur volgen nog andere problemen. Volgens het wettelijk vastgestelde referentiekader Nederlandse taal zijn er drie belangrijke domeinen: mondelinge taalvaardigheid, lezen en schrijven. Toch laat het wetsvoorstel de mondelinge taalvaardigheid bewust weg uit de focus van de kerndoelen. Mijn vraag is: waarom? Is mondelinge taalvaardigheid minder belangrijk dan lezen en schrijven? De SGP vindt dit moeilijk te rijmen met de eenheid van het referentiekader, en het voorgestelde systeem is kreupel. Laten we dit ongelukkige signaal vermijden. Daarom wil ik nogmaals vragen of de regering, voor een zo breed mogelijk draagvlak, nog eens serieus wil kijken naar het amendement op stuk nr. 8.

Voorzitter. Ik wil nu uitdrukkelijk aandacht besteden aan de doelstellingen waarmee het proces van curriculumherziening is gestart en die altijd leidend zijn gebleven. Daarmee doen we recht aan de lange reis die we samen met het onderwijsveld hebben afgelegd en de verwachtingen die daarbij zijn gewekt. Een eerste belangrijke doelstelling van de curriculumherziening was het bieden van meer richting en houvast. De SGP hoort graag of en waarom de regering de gegronde hoop heeft dat het wetsvoorstel hier daadwerkelijk aan gaat bijdragen. Ik constateer dat de structuur van de kerndoelen voor leraren niet zozeer nieuw inzicht of extra hulp gaat opleveren. Ook bij de uitwerking heeft de SGP twijfels. Weliswaar zijn de kerndoelen op sommige onderdelen iets uitgebreider, maar verwacht de staatssecretaris dat dit zodanig is dat scholen het echt meer als een spoorboekje voor de inrichting van hun programma's kunnen benutten? Waarin zit concrete winst in de praktijk voor de schoolleider, het lerarenteam en de klas? De SGP zou het verstandig vinden om die verwachtingen ietwat te temperen. Het wettelijke systeem is geen lerarenhandleiding, maar het moet wel voldoende concreet en helder zijn om als samenleving de basale verwachtingen van het onderwijs te kunnen uitdrukken. Wat de SGP betreft lijkt dit met de voorstellen aardig te kunnen lukken.

Voorzitter. Een nog belangrijkere doelstelling is de ambitie om overladenheid tegen te gaan. Hier heeft de SGP zorgen over. Ik vrees dat het wetsvoorstel in de uitwerking in ieder geval niet tot minder overladenheid gaat leiden, maar eerder tot meer. Mijn vraag is wat de visie van de staatssecretaris is op het niveau van overladenheid en de beloftes die zijn gedaan. Op welke gebieden hoeven scholen juist minder te doen en wat mogen zij in de toekomst verwachten om het programma werkbaar te houden? Omdat we vandaag alleen het wetsvoorstel behandelen, zal ik me niet uitlaten over de conceptkerndoelen, maar ook als je slechts naar het wetsvoorstel kijkt, lijkt het risico op overladenheid reëel. Eigenlijk komen er per saldo alleen maar onderdelen bij. Dat vinden wij als SGP geen goede zaak en daarom zullen we in ieder geval tegen de amendementen stemmen die iets willen toevoegen.

Voorzitter. De wetgever en de politiek moeten soms juist het lef hebben om nee te zeggen tegen verwachtingen, en om meer ruimte te bieden aan leraren door concreet dingen te schrappen. In de tijd waarin ik lid mocht zijn van de Tweede Kamer heb ik dat eigenlijk nooit zien gebeuren. Het vaststellen van de wettelijke grondslagen voor de kerndoelen lijkt me bij uitstek een moment om serieus te kijken of er verbeteringen mogelijk zijn en, zo ja, welke. Ik doe daarvoor met het amendement op stuk nr. 9 een concreet voorstel door het bevorderen van gezond gedrag te schrappen. Het is allereerst een opdracht die eigenlijk helemaal niet bij scholen thuishoort naast de vele onderdelen die al aan gezond gedrag raken, zoals biologie en burgerschap. De opdracht is bovendien op dit moment niet duidelijk in de wetgeving te vinden. De algemene formulering kent het risico dat de politiek op een later moment allerlei maatschappelijke vragen en zorgen bij scholen over de schutting gaat kieperen. Daar moeten we onszelf niet onnodig de ruimte voor bieden. Ik hoop op een positieve reactie van de regering en op steun in de Kamer.

Voorzitter. De doelstelling en de belofte dat scholen meer tijd zouden krijgen om aan hun eigen doelstellingen en ambities te werken, lijkt gaande het proces uitgedoofd. Ergens zit dat ons als SGP wel dwars. De SGP hoort graag hoe de staatssecretaris kijkt naar het belang van de beloofde vrije ruimte. Wat betekent die bijvoorbeeld concreet in het toezicht? Als we heel eerlijk zijn, zien we dat de kerndoelen zodanig van omvang zijn dat je als school aan een normale schoolweek niet genoeg hebt om alles goed te doen. De inspectie zal dus altijd genoeg kunnen vinden waarop de school een stapje harder zou kunnen en moeten lopen. Hoe kan een school zich dan met succes verweren door te zeggen dat de eigen invulling nu eenmaal ook tijd vraagt? Welke coulance heeft de inspectie dan richting scholen?

Voorzitter. In de toelichting in de schriftelijke reactie van de regering blijft verwarring bestaan over de relatie tussen de wettelijke burgerschapsopdracht en de nieuwe kerndoelen burgerschap. De regering wekt nu de suggestie dat de kerndoelen ook uitwerking geven aan de burgerschapsopdracht, maar bij de behandeling van de burgerschapsopdracht is terecht het tegendeel beweerd. De kerndoelen hebben een eigen functie en bereik, en als er vermenging optreedt, zouden er juridische problemen kunnen ontstaan. De SGP wijst erop dat de inspectie in het verleden op dit punt de mist in is gegaan en door de rechter is teruggefloten. Mag ik ervan uitgaan dat de regering zich daarvan goed rekenschap geeft bij de uitvoering?

Voorzitter. De betrokkenheid van de Tweede Kamer bij de uitwerking van de kerndoelen is een belangrijk aandachtspunt. Gezien het concrete niveau en de mogelijk verstrekkende invloed van de kerndoelen is het des te opmerkelijker dat de betrokkenheid van het parlement helemaal wordt weggelaten. Het zou toch vreemd zijn als we in de Tweede Kamer als nationale huiskamer niet standaard de gelegenheid zouden krijgen om ons uit te spreken over wat de regering in alle klaslokalen wil voorschrijven? De volksvertegenwoordiging blijkt nogal eens een bedreiging voor het onderwijs, maar zij blijft tegelijk de noodzakelijke waakhond om namens het volk te kunnen bewaken of vrijheden en verantwoordelijkheden op een fundamenteel gebied als het onderwijs voldoende uit de verf komen. Het vervangen van een zogenoemde nahang door een voorhang heeft daarom de sympathie van de SGP.

Voorzitter. Ik eindig waar ik begon, namelijk bij de manier waarop dit traject van curriculumherziening is gestart. Vanaf het begin is uitgesproken dat er een periodiek systeem moet bestaan om kerndoelen te herijken, en wel vaker dan eens in de twintig of dertig jaar. Een vast systeem maakt het onderwijs ook minder kwetsbaar voor politieke projecten, zoals Onderwijs2032. In de huidige wetgeving is bijvoorbeeld een procedure geregeld voor het ontwikkelen van bekwaamheidseisen vanuit het onderwijsveld. Waarom zit er niet een vergelijkbare regeling in het wetsvoorstel over een periodiek systeem van curriculumherziening? Wanneer kunnen we een wetsvoorstel hierover verwachten? Het project Onderwijs2032 en de langdurige gevolgen ervan smaken bepaald niet naar meer. De SGP hoopt dat we met het nieuwe wettelijke regeling weer voor lange tijd rust en stabiliteit kunnen bieden aan het onderwijs.

Dat was het, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag de heer Boomsma, van de fractie van JA21, uit voor zijn bijdrage in deze eerste termijn van de Kamer. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter, voor het woord. Mijn drie ambtsgenoten feliciteer ik met hun maidenspeeches. Bij voorbaat ook felicitaties aan de heer Van Duijvenvoorde. Hij zal als hekkensluiter de vierde maidenspeech uitspreken, die na mijn bijdrage volgt.

Wat een immens voorrecht is het om hier het woord te mogen voeren over onderwijs! Het is een immens voorrecht maar ook een zware verantwoordelijkheid, want de resultaten van het onderwijs gaan hard achteruit. In de Gouden Eeuw had Nederland de best opgeleide en meest geletterde samenleving van de wereld. Nog tot diep in de twintigste eeuw had Nederland de beste scholen ter wereld. Vorige week hoorden we echter dat een op de zes scholieren in de tweede klas van het voortgezet onderwijs geen eenvoudige, begrijpelijke tekst kan schrijven, ondanks al de leraren en scholen die geweldige prestaties leveren. Uit het laatste PISA-onderzoek blijkt dat een derde van onze 15-jarigen niet in staat is om een krant te lezen of een brief van de gemeente te begrijpen. In 2018 was dat nog een kwart. Ook de kennis van geschiedenis en aardrijkskunde bij kinderen aan het einde van de basisschool is tussen 2008 en 2023 gedaald.

Voorzitter. Dit kunnen wij niet accepteren. Gelukkig zijn de meningen daarover niet verdeeld. Met voldoende aandacht en oefening kan bijna elk kind goed leren lezen en schrijven. We mogen de kinderen dan ook niet aan hun lot overlaten. In de afgelopen 30 tot 40 jaar van ideologisch misplaatste onderwijsvernieuwingen is heel veel kapotgemaakt dat we nu weer langzaam zullen moeten gaan opbouwen. Dat herstel gebeurt natuurlijk niet in de eerste plaats hier in de Tweede Kamer door het vaststellen van een andere grondslag voor kerndoelen. Het herstel vindt ook niet allereerst plaats op ministeries of in de bestuurskamers bij de vele advies- of overlegorganen, die rond het onderwijs zijn ontstaan. Herstel is uiteindelijk aan de leraar in de klas, namelijk aan de manier waarop hij met die leerlingen omgaat, want het geheim van goed onderwijs is het geheim van de meester en de meesteres.

Tegelijkertijd is het volgens JA21 nu wel zaak dat de regering iets meer de regie neemt. Juist om de voorwaarden te scheppen waarmee dat proces gestalte kan krijgen, moeten we minder terughoudend zijn nu wij die daling in prestaties over de hele linie zien. Als de resultaten achterblijven, dan moet de regering zich daar ook meer mee gaan bemoeien. Wat JA21 betreft gaat het misschien ook niet meer alleen over het wat, maar in dat soort gevallen ook juist meer over het hoe. Ik denk dat we duidelijker en concreter moeten gaan aangeven wat kinderen minimaal moeten kunnen en weten. Idealiter stelt dat de leraren dan in staat om zelf beter de regie te nemen over hun lessen.

Voorzitter. De fractie van JA21 is ervan overtuigd dat betere toetsing met duidelijkere consequenties, wanneer niet aan de eisen is voldaan, de weg is naar beter onderwijs. Steunt de staatssecretaris dat? Hoe wil hij dat bereiken? Dat brengt mij dan ook tot deze wet. Natuurlijk steunen wij de inzet om het niveau van basisvaardigheden te verbeteren. Dit is mijn eerste debat als onderwijswoordvoerder. Ergens vond ik het ook wel tikkeltje verbazingwekkend dat we nu, tegen het einde van anno Domini 2025, in de wet moeten opnemen dat het belangrijk is dat kinderen leren lezen, schrijven en rekenen en dat dit geen loszwevende vaardigheden zijn, maar dat dit altijd verloopt via concrete kennis en rijke teksten. Je leest en schrijft natuurlijk altijd over specifieke onderwerpen. Hoe minder je leest, hoe minder je weet.

Voorzitter. Dit zijn eeuwenoude wijsheden. Het westerse onderwijs is altijd gebaseerd geweest op deze inzichten op basis van het klassieke trivium van grammatica, logica en retorica. Het was leraren natuurlijk sowieso al wel duidelijk dat dat belangrijk is, maar desalniettemin lijkt het ons wel belangrijk om dit verder in de wet te expliciteren. Uiteraard is er veel meer nodig in de praktijk. Om lezers te stimuleren gaat het er inderdaad ook om dat er veel boeken beschikbaar zijn en dat je een cultuur schept op school, zo mogelijk ook thuis en zeker ook bij de lerarenopleiding, waar lezen gestimuleerd wordt, met voorbeelden en voldoende boeken. Om te leren schrijven zul je in de praktijk ook veel moeten oefenen. Ik denk dat het heel belangrijk is om van jongs af aan opstellen en essays te schrijven. Op Engelse scholen is dat al praktijk. Ik heb familie in Engeland en ik weet dat kinderen daar, ook al zitten ze op de bassischool, altijd kleine opstelletjes moeten schrijven, over wat ze gedaan hebben in het weekend en over hoe hun vakantie was. Leren schrijven is heel belangrijk, denk ik. Overigens leer je op Engelse universiteiten ook voortdurend essays te schrijven. Ik heb Environmental Science gestudeerd in Engeland en we moesten voortdurend essays schrijven, bijvoorbeeld over het periodiek systeem en dergelijke. Dat ging allemaal via essays. Dat vergt wel heel veel nakijktijd. Ik zei het al tegen mevrouw Rooderkerk: het is natuurlijk veel ingewikkelder om een essay of een opstel te corrigeren en na te kijken dan iets met alleen multiplechoicevragen of goed-of-fout-antwoorden. Het biedt ook wel heel veel mogelijkheden om gerichtere voorstellen te doen om iemand te helpen beter na te leren denken: welke zinsneden zijn goed, welke metaforen zijn passend of niet, hoe kan je dat beter beargumenteren? Dat kost gewoon tijd. Ik vraag me af in hoeverre die tijd kan worden gevonden in het huidige onderwijs. Misschien kan de staatssecretaris daarop ingaan.

Voorzitter. Dan hebben wij nog wel iets meer vragen over het voorstel om in de wet op te nemen dat kerndoelen niet alleen kennis, inzicht en vaardigheden moeten bevatten, maar ook ervaringen. Uiteraard gaat het ook om ervaringen, maar die komen ook heel vaak in het kielzog van een focus op kennis en inhoud. De belangrijkste ervaring van het onderwijs is toch, wat ons betreft, het gevoel van voldoening dat je hebt kunnen ervaren als je na een grote inspanning iets heel moeilijks hebt kunnen leren of onder de knie hebt gekregen. Het andere grote doel van deze wet en de curriculumherziening is om de kerndoelen concreter en minder wijdlopig te maken voor leraren, zodat het gevoel van overladenheid beperkt wordt. Juist het onderwijs vraagt om focus: wat doe je nou wel en wat doe je niet? We moeten juist aandacht hebben voor die basisvaardigheden. Maar gaat dat hier dan ook wel voldoende gebeuren? Wat gaat dit nieuwe curriculum nou precies doen met de hoeveelheid onderwijstijd die er is voor bepaalde vakken? Kan de staatssecretaris daar nog op ingaan? Is er nou al een implementatieplan, of wanneer komt dat? Ik vraag me ook af — dat vroeg mevrouw Moorman ook al — in hoeverre dit er nou toe leidt dat er heel veel nieuwe schoolboeken en methodes zullen moeten worden ontwikkeld voor heel veel geld. Hoe zorg je er nou voor dat dat allemaal betaalbaar blijft? Het is ook goed dat het aantal kerndoelen, als uitwerking van een motie van mijn voormalig ambtsgenoot Soepboer, is teruggedrongen. Daar is goed aan gewerkt. Daar wil JA21 ook op blijven toezien.

Wij hebben er net als de heer Stoffer wel nog enige zorg over, eigenlijk om drie redenen. Ten eerste: zoals ik ze lees, lijken die kerndoelen nog altijd enigszins gebukt te gaan onder een in mijn ogen wat moeizaam gezocht abstractieniveau; de heer Ergin zei dat ook al. Bij kerndoel 28 uit het leergebied Mens en Maatschappij voor het voortgezet onderwijs staat bijvoorbeeld: "De leerling beschrijft de samenleving als een sociaal systeem. Het gaat er daarbij om dat ze kunnen beschrijven welke vormen van interactie tussen individuen, groepen en instituties de samenleving in stand kunnen houden, of dat zij beschrijven hoe overheden en instituties op verschillende schaalniveaus gericht zijn op het in stand houden van de samenleving." Nou, ik vind dat best ingewikkeld. Ik wil nu geen inhoudelijke discussie aangaan over al die kerndoelen, want dit is niet het moment daarvoor; we zitten aan het einde van een slepend traject. Maar het is vaak geformuleerd in een taal die ook bij mij heel snel een gevoel van overladenheid oproept. Het valt me ook erg op dat er dus een groot contrast lijkt te zijn tussen heel veel hooggestemde kerndoelen en een stroom van steeds meer alarmerende berichten over het dalende kennisniveau.

Ten tweede over de wijziging ten aanzien van het kunstonderwijs, waar de SGP ook al vragen over had gesteld. Scholen moeten nu, als ik het goed begrijp, minimaal drie van de vijf gebieden van muziek, beeldende kunst, dans, theater en film aanbieden. Leidt dit niet toch tot een verzwaring van de opdracht voor scholen? Ik vind het natuurlijk prachtig als scholen tijd vinden voor danslessen of film, maar hoort dat nou in deze wet te worden opgenomen als een verplichte kerntaak? Vreest de minister niet dat dit scholen toch extra zal belasten?

Ten derde komen er nieuwe kerndoelen bij voor digitalisering en burgerschap. Ook dat roept wel vragen bij ons op over in hoeverre dit nou bijdraagt aan de focus die zo nodig is. Hoe zit het, vraag ik aan de staatssecretaris, bijvoorbeeld met zijn "computationele denkstrategieën"? Kerndoel 23 voor primair en voortgezet onderwijs is: "De leerling programmeert een computerprogramma met behulp van computationele denkstrategieën." Programmeren in codetaal is toch juist iets wat nu door AI wordt overgenomen? De fractie van JA21 vreest toch dat bij dit onderdeel van het curriculum weer het spook van overladenheid de kop gaat opsteken. Kan de staatssecretaris daar nog op ingaan? Zorgt het toevoegen van deze kerndoelen er nou voor dat scholen veel meer moeten gaan doen? Zo ja, ten koste van wat gaat dat dan? Dat is uiteindelijk steeds de vraag.

Dan de kerndoelen voor burgerschap. Die verplichting is natuurlijk op zich goed. Het bleek ook dat Nederlandse scholieren op het gebied van burgerschap laag scoren in vergelijking met internationale onderzoeken. Maar ook de definitieve kerndoelen zoals we die nu hebben gelezen, roepen vragen op. Die leggen volgens ons wel heel veel nadruk op wat leerlingen moeten ervaren en wat hun competenties moeten zijn. De school zou bijvoorbeeld een democratische oefenplaats moeten zijn. Leerlingen moeten niet alleen leren over democratie en de bijbehorende regels rondom inspraak en besluitvorming, maar ook ervaren dat ze daadwerkelijk invloed kunnen hebben binnen het democratisch proces. Die oefenplaats moet kinderen leren verbanden te leggen tussen motieven, kwaliteiten en de wereld om hen heen.

Voorzitter. Het ervaren en de eigen mening vormen kunnen naar het oordeel van de fractie van JA21 best nog even wachten. Er moet een fundament van kennis worden gelegd. Dát is nu belangrijk. Wat zijn de rechten en de plichten, de vrijheid en de verantwoordelijkheid van het leven in onze democratische rechtsstaat? Wie dit document leest, krijgt bijna de indruk dat burgerschap draait om pedagogische waarden en respect voor diversiteit, alsof dat het allerbelangrijkste is. Het gaat wat ons betreft ook echt om inhoudelijke kennis.

