[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo]←NIEUW! [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Lijst van vragen en antwoorden over de Voorjaarsnota 2026 (Kamerstuk 36915-1)

Lijst van vragen en antwoorden

Nummer: 2026D18558, datum: 2026-04-17, bijgewerkt: 2026-04-17 15:45, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z08290:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


Antwoorden Feitelijke Kamervragen Voorjaarsnota 2026

Tweede Kamer

Vraag 1

Vraag 1

Hoe hoog zou de Aof-premie zijn als deze kostendekkend werd vastgesteld, uitgaande van een meerjarig gemiddelde? Hoe hoog zouden het lage en het hoge tarief dan zijn (bij een gelijkblijvende verhouding)?

Antwoord op vraag 1

Uitgaande van de geraamde uitgaven in 2026 zou de Aof-premie ongeveer 1,45 procentpunt omlaaggaan als deze kostendekkend was vastgesteld. Het hoge tarief zou dan 6,18 procent zijn in plaats van 7,63 procent. Het lage tarief zou 4,82 procent zijn in plaats van 6,27 procent. Als de verhouding tussen het hoge en lage tarief gelijk moet blijven dan daalt de hoge premie met 1,50 procentpunt naar 6,13 procent en het lage tarief daalt met 1,23 procentpunt naar 5,04 procent.

In het commissiedebat werknemersverzekeringen heb ik uw Kamer twee brieven toegezegd. In de brieven zal minister SZW ingaan op de werking van de fondsensystematiek en hoe de verschillende maatregelen in het coalitieakkoord doorwerken op de premies.

Vraag 2

Vraag 2

Wat zijn de jaarlijkse rentebaten dan wel rendementen van het arbeidsongeschiktheidsfonds en het algemeen werkloosheidsfonds?

Antwoord op vraag 2

De rentebaten van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) waren in 2025 ongeveer 800 miljoen euro, en de rentebaten van het Algemeen Werkloosheidsfonds (Awf) waren ongeveer 120 miljoen euro. De rentebaten worden vergoed door het Ministerie van de Financiën aan het Aof en Awf. Daarmee leveren deze rentebaten per saldo geen extra middelen op voor de rijksbegroting.

Vraag 3

Vraag 3

Klopt het dat de Rijksoverheid de facto leent uit het Aof en het Awf doordat de premie-inkomsten saldorelevant zijn en structureel hoger dan de uitgaven uit die fondsen? Is dat een directe lening of indirect, doordat de Rijksoverheid op andere plekken meer kan lenen?

Antwoord op vraag 3

Doordat de premie-inkomsten al een aantal jaar hoger zijn dan de uitgaven hebben de sociale fondsen een vermogen opgebouwd. De sociale fondsen zijn verplicht deelnemer aan schatkistbankieren. Fondsen stallen overtollige middelen bij het Rijk en ontvangen daarover een vergoeding, net als decentrale overheden.

Vraag 4

Vraag 4

Klopt het dat de Aof-en Awf-premieinkomsten saldorelevant zijn? Is de inhoud van die fondsen ook relevant voor de EMU-schuld?

Antwoord op vraag 4
De inkomsten en uitgaven van de sociale fondsen zijn relevant voor het EMU-saldo. Ook hebben de sociale fondsen invloed op de EMU-schuld. Als sociale fondsen schulden hebben (een negatief fondsvermogen) dan zijn die onderdeel van de EMU-schuld. De EMU-schuld is namelijk een bruto schuldbegrip. Positieve vermogens worden, in lijn met Europese statistische regels, niet in mindering gebracht op de EMU-schuld. Doordat in de praktijk het vermogen via schatkistbankieren aangehouden wordt bij het Rijk, heeft dit wel een effect op de EMU-schuld. Het Rijk hoeft hierdoor minder extern te lenen, waardoor de totale EMU-schuld daalt.


Vraag 5

Vraag 5

In het debat vorig jaar over het Belastingplan 2026 heeft de staatssecretaris van Financiën toegezegd in Q2 dit jaar met een evaluatie richting de Kamer te komen over de financiële en beleidsmatige effecten van de verhoging van de kansspelbelasting. Wat is de stand van zaken van deze evaluatie en kunt u toezeggen dat deze tijdig naar de Kamer wordt gestuurd, zodat deze nog kan worden meegenomen in de augustusbesluitvorming over het nieuwe Belastingplan voor 2027?

Antwoord op vraag 5

De evaluatie wordt op dit moment uitgevoerd en conform de toezegging zal deze in het tweede kwartaal worden aangeboden aan de Kamer.

Vraag 6

Vraag 6

Hoe verklaart u het verschil tussen de in de Voorjaarsnota 2026 naar boven bijgestelde raming voor de kansspelbelasting van 1128 naar 1223 miljoen euro en de maand op maand afnemende belastingafdrachten vanuit de Nederlandse kansspelaanbieders aan de Staat nu de kansspelmarkt is gekrompen door het hogere belastingtarief?

Antwoord op vraag 6

De verhoging van de raming met 95 miljoen euro is grotendeels het gevolg van een eenmalige administratieve verschuiving tussen twee jaren. Door een vertraging in het inningsproces is een deel van de ontvangsten (circa 40 miljoen euro) verschoven van eind 2025 naar begin 2026. Per saldo zorgt dit voor een eenmalige sprong van 80 miljoen euro in de raming van 2026 ten opzichte van 2025.


Vraag 7

Vraag 7

Als de accijns op benzine, diesel en LPG verlaagd wordt met 0,10 euro per liter, hoeveel profiteren verschillende inkomensgroepen (decielen) daar dan van (in euro's)? Hoeveel profiteren mensen die minimumloon verdienen, hoeveel mensen met een modaal inkomen en hoeveel mensen met meer dan twee keer een modaal inkomen?

Antwoord op vraag 7

Om in beeld te brengen hoeveel inkomensgroepen gemiddeld profiteren van een accijnskorting is gebruik gemaakt van CBS-gegevens over het aantal gereden kilometers1. Allereerst is gekeken naar het gemiddelde jaarkilometrage voor een benzineauto en dieselauto per inkomensdeciel, zie onderstaande tabellen2. Het gemiddelde financieel voordeel van een accijnsverlaging van benzine van een half jaar met 0,10 euro varieert per auto van gemiddeld 30 euro per half jaar voor een huishouden uit het 3e inkomensdeciel tot gemiddeld 37 euro per half jaar voor een huishouden uit het 9e inkomensdeciel. Belangrijke kanttekening is dat binnen ieder inkomensdeciel er een grote spreiding in het jaarkilometrage is: deze spreiding is groter binnen iedere inkomensdeciel, dan tussen de inkomensdecielen3.

Inkomensdeciel Jaarkilometrage benzineauto Financieel voordeel benzineauto bij accijnsverlaging van 10 cent voor een half jaar
1e 10%-groep (laagste inkomen) 10.477 € 35
2e 10%-groep 9.288 € 31
3e 10%-groep 9.076 € 30
4e 10%-groep 9.721 € 32
5e 10%-groep 10.205 € 34
6e 10%-groep 10.559 € 35
7e 10%-groep 10.799 € 36
8e 10%-groep 10.992 € 37
9e 10%-groep 11.211 € 37
10e 10%-groep (hoogste inkomen) 11.071 € 37
Inkomensdeciel Jaarkilometrage dieselauto Financieel voordeel dieselauto bij accijnsverlaging van 10 cent voor een half jaar
1e 10%-groep (laagste inkomen) 21.283 € 59
2e 10%-groep 20.315 € 56
3e 10%-groep 19.705 € 55
4e 10%-groep 19.801 € 55
5e 10%-groep 20.173 € 56
6e 10%-groep 20.688 € 57
7e 10%-groep 21.014 € 58
8e 10%-groep 21.320 € 59
9e 10%-groep 21.752 € 60
10e 10%-groep (hoogste inkomen) 21.794 € 61

Naast het voordeel per auto is ook gekeken welk deel van de budgettaire derving neerslaat bij iedere inkomensgroep, zie onderstaande tabel4. Hierbij is uitgegaan van een accijnskorting van 0,10 euro per liter voor een half jaar. De kosten daarvan bedragen voor benzine, diesel en LPG van respectievelijk 270 euro, 234 euro en 17 miljoen euro. De tabel hieronder geeft het budgettaire voordeel per inkomensdeciel in mln. euro weer. Hogere inkomens hebben vaker 1 of meerdere auto’s, terwijl veel huishoudens in de lagere inkomensdecielen juist geen auto hebben. Ondanks dat per auto het voordeel van een accijnsverlaging relatief gelijk is verdeeld, komt een relatief groot deel van het budgettaire voordeel van een accijnsverlaging hierdoor terecht bij de hogere inkomens.

Inkomensdeciel Benzine Diesel LPG
1e 10%-groep (laagste inkomen) 9 9 2
2e 10%-groep 12 7 2
3e 10%-groep 17 8 2
4e 10%-groep 23 13 2
5e 10%-groep 27 19 2
6e 10%-groep 31 24 2
7e 10%-groep 35 29 2
8e 10%-groep 37 34 2
9e 10%-groep 40 41 2
10e 10%-groep (hoogste inkomen) 39 50 2
Totaal 270 234 17

Dit beeld wordt bevestigd in recent onderzoek van TNO5, waaruit blijkt dat het brandstofgebruik en het aantal gereden kilometers toenemen met het inkomen. Voor LPG is het autobezit gelijkmatiger verdeeld over inkomensgroepen, waardoor dit effect daar niet zichtbaar is.

Op basis van de gereden kilometers per inkomensdeciel kan ook een grove inschatting van het voordeel dat terechtkomt bij de groep mensen die minimumloon of modaal verdienen worden gemaakt. Huishoudens die een modaal inkomen verdienen zitten ongeveer in het zevende inkomensdeciel. Huishoudens met meer dan twee keer modaal inkomen zitten in het negende of tiende inkomensdeciel. Huishoudens die het minimumloon verdienen (en fulltime werken) zitten tussen het vierde en vijfde inkomensdeciel. Zie de beantwoording van vraag 38 voor een inschatting van het gemiddelde effect op een huishouden in een inkomensdeciel voor een accijnskorting van 25 cent voor een half jaar.

Het voorgaande betekent dat een accijnsverlaging in absolute termen gemiddeld meer voordeel oplevert voor hogere inkomens. Naast deze directe effecten kunnen huishoudens ook indirect profiteren, bijvoorbeeld via lagere transportkosten die (gedeeltelijk) doorwerken in prijzen van goederen en diensten. Deze indirecte effecten zijn in bovenstaande cijfers niet meegenomen.

Vraag 8

Vraag 8

Kunt u een overzicht geven van alle nog niet ingevulde taakstellingen?

Antwoord op vraag 8

De in=uittaakstelling, aanvullende onderuitputting en de beheersmaatregelen SZW kennen nog geen concrete invulling. De in=uittaakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. De in=uittaakstelling en aanvullende onderuitputting worden gaandeweg het jaar ingevuld met onderuitputting of andere meevallers. Mocht onvoldoende onderuitputting optreden, dan wordt het uitgavenkader overschreden en verslechtert het EMU-saldo. Voor de beheersmaatregelen SZW zal voor de jaren vanaf 2029 nader worden gewogen hoe invulling wordt gegeven aan de beheersing van de begroting van Sociale Zaken en Werk-gelegenheid. Alle taakstellingen uit het Coalitieakkoord zijn verwerkt in de begrotingen. De verdeling van de apparaatstaakstelling is weergegeven in het antwoord op vraag 72. Deze moet de komende tijd nog worden ingevuld.

Vraag 9

Vraag 9

Wat is in deze kabinetsperiode de beleidsmatige lastenontwikkeling (inclusief en exclusief basispad) voor huishoudens, bedrijven en buitenland?

Antwoord op vraag 9

In de onderstaande tabel is de beleidsmatige lastenontwikkeling weergegeven. De BLO is gepresenteerd in standen, dus de lastenverzwaring in 2031 is de optelsom van alle jaar-op-jaar mutaties tussen 2026 en 2031. Het beleid van het kabinet heeft geen invloed op de BLO buitenland. Daarom is enkel het basispad weergegeven.

Een groot deel (circa 12 miljard) van de lastenverzwaring in de BLO zat reeds in het basispad en is dus het gevolg van beleid van voorgaande kabinetten. De toename in de BLO voor huishoudens en bedrijven ten opzichte van het basispad komt met name door de vrijheidsbijdrage.

In miljoenen euro (+ is saldoverbeterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031
BLO huishoudens basispad 0,3 6,5 10,3 10,0 11,1 11,9
BLO huishoudens kabinet 0,0 0,5 3,7 3,4 4,3 4,3
BLO bedrijven basispad 0,0 1,0 1,5 1,9 2,4 2,6
BLO bedrijven kabinet 0,0 1,2 1,1 1,0 1,0 1,0
BLO buitenland basispad 0,4 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5

Vraag 10

Vraag 10

Wat is in deze kabinetsperiode de beleidsmatige lastenontwikkeling (inclusief en exclusief basispad) voor inkomen/arbeid, vermogen/winst, klimaat/milieu en overig?

Antwoord op vraag 10

Het is niet mogelijk om binnen de BLO de uitsplitsing te maken naar inkomen/arbeid, vermogen/winst, klimaat/milieu en overig. Deze indeling wordt incidenteel toegepast door het CPB, maar kan op korte termijn niet worden berekend voor de huidige stand. Het Centraal Planbureau is samen met het ministerie van Financiën aan het uitwerken of de beleidsmatige lastenontwikkeling voortaan stelselmatig kan worden uitgesplitst in de factoren arbeid, kapitaal en consumptie.

Vraag 11

Vraag 11

Welke dekking heeft u uiteindelijk gekozen voor de tegenvaller in de liquidatieverliesregeling? Klopt het dat de maatregel inzake de valutareserve is komen te vervallen?

Antwoord op vraag 11

Er zijn verschillende opties ter dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 20256 in de liquidatieverliesregeling onderzocht. Deze opties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat. Voor een uitgebreide analyse verwijs ik naar de brief aan de Tweede Kamer van 12 januari 20267. Gegeven deze randvoorwaarden bleek dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinet gekozen om de budgettaire derving van het arrest te dekken door met ingang van 1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht aan te passen8. Een concept wettekst en toelichting zijn recent ter internetconsultatie aangeboden9. Daarnaast is de

Vraag 12

Vraag 12

Hoeveel budgettaire ruimte (in miljarden euro's) is er in 2026, 2027 en 2028 als u zou besluiten om de extra Defensieruimte vanuit de Europese Commissie wél te gebruiken?

Antwoord op vraag 12

Het kabinet heeft het nieuwe FSP (Fiscal Structural Plan, FSP) op 13 april aan de Tweede en Eerste Kamer verzonden en in diezelfde week bij de Europese Commissie ingediend. Dit FSP is in lijn met de eisen die de Commissie aan het uitgavenpad stelt. (zie antwoord op vraag 83 en het FSP voor nadere toelichting). Ook blijven het tekort en de schuld gedurende de kabinetsperiode naar verwachting binnen de referentiewaarden.

De nationale ontsnappingsclausule (National Escape Clause; NEC) is een generiek instrument dat lidstaten kunnen activeren om de transitie naar structureel hogere nationale defensie-uitgaven te accommoderen. Hoewel de clausule breder toepasbaar is binnen de begrotingsregels, biedt deze hier specifiek ruimte voor een toename van de uitgaven tot maximaal 1,5% bbp ten opzichte van het niveau in 2021, gedurende de periode 2025-2028.

Het kabinet kiest ervoor om geen gebruik van te maken van de NEC. Aangezien het FSP tot en met 2030 loopt, heeft de NEC (die tot 2028 loopt) cumulatief geen effect op de uitgavengroei. De oploop van de extra uitgaven door de NEC zou in 2029 en 2030 alsnog volledig gecompenseerd moeten worden om te voldoen aan de eisen die de Commissie aan het uitgavenpad stelt. Dit zou leiden tot een plotselinge, onwenselijke bezuinigingsopgave aan het eind van de periode om cumulatief aan het uitgavenpad te voldoen. Daarnaast houdt het kabinet vast aan het principe dat structurele uitgaven structureel gedekt moeten worden. Hierdoor worden er geen rekeningen doorgeschoven naar toekomstige generaties. Tot slot houdt het kabinet vast aan de Europese grenswaarde voor het tekort (3%), zoals ook beschreven in het coalitieakkoord en vastgelegd in de Wet Hof. De komende jaren is er nauwelijks ruimte tot deze Europese grenswaarde. Zo wordt het tekort voor 2027 momenteel namelijk al op 2,9% bbp geraamd in de Voorjaarsnota.

Tabel Flexibiliteit ontsnappingsclausule 2026 2027 2028 2029 2030
In procenten bbp, lopende prijzen
Algemene flexibiliteit 0,60% 0,80% 1,00% 0,00% 0,00%
Flexibiliteit voor specifiek defensie 0,90% 0,70% 0,50% 0,00% 0,00%
totaal 1,50% 1,50% 1,50% 0,00% 0,00%

+ is saldobelastend. De cijfers in rij 1 en 2 bevatten een inschatting op basis van CPB-cijfers uit het Fiscal Structural Plan

Tabel Flexibiliteit ontsnappingsclausule 2026 2027 2028 2029 2030
In miljarden euro, lopende prijzen
Algemene flexibiliteit 7,4 10,2 13,3 0 0
Flexibiliteit voor specifiek defensie 11,1 8,9 6,7 0 0
totaal 18,5 19,1 20,0 0 0

+ is saldobelastend

Vraag 13

Vraag 13

Welke landen maken wél gebruik van de extra budgettaire Defensieruimte vanuit de Europese Commissie en welke niet?

Antwoord op vraag 13

17 lidstaten maken op dit moment gebruik van de nationale ontsnappingsclausule (NEC) voor defensie. Dit zijn: België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Griekenland, Hongarije, Kroatië, Letland, Litouwen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slowakije, Slovenië en Tsjechië. De overige 10 lidstaten maken geen gebruik van de NEC. Dit zijn: Cyprus, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Roemenië, Spanje en Zweden.

Vraag 14

Vraag 14

Klopt het dat een beleidsmatige verhoging van de lasten + een beleidsmatige verhoging aan de uitgavenkant geen afbreuk doet aan het voeren van anticyclisch beleid?

Antwoord op vraag 14

Of een beleidsmatige verhoging van zowel lasten als uitgaven afbreuk doet aan het anticyclische karakter van het begrotingsbeleid, hangt af van de vormgeving. De impact op de economie verschilt per maatregel. Daarnaast is een uitgavenverhoging structureel dekken met een lastenverhoging tijdens de kabinetsperiode in strijd met de scheiding tussen uitgaven en inkomsten. De begrotingsregels schrijven voor dat beleidsmatige uitgavenverhogingen binnen het uitgavenkader worden gecompenseerd door ombuigingen aan de uitgavenkant, en beleidsmatige lastenverzwaringen aan de inkomstenkant gecompenseerd moeten worden door lastenverlichting elders binnen het inkomstenkader. Gedurende de kabinetsperiode zorgt deze scheiding ervoor dat de grote conjuncturele fluctuaties aan de inkomstenkant van de begroting los staan van de keuzes aan de uitgavenkant van de begroting. Dit zorgt voor budgettaire discipline en voor beleidsmatige rust, waarbij er in economisch goede tijden niet meer wordt uitgegeven, maar in slechtere tijden ook niet aanvullend bezuinigd hoeft te worden. Ook zorgt de keuze voor scheiding inkomsten en uitgaven voor een constante lastendruk tijdens de kabinetsperiode.

Vraag 15

Vraag 15

Wat is het EMU-saldo per jaar tot en met 2035?

Antwoord op vraag 15

In de Voorjaarsnota wordt het EMU-saldo geraamd tot en met 2031. Dit is conform de huidige begrotingshorizon van het lopende jaar plus 5 jaar. De 18de Studiegroep Begrotingsruimte heeft de aanbeveling gedaan om de begrotingshorizon te verlengen naar bijvoorbeeld het lopende jaar plus 8 jaar. Het kabinet heeft de aanbeveling overgenomen in het coalitieakkoord. Op het moment loopt er een ambtelijke werkgroep om deze aanbevelingen verder uit te werken.

Vraag 16

Vraag 16

Gaat u de 100 procent eindejaarsmarge bij het Klimaatfonds deze keer wél echt vasthouden of verdwijnen ongebruikte klimaatmiddelen die zijn overgeboekt vanuit het Klimaatfonds nog steeds naar de algemene middelen?

Antwoord op vraag 16

De minister van Klimaat en Groene Groei heeft in het Ontwerp-Meerjarenprogramma Klimaat- en energiefonds (KEF) 2027 de werkwijze omtrent de eindejaarsmarge beschreven. Niet-bestede klimaatfondsmiddelen op departementale begrotingen worden, als onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming in het jaar erop, opgeboekt op het Klimaat- en energiefonds. Op deze manier blijven middelen behouden voor het fonds en worden niet afgeboekt naar de algemene middelen.

Vraag 17

Vraag 17

Is de bedrijfsopvolgingsregeling juridisch houdbaar qua staatssteun? Wanneer is dit voor het laatst voorgelegd aan de Europese Commissie?

Antwoord op vraag 17

Een voorgestelde maatregel of wet wordt, in geval van risico op staatssteun, voor inwerkingtreding, voorgelegd bij de diensten van de Europese Commissie. Bij de introductie van de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) was destijds geen aanleiding om de regeling ter goedkeuring voor te leggen bij de diensten van de Europese Commissie.

Het amendement van de leden Inge van Dijk en Erkens10 - invoering van een familietoets en een verruiming van de verwateringsregeling – heeft na analyse geleid tot de conclusie dat naar verwachting de inwerkingtreding zal leiden tot risico op ongeoorloofde staatssteun. De Tweede Kamer is op 14 mei 2025 via een technische briefing vertrouwelijk geïnformeerd over deze staatssteunrisico’s. Zoals in de nota verslag Belastingplan 2026 genoemd, kent uitvoering van het amendement een aanzienlijk risico op (indirecte) staatssteun. Vanwege die risico’s heeft het kabinet bij vierde nota van wijziging van het Belastingplan 2026 besloten deze maatregelen niet in te voeren.11

Vraag 18

Vraag 18

Wat zijn budgettaire gevolgen als de Europese Commissie zou besluiten dat er bij de bedrijfsopvolgingsregeling jarenlang sprake was van staatssteun?

Antwoord op vraag 18

Het is niet mogelijk om een mogelijk budgettair effect te ramen in afwezigheid van een daadwerkelijk besluit van de Europese Commissie over staatssteun binnen de bedrijfsopvolgingsregeling. De eventuele budgettaire gevolgen hangen namelijk af van allerlei factoren die nu onbekend zijn, zoals bijvoorbeeld de exacte reikwijdte en de periode waarop een dergelijk besluit betrekking zou hebben.

Vraag 19

Vraag 19

Kunt u de bezuiniging op de AOW per jaar weergeven tot en met 2060 inclusief weglek naar andere sociale zekerheid?

Antwoord op vraag 19

In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de 1-op-1-koppeling van de levensverwachting aan de AOW-leeftijd in 2033 in te laten gaan. De totale besparing – inclusief weglekeffecten naar de Participatiewet, AO12, IOAW/IOAZ13, Werkloosheidswet, Ziektewet en Algemene Nabestaandenwet en de besparing op de uitvoeringskosten voor de SVB – wordt als volgt ingeschat:

(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2033 2034 2035 2036 2037
Uitkeringslasten -1.070 -1.057 -1.054 -2.130 -1.113
Weglekeffecten 485 479 478 966 505
Uitvoeringskosten -1 -1 -1 -2 -1
Totaal -586 -579 -577 -1.166 -609
(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2038 2039 2040 2041 2042
Uitkeringslasten -2.195 -2.133 -2.084 -1.995 -2.783
Weglekeffecten 996 967 945 905 1.262
Uitvoeringskosten -2 -2 -2 -2 -3
Totaal -1.201 -1.167 -1.141 -1.092 -1.523
(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2043 2044 2045 2046 2047
Uitkeringslasten -1.802 -1.737 -2.602 -2.592 -2.617
Weglekeffecten 817 788 1.180 1.176 1.187
Uitvoeringskosten -2 -2 -3 -3 -3
Totaal -986 -951 -1.424 -1.419 -1.432
(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2048 2049 2050 2051 2052
Uitkeringslasten -2.639 -3.583 -2.727 -3.601 -3.559
Weglekeffecten 1.197 1.625 1.237 1.633 1.615
Uitvoeringskosten -3 -4 -3 -4 -4
Totaal -1.444 -1.962 -1.493 -1.971 -1.948
(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2053 2054 2055 2056 2057
Uitkeringslasten -3.588 -3.664 -3.739 -4.775 -3.873
Weglekeffecten 1.628 1.662 1.696 2.166 1.757
Uitvoeringskosten -4 -4 -4 -5 -4
Totaal -1.964 -2.006 -2.047 -2.614 -2.120
(in miljoenen euro’s, +=saldoverslechterend 2058 2059 2060
Uitkeringslasten -4.865 -4.922 -5.067
Weglekeffecten 2.207 2.233 2.299
Uitvoeringskosten -5 -5 -5
Totaal -2.663 -2.695 -2.772

Vraag 20

Vraag 20

Heeft u de bezuiniging op de AOW inmiddels uit de financiële boekhouding gehaald of staat hij nog ergens ingeboekt?

Antwoord op vraag 20

De geplande aanpassing binnen de AOW — waarbij het kabinet de AOW-leeftijd wil koppelen aan de levensverwachting — is niet opgenomen in deze Voorjaarsnota of een andere begrotingswet, maar staat wel ingeboekt in het ‘basispad’ dat het kabinet voor de langere termijn aanhoudt. De reden daarvoor is dat de begrotingshorizon in deze Voorjaarsnota reikt tot en met 2031, terwijl de beoogde ingangsdatum van deze maatregel 2033 is. Het kabinet heeft het signaal vanuit de sociale partners en het parlement over deze maatregel duidelijk gehoord. In samenwerking met het parlement en de sociale partners verkent het kabinet welke alternatieven er mogelijk zijn om de AOW te hervormen.

Vraag 21

Vraag 21

Hoeveel budgettaire meevallers en onderuitputting heeft u overgelaten aan de Kamer om in te zetten als dekking voor eigen plannen?

Antwoord op vraag 21

In de Voorjaarsnota 2026 heeft het kabinet, naast het coalitieakkoord, de ramingsbijstelling (mee- en tegenvallers), de CEP-raming van het CPB en uitvoeringsinformatie verwerkt. Er zijn dus geen aparte meevallers of onderuitputting apart gezet. In overleg met de Kamer kan tot aanvullende plannen worden besloten, mits deze van adequate budgettaire dekking zijn voorzien.

Vraag 22

Vraag 22

Klopt het dat decentrale overheden alleen geld ontvangen in het jaar 2027 voor de uitvoering van klimaat- en energietaken? Hoe worden ze dit geacht te doen na 2027?

Antwoord op vraag 22

Voor 2026 en 2027 zijn de middelen overgeheveld van de begroting van Klimaat en Groene Groei (KGG) naar het gemeente- en provinciefonds. De middelen voor de decentralisatie-uitkering Capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE) staan voor de jaren 2028 tot en met 2030 gereserveerd op de begroting van KGG. Er is nog geen besluit genomen over de uitkeringsvorm vanaf 2028. In het Coalitieakkoord is besloten over middelen voor 2031 tot en met 2040, deze staan nog op de Aanvullende Post.

Vraag 23

Vraag 23

Wat is de uiterste deadline voor aanpassingen aan het aftrektarief tariefmaatregel? Klopt het dat dit juridisch mogelijk is om aan te passen voor het jaar 2027?

Antwoord op vraag 23

De opties om het maximale aftrektarief te koppelen aan het tarief van de eerste schijf, of een ‘apart’ aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten, betekenen beide een structuurwijziging voor de Belastingdienst en zijn op korte termijn uitvoeringstechnisch niet mogelijk, zie ook het antwoord op vraag 222.

De wetgeving om het tarief los te koppelen, is ingewikkelder dan bijvoorbeeld het aanpassen van een tarief, maar waarschijnlijk is het mogelijk op korte termijn wetgeving te maken. Los daarvan wil het kabinet graag rust op de woningmarkt bewaren. In het coalitieakkoord is daarom opgenomen dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft. Het kabinet vindt het loskoppelen daarom beleidsmatig niet gewenst.

Vraag 24

Vraag 24

Wat zijn de totale kosten aan de innovatiebox? Kunt u in een grafiek weergeven welk deel van de budgettaire derving terechtkomt bij welk deel van de gebruikers?

Antwoord op vraag 24

Het budgettaire belang van de innovatiebox wordt in onderstaande tabel weergegeven en is ook te vinden in bijlage 4 bij de Miljoenennota 2026. Het gaat hierbij nadrukkelijk om het budgettaire belang en niet om de opbrengst bij afschaffing van de innovatiebox. Het budgettaire belang is niet hetzelfde als de opbrengst bij afschaffing van de regeling doordat het budgettaire belang geen rekening houdt met gedragseffecten. Voor de opbrengst bij afschaffing van de innovatiebox wordt verwezen naar het antwoord op vraag 87. Het gehanteerde gedragseffect is te vinden in de publicatie ‘Gedragseffecten belastingmaatregelen 2025’ van het CPB.

Tabel: budgettaire belang in mln. euro's en lopende prijzen

2021 2022 2023 2024 2025 2026
Innovatiebox 1.958 2.518 2.718* 2.694* 2.898* 2.954*

De verdeling van het budgettaire belang over de gebruikers van de regeling is in onderstaande grafiek inzichtelijk gemaakt voor 2023 voor een vijftal groepen, namelijk: top 10, top 100 excl. top 10, top 500 excl. top 100, de top 1000 excl. 500 en gebruikers buiten de top 1000. Met ‘top X’ wordt hier verstaan het X aantal belastingplichtige die meeste voordeel ontvangen van de innovatiebox.

Figuur: verdeling budgettair belang innovatiebox in 2023

Vraag 25

Vraag 25

Hoeveel vermogen heeft de rijkste 1% als percentage van het totale vermogen in Nederland sinds 2006 tot nu?

Antwoord op vraag 25

De tabel hieronder laat de ontwikkeling sinds 2006 zien van het aandeel van de 1% rijkste huishoudens in het totale vermogen van huishoudens in Nederland.

2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015
23,0% 22,1% 21,5% 21,8% 24,3% 25,6% 27,2% 31,8% 31,9% 31,8%
2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024
30,8% 30,4% 29,3% 27,8% 27,6% 24,5% 23,6% 25,1% 24,1%

Vraag 26

Vraag 26

Klopt het dat de rijkste tien procent (hoogste vermogensdeciel) gemiddeld zo'n 280.000 euro ontving aan verkrijgingen in de periode 2007-2023?

Antwoord op vraag 26

Ja. Om nog preciezer te zijn ontvingen de rijkste 10% huishoudens gemiddeld 284.100 euro aan verkrijgingen in de periode 2007-2023.

Vraag 27

Vraag 27

Wanneer krijgt de minister van Onderwijs eindelijk het gereserveerde geld op haar begroting?

Antwoord op vraag 27

Het kabinet is op dit moment bezig met het uitwerken van de plannen uit het coalitieakkoord. Wanneer er een definitieve invulling van de middelen is bepaald, worden deze overgeheveld naar de OCW-begroting.

Vraag 28

Vraag 28

Hoe hoog moet de buffer in het Aw-fonds zijn om conjunctuurbewegingen op te vangen? Is er sprake van een overschot in het Aw-fonds?

Antwoord op vraag 28

Er zijn geen regels voor de buffer in het Algemeen Werkloosheidsfonds. Het fonds heeft eind 2025 een vermogen van ongeveer 11 miljard euro. Dit biedt overigens geen ruimte voor extra uitgaven. Conform de begrotingssystematiek leidt elke extra uitgave aan werknemersverzekeringen tot een derving voor het EMU-saldo en een dekkingsopgave binnen de begrotingskaders. Zie ook het antwoord op vraag 4. Er zijn geen gevolgen voor de WW als er een tekort ontstaat.

Vraag 29

Vraag 29

U geeft aan dat er binnen het Belastingplan 2026 een oplossing is gekomen om het financiële nadeel voor medewerkers van SW-bedrijven op te vangen. Klopt het dat medewerkers van SW-bedrijven er met het schrappen van de middelen in de voorjaarsnota, opgevangen in het Belastingplan 2026, niet op achteruitgaan?

Antwoord op vraag 29

De toegenomen belastingdruk voor de groep medewerkers van SW-bedrijven was een gevolg van onder andere een verlaging van de algemene heffingskorting, beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor en – specifiek voor de groep mensen die geen of een beperkte loonstijging heeft gehad – indexatie van de arbeidskorting. In het Belastingplan 2026 is de indexatie van de eerste twee inkomensgrenzen van de arbeidskorting per 2026 zo aangepast dat ze uitkomen op het bedrag wanneer deze geïndexeerd zouden zijn met de volledige tabelcorrectiefactor in 2025 en 2026. Dit betekent dat lage inkomens netto meer overhouden, tot maximaal ongeveer 450 euro voor inkomens rond het tweede knikpunt van de arbeidskorting (25.845 euro). De precieze gevolgen kunnen wel verschillen voor individuele situaties. Het kabinet heeft in de begeleidende brief bij de nota van wijziging de toezegging gedaan te monitoren of de bijzondere samenloop van maatregelen en omstandigheden die heeft geleid tot de situatie waarvoor in de Tweede Kamer aandacht is gevraagd zich in de toekomst weer voordoet14. Hierover is ook de motie van de leden Stultiens en Dijk aangenomen, waarin het kabinet verzocht wordt om structureel in de gaten te houden of een nieuwe ‘buffelboete’ dreigt te ontstaan, en de gevolgen daarvan mee te wegen bij de koopkrachtbesluitvorming15.

Vraag 30

Vraag 30

Kunt u de meest actuele grafiek delen van de ontwikkeling mediaan vermogen per percentiel tussen 2006 en nu in duizenden euro's?

Antwoord op vraag 30

In bijlage 8 van de Voorjaarsnota wordt de meest actuele grafiek gepresenteerd met de ontwikkeling van het gemiddelde vermogen in euro’s van vermogensdeciel 1 t/m3, vermogensdeciel 4 t/m 9, vermogensdeciel 10 en het 100e vermogenspercentiel. De cijfers zijn afkomstig van het CBS. Zie de figuur hieronder. Hiervoor is bewust gekozen door de werkgroep van het IBO Vermogensverdeling omdat dit relevante vermogensgroepen zijn om beleidsmatig te onderscheiden en daarin de ontwikkelingen te volgen. Zie voor een uitgebreide toelichting daarop het IBO Vermogensverdeling uit 2022. De ontwikkeling van honderdvermogenspercentielgroepen valt niet op een overzichtelijke manier in één grafiek uit te beelden. Cijfers over de ontwikkeling van het mediane vermogen per percentiel in de afgelopen twintig jaar zijn niet voorhanden.

Figuur: vermogen van vermogensdecielen en top 1 procent tussen 2006 – 2024 (x 1000 euro)

Vraag 31

Vraag 31

Wat was de ontwikkeling van het mediaan vermogen van de rijkste één procent in de afgelopen twintig jaar (in duizenden euro's)?

Antwoord op vraag 31

Zie antwoord op vraag 30.

Vraag 32

Vraag 32

Wat was de ontwikkeling van het mediaan vermogen van de middelste één procent in de afgelopen twintig jaar (in duizenden euro's)?

Antwoord op vraag 32

Zie antwoord op vraag 30.

Vraag 33

Vraag 33

Wat was de ontwikkeling van het mediaan vermogen van het 25ste percentiel in de afgelopen twintig jaar (in duizenden euro's)?

Antwoord op vraag 33

Zie antwoord op vraag 30.

Vraag 34

Vraag 34

Wat was de ontwikkeling van het mediaan vermogen van het 90ste percentiel in de afgelopen twintig jaar (in duizenden euro's)?

Antwoord op vraag 34

Zie antwoord op vraag 30.

Vraag 35

Vraag 35

Hoeveel euro is nodig om huishoudens via het Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) te compenseren voor de stijging van de energierekening die het gevolg is van de situatie in Iran?

Antwoord op vraag 35

De kosten om huishoudens te compenseren hangen af van keuzes over onder andere de omvang van de doelgroep en de manier waarop de hoogte van de compensatie bepaald wordt. Compensatie via TNE zal per huishouden verschillen en niet altijd overeenkomen met de gevolgen van de prijsstijgingen. Het kabinet houdt de situatie rondom energieprijzen en de geopolitieke spanningen in de gaten en informeert de Kamer over het potentiële instrumentarium voor energiemaatregelen in de Kamerbrief die hierover is toegezegd.

Vraag 36

Vraag 36

Hoeveel euro is vanaf 2020 besteed aan ontwikkelingshulp? Kunt u een raming geven voor de uitgaven aan ontwikkelingshulp voor de komende jaren t/m 2030? Graag uitgesplitst naar verschillende organisaties.

Antwoord op vraag 36

Voor de jaren 2020 t/m 2025 betreft de realisatie van de ODA uitgaven onderstaande reeks (bron: HGIS jaarverslagen).

2020 2021 2022 2023 2024 2025
ODA-uitgaven (x miljoen euro) 4.752 4.497 6.214 6.892 7.022 6.815

In de eerste suppletoire begroting van BHO 2026 zijn de geraamde ODA-uitgaven t/m 2030 te vinden. Het ODA-budget wordt verantwoord op verschillende begrotingen. In onderstaande tabel wordt een uitsplitsing gegeven van de geraamde ODA uitgaven per begroting:

Begroting (x miljoen euro) 2026 2027 2028 2029 2030
Aanvullende Post - 243 727 672 442
Asiel en Migratie 969 577 605 650 625
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 3.449 3.186 3.344 3.639 3.564
Buitenlandse Zaken 1.499 1.453 1.451 1.448 1.444
Financiën 45 474 210 369 459
Justitie en Veiligheid 9 9 9 9 9
Klimaat en Groene Groei 1 1 1 1 1
Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur 8 8 8 8 8
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 95 95 95 95 96
Volksgezondheid, Welzijn en Sport 7 4 4 4 2
Totaal 6.082 6.050 6.454 6.894 6.650

Het kabinet stuurt niet op kanalen of organisaties, daarom is een raming van de bijdrage per organisatie voor de komende jaren niet te geven. Waar een bijdrage aan een organisatie een eigen budgetlijn heeft, zoals bijvoorbeeld UNICEF en UNDP onder artikel 5.1 van de BHO-begroting, staat dit expliciet in de begrotingsstukken vermeld.

Vraag 37

Vraag 37

Kunt u een overzicht geven van de hoogte van de brandstofaccijnzen (benzine, diesel en lpg) vanaf 2010?

Antwoord op vraag 37

In onderstaande tabel zijn de accijnstarieven in euro per liter weergeven.

Benzine Diesel LPG
01-01-26 0,845 0,552 0,199
01-07-23 0,789 0,516 0,186
01-01-23 0,651 0,417 0,154
01-04-22 0,651 0,417 0,154
01-01-22 0,824 0,528 0,194
01-01-21 0,813 0,522 0,191
01-01-20 0,800 0,504 0,188
01-01-19 0,788 0,496 0,185
01-01-18 0,778 0,490 0,183
01-01-17 0,772 0,486 0,181
01-01-16 0,770 0,484 0,181
01-01-15 0,766 0,482 0,180
01-01-14 0,759 0,478 0,173
01-01-13 0,747 0,440 0,097
01-01-12 0,730 0,431 0,090
01-01-11 0,718 0,424 0,083
01-01-10 0,720 0,438 0,091

Vraag 38

Vraag 38

Wat zijn de effecten van een verlaging van de benzineaccijns ad 25 eurocent per liter en de dieselaccijns ad 25 eurocent per liter voor de koopkracht van huishoudens? Kunt u dit nader specificeren (per inkomensgroep/inkomensbron/huishoudtype/wel of geen kinderen)? Kunt u daarin ook IB-ondernemers betrekken?

Antwoord op vraag 38

Wij beschikken niet over de gegevens om het precieze effect van een verlaging van de benzine- en dieselaccijns op de koopkracht van huishoudens te berekenen.. Als de budgettaire derving van een accijnskorting van dekking voorzien wordt heeft dat overigens ook effect op de koopkracht van huishoudens. Dat effect zal afhangen van de gekozen dekkingsmaatregel.

Wel kan aan de hand van CBS-gegevens over het aantal gereden kilometers inzicht worden gegeven in de gemiddelde effecten op verschillende huishoudens16. In onderstaande tabellen is in de eerste kolomweergeven welke aandeel van de huishoudens een auto bezit. De andere 2 kolommen laten het gemiddelde voordeel van een accijnskorting van 25 cent per liter voor een half jaar voor huishoudens met een auto, uitgesplitst naar inkomensbron en huishoudtype zien17.

Samenstelling huishouden Minimaal 1 auto Korting benzine in euro’s Korting diesel in euro’s
Eenpersoonshuishouden 45% 78 145
Eenoudergezin 66% 96 154
Paar zonder kinderen 85% 82 132
Paar met kinderen 91% 96 155
Meerpersoonshuishouden overig 80% 94 151
Inkomensbron Minimaal 1 auto Korting benzine in euro’s Korting diesel in euro’s
Werknemer 75% 95 154
Zelfstandige 77% 93 156
Uitkeringsontvanger 39% 84 136
Ontvanger pensioenuitkering 67% 67 101
Overig 74% 73 121
Inkomensdeciel Minimaal 1 auto Korting benzine in euro’s Korting diesel in euro’s
1e 10%-groep (laagste inkomen) 29% 87 148
2e 10%-groep 42% 77 141
3e 10%-groep 56% 76 137
4e 10%-groep 69% 81 138
5e 10%-groep 77% 85 140
6e 10%-groep 82% 88 144
7e 10%-groep 85% 90 146
8e 10%-groep 86% 92 148
9e 10%-groep 86% 93 151
10e 10%-groep (hoogste inkomen) 85% 92 151

Vraag 39

Vraag 39

Hoeveel procent veranderen het modale en het mediane inkomen wanneer zowel de benzine- als de dieselaccijns met 25 eurocent per liter wordt verlaagd?

Antwoord op vraag 39

Bij huishoudens met een modaal inkomen die een auto bezitten gaat een accijnskorting van 25 cent om een gemiddelde daling van de kosten van ongeveer 0,4 tot 0,6% van het inkomen (wanneer aangenomen wordt dat het gedrag niet wijzigt). Hierbij is enkel gekeken naar de accijnskorting en niet naar een mogelijke dekkingsmaatregel. Op dit moment zijn er geen inschattingen van het mediane inkomen in 2026.

Vraag 40

Vraag 40

Wat is het budgettair belang van de onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer over de laatste tien jaar? Kunt u een raming geven voor de jaren tot en met 2030 bij ongewijzigd beleid?

Antwoord op vraag 40

Er zijn geen systematische (aangifte)gegevens beschikbaar over het gebruik van de onbelaste reiskostenvergoeding, waardoor het budgettaire belang over een lange periode niet standaard wordt gepresenteerd. Wel is in de evaluatie van de onbelaste reiskostenvergoeding door CE Delft18 eenmalig het gebruik en budgettair belang van de onbelaste reiskostenvergoeding in kaart gebracht. Op basis van een enquête onder werkgevers is geraamd dat de budgettaire derving van de reiskostenvergoeding in de loon- en inkomstenbelasting in 2022 bijna 2,4 miljard euro bedroeg. Destijds was de hoogte van de onbelaste kilometervergoeding 0,19 euro per kilometer. Momenteel is de vergoeding 0,23 euro per kilometer, verhoudingsgewijs zou de derving van ongeveer 2,9 miljard euro bedragen.

Vraag 41

Vraag 41

Hoeveel kost het om de onbelaste kilometervergoeding voor woon-werkverkeer met 1ct te laten stijgen (van 23 naar 24 cent)? En van 23 naar 28 cent?

Antwoord op vraag 41

Onderstaande tabel toont de budgettaire derving van het verhogen van de onbelaste kilometervergoeding met 1 cent en met 5 cent per kilometer.

Tabel – budgettaire gevolgen onbelaste reiskostenvergoeding (in mln euro en prijspeil 2026)

2027 2028 2029 2030 2031 2032 Structureel
Verhogen onbelaste kilometervergoeding met € 0,01 -98 -115 -112 -109 -107 -104 -104
Verhogen onbelaste kilometervergoeding met € 0,05 -489 -573 -559 -545 -532 -520 -510

Vraag 42

Vraag 42

Kunt u een overzicht geven van de omvang van het primair overheidssaldo (in zowel euro’s als uitgedrukt in percentage van het bbp) vanaf 2020? Kunt u een raming geven voor de komende jaren tot en met 2030?

Antwoord op vraag 42

Hierbij een overzicht van het primair overheidssaldo (het EMU-saldo minus rentebetalingen over de staatsschuld). Tot en met 2025 is het primair overheidssaldo op basis van realisatiecijfers. Vanaf 2026 betreft het een raming op basis van de cijfers uit de Voorjaarsnota 2026.

2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Primair overheidssaldo (€ mld.) -29,2 -17,7 4,3 0,8 -2,6 -11,2 -21,1 -25,1 -19,9 -15,8 -12,5
Primair overheidssaldo (% bbp) -3,7% -2,1% 0,5% 0,1% -0,2% -1,0% -1,7% -2,0% -1,5% -1,1% -0,9%

Vraag 43

Vraag 43

Kunt u een geactualiseerd overzicht geven van de ontwikkeling van het EMU-saldo en de staatsschuldquote vanaf 2020? Kunt u ook een raming geven voor de komende jaren (t/m 2030) en daarbij de verschillende inflatiescenario’s zoals geschetst door DNB betrekken?

Antwoord op vraag 43

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

2028

2029

2030

2031

EMU-saldo

-3,7%

-2,3%

0,0%

-0,4%

-0,7%

-1,6%

-2,5%

-2,9%

-2,5%

-2,3%

-2,1%

-2,1%

Staatsschuldquote

53,4%

50,5%

48,4%

45,8%

43,8%

44,4%

46,6%

48,0%

48,4%

49,0%

49,4%

50,1%

Hierbij een overzicht van het EMU-saldo en de staatsschuldquote tussen 2020 en 2031. De oorlog in het Midden-Oosten brengt op dit moment veel onzekerheid met zich mee. DNB heeft voor de onzekerheid rondom de olie en gasprijzen drie scenario’s voor de inflatie berekend. Het effect hiervan op het EMU-saldo en de staatsschuldquote is nog niet te kwantificeren. Inflatie leidt daarnaast structureel niet tot meer budgettaire ruimte, omdat de overheidsuitgaven worden aangepast voor lonen en prijzen.

Vraag 44

Vraag 44

Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de rente op de staatsschuld (in euro’s en rentepercentages) vanaf 2015? Kunt u ook een raming geven voor de komende jaren (t/m 2030) en daarbij de verschillende inflatiescenario’s zoals geschetst door DNB betrekken?

Antwoord op vraag 44

In onderstaande tabel staat de ontwikkeling van de rentelasten op de staatsschuld (voor zover deze relevant zijn voor het EMU-saldo) en het gemiddelde rentepercentage dat over de staatsschuld werd betaald.

2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Rentelasten (€ mld.) 6,9 7,2 6,5 5,9 5,4 4,7 4,2 4,3 7,2 9,1 8,7
Rentelasten (% staatsschuld) 1,8% 2,0% 1,8% 1,8% 1,7% 1,4% 1,1% 1,1% 1,8% 2,2% 2,0%

De raming voor de komende jaren t/m 2030 ziet er als volgt uit. Er worden geen inflatiescenario’s meegenomen in de ramingen.

2026 2027 2028 2029 2030
Rentelasten (€ mld.) 11,1 13,9 16,0 18,5 20,8
Rentelasten (% staatsschuld) 2,3% 2,7% 2,9% 3,2% 3,4%

Vraag 45

Vraag 45

Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de opbrengsten uit Box-3 belasting vanaf 2015? Kunt u ook een raming geven voor de komende jaren (t/m 2030) wanneer (a) het huidige systeem wordt voortgezet en (b) een vermogensaanwasbelasting wordt ingevoerd zoals deze recent voorlag?

Antwoord op vraag 45

Onderstaande tabel toont voor de jaren 2015-2023 de daadwerkelijke belastingopbrengsten in box 3. Hierbij zijn de herstelbetalingen als gevolg van de Hoge Raad uitspraken uit 2021 en 2024 niet meegenomen. Vanaf 2023 betreffen de belastingopbrengsten een raming, tot en met 2026 in lopende prijzen en vanaf 2027 in prijspeil 2026. Het basispad vanaf 2028 bestaat uit het oude stelsel tot 2022 (exclusief rechtsherstel, inclusief structurele beleidswijzigingen zoals de structureel aangepaste leegwaarderatio, en het structureel verhoogde tarief uit Belastingplannen 2023 en 2024) opgehoogd naar wat dit stelsel vanaf 2028 zou opleveren. De geraamde opbrengst laat vanaf 2028 zien wat de opbrengst is als er een vermogensaanwasbelasting komt.

Jaar Opbrengst Geraamde opbrengst (variant B in de vraag) Basispad (variant A in de vraag)
2015 € 4,4 mld
2016 € 4,5 mld
2017 € 4,7 mld
2018 € 4,4 mld
2019 € 4,3 mld
2020 € 4,4 mld
2021 € 5,0 mld
2022 € 5,0 mld
2023 € 7,9 mld
2024 € 6,9 mld
2025 € 8,6 mld
2026 € 10,5 mld
2027 € 10,6 mld
2028 € 10,3 mld € 9,3 mld
2029 € 9,4 mld € 9,2 mld
2030 € 8,9 mld € 9,0 mld

Vraag 46

Vraag 46

Kunt u de totale uitgaven aan bijstandsuitkeringen vanaf 2010 uitsplitsen naar persoonskenmerken (leeftijd en afkomst met daarbij een onderscheid tussen Nederlands, westerse migrant en niet-westerse migrant)? Kunt u een raming geven van deze uitgaven tot en met het jaar 2030?

Antwoord op vraag 46

Het is niet mogelijk om de totale bijstandsuitgaven uit te splitsen naar persoonskenmerken. Het aantal personen met een bijstandsuitkering kan via StatLine wel uitgesplitst worden naar de genoemde persoonskenmerken, maar er zijn geen gegevens beschikbaar over de hoogte van de ontvangen bijstandsuitkering uitgesplitst naar persoonskenmerken.

Vraag 47

Vraag 47

Hoeveel euro ontvangt een bijstandsgerechtigde in totaal per jaar, wanneer ook rekening wordt gehouden met allerlei aanvullende toeslagen? Kunt u dit uitsplitsen naar verschillende typen huishoudens (per inkomensgroep/inkomensbron/huishoudtype/wel of geen kinderen)?

Antwoord op vraag 47

Onderstaande tabel geeft voor vier verschillende huishoudtypen met bijstand het besteedbaar inkomen, en toont hoe het besteedbaar inkomen is opgebouwd. Voor de huurhoogte is steeds aangenomen dat de huur gelijk is aan de grens van passend toewijzen (713 euro per maand voor alleenstaanden, 764 euro voor huishoudens van 3 of meer personen). Voor huishoudens met kinderen is steeds aangenomen dat er twee kinderen zijn van 6 en 11 jaar. Er is geen rekening gehouden met eventueel inkomen uit gemeentelijke regelingen of kwijtschelding van lokale lasten. Alle bedragen zijn afgerond op tientallen euro’s. Als gevolg daarvan kan het voorkomen dat de bedragen niet precies optellen tot het totaalbedrag.

Tabel - Besteedbaar inkomen huishoudens met bijstand

Alleenstaande zonder kinderen Alleenstaande ouder Paar zonder kinderen Paar met kinderen
Bijstandsuitkering € 16.930 € 16.930 € 24.180 € 24.180
Zorgpremie -€ 1.880 -€ 1.880 -€ 3.770 -€ 3.770
Eigen risico -€ 260 -€ 260 -€ 520 -€ 520
Zorgtoeslag € 1.550 € 1.550 € 2.960 € 2.960
Huurtoeslag € 5.220 € 5.640 € 5.490 € 5.640
Kinderbijslag € 2.870 € 2.870
Kindgebonden budget € 8.580 € 5.160
Totaal besteedbaar inkomen € 21.560 € 33.430 € 28.340 € 36.530

Vraag 48

Vraag 48

Wat is tussen de jaren 2015 en 2030 het (geraamde) budgettair belang van de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag en zorgtoeslag bij ongewijzigd beleid? Kunt u deze uitsplitsen naar verschillende typen huishoudens (per inkomensgroep/inkomensbron/huishoudtype/wel of geen kinderen)?

Antwoord op vraag 48

In onderstaande tabel wordt het gerealiseerde en geraamde budgettair belang van de kinderopvangtoeslag, de huurtoeslag en de zorgtoeslag bij ongewijzigd beleid getoond. Ongewijzigd beleid is in deze tabel inclusief het voorgenomen beleid in het basispad, omdat dat beleid al in de begroting verwerkt is.

Tabel Budgettair beslag kinderopvangtoeslag, huurtoeslag en zorgtoeslag (mln euro’s)

2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Kinderopvangtoeslag 1.644 2.006 2.273 2.652 3.088 3.351 3.636 3.916
Huurtoeslag 3.185 3.351 3.450 3.509 3.574 3.829 4.008 3.963
Zorgtoeslag 3.941 4.208 4.266 4.632 4.929 5.249 5.497 5.790
2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030
Kinderopvangtoeslag 4.180 4.716 5.425 5.900 6.877 8.017 9.427 9.726
Huurtoeslag 4.182 4.896 5.355 6.054 6.341 6.504 6.700 6.900
Zorgtoeslag 7.775 6.377 6.748 6.576 7.489 7.565 7.659 8.012

Kinderopvangtoeslag, huurtoeslag en zorgtoeslag zijn in lopende prijzen. Het betreft hier de saldoreeksen, dus inclusief terugontvangsten.

Met behulp van het koopkrachtmodel Mimosi is hieronder een indicatieve verdeling van het budgettair beslag over verschillende groepen als percentage van het totale budgettaire beslag gegeven. De verdeling is indicatief, omdat de indeling naar huishoudsamenstelling in Mimosi niet volledig aansluit bij de regels van de regelingen. Zo zijn thuiswonende kinderen in Mimosi geen apart huishouden, maar vormen ze volgens de regels van de zorgtoeslag wel een eenpersoonshuishouden. Deze onderverdeling is berekend voor 2027.

Tabel Verdeling budgettair beslag over verschillende onderverdelingen van huishoudens

Kinderopvangtoeslag Huurtoeslag Zorgtoeslag
Inkomensgroepen
1e (<=107% WML) 8% 80% 47%
2e (107-173% WML) 6% 19% 21%
3e (173-258% WML) 17% 1% 7%
4e (258-382% WML) 35% 0% 9%
5e (>382% WML) 34% 0% 15%
Inkomensbron
Werkenden 98% 36% 55%
Uitkeringsgerechtigden 2% 29% 16%
Gepensioneerden 0% 35% 29%
Huishoudtype
Tweeverdieners 85% 15% 39%
Alleenstaanden 14% 81% 54%
Alleenverdieners 1% 4% 7%
Met/zonder kinderen
Met kinderen 100% 19% 19%
Zonder kinderen 0% 81% 81%

Vraag 49

Vraag 49

De energiebelasting voor aardgas en elektriciteit kennen verschillende schijven en percentages. Hoe hoog zouden deze percentages voor (1) de EB voor aardgas en (2) de EB voor elektriciteit zijn wanneer voor een uniform tarief wordt gekozen en het budgettair belang ongewijzigd blijft?

Antwoord op vraag 49

De tarieven per schijf worden uitgedrukt in euro’s, niet in percentages. Onderstaande tabel geeft de tarieven voor 2027 (in prijsniveau 2026) en het uniforme tarief dat zou moeten gelden om een vergelijkbare totale opbrengst te genereren. Bij het beantwoorden van de vraag is ervan uitgegaan dat met een uniform tarief één tarief wordt bedoeld dat in alle schijven gelijk is, een tarief dat – met andere worden – onafhankelijk van het verbruik is.

Om dit budgetneutraal door te voeren moeten de tarieven per m3 en per kWh in de vierde en vijfde schijf fors stijgen. Vanwege deze toename is met een groter gedragseffect gerekend dan gewoonlijk. De raming is hierdoor met meer dan de gebruikelijke onzekerheid omgeven. Het bedrag van de belastingvermindering in de energiebelasting voor elektriciteitsaansluitingen van een object met een verblijfsfunctie (in 2027: 519,58 euro) en de tarieven voor glastuinbouw en walstroom zijn ongemoeid gelaten.

Tarief 2027 basispad (in euro's) Tarief 2027 uniform (in euro's)
Aardgas (exclusief btw)
0 – 1.000 m3 0,60066 0,45206
1.000 - 170.000 m3 0,60066 0,45206
170.000 - 1.000.000 m3 0,34123 0,45206
1.000.000 - 10.000.000 m3 0,22269 0,45206
> 10.000.000 m3 0,05306 0,45206
Elektriciteit (exclusief btw)
0 – 2.900 kWh 0,08579 0,04397
2.900 - 10.000 kWh 0,08579 0,04397
10.000 - 50.000 kWh 0,06610 0,04397
50.000 - 10.000.000 kWh 0,03683 0,04397
>= 10.000.000 kWh particulier 0,00373 0,04397
>= 10.000.000 kWh zakelijk 0,00304 0,04397
Belastingvermindering (exclusief btw)
Lumpsum bedrag ongeacht verbruik 519,58 519,58


Vraag 50

Vraag 50

Wat is het budgettair belang van de bestaande fiscale regelingen? Graag per fiscale regeling een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven over de afgelopen 15 jaar en een raming voor de komende vijf jaar.

Antwoord op vraag 50

Het budgettaire belang van alle gemonitorde fiscale regelingen is voor 2026 geraamd op circa 188 miljard euro. Een overzicht per fiscale regeling over de afgelopen 15 jaar is niet beschikbaar aangezien sommige regelingen pas meer recent worden gemonitord. Niet voor alle fiscale regelingen is dan ook een volledig historische reeks voorhanden. Daarnaast geldt dat de raming voor 2026 zoals gepubliceerd in de miljoenennota ook het laatste jaar is waarvoor een raming beschikbaar is. Hieronder wordt een overzicht gegeven waar het budgettaire belang als percentage bbp wordt uitgesplitst naar of de regeling al gemonitord was en of deze al bestond of nieuw is voor de afgelopen 25 jaar.

