Conceptverslag Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit
Verslag van een commissiedebat
Nummer: 2026D13595, datum: 2026-03-19, bijgewerkt: 2026-03-24 15:48, versie: 1
Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.
Onderdeel van activiteiten:- 2026-03-19 14:00: Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit (Commissiedebat), vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Preview document (🔗 origineel)
Tweede Kamer, Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Concept
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 19 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid, over:
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 oktober 2025 inzake reactie op de brief van gemeente Kerkrade over gevolgen van recente uitspraak van Raad van State over Wet Bibob (31109, nr. 36);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 31 oktober 2025 inzake rapport Criminaliteit en rechtshandhaving 2024. Ontwikkelingen en samenhangen (33173, nr. 26);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 november 2025 inzake initiatieven gericht op beleidsontwikkeling met betrekking tot online aangejaagde openbareordeverstoringen (28684, nr. 814);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 december 2025 inzake rapport Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 (31109, nr. 37);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 december 2025 inzake evaluatierapport Nederland in het kader van VN-verdrag tegen corruptie (36800-VII, nr. 16);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025 inzake reactie FAD over aanpak van fraude, winkeldiefstal en criminaliteit binnen de detailhandel (28684, nr. 815);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025 inzake evaluatie van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (36800-VI, nr. 27);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit (29911, nr. 492);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake kabinetsreactie op invoeringstoets artikel 174a van de Gemeentewet (36217, nr. 15);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake stand van zaken moties en toezeggingen high impact crimes 2025 (28684, nr. 816);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 januari 2026 inzake rapport Evaluatie Wet Computercriminaliteit III. Een empirisch onderzoek naar de toepassing in de praktijk (34372, nr. 32);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 januari 2026 inzake zesde rapportage Monitor Georganiseerde Criminaliteit (29911, nr. 493);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 februari 2026 inzake beleidsreactie op WODC-onderzoeksrapport Ondergronds bankieren in relatie tot georganiseerde criminaliteit in Nederland (29911, nr. 497);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 februari 2026 inzake WODC-onderzoek Eenheid in veelzijdigheid bij de aanpak van financieel-economische criminaliteit (29911, nr. 498);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 februari 2026 inzake circulaire bewaken en beveiligen (29911, nr. 499);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 maart 2026 inzake Veiligheidsmonitor 2025 (28684, nr. 847);
de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 maart 2026 inzake eerste National Risk Assessment Corruptie (31477, nr. 123).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en
Veiligheid,
Eerdmans
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,
Burger
Voorzitter: Sneller
Griffier: Meijer
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Coenradie, Faber, Martens-America, Schilder, Sneller, Straatman en Zalinyan,
en de heer Van Weel, minister van Justitie en Veiligheid.
Aanvang 14.00 uur.
De voorzitter:
Het is 14.00 uur, dus ik stel voor dat we beginnen met de
commissievergadering van de vaste Kamercommissie voor Justitie en
Veiligheid. Op de agenda staat het commissiedebat
Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit.
Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Van de
zijde van de Kamer zijn aanwezig: mevrouw Zalinyan van GroenLinks-PvdA,
mevrouw Straatman van het CDA, mevrouw Schilder van de Groep
Markuszower, mevrouw Coenradie van JA21 en mevrouw Faber van de PVV. Aan
het eind zal ik namens D66 het woord voeren. We hebben spreektijden
afgesproken van vier minuten per fractie. Ik stel voor te beginnen met
vier interrupties onderling. Mevrouw Martens van de VVD is ook
aangeschoven. Ook zij heeft vier interrupties in de eerste
termijn.
Ik geef graag het woord aan mevrouw Zalinyan voor haar inbreng namens
GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Al jarenlang is bekend dat wat justitie en de
Belastingdienst afpakken aan crimineel geld, totaal niet in verhouding
staat tot wat criminelen verdienen. Naar schatting gaat het jaarlijks om
15 tot 20 miljard euro, terwijl slechts een fractie, in de orde van
honderden miljoenen, wordt afgepakt. Dat moet beter. Elke witgewassen
euro is immers verdiend met criminaliteit. Des te zorgwekkender is het
recente rapport van de Algemene Rekenkamer. Dat schetst opnieuw een
somber beeld van de aanpak van witwassen, net als in 2022. De conclusie
is scherp: de huidige aanpak is onvoldoende effectief en efficiënt. Er
zijn veel en ingrijpende controles, maar er is weinig inzicht in wat die
opleveren. Ook wordt er te weinig gedaan om dat inzicht te verbeteren.
In de reactie van de minister van Financiën mis ik bovendien een
duidelijke sense of urgency. Ik zie witwassen als onderdeel van het
bredere probleem van georganiseerde criminaliteit. Daarom vraag ik de
minister van Justitie en Veiligheid of hij dit rapport samen met
Financiën grondig wil bestuderen en of hij met een uitgebreide reactie
en concrete verbetermaatregelen wil komen.
Daarnaast blijkt uit WODC-onderzoek dat ondergronds bankieren een
essentieel onderdeel is van het criminele bedrijfsproces, met name
binnen de internationale drugscriminaliteit. Tegelijkertijd gaf de
hoofdofficier van het landelijk parket recent in de NRC aan dat naar
schatting 98% van het criminele geld buiten het zicht van justitie
blijft en ondergronds circuleert. Die geldstromen onttrekken zich
grotendeels aan opsporing, terwijl criminelen zich continu aanpassen met
nieuwe methoden, zoals het chemisch camoufleren van cocaïne en het
gebruikmaken van cryptocurrency. Kortom, er is nog altijd te weinig
zicht op criminele geldstromen en de manier waarop deze worden
witgewassen. Tegelijkertijd heb ik waardering voor de inzet van politie
en justitie. Met beperkte middelen boeken zij wel degelijk resultaten,
zoals het kraken van cryptocommunicatie en het blootleggen van
netwerken. De aanpak mag daar echter niet afhankelijk van zijn. Mijn
vraag aan de minister is dan ook: hoe gaat hij deze stagnatie doorbreken
en zorgen voor een effectievere aanpak?
Uit WODC-onderzoek blijkt dat ondergrondse bankiers het reguliere
financiële stelsel en bedrijfsstructuren gebruiken om crimineel geld wit
te wassen. Dat doen ze onder meer via dekmantels. We zien dat ook bij
hypotheekfraude. Criminelen kopen vastgoed met zwart geld, vaak op basis
van vervalste inkomensgegevens of fictieve dienstverbanden. Vervolgens
lossen ze af met illegaal geld. In september 2024 is de motie-Mutluer
aangenomen om de gegevensdeling tussen de Belastingdienst en
hypotheekverstrekkers te verbeteren. Zo wordt fraude met valse gegevens
voorkomen. Inmiddels loopt er via het Financieel Expertise Centrum een
onderzoek naar de aard en omvang van hypotheekfraude en mogelijke
maatregelen daartegen. De minister wil het zetten van nieuwe stappen
uitstellen tot de uitkomsten, die deze maand verwacht worden, bekend
zijn. Wat is de stand van zaken en kunnen we, bijna twee jaar na de
motie, eindelijk concrete stappen verwachten?
Voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit is inzicht in de
achterliggende structuren essentieel. Toch worden bv's nog steeds
misbruikt. Zo komen er signalen dat op één adres tientallen bv's worden
ingeschreven en is het toezicht volgens het OM gebrekkig.
GroenLinks-PvdA en de SP hebben daarom al eerder een initiatiefwet
ingediend voor een centraal aandeelhoudersregister, zodat duidelijk
wordt wie achter die bv's zit en opsporingsdiensten daar gebruik van
kunnen maken. De minister noemde dit een nuttig instrument en zou
hierover in overleg gaan met notarissen en andere betrokkenen. Heeft dat
overleg inmiddels plaatsgevonden en wat zijn de uitkomsten?
Tot slot: gemeenten. Gemeenten signaleren steeds vaker ogenschijnlijk
legale ondernemingen met "niet pluis"-signalen, zoals winkels of horeca
zonder zichtbare klanten of activiteit. De impact op de leefbaarheid en
het ondernemingsklimaat is vaak aantoonbaar. De impact op de openbare
orde, die nodig is om bestuurlijk in te kunnen grijpen, is moeilijk vast
te stellen. Juist wanneer ondernemingen als dekmantel voor illegale
activiteiten dienen, proberen malafide ondernemers zichtbare
verstoringen van de openbare orde te vermijden. Wij vragen de minister
hoe hij het bevoegdheidsgat en de wens van gemeenten om meer ruimte te
krijgen om op te treden bij dergelijke signalen beoordeelt.
Dank, voorzitter. Ik houd het hierbij.
De voorzitter:
Uitstekend. Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Straatman voor
haar inbreng namens de CDA-fractie.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Georganiseerde en ondermijnende criminaliteit
vormt een directe bedreiging voor onze rechtsstaat. Dat zijn geen holle
frases; dat is de bittere werkelijkheid. Eind vorig jaar schreef een
Belgische rechter een brandbrief waarin zij stelde dat onze zuiderburen
afstevenen op een narcostaat. Ze moest onderduiken voor de
georganiseerde misdaad. Wij wisten, na de moorden op Derk Wiersum en
Peter R. de Vries, natuurlijk al langer dat de impact van de
georganiseerde misdaad ook hier doorwerkt in het werk van rechters,
advocaten en hoeders van onze rechtsstaat. Maar ook breder in de
samenleving zien we dat georganiseerde criminaliteit steeds zichtbaarder
wordt, bijvoorbeeld door explosies bij woningen en bedrijven en door
drugslabs in wijken. Jonge, kwetsbare jongeren worden schaamteloos
geronseld voor criminaliteit.
Voorzitter. Laat duidelijk zijn: tegenover georganiseerde misdaad moet
een georganiseerde overheid staan. Wat het CDA betreft is dat een
georganiseerde overheid die criminele netwerken niet alleen hard
bestrijdt, maar ook daadwerkelijk ontwricht. Allereerst kom ik dan bij
het aanpakken van crimineel vermogen. De implementatiedeadline voor de
EU-Confiscatierichtlijn is 23 november van dit jaar. Hoever is de
minister met de implementatie van deze belangrijke richtlijn, die het
mogelijk maakt om crimineel vermogen ook zonder veroordeling van een
verdachte af te pakken?
Wat het CDA betreft pakken we het crimineel vermogen niet alleen af,
maar investeren we het in de wijken die onder die criminaliteit hebben
geleden. Het mooie initiatief in Schiedam is daar een voorbeeld van. In
2023 werd in Schiedam een leer-werkplaats geopend die kwetsbare jongeren
helpt om nieuwe kansen te krijgen op de arbeidsmarkt. Dat was het eerste
project dat werd gefinancierd met afgepakt crimineel geld. Tot
teleurstelling van het CDA werd vorige maand bekendgemaakt dat deze
pilot per 1 oktober van dit jaar stopt. Wat kan de minister zeggen over
de resultaten van deze pilot? Waarom komt er geen vervolg? Is de
minister bereid om meer van dit soort projecten op te starten met
afgepakt crimineel geld?
Voorzitter. Die herbestemming van crimineel vermogen is essentieel om
wijken die lijden onder criminaliteit zichtbaar te helpen, juist omdat
het vaak ook kwetsbare wijken met veel sociale armoede zijn. Dat bleek
deze week ook weer uit de Onderwereldkaart die werd gepubliceerd. Daar
kwamen juist Schiedam, Rotterdam en ook Heerlen in terug. De grensregio
heeft daarbij een extra eigen dynamiek: het heeft kwetsbare jongeren en
een perfecte ligging, maar desondanks vaak heel weinig
politiecapaciteit. Ziet de minister mogelijkheden om, in gesprek met de
politieleiding, ruimte te maken voor extra politie-inzet in die
grensregio?
Voorzitter. Dat brengt me bij preventie. Uit de Monitor Georganiseerde
Criminaliteit blijkt dat verdachten die betrokken raken bij zware,
georganiseerde criminaliteit steeds vaker geen eerdere justitiecontacten
hebben. Ze belanden ogenschijnlijk uit het niets in de zware
criminaliteit. Wat betekent de instroom van deze jongeren zonder
strafblad voor de huidige preventiestrategie?
Tot slot de gegevensdeling. Het is goed dat de Taskforce Gegevensdeling
nog twee jaar doorgaat. Gebrekkige informatiedeling tussen instanties is
namelijk een doorn in het oog. Het komt ook keer op keer terug. Neem nu
ook weer de evaluatie van de Wet Bibob. Een van de belangrijkste
conclusies daaruit is dat de tipfunctie tussen gemeenten onvoldoende
wordt gebruikt, omdat het voor bestuursorganen lastig is om te
beoordelen welke informatie moet en mag worden gedeeld. Wat is de
reactie van de minister daarop?
Voorzitter. Laat ik afsluiten met een positieve noot. Het doorbreken van
PGP-berichten door de politie heeft aangetoond dat het lukt om de
georganiseerde misdaad een zware slag toe te brengen. Dat geeft hoop.
