Conceptverslag Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D16483, datum: 2026-04-02, bijgewerkt: 2026-04-08 14:52, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-04-02 13:15: Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid (Commissiedebat), vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Onderzoeks- en wetenschapsbeleid
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 2 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 maart 2026 inzake vertrouwen in de wetenschap (31288, nr. 1234);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 14 maart 2025 inzake beleidsbrief vervolgonderwijs, onderzoek en wetenschap (31288, nr. 1185);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 16 februari 2026 inzake SEO-onderzoeksrapport Slimme investeringen (36800-VIII, nr. 129);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 3 november 2025 inzake uitslag tweede financieringsronde Nationale Roadmap Grootschalige Wetenschappelijke Infrastructuur 2021 (27406, nr. 232);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 2 juli 2025 inzake Einstein Telescope: een grensverleggende prioriteit (29338, nr. 294);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 23 juni 2025 inzake voortgang programma Erkennen en Waarderen (31288, nr. 1206);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 7 april 2025 inzake stand van zaken wetsvoorstel screening kennisveiligheid (31288, nr. 1187);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 24 september 2025 inzake onderzoeksrapport Aan de poort (31288, nr. 1212);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 juni 2025 inzake uitvoering moties en toezeggingen kennisveiligheid en verscherpt toezicht (31288, nr. 1205);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 9 december 2025 inzake internationale mobiliteit van wetenschappers (29338, nr. 298);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 20 maart 2025 inzake aantrekken internationale wetenschappers van topniveau (29338, nr. 291);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 juli 2025 inzake reactie op het rapport "Nederlands onderzoek en ontwikkeling in internationaal perspectief" van het Rathenau Instituut (33009, nr. 164);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 10 december 2025 inzake rapport Reken er maar (niet meer) op: de digitale infrastructuren voor onderzoek 2027-2035 (31288, nr. 1227);
de brief van de Europese Rekenkamer d.d. 15 januari 2026 inzake aanbieding adviezen ERK over wetgevingsvoorstellen voor Europees fonds voor concurrentievermogen en Horizon Europe (2026Z00546);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 27 januari 2025 inzake oprichting Europese onderzoeksinfrastructuren op het gebied van de Holocaust, sterrenkunde en atmosfeer met deelname vanuit Nederland (27406, nr. 231);
de brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 28 november 2025 inzake fiche: Mededeling Europese strategie voor artificiële intelligentie in de wetenschap (22112, nr. 4215);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 december 2024 inzake uitkomst gesprekken over de financiering van HFML-FELIX (29338, nr. 288);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 18 december 2025 inzake uitvoering moties van het lid Heite over pluriformiteit in de wetenschap en nevenwerkzaamheden van hoogleraren (31288, nr. 1228);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 26 september 2025 inzake uitvoering van het amendement van het lid Kostić c.s. over middelen voor het verminderen van apenproeven (Kamerstuk 36725-VIII-11) (32336, nr. 168);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 januari 2026 inzake stand van zaken op de uitvoering van het amendement-Kostić (Kamerstuk 36725-VIII-11) (32336, nr. 171);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 19 december 2024 inzake werkprogramma Rathenau Instituut 2025-2026 (36600-VIII, nr. 155);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 augustus 2025 inzake eindevaluatie sectorplannen ronde I (2019-2024) (29338, nr. 296);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 11 juni 2025 inzake reactie op Monitor praktijkgericht onderzoek (29338, nr. 293);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 21 februari 2025 inzake beleidsreactie op het adviesrapport van de evaluatiecommissie van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (31288, nr. 1180);
de brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 4 februari 2025 inzake diversiteitsbeleid NWO (29338, nr. 290).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Koorevaar
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap,
Verhoev
Voorzitter: Stultiens
Griffier: Van Thiel
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Abdi, Armut, De Beer, Boomsma, Claassen, Van Duijvenvoorde, Keijzer, Rooderkerk en Stultiens,
en mevrouw Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Aanvang 13.16 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom bij het commissiedebat van de commissie
OCW. Het thema van vandaag is onderzoeks- en wetenschapsbeleid. Ik heet
de minister, en haar ondersteuning in het gebouw, van harte welkom, net
als de mensen op de tribune, de mensen die online meekijken en
natuurlijk de collega's in de Kamer.
Ik zal ze kort aan u voorstellen, te beginnen met de heer Claassen. Hij
spreekt namens de Groep Markuszower. Hij is officieel geen lid van de
commissie, maar ik neem aan dat er geen bezwaar is tegen zijn
aanwezigheid. Ik hoor enige twijfel, maar er wordt toch ingestemd!
Welkom, meneer Claassen. Dan noem ik de heer De Beer van de VVD, mevrouw
Rooderkerk van D66, mevrouw Keijzer van de fractie-Keijzer, de heer
Boomsma van JA21, mevrouw Armut van het CDA en de heer Van Duijvenvoorde
van FvD.
U heeft allemaal vier minuten spreektijd. Het aantal interrupties is
vier. Er geldt een werkwijze in deze commissie dat interrupties onder de
30 seconden niet meetellen — als u het dus kort en bondig houdt, wordt u
daarvoor beloond — en dat interrupties die langer duren dan 30 seconden,
tellen als twee interrupties. Ga hier verstandig mee om, is mijn
advies.
Dan beginnen we bij de heer Claassen. Hij spreekt namens de Groep
Markuszower.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik wil eigenlijk eerst een punt van orde maken. Zou u de tijd dus nog
even willen stoppen? As we speak wordt er door palliewappies, door
pallietuig, een universiteit bezet. In de krant moeten we lezen dat men
zich zorgen maakt over degenen die de bezetting uitvoeren. Het is toch
een rare zaak dat men zich zorgen maakt om degenen die zorgen voor
totale ontregeling op een universitair ziekenhuis. Het is een rare zaak
dat er dan wordt gezegd: we maken ons zorgen om die mensen. Mijn vraag
aan de minister is dus eigenlijk of zij al contact heeft gehad met de
universiteit. Heeft de minister al contact …
De voorzitter:
Wat is uw punt van orde?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Obstructies bij de Universiteit Maastricht. Heeft de minister al contact
gehad met de minister van JenV? Als dat niet zo is, dan stel ik voor om
even te schorsen, zodat u dat kunt doen en zodat er eindelijk eens
opgetreden wordt, want de Kamer vraagt daar al maanden om. Zorg dat deze
flauwekul ophoudt.
De voorzitter:
Ik ga kijken of er steun is voor uw punt van orde. Mevrouw
Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
We zitten hier gewoon om te beginnen aan een commissiedebat over
onderzoeks- en wetenschapsbeleid. Daarvoor ben ik hier aangeschoven, en
mijn collega's ook, neem ik aan. Ik heb nog niet eerder aan de orde
gehad dat er om de schorsing van een commissiedebat wordt verzocht
vanwege een actualiteit. Volgens mij kunt u gewoon een goede aanvraag
tijdens de regeling van werkzaamheden doen voor een debat of voor een
vraag tijdens het vragenuurtje. Ik zou zeggen: laten we hier dan over in
debat gaan.
De voorzitter:
Dit beschouw ik als geen steun. De heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Ik begrijp de zorg van de heer Claassen zeker. Dit is niet echt een
ordepunt, maar eigenlijk meer een openbareordepunt. Ik steun zeker het
pleidooi om op te treden tegen deze intimidatie, maar denk niet dat het
zinvol is om nu te schorsen. De politie moet daar haar werk doen en de
openbare orde moet worden gehandhaafd; daar gaan wij op dit moment zelf
niet over. Geen steun dus voor het ordepunt.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik denk dat het verstandig is als we dit commissiedebat nu beginnen,
maar ik wil wel in de eerste termijn van deze minister horen wat zij …
Het is in Maastricht, dus ik heb er een hard hoofd in vanwege haar
geschiedenis, maar goed. Misschien wordt hier eindelijk eens een keer
iets aan gedaan, want dit heeft niets meer met wetenschap en hoger
onderwijs te maken.
De voorzitter:
Ik constateer dat er geen steun is voor het verzoek, maar deze vragen
worden doorgeleid naar de minister. Die gaat daar vast in haar eerste
termijn op in. Dan kunnen we nu gewoon het debat vervolgen en geef ik de
heer Claassen het woord voor zijn inbreng.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Maar het heeft wel met dit debat te maken, want het gaat over
onderzoeks- en wetenschapsbeleid. Als universiteiten geteisterd blijven
worden door dit soort tuig, dan beïnvloedt dat ook de wetenschap en de
visie op de wetenschap. Dat heeft er dus wel degelijk mee te maken.
Degene die dit ontkent, steekt de kop in het Saharazand. Het is echt
afgrijselijk om dit te moeten horen. Maar ik zal beginnen met mijn
inbreng, tenzij iemand daar nog op wil reageren.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik wil alleen het punt van orde maken dat ik denk dat aanstaande dinsdag
een goed moment is om hier een debat over aan te vragen, maar dat het
belangrijk is dat we dit debat gewoon vandaag voeren.
De voorzitter:
We gaan het debat nu gewoon beginnen zoals gepland.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, helemaal mee eens.
De inzet van het kabinet is helder: hoge kwaliteit, samenwerking en
maatschappelijke impact. Wetenschap moet bijdragen aan grote opgaven,
zoals energie, veiligheid en economische groei en daarmee aan het
verdienvermogen en de strategische positie van Nederland.
Voorzitter. Maar laten we de feiten er even bij pakken. Nederland
investeert momenteel ongeveer 2,3% van het bbp in research and
development. Dat is net boven het EU-gemiddelde, maar duidelijk onder
het OESO-gemiddelde van circa 2,7%. We zitten ook ver onder koplopers
zoals Duitsland en België, die boven de 3% zitten. Sterker nog, die 3%
is ook onze ambitie, maar die halen we al jaren niet. We zijn daarmee
geen koploper, maar gewoon een simpele middenmoter.
Voorzitter. Laten we het zeggen zoals het is: we lopen achter. Israël en
Zuid-Korea investeren inmiddels 4% tot 5% van het bbp in R&D. Dat is
geen klein verschil; dat is een ander niveau van competitie. Dat
verschil vertaalt zich direct naar groei. Uit onderzoek blijkt dat 1%
extra voor R&D kan leiden tot wel 2,8% extra bbp-groei op lange
termijn. Dus terwijl zij versnellen, blijven wij hangen. Dat betekent
niet dat we een beetje achterblijven, maar dat we structureel worden
ingehaald. In innovatie geldt: wie stilstaat, valt af. Waar hebben we
het dus over? Over groei die we laten liggen, welvaart die we mislopen
of een voorsprong die we aan het weggeven zijn. Als andere landen
structureel twee keer zo veel investeren in innovatie, lopen ze niet een
beetje uit, maar trekken ze de economie uit elkaar. Dan bepalen zij de
technologie. Dan bepalen zij de standaarden. Zij banen de weg naar de
toekomst.
Waar zit het probleem? Vooral bij het bedrijfsleven. In Nederland ligt
private R&D rond de 1,35% van het bbp, terwijl het OESO-gemiddelde
op 1,75% ligt. Dat betekent concreet: minder innovatiekracht, minder
valorisatie en uiteindelijk dus minder economische groei. Tegelijkertijd
zien we dat het systeem verandert. Daarin wordt de basisfinanciering
versterkt en wordt ingezet op internationale samenwerking, onder meer
via Europese programma's. Tegelijkertijd verschuift de manier van
beoordelen: minder nadruk op publicaties en citaties, meer op narratieve
cv's, samenwerking, impact en talentontwikkeling. Ook legt het kabinet
nadruk op diversiteit, inclusie, sociale veiligheid en balans tussen
disciplines. Op zich delen we die ambitie, maar we maken ons zorgen over
de richting. De wetenschap is geen kompas dat je afstelt op gevoel; het
is een meetinstrument dat je scherp moet blijven afstellen. Als je
objectieve maatstaven vervangt door meer subjectieve criteria, bestaat
het risico dat helder zicht plaatsmaakt voor mist. Hoe blijft de
wetenschap dan transparant, toetsbaar en internationaal concurrerend? We
zien signalen dat het systeem verschuift van meten naar duiden, van
prestatie naar interpretatie. Waar de meetlat verdwijnt, komt ruimte
voor willekeur. Dat raakt de kern van de wetenschap: toetsbaarheid,
herhaalbaarheid en open tegenspraak.
Daarnaast zien we ontwikkelingen richting een steeds smaller
debatklimaat, met name in delen van de sociale wetenschappen en het
onderwijs. Waar wetenschap een marktplaats voor ideeën hoort te zijn,
dreigt soms een echozaal te ontstaan. Als afwijkende perspectieven
minder ruimte krijgen, verliest wetenschap haar corrigerende vermogen.
Zonder wrijving geen glans en zonder tegenspraak geen vooruitgang.
Daarom vragen we de minister om enkele concrete toezeggingen. Ten
eerste, dat in de beoordelings- en financieringskaders expliciet wordt
geborgd dat alle wetenschappelijke perspectieven en afwijkende visies
gelijke kansen krijgen bij benoemingen, peerreviews en
subsidieaanvragen. Ten tweede, dat objectieve toetsbare criteria een
harde basis blijven vormen binnen programma's als Erkennen en Waarderen,
zodat beoordeling niet afhankelijk wordt van narratief en normatieve
voorkeuren. Ten derde, dat er actief wordt gemonitord op pluraliteit in
het academische debatklimaat, inclusief signalen van zelfcensuur of
uitsluiting van perspectieven.
Wij pleiten voor een heldere toekomst. Behoud objectieve maatstaven als
fundament. Zorg dat excellentie en prestatie leidend blijven. Waar is de
cumlauderegeling gebleven? Bewaak de …
De voorzitter:
Kunt u afronden, meneer Claassen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, ga ik doen. Bewaak de breedte van het debat, zodat wetenschap geen
gesloten systeem wordt, maar een open veld waar ideeën vrij mogen en
kunnen botsen. Want als wetenschap haar meetlat verliest, verliest
Nederland zijn voorsprong. De vraag is dan ook: bent u bereid en zijn
wij als Kamer bereid om die meetlat stevig in handen te houden?
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie twee interrupties, drie zelfs! Eerst de heer Boomsma,
dan mevrouw Keijzer, dan mevrouw Abdi.
De heer Boomsma (JA21):
Ik kan het betoog van de heer Claassen wel volgen. Ik heb het zelf ook
gehad over academische vrijheid bij de begrotingsbehandeling. Ik heb ook
een voorstel gedaan om te kijken of je niet een apart fonds kunt
instellen voor het financieren van onderzoek naar die zogenaamde
tegendraadse perspectieven, die altijd dreigen achterwege te blijven,
omdat je altijd, in alle menselijke instituties en ook hier, het risico
hebt van conformisme. Hoe ziet de heer Claassen dat?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Als je om iets wat normaal is, het brede debat waar het mag schuren en
wrijven en waar je het met elkaar oneens mag zijn, dat je niet in de
normatief van de tegenwoordige besturen van universiteiten mee moet gaan
… Als je wil bereiken wat eigenlijk normaal is en daar een fonds voor
moet oprichten, dan zijn we eigenlijk idioot bezig. Laat ik het zo maar
zeggen. Het moet de normaalste zaak zijn. Als het zou helpen om die
beweging voor elkaar te krijgen met een fonds, dan moeten we het daar
met elkaar over hebben. Maar ik wil hier wel gezegd hebben dat als er
een fonds voor moet worden opgericht om die beweging met elkaar in gang
te kunnen zetten, dat wel eigenlijk een heel kwalijke zaak zou
zijn
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit betoog komt overeen met mijn betoog. Ik zou aan de heer Claassen
willen vragen: waarom moet nou iemand die bijvoorbeeld gewoon een
bedrijf heeft en een paar kinderen op een basisschool heeft zich zorgen
maken over hetgeen de heer Claassen en straks ik, maar ook de heer
Boomsma hier betogen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Omdat als die onderzoeken een heel smal narratief hebben, dat leidend
gaat zijn voor wat in de wereld en de omgeving waar gaat worden. De
vraag is of dat dan de waarheid is. Ik, mijn kinderen, mijn familie, uw
kinderen, uw kleinkinderen — ik weet het allemaal niet — komen wel in
dat narratief terecht. Dus mijn inzet zou zijn om te voorkomen dat dat
soort narratieven de standaard worden en te zorgen dat het perspectief
op de hele breedte aanwezig blijft. Dat draagt het beste bij aan de
ontwikkeling van kinderen, dat ze ook hun eigen denkbeelden daarin
kunnen ontwikkelen. Dat is mijn antwoord op de vraag van mevrouw
Keijzer.
De voorzitter:
Ik zie nog een vervolgvraag van mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Geen vervolgvraag, maar instemming. Dit is precies waarom ik mij hier
ook zorgen over maak. Uiteindelijk gaat er één wereldbeeld over
Nederland heen gerold worden. Iets anders denken stopt op een gegeven
moment, want je mag het niet meer uiten.
De voorzitter:
Dan ga ik door naar mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag aan collega Claassen over zijn betoog is of hij kan
specificeren wat hij bedoelt met die afwijkende meningen en welke
signalen hij heeft. Hij heeft het eerder ook al benoemd. Ik ben benieuwd
of hij concrete voorbeelden kan noemen van waar hij het over
heeft.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik kan wel een voorbeeld geven. Stel dat je als onderzoeker zou willen
onderzoeken wat het effect is van de huidige maatschappij op hoe de
lhbtqia+ — weet ik hoe ze allemaal heten — zich ontwikkelt binnen de
hogescholen en je wilt kijken wat dat betekent voor de ontwikkeling van
het curriculum. Ik geef u een zware dobber als u daar een subsidietje
voor zou willen binnenharken. Dat gaat u nooit lukken. Dat gaat u nooit
lukken. Maar als de vraag zou zijn — een pakkend voorbeeld — hoe we de
positie van lhbtq in universiteiten kunnen versterken, dan stroomt het
geld binnen, zal ik u vertellen. Dat is maar een klein voorbeeld. Ik heb
er nog een heleboel meer, als u die zou willen horen.
De voorzitter:
Vervolgvraag van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dit is natuurlijk niet echt een antwoord op mijn vraag. Wat u hier doet,
is een soort mening geven. Dat is uw goed recht. Het is iedereens goed
recht om dat te doen. Maar het tast wel een heel fundamenteel punt aan,
want er is één ding dat wel klopt, namelijk dat veel wetenschappers in
Nederland in toenemende mate inderdaad zelfcensuur toepassen omdat zij
ervaring hebben met bedreigingen en intimidatie, ook als het gaat om
bepaalde vakgebieden. Volgens mij is dat een ontwikkeling die we niet
zouden moeten willen. De heer Claassen is ook zorgwoordvoerder, dus ik
neem aan dat hij het belangrijk vindt dat er veel
doorbraakontwikkelingen plaatsvinden op het gebied van gezondheid. Laat
dat nou net een vakgebied zijn waarop met name heel veel vrouwelijke
wetenschappers aangeven dat het moeilijk is om op bepaalde
onderzoeksvragen dingen te doen, door dat harde klimaat. Ik ben dus
oprecht benieuwd. Kunt u het concreet maken? En als u het niet concreet
kunt maken, wilt u dan niet een bepaalde terughoudendheid uitoefenen,
juist omdat u hiermee uiteindelijk het wetenschapsklimaat
ondermijnt?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nee, ik wil helemaal geen terughoudendheid. Als iedereen dat ging doen,
terughoudendheid ging laten zien, zeker in de politiek, en als die
discussie niet gevoerd mag worden, dan zijn we een end ver. Als u dat
pad wilt bewandelen, dan moet u dat vooral doen. Die zelfcensuur vindt
plaats binnen een bubbel, zeg ik tegen collega … Ik ben de naam even
kwijt, hoor. O, Abdi. Die zelfcensuur vindt plaats binnen een bubbel.
Mijn pleidooi is dat die zelfcensuur er in de volle breedte moet zijn.
Zeker als het gaat om kwalitatief onderzoek wordt gevraagd dat de
onderzoeker ergens in het begin van zijn artikel schrijft wat zijn
achtergrond is. Eigenlijk zou dat normaal moeten zijn, maar bij een
heleboel artikelen waarvan de uitkomst al een beetje kunt vermoeden
staat er niet eens bij wat de achtergrond van iemand is. Als je dan zelf
gaat zoeken, dan zie je een bepaalde achtergrond van onderzoekers, van
de onderzoeksgroep en denk je: ik had al kunnen bedenken wat de
conclusie zou zijn. Daar moeten we niet blind voor zijn. Ik denk dat het
tijd wordt dat ook in dit soort debatten dat soort dingen benoemd wordt.
Als u nog concrete voorstellen wilt, dan zal ik ervoor zorgen dat u
binnenkort een lijstje van mij krijgt.
De voorzitter:
Ik geef zo het woord, mevrouw Abdi. Ik herhaal graag de eerdere
afspraak: interrupties onder 30 seconden tellen niet mee en die
daarboven tellen dubbel. Mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik hou het heel kort. Ik vind het gewoon een beetje borrelpraat als je
niet met concrete feiten komt. U heeft het over dat u het debat niet mag
voeren. Natuurlijk mag je het debat hier voeren. We moeten het debat
hier voeren. We mogen ook met elkaar van mening verschillen. Mijn
verzoek om terughoudendheid gaat erom dat de politiek ook een aandeel
heeft waar het gaat over veiligheid, een klimaat waarin wetenschappers
het gevoel hebben dat ze onderzoek kunnen doen. Daar hebben wij ook een
aandeel in en daar vraag ik terughoudendheid in. Ik zou het waarderen
als u met dit soort voorstellen komt, dat die op feiten gebaseerd zijn
en niet op meningen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb een paar feiten gegeven. Als u daar de bronnen van wilt hebben,
wil ik u die best doen toekomen. Dat mag. Maar ik maak me wel zorgen,
want dit is precies wat er gebeurt. Dit is precies wat er gebeurt als je
dingen benoemt die je ziet gebeuren. Er is een bepaald narratief — dat
werd ook bevestigd door andere collega's — in de onderzoekswereld, zeker
in de sociaal-culturele wetenschappen. Ik heb het niet … De collega
noemde een voorbeeld uit de medische wetenschappen. Ja, daar zou, zeker
als het om vrouwengezondheid gaat, iets anders naar gekeken moeten
worden om die vrouwengezondheid te bevorderen. Daar ben ik het helemaal
mee eens, maar in de sociaal-culturele wetenschappen zit een bepaald
narratief dat vooral een bepaalde duiding heeft — ik pak even mijn eigen
voorbeeld — die misschien niet echt rechts-conservatief is. Ik zie daar
heel weinig voorbeelden van. Nogmaals, ik denk dat het juist goed is om
dat hier wel te benoemen. Natuurlijk, een politicus kan ook een mening
hebben, maar ik heb ook voorbeelden en die heb ik ook genoemd. U
probeert dat een andere plek te geven. Dat moet u zelf weten, maar ik
denk dat dat ook meteen een voorbeeld is van wat er dan precies mis
is.