Figuur - budgettair belang fiscale regelingen (percentage van BBP)

Een tabel met het budgettaire belang per regeling voor het gevraagde aantal jaren is niet voorhanden. In bijlage 4 van de Miljoenennota19 is een overzicht per regeling voor de jaren 2021-2026 te vinden. Bij de komende Miljoenennota wordt dit overzicht geactualiseerd en uitgebreid met 2027.

Vraag 51

Vraag 51

Hoeveel euro bedragen de EU-afdrachten per land per jaar vanaf 2005? Graag uitgesplitst naar bruto- en netto-afdrachten (in euro’s). Graag de bruto-afdrachten nader specificeren (bni/btw/invoerrechten/plastic). Graag uitgedrukt in totalen per land per jaar als per inwoner per land per jaar.

Antwoord op vraag 51

De afdrachten aan de EU-begroting en de ontvangsten uit de EU-begroting zijn per land, per jaar en per afdracht voor de periode 2000-2024 te raadplegen op de website van de Europese Commissie, waarbij de Excel “EU spending and revenue” de afdrachten uitsplitst naar de verschillende componenten (bni, btw, invoerrechten en plastic).20

Vraag 52

Vraag 52

Hoeveel (euro en %-punten) heeft Nederland jaarlijks vanaf 2010 afgelost op de staatsschuld? Kunt u een raming geven voor de komende jaren tot en met 2030?

Antwoord op vraag 52

Het aflossen en uitgeven van nieuwe leningen (herfinancieren) is een continu proces dat dagelijks plaatsvindt. Indien de Rijksoverheid in enig jaar meer geld ontvangt dan het uitgeeft, wordt in dat jaar per saldo meer afgelost dan opnieuw geleend en zal de staatsschuld dalen.

In de periode 2010-2025 was het saldo van aflossen en opnieuw lenen als volgt. Hierbij moet opgemerkt worden dat de staatsschuld niet hetzelfde is als de EMU-schuld en dat de procentuele aflossing van de staatsschuld niet direct te relateren is aan de ontwikkeling van de EMU-schuld als percentage van het BBP.

in miljarden euro's 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Staatsschuld 308 333 359 368 379 370 363 346
Saldo lenen/aflossen (-/- is aflossen) 6 25 26 9 11 -9 -7 -17
lenen/aflossen in % (-/- is aflossen) 2% 8% 8% 3% 3% -2% -2% -5%
in miljarden euro's 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Staatsschuld 330 318 359 372 405 407 417 449
Saldo lenen/aflossen (-/- is aflossen) -16 -13 42 12 33 2 10 32
lenen/aflossen in % (-/- is aflossen) -4% -4% 13% 3% 9% 0% 3% 8%

De raming voor de komende jaren t/m 2030 ziet er als volgt uit:

in miljarden euro's 2026 2027 2028 2029 2030
Staatsschuld 498 537 567 598 627
Saldo lenen/aflossen (-/- is aflossen) 49 39 30 31 29
lenen/aflossen in % (-/- is aflossen) 11% 8% 6% 5% 5%

Vraag 53

Vraag 53

Hoeveel euro zou het kosten om de huren (uitgesplitst in sociaal en particulier) komend jaar te bevriezen?

Antwoord op vraag 53

Een landelijke bevriezing van de sociale huren voor de periode 1 juli 2027 tot 1 juli 2028 leidt voor woningcorporaties en particuliere verhuurders tot structureel lagere huurinkomsten. Hoe groot de structurele huurderving is, is afhankelijk van de maximaal toegestane huurverhoging die eind 2026 wordt vastgesteld en van de hoogte van de huurverhoging die verhuurders in 2027 feitelijk zouden willen toepassen. Op basis van de actuele inflatieprognose van het CPB is de verwachting dat een bevriezing van de sociale huren in de periode 1 juli 2027 tot 1 juli 2028 voor de corporatiesector leidt tot structureel (maximaal) ruim 700 miljoen euro minder huurinkomsten per jaar. Dit leidt tot een vermindering van de investeringsruimte van circa 17 miljard euro. Voor de naar schatting circa 500.000 sociale huurwoningen van private verhuurders is de totale jaarlijkse huurderving naar verwachting structureel (maximaal) circa 170 miljoen euro. Maar de verwachting is dat de inflatie in 2026 vanwege de hogere energieprijzen zal oplopen21, waardoor in 2027 dan een hogere huurverhoging zal zijn toegestaan (maximale huurverhoging is gekoppeld aan inflatie van laatste drie jaren) en de huurderving voor verhuurders hoger zal zijn.

Een huurbevriezing heeft directe budgettaire gevolgen voor het Rijk, namelijk lagere huurtoeslaguitgaven. Een huurbevriezing is echter wel een beperking van het eigendomsrecht. Er bestaat een mogelijkheid om in het kader van volkshuisvestingsbeleid in te grijpen op het eigendomsrecht. Dit dient echter wel gerechtvaardigd te worden, waarbij het van belang is dat dit ingrijpen een legitiem doel dient en proportioneel is. Bij de rechtvaardiging van een huurbevriezing is compensatie voor deze structurele financiële derving waarschijnlijk nodig. Zodoende leidt het naar verwachting ook tot kosten voor de Rijksbegroting. De benodigde hoogte van de compensatie is op voorhand niet met zekerheid vast te stellen.

Vraag 54

Vraag 54

Hoeveel euro bedragen de opbrengsten uit de kansspelbelasting vanaf 2015 en waaraan zijn deze middelen vanaf 2015 besteed?

Antwoord op vraag 54

In onderstaande tabel zijn de opbrengsten in miljoenen per jaar weergegeven. De opbrengsten uit de kansspelbelasting vloeien, net als bijna alle andere belastingmiddelen, naar de algemene middelen van het Rijk. Om een integrale afweging te kunnen maken worden deze inkomsten niet vooraf geoormerkt voor specifieke beleidsdoelstellingen. Het is daardoor niet mogelijk om aan te geven aan welke concrete uitgaven de opbrengsten van één specifieke belastingsoort vanaf 2015 zijn besteed.

2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026
475,0 481,2 469,6 530,2 572,0 329,8 338,8 858,6 956,3 991,2 1.010,9 1.222,7

Vraag 55

Vraag 55

Hoeveel is er extra gereserveerd voor asiel ten opzichte van de stand Miljoenennota 2026? Kunt u dit nader specificeren?

Antwoord op vraag 55

Onderstaande tabel geeft weer welke middelen tot en met 2031 bij het coalitieakkoord en bij Voorjaarsnota 2026 beschikbaar zijn gesteld voor asiel.

In bijlage 3 van de Voorjaarsnota 2026 (de Verticale toelichting) is een uitgebreide toelichting weergegeven van de veranderingen die zich hebben voorgedaan sinds de Miljoenennota 2026. Vanaf pagina 77 is dit weergegeven voor de begroting van Asiel en Migratie.

Tabel Mutatie asiel coalitieakkoord en Voorjaarsnota (in miljoenen euro)
2026 2027 2028 2029 2030 2031
Mutatie coalitieakkoord -488 2.583 2.391 2.439 2.139 2.139
Mutatie Voorjaarsnota 2026 464 700 574 562 606 619
Totaal -24 3.283 2.965 3.001 2.745 2.758

Vraag 56

Vraag 56

Hoeveel is er extra gereserveerd voor Oekraïne ten opzichte van de stand Miljoenennota 2026? Kunt u dit nader specificeren?

Antwoord op vraag 56

In onderstaand overzicht is het uitgavenoverzicht voor Oekraïne opgenomen ten opzichte van stand Miljoenennota 2026. Hierin is het coalitieakkoord verwerkt.

In miljoenen euro 2026 2027 2028 2029 2030 2031
Stand Miljoenennota 2026 6.274 4.208 1.609 130 26 0
Militaire ondersteuning 2.563 965 597 145 40 0
Niet-militaire steun 856 445 9 4 5 0
Binnenlandse regelingen 2.855 2.817 1.021 0 0 0
Leveringszekerheid 0 -19 -19 -19 -19 0
Mutaties Voorjaarsnota 2026 327 2.301 3.636 4.351 214 -65
Militaire ondersteuning 417 2.035 2.403 2.418 0 20
Niet-militaire steun 221 435 449 453 -37 -71
Binnenlandse regelingen -311 -187 765 1.472 244 0
Leveringszekerheid 0 19 19 7 7 -14
Stand Voorjaarsnota 2026 6.601 6.509 5.245 4.481 241 -65
Militaire ondersteuning 2.980 3.000 3.000 2.563 40 20
Niet-militaire steun 1.077 880 458 457 -32* -71*
Binnenlandse regelingen 2.545 2.629 1.787 1.472 244 0
Leveringszekerheid 0 0 0 -11** -11** -14**

*Dit betreft onder andere de aflossing en de renteontvangsten van de bilaterale lening aan Oekraïne via het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Omdat dit ontvangsten zijn, leidt dit tot een negatieve stand in het uitgavenoverzicht.

**Dit betreft de heffing gasleveringszekerheid voor de netto-kosten van de vultaken gas voor Energie Beheer Nederland voor de vulseizoenen 2022-2023, 2023-2024 en 2024-2025 in de periode 2022-2025. Omdat dit ontvangsten zijn, leidt dit tot een negatieve stand in het uitgavenoverzicht.

Vraag 57

Vraag 57

Hoeveel is er extra gereserveerd voor klimaat ten opzichte van de stand Miljoenennota 2026? Kunt u dit nader specificeren?

Antwoord op vraag 57

Het kabinet heeft in het Coalitieakkoord extra middelen voor klimaat vrijgemaakt. Die zijn in onderstaande tabel opgenomen. Het gaat onder andere om middelen voor nieuwe openstellingsrondes van de SDE++ van 8 miljard euro tussen 2027 en 2032. In de Voorjaarsnota heeft het kabinet besloten om 860 miljoen euro uit het Klimaat- en energiefonds over te hevelen naar departementale begrotingen, voor verscheidene maatregelen op het gebied van klimaat en energie. Die reeks is tevens in onderstaande tabel opgenomen. De onderliggende maatregelen zijn te vinden in de 1e suppletoire begroting van het Klimaatfonds of het Ontwerp-Meerjarenprogramma Klimaat- en Energiefonds 2027.

2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
Coalitieakkoord
Indirecte kostencompensatie ETS 192 223 355 505 505 505 505 505 505 505
SDE++ zes nieuwe rondes 2027 t/m 2032 8 114 349 658 961 1.248
Continuering uitveroering klimaatbeleid medeoverheden (2031 t/m 2040) 800 800 800 800 800
Wind op Zee (uitbreiding tot 40 GW in 2040) 7 78 88 117 91 182 376 1.117 1.797 2.406
Voorjaarsnota 2026
Overhevelingen vanuit Klimaatfonds Voorjaarsnota 2026 203 217 143 99 100 80 12 2 2 2

Vraag 58

Vraag 58

Kunt u de tien grootste tegenvallers opsommen, inclusief het budgettair belang?

Antwoord op vraag 58

De tegenvallers worden per begroting toegelicht in bijlage 3 verticale toelichting. Daarnaast zijn uitgebreide toelichtingen van de tegenvallers te vinden in de 1e suppletoire begrotingen van de departementen.

Vraag 59

Vraag 59

Hoeveel geeft het kabinet uit aan klimaat in de periode 2026-2030? Graag dit per onderdeel uitsplitsen.

Antwoord op vraag 59

Dit is te vinden in bijlage 12 van de Miljoenennota 2026 (‘Integraal overzicht klimaat’). De middelen zoals genoemd in het antwoord op vraag 57 komen hier nog bovenop.

Vraag 60

Vraag 60

Hoeveel geeft het kabinet uit aan de Europese Unie in de periode 2026-2030? Graag per onderdeel uitsplitsen.

Antwoord op vraag 60

In miljoen euro 2026 2027 2028 2029 2030
Afdrachten aan de Europese Unie (3.1) 9.682 9.959 11.647 12.130 12.551
BNI-afdrachten 7.906 8.116 9.738 10.154 10.515
BTW-afdrachten 1.563 1.632 1.698 1.766 1.827
Plastic-grondslag 213 212 211 210 209
Invoerrechten aan de Europese Unie (3.6) 5.455 6.163 6.353 6.398 6.612
Perceptiekostenvergoeding (3.10) -1.364 -1.541 -1.588 -1.600 -1.653
Totaal (=3.1 + 3.6 + 3.10) 13.773 14.581 16.412 16.929 17.510

Vraag 61

Vraag 61

Hoeveel geeft het kabinet uit aan asiel in de periode 2026-2030? Graag per onderdeel uitsplitsen.

Antwoord op vraag 61

Onderstaande tabel geeft de asieluitgaven op de begroting van Asiel en Migratie weer tussen 2026 en 2031, exclusief de kosten voor de opvang van Oekraïense ontheemden.

Tabel Asieluitgaven op AenM-begroting (in miljoenen euro)
2026 2027 2028 2029 2030 2031
COA 4.015 3.775 3.473 3.169 2.863 2.863
w.v. crisisnoodopvang 1.200 900 600 300 0 0
IND 1.056 948 941 926 902 902
Nidos 412 412 412 412 412 412
Dienst terugkeer en vertrek 130 129 129 126 123 123
Overig1 302 322 260 238 238 238
Totaal 5.915 5.586 5.215 4.871 4.538 4.538
  1. Onder overige uitgaven vallen o.a. de uitgaven voor vreemdelingenbewaring bij DJI, subsidies voor o.a. Vluchtelingenwerk Nederland en uitgaven voor de aanpak van overlastgevende asielzoekers.

Vraag 62

Vraag 62

Kunt u een zo volledig mogelijk overzicht geven van de koopkrachtmaatregelen die verschillende landen hebben getroffen als gevolg van de hoge prijzen in verband met de onrust in het Midden-Oosten? Welke landen hebben de accijns en btw verlaagd? Kunt u daarbij in ieder geval benoemen welke maatregelen Duitsland, Oostenrijk, Italië, Ierland, Spanje, India en Australië hebben genomen?

Antwoord op vraag 62

In de toegezegde brief, die aanstaande maandag wordt verzonden, ontvangt uw Kamer de meest actuele stand van zaken met betrekking tot maatregelen in het buitenland.

Vraag 63

Vraag 63

Kunt u verklaren waarom de uitgaven aan de Europese Unie (BUZA, artikel 3 effectieve Europese Samenwerking) stijgen van 9,7 miljard euro in 2024 naar 15 miljard euro in 2026? Een stijging van meer dan vijf miljard euro in twee jaar tijd?

Antwoord op vraag 63

Op artikel 3 van de begroting van Buitenlandse Zaken worden naast de EU-afdrachten (artikel 3.1, 3,6 en 3.10) onder andere de uitgaven voor het Europese Ontwikkelingsfonds (artikel 3.2), de Europese Vredesfaciliteit (3.6) en de ontvangsten uit het Europese Herstelfonds (3.11) verantwoordt.

De uitgaven van artikel 3 bedroegen in 2024 9,7 miljard euro en zijn in 2026 geraamd op 15,6 miljard euro. De stijging van 5,9 miljard euro wordt met name verklaard door hogere bruto-afdrachten aan de Europese Unie (4,4 miljard euro) en de stijging in af te dragen invoerrechten (1,2 miljard euro). Dit is exclusief de ontvangsten.

De invoerrechten op de BZ-begroting worden ook geraamd aan de inkomstenkant van de Rijksbegroting. Een stijging van de invoerrechten is daarmee per saldo neutraal voor de Nederlandse begroting.

De bruto-afdrachten van 4,4 mld. euro zijn voornamelijk gestegen vanwege drie oorzaken:

  • Het gerealiseerde betalingenniveau van de EU-begroting lag in 2024 aanzienlijk lager dan het geraamde betalingenniveau voor 2026, onder andere door vertraging in de implementatie van landbouw en cohesiemiddelen. Hierdoor vinden afdrachten in latere jaren plaats.

  • De Nederlandse economie is daarnaast harder gegroeid ten opzicht van andere landen en daarmee is het Nederlandse aandeel in de Europese economie van 6,1% naar 6,4% gestegen. Ook dit zorgt voor een verhoging van de bni-afdracht voor Nederland.

  • Ook wordt in 2026 een forse nacalculatie verrekend over de jaren 2024 en eerder (674 mln. euro). Dit verhoogt incidenteel de afdrachten aan de EU-begroting in 2026 en vergroot het verschil tussen 2024 en 2026, zeker omdat Nederland in 2024 geld terug ontving als gevolg van de nacalculatie.

Vraag 64

Vraag 64

Hoeveel wordt er structureel omgebogen met de volgende maatregelen invoeren inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo2015; invoeren eigen bijdrage Jeugdwet; en eigen bijdrage in de forensische zorg.

Antwoord vraag 64

De structurele ombuiging die wordt gerealiseerd met de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo 2015 bedraagt 225 miljoen euro.

Met de invoering van de eigen bijdrage jeugd wordt een structurele ombuiging gerealiseerd van 260 miljoen euro.

Er is geen bedrag te noemen voor de ombuiging van een eigen bijdrage in de forensische zorg. Zoals de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid in haar meest recente voortgangsbrief Forensische zorg aangeeft, is zij op zoek naar een passende uitvoeringsorganisatie. Daarbij wordt gedacht aan het Centraal Administratie Kantoor (CAK) of Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).22 Het CAK geeft in haar impactanalyse aan dat zij, gezien de vele onzekerheden, geen uitspraken kunnen doen over de verwachte opbrengsten. De impactanalyse van het CJIB volgt later dit jaar en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid informeert u hierover in de volgende voortgangsbrief forensische zorg.

Vraag 65

Vraag 65

Op welke (suppletoire) begroting staan de verwachte ontvangsten uit de uitvoering van het amendement-Stultiens c.s. om private jets vanaf 2030 zwaarder te belasten? En als die nog nergens staan, waarom niet?

Antwoord op vraag 65

De geraamde ontvangsten van het amendement zijn onderdeel van de raming van de belastingen op een milieugrondslag. Deze zijn opgenomen in de raming van de belasting- en premieontvangsten, zoals toegelicht in paragraaf 6 en bijlage 5 van de Voorjaarsnota.

Vraag 66

Vraag 66

Kunt u per maatregel uit de Voorjaarsnota 2026 aangeven wat de beleidsdoelstelling is, wat het geraamde budgettaire effect is en op welke aannames de raming berust?

Antwoord op vraag 66

Alle maatregelen worden per begroting toegelicht in bijlage 3 verticale toelichting. Daarnaast zijn uitgebreide toelichtingen van alle maatregelen te vinden in de 1e suppletoire begrotingen van de departementen.

Vraag 67

Vraag 67

Kunt u toelichten waarom de uitgaven- en ontvangstenramingen voor belasting- en invorderingsrente zijn aangepast, en wat de gevolgen zijn van de uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2026?

Antwoord op vraag 67

De ontvangstenraming van de belasting- en invorderingsrente is geactualiseerd naar aanleiding van de nieuwe raming van de korte rente uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 van het Centraal Planbureau (CPB) en de realisatiecijfers uit 2025, die ruim 200 miljoen euro hoger waren dan geraamd. Daarnaast heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 geoordeeld dat het verhoogde percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting en enige andere middelen, in strijd is met algemene rechtsbeginselen en heeft de bepaling waarmee het verhoogde percentage wordt geregeld, onverbindend verklaard. Dit leidt ertoe dat deze belastingrente wordt verlaagd naar het reguliere belastingrentepercentage. Dit leidt in 2026 tot 264 miljoen euro lagere ontvangsten en structureel tot 145 miljoen euro lagere ontvangsten.

Vraag 68

Vraag 68

Kunt u toelichten welke gevolgen de uitspraak van de Hoge Raad van 16 januari 2026 heeft voor de inkomstenraming in 2026 en latere jaren?

Antwoord op vraag 68

In de voorjaarsnota is een raming opgenomen van het effect van de uitspraak, dit effect is op deze manier ook meegenomen in de inkomstenraming:

In miljoenen euro (+ is saldoverbeterend) 2026 2027 2028 2029 2030 Struc.
Arrest Hoge Raad belastingrentepercentage vennootschapsbelasting en enige andere middelen ‒ 264 -145 -145 -145 -145 -145

Vraag 69

Vraag 69

Kunt u aangeven welke risico’s de Staat loopt via exportkredietverzekeringen, garanties en investeringsverzekeringen en hoe die risico’s worden gemonitord?

Antwoord op vraag 69

Via exportkredietverzekeringen, garanties en investeringsverzekeringen (ekv) loopt de staat onder andere financieel-, budgettair- en reputatierisico. Financieel risico bestaat bijvoorbeeld uit betalingsrisico’s van debiteuren (bijvoorbeeld de afnemer van het geëxporteerde goed) op gedekte leningen. Het totaal uitstaande obligo (de optelsom van alle uitstaande financiële risico’s uit hoofde van afgegeven polissen en uitgereikte dekkingstoezeggingen) is op dit moment 14 miljard euro. Een overkoepelend overzicht van alle garanties, waaronder de ekv, wordt gepubliceerd als bijlage bij Miljoennota en het Financieel Jaarverslag van het Rijk. Reputatierisico draait bijvoorbeeld om aspecten op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en compliance. De financiële risico’s worden beheerst met verschillende instrumenten. Zo stelt de uitvoerder in overleg met de staat landenrisico’s vast en maximale totale omvang van verzekeringen op één land. Ook wordt per transactie bezien welke specifieke financiële risico’s worden gelopen, bijvoorbeeld door te kijken naar de winstgevendheid van de debiteur. Budgettaire risico’s worden beperkt door de kostendekkende premieontvangsten van de ekv. Reputatierisico’s worden gemitigeerd door alle verzekeringsaanvragen te screenen op compliance-, en milieu- en sociale risico’s. Indien nodig wordt een uitgebreide compliance- of milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd voor afgifte van de polis. Projecten met een hoog milieu- en sociaal risico worden actief gemonitord na afgifte van de polis.

Vraag 70

Vraag 70

Kunt u toelichten waarom het btw-compensatiefonds meerjarig wordt bijgesteld en hoe deze mutatie samenhangt met overhevelingen van budget van ministeries naar medeoverheden?

Antwoord op vraag 70

Het BCF is opgericht om btw weg te nemen als factor in de afweging van decentrale overheden tussen uitbesteden en inbesteden (uitvoering door de eigen organisatie). Bij overhevelingen van taken van het Rijk naar medeoverheden wordt er een bedrag in het gemeente- of provinciefonds gestort (en vice versa). Als de btw op deze taken compensabel is, dan wordt het btw-deel van dit bedrag in het btw-compensatiefonds (BCF) gestort. Bij meerjarige overhevelingen van taken gaat het ook om meerjarige stortingen in het BCF. Gemeentes en provincies kunnen de betaalde btw terugvragen bij het BCF. Naast deze bijstellingen voor taakmutaties vindt er een jaarlijkse bijstelling van de raming van het BCF plaats op basis van de kasstromen uit het voorgaande jaar.

Vraag 71

Vraag 71

Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn van eventuele onder- of overschrijdingen van het btw-compensatiefonds voor het gemeente- en provinciefonds?

Antwoord op vraag 71

Met ingang van 2015 is er een budgettair plafond ingesteld op het BCF. Als de uitgaven aan btw-compensatie lager zijn uitgevallen dan de stand van het plafond, dan wordt de resterende ruimte onder het plafond gestort in het gemeente- en provinciefonds. Als meer wordt geclaimd uit het fonds dan het plafond, dan wordt de overschrijding aangezuiverd vanuit het gemeente- en provinciefonds. Hierdoor zijn het BCF en het gemeente- en provinciefonds communicerende vaten.

Vraag 72

Vraag 72

Kunt u per departement aangeven hoe de rijksbrede taakstelling op apparaatsuitgaven is verdeeld en welke concrete invulling daaraan is gegeven?

Antwoord op vraag 72

De efficiencytaakstelling en de apparaatstaakstelling in het kader van vernieuwing Rijksdienst en slagvaardige overheid zijn over de verschillende begrotingen verdeeld naar rato van de totale apparaatsuitgaven van departementen en uitvoering. Enkele, in het coalitieakkoord genoemde, begrotingsonderdelen zijn uit de grondslag gehaald. De concrete invulling van de taakstelling moet nog plaatsvinden. Het kabinet werkt in de Ministeriële Taskforce Slagvaardige Overheid (TSOv) aan een actieagenda Slagvaardige Overheid die meer inzicht moet geven in de verschillende maatregelen. De planning is om de agenda voor de zomer aan de Tweede Kamer aan te bieden. Belangrijke doelen zijn het vereenvoudigen van beleid en regelgeving en het uniformeren van de bedrijfsvoering.

61. Efficiencytaakstelling
In miljoenen euro (min is saldoverbeterend) 2026 2027 2028 2029 2030
Efficiencytaakstelling -92 -179 -285 -392
wv. Financiën (incl. o.a. Belastingdienst) -24 -46 -72 -97
wv. Sociale Zaken en Werkgelegenheid (incl. o.a. SVB en UWV) -19 -38 -60 -82
wv. Infrastructuur en Waterstaat (incl. o.a. RWS) -10 -21 -34 -46
wv. Volksgezondheid, Welzijn en Sport -8 -16 -25 -33
wv. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -6 -11 -18 -25
wv. Justitie en Veiligheid -4 -8 -15 -22
wv. Asiel en Migratie -7 -13 -16 -21
wv. Economische Zaken -4 -8 -14 -20
wv. Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -4 -7 -11 -16
wv. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -2 -5 -10 -15
wv. Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -1 -2 -4 -5
wv. Buitenlandse Zaken (inclusief BHO) -1 -1 -3 -5
wv. Klimaat en Groene Groei -1 -2 -3 -4
wv. Algemene Zaken -0 -0 -1 -1

62. Vernieuwing Rijksdienst en een slagvaardige overheid

In miljoenen euro (min is saldoverbeterend)

2026

2027

2028

2029

2030

Vernieuwing rijksdienst en een slagvaardige overheid

-400

-1.000

wv. Financiën (incl. o.a. Belastingdienst)

-94

-236

wv. Sociale Zaken en Werkgelegenheid (incl. o.a. SVB en UWV)

-78

-198

wv. Infrastructuur en Waterstaat (incl. o.a. RWS)

-46

-117

wv. Volksgezondheid, Welzijn en Sport

-34

-82

wv. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

-27

-68

wv. Justitie en Veiligheid

-26

-64

wv. Economische Zaken

-22

-56

wv. Asiel en Migratie

-19

-48

wv. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

-19

-48

wv. Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

-17

-42

wv. Buitenlandse Zaken (inclusief BHO)

-6

-16

wv. Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

-5

-13

wv. Klimaat en Groene Groei

-3

-9

wv. Algemene Zaken

-2

-5

Vraag 73

Vraag 73

Kunt u toelichten welke gevolgen de taakstelling op apparaatsuitgaven heeft voor personele inzet, externe inhuur, ICT-uitgaven en huisvestingskosten bij de Belastingdienst en andere uitvoeringsorganisaties?

Antwoord op vraag 73

Zie het antwoord op vraag 72.

Vraag 74

Vraag 74

Kunt u aangeven hoe de extra ICT-middelen voor de Belastingdienst binnen de apparaatsuitgaven zijn ingepast en welke structurele problemen daarmee worden ondervangen?

Antwoord op vraag 74

Door prijsstijgingen en toegenomen gebruik van ICT-diensten is meer budget nodig om alle ICT-contracten die de Belastingdienst met leveranciers afsluit, te financieren. De toename van het gebruik van ICT-diensten is het gevolg van een steeds groter aantal belastingplichtigen en verdere digitalisering van onze samenleving. Steeds meer processen en communicatie verlopen digitaal, waardoor er meer digitale gegevens worden verwerkt en opgeslagen. Hierdoor heeft de Belastingdienst meer dataopslag nodig om de uitvoering van het innen van belastingen te kunnen waarborgen. Bij de Voorjaarsnota 2026 is hiervoor het budget voor ICT-middelen bij de Belastingdienst met 85 miljoen euro structureel opgehoogd. Hiervan komt 40 miljoen euro uit het geheel van mee- en tegenvallers binnen het ministerie van Financiën en 45 miljoen uit de loonruimte van de Belastingdienst. Dit zorgt voor dat – met de kennis van nu – de continuïteit van de instandhouding, modernisering en vernieuwing van de ICT-systemen bij de Belastingdienst geborgd wordt.

Vraag 75

Vraag 75

Kunt u toelichten waarom de huisvestingsbudgetten structureel zijn verhoogd vanwege tariefstijgingen van het Rijksvastgoedbedrijf?

Antwoord op vraag 75

De wijze van tariefbepaling door het RVB is vastgelegd in de vaststellingsbesluiten van het ministerie van BZK en is daarmee verankerd in wet- en regelgeving. In 2016 is het kantorenstelsel ingevoerd, met drie verschillende regiotarieven.

De stijging van 10,5% geldt alleen voor het kantoortarief en niet voor alle tarieven van het RVB.

De kantoren bevatten 18% van de totale RVB-portefeuille. De tariefstijging van het kantoortarief met 10,5% wordt met name veroorzaakt doordat is geïnvesteerd in de portefeuille op basis van de vraag vanuit de verschillende departementen en de prijsstijgingen van markthuurcontracten. Dit leidt tot een structurele rijksbrede stijging van circa 67 miljoen euro van de huisvestingsbudgetten.

De overige portefeuilles betreffen (bijzondere) specialties (32%) en Defensie (50%). De tariefstijging voor de (bijzondere) specialty portefeuille is minder dan 3% van de huisvestingsbudgetten, ofwel een Rijksbrede stijging van circa 11,5 miljoen euro van de huisvestingsbudgetten. Prijsstijging door investeringen (en daarmee dus stijging van de huisvestingsbudgetten van departementen) verschillen daardoor per departement en zijn direct gerelateerd aan opdrachtverstrekking per departement. Over de afgelopen vijf jaar is de stijging ongeveer gelijk aan de Consumentenprijsindex van het CBS.

Vraag 76

Vraag 76

Kunt u toelichten waarom de rentelasten op de vaste schuld en vlottende schuld meerjarig wijzigen, en welke rol het financieringsplan 2026 daarin speelt?

Antwoord op vraag 76

De verwachte rentelasten worden vooral bepaald door uitstaande schuld, de verwachte financieringsbehoefte en de rentetarieven zoals die door het CPB worden geraamd. De nadere invulling van de financieringsbehoefte (het financieringsplan) wordt in de jaarlijkse Outlook in december van het voorgaande jaar gepubliceerd. Hierin wordt aangegeven wat de verdeling tussen kapitaalmarktuitgiften en geldmarktuitgiften in het komende jaar zal zijn. Vóór de publicatie van het financieringsplan van een gegeven jaar wordt ervan uitgegaan dat in dat jaar de gehele financieringsbehoefte zal worden voldaan op de kapitaalmarkt.

De financieringsbehoefte gaat gepaard met onzekerheid. Veranderingen in de financieringsbehoefte in het lopende jaar, worden opgevangen op de geldmarkt, omdat die instrumenten flexibeler inzetbaar zijn dan kapitaalmarktinstrumenten. Wijzigingen in de financieringsbehoefte, in de verwachte rentetarieven en in de verhoudingen tussen geldmarkt en kapitaalmarkt zorgen voor wijzigingen in de geraamde rentelasten op de vaste en vlottende schuld.

Vraag 77

Vraag 77

Kunt u toelichten waarom in 2026 minder vaste schuld wordt uitgegeven dan eerder werd voorzien en wat dit betekent voor de staatsschuldontwikkeling?

Antwoord op vraag 77

Bij het opstellen van de ontwerpbegroting is het uitgangspunt dat de gehele financieringsbehoefte wordt gedekt met de uitgifte van vaste schuld. Dit volgt uit de Comptabiliteitswet 2016. In december stelt het Agentschap zijn definitieve financieringsplan vast en communiceert dit middels de zogeheten Outlook. In het financieringsplan wordt de totale uitgifte van vaste schuld in het komende jaar vastgesteld. Dit is in de regel slechts een gedeelte van de totale financieringsbehoefte. Het restant van de financieringsbehoefte wordt gedekt met de uitgifte van vlottende schuld. Feitelijk wordt een gedeelte van de uitgifte van vaste schuld overgeheveld naar de uitgifte van vlottende schuld. Omdat er sprake is van een overheveling heeft dit geen directe gevolgen voor de totale omvang van de staatsschuld.

Vraag 78

Vraag 78

Kunt u toelichten welke gevolgen de huidige renteontwikkelingen hebben voor de financieringslasten van de staat?

Antwoord op vraag 78

In de meest recente raming van het CPB (het Centraal Economisch Plan 2026) zijn de verwachte rentetarieven voor zowel de vlottende als de vaste schuld voor de komende jaren naar boven bijgesteld. Als gevolg hiervan zijn de geraamde rentelasten op zowel de vlottende als vaste schuld toegenomen. Deze mutaties zijn in de onderstaande tabel weergeven voor de periode 2026 t/m 2030.

Mutatie van de rentelasten als gevolg van CEP 2026 (ten opzichte van de ontwerpbegroting). 2026 2027 2028 2029 2030
Vaste schuld (€ mln., +/+ is een toename) 60 163 293 419 546
Vlottende schuld (€ mln., +/+ is een toename) 184 228 236 229 359

Vraag 79

Vraag 79

Kunt u aangeven waarom middelen uit 2025 en de Aanvullende Post zijn toegevoegd aan de begroting voor Toeslagen Herstel?

Antwoord op vraag 79

De voor 2025 geraamde programmamiddelen voor de hersteloperatie toeslagen zijn niet volledig besteed. De uitvoering van met name de compensatie van aanvullende schade verliep in 2025 minder snel dan eerder verondersteld, Het Kabinet verwacht financieel herstel nog steeds eind 2027 te kunnen afronden. Deze middelen (389 miljoen euro) worden toegevoegd aan het budget in 2026. De verwachting is dat deze middelen meerjarig nog steeds nodig zijn om gedupeerden te kunnen compenseren. Daarnaast wordt ten behoeve van verschillende onderdelen van de hersteloperatie toeslagen een beroep gedaan op de reservering op de Aanvullende Post van 255 miljoen euro in totaal. Het gaat om onderdelen waarvoor de middelen al eerder waren geoormerkt, maar nog in afwachting waren van definitieve besluitvorming. Op basis van de actuele inzichten in de ontwikkelingen binnen de hersteloperatie toeslagen is de verwachting dat op dit moment niet meer budget benodigd is dan het huidige totaalbudget van 11,6 miljard euro dat meerjarig voor de hersteloperatie beschikbaar is (dit is inclusief de reservering op de Aanvullende Post).

Vraag 80

Vraag 80

Kunt u toelichten hoe de verschuiving van herstelmiddelen van 2027 en 2028 naar 2026, 2029 en 2030 is onderbouwd?

Antwoord op vraag 80

In de Voorjaarsnota wordt 348 miljoen euro van de middelen voor de hersteloperatie toeslagen geschoven vanuit 2027 en 2028 naar 2026, 2029 en 2030. Deze kasschuif is deels op de begroting van Financiën en deels op de Aanvullende Post. Dit is enerzijds een kasschuif van 93 miljoen euro naar voren, gezien de hogere kosten voor met name wettelijke rente (67 miljoen euro) en dwangsommen (33 miljoen euro) in 2026. Anderzijds wordt 197 miljoen euro naar 2029 en 57 miljoen euro 2030 geschoven doordat met name de brede ondersteuning door gemeenten naar verwachting hoger uitvalt dan eerder geraamd en langer doorloopt door de verlenging van de regeling tot en met 31 augustus 2027. Voorzieningen kunnen in de brede ondersteuning tot twee jaar na het eerste gesprek worden toegekend en gemeenten declareren hun uitgaven een jaar achteraf bij het ministerie, daarom wordt uitgegaan van uitgaven tot en met 2030.

Vraag 81

Vraag 81

Kunt u toelichten welke uitvoeringskosten met het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang samenhangen en hoe deze binnen dit artikel worden gedekt?

Antwoord op vraag 81

Om de beoogde datum van inwerkingtreding per 1 januari 2029 te halen moet Dienst Toeslagen tijdig starten met de voorbereiding van de implementatie. Bij de Voorjaarsnota zijn incidentele (38 miljoen euro in 2027 en 40 miljoen euro in 2028) en structurele middelen (12 miljoen euro ) overgeheveld van de Aanvullende Post naar de Financiënbegroting. Deze middelen zijn bedoeld voor de voorbereiding op de implementatie en zijn afkomstig uit de reservering voor uitvoeringskosten voor het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang op de Aanvullende Post.

Vraag 82

Vraag 82

Kunt u aangeven welke maatregelen worden genomen om risico’s van tegenvallers, onderuitputting en kasschuiven te beperken?

Antwoord op vraag 82

Het kabinet zet bij elk begrotingsstuk in op het realistisch maken van de begroting door het verwerken van ramingsbijstellingen (mee-en tegenvallers), kasschuiven en het inboeken van aanvullende onderuitputting.

Vraag 83

Vraag 83

Het kabinet is voornemens een nieuw budgettair-structureel plan (FSP) bij de Europese Commissie in te dienen. Hoe ziet het nieuwe uitgavenpad er naar verwachting uit en welke voorgenomen hervormingen en investeringen in het kader van de landspecifieke aanbevelingen worden hierin opgenomen?

Antwoord op vraag 83

Het kabinet heeft het nieuwe FSP op 13 april aan de Tweede en Eerste Kamer verzonden en in diezelfde week bij de Europese Commissie ingediend. In dit FSP wordt de door het CPB geraamde groei van de netto primaire uitgaven afgezet tegen de maximaal toegestane groei die volgt uit het DSA-model van de Commissie en onderliggende (aangepaste) technische informatie (zie tabel 1). De maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven zoals gepresenteerd in het nieuwe FSP komt overeen met de door het CPB geraamde uitgavengroei. Hoofdstuk 6 en bijlage 4 van het FSP bevatten een uitgebreide omschrijving van de voorgenomen hervormingen en investeringen in het kader van de landspecifieke aanbevelingen. Zie het FSP voor een verdere toelichting.

Tabel Jaarlijkse en cumulatieve groei van de netto primaire uitgaven

Groei in %

2026

2027

2028

2029

2030

CPB: Groei van de netto primaire uitgaven per jaar, geraamd

4,7

3,5

3,1

3,5

3,7

CPB: Groei van de netto primaire uitgaven cumulatief, geraamd

4,7

8,4

11,7

15,6

19,9

DSA-model Commissie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven jaarlijks

4,7

3,5

3,1

3,5

3,7

DSA-model Commissie: maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven cumulatief

4,7

8,4

11,7

15,6

19,9

Vraag 84

Vraag 84

Tijdens het Commissiedebat Staat van de Volkshuisvesting is aangegeven dat de maatregelen uit het coalitieakkoord ertoe leiden dat het financiële tekort van ruim 19 miljard euro in theorie binnen de Nationale Prestatieafspraken (NPA) kan worden opgelost. Kan worden toegelicht hoe deze maatregel afdoende bijdraagt aan het oplossen van dit tekort en welk deel van het tekort hiermee wordt afgedekt? Kan ook worden ingaan op de mate van solidariteit binnen de corporatiesector die wordt verondersteld om deze middelen effectief in te zetten, en in hoeverre deze omvang van benodigde solidariteit in de praktijk realistisch is?

Antwoord op vraag 84

Zoals toegezegd ontvangt uw Kamer vóór de zomer een brief waarin wordt toegelicht hoe de maatregelen uit het coalitieakkoord bijdragen aan het oplossen van het financiële tekort van de NPA. Daarin zal ook worden ingegaan op de onderlinge solidariteit die nodig is om de opgave te realiseren.

Vraag 85

Vraag 85

Kan een integrale doorrekening worden gemaakt waaruit blijkt in hoeverre de in de Voorjaarsnota opgenomen maatregelen het geconstateerde financiële tekort binnen de NPA volledig afdekken?

Kan daarbij expliciet worden aangegeven:

• de omvang van het resterende tekort (indien aanwezig);

• de gehanteerde aannames ten aanzien van de uitwerking van geborgde financiering van middenhuur;

• de gehanteerde aannames ten aanzien van de uitwerking van ‘passende huurgelden’; en

• op welke wijze de regering, conform het coalitieakkoord, voornemens is afspraken te maken met woningcorporaties over deze ‘passende huurgelden’?

Antwoord op vraag 85

Zoals toegezegd ontvangt uw Kamer vóór de zomer een brief waarin wordt toegelicht hoe de maatregelen uit het coalitieakkoord bijdragen aan het oplossen van het financiële tekort van de NPA.

Vraag 86

Vraag 86

Wat is de budgettaire opbrengst van het volledig afschaffen van de expatregeling?

Antwoord op vraag 86

Volledig afschaffen van de expatregeling per 2027 zonder overgangseffect levert de volgende opbrengst op:

Tabel – budgettaire gevolgen afschaffen expatregeling (in mln euro en prijspeil 2026)

(in mln euro en prijspeil 2026) 2027 2028 2029 2030 Structureel
Afschaffen expatregeling 875 853 840 839 839

Vraag 87

Vraag 87

Wat is de budgettaire opbrengst van het volledig afschaffen van de innovatiebox?

Antwoord op vraag 87

Het afschaffen van de innovatiebox levert 1.080 miljoen euro op.

Vraag 88

Vraag 88

Wat is de budgettaire opbrengst van het volledig afschaffen van de landbouwvrijstelling?

Antwoord op vraag 88

De budgettaire opbrengst bij afschaffen van de landbouwvrijstelling groeit langzaam in en is afhankelijk van de keuze of een overgangsregeling geboden wordt. In de meest recente evaluatie van de landbouwvrijstelling door SEO23 wordt gesteld dat gebruik van een overgangsregeling beleidsmatig verstandig lijkt. De opbrengst bij afschaffen van de landbouwvrijstelling met overgangsregeling is afhankelijk van het jaar van invoering circa 9 miljoen euro in het jaar van invoering. Na 40 jaar wordt een opbrengst van circa 181 miljoen euro bereikt. De opbrengst van afschaffen van de landbouwvrijstelling zonder overgangsregeling is afhankelijk van het jaar van invoering circa 62 miljoen euro in het jaar van invoering. Na 40 jaar wordt een opbrengst van circa 205 miljoen euro bereikt.

Vraag 89

Vraag 89

Wat is de budgettaire opbrengst van het lage VPB-tarief afschaffen?

Antwoord op vraag 89

Het afschaffen van het lage Vpb-tarief geeft een budgettaire opbrengst van 3,2 miljard euro structureel.

Vraag 90

Vraag 90

Wat is de budgettaire opbrengst van het terugbrengen van externe inhuur naar een maximum van tien procent Rijksbreed?

Antwoord op vraag 90

De budgettaire consequenties van deze maatregel zijn niet geraamd in (de bijlagen bij) het coalitieakkoord. Het terugbrengen van externe inhuur naar maximum 10 procent Rijksbreed heeft nauwelijks budgettaire gevolgen voor de begroting, omdat in de begroting uitgaven aan externe inhuur vrijwel altijd lager zijn geraamd dan 10 procent van de totale personeelsuitgaven. Dit geldt met name voor toekomstige begrotingsjaren. Gedurende het lopende jaar schuiven departementen vaak budgetten naar externe inhuur, waardoor de gerealiseerde uitgaven aan externe inhuur uiteindelijk vaak wel hoger zijn dan 10 procent. Daarnaast wordt in de uitvoering wel degelijk ingezet op verambtelijking en het terugdringen van externe inhuur om kosten te besparen.

Vraag 91

Vraag 91

Wat is de budgettaire opbrengst van het invoeren van een vermogensbelasting voor vermogens boven de één miljoen euro (miljonairsbelasting) tegen een tarief van één procent?

Antwoord op vraag 91

Op 6 maart heeft de staatssecretaris van Financiën de brief ‘Minimum vermogensbelasting van 2% voor zeer vermogenden” naar de Tweede Kamer gestuurd. De brief betreft een toezegging van de vorige staatssecretaris aan het Tweede Kamerlid Stultiens (GL-PvdA) op de vraag hoeveel het voorstel van de Franse econoom Gabriel Zucman voor een wereldwijde minimumbelasting van zeer vermogenden voor Nederland zou kunnen opleveren, of dat juridisch haalbaar is en wanneer dit uitvoerbaar is. Tot het totale netto vermogen van huishoudens in Nederland behoren de netto waarde van de eigen woning, ander particulier vastgoed, ondernemingsvermogen, aanmerkelijk belang-aandelen, private beleggingen, portfolio-aandelen en spaartegoeden zowel in Nederland als in het buitenland van huishoudens die in Nederland belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting.

In de brief is wat betreft de budgettaire opbrengst als volgt geantwoord. Schattingen over de potentiële opbrengst van zo’n minimum vermogensbelasting zijn op dit moment niet goed mogelijk. De uitdagingen die het voorstel van Zucman met zich meebrengen, zijn grotendeels dezelfde als die bij een voorstel voor een generieke brede vermogensbelasting. Voor een serieuze raming van de mogelijke opbrengst van zowel Zucman’s voorstel als een generieke brede vermogensbelasting moeten de nodige keuzes over de vormgeving worden gemaakt en daarnaast veronderstellingen over gedragseffecten.

Het vergt daarbij informatie die niet voorhanden of makkelijk te krijgen is, zoals kennis over alle soorten vermogens van deze huishoudens inclusief het buitenlands vermogen en in welke landen dit vermogen zich bevindt, de nettowaarde ervan, en hoe de grondslag van de vermogensbelasting er uiteindelijk uit komt te zien. Ook de juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid hangen af van de vormgeving. Om goed antwoord te kunnen geven op de vragen van de heer Stultiens zou een wetgevingstraject nodig zijn. Dat wordt in de brief verder toegelicht.

Vraag 92

Vraag 92

Wat is de budgettaire opbrengst van het invoeren van een vermogensbelasting van vijf procent op het vermogen boven de vijf miljoen euro?

Antwoord op vraag 92

Zie antwoord op vraag 91.

Vraag 93

Vraag 93

Wat is de budgettaire opbrengst van het invoeren van een extra toptarief van 50 procent in de VPB voor winsten boven de vijf miljoen euro?

Antwoord op vraag 93

Het invoeren van een extra toptarief in de Vpb van 50% voor winsten boven de 5 miljoen euro geeft een budgettaire opbrengst in ordegrootte van 14 miljard euro structureel.

Vraag 94

Vraag 94

Wat is de budgettaire opbrengst van het invoeren van een extra schijf in de VPB van 50 procent voor winsten boven de één miljoen euro?

Antwoord op vraag 94

Het invoeren van een extra schijf in de Vpb van 50% voor winsten boven de 1 miljoen euro geeft een budgettaire opbrengst in ordegrootte van 20 miljard euro structureel.

Vraag 95

Vraag 95

Wat is de budgettaire opbrengst van het verhogen van het tarief van de tweede schijf VPB (algemene tarief) naar 35,7 procent? Wat is de budgettaire opbrengst van het verhogen van de tweede schijf box 2 naar 35,7 procent?

Antwoord op vraag 95

Het verhogen van het Vpb-tarief in de tweede schijf naar 35,7% geeft een budgettaire opbrengst in ordegrootte van 21 miljard euro structureel. De lastenrelevante opbrengst van het verhogen van het tarief in de tweede schijf van box 2 met 4,7 procentpunt naar 35,7 procent is 657 miljoen euro per jaar.

Vraag 96

Vraag 96

Wat zijn de structurele kosten voor het volledig gratis aanbieden van openbaar vervoer?

Antwoord op vraag 96

De totale vervoerskosten voor 2024 worden geschat op circa 6,3 miljard euro per jaar. Dit bedrag bestaat uit de reizigersinkomsten (circa 4,0 miljard euro), de middelen voor de OV-studentenkaart (OCW-begroting, circa 1,0 miljard euro) en exploitatiesubsidies (o.a. via Provinciefonds en IenW-begroting (BDU Verkeer en Vervoer), circa 1,3 miljard euro). Dit betreffen geaggregeerde cijfers over de reizigersinkomsten op basis van publicatie in de Staat van het OV (te raadplegen via www.crow.nl/kennisproducten). De totale kosten voor het gratis maken van het openbaar vervoer vallen naar verwachting hoger uit, omdat er in deze kostenraming geen rekening mee is gehouden dat bij gratis openbaar vervoer de vraag naar openbaar vervoer stijgt en de kosten voor (bijvoorbeeld) OV-personeel en materieel zal toenemen.

Vraag 97

Vraag 97

Wat zijn de kosten voor het leggen van twee miljoen zonnepanelen op daarvoor geschikte daken?

Antwoord op vraag 97

De kosten van de aanleg van zonnepanelen zijn van veel factoren afhankelijk, waaronder het type zonnepaneel. Uitgaande van het advies van PBL ten behoeve van de basisbedragen in de SDE++, zouden de totale kosten uitkomen op ca. 500 miljoen euro.24 Dit is slechts een indicatief bedrag om een indruk te geven van de orde grootte van de kosten.

Vraag 98

Vraag 98

Wat kost het afschaffen van de btw op onbewerkte groente en fruit?

Antwoord op vraag 98

Bepalen wat precies onder “onbewerkte groente en fruit” valt is niet eenduidig. Het is lastig juridisch houdbare grenzen te trekken, omdat producten die volgens de wetgever “onbewerkt” zijn, door consumenten soms nauwelijks van bewerkte varianten worden onderscheiden. Als wordt uitgegaan van ‘Onbewerkte groente en fruit in de Schijf van Vijf zonder toevoegingen’25 dan kost dit naar verwachting 837 miljoen euro. Dit bedrag kan toenemen door afbakeningsgeschillen.

Vraag 99

Vraag 99

Wat kost het om binnen vijf jaar alle slecht geïsoleerde huizen te isoleren?

Antwoord op vraag 99

In totaal betreft naar schatting 14% van alle 8,3 miljoen woningen in Nederland een woning met een E, F of G-label (Monitor Verduurzaming Gebouwde Omgeving, 2025). Dit betekent dat het om 1,16 miljoen woningen gaat. Omdat het grootste deel van deze woningen koopwoningen betreft, wordt met de gemiddelde kosten van 19.187 euro per koopwoning gerekend om naar de isolatiestandaard te isoleren uit het onderzoek van CPB en TNO (CPB TNO, 2024)26. In totaal komen de kosten voor het isoleren van alle slecht geïsoleerde woningen dan uit op circa 22 miljard euro.

Vraag 100

Vraag 100

Wat kost het om alle armoede en kinderarmoede te halveren, en wat kost het om dit (bijna) helemaal uit te bannen?

Antwoord op vraag 100

Het is niet mogelijk om één bedrag te noemen voor een halvering van de (kinder)armoedecijfers. Er is namelijk geen eenduidige manier om de (kinder)armoedecijfers te verlagen. De afgelopen jaren hebben verhogingen van het inkomen op minimumniveau, zoals verhogingen van de huurtoeslag en het kindgebonden budget, een belangrijke bijdrage geleverd aan het verlagen van de armoedecijfers. Op dit moment zijn de (kinder)armoedecijfers met 2,3% en 2,5% echter historisch gezien laag. Dat maakt het ook steeds moeilijker om armoedecijfers met inkomensverhogingen verder te laten dalen. Dat komt doordat de groep die nu nog in armoede leeft, niet altijd gebruik maakt van alle inkomensregelingen (niet-gebruik), bijvoorbeeld uit angst voor terugvorderingen of omdat zij regelingen niet weten te vinden. En specifiek voor de groep werkenden in armoede geldt dat een groot deel van die groep maar weinig uren werkt.

Het is ook niet mogelijk om de (kinder)armoedecijfers naar 0% te brengen. Dat komt doordat er altijd sprake zal zijn van (enige mate van) niet-gebruik, en doordat er altijd een aantal ongewone situaties zal zijn die in de statistieken als arm worden gezien. Denk bij ongewone situaties aan arbeidsmigranten die slechts een deel van het jaar in Nederland verblijven, of jongeren die een aantal maanden in Nederland werken en vervolgens in het buitenland gaan reizen.

Het volgende voorbeeld illustreert dat de effectiviteit van verdere inkomensverhogingen op dit moment relatief beperkt is. Verhogingen van het kindgebonden budget, de kinderbijslag of de huurtoeslag zijn de meest effectieve maatregelen om de kinderarmoedecijfers te verlagen. Voor een verlaging van de kinderarmoedecijfers met 0,2%-punt zou een intensivering nodig zijn van respectievelijk 0,8 miljard euro (kindgebonden budget), 1,3 miljard euro (kinderbijslag) of 1,9 miljard euro (huurtoeslag) per jaar.27

Gegeven de lage armoedecijfers op dit moment en de beperkte mogelijkheden om de armoedecijfers met inkomensverhogingen verder te verlagen, is voor het bestrijden van armoede in de ogen van het kabinet een brede aanpak nodig, die bestaat uit het stimuleren van mensen om meer uren te werken, het terugdringen van niet-gebruik, en het voorkomen dat mensen in armoede terechtkomen.

Vraag 101

Vraag 101

Wat kost het om de huren te bevriezen en woningcorporaties hiervoor te compenseren?

Antwoord op vraag 101

Een landelijke bevriezing van de sociale huren voor de periode 1 juli 2027 tot 1 juli 2028 leidt tot structureel lagere huurinkomsten voor verhuurders van sociale huurwoningen. Op basis van de actuele inflatieprognoses leidt dit voor woningcorporaties naar verwachting tot structureel (maximaal) ruim 700 miljoen euro minder huurinkomsten per jaar. Dit leidt ook tot een vermindering van de investeringsruimte van woningcorporaties van circa 17 miljard euro.

Voor het bevriezen van huren in de middenhuursector en de vrije sector is een wetswijziging nodig. Gelet op de gebruikelijke doorlooptijd van een wetswijziging is het niet waarschijnlijk dat een bevriezing van de middenhuren en vrijesectorhuren nog voor 2027 kan worden doorgevoerd.

Vraag 102

Vraag 102

Hoeveel mensen zitten er in energiearmoede?

Antwoord op vraag 102

In 2024 hadden volgens TNO en het CBS ongeveer 510 duizend huishoudens te maken met energiearmoede. Dat is ongeveer 6,1% van alle huishoudens. Zij hebben een laag inkomen in combinatie met hoge energiekosten en/of een woning met een lage energetische kwaliteit. Lage energetische kwaliteit betekent dat een woning slecht te verwarmen is (bijvoorbeeld door slechte isolatie) en/of er geen mogelijkheden zijn om energie op te wekken (bijvoorbeeld met zonnepanelen). Dit betreft een voorlopige schatting, omdat de gegevens van individuele huishoudens over 2024 wat betreft hun energieverbruik, inkomen en verduurzaming van de woning nog niet beschikbaar zijn.

Vraag 103

Vraag 103

Hoeveel mensen zitten er in de armoede, en hoeveel kinderen?

Antwoord op vraag 103

Volgens de CPB-raming van maart 2026 (het Centraal Economisch Plan) leven er in 2026 ongeveer 430.000 mensen in armoede, waaronder ongeveer 72.000 duizend kinderen. Dat komt neer op 2,5% van het totaal aantal mensen in Nederland en 2,3% van het totaal aantal kinderen.

Vraag 104

Vraag 104

Hoeveel mensen bevinden zich op of net boven de armoedegrens? Kunt u dit aangeven voor tien procent boven de armoedegrens, 20 procent en 30 procent erboven?

Antwoord op vraag 104

Het CBS rapporteert cijfers over de groep met een inkomen tussen 100% en 125% van de armoedegrens en een vermogensbuffer onder de vermogensgrens. Het meest recente jaar waarvoor deze cijfers beschikbaar zijn is 2024.28

Volgens het CBS hadden in 2024 ongeveer 1,1 miljoen mensen een inkomen tussen 100% en 125% van de armoedegrens. Onderstaande tabel geeft een uitsplitsing voor verschillende inkomenscategorieën.

Tabel Omvang groepen met inkomen net boven armoedegrens

Aantal mensen met een inkomen net boven de armoedegrens
Inkomen tussen 100% en 110% van de armoedegrens 420.000
Inkomen tussen 110% en 120% van de armoedegrens 470.000
Inkomen tussen 120% en 125% van de armoedegrens 240.000
Totaal 1.130.000

Vraag 105

Vraag 105

Wat is het mediane loon (met en zonder vakantiegeld)?

Antwoord op vraag 105

Het mediane loon bedroeg in 2024 51.442 euro per jaar exclusief vakantiegeld, en 55.558 euro per jaar inclusief vakantiegeld. Dit zijn de meest recente beschikbare bedragen afkomstig van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) over de verhouding tussen het minimumloon en mediane loon.

Vraag 106

Vraag 106

Wat is 60% van het mediane loon?

Antwoord op vraag 106

Op basis van het genoemde mediane loon in het antwoord op vraag 106 is 60% van het mediane loon exclusief vakantiegeld in 2024 30.865 euro per jaar exclusief vakantiegeld en 33.335 euro inclusief vakantiegeld. Dit is gebaseerd op de meest recente beschikbare bedragen.

Vraag 107

Vraag 107

Hoeveel kost het om het WML te verhogen naar 60 procent van het mediane loon (met behoud van koppeling met alle uitkeringen)?

Antwoord op vraag 107

Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een verhoging van het minimumloon per 1 januari 2028.

Het antwoord hangt in hoge mate af van de definitie van het inkomen en van welke groep mensen de mediaan wordt bepaald. Bij de beantwoording gaan wij ervan uit dat de vraag doelt op 60% van het mediane brutoloon van voltijds werkenden. Het meest recente jaar waarover deze cijfers beschikbaar zijn is 2024. Volgens de OESO bedroeg het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld in 2024 48,29% van het mediane brutoloon bij een volledige werkweek. Deze cijfers komen altijd met vertraging beschikbaar.

Wij nemen in de beantwoording aan dat het wettelijk minimumloon in 2028 nog altijd 48,29% van het mediane brutoloon bedraagt. Volgens de huidige inzichten is het minimumuurloon in 2028 gemiddeld 15,92 euro. Een verhoging naar 60% van het mediane brutoloon betekent dat het minimumuurloon in 2028 verhoogd moet worden naar gemiddeld 19,78 euro. Dit is een verhoging van ongeveer 24,7% per 1 januari 2028.

Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 24,7% per 1 januari 2028 kost structureel ongeveer 22 miljard euro per jaar, waarvan een kleine 70% extra uitgaven voor de AOW betreft en 10% bijstand. Dit betreft een grove inschatting van het budgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledige doorwerking op aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten voor de Rijksoverheid als wetgever en niet voor de Rijksoverheid als werkgever.

Dit is gebaseerd op de huidige inzichten. Als in de komende jaren de reguliere indexatie van het minimumloon anders uitvalt dan nu verwacht, of het mediane brutoloon zich anders ontwikkelt, dan wijzigt de benodigde beleidsmatige verhoging van het minimumloon en daarmee de kosten voor de rijksbegroting.

Vraag 108

Vraag 108

Hoeveel kost het om het WML te verhogen naar 18 euro (met behoud van koppeling met alle uitkeringen)?