Maar voor effectief gebruik van de hackbevoegdheid is versleuteling nog
steeds een grote barrière. Om nog zo'n PGP-voltreffer te maken, zullen
we het gesprek moeten blijven voeren over hoe we, binnen de
rechtsstatelijke grenzen, omgaan met de versleuteling van berichten. Hoe
kijkt de minister hiertegen aan?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Schilder namens de
Groep Markuszower.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Het effectief bestrijden van criminaliteit
begint bij het hebben van een goed beeld van wat er in de samenleving
speelt. Cijfers spelen daarin een belangrijke rol. Het rapport
Criminaliteit en rechtshandhaving lijkt te laten zien dat de
criminaliteit daalt. Dat klinkt positief, maar dat beeld is vertekend.
Deze cijfers gaan namelijk alleen over de geregistreerde criminaliteit,
en dat is niet hetzelfde als de werkelijke omvang. De aangiftebereidheid
staat onder druk. Politiebureaus verdwijnen, waardoor de drempel om
aangifte te doen hoger wordt. Daarnaast speelt schaamte vaak een rol,
waardoor slachtoffers geen aangifte doen. Laten we onszelf dus vooral
niet rijk rekenen. Ik vraag de minister of hij een plan heeft om de
drempels voor het doen van aangifte weg te nemen.
Wat zorgen baart, is het grote aantal minderjarige verdachten. Het gaat
om zware feiten. Ik noem straatroven en explosies zoals die van
afgelopen week bij de synagoge in Rotterdam. Jongeren worden vaker
ingezet bij de georganiseerde criminaliteit als uithalers, geldezels en
loopjongens. Deze jongeren plegen de feiten, maar daarachter zitten
volwassenen die hen aansturen. Dat zijn criminelen die heel goed weten
dat jongeren minder zwaar worden gestraft. Een op de zeven jongeren
wordt benaderd voor criminaliteit. 30% van de jongeren staat open voor
criminele klussen, als het maar voldoende geld oplevert. Het is een
gigantische arbeidsmarkt. Mijn fractie wil de hoogste prioriteit geven
aan het oppakken van ronselaars. Wie minderjarigen de criminaliteit in
trekt, verdient een forse straf. Daarom willen wij het ronselen voor
criminele activiteiten als zelfstandig strafbaar feit in de wet opnemen.
Zo kunnen we ingrijpen, gerichter vervolgen en zwaarder straffen. Daarom
vraag ik aan de minister of hij bereid is om ronselen als apart delict
op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, met een passende zware straf
en met strafverzwaring als het om minderjarigen gaat.
Voorzitter. In sommige gebieden in ons land ligt de criminaliteit
structureel hoger. In diezelfde gebieden zien we vaak dat er sprake is
van een hoge concentratie van opvanglocaties en groepen met een
niet-westerse migratieachtergrond. Dit wil niet zeggen dat iedereen zich
schuldig maakt aan criminaliteit, maar het wordt wel tijd dat we
erkennen dat het huidige beleid van vergoelijken en wegkijken faalt.
Daarom vraag ik de minister of hij erkent dat er meer criminaliteit is
in gebieden met veel opvanglocaties en groepen niet-westerse migranten.
Gaat de minister deze groep eindelijk eens echt aanpakken en uitzetten
na het plegen van strafbare feiten, of blijft hij ze belonen met
voorrang op huizen, dagjes Efteling en gratis busreizen?
Voorzitter, tot slot. Wie de criminaliteit echt wil bestrijden, moet het
verdienmodel aanpakken. Zolang criminelen miljoenen kunnen verdienen en
dit geld mogen houden, blijft criminaliteit aantrekkelijk. Dat blijft
het ook voor jongeren die worden geronseld. Crimineel vermogen moet dus
sneller afgepakt worden en dat moet harder gebeuren. Er moet direct
ingegrepen worden en er moeten zeker geen procesafspraken gemaakt worden
waarbij criminelen hun winst mogen houden. Er ligt inmiddels een
wetsvoorstel om dit te vergemakkelijken en het geld af te pakken zonder
veroordeling. Dit laat zien dat het probleem wordt erkend. Daarom vraag
ik de minister of hij de mogelijkheden van deze wetgeving maximaal gaat
benutten om het afpakken van crimineel vermogen fors te intensiveren.
Gaat hij ervoor zorgen dat we niet alleen de opgepakte dader raken, maar
ook het gehele verdienmodel vernietigen? Hoe gaat hij dit concreet doen?
Ik hoor het graag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Coenradie voor haar
inbreng namens JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Vandaag spreken we over criminaliteitsbestrijding en
ondermijning. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: we maken
er een ongekende puinhoop van. In tal van gemeenten heeft het lokaal
gezag geen grip op jongeren, veelal van Marokkaanse, Antilliaanse of
Syrische afkomst. Deze problematiek verspreidt zich als een olievlek
over ons land: van Drimmelen, Etten-Leur en Zwijndrecht tot aan de
excessen in Almere, Lelystad en Utrecht. Het gebeurt in en rondom
winkelcentra, op pleinen en in stadscentra. Volgens advocaat Peter
Schouten is de situatie in Lelystad zelfs zo ernstig dat er
overeenkomsten zijn met die in de buitenwijken van Stockholm.
Voorzitter. Op deze manier veranderen onze gemeenten in
derdewereldgebieden, en dat accepteer ik niet. De lokale gezagen hebben
hier geen of onvoldoende grip op. Samenscholingsverboden hebben hier en
daar effect, maar een echte, fundamentele aanpak om dit gedrag de kop in
te drukken, ontbreekt. Het helpt ook niet dat we in te veel gemeenten te
maken hebben met slappe bestuurders die voortdurend roepen dat deze
jongeren "kwetsbaar" zijn. Dat zijn bestuurders met een handelswijze die
mij doet denken aan de slappetheepolitiek uit de jaren negentig van
talloze PvdA-burgemeesters in grote steden. "We moeten met de goede
krachten het gesprek aangaan", zei burgemeester Sharon Dijksma na de
totale escalatie in Overvecht vorige week naar aanleiding van een
aanhouding. Dat is totaal lachwekkend. Het is absurd om te denken dat
praten met de goeden een oplossing is voor het gedrag van de kwaden. Als
je dat echt denkt, dan snap je er simpelweg helemaal niets van. Laten we
eerlijk zijn: Overvecht is op dit moment een no-goarea. Ik ben het niet
met veel van wat burgemeester Dijksma heeft gezegd eens, maar wel met
het feit dat Utrecht versterking nodig heeft. De minister wil
structurele ME-ondersteuning voor Utrecht niet toezeggen vanwege
capaciteit, maar zegt wel dat hij het tij wil keren in moeilijke wijken.
Welke concrete belofte doet hij hier eigenlijk?
Voorzitter. In Lelystad en Almere zijn jeugdbendes, veelal van
Marokkaanse en Antilliaanse afkomst, de baas op straat. Explosies,
intimidatie, drugsdeals, overlast en dreigementen zijn daar aan de orde
van de dag. Het lokaal gezag en de gemeente kunnen dit om tal van
redenen niet alleen aan. Er is regie, hulp en steun vanuit de landelijke
overheid nodig. Lelystad en Almere zijn niet de enige gemeenten die hulp
nodig hebben, maar wel gemeenten waar recent sprake was van excessen.
Wat doet de minister momenteel om vanuit zijn positie gemeenten te
helpen bij het bestrijden van dit probleem van jongerencriminaliteit?
Werkt hij aan een extra of gerichte aanpak?
Voorzitter. Ik begrijp dat we dit probleem niet van vandaag op morgen
kunnen oplossen. Als ik het ei van Columbus had gehad, had ik dat
gisteren nog met u gedeeld. Maar we mogen als landelijke politiek niet
wegkijken van wat er in onze steden en dorpen gebeurt. We verliezen het
gezag over straten, wijken en winkelcentra aan kinderen en adolescenten.
Dat is lachwekkend, triest en veelzeggend over de apathische staat van
onze overheid. Er moet echt iets gebeuren. Dat is fundamenteel
noodzakelijk, voor de veiligheid op straat, maar ook voor onze eigen
geloofwaardigheid als politiek en overheid. Wat mij betreft beginnen we
vandaag nog met twee concrete voorstellen, die ik graag aan de minister
wil voorleggen.
Ten eerste noem ik heropvoedingsprogramma's. Jongeren met herhaald
problematisch, overlastgevend en crimineel gedrag nemen dan verplicht
deel aan een tijdelijk, gestructureerd en disciplinair programma, waarin
onderwijs, normen en waarden, heropvoeding en andere noodzakelijke
elementen centraal staan. Hiervoor is simpelweg verplichte gesloten
plaatsing nodig. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Is hij bereid zo
snel mogelijk werk te maken van deze aanpak, waarbij ook eventuele
juridische belemmeringen worden weggenomen?
Ten tweede. In Denemarken werkt men met een systeem waarin de rechter,
politie en gemeenten samen vroeg ingrijpen als jongeren betrokken raken
bij ernstige criminaliteit. Zij kunnen snel een verplicht traject
opleggen, met bijvoorbeeld gedragsinterventies, verplichte
schooldeelname, toezicht, gezinsbegeleiding of, indien nodig, plaatsing
buiten het gezin. In Nederland bestaan vergelijkbare maatregelen, maar
die zijn versnipperd over strafrecht, jeugdzorg en gemeentelijke
bevoegdheden. Zou zo'n integrale aanpak ook hier kunnen helpen? Is de
minister bereid om op z'n minst te onderzoeken of dit systeem in
Nederland toepasbaar is?
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik deel de zorgen als het gaat om de situatie in Utrecht en Lelystad. Ik
hoorde mevrouw Coenradie ook zeggen dat zij de oproep van de
burgemeester van Utrecht voor een eigen ME-korps zou willen
ondersteunen. Zoals ik het begrijp, gaat een ME-korps in Utrecht ten
koste van de flexibele inzet elders in het land. We zien hoe groot de
grensproblematiek is. Kijk bijvoorbeeld hoeveel gemeenten alleen al in
Zuid-Limburg hoog op de Onderwereldkaart boven komen drijven. Ik vraag
me af hoe u dat ziet. Hoe ziet u de politiecapaciteit in de grensregio's
en buiten de Randstad?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben natuurlijk geen strategisch personeelsmanager. Maar als je het
mij vraagt, denk ik dat we natuurlijk geen blikken met personeel of met
ME-mensen buiten hebben staan. De rek is er heel erg uit. Ik denk wel
dat het goed is dat er überhaupt goed gekeken wordt hoe we omgaan met de
capaciteit die we wél hebben, niet alleen vanuit de politie, maar ook
vanuit de minister. Het gaat daarbij niet alleen om de ME, maar ook om
al het politiewerk, de wijkagenten en alle dienders op straat en op
kantoren. Waar kunnen we efficiencyslagen maken? Waar kan de politie het
nog hebben en waar moet de politie ook gewoon nee durven te verkopen
richting de politiek? Ik denk dat er andere keuzes gemaakt moeten
worden. Nogmaals, ik ben geen strategisch personeelsmanager. Wat mij
betreft is dat iets wat de korpsleiding samen met de minister goed moet
bekijken. Daarbij is er ruimte om te zeggen: heel veel dingen kunnen we
aan, maar dit is ook wat we moeten loslaten. Dan kijk je vervolgens wat
de minister of de Tweede Kamer daarvan vindt. Maar er zullen keuzes
gemaakt moeten worden, want, nogmaals, niemand heeft hier een blik met
agenten of ME-mensen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Juist omdat we geen blik agenten en ME-mensen hebben, is het heel
belangrijk om scherp te hebben dat als er politieagenten of ME-mensen
elders in het land bij komen, dat ten koste gaat van andere regio's. Als
we naar de kaart van Nederland kijken, zien we dat de Randstad vaak
overbedeeld is. Laten we alsjeblieft ook oog houden voor de provincies
en regio's aan de grens. Daar is de problematiek ook heel groot. Daar
schreeuwen de burgemeesters misschien iets minder hard in de media, maar
we moeten echt voorkomen dat daar steeds minder politieagenten naartoe
gaan, want de problematiek is daar zeer groot.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat raakt niet alleen de voorstellen die ik hier vandaag doe, maar ook
de aangenomen motie van vorige week waarin ik zeg dat verwarde mensen
niet in het strafrecht thuishoren en dat we ook moeten kijken naar
andere voorzieningen, omdat ik van mening ben dat niet alles een taak is
van de politie. Daarmee bedoel ik te zeggen dat de politie ook weleens
nee mag zeggen. Zij mogen ook weleens zeggen: dit kunnen wij nog wel aan
en dit is gewoon simpelweg niet van ons. Dan gaat het over verwarde
mensen en heel veel zaken die in de preventieve sfeer zitten of die
eigenlijk bij de gezondheidszorg horen. Die zaken horen daar en zijn
niet van de politie. Op het moment dat we die allemaal wel steeds bij de
politie neerleggen, moeten we niet verbaasd zijn dat we ME's niet meer
dedicated voor in dit geval Utrecht kunnen inzetten.