De voorzitter:
Ik zie nog een interruptie van mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
De heer Claassen geeft aan zich zorgen te maken over de academische
vrijheid die onder druk staat. Die zorg deel ik. Die is er namelijk ook
andersom. We zien dat bijvoorbeeld in Amerika wetenschappers heel veel
moeite hebben met het nog kunnen uitvoeren van onderzoek naar het
klimaat. Maakt u zich daar dan ook niet heel zorgen over?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, daar maak ik me heel veel zorgen over. We hebben hier in Nederland
een zekere Jan van de Beek. Die heeft een iets andere mening als het
gaat om klimaat en die heeft echt op verschillende manieren — daar heeft
collega Abdi meteen ook het voorbeeld — geprobeerd om funding te krijgen
om het tegengeluid nog eens verder te onderzoeken. Nul funding! Het lukt
hem gewoon niet. Ja, ik maak me zorgen over het klimaat — dat delen wij
— maar wel op een andere manier: het idee dat het klimaat als een
catastrofe over onze jongeren heen gestort wordt waardoor ze allemaal
depressief zijn en achteraan in de rij aansluiten bij de ggz. Ja, daar
maak ik me zorgen over, omdat het andere geluid niet gehoord wordt. En
waarom? Omdat zo iemand als Jan het niet voor elkaar krijgt om funding
te krijgen. U zou mij dus kunnen steunen als u het daarmee eens zou
zijn, om ervoor te zorgen dat dat narratief daar weggaat en dat mensen
zoals hij, toch een iets andere klimaatonderzoeker, voet aan grond
zouden kunnen krijgen bij een universiteit, wat hem nu gewoon niet
lukt.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Waar ik me dan vooral zorgen over maak, is dat politici willen bepalen
waar onderzoekers zich mee bezig houden. Dat lijkt me juist de grootste
zorg. We zien aan de ene kant dat Trump bijvoorbeeld klimaatonderzoek
onmogelijk maakt en aan de andere kant hoor ik hier de heer Claassen
ervoor pleiten dat lhbtqi+-onderzoek niet zou moeten kunnen. Ik zou
zeggen: laat het nou gewoon aan de wetenschap.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nee. Ik heb hier staan "het onderzoeks- en wetenschapsbeleid". Dus dan
vraag ik me af: wat doet u hier? Als u vindt dat wij er niks mee te
maken hebben, dan moeten we dit debat niet voeren. We zitten hier toch
om na te denken over hoe het onderzoeks- en wetenschapsbeleid eruitziet
en hoe we dat kunnen ondersteunen en verbeteren? Mijn punt om te
verbeteren is mensen die een iets ander geluid willen onderzoeken de
ruimte geven. Ik kan nog genoeg voorbeelden opnoemen, maar ik vind wel
dat u zichzelf tegenspreekt op deze manier.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nee, in het geheel niet. Ik zit hier juist voor een debat over
onderzoeks- en wetenschapsbeleid omdat wij inderdaad het beleid, de
kaders vaststellen. Het Tulp Fonds is een mooi voorbeeld van NWO, dat
ruimte biedt aan internationale wetenschappers die zelf tegen
bedreigingen aanlopen van de academische vrijheid en niet de ruimte
krijgen om onderzoek te doen. Die vangen wij als Nederland juist op.
Daar bent u dan denk ik ook wel voor?
De voorzitter:
De heer Claassen, tot slot.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Eh, ik was niet aan het opletten.
De voorzitter:
Nou, dat is ook een eerlijk antwoord. Mevrouw Rooderkerk, wilt u uw
laatste punt herhalen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit bevestigt een beetje mijn punt. Ik denk dat het heel makkelijk is om
moord en brand te schreeuwen over van alles wat er mis zou zijn met de
wetenschap vanuit je eigen politieke blik, maar de kracht van wetenschap
is juist dat er sprake is van tegengestelde meningen en dat onderzocht
wordt wat daadwerkelijk op basis van de feiten wel of niet klopt. En als
de heer Claassen zich zorgen maakt over de academische vrijheid, dan
vind ik dat heel goed. Ik maak me namelijk ook zorgen, misschien de
andere kant van de oceaan op. Dan is bijvoorbeeld NWO een instituut dat
ervoor zorgt dat ruimte wordt geboden om die academische vrijheid te
waarborgen. Ik hoop dat de heer Claassen dat ook ziet en dat we op die
manier dat gesprek ook kunnen aangaan.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Nou, de andere kant van de oceaan? Volgens mij gaat hier over het beleid
in Nederland. Overigens moet ik iets corrigeren wat ik net zei. De
aanleiding was klimaat en toen heb ik het woord "klimaat" gebruikt, maar
ik bedoelde natuurlijk migratiewetenschappen. Dat wil ik even
corrigeren, dat voorbeeld van Jan van de Beek. Hij is een
migratiewetenschapper. U begon over klimaat en ik gebruikte het woord
"klimaat", maar ik bedoelde migratie.
De voorzitter:
Dan is ook dat rechtgezet. Dan gaan we naar de heer De Beer namens de
VVD.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De VVD wil dat Nederland vooroploopt als
kenniseconomie. Dat vraagt om sterke wetenschap, maar ook om scherpe
keuzes. Voor de VVD is wetenschap een middel om onze economie te
versterken en oplossingen te bieden voor maatschappelijke vraagstukken.
Dat betekent focus aanbrengen en investeren in datgene wat
maatschappelijk rendeert, maar ook beschermen wat ons kwetsbaar
maakt.
Laat ik beginnen met onze kennisveiligheid, want wetenschap floreert bij
openheid. Maar in een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen, is
openheid alleen niet genoeg. We zien dat landen als China, Rusland en
Iran systematisch proberen om toegang te krijgen tot gevoelige kennis en
technologie. Soms subtiel via samenwerkingen of studentenuitwisselingen,
maar met grote gevolgen. Onze kennisinfrastructuur is voor een groot
deel publiek gefinancierd en dan mag je verwachten dat we die ook goed
beschermen. Dat vraagt ook om sturing, niet uit wantrouwen, maar uit
verantwoordelijkheid. De screeningswet is daarvoor cruciaal. Mijn vraag
aan de minister is dan ook wanneer deze wet naar de Kamer komt en hoe
wordt geborgd dat instellingen niet alleen een verantwoordelijkheid
krijgen, maar ook daadwerkelijk de instrumenten en kaders hebben om
risico goed te beoordelen en te beheersen. En aanvullend: hoe voorkomen
we dat instellingen onderling verschillende standaarden hanteren,
waardoor er zwakke schakels ontstaan in ons kennissysteem?
Dan het voornemen van de minister om een doctorsgraad in het hbo
mogelijk te maken. De VVD is daar heel kritisch op. Wij hebben namelijk
afgesproken dat er een pilot loopt tot 2029 en toch kiest de minister nu
voor een vlucht naar voren door dit al wettelijk te willen regelen. Dat
vinden wij prematuur. Wat is precies het probleem dat we daarmee
proberen op te lossen? We zijn groot voorstander van praktijkgericht
onderzoek. Dat is immers de kracht van hogescholen, maar ook van het
mbo. Dat betekent echter niet automatisch dat je nieuwe titels moet
optuigen. Sterker nog, het risico is dat we het stelsel versnipperen,
dat er onduidelijkheid ontstaat over de waarde van verschillende graden
en dat er misschien zelfs sprake zou kunnen zijn van titelinflatie. Dat
helpt helemaal niemand vooruit, niet de student, niet de werkgever en
niet de kwaliteit van ons onderwijs.
De VVD ziet op dit moment dan ook weinig meerwaarde in een nieuwe
doctorsgraad. Mijn vragen aan de minister zijn daarom: wat is de
concrete meerwaarde van deze nieuwe graden ten opzichte van de bestaande
PhD-trajecten en praktijkroutes en waarom wacht de minister de
uitkomsten van de pilot niet af? Wat de VVD betreft leggen we de
prioriteit ook financieel bij het verbeteren van de kwaliteit van het
onderwijs en bovenal bij een sterkere aansluiting van het onderwijs op
de arbeidsmarkt.
De voorzitter:
Er is eerst een interruptie van mevrouw Rooderkerk en daarna van de heer
Claassen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor dat de VVD zich zorgen maakt over titelinflatie. Is de VVD niet
ook van mening dat het van belang is dat we het onderwijs meer als een
waaier gaan zien, dat we niet alleen aan theoretisch onderzoek heel veel
waarde moeten hechten, maar ook aan praktisch gericht onderzoek?
De heer De Beer (VVD):
Daar zijn we het helemaal over eens. We hebben gisterenavond een plenair
debat over het beroepsonderwijs gehad. Er wordt meer waarde gehecht aan
het beroepsonderwijs, aan praktisch opgeleide mensen, en die weten ook
goed samen te werken met theoretisch opgeleiden. Daar hebben we
gisterenavond nog een voorbeeld van genoemd en ik kom dadelijk ook nog
op een voorbeeld. De meerwaarde van praktijkopgeleiden en dus ook
praktijkgericht onderwijs en onderzoek onderschrijven we helemaal.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is heel goed om te horen, want ik hoop echt dat we als samenleving
meer deze kant op gaan denken en beide heel erg van belang vinden. Maar
deelt u niet dat het juist heel goed kan zijn om daar dan ook
daadwerkelijk een titel aan te kunnen verbinden?
De heer De Beer (VVD):
Nee. We vinden het wel belangrijk dat je waarde hecht aan en ook durft
te investeren in het beroepsonderwijs en meer mogelijkheden creëert,
maar wij zien niet meteen een meerwaarde in het creëren van nieuwe
titels in dat opzicht. Bovendien hebben we ervoor gekozen om een pilot
te doen tot en met 2029, dus de timing vinden we ook een punt. Waarom
niet gewoon de pilot afwachten, evalueren en kijken wat we moeten doen
om het praktijkgericht onderzoek verder te versterken?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar dat begrijp ik niet, want het is al uitgebreid onderzocht. Er loopt
inderdaad al een pilot. Er zijn al heel veel onderzoekers die daaraan
mee hebben gedaan. Dit geeft nou juist aan of de VVD praktisch onderzoek
daadwerkelijk van belang vindt, want als je zegt "ja, ik vind dat ook
van belang, ik vind ook dat mensen die praktijkgericht in de techniek of
samen met bedrijven onderzoek doen, van belang zijn", dan moet je ze ook
op die manier kunnen waarderen. Als we ze op die manier waarderen, zorgt
dat er namelijk ook voor dat mensen zich er meer toe genegen voelen om
een opleiding of onderzoek in die richting te doen en dat ze ook
daadwerkelijk de waardering krijgen die zij verdienen.
De heer De Beer (VVD):
Daar zijn we het niet helemaal mee eens, denk ik. De waardering voor
praktijkgericht onderzoek heb ik onderschreven. Ik heb de minister
gevraagd wat de meerwaarde is om dat op dit moment te doen, zonder dat
we de pilot hebben afgerond.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik vind het ook lastig, hoor, dat practical doctorship, of hoe het
allemaal mag heten. Ik ben het er ook mee eens dat PhD's ook heel erg
praktijkgericht onderzoek doen, samen met de praktijk; ik zie al mensen
nee schudden. Maar het zit het probleem nu dan in de titulatuur? Of zit
het probleem in het niveau of dat er weer allemaal nieuwe titulaturen
bij komen binnen een bamastructuur en wat daar allemaal bij hoort?
De heer De Beer (VVD):
Het gaat om de zorg of we dat op dit moment moeten willen, gedurende de
looptijd van de pilot. Wat betekent dat voor de waarde van de
verschillende titels en wat is de meerwaarde nu precies in dat hele
aspect van praktijkgericht onderzoek? Dat waren de vragen aan de
minister.
De voorzitter:
Dan kunt u verder met uw betoog.
De heer De Beer (VVD):
Dan kom ik op de valorisatie. Voor de VVD is dat geen bijzaak, maar een
kernopgave. We investeren jaarlijks miljarden in onderzoek. Dan moet de
kennis ook landen in de praktijk, in bedrijven, in innovaties. Daar zit
wat ons betreft de economische kracht, zeker in een tijd waarin
technologische ontwikkelingen elkaar in hoog tempo opvolgen. We zien dat
andere landen, bijvoorbeeld Duitsland, dat heel structureel doen, met
sterke samenwerking tussen kennisinstellingen en industrie. Mijn vraag
aan de minister is: wat kunnen we daarvan leren? Hoe zorgen we ervoor
dat valorisatie in Nederland niet afhankelijk is van losse projecten,
maar structureel onderdeel wordt van ons systeem? Specifiek: hoe wordt
geborgd dat investeringen in onderzoek ook daadwerkelijk bijdragen aan
strategische sectoren zoals defensie, technologie en energie?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik hoop niet dat ik het gras voor mijn eigen voeten ga wegmaaien, want
ik ga het hier ook over hebben, maar ik ben een beetje verbaasd over het
enorme enthousiasme over de valorisatie. Ik merk namelijk vanuit de
academische wereld juist ook heel veel moeite met valorisatie. Stel dat
je promoveert op een gedicht uit de negende eeuw. Dan moet je eerst drie
hoofdstukken schrijven waarom dat maatschappelijk relevant is. Ziet de
VVD geen spanning met de obsessie met valorisatie en onderzoek?
De heer De Beer (VVD):
Nee. Natuurlijk willen we niet treden in de academische vrijheid en
vinden we dat studenten en onderzoekers zelf de onderwerpen moeten
kunnen kiezen waar ze op willen promoveren of waar ze verder op willen
studeren. Dat neemt echter niet weg dat als wij beleid maken, waar deze
commissie ook over gaat, en de randvoorwaarden creëren, je als land wel
degelijk speerpunten kunt benoemen waarin je verder wil en je ook de
wetenschap uitnodigt om daaraan mee te doen. Er zijn natuurlijk
speerpunttechnologieën waar we als Nederland verder in willen
excelleren. Valorisatie is daar een heel belangrijk middel in.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Zou het dan misschien een idee zijn — ik weet niet hoe we dat zouden
moeten vormgeven, hoor — om scheidingen te maken? Er moeten dus ook
plekken zijn die valorisatievrij zijn, waar van alles kan gebeuren wat
zinnig of zinloos is, waar geld heen gaat dat misschien weggegooid geld
is of misschien niet. U praat nu namelijk in algemeenheden. We moeten
het dus echt gaan scheiden: dit onderzoek heeft een noodzaak tot
valorisatie en dit moeten we gewoon met rust laten, omdat het onderzoek
omwille van het onderzoek is.
De heer De Beer (VVD):
Er vindt natuurlijk ook fundamenteel onderzoek plaats dat wellicht pas
op veel langere termijn leidt tot praktische toepassingen. Daar heb ik
dadelijk ook nog een voorbeeld van. Het lijkt me lastig om vanuit Den
Haag precieze scheidslijnen te trekken van wat wel en niet in aanmerking
komt voor valorisatie. Je zou natuurlijk wel kunnen benoemen wat de
domeinen, de speerpunten en de technologieën zijn waar je verder in wil
excelleren, zodat je de industrie en de maatschappij uiteindelijk verder
kunt brengen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik vind die valorisatievraag wel erg interessant. Als je ervan uitgaat
dat er altijd valorisatie is, dan betekent dat dat onderzoek altijd iets
moet opleveren wat bruikbaar is. In de brede zin van onderzoek en
wetenschap kan het ook zomaar zo zijn — dat komt volgens bijna niet meer
voor — dat iemand een promotietraject doet en er na vijf jaar achter
komt dat het niet werkt. Dan houdt diegene zijn proefschriftverdediging
en vertelt: het werkt allemaal niet. Is dat ook niet gewoon academische
vrijheid? Is het niet zo dat je valorisatie eigenlijk helemaal niet als
uitgangsprincipe zou moeten gebruiken bij wetenschappelijk
onderzoek?
De heer De Beer (VVD):
Ik zei net dat academische vrijheid moet blijven bestaan. Daar staan we
ook voor. Studenten en onderzoekers moeten daar zelf keuzes in kunnen
maken. Sommige wetenschapsgebieden komen wat meer in aanmerking om
economische meerwaarde of een maatschappelijke bijdrage te leveren. Als
overheid kun je natuurlijk wel aangeven in welke domeinen, technologieën
of speerpunten je extra wil investeren, zodat je valorisatie tot stand
kunt brengen.
Laat ik daar een voorbeeld bij geven.
De voorzitter:
U gaat nu verder met uw betoog, toch?
De heer De Beer (VVD):
Ja, als dat mag.
De voorzitter:
Jazeker.
De heer De Beer (VVD):
Ik weet niet of ik dit al had gevraagd, maar hoe wordt geborgd dat
investeringen in onderzoek ook daadwerkelijk bijdragen aan strategische
sectoren, zoals defensie, technologie en energie? Ja, die had ik al
gesteld.
Voorzitter. Tot slot de Einsteintelescoop, een voorbeeld van een
grootschalig project waarin fundamenteel onderzoek en valorisatie op den
duur worden gecombineerd. Wat de VVD betreft is dat een strategisch
project van nationaal en Europees belang. Dit is bij uitstek een project
dat fundamenteel onderzoek, innovatie en regionale ontwikkeling
samenbrengt. Dit is ook precies het type investering waarmee Nederland
zich internationaal kan onderscheiden. Het mooie is dat dit niet stopt
bij universiteiten. Er is namelijk ook betrokkenheid vanuit het mbo en
hbo, bijvoorbeeld via de Einstein Academy, waaraan ook de universiteit
meedoet. Dat laat zien hoe breed de impact kan zijn. Dit is precies het
soort investering waar we als land sterker van worden. Maar ook andere
landen zitten niet stil. Daarom vraag ik de minister wat er concreet
nodig is om de Nederlandse kandidatuur verder te versterken. Welke
stappen zet het kabinet om ervoor te zorgen dat Nederland deze kans
daadwerkelijk binnenhaalt?
De voorzitter:
Kunt u uw laatste zin uitspreken?
De heer De Beer (VVD):
Zeker!
Voorzitter. Als we willen dat Nederland een leidende kenniseconomie
blijft, dan moeten we scherp zijn op veiligheid, op prioriteiten, op de
kwaliteit van het stelsel en op de vraag wat onze investeringen
opleveren. Dat betekent ook dat we moeten beschermen wat van waarde is
en dat we kritisch moeten zijn op nieuwe structuren zonder duidelijke
meerwaarde. We moeten vol inzetten op projecten die Nederland sterker
maken. Punt!
De voorzitter:
Dat was een lange laatste zin. Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk
namens D66. O, sorry, er is nog een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Excuus. Ik wachtte even totdat de heer De Beer klaar was met zijn
betoog. Ik heb een vraag aan collega De Beer. Ik hoorde in zijn pleidooi
meermaals terugkomen dat we vooral moeten inzetten op bèta- en
gammatechnieken et cetera. Het SSH-vakgebied wordt dan eigenlijk
gepasseerd, terwijl dat wel voor iets van 80% onderdeel uitmaakt van
onze economie, van de dienstensector. Als je je op het gebied van het
vestigingsklimaat in Nederland en onze economie zo focust op bèta en
gamma, ondermijn je jezelf dan niet?
De heer De Beer (VVD):
Nee, wat mij betreft niet. Ik heb net al een aantal keer aangegeven dat
als het gaat over het beleid, je randvoorwaarden kunt creëren waarbinnen
je juist dat speelveld van valorisatie verder zou kunnen versterken. Dan
kom je wellicht iets dichter bij de wetenschappen die wat makkelijker
toepasbaar zijn, maar dat wil niet zeggen dat we de ruimte voor de
andere wetenschappen willen inperken. Het is natuurlijk wél de vraag
waar je financieel je prioriteit legt als je meer te investeren hebt in
de wetenschap en in de kenniseconomie.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Mijn vervolgvraag is of de heer De Beer dat kan specificeren. Kan hij
dat concreet maken? Wat stelt hij dan wél voor?
De heer De Beer (VVD):
De Einsteintelescoop is zo'n voorbeeld. Over de campusontwikkeling gaan
we volgens mij nog verder praten. We gaan ook nog praten over de
nationale talentstrategie waar het kabinet mee bezig is. Daarbinnen
zullen er allerhande vraagstukken komen. Wat geven we bijvoorbeeld
prioriteit? Hoe zien we de samenwerking tussen kennisinstellingen, het
beroepenveld, het onderwijs en het bedrijfsleven? Volgens mij zijn er
nog heel veel aanknopingspunten om de komende tijd het debat met elkaar
te voeren.
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk. Zij spreekt namens D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. In 2009 lukte onderzoeker Hans Clevers en zijn team in
het Hubrecht Instituut in Utrecht iets wat nog nooit eerder was gedaan.