Antwoord op vraag 108

Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een verhoging van het minimumloon per 1 januari 2028. Volgens de huidige inzichten is per 1 januari 2028 een verhoging van het minimumloon van circa 14,3% nodig om uit te komen op een minimumuurloon van 18 euro.

Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 14,3% per 1 januari 2028 kost structureel ongeveer 12,5 miljard euro per jaar, waarvan een kleine 70% extra uitgaven voor de AOW betreft en 10% Bijstand. Dit betreft een grove inschatting van het budgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledige doorwerking op aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten voor de Rijksoverheid als wetgever en niet voor de Rijksoverheid als werkgever.

Als de reguliere indexatie in de komende jaren anders uitvalt dan nu verwacht, dan wijzigt het benodigde stijgingspercentage om per 1 januari 2028 uit te komen op een minimumuurloon van 18 euro en daarmee ook de structurele kosten.

Vraag 109

Vraag 109

Op hoeveel procent van het mediane loon ligt het WML op dit moment?

Antwoord op vraag 109

De OESO rapporteert dat het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld in 2024 in Nederland 48,29% bedroeg van het mediane loon bij een volledige werkweek. Dit is de meest recent beschikbare informatie.

Vraag 110

Vraag 110

Hoeveel kost het om de BTW op energie te verlagen met 25 procent, 50 procent en 100 procent?

Antwoord op vraag 110

De btw op energie bedraagt 21%. Dit tarief kan worden aangepast naar 9% (het verlaagd btw-tarief). Een 0%-tarief op energie is niet toegestaan op grond van de Btw-richtlijn. De budgettaire kosten voor het verlagen van dit tarief zijn sterk afhankelijk van de verwachte prijzen van aardgas en het verbruik. Het verlagen naar 9% kost circa 2 miljard euro per jaar.

Vraag 111

Vraag 111

Hoeveel kost het om de energiebelasting voor huishoudens te verlagen met 25 procent, 50 procent en 100 procent?

Antwoord op vraag 111

In onderstaande tabel is de budgettaire derving weergegeven voor varianten waarin de energiebelastingtarieven verlaagd worden met 25%, met 50% en tot de minimumtarieven uit de EU-Richtlijn energiebelastingen. Voor elk van de varianten is ook een variant geraamd waarin de belastingvermindering in de energiebelasting evenredig wordt verlaagd. Als de belastingvermindering op het huidige niveau blijft, dan daalt de te betalen energiebelasting met meer dan de gevraagde percentages. Voor veel huishoudens en kleinverbruikers zal de energiebelasting dan negatief worden. Ter illustratie is de te betalen energiebelasting voor een gemiddeld huishouden toegevoegd aan de tabel.

Het is op dit moment niet mogelijk om in de energiebelasting onderscheid te maken tussen huishoudens en andere verbruikers. De tarieven zijn daarom voor alle verbruikers verlaagd. Vanwege de EU-minimumtarieven en de onmogelijkheid om onderscheid te maken tussen huishoudens en andere verbruikers is het niet mogelijk om de tarieven met 100% te verlagen voor huishoudens of andere verbruikers.

Verlaging 25% Verlaging 50% Verlaging tot minimum
Aanpassing alleen tarieven
Budgettaire derving (in miljarden euro's) 2,6 5,3 10,7
Energiebelasting bij gemiddeld verbruik per jaar (in euro's)* 50 -140 -509
Aanpassing tarieven en belastingvermindering
Budgettaire derving (in miljarden euro's) 1,2 2,5 5,2
Energiebelasting bij gemiddeld verbruik per jaar (in euro's)* 180 120 11

* Voor 2027 wordt gerekend met een gemiddeld verbruik van 900 m3 gas en 2.550 kWh elektriciteit.

Vraag 112

Vraag 112

Hoeveel wordt er door de overheid uitgegeven aan reclames en andere publiekscampagnes?

Antwoord op vraag 112

Uit de jaarevaluatie campagnes Rijksoverheid 2024 van Dienst Publiek en Communicatie (DPC), een agentschap van het ministerie van AZ, blijkt dat de totale mediabestedingen aan publieksvoorlichting 35,3 miljoen euro in 2024 bedroegen. Op Verantwoordingsdag (20 mei 2026) worden de cijfers over 2025 gepubliceerd.

Vraag 113

Vraag 113

Wat zijn de gemiddelde netbeheerkosten voor huishoudens?

Antwoord op vraag 113

Een huishouden betaalt in 2026 ca. 436 euro per jaar netbeheerkosten voor het elektriciteitsnet (incl. btw, excl. kosten voor meters).

Vraag 114

Vraag 114

Wat is het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek? Hoeveel procent hiervan gaat naar de hoogste 10 procent en 20 procent inkomens en vermogens?

Antwoord op vraag 114

In de Miljoenennota 2026 staat een budgettair belang voor de hypotheekrenteaftrek voor 2026 van circa 11,3 miljard euro. De verdeling van het voordeel van de hypotheekrenteaftrek per inkomensdeciel in 2023 staat in onderstaande tabel. We kijken naar het verzamelinkomen (bruto-inkomen minus aftrekposten) van huishoudens. Het gaat om een schatting op basis van IB-aangiftes, maar niet iedereen is verplicht om IB-aangifte te doen. Dit zorgt ervoor dat huishoudens met een inkomen aan de onderkant van de verdeling gemist worden en het percentage budgettair belang hypotheekrenteaftrek voor de lage inkomensdecielen in werkelijkheid mogelijk lager ligt.

Inkomensdeciel % budgettair belang hypotheekrenteaftrek
1e 3%
2e 5%
3e 6%
4e 8%
5e 9%
6e 10%
7e 12%
8e 13%
9e 15%
10e 19%

De volgende tabel geeft de verdeling van het voordeel van de hypotheekrenteaftrek per vermogensdeciel in 2023. Bij het bepalen van de verdeling wordt enkel gekeken naar huishoudens met vermogen (en een eigen woning) waarbij een brede vermogensdefinitie wordt gehanteerd (vermogensbestanddelen in box 1, box 2 en box 3). De eigenwoning minus de eigenwoningschuld maakt dus deel uit van het vermogen. Er is een aanzienlijke groep huishoudens zonder vermogen en zonder eigen woning die buiten beschouwing blijft.

Vermogensdeciel % budgettair belang hypotheekrenteaftrek
1e 11%
2e 6%
3e 8%
4e 12%
5e 13%
6e 12%
7e 11%
8e 9%
9e 8%
10e 11%

Vraag 115

Vraag 115

Klopt het dat in de Voorjaarsnota 2026 een structurele verlaging van de werkgeversbijdrage in de Zorgverzekeringswet (Zvw) is opgenomen van circa 2,2 miljard euro, die slechts gedeeltelijk wordt gecompenseerd door een verhoging van de Aofpremie van circa 1,4 miljard euro, resulterend in een netto lastenverlichting voor werkgevers van circa 770 miljoen euro? Kunt u aangeven waar deze netto lastenverlichting voor werkgevers exact is verwerkt in de Voorjaarsnota (pagina en regel) en of deze maatregel vooraf expliciet aan de Kamer is gemeld?

Antwoord op vraag 115

In de Voorjaarsnota is een lastenneutrale compensatie toegepast. Deze aanpassingen zijn aan het CPB meegegeven als beleidsuitgangspunten voor het Centraal Economisch Plan. Bij het bepalen van de benodigde lastenverzwaring is rekening gehouden met het feit dat de uitgaven aan de zorgtoeslag eveneens dalen. De compenserende lastenverzwaring binnen de inkomstenbelasting is verminderd met de lagere uitgaven aan de zorgtoeslag.

Dat de compenserende lastenverzwaring binnen de inkomstenbelasting uitkomt op een gelijkaardig bedrag als de daling van de nominale premies, heeft te maken met het deel van de Inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB) dat wordt betaald door zelfstandigen en ondernemers zonder personeel, die belastingplichtig zijn binnen de inkomstenbelasting en geen AOF-premie afdragen. Circa 35 procent van de IAB wordt betaald door deze groep. Dit deel van de derving wordt gecompenseerd binnen de inkomstenbelasting. Voor de doorwerking van de maatregelen uit het coalitieakkoord, telt dit structureel op tot circa 0,7 miljard euro. De resterende premiedaling van 1,4 miljard euro binnen de IAB wordt gecompenseerd via de AOF-premie. Per saldo is er daarmee geen sprake van lastenverlichting voor werkgevers, en geen sprake van een verschuiving tussen burgers en werkgevers.

Vraag 116

Vraag 116

Wat is het afbouwpad voor de hypotheekrenteaftrek met kostenraming?

Antwoord op vraag 116

Er is op dit moment geen sprake van een afbouwpad voor de hypotheekrenteaftrek. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd blijft.

Vraag 117

Vraag 117

Hoe is de verdeling van het voordeel van de hypotheekrenteaftrek per inkomensdeciel?

Antwoord op vraag 117

Zie antwoord op vraag 114.

Vraag 118

Vraag 118

Wat kost het om woningcorporaties te compenseren voor het bevriezen van de sociale huren?

Antwoord op vraag 118

Zie het antwoord op vraag 101.

Vraag 119

Vraag 119

Wat is de totale huurverhoging per jaar voor de afgelopen 20 jaar?

Antwoord op vraag 119

De tabel hieronder geeft een overzicht van de gemiddelde gerealiseerde jaarlijkse huurverhoging in het sociale segment (van woningcorporaties en andere verhuurders) in de afgelopen 20 jaar. Deze gegevens zijn gebaseerd op de CBS-Huurenquête.

Jaar Inflatie voorgaande jaar Maximaal toegestane huurverhoging Gerealiseerde jaarlijkse huurverhoging
2005 1,2% 2,7% 1,8%
2006 1,7% 3,2% 2,4%
2007 1,1% 1,1%1 1,1%
2008 1,6% 1,6%1 1,5%
2009 2,5% 2,5%1 2,3%
2010 1,2% 1,2%1 1,2%
2011 1,3% 1,3%1 1,3%
2012 2,3% 2,3%1 2,2%
2013 2,5% 4,0% / 4,5% / 6,5%2 4,1%
2014 2,5% 4,0% / 4,5% / 6,5%2 3,9%
2015 1,0% 2,5% / 3,0% / 5,0%2 2,0%
2016 0,6% 2,1% / 2,6% / 4,6%2 1,3%
2017 0,3% 2,8% / 4,3%3 1,1%
2018 1,4% 3,9% / 5,4%3 1,8%
2019 1,7% 4,1% / 5,6%3, 4 2,0%
2020 2,6% 5,1% / 6,6%3 2,4%
2021 1,3% 0%
(huurbevriezing)
-0,1%
(door verplichte huurverlaging voor lage inkomens in corporatiewoningen)
2022 2,7% 2,3% / €25 / €50 / €1004, 5 2,4%
2023 10,0% 3,1% / €25 / €50 / €1006 0,5%
(door verplichte huurverlaging voor lage inkomens in corporatiewoningen)
2024 3,8% 5,8% / €25 / €50 / €1006 5,0%
2025 3,3% 5,0% / €25 / €50 / €1006 4,4%
Totaal gemiddeld 2,25% 2,11%
Totaal cumulatief 58,0% 55,2%
  1. Maximale jaarlijkse huurverhoging was gelijk aan inflatie voorgaande kalenderjaar

  2. Maximale reguliere huurverhoging inflatie + 1,5%; inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (+0,5% voor middengroep en +2,5% voor hoge inkomens)

  3. Maximale reguliere huurverhoging inflatie + 2,5%; inkomensafhankelijke hogere huurverhoging inflatie + 4%

  4. Vanwege maximale huursomstijging (per kalenderjaar) uitgegaan van inflatie dec-dec; wijkt iets af van inflatie over kalenderjaar

  5. Maximale reguliere huurverhoging inflatie + 1%; hogere maximale huurverhoging € 25 voor zeer lage huren en nieuwe inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (max. € 50 voor middengroep en max. € 100 voor hoge inkomens)

  6. Maximale reguliere huurverhoging los van inflatie (2023 en 2024 gekoppeld aan cao-loonontwikkeling, 2025 afspraak in Nationale prestatieafspraken 2024); hogere maximale huurverhoging € 25 voor zeer lage huren en nieuwe inkomensafhankelijke hogere huurverhoging (max. € 50 voor middengroep en max. € 100 voor hoge inkomens)

Vraag 120

Vraag 120

Kan er een overzicht worden gegeven van alle belastingvoordelen die huurders ten goede komen, zoals huurtoeslag? Wat is het budgettair belang per maatregel?

Antwoord op vraag 120

De budgettaire omvang van de huurtoeslag is dit jaar 6,5 miljard euro. De huurtoeslag betreft geen belastingmaatregel. Er zijn geen belastingvoordelen die alleen ten goede komen aan huurders.

Vraag 121

Vraag 121

Kan er een overzicht worden gegeven van alle belastingvoordelen die woningbezitters ten goede komen, zoals eigenwoningregelingen en verduurzamingssubsidies? Wat is het budgettair belang per maatregel?

Antwoord op vraag 121

De belangrijkste fiscale regelingen waar woningbezitters mee te maken hebben zijn terug te vinden in de Miljoenennota. In de tabel hieronder wordt het budgettaire effect per regeling weergegeven voor 2026.

Regeling Budgettair belang in 2026 in miljoenen euro
Hypotheekrenteaftrek 11.272
Aftrek financieringskosten eigen woning 531
Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming 36
Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning 4
Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) 372
Eigenwoningforfait -2807*

* Het eigenwoningforfait is een kostenpost voor woningbezitters.

De volgende landelijke verduurzamingssubsidies zijn voor 2026 beschikbaar:

Regeling Budgettair belang in 2026 in miljoenen euro
Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) 501
Subsidieregeling verduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) 40

Daarnaast biedt het Warmtefonds goedkope leningen voor het verduurzamen van woningen en worden op lokaal niveau door verschillende gemeenten subsidies voor verduurzaming verstrekt.

Vraag 122

Vraag 122

Klopt het dat aan de huishoudenskant de lagere Zvwpremies nagenoeg volledig budgettair worden gecompenseerd via een verhoging van de inkomstenbelasting, terwijl de uitgaven aan zorgtoeslag daarnaast structureel dalen met circa 770 miljoen euro? Kunt u dit toelichten? Klopt het dat het Centraal Planbureau in het Centraal Economisch Plan uitging van een premieneutrale compensatie zonder lastenverschuiving tussen burgers en bedrijven, en kunt u toelichten waarom hiervan in de Voorjaarsnota is afgeweken en wat de structurele verdelingseffecten hiervan zijn?

Antwoord op vraag 122

Zie antwoord op vraag 115.

Vraag 123

Vraag 123

Wat zijn de kosten van het afschaffen eigen risico?

Antwoord vraag 123

Het kabinet is voornemens het verplicht eigen risico vanaf 2027 te indexeren en te verhogen met 60 euro. Dit is reeds verwerkt in het coalitieakkoord. Ten opzichte van dit voornemen, kost het naar verwachting ruim 8 miljard euro om het eigen risico af te schaffen. Dit effect loopt jaarlijks op naar ca. 9,5 miljard euro in 2031 vanwege de stijging van de zorguitgaven en bestaat uit een financieringseffect en een gedragseffect. De derving van de opbrengst van het eigen risico (het financieringseffect) bedraagt circa 4 miljard euro in 2027. Daarnaast zijn mensen door het afschaffen van het eigen risico zich minder bewust van de kosten en zullen zij vaker een beroep doen op zorg. Dit wordt het remgeldeffect genoemd en bedraagt naar verwachting ook circa 4 miljard euro in 2027. Het verwachte remgeldeffect is een grove schatting, een preciezere inschatting van het remgeldeffect zou aan het Centraal Plan Bureau (CPB) gevraagd moeten worden.

Vraag 124

Vraag 124
Hoeveel kost het om de mond- en tandartsenzorg in basispakket aan te bieden?

Antwoord vraag 124
Het Zorginstituut is gevraagd om te adviseren over een passende aanspraak op mondzorg en heeft vorig jaar in dit kader een kostenanalyse opgeleverd. In dit rapport zijn meerdere scenario’s doorgerekend: 1. jaarlijkse controles, 2. gebitsreiniging en het maken van foto’s, 3. Aanspraak mondzorg jeugd uitbreiden voor volwassenen, 4. medisch noodzakelijke handelingen en 5. verruiming van de huidige aanspraak tot de leeftijd van 25 jaar. De budgetimpact van het meest uitgebreide pakket (scenario 3) wordt tussen 1,6 en 1,7 miljard euro geschat, uitgaande van een eigen risico van 385 euro. Genoemde bedragen zijn in prijspeil 2023.

Vraag 125

Vraag 125
Hoeveel kost het om fysiotherapie in basispakket aan te bieden?

Antwoord vraag 125
In het rapport Passende aanspraak fysio- en oefentherapie van het Zorginstituut staat dat in 2022 0,67 miljard euro aan eerstelijns fysiotherapie en oefentherapie vergoed werd vanuit de basisverzekering en 1,11 miljard euro vanuit de aanvullende verzekering. Het is niet bekend hoeveel geld patiënten aan eerstelijns fysio- en oefentherapie uitgeven buiten de basisverzekering en aanvullende verzekering om. Er is dus geen compleet inzicht in wat het zou kosten om alle fysiotherapie (en oefentherapie) op te nemen in het basispakket. Dit zou nader onderzocht en geanalyseerd kunnen worden. Daarbij moet dan ook rekening gehouden worden met het effect van het eigen risico en gedragseffecten als gevolg van de opname in het basispakket. Een dergelijke berekening is op de korte termijn niet mogelijk.

Vraag 126

Vraag 126
Hoeveel kost het om kinderbrillen (een per jaar) in het basispakket aan te bieden?

Antwoord 126
Op dit moment worden alleen brillenglazen voor kinderen met specifieke medische afwijkingen vergoed vanuit het basispakket. Het Zorginstituut heeft in 2025 inzichtelijk gemaakt wat de kosten zouden zijn als de aanspraak wordt uitgebreid. Bij handhaving van een eigen bijdrage van 66 euro per glas en maximaal 132 euro per bril, worden de totale kosten voor de uitbreiding van de aanspraak naar alle kinderbrillen in het basispakket geraamd op tussen de 3,3 miljoen euro en 91,4 miljoen euro per jaar. Wanneer de aanspraak uitgebreid zou worden naar alle kinderbrillen zonder eigen bijdrage dan worden de kosten geraamd tussen de 72 miljoen euro en 160 miljoen euro per jaar, uitgaande van één bril per kind per jaar.


Vraag 127

Vraag 127

Wat is er veranderd aan de aanpak van fiscale regelingen sinds het kabinet is aangetreden?

Antwoord op vraag 127

Het kabinet is voornemens om de aanpak voort te zetten en negatief geëvalueerde regelingen aan te passen of af te schaffen. Zodoende worden per 1 januari 2028 dan ook de aftrek specifieke zorgkosten en het verlaagde btw-tarief sierteelt afgeschaft. Ook komt het kabinet terug op de motie Dassen29 over ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen.

Tegelijkertijd hecht het kabinet aan het coalitieakkoord dat duidelijkheid heeft willen bieden over welke stappen niet gezet zullen worden binnen de aanpak fiscale regelingen. Zo is afgesproken dat in het kader van stabiliteit en voorspelbaarheid de eigen woning regelingen en diverse ondernemersregelingen niet worden aangepast.

Vraag 128

Vraag 128

Wat zijn de effecten op tarieven en koopkracht van een 50/50-verdeling van de vrijheidsbijdrage, waarbij het burgerdeel wordt gefinancierd door beperking van de hypotheekrenteaftrek en het bedrijfsdeel door een verhoging van de vennootschapsbelasting?

Antwoord op vraag 128

De vrijheidsbijdrage voor burgers is nu vormgegeven als een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor (tcf) in de inkomstenbelasting waardoor o.a. de schijfgrenzen en de hoogtes van de heffingskortingen minder hard stijgen in 2027 en 2028. De tarieven zelf wijzigen niet door het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Als de toepassing van de tcf niet (verder) beperkt wordt, dan zouden de schijfgrenzen van de eerste en tweede schijf 883 euro en 2.403 euro hoger zijn dan het geval is bij een beperkte toepassing van de tcf.

De vrijheidsbijdrage bedraagt structureel 1.700 miljoen euro voor burgers en 3.400 miljoen euro voor burgers, in totaal 5.100 miljoen euro. Als de helft van het budgettaire effect opgehaald zou worden uit een beperking van de hypotheekrenteaftrek, dan gaat het om 2.550 miljard euro structureel. Hiervoor moet de hypotheekrenteaftrek met circa 15-20% worden beperkt. Het is op dit moment niet mogelijk om hier een exacte berekening voor te maken en dus de koopkrachteffecten weer te geven.

Als de andere helft van het budgettaire effect opgehaald wordt via de vennootschapsbelasting, dan leidt dit tot een verhoging van het lage Vpb-tarief naar 21,5% (+2,5%-punt) en een verhoging van het algemene Vpb-tarief naar 26,7% (+0,9%-punt) als het budgettaire effect gelijk wordt verdeeld over de beide schijven.

Vraag 129

Vraag 129

Kunt u een lijst aanleveren van alle maatregelen en indicatoren die gebruikt worden om het ‘vestigingsklimaat’ te meten en versterken?

Antwoord op vraag 129

Het ministerie van Economische Zaken heeft in 2023 de Monitor Ondernemingsklimaat laten ontwikkelen om regelmatig en evenwichtig inzicht te krijgen in de actuele staat van het ondernemingsklimaat. De monitor onderzoekt het ondernemingsklimaat langs veertien dimensies, waarbij de waardering door bedrijven, internationale ranglijsten en feitelijke indicatoren over actuele binnenlandse thema’s centraal staan. De uitgangspositie van Nederland op de internationale ranglijsten is goed. Nederland heeft sinds de start van de IMD World Competitiveness Ranking altijd in de top 10 gestaan, maar is de afgelopen jaren wel gedaald van de vierde plek in 2021 naar de tiende plek in 2025. Uit de Monitor Ondernemingsklimaat van december 2025 blijkt dat het ondernemersklimaat zich weliswaar stabiliseert en niet verder verslechterd, maar niet is hersteld.

Sterke dimensies zoals kwaliteit van leven en kennisniveau blijven op peil, terwijl knelpunten rond regelgeving, beleidsvoorspelbaarheid en schaarste aan arbeid en ruimte aanhouden. Verbeteringen zijn zichtbaar in financieringsmogelijkheden, digitalisering en in de energie-infrastructuur, maar het sentiment over regelgeving, beleidsconsistentie en energie blijft een belangrijke zorg voor bedrijven. Het kabinet neemt deze zorgen serieus. Tegen deze achtergrond zet het coalitieakkoord in op verbetering van het ondernemingsklimaat via onder meer het vereenvoudigen van regelgeving, het aanpakken van de stikstofproblematiek, investeringen in energie-infrastructuur en het oplossen van netcongestie, versterking van de digitale infrastructuur, en het intensiveren van de samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen om innovatie en productiviteit te stimuleren. Dit doet zij onder andere via verschillende Taskforces, zoals de Taskforce Toekomstige Welvaart & Verdienvermogen, die snel tot resultaten moeten komen. Daarnaast zet het kabinet in op stabiel beleid en stabiele belastingen, zodat ondernemers onder voorspelbaar gesternte kunnen ondernemen.

Vraag 130

Vraag 130

Wat zijn de btw-opbrengsten uit boodschappen per jaar voor de afgelopen zeven jaar?

Antwoord op vraag 130

Het is niet mogelijk om de gerealiseerde btw-opbrengsten specifiek voor boodschappen over de afgelopen zeven jaar te verstrekken, aangezien de btw-ontvangsten in de administratie niet worden uitgesplitst naar afzonderlijke productgroepen. Hierdoor bestaan er geen realisatiecijfers voor de btw op boodschappen en zou elke uitsplitsing gebaseerd zijn op een theoretische raming met bijbehorende onzekerheden.

Vraag 131

Vraag 131

Wat zijn de btw-opbrengsten uit brandstof per jaar voor de afgelopen zeven jaar?

Antwoord op vraag 131

Het is niet mogelijk om de gerealiseerde btw-opbrengsten specifiek voor brandstof over de afgelopen zeven jaar te verstrekken, aangezien de btw-ontvangsten in de administratie niet worden uitgesplitst naar afzonderlijke productgroepen. Hierdoor bestaan er geen realisatiecijfers voor de btw op brandstof en zou elke uitsplitsing gebaseerd zijn op een theoretische raming met bijbehorende onzekerheden.

Vraag 132

Vraag 132

Wat is de inflatie voor een gemiddeld boodschappenmandje voor de afgelopen tien jaar?

Antwoord op vraag 132

Zie onderstaand de ontwikkeling van de Consumentenprijsindex (CPI) voor de afgelopen tien jaar voor de ontwikkeling van de prijzen van het gemiddelde boodschappenmandje van het CBS. De figuur bevat ook een reeks met de ontwikkeling van de prijzen van voeding. De prijspeil van de CPI is de afgelopen tien jaar gestegen met 34,1%%. Voor voeding was dit 42,8%.

Bron: CBS


Vraag 133

Vraag 133

Wat is de ontwikkeling van de energieprijzen voor gas en elektriciteit voor een gemiddeld huishouden voor de afgelopen tien jaar?

Antwoord op vraag 133

Zie onderstaand de ontwikkeling van de Consumentenprijsindex (CPI, 2016=100) voor elektriciteit en gas voor de afgelopen tien jaar.

Elektriciteit Gas
2016 100,0 100,0
2017 101,1 102,1
2018 116,9 109,7
2019 135,2 121,4
2020 81,6 124,5
2021 99,7 145,3
2022 217,4 324,2
2023 146,3 180,2
2024 124,8 194,9
2025 125,9 198,3

Bron: CBS

Vraag 134

Vraag 134

Wat zijn de gemiddelde brandstofprijzen voor de afgelopen tien jaar?

Antwoord op vraag 134

Zie onderstaand de ontwikkeling van de prijzen van benzine, diesel en LPG gedurende de periode 2016-2026.

Bron: CBS


Vraag 135

Vraag 135

Welk alternatieve maatvoering dan verhoging van de tarieven in de IB en een hogere Aof-premie is denkbaar om lagere Zvw-premies voor gezinnen en bedrijven in het inkomstenkader te compenseren?

Antwoord op vraag 135

Binnen de begrotingsregels is het in principe mogelijk om aanpassingen van de zorgpremies te compenseren met elke combinatie van belastingmaatregelen en premie-aanpassingen. Het kabinet kiest als uitgangspunt om de compenserende maatregelen zo lastenneutraal mogelijk vorm te geven. Dit betekent dat de compensatie zo vormgegeven wordt, dat deze terecht komt bij dezelfde groepen die de premies afdragen. Op deze manier leiden aanpassingen in de zorgpremies voor zo min mogelijk verschuivingen van de lastendruk tussen groepen. Met lastenneutraliteit als uitgangspunt zijn er geen goede alternatieven voorhanden dan de eerste twee schijven van de inkomstenbelasting en de AOF-premie. De grondslag van de zorgpremies is zeer breed. Er zijn maar een beperkt aantal maatregelen met een vergelijkbare brede grondslag. De keuze voor een maatregel met een andere grondslag zou leiden tot een verschuiving van de lasten tussen groepen. Zo zou compensatie via de algemene heffingskorting leiden tot een verschuiving tussen hoge en lage inkomens (vanwege het afbouwtraject). De keuze voor de AWF-premie zou leiden tot een verschuiving tussen overheidswerkevers en de marktsector.

Vraag 136

Vraag 136

Kan er een overzicht worden gegeven van de bezuiniging van het niet verhogen van het eigen risico. Hoeveel bespaart dit per jaar, op welke andere toeslagen en maatregelen heeft dit doorwerking, wat zijn hiervan de koopkrachteffecten?

Antwoord 136

In de beantwoording ga ik ervan uit dat u vraagt naar de financiële gevolgen van het verhogen van het eigen risico, omdat het niet verhogen van het eigen risico geen bezuiniging betreft, maar een intensivering.

Onderstaande tabel toont de besparing die voortkomt uit de verhoging van het verplicht eigen risico.30

2027 2028 2029 2030
Opbrengst eigen risico (- is hogere opbrengst) -437 -406 -410 -413
Collectieve uitgaven (remgeldeffect) -613 -613 -613 -613
Effect uitgavenkader (- is lagere netto uitgaven) -1.050 -1.019 -1.023 -1.026

Het hogere verplicht eigen risico, leidt tot een lagere nominale premie. In de financieringssystematiek van de Zvw is immers sprake van communicerende vaten: tegenover een hoger verplicht eigen risico staat een lagere nominale premie. De nominale premie daalt naar verwachting met 57 euro per jaar in 2027 als gevolg van zowel de verhoging als indexatie van het verplicht eigen risico. Tevens leidt het hogere verplicht eigen risico tot een lagere zorgtoeslag. De zorgtoeslag is namelijk gebaseerd op de standaardpremie, welke bestaat uit de gemiddelde nominale premie en het gemiddeld betaalde verplicht eigen risico. Doordat de gemiddelde nominale premie harder daalt (- 57 euro) dan dat het gemiddeld betaalde verplicht eigen risico stijgt (+ 35 euro), daalt de zorgtoeslag met 22 euro.

Het Centraal Plan Bureau (CPB) heeft in haar Analyse coalitieakkoord 2026-2030 een doorrekening gemaakt van de koopkrachteffecten van het hele Coalitieakkoord, inclusief de verhoging van het eigen risico.31

Vraag 137

Vraag 137

Klopt het dat door het afschaffen van aftrekposten de formele inkomenssituatie voor mensen verandert waardoor zij minder toegang tot toeslagen, als huurtoeslag, kunnen krijgen? Kan deze systematiek worden uitgelegd en kan een overzicht van aftrekposten en beïnvloedde toeslagen gegeven worden?

Antwoord op vraag 137

Aftrekposten zorgen voor een lager verzamelinkomen waardoor er meer recht ontstaat op heffingskortingen32, zoals de algemene heffingskorting, en toeslagen. Door een aftrekpost af te schaffen zal voor een deel van de belastingplichtigen het verzamelinkomen dalen waardoor er minder recht ontstaat op heffingskortingen en toeslagen. Dit geldt voor alle aftrekposten zoals de hypotheekrenteaftrek, de ondernemersaftrekposten, de giftenaftrek en de aftrek specifieke zorgkosten. Het werkt door op alle inkomensafhankelijke toeslagen zoals de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebondenbudget.

Vraag 138

Vraag 138

Klopt het dat er is gekozen voor een verschuiving van lasten voor bedrijven naar lasten voor burgers (door de zorgpremie te verlagen met 4951 miljoen euro vanwege doorwerking hoger eigen risico en dat direct te compenseren met een lastenverzwaring van 4956 miljoen euro in de IB)? Klopt het dat het Rijk bespaart (766 mln struc) op de zorgtoeslag? Klopt het dan dat de lastenverzwaring in de IB eigenlijk te hoog is? Klopt het ook dat het voor bedrijven omgekeerd het geval is (2204 miljoen euro minder opbrengst IAB structureel, tegenover 1433 miljoen euro structureel meer Aof-premie)?

Antwoord op vraag 138

Zie antwoord op vraag 115.

Vraag 139

Vraag 139

Kan er een tijdlijn worden geschetst van de aanloop naar de invoering van het prijsplafond voor energie in januari 2023? Wanneer is dit plan gepresenteerd, wat waren de gasprijzen en elektriciteitsprijzen op dat moment, welke organisaties waren hierbij betrokken, etc.?

Antwoord op vraag 139

Hieronder vindt u tijdlijn van de gebeurtenissen, de gemiddelde energietarieven voor consumenten op dat moment en de betrokken partijen. Let wel: voor juni 2023 werd door CBS alleen gerapporteerd over de prijzen per kuub of kWh van nieuwe contracten. Dit waren niet de energieprijzen die op dat moment betaald werden door huishoudens met een vast of variabel contract. Huishoudens met een variabel contract merkten de stijging van de energieprijzen vaak 1 tot 3 maanden later. Het voornaamste doel van het prijsplafond was om consumenten weer prijszekerheid te bieden gedurende 2023 in een tijd waarin vaste energiecontracten niet werden aangeboden en de energierekening betaalbaar houden.

Datum Gebeurtenis Gemiddelde energietarieven huishoudens Betrokken partijen
jul-21 De consumentenprijs voor gas was nog relatief laag, maar de stijging was al ingezet door lege gasvoorraden vanwege een koude winter ervoor, meer vraag naar gas door economische groei en een afnemend gasaanbod uit Groningen. Consumentenprijzen voor nieuwe contracten zijn circa 0,86 euro per kuub voor gas en 0,24 per kWh elektriciteit.33
24-feb-22 Rusland valt Oekraïne binnen. Vanaf die tijd is er een daling van Russisch gas naar Europa en gasprijzen die omhoog schieten. Consumentenprijzen voor nieuwe contracten in februari waren gemiddeld circa 1,67 euro per kuub voor gas en 0,38 euro per kWh elektriciteit.34https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/84672NED
aug-22 De TTF-gasprijs (groothandelsprijs) piekt tijdelijk op een recordhoogte van over de 3 euro per kuub. Consumentenprijzen voor nieuwe contracten in augustus waren gemiddeld circa 2,6 euro per kuub voor gas en 0,58 euro per kWh elektriciteit.35https://www.reuters.com/business/energy/eu-extends-gas-price-cap-system-all-eu-hubs-2023-03-31/
19-aug-2022

cMEV-raming van het CPB wordt gepubliceerd.36

Uit het rapport blijkt dat de doorsnee koopkracht naar verwachting daalt in 2023 met 6,8% vanwege de inflatie, gedreven door hogere energieprijzen. Het aantal personen en kinderen in armoede stijgt naar respectievelijk 7,6% en 9,5%.

CPB
20-sep-22

De Miljoenennota wordt gepresenteerd met een generiek koopkrachtpakket en een bedrag gereserveerd voor de verlaging van de energiebelasting in 2023 van 5,4 miljard euro.

Later op die dag presenteert het kabinet een Kamerbrief met aanvullende maatregelen inclusief het prijsplafond.37 De Kamerbrief kondigt het instellen van een tijdelijk prijsplafond voor gas en elektriciteit aan in samenwerking met energieleveranciers. De reservering voor de verlaging van de energiebelasting wordt hiervoor ingezet. Ook wordt een tussenvariant van het prijsplafond aangekondigd voor in de maanden november en december van 2022; de 190 euro-regeling.

De verwachting destijds was dat de contractprijzen voor consumenten zonder plafond rond de 3 euro per kuub gas en 1 euro per kWh elektriciteit zouden uitkomen in 2023.38 Hieromtrent was veel onzekerheid. Ministerie van Financiën, Ministerie van EZK, andere betrokken ministeries, energieleveranciers, RVO
Okt-22 Publicatie Verordening noodinterventie in verband met hoge energieprijzen, dat het instrument prijsplafond legitimeert en inkadert binnen het staatsteunkader van de Europese Commissie.39
Nov-22

Start van de 190 euro-regeling.

Deze overbruggingsregeling is een maatregel die op korte termijn met een generiek bedrag per aansluiting per maand de energiekosten verlicht. Deze korting geldt voor iedere elektriciteitsaansluiting, ongeacht het contract en tarief.

Energieleveranciers, Ministerie van EZK, RVO
jan-23

Het tijdelijk prijsplafond ging in.

Voor huishoudens en kleinverbruikers gold een maximumtarief van €0,40 per kWh stroom en €1,45 per m3 gas, tot een verbruiksplafond van 2.900 kWh en 1.200 m3 per jaar.

https://www.consumentenbond.nl/energie-vergelijken/de-energiemarkt-staat-op-zijn-kop-kopie Energieleveranciers, Ministerie van EZK, RVO
Juni-23 De groothandelsprijzen voor gas dalen en energieleveranciers bieden nieuwe contracten aan met prijzen onder die van het prijsplafond. Energieleveranciers
Dec-23 Einde van inwerkingtreding van tijdelijke prijsplafond voor energie.

Vraag 140

Vraag 140

Is het in het kader van de lagere Zvw-premies logisch en verstandig om technisch te blijven veronderstellen dat de Aof-premies dan zullen stijgen, terwijl er jaarlijks al miljarden meer aan Aof-premies binnenkomen in het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan strikt noodzakelijk voor de uitgaven?

Antwoord op vraag 140

Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 135, kiest het kabinet ervoor om de compensatie lastenneutraal vorm te geven. Vanuit dit principe is er niet onmiddellijk een goed alternatief voorhanden voor de AOF-premie.

Vraag 141

Vraag 141

Waarop komt de EMU-schuld in 2060 uit als wordt verondersteld dat de AOW en andere uitkeringen tot en met 2060 louter met de wettelijke koppeling stijgen?

Antwoord op vraag 141

De schuldprojectie 2060 wordt door het CPB berekend. Een variant met andere veronderstellingen ten aanzien van de koppeling van de uitkeringen heeft het CPB niet gemaakt.

Vraag 142

Vraag 142

Wat betekent de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent voor vrouwen die met zwangerschapsverlof gaan?

Antwoord op vraag 142

De uitkering bij zwangerschap bedraagt 100 procent van het dagloon in de referteperiode, gemaximeerd op het maximumdagloon. Door de verlaging van het maximumdagloon wordt dit plafond lager, waardoor vrouwen met een inkomen hoger dan 80 procent van het huidige maximumdagloon tijdens hun zwangerschapsverlof een lagere uitkering ontvangen. Uit uitvoeringsgegevens blijkt dat in 2024 circa 17 procent van de vrouwen met een zwangerschaps- of bevallingsverlofuitkering een uitkering had die hoger lag dan 80 procent van het toen geldende maximumdagloon.

De werkgever kan er daarnaast voor kiezen om het loon aan te vullen boven het maximumdagloon. In veel sectoren zijn hierover afspraken gemaakt in cao’s. Dit betekent dat werkgevers in die gevallen het verschil boven het maximumdagloon voor eigen rekening nemen. Uit eerder onderzoek komt naar voren dat bij 44 procent van de cao’s is opgenomen dat het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100 procent van het loon wordt aangevuld.40 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100 procent van het (onbegrensde) loon of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend. Het aandeel werknemers ligt vermoedelijk hoger dan op basis van cao-afspraken alleen kan worden vastgesteld. Voor zelfstandigen die gebruikmaken van het zwangerschapsverlof geldt dit niet. Voor deze groep werkt een verlaging van het maximumdagloon daardoor volledig door in de hoogte van de uitkering.

Op 1 januari 2026 lag het maximum dagloon op 304,25 per dag. De huidige maximale maandelijkse uitkering is het dagloon keer 21,75 (het gemiddeld aantal werkdagen per maand) en komt hierdoor neer op 6.617,44 euro bruto per maand. Bij een verlaging van het maximumdagloon met 20 procent zou de maximale uitkering uitkomen op 5.293,95 euro bruto per maand. De maximale uitkering komt hiermee dus 1.323,49 euro bruto per maand lager te liggen. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof duurt 16 weken. Uitgaande van deze verlofduur bedraagt het inkomensverlies over de verlofperiode maximaal 4.868 euro bruto.

Wat Voor verlaging Na verlaging (-20%) Verschil
Maximum dagloon € 304,25 € 243,40 – € 60,85
Maximale maanduitkering € 6.617,44 € 5.293,95 – € 1.323,49

Vraag 143

Vraag 143

Hoe zou de lastenverzwaring in Box 1 moeten worden vormgegeven, zodanig dat de armoede niet toeneemt met 0,2 procent ten opzichte van het basispad, maar gelijk blijft?

Antwoord op vraag 143

In de CEP-raming stijgt armoede onder personen met 0,1%-punt in 2030 ten opzichte van 2026. Deze stijging kan worden voorkomen als de lastenverzwaring in box 1 (verhoging van het tarief van de eerste en tweede schijf, het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor en de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten) wordt vervangen door een verhoging van het tarief van de tweede en derde schijf met 4,43% in 2030 (ten opzichte van de situatie zonder lastenverzwaringen). Het tarief van de tweede en derde schijf (toptarief) zou daarmee uitkomen op respectievelijk 41,87% en 53,93% in 2030. Ook andere maatregelen en maatvoering zijn mogelijk.

Vraag 144

Vraag 144

Waarom wijken de cijfers af van het CEP (Daarin stond 5,7 miljard euro lagere zorgpremie voor burgers en 1,6 miljard euro lagere IAB voor bedrijven in 2030. Heel wat anders dan de respectievelijk 4,1 en 1,8 miljard euro in de Voorjaarsnota)?

Antwoord op vraag 144

Zie antwoord vraag 216.

Vraag 145

Vraag 145

Welk stikfstofreductie-effect is toegekend aan de aangekondigde, maar nog niet ingevulde normeringen, zoals voor grondgebondenheid, zonering en vergunningen op basis van doelvoorschriften?

Antwoord op vraag 145

Grondgebondenheid, zonering en doelsturing worden uitgewerkt als deel van de opdracht van de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft toegezegd voor de zomer te komen met verdere invulling van o.a. deze maatregelen. Als deze maatregelen verder zijn ingevuld is het mogelijk aan deze maatregelen een stikstofreductie-effect toe te kennen.

Vraag 146

Vraag 146

Wat zijn de budgettaire gevolgen als het eigen risico in 2030 niet wordt verhoogd naar 520 euro, maar bevroren blijft op 385 euro dan wel na 2027 gedurende de kabinetsperiode bevroren blijft op 460 euro?

Antwoord op vraag 146

Volgens huidige inzichten komt het verplicht eigen risico na indexatie en verhoging met 60 euro per 2027, in 2027 uit op 455 euro en in 2030 op 505 euro. De definitieve indexaties voor komende jaren kunnen nog worden bijgesteld, omdat deze afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de zorguitgaven.

Als ten opzichte van het huidige basispad het verplicht eigen risico wordt bevroren op 385 euro, dan kost dit ca. 1,2 miljard euro vanaf 2027 oplopend tot ca. 1,9 miljard euro in 2030. Als het verplicht eigen risico wordt bevroren op 455 euro vanaf 2028, dan kost dit circa 270 miljoen euro vanaf 2028 oplopend tot ca. 630 miljoen euro in 2030. Deze bedragen lopen jaarlijks op vanwege de stijging van de zorguitgaven. Het verwachte remgeldeffect is een grove schatting, een preciezere inschatting van het remgeldeffect zou aan het Centraal Plan Bureau (CPB) gevraagd moeten worden.

Vraag 147

Vraag 147

Heeft sec de omvang van de hypotheekrenteaftrek een gelijk effect op de woningprijzen als de hoogte van de besteedbare inkomens in het woningmarktmodel van het CPB?

Antwoord op vraag 147

Het CBP maakt gebruikt van het CPB-woningprijsmodel om een inschatting te maken van de koopprijsontwikkeling van woningen. In het model staat de financieringsruimte van huidige kopers centraal. De voornaamste variabelen om tot de financieringsruimte te komen zijn het besteedbaar inkomen en de woonlasten. De woonlasten bestaan uit de financieringslasten en de som van de belastingen en subsidies op de eigen woning41. De hypotheekrenteaftrek maakt onderdeel uit van deze belastingen en subsidies op de eigen woning.

Uit bovenstaande volgt dat de hypotheekrenteaftrek en de hoogte van de besteedbare inkomens beide een effect hebben op de woningprijzen in het woningprijsmodel van het CPB. Een stijging van de omvang van de hypotheekrenteaftrek zorgt voor een stijging van de woningprijzen. Hetzelfde geldt voor een stijging van de besteedbare inkomens. Een daling van de omvang van de hypotheekrenteaftrek zorgt voor een daling van de woningprijzen. Hetzelfde geldt voor en daling van de besteedbare inkomens.

Vraag 148

Vraag 148

Stel dat alle WW-maatregelen worden overgenomen, uitgezonderd de verhoging naar 80 procent in de eerste twee maanden en de verkorting met zes maanden van anderhalf naar een jaar, wat zijn dan de budgettaire effecten?

Antwoord op vraag 148

Wanneer het aanscherpen van de referte-eis en het vertragen van de opbouw worden doorgevoerd, maar de maximale duur per 2028 naar 18 maanden gaat en de uitkeringshoogte in de eerste twee maanden 75% blijft, zijn er de volgende budgettaire effecten:

In miljoenen euro’s, + is saldoverslechterend 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc.
Totaal 0 0 0 531 632,8 434,4 372,2

Deze reeks gaat uit van inwerkingtreding 2030 en laat de afwijking (kosten) zien ten opzichte van de maatregelen in het coalitieakkoord. De reeks is inclusief weglekeffecten naar bijvoorbeeld de bijstand en de Toeslagenwet, maar exclusief interactie-effecten met andere maatregelen uit het coalitieakkoord.

Vraag 149

Vraag 149
Als de huishoudelijke hulp uit de Wmo wordt gehaald, zijn de uitgaven per cliënt die een extra beroep doen op de Wlz dan hoger, dan wel is de zorg vanuit de Wlz duurder dan de ondersteuning die wegvalt vanuit de Wmo?

Antwoord vraag 149

In verband met het schrappen van de huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening uit de Wmo 2015 (met vangnet) wordt er een weglek naar de Wlz verondersteld. De verwachting is dat meer mensen een beroep zullen doen op de Wlz. Deze mensen zullen dan geen gebruik meer maken van de Wmo en wijkverpleging in de Zvw. De deeleffecten in de Wmo (-1.010 miljoen euro), Wlz (660 miljoen euro) en de Zvw (-85 miljoen euro) tellen samen op tot een per saldo besparing (-435 miljoen euro).

De opbrengst is een geactualiseerde berekening gebaseerd op de berekening in de Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015.

Vraag 150

Vraag 150

Welk gedragseffect aan de kant van de aanbieders van producten is bij de suikerbelasting verondersteld in de CPB-doorrekening van het coalitieakkoord?

Antwoord op vraag 150

In de CPB-doorrekening van het coalitieakkoord is geen aanname gedaan over het gedragseffect aan de kant van aanbieders van producten, omdat de opbrengst van de suikerbelasting taakstellend is. Dit betekent dat bij de inrichting van de belasting – meer specifiek bijvoorbeeld ten aanzien van de tariefstelling- erop wordt ingezet om deze opbrengst te behalen. Bij het vaststellen van de tarieven zal rekening gehouden worden met gedragseffecten.

Vraag 151

Vraag 151

Stel dat de tabelcorrectiefactor niet wordt beperkt bij de algemene heffingskorting en dat daardoor ter budgettaire compensatie de tabelcorrectiefactor elders meer beperkt wordt, wat zijn daarvan de effecten voor de koopkracht per kwintiel?

Antwoord op vraag 151

Als de tabelcorrectiefactor volledig wordt toegepast op de algemene heffingskorting dan zal de hoogte in 2028 naar verwachting 95 euro hoger zijn dan bij een beperkte toepassing. Volgens de sleuteltabel zou dit leiden tot een budgettaire derving van circa 876 mln euro. Dit bedrag zal opgehaald moeten worden door de tcf extra beperkt toe te passen op de overige parameters in de inkomstenbelasting. Het is op korte termijn niet mogelijk hier een exacte berekening voor te maken en dus de koopkrachteffecten weer te geven.

Vraag 152

Vraag 152

Stel dat de aftrek specifieke zorgkosten niet wordt afgeschaft, maar in plaats daarvan de doorwerking van alle aftrekposten wordt geschrapt voor wat betreft het recht op inkomensafhankelijke regelingen, wat zijn daarvan de (budgettaire) effecten?

Antwoord op vraag 152

In onderstaande tabel staan de geraamde budgettaire effecten voor deze maatregelen. In de raming voor het schrappen van doorwerking van aftrekposten op het verzamelinkomen voor toeslagen is rekening gehouden met het interactie-effect met het behouden van de aftrek specifieke zorgkosten.

Tabel: Budgettaire effecten behouden aftrek specifieke zorgkosten en afschaffen doorwerking aftrekposten op het verzamelinkomen voor toeslagen (mln. euro’s in prijzen 2026)

2028 2029 2030
Behouden aftrek specifieke zorgkosten -602 -602 -602
Schrappen doorwerking aftrekposten op verzamelinkomen toeslagen 1.005 918 938

Vraag 153

Vraag 153

Is de arbeidseis in de kinderopvangtoeslag ook van toepassing als een van beide ouders (tijdelijk) in de ww zit?

Antwoord op vraag 153

Als ouder(s) niet meer werkzaam zijn behouden zij nog 3 maanden het recht op kinderopvangtoeslag. Dit geldt dus ook voor de eerste drie maanden in de WW.

Aanvullend stelt art. 1.6 van de Wet kinderopvang dat ouders die in de Werkloosheidswet zitten en een traject gericht op arbeidsinschakeling volgen, recht hebben op kinderopvangtoeslag. Voorbeelden van een traject zijn: het volgen van scholing, een proefplaatsing of het starten als zelfstandige. De sollicitatieplicht in het kader van de WW geeft daarentegen geen recht op kinderopvangtoeslag.

Wanneer ouders geen recht meer hebben op kinderopvangtoeslag, kunnen zij het opgebouwde recht in het kalenderjaar nog gebruiken. Voor iedere maand in het kalenderjaar dat ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag, krijgen ouders 230 uur recht op kinderopvangtoeslag. Als kinderen minder dan 230 uur per maand naar de opvang zijn geweest, kunnen deze ongebruikte rechten tot het einde van het kalenderjaar te gelde worden gemaakt.

Vraag 154

Vraag 154

Kan worden aangegeven en toegelicht hoe de meerjarenraming in Tabel 2 van de suppletoire begroting VRO er naar verwachting uit komt te zien als de hiervoor relevante reserveringen (voor o.a. coalitieakkoordmaatregelen) op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting alvast zouden worden meegeteld? Kan daarbij rekening worden gehouden met de reservering voor betaalbare woningen t/m het jaar 2035?

Antwoord op vraag 154

Besluitvorming over de inzet van de coalitieakkoord-middelen moet nog plaatsvinden. Het is alleen mogelijk om voor de gehele VRO-begroting aan te geven hoe de meerjarenraming er naar verwachting uit komt te zien inclusief de coalitieakkoord-middelen. Zoals in de budgettaire bijlage van het coalitieakkoord opgenomen is vanaf 2029 tot en met 2035 één miljard euro per jaar vrijgemaakt voor investeringen in betaalbare woningen en 135 miljoen euro per jaar voor het continueren van het nationaal programma leefbaarheid en veiligheid.

Tabel 2 uit de suppletoire begroting van VRO bevat de belangrijkste suppletoire uitgavenmutaties van de totale begroting. Als de hierboven genoemde bedragen opgeteld worden bij de stand eerste suppletoire begroting 2026 zou het totaal in 2029, 2030 en 2031 respectievelijk 10,6 miljard euro, 10,5 miljard euro en 9,9 miljard euro bedragen, in plaats van 9,5 miljard euro, 9,4 miljard euro, en 8,8 miljard euro.

Vraag 155

Vraag 155

Kan worden aangegeven en toegelicht hoe de meerjarenraming in Tabel 4 van de suppletoire begroting VRO er naar verwachting uit komt te zien als de hiervoor relevante reserveringen (voor o.a. coalitieakkoord-maatregelen) op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting alvast zouden worden meegeteld? Kan daarbij rekening worden gehouden met de reservering voor betaalbare woningen t/m het jaar 2035?

Antwoord op vraag 155

Besluitvorming over de inzet van de coalitieakkoord-middelen moet nog plaatsvinden. Derhalve kunnen op dit moment nog geen uitspraken gedaan worden over op welk begrotingsartikel (tabel 4) deze middelen terecht zullen komen.

Vraag 156

Vraag 156

Kan worden aangegeven en toegelicht hoe de meerjarenraming in Tabel 6 van de suppletoire begroting VRO er naar verwachting uit komt te zien als de hiervoor relevante reserveringen (voor o.a. coalitieakkoord-maatregelen) op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting alvast zouden worden meegeteld? Kan daarbij rekening worden gehouden met de reservering voor betaalbare woningen t/m het jaar 2035?

Antwoord op vraag 156

Besluitvorming over de inzet van de coalitieakkoord-middelen moet nog plaatsvinden. Derhalve kunnen op dit moment nog geen uitspraken gedaan worden over op welk begrotingsartikel (tabel 6) deze middelen terecht zullen komen.

Vraag 157

Vraag 157

Kan worden aangegeven en toegelicht hoe de meerjarenraming in Tabel 8 van de suppletoire begroting VRO er naar verwachting uit komt te zien als de hiervoor relevante reserveringen (voor o.a. coalitieakkoord-maatregelen) op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting alvast zouden worden meegeteld? Kan daarbij rekening worden gehouden met de reservering voor betaalbare woningen t/m het jaar 2035?

Antwoord op vraag 157

Besluitvorming over de inzet van de coalitieakkoord-middelen moet nog plaatsvinden. Derhalve kunnen op dit moment nog geen uitspraken gedaan worden over op welk begrotingsartikel (tabel 8) deze middelen terecht zullen komen.

Vraag 158

Vraag 158

Kan worden aangegeven en toegelicht hoe de meerjarenraming in Tabel 12 van de suppletoire begroting VRO er naar verwachting uit komt te zien als de hiervoor relevante reserveringen (voor o.a. coalitieakkoord-maatregelen) op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting alvast zouden worden meegeteld?

Antwoord op vraag 158

Besluitvorming over de inzet van de coalitieakkoord-middelen moet nog plaatsvinden. Derhalve kunnen op dit moment nog geen uitspraken gedaan worden over op welk begrotingsartikel (tabel 12) deze middelen terecht zullen komen.

Vraag 159

Vraag 159

Hoe komt het dat de in de Voorjaarsnota 2026 ingecalculeerde vijf miljoen uitvoeringskosten van de investeringsfaciliteit vpb woningbouwcorporaties toevallig precies genoeg is om de efficiencytaakstelling uit hoofde van het coalitieakkoord op de begroting VRO structureel te dekken?

Antwoord op vraag 159

De 5 miljoen euro uitvoeringkosten voor het invoeren van deze nieuwe investeringsfaciliteit heeft geen relatie met de efficiencytaakstelling op de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). De uitvoeringskosten volgen uit het coalitieakkoord en staan op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting en kunnen dus ook niet gebruikt worden om de taakstelling op de VRO begroting te dekken. De uitvoeringskosten betreffen geschatte kosten voor de Belastingdienst en moeten met een uitvoeringstoets nog exact worden vastgesteld. Eventuele resterende middelen vallen vrij aan het generale beeld.

Vraag 160

Vraag 160

Wat verstaat u precies onder meevallers die “structureel” van aard zijn en een EMU-saldo dat “meerjarig” beter is dan -2% van het bbp wat de meevallersformule betreft? Kijkt u dan naar de toekomst of naar het verleden? Hoeveel jaar is “meerjarig”?

Antwoord op vraag 160

De meevallerformule treedt in werking indien meevallers structureel van aard zijn én het EMU-saldo zich meerjarig onder het geadviseerde tekort van de SBR (-2,0%) bevindt. De meevallerformule zal in werking treden als het EMU-saldo in de raming van het kabinet gedurende alle jaren waarvoor een raming beschikbaar is, beter is dan ‒ 2% bbp. Er wordt dus vooruit gekeken.

Vraag 161

Vraag 161

Als het EMU-tekort in 2027 dicht bij drie procent van het bbp komt, welke automatische triggers bestaan er dan bij het ministerie van Financiën voordat het tekort daadwerkelijk de Europese grens overschrijdt?

Antwoord op vraag 161

Het EMU-saldo van 2027 is in de Voorjaarsnota 2026 geraamd op -2,9% van het bbp. In het coalitieakkoord is vastgelegd dat Nederland zich houdt aan de Europese begrotingsafspraken die zijn vastgelegd in het Stabiliteits- en Groeipact. Hieronder vallen ook de vastgestelde referentiewaarden voor het begrotingstekort van 3% bbp en de overheidsschuld van 60% bbp.

Het kabinet vaart hiervoor op de vastgestelde inkomsten- en uitgavenkaders. Als zich tegenvallers voordoen bij een ministerie, worden deze in eerste instantie opgevangen binnen de eigen begroting. Als tegenvallers niet worden opgevangen binnen de eigen begroting, kunnen geplande intensiveringen niet doorgaan of moet aanvullend worden omgebogen. Aan de inkomstenkant van de begroting worden beleidsmatige mutaties eveneens gedekt.

Vraag 162

Vraag 162

Nederland heeft een tik op de vingers gekregen van Brussel. Wat zijn de concrete verplichtingen die hieruit voortvloeien in termen van het jaarlijkse netto-uitgavenpad, en welke sancties kan de EU opleggen als Nederland hier niet aan voldoet?

Antwoord op vraag 162

Het kabinet heeft het nieuwe FSP op 13 april aan de Tweede en Eerste Kamer verzonden en in diezelfde week bij de Europese Commissie ingediend. De maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven zoals gepresenteerd in het nieuwe FSP komt overeen met de door het CPB geraamde uitgavengroei (zie het antwoord op vraag 83). Totdat de Raad van de Europese Unie (de raad) aan Nederland een nieuw uitgavenpad aanbeveelt, blijft het in 2025 aanbevolen uitgavenpad gelden. Voor 2024 en 2025 viel de groei van netto primaire uitgaven hoger uit dan het aanbevolen pad. De Raad kan echter geen handhavingsmaatregelen nemen bij een overschrijding van het uitgavenpad zolang het begrotingstekort kleiner is dan 3% bbp en de schuld lager is dan 60% bbp. Dit is gedurende de kabinetsperiode naar verwachting het geval.

Vraag 163

Vraag 163

Wanneer ontvangt de Tweede Kamer het nieuwe budgettair-structureel plan (FSP)? Wanneer dient het kabinet het nieuwe FSP in bij de Europese Commissie in?

Antwoord op vraag 163

Het kabinet heeft het nieuwe FSP op 13 april aan de Tweede en Eerste Kamer verzonden en in diezelfde week bij de Europese Commissie ingediend.


Vraag 164

Vraag 164

Wat is de begrotingsopgave voor Nederland om wel te voldoen aan de preventieve arm op basis van het nieuwe FSP?

Antwoord op vraag 164

De maximaal toegestane groei van de netto primaire uitgaven zoals gepresenteerd in het nieuwe FSP komt overeen met de door het CPB geraamde uitgavengroei (zie het antwoord op vraag 83). In dat geval resteert er geen begrotingsopgave om aan het uitgavenpad te voldoen. Uiteindelijk vindt formele beoordeling door de Commissie pas na indiening van het FSP plaats, waarna de Raad van de Europese Unie uiteindelijk een nieuw uitgavenpad aan Nederland zal aanbevelen.

Vraag 165

Vraag 165

In hoeverre is de begrotingsopgave op basis van het nieuwe FSP groter geworden door de overschrijdingen van het vorige kabinet?