Er wordt dan wel gezegd dat dit raakt aan de vrijheid van onderwijs en dat dit daarmee in conflict kan komen. De minister schrijft dat bij sommige eisen wellicht spanning kan ontstaan met de specifieke opvattingen die voortvloeien uit de richting van de school. JA21 ziet het gevaar dat via bepaalde formuleringen en inzet op burgerschap toch een specifieke ideologie wordt doorgevoerd. Tegelijkertijd zijn we daar minder beducht voor, omdat burgerschap juist iets zou moeten zijn wat ons allemaal bindt. Nederland is geen verzameling losse individuen en geen verzameling losse gemeenschappen. We zijn een historisch gegroeide cultuurgemeenschap, één gemeenschap van mensen met een gedeeld verleden en een gedeelde toekomst, zoals ook historicus Ernest Renan dat formuleerde in zijn beroemde essay Wat is een natie? Voor alle duidelijkheid: dat is een geestelijk principe. Dat is in modern taalgebruik heel inclusief; het heeft niets te maken met etniciteit, maar het gaat om de gezamenlijke wil om samen te leven in dit stukje dat wij als ons gemeenschappelijk thuis beschouwen.

Ik denk dat dit een belangrijk debat is. Wij komen nu natuurlijk een beetje laat in dit hele traject, maar ik zou die discussie toch graag verder willen voeren. Ik vraag ook aan de staatssecretaris, zoals mijn ambtgenoot Armut al vroeg: hoe gaat de inspectie dit nou controleren? JA21 zou liever zien dat er gezorgd wordt voor een herkenbare, zichtbare toetsing van een aantal kenniseisen op het gebied van burgerschap. Hoe ziet de staatssecretaris dit? Welke rol ziet hij daarbij voor het College voor Toetsen en Examens en in het centraal examen?

Voorzitter. Het is wel van belang dat scholen nu snel aan de slag kunnen. Wij vinden het als JA21 toch belangrijk dat de Tweede Kamer die parlementaire betrokkenheid blijft behouden. We hebben kennisgenomen van de argumenten, ook van de Raad van State, om die nahang uit de wet te slopen. Maar wij vinden dat we als Tweede Kamer, als democratische volksvertegenwoordiging, toch het laatste woord moeten hebben, juist ook omdat de uitwerking van die kerndoelen nu in de wet is opgenomen en in die AMvB terugkomt. Dat is niet omdat wij de professionals in de klas voor de voeten willen lopen, maar omdat we gewoon toezicht willen kunnen houden op de vraag of die focus op de kerntaken daadwerkelijk terugkomt en op het risico dat die toch niet uit de verf komen. Daarom hebben wij dat amendement ingediend om die voorhangprocedure te introduceren.

Ik zie dat ik over mijn tijd ben. Dan rest mij alleen nog om alle scholen en met name alle docenten heel veel succes te wensen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw bijdrage. Voordat ik de heer Van Duijvenvoorde voor zijn maidenspeech ga uitnodigen, ga ik alvast aan een beetje verwachtingsmanagement doen. Ik ga na de laatste spreker voor een uur schorsen. We gaan vanavond vroeg dineren. De staatssecretaris heeft een uur nodig om te kunnen eten, maar vooral om te kunnen appreciëren. Daarna kunnen wij voortvarend verder met dit debat.

Dan nodig ik nu heel graag de heer Van Duijvenvoorde van de fractie van Forum voor Democratie uit voor zijn maidenspeech. Ook dit zal een heugelijk moment zijn, dus ik wens u daar veel plezier bij. De heer Van Duijvenvoorde heeft aangegeven niet geïnterrumpeerd te willen worden, dus dat zal ik ook deze keer niet toestaan. Gaat uw gang.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Dank je wel, voorzitter. Vandaag behandelen we een belangrijk onderdeel van het onderwijsbeleid: de kerndoelen, de vraag wie erover gaat en hoe we bepalen wat kinderen in Nederland moeten leren.

Tegelijkertijd is dit mijn eerste bijdrage in dit huis. Meestal vertelt men dan iets persoonlijks, maar ik wil dat vandaag eigenlijk via een idee doen. Simone de Beauvoir leerde ons immers al dat het politieke persoonlijk is en het persoonlijke politiek. Ik doe dat via een gedachte die voor mij de kern raakt van wat onderwijs is. Ook omdat ik besef dat de toekomst zal bestaan uit debatten over percentages, artikelen en technische details, wil ik één keer met mijn filosofische achtergrond een politiek-theoretisch punt maken, nu het nog kan.

Om dat te doen, beginnen we bij het begin, namelijk bij de eerste school van het Westen: Plato en de Academie van Athene. Plato heeft vele gezichten. Voor de een is hij totalitair, voor de ander is hij een briljant denker over staatsinrichting. De echte interessante Plato, echter, wordt veelal buiten beschouwing gelaten, namelijk de filosoof die een diep gevoel had voor de transcendentie, de onkenbaarheid van het ware, het goede en het schone. Of hij dat bewust heeft gedaan of intuïtief aanvoelde, is niet belangrijk. Van belang is dat hij begreep dat juist deze drie elementen, waarheid, goedheid en schoonheid, ten diepste onkenbaar moesten zijn voor de menselijke vrijheid en daarmee dus, zeg ik met de moderne bril, voor de liberale democratie.

Deze drie thema's bepalen ons hele leven. Staatsinrichting, samenleving en het persoonlijke leven: steeds weer gaat het over wat waar is, wat goed is en wat schoon is. Ook als we over onderwijs spreken, spreken we precies over deze vragen. Wat is waarheid? Hoe leer je denken? Hoe herken je het goede? Hoe leef je een goed leven? Wat is een goede daad? Wat is een slechte daad? Wat is het schone?

Wat deze drie fenomenen in wezen zijn, blijft echter voor Plato ook een mysterie. Wij kunnen redeneren, zoeken en proberen te begrijpen, maar of waarheid zich openbaart of het goede zichtbaar wordt, soms misschien even onverwachts: het is een type kennis dat we niet kunnen afdwingen, niet door een staat, niet door een curriculum, noch door een instituut. Zie het als een restauranthouder: hij kan de tafels buiten zetten, hij kan de stoelen klaarzetten, de kaarsjes branden, een menu ophangen, maar of de klanten komen, of ze bij hem komen eten, dat is niet aan hem. Daarop moet hij wachten.

Zo is dat ook gek genoeg met de fundamentele kennis van de drie elementen waar ik het de hele tijd over heb. Plato is eigenlijk een heel nederige filosoof en dat is ook noodzakelijk, want zodra iemand zegt "dit is de waarheid, dit is de goede burger, dit is het juiste" ontstaat de verleiding om dat inzicht als een instrument van macht te gebruiken. En precies daar begint de relevantie voor het debat van vandaag.

Voorzitter. Wie de stukken leest, ziet dat dit wetsvoorstel geen marginale technische wijziging is, maar een structurele herschikking van invloed in het onderwijs. De kerndoelen blijven technisch gezien via een AMvB worden vastgesteld, maar de ruimte voor de minister wordt groter en de invloed van de Kamer wordt kleiner, vooral doordat de nahangprocedure vervalt. Helaas is het amendement daaromtrent ingetrokken, maar de vormprocedure zullen we wel gaan steunen. Ook een probleem is dat de professionele ruimte van docenten kleiner wordt. Die wordt niet groter, want zij krijgen minder invloed op de inhoud en hebben geen zeggenschap over het aantal kerndoelen of de mate van concreetheid ervan. Er ontstaat één centraal zwaartepunt dat periodiek, gecoördineerd en vrijwel zelfstandig de inhoud van het onderwijs blijft herzien.

Vooral bij burgerschap krijgt het Rijk een substantiële inhoudelijke rol. De wet biedt ruimte om normen, waarden en respectvolle houdingen centraal te gaan definiëren. Dat is meer dan kwaliteitsborging, dat is inhoudelijke sturing. Dit alles betekent minder pluraliteit, minder Kamerinvloed, minder docentautonomie en meer centralisatie. Het is een beweging weg van het brede veld naar één centrum, precies het risico waar Plato al voor waarschuwde wanneer de definitie van het ware, het goede en het schone te sterk wordt geconcentreerd.

Voorzitter. Dit is ook wat Socrates bedoelt wanneer hij zegt: ik weet één ding en dat is dat ik niets weet. De gehele geschiedenis hebben we gedacht dat dat een uitspraak was over kennis en over wat we kunnen kennen, maar eigenlijk is het een heel ander type uitspraak, namelijk een existentiële. Socrates zegt "ik weet één ding en dat is dat ik niets weet" en daarmee zegt hij: ik ben een vrij mens.

En waarom is dat nou zo? Plato beseft dat als je stelt dat het ware, het goede en het schone kenbaar zijn, ze al gauw een instrument kunnen worden voor de macht. Geschiedenis en heden laten zien dat het mechanisme altijd weer terugkeert in ideologieën en utopieën, in systemen die te zeker zijn van zichzelf. Doordat we fundamenteel niet weten wat deze drie elementen zijn, is de mens vrij. Precies om die reden vormen onze moderne instituties, wetenschap, rechtsstaat en universiteit, geen pantheons van zekerheden, maar systemen die juist gebouwd zijn op twijfel.

Voorzitter. Dit is geen abstracte meditatie, want onze moderne instellingen, onderwijs, wetenschap en rechtsstaat, zijn precies gebouwd op dit besef van de onkenbaarheid. De wetenschap bijvoorbeeld leeft bij de gratie van twijfel aan zichzelf. Wetenschap begint niet bij zekerheid, maar bij de vraag: waarom klopt mijn theorie waarschijnlijk niet? Daarom is het idee van "trusted science", wetenschap als autoriteit en als dogmatisch bastion, in wezen antiwetenschappelijk. Echte wetenschap is het institutionaliseren van wantrouwen. Iedere hypothese is voorlopig, iedere waarheid is voorwaardelijk. Denk bijvoorbeeld aan John Ostrom, de paleontoloog die in de jaren zeventig durfde te zeggen: waren dinosaurussen geen gevederde dieren? Hij werd belachelijk gemaakt en hij werd uitgelachen, totdat twintig jaar later bleek dat hij gelijk had. Dinosaurussen leken meer op vogels dan op krokodillen.

Dat is precies de kracht van de wetenschap: dat zij niet het monopolie op waarheid claimt of probeert te claimen. Zo geldt het ook voor de rechtsstaat. Na de Tweede Wereldoorlog werd pijnlijk zichtbaar dat recht zonder een vorm van verankering in iets buiten zichzelf, in een notie van rechtvaardigheid, kwetsbaar kan worden voor misbruik. Een systeem kan formeel perfect zijn en toch onrechtvaardig. Duitsland had tijdens het naziregime wetten, regels en procedures. Je kon misdaden plegen en toch volgens het recht handelen. Daarom hebben moderne staten het recht gekoppeld aan een idee van rechtvaardigheid dat buiten het recht zelf ligt. Het gevaar is echter dat we dat goede wel zijn gaan invullen. Algauw bestaat er dan zoiets als prorechtsstatelijk of antirechtsstatelijk, terwijl de vraag wat het goede is, wat rechtvaardigheid is, altijd onderwerp is van een politieke discussie. Wat rechtvaardigheid is, zal namelijk nooit écht ingevuld kunnen worden. De uitdaging is niet om dat conflict op te heffen, maar om te handhaven. De Franse politieke denker Rosanvallon stelt dat democratie het institutionaliseren, niet het externaliseren, van wantrouwen is.

Voorzitter. Daarmee kom ik met een omweg bij de kern van het debat van vandaag: onderwijs hoort bij dezelfde familie van instituties als wetenschap en rechtsstaat. Ook daar gaat het om zoeken, toetsen, twijfelen, groeien. Het is een ruimte waar kinderen leren omgaan met complexiteit, met het verschil tussen feit en mening en tussen goed en kwaad, en vooral met de gedachte dat geen van deze dingen eenvoudig is. Onderwijs kan er alleen zijn wanneer het geen doctrinaire ruimte wordt, geen instrument van één waarheid, één definitie van burgerschap of één morele blauwdruk die van bovenaf wordt vastgesteld. Als je het ware of het goede definieert in één centrum en kinderen verplicht die definitie te leren, raak je namelijk precies het hart van de vrijheid kwijt: de erkenning dat niemand altijd exact kan weten wat waar of goed is en dat dit altijd onderwerp blijft van debat.

Voorzitter. In de voorstellen die we vandaag bespreken, zien wij een beweging naar centralisering van kerndoelen. De macht verschuift wederom weg van de Kamer, de ouders, de samenleving en de docenten, en wordt zo geconcentreerd in één orgaan dat bepaalt wat kinderen zouden moeten leren en dus indirect wat waar en goed is en wat een goede burger zou zijn. Dat is geen administratieve beweging. Het is, nogmaals, een technocratische modernisering. Het is een conceptuele verschuiving van pluraliteit naar één centrum, van twijfel naar doctrine, van ruimte naar een vastomlijnd kader. Het gevaar ligt op de loer dat we nu precies doen wat Plato ons afraadt: het toe-eigenen van wat waar, goed en schoon zou zijn door een kleine groep. Die kleine groep zou dat vervolgens aan scholen kunnen opleggen.

Neem burgerschap. Wat is een goede burger? Dat is geen vraag met één antwoord. GroenLinks-PvdA, VVD, CDA, FVD: we hebben allemaal andere interpretaties van wat een goede burger is. Dat is legitiem, dat is politiek, dat is pluralisme, dat is waar het spannend wordt. Maar als één orgaan de kerndoelen schrijft, zou één opvatting van burgerschap domineren. Ik ben het eens met JA21 dat een idee van burgerschap noodzakelijk is — dat maakt de samenleving mogelijk — maar hoe kun je de veelvoudigheid van het burgerschap vasthouden en tegelijkertijd lessen in burgerschap vormgeven? Dat is volgens mij de echte uitdaging.

Voorzitter. Dit betekent niet dat wij tegen leerdoelen, kwaliteitsborging of structuren zijn. Het is allemaal nodig. Denk aan schrijven, rekenen en taal. Het is goed dat we daar eindelijk echt zaak mee maken. Maar wij zijn wel van mening dat de macht over de basis van het onderwijs gespreid moet blijven. Ons uitgangspunt is: vertrouw de docent, laat de Kamer invloed houden en laat de samenleving pluralistisch blijven. De Staat moet het minimum bewaken en nooit het maximum bepalen.

Voorzitter. Laat ik afsluiten waarmee ik begon. Ik sta hier niet omdat ik denk dat ik de waarheid bezit. Integendeel, ik sta hier omdat ik geloof dat een vrije samenleving ontstaat vanuit het besef dat niemand hier dat doet. We hebben elkaar nodig om dichter bij dat inzicht te komen. Dat is de kern van de liberale democratie, waarin vrijheid centraal staat. Nogmaals, ik weet één ding, namelijk dat ik niets weet. Dat klinkt eenvoudig, maar het is de wortel van de vrijheid. Het is de erkenning dat de ander iets kan zien wat ik niet zie, dat een docent iets weet wat geen ministerie weet, dat een kind soms iets begrijpt voordat wij het überhaupt begrijpen. Laten we onderwijs dus niet gebruiken om één visie op waarheid of burgerschap op te leggen, maar om kinderen te leren zoeken, twijfelen en denken. Daarom stel ik, in navolging van andere woordvoerders, de vraag aan de staatssecretaris hoe die de autonomie en professionaliteit van de docent kan waarborgen. Ook horen wij graag — dat vraag ik ook in navolging van andere woordvoerders — hoe artikel 1 en artikel 23 zich tot elkaar verhouden in de praktijk van kerndoelen, juist omdat er tussen grondrechten geen hiërarchie bestaat.

Tot slot — dat is sneller dan ik had verwacht — wil ik het volgende zeggen. Het is een eer om mijn maidenspeech hier te hebben mogen geven. Ik beloof mijn ambtsgenoten en de voorzitter dat al het filosofische kruit nu verschoten is. Het volgende debat zal ik alleen nog maar wetsartikelen en percentages aanhalen.

Dank jullie wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel. Ik wil u hartelijk danken voor uw bevlogen maidenspeech. Ik geef nu de gelegenheid voor felicitaties van uw eigen fractie en de andere collega's. Ik schors tot 18.00 uur. Dan zie ik u graag terug in de plenaire zaal. Nogmaals van harte.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Ik heet de leden van de Kamer en de staatssecretaris wederom van harte welkom. We zijn toe aan de beantwoording van de gestelde vragen, dus ik geef de staatssecretaris graag het woord. Gaat uw gang.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, voorzitter. Mooi om vandaag voor het eerst met deze Kamer in gesprek te gaan. Ik feliciteer de nieuwe Kamerleden van harte met hun maidenspeech en ik kijk uit naar een prettige samenwerking de komende tijd. Goed onderwijs is belangrijk en speelt een grote rol in mijn leven en in mijn familie. Ik ben zelf jarenlang werkzaam geweest in het onderwijs: bij Nyenrode, bij de universiteit van Tilburg, bij Lucas Onderwijs en bij De Haagse Hogeschool. Mijn vader was 40 jaar directeur van een basisschool, mijn schoonouders stonden allebei voor de klas en mijn kinderen zijn te vinden in de school- en de studiebanken. Er is dus ook voor mij een sterke drijfveer voor goed onderwijs, en dan wel goed onderwijs voor iedereen.

Een heldere opdracht aan scholen is voor goed onderwijs essentieel. Afgelopen vrijdag is daarin een mijlpaal bereikt met het opleveren van de kerndoelen voor een nieuw curriculum voor de scholen in Nederland. Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om SLO en alle docenten, schoolleiders en experts die hieraan hebben gewerkt hartelijk te bedanken. Er ligt nu een ambitieus, concreet en actueel curriculum klaar, dat we hard nodig hebben om de resultaten te verbeteren en het tij te keren. Uw Kamer heeft daar uitgebreid over gesproken. Het is ambitieus omdat het nieuwe curriculum de focus legt op de basisvaardigheden, zodat alle leerlingen, ongeacht hun thuissituatie, goed leren lezen, schrijven en rekenen. Het is concreter omdat de nieuwe kerndoelen duidelijker zijn over wat echt moet. Dit gaat overladenheid tegen. Zo kan de leraar beter keuzes maken in wat wel en wat niet moet. En het is actueel omdat de huidige kerndoelen stammen uit 2006 en actuele inhoud, zoals burgerschap en digitale geletterdheid, missen. Dat zijn zaken die vandaag de dag onmisbaar zijn voor leerlingen om zich in de samenleving te kunnen redden.

Het is nu onze grote opgave om te zorgen dat dit nieuwe curriculum daadwerkelijk wordt ingevoerd en ook daadwerkelijk leidt tot beter onderwijs. Met dit wetsvoorstel kunnen we daar vandaag een grote eerste stap in zetten, namelijk het regelen van de juridische grondslag om die kerndoelen vast te leggen in wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel legt daar de basis voor. Het is het noodzakelijke juridische fundament waar al zo lang aan is gewerkt door zo veel mensen. We kunnen dit nu gaan vaststellen. Het is een mijlpaal om dit vandaag met u te kunnen bespreken.

In essentie regelt dit wetsvoorstel drie dingen: meer expliciete aandacht voor de basisvaardigheden over de breedte van het hele curriculum, het aanpassen van de kerndoeldefinitie zodat er concrete uitwerkingen kunnen worden vastgesteld voor meer houvast en meer richting, en, ten derde, het toevoegen van actuele onderwerpen aan het onderwijs, namelijk burgerschap, digitale geletterdheid en ook Nederlandse Gebarentaal. Met dit voorstel maken we dus ambitieus, concreet en actueel onderwijs mogelijk. We regelen met dit voorstel niet de inhoud van die kerndoelen.

Voorzitter. Dit blokje ging over het wetsvoorstel. Ik heb hierna nog de volgende blokjes: een blokje over de vragen, een blokje over periodiek onderhoud, een blokje overig en een blokje over de amendementen.