Uit één enkele stamcel van een muis kweekten zij een miniorgaan in een
schaaltje, een organoïde. Zij kweekten een miniatuurdarm die eruitzag en
zich gedroeg als een echt orgaan. Niemand kon toen voorspellen waar dat
toe zou leiden. Inmiddels worden organoïden wereldwijd ingezet om
kankermedicijnen te testen op de cellen van individuele patiënten, om te
kijken welk specifiek medicijn het beste aansluit op de individuele
patiënt, zodat we hen eerder en beter kunnen genezen. Het begon met
nieuwsgierigheid, met fundamenteel onderzoek gefinancierd met publiek
geld. Ik was onlangs op het Utrecht Science Park, waar die ontdekking
begon. Binnen 1 vierkante kilometer vind je onder andere het Hubrecht
Instituut, het Regenerative Medicine Center, het Prinses Máxima Centrum,
maar ook Genmab, dat vorig jaar buurman Merus overnam voor bijna 7
miljard euro. Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht zitten daar met
tienduizenden studenten middenin. Fundamenteel onderzoek, toegepast
onderzoek, onderwijs en bedrijfsleven werken hier niet naast elkaar,
maar met elkaar.
Voorzitter. Na jaren van bezuinigingen gaan we hier weer in investeren,
meer dan het vorige kabinet bezuinigde. Dat is een keerpunt. Te lang
zijn investeringen in wetenschap namelijk behandeld als kostenpost. Het
SEO-rapport Slimme investeringen laat zien dat kennisinvesteringen
bijdragen aan de productiviteit en economische groei, maar ook dat we
geen model hebben om dat goed door te rekenen. Zolang dat ontbreekt,
worden uitgaven aan wetenschap op één hoop gegooid met consumptieve
uitgaven. Ik ben blij dat de minister het SEO-rapport onderschrijft en
ermee aan de slag gaat. Nederland investeert nu namelijk maar 2,3% van
het bbp in R&D, terwijl België, Duitsland en Zweden daar fors boven
zitten. Het verschil zit vooral aan de private kant, maar publieke
investeringen jagen private juist aan. De minister schrijft dat ze de
Kamer in september informeert over de vervolgstappen. Kan ze daarbij ook
een indicatie geven van het tijdpad, zodat we als Kamer weten wanneer we
de eerste resultaten kunnen verwachten en hoe we dit kunnen gebruiken
bij besluitvorming?
Voorzitter. Dan ten aanzien van de campussen. Wat het Utrecht Science
Park sterk maakt, is de fysieke nabijheid: onderzoekers, studenten en
bedrijven op loopafstand. Niet alleen de universiteit, maar ook de
hogeschool zit daar, evenals talloze mbo-studenten en -medewerkers. In
het coalitieakkoord staan mooie ambities over onze innovatieve
campussen, over het versterken van start-ups en samenwerking en over de
samenwerking tussen mbo, hbo en universiteiten op het gebied van
onderzoek. De Einstein Academy in Limburg, waar roc's en hogescholen
samen opleiden voor de Einsteintelescoop, laat zien hoe krachtig die
verbinding kan zijn. Hoe werkt de minister, samen met de collega van
Economische Zaken, de campusambities uit het akkoord concreet uit? Hoe
zorgt zij dat mbo-instellingen en hogescholen hierin volwaardige
partners worden?
Voorzitter. Het is daarbij cruciaal dat het extra geld terechtkomt bij
onderzoekers en docenten, en niet verdwijnt in rapportageverplichtingen.
De werkdruk in de wetenschap is hoog, niet alleen door het onderzoek,
maar ook door de verantwoordingsdruk. Iedere euro die opgaat aan
onnodige verantwoording is een euro minder voor een experiment of een
onderzoeker. Hoe zorgt de minister dat de extra investeringen niet
gepaard gaan met extra administratie? Is zij bereid om bij de verdere
uitwerking concreet aandacht te besteden aan het verminderen van de
verantwoordingsdruk? Wat zijn haar ambities — daar werd eerder naar
gevraagd — voor het bijdragen aan valorisatie en praktijkgericht
onderzoek? Zorgt zij dat daar voldoende geld naartoe gaat, ook richting
het hbo?
De voorzitter:
Kunt u naar uw laatste punt gaan, mevrouw Rooderkerk?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, voorzitter. Ik sluit af waarmee ik begon. Niemand kon in 2009
voorspellen dat één experiment met stamcellen van een muis zou
uitgroeien tot een revolutie in de geneeskunde en een betere gezondheid
voor heel veel mensen. Fundamenteel onderzoek vraagt om geduld,
vertrouwen en een overheid die investeert zonder van tevoren altijd
precies te weten wat eruit komt. Nu moet het geld terechtkomen bij de
onderzoekers, de studenten en de campussen waar de doorbraken van morgen
ontstaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Zie ik nog een interruptie van mevrouw Keijzer? Ja, mevrouw
Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is een mooi pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek, maar is
mevrouw Rooderkerk bekend met het interview met mevrouw Weijnen van NWO
waarin zij zegt dat een organisatie pas subsidies krijgt wanneer het
diversiteit en inclusie in het beleid heeft opgenomen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat hoor ik nu. Daar gaat mevrouw Keijzer mij vast meer over vertellen
of vragen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb hier een kopietje. Dat kan ik aan u geven. Is mevrouw Rooderkerk
op de hoogte van het feit dat in de gedragscode van de KNAW de
zelfstandige criteria objectiviteit en waarheidsvinding niet meer als
normatief uitgangspunt, als bepalend criterium, zijn opgenomen?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Wellicht was het handig geweest om het kopietje van tevoren te hebben
gelezen, maar ik ga een beetje op zoek naar de kern van deze vragen. Ik
denk dat de NWO wetenschap financiert die goed is. We willen
wetenschappers van topniveau en wetenschappelijk onderzoek van
topniveau, maar er lijkt mij niets op tegen om het ook van belang te
vinden dat een organisatie ook aan andere waarden voldoet.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Mevrouw Rooderkerk weet vast dat we in de internationale ranglijst van
universiteiten aan het dalen zijn. Zou dat te maken kunnen hebben met
het punt dat het niet meer gaat over excellent onderzoek,
waarheidsvinding en objectiviteit, maar over of je de juiste boxjes kunt
aanvinken?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Nee, ik denk dat het ermee te maken heeft dat wij een kabinet hebben
gehad, onder leiding van Schoof en Wilders, waaraan ook mevrouw Keijzer
deelnam, die echt gruwelijke bezuinigen op het onderwijs en de
wetenschap heeft doorgevoerd. En nee, dat is niet goed voor onze
internationale toppositie. Daarom gaan wij die herstellen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is dan f… Hoe zeg je dat netjes? Dat is dan jammer, want die daling
doet zich, voor zover ik weet, al voor sinds 2020. Drie keer raden wie
er toen dik in de regering zat! Maar dit is makkelijk — al zou mevrouw
Rooderkerk dit moeten weten. Maakt zij zich dan echt geen enkele zorgen?
Ik vind het ook belangrijk dat iedereen een kans krijgt, hoor. Maar
doordat daar stapje voor stapje meer de nadruk op is gekomen, gaat het
niet meer over excellent onderzoek, gaat het niet meer uit van het
bevragen van bestaande overtuigingen, maar gaat het erom of je het
juiste boxje hebt aangevinkt. Daar moet mevrouw Rooderkerk zich toch
zorgen over maken? Dat heeft niets met geld te maken, maar dat heeft te
maken met wat je belangrijk vindt aan universiteiten.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Het heeft natuurlijk wel degelijk ook met geld te maken. Als je wil dat
wij internationaal toptalent en topwetenschap hebben, dan moet je daar
wel degelijk in investeren. Dan helpt het niet om daar hele grote
bezuinigingen op door te voeren, want dat heeft gewoon effect op het
onderzoek dat er gedaan kan worden en op de mate waarin er onderzoek
gedaan kan worden. Dat lijkt mij dus ten eerste van belang.
Het tweede punt dat mevrouw Keijzer aansnijdt, gaat over het toekennen
van gelden. We hebben natuurlijk gelden die via het NWO in allerlei
verschillende programma's worden toegekend. Het is belangrijk dat dat op
een goede manier gebeurt. Ik heb zelf geen reden om daar op basis van
feiten aan te twijfelen. Als mevrouw Keijzer die wel heeft, dan lijkt
het me goed om daarnaar te kijken. Het zijn echter toch vaak een beetje
onderbuikgevoelens die dan omhoog worden gehaald. Of het zijn
onderwerpen die mevrouw Keijzer dan kennelijk minder belangrijk vindt,
zoals diversiteit. Eerder hoorde ik hier ook iets over lhbtiq+. Volgens
mij zijn dat meer politieke meningen dan dat het iets is wat
daadwerkelijk een rol speelt bij toekennen van beurzen bij de NWO. De
wetenschap is er natuurlijk juist op gericht dat je falsificatie
toepast, dat je kijkt of jouw hypothese wel of niet te onderbouwen is.
Dat is juist de hele basis van de wetenschap. Daar twijfel ik dus niet
aan.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik word toch getriggerd door dit interruptiedebatje. Ik kan me
herinneren dat er recent een vacature was voor een docent en een
onderzoeker. Dat moesten vooral geen witte mannen zijn. Bent u het met
mij eens dat uit deze aanname blijkt dat de ideeën en de ideologie van
de mensen die het groepje vormen die de onderzoeksagenda bepaalt, ook
leidend worden voor alles wat daaruit komt?
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit zijn een beetje anekdotische voorbeelden. Hierbij vroeg ik mij dat
wellicht ook af. Ik denk dat het in het algemeen belangrijk is dat wij
zorgen voor goede diversiteit, niet alleen hier in de Kamer, maar overal
in de vertegenwoordiging. Dat geldt ook voor universiteiten. Ik maak me
echter toch nog steeds wat meer zorgen over het feit dat er veel minder
vrouwelijke hoogleraren en collegevoorzitters zijn en dat er binnen de
wetenschap eerder beurzen worden toegekend aan mannen, wellicht ook
omdat meer wetenschappers op dat niveau man zijn. Over alle vormen van
diversiteit maak ik me zorgen. Als u dat ook doet, zou ik zeggen: laten
we daarvoor strijden. Dat werkt twee kanten op. Ik denk dat witte mannen
daar nog steeds ruimte moeten krijgen, maar ik denk ook dat we niet de
ogen moeten sluiten voor het punt dat daar nog steeds een hele grote
ongelijkheid zit, ook richting vrouwen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben blij dat witte mannen ook nog iets van ruimte krijgen. D66 kan
het toch niet met mij oneens zijn dat dat voorbeeld .. Dat voorbeeld is
het puntje van de ijsberg. Het werd later wel weer aangepast, maar in
principe zit het gewoon diepgeworteld in dat soort instituties. Nu komt
het een keer naar de oppervlakte en dan wordt het weer weggemoffeld.
Deze gedachtegang is geïnstitutionaliseerd. Daar zou u zich zorgen over
moeten maken. Ik hoop dat u dat in toenemende mate zult gaan doen.
De voorzitter:
Het is niet echt een vraag, maar een oproep.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ja, of ik mij goed zorgen maak om de witte man. Dat zal ik ter harte
nemen.
De voorzitter:
Dat staat genoteerd. Dan hebben we mevrouw Rooderkerk gehad. Ik moet nog
even officieel noemen dat mevrouw Keijzer geen lid is van de commissie.
Ik neem aan dat we het goedvinden dat ze hier is, want ze heeft al heel
veel interrupties geplaatst. Bij dezen mag ze haar betoog
beginnen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. Dank aan de commissie dat zij mij hier toestaat.
Voorzitter. Het gaat niet over je sekse, over de kleur van je huid of
over het geld. Het gaat over iets veel fundamentelers, namelijk over de
vraag of de academische wereld nog een vrijplaats is voor
nieuwsgierigheid en debat of is verworden tot een systeem dat vooral
bevestigt wat moreel comfortabel voelt en de juiste boxjes aanvinkt. Een
universiteit zou een plek moeten zijn waar gedachten botsen, waar de
zoektocht naar de waarheid vooropstaat en waar hypotheses onderzocht
worden, ook als ze oncomfortabel voelen. We zien echter in toenemende
mate een cultuur waar één manier van denken wordt beloond en afwijkende
perspectieven worden ontmoedigd.
Voorzitter. Dat is een groot probleem, want uiteindelijk landt wat aan
universiteiten wordt onderzocht via hbo's in maatschappelijke
organisaties en bijvoorbeeld in het onderwijs aan onze kinderen. Het
voorbeeld over de Erasmus Universiteit waarin alleen — hoe noem je dat
in het Nederlands? — gekleurde mensen geselecteerd zouden moeten worden,
is daar een fantastisch voorbeeld van. Het werd natuurlijk snel
aangepast, maar het is ongelofelijk!
Voorzitter. Wetenschap wordt zo langzamerhand geen zoektocht meer naar
de waarheid, maar een verlengstuk van één ideologisch project, omdat het
salonfähig is om tegen antiwesters sentiment aan te schuren — we zien
het vandaag weer aan de universiteit waar onze minister hiervoor de baas
was — omdat dat veilig voelt binnen de bubbel daar. Het gaat over de
vraag of je de juiste genderovertuiging hebt, enzovoort enzovoort
enzovoort.
Formeel is er genoeg toezicht. Zo heb je visitatiecommissies, de
integriteitscode en de inspectie. De minister kan bij ernstige
taakverwaarlozing zelfs ingrijpen in raden van toezicht. Deze richten
zich echter op integriteit en bestuur, niet op de sluipende ideologische
eenzijdigheid die de academische vrijheid stapje voor stapje uitholt.
Niemand bewaakt de pluriformiteit van het denken. Niemand waakt over het
feit dat kritische onderzoekers sociaal risico's lopen door gewoon hun
werk te doen.
We zien de gevolgen. Universiteiten dalen al jaren dalen in de
internationale ranglijsten. Onderzoekers zwakken hun woorden af om
subsidies niet in gevaar te brengen. Het voorbeeld van Jan van Beek ken
ik ook. Marcel Crok is iemand die ander onderzoek wil doen over klimaat,
maar hij krijgt ook geen kans. Formuleringen worden verzacht. Hypotheses
worden ingeslikt. Dat gebeurt met alle gevolgen van dien; de studenten
zijn uiteindelijk wel de beleidsbepalers en bestuurders van de toekomst.
Oftewel: een academische gemeenschap die steeds minder op een
universiteit lijkt, maar steeds meer op een echokamer.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik hoor dat mevrouw Keijzer zich druk maakt over de academische
vrijheid. Maakt ze zich dan, net als ik, ook druk over
klimaatwetenschappers die in de VS geen onderzoek meer mogen doen naar
de staat van het klimaat?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik denk dat het hoog tijd wordt dat wetenschappers op een andere manier
kijken naar de klimaatverandering, die zich absoluut voordoet. Als dat
uiteindelijk het doel is van de besluitvorming in de Verenigde Staten,
dan is het middel wat mij betreft beroerd, maar de uitkomst dat er ook
eens een andersoortig onderzoek gedaan wordt, met andere hypotheses dan
"het einde der tijden is nabij en dat komt door de mensheid", doet mij
goed.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Maar dan spreekt u uzelf dus echt compleet tegen, mevrouw Keijzer. U
zegt dan namelijk eigenlijk: ik vind het een probleem dat er kennelijk
te veel een bepaalde richting op wordt gestuurd, maar wanneer Trump dat
doet, is het geen probleem.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, dan heeft u niet goed geluisterd. Ik vind de manier waarop het gaat
niet goed. Tegelijkertijd zien we in Nederland het tegenovergestelde
gebeuren. Hier zien we dat mensen alleen geselecteerd worden als ze
onderzoek willen doen dat uitgaat van bepaalde overtuigingen die
weliswaar in D66-kringen aangehangen worden, maar niet in de meerderheid
van Nederland. In Amerika zie je dat nu ook de andere kant op gebeuren.
Ik heb meteen, in het begin al, gezegd dat ik daar geen voorstander van
ben. Maar er moet iets veranderen in de academie. Op dit moment zie je
namelijk in toenemende mate dezelfde soort onderzoeken en dezelfde soort
uitkomsten. Dat smoort uiteindelijk de academische vrijheid en dat maakt
ons met z'n allen niet slimmer, maar dommer.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik deel de zorgen over de academische vrijheid. Het pleidooi van mevrouw
Keijzer spreekt zichzelf alleen tegen. Mijn oproep zou dus zijn: laten
we ons daar als politiek vooral buiten houden. Wij zijn allebei geen
wetenschapper. Ik denk dus ook niet dat wij moeten gaan bepalen waarnaar
onderzoek gedaan wordt. De wetenschap moet dat zelf doen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat is wat mij betreft nou precies het onderwerp van dit politieke debat
vandaag. Inmiddels is het zelfzuiverende vermogen in de wetenschap aan
het verdwijnen. Er wordt nog onderzoek gedaan naar zaken die in het
narratief van diversiteit en inclusie passen. Er wordt vooral geen
onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld de vraag waarom het nou toch zo is
dat ik geloof Syrische en Ethiopische mannen hoger zitten in de mate van
schuldig zijn aan verkrachtingen. Komt dat door cultuur, door een
tribale herkomst of door armoede? We hebben het er niet over. De enige
reden waarom we het weten, is omdat er een onderzoeker is die in de
CBS-statistieken duikt. Ik wil weten waarom het zo is. De enige manier
om goed beleid te vormen, is door te weten wat er aan de hand is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat is een voorbeeld van een onderzoek dat gedaan is. Het probleem
daarmee is dat het vervolgens vaak door de politie wordt gebruikt om het
verkeerd uit te leggen om hun punt te bevestigen. Het lijkt me dus niet
zo'n goed voorbeeld om hier te geven. Nogmaals, wat ik zeg is dat we een
politiek debat kunnen voeren over de wetenschap. Dan voeren we een debat
over het beleid en over de kaders daarvan. Dat lijkt me heel zinvol. Ik
maak me namelijk, net als u, zorgen over de academische vrijheid. Maar
ik zeg dus: laten we als politiek niet gaan bepalen waarnaar de
wetenschap onderzoek moet doen. Laat de wetenschap dat zelf bepalen.
Anders raken we namelijk heel ver verwijderd van waar de wetenschap toe
bestaat.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nee, het onderzoek is niet gedaan door een wetenschapper die geld krijgt
vanuit een van die fantastische fondsen die de belastingbetaler ter
beschikking stelt. Het is door iemand op eigen kosten en voor eigen
rekening gedaan, omdat het een vraag is die ongemakkelijk is. Mevrouw
Rooderkerk is lid van de fractie van D66. Zij wil dat de politiek zich
er niet mee bemoeit, omdat haar politieke overtuiging juist vaak bepaalt
waarnaar er onderzoek gedaan wordt. Ik hoop zeer dat ook progressieve
politici, of ze zich nou zo noemen of niet … Volgens mij gaat het over
D66, Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA. Hun overtuiging landt
uiteindelijk wel in de onderzoeken. Maar daarmee kom je niet tot
objectieve wetenschap die gericht is op waarheidsvinding. Daarmee wordt
het een echokamer waarin vooral bevestigd wordt wat men zelf vindt. Ik
maak me daar zorgen om. Uiteindelijk sijpelt het namelijk door tot in
het onderwijs en, bij wijze van spreken, de peuterspeelzaal.
Voorzitter.
De voorzitter:
Ik zie nog een interruptie van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb eigenlijk dezelfde vraag als het lid Rooderkerk. Ik ben nog
steeds zoekende naar waar dit allemaal vandaan komt en waar het op
gebaseerd is. Ik vind het namelijk best ernstig. We kunnen met elkaar
hier vaststellen dat academische vrijheid belangrijk is. Maar vervolgens
wordt dat misbruikt om te zeggen: alle onderzoeken die me niet aanstaan
… Er wordt een soort beeld geschetst dat er een soort cult van
wetenschappers is die samenspannen en een bepaalde ideologie hebben. Ik
vind het best zorgelijk dat dat hier heel makkelijk wordt gedaan. Ik zou
mevrouw Keijzer dus willen oproepen om concrete voorbeelden te noemen.
Wat wilt u dat er concreet gebeurt, mevrouw Keijzer?
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik had deze vraag natuurlijk verwacht. Ik heb hier een stapeltje van
allerlei onderzoeken. Zelfs Nieuwsuur — ik zeg dat omdat dit onderwerp
niet automatisch landt in uitzendingen van Nieuwsuur — had op 16
september 2025 een uitzending met als kop: "Nederlandse universiteiten
schuwen debat met andersdenkenden". Ik noem er maar eens eentje. Ik noem
ook wat er gebeurt op de Universiteit Maastricht. Zelfs pro-Palestina
krijgt daar een aparte plek. Joodse studenten zijn inmiddels hun leven
niet meer zeker. "Moreel activisme op academies". Dat artikel is naar
aanleiding van hoe er op die universiteiten gereageerd werd op de dood
van Charlie Kirk. "Voltaire zou zich in zijn graf omdraaien".
"Academische vrijheid bedreigd door links activisme". "Wetenschap onder
druk door cancelen en zelfcensuur". Ik heb nog een opiniestuk mee, uit
NRC, mind you: "Linkse dominantie op de universiteit ondergraaft
vertrouwen in de wetenschap". Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan me
voorstellen dat mevrouw Abdi al deze voorbeelden niet kent. We bewegen
ons allemaal in onze eigen bubbels. Maar het is juist in het belang van
wetenschap, objectiviteit en waarheidsvinding zo belangrijk dat we goed
kijken wat er feitelijk aan de hand is.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik ben een beetje aan het zoeken wat dit allemaal met wetenschap te
maken heeft. Wat ik wél zie is een totale polarisatie in de samenleving.