Antwoord op vraag 165

Zie het antwoord op vraag 164.

Vraag 166

Vraag 166

Wat is, in miljarden euro’s, op dit moment op basis van het in 2025 door de Raad van de Europese Unie aanbevolen uitgavenpad, de begrotingsopgave voor 2026, 2027 en 2028 om wel aan het uitgavenpad te voldoen?

Antwoord op vraag 166

Zie antwoord op vraag 83.

Vraag 167

Vraag 167

Kunt u toelichten op welke wijze wordt vastgesteld of meevallers in het beeld van financiën als ‘structureel van aard’ worden gekwalificeerd en welke methodologieën of criteria hiervoor worden gehanteerd?

Antwoord op vraag 167

De inschatting of een meevaller structureel van aard is verschilt per inkomsten- of uitgavenmaatregel en is afhankelijk van verschillende variabelen die van belang zijn bij het maken van een raming. Hierbij wordt onder andere naar de oorzaak van de meevaller gekeken. Een meevaller kan enkel structureel zijn indien er onderliggend blijvende veranderingen zijn opgetreden en daarmee naar verwachting meerjarig budgettaire effecten heeft. Als de meevaller het gevolg is van een eenmalige gebeurtenis wordt deze als incidenteel gekwalificeerd.

Vraag 168

Vraag 168

Kunt u exact aangeven over hoeveel aaneengesloten jaren het EMU-saldo beter dient te zijn dan ‒2,0% van het bbp voordat de meevallerformule van toepassing is?

Antwoord op vraag 168

Zie antwoord op vraag 160.

Vraag 169

Vraag 169

Kunt u toelichten of deze termijn schriftelijk is vastgelegd in de begrotingsregels of in Bijlage 1?

Antwoord op vraag 169

In bijlage 1 van de Voorjaarsnota zijn de begrotingsregels opgenomen. Daarin is opgenomen: Indien in het financiënbeeld per saldo meevallers structureel van aard zijn en het EMU-saldo zich meerjarig beter dan de ‒ 2,0% van het bbp bevindt, kunnen deze per saldo meevallers voor 1/3e ingezet worden voor lastenverlichting, 1/3e voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken en voor 1/3e voor aflossing van de staatsschuld, zolang eveneens de Europese grenswaarde voor de staatsschuld niet wordt overschreden.

Vraag 170

Vraag 170

Kunt u een overzicht verstrekken van alle jaren waarin de meevallerformule sinds de invoering ervan is toegepast, inclusief de omvang van de meevallers en de verdeling daarvan over de drie categorieën lastenverlichting, investeringen in verdienvermogen en aflossing van de staatsschuld?

Antwoord op vraag 170

De meevallerformule is voor het eerst geïntroduceerd bij het kabinet-Kok II. In de begrotingsregels is destijds opgenomen dat indien het EMU-saldo beter is dan -¾% bbp, ¾ van de meevallers wordt benut voor tekortreductie en ¼ voor lastenverlichting. Hoewel het kabinet Kok II laagconjunctuur voorzag groeide de economie. Het kabinet Kok II heeft daaropvolgend meer middelen beschikbaar gemaakt. Bij kabinet-Balkenende I is de meevallerformule aangescherpt en bij kabinet-Balkenende II is deze komen te vervallen, waarna deze vanaf kabinet-Rutte II weer geherintroduceerd werd. De meevallerformule heeft sinds kabinet-Kok II niet geleid tot het beschikbaar stellen van meer middelen.

Vraag 171

Vraag 171

Kunt u bevestigen of de term ‘meerjarig’ in de meevallerformule betrekking heeft op de ramingsperiode vooruitkijkend (vier à vijf jaar), op feitelijk gerealiseerde EMU-saldi uit het verleden, of op een combinatie van beide en waar dit expliciet is vastgelegd?

Antwoord op vraag 171

Zie antwoord op vraag 160.

Vraag 172

Vraag 172

Verwacht u, op basis van de huidige meerjarige ramingen van het EMU-saldo, dat de meevallerformule binnen de lopende kabinetsperiode van toepassing zal worden en zo ja, in welk jaar en met welke omvang?

Antwoord op vraag 172

De meevallerformule zal in werking treden als het EMU-saldo in de raming van het kabinet gedurende alle jaren waarvoor een raming beschikbaar is, beter is dan ‒ 2% bbp. Zoals in de Voorjaarsnota staat toegelicht is het EMU-saldo aan het einde van de kabinetsperiode geraamd op -2,1% bbp. Indien gedurende de kabinetsperiode aanzienlijke financiële of economische meevallers plaatsvinden is het mogelijk dat het EMU-saldo meerjarig uitkomt onder de grens van ‒ 2%. Het is niet te zeggen hoe groot de kans is op een dergelijk scenario.

Vraag 173

Vraag 173

Kunt u per kabinetsperiode vanaf 2012 een overzicht verstrekken van de precieze formulering en werking van de meevallerformule, inclusief de gehanteerde drempelwaarden en definities, waarbij tevens wordt toegelicht in hoeverre de huidige formule afwijkt van voorgaande kabinetsperiodes met de bijbehorende inhoudelijke overwegingen?

Antwoord op vraag 173

Onderstaand is vanaf 2012 aangegeven hoe de meevallerformule is geformuleerd in de begrotingsregels van het betreffende kabinet. De betreffende kabinetten hebben verschillende maatstaven met drempelwaarden gehanteerd voor de inwerkingtreding van de meevallerformule. De formulering van de meevallerformule is onderdeel van politieke weging tijdens het formatieproces. Huidig kabinet heeft het volgende met betrekking tot de meevallerformule opgenomen:

Indien in het financiënbeeld per saldo meevallers structureel van aard zijn en het EMU-saldo zich meerjarig beter dan de ‒ 2,0% van het bbp bevindt, kunnen deze per saldo meevallers voor 1/3e ingezet worden voor lastenverlichting, 1/3e voor investeringen die het verdienvermogen van Nederland verder versterken en voor 1/3e voor aflossing van de staatsschuld, zolang eveneens de Europese grenswaarde voor de staatsschuld niet wordt overschreden.

Kabinet Rutte II

Indien Nederland voldoet aan de MTO-doelstelling van het Stabiliteits- en Groeipact en het feitelijk EMU-saldo na de besluitvorming over de lastenkant in augustus een meerjarig overschot laat zien, dan wordt 75 procent van het overschot bestemd voor aflossing van de staatsschuld en zal een lastenverlichting van 25 procent van het overschot boven de 0 procent bbp worden gegeven.

Kabinet Rutte III

Geen meevallerformule

Kabinet Rutte IV

Als de raming van het feitelijk EMU-saldo langjarig beter is dan een saldo van ‒ 1% bbp, dan wordt 50% van die ruimte bestemd voor lastenverlichting en 50% voor schuldaflossing. Daarmee worden in eerste instantie de meevallers tussen het feitelijk saldo en het beoogde saldo op lange termijn volledig gebruikt ten behoeve van de staatsschuld. Besluitvorming vindt plaats bij het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar.

Kabinet Schoof

Aan de voorjaarsbesluitvorming liggen de onafhankelijke economische ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) ten grondslag, te weten het Centraal Economisch Plan (CEP). Daarnaast zal bij een dreigende overschrijding op basis van het CEP van de 3%-norm in het daaropvolgende jaar additionele maatregelen genomen worden, waarbij ten eerste naar uitgavenvermindering wordt gekeken. Voorts hanteert het kabinet een meevallerformule ingeval het feitelijke EMU-saldo langjarig beter is dan een saldo van ‒ 1,5% BBP. Eventuele besluitvorming hierover vindt jaarlijks in het voorjaar plaats.

Vraag 174

Vraag 174

Hoe zag de naïeve toets van de inkomstenraming eruit en wat waren de verschillen met de reguliere raming?

Antwoord op vraag 174

De naïeve toets wordt uitgevoerd bij de miljoenennota, bij de voorjaarsnota wordt deze toets niet gedaan. In de miljoenennota 2026 zag de naïeve toets er als volgt uit:

Raming 2025 Maatregelen Endogeen Endogeen in % Raming 2026
Raming belasting- en premientvangsten 429.645 3.114 18.668 4,3% 451.427
Naïeve toets 429.645 3.114 18.668 4,0% 449.787
Verschil 1.640

Vraag 175

Vraag 175

Waarom is het EMU-saldo in 2027 in de Voorjaarsnota een procentpunt lager dan in de CEP-raming van het CPB?

Antwoord op vraag 175

Het grootste verschil tussen de raming van Financiën en het CPB is een andere inschatting van de zogenoemde onderuitputting. Het CPB verwacht in het Centraal Economisch Plan dat in 2027 een deel van de budgetten in de begrotingen niet in het geplande jaar tot besteding zal komen. Dit leidt tot een positiever saldo van 0,8% bbp (10 miljard) bij het CPB. De overige 0,2% verschil wordt vooral verklaard door de verwerking van de uitvoeringsinformatie in de Voorjaarsnota die nog niet in de CEP-raming van het CPB verwerkt was.

Vraag 176

Vraag 176

Kunt u een volledige uitsplitsing geven van het verschil (1,0% bbp) in EMU-saldo voor 2027 van het CPB enerzijds (-1,9%) en de Voorjaarsnota anderzijds (-2,9%)?

Antwoord op vraag 176

Zie het antwoord op vraag 175.

Vraag 177

Vraag 177

Kunt u de meest recente raming geven van het EMU-saldo en EMU-schuld van het CPB in de periode 2026-2031 (graag per jaar uitsplitsen)? Kunt u de eventuele verschillen tussen de ramingen van het CPB en het ministerie van Financiën verklaren?

Antwoord op vraag 177

De onderstaande tabel toont het EMU-saldo en de EMU-schuld zoals gepubliceerd door het CPB in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026. De grootste verklarende factor voor het verschil tussen de saldoraming van Financiën het CPB is de extra onderuitputting die het CPB raamt ten opzichte van de begroting. De Financiën-raming van de uitgaven is een optelsom van de begrotingen. Het CPB verwacht dat een deel van de budgetten in de begrotingen niet in het geplande jaar tot besteding zullen komen. Zie paragraaf 4.2 van de Voorjaarsnota voor meer toelichting op de verschillen.

In procenten bbp 2026 2027 2028 2029 2030 2031
EMU-saldo CEP CPB -2,6 -1,9 -1,7 -2,0 -2,2 -2,4
EMU-schuld CEP CPB 45,3 45,3 45,6 46,0 46,8 47,8

Vraag 178

Vraag 178

De Expertgroep Realistisch Ramen heeft aanbevelingen gedaan. Welke aanbevelingen zijn inmiddels geïmplementeerd, welke nog niet en is er een tijdpad voor de rest?

Antwoord op vraag 178

Het kabinet zet stappen om de aanbevelingen van de Expertgroep Realistisch Ramen uit te voeren. Zo is de begroting in een realistischer kasritme gezet door middel van kasschuiven, wat ertoe geleid heeft dat de onderuitputting in 2025 lager was dan vooraf rekening mee gehouden was in de begroting. Daarnaast wordt een vereenvoudigd model als toets voor de inkomstenraming gebruikt. Ook publiceert het kabinet sinds medio oktober 2025 de inkomsten- en uitgavenrealisaties.

Enkele aanbevelingen zijn nog in uitvoering. Over het verbeteren van de vpb- raming wordt in de Miljoenennota 2027 nader gerapporteerd. De resultaten van de analyses bij de periodieke herijking van de schattingsvergelijkingen worden in een document separaat van de begrotingsstukken aan u gepresenteerd. Daarnaast wordt er gewerkt aan de verbetering van de ramingsmethodiek saldo decentrale overheden. Hierbij is het doel de nieuwe methodiek, waar mogelijk, bij de volgende raming in te zetten.

Vraag 179

Vraag 179

Welke gevolgen heeft het verbeteren van de raming van de vpb naar verwachting voor de raming van de vpb-heffing bij woningcorporaties?

Antwoord op vraag 179

De huidige raming van de vpb voor de woningcorporaties is gebaseerd op het model dat gebruikt wordt voor de Nationale Prestaties Afspraken. In dit model worden ook de verwachte vpb van woningcorporaties voorspelt. Deze raming wordt ook gebruikt bij eventuele beleidsvoorstellen.

Het huidige vpb-ramingsmodel om het totaal aan vpb-opbrengsten maakt gebruik van macro-economische indicatoren voor. In dit model wordt geen inschatting gemaakt van de vpb-inkomsten van sectoren. Er wordt gewerkt aan een verbetering van dit model, maar ook het nieuwe model zal geen aparte vpb-inkomsten per sector berekenen. Met betrekking tot de raming van de vpb zal daarom gebruikt gemaakt worden van de resultaten uit het NPA-model.

Vraag 180

Vraag 180

Kunt u per jaar over de afgelopen tien jaar aangeven hoe de collectieve-uitgavenquote zich heeft ontwikkeld en in hoeveel van die jaren de collectieve-uitgavenquote is gestegen?

Antwoord op vraag 180

Tabel 1 toont hoe de collectieve uitgavenquote zich heeft ontwikkeld in de periode 2016-2025. Over deze periode zijn de bruto collectieve uitgaven als % van het bbp in 4 van de 10 jaren gestegen.

Tabel: ontwikkeling bruto collectieve uitgaven (% bbp).

2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Bruto collectieve uitgaven (% bbp) 44,2 43,1 42,8 42,4 48,1 46,2 43,6 44,1 44,4 44,8
Verschil t.o.v. jaar ervoor -1,3 -1,1 -0,3 -0,4 5,7 -1,9 -2,6 0,5 0,3 0,4

Bron: CPB (Verzamelde bijlagen met lange reeksen CEP 2026)

Vraag 181

Vraag 181

Welk deel van de tegenvallers en intensiveringen wordt in deze Voorjaarsnota niet gedekt en loopt dus het EMU-saldo in?

Antwoord op vraag 181

Alle uitgaven zijn terug te vinden in het uitgavenkader (tabel 4, pagina 16). In de Voorjaarsnota 2026 heeft het kabinet, naast het coalitieakkoord, de CEP raming van het CPB en uitvoeringsinformatie verwerkt. Dit leidt in 2026 en 2027 tot per saldo lagere uitgaven in het kader en in de latere jaren tot per saldo hogere uitgaven in het kader. Dit betreft niet enkel tegenvallers en intensiveringen, maar bijvoorbeeld ook loon- en prijsontwikkeling. Daarnaast zijn bij Voorjaarsnota 2026 de kaders vastgesteld.

Vraag 182

Vraag 182

De begrotingshorizon wordt verlengd naar 8 jaar, beoogd bij de begroting van 2028. Wat verandert er concreet in de besluitvorming als er straks twee extra jaren zichtbaar zijn en welke meerjarige risico's worden dan pas zichtbaar die nu buiten beeld blijven?

Antwoord op vraag 182

De 18e Studiegroep Begrotingsruimte (SBR) heeft aanbevolen om de begrotingshorizon te verlengen van vijf naar acht jaar. De transities die Nederland zal doormaken en de gevolgen hiervan voor de overheidsfinanciën, slaan voor een belangrijk deel neer in de na de komende kabinetsperiode. Het is wenselijk om hier nu al rekening mee te houden, ook vanuit het oogpunt van de verdeling tussen generaties. Een verlenging van de begrotingshorizon kan dit faciliteren door de middellangetermijneffecten van beleid ook rondom besluitvorming beter in beeld te brengen.

Een ambtelijke werkgroep werkt, conform het coalitieakkoord, momenteel een voorstel uit van een uitbreiding van de begrotingshorizon per begroting 2028. In deze werkgroep wordt uitgezocht wat de effecten zijn van het uitbreiden van de begrotingshorizon op de departementale begrotingen en de bijbehorende processen.

Vraag 183

Vraag 183

Wat is het verschil in uitkomst van de geraamde inkomsten tussen de raming van het CPB en van Financiën?

Antwoord op vraag 183

In 2026 raamt Financiën in totaal 1 miljard euro extra aan premie- en belastinginkomsten in vergelijking met het CPB. In 2030 is dit verschil opgelopen tot 4 miljard. Verschillen tussen de ramingen van het CPB en het ministerie van Financiën ontstaan doordat beide instanties eigen ramingsmethodieken hanteren die onafhankelijk van elkaar tot stand komen. Daarnaast heeft het ministerie in deze raming gebruikgemaakt van de meest actuele aangifte-informatie van de Belastingdienst, wat heeft geleid tot specifieke bijstellingen die nog niet in de modellen van het CPB zijn verwerkt.

Vraag 184

Vraag 184

Op welke wijze is de in het coalitieakkoord opgenomen reservering van 500 miljoen euro voor een kapitaalstorting in het op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) verwerkt?

Antwoord op vraag 184

Op dit moment is de niet-saldorelevante reservering van 500 miljoen euro uit het coalitieakkoord voor een kapitaalstorting in het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) nog niet budgettair verwerkt, omdat er nog wordt gewerkt aan de concrete vormgeving van het NADI.

Vraag 185

Vraag 185

Het CPB raamt meer onderuitputting dan Financiën. Als de CPB-aanname juist is, welke concrete begrotingen zijn dan het meest kwetsbaar voor onderuitputting?

Antwoord op vraag 185

Het CPB raamt extra onderuitputting (inclusief toekomstige kasschuiven) bij defensie, infrastructuur en generiek (verspreid over meerdere begrotingen). Voor de komende jaren is het overgrote deel van de onderuitputting die het CPB raamt generiek en dus niet tot specifieke begrotingen toe te rekenen. Wel noemt het CPB in het bijzonder dat “ook bij defensie het lastig blijft om het extra budget op korte termijn uit te geven”. Zie ook pagina 18 van het verantwoordingsdocument bij het CEP 2026.

Vraag 186

Vraag 186

Klopt het dat in de Voorjaarsnota 2026 i.t.t. in het CEP 2026 van het CPB geen vertraging is ingeboekt op de uitgaven aan woningbouw in 2026 en 2027 door de recente stikstofuitspraken, dat het kabinet in tegenstelling tot het CPB niet verwacht dat deze uitspraken leiden tot een vertraging in de oplevering van nieuwbouwwoningen, dat het kabinet in tegenstelling tot het CPB niet verwacht dat dit in de jaren 2028-2029 wordt ingehaald, en dat er in 2030 geen verschil is op dit punt tussen de CPB-raming en de begroting?

Antwoord op vraag 186

Voor zover bekend publiceert het CPB geen specifieke cijfers over de realisatie van woningbouw. Het klopt dat er door het ministerie van VRO geen vertraging is ingeboekt op de uitgaven aan woningbouw in 2026 en 2027 n.a.v. recente stikstofuitspraken. In de ontwikkeling van de maandelijkse verlening van de bouwvergunningen zie je in 2025 weliswaar een daling, maar er worden sinds zomer 2024 op jaarbasis steeds meer dan 100.000 bouwvergunningen verleend. In de startbouwcijfers ziet de minister van VRO ook geen aanwijzingen dat er een significante dip in de bouw aan komt. ABF Research42 en Economisch Instituut voor de Bouw (EIB)43 waren in hun ramingen positief over 2026 en 2027.

Vraag 187

Vraag 187

Waarom raamt het ministerie van Financiën vanaf 2028 een andere ontwikkeling van de vpb-opbrengst dan het CPB en in hoeverre speelt de raming van de vpb-heffing bij woningcorporaties hierin een rol?

Antwoord op vraag 187

Verschillen tussen de ramingen van het CPB en het ministerie van Financiën ontstaan doordat beide instanties eigen ramingsmethodieken hanteren die onafhankelijk van elkaar tot stand komen. De beleidsraming voor de wijzigingen in de vpb-heffing zijn door zowel CPB als het ministerie van Financiën op dezelfde manier geraamd.

Vraag 188

Vraag 188

Kunt u toelichten hoe de raming van de derving oplopend tot ruim één miljard als gevolg van de WIA instroom is opgebouwd?

Antwoord op vraag 188

De uitgaven aan de WIA worden opwaarts bijgesteld met 285 miljoen euro in 2026 en 1065 miljoen euro in 2031. Dit betreft een samengesteld effect van een meevaller op de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) en een grotere tegenvaller op de Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA):

  • WGA: uit de realisaties van 2025 (op basis van de januarinota 2026 van het UWV) blijkt dat er meer mensen een nieuwe WGA-uitkering hebben gekregen dan eerder verwacht. Daarnaast is het aantal 42e-weeks ziekmeldingen bij het UWV hoger uitgevallen. Dit is een goede voorspeller voor de WIA-aanvragen in 2026. De verwachte stijging van het aantal WIA-aanvragen is voornamelijk het gevolg van een toename van zieken met psychische aandoeningen. Door deze realisaties mee te nemen in de raming van de toekomstige uitgaven stijgen deze ten opzichte van de vorige meerjareninschatting uit het voorjaar 2025. Daarnaast is een deel van de stijging van de WIA-uitgaven het gevolg van de uitvoeringsproblematiek bij het UWV. Door het oplopen van de WGA-voorschotten nemen de WGA-uitgaven toe omdat verstrekte voorschotten worden kwijtgescholden. Naast het verwerken van de informatie uit de januarinota 2026 zijn eerder gemaakte aannames herzien. Door de beperkte aanwezigheid van informatie over de ontwikkeling van WIA-aanvragen als gevolg van psychische aandoeningen en long-covid is destijds de aanname gemaakt dat de extra instroom als gevolg van deze ziektebeelden (voor een deel) tijdelijk was. Daarom werd deze extra instroom in de raming ook weer afgebouwd. Onder andere door opgedane inzichten vanuit het IBO WIA, wat in december 2025 is gepubliceerd, is besloten deze aannames los te laten.

  • IVA: uit de realisaties van 2025 blijkt dat er minder mensen een nieuwe IVA-uitkering hebben gekregen dan eerder verwacht. Door dit mee te nemen in de raming van de toekomstige uitgaven dalen deze ten opzichte van de vorige meerjareninschatting uit het voorjaar 2025. Deze daling is voornamelijk het gevolg van de uitvoeringsproblematiek bij het UWV. Doordat het aantal WGA-voorschotten oploopt, neemt de directe instroom in de IVA af. De lagere IVA-uitkeringslasten gaan daarom gepaard met hogere WGA-uitkeringslasten.

Vraag 189

Vraag 189

Hoe verhouden de beheersmaatregelen SZW oplopend tot 300 miljoen euro zich tot de WIA-derving, en hoe moeten deze worden ingevuld?

Antwoord op vraag 189

De tegenvallers op de SZW-begroting (waaronder de tegenvaller op de WIA) zijn aanleiding geweest om verder na te denken over de beheersing van de uitgaven op de sociale zekerheid. Het kabinet is voornemens om bij Miljoenennota invulling te geven aan deze ombuiging.

Vraag 190

Vraag 190

Kunt u een meerjarig cijfermatig overzicht geven van de actuele veronderstellingen van zowel het kabinet als het CPB ten aanzien van de jaarlijks te verwachten onderuitputting en de verschillen daarin duiden?

Antwoord op vraag 190

De huidige begroting houdt rekening met 5,4 miljard euro aan onderuitputting in 2026, aflopend naar 3,8 miljard euro in 2029 (zie onderstaande tabel). Dit bestaat uit in=uittaakstelling en aanvullende onderuitputting. De in=uit-taakstelling is de tegenhanger van de eindejaarsmarge. Deze is in 2026 3,1 miljard euro. Voor 2027, 2028 en 2029 wordt verondersteld dat de in=uittaakstelling even hoog is als in 2026. De exacte hoogte is bekend na de voorjaarsbesluitvorming in het desbetreffende jaar. Daarnaast wordt voor 2026 2,3 miljard euro aan aanvullende onderuitputting geraamd, in 2027 en 2028 is dit 1,5 miljard euro en in 2029 0,7 miljard euro.

Overzicht in=uittaakstelling en aanvullende onderuitputting
In miljarden euro (+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029
1. In=uittaakstelling (incl. aanname voor latere jaren) -3,1 -3,1 -3,1 -3,1
2. Eerder geboekte aanvullende onderuitputting -2,3
3. Aanvullende onderuitputting Voorjaarsnota 2025 -1,5 -1,5 -0,7
4. Aanvullende onderuitputting een jaar doorschuiven (VJN2026) 1,5 -0,8 -0,7
Verwachte onderuitputting (1 t/m 4) -5,4 -4,5 -4,5 -3,8

Het CPB raamt in het Centraal Economisch Plan (CEP) aanvullend op de begroting extra onderuitputting (inclusief toekomstige kasschuiven) bij defensie, infrastructuur en generiek (verspreid over meerdere begrotingen). Voor de komende jaren is het overgrote deel van de onderuitputting die het CPB raamt generiek en dus niet tot specifieke begrotingen toe te rekenen. Zie voor meer toelichting pagina 18 van het verantwoordingsdocument bij het CEP 2026. Omdat het CEP voor afronding van de voorjaarsbesluitvorming gepubliceerd is, heeft het CPB de kasschuiven, wijzingen in aanvullende onderuitputting en ander beleid uit de Voorjaarsnota nog niet meegenomen in zijn onderuitputtingsraming.

Overzicht aanvullende onderuitputting CPB ten opzichte van de begroting
(+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030
Defensie -1,5 -0,3 -1,4 0,9 0,4
Infrastructuur -2,3 0,1 0,8 0,8 1,5
Generiek -0,2 -10,1 -9,9 -6,4 -3,3
Totale aanvullende onderuitputting CPB -3,9 -10,2 -10,6 -4,7 -1,4

Vraag 191

Vraag 191

Wat is de actuele meerjarige raming van alle middelen op de rijksbegroting die beschikbaar zijn voor Nederlandse steun aan Oekraïne?

Antwoord op vraag 191

Een geactualiseerd totaaloverzicht van de geraamde netto-uitgaven aan Oekraïne voor de jaren 2026-2031 is in de Voorjaarsnota 2026 opgenomen in paragraaf 5.3 Oekraïne. Een overzicht van de gerealiseerde uitgaven van voorgaande jaren is terug te vinden in het Financieel Jaarverslag Rijk van het desbetreffende jaar. Het overzicht voor 2025 zal in het Financieel Jaarverslag Rijk 2025 worden opgenomen. In deze overzichten wordt het onderscheid gemaakt tussen internationale steun (militair en niet-militair), binnenlandse regelingen (zoals opvang) en leveringszekerheid.

Vraag 192

Vraag 192

Welke aannames voor het nieuwe MFK en Eigenmiddelenbesluit worden gehanteerd bij de raming van de EU-afdrachten vanaf 2028 in deze Voorjaarsnota?

Antwoord op vraag 192

De raming van de Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting vanaf 2028 is gebaseerd op een aantal aannames. Vier daarvan die van wezenlijke invloed zijn op de raming van de Nederlandse afdrachten worden hier toegelicht. De eerste aanname is dat de omvang van het volgende MFK als percentage van het Europese bni gemiddeld genomen gelijk blijft aan het percentage dat in 2020 is afgesproken voor het huidige MFK (1,12%). Een tweede aanname is dat de aflossing en rentebetalingen van het coronaherstelfonds NGEU bovenop de MFK-betalingenplafonds zullen worden gefinancierd, maar wel gefinancierd worden vanuit de EU-afdrachten. Ten derde is aangenomen dat de bestaande correctie die Nederland krijgt op de bni-afdracht op het huidige niveau behouden blijft van ca. 2 mld. euro per jaar (uitgedrukt in constante prijzen met een deflator van 2%). Over deze bni-correctie zijn in het huidige MFK afspraken zijn gemaakt tot en met 2027 in het Eigenmiddelenbesluit. Als laatste is de afdrachtenverlaging waarop in het Hoofdlijnenakkoord van het voorgaande kabinet op werd ingezet, om de eerder geraamde stijging van de EU-afdrachten met 1,6 miljard euro per jaar te beperken, onderdeel van de raming vanaf 2028.

Vraag 193

Vraag 193

Welk deel van de bedragen die gereserveerd zijn voor ‘uitvoeringsinformatie WIA’ wordt veroorzaakt door de stijging van het aantal aanvragen?

Antwoord op Vraag 193

De reeks ‘uitvoeringsinformatie WIA’ wordt grotendeels veroorzaakt door de stijging van het aantal aanvragen, zowel op basis van de informatie uit de januarinota 2026 van het UWV als de aanpassing van enkele aannames omtrent de groei van de WIA-instroom (zie antwoord 188 voor verdere duiding). Daarnaast vallen de verwachte WIA-uitgaven hoger uit als gevolg van het oplopen van de WIA-voorschotten, omdat verstrekte voorschotten worden kwijtgescholden. Naast de bijstelling van de reguliere WIA-uitgaven zijn ook de verwachte kosten van de WIA-herstelacties herijkt op basis van nieuwe uitvoeringsinformatie. Dit betreft de herstelacties WIA-dagloon, WIA-indexatie en de actie loonloze tijdvakken. De bijstelling van de reguliere WIA-uitgaven plus de herijking van de kosten voor de WIA-herstelacties resulteren in extra verwachte WIA-uitkeringslasten van 1.065 miljoen euro in 2031.

Vraag 194

Vraag 194

Wilt u, aanvullend op de voorgenomen coalitieakkoordmaatregelen in de zorg en sociale zekerheid, voor 2026 tot en met 2031 en structureel een overzicht geven van ombuigingen van uitgaven die wel in het basispad zijn verwerkt, maar nog concrete acties vragen van kabinet en/of parlement (conform Tabel 18 Voorjaarsnota 2024)?


Antwoord op vraag 194

Dep. Maatregel 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc Struc. in
SZW Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten per 01-01-2028 -292 -294 -308 -308 -308 2030
SZW Beheersmaatregelen SZW -76 -164 -253 -253 2031
SZW Compensatie transitievergoeding beperken per 01-07-2026 -58 -353 -355 -360 -360 -362 -380 2065
SZW WKB steilere afbouw per 01-01-2027 -25 -304 -291 -296 -300 -300 -300 2030
SZW WW duurverkorting 18 maanden per 01-01-2028 5 -5 -142 -472 -466 -392 2032
SZW CA 54. WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) 6 12 13 17 -53 -180 -1.151 2082
SZW CA 55 Vervallen Compensatie Regeling Transitievergoeding 2 -141 -216 -222 -229 -262 2065
SZW CA 56. Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 10 -644 -658 -696 -813 2082
SZW CA 57. Duurverkorting 12 maanden (per 2028)* 5 -526 -991 -1.335 -1.320 2033
SZW CA 60. 1 op 1 koppeling AOW-leeftijd aan levensverwachting per 1-1-2033 - -2.772 2060
VWS Amendement Bontenbal: Taakstelling beloning MSZ -150 -150 -150 -150 -150 2028
VWS Behandeling gehandicaptenzorg -88 -88 -88 -88 -88 -88 2027
VWS Digitale zorg gehandicaptenzorg -18 -44 -73 -99 -108 -108 2031
VWS Eigen bijdrage Jeugdzorg -260 -260 -260 -260 -260 2028
VWS Hervormingsagenda Jeugdzorg -463 -570 -1.525 -1.525 -1.525 -1.525 -1.525 2028
VWS Meerjarig contracteren -65 -65 -65 -65 -65 -65 2027
VWS Onafh. indicatiestelling ongecontracteerde wijkverpleging -85 -85 -85 -85 -85 2028
VWS Pakketmaatregel geneesmiddelen -30 -70 -70 -70 -70 -70 2028
VWS Standaardisatie gegevensuitwisseling -113 -227 -340 -340 -340 -340 2029
VWS Sturen op trajectduur Jeugdzorg -68 -68 -68 -68 -68 2028
VWS Subsidie medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden -35 -35 -35 -35 -35 2028
VWS Vervanging abonnementstarief Wmo 2015 -225 -225 -225 -225 -225 2028
VWS Wlz zonder verblijf (uit HLO) -120 -200 -310 -360 -360 -360 2030
VWS CA 35. Verhoging eigen risico met 60 euro per 2027 -1.050 -1.019 -1.023 -1.026 -1.112 -1.112 2031
VWS CA 36. Tranchering eigen risico op 150 euro -200 -200 -200 -200 -200 2028
VWS CA 37. Passende zorg (wet- en regelgeving) -112 -198 -266 -548 2035
VWS CA 38. Versterken informatieplicht zorgverzekeraars -110 -120 -120 -190 2038
VWS CA 39. Afschaffen vergoeding ongecontracteerde zorg -150 -150 -150 -150 2029
VWS CA 41. Selectie geneesmiddelen uit basispakket en strakker pakketbeheer -35 -115 -150 -150 -150 2030
VWS CA 42. Bestuurlijk akkoord Wlz/ scheiden wonen en zorg -130 -345 -560 -775 -990 -990 2031
VWS CA 44. Afschaffen Huishoudelijke Hulp Wmo -435 -435 -435 -435 2029
VWS CA 46. Eigen bijdrage Wijkverpleging 15 15 -225 -225 -225 -225 2029
VWS CA 48. Vervolgopleidingen medisch-specialisten -110 -110 -110 -110 2029
VWS CA 49. Beschikbaarheidbijdrage academische zorg -100 -100 -100 -100 2029

* Het deel aanscherpen referte-eis, vertraagde opbouw, 80% uitkeringshoogte in de eerste twee maanden gaat in per 2030 en moet 1-mei-29 door beide kamers zijn.

Vraag 195

Vraag 195

De WIA-tegenvaller loopt op van 285 miljoen euro in 2026 naar 1 miljard euro in 2031. Een deel van de bijstelling (152 miljoen euro in 2029, oplopend naar 506 miljoen euro in 2031) is geparkeerd op de Aanvullende Post. Wat is de status van die reservering: zijn dit harde middelen, of kunnen die bij tegenvallende inkomsten worden ingezet voor andere doelen?

Antwoord op vraag 195

Het kabinet maakt zich zorgen over de toename van de instroom in de WIA, naast de toename van de kosten als gevolg van de uitvoeringsproblematiek bij de sociaal-medische beoordelingen. De instroom stijgt onder andere door een toename van het aantal aanvragen van mensen met psychische klachten. In de komende maanden beraadt het kabinet zich op manieren om de instroom in de WIA te beheersen, mede in overleg met sociale partners.

Deze reservering betreft de verwachte oploop van de WIA-uitgaven bij ongewijzigd beleid vanaf 2029 en kan dus niet worden ingezet voor andere doelen.

Vraag 196

Vraag 196

Hoe komt het dat een verlaging van de accijns op diesel, benzine en LPG met tien cent per liter volgens de fiscale sleuteltabel ongeveer 980 miljoen euro per jaar kost, terwijl dezelfde verlaging volgens onderzoek van TNO slechts 505 miljoen euro per jaar kost (Impact van hoge fossiele brandstofprijzen op de betaalbaarheid van autorijden, pagina 18, tabel 5)?

Antwoord op vraag 196

In het onderzoek van TNO is enkel gekeken naar een accijnskorting voor personenauto’s op naam van huishoudens. Brandstofverbruik door onder meer zakelijke rijders, bedrijfsauto’s en vrachtwagens zijn niet meegenomen. In voetnoot 6 van het onderzoek van TNO (pagina 18) staat ook beschreven dat als die groepen wel zouden worden meegenomen, de totale budgettaire omvang van een accijnsverlaging van 10 cent ongeveer zou verdubbelen.

Vraag 197

Vraag 197

Wat is de oorzaak van de hogere asielinstroom en bezetting?

Antwoord op vraag 197

Bij Voorjaarsnota 2026 zijn de asielbudgetten bijgesteld aan de hand van het mediaanscenario van een update van de Meerjaren Productie Prognose 2025 (MPP2025), de zogeheten Kernprognose 2025. De Kernprognose 2025 is een ambtelijke raming die wordt opgesteld door het ministerie van Asiel en Migratie en ketenpartners. Uw Kamer wordt hierover op korte termijn door de minister van Asiel en Migratie geïnformeerd. Uit de raming volgt een hogere asielinstroom en bezetting dan gefinancierd kon worden uit de coalitieakkoordmiddelen.

Vraag 198

Vraag 198

Klopt het dat er in 2026 1,5 miljard euro aanvullende onderuitputting wordt afgeboekt? Waar wordt deze vrijvallende 1,5 miljard euro dit jaar aan besteed?

Antwoord op vraag 198

Bij Voorjaarsnota 2026 wordt de aanvullende onderuitputting van 1,5 miljard euro in 2026 afgeboekt en dit wordt in 2028 en 2029 opgeboekt. Het Kabinet veronderstelt hiermee een lagere onderuitputting in 2026 en een hogere onderuitputting in 2028 en 2029. Dit leidt niet tot hogere uitgaven aan andere beleidsdoelen in 2026.

Vraag 199

Vraag 199

Klopt het dat er een taakstellende kasschuif van 1 miljard euro uit 2027 naar latere is afgesproken? Waarom staat er in de tabel bij deze maatregel dan een ophoging van het kader met één miljard euro in 2027?

Antwoord op vraag 199
In het coalitieakkoord is een taakstellende kasschuif van 1 miljard euro uit 2027 naar latere jaren afgesproken. Met de kasschuiven die bij Voorjaarsnota 2026 zijn verwerkt, is deze taakstellende kasschuif ingevuld. In het uitgavenkader is de invulling van de taakstellende kasschuif CA (opboeking van 1 miljard euro) los zichtbaar. De taakstellende kasschuif (min 1 miljard euro) is opgenomen onder maatregelen en overige effecten coalitieakkoord. Per saldo zijn deze maatregelen nul (vanwege de invulling).

Vraag 200

Vraag 200

Kunt u de aanvullende onderuitputting van 1,5 miljard euro nader toelichten en specificeren?

Antwoord op vraag 200

In de Voorjaarsnota 2025 is voor de jaren 2026 t/m 2028 aanvullende onderuitputting ingeboekt omdat naar verwachting middelen in het geplande jaar niet tot besteding zullen komen. Het gaat om 1,5 miljard euro in 2026 en 2027 en 0,7 miljard euro in 2028. Bij Voorjaarsnota 2026 wordt de aanvullende onderuitputting van 1,5 miljard euro in 2026 afgeboekt en dit wordt in 2028 en 2029 opgeboekt. Het kabinet veronderstelt hiermee een lagere onderuitputting in 2026 en een hogere onderuitputting in 2028 en 2029. Bij Voorjaarsnota 2027 wordt bezien of deze aanvullende onderuitputting nog realistisch is. Indien dit niet het geval is, wordt bezien of (een deel van) de prijsbijstelling tranche 2027 wordt ingezet ter dekking of dat naar alternatieve dekking wordt gekeken.

Vraag 201

Vraag 201

Hoe verhoudt de aanvullende onderuitputting in de Voorjaarsnota 2026 zich tot de onderuitputting die het CPB in het CEP 2026 heeft ingeboekt, m.n. op het gebied van woningbouw?

Antwoord op vraag 201

Zie vraag 190. De raming die het CPB maakt voor aanvullende onderuitputting is grotendeels generiek (verspreid over meerdere begrotingen) en heeft niet direct betrekking op het gebied van woningbouw.

Vraag 202

Vraag 202

De publieke investeringen lagen in 2024 op 3,3% bbp, onder het langjarig gemiddelde van 3,8%. Er wordt een stijging hiervan voorspeld. Waar zit deze stijging concreet in?

Antwoord op vraag 202

Volgens het CPB stijgen de overheidsinvesteringen van 3,5% van het bbp in 2025 naar 4,1% in 2031. Volgens het CPB de komt stijging van de overheidsinvesteringen in de kabinetsperiode voornamelijk door investeringen in defensiematerieel en infrastructuur.44

Vraag 203

Vraag 203

De consumptieve uitgaven aan zorg en sociale zekerheid stijgen bij ongewijzigd beleid autonoom verder door vergrijzing. Welk bedrag is structureel nodig na 2031 om dit te financieren? Hoeveel economische groei is nodig om dit zonder lastenverzwaringen of ombuigingen te kunnen betalen?

Antwoord op vraag 203

Voor langetermijnramingen van de overheidsfinanciën vaart het kabinet op cijfers van het Centraal Planbureau (CPB). In de meest recente langetermijnstudie (juli 2025) raamt het CPB de ontwikkeling van enkele vergrijzingsgevoelige uitgavenposten (AOW, Zvw en Wlz) tot en met 2060 (zie tabel 1).45 In deze raming nemen de uitgaven aan AOW, Zvw en Wlz tussen 2030 en 2060 gezamenlijk toe met 5,7% bbp.

Deze raming maakt niet expliciet welk aandeel van deze uitgaven consumptief is en wat het aandeel van vergrijzing is in deze toename. Voorts zijn de maatregelen uit het coalitieakkoord om de oploop van de vergrijzingsgevoelige uitgaven te remmen ook niet verwerkt in deze raming.

Omdat het kabinet voor ramingen van de economie vaart op cijfers van het CPB, is het niet mogelijk te kwantificeren welk bedrag structureel nodig is om de stijging te financieren of hoe hoog de economische groei inclusief doorwerkingseffecten (tweede-orde-effecten) moet zijn om deze toename te financieren zonder lastenverzwaringen of ombuigingen. Zo veronderstelt het CPB bijvoorbeeld dat een hogere productiviteitsgroei leidt tot hogere uitgaven aan voornamelijk zorg, per saldo resulterend in een verslechtering van de overheidsfinanciën.46

Tabel 1: raming uitgaven aan AOW, Zvw en Wlz (2025, 2030, 2040 en 2060, in % bbp).

(in % bbp) 2030 2040 2060 Toename 2030-2060
AOW (sociale zekerheid) 5,1% 5,7% 5,4% 0,3%
Zvw (zorg) 5,7% 6,2% 7,1% 1,4%
Wlz (zorg) 3,5% 4,7% 7,5% 4,0%
Totaal bovengenoemde 14,3% 16,6% 20,0% 5,7%

Bron: CPB (De Nederlandse overheidsschuld op lange termijn, 2025)

Vraag 204

Vraag 204

Om de resterende 2,3 miljard euro onder het HVP te ontvangen, moet Nederland alle afgesproken hervormingen uitvoeren. Wat zijn de risico’s dat Nederland dat niet (op tijd) haalt. Welke maatregelen moeten nog worden uitgevoerd?

Antwoord op vraag 204

Alle afgesproken hervormingen die in het HVP zijn opgenomen, moeten worden uitgevoerd. Voor het overgrote deel verloopt de implementatie van de resterende mijlpalen en doelstellingen voorspoedig en is voorzien dat genoemde deadline zal worden behaald. Op enkele, belangrijke onderdelen kent de implementatie echter uitdagingen. Zoals bekend bij de Kamer liggen de grootste uitdagingen van het HVP bij drie wetgevingstrajecten.47 De voortgang van deze drie wetgevingsvoorstellen is vertraagd, waardoor er een aanzienlijk risico is dat de HVP-deadline niet gehaald gaat worden. Het betreft de voorstellen voor de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wet Regie), Wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) en Wet Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ). Daarnaast is een mijlpaal die ziet op het ontwerpbesluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten afhankelijk van de tijdige publicatie van de Wet Regie. Deze hervormingen dienen op zijn laatst op 31 augustus 2026 gepubliceerd te zijn in het Staatsblad. Tijdige (parlementaire) behandeling van de wetsvoorstellen is derhalve van groot belang.

Vraag 205

Vraag 205

De resterende tranches in het Herstel- en Veerkrachtplan zijn afhankelijk van mijlpalen. Wat gebeurt er budgettair als Nederland een mijlpaal niet haalt vóór 31 augustus 2026: wordt de tranche permanent gemist of kan er heronderhandeld worden?

Antwoord op vraag 205

Als mijlpalen en doelstellingen niet vóór 31 augustus 2026 worden gehaald, kan de Europese Commissie een korting opleggen. De hoogte van deze korting is van tevoren niet met zekerheid vast te stellen omdat de Commissie hierin grote discretionaire bevoegdheid is gegeven door de lidstaten. De kortingsmethodologie biedt wel een kader.48 Een korting kan ook worden opgelegd indien reeds behaalde mijlpalen en/of doelstellingen waarvoor al middelen zijn ontvangen worden teruggedraaid vóór 31 december 2026. Een korting leidt tot een budgettaire tegenvaller die zal meelopen in de begrotingscyclus. De grootste uitdagingen van het HVP liggen momenteel bij drie wetgevingstrajecten (zie vraag 204). Heronderhandelen kan niet, maar onder strikte voorwaarden (en uiterlijk tot de zomer van 2026) kunnen mijlpalen en doelstellingen gewijzigd worden, mits dit past binnen de kaders van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit Verordening. Hierover blijft het kabinet in gesprek met de Commissie.

Vraag 206

Vraag 206

Hoe worden ontvangen HVP-middelen besteed?

Antwoord op vraag 206

Op de Rijksbegroting komen de middelen binnen als inkomsten op de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarmee de Europese middelen ten goede komen aan de algemene middelen op de Rijksbegroting. Bij het opstellen van het Nederlands HVP in het voorjaar van 2022, heeft Nederland ervoor gekozen om enkel reeds bestaand en begroot beleid in het plan op te nemen. De mijlpalen en doelstellingen uit het HVP omvatten onder andere investeringen en maatregelen voor de energietransitie, de woningbouw, onderwijs en toekomstbestendige gezondheidszorg. Het volledige overzicht van alle mijlpalen en doelstellingen is vastgelegd in het Raadsuitvoeringsbesluit.49 De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de mijlpalen en doelstellingen uit het HVP, onder andere middels de halfjaarlijkse rapportage.50

Vraag 207

Vraag 207

Kunt u een meerjarig totaaloverzicht geven van alle middelen die voor Defensie zijn geraamd tot en met 2035 en die meetellen voor de NAVO-norm? Kunt u daarbij per jaar aangeven welk percentage van het bbp dit betreft?

Antwoord op vraag 207

Tabel 1 toont de NAVO-uitgaven op de Rijksbegroting voor de jaren 2026 tot en met 2031 (stand Voorjaarsnota 2026) in miljarden euro en in percentage van het bbp op basis van het Centraal Economisch Plan 2026. Het CPB raamt het bbp tot en met 2031. Dit is tevens het laatste jaar van de reguliere begrotingshorizon van de begroting. Daarom is een exact overzicht tot en met 2035 nog niet beschikbaar.

Het kabinet intensiveert structureel 19,3 miljard euro in de krijgsmacht. Hiermee groeien de Nederlandse NAVO-uitgaven naar 2,8% van het bbp in 2030 en 3,5% bbp in 2035.

Tabel: NAVO-uitgaven in miljarden euro en percentage van het bbp

2026 2027 2028 2029 2030 2031
NAVO-toerekenbare uitgaven (miljarden euro) 27,9 30,3 35,8 39,0 40,6 43,9
NAVO-toerekenbare uitgaven (in % bbp) 2,3 2,4 2,7 2,8 2,8 3,0

Vraag 208

Vraag 208

Welk percentage van het bbp geeft het kabinet uit aan sociale zekerheid en zorg? Wat is de ontwikkeling hiervan? Wat zijn de effecten van deze Voorjaarsnota op de ontwikkeling hiervan?

Antwoord op vraag 208

In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van de uitgaven aan sociale zekerheid en zorg (incl. zorgtoeslag) als percentage van het bbp weergegeven. De mutaties uit het Voorjaarsnota zijn in deze cijfers verwerkt. Deze cijfers wijken af van de cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) uit het Verantwoordingsdocument bij het Centraal Economisch Plan. Dat komt omdat het CPB een andere definitie van de sociale zekerheid en zorg hanteert dan het kabinet. Zo wordt de zorgtoeslag door het CPB meegenomen in de categorie sociale zekerheid en door het kabinet bij de zorg.

2026 2027 2028 2029 2030 2031
Sociale zekerheid 10,1% 10,2% 10,1% 10,1% 10,0% 10,0%
Zorg 9,6% 9,7% 9,6% 9,6% 9,6% 9,7%

In de Voorjaarsnota zijn de maatregelen uit het coalitieakkoord in de begrotingen verwerkt. Daarnaast zijn de verwachte uitgaven bijgesteld aan de hand van uitvoeringsinformatie en meest recente raming van het CPB.

Per saldo leidt de voorjaarsnota de komende jaren tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven aan sociale zekerheid en zorg, onder andere door de maatregelen uit het coalitieakkoord. Mede hierdoor blijven de uitgaven de komende jaren stabiel als percentage van het BBP. Het is niet goed mogelijk om de kwantitatieve effecten van de Voorjaarsnota op de uitgaven aan sociale zekerheid en zorg als percentage van het bbp te isoleren. Hiervoor is het namelijk ook nodig om de effecten van de Voorjaarsnota op het bbp te isoleren. Dit is niet mogelijk omdat de meest recente CPB-raming (CEP) exclusief de effecten van de Voorjaarsnota is.

Vraag 209

Vraag 209

Hoe wordt omgegaan met de toepassing van de eindejaarsmarge en (i) niet bestede middelen uit het klimaatfonds (100 procent), (ii) niet bestede middelen op de departementale begroting die zijn overgeheveld vanuit het klimaatfonds?

Antwoord op vraag 209

Niet-bestede middelen in het Klimaat- en energiefonds zelf hebben een 100 procent eindejaarsmarge. Dit houdt in dat zij in het jaar erop, als onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming, weer worden opgeboekt op de begroting van het fonds. Zie voor het antwoord met betrekking tot middelen op de departementale begrotingen de beantwoording van vraag 16.

Vraag 210

Vraag 210

Kunt u nader verduidelijken waarom de Nederlandse afdrachten aan de EU met 3,3 miljard stijgen?

Antwoord op vraag 210

De stijging van de Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting met 3,3 miljard euro tussen 2026 en 2031 kent verschillende oorzaken. De raming op de Rijksbegroting van de Nederlandse afdrachten aan de EU is normaliter gebaseerd op het maximale MFK-betalingenplafond en de maximale inzet van de speciale instrumenten bij het MFK. Omdat de vastgestelde EU-begroting voor 2026 substantieel onder het maximale MFK-betalingenplafond inclusief speciale instrumenten ligt, is de raming voor 2026 naar beneden bijgesteld en gebaseerd op het betalingenniveau in plaats van het maximale betalingenplafond. Hierbij is een marge aangehouden. Deze bijstelling zorgt voor een groter verschil tussen ramingsjaar 2026 en 2027 dan eerder geraamd. Bovendien is de onderbenutting op de betalingskredieten van de Oekraïne-faciliteit doorgeschoven naar 2027. Daarnaast zijn de economische ramingen, die de Europese Commissie in het kader van de MFK-onderhandelingen en het Eigenmiddelenbesluit heeft gepubliceerd, verwerkt in de Nederlandse raming van de EU-afdrachten. Dit leidt tot een opwaartse bijstelling van de raming in de jaren 2027-2031. De stijging wordt veroorzaakt doordat de Europese economie (in nominale termen) naar verwachting harder groeit dan eerder voorzien en het Nederlandse aandeel daarin bovendien toeneemt. De relatief grotere stijging vanaf 2028 heeft te maken met de ramingsmethodiek en de aannames die zijn gemaakt voor het volgende MFK zoals toegelicht bij de beantwoording van vraag 192.

Vraag 211

Vraag 211

Kunt u hetzelfde overzicht maken van de uitgaven aan Oekraïne in de periode t/m 2025 als in tabel 6?

Antwoord op vraag 211

Zie antwoord op vraag 191.

Vraag 212

Vraag 212

Kunt u toelichten hoe er geschoven is om toch drie miljard euro steun te geven aan Oekraïne?

Antwoord op vraag 212

Bij Miljoenennota 2026 stond er circa 2,6 miljard euro aan militaire Oekraïnesteun begroot in 2026. In het coalitieakkoord van kabinet-Jetten is besloten om voor de jaren 2027, 2028 en 2029 jaarlijks 3 miljard euro aan militaire Oekraïnesteun beschikbaar te stellen. Bij Voorjaarsnota 2026 is het bedrag voor 2026 voor militaire Oekraïnesteun opgehoogd met 437 miljoen euro via een kasschuif uit 2029. Hiermee bedraagt de begrote militaire Oekraïnesteun in 2026 circa 3 miljard euro.

Vraag 213

Vraag 213

Hoeveel SPUKs bestaan er momenteel, wat is het totale bedrag dat via SPUKs loopt en welke SPUKs lopen per wanneer af?

Antwoord op vraag 213

In 2024 zijn er 185 SPUKs uitbetaald, met een totaal bedrag van 21,3 miljard euro.51 Het aantal en de omvang van de uitgekeerde specifieke uitkeringen in 2025 zal de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties binnenkort via de Kamerbrief Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen aan de Kamer sturen. Voor een gedetailleerder overzicht van het aantal SPUKs per departement, incl. omvang, toelichting en looptijd verwijs ik u naar de bijlage ‘Specifieke uitkeringen’ van de ontwerpbegroting 2026 van de respectievelijke departementen.

Vraag 214

Vraag 214

Alleen budgettaire gevolgen van beleidsaanpassingen (tariefswijzigingen of grondslagwijzigingen) hoeven te worden gecompenseerd door andere inkomstenmaatregelen. Hoe wordt omgegaan met beleidswijzigingen die worden voorgesteld om een risico op voor de staat ongunstige rechtelijke uitspraak te mitigeren (reparatiewetgeving)? Hoe wordt omgegaan met gerechtelijke uitspraken die strikt gesproken geen beleidswijzigingen tot gevolg hebben (nl. geen tariefswijziging of grondslagwijziging), maar een aanpassing van rente of reikwijdte betreft?

Antwoord op vraag 214

Conform de begrotingsregels dienen alle beleidsmatige aanpassingen aan de lastenkant met budgettaire gevolgen te worden gecompenseerd binnen het inkomstenkader, ook als deze plaats vinden met het oog op juridische risico’s. Reparatiewetgeving zonder budgettaire gevolgen heeft geen implicaties voor het inkomstenkader. De begrotingsregels schrijven voor dat de budgettaire gevolgen van gerechtelijke uitspraken meetellen voor het inkomstenkader. Dat geldt ook voor budgettaire gevolgen die niet direct voortkomen uit een tariefswijziging of grondslagwijziging, zoals het uitkeren van eventuele compensatie.

Vraag 215

Vraag 215

In tabel 7 “Inkomstenkader bij Startnota”, regel 3 (investeringscapaciteit woningcorporaties (VPB)), wordt een bedrag van vijf miljoen euro structureel overgeboekt van het inkomstenkader naar het uitgavenkader ten behoeve van uitvoeringskosten. Kan de regering bevestigen dat dit bedrag voortkomt uit het coalitieakkoord en in de Voorjaarsnota niet nader is onderbouwd?

Antwoord op vraag 215

Dit bedrag is in het coalitieakkoord vastgelegd voor de uitvoeringskosten van de maatregel. Het is daarmee opgenomen bij het vaststellen van het uitgavenkader in de Voorjaarsnota. Er is geen sprake van een overboeking van inkomsten naar uitgaven, aangezien de kaders zijn vastgesteld met de Voorjaarsnota, na het coalitieakkoord. Dit bedrag staat gereserveerd op de Aanvullende Post.

Vraag 216

Vraag 216

Hoe komt het dat het CPB in haar doorrekening van het coalitieakkoord stelt dat de bezuinigingen in de Zvw leiden tot een lastenverlichting van 5,7 miljard euro voor gezinnen vanwege de lagere nominale zorgpremie en 1,6 miljard euro voor bedrijven vanwege de lagere inkomensafhankelijke bijdrage (IAB), terwijl in de voorjaarsnota respectievelijk 4,1 miljard euro en 1,8 miljard euro zijn opgenomen (voor 2030)? Waar komt dit verschil vandaan?

Antwoord op vraag 216

Het CPB geeft in de doorrekening van het coalitieakkoord aan dat zij verwachten dat het coalitieakkoord leidt tot 5,7 miljard euro lager lasten voor gezinnen (nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage voor zelfstandigen en gezinnen) en 1,6 miljard euro lagere lasten voor bedrijven (inkomensafhankelijke bijdrage).52 Het totaal aan lagere nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage komt daarmee op 7,3 miljard euro in de doorrekening van het coalitieakkoord. In de Voorjaarsnota is een totaal aan 6 miljard euro aan lagere nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage opgenomen.

Dit verschil is grotendeels te verklaren doordat in de doorrekening van de maatregelen eigen bijdrage wijkverpleging en het schrappen van de aanspraak op huishoudelijke hulp uit de Wmo is uitgegaan van andere doorwerking op de uitgaven in de Zvw. Het CPB ging bij de analyse van het coalitieakkoord uit van lagere uitgaven Zvw, wat doorwerkt in een lagere nominale premie en inkomensafhankelijke bijdrage. In het CEP gaat CPB uit van dezelfde doorwerking op de uitgaven in de Zvw als in de voorjaarsnota.53 Daarmee komen de premieverschillen ook te vervallen. CPB geeft aan dat afhankelijk van de uiteindelijke invulling van deze maatregelen de inschatting van deze effecten kunnen veranderen.


Vraag 217

Vraag 217

Hoe komt het dat in de Voorjaarsnota een compenserende lastenverzwaring voor burgers van structureel 4,956 miljard euro is opgenomen, terwijl de lagere nominale premie als gevolg van de bezuinigingen in de Zvw leidt tot een saldoverslechtering van 4,951 miljard euro én een besparing van 766 miljoen euro op de zorgtoeslag, waardoor de netto benodigde lastenverzwaring maar 4,185 miljard euro zou moeten zijn? Hoe komt het dat de lagere IAB leidt tot een verslechtering van 2,204 miljard euro, terwijl de compenserende lastenverzwaring voor bedrijven maar 1,433 miljard euro is opgenomen? Klopt het dat hiermee de facto een verschuiving van lasten voor bedrijven naar lasten voor huishoudens is aangekondigd?

Antwoord op vraag 217

Zie antwoord op vraag 115.

Vraag 218

Vraag 218

Klopt dat de fiscale tegenvallers in het domein vermogen en winst (aanpassingen minimumbelasting, arrest Hoge Raad belastingrentepercentage vennootschapsbelasting) niet gedekt worden binnen datzelfde domein? Zo ja, waarom niet? Zo nee, hoe worden ze gedekt?

Antwoord op vraag 218

Zie antwoord op vraag 227.

Vraag 219

Vraag 219

Kunt u cijfermatig toelichten waarom de werkgeverspremies als gevolg van het verlagen van het maximumdagloon met ruim 2,3 miljard euro dalen, terwijl de besparing op de uitgaven slechts 0,7 miljard euro bedraagt?

Antwoord op vraag 219

De vermindering van 0,7 miljard euro betreft de lagere uitgaven aan de verschillende uitkeringsregelingen als gevolg van de verlaging van het maximumdagloon. De verlaging van het maximumpremieloon leidt tot een veel groter bedrag aan gederfde premie-inkomsten. Dat komt doordat de hoogte van een uitkeringen maar een deel is van het maximumdagloon, vaak 70 procent of lager als bijvoorbeeld sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke werkloosheid. Daarnaast zijn de premie-inkomsten zelf hoger dan de uitgaven aan de werknemersverzekeringen. Een daling van de grondslag met 20 procent zorgt dus voor meer inkomstenderving dan uitgavenderving. Tot slot is het waarschijnlijk zo dat mensen met een loon op of boven het maximumdagloon relatief ondervertegenwoordigd zijn in de uitkeringsontvangers.