De voorzitter:
Ja? Dan gaan we naar mevrouw Faber voor haar inbreng namens de
PVV-fractie.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Nederlanders voelen zich steeds onveiliger op
straat. Een voorbeeld is een wijk in Amsterdam-West waar het
islamitische Cornelius Haga Lyceum gelegen is. Omwonenden worden er
dagelijks geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen en grove
scheldpartijen door groepen moslimjongeren, elke dag weer. Wordt er van
elk incident nog aangifte gedaan? Aangifte doen wordt steeds moeilijker
gemaakt. Er zijn minder politiebureaus en agenten ontmoedigen mensen
soms om aangifte te doen, terwijl het aannemen van een aangifte wel
verplicht is. Graag een reactie van de minister hierop.
Door bedreigingen zien slachtoffers af van aangifte. Een taxichauffeur
in Lelystad werd tijdens een overval met een pistool op zijn hoofd
geslagen. Verantwoordelijken: de Kempenaarbende. Hun handelsmerk:
intimidaties en bedreigingen na overvallen, om aangifte te voorkomen.
Beweerd wordt dat de criminaliteitscijfers gelijk blijven, maar komt de
geregistreerde criminaliteit nog wel overeen met de werkelijkheid? Graag
een reactie van de minister.
Voorzitter. Jongeren worden steeds vaker ingezet voor criminele klussen,
niet alleen online, maar ook rond azc's. Met het opengrenzenbeleid
hebben wij niet-westerse migranten geïmporteerd, met hun problemen en
cultuur. De helft van de seksuele misdrijven wordt gepleegd door
allochtonen, waarvan het overgrote deel niet-westers is. Dat is wellicht
een van de redenen dat omwonenden van azc's in Lochem en Dordrecht
€1.000 krijgen voor beveiligingsmaatregelen. Waar gebeurt dat nog meer?
Graag een reactie.
Groepen jonge Syriërs vechten op Nederlandse straten hun vetes uit. In
Groningen liep het zo uit de hand dat agenten gehuld in kogelvrije
vesten en met getrokken pistolen nodig waren. In Arnhem is er gemiddeld
een à twee keer per week een ernstig incident met minderjarige Syriërs.
Een deel van de Syrische jongeren is gewetenloos en voor niets bang en
daarom geliefd bij criminele bendes, die hen rekruteren voor hun
klussen. Het gaat van kwaad tot erger. Kortom, deze jongeren moeten snel
herenigd worden met hun familie, niet hier, maar in Verweggistan. Het
kan toch niet zo zijn dat we crimineel gedrag gaan belonen met de
jackpot, namelijk gezinshereniging in Nederland?
Voorzitter. Nederland heeft een drugsprobleem. Nu heeft de rechtbank in
Haarlem besloten om drugskoeriers milder te straffen. Ze vinden het
namelijk onrechtvaardig dat er scheefgroei is ontstaan tussen de
straffen die worden opgelegd aan de drugskoeriers die worden opgepakt op
Schiphol en de straffen die worden opgelegd in omvangrijke drugs- en
witwaszaken. De oorzaak: het OM heeft procesafspraken gemaakt met de
verdachten in grote strafzaken. Hierdoor kan het OM een derde minder
straf eisen in ruil voor het afzien van verweer en hoger beroep door de
verdachte. Maar deze deals moeten wel eerst goedgekeurd worden door de
rechter. De rechter werkt hier dus aan mee. Je moet dus niet zeuren als
je er zelf een aandeel in hebt. De rechter verlaagt op deze wijze zowel
voor kleine als grote criminelen de strafmaat. Dat is niet goed voor de
afschrikkende werking. Door de strafvorderingsrichtlijnen die het OM in
het leven heeft geroepen, worden de strafeisen ook al drastisch
verlaagd. Nu doet de rechter er ook nog een schep bovenop voor de
drugskoeriers. Straks wordt er helemaal niet meer gestraft. Het wordt de
hoogste tijd voor minimumstraffen, want wat heeft het verhogen van
minimumstraffen op deze manier nog voor zin? Graag een reactie van de
minister.
Voorzitter. Door stevige straffen en meer inzet daalt het aantal
explosies in Amsterdam. Hier kwam echter afgelopen week een abrupt einde
aan toen uit terroristisch motief een explosie plaatsvond bij Atrium aan
de Zuidas. Dit gebeurde na een aanslag op een synagoge en een Joodse
school. Het wordt tijd dat de politiek correcte elite zijn lafheid laat
varen en het probleem onomwonden benoemt. Dat probleem is de
islam.
De aanval is ook ingezet op kerken en andere christelijke symbolen. Eind
februari was het weer raak in Ede. In één week tijd werden daar drie
kerken in brand gestoken. Zo werd er bij één een molotovcocktail naar
binnen gegooid en werden bij een andere kerk, een rijksmonument, de
deuren ingesmeerd met een brandbare vloeistof waarna het gebouw in de
fik werd gestoken. Dit zijn geen ongelukken maar acties met
voorbedachten rade. Is er al iets bekend over de daders en de
motivaties? Graag een reactie van de minister.
Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we ten slotte naar mevrouw Martens namens de
VVD-fractie. Op één na ten slotte, bedoel ik.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wilde al zeggen, sla uzelf vooral niet
over!
Voorzitter. Het toenemende gevoel van onveiligheid op straat is één
ding, maar de zorgwekkende vermenging van de onder- en bovenwereld, de
ondermijning, is een tweede: minder zichtbaar, maar niet minder
desastreus. Sinds de moorden op de broer van een kroongetuige, op
advocaat Derk Wiersum en op Peter R. de Vries heeft iedereen kunnen zien
dat de aanpak van de ondermijnende drugscriminaliteit een ander manier
van denken en van politiek bedrijven vergt, een manier die gericht is op
het doorbreken van de criminele verdienmodellen en het ontmantelen van
deze criminele netwerken.
Voorzitter. Laat ik duidelijk zijn: preventie is essentieel. Voorkomen
dat jongeren een weg op gaan die enkel slechte uitkomsten kent, moet het
uitgangspunt zijn: inzetten op het voorkomen van schooluitval, betere
taalbeheersing en begeleiding naar werk. Maar tegelijkertijd mag er
nooit, maar dan ook nooit, een excuus zijn om crimineel handelen goed te
praten, want dat is iets waarmee je uiteindelijk bewust bijdraagt aan
het onveilig maken van ons land. Daartegen zal de VVD zich blijven
verzetten. Wij blijven pleiten voor zwaardere straffen voor criminelen,
het aanpakken van criminele kopstukken, het inzetten op het vergroten
van de meldingsbereidheid en op het niet langer laten prevaleren van de
privacy van daders boven de veiligheid van burgers. Tastbaar. Een haakje
naar de verkiezingen die we gisteren hebben gehad: je merkt dat er in de
politiek, bijvoorbeeld in de gemeenteraad, ellenlange discussies blijven
plaatsvinden over de doelmatigheid van eventuele extra camerabewaking.
Ondertussen ben je jaren verder voordat er daadwerkelijk iets gebeurt op
straat. Privacy is op gemeentelijk niveau steeds vaker belangrijker dan
de veiligheid van de inwoners.
Voorzitter. Gezien de hoeveelheid spreektijd wil ik graag de nadruk
leggen op twee punten. Eén, smokkel via zee- en luchthavens; twee, het
verwerken van de gegevens via woningbouwcorporaties.
Als eerste smokkel via zee- en luchthavens. Te vaak zie je dat de
huidige criminelen nog wegkomen met illegale smokkel, bijvoorbeeld
smokkel van drugs via onze lucht- en zeehavens. Vervolgens zijn de
gevolgen hiervan zichtbaar in onze straten. In 2022 heeft toenmalig
minister van JenV Yeşilgöz een plan opgesteld om dit tegen te gaan.
Hiervoor is toen een groot aantal miljarden aan structureel geld
beschikbaar gesteld en we zien nu de eerste positieve effecten hiervan.
Vooral de nauwe samenwerking met landen om ons heen heeft positieve
effecten. Maar de problemen lijken zich te verplaatsen naar de kleinere
zeehavens; zie bijvoorbeeld de recente drugsvangst in Scheveningen. Ik
zou de minister willen vragen in hoeverre we deze kleinere zeehavens
kunnen betrekken bij dit grote project en kunnen meenemen in deze
aanpak.
Dan het verwerken van gegevens via woningbouwcorporaties. Het goed
kunnen bestrijden van deze georganiseerde criminaliteit is alleen
mogelijk als er een goede samenwerking bestaat tussen deze verschillende
organisaties. Ik ben dan ook blij dat er in het akkoord een passage is
opgenomen over het delen van deze persoonsgegevens. Wat de VVD betreft
zou het niet mogelijk moeten zijn dat criminelen zonder straf wegkomen
omdat de overheid het delen van bepaalde gegevens niet toelaat of zelfs
belemmert. In 2024 heeft mijn collega Michon een motie ingediend die
verzoekt de mogelijkheden te verkennen voor een wettelijke grondslag
voor woningbouwcorporaties om gegevens over criminelen te delen, en zo
te voorkomen dat huurders op een nieuwe locatie gaan wonen zonder dat er
meer kennis bestaat over hun criminele verleden. Ik wil de minister
vragen naar de voortgang en de uitvoering van deze motie.
Dank u wel.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb een vraag over de opmerking van mevrouw Martens-America dat de
privacy van criminelen niet belangrijker mag zijn dan de veiligheid van
burgers. Ik kan mij daar helemaal bij aansluiten. In de evaluatie door
het WODC van computercriminaliteit schrijft het WODC over de
hackbevoegdheid dat het steeds ingewikkelder wordt vanwege de
versleuteling van berichten. Ze doen eigenlijk een oproep aan de
wetgever om na te denken hoe om te gaan met privacy versus veiligheid.
Ik vroeg me af hoe mevrouw Martens-America daarnaar kijkt, naar die
conclusie en die aanbeveling, mede in het licht van de motie van een
paar weken terug die wel door de VVD is gesteund, die de regering
ondubbelzinnig opriep om op te komen voor het recht op
end-to-end-encryptie in alle discussies in alle relevante nationale en
Europese beleids- en wetgevingstrajecten. Hoe verhoudt dat zich tot
elkaar? Ik ben benieuwd hoe zij daarnaar kijkt.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Een hele mooie technische vraag, die ook laat zien dat cyberveiligheid —
als we het even de digitale hoek in trekken — zo veel facetten kent dat
het gewoon best wel lastig is om hier nu een heel makkelijk antwoord op
te geven. Wat ik in mijn bijdrage bedoelde, is bijvoorbeeld dat als
iemand verhuist van een gemeente naar een gemeente, onze eigen
privacyregelingen ervoor zorgen dat die gegevens niet met elkaar gedeeld
worden. Dat is het stuk privacy waar ik op doelde. Ik denk dat die vraag
heel legitiem is. Volgens mij hebben we het maandag over de cyberwet. Ik
kan me zo voorstellen dat we het dan ook hierover gaan hebben. Maar in
dezen bedoelde ik de meest basale vorm van het delen van
persoonsgegevens tussen bijvoorbeeld gemeenten.
De voorzitter:
En aangezien mevrouw Straatman al zo lekker veel heeft geïnterrumpeerd,
zou ik haar willen vragen om het voorzitterschap even over te
nemen.
Voorzitter: Straatman
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Sneller, voor zijn bijdrage namens
D66.
De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik wou twee onderwerpen aanstippen: ten eerste
ondermijning en daarna corruptie. Onlangs hebben wij de opdrachtbrief
gekregen die deze minister als coördinerend minister mag gaan uitvoeren
voor de Taskforce Ondermijning. Het is veel "harde aanpak" en "krachtig
internationaal offensief", terwijl ook wordt gezegd: langs de lijnen
wordt aan voorkomen, doorbreken, bestraffen en beschermen gewerkt. Ik
vroeg mij af op welke manier de minister van plan is om ook dat
"voorkomen" langs te laten komen. Ik denk dat er heel effectieve
programma's zijn en volgens mij gaat het er uiteindelijk ook om dat die
aanpak effectief is. Als "hard" daarvoor nodig is, moeten we het hard
doen, maar als we het aan de voorkant kunnen doen, dan is dat volgens
mij alleen maar goed, zoals ook mevrouw Martens zei. En we zien dat
programma's als Preventie met Gezag daar ook effectief in kunnen
zijn.
Op de agenda staat ook de evaluatie van het CCV. De voorganger van deze
minister zegt dat hij tevreden is met de uitkomsten en waardering heeft
voor het belangrijke werk. En dan komt er een cryptische zin: "geen
reden voor beleidswijzigingen, maar we blijven samen kijken naar de
financiële uitdagingen". Tot nu toe is er steeds een amendement van de
Kamer voor nodig geweest om de subsidie voor het CCV overeind te houden.
Ik vroeg mij af hoe de minister dat voor de komende jaren ziet.