Er worden verdachtmakingen gedaan. Eerder hebben we dat van mevrouw
Keijzer natuurlijk gezien richting journalisten. Overigens vind ik dat
ook verdrietig omdat u een voormalig bewindspersoon bent, mevrouw
Keijzer, maar dat terzijde. Nu zien we het kennelijk ook richting
wetenschappers. Ik vind dat een hele kwalijke ontwikkeling. Ik denk
namelijk dat het wetenschappelijke klimaat in Nederland iets is waar we
trots op moeten zijn. Bepaalde onderzoeken zinnen bepaalde politici
niet. Dan zou ik zeggen: er is ruimte voor debat; daar mag het absoluut
schuren. Maar gebruik het alsjeblieft niet om het hele wetenschappelijke
klimaat, al onze universiteiten en al onze wetenschappers, verdacht te
maken. Dat verdienen ze niet. Ze verdienen juist steun. Men verdient
veel meer terughoudendheid om in deze arena zomaar meninkjes te
gooien.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit is precies wat er mis is: dit hoogverheven toontje van een zichzelf
feliciterende en zichzelf "progressief" noemende politica. Dit is
precies wat er mis is. Laat ik vragenderwijs zijn. Als er op dit moment
op universiteiten geapplaudisseerd wordt voor dit betoog, dan hebben we
echt een probleem met elkaar. Ik baseer me namelijk niet op gevoelentjes
en meninkjes. Ik heb gewoon een analyse gemaakt van de gedragscode voor
de wetenschapsbeoefening. Kijk naar hoe de woorden "objectiviteit" en
"waarheidsvinding" — dat zijn bij uitstek de criteria waar hoogstaande
wetenschap aan moet voldoen — sinds 2014, dus sinds twaalf jaar, een
plek hadden in de gedragscode. Ze zijn van expliciet benoemd inmiddels —
ik noem het KNAW-rapport Academische vrijheid in Nederland — verworden
tot niet meer expliciet benoemd als normatief uitgangspunt of worden
niet als zelfstandig kernbegrip gehanteerd. Dit zegt niet "ik met mijn
meninkje", maar dit kunt u terugvinden in de gedragscode. Voordat u mij
op deze manier de maat neemt: zoek dit even na. Laten we dan hier met
elkaar ons verenigen voor het belang van hoogstaande wetenschap, want
dat verenigt ons hier met z'n allen. Laten we ons dan verenigen tegen de
KNAW, de NWO en al die instituten. Er zijn er nog veel meer. Ik heb ook
een overzicht van alle instituten op dit vlak: Rathenau, ZonMW en noem
ze allemaal maar op. We moeten dan hier verenigd tegen deze organisaties
zeggen: mensen, dit gaat niet goed.
De voorzitter:
Ik moet even streng zijn. Mevrouw Abdi, u heeft vier interrupties gehad.
Ik mag u dus helaas niks meer geven. Mevrouw Keijzer, ik wil vragen of u
ook de antwoorden iets korter wil houden. Ik krijg te horen dat de
afspraak binnen de commissie voor OCW is: als je op vier interrupties
staat, is de teller vol. U gaat met elkaar over de orde. Ik kijk rond of
het wordt toegestaan dat u nogmaals interrumpeert. Het mag, maar dit
betekent wel dat u geen lange interruptie meer mag doen, mevrouw Abdi.
Het moet dus echt kort.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik hou het dan kort. Ik vind het wel belangrijk om te zeggen dat de
wetenschap zich dag in, dag uit juist niet bezighoudt met politiek, maar
zich bezighoudt met onderzoek en met het verzinnen van oplossingen voor
de maatschappelijke uitdagingen. Ik vind het echt heel zorgelijk en
verdrietig dat dit zo gepolitiseerd wordt door een aantal collega's
hier.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dit is nou polarisatie. Dit! Dit is wat het is, maar het is niet anders.
Het is jammer. Ik ga verder als u het goed vindt.
De voorzitter:
U heeft nog 1 minuut en 20 seconden.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dat klopt.
Goed, voorzitter. Het komt dus aan op: wie houdt hier nou toezicht op?
Collega's hier, sommige wel en sommige niet … De vraag is niet óf er
toezicht is in de wetenschap zelf, maar wie er toeziet op pluriformiteit
van denken. Het begint met eerlijkheid. Je moet erkennen dat
ideologische neutraliteit op zichzelf niet bestaat, maar dat je die wel
actief als tegenwicht kunt organiseren. Dat kun je doen door in
benoemingen en commissies structureel uiteenlopende perspectieven te
borgen, door wetenschappers met afwijkende meningen over
cultuurproblemen werkelijk te beschermen en door te onderzoeken of er
een onafhankelijk orgaan nodig is dat niet naar de inhoud van het
onderzoek kijkt, maar naar de vraag of afwijkend onderzoek ook een
eerlijke kans krijgt.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Is hij bereid om te
verkennen of een onafhankelijk fonds voor tegendraads onderzoek, zoals
ook al eerder voorgesteld door mijn collega Boomsma, noodzakelijk is om
academische verenging te doorbreken? Welke stappen kan de minister nemen
om te waarborgen dat er daadwerkelijk toezicht komt op pluriformiteit in
denken, zodat aanstellingen, beoordelingen en subsidies niet langer via
één ideologisch spoor verlopen? Is de minister van mening dat je op een
universiteit ook ruimte moet geven aan Israëlische wetenschappers als je
ruimte geeft aan pro-Palestina-activisten?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan naar de heer Boomsma. Hij spreekt namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Na het Beleg van Leiden in 1573 schreef Willem
van Oranje dat er een vermaarde school of universiteit moest worden
opgericht in Leiden, als een vaste steun ende onderhoudt der vrijheid.
Daar ben ik het mee eens. Het moet een bolwerk van vrijheid zijn. Het
moet geen bolwerk van activisme zijn, maar van vrijheid. Dat is een
nobel streven. We bedoelen dan vrijheid in de klassieke zin en dus niet:
doen wat je wil. Vrijheid is zelfbestuur, zowel op het niveau van de
staat, door democratie, als op het niveau van de ziel, door discipline
en goed leren denken. Daar word je vrij van. JA21 zal zich daarvoor
blijven inzetten.
Ik heb een aantal aandachtspunten die ik even wil langslopen. Ten eerste
denk ik dat het belangrijk is om universiteiten niet te veel te runnen
als een bedrijf. Ik denk dat het goed is als we universiteiten in
Nederland meer gaan democratiseren en dat we de rol en de autonomie van
hoogleraren gaan versterken. Ik vind het ook belangrijk om de regeldruk
en de bureaucratie te verminderen, zodat universiteiten zich kunnen
richten op onderzoek en onderwijs. Wat is de inzet van het kabinet op
dit vlak? Ik denk zelf dat het belangrijk is om bijvoorbeeld het aantal
visitaties, dat ook zorgt voor veel stress en bureaucratie, te beperken.
We werken aan een voorstel daarover, maar ik ben ook benieuwd hoe het
kabinet het ziet.
Het plan van het kabinet is nu om meer geld beschikbaar te stellen voor
onderzoek, via een fonds voor onderzoek en wetenschap, waaronder via de
sectorplannen. Wij denken dat dat heel goed is. Zoals ik bij de
begroting al had aangegeven, denken wij dat het niet alleen vanwege
academische vrijheid — daar is het al veel over gegaan — maar ook
vanwege het beperken van administratieve lasten heel belangrijk is dat
er veel geld gaat naar ongebonden onderzoek. We zijn dus niet alleen
voor fundamenteel onderzoek, om de serendipiteit een kans te geven. Je
weet namelijk van tevoren nooit hoe het gaat. We zijn ook voor
ongebonden onderzoek voor de wetenschappers. Wij vinden dat dit een
strikte bepaling moet worden in de sectorplannen.
Een ander deel is bestemd voor de onderzoekinfrastructuur. Gezien de
snelle ontwikkelingen lijkt het onontbeerlijk dat Nederland met name
kijkt naar de digitale infrastructuur. We hebben daar een briefing over
gehad en door allerlei partijen is daar ook een heel onderzoek naar
gedaan. Ik denk dat het belangrijk is om snel te besluiten dat we die
digitale infrastructuur gaan aanleggen. Ik hoor graag hoe de minister
dat ziet. Ik hoop ook dat de Einsteintelescoop er komt. We moeten
sowieso al die testfaciliteit kunnen gaan opzetten.
Dat neemt niet weg dat ik denk dat AI juist voor het onderwijs wel een
potentieel probleem is. Een van de beste manieren om te leren denken met
nuance en diepgang is immers het schrijven van essays, en dat kan
eigenlijk alleen nog maar goed worden gedaan onder toezicht op de
universiteit. Als dit daar ter plekke wordt gedaan, wordt het niet in de
AI gegooid. Ik denk dat daarvoor op de universiteiten meer ruimte moet
worden gemaakt. Ik hoor graag hoe de minister dat ziet.
Voorzitter. Ik haak nog wat verder in op de vorige discussie. Ik heb
gezien dat de NWO nu aan instellingen eisen stelt op het gebied van
diversiteit en inclusie. Er staat inderdaad: als je er geen werk van
maakt, dan kom je niet in aanmerking voor subsidie. Maar hoe wordt dat
dan getoetst? En welke vorm van diversiteit? Ik denk dat het zou moeten
gaan om standpuntdiversiteit. Naar de andere vormen moet je eigenlijk
niet kijken. Wij vinden dus niet dat je een soort ideologische krabbel
moet zetten om in aanmerking te komen voor subsidie voor onderzoek.
Volgens mij is dat een discussie die we moeten voeren, maar wij willen
dat die eis niet wordt gesteld.
Ik ben het eens met mevrouw Keijzer over de gedragscode in de
wetenschap. In 2018 is zijn de begrippen "objectiviteit" en
"waarheidsvinding" eruit gehaald. Ik vind dat dit juist heel belangrijke
begrippen zijn. Ik zoek dus even naar een manier om die discussie wat
breder te trekken, zodat we daar met z'n allen over na gaan denken. Maar
wanneer is daarvoor nou een goed moment? Wanneer wordt die gedragscode
herzien? Kunnen we die discussie dan wat breder voeren? Wij vinden dat
die begrippen terug zouden moeten komen; dat is immers waar het in de
wetenschap om gaat.
Dan de discussie over academische vrijheid. Er is een motie aangenomen
van het voormalig Kamerlid Heite over de pluriformiteit, zoals het toen
werd genoemd. Die zou worden onderzocht. Dat was in 2016. Ik denk dat
het inderdaad heel belangrijk is om meer diversiteit van perspectieven
en standpuntendiversiteit op universiteiten beter te borgen, maar ik
hoop dat wij dat traject wat kunnen versnellen. Voorheen werd gezegd "we
hebben geen tijd om dat nu te doen", maar kunnen we dat niet
versnellen?
De voorzitter:
Mag ik u vragen om af te ronden, meneer Boomsma?
De heer Boomsma (JA21):
Ja. Tot slot nog één ander belangrijk punt. Ik denk dat het heel
belangrijk is dat meer replicatieonderzoek wordt gedaan. Vandaag is via
het blad Nature ook weer naar buiten gekomen dat uit een studie bleek
dat van 3.900 onderzoeken die waren gedaan slechts de helft replicabel
was. Bij de rest kreeg je dus niet dezelfde uitkomsten. Daar wordt
natuurlijk al tien jaar over gesproken: heel veel onderzoek kan niet
worden herhaald of er komt iets anders uit. Het komt nog niet goed van
de grond om dat recht te zetten. Ik ben benieuwd naar de visie van het
kabinet op die replicatiecrisis.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan naar mevrouw Armut van het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Het onderzoek dat op onze hogescholen, universiteiten
en onderzoeksinstituten wordt verricht, is onmisbaar voor onze welvaart,
gezondheid, veiligheid en de manier waarop wij samenleven. Ik ben dan
ook blij dat deze coalitie ervoor kiest om hierin te investeren. In mijn
inbreng wil ik stilstaan bij de rol van de overheid en het creëren van
de randvoorwaarden op regionaal, nationaal en internationaal niveau.
Daartoe moeten we ervoor zorgen dat onze hogescholen, universiteiten en
onderzoeksinstituten kunnen doen waar ze goed in zijn, namelijk het
onderzoek verrichten dat ten goede komt aan de samenleving.
Brainport Eindhoven, de regio Food Valley en het Leiden Bio Science Park
zijn voorbeelden van een succesvolle samenwerking van het onderwijs en
onderzoeksinstellingen met bedrijven en overheden op regionaal niveau.
Deze regionale kennisecosystemen dragen niet alleen bij aan innovatie en
werkgelegenheid in de regio, maar aan de welvaart in heel Nederland. Ik
ben dan ook blij te lezen dat voor de uitvoering van de Nationale
Technologiestrategie geïnvesteerd zal worden in de regionale
innovatieclusters en dat daarbij aansluiting wordt gezocht met
publiek-private innovatieprogramma's. Mijn vraag aan de minister is hoe
zij voor deze innovatieclusters de aansluiting op de publiek-private
innovatieprogramma's en de Nationale Technologiestrategie gaat
borgen.
In een brief van de vorige minister van Onderwijs lezen we dat het voor
het behoud van een sterke wetenschappelijke positie van Nederland van
belang is dat de Nederlandse wetenschap een sterke aantrekkingskracht
heeft en in staat is om in te spelen op kansen die zich voordoen. Onder
de voorganger van deze minister is hiervoor het Tulp Fonds opgericht.
Mijn vraag aan de minister is of zij bij het aantrekken van
wetenschappelijk toptalent ook in de toekomst een rol voor het Tulp
Fonds ziet weggelegd.
Het is goed dat het kabinet op nationaal niveau toewerkt naar de
Lissabondoelstelling om 3% van het bbp te investeren in onderzoek en
wetenschap. Daarbij is het van belang dat de investeringen van de
overheid zich richten op zowel wetenschappelijk als toegepast onderzoek.
Zo zorgen we ervoor dat deze investeringen een versterkend effect hebben
op investeringen door het bedrijfsleven en de 3%-norm gezamenlijk wordt
behaald. Zou de minister kunnen schetsen op welke wijze zij ervoor gaat
zorgen dat de investeringen door de overheid maximaal renderen en
daarmee een dergelijk versterkend effect wordt bereikt?
In het rapport Reken er maar (niet meer) op van SURF en NWO over de
digitale infrastructuur lezen we dat Nederland op het gebied van
onderzoek en infrastructuur internationaal gezien achteropraakt en dat
de capaciteit van de Nederlandse digitale infrastructuur al op korte
termijn ontoereikend is voor het eigen Nederlandse onderzoek, met alle
gevolgen van dien voor het Nederlandse wetenschappelijk
vestigingsklimaat en ons verdienvermogen. Kan de minister reflecteren op
deze constatering en breder aangeven wat haar plannen zijn voor het
versterken van de onderzoeksinfrastructuur?
In het coalitieakkoord staat dat de investeringen in onderzoek en
innovatie wel gepaard gaan met meer samenwerking en specialisatie van
universiteiten en minder concurrentie op studentenaantallen. Kan de
minister aangeven hoe zij dit wil gaan vormgeven?
Tot slot ga ik nog even in op een internationaal wetenschappelijk
project van topniveau, namelijk de Einsteintelescoop. Zou de minister
kunnen toelichten welke stappen zij in de aanloop naar de besluitvorming
over de locatie van deze telescoop in 2027 gaat zetten om de komst van
de Einsteintelescoop naar Limburg te bevorderen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan naar de heer Van Duijvenvoorde. Hij spreekt namens
Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dank je wel, voorzitter. Ik wil eerst even beginnen met een kort
metapunt. Ik vind het zo jammer dat wij ons ondanks de liefde voor de
wetenschap die wij hier tonen, in dit debat zo'n weinig
wetenschappelijke houding weten aan te meten. Ik vind het jammer dat we
én niet kunnen zeggen dat het verschrikkelijk is dat wetenschappers in
Amerika worden aangevallen én niet dat het gewoon heel zonde is dat een
denker als Marcel Crok geen kans krijgt op de universiteit. Ik vind dit
debat zó ideologisch; volgens mij moet het daar niet over gaan. Dat punt
wilde ik even maken.
Ik ga naar mijn verhaal. Vrijwel iedereen hier gebruikt WhatsApp.
De voorzitter:
Ik zie al een vraag van mevrouw Keijzer hierover.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Doelt de heer Van Duijvenvoorde op mijn antwoord op de vraag van mevrouw
Rooderkerk?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Sorry, wat zei u? Ik was even niet aan het opletten.
De voorzitter:
O, kijk. Dan gaan we mevrouw Keijzer nog een poging laten doen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou ja. Wetenschap begint met luisteren, voorzitter. Ik zal mijn vraag
dus herhalen. Doelt de heer Van Duijvenvoorde op mijn antwoord op de
vraag van mevrouw Rooderkerk over de wetenschappers in de Verenigde
Staten die onderzoek willen doen naar klimaat?
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Nou ja, ik gebruikte het inderdaad als voorbeeld. Ik vind dat we én
moeten kunnen zeggen dat klimaatsceptici veel meer de mogelijkheid
moeten krijgen om onderzoek te doen aan de universiteit én dat het
verschrikkelijk is dat de politiek in Amerika zich dusdanig met
wetenschappers bemoeit dat hun vrijheid daardoor wordt bekneld. Ik denk
dat dat naast elkaar kan bestaan. Ik denk dat mevrouw Keijzer, maar ook
mevrouw Rooderkerk … Het is zo zielig om te zeggen "mijn ideeën komen
misschien te weinig aan bod", maar dat betekent niet … Het is
bijvoorbeeld ook problematisch dat vrouwen veel te weinig aan bod zijn
gekomen in het medisch onderzoek, want daardoor lopen we enorm achter
met wat we weten over bijvoorbeeld hartfalen bij vrouwen. In plaats van
dat we hier allemaal vechten omdat de wetenschap eigenlijk ons politieke
idee moet implementeren, zou dat allemaal naast elkaar moeten bestaan.
Volgens mij voeren we dan een veel bredere en eerlijker discussie met
elkaar.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan luistert de heer Van Duijvenvoorde echt heel erg slecht. Ik heb
namelijk gezegd dat ik het een bijzonder middel vind om te bereiken dat
ook ander onderzoek wordt gedaan naar klimaat. Nou ja, goede wetenschap
begint volgens mij met luisteren. Misschien is dat dan een verzoek aan
de heer Van Duijvenvoorde.
De voorzitter:
De heer Van Duijvenvoorde gaat verder met zijn betoog.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik wil daar nog even op reageren als dat mag.
De voorzitter:
Dat mag natuurlijk ook.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik denk dat goede wetenschap begint met tegen jezelf in kunnen denken.
Dat is, denk ik, de essentie. Ten tweede. Het is waar dat mevrouw
Keijzer zei dat het verschrikkelijk was, maar ze zei ook dat het een
noodzakelijk middel was. Dat werd ook gezegd. Mag ik verder met mijn
betoog?
De voorzitter:
Zeker.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Yes, oké. Ik weet niet meer waar ik was.
Als we een nieuw gesprek beginnen in whatsapp, dan zien we altijd dat
het end-to-end encrypted is: het is beschermd en kan niet gelezen worden
door derden. De oorzaak daarvan of de reden dat wij dat kunnen, ligt bij
een groep wiskundigen in de negentiende eeuw die het leuk vonden om met
elkaar te spelen en exercities te doen met priemgetallen en de waarde
daarvan. Het had geen nut; ze vonden het gewoon leuk om na te denken
over priemgetallen. Dat onnuttige onderzoek, zonder valorisatie, is nu
de basis van onze digitale vrijheid. Maar dit nutsdenken eisen we
momenteel wel van onderzoekers. Onderzoek moet steeds vaker nuttig,
toepasbaar of normatief wenselijk zijn. We moeten de wereld niet
begrijpen, maar veranderen. De KNAW waarschuwt hier ook voor. De balans
tussen enerzijds onafhankelijkheid en anderzijds maatschappelijke
verantwoordelijkheid is doorgeslagen. Verantwoording, valorisatie,
impact, strategische relevantie: deze elementen staan nu centraal.
Erkent de minister dat deze balans is doorgeslagen, zoals de KNAW stelt?
En zo nee, waarom zou zij dan van dit oordeel afwijken?
Wetenschap wordt steeds meer gefinancierd op basis van thema's, missies
en politieke prioriteiten. Wat levert het op en voor wie? Volgens de
universiteiten van Nederland staat ongebonden en fundamenteel onderzoek
onder druk en zij onderschrijven dat het nut van wetenschap vaak
helemaal niet voorspelbaar is. Ook staan ze — nogmaals, volgens de KNAW
— onder druk door de enorme schaarste in de eerste geldstroom in de
basisfinanciering. Wetenschappers zijn daardoor veel te afhankelijk
geworden van competitieve projectfinanciering. Kan de minister
inzichtelijk maken hoeveel van de basisfinanciering van universiteiten
daadwerkelijk wordt uitgegeven aan het doen van onderzoek en hoeveel
daarvan vrij beschikbaar is voor ongebonden onderzoek?
Bij organisaties als de NWO is de balans inmiddels doorgeslagen. Er
wordt grofweg twee keer zoveel besteed aan strategisch en thematisch
onderzoek als aan vrij en ongebonden onderzoek. Daar komt bij dat de
slagingskansen laag zijn en dat maatschappelijke relevantie vaak
voorwaarde is voor toekenning. Erkent de minister in lijn met de KNAW
dat deze werkwijze met competitie, lage slagingskansen en nadruk op
impact de publicatiedruk en de thematische sturing versterkt? En zo ja,
welke concrete stappen is zij bereid te zetten om meer ruimte te creëren
voor vrij en ongebonden onderzoek?
Hiermee zouden we een deel van het probleem kunnen oplossen, namelijk
door onafhankelijkheid en originaliteit tot bloei laten komen. Maar dat
is niet het hele verhaal. Onderzoek van hoogleraar Mark Bovens,
verbonden aan de Universiteit Utrecht, toont aan dat de academische
wereld op het moment buitengewoon homogeen is. Voorheen hadden we
bijvoorbeeld de Katholieke Universiteit Nijmegen, de socialistische UVA,
de protestantse VU in Amsterdam en de klassieke humanistische
universiteit in Leiden. Universiteiten verschilden van elkaar.
Tegenwoordig bewegen academici zich veelal in dezelfde milieus. Ze delen
dezelfde reflexen en lezen dezelfde boeken. Volgens, nogmaals, Mark
Bovens kiezen ze ook vaak voor dezelfde politieke partijen.
Universiteiten dreigen steeds minder een vrijplaats van ideeën te zijn.
