[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag schriftelijk overleg over het Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36945-VIII-1)

Brief regering

Nummer: 2026D40331, datum: 2026-09-01, bijgewerkt: 2026-09-01 18:23, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen: Bijlagen:

Onderdeel van zaak 2026Z17624:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


36 945 VIII Jaarverslag 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026

Verslag van een schriftelijk overleg

Vastgesteld d.d. …

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben de commissie en enkele fracties de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brieven:

  • d.d. 20 mei 2026 van de minister van OCW inzake Jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 1);

  • d.d. 9 juni 2026 van de minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 7);

  • d.d. 24 juni 2026 van de minister van OCW inzake Beantwoording openstaande vragen commissie over het jaarverslag Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025 (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 10);

  • d.d. 20 mei 2026 van de president van Algemene Rekenkamer inzake Aanbieding van het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 2);

  • d.d. 9 juni 2026 van de president van Algemene Rekenkamer inzake Beantwoording vragen commissie, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 5);

  • d.d. 9 juni 2026 van de minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 6);

  • d.d. 15 april 2026 van de minister van OCW inzake Beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 146);

  • d.d. 17 juni 2026 van de minister van OCW inzake Beantwoording vragen commissie over de beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026 (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 171);

  • d.d. 20 mei 2026 van de minister van OCW inzake Rapportage burgerbrieven 2025 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 29 362, nr. 401);

  • d.d. 16 juni 2026 van de minister van OCW Stand van de Uitvoering Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) 2026 (Kamerstuk 36 800-VIII, nr.157);

  • d.d. 4 juni 2026 van de minister van OCW inzake Opvolging in beeld: Periodieke rapportages van het Ministerie van OCW vanaf 2024 (Kamerstuk 31 511, nr. 67);

  • d.d. 22 juni 2026 van de minister van OCW inzake Jaarverslag 2025 Inspectie van het Onderwijs (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 173).

Bij brief van ... hebben de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie

Koorevaar

Adjunct-griffier van de commissie

Bosnjakovic

Inhoud

I Gezamenlijke vragen en opmerkingen uit de commissie

Vragen en opmerkingen uit de fracties

  • Inbreng van de leden van de VVD-fractie

  • Inbreng van de leden van de PRO-fractie

  • Inbreng van de leden van de CDA-fractie

  • Inbreng van de leden van de JA21-fractie

  • Inbreng van de leden van de BBB-fractie

  • Inbreng van de leden van de DENK-fractie

  • Inbreng van de leden van de Groep Markuszower

II Reactie van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Gezamenlijke vragen en opmerkingen uit de commissie

Inleiding

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de commissie) heeft de leden Moorman (PRO) en Boomsma (JA21) aangewezen als rapporteurs voor het Jaarverslag OCW 2025. De focus van het onderzoek van de rapporteurs lag, naast een financiële beschouwing, op de relatie tussen de doelen, maatregelen, middelen en prestaties van een aantal specifieke beleidsterreinen. Zij hebben dankbaar gebruik gemaakt van de bevindingen van de Algemene Rekenkamer uit het Verantwoordingsonderzoek. Daarnaast hebben de rapporteurs gekeken naar de uitkomsten van beleidsevaluaties en -onderzoek, monitors en de Staat van het Onderwijs. De commissie heeft besloten het voorstel van de rapporteurs voor gezamenlijke inbreng over te nemen.

De leden van de commissie hebben kennisgenomen van de bevindingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de bedrijfsvoering van het departement. Deze leden lezen dat de minister de bestaande onvolkomenheden rondom het M&O-beleid aanpakt en vragen wanneer zij verwacht dat deze volledig zijn opgelost en welke concrete stappen zij daarvoor in 2026 nog gaat zetten. Ten aanzien van de nieuwe onvolkomenheid op de uitvoeringstoetsen van de Inspectie van het Onderwijs vragen de leden naar de oorzaak van deze onvolkomenheid. Ook willen zij weten hoe de minister waarborgt dat nieuwe wet- en regelgeving voortaan tijdig en zorgvuldig wordt getoetst op uitvoerbaarheid door de Inspectie.

De Algemene Rekenkamer oordeelt dat de totaalbedragen in de financiële verantwoording van OCW over 2025 kloppen. Tegelijk is het geld niet altijd volgens de regels besteed. Daarom geeft de Algemene Rekenkamer negatieve oordelen bij het totaal van de afgerekende voorschotten, bij de agentschappen en bij artikel 95 Apparaat Kerndepartement. De leden van de commissie vragen de minister om actief aan de slag te gaan met dit negatieve oordeel. Deze leden vragen haar om de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van 2027 te infomeren over 1) de uitkomsten van het gesprek met de ministeries EZ en I&W over de naleving van de aanbestedingsregels en 2) hoe de tekortkomingen in de subsidievaststellingen op artikel 14 en artikel 16 zijn opgelost.