De heer Stoffer vraagt of we deze wettelijke bepalingen nodig hebben om de resultaten op de basisvaardigheden daadwerkelijk te verbeteren. Met het wettelijk verankeren van de focus op lezen, schrijven en rekenen maakt de wetgever het belang van de ontwikkelingen van deze vaardigheden voor onze leerlingen kristalhelder. Het is een opdracht aan de regering om ervoor te zorgen dat deze vaardigheden in voldoende mate in de verschillende leergebieden aan bod komen. In de vernieuwde kerndoelen is daar ook sprake van. Echter, wetgeving alleen is natuurlijk niet voldoende. Daarom wordt ook ingezet, met het Masterplan basisvaardigheden, op het versterken van het onderwijs in deze vaardigheden. Ik ben ervan overtuigd dat we met deze focus, met de nieuwe kerndoelen en met de inzet van alle gedreven professionals, van wie ik er de afgelopen weken veel heb ontmoet, en alle mensen uit het veld en de deskundigen, echt het tij kunnen keren en ervoor kunnen zorgen dat we beter gaan leren lezen, schrijven en rekenen.

De heer Stoffer vroeg ook naar het risico dat de nadruk op schrijven, lezen en rekenen de brede vorming van leerlingen onder druk kan zetten. Dat hoeft niet tot verschraling te leiden, want juist ook andere vakken bieden een mooie en rijke context om de basisvaardigheden te oefenen. Het is ook het idee dat je ook in de andere vakken gebruikmaakt van lezen, schrijven en rekenen. Er hoeft ook niet minder aandacht uit te gaan naar andere vakken, want het gaat juist om het integreren ervan in de volle breedte van alle vakken. De focus op die vaardigheden is wel noodzakelijk, omdat — uw Kamer zei het al — uit verschillende onderzoeken blijkt dat het niet goed gaat met de leerlingenprestaties op het gebied van lezen, schrijven en rekenen. Dat is problematisch, zeker ook omdat die vaardigheden essentieel zijn om andere vakgebieden en onderwerpen te kunnen aanleren. Je hebt die vaardigheden nodig om de andere vakken goed te leren beheersen, zoals bijvoorbeeld aardrijkskunde, biologie of geschiedenis. Daarom zet ik zo in op de verbetering van juist die basisvaardigheden.

De heer Stoffer vroeg of mondelinge taalvaardigheid dan minder belangrijk zou zijn dan lezen en schrijven. Lezen, schrijven en rekenen zijn cruciale vaardigheden voor leerlingen om mee te kunnen doen op school, in hun vervolgopleiding en in de maatschappij. Het zijn natuurlijk bij uitstek vaardigheden die kinderen op school leren. Daarin zien wij een dalende trend, vandaar ook de focus daarop. Maar dat neemt niet weg dat mondelinge taalvaardigheid uiteraard ook van groot belang is. Ook die komt terug in het nieuwe curriculum.

De heer Ceder vroeg hoe we ervoor zorgen dat kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming aan bod komen in onderwijswetgeving en -beleid. Met het wetsvoorstel wordt geen wijziging aangebracht aan de brede opdracht in het onderwijs om leerlingen voor te bereiden op deelname aan onze maatschappij. Die drie elementen zijn allemaal van belang en zijn dus ook door SLO als uitgangspunt genomen bij de verdere ontwikkeling van die kerndoelen. Met de vernieuwde kerndoelen borgen we dus ook dat leerlingen een brede basis meekrijgen van kennis, inzicht en vaardigheden. Dat blijft ook het uitgangspunt bij andere wetgeving en ander beleid.

De heer Stoffer hoort ook graag waarom wij gegronde hoop hebben dat dit daadwerkelijk gaat bijdragen aan meer richting en houvast. Ik zei het al: we leggen hiermee de juridische basis. We werken met concrete doelen. Die geven richting aan het onderwijsveld. Doordat je heel duidelijk bent over wat er echt moet, weten leraren natuurlijk ook veel beter wat er níét hoeft. Het is dus heel concreet en duidelijk. Leraren worden daarin ook geschoold en getraind. Er zijn allemaal bijeenkomsten over. Door heel duidelijk te zijn over wat er echt moet, is het ook duidelijk wat er niet per se hoeft, gegeven de vrijheid die uiteraard blijft bestaan.

De heer Ergin, van DENK, vroeg: is de exercitie voor meer duidelijkheid in de kerndoelen wel geslaagd? Ja, want de nieuwe kerndoelen zijn duidelijker en concreter. Ze maken duidelijk wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Zoals ik al zei, weten leraren daardoor ook waar ze aan toe zijn. Er is veel steun vanuit het veld om dit te doen, ook vanuit de leraren. Juist door die concreetheid en de ambitie die erin zit, kan het op veel steun rekenen vanuit het veld. Dat heb ik ook gezien in allerlei brieven die ik heb ontvangen. De kerndoelen zijn dus bij de oplevering — u sprak er al over — uitgebreid getoetst in de fase van beproeven, door vele honderden leraren.

De heer Stoffer vroeg of de kerndoelen zodanig zijn uitgewerkt dat scholen er ook een programma van kunnen maken. Ze zijn een stuk concreter, maar er is ook nog ruimte voor verschillende uitwerkingen. Scholen hebben de ruimte om hun programma aan te laten sluiten bij de behoeftes van hun leerlingen en bij hun schoolvisie. Het heeft ook met je schoolpopulatie en met jouw eigen voorkeuren te maken. Daar kun je dus ook zelf helemaal vorm aan geven vanuit de ruimte die daarvoor blijft. Schoolleiders kunnen met hun teams in gesprek gaan. "Hoe willen we dat invullen? Waar willen we accenten leggen? Waar willen we extra dingen doen? Wat past bij onze leerlingpopulatie?" Scholen en leraren die meer richting willen geven of krijgen, kunnen daarbij gebruikmaken van de zogenaamde "leerlijnen" van SLO.

Mevrouw Van der Plas vraagt hoe wordt voorkomen dat uitwerkingen Haagse uniformiteit opleggen. Ik zei het net ook al een beetje. De nieuwe kerndoelen zijn door de uitwerkingen een stuk concreter en ambitieuzer dan de huidige kerndoelen, maar er is nog steeds veel ruimte voor eigen invulling door de school. Het gaat namelijk om doelen die aan het eind van groep 8 of de onderbouw van het voortgezet onderwijs behaald moeten worden. In die zin zijn het ook einddoelen: wel de kern, maar het gaat om het resultaat aan het eind van groep 8 of de onderbouw. Op grond daarvan moeten scholen zelf een samenhangend en doelgericht programma maken, maar er is dus een hoop ruimte voor maatwerk.

Mevrouw Armut, CDA, en mevrouw Van der Plas, BBB, vragen: hoe waarborgt u dat het vakmanschap van de leraren niet te veel wordt beperkt? Dat is een hele goede vraag. De kerndoelen zijn een stuk concreter geworden, maar er is ook veel ruimte voor invulling door leraren. Die bepalen hóé ze die kerndoelen gaan onderwijzen. Welke didactiek gebruik je, welke pedagogiek, welke leermiddelen zet je in, waar leg je accenten? Het is echt aan de leraren en de schoolleiders om daar zelf invulling aan te geven. In het hoe is er vrije ruimte voor iedereen. Ik denk dat er zo een goede balans is tussen richting geven en voldoende ruimte houden in de klas.

Stoffer en Boomsma vroegen naar overladenheid: draagt het wetsvoorstel niet juist bij aan overladenheid en wat moeten scholen minder doen? Ik denk dat het voorstel juist bijdraagt aan het terugdringen van die overladenheid, omdat de huidige kerndoelen te vaag zijn. Kijk bijvoorbeeld naar een vak als geschiedenis. Er werd al over gesproken: leerlingen moeten volgens de huidige kerndoelen kennis hebben van de Tweede Wereldoorlog. Maar ja, wat is dat dan precies? Het kunnen 50 begrippen zijn, maar het kunnen er ook 500 zijn. Uit angst om onderwerpen te missen, voegen leermiddelenmakers, die dus het materiaal ontwerpen en ontwikkelen, vaak dan maar eerder 500 dan 50 begrippen toe. Dan heb je dus een overladen curriculum en overspannen leraren. Met dit wetsvoorstel maken we het mogelijk dat er concrete doelen kunnen worden vastgesteld, zodat scholen weten wat leerlingen wel echt moeten kennen. Scholen kunnen ook makkelijker nee zeggen — daar is ook naar gevraagd — tegen partijen die vanuit de commercie werken. Je hebt vanuit school veel meer te zeggen over wat jij wel en niet wil gebruiken.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Een vraag over die overladenheid. Het moet zich altijd een beetje bewegen tussen ruimte en regels. Maak het niet te strikt, want dan moet je het allemaal volgen. Maar geef ook niet te veel ruimte, want dan weet je niet meer wat je moet doen. Die kerndoelen leiden natuurlijk wel tot nieuwe leermiddelen. Leraren moeten zich daar weer in scholen, maar krijgen eigenlijk heel beperkt ruimte om dat daadwerkelijk te doen. Leidt het dan niet tot overladenheid dat ze te weinig tijd krijgen om zich dit eigen te maken?

Staatssecretaris Becking:

Er is ook een hoop ruimte om het zelf te gaan vormgeven. Je kunt kiezen uit die leermiddelen, maar je hebt ook de ruimte om daar zelf vorm aan te geven. Ik denk dat de kracht er ook in zit dat er met het veld, met leraren en met experts, uitgebreid aan gewerkt is en dat zij zelf zeggen: dit is nou precies waar we echt een grote stap mee naar voren zetten. Ze voelen ook nog voldoende ruimte, want hoe je dat onderwijs gaat inrichten, is aan jou als leraar.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dit is precies mijn punt. Leraren krijgen nu zestien uur per jaar om dat vervolgens te gaan doen. Dat lijkt mij zeer beperkt. Hoe goed die leerdoelen en die kerndoelen ook kunnen zijn, alsnog leidt het ertoe dat je je daar wel goed op moet voorbereiden. Mijn punt zit niet zozeer op de inhoud van die kerndoelen, maar veel meer op de implementatie. Hoe gaan we monitoren of daardoor niet juist overladenheid ontstaat?

Staatssecretaris Becking:

Er is ruimte voor professionele scholing. Dat is voor de een misschien niet genoeg en voor de ander misschien wel. Tegelijkertijd is het het dagelijks werk van leraren om hun onderwijs vorm te geven. "Hoe ga ik mijn lessen het komend jaar inrichten? Hoe ga ik dat deze maand doen? Hoe ga ik dat morgen doen?" De professionaliteit en de autonomie van leraren staan hier voorop. Zij geven daar nu natuurlijk ook zelf vorm aan.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Mijn laatste interruptie. Dank u, voorzitter. Ik heb ook zeer veel vertrouwen in onze leraren en ik vind ook dat we ze daar de ruimte voor moeten geven. Tegelijkertijd zien we een groot lerarentekort en zien we veel leraren uit het onderwijs gaan, juist vanwege de overladenheid. Ik vraag aan de staatssecretaris of hij zou willen monitoren wat het effect is op de druk op leraren van het implementeren van deze kerndoelen en deze nieuwe wet, en of hij daarover aan de Kamer zou willen rapporteren.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp de vraag. Ik denk dat we kunnen kijken hoe we dat een plek kunnen geven, ook in de voortgang hierover. Dat kan.

De heer Boomsma (JA21):

Dat lijkt me een heel goed idee. Ik kom natuurlijk relatief laat aan in deze discussie, maar ik kan het ook gewoon niet helemaal volgen. De staatssecretaris zegt dat het leidt tot een gevoel van overladenheid als een kerndoel is dat leerlingen moeten leren over de Tweede Wereldoorlog. Dat lijkt mij juist een vrij heldere opdracht, dat je wat moet leren over de Tweede Wereldoorlog, die leraren vervolgens zelf kunnen invullen. Dus in hoeverre is dat nou waar het gevoel van overladenheid uit voortkomt? Of is dat dan toch iets anders, bijvoorbeeld dat daar meer aan wordt toegekend via de exameneisen of op andere manieren?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat het een combinatie is van vele dingen die tot dat gevoel van overladenheid leiden. Het gaat juist om dat ambitieus zijn. Je wilt iets bereiken en je wilt daar concreet over zijn. Die concreetheid leidt tot heldere doelen, zoals ik net heb betoogd, die concreter zijn vormgegeven, en leidt ertoe dat je weet wat je in je onderwijs een plek geeft. Nogmaals, hoe je dat doet, is dan aan jou.

De heer Boomsma (JA21):

Ik kan me voorstellen dat het leraren meer handvatten biedt als nader wordt ingevuld wat je dan moet leren over de Tweede Wereldoorlog. Maar als ik in de nu voorgestelde nieuwe kerndoelen kijk, dan zie ik dat eigenlijk niet. Dan zie ik juist dat het nog abstracter is geformuleerd. Er staat nu over de Tweede Wereldoorlog: leerlingen moeten leren over historische ervaringen en dan beschrijven hoe de Tweede Wereldoorlog en kolonialisme kunnen doorwerken in het heden. Dat lijkt mij juist veel minder concreet.

Staatssecretaris Becking:

Die casuïstiek ken ik niet helemaal. Ik heb bijvoorbeeld die van Nederlands gezien. Daar wordt veel duidelijker vormgegeven wat dan het leerdoel is. Wat is uiteindelijk het kerndoel voor Nederlands? Wat is uiteindelijk het kerndoel voor geschiedenis? Hoe je dat dan vormgeeft, waar je dan je accenten legt, dat is helemaal aan jou natuurlijk. Het gaat om het uiteindelijke resultaat na al die jaren leren waar we dan uiteindelijk op toetsen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Boomsma (JA21):

Het lijkt me sowieso dan goed om heel goed te blijven monitoren hoe dat zich nu gaat ontwikkelen, hoe leraren die overladenheid of het gevoel daarvan ervaren en hoe dat verdergaat. Dan zien we inderdaad graag een verdere uitwerking van hoe de staatssecretaris dat in de gaten gaat houden.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel. De vraag van Stoffer en Van der Plas over de vrije ruimte sluit aan op wat we net bespraken. Er is dus rekening mee gehouden dat de kerndoelen 70% van de onderwijstijd dekken. Dat betekent dus ook dat 30% van de onderwijstijd vrije ruimte is om het onderwijs naar eigen inzicht in te richten op basis — dat heb ik net ook al gezegd — van de schooleigen visie, de populatie en de regio. Daar is veel ruimte voor. Dat is dus ook ruimte voor streektalen, zeg tegen mevrouw Van der Plas. Ik ben het niet eens met de heer Stoffer, die zegt dat er met deze kerndoelen geen ruimte overblijft. Dat is ook echt gecheckt. SLO heeft dat gecheckt bij 200 scholen. Ik hou uiteraard de vinger aan de pols of dit ook allemaal uitvoerbaar is voor scholen. Daar heb ik net het een en ander over gezegd naar aanleiding van de vragen van de Kamer. Ook die 30% vrije ruimte moet natuurlijk op niveau zijn. Dat spreekt, denk ik, voor zich. Ook dat is iets waar de inspectie scholen op aan kan aanspreken, dus op de volle 100%.

De heer Ceder vroeg hoe het proces gelopen is rond het ontwikkelen van de kerndoelen en de keuzes, zoals bijvoorbeeld de aandacht voor duurzaamheid. De vakvernieuwingscommissies is gevraagd om kerndoelen te ontwikkelen met daarbij een richtlijn voor de onderwijstijd. Dat betekent — u voelt 'm al aankomen — dat er keuzes moeten worden gemaakt. Die keuzes zijn afgestemd met een heel breed samengestelde advieskring. Daar zitten ook alle vakverenigingen in, die hun achterbannen weer hebben geraadpleegd. Dat is een van de redenen waarom alles wat langer duurt, natuurlijk. Daarna zijn die kerndoelen uitgeprobeerd bij 100 scholen van allerlei verschillende richtingen. Die keuzes doen dan soms pijn, maar je kunt ook niet alles behandelen, want dan krijg je weer dat hele verhaal over overladenheid. Ik denk dat het hele goede nieuws is dat er heel veel draagvlak is voor wat er nu wél is geregeld.

Wat betreft specifiek duurzaamheid is het, denk ik, goed om te zeggen dat die in z'n algemeenheid wel een veel steviger plek heeft gekregen in de kerndoelen in de volle breedte. Dan kom ik weer bij het punt dat het scholen ook nog weer vrijstaat om kerndoelen in hun "vrije ruimte", om het zo maar te zeggen, in de manier waarop ze die vormgeven, extra aandacht te geven.

Mevrouw Moorman vroeg of de toezegging aan mevrouw Westerveld is opgevolgd. Zijn organisaties, leraren en wetenschappers betrokken? U voelt 'm al aankomen, denk ik. Die hebben we inderdaad opgevolgd. De vakvernieuwingscommissie heeft die kerndoelen ontwikkeld. Daar zaten leraren, experts en wetenschappers in. Die werden geadviseerd door een advieskring van verenigingen, vakexperts en wetenschappers. Die stemden dat weer af met hun achterban, bijvoorbeeld Duurzame PABO en Leren voor Morgen. Die commissies hebben daarom keuzes moeten maken.

Mevrouw de voorzitter. Ik kreeg van een aantal partijen de vraag hoe het zit met de kunstdisciplines: nemen die nu toe of af? Ik denk dat het goed is om daar even wat meer over te zeggen. Het belangrijkste is nu dat ik u wil meegeven dat we met dit wetsvoorstel geen verzwaring of verlichting aanbrengen in de kunstdisciplines. Het blijft dus gelijk. Het wetsvoorstel bevat een harmonisatie van de onderwijsbegrippen van het p.o. en het vo, omdat dat nu nog te onduidelijk is. Op dit moment spreekt de wetgeving in het primair onderwijs over "expressieactiviteiten". In de kerndoelen voor het primair onderwijs wordt dit uitgewerkt in kunstzinnige oriëntatie. Daarbij worden twee disciplines specifiek benoemd: muziek en beeldend. In het vo spreekt de wetgeving nu over "aspecten van beeldende vormgeving, muziek, dans en drama". Maar welke aspecten en hoeveel? De kerndoelen in het voortgezet onderwijs zijn daar iets duidelijker over. Leerlingen moeten leren luisteren naar muziek, leren kijken naar beeldend en leren kijken of luisteren naar film, theater of dans. Ik ga daar nog even iets meer over zeggen. Dat is de "twee plus één"-structuur. Dat is dus verplicht beeldend en muziek, en de keuze uit overige disciplines. Dat is dus twee plus één. Die structuur houden we in stand en harmoniseren we met het primair onderwijs om die onduidelijkheden weg te nemen. In de huidige situatie was soms niet helemaal bekend wat de structuur was. Dan voelt het als een versmalling, maar dat is het dus niet. Dat is dan een vervelende boodschap, maar het verplichten van alle vijf de kunstdisciplines voor alle scholen is feitelijk gezien een verzwaring van de wettelijke opdracht die er al was. Daar heeft de SGP ons terecht bij een schriftelijke vraag op gewezen. Daarom ben ik met een nota van wijziging gekomen, namelijk om te voorkomen dat er nog meer verplichtingen bij de school terechtkomen. We borgen tegelijkertijd dat leerlingen op school in aanraking komen met verschillende kunstdisciplines.

Mevrouw Moorman vroeg of er voldoende aandacht is voor de seksuele weerbaarheid en het voorkomen van seksueel geweld. Valt dit onder het onderdeel gezond gedrag dat de SGP per amendement wil schrappen? In de conceptkerndoelen van de verschillende leergebieden is er meer concrete aandacht voor relationele en seksuele vorming en dus ook voor seksuele weerbaarheid. Het gaat onder andere over een respectvolle omgang met elkaar, sociaal-emotionele ontwikkeling, het respectvol leren omgaan met seksualiteit en het bespreekbaar maken van wensen en grenzen. Relationele en seksuele vorming valt inderdaad deels onder gezond gedrag.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Daar ben ik blij mee. Dat is voor ons een reden om het amendement van de SGP in ieder geval niet te steunen, want het lijkt ons wel heel erg belangrijk. Maar toch nog even terug naar dat punt over die kunstdisciplines. Ik begrijp namelijk dat het eigenlijk gewoon een omissie was, die daarmee is hersteld. Maar er was in het veld ook heel veel blijdschap over dat het juist allemaal gelijk werd gesteld. Dat is dus nu weer niet zo. Het is ook nog weleens zo dat vanuit ideologische overwegingen bepaalde kunstdisciplines niet worden gedoceerd in het onderwijs. Dat lijkt me niet wenselijk. Hoe wil de staatssecretaris daarmee omgaan? Heeft hij daar oog voor?