Er ontstaat een steeds smallere bandbreedte van wat als aanvaardbaar
geldt. Ook de KNAW waarschuwt in haar adviezen expliciet voor
vooringenomenheid en schoolvorming in de wetenschap, wat direct ten
koste gaat van de noodzakelijke diversiteit en perspectieven. Juist
daarom ben ik al de derde of de vierde in dit debat die zegt dat een
tegenspraakfonds zo belangrijk is, een ruimte voor onderzoekers die
tegen de consensus indenken, die buiten modieuze kaders treden en die
vragen stellen die binnen de gevestigde instituties minder welkom
zijn.
Wil de minister gezien de toenemende en erkende zorg over schoolvorming
en pluriformiteit serieus werk maken van structurele ruimte voor
tegenspraak en dissidente wetenschappelijke opvattingen, bijvoorbeeld
door de inrichting van het door de heer Boomsma voorgestelde
tegenspraakfonds? Ik zeg er dan nog wel bij dat het mij niet gaat om
waar het om gaat, want ik vind gewoon dat wetenschap altijd gericht is
op consensus. We zijn mensen. Het gaat gewoon om tegenideeën, van welke
kleur ook. Uiteindelijk gaat het er dus om de individuele wetenschappers
te vertrouwen, de nieuwsgierigheid van onderzoekers te voeden en te
waarderen en om onderzoek weer echt een vrijplaats van ideeën te maken.
Dat is wat wetenschap moet en hopelijk weer kan zijn.
Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de laatste spreker van de Kamer, mevrouw
Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Kennis is macht. Ik denk dat we in Nederland heel
trots mogen zijn op onze kennisinstellingen en op onze wetenschapers en
universiteiten. Maar dat is niet vanzelfsprekend. Dat vraagt ook om
stabiele en duurzame financiering. Mijn eerste vraag aan de minister
gaat hier dan ook over. Het CPB constateert dat het coalitieakkoord
eigenlijk maar in beperkte mate wetenschappelijk onderzoek stimuleert.
Hoe kijkt ze hiernaar en in hoeverre kunnen we ervoor zorgen dat de
middelen die naar onderzoek gaan, voor een deel ook naar ongebonden
fundamenteel onderzoek gaan? Kan de minister daar een concretere
toezegging op doen?
Breder denk ik dat het belangrijk is om te praten over een breder
wetenschappelijk klimaat. In heel veel politieke debatten gaat het heel
vaak over het vestigingsklimaat en over kennisinstrumenten voor
verdienvermogen voor bepaalde bedrijven en strategische sectoren. De
termen vliegen je om de oren! Maar het is belangrijk dat het ene niet
zonder het andere kan. Je kan niet de maatschappelijke uitdagingen waar
we in de 21ste eeuw voor staan oplossen met technologie of gamma alleen.
En dat kan je ook niet bepalen vanuit de Bezuidenhoutseweg met allemaal
mooie actieagenda's.
Het gaat om een breed wetenschappelijk klimaat, waarin ook de sociale
wetenschappen een belangrijke rol hebben. Denk alleen maar aan AI. Je
kan het niet alleen hebben over de technologie zelf, want het gaat ook
om de toepasbaarheid en om wat mensen ermee doen. Het gaat om de
ethische aspecten die maken dat het dragelijk is voor bepaalde
technologieën, maar ook om de implementatie. Mijn vraag aan de minister:
hoe kunnen we zorgen dat ook het begrip "innovatie", dat momenteel in
Nederland heel smal is, wordt verbreed, zodat SSH er ook een essentieel
onderdeel van wordt? Hoe kunnen we dat doortrekken in ons beleid? Ik
vind het in verband met het brede wetenschappelijke klimaat ook
belangrijk om te noemen dat het ook veilig moet zijn. We zien in
toenemende mate dat heel veel wetenschappers en onderzoekers te maken
krijgen met haat, bedreiging en intimidatie. Ik denk dat het heel
belangrijk is dat wij als politiek terughoudendheid in acht nemen als
het gaat om de vraag wat wetenschappers moeten onderzoeken en hoe ze dat
moeten doen. Wij moeten vooral randvoorwaarden scheppen. Ik schetste er
net al een, namelijk de middelen. Maar veiligheid is een ander
belangrijk aspect. Mijn vraag aan de minister is of zij nog met een
concrete agenda komt voor de veiligheid van wetenschappers. Een meldpunt
is leuk, maar dat doet eigenlijk niks. Je ziet bovendien dat er enorme
verschillen per instelling zijn, want je wordt niet overal in dezelfde
mate geholpen.
Het is belangrijk dat je ziet dat het zich richt op bepaalde
wetenschappers en vakgebieden. We zien dat wetenschappers die zich
bezighouden met klimaat, migratie of vrouwengezondheid veel vaker te
maken hebben met bedreiging en intimidatie. Die wetenschappers zeggen
zelfs dat ze bijna zelfcensuur toepassen als het gaat om het uiten van
hun wetenschappelijke bevindingen in het publieke debat. Ik vind het
fundamenteel belangrijk dat ze dat kunnen doen, omdat dat hoort bij onze
democratische samenleving. Kan de minister dit concreet maken? Kan ze
bijvoorbeeld kijken naar de samenhang met persveiligheid? Dat is een
agenda voor journalisten, die ook onder de minister valt. Ik denk dat
dat heel belangrijk is.
Een ander punt dat ik wil maken betreft de academische vrijheid. Dat is
inderdaad geen abstract begrip. Je ziet dat het heel anders wordt
uitgelegd door sommigen, maar mijn fractie ziet het als de vrijheid die
mensen voelen om te studeren en te onderzoeken. Maar we denken daarbij
ook aan de mate waarin wetenschappers het gevoel hebben dat ze
rugdekking en steun hebben. We zien in heel veel instellingen dat er in
toenemende mate invloed wordt uitgeoefend op hun autonomie. Ik ben
benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Herkent ze die signalen? En
denkt ze daarbij ook aan bepaalde waarborgen?
Mijn laatste punt gaat over het open klimaat, als ik het zo mag noemen.
In welke context vindt de wetenschap eigenlijk plaats? Ik denk dat het
belangrijk is dat de wetenschap juist in een polariserende samenleving
heel erg kan bijdragen aan gedeelde feiten. Mijn vraag is welke
randvoorwaarden de minister daarbij ziet. Een zo'n randvoorwaarde is
toegankelijkheid. Ik heb hier eerder gesproken over de beperkte mate
waarin mensen van buiten Nederland Nederland een aantrekkelijk land
vinden om onderzoek te doen. Ik zie een aantal dingen in het
coalitieakkoord staan, maar ik zie niet echt iets concreets, terwijl ik
bijvoorbeeld wel zorgen heb over de werking van het wetsvoorstel voor
kennisveiligheid. Ik zou daar graag een reflectie van de minister op
willen horen.
Tot slot vind ik het ook belangrijk om te noemen dat de academische
vrijheid volgens mijn fractie niet een soort vrijbrief is om te zeggen:
ik ben het hier niet mee eens of ik ben het daar niet mee eens en daarom
doet het er dus niet toe of daarom moet het juist zwartgemaakt worden of
verdacht gemaakt worden. Ik vind dat een hele zorgelijke ontwikkeling en
ik hoop dat we in dit huis te allen tijde zullen staan voor die
vrijheid, ook als we het met iemand oneens zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat de heer Duijvenvoorde een interruptie voor u
heeft.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik vroeg me af hoe mijn collega kijkt naar hoe er bijvoorbeeld met Jan
van de Beek is omgegaan. Hij is steeds in de hoek gezet door gevestigde
wetenschappers en die zeiden dan toch ook vaak: we zijn het er gewoon
niet mee eens. Het debat is niet echt inhoudelijk met hem gevoerd. Hoe
kijkt u daarnaar?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de vraag. Ik ben niet bekend met de hele context rond de heer
Van de Beek. Ik heb in debatten wel gehoord dat hij het gevoel had dat
hij zijn onderzoek niet kon doen. Ik vind dat uiteraard zorgelijk, maar
dat gebeurt natuurlijk wel vaker. Je moet niet één voorbeeld zo
uitvergroten dat het gaat lijken of het overal gebeurt. Dan kun je elk
arbeidsrechtconflict hier wel naar binnen slepen en er soort norm van
maken. Maar laat ik vooropstellen: ook als ik het niet met iemand eens
ben, betekent dat niet opeens dat hij slecht onderzoek of slechte
wetenschap bedrijft. Volgens mij is dat wat we hier met elkaar moeten
vaststellen. Het gaat om wetenschappelijke integriteit en om de methode
die je hanteert. Ik herken die signalen niet en daarom vroeg ik de heer
Claassen en het lid Keijzer ook om concrete feiten te noemen. Ik vind
het namelijk zorgelijk als hier iets in de arena wordt gegooid, zonder
dat we het kunnen staven, want dan blijft het maar een soort
mening.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
De kern van het debat is volgens mij of de ethiek of de waarheid
centraal staat. Misschien bent u het er niet mee eens, maar volgens mij
kan ik concluderen dat het binnen de wetenschap gewoon gaat om de feiten
en het zoeken naar de waarheid. Dat moet gewoon altijd centraal
staan.
De voorzitter:
Mevrouw Abdi knikt instemmend. Mevrouw Keijzer heeft ook een
vraag.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Een concreet voorbeeld is Peter-Paul Verbeek van de KNAW. Ik hoor zeggen
dat hij hier is geweest. Het klopt toch dat hij dat is? Nou ja, dat doet
er voor mijn vraag niet toe. Peter-Paul doet uitspraken namens de KNAW,
de commissie Vrije Wetenschapsbeoefening, en dan is dat blijkbaar ook
beleid. Hij zei: op het moment dat het woord "woke" valt, is het gesprek
voorbij. Dus op het moment dat een wetenschapper onderzoek wil doen naar
zaken die je zou kunnen percipiëren als woke, is er geen gesprek meer
mogelijk. Is dat een voorbeeld, vraag ik mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ja … Maar laat ik dan misschien een ander voorbeeld noemen, uit een heel
ander onderwerp. Ik was raadslid. Toevallig was de heer Boomsma toen een
collega en ook mevrouw Rooderkerk, maar dat terzijde. Ik was dus
raadslid, en woordvoerder Openbare orde en veiligheid. Er was toen een
tendens om bij demonstraties te zeggen dat agenten biased waren, dat de
ME biased was, dat die allemaal bepaalde politieke voorkeuren hadden en
dat daarom het handelen van de politie ondermijnd moest worden. Ik noem
dit meer als een voorbeeld om aan te geven dat, zodra we een soort van
overtuigingen plakken op mensen die gewoon hun werk doen — ik heb het
dus over wetenschappers die gewoon hun werk doen — en hen verdacht
maken, ik dat een hele kwalijke ontwikkeling vind. Ik werp dat verre van
me. Dus ik zou hopen dat mevrouw Keijzer daar ook zo naar kan kijken en
kan zien dat het best wel krom is om een aantal voorbeelden aan te halen
waar dan een soort algemeenheid uit zou vallen dat de hele wetenschap
biased is, of dat er een soort stil verzet is; dat soort termen.
De voorzitter:
Heel kort: ook u staat op vier. Dat betekent dat we geen lange
interrupties meer overhebben. Maar ik ga u gelijk behandelen, net als de
rest, dus u mag nu een korte interruptie doen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Heel kort, voorzitter. Ik word door een persoon ook weleens neergezet
als een Volendammer met een dialect, maar ik neem dan niet aan dat
iedereen dat vindt. Dus een voorbeeld noemen uit een gemeenteraad vind
ik hieraan voorbijgaan. Ik geef antwoord met een concreet voorbeeld op
haar vraag, en vervolgens ontwijkt ze die. Het volgende voorbeeld. Een
NWO-voorlichter is boos op Jort Kelder, die vraagt: geef eens een paar
voorbeelden van studies die jullie hebben gefinancierd en die ingaan
tegen het heersende narratief op het gebied van klimaat, gender en
kolonialisme. Volgens Kelder luidt het antwoord: die onderzoeken zijn er
niet; ze zijn niet nodig, want de wetenschap vindt dit niet. Is dat een
voorbeeld?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Keijzer mag van mij natuurlijk haar hele mapje voorlezen, maar
het fundamentele punt dat ik maak is dat ik dit debat ben ingekomen over
dat de wetenschap biased is; dat er één soort ideologisch keurmerk is
voor wat wetenschappers allemaal doen. Ik vind dat heel kwalijk. Als je
even terug uitzoomt op wat wetenschappers volgens mij dag in, dag uit
doen, is het dat ze gewoon onderzoek doen. Ze zitten er helemaal niet op
te wachten om gepolitiseerd te worden en om bepaalde politieke debatten
in getrokken te worden. De suggesties die u doet, vind ik gewoon heel
erg kwalijk. Dus u kunt van alles oplezen … Ik bedoel, haal het van X of
weet ik veel waar allemaal vandaan, maar ik kijk hier echt anders naar.
En de reden waarom ik hier zo fel op reageer, is dat het uiteindelijk
gaat om feiten. Het gaat om: kan je je onderzoek doen; kan je deelnemen;
mag je in universiteiten je werk doen? Volgens mij kan dat wel in
Nederland. Ik zie een heel ander soort bedreiging, en dat heeft ook te
maken met het debat dat we onder andere hier voeren.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, voorzitter. Zo komen we natuurlijk geen stap met elkaar verder, dus
ik vraag bij dezen een tweeminutendebat aan …
De voorzitter:
Mijn verzoek is om hiermee te wachten tot in de tweede termijn.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou, dan kondig ik dat bij dezen aan. Ik zal in ieder geval een motie
indienen om onderzoek te doen naar gehonoreerde onderzoeksvragen met een
andere benadering van de onderwerpen die ik net opsomde. Dan gaan we
daar gewoon onderzoek naar doen en zullen we zien hoe vaak onderzoeken
met een tegengestelde benadering van het dominante narratief gehonoreerd
zijn. En ik neem dan aan dat de fractie van GroenLinks-PvdA die steunt,
want anders slaat het echt helemaal nergens op wat ze hier doet.
De voorzitter:
Wilt u nog reageren, mevrouw Abdi, tot slot?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ja, heel kort. Ik denk dat wetenschappers niet doen aan opinievorming,
maar dat ze bezig zijn met wetenschap beoefenen. Ik herken die signalen
gewoon niet. En ik zal dit niet steunen, want ik vind het gewoon heel
kwalijk wat u hier doet, en ook in eerdere debatten. Ik zie dit als een
aanval op de wetenschap, wat ik echt volstrekt verre van mij werp.
De voorzitter:
Ik zie nog een hand van de heer Van Duijvenvoorde. Daarna gaan we naar
de schorsing, omdat we ook naar de minister moeten gaan luisteren.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik wilde ook een vraag stellen. Is niet de hele essentie van wetenschap
dat zij van zichzelf weet dat ze worstelt met feiten zolang het feiten
zijn, omdat die altijd kunnen veranderen? Dus dat ze biased is? Er zijn
wel allerlei structuren in gang gezet om die "biasedheid" zo veel
mogelijk te minimaliseren. Dus het vertrouwen dat hier in de wetenschap
geuit wordt, is volgens mij juist gevaarlijk, want iedere keer als de
wetenschap dat vertrouwen niet waarmaakt, ontstaat dat wantrouwen in de
wetenschap. Is het niet essentieel voor de wetenschap dat er juist een
fundamenteel wantrouwen plaatsvindt tegenover de feiten van de
wetenschap?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het eerder al genoemd: het Rathenau-instituut heeft best wel
uitgebreid onderzoek gedaan naar hoe het staat met het vertrouwen van
Nederlanders in de wetenschap. Daarin concludeerde het dat dit
vertrouwen uitermate hoog is: heel veel Nederlanders hebben vertrouwen
in de wetenschap, ook in hoe wetenschappelijke onderzoeken worden
uitgevoerd. Maar er zijn zorgen. Waar komen die zorgen vandaan? Die
hebben juist ook te maken met het debat dat we hier voeren, waarbij
bepaalde wetenschappers in bepaalde vakgebieden verdacht worden gemaakt
omdat hun wetenschappelijke bevindingen niet stroken met de mening van
een aantal hier. In een vrije democratische samenleving mag het schuren
en mag men met elkaar van mening verschillen. Maar ik wil ervoor waken
dat we mensen gaan politiseren of doen alsof wetenschappers vanuit een
soort mening met wetenschap bezig zijn, want dat zijn ze niet. Zij gaan
een heel traject door om zaken te valideren op basis van feiten. Ik denk
dat dit belangrijk is en ik denk ook dat het juist belangrijk is om
achter die wetenschappers te staan.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik snap die reactie. Ik maak geen politieke opmerking over de
wetenschappers. Het was meer een epistemologische opmerking. De basis
van wetenschap moet toch de onvolkomenheid van die wetenschap zelf zijn?
Dat is toch de kern van de wetenschappelijke houding?
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat wetenschappers die houding hebben en kennen. Daar wil ik het
bij laten.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we een halfuur gaan schorsen. Dan zien we elkaar weer
om 15.15 uur. Dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de
minister.
O, ik zie nog een punt van orde.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ja, nog een punt van orde. Ik had het net al over de peuterspeelzaal:
voorafgaand daaraan is er ook nog een debat over geboorte- en kraamzorg.
Ik heb zo dus nog een plenair debat. Mijn medewerker zal de
beantwoording wel volgen. Ik probeer op tijd terug te zijn voor de
tweede termijn, want dan heeft de minister antwoord gegeven op mijn drie
vragen.
De voorzitter:
Ja, dank.
De vergadering wordt van 14.45 uur tot 15.15 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag, allemaal. Welkom bij het vervolg van het commissiedebat
Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid. We gaan zo beginnen aan de eerste
termijn van de minister. Ik herhaal nog eenmaal de pilot die we met
elkaar voeren. U heeft een onbeperkt aantal interrupties, maar als een
interruptie te lang duurt, dan telt die dubbel. Als u twee dubbele
interrupties heeft, dan is uw interruptieruimte voorbij. Voor de snelle
rekenaars: na de tweede te lange interruptie kunt u niet meer
interrumperen. Wees dus zeer voorzichtig met lange interrupties. We gaan
na de pilot kijken of we dit een geslaagd experiment vinden.
Ik geef de minister het woord voor haar beantwoording.
Minister Letschert:
Dank je wel, meneer de voorzitter. Goedemiddag. Allereerst dank aan de
leden voor de eerste termijn, voor alle boeiende, passievolle vragen. Ik
had even wat tijd nodig om die goed te ordenen. Ik vind het namelijk
fijner om wat thematischer met u een gesprek te hebben dan dat ik alle
vraagjes ga oplepelen en de antwoorden ga geven. Daarom kostte dat even
wat tijd.
Meneer de voorzitter. Ik wil het als volgt doen. Ik wil beginnen met een
reactie op de protesten waar in het begin van het commissiedebat
aandacht voor is gevraagd. Het tweede grote thema van vandaag is
academische vrijheid, cultuur en onderzoekstalent. Die punten heb ik bij
elkaar gepakt. Daar zijn meerdere interventies op geweest. Als derde zal
ik een reactie geven op de vragen die gaan over de kennisketen, de
R&D-ambities, de rol van de regionale campussen, de infrastructuur,
valorisatie en sectorplannen, eigenlijk over alle ambities uit het
coalitieakkoord die daarover gaan. Dan heb ik een blokje infrastructuur,
dat onder andere over de Einsteintelescoop gaat, waar vragen over zijn
gesteld. Als laatste heb ik een blokje rondom internationale
samenwerkingen, waarin met name de vragen zitten die gesteld zijn over
kennisveiligheid.
Dan wil ik beginnen met het eerste thema dat ik noemde, de protesten die
plaatsvinden op de Universiteit Maastricht. Er werd mij gevraagd: heeft
u contact gehad met de universiteit? Ja, heel kort, deze middag, in de
aanloop naar dit debat. Ik heb niet zozeer meteen actief de telefoon
opgepakt. Dit is echt een verantwoordelijkheid voor het bestuur van de
universiteit en de lokale driehoek, die hier alle aandacht voor heeft.
Het is afleidend als de minister daar actief contact in zoekt. Uiteraard
volg ik wel wat daar gebeurt. Ik wil ook zeggen dat op het moment dat er
mensen zijn die een universiteit bezetten en dat ook nog eens doen in
een omgeving waar veiligheidsimplicaties zijn, dat absoluut onacceptabel
is. Dit heeft niks te maken met demonstreren. We weten soms ook niet
eens of er sprake is van de aanwezigheid van studenten of andere mensen.
Ook die feiten heb ik op dit moment nog niet. Het is ook niet aan mij om
op deze specifieke situatie in Maastricht te reflecteren. Wat ik u wel
kan toezeggen, is dat wij dit debat met elkaar gaan hebben in het debat
over onder andere antisemitisme dat in april gepland staat. Ik zal dan
samen met de minister met JenV hierover met u in gesprek gaan. Uiteraard
hebben we volgende week ook een hogeronderwijsdebat, waarbij we dit
thema, Maastricht, indien gewenst, meer in de breedte met elkaar kunnen
aanraken.
Dan was er ook nog een vraag van mevrouw Keijzer of de minister van
mening is dat als je ruimte geeft aan pro-Palestijnse demonstraties, je
ook ruimte zou moeten geven aan Israëlische wetenschappers. Uiteraard is
dat het geval.
Dan ga ik nu door met mijn tweede blokje. Dat is eigenlijk het hele
mooie thema rondom de academische vrijheid en de cultuur bij Nederlandse
instellingen. Uiteraard kwam er ook nog het een en ander voorbij rondom
diversiteit en inclusie. Ik ga proberen alles te beantwoorden, waarbij
ik ook recht wil doen aan uw vragen. Als ik dat niet afdoende doe,
interrumpeert u mij toch wel.