Vraag 220

Vraag 220

Wat worden de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting in de jaren 2026-2030 en structureel?

Antwoord op vraag 220

Onderstaande tabel geeft de verwachte tarieven in de inkomstenbelasting weer voor de komende jaren. Het tarief in de eerste schijf is het gecombineerde belasting- en premietarief.

2026 2027 2028 2029 2030 Structureel
Tarief 1e schijf 35,75% 36,26% 36,14% 36,22% 36,25% 36,29%
Tarief 2e schijf 37,56% 38,19% 38,12% 38,20% 38,23% 38,23%
Tarief 3e schijf 49,50% 49,50% 49,50% 49,50% 49,50% 49,50%


Vraag 221

Vraag 221

Hoeveel gaan huurders er extra op achteruit dan kopers als gevolg van de verhoging van de tweede schijf inkomstenbelasting en de hogere hypotheekrenteaftrek die hiervan het gevolg is?

Antwoord op vraag 221

Niet ieder huishouden met een koopwoning heeft een hypotheek en niet ieder huishouden met een hypotheek heeft recht op hypotheekrenteaftrek. Hierdoor is het niet mogelijk om huurders en kopers te vergelijken op individueel niveau. Het totale voordeel voor woningbezitters door het hogere aftrektarief van de hypotheekrenteaftrek als gevolg van de verhoging van het tarief in de tweede schijf is 183 miljoen euro in 2027 wat neerkomt op circa 40 euro per woningbezitter.

De tabel hieronder geeft een indicatie van het inkomenseffect per jaar van de verhoging van het tarief in de eerste en tweede schijf voor een belastingplichtige met en zonder een koopwoning54. Hierbij is uitgegaan van een eenverdiener met een gemiddelde hypotheekrente. Voor het inkomenseffect is geen rekening gehouden met de lagere zorgpremies. De hogere tarieven betekenen in alle gevallen een lastenverzwaring. Voor huurders valt deze echter hoger uit dan voor mensen met een koopwoning en hypotheekrenteaftrek.

Bruto inkomen Met huurwoning Met koopwoning
35.000 euro -210 euro -162 euro
50.000 euro -300 euro -252 euro
100.000 euro -483 euro -428 euro

Vraag 222

Vraag 222

Welke technische mogelijkheden zijn er om de verruiming van de fiscale behandeling van de eigen woning, die ontstaat door de verhoging van de tweede schijf en de hypotheekrenteaftrek, te voorkomen?

Antwoord op vraag 222

Het maximale aftrekpercentage van de grondslagverminderende posten (waar de hypotheekrenteaftrek ook onder valt) is gekoppeld aan de hoogte van de tweede tariefschijf. Door de verhoging van het tweede tarief, wijzigt het maximale aftrekpercentage automatisch. Dit is een automatisch gevolg van de inrichting van het systeem en geen keuze om de hypotheekrenteaftrek te verruimen. Deze doorwerking kan weggenomen worden door het maximale aftrektarief los te koppelen van het tarief in de tweede schijf, of alleen de hypotheekrenteaftrek los te koppelen. Het is op korte termijn niet mogelijk om het maximale aftrektarief los te koppelen van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting. De opties om het maximale aftrektarief te koppelen aan het tarief van de eerste schijf, of een ‘apart’ aftrekpercentage voor grondslagverminderende posten, betekenen beide een structuurwijziging voor de Belastingdienst.

Een andere mogelijkheid om de fiscale behandeling niet verder verruimen is door bijvoorbeeld het eigenwoningforfait (ewf) beperkt te verhogen. Dit betekent een lastenverzwaring voor eigenwoningbezitters die het voordeel van de verhoging van het maximale aftrektarief compenseert. Wel zorgt dit voor een grotere lastenverzwaring bij huishoudens die een eigenwoning hebben, maar geen hypotheekschuld. Zij ondervinden geen voordeel aan het hogere maximale aftrektarief, maar wel een nadeel aan de ewf-verhoging.

Vraag 223

Vraag 223

Hoeveel werknemers hebben een salaris boven het huidige maximumdagloon en het beoogde maximumdagloon?

Antwoord op vraag 223

Het antwoord op deze vraag is gebaseerd op de verwachtingen voor 2029, omdat dat het jaar van invoering is van de maatregel. De verlaging van het maximumdagloon werkt door in de hoogte van verschillende uitkeringen, te weten de ziekte-, arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- en verlofregelingen. Werknemers zijn verzekerd voor inkomensverlies indien een van deze situaties zich voordoet. Op basis van de meest recente inzichten zullen in 2029 naar verwachting circa 1,5 miljoen mensen één van deze uitkeringen ontvangen. Op basis van de meest recente inzichten zullen grofweg 260.000 mensen hiervan een lagere uitkering ontvangen vanwege de verlaging van het maximumdagloon (en dus een uitkering ontvangen op basis van het beoogde maximumdagloon). Hierbij gaat het om circa 110.000 mensen met een uitkering die gebaseerd is op het huidige maximumdagloon.

Daarnaast kan de verlaging doorwerken in de loondoorbetaling bij ziekte. Het maximale loon waarover een werkgever 70% loon moet doorbetalen bij ziekte is wettelijk gemaximeerd op het maximum premieloon. Het maximum premieloon daalt mee met de verlaging van het maximumdagloon. Veel CAO's kennen hier echter bovenwettelijke aanvullingen op. Het is mede daardoor niet goed in te schatten hoeveel mensen dit daadwerkelijk raakt.

Vraag 224

Vraag 224

Hoeveel mensen hebben op dit moment een uitkering die gebaseerd is op het maximumdagloon en krijgen te maken met een uitkeringsverlaging als het maximumdagloon wordt verlaagd?

Antwoord op vraag 224

Zie het antwoord op vraag 223.

Vraag 225

Vraag 225

Wat zijn de accijnstarieven voor benzine en diesel in 2026, 2027 en 2028? Wat is het verwachte effect op de prijzen van brandstoffen van ETS-2 vanaf 2028?

Antwoord op vraag 225

De precieze hoogte van de accijnstarieven in 2027 en 2028 hangt af van de tabelcorrectiefactor, de in het belastingstelsel gebruikelijke inflatiecorrectie. In onderstaande tabel zijn de voorlopige accijnstarieven opgenomen. Daarin is rekening gehouden met de verlenging van de accijnskorting voor benzine voor 1 jaar in 2027, zoals aangekondigd op pagina 29 in de Voorjaarsnota 2026. Per 2028 wordt het tweede Europese emissiehandelssysteem (ETS2) ingevoerd. Dit leidt naar verwachting tot een prijsstijging van ongeveer 13 cent per liter voor benzine en diesel.

2026 2027 2028
Benzine 0,845 0,850* 1,048*
Diesel 0,552 0,671* 0,684*

* Voorlopige cijfers

Vraag 226

Vraag 226

Klopt het dat u in deze Voorjaarsnota 4x aan de Aof-knop draait? (Maatregel 2, 16 & 20 in tabel 7, maatregel 4 in tabel 8)? Wat betekent dit aan lastenverzwaring per bedrijf in euro's per werknemer?

Antwoord op vraag 226

Dat klopt. Door deze vier maatregelen gaat het Aof-premietarief op termijn met ongeveer 1,25 procent omhoog. Voor een werknemer die het gemiddelde premieplichtige loon verdient is dat een stijging van de werkgeverslasten van ongeveer 530 euro (in prijzen 2026). Twee van de vier maatregelen zijn bedoeld zijn om lagere zorgpremies te compenseren. Tegenover ongeveer 0,38 procentpunt van de totale premieverhoging (165 euro per werknemer) staat dus een lagere inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw.

Vraag 227

Vraag 227

Klopt het dat u geen budgettaire dekking hebt gezocht voor uitstel ETS (maatregel 23)? Waarom niet?

Antwoord op vraag 227

Het klopt dat de inkomsten uit het ETS die Nederland ontvangt, relevant zijn voor het inkomstenkader. De tegenvaller binnen de ontvangsten uit ETS2, is in het coalitieakkoord reeds ingepast in het budgettaire beeld. Het inkomstenkader is in de Voorjaarsnota vastgelegd voor de kabinetsperiode. Daarin zijn de inkomstenmaatregelen uit het coalitieakkoord verwerkt, en enkele overige budgettaire ontwikkelingen en herijkingen opgenomen die zijn opgetreden sinds het vorige besluitvormingsmoment. Met het vastleggen van het inkomstenkader, committeert het kabinet zich aan de resulterende lastenontwikkeling. Alle toekomstige afwijkingen in het inkomstenkader (lastenverlichting of –verzwaring) zowel binnen de kabinetsperiode als structureel zullen gecompenseerd moeten worden. Alle maatregelen die bij het vaststellen van het inkomstenkader reeds budgettair zijn ingepast, hebben geen latere gevolgen meer voor het inkomstenkader en resulteren niet in een dekkingsopgave.


Vraag 228

Vraag 228

Klopt het dat u geen budgettaire dekking hebt gezocht voor aanpassingen in de minimumbelasting (maatregel 24)? Waarom niet?

Antwoord op vraag 228

Zie antwoord op vraag 227.

Vraag 229

Vraag 229

Klopt het dat u geen budgettaire dekking hebt gezocht voor aanpassingen in de belastingrentepercentage bij de vennootschapsbelasting (maatregel 25)? Waarom niet?

Antwoord op vraag 229

Zie antwoord op vraag 227.

Vraag 230

Vraag 230

Erkent u dat Europese heffingen zoals het ETS relevant zijn voor het inkomstenkader? Waarom levert u dan geen budgettaire dekking bij beleidsmatige uitstel van ETS-2?

Antwoord op vraag 230

Zie antwoord op vraag 227.

Vraag 231

Vraag 231

Wanneer ontvangt de Kamer naar verwachting de Fiscale beleids-, uitvoerings- en vereenvoudigingsagenda?

Antwoord op vraag 231

Dit jaar wordt er een Strategische agenda opgesteld. Deze Strategische agenda wordt naar verwachting in mei naar de Kamer gestuurd. Daarin zal ook een vooruitblik naar het Belastingplan worden opgenomen.

Vraag 232

Vraag 232

Kunt u bevestigen dat het inkomstenkader uitsluitend ziet op de budgettaire effecten van beleidsmatige mutaties in belastingen en premies, en geen beperking vormt voor de ontwikkeling van de totale belasting- en premieontvangsten? In hoeverre worden in de Voorjaarsnota fiscale maatregelen aangekondigd die samenhangen met endogene oorzaken die niet binnen het inkomstenkader hoeven te worden gedekt?

Antwoord op vraag 232

De maatregelen die zijn opgenomen bij het vaststellen van het inkomstenkader komen voort uit de budgettaire afweging die is gemaakt met het coalitieakkoord. Tijdens een formatie gelden nog geen begrotingskaders. In de Voorjaarsnota is het inkomstenkader vastgesteld voor de kabinetsperiode. Met het vastleggen van het inkomstenkader, committeert het kabinet zich aan de resulterende lastenontwikkeling. Alle toekomstige afwijkingen in het inkomstenkader (lastenverlichting of –verzwaring) zowel binnen de kabinetsperiode als structureel zullen gecompenseerd moeten worden. Daarbij gaat het alleen om beleidsmatige afwijkingen, niet om endogene ontwikkelingen.


Vraag 233

Vraag 233

In hoeverre beperkt het huidige inkomstenkader de ruimte van de Kamer om tijdens de kabinetsperiode belastingwetten te wijzigen zonder aanvullende lastenverzwaringen te moeten voorstellen?

Antwoord op vraag 233

De begrotingsregels zorgen voor gezonde overheidsfinanciën en voorkomen het doorschuiven van rekeningen naar toekomstige generaties. Dit is belangrijk voor macro-economische stabiliteit en zorgt voor een goed investeringsklimaat. Onderdeel van de begrotingsregels zijn het inkomsten- en uitgavenkader, die zorgen dat de overheidsfinanciën beheersbaar blijven en dat eventuele nieuwe wensen voorzien moeten worden van deugdelijke financiële dekking. Hier invulling aan geven ziet het kabinet als een gezamenlijke opgave met het parlement. De begrotingsregels doen vanzelfsprekend geen afbreuk aan het budgetrecht van de Kamer.

Vraag 234

Vraag 234

Kunt u per jaar in kaart brengen welke gevolgen de vrijheidsbijdrage voor de koopkracht van burgers in verschillende inkomstencategorieën, en met name groep de werkenden, heeft?

Antwoord op vraag 234

De vrijheidsbijdrage (beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor in de inkomstenbelasting) groeit in 2027 en 2028 in. In onderstaande tabel wordt het inkomenseffect van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor het eindjaar (2028) getoond. In het eindjaar is de maatregel ingegroeid. In dat jaar zijn de volledige mediane inkomenseffecten van de maatregel zichtbaar. Het inkomenseffect geeft de verandering van het besteedbaar inkomen weer die deze maatregel veroorzaakt. Met mediane inkomenseffect is -0,7%.

Tabel: Mediane inkomenseffecten in 2028 van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor

Inkomensgroepen
1e (<=106% WML) -0,6%
2e (106-172% WML) -0,7%
3e (172-257% WML) -0,7%
4e (257-382% WML) -0,7%
5e (>382% WML) -0,7%
Inkomensbron
Werkenden -0,7%
Uitkeringsgerechtigden -0,5%
Gepensioneerden -0,7%
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,7%
Alleenstaanden -0,7%
Alleenverdieners -0,7%
Met/zonder kinderen
Met kinderen -0,6%
Zonder kinderen -0,7%
Alle huishoudens -0,7%

Vraag 235

Vraag 235

Kunt u per jaar in kaart brengen welke gevolgen de maatregelen 'inkomstenbelasting (tarief eerste en tweede schijf)' voor de koopkracht van burgers in verschillende inkomstencategorieën, en met name groep de werkenden, heeft?

Antwoord op vraag 235

De lastenverzwaring in de ‘inkomstenbelasting (verhoging van tarief eerste en tweede schijf)’ groeit in. In onderstaande tabel worden de mediane inkomenseffecten van deze maatregel voor 2030 getoond. Hier staan lagere zorgpremies tegenover. De uiteindelijke koopkrachteffecten moeten dus worden bezien in het licht van het hele zorgpakket.

Tabel: Mediane inkomenseffecten in 2030 van de lastenverzwaring in de inkomstenbelasting (tarief eerste en tweede schijf)

Inkomensgroepen
1e (<=105% WML) -0,8%
2e (105-171% WML) -0,9%
3e (171-256% WML) -0,9%
4e (256-381% WML) -0,9%
5e (>381% WML) -0,9%
Inkomensbron
Werkenden -0,9%
Uitkeringsgerechtigden -0,8%
Gepensioneerden -0,8%
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,9%
Alleenstaanden -0,9%
Alleenverdieners -0,9%
Met/zonder kinderen
Met kinderen -0,8%
Zonder kinderen -0,9%
Alle huishoudens -0,9%

Vraag 236

Vraag 236

Met hoeveel procentpunt moeten de lage en hoge Aof-premie omhoog vanwege de vrijheidsbijdrage voor bedrijven (bij een gelijkblijvende verhouding)?

Antwoord op vraag 236

De vrijheidsbijdrage is ingeboekt als een stijging van de Aof premie met ongeveer 0,45 procentpunt (zowel voor het hoge als het lage tarief). Als de verhouding tussen de hoge en lage premie constant moet blijven dan zou het hoge tarief ongeveer 0,47 procentpunt stijgen en het lage tarief 0,38 procentpunt.

Vraag 237

Vraag 237

Is de envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven al besteed of is dit geld nog vrij besteedbaar voor wensen uit de Kamer?

Antwoord op vraag 237

Voor de envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven wordt een bestedingsvoorstel uitgewerkt door het kabinet. In beginsel zijn deze middelen gereserveerd voor het verlagen van de elektriciteitsprijs van de (basis) industrie die veel elektriciteit verbruikt. Het doel is het creëren van een meer gelijk speelveld in het belang van strategische autonomie. Dit zijn belangrijke doelstellingen, waar het kabinet graag samen met de Kamer aan verder werkt.

Vraag 238

Vraag 238

Hoeveel extra geld levert het op om de aftoppingsgrens pensioengevend loon te bevriezen op 100.000 euro in plaats van 137.800 euro?

Antwoord op vraag 238

Het budgettaire effect van het verlagen van de aftoppingsgrens pensioengevend loon in 2027 naar 100.000 euro en te bevriezen tot en met 2032 is weergegeven in onderstaande tabel. Tevens is weergegeven het verschil met de voorgenomen maatregel waarin de aftoppingsgrens bevroren wordt op 137.800 euro.

Tabel: budgettair effect (miljoen euro, + = saldoverbeterend)

2027 2028 2029 2030 Structureel
Bevriezen op 137.800 euro t/m 232 95 192 296 407 -113
Verlagen naar 100.000 euro en bevriezen t/m 2032 1448 1731 2026 2346 -528
Verschil 1353 1539 1730 1938 -415

Deze maatregelen leveren op de korte termijn een grote opbrengst op door de beperking van de premieaftrek, maar leiden op de lange termijn tot een derving door de lagere pensioenuitkeringen. Voor het inkomstenkader is daarom de netto contante waarde relevant, weergegeven in de tabel hieronder. Deze reeksen groeien in tot 2032 doordat het effect van het bevriezen ook ingroeit in die periode.

Tabel: netto contante waarde (miljoen euro

2027 2028 2029 2030 Structureel
Bevriezen op 137.800 euro t/m 232 35 71 110 153 253
Verlagen naar 100.000 euro en bevriezen t/m 2032 533 645 762 890 1184
Verschil 498 573 651 737 931

Vraag 239

Vraag 239

Hoeveel extra geld levert het op om de aftoppingsgrens pensioengevend loon structureel te bevriezen in plaats van zes jaar?

Antwoord op vraag 239

Een berekening van het structureel bevriezen van de aftoppingsgrens pensioengevend loon is op korte termijn niet te geven. Er kan wel aangegeven worden dat het budgettaire effect van het laatste jaar bevriezen in de voorgenomen maatregel, namelijk in 2032, in dat jaar 142 miljoen euro oplevert en structureel tot een derving van 23 miljoen euro leidt. De lastenrelevante opbrengst is 52 miljoen euro per jaar vanaf 2032. Voor elk jaar bevriezen na 2032 zullen de budgettaire effecten elk jaar toenemen doordat door de jaarlijkse loongroei een steeds groter deel van de pensioengrondslag geraakt zal worden.


Vraag 240

Vraag 240

Welke uitwerking heeft het kabinet voor ogen als het gaat om de vrijheidsbijdrage en de tabelcorrectiefactor? Welke beleidsopties zijn er?

Antwoord op vraag 240

In het Coalitieakkoord is opgenomen om de vrijheidsbijdrage vorm te geven als een beperkte toepassing van de tcf in de inkomstenbelasting, hiermee zou de doorwerking van de tcf in 2027 van 100% beperkt worden tot 46,8% en in 2028 van 95,7% tot 12,5%. Naar aanleiding van de motie Dassen55 worden opties in kaart gebracht om de belastingverhoging op arbeid te verminderen via dekking in het afschaffen of versoberen van ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen.

Vraag 241

Vraag 241

Welke uitwerking heeft het kabinet voor ogen als het gaat om een faciliteit in de vennootschapsbelasting voor woningcorporaties? Welke beleidsopties zijn er?

Antwoord op vraag 241

In het regeerakkoord is afgesproken dat een faciliteit in de vennootschapsbelasting (Vpb) wordt opgenomen om de Vpb-lasten van woningcorporaties te verlagen. Hiervoor wordt taakstellend per 2028 een bedrag van 250 miljoen euro per jaar beschikbaar gesteld, oplopend tot structureel 325 miljoen euro per jaar in 2032. Het kabinet onderzoekt momenteel op welke wijze deze faciliteit het beste vormgegeven kan worden. Hierbij wordt onder meer gekeken naar verschillende opties die in de dilemmanotitie huurbevriezing van vorig jaar aan bod zijn gekomen, waaronder een bestedingsreserve56. Bij de verdere uitwerking van een faciliteit in de Vpb dient rekening te worden gehouden met onder andere uitvoerbaarheid, de budgettaire gevolgen en juridische houdbaarheid, waaronder de staatssteunregels en het (overige) EU-recht.

Vraag 242

Vraag 242

Kunt u kwantificeren wat het effect is van de earningsstrippingmaatregel op de investeringscapaciteit van woninbouwcorporaties?

Antwoord op vraag 242

In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is afgesproken om vanaf 2029 jaarlijks 30.000 sociale huurwoningen en 5.000 midden-huurwoningen te bouwen, met de ambitie om al in 2027 op dit niveau te zitten. Het kabinet zet de afspraken uit de NPA door. Het effect van de earningsstrippingmaatregel op de investeringscapaciteit van woningcorporaties kan worden gekwantificeerd aan de hand van het NPA-rekenmodel. Een eerste inschatting met het NPA-rekenmodel, is dat de earningsstrippingsmaatregel potentieel 15,4 miljard euro van de investeringsruimte voor woningcorporaties beperkt tot en met 2034.

Vraag 243

Vraag 243

Hoeveel woningbouwprojecten zijn volgens het kabinet vertraagd of heroverwogen door de uitwerking van de earningsstrippingmaatregel?

Antwoord op vraag 243

De earningsstrippingmaatregel is een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Hierdoor kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger uitvallen, waardoor het rendement op investeringen daalt. Ook investeerders in woningbouw nemen dit mee in hun besluitvorming, al spelen er bij woningbouwinvesteringen ook andere factoren. Het kabinet kent geen recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel investeringen in woningbouw afremt.


Vraag 244

Vraag 244

Geldt de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting van acht procent naar zeven procent voor alle investeerders die niet zelf bewonen, of alleen voor een specifieke groep?

Antwoord op vraag 244

De voorgestelde verlaging van het algemeen woningtarief van 8% naar 7% geldt voor alle verkrijgingen van woningen die door de verkrijger niet zelf, anders dan tijdelijk, als hoofdverblijf zullen worden gebruikt. Dit betekent dat het verlaagde tarief van toepassing is op alle verkrijgers die een woning niet zelf gaan bewonen, ongeacht of het gaat om natuurlijke personen of rechtspersonen, of particuliere of institutionele investeerders. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt naar het type investeerder of hoedanigheid van de verkrijger.

Vraag 245

Vraag 245

Hoe definieert het kabinet het begrip 'particuliere investeerders' voor de voorgestelde wijziging in het tarief van de overdrachtsbelasting?

Antwoord op vraag 245

Het kabinet hanteert geen onderscheid naar het type verkrijger bij de voorgestelde wijziging in het algemeen woningtarief. Zoals aangegeven in het vorige antwoord is het verlaagde tarief van toepassing op alle verkrijgingen van woningen die door de verkrijger niet als hoofdverblijf worden gebruikt, ongeacht of de verkrijger een particuliere of institutionele investeerder is.

Vraag 246

Vraag 246

Is de maatregel, voor zover deze onderscheid maakt tussen 'particuliere investeerders' en andere investeerders, uitvoerbaar voor de Belastingdienst zonder aanvullende handhavingsinspanningen?

Antwoord op vraag 246

De voorgestelde maatregel maakt geen onderscheid naar de hoedanigheid van de verkrijger. De voorgestelde verlaging zal om die reden gelden voor alle verkrijgingen van woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt. Aangezien er geen aanvullende differentiatie op basis van een nieuwe doelgroep wordt geïntroduceerd, zijn er ook geen extra handhavingsinspanningen van de Belastingdienst vereist. Het betreft enkel een parameteraanpassing.

Vraag 247

Vraag 247

Welke andere verlaagde btw-tarieven zijn door het kabinet betrokken in de afweging om het lage tarief op sierteelt af te schaffen?

Antwoord op vraag 247

Het verlaagde btw-tarief is in 2023 in brede zin geëvalueerd door Dialogic en Significant. In deze evaluatie wordt geconcludeerd dat het verlaagd btw-tarief in het algemeen geen doelmatig instrument is om de beoogde doelen te bereiken en dat de mate van doeltreffendheid verschilt tussen integrale doelen en productgroepen. De onderstaande tabel geeft een overzicht van andere verlaagde btw-tarieven die niet doelmatig en/of doeltreffend zijn. Het kabinet heeft besloten voor te stellen om het lage tarief op sierteelt af te schaffen.

Post/product/dienst Onderbouwing overheidsingrijpen Doeltreffend Doelmatig Budgettair belang (in euro's)
Voedingsmiddelen & restaurantdiensten Discutabel Ja Nee 10.359
Waarvan levering van voedingsmiddelen (eet- en drinkwaren) Discutabel Ja Nee 8.527
Waarvan restaurantdiensten Discutabel Ja Nee 1.832
Leidingwater Discutabel Ja Nee 256
Genees- en hulpmiddelen Ja Onzeker Nee 1.745
Dierengeneesmiddelen Ja Onzeker Nee 56
Boeken, tijdschriften, kranten inclusief digitaal en uitleen Ja Onzeker Onzeker 563
Kunst, verzamelvoorwerpen & antiek Ja Onzeker Onzeker 28
Geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden Ja Onzeker Onzeker 245
Cultuur Ja Onzeker Onzeker 696
Arbeidsintensieve diensten Onzeker Nee Nee 846
Waarvan repareren van fietsen, schoeisel, lederwaren en herstellen en vermaken van kleding en huishoudlinnen Onzeker Nee Nee 49
Waarvan kappers Onzeker Nee Nee 251
Waarvan schilderen, stukadoren & behangen Onzeker Nee Nee 435
Waarvan isolatiewerkzaamheden woningen Onzeker Nee Nee 41
Waarvan schoonmaakwerkzaamheden binnen woningen Onzeker Nee Nee 70
Geven van gelegenheid tot kamperen Nee Ja Nee 218
Personenvervoer Ja Onzeker Nee 767


Vraag 248

Vraag 248

Welke andere verlaagde btw-tarieven zijn niet doelmatig en/of niet doeltreffend?

Antwoord op vraag 248

Zie antwoord op vraag 247.

Vraag 249

Vraag 249

Wat het btw-gat en uit welke onderdelen bestaat het btw-gat?

Antwoord op vraag 249

Het btw-gat bestaat uit twee onderdelen. Het btw-nalevingsgat en het btw-beleidsgat. Het btw-nalevingsgat verwijst naar het verschil tussen de belastingopbrengsten die zouden worden gegenereerd bij volledige naleving van de wet- en regelgeving, en de daadwerkelijke opbrengsten. Het btw-beleidsgat betreft de misgelopen btw-inkomsten als gevolg van verlaagde btw-tarieven (inclusief het nultarief) en vrijstellingen.

Volgens het meest recente rapport (2025) van de Europese Commissie over het btw-gat was het Nederlandse btw-nalevingsgat in 2023 7% (5,7 miljard euro)57. Volgens eigen berekeningen ligt het Nederlandse btw-nalevingsgat op basis van meer gedetailleerde cijfers van het CBS lager dan het rapport stelt, namelijk stabiel rond de 4,3%58. Uit steekproeven van de Belastingdienst blijkt dat het overgrote deel van het btw-nalevingsgat toe te schrijven is aan andere oorzaken dan fraude. De Belastingdienst zet bij de handhaving in op een mix aan dienstverlening, toezicht en opsporing. Daarbij ligt de nadruk op het zoveel mogelijk voorkomen van fouten. Dit resulteert in verschillende maatregelen waarmee de Belastingdienst het btw-nalevingsgat verkleint. Hierbij kan gedacht worden aan horizontaal toezicht, het verstrekken van informatie en gerichte voorlichting aan burgers en bedrijven over e-commerce, en het bieden van hulp aan ondernemers bij registratie voor btw-afdracht in EU-verband.

Volgens hetzelfde rapport van de Europese Commissie was het btw-beleidsgat in Nederland in 2023 48,8% (77,8 miljard euro). Een groot deel van het btw-beleidsgat bestaat uit verplichte vrijstellingen. Tegelijkertijd bestaan er wel degelijk mogelijkheden om het btw-beleidsgat te verkleinen. Nederland maakt namelijk ruim gebruik van de mogelijkheid om een verlaagd tarief toe te passen. In 2023 is de evaluatie van het verlaagde btw-tarief gepubliceerd. Deze evaluatie vloeide voort uit de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek (RPE). De belangrijkste uitkomst van de evaluatie is dat het verlaagde btw-tarief deels doeltreffend, maar in het algemeen géén doelmatig instrument is om de beoogde doelen te bereiken. Naar aanleiding van deze evaluatie is onder regie van het ministerie van Financiën, in samenwerking met de andere betrokken departementen een inventarisatie uitgevoerd naar de impact van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief, inclusief mogelijke alternatieve beleidsinstrumenten. De resultaten zijn opgenomen in een ambtelijke fichebundel59.

Vraag 250

Vraag 250

Hoe groot is het Nederlands btw-beleidsgat en hoe groot is het Nederlands btw-nalevingsgat?

Antwoord op vraag 250

Zie antwoord op vraag 249.

Vraag 251

Vraag 251

Wat zijn praktische manieren om beide soorten btw-gat te verkleinen?

Antwoord op vraag 251

Zie antwoord op vraag 249.

Vraag 252

Vraag 252

Begrotingsfondsen kennen 100 procent eindejaarsmarge. Welke fondsen hebben momenteel die status, en bestaat er een lijst van wanneer een fonds al dan niet kwalificeert? Hoe verhoudt het Klimaatfonds zich hiertoe?

Antwoord op vraag 252

Zoals beschreven in de begrotingsregels (Voorjaarsnota 2026 - bijlage 1) wordt bij begrotingsfondsen conform artikel 2.11, vierde lid van de CW, het jaarsaldo ten laste dan wel ten gunste van het daaropvolgende jaar gebracht. Dit betekent dat alleen voor begrotingsfondsen een eindejaarsmarge van 100% geldt. Dit betreft de volgende fondsen:

• Defensiematerieelbegrotingsfonds

• Deltafonds

• Gemeentefonds

• Klimaatfonds

• Mobiliteitsfonds

• Provinciefonds

Vraag 253

Vraag 253

De vrijheidsbijdrage voor bedrijven loopt via een "taakstellende verhoging van de Aof-premie". Wat is het mechanisme van een taakstellende premie-verhoging: wie stelt het premiepercentage vast, wanneer in het jaar, en via welke wet wordt dit geautoriseerd?

Antwoord op vraag 253

De premiepercentages werknemersverzekeringen worden vastgelegd per ministeriële regeling. Dit gebeurt doorgaans aan het eind van het jaar, dan worden de premiepercentages van het aankomende jaar vastgelegd. Deze percentages worden vastgesteld door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tegen het einde van het jaar wordt de optelsom van alle budgettaire mutaties, die zijn besloten op de AOF-premie tijdens de besluitvormingsmomenten van dat jaar, omgezet in een aanpassing van de premiepercentages.

Vraag 254

Vraag 254

Hoeveel woningen kunnen er meer worden gebouwd als er geen vijf miljoen euro aan uitvoeringskosten wordt afgeboekt bij de vpb-investeringsfaciliteit voor woningcorporaties?

Antwoord op vraag 254

In het Coalitieakkoord wordt taakstellend per 2028 een bedrag van 250 miljoen euro per jaar oplopend naar structureel 325 miljoen euro per jaar in 2032, beschikbaar gesteld. Aan deze maatregel zitten vanaf 2028 ook structureel 5 miljoen euro uitvoeringskosten verbonden. Dit bedrag is in de reeks opgenomen. Als gekozen wordt voor een vpb-investeringsfaciliteit zou een vermindering van de vpb-uitgaven met 5 miljoen euro de corporatiesector naar schatting circa 125 tot 140 miljoen euro extra investeringsruimte opleveren. Dit vertaalt zich naar zo’n 500 tot 550 nieuwbouwwoningen.

Vraag 255

Vraag 255

Hoe wil het kabinet, in het licht van paragraaf 5.2 van de begrotingsregels, de inverdieneffecten inrekenen van de vpb-investeringsfaciliteit voor woningcorporaties? Kan expliciet worden ingegaan op het statische effect, op het eersteordegedragseffect, en op eventuele kruiselasticiteiten?

Antwoord op vraag 255

Met betrekking tot de vpb-investeringsfaciliteit voor woningcorporaties wordt de vormgeving van de maatregel nog uitgewerkt. In het wetsvoorstel zal, zoals gebruikelijk bij een fiscale beleidsmaatregel, een raming van het budgettaire effect opgenomen worden en worden toegelicht in een ramingstoelichting. Indien van toepassing zal in de raming rekening gehouden worden met eersteordegedragseffecten of kruiselasticiteiten. De raming zal ook ter certificering aan het CPB worden aangeboden.

Vraag 256

Vraag 256

Met hoeveel procentpunt moet de Aof-premie omhoog om de bezuiniging op het maximum dagloon te realiseren en te compenseren voor de verlaging van het maximum premieloon? Hoeveel is dat voor het lage tarief en hoeveel voor het hoge tarief (bij een gelijkblijvende verhouding)?

Antwoord op vraag 256

Om de verlaging van het maximumdagloon te compenseren moet het tarief van de Aof-premie ongeveer 0,45 procentpunt omhoog. Daarbij is er van uitgegaan dat het hoge en lage tarief even veel stijgen. Als de verhouding tussen het hoge en lage tarief gelijk moet blijven, dan zou het hoge tarief met 0,47 procentpunt stijgen en het lage tarief met 0,38 procentpunt.

Vraag 257

Vraag 257

Met hoeveel procentpunt moet de Aof-premie omhoog als compenserende lastenverzwaring voor de premieverlaging als gevolg van de voorgestelde bezuinigingen in de Zvw? Hoeveel is dat voor het lage tarief en hoeveel voor het hoge tarief (bij een gelijkblijvende verhouding)?

Antwoord op vraag 257

De benodigde compenserende lastenverzwaring voor de Zvw leidt in 2030 tot een stijging van de Aof premie met ongeveer 0,31 procentpunt (zowel voor het hoge als het lage tarief). In de jaren na 2030 neemt de lastenverzwaring nog iets verder toe, tot ongeveer 0,36 procentpunt in totaal. Als de verhouding tussen de hoge en lage premie constant moet blijven dan zou het hoge tarief ongeveer 0,37 procentpunt stijgen en het lage tarief 0,31 procentpunt.

Vraag 258

Vraag 258

Hoeveel gaat het tarief in de tweede schijf van box 1 van de inkomstenbelasting omhoog als compenserende lastenverzwaring vanwege de lagere zorgpremie als gevolg van de bezuinigingen in de Zvw? Klopt het dat daarmee het maximale aftrekpercentage voor aftrekposten, inclusief de hypotheekrenteaftrek ook omhooggaat? Hoeveel zou het opleveren om de hypotheekrenteaftrek niet te verhogen? Hoeveel zou het opleveren om het maximale aftrekpercentage voor geen enkele aftrekpost te verhogen? Hoeveel zou het opleveren om het maximale aftrekpercentage te koppelen aan de eerste schijf, in plaats van aan de tweede schijf?

Antwoord op vraag 258

De tabel hieronder laat de aanpassing zien van de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting door de compenserende lastenverzwaring. Omdat het maximale aftrekpercentage van de grondslagverminderende posten (waar de hypotheekrenteaftrek ook onder valt) aan de hoogte van de tweede tariefschijf is gekoppeld, wijzigt het maximale aftrekpercentage automatisch als de hoogte van het tarief van de tweede schijf wordt aangepast. Dit is een automatisch gevolg van de inrichting van het systeem, zie ook het antwoord op vraag 222.

2027 2028 2029 2030 Structureel
Verhoging tarief 1e en 2e schijf compensatie zorgpremies 0,60% 0,63% 0,76% 0,79% 0,79%

Door de verhoging van het maximale aftrektarief neemt het budgettair belang van de aftrekposten in de IB met 235 miljoen euro toe in 2027. Voor specifiek de hypotheekrenteaftrek gaat het om 183 miljoen euro. In 2030 is de cumulatieve tariefsverhoging 0,79%-punt en neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek met 281 miljoen euro toe. Het is op korte termijn niet mogelijk een exacte raming te maken voor het koppelen van het maximale aftrektarief aan het tarief in de eerste schijf.

Vraag 259

Vraag 259

In hoeverre gaat een verhoging van de Aof-premie ten koste van loonsverhogingen voor werknemers? Hoeveel gaan werknemers er de facto gemiddeld op achteruit door de aangekondigde verhogingen van de Aof-premie? Hoeveel zouden werknemers erop vooruitgaan als gekozen wordt voor een lastendekkende premie?

Antwoord op vraag 259

De inkomstenbelasting waarvoor de werknemer belastingplichtig is, en de premies die de werkgever afdraagt voor de werknemersverzekeringen, zijn economisch sterk met elkaar verweven, omdat beide leiden tot een verschil tussen de bruto loonkosten en het nettoloon. Vanuit dat perspectief is het onwaarschijnlijk dat de last van de premie alleen bij de werkgever terechtkomt, of die van de inkomstenbelasting uitsluitend bij de werknemer. Al deze belastingen worden beschouwd als een belasting op arbeid. Een verhoging van de AOF-premie zal daarmee naar verwachting bij zowel werkgevers als werknemers neerslaan. De verdeling hangt af van verschillende individuele factoren, zoals onderhandelingsmacht en prijsgevoeligheid.

Vraag 260

Vraag 260

Met hoeveel procentpunt moet de Awf-premie omhoog als gevolg van de verlaging van het maximum premieloon?

Antwoord op vraag 260

Om de verlaging van het maximumdagloon te compenseren moet het tarief van de AWf-premie (zowel het hoge tarief als het lage tarief) ongeveer 0,22 procentpunt omhoog.

Vraag 261

Vraag 261

Welke criteria worden er gehanteerd voor het boeken van de uitvoeringskosten van een (fiscale) maatregel aan de uitgavenkant van de begroting respectievelijk de inkomstenkant van de begroting?

Antwoord op vraag 261

Uitvoeringskosten worden altijd geboekt en verantwoord aan de uitgavenkant van de begroting. Conform de begrotingsregels, hanteert het kabinet een scheiding tussen inkomsten en uitgaven. Dat betekent dat uitvoeringskosten ook binnen het uitgavenkader dienen te worden ingepast. Bij significante beleidswijzigingen aan de inkomstenkant, die een (zeer) beperkte doorwerking hebben aan de uitgavenkant (bijvoorbeeld de uitvoeringskosten van belastingmaatregelen), kan het in uitzonderlijke gevallen inhoudelijk logischer en doelmatiger zijn om dekking voor die doorwerking te vinden aan de inkomstenkant. De begrotingsregels voorzien voor deze gevallen een uitzondering op de scheiding tussen inkomsten en uitgaven, en hiervoor kan in dat geval een kadercorrectie toegepast worden.

Vraag 262

Vraag 262

Welke beleidsopties zijn er voor de inzet van het verlengen van de accijnskorting wanneer niet alleen specifiek de tarieven voor benzine gelijk worden gehouden maar ook die van diesel minder hard stijgen?

Antwoord op vraag 262

Het gelijk houden van het accijnstarief van diesel in 2027 aan 2026 kost ongeveer 498 miljoen euro. Er kan tevens gekozen worden voor een lagere accijnskorting. Ter indicatie iedere 10 cent aan accijnskorting per liter diesel kost ongeveer 421 miljoen euro voor een heel jaar.


Vraag 263

Vraag 263

Kunt u een overzicht geven van de verschillende vermogensgrenzen bij de verschillende toeslagen vanaf 2028 (na gelijktrekken vermogensgrens zorgtoeslag naar heffingsvrij vermogen)? Hoe worden deze vermogensgrenzen bepaald nadat de Wet werkelijk rendement box 3 in werking in getreden (beoogd per 1 januari 2028)?

Antwoord op vraag 263

Uitgaande van de verwachte indexatie en na het verlagen van de vermogensgrens van de zorgtoeslag naar het heffingvrije vermogen in box 3, komen de vermogensgrenzen van de toeslagen voor het berekeningsjaar 2028 uit op de volgende bedragen:

Toeslag Bedragen
Zorgtoeslag (alleenstaanden) 60.252 euro
Zorgtoeslag (paren) 120.504 euro
Huurtoeslag (per medebewoner) 40.513 euro
Kindgebonden budget (alleenstaanden) 121.387 euro
Kindgebonden budget (paren) 161.765 euro

Vraag 264

Vraag 264

Hoe zeker is het dat ETS-2 per 2028 wordt ingevoerd? Welke bedragen zitten er in het basispad voor de jaren 2028, 2029 en 2030?

Antwoord op vraag 264

In de Europese Milieuraad van 4 november jl. is besloten de invoering van ETS-2 met één jaar te verschuiven naar 2028. Op 10 december jl. is hierover een triloogakkoord bereikt, als onderdeel van de herziening van de Europese Klimaatwet. De Europese Commissie heeft een bredere ETS-herziening gepland voor juli van dit jaar. Het is nog niet te zeggen of ETS-2 hierbij betrokken wordt. Het kabinet is geen voorstander van verder uitstel van de invoering van ETS-2, aangezien dit enkel meer onzekerheid geeft voor huishoudens en bedrijven, en het lastiger zal maken om de Europese klimaatdoelen te bereiken.

ETS-2 ontvangsten in miljoenen euro

2026 2027 2028 2029 2030 2031
0 0 3.376 2.348 1.901 1.757

Vraag 265

Vraag 265

Kunt u per jaar voor de periode 2026 tot en met 2030 de budgettaire derving in euro's verstrekken die uitsluitend voortvloeit uit het niet verhogen van het box 3-forfait voor overige bezittingen als gevolg van amendement met Kamerstuknummer 38 812, nr. 47 (Grinwis, Stoffer en Vermeer)?

Antwoord op vraag 265

De budgettaire gevolgen van het amendement 38 812 nr.47 bij het Belastingplan 2026 (BP26) zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Zoals aangegeven in de Voorjaarsnota levert de versnelde afbouw van de Wet Hillen op korte termijn te weinig op om de derving van het terugdraaien van de box 3 maatregelen te dekken. Naast dit amendement zijn er bij het BP26 nog acht amendementen aangenomen. De budgettaire gevolgen van al deze amendementen zijn verwerkt in de startnota.

2026 2027 2028 2029 2030 Structureel
Niet verhogen forfait overige bezittingen en niet verlagen heffingvrije vermogen box 3 -1267 -1267 0 0 0 0
Versnellen afbouw Wet hillen t/m 2041 15 29 44 60 76 0
Totaal -1252 -1238 44 60 76 0

Vraag 266

Vraag 266

Kunt u per jaar voor de periode 2026 tot en met 2030 het nettosaldo weergeven tussen de derving van amendement met Kamerstuknummer 38 812, nr. 47 en de opbrengst van het versneld afbouwen van de Wet Hillen en kan de minister daarbij aangeven in welk jaar de dekking toereikend is?

Antwoord op vraag 266

Zie antwoord op vraag 265.

Vraag 267

Vraag 267

Kunt u per jaar tot en met het laatste jaar van rechtsherstel Box 3 de geraamde budgettaire besparing in euro's weergeven die voortvloeit uit de lagere verwachte omvang van het rechtsherstel als gevolg van het niet verhogen van het Box 3-forfait voor overige bezittingen en kunt u daarbij aangeven in hoeverre de raming van het rechtsherstel naar aanleiding van dit amendement is bijgesteld?

Antwoord op vraag 267

In de raming van de voorgestelde maatregel om het forfait op overige bezittingen te verhogen was meegenomen dat dit tot meer tegenbewijzen zou leiden en dus hogere kosten voor het rechtsherstel. De ramingen voor het rechtsherstel in box 3 gingen uit van de huidige (ongewijzigde) berekeningsmethode van het forfait. Het terugdraaien van de voorgestelde maatregel heeft dus niet tot lagere kosten van het rechtsherstel geleid.

Vraag 268

Vraag 268

Kunnen de aanpassingen aan de minimumbelasting (maatregel 24) nog door de Kamer worden teruggedraaid of bent u hier juridisch al aan gebonden?

Antwoord op vraag 268

De juridische grondslag van de wereldwijde minimumbelasting is een complexe combinatie van de afspraken die zijn gemaakt in het Inclusive Framework, de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing en de nationale wet. Wel is – net als voor elk ander wetsvoorstel – goedkeuring van uw Kamer nodig om het wetsvoorstel waarin het zogenoemde Side-by-Side pakket wordt uitgewerkt van kracht te laten worden in Nederland. Deze verschillende aspecten worden hierna uiteengezet.

Op 5 januari 2026 is binnen het Inclusive Framework, georganiseerd door de OESO, een akkoord bereikt over het Side-by-Side-pakket. Ook Nederland heeft, als onderdeel van het Inclusive Framework, ingestemd met dit akkoord. Er is derhalve op politiek niveau een akkoord bereikt dat door bijna 150 landen wordt ondersteund.

In Nederland zijn de regels voor de wereldwijde minimumbelasting sinds 31 december 2023 opgenomen in de Wet minimumbelasting 2024. Met deze wet is de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing in Nederland geïmplementeerd60. Deze richtlijn is gebaseerd op de OESO-modelregels inzake de wereldwijde minimumbelasting. De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of van de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen namelijk bindende wetgeving vaststellen.

Dit betekent dat het kabinet de nadere regelgeving vanuit de OESO telkens beoordeelt om te bepalen of de Wet minimumbelasting 2024 of de daarop gebaseerde lagere regelgeving aanpassing behoeft. Voor de regels die opgenomen zijn in het Side-by-Side pakket is dit het geval. In dit kader is van belang dat de OESO-regels over de minimumbelasting uitgaan van een ‘common approach’. Dit houdt in dat staten die het IF-akkoord hebben onderschreven, niet verplicht zijn om de OESO-modelregels te implementeren, maar verplicht zijn te accepteren dat andere staten kunnen bijheffen over in hun staat gevestigde laagbelaste groepsentiteiten. Indien wel voor implementatie wordt gekozen, gaat de betreffende staat ermee akkoord de regels op een manier te implementeren en uit te voeren die consistent is met de OESO-modelregels.

Daarom bereidt het kabinet op dit moment een wetsvoorstel (het Wetsvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024) voor zodat de afspraken die gemaakt zijn in het Side-by-Side pakket – kort gezegd – per 1 januari 2026 van kracht worden. Eerder is aangekondigd dat dit wetsvoorstel voor de zomer naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd. Omdat het perspectief van belangstellenden een belangrijke rol speelt voor het opstellen van goede fiscale wetgeving en beleid, is op 31 maart 2026 een belangstellendenbijeenkomst georganiseerd door het ministerie van Financiën. Voor deze bijeenkomst zijn vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, belangenorganisaties, overheidsinstanties en de wetenschap uitgenodigd om te reflecteren op de Wet minimumbelasting 2024, mede in relatie tot het Side-by-Side-pakket.

Tegelijkertijd zijn deelnemers gevraagd om – gelet op dit pakket – mee te denken over de toekomstige uitwerking van de regels rondom de minimumbelasting. Hoewel deze vorm van consultatie tot waardvolle inbreng en inzichten heeft geleid, geeft het kabinet graag ook opvolging aan de tijdens deze bijeenkomst opgekomen oproep om een (openbare) internetconsultatie te organiseren. Een belangrijke reden hiervoor is dat deze oproep voor verdere transparantie ook anderszins uit de praktijk is opgekomen. Het Wetsvoorstel veiligehavenregels Wet minimumbelasting 2024 zal daarom ter internetconsultatie worden aangeboden en als onderdeel van het Pakket Belastingplan 2027 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Voor de inwerkingtreding per 2026 heeft dit geen gevolgen.

Het Nederlandse wettelijke kader voor de wereldwijde minimumbelasting is derhalve gebaseerd op zowel de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing als ook de OESO-modelregels en het OESO-commentaar. Alleen door deze regels als een geheel te beschouwen, sorteert de wereldwijde minimumbelasting effect en wordt het daarmee beoogde doel gediend. Dit is een belangrijk uitgangspunt. Door de verschillende regels over de wereldwijde minimumbelasting namelijk in onderling samenhang te bezien, wordt voorkomen dat er mismatches kunnen ontstaan in de toepassing van de regels ten opzichte van andere staten, wat onzekerheid en mogelijk dubbele belasting en dubbele niet-belasting tot gevolg kan hebben. Een eenduidige uitleg van deze regels is derhalve in het belang van belastingplichtigen. Daarom heeft het kabinet tot nu toe telkens ervoor gekozen om de binnen het Inclusive Framework gemaakte afspraken over de wereldwijde minimumbelasting tijdig op te nemen in de Nederlandse wetgeving. Ook voor het Side-by-Side pakket hanteert het kabinet dit uitgangspunt.

Vraag 269

Vraag 269

Kunt u een overzicht met korte omschrijving geven van de fiscale regelingen voor bedrijven die gunstiger worden behandeld n.a.v. het side-by-side-akkoord? Op welke manier moeten Nederlandse fiscale regelingen worden aangepast om te kwalificeren voor deze gunstige behandeling?

Antwoord op vraag 269

Onderdeel van het Side-by-Side-pakket is de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen. Deze veiligehavenregel ziet voor de toepassing van de minimumbelasting op een gunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit. Om onder de reikwijdte van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen te vallen, is het allereerst van belang dat een fiscale regeling van invloed is op het bedrag aan betrokken belastingen (teller van de breuk voor het berekenen van het effectief tarief).

Voor de minimumbelasting gaat het daarbij om – kortgezegd – winstbelastingen. Verder is voor toepassing van de veiligehavenregel van belang dat sprake is van een kwalificerende fiscale regeling. Hierbij is van belang dat bij dergelijke fiscale regelingen er doorgaans een direct en duidelijk verband is met de investering die ze beogen te stimuleren. Voor de toepassing van de veiligehavenregel worden vervolgens onder kwalificerende fiscale regelingen verstaan fiscale regelingen die worden berekend aan de hand van de gemaakte uitgaven in de desbetreffende staat, of die worden bepaald aan de hand van de hoeveelheid materiële goederen die in een staat worden geproduceerd.

Daarbij kan het bedrag van fiscale regelingen die worden berekend op basis van gemaakte uitgaven, niet hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Tot slot geldt voor toepassing van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen een maximum, om te waarborgen dat deze alleen geldt indien sprake is van daadwerkelijke reële economische activiteiten in een staat.

Het belastingstelsel in Nederland kent diverse fiscale regelingen om ondernemen te stimuleren. Zo kent Nederland de innovatiebox waarmee kwalificerende voordelen uit hoofde van door de belastingplichtige zelf voortgebrachte kwalificerende immateriële activa slechts voor een bepaald deel in aanmerking worden genomen om een stimulans te geven aan ontwikkelaars van het intellectueel eigendom. De innovatiebox kent in beginsel geen één-op-één-koppeling tussen de uitgave en het voordeel uit de innovatiebox. Als gevolg hiervan kan onder bepaalde omstandigheden het voordeel hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf. Op basis hiervan voldoet de innovatiebox niet aan de voorwaarden die gelden voor de toepassing van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen.

Fiscale regelingen die wel voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de veiligehavenregel voor kwalificerende fiscale regelingen zijn de investeringsaftrekken die van toepassing zijn in de vennootschapsbelasting. Met de energie-investeringsaftrek (EIA), de milieu-investeringsaftrek (MIA) en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) wordt een extra aftrek op de fiscale winst verleend gebaseerd op het investeringsbedrag. Daarnaast kan het bedrag van deze investeringsaftrekken niet hoger zijn dan de gemaakte uitgaven zelf.


Vraag 270

Vraag 270

Wat is de momenteel geraamde opbrengst van Pijler Twee vóór en ná het side-by-side pakket?

Antwoord op vraag 270

De huidige inschatting is dat de wereldwijde minimumbelasting zonder de afspraken uit dit Side-by-Side-pakket ongeveer 700 miljoen euro per jaar zou gaan opleveren. De derving vanwege het Side-by-Side pakket is geraamd op 122 miljoen euro per jaar waardoor de totale opbrengst met dit bedrag daalt.

Vraag 271

Vraag 271

Kunt u toelichten welke onderdelen van het side-by-side-pakket hebben geleid tot de structurele derving van 122 miljoen euro?

Antwoord op vraag 271

De derving vanwege het Side-by-Side pakket is geraamd op 122 miljoen euro per jaar. Een belangrijk deel van de derving is het gevolg van de side-by-side safe veiligehavenregel. Hierdoor wordt er niet meer bijgeheven over laagbelaste winsten in het geval de uiteindelijke moederentiteit is gevestigd in een staat dat voldoet aan de voorwaarden van de Side-by-Side-veiligehavenregel. In deze gevallen kan ook niet meer worden verwacht dat een deel van deze winsten naar Nederland wordt verplaatst. Dit zorgt voor een derving in ordegrootte van 90 miljoen euro. Daarnaast is afgesproken om de behandeling van fiscale stimuleringsmaatregelen voor toepassing van de wereldwijde minimumbelasting soepeler te behandelen. Een dergelijke behandeling leidt tot een budgettaire derving in ordegrootte van 30 miljoen euro.

Vraag 272

Vraag 272

Zijn er signalen bekend van bedrijven die (delen van) hun activiteiten hebben verplaatst of overwogen te verplaatsen naar aanleiding van Pijler Twee en/of het side-by-side pakket?

Antwoord op vraag 272

Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over de wereldwijde minimumbelasting. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die wereldwijde minimumbelasting niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem.

In dit kader merkt het kabinet op dat de erkenning van een kwalificerend equivalent minimumbelastingstelsel noodzakelijk is om een fiscaal coherent en internationaal werkbaar systeem te waarborgen. Daarnaast vindt het kabinet het van belang dat ook andere elementen uit het Side-by-Side pakket in ogenschouw worden genomen. Zo is een wezenlijk element in het Side-by-Side pakket de onverkorte toepassing van de binnenlandse bijheffing.

De binnenlandse bijheffing blijft derhalve van kracht op groepsentiteiten die in een andere jurisdictie zijn gevestigd dan de jurisdictie van de uiteindelijkemoederentiteit die voldoet aan de Side-by-Side-veiligehavenregel dan wel aan de UPE-veiligehavenregel. Bovendien geldt onder de Side-by-Side-veiligehavenregel de verplichting om te voorzien in een verrekening van deze binnenlandse bijheffing, zodat de binnenlandse bijheffing altijd voorgaat.

Daarnaast is het voor het kabinet belangrijk dat verschillende vereenvoudigingen zijn opgenomen in het Side-by-Side pakket. Ook vindt het kabinet het positief dat in het pakket een gunstige behandeling van fiscale regelingen voor bedrijven met reële economische activiteit is opgenomen. Het totaalpakket creëert daarmee een gelijk speelveld voor ondernemingen uit jurisdicties die de Pijler 2-regels hebben geïmplementeerd en ondernemingen uit jurisdicties die de Pijler 2-regels niet hebben geïmplementeerd en die kwalificeren voor de Side-by-Side of UPE-veiligehavenregel.

Tot slot merkt het kabinet op dat het IF als onderdeel van het Side-by-Side pakket heeft afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden geadresseerd om de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de wereldwijde minimumbelasting en het Side-by-Side pakket te waarborgen. De toekomstige evaluatie (‘stocktake’), die het IF in 2029 wil afronden, is hiertoe een middel.

Het kabinet heeft begrip voor dit tijdspad: IF-jurisdicties moeten het Side-by-Side-akkoord nu immers eerst nog implementeren en vervolgens kost het ook tijd om data te verzamelen en een gedegen analyse te maken van eventuele structurele effecten. Daarnaast blijft het kabinet in gesprek met het bedrijfsleven om vroegtijdig signalen van concurrentieverstoring te ontvangen als ook van eventuele intenties om vanwege dergelijke verstoringen het hoofdkantoor te verplaatsen. Wanneer daar aanleiding toe is, zal het kabinet uw Kamer daarover informeren.


Vraag 273

Vraag 273

Klopt het dat u na de formatie opnieuw hebt gekozen om een tegenvaller op te vangen in Box 1 en dan ook nog eens bij de laagste twee tarieven? Waarom legt u de rekening elke keer weer bij gewone werkende mensen met een middeninkomen?

Antwoord op vraag 273

In de Voorjaarsnota is sprake van een meevaller in de uitgaven aan de zorg. Dit leidt tot lagere zorgpremies. Hiervan profiteren alle premieplichtigen, waaronder werkenden met een middeninkomen. De meevaller wordt ingezet om tegenvallers aan de uitgavenkant op te vangen. Om een negatief effect op het EMU-saldo te voorkomen, zijn compenserende lastenverzwaringen noodzakelijk. Conform de gebruikelijke systematiek, is deze lastenverzwaring zo vormgegeven dat deze terecht komt bij dezelfde groepen als het voordeel van lagere premies. De compenserende lastenverzwaring verloopt om deze reden via de eerste twee schijven van de inkomstenbelasting (voor het deel dat huishoudens afdragen) en de aof-premie (voor het deel dat bedrijven afdragen). Deze lastenverzwaring is in omvang gelijk aan de lastenverlichting via de premies. Per saldo is er daarmee geen sprake van extra lasten.

Vraag 274

Vraag 274

Welke gevolgen heeft de Voorjaarsnota 2026 voor de lastendrukontwikkeling voor bedrijven uitgesplitst naar mkb, middelgrote ondernemingen en internationaal opererende ondernemingen?

Antwoord op vraag 274

Het is met de gegevens die voorhanden zijn niet mogelijk om de beleidsmatige lastenontwikkeling een uitsplitsing te maken naar de beleidsmatige lastenontwikkeling per soort type bedrijf.

Vraag 275

Vraag 275

Hoe verhoudt de lastenontwikkeling voor bedrijven zich tot die in omringende landen?

Antwoord op vraag 275

Onderstaande toont een ontwikkeling van de effectieve gemiddelde belastingdruk (in procenten) voor bedrijven in vergelijking met andere Europese landen en over de tijd61. Daaruit blijkt dat de belastingdruk in Nederland de afgelopen jaren stabiel was en gemiddeld ten opzichte van concurrerende landen.

Figuur: effectieve gemiddelde druk in een selectie OESO-landen
Bron: OESO

Vraag 276

Vraag 276

Hoe ziet het beoogde wetgevingstraject voor het invoeren van een ovb-vrijstelling voor overdrachten van onroerende zaken tussen woningcorporaties er de komende tijd uit?