De leden van de commissie vragen nadrukkelijk aandacht voor de informatiewaarde van het Jaarverslag in algemene zin. Deze leden concluderen dat de informatie uit de diverse bronnen een versnipperd en onvolledig beeld oplevert, waarbij het Jaarverslag zelf de minste informatie geeft. Ook in voorgaande jaren heeft de commissie hiervoor aandacht gevraagd. De leden waarderen de nieuwe beleidsindicatorensystematiek (vanaf begrotingsjaar 2026) , maar denken dat deze verder verbeterd kan worden. In het beleidsverslag zien de leden graag meer aandacht voor de resultaten die zijn bereikt, een betere koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren en gebruik van aanvullende bronnen om tot samenhangende verantwoordingsinformatie te komen. De leden vragen de minister om een expliciete toelichting op hoe deze punten in het Jaarverslag van 2026 en op ocwincijfers.nl zijn verwerkt. Ook vragen zij de minister om deze punten toe te passen op de begrotingscyclus van 2027 en dit toe te lichten in de begrotingsstukken.

Meer specifiek hebben de leden van de commissie aandachtspunten en vragen over de informatiewaarde in het Jaarverslag en andere documenten ten aanzien van de volgende onderwerpen:
1. Kwaliteit funderend onderwijs en schoolverschillen
2. Overhead en publiek vermogen
3. Toelaatbaarheidsverklaringen gespecialiseerd onderwijs
4. Kansengelijkheidsbeleid funderend onderwijs
5. Internationalisering in het hoger onderwijs

Voor het volledige verslag van het begrotingsrapporteurs, wordt verwezen naar de bijlage bij Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 9.

1. Kwaliteit funderend onderwijs en schoolverschillen

De leden van de commissie hebben de informatie in het Jaarverslag over de beleidsprioriteit ‘Een sterke basis en een hoge kwaliteit’ bestudeerd en constateren dat de kwaliteit van het onderwijs in de begrotings- en verantwoordingsstukken nog onvoldoende wordt geoperationaliseerd. De Staat van het Onderwijs laat een breder beeld zien van de kwaliteit van het onderwijs, maar dit beeld wordt door de minister niet benut voor de beleidsverantwoording. Op ocwincijfers.nl treffen deze leden als indicatoren voor het beleid ter verbetering van de kwaliteit van het funderend onderwijs alleen de mate waarin leerlingen aan het einde van het basisonderwijs en eind leerjaar 2 van het voortgezet onderwijs de referentieniveaus voor taal en rekenen behalen. De leden vragen de minister daarom hoe zij de kwaliteit van het funderend onderwijs definieert en hoe de diverse maatregelen genoemd in het Jaarverslag bijdragen aan deze beleidsprioriteit. Ook vragen zij de minister voor de begrotingscyclus te komen tot een set van indicatoren die breder is dan alleen het meten van de taal- en rekenvaardigheid bij leerlingen.

Een ander punt is dat de indicatoren over de (aspecten van) de kwaliteit van het onderwijs, ook die in de Staat van het Onderwijs, vooral geaggregeerde landelijke beelden, met beperkt zicht op spreiding tussen scholen, laten zien. Die indicatoren zouden niet alleen moeten laten zien hoeveel scholen onvoldoende of zeer zwak zijn, maar ook hoe groot de verschillen zijn binnen de groep scholen die een voldoende scoort. De leden van de commissie vragen of de minister in het volgende Jaarverslag, eventueel in samenwerking met de Inspectie, een bredere set van indicatoren de spreiding van (groepen) scholen op deze gemiddelden kan laten zien.