De andere evaluatie die op de agenda staat, gaat over de uitbreiding van
de Wet Bibob. Daarin wordt gezegd dat ook in de evaluatie van de wet uit
2013, die vijf jaar geleden is gepubliceerd, het gebrek aan capaciteit
en kennis het belangrijkste knelpunt was voor de toepassing van de wet.
In deze evaluatie is dat wederom het geval. Dit heb ik ook bij de
behandeling van de wet die nu geëvalueerd wordt, gezegd: we gaan nu de
bevoegdheden uitbreiden? Soms is dat nodig, en ik heb dat ook gesteund,
maar tegelijkertijd is het cruciaal om te zorgen dat gemeenten, maar in
dit geval ook rijksoverheidsorganisaties, ermee kunnen werken en ook
daadwerkelijk gaan meewerken. Dus ook hier is mijn vraag: hoe gaan we er
nou voor zorgen dat die capaciteit op orde komt voor degenen die het
moeten gebruiken, om het ook daadwerkelijk te benutten? Want anders
creëren wij hier instrumenten die vervolgens een lege huls
blijven.
Dan vroeg ik mij voor de taskforce en de verdere uitwerking af op welke
manier we kunnen gaan zien en volgen of het ook daadwerkelijk werkt. Dus
welke indicatoren worden er zo meteen gebruikt? Een eerder
WODC-onderzoek zei: stop met het gebruiken van het woord "ondermijning".
Nou, dat advies van het WODC is niet overgenomen. Maar hoe kunnen we
ervoor zorgen dat het WODC over een tijd wel de effectiviteit van de
gekozen aanpak kan evalueren?
Dan corruptie. Dank voor het eerste National Risk Assessment. Wij zijn
in 2024 gedaald tot een historisch lage plek op de corruptie-index van
Transparency International. Ik denk dat dat heel zorgelijk is. We dalen
niet verder, gelukkig, maar we gaan ook niet de goede kant op. Ik denk
dat dat wel belangrijk is. Daarvoor ligt er in Europa ook een
anticorruptiestrategie, die hopelijk binnenkort wordt vastgesteld en
vervolgens door lidstaten moet worden geïmplementeerd. Mijn vraag aan de
minister is: op welke manier bereidt hij zich voor, zodat we dat ook
snel kunnen doen? Dat gaat namelijk belangrijke handvatten bieden. Er
zitten ook een aantal lidstaatopties in, waarbij wat mij betreft door
Nederland wat extra ambitie zou kunnen worden getoond. De vraag die ik
aan de minister heb, is: kan hij toezeggen dat hij, voordat hij het
wetsvoorstel daarover gaat sturen, eerst met een brief komt over wat hij
van plan is met die lidstaatopties te gaan doen? En breder: is hij
bereid om eindelijk een nationale anticorruptiestrategie te maken, zodat
we daar als Kamer over kunnen praten voordat we over het wetsvoorstel
spreken?
Uit dat risk assessment, waarvan ik denk dat het een heel mooi eerste
overzicht is, blijkt voor bijvoorbeeld corruptie door statelijke
actoren, door criminele organisaties en door private partijen, als we
kijken naar volksvertegenwoordigers en politiek bestuurders, een
potentieel hoge impact en hele lage weerbaarheid. Daarvoor wil ik
specifiek ook aandacht vragen.
Daarmee ben ik door mijn tijd, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Ik geef dan nu het voorzitterschap terug, tenzij ... Nee, er zijn geen
interrupties.
Voorzitter: Sneller
De voorzitter:
Wij gaan over twintig minuten verder.
De vergadering wordt van 14.35 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Het is 14.55 uur. De minister is klaar voor de beantwoording in eerste
termijn en de leden zijn ook zover om daarnaar te gaan luisteren. Ik
geef graag de minister van Justitie en Veiligheid het woord.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Procesmatig: ik heb een korte inleidende tekst over
dit onderwerp, aangezien het het eerste debat is met uw Kamer in deze
kabinetsperiode over deze belangrijke onderwerpen. Daarna ga ik in op de
brede basis van de ondermijningsaanpak, omdat daar veel vragen over
werden gesteld. Dan ga ik in op een integere en veilige economie, en ten
slotte op andere belangrijke onderwerpen die vandaag aan de orde zijn
gekomen.
Laat ik ermee beginnen dat ik het een eer vind om dit onderwerp weer ter
hand te mogen nemen. Dat zeg ik niet omdat dit onderwerp in een rustig
vaarwater is beland. Ik zou zeggen: integendeel, we hebben een enorm
probleem met ondermijnende criminaliteit. Dat probleem hebben we in deze
globaliserende wereld, waarin de werelden van drugshandel, communicatie,
corruptie et cetera meer en meer met elkaar verweven zijn. Dat probleem
hebben we in Europa, en we hebben dat ook in Nederland.
De zege dat ons land logistiek en financieel fantastisch gepositioneerd
is, heeft als keerzijde dat diezelfde logistieke en financiële wegen
bewandeld worden door diegenen die er misbruik van willen maken. Dat
geldt voor de mensen aan de top van de keten — we weten allemaal wie dat
zijn — die we natuurlijk moeten aanpakken. Maar dat geldt ook voor de
bodem van die keten. Ook daar zijn veel vragen over gesteld, namelijk
hoe we voorkomen dat onze jeugd afglijdt en langzaam in het criminele
circuit terechtkomt. Dat vraagt om een aanpak die op al die
verschillende thema's ingaat. Het gaat van preventie — voorkómen, in de
woorden van de heer Sneller — tot een aanpak voor het beschermen van
onze economie en de integriteit van onze instituties, tot en met het
doorbreken van deze criminele modellen.
Een hoop van mijn werkbezoeken in de eerste weken legde ik ook af in dat
kader. Zo ben ik in Breda met de politie en een medewerker van Preventie
met Gezag naar de wijk Hoge Vucht geweest. Dat was voor mij een enorme
eyeopener. Deze wijk is enorm opgeknapt maar staat bekend om zijn
criminaliteit. Het is de kraamkamer van Bolle Jos. Als je door die wijk
rijdt met de politie, dan vallen een aantal dingen op. Eén. De wijkagent
en de Preventie met Gezag-medewerker hebben goed contact met de jeugd
die daar rondhangt. Zij weten wat daar speelt en kunnen ook contact
maken met die jongeren. Twee. Dat voorkomt niet dat een heleboel van die
jongeren het model van een leven in de criminaliteit verkiezen boven een
alternatief. Ik ben thuis geweest bij een jongen van 13 met een
enkelband, die al een paar jaar niet meer naar school gaat omdat dat
niet te doen is. Hij heeft meerdere roofovervallen en mishandelingen op
zijn naam staan, 13 jaar oud. Daaruit komen, zorgen voor perspectief en
voorkomen dat zo iemand met die loopbaan doorgaat, vraagt enorm veel
effort.
De politie kan dat niet alleen. We kunnen dat niet alleen met
wijkagenten, hoewel die wel die verbinding hebben en het fijn is dat die
verbinding er is. Ik zou overigens willen bestrijden dat we absolute
no-goareas hebben. Ik ben ook in Overvecht geweest en heb daar over
straat gelopen. En ik ben er nog. No-goareas zijn het dus niet. We
hebben nog politiemensen die in verbinding staan, maar kunnen die de
problemen oplossen die daar heersen? Kunnen zij voorkomen dat deze jeugd
verder afglijdt? Nee, dat denk ik niet. Ik denk dat daarom zo'n
programma als Preventie met Gezag — daar kom ik zo op terug — zo
belangrijk is, waarin je die verschillende disciplines bij elkaar houdt.
Maar dat vraagt dus enorm veel effort. Ik kom ook nog terug op mevrouw
Coenradies vraag over of je daar heropvoedingskampen voor zou moeten
inzetten. Het is een kwestie van aan de ene kant alternatieven bieden en
aan de andere kant ook repressief optreden wanneer die grenzen worden
overschreden, want die twee gaan absoluut hand in hand.
Ik denk dat er de afgelopen jaren een stevige basis is neergezet voor
die brede aanpak van voorkomen, doorbreken, bestraffen en beschermen. Er
is ook fors geïnvesteerd in deze aanpak, met heel veel steun vanuit uw
Kamer. Dat is ook nodig. Zo zijn er verschillende maatregelen genomen om
onze havens onaantrekkelijker te maken voor de internationaal gewortelde
drugsmokkel. Mevrouw Martens wees al op de mainportaanpak. Ik kom zo
meteen nog terug op hoe we die doorontwikkelen. We moeten ook voorkomen
dat jongeren worden geronseld om het vuile werk uit te voeren en in een
kwetsbare positie terechtkomen. Zoals ik dinsdag in het vragenuurtje al
heb gezegd, hebben we ook afgelopen weekend bij de aanslag op een
synagoge in Rotterdam gezien dat daar naar alle waarschijnlijkheid
sprake was van het ronselen van jongeren die zonder dat zij zelf een
binding hadden met het doel waarvoor ze gingen, louter voor geld bereid
waren om een explosief aan een deur te hangen en de facto een
terroristische aanslag uit te voeren.
Georganiseerde criminaliteit staat niet los van de maatschappij. Het is
daarom heel belangrijk om te voorkomen dat criminelen zich nestelen in
de zwakke plekken in onze samenleving — u noemde er net al een — en om
tegelijkertijd ook de weerbaarheid van de burger en onze bedrijven te
vergroten. De hulp van de samenleving is daarbij echt nodig. Daarom is
de campagne Houd misdaad uit je buurt die we onlangs hebben herstart en
die in de eerste oplage heeft gezorgd voor 30% meer meldingen bij Meld
Misdaad Anoniem zo belangrijk. Uiteindelijk weten mensen namelijk heel
vaak wel waar er drugs verhandeld worden, waar dat drugslab zit of wie
er bezig is met niet-koosjere zaken. We hebben die ogen en die
meldingsbereidheid nodig om daar verder op in te gaan.
Ik zeg hier meteen bij dat we onderzoek moeten doen naar de reden dat de
aangiftebereidheid in sommige gevallen zo laag is en hoe we die omhoog
krijgen. Een aangifteplicht vind ik echter te ver gaan. Zo'n plicht zou
namelijk betekenen dat je mensen ook straft voor het feit dat zij een
aangifte niet doen. Ik denk dat dat niet de manier is waarop we dit
moeten doen. Heel vaak doen mensen uit angst geen aangifte. Ik noem het
geval van die 13-jarige jongen nog maar even. Wij gingen daar langs om
hem mede te delen dat het OM overging tot vervolging voor de
mishandeling waarvan het slachtoffer zelf geen aangifte wilde doen uit
angst voor deze 13-jarige jongen. Als je dan dat slachtoffer verplicht
om aangifte te doen, zadel je hem op met een enorme angst voor
repercussies, terwijl er in dit geval ook een alternatief is, namelijk
een OM dat zegt: nou, het zal wel dat u geen aangifte wil doen, maar wij
vinden het dusdanig belangrijk dat wij die zaak wél gaan oppakken voor
u. Meld Misdaad Anoniem vind ik ook een alternatief voor aangifte. Dan
zijn mensen bereid om criminaliteit wel te melden, zonder dat ze
daarbij, in veel gevallen, hun buurman publiekelijk bij de politie
moeten aanmelden. Mensen vinden dat namelijk om allerlei redenen heel
moeilijk en lastig, zeker daar waar het criminelen aangaat.
De voorzitter:
U laat een pauze vallen, minister. Dan heeft mevrouw Faber een
interruptie. We doen er ook in deze termijn vier.
Mevrouw Faber (PVV):
Nog even over die aangiftes. Mijn vraag was juist als volgt. Men gaat
naar het politiebureau. Ik heb hier een artikel waarin staat dat de
politie het ontraadt om aangifte te doen van bijvoorbeeld huiselijk
geweld. Ze proberen dan de persoon die aangifte wil doen, over te halen
om dat niet te doen of ze willen die aangifte niet opnemen, terwijl dat
toch wettelijk verplicht is. Dat kan toch niet? Als men naar het
politiebureau gaat en aangifte wil doen, moeten ze die aangifte toch
opnemen?
Minister Van Weel:
Het antwoord daarop is "ja".
Mevrouw Faber (PVV):
Oké, dus u staat daar … Nee, toch maar niet, want dan ben ik een
interruptie kwijt.
De voorzitter:
U heeft geen vervolgvraag?
Mevrouw Faber (PVV):
Nee, we laten het zo. Ja.
Minister Van Weel:
Nee, absoluut, het is een recht om aangifte te mogen doen. Als een
burger aangifte wil doen, zal die aangifte worden opgenomen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Zonder de inhoud van dit specifieke geval te kennen, is het niet zo dat
er bij huiselijk geweld ook altijd wordt gekeken: is dit iets wat in het
strafrecht hoort of moeten we juist kijken of we op een ander manier
zaken kunnen oplossen? Dan wordt het uit het strafrecht gehaald, niet
zozeer omdat de politie dat wil, maar wel om in het belang van het
slachtoffer echt te kijken wat er precies nodig is. Ik weet uit eerdere
ervaring dat ook in het oosten van het land door de politie echt wel
wordt gekeken hoe zij anders kunnen omgaan met meldingen of aangiftes.