Antwoord op vraag 276

Het streven is de maatregel mee te laten lopen in het Belastingplan 2027 met ingangsdatum van 1 januari 2027. Het kabinet erkent dat de huidige vrijstelling waar woningcorporaties gebruik van kunnen maken niet aansluit bij de invulling van de maatschappelijke taken van corporaties in het woningmarktbeleid. Solidariteit tussen corporaties is belangrijk bij de uitvoering van de Nationale Prestatieafspraken. Eén van de vormen van onderlinge solidariteit tussen corporaties is het overnemen van elkaars bezit. Het heffen van overdrachtsbelasting op deze transacties kan belemmerend werken voor deze vorm van solidariteit. Om de nieuwe vrijstelling dit mogelijk te maken worden op dit moment verschillende relevante aspecten onderzocht, namelijk de juridische vormgeving, de uitvoerbaarheid voor zowel de Belastingdienst, het notariaat als de sector en de mogelijke staatssteunaspecten. Het Belastingplan 2027 wordt op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer verstuurd. Mocht uit het onderzoek blijken dat invoering van de maatregel niet mogelijk is of niet haalbaar per 1 januari 2027, dan zal het kabinet de Kamer hierover informeren.

Vraag 277

Vraag 277

Hoeveel haalt de overheid extra op aan btw-inkomsten en accijnzen als gevolg van de hoge prijzen in verband met de onrust in het Midden-Oosten? Kunt u dit in ieder geval nader specificeren in brandstof en energie?

Antwoord op vraag 277

Het is onduidelijk wat de effecten van de crisis in het Midden-Oosten zijn op de rijksinkomsten. Omdat prijsstijgingen gepaard gaan met gedragseffecten, miskent een eenzijdige focus op btw-opbrengsten en accijnzen de complexiteit van de verschuivende consumptiepatronen. Hoge prijzen leiden vaak tot een lager verbruik, wat de opbrengsten uit accijnzen en btw direct beïnvloedt. Bovendien kunnen hogere uitgaven aan brandstof en energie voor minder bestedingen elders zorgen, waardoor de totale fiscale opbrengst per saldo lager kan uitvallen. De partiële analyse over de effecten van de brandstofprijzen op de btw-inkomsten zal naar aanleiding van de motie Nanninga62 verder toegelicht worden in de kamerbrief over de economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten

Vraag 278

Vraag 278

Kunt u de vijf miljard euro aan extra ontvangsten ten opzichte van de stand Miljoenennota 2026 in tabel 10 nader uitsplitsen?

Antwoord op vraag 278

De realisaties in 2025 waren 2,9 miljard euro hoger dan geraamd in de miljoenennota 2026. Onderliggend kwam dit voornamelijk door hogere realisaties in de loon- en inkomensheffing en vennootschapsbelasting dan geraamd in de miljoenennota 2026. In het FJR wordt dit verder toegelicht. Daarnaast hebben de veranderingen in het economische beeld geleid tot hoger geraamde inkomsten. Het complete overzicht van wijzigingen in de ontvangstenraming wordt getoond in tabel 23 in bijlage 5.

Vraag 279

Vraag 279

Kunt u toelichten op basis van welke criteria de reeds als oninbaar aangemerkte schuld van circa 1,1 miljard euro formeel als zodanig is geclassificeerd?

Antwoord op vraag 279

46% van de oninbare schuld is als zodanig geclassificeerd omdat een faillissement is afgewikkeld, 34% is als oninbaar geclassificeerd omdat de schuld is kwijtgescholden na een saneringsakkoord, de overige 20% is als oninbaar geclassificeerd omdat er bijvoorbeeld geen verhaalsmogelijkheden zijn of omdat er sprake is van duurzame betalingsonmacht.


Vraag 280

Vraag 280

Kunt u onderbouwen op welke wijze het percentage van 40 procent (2,7 miljard euro) als oninbaar is geraamd en welke aannames en gegevens aan deze raming ten grondslag liggen?

Antwoord op vraag 280

De raming van 40% aan oninbare schuld is gebaseerd op een risico-inschatting van de huidige groep betalers. Hierbij is de totale schuld verdeeld in betalers die voorlopen op de betaling, de betalingstermijnen strikt nakomen of bijvoorbeeld de betalingsregeling niet meer nakomen. Door de verwachte opbrengst per segment te wegen, is geraamd dat voor 60% van het openstaande bedrag nog een realistisch incassoperspectief bestaat. Voor de resterende 40% wordt op basis van deze gegevens ingeschat dat de vorderingen feitelijk niet meer invorderbaar zijn.

Vraag 281

Vraag 281

Zijn er fiscale maatregelen waarvoor de budgettaire ramingen sterk afhankelijk zijn van gedragseffecten?

Antwoord op vraag 281

Ja, voor een groot deel van de fiscale maatregelen hangt het opbrengstcijfer sterk af van gedragseffecten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij maatregelen ten aanzien van diverse fiscale regelingen zoals de landbouwvrijstelling, accijnzen, de zeevaartregelingen, en de innovatiebox. Een totaaloverzicht van de gehanteerde gedragseffecten zijn te vinden in de publicatie ‘Gedragseffecten belastingmaatregelen 2025’ van het CPB.

Vraag 282

Vraag 282

Wat is een collectief arrangement? Kunt u concrete voorbeelden geven (verleden, heden, toekomst)?

Antwoord op vraag 282

Het CPB geeft aan dat collectieve arrangementen gaan over de manier waarop de overheid voorzieningen organiseert en financiert voor de bevolking.63 Dit betreft bijvoorbeeld de uitgaven aan sociale zekerheid, zorg, onderwijs en defensie. Beleidswijzigingen zijn van invloed op de vormgeving van de collectieve arrangementen. Zo bestaat er een toename in de defensie-uitgaven vanwege de ambitie van het huidige en vorige kabinet om te groeien naar de NAVO-doelstellingen. Ten aanzien van de collectieve arrangementen op het gebied van de zorg en sociale zekerheid geldt dat door de vergrijzing deze uitgaven zonder aanvullend beleid een steeds groter aandeel op de overheidsfinanciën en de arbeidsmarkt zullen hebben. Daarom werkt het kabinet aan het beperken van de groei van deze uitgaven, conform de aanbevelingen van onder meer de 18e Studiegroep Begrotingsruimte.64 Op die manier ontstaat ook structureel ruimte om te blijven investeren in onder meer het onderwijs, zoals ook is opgenomen in het coalitieakkoord.

Vraag 283

Vraag 283

Klopt het dat u afspreekt om negatief geëvalueerde fiscale regelingen af te schaffen of zodanig aan te passen dat tegemoet wordt gekomen aan de aanbevelingen van de evaluatie? Erkent u deze afspraak afgelopen jaren niet is nageleefd? Waarom gaat het deze keer wél lukken?

Antwoord op vraag 283

Het klopt dat het kabinet in de begrotingsregels als uitgangspunt heeft opgenomen om, indien een fiscale regeling negatief geëvalueerd wordt, deze regeling zodanig aan te passen dat tegemoet wordt gekomen aan de aanbevelingen van de evaluatie of af te schaffen. Tegelijkertijd blijft dit een politieke weging: indien de wens is om een negatief geëvalueerde fiscale regeling toch te handhaven zal de minister op wiens begroting de regeling staat de reden hiervoor toelichten in een kabinetsreactie aan de Kamer. Hierin dient expliciet te worden ingegaan op waarom de regeling niet wordt afgeschaft of aangepast. Het kabinet heeft reeds laten zien dat er bereidheid is om kritisch te kijken naar negatief geëvalueerde regelingen zoals blijkt uit het regeerakkoord. In het coalitieakkoord worden stappen gezet om twee negatief geëvalueerde regelingen af te schaffen. Ook komt het kabinet terug op de motie Dassen65 waarin verzocht is om als mogelijke dekking opties uit te werken rond ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen.

Vraag 284

Vraag 284

In hoeverre zijn de maatregelen in de Voorjaarsnota getoetst op uitvoerbaarheid?

Antwoord op vraag 284

Het kabinet zet zich in om de voorgenomen beleidsdoelen te realiseren. Bij de totstandkoming van de maatregelen in de Voorjaarsnota is er daarom ook aandacht voor uitvoeringsaspecten. Er vindt echter geen formele uitvoerbaarheidstoets plaats op maatregelniveau. Voor fiscale maatregelen geldt dat er bij het wetsvoorstel waarin de maatregelen worden verwerkt zoals het pakket Belastingplan wel een uitvoeringstoets wordt opgesteld waarin de maatregelen worden getoetst op uitvoerbaarheid.

Vraag 285

Vraag 285

Welke maatregelen uit de Voorjaarsnota kennen de grootste uitvoeringsrisico’s?

Antwoord op vraag 285

Zie het antwoord op vraag 284.

Vraag 286

Vraag 286

Voor hoeveel staat de besparing op de EU-afdrachten nu ingeboekt? Hoeveel is dat per jaar? Wanneer zou dit bijgesteld moeten worden?

Antwoord op vraag 286

Het huidige coalitieakkoord bevat geen aanpassingen aan de raming van de EU-afdrachten. De inzet van het voorgaande kabinet-Schoof om de EU-afdrachten met 1,6 miljard per jaar te beperken blijft onderdeel van de raming vanaf 2028. Het uiteindelijke budgettaire effect van het volgende MFK en nieuwe EMB is afhankelijk van het onderhandelingsresultaat. Dit wordt in de eerste daarop volgende reguliere begrotingsbijstelling verwerkt.

Vraag 287

Vraag 287

Kunt u per jaar over de periode 2012 tot en met heden het verschil in euro’s weergeven tussen het geraamde EMU-saldo bij de Miljoenennota en het gerealiseerde EMU-saldo bij het Jaarverslag Rijk?

Antwoord op vraag 287

In de tabel hieronder worden de verschillen tussen de raming van het EMU-saldo bij de Miljoenennota en de realisatie van het EMU-saldo in het FJR weergegeven voor 2012 tot en met 2025 (in het prijspeil van het desbetreffende jaar).

Tabel Verschil EMU-saldo tussen Miljoenennota en FJR (-=saldoverslechterend, in miljarden euro’s)ro’s)

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
EMU-saldo Miljoenennota -17,8 -16,7 -19,9 -14,6 -10,6 -3,3 6,1 8,3 1,8 -44,9 -21,3 -29,6 -31,7 -32,6
EMU-saldo FJR -24,4 -15,2 -15,0 -12,4 2,9 8,0 11,3 14,0 -34,0 -21,9 0,1 -3,5 -10,1 -18,7
Verschil -6,6 1,5 4,9 2,2 13,5 11,3 5,2 5,8 -35,8 23 21,4 26,0 21,6 13,8

Leeswijzer tabel: voor het jaar 2014 wordt de raming bij Miljoenennota 2012 (gepubliceerd in september 2011) vergeleken met het Financieel Jaarverslag Rijk 2012 (gepubliceerd in mei 2013).


Vraag 288

Vraag 288

Kunt u het cumulatieve verschil in euro’s weergeven tussen het geraamde EMU-saldo bij Miljoenennota en het gerealiseerde EMU-saldo bij het Jaarverslag Rijk over de gehele periode 2012 tot en met heden?

Antwoord op vraag 288

Zie het antwoord bij vraag 287 voor de verschillen tussen de raming van het EMU-saldo bij de Miljoenennota en de realisatie van het EMU-saldo in het FJR voor 2012 tot en met 2025 (in het prijspeil van het desbetreffende jaar). De verschillen tussen deze EMU-saldi tellen op tot 107,8 miljard euro. Het overgrote deel hiervan heeft plaatsgevonden in de afgelopen vijf jaar. Naar aanleiding hiervan heeft de expertgroep realistisch ramen in maart 2025 het advies “Op drift of op koers” uitgebracht. Zie het antwoord bij vraag 178 voor de voortgang bij deze adviezen.

Vraag 289

Vraag 289

Kunt u per jaar over de periode 2012 tot en met heden het verschil tussen het geraamde EMU-saldo bij Miljoenennota en het gerealiseerde EMU-saldo bij het Jaarverslag Rijk weergeven als percentage van de totale belastingopbrengst?

Antwoord op vraag 289

In onderstaande tabel wordt het verschil tussen het geraamde EMU-saldo bij Miljoenennota en het gerealiseerde saldo EMU-saldo bij het FJR weergegeven als percentage van de totale belastingopbrengst.

Tabel Verschil EMU-saldo in percentage van de belastingopbrengst
(-=saldoverslechterend, in miljarden euro’s)

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Verschil MN en FJR -6,6 1,5 4,9 2,2 13,5 11,3 5,2 5,8 -35,8 23 21,4 26,0 21,6 13,8
Totale belasting-opbrengst 220,7 226,4 235,2 242,4 258,0 271,2 288,2 306,5 301,4 323,0 353,7 388,1 408,7 432,5
Verschil als % van de totale belasting-opbrengst -3,0% 0,7% 2,1% 0,9% 5,2% 4,2% 1,8% 1,9% -11,9% 7,1% 6,0% 6,7% 5,3% 3,2%

Vraag 290

Vraag 290

Wat gaat het Bureau Bestuursraad Rijk doen?

Antwoord op vraag 290

Het bureau Bestuursraad Rijk ondersteunt de secretarissen-generaal (SG’s) bij hun rijksbrede samenwerking als een bestuursraad rijk, waar zij gezamenlijk sturing geven aan departementoverstijgende opgaven. Het bureau zorgt voor procesmatige en inhoudelijke ondersteuning, zodat de SG’s naast hun eigen verantwoordelijkheden ook effectief kunnen samenwerken aan gedeelde rijksbrede prioriteiten. Hiermee versterkt het bureau de samenhang en regie binnen het Rijk.

Vraag 291

Vraag 291

Hoe is het verschil in de raming van de invoerrechten tussen het ministerie van Financiën en de Europese Commissie te verklaren, waardoor de uitgaven met meer dan een miljard worden bijgesteld vanaf 2027.

Antwoord op vraag 291

De raming van de invoerrechten op de Nederlandse begroting zijn bij Voorjaarsnota 2026 geactualiseerd op basis van de nieuwe economische cijfers van het Centraal Economisch Plan (CEP). De daar geraamde stijging van de invoerrechten is met name te verklaren door het per 1 juli 2026 afschaffen van de ‘de-minimisregeling’ (de vrijstelling komt voor pakketjes onder de 150 euro). Deze ontwikkeling is reeds in de nationale raming op de Rijksbegroting verwerkt bij de Voorjaarsnota 2026. In de raming van de Europese Commissie is deze ontwikkeling nog niet verwerkt, daarom zijn de ramingen nu verschillend. De Europese Commissie zal de invoerrechten actualiseren met de Lenteraming 2026.

Vraag 292

Vraag 292

Hoeveel van de invoerrechten mag Nederland houden en hoeveel moeten we jaarlijks afdragen aan de Europese Unie? Kunt u de ontwikkeling van de perceptiekostenvergoeding van de afgelopen tien jaar en de raming voor de komende tien jaar weergeven?

Antwoord op vraag 292

De EU-lidstaten houden in het huidige MFK (2021-2027) 25% van de geheven invoerrechten in als inningsvergoeding (de zgn. perceptiekostenvergoeding). In het voorgaande MFK 2014-2020 was dit 20%. De Commissie heeft voorgesteld om dit voor het volgende MFK te verlagen naar 10%. Nederland zet in op verhoging van dit percentage.

Voor de raming van het volgende MFK (2028-2034) wordt in de Nederlandse raming vooralsnog uitgegaan van het handhaven van het huidige percentage perceptiekosten van 25%. Totdat er overeenstemming wordt bereikt in de huidige onderhandelingen over het Eigenmiddelenbesluit, geldt het huidige percentage van 25%. Op basis van beschikbare informatie geeft onderstaande tabel een overzicht van de invoerrechten en perceptiekostenvergoeding vanaf 2021 t/m 2031.

In mln. euro’s 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031
Invoerrechten 3.892 4.991 4.527 4.213 4.656 5.455 6.163 6.353 6.398 6.612 6.854
Perceptiekosten-vergoeding 909 1.226 1.110 1.061 1.175 1.364 1.541 1.588 1.600 1.653 1.714

Vraag 293

Vraag 293

Met welke percentages zijn ministeries en uitvoeringsorganisaties gekort in het kader van de efficiencytaakstelling en de aanvullende taakstelling apparaatskosten? Zijn daarbij bepaalde organisaties of onderdelen van de rijksdienst uitgezonderd en/of van een andere korting voorzien dan anderen? Zo ja, kunt u daar een overzicht van geven en verschillen motiveren?

Antwoord op vraag 293

De totale korting van de twee apparaatstaakstellingen uit het coalitieakkoord (efficiency en vernieuwing Rijksdienst) loopt op tot ongeveer 7 procent van de begrote apparaatstuitgaven in 2030. Dit komt bovenop de twee apparaatstaakstellingen onder het kabinet Schoof. Een aantal begrotingsonderdelen zijn in het coalitieakkoord uitgezonderd: de Koning, het postennet, de politie, DJI, het Openbaar Ministerie, de Raad voor de rechtspraak, de Raad voor Rechtsbijstand, de Hoge Raad der Nederlanden, het College voor de Rechten van de Mens, de Hoge Colleges van Staat, de NAVO-toerekenbare uitgaven en de uitvoeringskosten voor schade en versterken Groningen. Daarnaast heeft het kabinet ervoor gekozen om de AIVD uit te zonderen.

Vraag 294

Vraag 294

Klopt het dat kabinet-Jetten minder geld beschikbaar stelt voor BHOS (begroting XVII) dan het vorige kabinet-Schoof heeft achtergelaten? Kunt u het verschil in euro's weergeven (tussen de laatste MJN en huidige VJN) per jaar voor de jaren 2027-2030? Waarom wordt de onterechte indruk gewekt dat er meer geld naar BHOS gaat dan hiervoor?

Antwoord op vraag 294

Het budget voor ontwikkelingssamenwerking (Official Development Aid, ODA) is tussen Miljoenennota 2026 en Voorjaarsnota 2026 cumulatief met 1,7 miljard euro toegenomen (jaren 2027-2030). Deze toename komt voornamelijk door de structurele intensivering (vanaf 2027) in ontwikkelingssamenwerking uit het coalitieakkoord van 257 miljoen euro en de meerjarige niet-militaire Oekraïnesteun (in 2027-2029).

ODA uitgaven (x miljoenen euro) 2027 2028 2029 2030
Stand Miljoenennota 2026 6.118 5.784 6.123 6.343
Stand Voorjaarsnota 2026 6.050 6.454 6.894 6.650
Verschil -68 670 771 307

De uitgaven vanaf de BHO-begroting zijn inderdaad gedaald tussen Miljoenennota 2026 en Voorjaarsnota 2026. Dit komt doordat bovengenoemde intensiveringen uit het Coalitieakkoord nog gereserveerd staan op de Aanvullende Post, terwijl overige maatregelen uit het Coalitieakkoord wel reeds verwerkt zijn op de BHO-begroting. Bij overheveling van de middelen op de Aanvullende Post naar de BHO-begroting, zal de uitgavenstand daarmee stijgen.

Vraag 295

Vraag 295

Waarom brengt u de begroting niet voor de hele kabinetsperiode in lijn met de Meerjaren Productie Prognose (MPP 2025)? Hoeveel extra geld is er per jaar nodig tot en met 2030 om wél in lijn te zijn met de MPP 2025?

Antwoord op vraag 295

Bij Voorjaarsnota 2026 zijn de asielbudgetten voor de jaren 2026 en 2027 bijgesteld aan de hand van het mediaanscenario van een update van de Meerjaren Productie Prognose 2025 (MPP2025), de zogeheten Kernprognose 2025. Voor 2028 en verder is de begrotingsstand 2027 die hieruit volgt als uitgangspunt genomen.

De kernprognose raamt tot en met 2029 en kent, in de latere jaren, een grotere onzekerheidsmarge. Daarnaast zijn de effecten van de wetsvoorstellen (Asielnoodmaatregelenwet, Wet invoering tweestatusstelsel en Implementatiewet EU Asiel- en Migratiepact) niet meegenomen bij het opstellen van deze kernprognose. Daarom zijn de cijfers uit de kernprognose verwerkt tot en met 2027 en voor 2028 en verder op niveau begrotingsstand 2027 doorgetrokken. Het kabinet zal, zoals gebruikelijk, bij reguliere budgettaire besluitvormingsmoment bezien of bijstellingen nodig zijn.

Op basis van het extrapoleren van de cijfers uit de kernprognose is naar schatting circa 81 miljoen euro in 2028 nodig oplopend naar circa 240 miljoen euro in 2031 om de begroting in lijn te brengen met de kernprognose.

Vraag 296

Vraag 296

Waarom heeft u ervoor gekozen om geld voor Oekraïne binnen het uitgavenkader te plaatsen terwijl het kabinet-Schoof ruimhartiger was en dit niet deed?

Antwoord op vraag 296

De 18e Studiegroep Begrotingsruimte heeft geadviseerd om de Oekraïne-uitgaven onder het kader te brengen. De Studiegroep redeneerde: “gezien de aanhoudende situatie in Oekraïne en de discussie over de NAVO-norm is het logischer om de uitgaven binnen het kader in te passen.” Daarbij adviseerde de Studiegroep om een meerjarige raming op te nemen voor de kosten van de steun aan Oekraïne. Via de begrotingsregels en de budgettaire raming in de Voorjaarsnota heeft het kabinet beide adviezen overgenomen.

Vraag 297

Vraag 297

Hoeveel wordt in per jaar en in totaal omgebogen op de bijdrage aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)? Welke tekorten zijn er voor de opdrachten van de verschillende ministeries aan RVO? Graag een totaaloverzicht. Staat de uitvoering onder druk als gevolg van deze tekorten?

Antwoord op vraag 297

De efficiencytaakstelling en de apparaatstaakstelling in het kader van de vernieuwing rijksdienst en slagvaardige overheid zijn bij Startnota verdeeld naar rato van de totale apparaatsuitgaven. Hieruit volgt een korting van ca. 50 miljoen euro op de bijdragen aan de RVO in 2030, waarvan 14 miljoen euro van LVVN, 8 miljoen euro van EZ en 7 miljoen euro van BHOS. Naar aanleiding van de verdere invulling van departementen, herschikkingen binnen begrotingen en de Taskforce Slagvaardige Overheid (TSOv) kan de uiteindelijke ombuiging voor specifieke organisaties of begrotingsonderdelen hoger of lager worden dan dit bedrag.

Na verdere uitwerking kan inzicht worden gegeven in de impact op de uitvoeringsorganisaties en op eventuele tekorten en hoe daarmee kan worden omgegaan

Er zijn geen aanwijzingen dat er op dit moment tekorten zijn bij de RVO. Agentschappen rekenen kostendekkende tarieven door aan ministeries. Zodoende wordt er door de RVO niet op een tekort of overschot begroot. Tot op heden is er ook in de realisatie van de RVO geen sprake van negatieve resultaten.


Vraag 298

Vraag 298

Door de oorlog in het Midden-Oosten valt het bbp lager uit, waardoor de OS-budgetten dalen met cumulatief 555 miljoen euro. Aan welk bbp-percentage is de koppeling gekoppeld, en welk departement draagt formeel dit risico als het bbp verder tegenvalt?

Antwoord op vraag 298

Het ODA-budget is gekoppeld aan de ontwikkeling van het bruto nationaal inkomen (bni). Dit betekent dat 1% groei of krimp van het bni leidt tot 1% groei of krimp van het ODA-budget. In lijn met het AIV-advies wordt het ODA-budget één keer per jaar bijgesteld op basis van de CEP. Deze bijstelling wordt verwerkt op de BHO-begroting (artikel 5.4).

x miljoenen euro 2026 2027 2028 2029 2030 2031
Bijstelling ODA-budget n.a.v. CEP -80 -100 -88 -87 -87 -115

Vraag 299

Vraag 299

Hoeveel besteed het kabinet aan de aanpak van antisemitisme? Op welke begrotingen staan deze bestedingen?

Antwoord op vraag 299

Er was structureel ongeveer 1,2 miljoen euro beschikbaar voor de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) op de begroting van Justitie en Veiligheid. Daarnaast is sinds 2025 rijksbreed jaarlijks 4,5 miljoen euro structureel extra vrijgemaakt voor de aanpak van antisemitisme. Uit deze middelen ontvangt het bureau van de NCAB aanvullend structureel circa 1 miljoen euro per jaar. De resterende 3,5 miljoen euro is verdeeld over de begrotingen van JenV, OCW, VWS, SZW, en BZK. Met deze middelen zijn diverse nieuwe maatregelen in gang gezet en worden eerder ingezette maatregelen voortgezet. De aanpak voor antisemitisme komt voort uit de Strategie Bestrijding Antisemitisme die op 22 november 2024 aan uw Kamer is aangeboden. Als gevolg van ontwikkelingen rond antisemitisme en spanningen is uw Kamer op 10 april jl. geïnformeerd over de actualisatie van deze strategie door de minister van Justitie en Veiligheid (Kamerstuk 30950-515).

Vraag 300

Vraag 300

Op basis van welke criteria wordt een amendement op een begroting meerjarig verwerkt?

Antwoord op vraag 300

Conform art. 2.3, lid 5 van de Comptabiliteitswet 2016 worden amendementen die daarom vragen in beginsel meerjarig verwerkt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit niet doen. In dat geval zal de betrokken minister de Kamer hierover informeren.

Vraag 301

Vraag 301

Hoe ziet de besteding van de extra middelen voor de capaciteitstekorten bij de DJI eruit?

Antwoord op vraag 301

Bij het coalitieakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) voor het beschikbaar houden van cellencapaciteit. Een deel van deze middelen is bij Voorjaarsnota 2026 beschikbaar gesteld zodat DJI de opdracht kan geven voor diverse renovaties en daarbij geen vertraging wordt opgelopen. Dit betreft 30 miljoen euro in 2027 en 40 miljoen euro vanaf 2028. Het overige bedrag (35 miljoen euro in 2027 en vanaf 2028 60 miljoen euro structureel) blijft in afwachting van nadere uitwerking van plannen gereserveerd op de Aanvullende Post.

Daarnaast heeft de Tweede Kamer op 24 maart jl. het amendement van het lid Coenradie (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 128) over middelen voor extra DJI-capaciteit aangenomen, waarmee 10 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld in 2026 en 50 miljoen euro structureel vanaf 2027. Uw Kamer wordt op een later moment geïnformeerd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over de wijze waarop deze middelen zullen worden ingezet.


Vraag 302

Vraag 302

Op basis van onderuitputting wordt een ramingsbijstelling doorgevoerd op de toevoegingen rechtsbijstand. Hoe is deze onderuitputting te verklaren?

Antwoord op vraag 302

In de voorgaande jaren was er meerjarige onderuitputting op het budget van toevoegingen rechtsbijstand. In 2022 was dit circa 19 miljoen euro, grotendeels veroorzaakt door onderuitputting op het programma Stelselvernieuwing Rechtsbijstand. In 2023 bedroeg de onderuitputting circa 4 miljoen euro, met name als gevolg van een ingroeipad voor het uitbetalen van de verhoogde toevoegingen door implementatie van de indexeringssystematiek commissie Van der Meer. In 2024 was er circa 73 miljoen aan onderuitputting door onder andere lagere uitgaven dan geraamd op het terrein van asiel, de reguliere straftoevoegingen en de uitgaven voor het programma stelselvernieuwing rechtsbijstand. En tot slot was er in 2025 circa 62 miljoen euro aan onderuitputting doordat er minder toevoegingen zijn afgegeven op het terrein van asiel en civiel dan was geraamd.

Vraag 303

Vraag 303

Welke nieuwe specifieke uitkeringen zijn of worden er ingesteld in 2026? Graag een overzicht met toelichting en onderbouwing waarom voor een specifieke uitkering is/ wordt gekozen.

Antwoord op vraag 303

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties informeert, mede namens de staatssecretaris van Financiën, de Kamer over nieuw ingestelde specifieke uitkeringen (SPUKs) en het voortzetten van bestaande specifieke uitkeringen via kamerbrieven. De meest recente Kamerbrief hierover is verzonden aan de Kamer op 19 december 2025. Voor het einde van deze maand zal de Kamer geïnformeerd worden over de SPUKs die tot dusverre ingesteld zijn in 2026. Hierbij wordt ook toegelicht waarom voor deze uitkeringsvorm is gekozen. Gedurende 2026 bestaat de mogelijkheid om op meerdere momenten via een kabinetsbesluit SPUKs te verlengen of nieuwe SPUKs in te stellen. Hierover zal uw Kamer dan via een Kamerbrief geïnformeerd worden.

Vraag 304

Vraag 304

Welke huisvestingsproblematiek bij Europol speelt er op dit moment en hoe ziet de besteding van de 6,3 miljoen euro er concreet uit?

Antwoord op vraag 304

Nederland draagt als gastland van Europol bij aan de huisvesting. Voor de huisvesting van Europol is de komende jaren extra budget nodig, daarom wordt het budget in 2026 en 2027 met 12,6 miljoen euro verhoogd en vanaf 2028 met structureel 6,3 miljoen euro. De dekking hiervoor is gevonden binnen de JenV-begroting en de HGIS-middelen. Met deze middelen kan op korte termijn worden voldaan aan de verplichtingen rondom de huisvesting.

Vraag 305

Vraag 305

Hoe hoog zijn de griffierechten nu en hoe hoog moeten de griffierechten worden om de opbrengst van 35 miljoen euro te realiseren?

Antwoord

In onderstaande tabel zijn de griffierechten weergegeven voor het jaar 2026, zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2025, 39855. Op dit moment werkt het kabinet nader uit hoe de griffierechten verhoogd worden om opvolging te geven aan amendement Coenradie (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 128). Uw Kamer wordt hier later over geïnformeerd door het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Aard c.q. hoogte van de vordering of het verzoek Griffierecht voor niet-natuurlijke personen

Griffierecht voor

natuurlijke personen

Griffierecht voor onvermogenden
Griffierechten voor kantonzaken bij de rechtbank
Zaken met een betrokken tot een vordering, dan wel een verzoek:
– van onbepaalde waarde € 139 € 93 € 93
– met een beloop van niet meer dan € 500 € 139 € 93 € 93
– met een beloop van meer dan € 500 en niet meer dan € 1.500 € 350 € 233 € 93
– met een beloop van meer dan € 1.500 en niet meer dan € 2.500 € 397 € 265 € 93
– met een beloop van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000 € 529 € 265 € 93
– met een beloop van meer dan € 5.000 en niet meer dan € 12.500 € 559 € 265 € 93
– met een beloop van meer dan € 12.500 € 1.504 € 753 € 93
Griffierechten voor andere zaken dan kantonzaken bij de rechtbank
Zaken als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, eerste volzin, Rv € 19.518 € 19.518 n.v.t.
Zaken als bedoeld in artikel 32a, derde lid, Rv € 9.759 € 9.759 n.v.t.
Zaken met een betrokken tot een vordering, dan wel een verzoek:
– van onbepaalde waarde € 735 € 341 € 93
– met een beloop van niet meer dan € 100.000 € 3.083 € 1.414 € 93
– met een beloop van meer dan € 100.000 en niet meer dan € 1.000.000 € 7.062 € 2.803 € 93
– met een beloop van meer dan € 1.000.000 € 10.487 € 2.803 € 93
Griffierechten bij de Gerechtshoven
Zaken als bedoeld in artikel 32a, eerste lid, eerste volzin, Rv en artikel 1064a, eerste lid, tweede volzin, Rv € 26.024 € 26.024 n.v.t.
Zaken als bedoeld in artikel 32a, derde lid, Rv € 13.012 € 13.012 n.v.t.
Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:
– van onbepaalde waarde of € 851 € 373 € 373
– met een beloop van niet meer dan € 12.500 € 851 € 373 € 373
– met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000 € 2.321 € 851 € 373
– met een beloop van meer dan € 100.000 en niet meer dan € 1.000.000 € 7.003 € 2.192 € 373
– met een beloop van meer dan € 1.000.000 € 14.007 € 2.192 € 373
Griffierechten bij de Hoge Raad
Zaken met betrekking tot een vordering, dan wel een verzoek:
– van onbepaalde waarde of € 932 € 386 € 386
– met een beloop van niet meer dan € 12.500 € 932 € 386 € 386
– met een beloop van meer dan € 12.500 en niet meer dan € 100.000 € 3.092 € 932 € 386
– met een beloop van meer dan € 100.000 en niet meer dan € 1.000.000 € 8.758 € 2.629 € 386
– met een beloop van meer dan € 1.000.000 € 17.515 € 2.629 € 386

Vraag 306

Vraag 306

Wat zijn de huidige en toekomstige griffierechten voor grote vorderingen? Door hoeveel bedrijven met welke omvang moet dit worden opgebracht?

Antwoord op vraag 306

Zie het antwoord op vraag 305.

Vraag 307

Vraag 307

Wat is de voornaamste reden dat de laatste jaren er sprake was van tegenvallende opbrengsten bij het afpakken van crimineel vermogen en dat grote schikkingen uitbleven? Is de verwachting dat de komende jaren de opbrengsten weer stijgen?

Antwoord op vraag 307

De voornaamste reden van tegenvallende opbrengsten bij afpakken van crimineel vermogen is het uitblijven van grote schikkingen. De meerjarige raming was voorheen gebaseerd op in het verleden behaalde opbrengsten uit een aantal grote schikkingen met banken. Aangezien het zicht op (komende) grote schikkingen vooralsnog ontbreekt, is de afpakraming structureel met 284 miljoen euro naar beneden bijgesteld.

Vraag 308

Vraag 308

Welke hiaten zitten er nog in de wetgeving waardoor het afpakken van crimineel vermogen tegenvalt ten opzichte van de verwachtingen?

Antwoord op vraag 308

Op het afpakken van crimineel vermogen wordt gestuurd via de beslagdoelstellingen zoals weergegeven in het Strategisch programma criminele geldstromen 2024-2028 van opsporing en vervolging en in de Veiligheidsagenda van de Politie 2023-2026. Hierbij wordt het wettelijk instrumentarium voor afpakken momenteel uitgebreid met de implementatie van de confiscatierichtlijn (via de maatregel confiscatie zonder voorafgaande veroordeling en de maatregel vervallenverklaring aan de staat) en worden de mogelijkheden van de internationale gegevensdeling voor het traceren van crimineel vermogen eenvoudiger en sneller gemaakt. Het is op dit moment onzeker in welke mate deze uitbreiding van het wettelijk instrumentarium tot hogere afpakopbrengsten zal leiden.

Vraag 309

Vraag 309

Kunt u door middel van een P x Q-onderbouwing aangeven waarom er in 2026 negen miljard euro voor Asiel en Migratie is gereserveerd en in 2030 nog maar vijf miljard euro? Zit hier een serieuze financiële onderbouwing onder? Welke experts/ramingen laten zien dat de P of Q zoveel gaat dalen?

Antwoord op vraag 309

Het is niet mogelijk om voor de gehele Asiel en Migratie-begroting een PxQ onderbouwing te geven aangezien niet alle budgetten PxQ zijn gefinancierd. De afloop op de begroting van Asiel en Migratie wordt veroorzaakt doordat incidenteel budget beschikbaar is voor de ontheemden uit Oekraïne tot en met 4 maart 2028. Dit komt doordat de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), op basis waarvan zij worden opgevangen, momenteel tot 4 maart 2027 loopt. In lijn met de tijdelijke wet Oekraïne zijn gemeenten tot een jaar na afloop van de RTB verantwoordelijk voor opvang (dus tot 4 maart 2028). Daarnaast kent het budget voor de meerkosten van (crisis)noodopvang door het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) een gelijkmatige afloop van 1,2 miljard euro in 2026 naar 0 euro in 2030, doordat naar verwachting voldoende opvangcapaciteit is opgebouwd, waardoor deze duurdere opvangvorm kan worden afgebouwd.

Bij Voorjaarsnota 2026 zijn de asielbudgetten voor de jaren 2026 en 2027 bijgesteld aan de hand van het mediaanscenario van de update van de Meerjaren Productie Prognose 2025 (MPP2025), de zogeheten Kernprognose 2025. Voor 2028 en verder is de begrotingsstand 2027 die hieruit volgt als uitgangspunt genomen. De MPP2025 en Kernprognose 2025 is opgesteld door de Analyseproeftuin Migratieketen (APM) en uw Kamer wordt hierover op korte termijn door de minister van Asiel en Migratie geïnformeerd. Voor de nadere onderbouwing over de verwerking van deze kernprognose, zie het antwoord op vraag 295.

Vraag 310

Vraag 310

De reguliere asielopvang heeft in 2026 een meevaller van 500 miljoen euro, maar vanaf 2027 een tegenvaller van twee miljard euro per jaar. Welke aanname over instroomcijfers en gemiddelde verblijfsduur ligt hieraan ten grondslag?

Antwoord op vraag 310

De begroting voor de reguliere asielopvang bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) uit de Miljoenennota 2026 was gebaseerd op de verwerking van de toenmalige Meerjaren Productie Prognose (MPP). Deze MPP was incidenteel verwerkt tot en met 2026, waardoor sprake was van een forse daling in het budget van 2026 naar 2027. In 2026 wordt een lagere reguliere bezetting bij het COA verwacht dan bij Miljoenennota 2026 geraamd, daarom is er sprake van een meevaller. Vanaf 2027 is er sprake van een tegenvaller vanwege de eerdere forse daling van de begroting.

Vraag 311

Vraag 311

Kan gespecificeerd worden waar het gedeelte van de intensivering van de AP-middelen POK ten aanzien van de implementatie van de Wet Open Overheid precies aan zal worden besteed (voor zowel het Rijk als de medeoverheden?

Antwoord op vraag 311

Sinds de invoering van de Wet Open Overheid zijn overheden verplicht om documenten in 11 categorieën (zoals convenanten, klachten en onderzoeksrapporten) actief openbaar te maken. Dit is niet langer vrijblijvend, maar een wettelijke verplichting.

De intensivering bij het Rijk is bedoeld om de structurele beheerskosten te dekken. Deze waren tot eind 2025 gedekt. Dit gaat om een inzet van middelen van de Aanvullende Post (AP) van 0,1 miljoen euro en een herprioritering binnen artikel 6. Overheidsdienstverlening en informatiesamenleving van de BZK-begroting van 3,9 miljoen euro.

De intensivering bij medeoverheden is bedoeld om hen de overstap te laten maken van incidentele publicatie naar een gestroomlijnd, geautomatiseerd proces. Structurele middelen zijn benodigd omdat er sprake is van een doorlopende verplichting en van jaarlijkse kosten voor beheer en onderhoud. Dit gaat om een inzet van AP-middelen van 1,4 miljoen euro en een herprioritering binnen artikel 6 van 1,8 miljoen euro.

Vraag 312

Vraag 312

Hoeveel publieke schulden zijn tot en met 2025 kwijtgescholden? Hoeveel publieke schulden worden er naar verwachting nog kwijtscholden in 2026 en 2027?

Antwoord op vraag 312

Als onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is er rijksbreed tot en met 2025 voor 1,06 miljard euro aan publieke schulden kwijtgescholden. Het resterende budget vanaf 2026 bedraagt circa 86 miljoen euro.

Vraag 313

Vraag 313

Met welke maatregelen wordt de efficiencytaakstelling gerealiseerd?

Antwoord op vraag 313

Zie antwoord op vraag 72.

Vraag 314

Vraag 314

Wordt er binnen de efficiencytaakstelling ook gesneden in de budgetten voor dienstreizen (vluchten) van ambtenaren?

Antwoord op vraag 314

Zie antwoord op vraag 72.


Vraag 315

Vraag 315

Waarom is in 2025 drie miljoen euro van de middelen voor het slavernijverleden niet tot besteding gekomen?

Antwoord op vraag 315

In 2025 is, verdeeld over verschillende posten op de Rijksbegroting, 4,1 miljoen euro van de middelen voor het slavernijverleden niet tot besteding gekomen. De in 2025 niet tot besteding gekomen middelen zijn doorgeschoven naar 2026, zodat de 200 miljoen euro voor het slavernijverleden voor dit doel behouden blijft. Op de BZK-begroting gaat het om 2,7 miljoen euro: Er zijn minder subsidies voor maatschappelijke initiatieven verstrekt dan waar in de raming vanuit was gegaan (1,5 miljoen euro). Daarnaast is er 0,8 miljoen euro minder uitgegeven aan het onderzoeksprogramma, doordat er nog geen uitvoerder is gevonden voor de regeling en doordat er een subsidieaanvraag vertraging heeft opgelopen. Tenslotte is 0,4 miljoen euro bij JenV voor de kosteloze naamswijziging van nazaten van tot slaaf gemaakten niet tot besteding gekomen doordat er minder aanvragen zijn gedaan dan verwacht. Deze middelen zijn via de BZK-begroting doorgeschoven naar 2026.

Vraag 316

Vraag 316

De renovatie van het Binnenhof kost 700 miljoen euro meer dan geraamd en loopt cumulatief op tot 2,7 miljard euro. Wie is de eigenaar van het Binnenhof, wie is de opdrachtgever van de renovatie en op welke begrotingspost staat dit?

Antwoord op vraag 316

De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is, als opdrachtgever en uitvoerder, verantwoordelijk voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat (Kamerstukken II 2025-2026, 36 800 XXII, nr. 2, artikel 4). Deze rol van de minister wordt in de dagelijkse praktijk vervuld door het Rijksvastgoedbedrijf. Het Rijksvastgoedbedrijf vertegenwoordigt de Staat als eigenaar van de gebouwen en heeft in die hoedanigheid de plichten en verantwoordelijkheden die bij het eigendomsrecht horen.

De uitgaven voor de huisvesting van de Hoge Colleges van Staat, waaronder het Binnenhof, worden in de Rijksbegroting verantwoord in Hoofdstuk XXII, beleidsartikel 4.1 Bijdrage voor huisvesting Hoge Colleges van Staat.

Vraag 317

Vraag 317

De realisatiestimulans (81 miljoen euro) voor woningbouw bij medeoverheden wordt doorgeschoven van 2026 naar 2028-2030. Is dit een kasschuif op verzoek van de ontvangende gemeenten, of een beslissing van het ministerie, en wat zegt dit over de voortgang van de woningbouwdoelen?

Antwoord op vraag 317

De realisatiestimulans wordt uitgekeerd op basis van het aantal gestarte betaalbare woningen per gemeente per jaar. Daarnaast zijn er opslagen voor Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid-gebieden. De eerste uitkering van de realisatiestimulans zal plaatsvinden aan het einde van 2026 op basis van de geleverde prestaties door gemeenten in 2025. Hierbij is het van belang dat er een realistisch kasritme wordt aangehouden voor de realisatiestimulans, om het risico op onderuitputting te beperken. Een belangrijke factor bij deze kasschuif is de verwachting dat er in 2025 een groter aantal woningen is gestart vanuit de regelingen Woningbouwimpuls en Startbouwimpuls, waarvoor geen realisatiestimulans bijdrage wordt verstrekt. Daarnaast is er vanuit het NPLV gekeken naar een realistischer ritme op basis van verwachtingen van gemeenten over wanneer bepaalde maatregelen worden uitgevoerd.

De verwachte benodigde middelen zijn niet direct indicatief voor de woningbouwdoelstellingen, dit komt doordat de realisatiestimulans alleen wordt uitgekeerd voor betaalbare woningen die nog geen bijdrage hebben gekregen via eerdere en andere woningbouwsubsidies. Het is dus mogelijk dat het aantal woningen in de realisatiestimulans lager ligt dan het aantal gestarte betaalbare woningen in totaal, doordat een deel van de woningen is gestart vanuit de regelingen zoals Woningbouwimpuls en Startbouwimpuls. De voortgang van de woningbouwdoelen monitort de minister van VRO op andere manieren. Middels de brief ‘Aanbieding rapportage Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw najaar 2025’ heeft de minister van VRO bijvoorbeeld laten weten dat zij heeft geconstateerd dat er tot en met 2030 op nationaal niveau voldoende plannen zijn om 100.000 woningen per jaar te realiseren.


Vraag 318

Vraag 318

Waarop is de verwachting gebaseerd dat voor de komende jaren meer terugvorderingen van te veel uitgekeerde huurtoeslag zijn geraamd?

Antwoord op vraag 318

Het totale budget van de huurtoeslag loopt komende jaren op, waardoor de hoogte van terugvorderingen ook stijgt. Daarnaast is de eerder verwachte afname van het aantal terugvorderingen als gevolg van controles in de voorschotfase (welke tot minder terugvorderingen zouden leiden) bijgesteld omdat nog onzeker is in welke mate en in welk tempo dit in de praktijk ook daadwerkelijk leidt tot een afname in het aantal terugvorderingen.

Vraag 319

Vraag 319

De investeringen in onderwijs zijn nog niet uitgewerkt en staan nog op de AP. Wanneer kan hier duidelijkheid over verwacht worden?

Antwoord op vraag 319

Het kabinet is op dit moment bezig met het uitwerken van de plannen uit het coalitieakkoord. Uw Kamer ontvangt hier binnenkort nadere informatie over van de bewindslieden van OCW.

Vraag 320

Vraag 320

Op basis van welke analyse komt u tot de conclusie dat het aantal nieuwkomers zal dalen?

Antwoord op vraag 320

Op basis van de prognoses van het CBS66 wordt in het primair en voortgezet onderwijs een lichte daling verwacht.

Vraag 321

Vraag 321

Kunt u aangeven welke meer gedetailleerde informatie beschikbaar is gekomen?

Antwoord op vraag 321

Zie het antwoord op vraag 323.

Vraag 322

Vraag 322

Kunt u meer inzicht geven in de extra beschikbare teldata waarmee de aanvullende 14,6 miljoen euro structureel voor het gelijktrekken van de vergoedingen voor nieuwkomers en asielzoekers wordt verantwoord?

Antwoord op vraag 322

De berekening voor de toegekende middelen bij Voorjaarsnota 2025 kon slechts op één peildatum (1 juli 2024) worden gebaseerd. Dit komt doordat per 1 juli 2024 de overstap is gemaakt naar een andere startdatum van de bekostiging. Inmiddels zijn er meer peildata geweest en daardoor zijn er meer gegevens beschikbaar over 2025. Op basis van deze recente gegevens is de berekening herhaald. Door ontwikkelingen binnen de aantallen nieuwkomers (verhouding asielzoekers en overige vreemdelingen) en de verhouding tussen aantallen in het huidige systeem (aanvraag) en de aantallen bij ambtshalve bekostiging, is het benodigde bedrag gestegen naar 28,6 miljoen euro per jaar. Dat betekent dus dat er structureel extra budget van 14,6 miljoen euro per jaar nodig is (28,6 miljoen euro – 14,0 miljoen euro).


Vraag 323

Vraag 323

Kunt u meer inzicht geven in de gedetailleerde informatie met betrekking tot de tegenvaller van cumulatief 29,1 miljoen euro op de herziening van alle besluiten naar aanleiding van de controles op de uitwonendenbeurs?

Antwoord op vraag 323

Uit de meer gedetailleerde informatie over alle dossiers die herzien moeten worden, blijkt dat de kosten van de herzieningen, de kosten voor de wettelijke rente en de benodigde uitvoeringskosten voor de verwerking van de herziening hoger zijn dan verwacht. Daarnaast hebben er in de periode 2009-2012 pilots plaatsgevonden met de risicogerichte werkwijze van de controle op de uitwonende beurs. Er zijn geen juridisch relevante verschillen tussen de pilotfase en de periode 2012-2023. Dat betekent dat er een juridische verplichting bestaat om ook de besluiten uit de pilotfase te herzien als hiertoe een verzoek wordt ingediend door een (oud-)student.

Vraag 324

Vraag 324

Wat is de verwachting omtrent benodigde bijstelling van de regeling praktijkleren op basis van de studentenaantallen voor de jaren na 2026?

Antwoord op vraag 324

Met deze bijstelling kunnen we voor 2026 alle stagebedrijven de maximale tegemoetkoming per leerwerkplek uitbetalen (2.700 euro). De regeling praktijkleren kent alleen een maximaal bedrag per leerwerkplek en geen minimum, het uitkeren van de maximale vergoeding is daarom geen vanzelfsprekendheid. Er is nu voor gekozen om alleen voor 2026 extra budget vrij te maken, zodat in dit jaar het maximale bedrag kan worden uitgekeerd.

Vraag 325

Vraag 325

Waar wordt de aan de HBO-bekostiging toegevoegde 15,3 miljoen euro voor aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt concreet voor ingezet?

Antwoord op vraag 325

Bij het opheffen van de Doorstroom Beroepskolom Regeling (VABOK) is het aandeel voor hbo-instellingen uit de regeling toegevoegd aan de bekostiging van de hbo-instellingen. Deze middelen worden ingezet voor de aansluiting met de arbeidsmarkt. In overleg met de sector worden de plannen hiervoor verder uitgewerkt.

Vraag 326

Vraag 326

Hoeveel leerlingen kunnen per schooljaar worden voorzien van schoolmaaltijden met een bedrag van 19,1 miljoen euro en dekt dit bedrag alle scholen die hier behoefte aan hebben? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 326

Per leerling is maximaal 9 euro per week beschikbaar voor een maaltijd op school. Over heel 2025 lag het gemiddeld gedeclareerde bedrag op 5,39 euro, maar dit stijgt snel door inflatie en een toename van commerciële aanbieders, die doorgaans voor het maximale bedrag per leerling declareren. Voor 2026 verwachten we momenteel een gemiddelde van 6 euro per week en voor 2027 6,50 euro. Met 19,1 miljoen euro kunnen er volgens de huidige prognose incidenteel ruim 73.000 extra leerlingen in 2027 een schoolmaaltijd krijgen. Momenteel worden 361.000 leerlingen bereikt via het Jeugdeducatiefonds (JEF) en circa 50.000 leerlingen via het Rode Kruis. Met het extra bereik komt dit neer op ruim 19% van het totaal aantal leerlingen in het po en vo. Of de middelen voldoende zijn voor alle scholen die daarvoor in aanmerking komen hangt af van het daadwerkelijke bedrag dat scholen declareren.

Vraag 327

Vraag 327

Kunt u toelichten wat het instrument opgavegerichte aanvullende middelen voor het mbo concreet behelst?

Antwoord op vraag 327

U wordt in juni door de minister van OCW middels een Kamerbrief over de herziening van de mbo-bekostiging geïnformeerd over de nadere invulling van het instrument. In deze brief wordt ook invulling gegeven aan het bredere financiële instrumentarium binnen het mbo.

Vraag 328

Vraag 328

Kunt u een overzicht doen toekomen over de totale onderuitputting van 2025? Kunt u de posten van onderuitputting die zich meerjarig en structureel voordoen nader toelichten?

Antwoord op vraag 328

Een overzicht van de totale onderuitputting over 2025 volgt bij het Financieel Jaarverslag Rijk 2025. Het laatste overzicht van de onderuitputting is te vinden in de Najaarsnota 2025. Voor zover het beeld is dat onderuitputting structureel en meerjarig is, is dit verwerkt in de ramingen bij Voorjaarsnota 2026.

Vraag 329

Vraag 329

Op basis waarvan is die 19,1 miljoen euro intensivering berekend?

Antwoord op vraag 329

De verhoging van het budget met eenmalig 19,1 miljoen euro in 2027 was voor het financieren van zomer- en winterpakketten in 2027. Dat bedrag was gebaseerd op de prognoses uit december 2025 vanuit het Jeugdeducatiefonds (JEF) van het aantal leerlingen en de verwachte kosten van de pakketten. Recente prognoses laten zien dat de gemiddelde gedeclareerde bedragen stijgen en er meer leerlingen aan het programma deelnemen. Dit kan effect hebben op de verdeling van het totaalbudget.

Vraag 330

Vraag 330

Kunt u toelichten hoe de ombuiging van 5,7 miljoen euro in kader van de efficiëntie taakstelling wordt ingericht?

Antwoord op vraag 330

De efficiencytaakstelling is op de OCW-begroting voorlopig verwerkt op het apparaatsartikel. De concrete invulling van de apparaatstaakstellingen vindt op een later moment plaats, ook in samenhang met de invulling bij andere departementen.

Vraag 331

Vraag 331

Kunt u toelichten aan welke tegenvallers op de OCW-begroting voor de jaren 2026-2030 het resterende bedrag van 234,0 miljoen euro van de eindejaarsmarge 2025 zal worden ingezet?

Antwoord op vraag 331

Van de 358,9 miljoen euro reguliere eindejaarsmarge op de OCW-begroting wordt 234,0 miljoen euro ingezet om diverse tegenvallers gedeeltelijk te dekken. Hieronder valt onder andere het dekken van een deel van de tegenvaller op de studiefinancieringsraming (cumulatief 225,9 miljoen euro in 2026-2030) en het volledig dekken van de tegenvaller op de referentieraming in de jaren 2026-2028 (cumulatief 37,0 miljoen euro in 2026-2028).

Vraag 332

Vraag 332

Hoe vaak is de kasschuif met OV-bedrijven op de OCW-begroting de afgelopen tien jaar toegepast?

Antwoord op vraag 332

Sinds 2017 is de kasschuif OV-bedrijven jaarlijks toegepast.

Vraag 333

Vraag 333

Kunt u een overzicht doen toekomen over de ombuiging van 18,9 miljoen euro? Welke subsidiebudgetten worden verlaagd?

Antwoord op vraag 333

Onderstaande tabel toont een overzicht van de invulling van de subsidietaakstelling op de OCW-begroting. Een klein deel hiervan wordt ingevuld op niet-subsidiebudgetten.

Invulling subsidietaakstelling op de OCW-begroting (in miljoenen euro)
Art. Subsidiebudget 2027 2028 2029 2030 2031
1 Nederlands onderwijs buitenland -1,7 -1,7 -1,7 -1,7 -1,7
1 Meerurenmaatwerk -2,4 -1,9
1 Overige subsidies -4,0 -4,1 -5,0 -5,0 -5,5
3 Overige subsidies 0,0 -0,1 -1,0 -1,0 -1,5
4 Loopbaanoriëntatie -0,7
1,4,6 Doorstroom Beroepskolom -5,1 -4,3 -4,3 -4,8 -3,8
4 Overige subsidies -0,6 -0,5 -0,5
7 Overige subsidies -1,0 -1,0 -1,0 -1,0 -1,0
8 Nederlandse Taalunie 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
9 Lerarenbeurs -2,0 -2,0 -2,0 -2,0
14 Specifiek cultuurbeleid -0,5 -0,5 -0,5 -0,5 -0,5
15 Onderzoeksjournalistiek -0,2 -0,2 -0,2 -0,2 -0,2
15 Overige Subsidies -0,2 -0,2 -0,2 -0,2 -0,2
16 Naturalis Biodiversity Center -0,2 -0,2 -0,2 -0,2 -0,2
16 Biomedical Primate Research Centre -0,3 -0,3 -0,3 -0,3 -0,3
16 NEMO Science Museum -0,1 -0,1 -0,1 -0,1 -0,1
16 Stichting Toekomstbeeld der Techniek 0,0 0,0 -0,3 -0,3 -0,3
16 Stichting AAP 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
16 Nationaal Expertisecentrum voor Wetenschap en Samenleving 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
16 Vereniging van Science Centers 0,0 0,0 -0,3 -0,3 -0,3
16 Netherlands Academy of Engineering 0,0 0,0 0,0 0,0 -0,5
Ingevuld op niet-subsidiebudgetten
7 Onderzoeksdeel bekostiging wo -1,1 -1,1 -0,5 -0,5
7 Opdrachten -0,5 -0,5 -0,5 -0,5 -0,5
25 Opdrachten 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Totaal -18,9 -18,9 -18,9 -18,9 -18,9

Vraag 334

Vraag 334

Binnen welke termijn wordt de aanvullende tegemoetkoming na het behalen van het bachelordiploma uitgekeerd aan leenstelselstudenten?

Antwoord op vraag 334

De aanvullende tegemoetkoming wordt naar verwachting vanaf april 2027 toegekend aan studenten die op dat moment aan alle voorwaarden voldoen. Een van de voorwaarden betreft dat een student op dat moment zijn diploma heeft behaald of aangetoond heeft geen diploma te hebben kunnen behalen vanwege bijzondere omstandigheden. Studenten die na april 2027 aan de voorwaarden voldoen, ontvangen de aanvullende tegemoetkoming op dat moment.

Vraag 335

Vraag 335

Kunt u de meerkosten van 7,0 miljoen euro expliciteren?

Antwoord op vraag 335

De middelen betreffen een bijdrage vanuit SZW voor afname van het staatsexamen NT2 voor nieuwkomers. Het aantal afnames van het examen stijgt. De stijging is met name zichtbaar bij de doelgroep inburgeringsplichtigen (ongeveer 80%). Deze examenkandidaten moeten het staatsexamen NT2 afleggen voor het behalen van hun inburgeringsdiploma. Het aantal afnames voor deze doelgroep stijgt van ongeveer 60.000 in 2024 naar een verwacht aantal afnames van ongeveer 149.000 in 2026. Dit brengt meerkosten mee die bedoeld zijn voor de examenontwikkeling, de zaalhuur en personeelskosten op de examenlocaties.

Vraag 336

Vraag 336

Welke partij gaat de extra scan- en detectieapparatuur leveren? Is alle apparatuur van Chinese origine (of andere landen met een offensief cyberprogramma) inmiddels vervangen? Zo niet, op welke termijn gaat dat gebeuren?

Antwoord op vraag 336

Uw Kamer is per brief van 13 mei 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 31934, nr. 91) vertrouwelijk geïnformeerd over dit onderwerp.

Vraag 337

Vraag 337

Kunt u toelichten welke factoren ten grondslag liggen aan de gemiddelde tariefstijging van circa tien procent bij het Rijksvastgoedbedrijf per 2026 en in hoeverre deze stijging wordt verklaard door inflatie, investeringen in vastgoed of andere oorzaken?

Antwoord op vraag 337

De toename met ca. 10% van het gemiddelde regiotarief per m2 voor kantoorruimte van 338 euro in 2025 naar 374 euro in 2026 wordt veroorzaakt door een mutatie uit kapitaalsinvesteringen (= rente en afschrijvingen) van +8,0%, een mutatie beleidskosten (w.o. Rijksontmoetingspleinen, Workspace Management System en Rijksbouwgids) van +1,2%, het effect van reguliere inflatie van +0,8% en een aanpassing opslag apparaat van +0,5%. Deze tariefstijging geldt voor alle departementen en uitvoeringsorganisaties die gebruik maken van kantoorpanden van het Rijksvastgoedbedrijf.

Vraag 338

Vraag 338

Kunt u aangeven of de tariefstijging van circa tien procent bij het Rijksvastgoedbedrijf ook van toepassing is op andere ministeries dan Financiën en zo ja, wat de totale budgettaire impact hiervan is over alle begrotingen?

Antwoord op vraag 338

Zie het antwoord op vraag 75.