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp wat mevrouw Moorman vraagt, maar ik ken de casuïstiek niet dat het met die argumentatie zou gebeuren; dat heb ik niet eerder gehoord. Ik denk dat het belangrijkste is dat het een systeem van twee plus één is. Het zijn er dus in ieder geval twee, plus een keuze uit drie andere. Even helemaal andersom geredeneerd, kun je er ook vijf aanbieden op een leuke manier die jou goeddunkt. In die zin is er dus ook daarvoor weer veel vrije ruimte om dat in te vullen.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Helaas ken ik die voorbeelden wel. Volgens mij moeten we dat niet willen en moeten alle kinderen gewoon met alle verschillende kunstdisciplines in aanraking kunnen komen, zonder dat we overladenheid willen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan: als daar signalen van zijn, hoe wil hij daar dan mee omgaan?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat ik het eens ben met uw redenering dat alle kinderen met alle vormen van kunst in aanraking moeten kunnen komen, volgens dit systeem van twee plus één en vrijheid voor de rest. Ja, dan moeten we dat per geval bekijken.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik heb daar ook een vraag over, want de staatssecretaris geeft aan: wat wij nu doen met de nota van wijziging is feitelijk hoe het al was in de praktijk. Maar volgens mij is er toch een verschil. Als je namelijk kijkt naar de Wet voortgezet onderwijs, dan zie je dat daarin sprake was van de vier die werden genoemd, dus beeldende vorming, muziek, dans en theater. In de uitwerking van de kerndoelen kwam vervolgens die twee-plus-eenconstructie. Echter wordt die twee-plus-eenconstructie nu in de wét gezet. Dus waarom is er dan voor gekozen om die wettelijke grondslag daar echt op aan te passen en die niet gelijk te houden met de vorige situatie?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat ik daar in de tweede termijn even op terug moet komen, mevrouw de voorzitter; dat weet ik niet zo concreet.

De voorzitter:

Dan gaan we dat doen. Gaat u verder met uw betoog.

Staatssecretaris Becking:

Dank. Dan kom ik bij de heer Boomsma van JA21. Hoe dragen de kerndoelen bij aan de focus op lezen, schrijven en rekenen? Digitale geletterdheid en burgerschap bieden een rijke context om ook de vakken lezen, schrijven en rekenen toe te passen. Een kritische houding aanleren bij burgerschap kan bijvoorbeeld bijdragen aan het schrijven van een goed betoog. Daar komt bij dat lezen, schrijven en rekenen ook steeds meer plaatsvinden in de digitale wereld. Dan moet je ook weten hoe je die kunt toepassen. Ik vind het dan ook belangrijk dat kinderen weten hoe ze er in de digitale omgeving mee om moeten gaan.

De heer Boomsma vroeg ook hoe het zit met de computationele denkstrategieën in kerndoel 23. Het is van belang dat leerlingen logisch leren redeneren en dat kunnen vertalen in computerstrategieën, ofwel computationele denkstrategieën. Het kan zo zijn dat AI deze taken kan ondersteunen en wellicht op sommige punten over kan nemen, maar het begrip van wat er gebeurt hoort bij de mens te blijven. Technologie is nu eenmaal een onderdeel van onze samenleving geworden. Het is aan het onderwijs om in een eigentijds aanbod te voorzien. Tegelijkertijd wil ik ook hier waken voor overladenheid. Ik ondersteun scholen zo goed mogelijk om de digitale geletterdheid te integreren in de andere leergebieden.

De heer Boomsma (JA21):

Ik kan me heel goed voorstellen dat digitale geletterdheid belangrijk is; dat zien wij zeker. Alleen, als ik dan concreet in het kerndoel lees dat de leerling leert een computerprogramma te schrijven op basis van die strategie, dan denk ik: gaan we daar niet gewoon te ver in? Ik kan namelijk geen computerprogramma schrijven. Ik weet niet of de staatssecretaris dat kan. Ik ken eigenlijk heel weinig mensen die dat kunnen. Het is fantastisch als je het wel kan, maar moet het nou echt onderdeel zijn van een kerndoel?

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat het er in de kern vooral om gaat dat je heel goed begrijpt hoe het werkt en hoe zo'n redenering is opgebouwd, en dat je dan ook begrijpt waar je mee werkt. Ik gaf een gastcollege op een vmbo-school over het begrip van verkiezingen. Leerlingen leerden dan begrijpen dat TikTok niet iets van een informatieplatform is, en dat er algoritmes achter zitten die jou een bepaalde richting op sturen. Kinderen leerden dat begrijpen en gingen snappen hoe dat dan aan de achterkant werkt. Daar is het voor bedoeld.

De heer Boomsma (JA21):

Ik denk dat het heel goed is dat leerlingen weten hoe algoritmes werken en zo, een soort mediawijsheid, maar in het kerndoel staat gewoon dat ze leren een computerprogramma te schrijven. Maar goed, ik vraag me dus gewoon af …

Staatssecretaris Becking:

Ja, maar het zit 'm, denk ik, net een beetje in de vrijheid van de leraar en de school hoe ze dat dan willen vormgeven. Ik denk niet dat alle kinderen een computerprogramma moeten kunnen schrijven. Nogmaals, ik denk dat het er vooral om gaat dat je dat goed begrijpt, dat je die redeneringen kan volgen, dat je het misschien voor een stukje kan. Maar je gaat daar als leraar op jouw manier mee om. Ik denk dat het ook van je populatie afhangt hoe kansrijk je daarin bent.

De voorzitter:

Laten we als kerndoel met elkaar vasthouden dat iedereen spreekt als ik diegene het woord heb gegeven. Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel. Dan kom ik bij de heer Stoffer. Hij vroeg: geeft de regering zich goed rekenschap van de uitvoering van de kerndoelen burgerschap in relatie tot de wettelijke burgerschapsopdracht? Het klopt dat de kerndoelen burgerschap een eigen wettelijke grondslag hebben met een eigen functie en bereik, maar de wettelijke burgerschapsopdracht en de kerndoelen zijn inhoudelijk wel sterk met elkaar verbonden. De kerndoelen vormen een uitwerking van het onderwijsinhoudelijke deel van de wettelijke burgerschapsopdracht. Bij het implementatietraject is uiteraard oog voor de uitvoering van de kerndoelen, in samenhang met die wettelijke opdracht.

De heer Ergin vroeg wat er anders is in de kerndoelen burgerschap dan in de wettelijke burgerschapsopdracht. Ik zei daar al iets over. De regering stelt voor om bij wet te borgen dat de kerndoelen worden vastgesteld met inachtneming van die burgerschapsopdracht. Daarmee wordt voor scholen ook verhelderd welke onderwijsinhoud zij moeten aanbieden voor het onderwijsinhoudelijke deel van de burgerschapsopdracht. Dus de kerndoelen burgerschap zijn een concretisering van het onderwijsinhoudelijke deel van de burgerschapsopdracht. Of het mooi Nederlands is, weet ik niet.

Mevrouw Raijer van de PVV vroeg: hoe gaat de staatssecretaris waarborgen dat het daadwerkelijk tot de beoogde resultaten leidt? Ik heb er vertrouwen in dat scholen zich meer bekwaam gaan voelen om hun burgerschapsonderwijs vorm te geven naarmate ze meer tijd hebben gehad om zich die in 2021 verduidelijkte burgerschapsopdracht eigen te maken en die ook toe te passen in hun onderwijs. Scholen krijgen daarbij gerichte ondersteuning vanuit het Expertisepunt Burgerschap en kunnen gebruikmaken van de al gepubliceerde definitieve conceptkerndoelen en de leerlijnen burgerschap, die in 2027 komen. Aan de achterkant ziet de inspectie toe op de naleving van deze opdracht.

De heer Ceder, mevrouw Armut en de heer Boomsma vroegen naar het toezicht van de inspectie: hoe ziet het toezicht op burgerschap eruit? Op grond van artikel 4, eerste lid, over het toezicht, houdt de inspectie toezicht op de deugdelijkheidseisen, maar respecteert daarbij uiteraard de vrijheid van onderwijs. De burgerschapsopdracht is ook zo'n eis. De inspectie ziet er dus op toe of het burgerschapsonderwijs op doelgerichte en samenhangende wijze wordt vormgegeven en of er voldoende aandacht wordt besteed aan de in de wet genoemde aspecten, zoals het bijbrengen van democratische basiswaarden, het ontwikkelen van sociale en maatschappelijke competenties en het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, afkomst en geslacht en voor het feit dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Er is ruimte voor een pedagogisch-didactische visie in de eigen richting, als de basiswaarden maar worden bevorderd en het onderwijs daarmee niet in strijd is.

De PVV vroeg waarom SLO de ruimte krijgt om die kerndoelen burgerschap ideologisch in te vullen. SLO heeft de wettelijke taak om de kerndoelen vorm te geven. Ik heb groot vertrouwen in de neutraliteit en expertise van deze organisatie. De kerndoelen schrijven geen ideologieën voor. Ze willen leerlingen juist een kritische houding bijbrengen, zodat die hun eigen mening kunnen vormen.

Ik heb nog een vraag van mevrouw Raijer, over de burgerschapsopdracht. Die gaat over normen en waarden die wij onze leerlingen willen meegeven. Met de verankering van die wettelijke burgerschapsopdracht heeft de wetgever hierin een duidelijke keuze gemaakt in 2021. Ik sprak daar net ook al over. Met de kerndoelen burgerschap wordt geconcretiseerd welke onderwijsinhoud ten behoeve hiervan aan de leerlingen wordt meegegeven.

Dan kom ik bij de laatste vraag, van de heer Kisteman en mevrouw Moorman. Zij vroegen wat ik vind van het feit dat scholen aan de ene kant moeten leren dat iedereen gelijk is, maar het aan de andere kant zouden kunnen afkeuren als een jongen verliefd wordt op een jongen. Ze vroegen of artikel 23 boven artikel 1 van de Grondwet zou gaan. Er is in de Nederlandse Grondwet geen sprake van een rangschikking van verschillende grondrechten. In zoverre kunnen verschillende grondrechten dus botsen. Desondanks heeft de wetgever met de burgerschapsopdracht, maar ook met de zorgplicht voor de veiligheid op school, een duidelijke afweging gemaakt op dit punt. Scholen moeten zorg dragen voor de veiligheid van de school en dienen daarbij een schoolcultuur te borgen waarin leerlingen, ongeacht van wie ze houden én wat ze geloven, zich veilig en geaccepteerd weten. Het staat scholen vrij een eigen overtuiging uit te dragen zolang ze die wettelijke taak maar in acht nemen. Het is uiteindelijk niet aan mij maar aan de inspectie om te beoordelen wanneer dit het geval is en wanneer ingrijpen noodzakelijk is.

De voorzitter:

Dit geeft aanleiding tot een aantal vragen. Ik weet niet wie van de twee het eerste was. U krijgt het woord, meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Ik zit even te zoeken. Ik kan het niet vinden, maar de onderwijsinspectie geeft aan dat zij hierop juist niet specifiek kan toezien, omdat de scholen daar vrij in zijn. Het voorbeeld dat de onderwijsinspectie gebruikt is: in de Bijbel staat bijvoorbeeld dat God de enige god is; dan kan de onderwijsinspectie niet zeggen dat dat wel waar of niet waar is. Hoe moet de onderwijsinspectie er dan op toezien dat op die scholen geen dingen worden verteld die ingaan tegen bijvoorbeeld het niet-discrimineren of gelijk met elkaar omgaan?

Staatssecretaris Becking:

Het is aan de inspectie. Die heeft een heel toezichtskader, een structureel en ook signaalgestuurd programma. Als er aanleiding voor is, zal de inspectie dus optreden. Zij heeft daar ook een eigen afwegingskader in. Dit debat over de onderwijsvrijheid en de positie van de inspectie daarin hebben we eerder gevoerd. De basis daarvan is uiteraard dat de waarden en normen van de democratische rechtsstaat vooropstaan: gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit. Daarbinnen hebben scholen op basis van artikel 23 de vrijheid om hun eigen onderwijs vorm te geven. Dat is het hoe.

De heer Kisteman (VVD):

Dat snap ik, maar de onderwijsinspectie mag zich niet bemoeien met zaken zoals godsdienst; ik heb de passage inmiddels gevonden. Als op een school dingen worden onderwezen die eigenlijk in strijd zijn met artikel 1, kan de onderwijsinspectie daar dus niks van vinden, want dat is haar rol niet. Dan kan het toch gewoon blijven voorkomen dat op scholen dingen worden onderwezen die discriminerend zijn, dat men niet gelijkwaardig met elkaar omgaat of dat men niet mag zijn wie men is? Dan schuurt dat toch?

Staatssecretaris Becking:

De inspectie kan maatregelen treffen als er in strijd met de Grondwet wordt gehandeld. Dat doet ze signaalgestuurd, dus daar hangt het wel van af. De inspectie kijkt dus niet in de klas mee naar hoe er onderwijs wordt gegeven; zo werkt het niet.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik denk wel dat die inspectie een hele belangrijke opdracht moet krijgen van ons. Ik vind dat wij die opdracht niet helder formuleren. Dat vind ik ten eerste omdat er wordt erkend dat er spanning is en ten tweede omdat ik hier hoor dat de twee grondrechten, artikel 1 en artikel 23, eigenlijk gelijkgesteld zijn. Maar artikel 23, de vrijheid van onderwijs, betekent niet de vrijheid van slecht onderwijs. Nou hebben we ook in 2021 een wet over burgerschap aangenomen, die juist zegt dat dit een heel belangrijk onderdeel van het onderwijs is en dat je dus slecht onderwijs geeft wanneer je je daar niet aan houdt. Volgens mij moeten wij er dus heel helder over zijn hier in de Kamer — ik hoor dat ook graag van de staatssecretaris — dat die spanning er dus nooit kan zijn in het onderwijs. Dan kan de inspectie daar ook op handhaven. Dat kan niet als wij daar zelf vaag over zijn.

Staatssecretaris Becking:

Ik heb al eerder in een debat betoogd dat die spanning er kan zijn. Of we dat fijn vinden of niet, die is natuurlijk aantoonbaar aanwezig bij verschillende onderwerpen. Het gaat erom dat een school niet kan en mag handelen in strijd met de wet. Daarom hebben we een instrumentarium voor de inspectie afgesproken en dat is waar de regering voor staat. Als de Kamer dat anders ziet, is dat dus, denk ik, aan de Kamer.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Nou, dat is dan, denk ik, inderdaad aan de Kamer. Dan denk ik dat het heel noodzakelijk is dat wij deze spanning met elkaar gaan ontleden. Zoals ik het zie en zoals ik de wetten lees, is die spanning namelijk niet mogelijk, vanwege de wet die we in 2021 met elkaar hebben vastgesteld. Die spanning is niet mogelijk omdat artikel 23 niet zegt "je mag slecht onderwijs geven". En we beoordelen dit als slecht onderwijs. Daarom kan die spanning er in de praktijk dus gewoon nooit zijn. Als de staatssecretaris dat anders ziet, vraag ik hem een brief daarover te schrijven aan de Kamer, zodat wij daar inderdaad met elkaar over kunnen debatteren.

Staatssecretaris Becking:

Ik denk niet dat we in het onderwijs of bij de inspectie het begrip "slecht" kennen, of "slecht onderwijs" of "goed onderwijs". Het gaat erom dat een school zijn onderwijs vormgeeft volgens de kerndoelen waar we het nu over hebben. De inspectie ziet erop toe dat dat goed gebeurt. Dat doet ze signaalgestuurd en aan de hand van een heel gestructureerd programma. Daar wil ik het dan toch bij laten.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dan zou ik toch graag een nadere uitweiding krijgen van de staatssecretaris — ik snap dat dat niet nu in het debat kan, maar dan graag per brief — over waar volgens de staatssecretaris die spanning zit en hoe de wetten zich daar dan toe verhouden. Dan kunnen we daar inderdaad met elkaar een goed debat over voeren.

Staatssecretaris Becking:

Ik wil daar graag in de tweede termijn op terugkomen.

De voorzitter:

Dat kan.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Toch even voor de goede orde. Mevrouw Moorman suggereert dat grondrechten niet kunnen schuren, maar grondrechten schuren bij uitstek. Ik vraag de staatssecretaris of hij namens het kabinet even kan bevestigen dat staatkundig gezien artikel 2 niet boven artikel 1 staat, artikel 1 niet boven artikel 2 staat, artikel 2 niet boven artikel 23 staat en artikel 16 niet boven artikel 23 staat, maar dat de Grondwet als een geheel beoordeeld dient te worden. Een politieke partij kan dus als opvatting hebben dat zij een bepaald artikel minderwaardig acht in de hiërarchische volgorde. Dat mag een politieke partij vinden. Maar staatkundig en rechtsstatelijk is dat gewoon niet waar. Ik zou die onzekerheid wel weg willen halen, want deze discussie komt om de paar maanden terug. Daarbij wordt vanuit de Kamer de suggestie gewekt, die mensen overnemen, dat één artikel boven de rest staat. Ik merk dat de pers dat soms ook overneemt, maar het is staatsrechtelijk gewoon niet waar. Ik zou dus graag willen vragen of de staatssecretaris dat kan bevestigen.

Staatssecretaris Becking:

Nee, ik gebruikte de woorden "er kan spanning bestaan" en u zegt "het kan schuren". In die zin ben ik het daar dus mee eens, ja.

De heer Kisteman (VVD):

Dan wil ik toch wel één vraag aan de staatssecretaris stellen, die ik ook in mijn spreektekst stelde. Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat het scheef is dat het soms kan schuren en dat we dus het ene onderwijzen maar het andere doen in de praktijk?

Staatssecretaris Becking:

Ja, ik begrijp wat de heer Kisteman zegt. Toch hebben we een stelsel waarin dat signaalgestuurd door de inspectie wordt bekeken. Ik sta er vooral voor dat we die waarden van de democratische rechtsstaat onderwijzen en bevorderen. Dat is een actieve taak voor scholen; dat moeten ze doen, zoals vormgegeven in deze kerndoelen. Dat mag daar dus niet mee in strijd zijn. Daar kan geen misverstand over bestaan en daar kan ik ook heel duidelijk over zijn.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

De staatssecretaris zegt dat de inspectie signaalgestuurd handhaaft. Wij zien liever dat ze ook echt elke vier jaar naar scholen toe gaan, maar goed, dat is een andere discussie. Signaalgestuurd heeft ook te maken met de signalen die wij ontvingen door de reportage van Nieuwsuur, waaruit bleek dat er wel degelijk zaken misgingen op scholen. In het debat dat we daar eerder over hadden, gaf de staatssecretaris aan dat de inspectie ernaar zou gaan kijken. Heeft hij er al zicht op wanneer zij komen met een reactie hierop?

Staatssecretaris Becking:

Dat wil ik graag even navragen. Daar kom ik straks op terug, als dat kan, voorzitter.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik heb nog een vervolgvraag, als dat mag van de voorzitter.

De voorzitter:

Dat is een hele goede vraag aan de voorzitter. Dat mag.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank voor de coulance. Ik had ook een set schriftelijke vragen hierover ingediend. Daar stond in dat de inspectie bekend was met het lesmateriaal dat in de rapportage naar voren kwam. Vervolgens is mijn vraag waarom daar dan niet op gehandhaafd is. Hoe gaat dat nog gebeuren? Daar zou ik dan ook graag een antwoord op krijgen.

Staatssecretaris Becking:

Ik kan daar straks, in de tweede termijn, wel iets over zeggen. Anders krijgen we zo weer een debat over de onderwijsvrijheid.