Dan wordt er altijd aan de voorkant gekeken waar het geval eigenlijk
ligt en of het betrokken moet worden bij de politie of op een andere
manier moet worden opgelost.
Minister Van Weel:
Uiteraard. Dat is ook een dialoog, vanuit de expertise en de inhoud,
tussen de politie en een melder. Die is heel belangrijk. Soms is het
strafrecht inderdaad helemaal niet de aangewezen weg. Maar als puntje
bij paaltje komt, is aangifte doen een recht van elke burger. Vandaar
dat ik de vraag kortheidshalve zo beantwoordde.
Voorzitter. Er gaat ook een hoop goed. In dat kader wil ik even
memoreren dat ik vorige week de haven van Vlissingen heb bezocht. We
zien de afgelopen jaren het aantal vangsten in de haven van Rotterdam
afnemen. Dat heeft naar alle waarschijnlijkheid ook te maken met de
effectieve aanpak die wij daar hebben; daar zijn wij van overtuigd. Maar
we hebben meer havens. De haven van Vlissingen is zo'n haven waarbij je
ziet dat het veiligheidsbewustzijn enorm is toegenomen, of het nu gaat
om de bananenhandel en alle andere manieren waarop er drugs gesmokkeld
werden of om de loopholes, de kwetsbaarheden die er zaten in systemen en
de manier waarop bedrijven, de overheid, de politie, de FIOD en alle
diensten samenwerken om elk gat dat wordt gevonden, zo snel mogelijk te
dichten. Tot twee jaar geleden, vertelde een van de kade-eigenaren,
kwamen er bijvoorbeeld regelmatig mensen vragen of ze naar een schip toe
mochten, omdat ze vrienden waren van de kapitein. Gelet op het
voorkomen, de leeftijd en anderszins werd er zwaar getwijfeld aan de
waarheid daarvan. Dat gebeurt nu niet meer.
Maar het is wel een kat-en-muisspel, want even later zie je weer dat er
pakketten voor de kust worden gedropt of dat kleinere havens, zoals die
van Scheveningen, worden gebruikt. Dat is meteen mijn antwoord op de
vraag van mevrouw Martens. We zijn nu bezig om te kijken welke aanpak
nodig is bij de kleinere zeehavens. We kijken welke rol de kustwacht kan
spelen, welke rol preventie daarbij kan spelen en of er barricades
moeten worden opgeworpen om te voorkomen dat de makkelijke routes
gebruikt worden. In die zin blijft het het continu dichten van gaten die
zullen blijven ontstaan zolang men de mogelijkheid ziet om drugs naar
ons te krijgen.
Een voorbeeld daarvan — ik noemde dat ook in het debat over drugsbeleid
vorige week — is de toename van cannabisvangsten in de Rotterdamse
haven. Die komen vanuit Noord-Amerika, omdat de markt daar verzadigd is
maar de prijzen hier nog hoger zijn. We hebben dus te maken met handel
die vanzelf zijn weg vindt naar een nieuwe markt. Die markteconomie
kunnen we niet tegenhouden. Dat vind ik als liberaal in algemene zin ook
niet erg, maar ik zie het wel echt als een opgave om illegale
handelsstromen tegen te gaan door al die kwetsbaarheden aan te pakken.
Dat vraagt om een internationale aanpak. In die zin hebben we
bijvoorbeeld ook verschuivingen gezien van rechtstreekse import vanuit
Zuid-Amerika naar de Rotterdamse haven naar een situatie waarin het
bijvoorbeeld eerst wordt overgebracht naar havens in West-Afrika, waarna
het overgeladen wordt op kleinere schepen of via de traditionele
smokkelroutes door de Sahel naar het noorden wordt gebracht en via
Spanje en Portugal binnenkomt. Dat vereist dan weer een nieuwe aanpak in
die landen.
Corruptie en criminele inmenging zijn eigenlijk zaken die je daarbij
overal tegenkomt. Ik kom zo op de specifieke vraag, maar in algemene zin
zie je dat de georganiseerde misdaad gewoon niet zou kunnen functioneren
als ze geen corrupte contacten hadden. Dat geldt zowel voor de overheid
als voor het bedrijfsleven. Er wordt continu gezocht naar mensen die
onder druk kunnen worden gezet, omgekocht kunnen worden of verleid
kunnen worden. Daarom hebben we in de vorige periode ook al ingezet op
intensivering van de aanpak van corruptie en criminele inmenging en is
er 4 miljoen extra geïnvesteerd om de strafrechtelijke aanpak daarvan
mogelijk te kunnen maken. Dat doe ik overigens samen met de collega van
BZK. Daar gaan we ook mee door.
Een deel van wat we daar proberen te bereiken, is het wegnemen van de
schaamte rondom corruptie. Ik denk dat hoe wij omgaan met cyberaanvallen
en hacks daarvoor een goed model is. Tien jaar geleden vertelden
bedrijven het niet als ze gehackt waren. Die betaalden gewoon en hielden
het stil, omdat ze zich schaamden of geen klanten kwijt wilden raken.
Inmiddels weten we dat iedereen gehackt kan worden en dat de beste
oplossing daartegen is om dat meteen bekend te maken, dat te melden bij
de autoriteiten en te zorgen dat je je systeem weer herstelt. Wat
betreft corruptie geldt hetzelfde. Als bedrijf of overheidsorganisatie
kun je nooit honderd procent voorkomen dat corruptie ook binnen jouw
organisatie voorkomt. De beste methode om dit gezamenlijk aan te pakken,
is door je dat te realiseren, ervaringen te delen op het moment dat je
ertegen aanloopt en zo ook anderen te helpen om die lessen te leren. Wat
mij betreft halen we de schaamtesluier dus weg en zetten we daar vol op
in.
Op Europees niveau is er begin van de maand door de Commissie een nieuwe
havenstrategie uitgevaren. Als die u bekend voorkwam, dan kan ik
inderdaad bevestigen dat veel van onze maatregelen uiteindelijk in de
Europese havenstrategie zijn beland. Dat helpt ook ons. Als wij namelijk
onze havens dicht hebben, maar onze buurlanden en de interne markt niet,
dan hebben we nog steeds een probleem.
Dan kom ik nu bij het eerste blokje, over de brede basis van de
ondermijningsaanpak. De heer Sneller vroeg welke plek preventie nu heeft
in de opdrachtomschrijving van de taskforce ondermijning, of dat
aansluit bij de bestaande aanpak van het programma Preventie met Gezag
en het NPLV, en hoe we de effectiviteit daarvan meten. Ja, preventie is
onderdeel van die aanpak. Ja, we zetten de bestaande programma's voort;
dat staat ook in het coalitieakkoord. Dat geldt voor zowel het NPLV als
het programma Preventie met Gezag. Ik ben dan ook blij dat er een brede
doorsnede van het kabinet zit, omdat ik preventie vanuit Justitie en
Veiligheid nooit alleen kan oppakken. Dit is te breed. Ik had het al
over die 13-jarige jongen. Waar gaat die dan heen? De wijkagent kan een
middag met hem komen gamen, maar dat verandert het leven van die jongen
niet. Je zult toch echt iets anders moeten doen. De effectiviteit van de
maatregelen meten we ook. We geven een jaarlijkse voortgangsrapportage
uit, we zetten de onderzoeksprogrammering uit en we hebben de
Strategische Evaluatie Agenda.
We hebben het nu over al het slechte nieuws, maar met de meeste jongeren
in Nederland gaat het wel goed. De jeugdcriminaliteit is de afgelopen
twintig jaar stevig gedaald. Daarom is het zo belangrijk dat we in die
"zwakke wijken", om het zo maar even te noemen, waar we het nu over
hebben … Ik heb er de afgelopen twee weken drie bezocht. Ik was deze
week nog in Overvecht, vanwege hetgeen agenten daar een week geleden
hebben meegemaakt. We hebben in die wijken echt ontzettend veel te doen.
Je moet daar een combinatie hebben van outreach, repressie en het bieden
van een alternatief. Anders gaan we deze strijd echt verliezen. Neem een
wijk als Hoge Vucht. De politie wijst een huis aan en zegt: "Zie je die
sociale huurwoning met die palmbomen in de voortuin en die camera's aan
de muur? Daar woont dus een man die in de drugshandel zit." Iedereen in
die buurt weet dat. Zijn kinderen spelen ook al een rol in het afpersen
van andere kinderen en maken daar de dienst uit. Als je dat niet
doorbreekt en aanpakt, dan gaat dat uiteindelijk voor alle kinderen in
die wijk als rolmodel gelden. Als dit in stand blijft, gaat helemaal
niemand bij de Jumbo vakkenvullen voor €2 per uur. Die repressieve
aanpak hoort daar dus bij. Daar zul je de rechercheaanpak op moeten
inzetten, niet op elke uithaal of op elke tussenpersoon; dat hoor ik ook
van agenten. Zorg dat je dit uit zo'n wijk weghaalt.
Tegelijkertijd zul je er, voor al die 13-jarige jongens die nu thuis op
de bank zitten, heel veel effort in moeten stoppen om te zorgen dat er
een alternatief komt. Mevrouw Coenradie refereerde aan een soort
heropvoedingsprogramma. In Nederland hadden we de Glen Mills School. Het
WODC heeft uiteindelijk een evaluatie daarvan verricht. Daaruit bleek
dat recidive onder de deelnemers van de Glen Mills School juist 78%
hoger was dan in andere, minder dwingende programma's. We hebben dus een
negatieve ervaring en een negatieve onderzoeksuitkomst gehad met deze
verplichte programmering. Dat zorgt voor terughoudendheid onder
deskundigen om eraan te beginnen. Het gaat hier echt om maatwerk,
waarbij je een-op-een, kind voor kind, een aanpak zult hebben. Dat is
soms ook frustrerend, want het kost enorm veel effort. Als je aan
medewerkers die daarmee bezig zijn, vraagt hoe vaak het effectief is,
zeggen ze: nog niet in de helft van de gevallen; was het maar effectief
in de helft van de gevallen.
De voorzitter:
Was dat de beantwoording van de vraag van mevrouw Coenradie? Dan geef ik
haar de gelegenheid voor het stellen van een vraag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik hoor hier een paar dingen. Eén. Het WODC-rapport was inderdaad
redelijk vernietigend. Dat is mij ook bekend. Tegelijkertijd zou je anno
2026 kunnen bekijken wat we ervan hebben geleerd, wat we er wél uit
zouden kunnen halen en hoe we het misschien wél passend kunnen maken. De
groep is namelijk te groot om op dezelfde voet verder te gaan, onder het
mom van "weghalen uit de wijken" zoals ik de minister hoor zeggen, en om
maatwerk te leveren. De aantallen in al deze steden — ik heb daar een
hele lijst van opgenoemd in mijn bijdrage, maar die is natuurlijk veel
langer — zijn te groot voor de politie, te groot voor de zorg en te
groot voor allerlei instanties. De ervaring leert ook dat al die
instanties, inclusief de politie, ná elkaar werken en niet naast elkaar.
Ik wil de minister toch vragen of hij bereid is dit allemaal in
ogenschouw te nemen en daarbij te bekijken of we richting zo'n
heropvoedingsprogramma zouden kunnen gaan, omdat je dit niet meer met
maatwerk kunt oplossen. Dat kan misschien wel voor die ene jongen, maar
zeker niet voor deze grote aantallen.
Minister Van Weel:
Iedereen die hiermee bezig is, leert van het verleden. De lessen uit
Glen Mills en de zaken die daar wel werkten, worden meegenomen in PmG.
Ik zou dolgraag willen dat er iets was waarmee je collectief, in grotere
aantallen, kan komen tot positieve resultaten. Ik zie ook de uitdaging
van de getallen hierin, zeker als je naar zo'n wijk kijkt waar er
potentieel voor iedere jongere een risico is. Daarom geloof ik dat je
beter nog eerder kan zijn. Ik ben in de vorige kabinetsperiode ook bij
het programma "Alleen jij bepaalt wie je bent" geweest, waarbij
jongetjes en meisjes van 6, 7, 8 jaar in een voetbalteam worden gezet.
Waar de ouders dat normaal niet zouden opbrengen, niet kunnen betalen of
niet willen aanbieden, wordt dat nu gedaan in een verlengde van school.
Kinderen leren bijvoorbeeld dat je je kleren gewassen moet hebben als je
bij de volgende wedstrijd komt, dat je überhaupt al je voetbalkleren bij
je moet hebben, omdat je anders niet kan voetballen, en dat je niet kan
voetballen als je in je eentje bent, omdat je daar je teamgenoten voor
nodig hebt. Ze leren over de basics van omgang en discipline, maar ook
over de lol die je daarvan vervolgens in zo'n team kan hebben met
elkaar. Ik geloof dat je daarmee op die leeftijd een basis legt die je
later, ook als het afglijdt, weer kunt aanspreken en waarmee je weer
terug kunt. De 13-jarige jongen over wie ik het had, heeft die basis
nooit meegemaakt. Het is ontzettend moeilijk om al op je 13de met al een
crimineel strafblad weer terug te moeten naar de basis van hoe je als
mens met je medemens en met jezelf omgaat. Daarom komt daarbij dat
een-op-eenmaatwerk kijken, omdat je dat groepsgedrag waarin deze mensen
elkaar herkennen, heel moeilijk kunt doorbreken. Nogmaals, ik wil alles
proberen wat kan, zeker in deze nieuwe periode. Ook in de taskforce is
wat mij betreft geen avenue onbespreekbaar, maar ik wil wel een
voorbehoud zetten bij heropvoedingskampen à la Glen Mills.