Laat ik beginnen met aangeven dat academische vrijheid een van de
belangrijkste fundamenten is van de wetenschap. Zonder academische
vrijheid kun je eigenlijk niet spreken van een wetenschappelijk systeem
dat werkt. Dat er zorgen zijn aan de verschillende universiteiten over
de ruimte voor diversiteit aan perspectieven in onderzoek heeft u
vandaag volgens mij veel met elkaar gedeeld. Die zorgen zijn eerder ook
al verwoord in de motie-Heite. Mijn ministerie heeft opvolging gegeven
aan die motie door een onafhankelijk onderzoek te starten naar de
pluriformiteit in de wetenschap. Erken ik daarmee als minister dat er
een probleem is? Nee. Ik weet het niet. Ik denk dat wij dat probleem
niet hebben; volgens mij hebben we dat debat ook met elkaar gevoerd. Ik
heb het in mijn loopbaan in de afgelopen twintig jaar aan de
universiteit niet herkend in de hoedanigheid waarin het hier vandaag
soms ter tafel kwam. Tegelijkertijd wil ik de zorgen niet miskennen die
vandaag in dit debat geuit zijn. Daarom is het ook belangrijk dat dat
onafhankelijke onderzoek naar de pluriformiteit in de wetenschap er ook
komt. Dat betekent dat we uw Kamer over de uitkomsten van dat onderzoek
zullen informeren, zodat we een debat kunnen voeren dat gestoeld is op
wetenschappelijke waarden. Dan hebben we namelijk uitkomsten die het
debat iets meer kunnen voeden dan de verschillende voorbeelden die deze
middag ter tafel zijn gekomen.
Daar komen nog twee onderzoeken bij. Er zijn ook twee adviesaanvragen
bij de KNAW gedaan. Die adviesaanvragen gaan over de juridische borging
van academische vrijheid, over de vrijheid van meningsuiting in de
wetenschappelijke sector en over de afbakening van het begrip
"academische vrijheid". Ook daarover zijn namelijk heel veel
verschillende opvattingen in omloop. Rond de zomer krijg ik de
uitkomsten van die twee adviesaanvragen. Die zal ik uiteraard met u
delen. Die twee onderzoeken, samen met de uitkomsten van het onderzoek
naar de pluriformiteit in de wetenschap, zijn volgens mij een hele mooie
aanleiding om een goed onderbouwd debat te voeren over de zorgen die
vanmiddag met mij gedeeld zijn.
De voorzitter:
Dank. Ik zag de vinger van de heer Boomsma; hij heeft een
interruptie.
De heer Boomsma (JA21):
In de brief stond dat het onderzoek naar aanleiding van de motie-Heite
inderdaad zou worden uitgevoerd, maar dat dat vanwege de bezuinigingen
van het vorige kabinet pas zou kunnen plaatsvinden in het najaar van
2026. Ik vind dat eigenlijk te lang duren, zeker als die andere
onderzoeken nu al komen, in de zomer. Zouden we niet kunnen kijken of we
dat naar voren kunnen halen? Dit leeft namelijk ontzettend. Laten we
proberen om die discussie snel wat breder te trekken, zodat we die goed
kunnen voeren.
Minister Letschert:
De voorbereidingen lopen. Het is een aanbesteding. Ik zal hier echt
prioriteit van maken, ook in het licht van de discussie die we hier
vanmiddag hebben gehad. Hoe sneller het kan, hoe eerder we deze
discussie kunnen voeren, maar het moet wel zorgvuldig gebeuren. Ik ga
hierin dus niets traineren. We gaan hier vaart mee maken. Maar nogmaals:
partijen moeten zich ook melden om dit onderzoek te gaan doen. Daar ben
ik wel van afhankelijk. Dus nogmaals: de voorbereidingen lopen. Als het
lukt om dit voor de zomer met u te delen, doe ik dat. Maar nogmaals: ik
wil wel dat een onderzoekspartij die zich hiervoor meldt, ook de ruimte
krijgt om dit op een wetenschappelijke en zorgvuldige manier te
doen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dit is niet eens echt een vraag, maar meer een constatering. De partijen
die net een enorme show van dit debat hebben gemaakt, waren de BBB en
Groep Markuszower. Sorry, het waren de voormalige BBB'er, mevrouw
Keijzer, en Groep Markuszower, dat hiervoor de PVV was. Zij zijn dus van
de partijen die zelf in het vorige kabinet het onderzoek hebben
uitgesteld. Zij zijn nu ook niet aanwezig om dit antwoord aan te horen.
Dat wil ik toch ook even genoteerd hebben.
De voorzitter:
Waarvan akte. Ik kijk naar de minister: zij kan verder met haar
betoog.
Minister Letschert:
Dank je wel, meneer de voorzitter. Ik wil ingaan op de discussie die u
net met elkaar had: kan er aan een universiteit nog dialoog plaatsvinden
als er sprake is van schurende of botsende opvattingen, perspectieven en
wetenschappelijke inzichten? We hebben de afgelopen periode gezien dat
dit op bepaalde thema's heel moeilijk is gebleken. Daar heeft de sector
op verschillende manieren uiting aan gegeven. Zo hebben een paar maanden
geleden de rectoren van de veertien universiteiten een publicatie doen
uitgaan waarin zij aan hebben gegeven de komende maanden een programma
te starten om de academische dialoog over ingewikkelde, complexe
maatschappelijke thema's actief aan te jagen, op alle veertien
universiteiten en met een soortgelijke aanpak, om ook met elkaar te
leren hoe je dat samen doet. Want dat is het allerbelangrijkste dat moet
kunnen plaatsvinden op een universiteit. Ik heb het dan over het
faciliteren van het voeren van dat gesprek op een gedegen, respectvolle
manier en volgens de wetenschappelijke methode. Dat geldt ook als je het
wetenschappelijk of maatschappelijk niet met elkaar eens bent. Het gaat
dan over het gesprek met de studentengemeenschap en uiteraard ook over
gesprekken tussen de wetenschappers en het liefst ook met elkaar. Ik ben
heel blij dat de rectoren dat initiatief zijn gestart. De komende
maanden vinden de eerste dialogen daarover plaats. Ik zou het heel mooi
vinden als we met deze commissie — wellicht kunnen we dat gezamenlijk
doen — proberen om bij zo'n dialoogsessie aanwezig te zijn. Want dan
kunnen we zien hoe de universiteiten hun verantwoordelijkheid nemen en
dat zij de zorgen die er zijn absoluut niet onder stoelen en banken
schuiven. Bij dezen dus een uitnodiging vanuit mij. Die heb ik nog niet
gedeeld met de rectoren, maar hen kennende gaan ze daar zeker
enthousiast op reageren. Ik zou de voltallige commissie willen adviseren
om met mij samen een keer naar zo'n dialoogsessie te gaan.
Er zijn ook vragen gesteld over diversiteit en inclusie, zoals: toetsen
onze onderzoeksfinancierders of onderzoeksaanvragen voldoende wat
betreft diversiteit en inclusie? Bij mijn weten is NWO niet de
organisatie die op individueel aanvraagniveau toetst of er sprake is van
diversiteit en inclusie in een voorstel. Wat je wel ziet, is dat
organisaties met instellingen het gesprek aangaan — maar dat is dan veel
meer in de breedte, op het niveau van de organisatie — over de vraag of
de organisatie een weerspiegeling is van de maatschappij. Als je vindt
dat kwaliteit evenredig vertegenwoordigd is als je bijvoorbeeld kijkt
naar de verschillende genders, dan wil je ook dat die vertegenwoordiging
in jouw organisatie zichtbaar is. Volgens mij weten we allemaal uit
wetenschappelijk onderzoek dat er biases in onze persoonlijkheden zitten
die maken dat je vaak geneigd bent om te kiezen voor degene die het
meest op jou lijkt. De discussie die we met elkaar hebben, ook binnen de
universiteiten, gaat over getraind worden om dat type impliciete biases
te onderkennen en op die manier ook richting te geven aan die
diversiteit in je organisatie. Ik ben blij om te zeggen dat je aan de
universiteiten een verbetering ziet als het gaat om bijvoorbeeld het
aantal vrouwelijke hoogleraren. Heel lang hadden we namelijk toch een
soort lek in de pijplijn, omdat de vrouwelijke universitaire docenten in
de meerderheid waren maar zij toch niet naar boven kwamen in die laatste
rang als hoogleraar. Maar nogmaals, NWO beoordeelt op het niveau van de
individuele onderzoeksaanvraag niet of de aanvrager een bepaald vinkje
kan zetten.
De heer Boomsma (JA21):
Het is heel goed dat ze dat niet bij individuele aanvragen beoordelen.
Maar ze hebben wel gezegd: wij verlenen alleen subsidies aan
organisaties die werk maken van inclusie en diversiteit. De minister
heeft het er nu over dat elke organisatie ervoor moet zorgen dat er
voldoende aandacht voor is dat er voldoende vrouwen werken. Dat lijkt me
op zich prima, maar het begrip "inclusie en diversiteit" is heel vaag en
breed. Ik maak me er zorgen over … Ik ga nu over de 30 seconden heen,
hè? Ik wil graag precies weten welke eisen ze stellen en welke
ideologische aannames en overtuigingen daarachter zitten. Want wat daar
precies mee wordt bedoeld, is toch deels een omstreden gebied. Ik zou
zeggen: kijk vooral naar standpuntdiversiteit, maar ik heb het idee dat
ze daar juist niet zozeer mee bezig zijn.
Minister Letschert:
Op de vraag rond standpuntendiversiteit kom ik dadelijk nog terug. Als
het gaat over diversiteit en inclusie in je medewerkersbestand: je ziet
veel verschil als je kijkt naar de compositie van universiteiten en
faculteiten. NWO voert, nogmaals, veel meer op macroniveau gesprekken
dan op individueel aanvraagniveau. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden
dat er in bepaalde vakgebieden waarin overwegend mannen of vrouwen
werken, een gesprek is: bent u zich bewust van het feit dat dit wellicht
wat minder divers is dan je zou willen? Vanuit onderzoek weten we
namelijk dat je het liefst een marge van 30% van bijvoorbeeld mannen of
vrouwen in je organisatie wil, voordat het daadwerkelijk een
vanzelfsprekendheid is dat je een diverse vakgroep of
onderzoeksgemeenschap hebt. Nogmaals, u stelde een vraag over NWO. Is
het een selectiemechanisme bij de individuele onderzoeksaanvraag die je
doet? Nee.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Boomsma.
De heer Boomsma (JA21):
Dat weet ik. Ik keek gewoon naar de website van NWO. Daar staat: als je
geen werk maakt van diversiteit en inclusie kom je niet in aanmerking
voor subsidie. Ik wil gewoon graag weten wat men bedoelt met diversiteit
en inclusie. Welke uitgangspunten zijn er? Waar kijkt men naar? Hoe
wordt dat getoetst? Hoe wordt dat beoordeeld? Hoe wordt dat gemeten? Op
die manier kunnen wij beoordelen in hoeverre we dat kunnen steunen of
niet.
Minister Letschert:
Nogmaals, NWO hanteert geen enkele eis rondom diversiteit en inclusie.
In het bestuurlijke gesprek tussen NWO en de instellingen is het een
onderwerp van gesprek. Het Landelijke Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren
heeft net zo goed gesprekken met de instellingen om dit onderwerp onder
de aandacht te brengen. Tot zover en niet verder gaat de
verantwoordelijkheid van NWO. Het is ook … Voorzitter?
De voorzitter:
Maak uw zin af, minister.
Minister Letschert:
Het is ook een verantwoordelijkheid van de colleges van bestuur en niet
van NWO.
De heer Boomsma (JA21):
Oké. Dat onderwerp van gesprek is één ding, maar er staat gewoon
letterlijk op de website van NWO: als je dat als instelling niet hebt
geregeld, kom je niet in aanmerking voor NWO-subsidies. Je moet dus werk
maken van diversiteit en inclusie. Dat is wat anders dan dat het gesprek
daarover wordt gevoerd. Er staat: je komt niet in aanmerking. Daarom is
het voor ons als politici die ook over de budgetten van NWO gaan die
vervolgens worden verdeeld, belangrijk om in te kunnen schatten wat men
daarmee bedoelt en hoe dat wordt beoordeeld.
Minister Letschert:
Diversiteit en inclusie is een belangrijk onderwerp, ook voor het
huidige kabinet, om ervoor te zorgen dat ieder talent kansen krijgt in
Nederland. Op het moment dat een publieke instelling, gefinancierd met
publiek geld, daar aandacht voor vraagt in de gesprekken met de
instellingen en niet op individueel onderzoeksniveau — zeg ik nogmaals —
past dat binnen ons kabinetsbeleid. Ik zie daar geen zorgen. Ik zou
zorgen hebben als de individuele aanvrager daar een bepaalde
verantwoording over zou moeten afleggen. Het is dus een onderdeel van
ons diversiteits- en inclusiebeleid. Dat zie je bij al onze Nederlandse
universiteiten en hogescholen terugkomen. Nogmaals, het is bedoeld om
ervoor te zorgen dat ook onze publiek gefinancierde instellingen een
afspiegeling zijn van onze maatschappij en dat iedereen daarin gelijke
kansen krijgt.
De voorzitter:
Tot slot?
De heer Boomsma (JA21):
Ik ga dan wel op een andere manier uitzoeken wat daar precies geëist en
gevraagd wordt. Dat komt dan wel.
De voorzitter:
Dan kunt u verder met uw betoog, minister.
Minister Letschert:
Dan had ik een vraag gekregen over objectieve maatstaven als fundament
voor excellentie en prestatie. Hoe verhoudt zich dat tot instellingen
die bijvoorbeeld niet meer cumlauderegelingen toepassen? De
cumlauderegelingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de
instellingen. Daar gaat de minister niet over. Het is aan de
instellingen zelf om met elkaar en met de medezeggenschap, niet te
vergeten, te bepalen of cumlauderegelingen een plek hebben binnen het
beleid van de instelling.
Dan ga ik naar de vragen die gesteld zijn rondom het Tulp Fonds. Die heb
ik onder dit onderwerp geschaard. De vraag was, even samenvattend, met
name wat de toekomst is van het Tulp Fonds. Ik weet dat NWO op dit
moment bezig is met het beoordelen van de voordrachten die gedaan zijn.
De verwachting is dat er voor de zomer duidelijkheid is over de uitkomst
van de aanvragen. Het is oprecht niet zo dat ik zomaar naar "voor de
zomer" verwijs — ik doe dat vaker in debatten — maar dit is wat ik van
NWO terug heb gehoord. Nadat dat is afgerond zal ik met NWO terugblikken
op de manier waarop dit fonds eigenlijk ontwikkeld is. Welk type
aanvragen is daarop binnengekomen? Wat zijn de behaalde resultaten? Dit
moet ik weten voordat ik kan bepalen of het zinvol is om een dergelijk
fonds te continueren of uit te breiden. Het is nu eigenlijk te vroeg om
daar al iets zinvols over te kunnen zeggen.
Meneer de voorzitter. We hebben best wel een mooie discussie gezien over
een zorgwekkend thema, namelijk de veiligheid van wetenschappers. Er
werd een vraag gesteld over de bedreigde wetenschapper. Er werd ook een
parallel getrokken met het andere mooie domein binnen mijn ministerie,
namelijk de bedreigde journalist. Laat ik vooropstellen dat het
ongelofelijk ernstig is als je als wetenschapper bedreigd wordt vanwege
de onderzoeksresultaten die je hebt gepubliceerd. Het raakt je namelijk
in alles wat je elke dag, als wetenschapper eigenlijk vaak zeven dagen
per week, aan het doen bent. Het kruipt onder je huid en zorgt ervoor
dat je in alle facetten van je zijn geraakt wordt. De veiligheid van
wetenschappers is dus iets waar wij met elkaar altijd voor moeten
blijven staan. U weet dat WetenschapVeilig is opgericht, eigenlijk naar
analogie van PersVeilig. Ik ben momenteel met mijn ambtenaren aan het
bekijken hoe we nog concreter opvolging kunnen geven aan de eerste
stappen die we hebben gezet, zodat dit onderwerp blijvend aandacht
krijgt. Dat geldt overigens ook voor het thema rondom persveiligheid.
Ook daar hebben we in het coalitieakkoord het een en ander over
geschreven. Daar zal ik in de beleidsbrief over alle voornemens binnen
mijn ministerie die binnenkort uw kant op komt, verder woorden aan
geven. Het is een ongelofelijk belangrijk onderwerp. Het is ook
belangrijk om te evalueren hoe de wetenschapper WetenschapVeilig vindt
en om te bekijken of de dienstverlening die daarachter zit tot
tevredenheid leidt. Die is overigens lokaal binnen de instellingen
georganiseerd. Voelt de wetenschapper zich inderdaad beschermd door de
instelling? Daar gaat het uiteindelijk om.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de minister voor dit antwoord. Om het concreet te maken: mijn
vraag was of er een agenda komt. Er is namelijk een fundamenteel
verschil tussen PersVeilig en WetenschapVeilig. Het ene is een meldpunt
en een monitor en het ander is echt een brede samenwerkingspartij, want
de politie en het OM zijn erbij. Bovendien zijn er protocollen en
afspraken. Kan ik de minister dan zo verstaan dat zij met zo'n agenda
komt? Wat zij nu zei over veiligheid en wetenschap bleef mij iets te
algemeen. Hoe gaan we dat concreet waarborgen om ervoor te zorgen dat
het voor de mate waarin je je beschermd voelt om je werk te kunnen doen,
niet uitmaakt in welke instelling je zit?
Minister Letschert:
Geeft u mij wat tijd om de ervaringen van de verschillende instellingen
op te halen om die concrete agenda daadwerkelijk onderbouwd in te kunnen
vullen. Nogmaals, wij zijn met die uitwerking bezig, maar ik wil ook wel
een verdieping krijgen van de ervaringen die wetenschappers zelf hebben.
Hoe ervaren zij het netwerk dat nu binnen de instellingen is opgebouwd?
Daarna kom ik met een concrete agenda. Ik …
De voorzitter:
Maakt u uw zin maar even af. Of was u klaar met de zin?
Minister Letschert:
Sorry, ja.
De voorzitter:
Dan geef ik mevrouw Abdi het woord voor een vervolgvraag.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dan zou ik misschien twee concrete punten willen toevoegen aan die
toezegging, als dat mag. Mijn fractie zou graag niet alleen een
ophaalronde zien, want die monitor is er. De laatste keer is in 2024
geweest en er zou dit jaar ook een ronde komen. Bij mijn weten lopen die
gesprekken met de universiteiten. Ik zou dus eerder een versnelling
willen. Wat voor instrumenten zijn er momenteel beschikbaar en waar is
behoefte aan vanuit de instellingen? Concreet voeg ik nog toe dat het me
ook gaat om de juridische bescherming. Mijn fractie heeft namelijk ook
signalen opgevangen van processen die worden gestart, dus rechtszaken
tegen onderzoekers en wetenschappers. Het effect daarvan is een enorme
zelfcensuur. Ik vind dat een belangrijk punt.
Misschien nog een laatste punt, als ik dan toch bezig ben. U noemde al
het aandeel en het belang van vrouwen in de wetenschap. Met name vrouwen
worden hierdoor geraakt. Als we echt serieus willen dat meer vrouwen hun
plek vinden in de wetenschap, dan is het belangrijk om dat aspect ook
mee te nemen.
Minister Letschert:
Bij mijn weten hebben we de uitkomsten van de monitor nog niet.
Misschien ben ik abuis. Die komt er aan, hoor ik. Precies! Aangezien we
hier een goed debat hebben over wetenschappelijke methoden, wil ik graag
de uitkomsten van die monitor inzien om vanuit daar te bekijken wat we
additioneel nodig hebben om ervoor te zorgen dat een wetenschapper die
bedreigd wordt, voldoende gefaciliteerd en ondersteund wordt vanuit de
instelling en vanuit mijn verantwoordelijkheid als minister voor het
stelsel. Daarbij zet ik bovendien veel liever in op de preventieve kant.
Zodra we de uitkomsten hebben, kom ik daarop bij u terug.
Voorzitter. Dan was er een vraag over de Nederlandse gedragscode
wetenschappelijke integriteit. Die wordt inderdaad op dit moment
herzien. De vernieuwde gedragscode verwacht ik dit najaar met uw Kamer
te kunnen delen. Er is een commissie ingesteld die een nieuwe analyse
maakt en beziet of de huidige gedragscode herziening behoeft.
Dan wil ik naar het tweede blokje gaan, het blokje rond de kennisketen.
Ik heb meerdere vragen hierover gekregen, dus ik heb geprobeerd om hier
een rode lijn in te maken. Als ik daarmee misschien toch onverhoopt een
vraag heb overgeslagen, dan interrumpeert u mij wel. Ik denk dat een van
de overkoepelende vragen die de heer De Beer, mevrouw Rooderkerk en de
heer Claessen naar voren brachten, ging over het enorme belang om onze
R&D-investeringen op het percentage te krijgen waar we eigenlijk al
jaren met elkaar over spreken, namelijk de 3%-norm. Je ziet dat
Nederland wat achterblijft bij de landen om ons heen. Ik ben uiteraard
blij dat het huidige kabinet weer meer geld wil investeren in de
publieke R&D-investeringen. Ik kom daar dadelijk nog even op terug.
Als je kijkt naar de private R&D-investeringen, zie je dat we het
daar ook beter zouden kunnen doen. Ik ga daar niet over. Daar gaan de
bedrijven zelf over.
Ik kan u vertellen dat ik afgelopen week een mooie bijeenkomst had met
het bestuur van wat we de Semicon Board NL noemen. Dat zijn eigenlijk
alle industrieën en bedrijven die zich bezighouden met halfgeleiders,
chips en alles wat met de Semiconindustrie te maken heeft. Daar zaten
publiek en privaat samen aan tafel om met elkaar te bespreken hoe je de
publieke R&D-investeringen en de private R&D-investeringen met
elkaar kunt versterken. De keuzes die je daarin maakt, hebben een
vliegwieleffect op de technologie die je zou willen stimuleren. Vanuit
de industrie werd erkend: ook wij moeten onze R&D-inzet eigenlijk
verhogen.