De voorzitter:

Dat lijkt mij heel verstandig. Vervolgt u uw betoog.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel. Ik kom bij het derde blokje, namelijk over periodiek onderhoud. Daar is een aantal vragen over gesteld. Ik wil graag iets zeggen over het toekomstige proces van dit wetgevingstraject. Ik denk dat we het over één ding eens zijn, namelijk dat het allemaal te lang geduurd heeft. Dat heb ik duidelijk gehoord. Vanaf 2014 was al duidelijk dat het curriculum moest worden bijgesteld. Het heeft tot 2022 geduurd voordat er een goed proces is opgestart met deze nieuwe kerndoelen als resultaat. Ik wil er daarom voor de toekomst een transparant en voorspelbaar proces van maken. Je zou zelfs kunnen zeggen: een saai proces.

Dat proces moet langs drie pijlers plaatshebben. Ten eerste richt ik bij SLO een loket voor curriculumsignalen op. Als er nieuwe verzoeken komen om iets in het curriculum op te nemen, dan gaan we niet meteen rennen, maar vragen we experts om een weging. Dat is één. Ten tweede wordt er een onderhoudskalender ingesteld bij SLO. Daarin staat heel duidelijk welk vak wanneer aan de beurt is om te vernieuwen. Dat zal dan ook wel weer gebeuren op basis van de inzichten van wetenschappelijke experts, grofweg eens in de tien jaar, waarbij een leergebied als digitale geletterdheid wellicht wat eerder aan de beurt is. Zowel het loket als de onderhoudskalender zorgen voor rust en voorspelbaarheid. Ten derde vraag ik aan de Onderwijsraad om eens in de tien jaar advies uit te brengen over de vraag of het curriculum nog wel bij de tijd is. Ook dit advies wordt betrokken bij de afweging welke vakken herzien moeten worden of niet. De betrokkenheid van de Kamer borg ik graag in dit proces. Conform de huidige gang van zaken informeer ik u over de adviezen van SLO en van de Onderwijsraad en over eventuele noodzaak tot veranderingen. Ook deel ik met u de toekomstige werkopdrachten voor herzieningen en tussenproducten van de kerndoelen in de verwachting dat dat het beste moment is om met elkaar te spreken over de verdere vormgeving van het curriculum en bij voorkeur dus niet op het einde, als de ontwikkelde producten er al liggen. Ik hoop dus dat de betrokkenheid van uw Kamer daarmee goed wordt vormgegeven.

De heer Ceder vroeg hoe ik de adviezen van de Curriculumcommissie over periodiek onderhoud oppak. Hij vroeg of ik de Kamer per brief kan informeren. Ik heb net gezegd dat ik conform het advies van de Curriculumcommissie drie pijlers wil inrichten, namelijk een loket voor curriculumsignalen bij SLO, een onderhoudskalender en één keer per tien jaar een advies van de Onderwijsraad. Ook kies ik ervoor om de wetenschap en de actualiteit te betrekken bij de periodieke herijkingen van de leergebieden en daarom niet een aparte, permanente wetenschappelijke curriculumcommissie aan te stellen. U bent in meerdere Kamerbrieven geïnformeerd over de invulling van periodiek onderhoud. Ik zie daarom geen meerwaarde van een aparte brief over dit onderwerp.

De SGP vroeg waarom er geen wetsvoorstel voor periodiek onderhoud bij zit. Wanneer kunnen we dat verwachten? Daar is in principe geen wetsvoorstel voor nodig. Ik heb SLO al aan de slag gezet met het inrichten van de drie punten die ik net heb genoemd en ik heb de Onderwijsraad gevraagd om eens in de tien jaar te adviseren. Ik vind het wel een goed idee om dat laatste wettelijk te borgen. Ik begrijp dat uw Kamer een amendement daarover heeft ingediend. Daar komen we straks nog wat uitgebreider over te spreken bij de appreciatie van de amendementen. Als we de cyclus op tien jaar zouden kunnen vaststellen, dan lijkt me dat een heel goed idee, dat we ook wettelijk kunnen borgen.

Mevrouw Van der Plas vroeg naar de toezegging om signalen van ouders en maatschappelijke organisaties structureel te betrekken bij de evaluaties van het curriculum. Ja, dat kan ik doen. Het loket voor curriculumsignalen, dat ik net noemde, is de structurele plek waar ouders en maatschappelijke organisaties terechtkunnen voor primair en voortgezet onderwijs. SLO weegt dat signaal dan. Als SLO besluit om de suggestie over het curriculum mee te nemen in het toekomstig onderhoud van het curriculum, dan komt dat signaal op de voorraadlijst van het betreffende vak of leergebied. Ik wilde eigenlijk zeggen "and we will take it from there", maar dat is niet zo mooi Nederlands. De vraag of het signaal uiteindelijk ook leidt tot een aanpassing van het landelijke curriculum, ligt bij het team van experts, dat zich op termijn weer buigt over de actualisatie van dat curriculum.

De laatste vraag over dit punt is van meneer Stoffer, mevrouw Rooderkerk, de heer Ceder en de heer Ergin: hoe kijk ik terug op die lange curriculumherziening? Ik zei net al dat het te lang heeft geduurd en dat het een rommelig proces is geweest. In 2022 is er een goed model gevonden met een heldere werkopdracht, gebaseerd op het advies van de wetenschappelijke curriculumcommissie. Dat is afgestemd met uw Kamer, leraren en vakexperts; dat was een proces met tussenrondes en feedback. Dat heeft uiteindelijk geleid tot deze kerndoelen, waar heel veel draagvlak voor is in het veld. U heeft de brief gehad waarin allerlei organisaties uit het veld steun betuigen en zeggen: ga hiermee door. In de toekomst wil ik het dus ook graag goed geregeld hebben, met een systeem van periodiek onderhoud. Dat gaat ook zorgen voor rust, transparantie, voorspelbaarheid en betrokkenheid van uw Kamer.

Ik kom bij het blokje overig, voorzitter. Van papier naar de praktijk …

De voorzitter:

Ik stel voor dat u uw blokje helemaal afrondt en dat we dan de gelegenheid hebben tot het stellen van vragen. Gaat u dus verder.

Staatssecretaris Becking:

Vorige week is er een belangrijke mijlpaal behaald: de kerndoelen zijn opgeleverd. Nu is het een flinke opgave voor de scholen om daarmee aan de slag te gaan. Daar hebben ze ook tijd en ruimte voor nodig. Tot 2031 krijgen ze ook de ruimte om dat allemaal goed in te voeren. Het geeft veel kansen en het geeft leraren houvast en ruimte — dat zei ik al — zodat we kunnen werken aan rijk en betekenisvol onderwijs. Het invoeren van die kerndoelen op scholen is een brede verantwoordelijkheid voor alle partijen in het onderwijs. De leermiddelen en toetsen worden aangepast, en er wordt professionalisering aangeboden aan leraren, docenten en schoolteams over de vakinhoud en curriculumbewustzijn. Als OCW nemen wij wel de regie om te zorgen dat dit dan ook goed gaat in de klas. Vanuit het ministerie wordt de komende zes jaar 50 miljoen beschikbaar gesteld voor de ondersteuning van scholen, om dat bij de invoering allemaal handen en voeten te geven. De komende jaren willen we uw Kamer dus periodiek informeren over de implementatie van het nieuwe curriculum.

Een vraag van de heer Ceder: op welke manier betrekken wij het werkveld hierbij? Dat is een flinke opgave, waarover ik al het nodige heb gezegd: met veel steun vanuit de sector, de leernetwerken, de regiobijeenkomsten, masterclasses en professionaliseringsactiviteiten. Die gaan de komende jaren allemaal vorm krijgen.

Mevrouw Rooderkerk vroeg: hoe gaan we ervoor zorgen dat de nieuwe kerndoelen worden gevolgd door nieuwe toetsing, en gaat er ook echt getoetst worden op schrijfvaardigheid? Het nieuwe curriculum biedt ook de kans om de inhoud van de doorstroomtoets opnieuw tegen het licht te houden. U vroeg er al naar. Naast de doorontwikkeling van de vorm en functie van de toets zijn we ook bezig met de doorontwikkeling van de inhoud van de toets. Toetsen volgen immers het curriculum. De mogelijkheid om schrijfvaardigheid hierin te toetsen, neem ik mee. We zijn aan het verkennen hoe we dat kunnen doen, met een pilot et cetera. Voor de zomer van 2026, dus komende zomer, kom ik er bij uw Kamer op terug, mevrouw de voorzitter.

De heer Boomsma vroeg of ik het ermee eens ben dat betere toetsing de weg is naar beter onderwijs. Ja en nee. Ja: we zetten ons ervoor in om gestandaardiseerde toetsen te laten bijdragen aan beter onderwijs, bijvoorbeeld door in te zetten op het formatieve gebruik van lvs-toetsen, en daarnaast door de functie, vorm en inhoud van de doorstroomtoets in groep 8 tegen het licht te houden. Daar had ik net ook al iets over gezegd. Gestandaardiseerde toetsen worden herzien aan de hand van de nieuwe kerndoelen. En nee: toetsen volgen het curriculum, dus we moeten altijd goed in de gaten houden waarom we toetsen. Een toets op zichzelf is natuurlijk geen doel. Het gaat om de vraag: waarom doen we dat? Toetsen kost ook veel tijd en dat geeft alleen nog maar weer meer extra werkdruk.

De heer Boomsma vroeg ook naar zichtbare toetsing van kennis over burgerschap in het centraal examen. Nee, burgerschap wordt niet getoetst in het centraal examen. De kerndoelen burgerschap gelden alleen in het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In de bovenbouw is burgerschapskennis terug te vinden in het vak maatschappijleer. Dat gaat dus over ander onderwijs. Dit vak kent geen centraal examen maar een schoolexamen.

Mevrouw Moorman vroeg hoe we ervoor zorgen dat het nieuwe leermateriaal dat wordt ontwikkeld van goede kwaliteit is en geen verdienmodel vormt voor uitgeverijen en techbedrijven. Samen met leraren, schoolleiders, bestuurders, ouders, leerlingen, uitgevers en experts ben ik in gesprek over de oprichting van een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen. NRO en SLO gaan aan de slag met de ontwikkeling van een kwaliteitskader. Dat biedt handvatten voor de ontwikkeling van effectief en goed lesmateriaal. Ook brengen we de komende tijd met de gesprekspartners in beeld wat ervoor nodig is om het kwaliteitskader voor vernieuwde leermiddelen in te voeren.

De heer Boomsma vroeg: moeten er dan ook nieuwe schoolboeken worden ontwikkeld? Het vraagt natuurlijk om een actualisatie van de leermiddelen. Daar zijn ikzelf en mijn voorgangers al een tijd over in gesprek met de aanbieders. De scholen kunnen die nieuwe leermiddelen gefaseerd gaan gebruiken, passend bij hun eigen visie en hun eigen implementatiepad. Uiteindelijk is het doel dat vanaf 2031 iedereen met de vernieuwde kerndoelen en de leermiddelen werkt.

De heer Boomsma vroeg of we ervoor zorgen dat de leermiddelen betaalbaar blijven. Daarover wil ik de Kamer graag per brief informeren bij de begrotingsbehandeling. Die is voorzien in februari.

Mevrouw Van der Plas vroeg naar …

De voorzitter:

Ik heb net voorgesteld dat ik de staatssecretaris dit blokje laat afmaken en daarna vragen toesta. U moet dus nog even geduld hebben, mevrouw Rooderkerk.

Staatssecretaris Becking:

Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Van der Plas vroeg naar de neutraliteit van de leermiddelen in relatie tot de Grondwet en of ik daar een richtlijn voor wil opstellen. De Grondwet borgt de vrijheid van leermiddelen voor scholen, maar met die vrijheid komt ook verantwoordelijkheid. Scholen zijn namelijk verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod en dus ook voor het materiaal dat zij gebruiken. Wij willen die keuze niet voor scholen gaan maken. Een richtlijn voor neutraliteit gaat wat mij betreft te ver. We willen wél wat meer regie op de leermiddelen, zodat die in ieder geval kwalitatief goed in elkaar zitten. Ik zei net al bij de beantwoording van de andere vraag: daarom heb ik die kwaliteitsalliantie in het leven geroepen. Ik wil bijvoorbeeld ook niet dat er oneigenlijke sponsoring door bedrijven plaatsvindt. Daarvoor heb ik ook een sponsorconvenant met de sector afgesproken.

De heer Kisteman vroeg naar de professionalisering van leraren. Daar heb ik het nodige over gezegd: het versterken van het curriculumbewustzijn, aanpassing van de leermiddelen en toetsing, training en een professionaliseringsaanbod. Er komt dus een heel uitgebreid aanbod voor leraren. Ik zal de Kamer daarover periodiek informeren, met specifieke aandacht voor de professionalisering van docenten.

Mevrouw Rooderkerk vroeg wat ik ga doen met het referentiekader en hoe ik dubbelingen tussen kerndoelen en referentieniveaus voorkom. Net als de kerndoelen moeten ook de referentieniveaus worden geactualiseerd. Die zijn verouderd en sluiten niet goed aan op de geactualiseerde kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde. Ik werk dus aan een opdracht om de referentieniveaus ook te actualiseren. Zo houden we er de focus op dat het niet dubbelt.

Mevrouw Armut, van het CDA, vroeg hoe we evalueren of dit leidt tot een beter lees- en rekenniveau en hoe we voorkomen dat het een papieren tijger wordt. Bij dat hele systeem hoort ook goede monitoring. Dat is niet nieuw; dat doen we nu ook al, voor alle vakken. Dat doe ik via peilingsonderzoeken, het monitoren van examenresultaten en de input van het onderwijsveld. Zo hou ik een vinger aan de pols over hoe de nieuwe kerndoelen straks landen en hoe leerlingen presteren. Uit mijn gesprekken blijkt dat het nieuwe curriculum echt geen papieren tijger is en op veel steun kan rekenen.

De heer Ergin vroeg wanneer die kerndoelen definitief worden gemaakt. De regering beoogt de kerndoelen voor de leergebieden Nederlands en rekenen en wiskunde uiterlijk op 1 augustus 2026 in te laten gaan. De overige leergebieden volgen per 1 augustus 2027.

De heer Kisteman vroeg naar de onderwerpen uit het herstelplan. Herstelplan of niet, er is al veel in gang gezet, zoals de implementatie van het curriculum en de ambities rond de professionalisering van leraren. In recente gesprekken met de partijen rond het herstelplan, die ik zelf ook heb gevoerd, hebben we in ieder geval gezegd dat we samen willen blijven optrekken. Tegelijkertijd past het mij natuurlijk wel om te zeggen dat grote en nieuwe ambities aan een nieuw kabinet zijn.

De heer Ergin vroeg: hoe de basis op orde krijgen qua huisvesting, armoede en lerarentekort? Ik ben het eens met de heer Ergin, want natuurlijk lossen kerndoelen niet alle problemen in het onderwijs op. Dit is ook niet het enige wat het kabinet doet om het onderwijs te verbeteren. Er is een lange lijst programma's. Het voert een beetje ver om die nu allemaal te gaan noemen, maar er zijn echt initiatieven en programma's op het gebied van duurzame huisvesting, armoedebestrijding, het stimuleren van gelijke kansen en het aanpakken van het lerarentekort. En daar gaan we uiteraard mee door.

Mevrouw Raijer vroeg naar de veilige leeromgeving en het herstel van autoriteit. De meeste leerlingen en de meeste medewerkers voelen zich gelukkig veilig. Uiteraard is het belangrijk om de klas goed te managen en op orde te houden, zodat de leerlingen ook tot leren komen. Een veilig leerklimaat is daarbij natuurlijk essentieel. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs zorgen we voor beter zicht op veiligheid en goede begeleiding, voor ondersteuning bij onveiligheid en voor een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Afhankelijk van uw Kamer treedt het wetsvoorstel komend schooljaar in werking. Verder financier ik de Stichting School & Veiligheid, waar scholen terechtkunnen met vragen over veiligheid.

Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Armut vroeg naar het onderzoek naar de monitoringsstrategie op burgeronderwijs. Een consortium van wetenschappers doet onderzoek naar een succesvolle manier om dat te monitoren. Eind 2029 wordt naar verwachting een eindrapport opgeleverd met concrete praktijkgerichte bevindingen voor het monitoren van dit burgerschapsonderwijs.

De heer Ceder vroeg of te veel digitalisering en smartphonegebruik leidt tot slechtere leerprestaties. Ik denk dat goed gebruik van digitale hulpmiddelen het onderwijs kan verbeteren, maar we hebben natuurlijk allemaal gezien dat de smartphones de lessen wel een beetje te veel aan het verstoren waren. En wonder boven wonder werkt de afspraak om die smartphones niet meer in de klas toe te laten eigenlijk heel erg goed. Scholen kunnen daarmee goed uit de voeten en het leidt ook tot betere communicatie. Uit alle onderzoeken blijkt volgens mij dat te veel digitalisering niet goed is, maar leerlingen moeten natuurlijk wel leren omgaan met die technologie. En dan gaat het dus om digitale geletterdheid. Een onderdeel van het curriculum!

De heer Ceder vroeg om een bredere visie met maatregelen op hoe we ouders kunnen ondersteunen om bij te dragen aan de leerontwikkeling van hun kind. Een aparte nieuwe visie lijkt me niet nodig, want er ligt al heel veel. Ik ben me er wel zeer van bewust dat de thuisomgeving natuurlijk ontzettend belangrijk is voor het succesvol leren in de klas. Daarbij hebben we ook ingezet op maatregelen die gaan over de thuisomgeving en de rol van ouders. Er is veel geïnvesteerd in de bibliotheken en in programma's voor peuters als BoekStart. Scholen hebben binnen de subsidie Verbetering basisvaardigheden de ruimte om ook ouders als educatieve partner in positie te brengen. Duizend brugfunctionarissen zorgen verder voor de verbinding tussen school, thuis, zorg en ondersteuning.

Mevrouw de voorzitter, ik ben er bijna.

Mevrouw Armut vroeg nog naar het als aanvullende maatregel aanbieden van voor- en vroegschoolse programma's aan kinderen van 2 en 3 jaar. Binnen de voorschoolse educatie tussen 2,5 tot 4 jaar is het gebruik van een programma gericht op de ontwikkeling van kinderen verplicht. Bij de vroegschoolse educatie, kleuters, is er geen verplicht programma. Het kan scholen wel helpen om het kleuteronderwijs goed in te richten. Mijn ambtsvoorganger riep gemeenten in juni op om voorschoolse educatie al vanaf 2 jaar aan te bieden, want op die manier komen peuters nog eerder met een educatief programma in aanraking en brengen zij in totaal meer uren binnen de voorschoolse educatie door.

Mevrouw de voorzitter. De laatste vraag, voor zover ik het goed heb genoteerd, komt van de heer Kisteman. "Uw voorganger wilde de leerplicht verlagen naar 4 jaar. Wil de staatssecretaris dat nog steeds?" Ik kijk positief naar de ambitie om de leerplicht naar 4 jaar te verlagen, maar dat moet wel kunnen. De randvoorwaarden vragen namelijk nog wel om een flinke verdiepingsslag, zoals gemeld in een brief aan uw Kamer uit juni van dit jaar. Op dit moment laat ik onderzoeken welke 4-jarigen minder vaak naar school gaan en welke factoren daarbij een rol spelen.