Mevrouw Straatman zei dat we nu ook de instroom van jongeren zonder
strafblad zien in de zwaardere criminaliteit. Dat klopt. Preventie met
Gezag is gericht op dit soort first offenders. Zij hopen die weer snel
naar buiten te krijgen. Het oude groeimodel, waarin het begint met
winkeldiefstal, is niet per se meer van toepassing. Je ziet nu echt dat
er door deze bendes — zo noem ik ze maar even — ook hele jonge kinderen
meteen voor de eerste keer al worden ingezet voor zwaardere klussen. Dat
vereist naast het straffen dus ook hulpverlening en re-integratiehulp.
Dat doet Preventie met Gezag in dit soort gevallen.
Er werd nog even gevraagd naar de vergelijking met Denemarken. De facto
is het Deense model wat wij doen met Preventie met Gezag, wat de Zorg-
en Veiligheidshuizen doen waar geen Preventie met Gezag is en wat
Preventie met Gezag doet in wijken als Hoge Vucht of Overvecht. Daarbij
zitten al die disciplines rond de tafel, beoordelen ze case by case deze
mensen die in aanraking zijn gekomen met justitie en zeggen ze: wat
kunnen we hier nu doen vanuit de jeugdzorg, de reclassering of
anderszins? Heel intensief, nogmaals, en ook niet altijd effectief. Het
voorkomt niet altijd het terugglijden, maar het is the best we have. Ik
denk dat dat heel erg overeenkomt met de Deense aanpak.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Daar dan toch nog eventjes een aanvullende vraag op. Ik hoor ook
verhalen, temeer omdat die instanties heel graag met elkaar werken, over
dat privacy vaak een belemmering is als het gaat om elkaar preventief
waarschuwen of casussen met elkaar delen. Dan weerhouden
privacybelemmeringen ze er toch van om goed met elkaar te werken. Het
Deense model laat dat eigenlijk los door gewoon echt heel erg integraal
met elkaar die aanpak uit te voeren. Ik ben ook wel benieuwd wat de
minister zou kunnen doen om, als je de veiligheid van de samenleving als
uitgangspunt hebt, die privacybelemmeringen toch verder van dit soort
aanpakken weg te duwen.
Minister Van Weel:
Het gaat in Denemarken ook om rechters, de politie, et cetera. Dat
betekent dat iemand al in het strafrechtelijke traject zit. Dan zou er
ook geen belemmering meer moeten zijn in het kader van privacy om die
gegevens te delen met bijvoorbeeld de reclassering, jeugdzorg of
anderen. Ik ben gaarne bereid om dat na te gaan en in een volgende
rapportage mee te nemen of we daar belemmeringen zien. De aanpak als
zodanig kennen we dus en zou ook, zeker voor degenen die al in het
strafrechtelijke traject zitten, geen belemmeringen wat betreft privacy
moeten opleveren.
Mevrouw Faber vroeg nog naar de procesafspraken met betrekking tot
drugskoeriers. Ja, het klopt dat de rechterlijke macht heeft
geconstateerd dat er uiteindelijk op het smokkelen van drugs vaak hogere
straffen stonden dan op bijvoorbeeld het vervaardigen of het
grootschalig dealen van drugs. Daarom ligt er een wetsvoorstel in uw
Kamer. Ik hoop daar medio april de behandeling van te kunnen doen, om
nou juist die straffen te verhogen om die meer in lijn te brengen met
die in de landen om ons heen. Dat lost hopelijk ook dit probleem op,
waarbij de rechters dus niet meer die discrepantie zien en daarbij terug
kunnen gaan naar het oorspronkelijke recht en de straffen die erop
staan, ook voor koeriers.
De voorzitter:
Mevrouw Faber op dit punt.
Mevrouw Faber (PVV):
Wat ik lees op de website van het Openbaar Ministerie, is dat ze nu
gewoon die procesafspraken kunnen maken en ze dus 30% minder straf
kunnen krijgen. Ze kunnen strafvermindering krijgen in ruil voor dat ze
dan bijvoorbeeld niet in hoger beroep gaan. Dat is nu dus al aan de
hand. We zien nu ook dat we strafvorderingsrichtlijnen hebben die de
strafmaat al naar beneden duwen. De rechters hebben ook nog
strafrichtlijnen aan de hand waarvan ze straffen en ze hebben ook dit.
Dan vraag ik me wel af wat we nog overhouden. Ik weet niet of het
wetsvoorstel dat eraan komt ook dit probleem aanpakt. Je ziet dus dat de
straffen steeds verder naar beneden worden gedrukt. Ik heb het in het
verleden weleens straferosie genoemd. Dat is helemaal aan de gang,
natuurlijk. Dan hebben we ook nog dat ze vervoegd uit de gevangenis
komen omdat er geen plek is. Dus gaan we nog straffen in de
toekomst?
Minister Van Weel:
Wat mij betreft gaan we wel straffen in de toekomst. Dat is echt
onderdeel van dit palet. Het nieuwe wetsvoorstel gaat hopelijk wat doen
met de strafvorderingsrichtlijnen en de richtlijnen die rechters
hanteren, want die kwamen voort uit de disbalans die werd geconstateerd.
Het opheffen van die disbalans, door de straffen op het vervaardigen,
handelen, et cetera, te verhogen, zou ook effect moeten krijgen op die
strafvorderingsrichtlijnen. Wat het niet oplost, is de mogelijkheid van
het maken van procesafspraken. Daar komen we ook nog met uw Kamer over
te spreken in het kader van de aanvullingswetten bij het Wetboek van
Strafvordering. Ik weet dat er zeer uiteenlopende meningen zijn in uw
Kamer over procesafspraken en of die onderdeel uit zouden moeten maken
van ons recht. In de feitelijke wereld zorgen die natuurlijk wel voor
een stuk ontlasting van de strafrechtketen, die natuurlijk overvol zit
van de politie tot en met uiteindelijk de reclassering. Dat is het doel
van procesafspraken, om te zorgen dat vrij eenvoudige zaken verdwijnen
uit die keten en je niet ook nog een keer een zaak in hoger beroep hebt.
In ruil daarvoor krijg je inderdaad een lagere straf. Nogmaals, dat
voert tot buiten de orde van dit specifieke debat, maar dat komt in het
kader van de aanvullingswet zeker nog aan de orde.
De voorzitter:
Mevrouw Faber mag nog een keer.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik zie die wetgeving natuurlijk vol spanning tegemoet, maar dat zien we
dan wel. De minister geeft aan: dan kunnen we de lichtere zaken uit de
overbelaste strafrechtketen halen. Maar je ziet dat die kleine zaken ...
Nou ja, "kleine zaken"... Ik vind een zaak met een drugskoerier niet
echt klein. Dat lijkt misschien klein vergeleken met de rest, maar het
is vaak een opmaat tot nog meer. Ik hoor de minister zeggen dat we juist
de jongeren uit het circuit moeten halen. Vaak beginnen die klein en
wordt het groter. Ik denk dus dat ook die lichtere zaken aangepakt
moeten worden, want het zijn vaak de jeugdigen die daarmee bezig zijn.
Het heeft dus echt zin om dat aan te pakken. Ik moet even diep in mijn
geheugen graven. Volgens mij heb ik een jaar geleden een bericht gelezen
waarin stond dat 30% van de officieren van justitie bezig is met beleid.
Dat vind ik heel veel. Klopt dat wel? Kunnen ze niet beter in de
rechtbank staan om bij de rechter voor bepaalde straffen te
pleiten?
Minister Van Weel:
Ik weet dat mevrouw Faber voorstander is van zelf beleid maken …
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik was beleid.
De voorzitter:
De minister gaat door.
Minister Van Weel:
Sorry, de minister moest wel.
Natuurlijk heeft ook het OM te maken met een overhead. Er moet een
bedrijf van duizenden mensen aan de praat worden gehouden. Ik ken dat
percentage van 30 niet, maar laten we eerlijk zijn: de focus van het OM
moet continu zijn om het primaire proces zo veel mogelijk voortgang te
laten vinden. Laat ik in reactie op uw voorstel zeggen dat al deze
criminaliteitszaken natuurlijk bestraft moeten worden. Het doel van
procesafspraken is ook niet om niet te straffen, maar om in een zaak die
vrij klip-en-klaar is te voorkomen dat je nog allerlei onnodige stappen
moet nemen, bijvoorbeeld in een hoger beroep en verder, terwijl je daar
weinig wijzer van wordt. We weten namelijk al wat de uitkomst is. Daar
staat dan inderdaad een strafvermindering tegenover. Daar kunt u wel of
niet wat van vinden. Ik hoor dat het wetsvoorstel volgende week uw kant
op komt. Daar komen we te zijner tijd in algemene zin over te
spreken.
Dat brengt mij bij een integere en veilige economie, en alle vragen die
in dat kader zijn gesteld. Mevrouw Zalinyan vroeg wat de stand van zaken
is van het FEC-onderzoek naar hypotheekfraude. Dat is nu in de
afrondende fase en wordt door de FEC-raad op 15 april vastgesteld.
Daarna zullen we op basis van de uitkomsten de koers rond
hypotheekfraude voor de toekomst gaan vaststellen.
De heer Sneller zei: "Uit het National Risk Assessment Corruptie volgt
een corruptiedreiging voor volksvertegenwoordigers en politieke
bestuurders door statelijke actoren, criminele organisaties en private
partijen." Ik deel de zorgen over de constateringen van het WODC. De
corruptieaanpak heb ik al in mijn vorige incarnatie op 20 juni 2025 in
gang gezet samen met de minister van BZK. Het risk assessment is op 12
maart jongstleden gepubliceerd. Dat gaan we natuurlijk gebruiken om de
aanpak die we hadden, verder toe te spitsen en waar nodig te versterken.
Daarover informeren we u medio dit jaar. De lidstaatopties worden daarin
meegenomen. Die vraag heb ik hiermee ook meteen beantwoord.
Mevrouw Zalinyan vroeg naar de stand van zaken rond het centraal
aandeelhoudersregister. Daarover heb ik gesproken met de collega's van
Financiën en Economische Zaken, en met de Koninklijke Notariële
Beroepsorganisatie. De Kamer van Koophandel heeft de relevante Europese
ontwikkelingen toegelicht, bijvoorbeeld rondom het UBO-register. In het
licht van die Europese ontwikkelingen acht ik het op dit moment niet
opportuun om vanuit het kabinet aanvullende nationale regels te gaan
opstellen, want een centraal aandeelhoudersregister betekent weer een
belasting en nieuwe regels. Dat verhoudt zich moeilijk tot het
coalitieakkoord, waarin we ruimte proberen te scheppen voor ondernemers.
Wanneer uw Kamer de behandeling van de initiatiefwet over een centraal
aandeelhoudersregister hervat, zullen we, zoals gebruikelijk, een
appreciatie geven. Dat is aan de orde in het wetgevingstraject.
Dan een vraag van mevrouw Zalinyan over het ARK-rapport over witwassen.
We hebben dat natuurlijk uitgebreid gelezen. Ik herken ook een hoop van
de in dat rapport gesignaleerde punten. We waren de Rekenkamer in dit
geval ook al voor, met de brief die de voormalige minister van
Financiën, tevens de huidige, en de voormalige minister van Justitie,
tevens de huidige, medio 2025 aan de Kamer hebben gestuurd. De hele
aanpak van witwassen was al gericht op het zo min mogelijk uitgooien van
sleepnetten, omdat dat allerlei nadelen heeft, inclusief discriminerende
effecten et cetera et cetera, en zo veel mogelijk pinpointen waar nu
écht het probleem ligt; daar moeten we meer op focussen. Daar zijn we
volop mee bezig. In januari is er gereageerd op het Rekenkamerrapport.
Daarin hebben we gezegd dat we dit in deze aanpak meenemen. In de tweede
helft van dit jaar komen wij gezamenlijk met een update over de
voortgang, omdat we ook de banken uitgebreid nodig zullen hebben als we
dit op een andere manier willen vormgeven.
Mevrouw Zalinyan vroeg het volgende: "Er is weinig zicht op ondergronds
bankieren en de manier waarop dat geld via de bovenwereld wordt
witgewassen. Hoe kunnen we die stagnatie doorbreken?" Ondergronds
bankieren is enorm complex. Dat laat het WODC-rapport van september
vorig jaar ook zien. We doen al ontzettend veel. Dit is ook echt een van
mijn prioriteiten. Als we dat verdienmodel niet breken, of als we
crimineel geld te veel laten doordringen in onze bovenwereldse economie,
zijn we veel verder van huis. Mijn prioriteiten liggen de komende
periode bij trade-based money laundering, het Cash Compensatie Model en
— het werd al genoemd — het crimineel gebruik van cryptovaluta binnen
deze wereld. Daar zitten ook de grootste zorgen van onze partners. We
zullen proberen om daar handelingsperspectieven op te ontwikkelen.