Die gesprekken lopen, en niet alleen maar aan zo'n Semicon Board-tafel,
maar ook in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Die
taskforce heeft onze minister-president ingericht. Daarin praten we met
verschillende ministers van verschillende departementen onder andere
over hoe we ons verdienvermogen kunnen laten groeien. Besproken wordt
hoe we ervoor kunnen zorgen dat we binnen Nederland de juiste talenten
opleiden en internationaal talent, zowel van de wetenschappelijke kant
als de kant van de studenten, naar Nederland weten te trekken. Het gaat
dus niet alleen om de onderzoekerskant, maar ook om de studenten. Die
taskforce is nu twee keer bij elkaar gekomen.
Vanuit mijn ministerie ben ik de coördinerende minister voor de
talentstrategie. Dat is heel fijn. Ik vind het heel fijn om te zien dat
de verschillende departementen integraal daaraan werken, omdat je dit
niet alleen vanuit OCW, EZK of andere ministeries kunt doen. Wij zullen
de Kamer voor de zomer — dat is oprecht zo — informeren over de eerste
stappen die de taskforce gezet heeft. Van mij kunt u vanuit die
talentstrategie een analyse verwachten waarin staat hoe we ervoor zorgen
dat we voldoende talent opleiden, omscholen, bijscholen en aantrekken om
bijvoorbeeld in onze tekortsectoren en ook in onze groeisectoren te
werken.
We hebben het prachtige rapport-Wennink gehad, waarin vier prioritaire
sectoren zijn benoemd waar Nederland eigenlijk een strategische
autonomie in zou willen hebben. Hoe zorg je ervoor dat je voldoende
talent daarvoor hebt? Dan gaat het over mbo-, hbo- wo-talent dat in die
sectoren zijn banen gaat vinden. Die talenten moeten ook de capaciteiten
hebben om in die sectoren te kunnen werken. De ambities van het kabinet
zijn torenhoog. We werken hard om in integraliteit met elkaar de juiste
stappen te zetten. Bij het debat over de talentstrategie zal ik u verder
hierin meenemen.
U heeft ook gevraagd: hoe zorg je dat je die publiek-private
innovatieprogramma's aansluit? De hele kern van het rapport-Wennink was
dat je samen, publiek en privaat, keuzes maakt, om te zorgen dat je niet
duizend bloemen laat bloeien, maar dat je gericht kiest waar je die
nieuwe economie ontwikkeld wil zien. Dat is overigens niet alleen maar
een bèta- en techniekfeestje. Ik ben het namelijk helemaal met mevrouw
Abdi eens. Bij bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe technologieën,
zoals nieuwe technologieën in de zorg, heb je ook gedragswetenschappers
nodig die aangeven hoe je ervoor zorgt dat bepaalde technologieën
gebruikt en geaccepteerd worden. Het is nodig dat er aan de voorkant
over de ethische aspecten van nieuwe technologieën wordt nagedacht en
niet pas op het einde. Ik zie dus dat er in de wetenschap al veel meer
interdisciplinair wordt samengewerkt. Daarbij wil ik overigens niet
zeggen dat maatschappij- en gedragswetenschappen altijd ten dienste
staan van technologie of bèta en technische wetenschappen. Nee, die
hebben een eigenstandige waarde. In de beleidsbrief die u van mij zult
krijgen, waarin de ambities van het coalitieakkoord worden omschreven,
zal ik ook aangeven hoe ik de breedte van de wetenschap en de
eigenstandige waarde van gedrags- en maatschappijwetenschappen wil
borgen.
Daarbij vind ik het ook van belang om aan te geven dat elke innovatie
start met nieuwsgierigheidsgedreven, ongebonden onderzoek. Ik heb de
afgelopen week vaak het voorbeeld genoemd van de opening van de
fotonicaproeffabriek in Eindhoven, een prachtige faciliteit. Die was er
niet geweest als er niet ooit een wetenschapper in een lab was gaan
nadenken over een bepaalde technologische ontwikkeling die die
wetenschapper in zijn of haar hoofd had. Dat leidt uiteindelijk tot een
opschaling in een fabriek. In die hele keten is dat
nieuwsgierigheidsgedreven, ongebonden onderzoek van cruciaal belang. Het
toegepaste onderzoek en het ongebonden onderzoek heb je in de hele keten
allemaal nodig. Als je niet investeert in dat ongebonden onderzoek, dan
durf ik te stellen dat je geen vooruitgang krijgt in de toepassing die
je nodig hebt, of dat nou gaat over nieuwe economieclusters of over
analyses van complexe, maatschappelijke problemen. Het een kan niet
zonder het ander. Daar zal ik altijd voor staan. Daar kunt u mij ook op
afrekenen. Ik weet niet of dat een … "Aanspreken" is misschien
positiever.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik stelde de vraag of de minister bereid was om ook onderzoek te doen
naar hoeveel van de eerste geldstroom uitgaat naar dat ongebonden
onderzoek? Ik zie de minister knikken, dus dat komt waarschijnlijk nog
terug.
Minister Letschert:
Ja, dat komt terug.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Precies. Dan wacht ik daar nog even op.
De voorzitter:
Dan kan u verder.
Minister Letschert:
Ik wil 'm meteen wel oppakken.
De voorzitter:
Dat mag ook.
Minister Letschert:
Ik vond dat een interessante vraag. Als voormalig
universiteitsbestuurder zou je dat antwoord natuurlijk meteen moeten
kunnen geven, maar ik ben hier, in dat halfuurtje dat ik net had, over
na gaan denken, voordat ik ja zou zeggen op een vraag die in de
uitwerking altijd toch complexer ligt. Je kunt de financiering die we
krijgen vanuit de overheid, maar ook vanuit allerlei andere
subsidiestromen — denk aan de NWO en de Europese financiering vanuit de
ERC — nog wel makkelijk scheiden, maar de overheidsfinanciering gaat
voor een deel natuurlijk in de lumpsum. Daarbij kun je wat moeilijker
vaststellen welk deel van die lumpsum bij een wetenschapper naar het
ongebonden onderzoek gaat.
Neemt u mij even als de oude wetenschapper. Ik krijg voor mijn
onderzoekscomponent een bepaald bedrag. Daar doe ik soms ongebonden
onderzoek mee, maar soms ook toegepast onderzoek. Het is dezelfde
persoon. Dat is overigens ook dezelfde persoon die onderwijs geeft. Je
kunt dat op die manier heel moeilijk inzichtelijk maken, zoals u wenst.
Als ik die vraag zou stellen aan de instellingen, dan zou ik de
instellingen met een enorme administratieve last opzadelen, terwijl die
volgens mij niet gaat opleveren wat u zoekt. U wilt namelijk dat er
voldoende ruimte is voor dat ongebonden onderzoek; dat begrijp ik. Ik
wil hier wel erkennen dat dat voor een deel onder druk heeft gestaan,
ook omdat we heel veel bezuinigingen hebben gezien binnen het hoger
onderwijs. Die bezuinigingen raken uiteraard ook de ruimte die
wetenschappers hebben om überhaupt onderzoek te doen. Daarom ben ik ook
blij dat er nu weer een extra impuls aan het onderzoek kan worden
gegeven. Ik kom binnenkort naar uw commissie met mijn plannen. Wij
hebben vaker rapporten gehad die de onderfinanciering van ons hoger
onderwijs hebben laten zien. Ja, dat doet ergens pijn, maar ik zou het
willen ontraden om uw vraag verder te gaan uitzoeken, want dat is
eigenlijk gewoon niet te doen.
De voorzitter:
Er is nog één vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Het klopt inderdaad wat de minister zegt, dat het te maken heeft met
ongebonden onderzoek, maar ik heb ook nagedacht over de schaarste, de
druk en die enorme competitiviteit tussen wetenschappers. Ik dacht dat
als we in de basisfinanciering meer beschikbaar zouden kunnen maken, we
misschien ook die concurrentieslag minder heftig zouden kunnen maken,
waardoor er dus ook meer rust en ruimte is om echt onderzoek te doen.
Mijn volgende vraag is niet voor nu, maar ik ben dan inderdaad
nieuwsgierig of de minister ideeën heeft om via de NWO bij die enorme
schaarste aan slagingskansen — het is 10% tot 12%, geloof ik — meer
ruimte te creëren, zodat meer wetenschappers toch hun onderzoek kunnen
doen. Dat is namelijk ook een van de elementen van waarom ik ernaar
vroeg.
Minister Letschert:
In de beleidsbrief die u van het kabinet, en van mij in het bijzonder,
gaat ontvangen rondom de besteding van de middelen voor onderzoek en
wetenschap zult u ook zien dat een deel van die middelen er ook echt op
toegespitst is dat universiteiten en hogescholen dat ongebonden
onderzoek te kunnen doen. Wij gaan vast met elkaar een gesprek hebben
over de vraag: is het voldoende en is het voldoende gericht? Ik kom
daarmee meteen bij de beantwoording van de vragen over de regeldruk. Ik
vind het daarbij namelijk belangrijk om zo min mogelijk nieuwe
instrumenten in te richten waardoor de universiteiten en hogescholen —
dat geldt overigens ook voor de mbo's als we het over de practoraten
hebben — allerlei instrumenten moeten gaan uitwerken in hun instellingen
die weer leiden tot nieuwe overhead. Dat moeten we volgens mij namelijk
niet willen. Laten we dat gesprek hebben op het moment dat de
beleidsbrief uw kant op is gekomen, zodat u ook kunt toetsen of ik
voldoende heb geluisterd naar wat eigenlijk bijna de voltallige
commissie zegt: zo min mogelijk extra regeldruk en administratieve
lasten voor de instellingen, zodat de ruimte voor het ongebonden maar
ook het toegepaste onderzoek geborgd blijft.
De heer Boomsma (JA21):
Zoals ik 'm begreep, gaat ongebonden er meer over dat wetenschappers
zelf kunnen bepalen wat ze ermee doen. Ze kunnen dan kiezen voor meer
fundamenteel onderzoek, maar ook voor toegepast onderzoek. Het gaat erom
dat ze daar zelf beschikking over hebben en die keuze kunnen maken.
Ongebondenheid staat dus niet tegenover toegepast, maar is er een van de
varianten van. Ik ben heel blij dat de minister dit omarmt en zegt: ja,
wij hechten ook ontzettend aan dat ongebonden onderzoek. Het is goed als
dat wordt meegenomen in die brief, die we dan inderdaad zullen
bespreken, en als het heel duidelijk wordt gestipuleerd in die
sectorplannen en er als voorwaarde wordt opgenomen dat het op die manier
kan worden besteed.
De voorzitter:
De minister knikt instemmend.
Minister Letschert:
Ja, meneer de voorzitter. Misschien kan ik daar nog iets aan toevoegen.
Ik weet niet of het een vraag van meneer Boomsma was, maar ik dacht het
wel. Het was net ook een vraag van de heer Van Duijvenvoorde. De vraag
was hoe je er nou voor zorgt dat instellingen niet met elkaar
concurreren maar meer met elkaar samenwerken. Hoe zorg je ervoor dat er
niet te veel prikkels in zitten, bijvoorbeeld via de financiering
omtrent studentenaantallen? Dat leidt namelijk soms tot de verkeerde
prikkels. Je zou juist willen dat universiteiten, hogescholen en mbo's
veel meer de samenwerking opzoeken met elkaar. Ik moet zeggen, even
pratend vanuit ervaring in de universitaire sector, dat de plannen die
er bijvoorbeeld zijn rondom zelfregie, met name wat betreft sturing op
internationale studenten, eigenlijk al laten zien dat universiteiten
gezamenlijk afspraken maken in plaats van ieder voor zich en met elkaar
die concurrentieslag aangaan. Ik vind dat een hele mooie ontwikkeling.
Daarover zullen we wellicht volgende week met elkaar praten in het debat
over het hoger onderwijs. We zijn een klein land en we hebben
topinstellingen. Hoe meer we samenwerken en de schaarste die er is,
zowel in middelen als in mensen, samen aanpakken in plaats van ieder
voor zich, hoe beter het is. Ik denk dat het goed is als we dat debat
volgende week verder met elkaar voeren.
Dan wil ik nu graag door met de vraag over het replicatieonderzoek. Het
is uiteraard belangrijk dat onderzoek replicabel is en dat daar
voldoende financiering voor is. Het is een heel belangrijk onderdeel van
de code wetenschappelijke integriteit dat je bevindingen gerepliceerd en
geverifieerd moeten kunnen worden. Het is ook een van de onderdelen van
de hele checks-and-balances in het wetenschappelijk systeem. Vaak is het
niet het meest sexy onderzoek, waardoor wetenschappers er niet altijd
voor kiezen, maar ik ben wel blij om te zeggen dat het regieorgaan Open
Science NL bij NWO onderzoeksfinanciering beschikbaar heeft specifiek
voor replicatieonderzoek. Ik heb zelf een tijd het voorzitterschap mogen
hebben van een Europese, eigenlijk globale, organisatie die als ambitie
heeft om de manier van onderzoeksbeoordeling veel diverser maar wel
gevalideerd te maken, waar onder andere replicatieonderzoek als
belangwekkend onderzoek onderdeel was van de discussies. Er is dus een
beweging gaande. Het is goed dat die gaande is. Dat wil ik hierbij
benadrukken.
Eens even kijken. Ik heb heel veel al beantwoord. Ik loop even door mijn
notities heen. Ik heb een vraag gekregen over het SEO-rapport. Ik heb
aan het begin van dit blokje het een en ander gezegd over de ambities
van het kabinet rondom R&D-investeringen. In september kom ik met
een uitgebreide reactie op het rapport van SEO. Ik zie heel veel
positieve relaties tussen publiek-private samenwerking en investeringen.
Denk alleen al aan het project Beethoven in de omgeving van Eindhoven,
maar denk hier vlakbij aan de Biotech Campus, waarin ook verschillende
partners samenwerken. Hierop zullen we in de reactie op de brief, maar
ook in het werk dat we met de taskforce doen, verder bij u terugkomen,
op een later moment.
Eens even kijken. Studentenaantallen heb ik gehad, net als bureaucratie.
Dan valorisatie. Dat thema ligt u ook nauw aan het hart. Ik wil beginnen
met aan te geven dat valorisatie niet de enge definitie kent van alleen
maar kijken naar de economische waarde die uit onderzoek zou kunnen
komen. Het gaat ook om de maatschappelijke waarde. Als je als
wetenschapper onderzoek doet naar de impact van — wat zal ik eens
noemen? — crisisbeheersing ... Ik heb zulke fijne mensen naast me
zitten! Als je dus onderzoek naar crisisbeheersing doet en er in een
commissiedebat in de Tweede Kamer wordt verwezen naar dat onderzoek, of
je je onderzoek ineens in een voetnoot in een Kamerbrief vindt, dan is
dat maatschappelijke valorisatie. Daar ben je als wetenschapper dan
enorm trots op, en terecht. Dat geldt ook voor de economische
valorisatie. De universiteiten en hogescholen hebben de taak om over die
valorisatie na te denken en wetenschappers in staat te stellen om daar
uitvoering aan te geven, want dat is niet zomaar iets wat je erbij en
ernaast doet. Op het moment dat je bijvoorbeeld een prachtig
wetenschappelijk artikel gepubliceerd hebt gekregen en je dat
toegankelijker zou willen opschrijven, bijvoorbeeld in een beleidsbrief
gericht aan de Tweede Kamer, dan heb je daar tijd en soms ook expertise
voor nodig. De universiteiten zijn er volop mee aan de slag om die
ruimte te geven, maar die staat soms wel onder druk, zeker in tijden
waarin kabinetten bezuinigen op de wetenschap, want dan zijn dat nou net
de taken waar je wat minder erkenning voor krijgt. Daarom geloof ik
altijd heel erg in het programma Erkennen en Waarderen, waarmee je de
ruimte geeft aan wetenschappers om zich ook in dat type expertise te
mogen ontwikkelen.
De discussie over valorisatie gaan we ook met elkaar hebben als we
praten over de inzet van het kabinet op de regionale campussen. In de
beleidsbrief zullen we daar ook het een en ander over schrijven. Ik ben
inmiddels in gesprek met de minister van EZK om te bekijken hoe we
ervoor zorgen dat we met de taskforce nieuwe economie, en met de keuzes
die we daarin maken, aansluiten bij de bestaande regionale campussen,
waar de ecosystemen al een plaats hebben en de partijen die je daarvoor
nodig hebt al met elkaar samenwerken. Dan heb ik het over de private
partijen, waarbij ik niet alleen maar de grote multinationals wil
noemen, maar ook ons belangrijke mkb, en het mbo, hbo en wo. Wij zijn nu
met elkaar in gesprek over hoe we zorgen dat we gericht incentives geven
en de bestaande succesvolle ecosystemen daarmee versterken, zodat ook
hier weer niet duizend bloemen bloeien. Daar is valorisatie natuurlijk
een heel belangrijk onderwerp in vanuit de kennisinstellingen.
Ik ga misschien ook maar meteen de PD-discussie hierbij noemen. Voor een
deel is het praktijkgerichte onderzoek dat je aan de hogescholen ziet
een belangrijk vehikel om de valorisatie vanuit de hogescholen nog meer
een gezicht en erkenning te geven. Uw vragen gingen over de vraag waarom
ik de pilot niet heb afgewacht en waarom wij nu al de
internetconsultatie zijn gestart. Dat heeft er deels mee te maken dat de
mensen die in die pilot aan het werk zijn, dus die in een professional
doctorate zitten, eigenlijk niet als een soort guinea pigs, als ik ze zo
mag noemen, de dupe wil laten zijn van de onzekerheid over dit
wetsvoorstel, mede afhankelijk van wat er allemaal nog uit de
consultatie komt. In die pilot zijn er jaarlijkse toetsen om bij te
sturen waar dat nodig is. Als het wetsvoorstel een gedragen meerderheid
krijgt in de Kamer, is de verwachting dat deze mensen aan het einde van
het traject — zij zijn nu gewoon bezig — een PD-titel kunnen krijgen. Ik
ben afgelopen week op bezoek gegaan bij een aantal mensen die in een
professional doctorate-traject zitten. Ik zou daar heel graag een keer
langs willen gaan met de heer De Beer, maar we hebben veel werkbezoeken.
Ik heb daar met verschillende PD's, zoals ik ze inmiddels noem,
gesproken. Dit is nog maar n=3, dus het is zeker nog niet voldoende
wetenschappelijk onderbouwd door mij als minister, maar ik heb daar wel
voldoende inzage gekregen om te zien dat de toegevoegde waarde van het
type onderzoek dat zij doen en het eindresultaat dat zij gaan opleveren,
echt iets heel anders is dan een wetenschappelijk proefschrift aan een
universiteit. Dat moet ook, want het moet niet precies hetzelfde zijn.
Anders zou niemand begrijpen waarom je er een titel bij doet.
Ik hoop dat meneer De Beer de pilot met een open mind wil benaderen,
totdat de pilot helemaal klaar is. Ik hoop ook dat hij tijdens de
internetconsultatie wil gaan spreken met de verschillende instellingen
die er nu ervaring mee opdoen, om in alle scherpte te zien dat het iets
anders moet zijn dan een wetenschappelijk-theoretisch geïnspireerd
proefschrift, en om dan ook de meerwaarde te zien van de PD voor het
praktijkgericht onderzoek. Ik zal in de beleidsbrief die ik uw Kamer ga
sturen ook aangeven dat wij een incentivering van de middelen voor het
praktijkgericht onderzoek zouden willen voorstellen aan uw Kamer, omdat
het belang daarvan gewoon enorm groot is. De erkenning die mensen
krijgen voor het doen van dat type onderzoek vind ik eerlijk gezegd ook
al een waarde op zichzelf. Dan nog iets als laatste, en dan stop ik met
dit onderdeel. Het product waar mensen uiteindelijk hun professional
doctorate mee behalen, is heel gevarieerd. Dat kan een proof of concept
of een handleiding bij een andere manier van werken in zorginstellingen
zijn, waar ze uiteindelijk een onderzoeksverslag over moeten schrijven,
maar er zit dus ook een heel ander type resultaat bij. Dat zien we aan
universitaire instellingen veel minder, want daar heb je een
proefschrift met artikelen of een boek. Ik ben er dus heel erg content
mee dat we nu de internetconsultatie kunnen starten, want dan krijgen
alle partijen de ruimte om hun zorgen, kritiek of enthousiasme te delen.
Samen met de pilot maakt dit dat wij met elkaar kunnen gaan bepalen of
wij dit wetsvoorstel naar de Tweede en de Eerste Kamer willen
sturen.
Meneer de voorzitter. Als laatste in dit blokje ga ik in op AI in het
onderwijs. Daarna ga ik naar de infra.
Het is evident dat AI in alle onderwijssectoren een enorme impact heeft
op het onderwijs. Ik dacht dat het de heer Boomsma was die dat zei. Of
was het mevrouw Abdi? Dat maakt eigenlijk niet uit. Wat ik zie, is dat
in de sector, maar uiteraard ook binnen de individuele instellingen,
bijvoorbeeld met teaching and learning centres samen uiting wordt
gegeven aan de manier waarop je de impact van AI op het onderwijs en
bijvoorbeeld op de toetsing vorm moet geven. Dat gebeurt niet alleen bij
essays. Bij heel veel onderwijsvormen kun je aan de ene kant de kansen
pakken, terwijl je aan de andere kant serieus moet zijn over de risico's
die dit met zich meebrengt. Bij de afwegingen die de instellingen
daarbij maken, zijn zij natuurlijk gehouden aan onze accreditatiekaders,
waar ik als minister verantwoordelijk voor ben, en aan de
AI-verordening. Ik vind het mooi dat vanuit het Nationaal Groeifonds op
enig moment een aanzienlijke, incidentele investering is gedaan in het
programma Npuls. Daarbij wordt vooral geïnvesteerd in het landelijk
ophalen en delen van evidencebased kennis van de wetenschappelijke
sectoren die hier ervaring mee hebben, met name van de
onderwijsdeskundigen en de data scientists. Zo wil men de digitale
vaardigheden van docenten versterken, maar ook de impact daarvan op
studenten goed kunnen meenemen. Het Npuls-project loopt nu een aantal
jaren. Ik ben uiteraard bereid om de resultaten van een volgende
evaluatie van het Npuls-project — dat loopt via het Groeifonds en
uiteindelijk ook via OCW — met u te delen. Die resultaten zijn immers
van groot belang en leiden uiteindelijk tot een opschaling van kennis en
ervaring. Dan is niet ieder voor zich het wiel aan het uitvinden; dat
wil je uiteraard niet.