Vraag 339

Vraag 339

Kunt u toelichten hoe de tarieven van het Rijksvastgoedbedrijf worden vastgesteld en is er een onafhankelijke toets beschikbaar waaruit blijkt of deze tarieven marktconform zijn ten opzichte van vergelijkbare kantoorruimte op dezelfde locaties?

Antwoord op vraag 339

Zie het antwoord op vraag 75.

Vraag 340

Vraag 340

Kunt u toelichten waardoor de tarieven van het porticontract van de Belastingdienst in het afgelopen jaar met 52 procent zijn gestegen en in hoeverre deze stijging het gevolg is van een nieuwe contractonderhandeling, een tariefwijziging door de aanbieder of een toename van het postvolume?

Antwoord op vraag 340

De tarieven zijn gestegen als gevolg van een tariefswijziging in de nieuwe rijksbrede-postovereenkomst. De Belastingdienst is een afnemer onder deze overeenkomst en heeft daarmee beperkte invloed. Deze tariefswijzigingen gelden voor alle onderdelen van het Rijk. De postmarkt kende afgelopen jaar flinke prijsstijgingen en afnemende postaantallen met als resultaat hogere tarieven voor de afnemers ondanks de inspanningen van de inkopers van de Rijksoverheid.

Vraag 341

Vraag 341

Kunt u een overzicht verstrekken van de ontwikkeling van de portikosten van de Belastingdienst over de afgelopen vijftien jaar, uitgesplitst naar volume (aantal poststukken) en tarief per poststuk?

Antwoord op vraag 341

Data over het aantal verzonden poststukken van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen is beschikbaar vanaf 2014. Data over het gemiddelde tarief per poststuk gaat niet verder terug dan 2021. In onderstaande tabel vindt u de ontwikkeling van het volume (aantal poststukken) en gemiddelde tarief per poststuk. Dit betreft het gemiddelde tarief op basis van wat de Belastingdienst en Dienst Toeslagen hebben verstuurd.

Jaar Aantal verstuurde poststukken (in miljoen) Gemiddelde portokosten per poststuk Stijging t.o.v. het jaar daarvoor.
2014 152
2015 144
2016 131
2017 123
2018 122
2019 125
2020 131
2021 136 € 0,23
2022 132 € 0,26 14%
2023 136 € 0,28 7%
2024 146 € 0,29 5%
2025 153 € 0,34 16%
2026 (prognose) 159 € 0,51 52%

De portokosten zijn afgerond op hele eurocenten, vandaar dat de stijging niet exact overeenkomt.

Vraag 342

Vraag 342

Kunt u een uitsplitsing verstrekken van de geraamde financiële gevolgen van de invoering van de handling fee en het vervallen van de de-minimisvrijstelling voor Nederlandse consumenten, uitgesplitst naar inkomenscategorie? En kunt aangeven wat de geraamde gevolgen zijn van de invoering van de handling fee voor het Nederlandse mkb dat onderdelen of goederen inkoopt uit derde landen en is hiervoor een impactanalyse beschikbaar?

Antwoord op vraag 342

Een kwantitatieve inschatting per inkomensgroep is niet mogelijk, omdat een groot deel (ruim 80%) van de in Nederland ingevoerde e-commerce goederen bestemd is voor consumenten in andere EU-landen. De Douane heeft bovendien geen zicht op de invoer van goederen in andere EU- landen voor Nederlandse consumenten. Tot slot is de hoogte van de handling fee nog niet besloten, maar wordt in de komende periode door de lidstaten en de Europese Commissie samen vastgesteld. In de Voorjaarsnota wordt uitgegaan van 2 euro per aangifteregel voor de handling fee en 3 euro voor de de-minimis.

Vraag 343

Vraag 343

Kunt u aangeven wat de geraamde gevolgen zijn van de invoering van de handling fee voor het Nederlandse mkb dat onderdelen of goederen inkoopt uit derde landen en is hiervoor een impactanalyse beschikbaar?

Antwoord op vraag 343

Er is geen impactanalyse beschikbaar. Goederen die door Nederlandse bedrijven, waaronder het mkb, uit derde landen worden geïmporteerd, worden niet aan de Europese handling fee onderworpen.

Vraag 344

Vraag 344

Waarop is de verwachting gebaseerd dat de brede ondersteuning door gemeenten hoger uitvalt? Zijn er middelen beschikbaar voor de overdracht naar het sociaal domein?

Antwoord op vraag 344

De bijstelling van de raming is hoofdzakelijk het gevolg van de realisatiecijfers tot nu toe en de verlenging van de regeling tot en met 31 augustus 2027. Daarnaast maakt het ministerie voor de raming gebruik van gegevens van gemeenten, onder andere over wachtlijsten. Voor de overdracht naar het sociaal domein zijn geen middelen begroot.

Vraag 345

Vraag 345

Kunt u aangeven welke deelneming het betreft onder het kopje "Dividend financiële deelnemingen" en indien het meerdere deelnemingen betreft; wat zijn de bedragen per deelneming?

Antwoord op vraag 345

Dit betreft de deelnemingen ASN Bank en ABN AMRO. De staat ontvangt in 2026 124 miljoen euro dividend van ASN Bank. Voor ABN AMRO verwacht de staat 274 miljoen euro te ontvangen in 2026. Vanwege bedrijfsvertrouwelijkheid worden voor toekomstige dividendramingen alleen het totaalbedrag van beide deelnemingen gegeven.

Vraag 346

Vraag 346

Waarom is ervoor gekozen om meer vlottende schuld uit te geven en minder vaste schuld, terwijl dit in de periode 2026-2030 per saldo tot aanzienlijk hogere rentelasten leidt?

Antwoord op vraag 346

Bij het opstellen van de ontwerpbegroting is het uitganspunt dat de gehele financieringsbehoefte wordt gedekt met de uitgifte van vaste schuld. Dit volgt uit de Comptabiliteitswet 2016. In december stelt het Agentschap zijn definitieve financieringsplan vast en communiceert dit middels de zogeheten Outlook. In het financieringsplan wordt de totale uitgifte van vaste schuld in het komende jaar vastgesteld. Dit is in de regel slechts een gedeelte van de totale financieringsbehoefte. Omdat het restant van de financieringsbehoefte wordt gedekt met de uitgifte van vlottende schuld, wordt er feitelijk een gedeelte van de uitgifte van vaste schuld overgeheveld naar de uitgifte van vlottende schuld.

Als gevolg van deze overheveling neemt de omvang van de vlottende schuld, en daarmee de daarop te betalen rente, toe. De uitgifte van vaste schuld neemt echter spiegelbeeldig af, waardoor ook de te betalen rente op vaste schuld daalt. Omdat het geldende rentetarief voor vaste schuld hoger is dan het geldende rentetarief voor vlottende schuld, nemen de rentelasten als geheel af.

Naast deze overheveling van vaste schuld naar vlottende schuld, heeft de bijgestelde raming van de rentetarieven door het CPB ook geleid tot een toename in de rentelasten op zowel de vaste als vlottende schuld. Op basis van de huidige ramingen kan echter geconcludeerd worden dat de overheveling van vaste schuld naar vlottende schuld het negatieve effect van deze gewijzigde rentetarieven gedempt heeft. Dat wil zeggen, als er meer vaste schuld was uitgegeven, zouden de rentelasten als geheel nog verder zijn toegenomen.

Vraag 347

Vraag 347

Wat is het effect van de affinanciering van de Defensiepensioenen op de NAVO-norm? Wordt bij de berekening van de NAVO-norm in latere jaren rekening gehouden met de afgefinancierde pensioenuitgaven?

Antwoord op vraag 347

De eenmalige affinanciering van de begrotingsgefinancierde militaire pensioenen in 2026 (momenteel geschat op 8,44 miljard euro) wordt niet gerapporteerd onder de NAVO-relevante uitgaven. De langjarige pensioenuitkeringen vanaf 2027 blijven toegerekend worden aan de NAVO-relevante uitgaven. Hiermee wijzigt de jaarlijkse bijdrage aan de NAVO-doelstelling niet door het affinancieren van de Defensiepensioenen. In de ontwerpbegroting 2026 van Defensie (artikel 10) wordt de systematiek inhoudelijk toegelicht.


Vraag 348

Vraag 348

Waarom is de limiet van het begrotingsinstrument overprogrammering verhoogd naar 40 procent? Hoe verhoudt dit zich met de overschrijdingen (2025) en het voornemen om de overschrijdingen terug te dringen?

Antwoord op vraag 348

Het kabinet stelt de overprogrammering vast op basis van het toegewezen DMF-budget per jaar. Dit mag in elk begrotingsjaar maximaal 30% van het toegewezen budget zijn. In 2025 is afgesproken dat Defensie tijdelijk een hogere overprogrammering mag aangaan om investeringen te kunnen realiseren voor een versnelde gereedstelling. In 2026 en 2027 mag de overprogrammering hierom maximaal 40% bedragen. Deze afspraak zal tussentijds geëvalueerd worden.

In 2025 was er op het DMF geen sprake van een overschrijding, maar is er op projecten circa 308 miljoen euro aan onderuitputting opgetreden.

Vraag 349

Vraag 349

Wat is de verwachte investering in roerende zaken?

Antwoord op vraag 349

Tegelijkertijd met de Voorjaarsnota heeft de Kamer van de minister van Infrastructuur en Waterstaat een vertrouwelijke kamerbrief ontvangen, waarin de verwachte investering wordt toegelicht.

Vraag 350

Vraag 350

Hoeveel wordt er gekort op de SEED-Capital regeling? In hoeverre is meegewogen dat deze regeling als doelmatig en doeltreffend is geëvalueerd? En dat deze regeling als basis kan dienen voor een uitbreiding naar scale-ups?

Antwoord op vraag 350

Op de SEED-Capital regeling wordt vanaf 2031 structureel 9,7 miljoen euro omgebogen. De keuze voor de ombuiging op de structurele regelingen van het Toekomstfonds is een integrale keuze geweest bij het opstellen van het coalitieakkoord.

Vraag 351

Vraag 351

Wat valt er precies onder het kopje overige investeringen en wat is het budgettaire aandeel van het genoemde bestemmigsfonds ten behoeve van informatievoorziening RVO?

Antwoord op vraag 351

Het gaat hier om een aantal kleinere intensiveringen op de EZ-begroting. In de 1e suppletoire begroting van Economische Zaken staan per regeling de budgettaire mutaties weergegeven.

Het genoemde bestemmingsfonds voor de RVO beslaat in totaal 27,5 miljoen euro.

Vraag 352

Vraag 352

Waarom is gekozen bij de ombuiging toekomstfonds nadrukkelijk te verwijzen naar het Innovatiekrediet, SEED-Capital, en Vroegefasefinanciering, terwijl het toekomst fonds ook andere alternatieve dekkingsopties kent?

Antwoord op vraag 352

Het Innovatiekrediet, SEED-Capital en de Vroegefasefinanciering zijn de enige structurele regelingen op het Toekomstfonds. Daarom vindt de structurele ombuiging ook plaats op deze regelingen.

Vraag 353

Vraag 353

Welke instrumenten vallen onder het kopje economische weerbaarheid?

Antwoord op vraag 353

Het gaat hierbij om het verhogen van de bijdrage aan het Nederlands Materialen Observatorium, middelen voor modernisering van het staatsnooddistributiesysteem, en om een voortzetting van het bestaande Economische Veiligheid en Weerbaarheid beleid, zoals de ondernemersloketten Economische Veiligheid en Maatschappelijke Weerbaarheid.

Vraag 354

Vraag 354

Welke subsidieregeling wordt precies bedoeld bij overige ombuigingen?

Antwoord op vraag 354

Het gaat om de Perspectief subsidieregeling, welke door NWO wordt uitgevoerd.

Vraag 355

Vraag 355

Wat is de verdeling tussen subsidieregeling publieke private consortia, eigen vermogen agentschappen en loon en prijsbijstellingen onder het kopje overige ombuigingen en hoe is het verloop over de jaren?

Antwoord op vraag 355

Zie onderstaand de uitsplitsing van de post overige ombuigingen in de verticale toelichting van Economische Zaken en Klimaat.

Bedragen in miljoenen euro 2026 2027 2028 2029 2030 2031
Overige ombuigingen -107 -28 -33 -33 -38 -42
w.v. perspectief subsidieregeling / subsidieregeling publieke private consortia -14 2 -2 -4 -4 -7
w.v. loonbijstelling -9 -9 -9 -9 -9 -9
w.v. prijsbijstelling -7 -7 -7 -7 -7 -7
w.v. afroming eigen vermogen agentschappen -45 0 0 0 0 0

Vraag 356

Vraag 356

Hoeveel resteert er nog in SDE++, het Nationaal Groeifonds, het stikstoffonds en het Klimaatfonds? Welk deel hiervan is juridisch verplicht?

Antwoord op vraag 356

Zie onderstaand een overzicht van de resterende middelen in de SDE++, het Nationaal Groeifonds, en het Klimaatfonds.

De SDE++ systematiek kenmerkt zich door langlopende juridische verplichtingen van 12 of 15 jaar. Het kasbudget binnen de meerjarenperiode is zodoende het resultaat van juridische verplichtingen uit het verre verleden. Het kasbudget is daarnaast afhankelijk van schommelende energieprijzen, waarbij het juridisch verplichte kasbudget op de begroting hoger of lager wordt bij respectievelijk lagere dan wel hogere energieprijzen. Hierdoor is er in de tabel geen apart juridisch verplicht deel gepresenteerd.

De niet-juridische verplichte middelen op de fondsbegroting van het Nationaal Groeifonds bestaan grotendeels uit reeds gereserveerde middelen voor projecten. Bij deze middelen is er dus wel sprake van bestuurlijke toezeggingen.

Op dit moment is er (nog) geen stikstoffonds in begrotingstechnische zin. Voor een investeringspakket voor landbouw, natuur en stikstof heeft het kabinet een reservering getroffen op de Aanvullende Post (AP), die is opgenomen in onderstaande tabellen. De middelen voor 2026 zijn bij Voorjaarsnota overgeboekt naar de begroting LVVN.

Het totaal resterende budget in het Klimaatfonds bedraagt 21,0 miljard euro. Hiervan is een deel gereserveerd of toegekend onder voorwaarde (7,5 miljard euro) en een deel beschikbaar in de vrije ruimte (13,5 miljard euro). Middelen in het Klimaat- en energiefonds zijn niet juridisch verplicht of bestuurlijk gebonden.

Overzicht resterende middelen in de SDE++, het Nationaal Groeifonds, het stikstoffonds en het Klimaatfonds 2026 t/m 2031.

Bedragen in miljoenen euro 2026 2027 2028 2029 2030 2031
SDE++ 612 255 773 1.259 1.479 2.067
Nationaal Groeifonds 0 364 897 583 768 660
w.v. juridisch verplicht 0 220 650 378 427 324
AP landbouw, natuur en stikstof 0 750 1.650 1.950 2.075 2.650
w.v. juridisch verplicht 0 0 0 0 0 0
Klimaatfonds 388 1.090 1.723 2.439 2.238 2.480
w.v. juridisch verplicht 0 0 0 0 0 0

Vraag 357

Vraag 357

Kunt u toelichten waarom, ondanks publicatie van het eindadvies van de Werkgroep Afvalsector eind december, in de Voorjaarsnota nog geen besluit is genomen over de alternatieve invulling van de 567 miljoen euro plasticheffing?

Antwoord op vraag 357

Het Kabinet is net voor de publicatie van de Voorjaarsnota beëdigd. Aangezien het kabinet hecht aan een weloverwogen definitieve beslissing, is er meer tijd nodig om de alternatieve voorstellen te beoordelen. De definitieve weging van deze invulling is nu doorgeschoven van het voorjaar naar augustus. Daarmee bestaat er nog voldoende ruimte om de uitkomsten hiervan mee te nemen in het Belastingplanpakket 2027.

Vraag 358

Vraag 358

Waarom acht het kabinet het noodzakelijk om meer tijd te nemen voor besluitvorming over de voorstellen van de Werkgroep Afvalsector?

Antwoord op vraag 358

Zie antwoord op vraag 357.

Vraag 359

Vraag 359

Wat zijn de economische gevolgen van het doorschuiven van besluitvorming van de Voorjaarsnota naar Prinsjesdag voor de recycling- en afvalsector en het behalen van de doelstelling om meer gerecyclede grondstoffen in de Nederlandse economie toe te gaan passen? Op welke manier wordt de sector betrokken bij verdere besluitvorming richting Prinsjesdag?

Antwoord op vraag 359

Het doorschuiven van het besluit over de technische invulling leidt tot onzekerheid en onduidelijkheid binnen de afvalsector over de mogelijke heffingskosten die ze zullen moeten gaan betalen. Diverse partijen uit de sector hebben aangegeven geen investeringen in CCS of recycling te ondernemen, als niet duidelijk is hoe hoog de verbrandingskosten zullen zijn in de desbetreffende investeringsperiode. Het uitstel van besluitvorming kan er dus toe leiden dat investeringen in nieuwe recycling- en CCS-capaciteit worden vertraagd of niet plaatsvinden. Het kabinet neemt deze signalen serieus en hecht tegelijkertijd aan zorgvuldige besluitvorming. Het is daarom met de sector in gesprek en er is een Bestuurlijk Overleg met de sector gepland in mei.

Vraag 360

Vraag 360

Wat betekent het uitstel van besluitvorming voor de financiële positie van recyclers, de kosten voor burgers en de hoeveelheid te exporteren afval?

Antwoord op vraag 360

Het doorschuiven van het besluit over de technische invulling leidt tot onzekerheid en onduidelijkheid binnen de afvalsector over de mogelijke heffingskosten die ze zullen moeten gaan betalen. Dat leidt ook tot onzekerheid over de financiële positie van recyclers, de kosten voor burgers en de hoeveelheid afval die geëxporteerd zal worden.

Vraag 361

Vraag 361

Welke maatregelen uit het eindadvies van de Werkgroep Afvalsector worden momenteel betrokken bij de besluitvorming?

Antwoord op vraag 361

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van het advies van de Werkgroep Afvalsector en betrekt de adviezen in de besluitvorming. In augustus vindt nog politieke besluitvorming plaats. Hier kan het kabinet helaas niet op vooruitlopen.

Vraag 362

Vraag 362

Welke voorgestelde maatregelen uit het eindadvies van de Werkgroep Afvalsector worden niet meegenomen en wat zijn daarvoor de overwegingen?

Antwoord op vraag 362

Zie antwoord op vraag 361.

Vraag 363

Vraag 363

Welke overige maatregelen worden overwogen buiten de afval‑ en recyclingsector om tot alternatieve dekking te komen?

Antwoord op vraag 363

Over het beprijzingspakket vindt nog politieke besluitvorming plaats. Hier kan het kabinet helaas niet op vooruitlopen.

Vraag 364

Vraag 364

Kunt u toelichten wat het voornemen om de nationale CO₂‑heffing af te schaffen betekent voor de CO₂‑heffing die van toepassing is op afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s)?

Antwoord op vraag 364

De CO2-heffing voor afvalverbranding blijft bestaan, ook na 2030. Tevens is in de voorjaarsbesluitvorming van 2025 besloten om de terugsluis van de CO2-heffing voor AVI’s in te zetten als dekking voor het niet invoeren van de plasticheffing. Als de CO2-heffing voor AVI’s zou worden afgeschaft, dan dient dit ook gedekt te worden.

Vraag 365

Vraag 365

Kunt u aangeven wat de gevolgen van de CO₂-heffing zijn voor AVI’s indien zij onder het EU‑ETS komen te vallen?

Antwoord op vraag 365

De CO2-heffing industrie is voor de industrie ingericht als een minimumprijs ten opzichte van het EU ETS. Dat betekent dat het tarief wordt verminderd met de jaarlijks vast te stellen termijnkoers van ETS-rechten. De wet voorziet voor afvalverbrandingsinstallaties niet automatisch in een vergelijkbare correctie van het tariefpad, wanneer AVI’s onder het EU ETS zouden komen te vallen. Dit zou een wetswijziging vergen.

Indien en wanneer AVI’s onder het EU ETS komen te vallen zal moeten worden gewogen hoe daarmee om te gaan. Met het oog op de uitvoerbaarheid is het uitgangspunt binnen de CO2-heffing industrie dat er zo nauw mogelijk wordt aangesloten bij het EU ETS.

Vraag 366

Vraag 366

Streeft het kabinet bij de besluitvorming richting Prinsjesdag naar een gelijk speelveld binnen Europa voor de Nederlandse recycling- en afvalsector zodat de Nederlandse economie kan meedingen naar afvalstromen voor de productie van gerecyclede grondstoffen en hernieuwbare energie?

Antwoord op vraag 366

Het kabinet weegt bij de besluitvorming over de technische invulling effecten op export en recycling nadrukkelijk mee.

Vraag 367

Vraag 367

In hoeverre dragen de fiscale maatregelen in de afval en recyclingsector bij aan de doelstellingen voor de circulaire economie?

Antwoord op vraag 367

Het kabinet is van mening dat onderdelen van het pakket tot meer circulariteit leiden. Tegelijkertijd erkent het kabinet de risico’s van de huidige (forse) maatvoering. Ik loop de effecten een voor een langs. De maatregelen, die zien op tariefsverhoging van de afvalstoffenbelasting, leiden tot hogere kosten voor afvalverwerking en zullen op termijn hoogstwaarschijnlijk resulteren in hogere poorttarieven. Volgens Trinomics geeft dit afvalontdoeners (gemeenten en bedrijven) een prikkel het aanbod van te verbranden of te storten afval te verminderen.

Trinomics laat in de impactanalyse twee tegengestelde effecten van het pakket op recycling zien. Enerzijds zorgt het pakket ervoor dat een hogere betaalbereidheid voor recycling ontstaat als verbranden van afval relatief duurder wordt. Anderzijds wordt recycling duurder doordat het residu dat ontstaat in het recyclingproces uiteindelijk ook ter verwijdering aangeboden wordt aan een AVI. Voor die afvalstroom worden recyclingbedrijven geconfronteerd met hogere poorttarieven. Trinomics laat zien dat de maatvoering van de maatregelen een netto negatief effect kan hebben op recyclingactiviteiten.

Het effect op CCS is tweeledig. Enerzijds geeft Trinomics aan dat de businesscase voor AVI’s onzekerder wordt door onder andere volumerisico’s. Anderzijds is de huidige CO2-heffing te laag om AVI’s voldoende te prikkelen om over te stappen op CCS. Een verhoging van het tarief verhoogt die prikkel. Om deze reden kent PBL extra emissiereductie door CCS toe naar aanleiding van het pakket.

Daarnaast acht Trinomics de kans aannemelijk dat de verhoogde poorttarieven de import van afval naar Nederland aanzienlijk zullen verminderen. Dit beschouwt het kabinet als een wenselijke ontwikkeling, in lijn met de Beleidsvisie Afvalverbranding in 2030 en richting 2050. Daar staat tegenover dat risico’s op export van Nederlands afval naar het buitenland toenemen. Tot slot geeft een verhoogd tarief voor storten-met-ontheffing een positieve prijsprikkel om brandbare afvalstoffen zoveel mogelijk te verbranden in plaats van te storten, hetgeen wenselijk is in het kader van de afvalhiërarchie.

Vraag 368

Vraag 368

Wat zijn de verwachte gevolgen van het uitstel van besluitvorming voor lopende investeringen, de positie van recyclers en de afvalverwerkingskosten voor burgers?

Antwoord op vraag 368

Zie antwoord op vraag 360.

Vraag 369

Vraag 369

Hoe zal het kabinet de Kamer tussentijds informeren over de voortgang in de besluitvorming over de alternatieve invulling van de plasticheffing?

Antwoord op vraag 369

Zie antwoord op vraag 357 en 359.

Vraag 370

Vraag 370

Worden de intensiveringen aan wind op zee gefinancierd via het Klimaatfonds of de KGG-begroting? Is er een risico op onderuitputting in de aanleg van wind op zee? Wat gebeurt er bij structurele onderuitputting van deze investering?

Antwoord op vraag 370

De middelen voor de realisatie van één windpark op zee (cumulatief 2,2 miljard euro) en de middelen voor ecologische- en locatieonderzoeken (85 mln. t/m 2031) die randvoorwaardelijk zijn voor de realisatie van Wind op Zee zijn overgeheveld vanaf de Aanvullende Post naar de begroting van KGG en worden aldaar juridisch verplicht.

Onderuitputting van middelen voor de realisatie van windparken op zee kunnen volgen uit een verbetering van de marktomstandigheden. Randvoorwaardelijke onderzoeken kunnen ook goedkoper uitvallen waardoor onderuitputting ontstaat. Onderuitputting loopt mee in de reguliere begrotingssystematiek van het kabinet.

Vraag 371

Vraag 371

Kan de nadeelcompensatie voor kolencentrales komen te vervallen (aangezien ze in 2025 niet tot besteding zijn gekomen)? Welk deel van dit bedrag is juridisch verplicht?

Antwoord op vraag 371

De nadeelcompensatie voor de kolencentrales is volledig juridisch verplicht. Het kabinet verwacht, na goedkeuring van de Europese Commissie, het bedrag dit jaar uit te keren.

Vraag 372

Vraag 372

Welke begrotingsreserves zijn er? Graag een overzicht en een omschrijving. Hoe wordt omgegaan met meevallers? Hoe groot zijn de prijsrisicobuffers? Geldt hier een plafond voor?

Antwoord op vraag 372

Deze vraag is gesteld bij pagina 165 van de Voorjaarsnota, dit is de verticale toelichting van de KGG begroting. Op de KGG-begroting bestaan de volgende begrotingsreserves: de begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie, de begrotingsreserve Aardwarmte, de begrotingsreserve ECN verstrekte leningen en de begrotingsreserve garantieregeling warmtenetten. Een beschrijving van het doel van de begrotingsreserves is te vinden in de KGG-begroting.

In beginsel worden meevallers en tegenvallers aan een begrotingsreserve respectievelijk gestort dan wel onttrokken aan de begrotingsreserve. De begrotingsreserve is gekoppeld aan een uitgaveninstrument op de KGG-begroting.

Prijsrisicobuffers zijn niet gekoppeld aan een begrotingsreserve. Alleen de SDE++ beschikt over een prijsrisicobuffer. Voor de SDE++ wordt rekening gehouden met een prijsrisicobuffer variërend van 10% in 2027 tot 30% in 2030. Er is geen plafond gekoppeld aan de prijsrisicobuffer.

Vraag 373

Vraag 373

Waarom is de uitbetaling van de Indirecte Kostencompensatie ETS (IKC) in de Voorjaarsnota doorgeschoven naar 2027 en wat zijn de specifieke redenen dat RVO dit jaar niet kan uitbetalen? Welke exacte uitvoeringstechnische verwerking is nodig in verband met de ophoging en uitbreiding van de IKC-regeling?

Antwoord op vraag 373

De verschuiving van het budget van IKC 2025 naar 2027 is het gevolg van de uitbreiding van de IKC. Dit leidt tot een verwachte verdubbeling van het aantal aanvragen door nieuwe aanvragers en gaat gepaard met een daarmee samenhangende toename van de uitvoerings- en beoordelingslast bij RVO. De uitbreiding is aangekondigd in het coalitieakkoord en de Europese Commissie heeft hiertoe de juridische mogelijkheid gegeven in januari. De regeling kan pas worden opengesteld na autorisatie van het budget voor de regeling door het parlement.

Het gevolg van het verschuiven van het budget van IKC 2025 naar 2027 is dat de uitbetaling van IKC 2 á 3 maanden later zal worden uitgekeerd dan voorheen gebruikelijk was. Hierdoor vindt de beschikking en uitbetaling van de middelen plaats in het eerste kwartaal van 2027 in plaats van december 2026. Met deze budgetverschuiving kan de regeling langer worden opengesteld dan in de voorgaande jaren. Dit helpt nieuwe in aanmerking komende bedrijven ook om hun aanvraag tijdig en correct in te dienen en draagt bij aan een zorgvuldige uitvoering van de regeling door RVO.

Voor elke wijziging van de IKC-regeling, zoals uitbreiding van de sectoren en ophoging van het budget, moeten lidstaten langs de EC voor goedkeuring. Dit vergt tijd, maar moet gedaan worden om de wijzigingen te mogen implementeren.

Vraag 374

Vraag 374

Waarom kan de IKC niet eerder worden uitbetaald? Wat doet het kabinet om bedrijven die als gevolg van hoge energielasten in liquiditeitsproblemen komen, te helpen? Wanneer is de uitvoering gereed om tijdig te kunnen uitbetalen? Is het denkbaar dat met voorschotten wordt gewerkt?

Antwoord op vraag 374

De eerstvolgende beschikking en uitbetaling van de IKC vindt 2 á 3 maanden later plaats dan voorheen gebruikelijk was door de gevolgen van uitbreiding van de IKC (zie antwoord 373). De beschikking en uitbetaling van de IKC 2025 vinden plaats in het eerste kwartaal van 2027 in plaats van december 2026. De middelen voor de IKC 2026 zijn doorgeschoven naar 2028, omdat pas bij Voorjaarsnota 2027 wordt besloten over de precieze vormgeving. Ook dan is het voor een zorgvuldige uitvoering wenselijk voldoende tijd te nemen. Vanaf 2028 zal de uitvoering naar verwachting weer gereed en in staat zijn om tijdig – zoals voorheen in jaar t+1 – uit te betalen. Het is niet wenselijk om met voorschotten te werken terwijl de beoordeling van de aanvraag nog loopt. Bedrijven in moeilijkheden mogen geen subsidie, en dus geen IKC, ontvangen. Het boekjaar van bedrijven loopt vaak van mei tot mei of van september tot september. Voor deze bedrijven zullen de negatieve gevolgen naar verwachting beperkt zijn. De inschatting is dat bedrijven door een uitbetaling die 2 à 3 maanden later plaatsvindt niet in de problemen komen.

Vraag 375

Vraag 375

Welke gevolgen heeft het uitstel van de IKC-uitbetaling in 2026 voor de liquiditeit van bedrijven, en op welke manieren kan dit hun overlevings- en investeringsmogelijkheden beïnvloeden?

Antwoord op vraag 375

Zie antwoord op vraag 374.

Vraag 376

Vraag 376

Welke maatregelen kan de overheid nemen om ervoor te zorgen dat het IKC-geld alsnog in 2026 wordt uitgekeerd?

Antwoord op vraag 376

KGG heeft samen met RVO als uitvoerder de mogelijkheden in kaart gebracht voor het uitbetalingsritme van de IKC. Zij achten eerdere uitbetaling dan nu voorzien zowel niet haalbaar als onwenselijk vanuit het oogpunt van een zorgvuldige uitvoering. Het is niet wenselijk dat er met voorschotten wordt gewerkt terwijl de beoordeling van de aanvragen nog loopt (zie antwoord 374). Indien vergelijkbare bezwaren door bedrijven worden ingediend, biedt dit de mogelijkheid om deze in samenhang te beoordelen en consistent te behandelen.

Voorheen lukte het RVO met een zorgvuldig gepland proces om in december van jaar t+1 te beschikken en te betalen. De uitbreiding van de regeling zorgt nu voor een dusdanige extra uitvoeringslast en complexiteit, dat het moment van beschikken en uitbetalen net over de jaargrens schuift. De vertraging van uitbetaling is dus geen jaar, maar 2 á 3 maanden.

Vraag 377

Vraag 377

Welke opties bestaan er om de personele capaciteit bij de RVO (circa 6100 medewerkers) beter te benutten zodat de IKC-aanvragen tijdig verwerkt kunnen worden?

Antwoord op vraag 377

Voor de uitvoering van de eerstvolgende IKC-ronde is het lastig om extra capaciteit op korte termijn vrij te maken. Voor de toekomst onderzoekt RVO of er een vaste groep werknemers kan komen die ieder jaar de ingediende IKC-aanvragen van bedrijven gaan toetsen. Hierdoor zal de IKC-toetsing in de toekomst mogelijk met meer werknemers worden uitgevoerd. Overigens gaat het hier niet alleen om tijdige verwerking van de aanvragen, maar ook om tijd die nodig is om eventuele vragen van indieners goed en zorgvuldig te kunnen verwerken en afstemming met bedrijven die dat vraagt.

Vraag 378

Vraag 378

Welke alternatieve methoden, zoals het gefaseerd uitbetalen van de IKC, kunnen worden toegepast om de toegenomen hoeveelheid aanvragen door de uitbreiding van de regeling te beheersen en uitbetaling in ieder geval zoveel mogelijk in 2026 plaats te laten vinden?

Antwoord op vraag 378

Zie het antwoord op vraag 376.


Vraag 379

Vraag 379

In hoeverre is er vooraf gesproken met IKC ontvangende bedrijven over de impact van latere betaling? Zo ja, wat was hun reactie en hoe is die in dit besluit meegenomen?

Antwoord op vraag 379

Er is niet vooraf gesproken met de IKC ontvangende bedrijven over de impact. Bedrijven in moeilijkheden mogen geen subsidie, en dus geen IKC, ontvangen. De inschatting is dat bedrijven door een uitbetaling die 2 à 3 maanden later plaatsvindt niet in de problemen komen. Enkele bedrijven hebben contact opgenomen naar aanleiding van de publicatie voorjaarsnota, waarbij met name de bestaande IKC-doelgroep teleurgesteld is dat de middelen dit jaar niet worden uitgekeerd. De nieuw in aanmerking komende bedrijven hebben hierover geen contact gezocht en tonen zich positief over het feit dat zij binnenkort eveneens aanspraak kunnen maken op de IKC.

Vraag 380

Vraag 380

Hoe verhoudt dit besluit zich tot het feit dat de Europese richtsnoeren die relevant zijn voor de IKC aangeven dat uitbetaling van IKC in het lopende of daaropvolgende jaar moet plaatsvinden? Is het besluit hieraan getoetst? Zo ja, kan die toetsing met de Kamer worden gedeeld?

Antwoord op vraag 380

Er heeft nog geen toetsing plaats. Er loopt een aanvraag voor een gesprek met de EC over de IKC, daar wordt dit in meegenomen. Ook richting de Europese Commissie is de inzet gericht op de uitvoeringsaspecten, die gerelateerd zijn aan het late besluit van de Europese Commissie rond de uitbreiding van de regeling.

Vraag 381

Vraag 381

Is er een concreet tijdspad bekend voor de verbreding van het IKC naar raffinage? Wanneer verwacht u de procedure hiervoor te starten?

Antwoord op vraag 381

Bioraffinaderijen hebben reeds toegang tot IKC 2025. Op dit moment verkent het kabinet de opties voor mogelijke uitbreiding van de IKC 2026, waaronder de verbreding met de raffinage sector. Uiterlijk bij Voorjaarsnota 2027 zal het kabinet hierover besluiten.

Vraag 382

Vraag 382

Hoe hoog wordt de heffing op gastransport? Wie is belastingplichtige?

Antwoord op vraag 382

Energie Beheer Nederland Capital B.V. (EBN) heeft de taak om gas op te slaan in de gasopslagen voor zover marktpartijen dit niet doen. Voor de kosten van de uitvoering van deze taak ontvangt een EBN subsidie die met de heffing gasleveringszekerheid wordt bekostigd. Verder zal EBN vanaf 2026 een tijdelijke noodvoorraad van 5 TWh aanleggen in de PGI Alkmaar. Ook de kosten daarvan zullen worden verhaald met deze heffing. De heffing zal door de gebruikers van het landelijk transmissiesysteem voor gas worden betaald. Na doorberekening daarvan wordt de heffing gedragen door de eindafnemers.

In de Voorjaarsnota 2026 is de heffing leveringszekerheid ingeboekt voor in totaal circa 1,4 miljard euro, verdeeld over de jaren 2029-2031 omdat de wettelijke grondslag om de heffing te kunnen opleggen en innen (d.m.v. de Wet bestrijden energieleveringscrisis; Wbe) dan wordt voorzien. De hoogte van heffing die nu in de Rijksbegroting staat zal nog worden verlaagd met de gerealiseerde opbrengsten die EBN genereert met de verkoop van het gas uit de opslagen. Omdat het van de prijsontwikkelingen op de gasmarkt afhangt hoeveel de opbrengsten en de kosten van aankomende opslagjaren zullen zijn, is het nog niet mogelijk aan te geven hoe hoog de heffing gasleveringszekerheid zal zijn.

Vraag 383

Vraag 383

Wat is het doel van de Wet Bestrijden Energieleveringscrisis? Overweegt het kabinet een brede inzet van dit instrument? Wat zij de verwachte grondslag, tarief en opbrengst?

Antwoord op vraag 383

Het Wetsvoorstel bestrijden energieleveringscrisis (Wbe) heeft als doel om het Nederlandse gassysteem weerbaarder te maken. Het voorstel introduceert nieuwe bevoegdheden op het gebied van gasopslag, waaronder de opbouw en bekostiging van een noodvoorraad. Ook verbetert het voorstel de uitvoering van de verordening gasleveringszekerheid.67 Verder vergroot en verbetert het de bevoegdheden die Nederland heeft om een dreigende gascrisis te bestrijden. Het geeft de Minister van Klimaat en Groene Groei de benodigde bevoegdheden om de verschillende maatregelen uit het Bescherm- en Herstelplan Gas (Nederlands noodplan voor gas) te treffen om, (tijdelijke) EU-noodmaatregelen (volledig) uit te voeren en om aanvullende verplichtende tijdelijke nationale noodmaatregelen te kunnen nemen. Zie voor meer informatie over de heffing leveringszekerheid die vanaf de inwerkingtreding van Wet bestrijden energieleveringscrisis kan worden opgelegd het antwoord op vraag 382.

Vraag 384

Vraag 384

Waarom is de nadeelcompensatie pelsdierhouderijen verlaagd van 25 miljoen euro, zoals behandeld tijdens de begrotingsbehandeling in maart, naar 19 miljoen euro, zoals dat in de voorjaarsnota is opgenomen?

Antwoord op vraag 384

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft uitspraak gedaan in rechtszaken aangespannen door nertsenhouders over de vergoeding naar aanleiding van het vervroegd verbod op de pelsdierhouderij voor het sluiten van deze bedrijven wegens Covid-19. Het CBb heeft onder andere bepaald dat de overheid de hoogte van deze vergoedingen niet had mogen verlagen voor het normaal maatschappelijk risico en geen korting voor leegstand in de beleidsregel had mogen opnemen. De totale raming voor de uitvoering van de CBb-uitspraak is niet aangepast. Voor het afronden heeft LVVN in 2026 nog 16 miljoen euro nodig, omdat LVVN een deel van de appellanten al in 2025 heeft vergoed.

Vraag 385

Vraag 385

Wat is de reden dat er veel financiële ruimte uit de Lbv is overgebleven en wat zorgde voor dit verschil tussen verwachting en realisatie?

Antwoord op vraag 385

Er is financiële ruimte bij de Lbv-regelingen doordat ondernemers hun subsidieaanvraag hebben ingetrokken. Het verschil tussen verwachting en realisatie komt voort uit het feit dat aanvankelijk begroot is op het maximale benodigde budget om alle goedgekeurde aanvragen te kunnen honoreren. In de praktijk ziet een groep ondernemers alsnog af van deelname. De voornaamste redenen hiervoor zijn divers en afhankelijk van de persoonlijke situatie van de ondernemer, de marktomstandigheden en het toekomstperspectief. Ondernemers maken een eigen afweging, waarbij bijvoorbeeld onzekerheid over hun toekomst, veranderende marktomstandigheden, of nieuwe inzichten over de regeling kunnen meewegen. Hierdoor is er 250 miljoen euro minder budget nodig.

Vraag 386

Vraag 386

Wat zijn concreet de niet-retribueerbare kosten voor de NVWA?

Antwoord op vraag 386

Niet-retribueerbare kosten zijn uitgaven die de NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit) niet kan doorberekenen aan bedrijven of personen via heffingen, tarieven of leges. In plaats daarvan worden deze kosten betaald vanuit de LVVN-begroting. Het gaat hierbij met name om uitgaven die in het algemeen belang zijn, en die niet direct zijn toe te rekenen aan de dienstverlening aan één specifieke aanvrager of bedrijf, waaronder beleidsontwikkeling, publieksvoorlichting en crisisbeheersing.

Onder de tegenvaller van 4,5 miljoen euro, zoals benoemd in de verticale toelichting, vallen de inhuizing Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS) en de retribueerbare kosten die niet realiseerbaar zijn. Voor de inhuizing KDS mogen de initiële opleidingskosten niet verwerkt worden in de retributietarieven voor derden. Daarnaast is 2,1 miljoen euro aan kosten die niet kunnen worden doorbelast, waar eerder wel vanuit werd gegaan.

Vraag 387

Vraag 387

Kunt u meer inzicht geven in hoe de verdeling van de bedrijfsgerichte doelsturing middelen eruit ziet?

Antwoord op vraag 387

Bij Voorjaarsnota hevelt het kabinet 7 miljoen euro over naar de LVVN-begroting ten behoeve van het ontwikkelen van doelsturing, vanuit de reservering van 20 miljard euro t/m 2035 op de Aanvullende Post. Daarvan landt 3 miljoen euro in 2026 en 4 miljoen euro in 2027. Dit is bovenop de 200 miljoen euro die reeds beschikbaar is op de LVVN-begroting om doelsturing te ontwikkelen. Het kabinet wil zoals aangegeven in het coalitieakkoord naast een landelijke doelsturingssystematiek ook doelsturing met gebiedsgerichte normen (bijv. vanuit gemeenten en provincies) mogelijk maken. Voor het verkennen en ontwikkelen daarvan worden deze extra middelen beschikbaar gesteld.

Vraag 388

Vraag 388

Wat is de relatie tussen de opgelegde taakstelling en het geconstateerde financieringstekort voor de natuurbeheertaak van Staatsbosbeheer?

Antwoord op vraag 388

Staatsbosbeheer krijgt van LVVN een bijdrage voor personeelskosten, huisvestingskosten en andere organisatiekosten van Staatsbosbeheer die niet kunnen worden verhaald op andere opdrachtgevers. Deze bijdrage is bedoeld als bijdrage aan organisatiekosten en aan het beheer van rijksmonumenten en voor specifieke opdrachten van het Rijk. Op deze bijdrage is de taakstelling van toepassing. Voor het reguliere terreinbeheer (de natuurbeheertaak) ontvangt Staatsbosbeheer, net als andere natuurbeheerders, een subsidie van de provincies uit de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL). De financiering van de provincies valt buiten de efficiëntietaakstelling. De wijze van het financieren van Staatsbosbeheer via de begroting van LVVN is onderwerp van lopende gesprekken.

Vraag 389

Vraag 389

Welk deel van de middelen voor agrarisch natuurbeheer wordt in 2026 daadwerkelijk uitgegeven door provincies?

Antwoord op vraag 389

In 2026 wordt circa 95 miljoen euro overgeheveld voor het agrarisch natuurbeheer worden overgeheveld naar het Provinciefonds. Met deze extra middelen hebben provincies bijvoorbeeld tarieven voor het Agrarisch natuur- en landschapsbeheer aangepast en extra hectares opengesteld. Het is uiteindelijk aan de provincies om dit uit te geven, op dit moment is nog niet te zeggen hoeveel in 2026 uitgegeven gaat worden. De provincies leggen daar verantwoording over af aan de provinciale staten.

Vraag 390

Vraag 390

Waarom worden de oninbare vorderingen voor de NOW anders verwerkt dan de oninbare vorderingen van de coronabelastingschulden?

Antwoord op vraag 390

De oninbare vorderingen voor de NOW worden verwerkt via de uitgavenkant en de oninbare vorderingen van de coronabelastingschulden worden verwerkt via een bijstelling aan de ontvangstenkant. Dit heeft de te maken met de aard van de regeling: de coronabelastingschulden zijn uitgestelde – dus nog te innen – bedragen (waarvan wel wordt aangenomen dat uiteindelijk 2,7 euro miljard oninbaar is). Bij de NOW gaat het om een subsidie die aan de uitgavenkant stond, waardoor mee- of tegenvallers op deze regeling ook aan de uitgavenkant worden geboekt. Voor het uitgavenkader en het inkomstenkader geldt elk een eigen systeem.

Vraag 391

Vraag 391

Welke besparingsverliezen treden er in 2026, 2027 en 2028 op? Graag een totaaloverzicht met toelichting.

Antwoord op vraag 391

Omdat deze vraag is gesteld bij de verticale toelichting Sociale Zaken & Werkgelegenheid, richt het antwoord zich op besparingsverliezen die bij Voorjaarsnota op de SZW-begroting zijn verwerkt. In onderstaande tabel zijn de budgettaire gevolgen voor de jaren 2026, 2027 en 2028 weergegeven van de besparingsverliezen die bij Voorjaarsnota op de SZW-begroting zijn verwerkt.

In miljoenen euro, + is saldobelastend 2026 2027 2028
Besparingsverlies afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten 292
Besparingsverlies banenafspraak- Markt 34
Besparingsverlies banenafspraak- Rijksoverheid 35
Besparingsverlies vereenvoudiging verlofregelingen 3
Besparingsverlies keteneffecten bij nabetalingen 1 7

Besparingsverlies afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten

De maatregel om de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten af te schaffen is niet mogelijk per 2027. Daarom wordt het afschaffen van deze tegemoetkoming met een jaar uitgesteld. Dit leidt tot incidenteel hogere uitkeringslasten in 2027.

Besparingsverlies banenafspraak – deel markt

Marktwerkgevers hebben de banenafspraak niet gehaald. Dit zorgt voor een besparingsverlies in 2026.

Besparingsverlies banenafspraak- Rijksoverheid

Door het niet halen van de banenafspraak door overheidswerkgevers treedt in 2026 een besparingsverlies op.

Besparingsverlies vereenvoudiging verlofregelingen

Bij de voorjaarsbesluitvorming van 2025 is een besparing ingeboekt voor de vereenvoudiging van het verlofstelsel. De daarbij voorziene planning voor inwerkingtreding van het vernieuwde verlofstelsel (1-7-2027) is niet haalbaar. Dit leidt tot een besparingsverlies in 2027.

Besparingsverlies keteneffecten bij nabetalingen

Voor het uitzonderen van nabetalingen voor het toetsingsinkomen zijn middelen gereserveerd. De dekking van de uitvoeringskosten wordt geregeld met hetzelfde wetsvoorstel, waardoor het noodzakelijk is dat het wetsvoorstel vóór 1 januari 2027 door de Kamers is behandeld. De voorziene planning hiervoor is niet haalbaar. Dit leidt tot een besparingsverlies in 2026 en 2027.

Vraag 392

Vraag 392

Waarom heeft u ervoor gekozen om te bezuinigen op proactieve dienstverlening? Wat zijn hier precies de gevolgen van?

Antwoord op vraag 392

Vanwege budgettaire tegenvallers binnen de SZW-begroting is er besloten de gereserveerde middelen voor proactieve dienstverlening in te zetten als dekking. Als gevolg hiervan wordt een onderdeel van het wetsvoorstel proactieve dienstverlening niet geïmplementeerd, namelijk het voornemen om gegevensdeling mogelijk te maken voor de algemene bijstand. De verwachting is dat gemeenten daardoor minder inwoners bereiken die ondersteuning nodig hebben via de algemene bijstand en hier geen gebruik van maken.

Vraag 393

Vraag 393

Welke criteria heeft het kabinet gebruikt bij de afweging van de bezuinigingskeuzes bij de begroting SZW, als gevolg van de tegenvallers?

Antwoord op vraag 393

Het uitgangspunt bij de begrotingsbesluitvorming is dat, conform de begrotingsregels, tegenvallers worden gedekt binnen de departementale begrotingen. Daarom zijn er binnen de SZW-begroting keuzes gemaakt. Deze keuzes zijn gemaakt binnen de integrale besluitvorming.

Vraag 394

Vraag 394

In de Voorjaarsnota staat ten aanzien van de versobering op pro-actieve dienstverlening: “Het voornemen om proactieve dienstverlening toe te passen op de algemene bijstand, wordt niet doorgezet. Dit leidt tot een besparing op de kosten van de algemene bijstand”. Betreft dit uitsluitend een besparing op middelen voor de pro-actieve dienstverlening of ook een besparing in verband met ingeboekte onderuitputting van middelen die in de begroting zitten vanwege niet-gebruik?

Antwoord op vraag 394

Omdat het voornemen om proactieve dienstverlening toe te passen op de algemene bijstand niet wordt gerealiseerd, leidt dit tot een bijstelling van in totaal 30 miljoen euro. structureel aan ombuigingen, waarvan 28,4 miljoen euro minder uitkeringslasten en 1,7 miljoen euro minder uitvoeringskosten. Dit is verwerkt in de Voorjaarsnota. In de SZW-begroting is geen sprake van een aparte post voor onderuitputting als gevolg van niet-gebruik, de reguliere ramingssystematiek is onder andere gebaseerd op realisatiecijfers van de afgelopen jaren.

Vraag 395

Vraag 395

Was er reeds een beoogde bestemming voor de tijdelijke middelen voor het IBO-schulden, die nu worden wegbezuinigd, en zo ja, wat was deze bestemming en gaat dit nu uit de nieuwe middelen voor armoede en problematische schulden worden gehaald?

Antwoord op vraag 395

In de augustusbesluitvorming 2024 is een pakket aan maatregelen volgend uit het IBO samengesteld en zijn hier middelen voor vrijgemaakt. Voorbeelden hiervan zijn het Integraal Schuldenoverzicht, één overheidsincasso en vroegsignalering. Bij de Voorjaarsnota 2026 zijn middelen voor 2026 beschikbaar gesteld. De resterende tijdelijke middelen worden afgeroomd omdat er in het coalitieakkoord een nieuwe envelop met structurele middelen voor armoede en schulden beschikbaar is. De maatregelen vanaf 2027 zijn onderdeel van de uitwerking van de envelop armoede en schulden uit het coalitieakkoord. De maatregelen uit het IBO en de tijdelijke of structurele voortzetting daarvan, worden hierin meegewogen.

Vraag 396

Vraag 396

Klopt het dat de envelop armoede en problematische schulden uit het coalitieakkoord aanvullend was bedoeld voor het opvangen van de mogelijk stijgende armoede als gevolg van hervormingen in de zorg en de sociale zekerheid, en niet in plaats van de tijdelijke middelen voor IBO schulden? Houd u met het afromen van deze middelen rekening met een mogelijk stijging van armoede en zo ja, wat is hierbij de afweging geweest?

Antwoord op vraag 396

Het doel van de envelop armoede en problematische schulden is in eerste instantie de bestrijding van armoede en het verder brengen van een effectieve aanpak en preventie van problematische schulden. Op dit moment wordt gekeken naar mogelijke maatregelen om uit deze envelop te bekostigen, het streven is uw Kamer hier in de miljoenennota over te informeren. Bij de concept Macro-Economische Verkenning van het CPB in augustus zullen nieuwe armoedecijfers worden gepubliceerd, deze worden in de augustusbesluitvorming betrokken.

Vraag 397

Vraag 397

Hoe groot, in euro's, is de ingeboekte onderuitputting in verband met niet-gebruik van inkomensondersteuning? Wordt dit voor andere doeleinden ingezet?

Antwoord op vraag 397

In de SZW-begroting is geen sprake van een afzonderlijk ingeboekte post voor onderuitputting als gevolg van niet-gebruik van inkomensondersteunende regelingen. De ramingen voor de SZW-begroting worden namelijk gebaseerd op realisatiecijfers (het daadwerkelijke gebruik) van de afgelopen jaren. Daarmee wordt er in de ramingen rekening mee gehouden dat een deel van de doelgroep geen, of niet volledig gebruik maakt van regelingen waar wel recht op bestaat.

Er is geen integraal overzicht beschikbaar van het budgettaire effect van volledig gebruik van alle regelingen, omdat het niet-gebruik per regeling verschilt en samenhangt met de aard en vormgeving van de regeling. Er is wel onderzoek gedaan naar niet-gebruik, bijvoorbeeld de recente monitor van het niet-gebruik van toeslagen.

De budgettaire ruimte als gevolg van niet-gebruik wordt derhalve niet afzonderlijk ingezet voor andere doeleinden, maar maakt onderdeel uit van de reguliere ramingssystematiek.

Vraag 398

Vraag 398

Welke onderdelen van het voorgenomen besluit proactieve dienstverlening treden wel in werking en welke niet? Graag overzicht met invoeringsdatums.

Antwoord op vraag 398

De wet proactieve dienstverlening is ingediend bij de Tweede Kamer en de wetsbehandeling staat gepland voor eind april. De gewenste invoeringsdatum van het wetsvoorstel en het besluit is 1 juli 2026, onder voorbehoud van parlementaire behandeling. Dit geldt voor de onderdelen die het UWV (zoals de Toeslagenwet) en de SVB (zoals de AIO) uitvoeren en bepaalde onderdelen die de gemeenten uitvoeren (zoals schuldhulpverlening). Deze ingangsdatum geldt niet voor proactieve dienstverlening bij de algemene bijstand, de bijzondere bijstand en de studietoeslag. Hiervoor is de financiering niet rond, dus deze onderdelen treden op 1 juli niet in werking.

Vraag 399

Vraag 399

Wat is het mogelijke gevolg van het afromen van de extra middelen taaleis ter ondersteuning van bijstandsgerechtigden, aangezien de middelen hier met een reden voor vrijgemaakt zijn?

Antwoord op vraag 399

Doordat de extra middelen voor taalonderwijs zijn ingezet ter dekking van de uitvoeringstegenvaller op de SZW-begroting vindt er geen intensivering plaats op het taalonderwijs door gemeenten. De bestaande financiële stromen waarmee gemeenten taalonderwijs aan kunnen bieden aan bijstandsgerechtigden, zoals via het re-integratiebudget of de WEB-middelen, blijven in stand.

Vraag 400

Vraag 400

Kunt u aangeven hoeveel mensen door het niet doorzetten van proactieve dienstverlening voor de algemene bijstand naar verwachting niet actief worden bereikt, en wat dit betekent voor het niet-gebruik van inkomensondersteuning?

Antwoord op vraag 400

Deze interventie zou ongeveer 2,5% van de mensen bereiken die recht hebben op bijstand maar er nog geen gebruik van maken. Structureel zijn dat circa 3.500 mensen waarbij gemeenten proactieve dienstverlening niet kunnen toepassen.

Vraag 401

Vraag 401

Kan een toelichting worden gegeven op de oplossing voor het financiële nadeel voor sociaal-ontwikkelbedrijven? Is uitgesloten dat dit probleem zich in het toekomstige jaren opnieuw voordat als gevolg van samenloop van maatregelen?

Antwoord op vraag 401

Zie het antwoord op vraag 29.

Vraag 402

Vraag 402

Kunt u specificeren hoe de structurele opbrengst van circa 53 miljoen euro is berekend?

Antwoord op vraag 402

Het kabinet heeft besloten om per 1 januari 2029 het recht op kinderbijslag (AKW) en de daaraan gekoppelde aanspraak op het kindgebonden budget (WKB) af te schaffen voor 16- en 17-jarige studenten in het hoger onderwijs (hbo/wo) die reeds recht hebben op studiefinanciering.

In de raming van deze maatregel is daarbij op basis van CBS-gegevens over de jaarlijkse instroom van het aantal leerlingen in het hoger onderwijs verondersteld dat structureel voor circa 15.200 16- en 17-jarige studenten in het hoger onderwijs het recht op AKW komt te vervallen. Verder valt structureel naar schatting voor circa 9.300 studenten het recht op WKB weg. Voor de WKB gaat het om een enigszins kleinere populatie studenten voor wie het recht komt te vervallen aangezien om in aanmerking te komen voor WKB sowieso al bepaalde inkomens- en vermogenseisen gelden. Daarnaast is rekening gehouden met het (gemiddelde) recht op AKW en WKB voor 16- en 17-jarigen.

Structureel levert de maatregel circa 53 miljoen euro op. De vormgeving van deze maatregel wordt betrokken bij de verdere uitwerking van de nieuwe kindregeling.

Vraag 403

Vraag 403

Kunt u aangeven wat de inkomenseffecten van deze maatregel zijn voor de betrokken huishoudens, uitgesplitst naar inkomensgroep?

Antwoord op vraag 403

Het is niet mogelijk om inkomenseffecten te berekenen volgens de standaard inkomensgroepen, omdat het model voor de berekening van inkomenseffecten- en koopkrachtcijfers geen gegevens bevat over de studiefinanciering. Het recht op de kindregelingen vervalt nu wanneer een kind 18 jaar wordt. Door deze maatregel vervalt het recht eerder, indien een kind recht krijgt op studiefinanciering. De precieze vormgeving moet nog verder worden uitgewerkt. Dat bepaalt ook het inkomenseffect.

Wel kunnen de effecten geïllustreerd worden met voorbeelden: in 2026 ontvangt een alleenstaande ouder met één kind en een laag inkomen, circa 1.700 euro aan kinderbijslag en maximaal 6.950 euro aan kindgebonden budget (3.550 euro plus alleenstaande ouderkop van circa 3.400 euro) op jaarbasis. Een paar ontvangt de alleenstaande-ouderkop niet en krijgt dus maximaal 1.700 euro aan kinderbijslag plus 3.550 euro aan kindgebonden budget. De precieze gevolgen hangen af van de huishoudsituatie. Het bedrag aan kindgebonden budget is bijvoorbeeld inkomensafhankelijk. En of de alleenstaande-ouderkop vervalt, hangt af van of er nog andere minderjarige kinderen in het huishouden zijn.

Wanneer het kind gaat studeren en thuis blijft wonen, ontvangt het kind in 2026 circa 560 euro aan thuiswonende basisbeurs, maximaal 5.900 euro aanvullende beurs op jaarbasis (bij recht op studiefinanciering gedurende het gehele jaar) en een reisproduct. Bij het vaststellen van de hoogte van de aanvullende beurs wordt rekening gehouden met het inkomen van beide ouders en met schoolgaande of studerende broers en zussen.

Vraag 404

Vraag 404

Kunt u aangeven wat het budgettaire effect is van deze maatregel op de Toeslagenwet, uitgesplitst per jaar?

Antwoord op vraag 404

Het kabinet schaft per 2030 de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) in de WIA af voor nieuw aanvragen. Door de afschaffing van de IVA zullen meer mensen een (hogere) aanvulling via de Toeslagenwet ontvangen. In 2030 is het geraamde effect hiervan 7 miljoen euro, in 2031 21 miljoen euro en structureel is het effect 127 miljoen euro.

Vraag 405

Vraag 405

Kunt u toelichten op basis van welke analyse is geconcludeerd dat het afschaffen van het duurzaamheidscriterium noodzakelijk is om de complexiteit en uitvoeringsproblemen bij het UWV te verminderen?