Dan de Europese Confiscatierichtlijn. Mevrouw Straatman vroeg hoe het
gaat met de implementatie daarvan. Goed. Die gaat zeer aanstonds naar de
Raad van State voor advies en hopelijk komt deze daarna ook snel naar u
toe. Ik kijk daar zeer naar uit. Ik denk dat dit een van de zaken is die
men in het publieke domein ook zal waarderen: dat mensen niet meer
kunnen rondrijden in auto's van vier ton terwijl ze tegelijkertijd een
uitkering ontvangen. Dan zal de bewijslast ook meer komen te liggen bij
de persoon. Die moet dan uitleggen waarom iets wel op een legale manier
is verkregen, waardoor je uiteindelijk niet eerst door een heel
strafproces moet voordat je pas tot het afpakken van zaken kan overgaan.
Ik kijk daarnaar uit.
Dat sluit aan bij de andere vraag van mevrouw Straatman: "Wat doen we
nou met de afgepakte goederen? Kunnen we meer 'Schiedams' creëren? Hoe
staat het daarmee?" Ik wil ook in dit kabinet nog steeds aan
maatschappelijk herbestemmen werken. Er lopen op dit moment
verschillende initiatieven, waaronder een digitaal platform waarmee je
afgepakte goederen kunt schenken aan maatschappelijke organisaties. Er
zijn ook landelijke projecten met auto's, fatbikes et cetera. Dat
digitale platform zit nu in de pilotfase en wordt later dit jaar
uitgerold. Ik noem een voorbeeld: er is in december 2024 een patserbak
geschonken aan een school; daar wordt nu vrolijk aan gesleuteld. De
resultaten van de pilot in Schiedam worden op dit moment geëvalueerd. De
aanknopingspunten die we daaruit kunnen halen, zullen we meenemen. Het
aantal jongeren dat uiteindelijk in die pilot is begeleid naar werk, is
wel klein. We moeten dus ook bekijken wat hier niet goed ging en wat er
niet succesvol was.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik heb ook gesproken met een aantal mensen in Schiedam. Dat was een hele
mooie pilot. Het gaat om een klein aantal jongeren, maar de jongeren
vinden nu net wél de locaties. Het is dus eigenlijk zonde dat die pilots
op het moment dat ze effectief worden, weer stopgezet worden. Kan de
minister aangeven wat we daaraan kunnen doen? Kunnen we structureel met
deze pilots doorgaan? We moeten er niet mee stoppen op het moment dat ze
gaan werken. Destijds werd aangekondigd dat precies dezelfde pilot als
de pilot in Schiedam er ook in Breda en Rotterdam zou komen. Die pilots
zijn niet van start gegaan. Kunt u uitleggen waarom dat zo is?
Minister Van Weel:
Dat laatste weet ik niet. Wat betreft het eerste punt: een structureel
karakter verhoudt zich wat moeilijk tot pilots. Het idee van een pilot
is dat je bekijkt wat er werkt en wat er niet werkt. Ik ben er wel voor
dat we die dan evalueren na afloop. Als je tijdens een pilot al ziet dat
die succesvol is — ik noem maar wat: de inzet van boa's als het gaat om
seksuele intimidatie en de opsporing daarvan — dan moet je 'm niet
stopzetten. Dan moet je daar zeker mee doorgaan totdat je de definitieve
invulling hebt. In dit geval zaten er ook wel wat haken en ogen aan het
pilotproject in Schiedam. Ik noemde al het lage aantal jongeren, maar
ook de les dat je eigenlijk veel beter zo'n pand kunt verkopen en de
opbrengst dan weer kunt investeren in de wijk dan dat je een specifiek
pand aanhoudt en het daar ontwikkelt. Dat soort lessen is, denk ik,
nuttig om nu te leren voordat we nieuwe pilots of een structurele aanpak
van start laten gaan.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp dat antwoord van de minister goed. Uiteindelijk moet je leren
van pilots. Aan de andere kant is het ook een zorg dat ze dermate kort
lopen dat je niet meer de vruchten ervan kunt plukken op het moment dat
het gaat vliegen, maar ik begrijp het goed. Voor nieuwe pilots: op de
Onderwereldkaart zag ik inderdaad Schiedam voorbijkomen, maar ook heel
veel Zuid-Limburgse gemeenten. Zou de minister bereid zijn om te
bekijken of nieuwe pilots op het punt van het herbestemmen van crimineel
vermogen ook in die gemeenten zouden kunnen starten? Nu zie je veel
pilots in met name de Randstad. Zou de minister willen bekijken of
Zuid-Limburgse gemeenten met kwetsbare wijken met prioriteit ook
dergelijke pilots kunnen krijgen?
Minister Van Weel:
Het staat gemeenten überhaupt vrij om dit soort projecten op te starten,
dus dat mogen zij ook. Ik zal het vooral bij hen onder de aandacht
brengen. Hoe meer we leren van individuele projecten, hoe beter. Het
verschil met Schiedam is dat wij die pilot gefinancierd hebben. Daarom
willen we die eerst even evalueren voordat we zelf weer nieuwe projecten
gaan financieren. Maar er is geen verbod op maatschappelijk
herbestemmen. Integendeel, zou ik zeggen.
Mevrouw Martens vroeg nog naar de uitvoering van de motie van het lid
Michon-Derkzen rondom de gegevensdeling tussen de politie en
woningbouwcorporaties. Die motie is door het ministerie van BZK afgedaan
in de voorbereiding van het wetsvoorstel over gegevensverwerking door
woningcorporaties, maar aanvullend wordt momenteel onderzocht of het
Besluit politiegegevens gewijzigd dient te worden om de verstrekking van
politiegegevens aan woningcorporaties mogelijk te maken in de aanpak van
woonoverlast en de voortzetting bij crimineel gebruik. Soms is er
inderdaad een beperking in wet- en regelgeving, maar bij andere
vraagstukken is er eerder sprake geweest van handelingsverlegenheid. Dat
is altijd een beetje de vraag bij gegevensdeling. In ongeveer de helft
van de gevallen is er eigenlijk geen wettelijke belemmering, maar is het
meer dat mensen niet weten of het wel mag en het dan uit voorzorg niet
doen. In andere gevallen is er wel een wettelijke belemmering en dan
moeten we de wet aanpassen. In december hoort u via het halfjaarbericht
politie hoe het daar specifiek mee staat.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank voor de beantwoording. Ik wacht dat af. Ik kan me voorstellen dat
deze minister niet gaat over het beleid van woningbouwcorporaties, maar
wellicht kan hij wel in de tussentijd in eventuele gesprekken die gaan
plaatsvinden die handelingsverlegenheid aankaarten, want dat is
natuurlijk wel laaghangend fruit, om het maar zo te zeggen. Is deze
minister — het kan ook een andere minister zijn — bereid om te blijven
aankaarten hoe zij dit intern in hun eigen processen zouden kunnen
opnemen?
Minister Van Weel:
Ja, dat zeg ik toe.
Dan een vraag van mevrouw Straatman over de tipfunctie, naar aanleiding
van de Wet Bibob. Die is nog relatief nieuw en daarom zit die in het
evaluatieonderzoek van de Wet Bibob. Op dit moment kijken we naar de
aanbevelingen en conclusies van de onderzoekers. Met een paar weken kom
ik met een reactie op dat onderzoek, waarin ik ook op de andere
knelpunten en aanbevelingen van de onderzoekers in zal gaan.
De heer Sneller vroeg nog naar de capaciteit met het oog op de Wet
Bibob. Ik weet dat er bij de Belastingdienst in ieder geval zwaar is
geïnvesteerd in extra capaciteit. Ik weet dat de VNG veel doet aan
voorlichting aan gemeenten over een betere toepassing van de Wet Bibob.
Ik zal er in diezelfde reactie nog verder aandacht aan besteden en er
meer in detail op ingaan.
Mevrouw Schilder vroeg of er meer criminaliteit is in gebieden met
opvang van niet-westerse burgers en hoe we dat gaan aanpakken met
uitzetting. Ik wil dit niet flauw doorverwijzen naar de minister van
Asiel en Migratie, omdat ik daar zelf ook wel iets van afweet. Ja, maar
ik denk dat het probleem is dat overlast voornamelijk komt door
asielzoekers die weinig perspectief hebben op een uiteindelijke
verblijfsvergunning. Dat is een probleem dat eerder onderkend is, ook in
onderzoeken. Mensen die hier komen die daadwerkelijk op de vlucht zijn
en weten dat ze een goede kans maken om hun asiel gehonoreerd te
krijgen, zijn in de regel niet de mensen die overlast veroorzaken. Dat
zijn mensen die gewoon zo snel mogelijk dat proces willen doorlopen. Het
zijn de mensen die zes, zeven, acht herhaalde verzoeken indienen en die
dat al in vier, vijf, zes, zeven EU-landen hebben gedaan onder valse
namen, die bij elke aanvraag weer met nieuwe feiten komen, die op de
vliegtuigtrap nog een nieuwe aanvraag indienen of in één keer een andere
geaardheid zeggen te hebben of een andere religie aanhangen. Ik denk dat
dat de groep is die uiteindelijk naar de aard veel overlast veroorzaakt.
En ja, daar moeten we scherp op zijn. Ik weet dat de minister van Asiel
en Migratie dat ook is. Er zijn ook mogelijkheden om bij crimineel
gedrag en strafrechtelijke vervolging over te gaan tot het intrekken van
verblijfsvergunningen. Ook dat gebeurt al. In Europees verband wordt er
gekeken naar de interpretatie van het EVRM, naar wanneer je dat nou mag
doen en bij welke zwaarte van crimineel gedrag. Voor de rest moet ik 'm
wel echt doorverwijzen naar de minister van Asiel en Migratie.
Ik kom op de structurele ME-ondersteuning voor Utrecht en of ik die had
moeten toezeggen. Ik heb de burgemeester aangehoord. De verdeling van
politiecapaciteit en de inrichting daarvan geschiedt door mij in overleg
met de korpsleiding en het LOVP, het Landelijk Overleg Veiligheid en
Politie. Daarin zijn de verdeelsleutels voor de regio's — dat zeg ik ook
tegen mevrouw Straatman — vastgelegd. We hebben recent die
verdeelsleutel herijkt met z'n allen, dus voor nieuwe capaciteit die
erbij komt — die gaat er waarschijnlijk bij komen met de intensivering
van dit kabinet — is ook afgesproken hoe die verdeeld gaat worden.
Daarbinnen is het dan aan de regioburgemeesters en het lokaal gezag om
te bepalen hoe ze die willen inzetten. Inderdaad, ik heb ook gelezen dat
de politieformatie in Heerlen, de stad die genoemd werd in de
criminaliteitsmonitor van RTL, met 30 fte is gedaald. Dat is
uiteindelijk een keuze geweest in de regio. Ik heb beloofd om binnenkort
naar Heerlen toe te gaan en dat aan te horen, maar uiteindelijk ben ik
niet degene die gaat over het verdelen van agenten tussen verschillende
regio's. Het ME-vraagstuk zal ik neerleggen bij de korpsleiding, zodat
die kan bekijken hoe dit verder opgepakt moet worden.
Mevrouw Faber vroeg of de geregistreerde criminaliteit overeenkomt met
de werkelijke criminaliteit. Nee, daar zit altijd licht tussen. Dat
zullen we nooit helemaal kunnen voorkomen. Daarom ben ik wel blij met
een instrument als de Veiligheidsmonitor, want die kijkt niet naar
geregistreerde criminaliteit, maar vraagt mensen of zij het slachtoffer
zijn geworden van criminaliteit. Dat geeft natuurlijk toch altijd een
iets realistischer beeld dan alleen maar kijken naar wat naar boven is
gekomen in de aangiftes. Daar blijkt inderdaad uit dat de traditionele
criminaliteit in 2025 gelijk is gebleven ten opzichte van 2023, maar wel
weer hoger is dan in 2021.
De vraag over de €1.000 voor omwonenden van een azc moet ik echt
doorverwijzen naar de minister van Asiel en Migratie.
Dan was er nog de vraag van mevrouw Schilder of het verdwijnen van
politiebureaus voor een hogere drempel zorgt voor het doen van aangifte.
In algemene zin zien we dat het aantal spontane aangiften op bureaus
afneemt. Het grootste politiebureau wat dat betreft is het online
politiebureau: politie.nl. We zien dat een steeds groter deel van de
aangiftes daar plaatsvindt en dat de mogelijkheden daarvan steeds verder
worden uitgebreid. Nog steeds kan er wel ter plekke aangifte worden
gedaan. Dat kan ook bij agenten, omdat agenten steeds meer de
mogelijkheid hebben om dat mobiel te doen. Verder zou ik heel graag
willen doorverwijzen naar het debat van volgende week over de
politieorganisatie in bredere zin, want daarin komen de politiebureaus,
de zichtbaarheid van de politie en de dienstverlening uitgebreider ter
sprake.