Dat was het einde van het derde blokje, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is er nog een aantal collega's met vragen. Het hoeft natuurlijk niet meer, dus als mensen weer willen gaan zitten, is dat ook prima. Dan gaan we verder naar de korte toelichting op de amendementen. Ik zie kort overleg in de Kamer, maar het zou helpen als we een besluit nemen. De heer Kisteman, gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Dan nemen wij het initiatief wel, voorzitter. Even een vraag over het herstelplan van het onderwijs. Het is terecht dat de staatssecretaris zegt dat het aan het nieuwe kabinet is, en dat snap ik ook. Alleen, er zijn in het commissiedebat dat wij hierover hebben gevoerd, tal van toezeggingen gedaan waarbij wordt verwezen naar het herstelplan van het onderwijs. De voor- en vroegschoolse educatie, oftewel de vve, het lerarenbeleid, de vragen die ik net heb gesteld. Dus óf we gaan ze er een keer uithalen, zodat wij er dadelijk apart een keer over geïnformeerd worden en wij straks verder kunnen debatteren over deze onderwerpen … Maar we moeten wel verder. Ik snap dat de staatssecretaris niet verder wil met het herstelplan, maar als Kamer wachten wij wel op al die toezeggingen.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Dat begrijp ik heel goed. Ik ben ook in gesprek met het veld om te kijken hoe we die onderdelen weer een fase verder kunnen brengen. Ik kijk even of ik in de tweede termijn op een aantal onderdelen daar iets over kan zeggen of dat ik u daar anders wellicht op een ander moment schriftelijk over kan informeren.

De voorzitter:

Ik ga ons allen ook even helpen. Er zijn best wel veel toezeggingen voor de tweede termijn. Willen we gewoon voor de eindtijd met elkaar afronden, dan zullen de interrupties en de antwoorden wellicht allemaal wat bondiger moeten, want anders gaat het licht toch later uit dan op de agenda staat. Dus als u kunt leven met de toezegging voor de tweede termijn, dan gaan we nu verder met de korte toelichting op de amendementen. Heel kort, meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter, ik denk niet dat u mij kunt verwijten dat ik lang van stof ben; volgens mij is dat wel het laatste wat bij mij past. Ik heb een heel lijstje opgevraagd met alle toezeggingen die in onze commissiedebatten zijn gedaan die terugkomen bij het herstelplan. Ik kan die zo naar de staatssecretaris versturen. Misschien kunnen we elkaar dan helpen.

Staatssecretaris Becking:

Heel graag.

De voorzitter:

Gaat u verder met het volgende blokje.

Staatssecretaris Becking:

De appreciatie van de amendementen. Het amendement op stuk nr. 8, over het schrappen van "schrijven, lezen en rekenen": ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 8 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 9: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 9 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 12, over financiële geletterdheid: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 12 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 13, over een evaluatiebepaling om de vijf jaar: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 13 wordt ook ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 15, over geschiedenis en staatsinrichting: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 15 wordt ook ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Over het amendement op stuk nr. 21, over advisering van de Onderwijsraad, heb ik al iets gezegd. Als wij het op tien jaar kunnen houden in plaats van die acht, dan zou ik het graag oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de indiener van amendement op stuk nr. 21. De heer Ceder gaat even overleggen en komt er dan op terug. Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 22, over burgerschap en artikel 23, ontraad ik.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 22 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 23 ontraad ik.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 23 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan het amendement op stuk nr. 25, over het vervangen van nahang door voorhang. Het is een heel verhaal, maar ik zou dat liever niet zien. Gegeven het debat en wat ik al gehoord heb, zou ik het amendement oordeel Kamer willen geven.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 25 krijgt oordeel Kamer. Daarmee bent u volgens mij aan het einde gekomen van de appreciatie van de amendementen. Ik kijk nog even naar de heer Ceder om te zien of dat overleg al heeft plaatsgevonden. Nee? U gaat er toch wat over zeggen. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nee. Het wordt nu allemaal ontraden. Ik snap dat een toelichting vanwege de tijd niet of nauwelijks mogelijk is, maar ik heb wel behoefte aan een toelichting bij in ieder geval één amendement, namelijk bij het amendement over de evaluatiebepaling. Volgens mij is het heel belangrijk dat we evalueren, als we met zo'n stelselwijziging aan de slag gaan. Ik heb het nu op vijf jaar gezet. Ik ben even benieuwd naar de inhoudelijke argumentatie: waarom zou dit een slecht plan zijn? Ligt dat aan het jaartal, zoals bij de curriculumherziening, waarvoor de staatssecretaris een suggestie deed? Of vindt hij dit een inherent slecht voorstel? Zo ja, dan ben ik gewoon benieuwd waarom.

Staatssecretaris Becking:

Ik kan dat toelichten. Ik geef het oordeel Kamer als we van acht naar tien jaar gaan. Het is belangrijk dat het bijstellen van het curriculum in de toekomst … Het gaat over de voorspelbaarheid. De advisering van de Onderwijsraad past daar heel goed bij. Nationale en internationale experts adviseren tien jaar, zoals in Finland ook het geval is. Ik snap de bedoeling van "acht jaar", namelijk om een stok achter de deur te hebben, maar de implementatie van een nieuw curriculum kost al vier jaar. Na acht jaar evalueren betekent dat een nieuw cohort leerlingen effectief vier jaar met het nieuwe curriculum heeft gewerkt. De argumentatie daarbij is dat het eigenlijk te kort is om het goed te kunnen evalueren. Dat horen we ook van de wetenschappelijke commissie, de SLO en de Onderwijsraad. Dat betekent niet dat het curriculum in die tien jaar stilligt; daar heb ik het nodige over gezegd. Denk aan curriculumsignalen. Als het zou moeten worden vernieuwd, kan het worden opgepakt, bijvoorbeeld rond AI. Alles bij elkaar zeg ik dus: tien jaar in plaats van die acht.

De voorzitter:

Dan wil de heer Ceder denk ik nog uw appreciatie weten van het amendement op stuk nr. 13.

Staatssecretaris Becking:

Oh. Waar heb ik …

De voorzitter:

Maar zo we hebben nu ook een goede toelichting gekregen op het amendement op stuk nr. 21. Dat is dan winst voor vanavond.

Staatssecretaris Becking:

Ja, daar is dan vooruitgewerkt. Excuus, voorzitter.

Het amendement op stuk nr. 13 gaat over de evaluatiebepaling. Ik ben het eens met de doelstelling van die evaluatie, maar ook hiervoor geldt dat die met eens in de vijf jaar te vroeg komt. Ik ga eigenlijk een beetje hetzelfde zeggen als zonet. Het nieuwe curriculum loopt tot 2031. Pas vanaf 1 augustus 2031 werken alle scholen met de nieuwe kerndoelen. Een evaluatie na vijf jaar betekent dat er dan scholen zijn die pas net met die nieuwe kerndoelen zijn gaan werken. Het is echter wel belangrijk dat we er regelmatig naar kijken. Ik blijf een vinger aan de pols houden. Ik kan de Kamer toezeggen jaarlijks te rapporteren over de voortgang van de implementatie van het curriculum. Misschien zijn we met die twee dingen, de jaarlijkse rapportage en die tien jaar, dan een eind.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ken de systematiek dat een deel van de scholen dit pas later in werking laat treden. Daarom dacht ik dat als je het om de vijf jaar doet, je in ieder geval het eerste deel van de scholen hebt. Die zouden anders immers tien jaar, of acht jaar, moeten wachten totdat er überhaupt iets van een evaluatie plaatsvindt. Ik las het amendement dus zo dat je binnen vijf jaar de evaluatie van de eerste groep scholen hebt. Ik denk dat dat belangrijk is, want dit is een wijziging zoals we die de afgelopen twintig jaar niet hebben gedaan, dus je wil weten hoe het gaat. Daarna neem je dan de andere scholen mee. Zo bouw je een cyclus op. Als ik het zo interpreteer, kom ik daarmee volgens mij tegemoet aan de argumentatie van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Mijn sterke pleidooi is om het veld rust te gunnen en het nu die cyclus te geven. Dat past ook bij de manier waarop de Onderwijsraad ernaar kijkt. Daarom hecht ik toch wel aan die tien jaar. Anders creëren we meer onrust in het stelsel van die curriculumherziening en kan een deel van de scholen eigenlijk geen goed oordeel vellen. Wel zijn er instrumenten om het jaarlijks te bezien. Ook is er die signalencommissie, waarover de Kamer ook wordt geïnformeerd. Er wordt jaarlijks gerapporteerd. Ik zou toch mijn verzoek willen herhalen of we het niet bij die tien jaar kunnen houden, met die jaarlijkse dingen.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik neem de toezegging van de staatssecretaris op dit punt in ieder geval ter harte. Ik ga even overleggen met de andere indieners van het amendement hoe we hierop gaan reageren. Dank voor de toelichting.

De heer Stoffer (SGP):

De staatssecretaris is kort en puntig, daar houd ik van, maar er is één amendement waarvoor ik denk dat iets meer toelichting dan "ontraden" misschien wel goed zou zijn. Dit betreft het amendement-Ergin op stuk nr. 22. De heer Ergin is er nu niet, maar ik had eerder al met hem een discussie over de vraag of dit amendement niet overbodig is. Het amendement is ontraden, maar is dat omdat het amendement niet nodig is? Kan ik het zo lezen? Of is dit amendement op zijn inhoud stevig ontraden?

Staatssecretaris Becking:

De kerndoelen en de uitwerking daarvan moeten nu ook al worden vastgesteld met inachtneming van artikel 23 van de Grondwet. Scholen behouden de ruimte om dat verder zelf vorm te geven, passend bij hun populatie, hun identiteit en hun onderwijsvisie. In feite maakt dat het amendement overbodig.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan stel ik voor dat wij doorgaan naar de tweede termijn van de Kamer. Ik geef graag het woord aan mevrouw Moorman van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Oh, excuus. Excuus! Het is de heer Ceder; ik keek even of iedereen aan het opletten was. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Dan gaan we nu verder met de daadwerkelijk eerste spreker. Dat is de heer Ceder. Gaat uw gang.

Termijn inbreng

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris ook voor de beantwoording. Ik ben in ieder geval blij dat de staatssecretaris ruimhartig is teruggekomen op de vragen. Ik denk dat ze goed beantwoord zijn.

Ik heb natuurlijk niet voor niets amendementen ingediend; dat heb ik gedaan omdat ik denk dat het belangrijk is dat we goed gaan borgen wat we hier nu met elkaar afspreken. Als het gaat over de evaluatiebepaling, denk ik dat het toch belangrijk is om een termijn vast te stellen. Of dat een termijn van vijf jaar is of langer, zal ik bezien met de indieners en met de Kamer. Ik denk dat de Kamer hier aan het stuur zit. Hetzelfde geldt voor het andere amendement, waarin we die termijn in ieder geval op acht jaar hebben gesteld. Ik heb nu iets te weinig tijd gehad om dat af te concluderen, maar daar kom ik in ieder geval op terug.

Dan heb ik een vraag ten aanzien van het amendement rond financiële geletterdheid. Ik begrijp dat men binnen de Kamer geen extra tekst wil, of extra gewicht wil hangen aan teksten die er al liggen. Daar ben ik ook wel gevoelig voor. Ik zoek dus ook naar een oplossing. Bij mij gaat het er met name om dat we voorkomen dat we over vijf jaar met elkaar concluderen dat de financiële geletterdheid van jongeren verder achteruit is gelopen. Dat leidt tot schulden, en in de praktijk worden de maatschappelijke kosten op de samenleving afgewend. Het zit al in de conceptkerndoelen, dus daar ben ik blij mee. Het is, denk ik, wel belangrijk dat die output ook tot resultaat gaat leiden. Mijn vraag is of de staatssecretaris in ieder geval kan toezeggen, net zoals hij net heeft toegezegd dat jaarlijks wordt gemonitord hoe het staat met die andere punten, om specifiek ook voor financiële geletterdheid naar de cijfers te kijken om te zien hoe het staat met de jongeren. Dan gaat het er dus niet om wat er in de les gedaan wordt, want dat is de bevoegdheid van de scholen zelf, maar in ieder geval wel om de output. Raken jongeren meer financieel geletterd, mede door het onderwijs dat zij krijgen? Ik denk namelijk dat het belangrijk is om ook inzicht te krijgen of wij als Kamer, via scholen dan wel op een andere manier, moeten bijsturen. De vraag is of de staatssecretaris die toezegging in ieder geval zou willen doen, want dan ben ik bereid om dat amendement in te trekken. Het is nu een beetje een ingewikkelde constructie, want ik hoor pas in de tweede termijn of de staatssecretaris dat wil. Als hij dat doet, kan hij er in goed vertrouwen van uitgaan dat ik het amendement vervolgens intrek.

Mijn andere amendement, over de staatsinrichting van het Koninkrijk, trek ik niet in. Dat heeft ermee te maken dat het volgens mij — daar is de staatssecretaris helaas niet op ingegaan — een correctie is van de daadwerkelijke staatkundige verhoudingen binnen het Rijk. Wij zijn niet alleen een Staat; wij zijn een Staat van het hele Koninkrijk. Volgens mij is het belangrijk dat dat ook uitdrukking krijgt in deze wet, zoals we dat op meerdere plekken in de wet goed borgen. Volgens mij is dat gewoon een verduidelijking die recht doet aan de feitelijke situatie. Dat amendement laat ik dus staan. Daarbij benadruk ik — ik kijk daarbij de Kamer aan — dat dit geen verzwaring is van het lespakket, maar een verduidelijking van het feit dat we het Koninkrijk der Nederlanden zijn. Dat moeten we duidelijk in de wet noteren.

Ik heb verder geen vragen meer. Ik ben benieuwd naar de openstaande punten; dat waren er nog best wat. Ik zal opletten. Ik hoor het graag van de staatssecretaris. Voor de rest wens ik de staatssecretaris veel succes.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Rooderkerk van de fractie van D66 voor haar bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor de beantwoording, en dank aan de nieuwe Kamer. Ik vond het heel fijn om te merken dat er een goede samenwerking lijkt te zijn, en dat er ook ten aanzien van het vaststellen van het nieuwe curriculum een meerderheid lijkt te ontstaan. Dat zou natuurlijk heel goed nieuws zijn voor ons onderwijs.

Ik heb nog drie vragen. Als die wet er straks is, is het natuurlijk van belang dat we ook zorgen dat het doorwerkt in de lesmaterialen en in de toetsen, en dat het uiteindelijk bij de leerlingen in de klas terechtkomt. Mijn eerste vraag gaat over de implementatie. De staatssecretaris gaf aan dat het uiteindelijk in 2031 helemaal is geïmplementeerd en dat dan de inspectie daar ook op kan toetsen en daar een oordeel op kan baseren. Maar dat begint natuurlijk al veel sneller; al vanaf volgend schooljaar kunnen docenten aan de slag met de kerndoelen. Zeker die van lezen, schrijven en rekenen krijgen meteen al een uitwerking. Kan de staatssecretaris nog toelichten hoe hij het voor zich ziet dat docenten hier al meteen mee aan de slag kunnen en er ondertussen nog wel een heel implementatieplan van SLO volgt?

Ten tweede heb ik een vraag over de referentieniveaus. Hij gaf in een korte reactie al aan dat daar nu naar gekeken gaat worden. Ik vroeg me af of het nog nodig is dat we die niveaus houden. Ze zijn in 2010 ingesteld omdat de voorgaande kerndoelen geen concrete uitwerkingen bevatten, terwijl we die nu wel hebben. Kan hij deze vraag ook meenemen in de verkenning die hij daarnaar doet?

Ten derde heb ik een vraag over de toetsing. Dank voor de toezegging om ook schrijfvaardigheid mee te nemen als een expliciet onderdeel. We zullen daar straks met de heer Boomsma een motie over indienen. Ik ben ook benieuwd hoe het staat met de verkenning naar de doorstroomtoets, die voor november was beloofd. Die komt dan hopelijk voor de kerst.

Tot slot wil ik nog mijn dank uitspreken aan alle leraren, schoolleiders en experts die ervoor hebben gezorgd dat we op dit moment zijn gekomen en dat we dit nieuwe curriculum straks met elkaar kunnen vaststellen. Laten we daarna, samen met al die mensen die het in de praktijk moeten doen, daadwerkelijk zorgen voor beter onderwijs, zodat leerlingen in de klas het merken. Want dan pas is onze taak hier geslaagd.

Dank, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag van de heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

In interrupties aan de staatssecretaris vroeg mevrouw Rooderkerk naar de stand van zaken van het onderzoek dat loopt naar aanleiding van de uitzending van Nieuwsuur en de schriftelijke vragen. Daarop vooruitlopend, hoe staat D66 ertegenover om artikel 1 van de Grondwet ten opzichte van de levensbeschouwelijke richting van de invulling van het burgerschapsonderwijs prioriteit te geven?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Mijn vraag ging erover dat we daar een aantal maanden geleden al een debat over hebben gevoerd. De staatssecretaris gaf toen aan dat de inspectie hierop zou moeten handhaven. Wij zijn heel benieuwd of de inspectie dat doet en in hoeverre ze dat kan doen. Dat lijkt mij uiteindelijk van belang om in te kunnen gaan op de signalen die er zijn gekomen. Dat was dus waar mijn vraag over ging.

De heer Kisteman (VVD):

Dat was duidelijk, maar dat was niet waar mijn vraag aan mevrouw Rooderkerk over ging. We hebben net wat discussie gehad over artikel 23 en artikel 1. Mijn vraag is hoe D66 daarnaar kijkt. Vinden ze artikel 1 belangrijker? Gaan we gelijkwaardig met elkaar om en mag je zijn wie je wilt zijn? Of mogen scholen daar vanuit artikel 23 zelf invulling aan geven, met de kans op discriminatie, dat je niet mag zijn wie je zelf wilt zijn?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Wij houden ons aan de Grondwet. Beide artikelen staan daarin, maar de Grondwet schrijft natuurlijk ook de gelijke behandeling van iedereen voor. Wat ons betreft moet daar op elke school aan voldaan worden.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Kisteman (VVD):

Afrondend. Uit het debat bleek ook dat de staatssecretaris zei dat het schuurt; het gaat niet altijd precies zoals het moet. Stel dat wij een motie indienen om prioriteit te geven aan artikel 1 boven artikel 23, zou D66 die dan steunen?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dan moet ik de motie eerst tot me nemen, dus we zullen daar natuurlijk goed naar kijken. Maar ja, de vraag is vooral of de inspectie kan optreden op basis van de burgerschapsopdracht die er nu ligt. Wij vinden het heel erg van belang om dat terug te horen van de staatssecretaris. Daar hebben wij nu nog geen antwoord op gekregen.

De voorzitter:

Ik ga natuurlijk de heer Stoffer het woord geven, maar ik wil niet in een discussie verzanden over artikel 23 terwijl we vanavond over de kerndoelen spreken. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Nee, voorzitter. Ik heb een vraag over de Grondwet; het gaat over veel meer dan dat. Ik hoor de heer Kisteman een aantal keren over het stellen van artikel 1 boven artikel 23. De heer Ceder heeft daar zojuist ook een interruptiedebat over gevoerd en daarover gesproken. Is mevrouw Rooderkerk het met mij eens dat alle artikelen in de Grondwet gelijkwaardig zijn, dat 1 niet boven 23 staat en 2 niet boven 5, en dat dat kan schuren? Oftewel, dat als zo'n motie ingediend zou worden door de heer Kisteman, dat rechtsstatelijk gewoon een wangedrocht is?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Sterker nog, dat is hoe de Grondwet werkt. Die artikelen staan erin en daar moeten we aan voldoen en ons toe verhouden. Tegelijkertijd kan het niet zo zijn dat er lhbti-leerlingen zijn die niet geaccepteerd worden op scholen en een verklaring moeten tekenen omdat ze niet toegelaten worden op scholen. Het kan ook niet zo zijn dat leraren, zoals uit de rapportage bleek, wanneer ze uit de kast komen niet meer op een school zouden kunnen lesgeven. Dat zijn allemaal zaken waarin is voorzien met artikel 1 van de Grondwet. Dus ja, daar moeten we allemaal aan voldoen.