De heer Boomsma (JA21):
Dat lijkt me heel goed. Het is inderdaad een ontzettende gamechanger op
allerlei niveaus. Het gaat echter niet alleen om de digitale
vaardigheden die docenten of studenten kunnen opdoen. Je wil gewoon dat
kinderen en studenten goed leren schrijven. Dat gaan ze niet meer thuis
doen. Daar moet je dus voor zorgen. Dat vraagt om ruimte op de
universiteit en dat vraagt ook om tijd van docenten. Zij moeten daar
aanwezig zijn, terwijl ter plekke aan opdrachten wordt geschreven. Dat
is iets wat, denk ik, wel een onderdeel moet zijn van de oplossing en
van het gesprek hierover.
Minister Letschert:
Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik zie het bij mijn eigen
kinderen.
De voorzitter:
Het is fijn dat we het eens zijn. U kunt verder naar blokje vier:
infrastructuur.
Minister Letschert:
Blokje vier: de onderwijsinfrastructuur. Ik ga wat sneller.
De Einsteintelescoop. In de beleidsbrief die over enkele weken uw kant
op komt, zullen door het ministerie zowel over de grootschalige
infrastructuur in het algemeen wat suggesties en voorstellen worden
gedaan als, uiteraard, over de Einsteintelescoop, die ook een onderdeel
is van het coalitieakkoord. Ik zal vol inzetten op de lobby die nodig is
om de Einsteintelescoop naar de regio te halen. Ik ben momenteel bezig
met het aanstellen van een nieuwe special envoy. We hadden een special
envoy, maar die is toegetreden tot het kabinet. Ik moest dus een
opvolger zoeken. Ik ben bijna zover dat ik wereldkundig kan maken wie
het is, maar dat kan ik nu nog niet doen. Dat betekent dat zowel ik als
de special envoy alles zal doen om ervoor te zorgen dat het bid dat
gemaakt moet worden, voldoende steun krijgt van de landen waarvan wij
die steun nodig zullen hebben. Het is een enorm belangrijke
wetenschappelijke infrastructuur. De pathfinder die er nu staat — dat
noemen we de mini-Einstein — heeft ook al een heel relevante
infrastructuur. In de beleidsbrief kunt u ook een intensivering van de
ontwikkeling van deze pathfinder tegemoetzien.
Als laatste ga ik in dit blokje naar de kennisveiligheid. Dan heb ik ze
bijna allemaal gehad. Ik ga uw Kamer zo snel mogelijk informeren over de
voortgang van het wetsvoorstel Screening kennisveiligheid. Daar heeft u
best lang op moeten wachten, heb ik begrepen. Ik wil hier wel
benadrukken dat de screening kennisveiligheid niet op zichzelf staat. De
kennisinstellingen zijn al jaren hard aan het werk om het eigen
kennisveiligheidsbeleid te implementeren. Zij worden daarbij geholpen
door de Rijksoverheid via het Loket Kennisveiligheid, en met de
nationale leidraad die al is opgesteld en een uniforme set van criteria
om risico-afwegingen te maken. Zij hebben in 2025 ook al geld gekregen,
ongeveer 18 miljoen, om te investeren in de beschermingsmaatregelen en
het toegangsbeleid.
De resultaten van de internetconsultatie van het wetvoorstel Screening
kennisveiligheid zijn inmiddels binnen. Er zijn ook uitvoeringstoetsen —
die lopen parallel aan de internetconsultatie — en adviezen
binnengekomen. Wat ik op dit moment, as we speak, aan het doen ben, is
dat allemaal samennemen. Met mijn collega-bewindspersonen van JenV en
van EZK treed ik in overleg over de manier waarop wij uiting gaan geven
aan alle adviezen en de uitvoeringstoetsen die binnen zijn gekomen. Er
zijn namelijk best wel wat dilemma's. Ik denk niet dat we die nu moeten
bespreken. Dat moeten we, denk ik, doen nadat ik die dilemma's goed heb
verwoord. Dan kan ik met u in een debat over die dilemma's
spreken.
Ik wil wel nog noemen — en dan stop ik — dat de persoonsgebonden
screening, die voor een deel ook in deze wet zit, al deels risicogericht
plaatsvindt onder de sanctieverordening van de Europese Unie. Het is dus
niet dat daar niks gebeurt. Met uw toestemming zal ik zo snel als
mogelijk alles wat er nu ligt meenemen voor die brief; daarna zal ik met
u dat gesprek aangaan.
De voorzitter:
Ik dank u voor alle antwoorden. Ik kijk of er nog vragen zijn blijven
liggen. Dat is niet het geval. Dan stel ik voor dat we gelijk naar de
tweede termijn overgaan. Ik begin bij de heer De Beer van de VVD.
De heer De Beer (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik had maar weinig tijd om na te denken over de
tweede termijn, aangezien mijn buurman, de eerste spreker, ervantussen
is gegaan.
Laat ik vooropstellen dat ik mij wat betreft de valorisatie helemaal
aansluit bij de minister. Dit is breder dan alleen de economische
impact. Ik heb daarstraks ook gewezen op maatschappelijke vraagstukken.
Die maatschappelijke meerwaarde onderschrijven we natuurlijk helemaal.
Ik denk dat er inderdaad voldoende aanknopingspunten zijn om daar met
elkaar de komende tijd verder over te spreken. De campusontwikkeling en
een deel van de talentstrategie zullen ook op dat snijvlak liggen.
Het tweede onderwerp was het professional doctorate. Als de minister mij
aankijkt en vraagt "kunnen wij dat niet met een open blik benaderen",
dan is het moeilijk om dat af te wijzen, maar ik wil wel helder maken
dat het ons vooral gaat om de duidelijkheid die je met elkaar in het
stelsel creëert over de titulatuur. Gaat het daarbij om het belang van
praktijkgericht onderzoek, dan onderschrijven wij dat helemaal, zeker
als daarbij sprake is van samenwerking met niet alleen de universitaire
wereld, maar ook met het hbo en het mbo. Uiteraard wil ik graag samen
met de minister verder nadenken over de vraag hoe we zoeken naar vormen
van waardering van dat praktijkgerichte onderzoek.
De voorzitter:
Wilt u tot een eind van uw betoog komen? U heeft nog 1 minuut en 20
seconden.
De heer De Beer (VVD):
Ja, dat is dan ook het nadeel. Wat betreft kennisveiligheid wachten we
het even af. Ik ben benieuwd of we dat op een zeer korte termijn
richting de Kamer kunnen zien komen.
Ik kijk even of er nog een onderwerp is blijven liggen. Dat is volgens
mij niet het geval. Mocht dat zo zijn, dan interrumpeer ik nog.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we naar mevrouw Rooderkerk van
D66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Veel dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording en
voor dit debat. We hebben het natuurlijk gehad over de pluriformiteit
van de wetenschap en de zorgen over academische vrijheid. Ik vind het
dus goed om te horen dat de minister aangeeft dat er onderzoek komt naar
de pluriformiteit. Dat is wat mij betreft de juiste reflex. Laten we de
zorgen over de wetenschap ook op een wetenschappelijke manier
onderzoeken en zien of die zorgen gegrond zijn. Academische vrijheid is
namelijk geen vanzelfsprekendheid, maar een verworvenheid, die kwetsbaar
is en niet alleen van buitenaf wordt bedreigd, maar ook van binnenuit,
wanneer partijen spreken over politieke druk op instellingen. Die
verleiding hoorde ik wel in dit debat, in verhalen over woke op de
universiteit, indoctrinatie en ideologische eenzijdigheid. Ik neem die
zorgen serieus, maar een incident is geen systeem, een anekdote is geen
bewijs en een onderbuikgevoel is geen beleidsbasis. Laten we dit dus
onderzoeken. Op basis daarvan kunnen we de kaders stellen die nodig zijn
ten aanzien van de financiering, de onafhankelijkheid en het beschermen
van de randvoorwaarden. Mijn oproep aan deze Kamer is: laten we staan
voor de academische vrijheid. Ik ben ook blij dat we gaan inzetten op
valorisatie en op praktijkgericht onderzoek. Ik zie uit naar de
ambitieuze agenda van dit kabinet daarover.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we naar de heer Boomsma van JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank aan de minister. We hebben volgens mij een goed gesprek kunnen
voeren. Ik denk dat het heel goed mogelijk is om meer
standpuntdiversiteit in de universitaire wereld te bepleiten zonder dat
je mensen meteen beticht van kwade wil of de wetenschap an sich gaat
ondermijnen. Het is natuurlijk wel belangrijk dat je dat op een
zorgvuldige manier doet. Ik ben dus blij met de toezegging om te kijken
of dat onderzoek kan worden versneld. Ik snap dat nog niet zeker is of
dat lukt. Ik hoop het zeer. Dan gaan we er daarna verder over spreken.
Ik vind het ook goed om te zien dat de gedragscode wordt herzien. Ik
hoop dat objectiviteit en waarheidsvinding dan terugkeren.
Ik had in het kader van de regeldruk en de bureaucratie een opmerking
gemaakt over de visitaties. Je hebt onderzoeks- en onderwijsvisitaties.
Ik denk dat het verstandig is om te kijken of je de frequentie daarvan
kunt beperken, dus dat je ze niet elke zes jaar doet, maar elke acht of
tien jaar. Dan doe je ze dus om en om. Ik denk dat dat heel veel kan
opleveren voor de universiteiten. Daar komen we trouwens volgende week
misschien op terug.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik heb geen interruptie, maar ik wil iets zeggen over iets wat we
volgens mij allemaal waren vergeten: ik zou graag een tweeminutendebat
willen aanvragen.
De voorzitter:
U bent officieel de eerste. Daarmee staat het dus genoteerd, mevrouw
Rooderkerk. Ja, meneer Boomsma, mevrouw Rooderkerk was u voor. Zo werkt
het hier soms. Het is gebeurd. Het gaat plaatsvinden. Ik geef het woord
aan mevrouw Armut van het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Het CDA heeft dit debat gebruikt om uit te spreken dat
wij het heel belangrijk vinden dat de randvoorwaarden goed zijn om
wetenschappelijk onderzoek van topniveau te borgen. We kijken heel erg
uit naar de verdere uitwerking van het kabinet om dit ook waar te maken,
dus dank.
De voorzitter:
We gaan naar de heer Van Duijvenvoorde van Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dank aan de minister voor het vooralsnog afdoende beantwoorden van de
gestelde vragen. Het is natuurlijk een beetje een moeilijk debat, omdat
er nog heel veel aanstaande is. Ik weet niet meer wat er allemaal komt.
De beleidsbrief moet nog komen. Er zijn een paar dingen voor de zomer en
een paar dingen voor het najaar. Ik ben daarvan even het overzicht
kwijt. Ik zou graag een overzicht willen hebben van wat er nou eigenlijk
allemaal gezegd is over wat wij nog te ontvangen hebben. Dat is me nu
een beetje onduidelijk.
De voorzitter:
Dat gaan we aan het eind van het debat opsommen, dus dat komt
goed.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Verder dank u wel voor het beantwoorden van de vragen.
De voorzitter:
Tot slot aan de zijde van de Kamer: mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik wil ook beginnen met dank uitspreken aan de
minister. Dank dat ze op een aantal vragen nader is ingegaan. Het doet
me deugd om te horen dat u het brede wetenschappelijke klimaat
belangrijk vindt. Dat laat onverlet dat ik het graag iets concreter wil
zien, bijvoorbeeld wat betreft de talentstrategie of de inzet op
bepaalde strategische sectoren. Ik snap de wens, maar die kan ook een
valkuil met zich meebrengen. Ik zou het dus prettig vinden als de
minister in haar toezegging — de voorzitter gaat zo nog een opsomming
doen van de toezeggingen — concreet maakt hoe we dit extra gaan borgen.
Daarom vroeg ik ook door. Wat dit betekent voor het beleid? Hoe kijken
we naar innovatie? We moeten voortaan echt spreken over het volledige
wetenschappelijke klimaat.
Voorzitter. Ik begon mijn bijdrage met kennis is macht, beter gezegd:
tegenmacht. Ik ben blij dat we wetenschap hebben die een aantal mensen
misschien tot op het bot weet te irriteren. Ik zou bijna zeggen: ga zo
door! Nee, dat is natuurlijk een soort geintje. Ik ben echter
bloedserieus: ik vind het doodeng. Het probleem is breder, want we zien
een aanval op rechters, op journalisten en nu dus ook op wetenschappers.
Wij gaan niet mee in een soort geïmporteerde cultuuroorlog. Dat is
schadelijk. Dat is on-Nederlands. Dat is onwenselijk. Mijn fractie vindt
het van belang dat we vandaag en niet pas morgen beginnen met het borgen
van een veilig onafhankelijk wetenschappelijk klimaat. We roepen de
minister op om ook echt voor de wetenschap te gaan staan. Ik zie heel
graag hoe de minister dat concreet gaat vormgeven. Wij zullen zelf ook
met voorstellen komen.
Het laatste punt dat ik wilde maken is dat in de wetenschap één ding
vooropstaat: je verzet je altijd tegen iets. Het bevestigen van de
bestaande feiten levert je geen onderzoeksgeld op. Het is daarom ook een
beetje onzin om te denken dat wetenschap een grote echoput is; verre
van! Bij dezen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie een twijfelende heer Boomsma, maar hij heeft toch
geen interruptie.
Kan de minister gelijk verder of wil ze dat we een paar minuten
schorsen? We kunnen gelijk verder, dus dan gaan we naar de tweede
termijn van de minister.
Minister Letschert:
Ik heb al zo veel tijd genomen.
Meneer de voorzitter, volgens mij hoef ik niet op alles apart in te
gaan. De voorzitter gaat dadelijk namelijk samenvatten wat ik allemaal
beloofd heb. Ja, toch? Dat is het geval. Over de PD gaan we nog
discussiëren op het moment dat we verder in het proces zijn. Die
internetconsultatie loopt. Als dat allemaal binnen is, gaan wij absoluut
het gesprek met elkaar hebben waarom dit onderzoekstalent ook een titel
verdient en over hoe de Kamer daarnaar kijkt.
Voorzitter. Aan de heer Boomsma wilde ik graag toezeggen dat ik ga
kijken of ik het onderzoek rondom de pluriformiteit kan versnellen. Maar
ik zeg nogmaals dat dit niet ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid
bij het maken van de keuze voor het onderzoeksbureau dat dat dan gaat
doen.
Volgende week kunnen wij bij het debat over hoger onderwijs met elkaar
spreken over het verkorten van onderwijsvisitaties. Daar is in het
verleden ook al een hele discussie over geweest. Het idee was om die
eruit te halen en alleen maar instellingsaccreditaties te doen. Dat
wilde de Kamer toen niet. Ik sta ervoor open om daar opnieuw een
discussie over te hebben.
De andere opmerkingen zal ik zeker ter harte nemen. Veel dank voor het
fijne debat.
De voorzitter:
Die dank is wederzijds. Veel dank aan de minister. Ik concludeer dat we
een tweeminutendebat zullen hebben met als eerste spreker mevrouw
Rooderkerk. Zij zal spreken namens D66.
Dan ga ik nu nog even de administratie doen. Dat betekent dat ik de
toezeggingen zal voorlezen. Mevrouw Keijzer, u bent precies op tijd voor
de toezeggingen! Ik noem hier graag bij dat een toezegging officieel
iets is wat terugkomt in een Kamerbrief en wat nog niet eerder met de
Kamer is gedeeld. Misschien denkt u: er zijn meer dingen gezegd dan de
voorzitter nu voorleest. Dat kan kloppen, maar dit is wat valt onder de
definitie van een toezegging.
De minister gaat voor de zomer de Kamer informeren over de eerste stappen die zijn gezet met de talentstrategie.
De minister informeert de Kamer voor de zomer over de uitkomst van de monitor WetenschapVeilig en bekijkt aan de hand daarvan wat nog additioneel nodig is.
De vernieuwde gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt in het najaar verwacht en dan met de Kamer gedeeld.
De minister komt in de beleidsbrief over de besteding van middelen voor onderzoek en wetenschap terug op de verdeling van middelen voor fundamenteel onderzoek. In deze beleidsbrief wordt ook de intensivering van de ETpathfinder meegenomen.
Bij de beleidsbrief is geen datum genoemd, maar het ging over enkele
weken, als ik het me goed herinner. Binnen enkele weken komt die naar de
Kamer. Er komt nog een ambtelijk proces aan, maar die komt binnenkort
onze kant op, zeker voor de zomer maar volgens mij wel eerder dan voor
de zomer. De minister zegt zelfs: ver voor de zomer. Dat staat
genoteerd.
Ik kijk even of er nog dingen ontbreken.
De heer Boomsma (JA21):
Ik had ook een vraag gesteld over de digitale infrastructuur. Ik denk
dat het belangrijk is om daar snel een besluit over te nemen. Dat zit
ook in die brief?
De voorzitter:
Ik zie een duim van de minister, dus dat is zo. De minister vult
aan.
Minister Letschert:
Ik heb ook toegezegd dat ik het onderzoek naar de pluriformiteit, dat
naar aanleiding van de motie-Heite zal worden gedaan, graag probeer te
versnellen, zodat we de uitkomsten eerder kunnen hebben en we de zorgen
die hier vandaag gedeeld zijn, eerder onderbouwd door dat onderzoek met
elkaar kunnen bespreken.
De voorzitter:
Ja, en om de Kamer over de uitkomsten te informeren.
Minister Letschert:
Zeker, zeker, uiteraard.
De voorzitter:
En dat gaat niet ten koste van de kwaliteit van het onderzoek.
Minister Letschert:
Precies.
De voorzitter:
Dat lijkt me goed. Ik zie dat er nog een paar aanvullingen zijn. Mevrouw
Keijzer en de heer De Beer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik begrijp dat vooral mevrouw Rooderkerk mij gemist heeft; ik heb alles
zitten luisteren. Wat is de termijn van het onderzoek op basis van de
motie-Heite? Ik heb begrepen dat u geen antwoord heeft gegeven op mijn
vraag of er een apart fonds komt voor tegendraads onderzoek. Als dat
meegenomen is in het onderzoek waar u het nu over heeft, wacht ik dat
af. Ik wil dan wel graag een termijn hebben. Wanneer komt dat?
Minister Letschert:
Ik heb gezegd dat er drie trajecten lopen. Er loopt een traject bij de
KNAW over juridische borging van academische vrijheid. Er loopt een
traject rondom het begrip "academische vrijheid" in relatie tot vrijheid
van meningsuiting. Die komen beide voor de zomer. Er zijn
voorbereidingen getroffen om onderzoek te doen naar de pluriformiteit
binnen de wetenschap. Ik heb uw commissie toegezegd dat ik ga proberen
de start van dat onderzoek te versnellen, zodat we snel met elkaar een
discussie kunnen hebben zoals we hier vanmiddag hebben gehad. Daarbij
ben ik wel afhankelijk. Het is een aanbesteding, dus er zijn partijen
die zich voor dat onderzoek gaan melden. Die aanbesteding wil ik
zorgvuldig kunnen doen. In eerste instantie was de planning het najaar,
maar alles wat ik naar voren kan halen zonder de kwaliteit van het
onderzoek daarmee in het gedrang te brengen, ga ik echt proberen naar
voren te halen. Dat is wat ik heb toegezegd. Daar hoort dus ook de
discussie bij die we dan met elkaar hebben over de noodzaak die sommigen
van uw leden zien om een fonds te hebben voor tegendraadse meningen. Ik
ben van mening dat daar ruimte voor is binnen de huidige
onderzoeksfinanciering, en anders zou die er moeten zijn. Als op basis
van dat onderzoek naar de pluriformiteit blijkt dat die er niet zou
zijn, dan hebben we met elkaar dat gesprek. Zo hebben wij de discussie
gehad.
De voorzitter:
Dank. Dan zie ik nog de heer De Beer en dan de heer Van
Duijvenvoorde.
De heer De Beer (VVD):
Kunnen we ook nog iets afspreken over kennisveiligheid? De minister gaf
net aan dat er allerhande gesprekken en consultaties lopen. Kunnen we
daar een termijn aan verbinden?
De voorzitter:
Ik kijk naar de minister voor een termijn.
Minister Letschert:
Zo snel mogelijk.
De voorzitter:
Is dat een kwestie van weken, maanden of jaren?
Minister Letschert:
Ik heb inmiddels in Den Haag geleerd dat je soms best door wat routes
moet. Ik hoef u niet te vertellen wat dat betekent. Ik gok op eind mei,
maar dat zit 'm ook een beetje in de vrije dagen en de recessen.
De voorzitter:
Volgens mij valt het onder het bakje "voor de zomer", maar hoe eerder
hoe beter. Dan tot slot de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik weet niet of het bij dezelfde beleidsbrief hoort, maar hoort de brief
waarin geschreven zou worden over de verdeling van de middelen, het
onderzoek, de wetenschap en hoe we dat willen gaan vormgeven, bij die
net genoemde beleidsbrief over digitale ontwikkelingen?
De voorzitter:
De minister knikt, dus dat wordt daarin verwerkt. Wij kijken als
Kamercommissie uit naar de brieven die er de komende tijd aan komen. We
gaan deze debatten vervolgen. Ik dank iedereen voor zijn tijd, de mensen
op de tribune en de mensen thuis voor het meeluisteren, en de minister
en de ondersteuning voor het beantwoorden van alle vragen. Hiermee zijn
we aan het einde van het debat.
Sluiting 16.26 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|