Antwoord op vraag 405

In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) ‘Werk aan de WIA’ is onderzoek gedaan naar het afschaffen van het duurzaamheidscriterium in de WIA. In de huidige WIA wordt bij volledig arbeidsongeschikten (80–100%) beoordeeld of hun beperkingen duurzaam zijn. Alleen wie geen of geringe kans op herstel heeft, ontvangt een IVA-uitkering met een hogere uitkeringshoogte. De beoordeling van duurzaamheid is in de praktijk complex en tijdrovend, omdat het lastig is om medische prognoses betrouwbaar vast te stellen en te onderbouwen. Dit vraagt veel capaciteit van verzekeringsartsen en leidt tot oplopende wachttijden en achterstanden in sociaal-medische beoordelingen. Door het duurzaamheidscriterium en de IVA af te schaffen wordt de WIA eenvoudiger, duidelijker en beter uitvoerbaar, wat bijdraagt aan het verminderen van de druk op de uitvoering.

Vraag 406

Vraag 406

Kunt u aangeven wat de inkomenseffecten van het afschaffen van AKW en WKB voor 16- en 17-jarigen met recht op studiefinanciering zijn, uitgesplitst naar inkomensgroep, en hoeveel huishoudens hierdoor worden geraakt?

Antwoord op vraag 406

Zie antwoord op vraag 403.

Vraag 407

Vraag 407

Kunt u toelichten of de lagere terugontvangsten bij de kinderopvangtoeslag samenhangen met een lager gebruik van kinderopvangtoeslag, lagere voorschotten of andere oorzaken?

Antwoord op vraag 407

De terugontvangsten in de kinderopvantoeslag nemen meerjarig af door vooral de lagere beschikkingen, met als gevolg lagere terugvorderingen en terugontvangsten (8 miljoen euro in 2031). De belangrijkste verklaring hiervoor is dat het aantal kinderen dat in 2025 gebruikmaakt van kinderopvang, op basis van de nieuwe uitvoeringsinformatie, ten opzichte van de vorige meerjarenraming naar beneden is bijgesteld.

Vraag 408

Vraag 408
Er wordt 162 miljoen euro structureel geïnvesteerd in pandemische paraatheid. Uit welk budget komt dit, en hoe verhoudt dit zich tot de eerdere bezuiniging onder Schoof op dit thema?

Antwoord op vraag 408
Op de VWS-begroting is structureel 177 miljoen euro beschikbaar gesteld. Als onderdeel van de integrale voorjaarsbesluitvorming is hiervoor ruimte gevonden vanuit meerdere budgetten op de VWS-begroting. Het totaaloverzicht van de dekking vanuit de VWS-begroting kunt u vinden in de Verticale Toelichting Zorg (pagina 203 t/m 222).

Met de structurele middelen die het kabinet nu beschikbaar heeft gesteld, kunnen de belangrijkste onderdelen van het programma pandemische paraatheid, die als gevolg van de bezuiniging onder het kabinet Schoof zouden moeten worden afgebouwd, voortgezet en geborgd worden.

Vraag 409

Vraag 409

Hoe komt het dat de kosten voor de Regeling Onverzekerbare Vreemdelingen (OVV) hoger uitvallen in de nieuwe raming?

Antwoord op vraag 409

Op basis van uitvoeringsinformatie van het CAK is de verwachting dat de kosten van zorg aan onverzekerbare vreemdelingen die ten laste worden gebracht van de Regeling Onverzekerbare Vreemdelingen (OVV) zullen stijgen. De voornaamste reden voor deze stijging is de toename van het aantal declaraties dat wordt aangeleverd bij het CAK. Dit wordt mogelijk veroorzaakt doordat is geïnvesteerd in betere voorlichting waardoor de bekendheid van de regeling is toegenomen. Daarnaast zien we dat de groep onverzekerbare vreemdelingen die op straat leeft ouder wordt en daardoor meer zorg nodig heeft.

Vraag 410

Vraag 410
Hoe komt het dat de kosten voor de Regeling medisch noodzakelijke zorg onverzekerden (SOV) hoger uitvallen in de nieuwe raming?

Antwoord op vraag 410
Op basis van uitvoeringsinformatie van het CAK is de verwachting dat de kosten van zorg aan onverzekerden die ten laste worden gebracht van de Regeling medisch noodzakelijke zorg onverzekerden (SOV) zullen stijgen. De voornaamste reden voor deze stijging is de toename van het aantal declaraties dat wordt aangeleverd bij het CAK. Dit wordt mogelijk veroorzaakt doordat is geïnvesteerd in betere voorlichting waardoor de bekendheid van de regeling is toegenomen. Daarnaast zien we dat de groep onverzekerden toeneemt.

Vraag 411

Vraag 411
Waarom is het niet gelukt de besparing op de SOV-regeling van kabinet-Schoof met beleidsmaatregelen in te vullen? Wat betekent dit voor de opgave in 2028?

Antwoord op vraag 411
De afgelopen jaren zijn de uitgaven aan de subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden (SOV) gestegen naar 115 miljoen euro. Bij de subsidietaakstelling van kabinet Schoof is ervoor gekozen om vanaf 2027 40 miljoen euro te bezuinigen op de SOV. Zoals aangekondigd in kamerbrief 36 600 XVI, nr. 161 wordt er gewerkt aan een nieuwe regeling voor de zorgkosten voor onverzekerden. Op korte termijn leveren de inspanningen om fraude aan te pakken met de SOV en OVV wel besparingen op die worden ingeboekt, namelijk 5 miljoen euro. Het besluit is genomen om voor 2027 een besparingsverlies van 35 miljoen euro te verwerken in de begroting van het ministerie van VWS. Voor 2028 zal opnieuw worden bekeken op welke wijze de resterende taakstelling kan worden ingevuld.

Vraag 412

Vraag 412
Waarom is het uitvoeringsbudget voor de inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (ivb) in de Wmo geschrapt? Blijft er wel uitvoeringsbudget beschikbaar voor invoering vanaf 2028?

Antwoord op vraag 412
Voor de invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage Wmo 2015 (ivb) is niet-bestemd uitvoeringsbudget gereserveerd van jaarlijks 35 miljoen euro vanaf 2028. Hiervan wordt structureel 15 miljoen euro ingezet voor andere problematiek op de VWS-begroting. Het restant blijft beschikbaar indien de uitvoeringskosten hoger blijken te zijn dan nu verwacht.

Daarnaast is op de VWS-begroting reeds eerder budget gereserveerd voor het Centraal Administratiekantoor en andere uitvoerders. Dit bedraagt ca. 8 miljoen euro structureel vanaf 2028.

Vraag 413

Vraag 413
Waar slaat de budgetkorting VWS-begroting, die oploopt tot 65 miljoen in 2031, precies neer?

Antwoord op vraag 413
De budgetkorting is geboekt op artikel 11 Nog onverdeeld. Deze zal bij de Ontwerpbegroting 2027 worden doorverdeeld naar de beleidsartikelen. Dan zal inzichtelijk worden welke budgetten verlaagd zullen worden.

Vraag 414

Vraag 414
Aan welke ZonMw programma’s wordt geen loon- en prijsbijstelling uitgekeerd?

Antwoord op vraag 414
Binnen ZonMw wordt er geïndexeerd op programma- en op organisatieniveau. ZonMw indexeert op het organisatieniveau de kosten die gemaakt worden voor het eigen personeel. Op programmaniveau worden alleen de volgende drie programma’s geïndexeerd: Programma’s academische werkplaatsen, Programma expertisefunctie zintuigelijk gehandicapten en kenniscentra voor specifieke groepen. Aan de rest van de ZonMw-programma’s wordt dus geen loon- en prijsbijstelling uitgekeerd. Deze programma’s worden als het ware als een projectsubsidie behandeld, waarbij de kosten over de looptijd van het programma vaststaan.

Vraag 415

Vraag 415
Waarom wordt 3 miljoen euro gekort op de BOSA-regeling vanaf 2027, terwijl het coalitieakkoord hier juist extra middelen voor vrijmaakt vanaf 2027?

Antwoord op vraag 415
Bij het versturen van de Kamerbrief d.d. 21 januari over het programma informatievoorziening infectieziektebestrijding is er structureel geld vrijgemaakt voor dit programma. Hier is een korting op de BOSA-regeling onderdeel van. Deze keuze is nog voor het coalitieakkoord gemaakt, maar wordt nu budgettair verwerkt in de begrotingsstukken. Daarom is er sprake van zowel een korting als extra middelen voor de BOSA-regeling per 2027.

Vraag 416

Vraag 416
Hoeveel minder bevolkingsonderzoeken borstkanker zijn er uitgevoerd als gevolg van capaciteitsproblemen?

Antwoord op vraag 416
Uit de (voorlopige) cijfers die BVO NL in december 2025 presenteerde was sprake van een begroot aantal onderzoeken van 880.000 en een prognose van 835.000 werkelijk verrichte onderzoeken dat jaar. Het valt echter niet direct te zeggen welk deel van de lagere realisatie direct is toe te wijzen aan de capaciteitsproblemen. De definitieve jaarafrekening over 2025 volgt later dit jaar.

Vraag 417

Vraag 417
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de onafhankelijke indicatiestelling wijkverpleging, ook in relatie tot het voornemen om een eigen bijdrage in te voeren?

Antwoord op vraag 417
Het kabinet kiest ervoor om Zvw-breed de vergoeding van ongecontracteerde zorg af te schaffen (maatregel 39 uit het coalitieakkoord). Deze maatregel gaat een stap verder dan de maatregel onafhankelijke indicatiestelling voor niet-gecontracteerde aanbieders. Het kabinet start nu met de uitwerking van de nieuwe, verdergaande maatregel over niet-gecontracteerde zorg. Voor 2027 wordt voor de maatregel ten aanzien van de onafhankelijke indicatiestelling uitgegaan van een besparingsverlies. Het kabinet heeft hiernaast het voornemen om een eigen bijdrage in de wijkverpleging in te voeren.

Vraag 418

Vraag 418
Wat is de stand van zaken ten aanzien van de besparing beloning medisch specialisten? Is deze besparing wel haalbaar per 2028?

Antwoord op vraag 418
Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd is het vooralsnog niet gelukt om met medische specialisten tot afspraken te komen om te besparen op de beloningen van medisch specialisten. Daarom zet het kabinet nu in op het via wetgeving transparant maken van de inkomens van medisch specialisten om vervolgens op basis van die informatie deze inkomens ook daadwerkelijk te normeren, tenzij hieruit blijkt dat hier geen aanleiding toe is. Het invullen van de taakstelling loopt hierdoor vertraging op. Voor 2027 is het besparingsverlies nu op de begroting van VWS verwerkt. De gevolgen voor 2028 en verder worden nog nader in kaart gebracht.

Vraag 419

Vraag 419
Wat is de oorzaak van de structurele meevaller in de wijkverpleging?

Antwoord op vraag 419
De geraamde uitgaven zijn geactualiseerd op basis van de vierde kwartaallevering 2025 van het Zorginstituut. Deze voorlopige uitgaven van 2025 baseert het Zorginstituut op ramingen van zorgverzekeraars die op hun beurt hun ramingen bijstellen op basis van de binnengekomen declaraties, waarbij zij tevens rekening houden met de kenmerken van hun verzekerde populatie en inkoopafspraken. Voor de IZA-sector wijkverpleging wordt conform de afspraken van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de onderschrijding van het budgettaire kader meerjarig bijgesteld.

We zien bij de wijkverpleging dat de uitgaven achterblijven bij de verwachte groei. Een belangrijke oorzaak is dat sinds 2015 (overgang van de AWBZ naar de Zvw) de wijkverpleging steeds doelmatiger is geworden, door beleid van zowel zorgverzekeraars als zorgaanbieders. Er worden minder uren zorg per cliënt geleverd en er wordt meer gekeken naar wat mensen zelf kunnen. Bovendien is er krapte op de arbeidsmarkt, waardoor aanbieders van wijkverpleging kritisch moeten kijken welke zorg noodzakelijk is om te leveren.

Vraag 420

Vraag 420

Wat is de oorzaak van de structurele meevaller in de huisartsenzorg?

Antwoord op vraag 420

De geraamde uitgaven zijn geactualiseerd op basis van de vierde kwartaallevering 2025 van het Zorginstituut. Deze voorlopige uitgaven van 2025 baseert het Zorginstituut op ramingen van zorgverzekeraars die op hun beurt hun ramingen bijstellen op basis van de binnengekomen declaraties, waarbij zij tevens rekening houden met de kenmerken van hun verzekerde populatie en inkoopafspraken.


Voor de IZA-sector huisartsenzorg wordt conform de afspraken van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) de onderschrijding van het budgettaire kader meerjarig bijgesteld. Bij de huisartsenzorg is echter de inschatting dat een deel van de onderschrijding 2025 een incidenteel karakter heeft, en daarom wordt deze slechts deels meerjarig verwerkt.


Vraag 421

Vraag 421
Hoe kan het dat de uitbreiding MMT al is opgenomen in de Voorjaarsnota 2026, terwijl over het betreffende amendement pas op 24 maart is gestemd, drie dagen voor publicatie van de Voorjaarsnota? Zijn de andere aangenomen amendementen op de begroting VWS 2026 ook al in deze Voorjaarsnota verwerkt en zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 421
Het amendement bij de begroting van 2026 zag primair op uitgaven in 2026. Amendementen bij de begroting zijn direct na de stemming verwerkt in de ‘vastgestelde begroting’. De vastgestelde begroting is het startpunt voor de eerste suppletoire begroting. In de Voorjaarsnota zijn de structurele uitgaven voor de uitbreiding van de MMT meegenomen. Daarnaast is bij de Voorjaarsnota een pakket aan maatregelen op het terrein van pandemische paraatheid structureel verwerkt in de begroting. De uitbreiding van MMT hoort daarbij. Een aanvullende technische reden voor opname in de Voorjaarnota is dat het amendement voorzag in uitgaven voor activiteiten die premiegefinancierd zijn. Aangezien er niet geamendeerd kan worden op premiegefinancierde zorguitgaven, is dit in de Voorjaarsnota opgenomen.

Vraag 422

Vraag 422
Wat is de reden dat de taakstelling zelfzorggeneesmiddelen nu voor een deel via allergiemiddelen wordt ingevuld? Om welke middelen gaat het precies en wat zijn de gevolgen voor patiënten?

Antwoord op vraag 422
Aanleiding is het besluit van het Kabinet Schoof (bij Voorjaarsnota 2025) om per 2027 70 miljoen euro te besparen op de uitgaven aan zelfzorggeneesmiddelen. Het Zorginstituut is vervolgens om een advies gevraagd, te beginnen met allergiemiddelen. In dat advies, dat is gepubliceerd op 12 maart 2026, heeft het Zorginstituut geoordeeld dat niet-chronisch gebruik van allergiemiddelen geen noodzakelijk te verzekeren zorg is.

Het kabinet volgt het Zorginstituut in zijn oordeel dat niet-chronisch gebruik geen noodzakelijk te verzekeren zorg is. De maatregel van het kabinet betreft een aanpassing van de bestaande vergoedingsvoorwaarden zodat voortaan alle allergiemiddelen, waaronder ook de receptplichtige geneesmiddelen, uitsluitend nog vergoed worden bij chronisch gebruik. Hiermee wordt ook substitutie van gebruikers van niet-receptplichtige middelen naar receptplichtige middelen voorkomen, een risico waar het Zorginstituut op wijst.

De gevolgen voor patiënten zijn dat de kosten voor niet-chronisch gebruik van allergiemiddelen voor eigen rekening komen.

Vraag 423

Vraag 423
Hoe denkt het kabinet de bezuiniging van 990 miljoen euro uit hoofde van het scheiden van wonen en zorg in te vullen, en in hoeverre heeft dit naar verwachting gevolgen voor woningcorporaties?

Antwoord op vraag 423
De genoemde ombuiging oplopend tot 990 miljoen euro betreft de maatregel bestuurlijk akkoord Wlz/scheiden wonen en zorg uit het coalitieakkoord. De maatregel beoogt het afremmen van de uitgavengroei in de Wlz op grond van bestuurlijke akkoorden. De akkoorden zetten in op passende persoonsgerichte zorg, het verder ontwikkelen van het scheiden van wonen en zorg en maakt zorg in natura voorliggend op het persoonsgebonden budget (pgb). Het scheiden van wonen en zorg is daarbij reeds staand beleid waarmee verder wordt gegaan. De precieze maatregelen zijn afhankelijk van de keuzes en afspraken die het kabinet met de sectoren in de langdurige zorg wil maken. Op voorhand kan het kabinet niet aangeven of en welke effecten dit heeft voor woningcorporaties.

Vraag 424

Vraag 424
Worden gemeenten benadeeld als gevolg van de beoogde besparing van één miljard euro op huishoudelijk hulp met Wmo met vangnet? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat taken en middelen in balans zijn?

Antwoord op vraag 424
Uitgangspunt bij invoering van deze maatregel is dat taken en middelen in balans blijven. Als gevolg van de maatregel vallen er kosten voor huishoudelijke hulp weg bij gemeenten. Hierdoor is er een besparing mogelijk in het Gemeentefonds.

Vraag 425

Vraag 425

Klopt het dat de bezuinigingen van het coalitieakkoord al wel zijn ingeboekt op de begrotingen, maar dat het extra geld nog grotendeels bij Financiën op de Aanvullende Post staat? Waarom is dit?

Antwoord op vraag 425

De intensiveringen uit het coalitieakkoord staan gereserveerd op de aanvullende post in afwachting van de nadere uitwerking van de plannen. De intensiveringen kunnen na overeenstemming met de minister van Financiën worden overgeheveld bij de reguliere begrotingsmomenten.

Vraag 426

Vraag 426

Wanneer wordt besloten hoe de ombuiging op de aanvullende post vanaf 2029 wordt ingevuld ter beheersing van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Waarom is gekozen om deze ombuiging op de aanvullende post in te boeken in plaats ten laste van de SZW-begroting?

Antwoord op vraag 426

Het kabinet is voornemens om bij Miljoenennota invulling te geven aan deze ombuiging. Omdat de invulling van deze ombuiging nu nog niet aan een specifieke begrotingspost op de SZW-begroting kan worden toegewezen is dit op de aanvullende post geboekt.

Vraag 427

Vraag 427

Kunt u inzicht geven in hoe de Defensiemiljarden precies worden besteed?

Antwoord op vraag 427

Hoe de bestaande defensie-uitgaven worden uitgegeven staat weergegeven in Ontwerpbegroting 2026 van Defensie en het Defensiebegrotingsmaterieelfonds.

Het kabinet zal de Kamer voor het zomerreces middels de Defensienota 2026 op hoofdlijnen informeren over de voorgenomen besteding van de middelen uit het coalitieakkoord. De budgettaire verwerking van de Defensienota – en intensiveringen uit het coalitieakkoord - wordt vervolgens verwerkt in de Ontwerpbegroting 2027.

Vraag 428

Vraag 428

Wat houdt het Investeringspakket van 20 miljard euro precies in?

Antwoord op vraag 428

Het kabinet heeft tot en met 2035 20 miljard euro beschikbaar gesteld voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak. Daarna is per jaar structureel 435 miljoen euro beschikbaar. In het coalitieakkoord zijn deze middelen verdeeld over verschillende doelen binnen de aanpak. Het kabinet werkt de komende periode, samen met medeoverheden en maatschappelijke partijen, aan de verdere uitwerking van de aanpak. Vóór de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de verdere invulling van de pijlers. Zie voor een uitgebreide toelichting de brief van de minister van Landbouw van 27 maart jl.68

Vraag 429

Vraag 429

Wat houdt de versterking van gezinnen precies in? Welke inkomstengroepen betreft dit?

Antwoord op vraag 429

In het coalitieakkoord ‘Aan de slag’ is opgenomen dat de kinderbijslag (AKW) en het kindgebonden budget (WKB) worden samengevoegd tot één nieuwe kindregeling, hiervoor is 600 miljoen euro gereserveerd. Verder is opgenomen dat het kabinet de zekerheid voor ouders wil vergroten en het risico op terugvorderingen wil verminderen.

Het kabinet gaat spoedig van start met de uitwerking van deze maatregel en zal uw Kamer hierover voor de zomer informeren. De door uw Kamer gevraagde effecten zijn afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft overigens op basis van een technische aanname de maatregel wel opgenomen in de doorrekening van het coalitieakkoord. Dit staat echter los van de uiteindelijke vormgeving van de maatregel.

Vraag 430

Vraag 430

Waarom wordt de asielbegroting jaarlijks met circa 2,1 miljard euro bijgesteld?

Antwoord op vraag 430

De 2,1 miljard euro betreft de overheveling van de Aanvullende Post naar de asielbegroting, wat volgt uit het coalitieakkoord. Deze middelen zijn bedoeld voor een stabielere financiering van de asielketen en worden onder andere ingezet voor meer opvangplekken gerealiseerd kunnen worden bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en voor de incidentele bekostiging van het solidariteitsmechanisme, Vluchtelingenwerk Nederland en meedoenbalies. Bovenop deze middelen zijn in de Voorjaarsnota 2026 op basis van het mediaanscenario van de update van de Meerjaren Productie Prognose 2025 (MPP2025), de zogeheten Kernprognose 2025, additioneel middelen beschikbaar gesteld.

Vraag 431

Vraag 431
Wat houdt de maatregel 'overige stabiele asielketen' precies in? Waarom wordt hier extra geld voor uitgetrokken?

Antwoord op vraag 431
Bij het coalitieakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor een ramingsbijstelling van de asielbegroting en voor het financieren van de overige stabiele asielketen. Dit betreft geen aparte maatregel maar is integraal onderdeel van de ramingsbijstelling asiel. Zie het antwoord op vraag 430 voor de wijze waarop deze middelen worden ingezet..

Vraag 432

Vraag 432
Waar wordt de vrijgevallen resterende envelop ouderenzorg precies voor ingezet?

Antwoord op vraag 432
Bij de formatie is een integrale afweging gemaakt van alle uitgaven en inkomsten. Deze zijn terug te vinden in de budgettaire tabel en bijlage bij het coalitieakkoord.

Vraag 433

Vraag 433

Klopt het dat de ingecalculeerde 5 miljoen euro uitvoeringskosten van de investeringsfaciliteit vpb woco’s precies genoeg is om de efficiencytaakstelling uit hoofde van het coalitieakkoord op de begroting VRO structureel te dekken? Is dit niet erg toevallig?

Antwoord op vraag 433

De 5 miljoen euro uitvoeringkosten voor het invoeren van deze nieuwe investeringsfaciliteit heeft geen relatie met de efficiencytaakstelling op de begroting van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO). De uitvoeringskosten volgen uit het coalitieakkoord en staan op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting en kunnen dus ook niet gebruikt worden om de taakstelling op de VRO begroting te dekken. De uitvoeringskosten betreffen geschatte kosten voor de Belastingdienst en moeten met een uitvoeringstoets nog exact worden vastgesteld. Eventuele resterende middelen vallen vrij aan het generale beeld

Vraag 434

Vraag 434

Hoe wordt de overige 1,5 procent van de vijf procent Navo-norm precies ingevuld? Kunt u dit uitsplitsen in een tabel, ook als het zou gaan om reeds bestaande uitgaven?

Antwoord op vraag 434

Momenteel werkt het kabinet aan het maken van een nationale doorvertaling van de norm voor defensie- en defensiegerelateerde uitgaven (1,5% bbp). Hierover wordt naar verwachting dit jaar voor het eerst gerapporteerd aan de NAVO. Uw Kamer wordt hierover zoals gebruikelijk – al dan niet vertrouwelijk – geïnformeerd door de minister van Defensie.


Vraag 435

Vraag 435
Is er nog aanvullende besluitvorming en/of wetgeving nodig alvorens de resterende envelop ouderenzorg definitief vrijvalt, en zo ja, welke en met welk bijbehorend tijdpad?

Antwoord op vraag 435
Dit betreft een reservering die nog niet verwerkt is in wetgeving en in de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Hierdoor is geen aanvullende besluitvorming en/of wetgeving nodig.

Vraag 436

Vraag 436

Kunt u per jaar over de periode 2012 tot en met heden het aandeel van de vennootschapsbelasting in de totale belasting- en premie-inkomsten weergeven?

Antwoord op vraag 436

Onderstaande tabel geeft de vennootschapsbelasting weer als percentage van de totale premie- en belastingontvangsten van 2012 tot 2025.

2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025
5,4% 5,5% 6,2% 6,6% 8,1% 7,9% 8,2% 8,5% 7,2% 9,5% 10,8% 12,2% 10,9% 11,4%

Vraag 437

Vraag 437

Hoe verklaart u dat er 3,9 miljard euro extra wordt opgehaald aan inkomstenbelasting t.o.v. de stand Miljoenennota 2026? Welk deel hiervan betreft overheidsbeleid?

Antwoord op vraag 437

De hogere opbrengst van de inkomstenbelasting dient in samenhang te worden bezien met de lagere opbrengst uit premies volksverzekeringen, omdat deze geïntegreerd worden geheven (de ‘inkomensheffing’). In totaal is de opbrengst uit de inkomensheffing met 1,9 miljard euro opwaarts bijgesteld. Dit hangt grotendeels samen met hogere ontvangsten dan eerder geraamd in 2025, die doorwerken in 2026. Ten opzichte van de Miljoenennota 2026 is het overheidsbeleid in 2026 voor de inkomensheffing minimaal.

Het hierbij relatief grote positieve effect in de inkomstenbelasting en het negatieve effect in de premies kent een grotendeels technische oorzaak. De inkomsten uit de geïntegreerde heffing worden namelijk op voorlopige basis verdeeld tussen belastingen en premies met een verdeelsleutel. Deze verdeelsleutel kent een negatief deel van de ontvangsten toe aan premies, waardoor meer dan het volledige positieve bedrag ten goede komt aan de belastingen. Deze sleutel is gebaseerd op een raming; wanneer voldoende aangifte-informatie beschikbaar is wordt deze definitief vastgesteld en vindt zo nodig een verrekening plaats.

Vraag 438

Vraag 438

Hoe verklaart u dat er 3,2 miljard euro extra wordt opgehaald aan vpb t.o.v. de stand Miljoenennota 2026? Welk deel hiervan betreft overheidsbeleid?

Antwoord op vraag 438

De realisaties van de vennootschapsbelasting waren in 2025 hoger dan eerder geraamd, dit werkt door in de raming voor 2026. Daarnaast is op basis van aangifte-informatie de raming voor 2026 verder omhoog bijgesteld. Ten opzichte van de Miljoenennota 2026 is het overheidsbeleid in 2026 voor de vennootschapsbelasting minimaal.


Vraag 439

Vraag 439

Waarop is de toename in de raming van de kansspelbelasting gebaseerd? Zijn er al realisatiecijfers of aangiften uit 2026 bekend waaruit deze stijging blijkt?

Antwoord op vraag 439

De verhoging van de raming met 95 miljoen euro is grotendeels het gevolg van een eenmalige administratieve verschuiving tussen twee jaren. Door een vertraging in het inningsproces is een deel van de ontvangsten (circa 40 miljoen euro) verschoven van eind 2025 naar begin 2026. Per saldo zorgt dit voor een eenmalige sprong van 80 miljoen euro in de raming van 2026 ten opzichte van 2025.

Vraag 440

Vraag 440

Wordt de Kamer, zoals toegezegd, in het tweede kwartaal van 2026 geïnformeerd over de financiële en beleidsmatige effecten van de verhoging van de Kansspelbelasting?

Antwoord op vraag 440

De evaluatie wordt op dit moment uitgevoerd en conform de toezegging zal deze in het tweede kwartaal worden aangeboden aan de Kamer.

Vraag 441

Vraag 441

Hoeveel verwacht u extra op te halen aan inkomstenbelasting en btw in de komende jaren als gevolg van de verhoogde inflatieverwachting?

Antwoord op vraag 441

Het is niet mogelijk om een specifiek en geïsoleerd bedrag te noemen voor de extra opbrengsten uit de inkomstenbelasting en de btw als gevolg van de verhoogde inflatieverwachting. De rijksfinanciën worden beïnvloed door een complex samenspel van macro-economische variabelen die nauw met elkaar verweven zijn, waardoor één effect niet los van de overige ontwikkelingen kan worden berekend. Omdat inflatie doorwerkt in de loonontwikkeling, rentestanden en bedrijfsinvesteringen, kunnen deze effecten enkel in hun integrale samenhang worden beoordeeld. De totale ramingen in de begroting reflecteren dan ook de netto-uitkomst van al deze onderlinge afhankelijkheden. Het kabinet baseert zich voor dit economisch beeld conform de Wet houdbare overheidsfinanciën op de onafhankelijke berekeningen van het CPB.

Vraag 442

Vraag 442

Met hoeveel stijgen de lasten voor gezinnen en bedrijfsleven als gevolg van kabinetsbeleid?

Antwoord op vraag 442

Zie antwoord op vraag 9.

Vraag 443

Vraag 443

Kan er worden toegelicht waar de omhooggestelde raming voor de inkomsten van de kansspelbelasting gebaseerd is?

Antwoord op vraag 443

De verhoging van de raming met 95 miljoen euro is grotendeels het gevolg van een eenmalige administratieve verschuiving tussen twee jaren. Door een vertraging in het inningsproces is een deel van de ontvangsten (circa 40 miljoen euro) verschoven van eind 2025 naar begin 2026. Per saldo zorgt dit voor een eenmalige sprong van 80 miljoen euro in de raming van 2026 ten opzichte van 2025.


Vraag 444

Vraag 444

Kunt u per in bijlage 7 genoemde constructie aangeven i) wat het geschatte budgettaire belang is, ii) het aantal belastingplichtigen dat hiervan gebruik maakt en iii) wat de uitvoeringskosten en administratieve lasten zijn die samenhangen met het aanpakken van de constructie?

Antwoord op vraag 444

In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 worden negen constructies beschreven waarbij overigens de lucratief belangregeling geen constructie is maar een bepaling in de inkomstenbelasting, maar opgenomen omdat deze in voorkomende gevallen zorgt voor een ongelijke belastingdruk op inkomen uit arbeid voor werkenden. Op de eerste pagina van bijlage 7 is een overzicht opgenomen met een stand van zaken. Daarin valt te lezen dat drie van de negen beschreven constructies reeds zijn met een maatregel aangepakt in het Belastingplan 2026 respectievelijk Fiscale Verzamelwet 2026. De budgettaire effecten daarvan zijn verwerkt in de begroting van 2026 en verder.

Tabel: maatregelen bijlage 7 Voorjaarsnota die reeds in wetgeving zijn verwerkt

2026 2027 2028 2029 Structureel
Aanpakken constructie 'vleugje zuivel' in verbruiksbelasting alcoholvrije dranken 0 36 36 36 36
Aanpakken schenk- en erfbelasting constructies estate planningstools in huwelijksvermogensrecht 3 4 4 4 4
Onbelaste toegang tot lijfrentekapitaal 0 0 0 0 0

Voor de lucratiefbelangregeling geldt dat in het Belastingplan 2026 een maatregel is voorgesteld deze aan te passen en in te laten gaan op 1 januari 2026. De maatregel levert 45 miljoen euro structureel op vanaf het jaar dat de maatregel wordt ingevoerd. Bij amendement op het Belastingplan 2026 (amendement-Van Eijk c.s.69) is de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregel uitgesteld tot 1 januari 2028. Wat betreft de constructie ‘dividendstripping’ worden vier mogelijke maatregelen uitgewerkt in een consultatiedocument dat naar verwachting op korte termijn internetconsultatie wordt gegeven.

De Eerste en Tweede Kamer worden over de uitkomsten van de internetconsultatie geïnformeerd en mede aan de hand van de internetconsultatie kan besloten worden of en zo ja welke aanvullende maatregelen worden voorgesteld. Zodra een maatregel wordt uitgewerkt worden ook de budgettaire effecten geraamd. Wat betreft de constructie ‘papieren schenkingen’ wordt verwezen naar het antwoord op vraag 450, voor de constructie ‘onzakelijke leningen’ naar het antwoord op vraag 451, voor de constructie ‘Samenwerkingsverbanden’ naar het antwoord op vraag 453, en voor de constructie ‘opknipgedrag bij vastgoed-bv’s’ ten slotte wordt verwezen naar het antwoord op vraag 454.

Vraag 445

Vraag 445

Is bij het opnemen van de constructies in bijlage 7 rekening gehouden met uitvoeringscapaciteit en handhaafbaarheid? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 445

In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 worden negen constructies beschreven waarbij overigens de lucratief belangregeling geen constructie is maar een bepaling in de inkomstenbelasting, maar opgenomen omdat deze in voorkomende gevallen zorgt voor een ongelijke belastingdruk op inkomen uit arbeid voor werkenden. Op de eerste pagina van bijlage 7 is een overzicht opgenomen met een stand van zaken. Daarin valt te lezen dat drie van de negen beschreven constructies reeds zijn met een maatregel aangepakt in het Belastingplan 2026 respectievelijk Fiscale Verzamelwet 2026.

Voor de lucratiefbelangregeling geldt dat in het Belastingplan 2026 een maatregel is voorgesteld deze aan te passen en in te laten gaan op 1 januari 2026. Bij amendement op het Belastingplan 2026 (amendement-Van Eijk c.s.70) is de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregel uitgesteld tot 1 januari 2028. Voor alle vier maatregelen is een uitvoeringstoets door de Belastingdienst waarin ook de gevolgen voor de handhaving zijn beschreven. Alle uitvoeringstoetsen zijn samen met de wetgeving naar de Kamer gestuurd.

Wat betreft de ‘papieren schenkingen’ wordt verwezen naar het antwoord op vraag 449. De aanpak van de constructie ‘onzakelijke leningen’ wordt op dit moment onderzocht. Daarbij wordt altijd ook gekeken naar de gevolgen voor administratieve lasten en de uitvoerbaarheid. Dat geldt ook voor de aanpak van de constructie ‘Samenwerkingsverbanden’ waarover in bijlage 7 staat vermeld dat er wordt gekeken naar proportionaliteit, het gelijkheidsbeginsel, en of het mogelijk is de aanpak voldoende duidelijk op de doelgroep af te bakenen, waarbij ook wordt gekeken naar de uitvoerbaarheid van de aanpak.

Wat betreft de constructie ‘dividendstripping’ worden vier mogelijke maatregelen uitgewerkt in een consultatiedocument dat naar verwachting nog in april of anders in mei in internetconsultatie wordt gegeven. Bij de uitwerking van de maatregelen worden ook nadrukkelijk de gevolgen voor de administratieve lasten en de uitvoeringsgevolgen in ogenschouw genomen. Ten slotte geldt voor de aanpak van ‘opknipgedrag van vastgoed” dat hiertoe drie maatregelen worden onderzocht waarbij ook nadrukkelijk oog is voor de gevolgen voor de administratie lasten en uitvoering. Het streven is de Kamer nog in april over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren.

Vraag 446

Vraag 446

Zijn er andere redenen denkbaar voor een papieren schenking dan ontwijking van de erf- en schenkbelasting?

Antwoord op vraag 446

Veruit de meeste papieren schenkingen worden gedaan voor het behalen van fiscaal of ander financieel voordeel. Er zijn ook andere redenen denkbaar voor een papieren schenking. Het kan voorkomen dat een ouder een schenking aan één van diens kinderen wil doen. Bijvoorbeeld een geldschenking zodat dat kind een bepaalde uitgave kan doen of de schenking van een onderneming die dat kind gaat voortzetten. Het kan zijn dat de ouder dan aan de andere kinderen een schenking van dezelfde omvang wil doen, maar op dat moment niet over voldoende liquide middelen beschikt of die nog in eigen beheer wil houden. De ouder kan er dan voor kiezen om aan de andere kinderen een schenking op papier te doen. Met de in de bijlage opmerkelijke belastingconstructies beschreven maatregelen blijven dergelijke papieren schenkingen mogelijk, maar vervalt het financiële voordeel ervan of wordt het voordeel kleiner.

Vraag 447

Vraag 447

Heeft het kabinet een voorstel in voorbereiding om de papieren schenkingen onmogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord op vraag 447

Voormalig staatssecretaris van Financiën Heijnen heeft tijdens de behandeling van het Belastingplan 2026 aan lid Stultiens (GL-PvdA) toegezegd in de eerste helft van 2026 opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan (Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 115, p. 41). In de bijlage van de Voorjaarsnota 2026 zijn twee maatregelen beschreven die het gebruik van papieren schenkingen minder aantrekkelijk maken. Daarmee is aan deze toezegging voldaan. Er heeft hierover nog geen besluitvorming door het kabinet plaatsgevonden.

Vraag 448

Vraag 448

Kunt u per opmerkelijke belastingconstructie aangeven hoeveel belastinggeld er wordt misgelopen?

Antwoord op vraag 448

In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 worden negen constructies beschreven waarbij overigens de lucratief belangregeling geen constructie is maar een bepaling in de inkomstenbelasting. De lucratief belangregeling is opgenomen, omdat deze in voorkomende gevallen zorgt voor een ongelijke belastingdruk op inkomen uit arbeid voor werkenden. Voor drie van de negen constructies is reeds een maatregel opgenomen in het Belastingplan 2026, respectievelijk de Fiscale Verzamelwet 2026. De budgettaire effecten daarvan zijn verwerkt in de begroting van 2026 en verder.

Voor de lucratiefbelangregeling geldt dat in het Belastingplan 2026 een maatregel is voorgesteld om deze regeling aan te passen, en de aanpassing in te laten gaan op 1 januari 2026. De maatregel levert 45 miljoen euro structureel op vanaf het jaar dat de maatregel wordt ingevoerd. Bij amendement op het Belastingplan 2026 (amendement-Van Eijk c.s.) is de inwerkingtreding van de voorgestelde maatregel uitgesteld tot 1 januari 2028. Wat betreft de constructie ‘dividendstripping’ worden vier mogelijke maatregelen uitgewerkt in een consultatiedocument dat naar verwachting op korte termijn in internetconsultatie wordt gebracht.

De Eerste en Tweede Kamer worden over de uitkomsten van de internetconsultatie geïnformeerd en mede aan de hand van de internetconsultatie kan besloten worden of en zo ja welke aanvullende maatregelen worden voorgesteld. Zodra een maatregel wordt uitgewerkt worden ook de budgettaire effecten geraamd. Wat betreft de constructie ‘papieren schenkingen’ wordt verwezen naar het antwoord op vraag 450, voor de constructie ‘onzakelijke leningen’ naar het antwoord op vraag 451, voor de constructie ‘Samenwerkingsverbanden’ naar het antwoord op vraag 453, en voor de constructie ‘opknipgedrag bij vastgoed-bv’s’ ten slotte wordt verwezen naar het antwoord op vraag 454.


Vraag 449

Vraag 449

Hoe werkt de voorgestelde oplossing voor papieren schenkingen 'fictieve verkrijging voor de schenk- en erfbelasting' precies? Welke voor- en nadelen zijn verbonden aan deze oplossing?

Antwoord op vraag 449

Een papieren schenking leidt tot een schuld van de schenker aan de begiftigde. Als de schenker de schuld tijdens zijn leven aflost, wordt die aflossing op grond van de maatregel fictief aangemerkt als een schenking. Over die schenking is schenkbelasting verschuldigd. Als de schuld op het moment van overlijden van de schenker nog niet is afgelost, wordt de schuld fictief aangemerkt als een erfrechtelijke verkrijging en belast met erfbelasting. Om dubbele belastingheffing te voorkomen wordt de eerder over de papieren schenkingen betaalde schenkbelasting verrekend met de schenk-of erfbelasting over de fictieve verkrijging bij aflossing of overlijden van de schenker.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel, de ouder heeft drie jaren op rij 150.000 euro op papier geschonken aan diens kind en enig erfgenaam. Op het moment dat de ouder overlijdt, had de ouder 1.000.000 euro aan bezittingen en 450.000 euro aan schulden uit papieren schenkingen. De waarde van de met erfbelasting belaste verkrijging van het kind bedraagt dan de nalatenschap van 550.000 euro (bezittingen min schulden) en een fictieve verkrijging uit papieren schenkingen van 450.000 euro. Door de maatregel is het kind dan erfbelasting verschuldigd over 1.000.000 euro in plaats van over 550.000 euro. Effectief is het kind door de maatregel vóór verrekening 20% over 450.000 euro extra erfbelasting verschuldigd. De te verrekenen schenkbelasting over de eerdere papieren schenkingen is lager dan die 20%. Een deel van de papieren schenkingen viel immers onder de schenkvrijstelling en de rest was belast tegen 10% (tarief eerste schijf bij verkrijging door een kind). Door de maatregel wordt het door aflossing of na overlijden feitelijk overgedragen vermogen met dezelfde hoeveelheid schenk- of erfbelasting belast als wanneer dat vermogen naar de begiftigde was overgegaan zonder voorafgaande papieren schenking.

De maatregel leidt tot een evenwichtiger belastingstelsel. Allereerst omdat de maatregel er toe leidt dat papieren schenkingen niet meer zullen worden gebruikt voor het behalen van fiscaal voordeel. Dat zorgt voor minder belastingontwijking. De maatregel leidt daarnaast tot een vereenvoudiging voor de Belastingdienst. Nu moet de Belastingdienst bij papieren schenkingen nagaan of de schenker daadwerkelijk jaarlijks 6% rente heeft betaald. Als dat niet zo is dan wordt de papieren schenking namelijk al fictief in de erfbelasting betrokken. Die controle valt voor een groot deel weg omdat het aantal papieren schenkingen door de maatregel vermoedelijk flink zal afnemen, en de noodzaak voor die controle wordt ook kleiner omdat de papieren schenking op grond van de maatregel fictief in de erfbelasting wordt betrokken, ongeacht of de rente jaarlijks is betaald. Per saldo is er sprake van een lastenrelevante opbrengst waarmee andere maatschappelijke gewenste lastenverlichting kan worden gefinancierd.

De maatregel betekent verder dat er bij papieren schenkingen boven de schenkvrijstelling een verrekening van de schenkbelasting moet plaatsvinden en dat de begiftigde zich er bij aflossing van de papieren schenking bewust van moet zijn dat er aangifte schenkbelasting moet worden gedaan. Deze administratieve last is beperkt omdat het aantal papieren schenkingen flink zal afnemen. Er heeft hierover nog geen besluitvorming door het kabinet plaatsgevonden.

Vraag 450

Vraag 450

Hoeveel leveren de twee genoemde maatregelen tegen “schenken op papier” op? Waarom neemt u deze maatregelen niet gelijk?

Antwoord op vraag 450

In bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 zijn twee mogelijke maatregelen genoemd die de fiscale voordelen van papieren schenkingen zouden kunnen beperken of in zijn geheel wegnemen. De eerste maatregel betreft het actualiseren van de rente die de schenker jaarlijks verschuldigd is over de papieren schenking. Deze rente is gelijk aan de rekenrente in de schenk- en erfbelasting en bedraagt momenteel 6%. In het aan het begin van dit jaar uitgewerkte ambtelijke moderniseringsvoorstel van de forfaits in de schenk- en erfbelasting wordt geadviseerd de rekenrente te actualiseren op basis van de huidige marktrentes en deze periodiek te actualiseren71. De gemoderniseerde rekenrente per 1 januari 2028 werd in het voorstel geraamd op 3%. Bij papieren schenkingen zou dat tot een lastenrelevante opbrengst van 37 miljoen euro structureel leiden. Het moderniseren van de forfaits vergt een zorgvuldige beleidsvoorbereiding met onder meer een internetconsultatie, een uitvoeringstoets en het inwinnen van advies bij de afdeling Advisering van de Raad van State.

De tweede mogelijke maatregel betreft de introductie van een fictieve verkrijging in de schenk- en erfbelasting bij aflossing van de papieren schenking of bij overlijden van de schenker. Deze maatregel neemt het progressievoordeel van een papieren schenking in zijn geheel weg. Naar verwachting zal er nauwelijks meer op papier worden geschonken als deze maatregel wordt getroffen. De lastenrelevante opbrengst van de tweede maatregel bedraagt 162 miljoen euro structureel in de situatie dat de rekenrente in de schenk- en erfbelasting niet wordt geactualiseerd. Beide maatregelen zijn als mogelijke opties beschreven in de genoemde bijlage van de Voorjaarsnota. Er heeft hierover nog geen besluitvorming door het kabinet plaatsgevonden.

Vraag 451

Vraag 451

Wat is het beeld van het kabinet hoe vaak de constructie van leningen met onzakelijke voorwaarden wordt gebruikt?

Antwoord op vraag 451

Er wordt niet apart geadministreerd hoe vaak deze constructie voorkomt. Op dit moment wordt een maatregel onderzocht die deze constructie aanpakt. Zodra de maatregel is uitgewerkt wordt daarvan een budgettaire opbrengst geraamd.

Vraag 452

Vraag 452

Hoeveel samenwerkingsverbanden IB-ondernemer en eigen bv zijn bekend bij de belastingdienst?

Antwoord op vraag 452

De genoemde samenwerkingsverbanden worden op dit moment onderzocht.

Vraag 453

Vraag 453

Hoeveel geld levert het op om te kiezen voor de oplossing "geen gebruik maken van fiscale faciliteiten ingeval winst uit een dergelijk samenwerkingsverband wordt genoten"?

Antwoord op vraag 453

De aanpak van samenwerkingsverbanden wordt op dit moment onderzocht. Er wordt gekeken naar proportionaliteit, het gelijkheidsbeginsel, of het mogelijk is de aanpak voldoende duidelijk op de doelgroep af te bakenen. Daarbij wordt ook gekeken naar de uitvoerbaarheid van de aanpak. Als er een passende maatregel wordt gevonden wordt tevens de budgettair opbrengst ervan geraamd.

Vraag 454

Vraag 454

Klopt het dat de opmerkelijke belastingconstructie "opknipgedrag bij vastgoed-bv's" nog steeds in stand wordt gehouden? Hoeveel belastinggeld lopen we hierdoor mis? Wat gaat het kabinet hiertegen doen?

Antwoord op vraag 454

Om het opknipgedrag te bestrijden stelde het Belastingplan 2025 voor om de drempel van de earningsstrippingmaatregel voor vastgoedlichamen met aan derden verhuurd vastgoed buiten toepassing te laten (drempelwaarde 0). Deze maatregel had een geraamde opbrengst van 40 miljoen euro structureel en is bij amendement geschrapt72. Naar aanleiding van de motie Van Eijk/Vermeer is in de Kamerbrief van 26 juni 2025 toegelicht welke antimisbruikbepalingen andere EU-landen hebben ingevoerd tegen het ontwijken van de earningsstrippingmaatregel. In dezelfde brief staat dat drie maatregelen tegen fragmentatie nader worden onderzocht: (1) invoering van een concernbegrip bij de drempel, (2) beperking van de drempel bij excessieve groepsfinanciering en (3) een gerichte antimisbruikbepaling voor schulden van verbonden lichamen of personen. De Kamer wordt naar verwachting op korte termijn per brief geïnformeerd over de uitkomsten van dit onderzoek. In die brief wordt ook een indicatie van de budgettaire effecten van de drie maatregelen opgenomen .

Vraag 455

Vraag 455

Welke sectoren maken gebruik van de lucratiefbelangeling? In welke gevallen is geen sprake van een opmerkelijke belastingconstructie?

Antwoord op vraag 455

Lucratief belang komt in uiteenlopende sectoren voor zoals in de financiële dienstverlening, bij innovatieve (tech)bedrijven, maar ook in de gezondheidszorg, in de maakindustrie en bij bouwbedrijven. De lucratiefbelangregeling wordt vooral toegepast in sectoren waar werknemers, veelal bestuurders en (top)managers, delen in de groei of potentiële waardestijging van de onderneming via opties, bonussen of bijzondere aandeelhoudersrechten. De lucratiefbelangregeling is geen constructie maar een bepaling in de inkomstenbelasting die in 2009 is ingevoerd. De lucratiefbelangregeling leverde in een aantal gevallen een ongelijke belastingdruk op inkomen uit arbeid voor werkenden. In bijlage 7 van de Voorjaarsnota staat de ontstaansgeschiedenis van de lucratiefbelangregeling uitgebreid toegelicht en ook wat de aanleiding is geweest deze regeling in het Belastingplan 2026 aan te passen.

Vraag 456

Vraag 456

Welke meer fundamentele oplossing voor de lucratiefbelangregeling wordt uitgewerkt?

Antwoord op vraag 456

In het onderzoeksrapport dat op 13 februari 2025 naar uw Kamer is gestuurd73 is een beleidsoptie benoemd waarbij de lucratiefbelangregeling meer dan nu in de loonheffingen wordt ingebed. Daarbij kan desgewenst ook rekening gehouden worden met de hoogte van de belastingdruk op carried-interest in het buitenland met het oog op een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Daardoor kan de marginale belastingdruk ook lager zijn dan het hoogste tarief in box 1. Een dergelijk alternatief kan – afhankelijk van de uiteindelijke vormgeving – ook recht doen aan de aangenomen moties-Idsinga c.s. van 202474 en 202575 en de aangenomen motie-Dijk76.

Vraag 457

Vraag 457

Wat levert variant 1 op bij de constructie "heffing lucratief belang als loon dan wel als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1"? Gaat u dit voorstel daadwerkelijk indienen?

Antwoord op vraag 457

Een dergelijke maatregel dient eerst verder te worden uitgewerkt voordat de budgettaire effecten kunnen worden geraamd.

Vraag 458

Vraag 458

Waarvoor is de reeks 'Reservering 2% bbp prijsontwikkeling' voor Defensie bedoeld in bijlage 10 van de Voorjaarsnota?

Antwoord op vraag 458

De defensie-uitgaven zijn gekoppeld aan het bruto binnenlands product. De werkwijze hiervoor staat beschreven in bijlage 5 van de Voorjaarsnota 2025. Om Defensie te compenseren voor prijsstijgingen in de economie, krijgt Defensie ieder voorjaar een tranche prijsbijstelling uitgekeerd op basis van de prijsontwikkeling van het bbp. In bijlage 10 van de Voorjaarsnota 2026 is de reservering voor deze prijsontwikkeling voor de jaren 2027 tot en met 2031 opgenomen. Deze reservering wordt jaarlijks geactualiseerd op de basis van de macro-economische groeicijfers uit het Centraal Economisch Plan van het CPB.


  1. Kilometers personenauto’s, huishoudkenmerken, 2019 | CBS. Dit is de meest recente informatie die beschikbaar is. Verdelingseffecten zouden kunnen afwijken door veranderingen in rijgedrag, brandstofprijzen en de verdere elektrificatie van het wagenpark.↩︎

  2. Aangenomen is dat benzine en diesel hybrides volledig op respectievelijk benzine en diesel rijden. Ook is aangenomen dat er geen gedragsveranderingen zijn en het verbruik bij benzine 1:15 is en 1:18 bij diesel.↩︎

  3. Zie ook CPB-rapport “Verdeling autobelastingen over huishoudens” (2025)↩︎

  4. Aangenomen is dat benzine, diesel en LPG hybrides volledig op respectievelijk benzine, diesel en LPG rijden.↩︎

  5. TNO rapport Impact van hoge fossiele brandstofprijzen op de betaalbaarheid van autorijden, april 2026.↩︎

  6. Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.↩︎

  7. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117.↩︎

  8. Kamerstukken II 2025/26, 36800, nr. 1, p. 48.↩︎

  9. https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling.↩︎

  10. Kamerstukken II 2023/24, 36 421, nr. 11.↩︎

  11. Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 58.↩︎

  12. Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.↩︎

  13. Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.↩︎

  14. Kamerstukken II 2025/2026, 36 812, nr. 17.↩︎

  15. Kamerstukken II 2025/2026, 36 812, nr. 81.↩︎

  16. Kilometers personenauto’s, huishoudkenmerken, 2019 | CBS. Dit is de meest recente informatie die beschikbaar is. Verdelingseffecten zouden kunnen afwijken door veranderingen in rijgedrag, brandstofprijzen en de verdere elektrificatie van het wagenpark.↩︎

  17. Aangenomen is dat benzine en diesel hybrides volledig op respectievelijk benzine en diesel rijden. Ook is aangenomen dat er geen gedragsveranderingen zijn en dat het verbruik bij benzine 1:15 en bij diesel 1:18 is.↩︎

  18. CE Delft (2023) Evaluatie onbelaste reiskostenvergoeding. Link↩︎

  19. Bijlagen bij Miljoenennota | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid↩︎

  20. https://commission.europa.eu/strategy-and-policy/eu-budget/long-term-eu-budget/2021-2027/spending-and-revenue_en↩︎

  21. Inflatie in maart 2,7 procent | CBS↩︎

  22. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 33 628, nr 114↩︎

  23. Evaluatie landbouwvrijstelling - Rapport SEO | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎

  24. pbl-2026-eindadvies-sde-plus-plus-2026-5698↩︎

  25. Variant 2 in Een btw-nultarief voor groente en fruit↩︎

  26. Inkomenseffecten van woningisolatie naar de isolatiestandaard↩︎

  27. Ter vergelijking: Het CPB berekende in 2023 nog dat een intensivering van € 1,5 miljard in het kindgebonden budget het kinderarmoedecijfer zou verlagen met 1,5%-punt (zie Doorrekening beleidsopties voor terugdringen armoede). Dit is niet een-op-een vergelijkbaar met het rekenvoorbeeld in dit antwoord (de berekeningen van 2023 zijn gemaakt voor de oude armoededefinitie en hebben betrekking op een ander peiljaar), maar het illustreert wel het verschil in de kosten over tijd om de (kinder)armoedecijfers te laten dalen.↩︎

  28. CBS Wie zitten er net boven de armoedegrens? - Leven in Armoede 2025 | CBS↩︎

  29. Kamerstuk 36 848 2025/2026, nr. 101.↩︎

  30. De besparing bevat tevens het interactie-effect tussen verhogen en trancheren van het verplicht eigen risico per 2028.↩︎

  31. CPB (2026), Analyse Coalitieakkoord 2026-2030, https://www.cpb.nl/publicatie/analyse-coalitieakkoord-2026-2030↩︎

  32. Afhankelijk van of de belastingplichtige zich in het op- of afbouwtraject van de heffingskorting bevindt, kan de heffingskorting lager of hoger zijn.↩︎

  33. StatLine - Gemiddelde energietarieven voor consumenten, 2018 - 2023↩︎

  34. StatLine - Gemiddelde energietarieven voor consumenten, 2018 - 2023↩︎

  35. StatLine - Gemiddelde energietarieven voor consumenten, 2018 - 2023↩︎

  36. CPB (2022). cMEV. https://www.cpb.nl/augustusraming-2022↩︎

  37. Kamerbrief-aanvullende-maatregelen-energierekening.pdf↩︎

  38. Idem↩︎

  39. Verordening (EU) 2022/1854 van de Raad betreffende een noodinventerventie in verband met de hoge energieprijzen, 6-10-2022↩︎

  40. Arbeid en zorg 2023. Een onderzoek naar cao-bepalingen omtrent het combineren van werken en zorgen. Het onderzoek is uitgevoerd onder 108 cao’s (bedrijfstakcao’s met 8.000+ werknemers en ondernemingscao’s met 2000+ werknemers). Waar percentages werknemers worden genoemd, verwijst dit naar het aandeel werknemers ten opzichte van het totaal aantal werknemers onder de onderzochte cao’s.↩︎

  41. Modelbeschrijving: het CPB-woningprijsmodel↩︎

  42. Primos-prognose 2025 | Rapport | Rijksoverheid.nl↩︎

  43. Nieuwe stikstofregels: gevolgen voor de woningbouw - EIB↩︎

  44. Verantwoording Centraal Economisch Plan 2026↩︎

  45. https://www.cpb.nl/publicatie/overheidsschuld-op-lange-termijn-en-de-effecten-van-begrotingsregels↩︎

  46. Zie CPB: De Nederlandse overheidsschuld op lange termijn (2025), pagina 22.↩︎

  47. Kamerstukken II, 2025-2026, 21 501-07, nr. 2159↩︎

  48. Mededeling van de Europese Commissie, 21 februari 2023. Bijlage 2 zet de kortingsmethodologie uiteen.↩︎

  49. Raaduitvoeringsbesluit Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, 13 januari 2026↩︎

  50. Kamerstukken II, 2025-2026, 21501-07, nr. 2107 en Tabel halfjaarlijkse rapportage HVP↩︎

  51. Kamerbrief Onderhoudsrapport Specifieke Uitkeringen (OSU) 2024 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl↩︎

  52. CPB_publicatie-analyse-coalitieakkoord-2026-2030 (2).pdf, pagina 32↩︎

  53. CPB_publicatie-CEP-2026-verantwoording.pdf, pagina 17↩︎

  54. Voor het voorbeeld is uitgegaan van uit een werkende eenverdiener zonder kinderen. De persoon met een koopwoning heeft een woning met een WOZ-waarde van 400.000, een hypotheekschuld van 300.000 en een rente van 3,07% (gemiddelde rente op uitstaande hypotheken).↩︎

  55. Kamerstukken II 2025-2026, 36 8484, nr. 101.↩︎

  56. Kamerstukken II 2024/25, 27 926, nr. 394.↩︎

  57. Vat gap in Europe, report 2025.↩︎

  58. Het gemiddelde btw-gat in de periode 2018 t/m 2022.↩︎

  59. Ambtelijke fichebundel naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief | Ambtsbericht | Rijksoverheid.nl↩︎

  60. Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie.↩︎

  61. Dit is de “vooruitziende” (forward looking) gemiddelde belastingdruk zoals bijgehouden door de OESO in Corporate Tax Statistics 2023. Daarbij kijkt men naar de gemiddelde belastingdruk op een fictieve winstgevende investering. Deze belastingdruk is daarmee een indicator voor het investeringsklimaat. Er wordt niet gekeken naar de werkelijke gemiddelde belastingdruk die bedrijven in deze landen betaalden. Zie https://www.oecd.org/tax/tax-policy/explanatory-annex-corporate-effective-tax-rates.pdf voor de verantwoording.↩︎

  62. Motie Nanninga 694 (23432) (#1)↩︎

  63. Zie Zorgen om morgen | CPB Website, bijvoorbeeld pagina 7. En ook paragraaf 3.4 als het gaat om constante arrangementen. In dat geval blijven de overheidsvoorzieningen gelijk in verhouding tot het (geraamde) bbp.↩︎

  64. 18e Studiegroep Begrotingsruimte | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid↩︎

  65. Kamerstuk 36 848 2025/2026, nr. 101.↩︎

  66. Kernprognose 2025-2070 | CBS↩︎

  67. Verordening (EU) 2017/1938.↩︎

  68. https://open.overheid.nl/documenten/683c50ca-f1df-4e57-baa6-cc4d9e8d75ed/file↩︎

  69. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 109↩︎

  70. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 109↩︎

  71. Kamerstukken II 2025/26, 32140, nr. 288.↩︎

  72. Kamerstukken II 2024/25 36 602, nr. 55.↩︎

  73. Kamerstukken II 2024/25, 32140, nr. 225.↩︎

  74. Kamerstukken II 2023/24, 25087, nr. 335.↩︎

  75. Kamerstukken II 2024/25, 36725, nr. 29.↩︎

  76. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 98.↩︎