De heer Stoffer (SGP):

Dan komen we op de inhoudelijke discussie. Daar mag je ideologisch allemaal naar kijken zoals je wil, maar het gaat mij om het principe dat in onze Grondwet alle artikelen gelijk zijn. Wat ik in de vraagstelling van de heer Kisteman hoor, is dat hij het ene boven het andere wil stellen. Ja, als we op die manier doen, komen we bijna in een bananenrepubliek terecht. Is mevrouw Rooderkerk dat met mij eens, dat we, los van de inhoud, niet met elkaar nu hier met een motie moeten gaan bepalen of het ene artikel van de Grondwet boven het andere staat? Dan ben je, denk ik, gewoon los van waar we als Nederlandse samenleving vandaan komen en hoe we hier ooit gekomen zijn.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Volgens mij kan je dat ook niet per motie bepalen, want je hebt gewoon de Grondwet en daar hebben we aan te voldoen. Al die artikelen staan in de Grondwet, dus daar moeten scholen zich aan houden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik nu graag mevrouw Moorman uit van de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid voor haar bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Dank aan de Kamer voor het goede gesprek dat we hierover hebben gevoerd en dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Dat deed hij in mijn ogen zeer zorgvuldig, zoals ook het hele proces tot nu toe is gelopen. Het duurde langer dan we hadden gehoopt met z'n allen, maar wel dank dat hij er zo zorgvuldig mee omgaat samen met het veld. De complimenten aan alle mensen die hier hard aan hebben gewerkt, zijn terecht.

Ik heb nog één vraag naar aanleiding van de beantwoording van de staatssecretaris en die gaat over waar we het net ook over hadden: de vormgeving van burgerschap, maar ook eigenlijk het burgerschapsklimaat dat je op een school hebt. Ik vind het toch ingewikkeld. In 2021 is de wet over burgerschap aangenomen en toen hadden we ook die grondwetsartikelen al. Die bestaan namelijk al eventjes. Dus met de wetenschap van die grondwetsartikelen hebben we gewoon die wet aangenomen. We hebben ons gewoon aan de wet te houden en dat hebben scholen dus ook. Ik denk dus dat het helemaal niet nodig is om de het ene grondwetsartikel boven het andere grondwetsartikel te stellen. Scholen moeten zich gewoon aan de wet houden en daarmee kan het in mijn ogen dus niet zo zijn dat er enige spanning bestaat. Dat lees ik dus wel in de beantwoording van de Raad van State. Ik ben nog steeds benieuwd wat die spanning dan is en vooral wanneer die spanning acceptabel is, want de onderwijsinspectie moet dat wel weten als ze gaat handhaven. Ik vind, ook als ik hier hoor hoe we het debat met elkaar voeren, dat er nog steeds heel veel onduidelijkheid is. Dus ik hoop dat de staatssecretaris ons in tweede termijn wil toezeggen om daar schriftelijk helderheid over te geven in een brief.

Dan heb ik nog twee moties. Ik heb al gezegd dat ik het heel belangrijk vind dat er meer wordt gedaan aan het lezen en de leesbevordering, zowel van de leraren als van de kinderen. Ik heb ook gezegd dat je dan eigenlijk een omgeving moet bieden om dat daadwerkelijk mogelijk te maken. Daarom twee moties.

De eerste motie hebben we "liefde voor lezen" genoemd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 94% van de docenten het belangrijk vindt om het lezen van boeken en verhalen te stimuleren, maar dat slechts de helft van de leraren zelf een boek leest als vrijetijdsbesteding;

overwegende dat leraren die een positieve houding hebben tegenover lezen aantoonbaar meer aandacht besteden aan leesbevorderende activiteiten in de klas, wat een bewezen positief effect heeft op het leesplezier en de vaardigheid van leerlingen;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe leesbevordering in de lerarenopleiding op dit moment plaatsvindt en hoe leesbevordering onder leraren het beste kan worden gestimuleerd, wat de kosten zijn voor een gratis bibliotheekabonnement voor alle leraren, en de Kamer uiterlijk voor de Voorjaarsnota hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Rooderkerk en Boomsma.

Zij krijgt nr. 26 (36699).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dan een motie over bibliotheken op school.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit recent onderzoek blijkt dat 25% van de scholen in het voortgezet onderwijs beschikt over een bemenste schoolbibliotheek en dat op maar 25% van de basisscholen leerlingen boeken mee naar huis mogen nemen;

overwegende dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen;

overwegende dat het ontbreken van een schoolbibliotheek de kloof vergroot tussen leerlingen met en zonder toegang tot boeken thuis;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe elke school in het funderend onderwijs kan beschikken over een toegankelijke bibliotheekvoorziening die past bij de schoolcontext, met een actuele collectie en deskundige begeleiding, en de Kamer uiterlijk voor de behandeling van de Voorjaarsnota te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Rooderkerk en Boomsma.

Zij krijgt nr. 27 (36699).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Moorman, u krijgt nog een vraag van meneer Kisteman. Eén vraag, meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

We zijn nog mooi op tijd, voorzitter.

De voorzitter:

Maar het blijft één vraag.

De heer Kisteman (VVD):

Dan zal ik het goed omschrijven. Wij hebben net een interruptiedebatje gehad het vervroegen van de leerplichtleeftijd naar 4 jaar. Wij hebben natuurlijk allebei de ambitie om zo veel mogelijk kinderen te bereiken. Dat kan door de vve en door de leerplicht te vervroegen naar 4 jaar. Als ik straks een motie indien — dat ga ik zo meteen doen — kan ik hier dan steun voor krijgen van GroenLinks-PvdA, ondanks dat u aangaf dat de meeste kinderen die 5 jaar zijn en die niet naar school gaan waarschijnlijk op wereldreis zijn?

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Wat ik mooi vond aan de bijdrage van de heer Kisteman is dat hij vooral wees op de nuttige bijdrage van voorschoolse educatie. Uit onderzoek blijkt ook dat het effect van de investering in voorschoolse educatie vele malen groter is dan het verlagen van de leerplichtleeftijd naar 4 jaar en sterker nog, dat er wetenschappelijk gezien zeer veel twijfel is over de leerplichtleeftijd verlagen naar 4 jaar. Nou vind ik het vrij cynisch dat het huidige kabinet enorm bezuinigt op de voorschool. Er gaat zelfs 10% van het budget van de voorschool af. Dan vind ik het een beetje vreemd dat de heer Kisteman zich hier ineens als hoeder van de voorschoolse educatie gaat opwerpen terwijl hij zelf dus in een partij zit die nu enorm aan het bezuinigen is op de voorschool en denkt dat te kunnen compenseren met het naar beneden halen van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar. Dus ik moet hier heel serieus over nadenken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nodig ik de heer Kisteman uit voor zijn bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter, dank. Ik snap dat mevrouw Moorman hierover na moet denken; het staat natuurlijk gewoon in het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA dat het dat ook wil.

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor het prettige debat dat we hebben gehad. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat kinderen in Nederland momenteel leerplichtig zijn vanaf 5-jarige leeftijd;

overwegende dat het verlagen van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar kan bijdragen aan een gelijke start voor alle kinderen, vroege taalontwikkeling kan stimuleren en de aansluiting tussen kinderopvang of peuterspeelzaal en basisonderwijs kan verbeteren;

overwegende dat het verlagen van de leerplichtige leeftijd en daarmee een eerdere instroom in het onderwijs kansenongelijkheid verder kan verkleinen;

verzoekt de regering de leerplichtige leeftijd te verlagen van 5 naar 4 jaar, waarbij de nadruk van het onderwijs aan deze kinderen ligt op spelenderwijs leren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.

Zij krijgt nr. 28 (36699).

Ik laat u eerst even uw moties voorlezen.

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de nieuwe kerndoelen rondom burgerschap scholen verplichten onderwijs te bieden waarin diversiteit, gelijkwaardigheid en bescherming tegen discriminatie expliciet aan bod komen;

constaterende dat de onderwijsinspectie in de Staat van het Onderwijs 2025 signaleert dat het burgerschapsonderwijs op veel scholen niet doelgericht, samenhangend en herkenbaar is;

overwegende dat scholen ruimte hebben en moeten houden voor een eigen identiteit maar deze ruimte nooit mag leiden tot uitsluiting of het beperken van de vrijheid, gelijkwaardigheid of veiligheid van leerlingen;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke manier artikel 1 van de Grondwet altijd voorrang kan krijgen ten opzichte van de levensbeschouwelijke richting bij de invulling van de burgerschapskerndoelen en burgerschapsopdracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.

Zij krijgt nr. 29 (36699).

Bent u klaar?

De heer Kisteman (VVD):

Ja, ik heb de staatssecretaris bedankt, hè? Dus ik ben klaar.

De voorzitter:

O, dat heb ik niet gehoord. Mevrouw Moorman, gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik ben heel erg blij dat de heer Kisteman het verkiezingsprogramma van GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft gelezen. Ik hoop dat hij daar veel van heeft opgestoken, met name van de passage over de voorschoolse educatie. Ik wil wel een deal sluiten met de heer Kisteman. Als hij de bezuiniging op de voorschool terugdraait, stem ik mee met zijn motie.

De voorzitter:

Daar mag u op reageren.

De heer Kisteman (VVD):

Ja, maar daar ga ik niet over.

De voorzitter:

Mevrouw Moorman, deze discussie ga ik nu niet voeren. Ik denk dat het goed is om zo meteen naar deze moties te kijken. Ik ga de heren Ceder en Stoffer het woord geven om te reageren op de allerlaatste motie, denk ik. Ik weet niet wie van u tweeën sneller bij de microfoon was. Als u naar elkaar wijst … Meneer Stoffer, gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Ik kan het kort houden, voorzitter, en dan vult de heer Ceder wel aan als jurist. Ik zou toch aan de heer Kisteman willen vragen om nog eens heel goed na te denken over wat hij nu in deze motie vraagt. In het begin zegt hij best een aantal behartigenswaardige zaken, maar als je naar het eind kijkt … Als je echt met droge ogen vraagt om artikel 1 boven artikel 23 te plaatsen, vraag ik me echt af waar enig staatsrechtelijk geweten van de VVD nog is gebleven. Ik zou zeggen: denk er eens goed over na of u dit als VVD nu echt voor uw kap zou willen nemen. Dit kan toch niet waar zijn?

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel voor die vraag. Uiteindelijk gaat het er ons niet om dat de hiërarchie verandert. Het gaat ons erom dat de vrijheid van onderwijs niet kan betekenen dat je leerlingen mag discrimineren, hun identiteit mag afnemen of hun veiligheid ondermijnen; daar gaat het ons om. We dienen deze motie in om dat te onderzoeken. Uiteindelijk mag de vrijheid van onderwijs er niet toe leiden dat je als jongen niet op een jongen verliefd kan worden en dat je niet jezelf kan zijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Bij de totstandkoming van het kabinet-Schoof moesten partijen vanwege één partij een verklaring ondertekenen dat ze de rechtsstaat onderschreven. Ik denk dat het handig is om dat opnieuw te doen en het dan specifiek aan de VVD voor te legen. De reden daarvoor is dat deze motie in het debat over onderwijs wordt ingediend, maar gewoon rechtstreeks tegen meer dan 100 jaar democratie ingaat en gewoon een antirechtsstatelijke opvatting is van de Grondwet. Stel je voor dat deze motie wordt afgewezen, maar de VVD vindt dat we dit soort moties kunnen indienen. Een Kamerlid van Forum voor Democratie zegt: nou, een ander artikel uit de Grondwet vind ik het belangrijkste. Die gaat een beetje shoppen en die krijgt een meerderheid. Gaan we dan zo met de Grondwet om met elkaar? U opent hiermee een doos van Pandora. Dat vind ik eigenlijk best spijtig, want we hebben dit punt hier al geadresseerd. De staatssecretaris heeft aangegeven dat wat u voorstelt niet kan en we hebben dit interruptiedebat met elkaar gehad. Toch dient u deze motie in als VVD. Mijn vraag is: erkent u dat artikel 1 boven enig ander artikel zetten — het gaat nu over 23, maar het had ook over 6, 8, 11 of 18 kunnen gaan — gewoon in strijd is met de rechtsstaat?

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel voor deze vraag. Waar het ons om gaat: het schuurt, zo bleek in het debat. Artikel 23 schuurt met artikel 1. De heer Ceder geeft aan: zo werkt vrijheid van onderwijs nu eenmaal en zo werkt ons systeem. Wij van de VVD vinden dat dat te ver gaat. Het kan niet zo zijn dat de vrijheid van onderwijs leidt tot discriminatie. Het kan niet dat je niet jezelf kan zijn, vandaar deze motie. Daarin zeggen wij: onderzoek dat eens; kijk eens hoe we dat kunnen doen, zodat je gewoon jezelf kan zijn op school en dat je niet uitgesloten kan worden van bepaalde scholen als je een homoseksuele leraar bent. Daar gaat het ons om.

De voorzitter:

Afrondend, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik snap dat de heer Kisteman hierop doelt, maar u bent vervolgens in een tunnelvisie beland. U zet de rechtsstaat opzij om een bepaald punt te maken, want op heel veel andere manieren … We hebben een funderendonderwijsdebat gehad vorige maand. We hebben de rol van de onderwijsinspectie gehad. We hebben ook al aangegeven dat er inderdaad ook al beleid is. We hebben ook al aangegeven dat je in bepaalde gevallen op een bepaalde manier kan handelen. We hebben ook al aangegeven dat Joodse scholen in Nederland geen kans meer hebben om te bestaan als je iedereen, elke leraar, ongeacht overtuiging of wat dan ook op scholen zou accepteren. Al die nuanceringen hebben we met elkaar doorgeakkerd; daar was u bij. U zit in een tunnelvisie. U ziet artikel 23 en denkt: daar moeten we op scoren. Maar u trekt een doos van Pandora open, want als een andere partij hier opstaat, zegt dat die een ander artikel belangrijker vindt en daar een meerderheid voor weet te krijgen, dan gaan we in de Grondwet shoppen. Dat is nooit de bedoeling geweest van de opstellers van de Grondwet.

De voorzitter:

En wat is uw vraag, meneer Ceder?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag aan de VVD is of zij bij nader inzien deze motie alstublieft wil intrekken. Er zijn net twee Kamerleden naar voren gekomen; misschien kunnen er nog wel meer dat doen. U trekt hiermee een doos van Pandora open. Het klopt niet. Het is ergens, denk ik, ook wel de VVD onwaardig. Mijn vraag is of u erkent — daar heeft u namelijk geen antwoord op gegeven — dat deze motie in strijd is met de rechtsstaat.

De heer Kisteman (VVD):

Wij zetten artikel 1 niet boven artikel 23. Wij vinden, nogmaals, dat artikel 23 niet de vrijheid aan scholen kan geven om te discrimineren; dat kan gewoon niet. De onderwijsinspectie, waar de heer Ceder net op doelde, heeft aangegeven dat ze hier niet op kan toezien omdat die scholen bepaalde vrijheden hebben. We hebben die stappen langsgelopen. We hebben hier debatten gevoerd. Vandaag vinden wij het een goed moment om deze motie in te dienen.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Ik wil eigenlijk ingaan op de vraag van de heer Ceder aan andere Kamerleden om ook naar voren te komen om dit te onderschrijven. Ik denk juist dat het de schoonheid is van onze democratie dat het continu schuurt, zoals ik in mijn speech al zei, en dat de antwoorden niet altijd duidelijk zijn. Ik denk dat het einde zoek is als je daar eenmaal onderscheid in gaat maken. Dan komt er volgende week een motie om artikel 18 boven artikel 25 te stellen. Ik denk dat je echt een motie in moet dienen om juist dat schuren een plek te durven geven in de Nederlandse samenleving.

De heer Kisteman (VVD):

De VVD wil geen ruimte geven aan discriminatie in deze samenleving. We willen er geen ruimte aan geven dat je niet jezelf mag zijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kijk ik naar mevrouw Raijer van de PVV. Die ziet af van haar tweede termijn. Dan kijk ik naar mevrouw Van der Plas, van de fractie van BBB, voor haar bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil even reageren op de woorden van de heer Ceder. Ik zou de heer Kisteman ook willen vragen om deze motie te heroverwegen.

Dat gezegd hebbende heb ik één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onderwijs niet alleen moet bijdragen aan basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen, maar ook aan het behoud van lokale en regionale identiteit, lokale en regionale cultuur en lokale en regionale tradities;

overwegende dat het belangrijk is dat het curriculum ruimte biedt voor regionale en lokale geschiedenis, cultuur, streektaal en tradities, zodat leerlingen zich kunnen herkennen in het onderwijs en verbonden blijven met hun omgeving;

verzoekt de regering te borgen dat scholen in de regio's en in Caribisch Nederland voldoende ruimte houden voor eigen invulling van het curriculum, met expliciete aandacht voor lokale en regionale geschiedenis, cultuur, streektaal en tradities,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 30 (36699).

Dank u wel.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan wil ik nog … Sorry, één ding.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik heb nog heel eventjes de tijd. Ik wil de staatssecretaris danken voor de antwoorden en de toezeggingen. Daarmee dank ik uiteraard ook zijn staf, die elders hier in het gebouw hard aan het werk is voor de staatssecretaris en indirect dus ook voor ons.

Ik wil toch nog even iets zeggen over burgerschapsonderwijs. Ik vind het heel goed dat het er is. Mensen, kinderen, moeten gewoon leren hoe je nou functioneert in een samenleving. Ik vind dat die taak in de eerste plaats natuurlijk bij de ouders hoort. Hoe zit de samenleving in elkaar? Hoe behandel je elkaar? Wat mag je wel doen? Wat mag je niet doen? Ik vind het op zich een goede zaak dat dat in het onderwijs is opgenomen. Ik lees: het ontwikkelen van sociale competenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de samenleving.

Ik weet dat ik oud word. "Vroeger was alles beter"-achtige dingetjes zijn daar inherent aan, maar ik moet dan toch gewoon even denken aan hoe simpel het eigenlijk kan zijn. Je hebt de gulden regel: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat zou je vrij simpel kunnen vertalen. Vind je het leuk als iemand dat bij jou doet? Zo niet, dan moet je het zelf ook niet doen. Ik zou ook zo graag zien dat in dat burgerschapsonderwijs — daar komen natuurlijk allemaal projecten bij; helemaal prima — gewoon ook de basisvaardigheden aan kinderen geleerd worden. Gewoon "u" zeggen. Gewoon een hand geven. Kijk iemand aan die tegen je praat. Wees netjes. Heb respect voor mensen. Zo simpel hoort het eigenlijk gewoon te zijn. Ik hoop ook heel erg dat in dat burgerschapsonderwijs en bij de kerndoelen de nadruk blijft liggen op gewoon een klein beetje normaal doen met z'n allen. En nogmaals, wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Een bordje in elke klas zou mooi zijn. Dan kunnen ze dat elke dag lezen.

Daar wou ik het graag bij houden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kijk ik nu naar de heer Boomsma voor zijn bijdrage in de tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank ook aan de staatssecretaris voor de beantwoording en voor de toezeggingen, ook die om bij de begroting terug te komen op de kosten van de schoolboeken. Over het geheel genomen zijn we niet geheel gerustgesteld op het punt van de vraag of dit nieuwe curriculum echt gaat leiden tot meer focus en minder gevoel van overladenheid, maar dat gaat we gewoon goed in de gaten houden. Het blijft immers natuurlijk een belangrijke prioriteit dat we echt resultaten gaan zien, dat de resultaten in de basale vaardigheden van lezen, schrijven en rekenen weer omhooggaan.

Op het staatsrechtelijk apenkooien van de VVD ga ik nu maar even niet in; dat zullen we zien bij de stemmingen.

Ik heb tot slot een motie over het nakijken van de schrijfopdrachten. Dat kost natuurlijk echt veel tijd. Je moet er tijd voor maken, want goed nakijken van schrijfopdrachten is gewoon een veel tijdrovender bezigheid dan veel andere vormen van nakijken. Het is belangrijk dat daar goed aandacht aan wordt besteed. Vandaar ook nog deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat steeds meer leerlingen moeite hebben om een begrijpelijke tekst te schrijven;

overwegende dat niets zo goed is voor de schrijfvaardigheid als oefening via het van jongs af aan maken en schrijven van opstellen en essays;

overwegende dat het goed nakijken en beoordelen van opstellen en essays veel extra tijd vergt van leraren en vaak ook veel meer tijd vergt dan andere vormen van nakijken;

verzoekt de regering:

  • te onderzoeken in hoeverre leraren in de verschillende jaren van het funderend onderwijs voldoende tijd hebben om schrijfopdrachten goed en zorgvuldig na te kijken om gerichte terugkoppeling te geven;
  • er zorg voor te dragen dat leraren in alle jaren van het funderend onderwijs voldoende tijd krijgen en nemen voor het nakijken van opstellen, essays en schrijfopdrachten;
  • er zorg voor te dragen dat voldoende tijd en aandacht voor het nakijken van schrijfopdrachten ook terugkomt in toetsen en examens,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma, Rooderkerk en Moorman.