De heer Sneller vraagt hoe we omgaan met het CCV. In de aanloop naar
2027 hebben we nog tijd om daarover te spreken met de partners en te
zien hoe we daarmee omgaan. Ja, de taakstelling komt voort uit de
generieke taakstelling op subsidies die is ingevoerd. Die is dus niet
opgeheven, maar we zijn wel in overleg met het centrum om te kijken
welke activiteiten en diensten de focus zouden moeten hebben. Nogmaals,
we hebben nog even de tijd tot 2027, maar het gesprek loopt al.
De voorzitter:
Een korte vraag: horen we daarover bij de begroting of is er daarvoor
een moment waarop we het inhoudelijk zouden kunnen bespreken?
Minister Van Weel:
In principe is dat bij de begroting. Ja, laat ik het daarbij
laten.
Laat ik dan beginnen met de aanslagen die we dit weekend hebben gezien,
en met de vraag of er iets bekend is over de motieven van de daders. Ik
heb tijdens het vragenuurtje op dinsdag ook gezegd dat het er alle
schijn van heeft dat deze daders in Rotterdam geronseld zijn. Over hun
motief zegt dat in ieder geval dat ze het uit financieel gewin hebben
gedaan. Of ze daar nog andere motieven voor hebben, vertelt het verhaal
op dit moment nog niet. Ik heb ook gezegd dat het mogelijk is dat Iran
daar als statelijke actor achter zat. Die twee appreciaties zijn nog
niet veranderd op dit moment. Verder is het aan het OM om daar nader
over naar buiten te komen.
De voorzitter:
Excuus, mevrouw Faber heeft nog een laatste interruptie.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik had het voorbeeld genoemd van die synagoge en die joodse school, maar
daarna schakelde ik door naar aanslagen op kerken en christelijke
symbolen. Daar hoor je namelijk niks over. Dit waren geen ongelukken;
dit was bewust. Er zijn in één week drie kerken in Ede in brand
gestoken. Mijn vraag was: is er iets bekend over de daders en hun
motivatie? Daar horen we namelijk niks over. En wordt daar onderzoek
naar gedaan? Waarom horen we daar niks over?
Minister Van Weel:
Dat zijn onderzoeken die door het lokaal gezag worden uitgevoerd. De
driehoek reageert daarop. De lokale politie en het OM zijn hier in
charge. Bij de synagoge en de school liep dit anders, juist vanwege het
terroristische karakter van de daad. Dan wordt er al snel landelijk
gekeken wat de implicaties voor andere instellingen zijn. Daarom weet ik
daar iets meer over dan over die lokale onderzoeken.
Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Schilder over de hackbevoegdheid.
Hier zien we de eeuwige worsteling tussen privacy en briefgeheim, en de
wens om versleutelde berichten te kunnen inzien. Aan de ene kant ben ik,
en met mij een groot deel van de Kamer, altijd erg blij dat er geen
verregaande bevoegdheden zijn om ons briefgeheim te schenden. We zijn
blij met de end-to-end-encryption en willen die niet schenden. Aan de
andere kant zien we dat criminelen, verspreiders van kinderporno en noem
het maar op, gebruikmaken van elk veilig communicatiemiddel dat er nog
is en waar we niet bij kunnen komen. Ik denk dus dat we continu moeten
blijven kijken hoe we de balans tussen die twee belangen kunnen vinden.
Daarbij mogen we de criminelen geen vrij spel geven. In dat kader ben ik
ook heel blij met en trots op de recente zaken die Europol gecoördineerd
heeft weten aan te pakken. Daarbij merk je dat als je uiteindelijk zo'n
encryptie weet te doorbreken, je ook wel een schat aan informatie kunt
blootleggen en netwerken kunt oppakken en oprollen.
Mevrouw Straatman (CDA):
Ik begrijp dat de minister nog zal reageren op de evaluatie van de Wet
computercriminaliteit, maar zou hij kunnen toezeggen de volgende punten
mee te nemen in zijn reactie op die evaluatie? We hebben die
hackbevoegdheid, maar tegelijkertijd zien we dat deze maar beperkt werkt
vanwege de versleuteling. Hoe willen we omgaan met de discussie over
privacy versus versleuteling? En welke stappen kunnen we daarin zetten?
Kan hij dat specifiek meenemen in de reactie op die evaluatie?
Minister Van Weel:
Ja. Geef me nog een heel klein beetje ruimte, want deze discussie speelt
niet alleen maar in het kader van criminaliteit, maar ook in bredere
zin. Ook in de commissie Digitale Zaken wordt deze uitgebreid besproken.
Ik zou voor nu even willen doorverwijzen naar het debat over de
Cyberbeveiligingswet van maandag. Ik zal ervoor zorgen dat ik dan
gewapend ben om op deze vraag in te gaan.
De voorzitter:
Waren dat alle overige belangrijke vragen? Ik kijk even naar de
collega's om te zien of er iets is blijven liggen.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Ik mis nog de vraag die ik aan de minister heb gesteld over ronselen als
apart delict opnemen in het Wetboek van Strafrecht.
Minister Van Weel:
Daar ga ik in een voortgangsbrief op terugkomen. Dat is een hele goede
vraag, maar het antwoord daarop is niet heel eenvoudig.
De voorzitter:
Welke voortgangsbrief? Dan kunnen we dat goed noteren.
Minister Van Weel:
Ik ga dat voor de zomer meenemen in een stand-van-zakenbrief.
De voorzitter:
Uitstekend. Dan kijk ik nog even naar de andere collega's. Zijn alle
vragen beantwoord? Dan stel ik voor dat we doorgaan met de tweede
termijn. Daarin heeft u 1 minuut en 20 seconden. Ik geef het woord aan
mevrouw Straatman.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het kort houden. Ik ben blij met de
snelle komst van de implementatie van de EU-Confiscatierichtlijn. Het
is, denk ik, heel belangrijk om crimineel vermogen af te pakken en te
herinvesteren op de juiste plaats; dat hoort er ook bij. Ik begrijp dat
de minister zegt dat het bij gemeentes zelf ligt om bijvoorbeeld met
pilots te komen, maar we kunnen gemeentes natuurlijk ook helpen en
daarin sturen. We kunnen helpen bij het delen van ervaringen. Daarin
kunnen we ook prioriteren. Laten we dus vooral kijken naar de regio's en
de grensregio's waar het al heel lastig gaat.
Kort nog iets over de politiecapaciteit. Ik begrijp dat de minister
zegt: ik ga er in feite niet over; dat is intern aan de
politieorganisatie. Echter, het kan natuurlijk niet zo zijn dat Heerlen
— ik zoom nu even in op die specifieke gemeente, maar het geldt voor
meerdere Zuid-Limburgse gemeenten — keer op keer heel hoog op die
lijstjes komt, en dat er vervolgens 30 fte aan politiecapaciteit
weggaat. Dat is natuurlijk onbestaanbaar. Zo lossen we de problemen
nooit op. Ik zou dus het volgende aan de minister willen vragen. Hij kan
het misschien zelf niet oplossen, maar hij kan wel met de
politieorganisatie in gesprek gaan. Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe kan
zo'n herverdeling binnen een regio op die manier plaatsvinden?
Daar zou ik het bij willen laten.
De voorzitter:
Mevrouw Schilder.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel. Ik zal het ook heel kort houden.
Ik hoorde het verhaal van mijn collega, mevrouw Straatman, over
herinvesteren in wijken. Ik vind dat mooi. Echter, ik zou aan de
minister willen vragen of hij die herinvestering misschien ook wil
meenemen in het opsporingssysteem, want het zou natuurlijk helemaal
prachtig zijn om de mensen die bezig zijn met georganiseerde
criminaliteit en drugs op te pakken met hun eigen middelen.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Ik zag her en der wel wat openingen en ook wel een zoektocht
vanuit deze minister, want hoe gaan we dit nou eigenlijk aanpakken in al
die wijken? Het gaat her en der goed, maar er zijn te veel steden die
toch elke keer de krant weten te halen vanwege echt grote overlast — en
"overlast" is dan misschien nog wel een understatement. Ik zou om die
reden graag een tweeminutendebat willen aanvragen.
De voorzitter:
Dat mag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Fijn.
De voorzitter:
Was dat ook het einde van uw inbreng?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Zeker.
De voorzitter:
Uitstekend. Dan gaan we naar mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u, voorzitter. Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de
beantwoording.
Ik heb toch nog wel even een ding. Dat gaat over die kerken. De minister
geeft aan: dat wordt op lokaal niveau onderzocht. Er wordt eigenlijk wat
minder prioriteit aan gegeven op nationaal niveau, omdat — dat wordt
aangegeven — het bij die joodse instellingen waarschijnlijk om een
terroristisch motief ging. Maar ik geef u op een briefje dat het bij die
kerken niet zo blijft; dat gaat net zo erg worden. Daarom wil ik de
minister verzoeken om dit toch nader te onderzoeken. Is hij daartoe
bereid? Ik geef u op een briefje: dit gaat erger worden.
De voorzitter:
Mevrouw Martens.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank, voorzitter. Allereerst dank aan de minister en zijn team voor de
beantwoording. Ik ben blij met de toezegging over het in gesprek gaan
met de woningbouwcorporaties.
Daar laat ik het bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Ik hou het ook kort. Dank voor de toezeggingen. Een aantal discussies
zijn, als je het negatief zegt, vooruitgeschoven. Als je het positief
zegt, hebben we toezeggingen gekregen om daar op een nader moment dieper
op in te gaan. Laat ik het daarbij houden.
De minister gaat meteen door met zijn beantwoording in tweede termijn.
Ik geef hem het woord.
Minister Van Weel:
Dank voor uw positieve appreciatie, want zo was 'ie in ieder geval wel
bedoeld.
Ik houd het heel kort. Ik ga binnenkort op bezoek in Heerlen. Ik hoop
dan ook te horen hoe het er daar voor staat en wat de overwegingen
daarachter zijn geweest. Ik zal dat dus zeker als gespreksonderwerp
oppakken.
Dan over het oppakken met de eigen middelen. Ik zie ze bij deze
beeldspraak al opgevouwen achterin een Lamborghini zitten. Ik ga even
kijken. We gaan er sowieso, ook in de komende periode, nog meer werk van
maken om te kijken of we meer uniformiteit in die herbestemming kunnen
brengen.
Mevrouw Faber had het over de kerken. Ik zal in ieder geval navragen of
er, naar aanleiding van de incidenten die er zijn geweest, volgens de
politie of het OM sprake is van een patroon. Dat wil ik wel doen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan rest mij de taak om nog even door de toezeggingen te
lopen en er nog eentje te upgraden tot een toezegging.
De minister komt in een volgende voortgangsbrief terug op de vraag van het lid Coenradie over het wegnemen van belemmeringen die zien op privacy in het kader van preventief waarschuwen, analoog aan het Deense model.
De minister stuurt voor de zomer een brief over de EU-anticorruptiestrategie aan de Kamer en neemt daarin het verzoek van het lid Sneller wat betreft de lidstaatopties mee.
De minister komt voor de zomer in een voortgangsbrief terug op de vraag van het lid Schilder over het opnemen van ronselen als apart delict in het Wetboek van Strafrecht.
Dan waren er twee opmerkingen, namelijk over de kerken en over de
woningbouwcorporaties, waarbij we niet direct hebben gehoord wanneer
daarop teruggekomen wordt of op welke manier. Zou de minister daar iets
over kunnen zeggen?
Minister Van Weel:
Op de woningbouwcorporaties kom ik terug in de voortgangsbrief. Wat
betreft de kerken wil ik dat eigenlijk alleen doen als daar een patroon
uit naar voren komt. Anders kan ik namelijk bij elk onderzoek de politie
gaan raadplegen. Dat is niet mijn taak en ook niet die van u. Het lijkt
mij pas relevant als daar een patroon in zit.
De voorzitter:
Eén opmerking is geüpgraded tot toezegging, de andere opmerking ligt nog
even bij mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik wil het ook weten als er niks uit komt. Want ik vind het een beetje
moeilijk — laat ik het zo stellen — als we helemaal niks horen.
De voorzitter:
De minister geeft in dat opzicht aan: geen nieuws is goed nieuws.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik sta daar anders in, maar goed.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we het daarbij houden. Onderaan het papiertje dat ik
voor me heb, staat nog dat het lid Coenradie een tweeminutendebat heeft
aangevraagd. Wij gaan daar plenair voor zorgen. Dan dank ik de minister
en zijn ondersteuning hartelijk voor de vlotte beantwoording. Ik dank
ook de leden en de ondersteuning hier. Ik sluit de vergadering.
Sluiting 15.55 uur.
ONGECORRIGEERD STENOGRAM Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: verslagdienst@tweedekamer.nl |
|---|