Zij krijgt nr. 31 (36699).

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kijk ik tot slot naar de heer Van Duijvenvoorde voor zijn bijdrage in deze tweede termijn.

De heer Van Duijvenvoorde (FVD):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Hij benadrukt steeds dat de autonomie van scholen behouden blijft omdat het Rijk alleen het wat vaststelt en het hoe aan docenten laat, maar precies daar zit voor ons toch een kern van een probleem, want autonomie is niet slechts methodisch of betrokken op de vorm, maar juist inhoudelijk. Als de kerndoelen talrijker, concreter en centraler worden vastgesteld, verschuift de echte zeggenschap over onderwijs naar voren in de keten. Vrijheid in het hoe kan nooit compenseren voor het verliezen van ruimte in het wat. Het hoe is de vorm. Een docent kan in een gek pakje allerlei verhalen gaan houden — dat zou dan goed zijn — maar onze vraag is juist waar de autonomie in het wat ligt. Daarnaast zei de staatssecretaris er vertrouwen in te hebben dat SLO neutraal opereert, maar neutraliteit in onderwijsinhoud is geen technisch gegeven; het is een normatieve keuze. Neutraliteit bestaat nooit zonder de vraag: ten opzichte waarvan, dus ten opzichte van welke visie op burgerschap, van welke opvatting van "goed onderwijs" of van welke morele of maatschappelijke waarde? Het is niet waardevrij.

Daarom heb ik toch nog twee vragen aan de staatssecretaris. Erkent de staatssecretaris dat de inhoudelijke autonomie wordt geraakt wanneer het wat steeds centraler en concreter wordt vastgesteld? De tweede vraag: hoe wordt dan geborgd dat SLO niet alleen procedureel onafhankelijk werkt, maar ook inhoudelijk pluriform blijft, juist bij de burgerschapsinhouden? Tot slot dank voor uw aanwezigheid vanavond.

De voorzitter:

Dank u wel. De staatssecretaris heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de moties en voor de laatste vragen, dus ik schors voor tien minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds de behandeling van de Wet herziening wettelijke grondslagen kerndoelen. Wij zijn toegekomen aan de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van de openstaande vragen. Ik geef hiertoe graag de staatssecretaris het woord. Gaat uw gang.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik begin met de vraag van de VVD hoe eerdere toezeggingen uit het herstelplan worden opgepakt. Daar kom ik voor de begrotingsbehandeling op terug. Ik heb uw lijst met toezeggingen inmiddels ontvangen. Dank u wel daarvoor.

De leden Moorman en Kisteman vroegen naar een brief over artikel 1 en artikel 23. Ik kan u die brief toezeggen. Het betreft een fundamentele beschouwing van de grondrechten en daar is dit debat niet het moment voor, maar ik zal daarnaast ook met de inspectie bespreken wat er gedaan wordt met de signalen van Nieuwsuur. Om daaraan recht te doen, zeg ik toe dat ik voor de zomer van 2026 een brief naar uw Kamer stuur. Ik kom hier bij de moties nog apart op terug.

De heer Ceder van de ChristenUnie vroeg naar het niveau van de financiële geletterdheid. Er is een paar jaar geleden een PISA-special naar financiële geletterdheid gedaan. Nederland behoort samen met België, Denemarken, Canada en de Verenigde Staten tot de hoog scorende landen op financiële geletterdheid. Dat is dus goed nieuws. Ik maak daar ook uit op dat er geen acuut probleem is. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat financiële geletterdheid vooral samenhangt met wiskunde- en leesvaardigheden van leerlingen. Daar geven we juist extra aandacht aan, en daarmee geven we ook aandacht aan de financiële geletterdheid. Ik kan wel toezeggen dat ik ga verkennen of financiële geletterdheid bij het volgende PISA-onderzoek kan worden meegenomen. Sowieso staat al de toezegging dat ik jaarlijks ga rapporteren over het verloop van de implementatie van het nieuwe curriculum.

D66 vroeg wanneer de verkenning naar de doorstroomtoets komt. Die komt voor het einde van het jaar.

Kunnen docenten al direct aan de slag met lezen en schrijven in het nieuwe curriculum? Er staat docenten niets in de weg om ermee aan de slag te gaan. Het is beschikbaar en ze kunnen ermee aan de slag. Het mag dus nu; dat is heel goed nieuws.

Dan de referentieniveaus uit 2010. De kerndoelen voor Nederlands en rekenen en wiskunde zijn inderdaad een stuk concreter, maar ze beschrijven geen beheersingsniveaus. SLO heeft geadviseerd om een aantal kerndoelen te specificeren, juist als houvast om het onderwijs te kunnen vormgeven en ook voor toetsing. De komende tijd wordt er een werkopdracht gemaakt om de referentieniveaus te herijken die SLO, Cito en CvTE gaan uitvoeren. De eerste opbrengsten van de werkopdracht worden met uw Kamer gedeeld.

Moorman en Rooderkerk vroegen waarom we de twee-plus-eenstructuur op wetsniveau verankeren. Dat heeft te maken met de harmoniseringsslag die in de wetgeving heeft plaatsgevonden. Ik probeerde dat al uit te leggen. In de Wet voortgezet onderwijs 2020 had de formulering op wetsniveau slechts betrekking op de onderwerpen die in de kerndoelen aan de orde moesten komen. Met deze herziening is ervoor gekozen om al op wetsniveau te verankeren welke onderwerpen het onderwijs moet omvatten. Dat is dus een scherpere formulering op wetsniveau. Dat maakt ook dat op wetsniveau de keuze moet worden gemaakt wat verplicht is. Als we op wetsniveau geen keuze maken, dan betekent dit dat alle vijf de kunstdisciplines moeten worden aangeboden. Dan heeft de regering niet meer de ruimte om bij AMvB een andere keuze te maken.

Mevrouw Moorman zei dat er scholen zijn die op basis van ideologie bepaalde kunstdisciplines niet aanbieden en vroeg: hoe gaat u daarmee om? Met de nieuwe structuur worden twee disciplines verplicht en kunnen scholen een keuze maken binnen de andere drie disciplines. Mevrouw Moorman stelt dat ze de keuzevrijheid voor scholen kan volgen wanneer de keuze op grond van overladenheid wordt gemaakt, maar vindt het kwalijk als deze keuze wordt gemaakt op basis van religieuze overtuigingen. Daar ga ik niet in mee. Als de wetgever deze ruimte biedt, dan staat het scholen vervolgens vrij om binnen deze drie disciplines een keuze te maken. Dat kan op basis van pedagogisch-didactische overwegingen, maar ook op basis van de richting van de school. Die ruimte geeft de wetgever met deze keuze. Dat is dus dezelfde ruimte als in de huidige situatie het geval is. Als we nu alle disciplines gaan verplichten, verzwaren we daarmee het curriculum. Daar kies ik niet voor, zoals ik heb uitgelegd, hoezeer ikzelf, net als mevrouw Moorman, ook voorstander ben van het aanbieden alle kunstdisciplines. In onze bredere monitoring van de kerndoelen nemen we mee welke disciplines worden aangeboden op school. Aan de hand daarvan kunnen we wat mij betreft dan verder het gesprek met elkaar voeren.

De voorzitter:

Nog één vraag, mevrouw Moorman. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Zegt de staatssecretaris hiermee dus dat het prima is als er op een school niet gedanst mag worden vanuit ideologische overwegingen?

Staatssecretaris Becking:

Nee, dat bedoelde ik niet te zeggen. Ik bedoel te zeggen dat het aan de scholen zelf is om hun afweging te maken op basis van hun populatie, hun achtergrond en hun visie. Hoe dat gemotiveerd wordt, weet ik natuurlijk niet, want dat is aan elke school of elk bestuur zelf.

De voorzitter:

Heel kort.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Maar dat kan er dus toe leiden dat er niet gekozen wordt voor het aanbieden van dans, omdat men vindt dat dat vanuit ideologische overwegingen niet kan. Eigenlijk zegt de staatssecretaris dus: ja, dat mag binnen de wet en daarmee vinden we dat dus oké.

Staatssecretaris Becking:

Ja, dat is een heel concreet voorbeeld. Ik wil het graag houden bij de vrijheid die elke school heeft om vanuit de onderwijsvrijheid zelf keuzes te maken. Hoe dat dan precies zit met dans of identiteit, dat kan ik zo niet waarderen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik hoor dat de staatssecretaris zegt: de situatie in de huidige wet willen we hetzelfde houden als in de vorige wet, dus we proberen daar op deze manier recht aan te doen. Kan de staatssecretaris dan bij de komende jaarlijkse evaluatie monitoren wat dit doet met het aanbod van dans en theater op scholen? Wij willen namelijk niet dat dit ertoe leidt dat dit minder plaats zal vinden, omdat wij vinden dat scholen daar aandacht aan moeten kunnen blijven besteden. De staatssecretaris zegt dat scholen dat ook nog steeds mogen doen. Kan hij hier dan wel zicht op blijven houden?

Staatssecretaris Becking:

Dat wil ik wel toezeggen, voorzitter. Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder met de beantwoording.

Staatssecretaris Becking:

Dan kom ik bij de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 26 is overbodig. Die motie vraagt om onderzoek naar twee zaken, waar ik nu al antwoord op kan geven. Het goede nieuws is dat leesbevordering in lerarenopleidingen zal gebeuren, doordat in de opleidingen het nieuwe curriculum, waar lezen een belangrijk onderdeel van is, zal worden ingericht. Op de lerarenopleiding is de leeslijst ook expliciet aan de orde in het opleidingsberaad leraren. Het is onderdeel van de kennisbasis waar lerarenopleidingen hun opleidingen op baseren.

Dan het gratis lidmaatschap. In Nederland is iedereen tot 18 jaar gratis lid van de bibliotheek. Er zijn ruim 200.000 leraren werkzaam in het funderend onderwijs. Een abonnement kost ongeveer €50 per jaar. Dan kunt u dus uitrekenen — u bent goed in rekenen — dat dit op 10 miljoen euro per jaar komt. Daarom zie ik de motie als overbodig, behalve als u wellicht nog nadere informatie wilt.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 26 krijgt de appreciatie overbodig. Dan is het aan de indiener om te bepalen wat zij met deze motie doet. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het heel jammer dat ie overbodig krijgt, want wij hebben hier in de Kamer gewoon geen inzicht in hoe het gaat met de leesbevordering op de lerarenopleidingen, waar een heel erg grote verscheidenheid aan is. Tegelijkertijd zien we wel dat meer dan de helft van de leraren in de vrije tijd niet leest en dat ook niet heeft meegekregen. Dus dan denk ik: er is nogal wat mis met de leesbevordering op de opleidingen. Het lijkt mij dus zeer zinvol om daar wel degelijk nader onderzoek naar te doen. Ik kan me niet voorstellen dat dat overbodig is.

Staatssecretaris Becking:

Ik zei eigenlijk: het goede nieuws is dat er in de lerarenopleidingen al gekeken wordt hoe dat een plek kan krijgen. In het nieuwe curriculum wordt natuurlijk ook naar de lerarenopleidingen gekeken, en daarin krijgt dit ook een plek. Ik wilde dus eigenlijk alleen maar zeggen: dat gebeurt al. Ik wil het belang ervan niet wegschuiven, maar het is juist een punt dat al gebeurt. In het opleidingsberaad voor leraren is de leeslijst nu ook expliciet aan de orde. Dat zit dus verweven in de opleiding van leraren. Daarom vond ik 'm overbodig.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dan ga ik 'm denk ik herschrijven, want de Kamer is er tot op dit moment zeker niet van op de hoogte, en zou hier wel van op de hoogte gebracht willen worden. Ik zou 'm dan dus graag willen herformuleren, met daarbij de vraag hoe een abonnement op de bibliotheek kan bijdragen en het verzoek dat wij hiervan op de hoogte worden gehouden. Fijn dat de staatssecretaris voor mij heeft uitgerekend hoeveel het kost, maar laten we gewoon kijken wat een abonnement gaat bijdragen aan de leesbevordering van leraren, en dan kunt u daarover de Kamer informeren. Ik ga 'm dus herformuleren, voorzitter.

De voorzitter:

Dan heeft u tot en met dinsdag. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 27.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 27 gaat over een toegankelijke bibliotheekvoorziening en is overbodig. Dit is in 2023 onderzocht naar aanleiding van de motie-Mohandis over de duurzame verankering van de bibliotheek op school. Hieruit bleek dat het ruim 220 miljoen euro per jaar kost om alle scholen van een bibliotheek te voorzien. Dat geld is er niet. Wel is vóór de zomer besloten om de bibliotheek op school vanaf 2027 structureel te financieren. Hiervoor is jaarlijks 50 miljoen beschikbaar. De helft daarvan gaat naar scholen, de andere helft naar bibliotheken. Van dat geld moeten bibliotheken een mooi aanbod voor scholen verzorgen. Scholen kunnen ervoor kiezen om daar gebruik van te maken. Vandaar: overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 27 krijgt de appreciatie overbodig.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ook hier ben ik weer een beetje verbaasd. Kijk, met die 50 miljoen en dan ook nog een keer de vrijwilligheid gaat dit natuurlijk de komende tijd niet lukken. Als we dan ook nog eens zien dat er maar op 25% van de voortgezetonderwijsscholen een schoolbibliotheek is en dat maar 25% van de basisschoolleerlingen een boek mee naar huis mag nemen, dan is daar dus nogal wat te doen. Mijn vraag is niet zozeer: wat kost het? Mijn vraag is: hoe gaan we dit meer bevorderen? Want wij hebben met elkaar allang uitgesproken dat we willen dat elke school gewoon een bibliotheek heeft. Er moet dus gewoon meer gas op. Ik wil graag van de staatssecretaris weten: hoe gaan we dat doen?

Staatssecretaris Becking:

Dat gehoord hebbende kan ik de motie oordeel Kamer geven; dat kan ook.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 27 de appreciatie oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 28.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 28, van de heer Kisteman, ontraad ik. De ambitie is al eerder uitgesproken. Die ambitie omarm ik. De randvoorwaarden, dus onder andere het budget, worden nog nader bekeken. Aan de hand daarvan kunnen we het gesprek met de Kamer verder voeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 28 wordt ontraden. Dan de motie op stuk nr. 29.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 29: ontraden. De artikelen in de Grondwet zijn nevengeschikt. Het antwoord op uw onderzoek weten we dus al. Als u dat anders zou willen, dan moet de Grondwet worden gewijzigd of dan moet daarover een debat worden gevoerd.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 29 wordt onraden. De motie op stuk nr. 30.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 30: overbodig. Het is al geborgd, want er is genoeg vrije ruimte rond die regio's en dergelijke.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 30 krijgt de appreciatie overbodig.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 31: overbodig. Het is een sympathieke motie, maar hierover ligt al een vuistdik rapport. De inspectie heeft namelijk een onderzoek uitgebracht over de schrijfvaardigheid in het voortgezet onderwijs en in 2019 over het primair onderwijs. Daarin staat hoeveel tijd leraren besteden aan schrijfonderwijs, waar ze tegen aanlopen en welke aanbevelingen experts geven om het schrijfonderwijs te verbeteren. Daarmee is de motie eigenlijk overbodig. Maar ik wil de indieners wel meegeven dat ik het schrijfonderwijs erg belangrijk vind. Daarom komt het ook versterkt terug in die nieuwe kerndoelen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 31 krijgt de appreciatie overbodig.

De heer Boomsma (JA21):

Dat verbaast mij wel. Ik heb ook gezien dat het onderzocht is. Een aantal van die rapporten is nu verschenen. Overigens, er is een nieuw onderzoek gaande over het primair onderwijs. Dat komt pas in 2027. Maar het gaat erom dat je veel meer aandacht moet gaan besteden aan schrijfvaardigheid als je die wil verbeteren, en dat is hard nodig. Dan moet je ook meer ruimte inbouwen voor leraren om de tijd te hebben om dat zorgvuldig na te kijken. Dat gebeurt op dit moment gewoon nog niet voldoende; dat zit er nog niet in. Opstellen nakijken is gewoon tijdrovend. Daarom staat in de motie niet alleen om dat te onderzoeken, maar ook om er zorg voor te dragen dat daar voldoende aandacht voor komt.

Staatssecretaris Becking:

Ja, dank.

De voorzitter:

Ik heb het vermoeden dat u bij dezelfde appreciatie blijft.

Staatssecretaris Becking:

Ja, ik blijf bij mijn oordeel.

De voorzitter:

Ik ga het debat over deze appreciatie alleen voeren met de eerste indiener. Of: ik ga het debat niet voeren; u mag het debat voeren met de staatssecretaris. Meneer Boomsma, gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Ik wil de staatssecretaris toch vragen om dat te heroverwegen. Hij zou dit, denk ik, moeten omarmen, omdat wij met z'n allen voor de opdracht staan om die schrijfvaardigheid te verbeteren. Daar hoort nou eenmaal bij dat leraren echt de tijd krijgen en nemen om schrijfopdrachten goed te kunnen nakijken. Op dit moment is dat nog niet goed geborgd. Dat vergt gewoon de komende tijd aandacht van de Kamer, van ons allemaal.

Staatssecretaris Becking:

Ik zou nog eens kunnen kijken of we op dit punt een soort actualisatie kunnen vragen aan de inspectie, zodat we wat actuelere cijfers hebben dan uit 2019 et cetera. Dat wil ik doen.

De voorzitter:

De heer Boomsma heeft nu een toezegging. De appreciatie op deze motie blijft "overbodig". Het is aan de indiener zelf om te bepalen wat hij samen met de collega's doet met deze motie.

De heer Boomsma (JA21):

Ik ga nog even in overleg en dan kijken we even voor de stemmingen.

De voorzitter:

Er gaat overlegd worden. Daarmee zijn we volgens mij aan het einde gekomen …

Staatssecretaris Becking:

Ik heb er nog twee, voorzitter, van Forum voor Democratie. O, excuus! Dat waren vragen. Die zitten verkeerd in mijn stapeltje.

De voorzitter:

Dat geeft niks. Er zijn dus nog twee openstaande vragen.

Staatssecretaris Becking:

Ja, ik heb nog twee openstaande vragen. "Waar ligt de autonomie voor het wat in het onderwijs? Erkent de staatssecretaris dat het ten koste gaat van de autonomie van het onderwijs als dat concreter wordt?" Mijn antwoord daarop is: de kerndoelen zijn concreter, maar laten nog steeds veel ruimte, niet alleen in het hoe, maar ook in het wat. Ik begrijp uw vraag wel, maar toch is dit mijn antwoord. Neem het kerndoel burgerschap, over ervaringen opdoen met maatschappelijke betrokkenheid. Scholen kunnen zelf kiezen in welke domeinen leerlingen hiermee ervaring moeten opdoen.

Voorzitter. Uw andere vraag is: hoe waarborgen we dat SLO inhoudelijk pluriform blijft bij de burgerschapsinhouden? SLO is gebonden aan de wettelijke burgerschapsopdracht. Die is al pluriform.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Hiermee zijn wij aan het einde gekomen van dit debat.

De voorzitter:

Wij gaan aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties. Let op: wij gaan dinsdag 9 december stemmen over de amendementen en de wet. Ik wil alle Kamerleden bedanken voor hun bijdragen en het constructieve debat. Ik wil ook de staatssecretaris bedanken. Ik wens iedereen veilig thuis en morgen gezond weer op. Dan schors ik de vergadering. Nee, ik sluit de vergadering. Excuus!

Sluiting