2. Inzicht in overhead en publiek vermogen

In het Jaarverslag geeft de minister aan in 2025 gewerkt te hebben aan bestedingsnormen.1 De leden van de commissie gaan ervan uit dat de minister hier doelt op normen voor de besteding van geld dat direct of indirect ten goede komt aan het onderwijs in de klas. De commissie heeft zelf in 2025 onderzoek laten uitvoeren naar de verschillende definities en meetmethoden van overhead.2 Een aanbeveling van het onderzoek is om te komen tot een heldere definitie en een uniforme toedeling van onderwijsondersteunende functies en uitbesteed werk. Ook is het relevant overhead niet alleen uit te drukken in fte, maar ook in kosten.3 De leden lezen in de beleidsbrief OCW 2026-2030 dat de minister de uitkomsten van het onderzoek betrekt en vragen de minister naar de stand van zaken.4

Een andere inzicht behoefte van de commissie gaat over de publieke middelen die op de balans blijven staan, ofwel de reserves van schoolbesturen. In het Jaarverslag geeft de minister per onderwijssector de financiële kengetallen, maar geeft daar geen toelichting bij. De Inspectie geeft hierover zelf aan dat de financiële situatie van de onderwijssector als geheel stabiel is en dat de sector financieel gezond is.5 Tegelijkertijd noemt de Inspectie, op basis van de miljoenennota 2025, de dalende rijksbijdragen door bezuinigingen in de periode 2026-2030 en afnemende leerlingaantallen.6 Ook ziet de Inspectie dat eenpitters (besturen met één school) relatief vaak voorkomen onder besturen met mogelijke risico’s voor de financiële continuïteit. Ook staan zij relatief vaak onder aangepast financieel toezicht.7

In de Staat van het Onderwijs 2026 lezen de leden verder dat in 2024 49,7 procent van de schoolbesturen in het po een mogelijk bovenmatig eigen vermogen heeft. In het vo gaat het om 49,2 procent van de besturen.8 Het bedrag aan bovenmatig eigen vermogen is niet evenredig verdeeld over de besturen: 5 procent van de besturen heeft ongeveer 45 procent van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen. In 2024 gaat het om een bedrag van € 992,4 miljoen in het funderend onderwijs. De leden van de commissie vragen de minister te reflecteren op de financiële kengetallen van de sectoren po en vo in relatie tot de dalende rijksuitgaven en leerlingenaantallen en het mogelijk bovenmatig eigen vermogen van de sectoren. Ook vragen zij of de minister inzicht heeft in de logica van bestuurders om een mogelijk bovenmatig eigen vermogen aan te houden, met name als het gaat om het (kleine) percentage bestuurders dat het grootste deel van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen bezit. Kan de minister hier vanaf volgend jaar ook in het Jaarverslag op ingaan, zo vragen deze leden.

3. Zicht op toelaatbaarheidsverklaringen gespecialiseerd onderwijs en systeem van gespecialiseerd onderwijs

De Algemene Rekenkamer constateert in het verantwoordingsonderzoek dat de minister niet genoeg informatie heeft om te beoordelen of de samenwerkingsverbanden de toelaatbaarheidsverklaringen op een goede manier (de juiste hoogte) afgeven. Hierdoor ontstaat een financiële onzekerheid over de rechtmatigheid van de middelen voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van € 248 miljoen.9

De rapporteurs zijn namens de commissie nagegaan welke sturingsinformatie er in beginsel is over de toelaatbaarheidsverklaringen voor het gespecialiseerd onderwijs en de daarmee samenhangende doelstellingen voor passend onderwijs. Daarbij hebben zij ook beleidsinformatie over de wachtlijstproblematiek en de beweging richting inclusiever onderwijs betrokken. De leden van de commissie constateren dat het beleidsverslag geen informatie geeft over de voortgang van de diverse doelstellingen voor passend onderwijs en in het bijzonder over de mate waarin deze in 2025 reeds zijn bereikt.10

Op ocwincijfers.nl treffen de leden van de commissie gedateerde informatie (tot en met 2022) zonder duiding over de hoogte van de ondersteuningsbekostiging, waardoor niet duidelijk wordt of bepaalde trends door hebben gezet, zoals de afname van het aandeel (v)so11-leerlingen met een hoge ondersteuningscategorie, de stijging van het aandeel (v)so-leerlingen met een lage ondersteuningscategorie of middencategorie (alleen so).12 Deze leden vragen de minister naar de ontwikkelingen in de hoogte van de ondersteuningscategorieën bij toelaatbaarheidsverklaringen in cluster 3 en 4 (v)so in de jaren 2023-2025. Ook vragen zij welke verklaringen de minister kan geven voor eventuele trends in de ontwikkeling van de ondersteuningscategorieën.

In de Doelstellingenmonitor passend onderwijs13, die de staatssecretaris onlangs naar de Tweede Kamer stuurde, worden de doelstellingen gemonitord die bij de Verbeteragenda passend onderwijs (2020) werden opgesteld.14 Eén van de doelstellingen heeft betrekking op de ondersteuning van leerlingen, namelijk ‘de ondersteuningsbehoefte is leidend’. Uit de doelstellingenmonitor wordt niet duidelijk hoe de gemeten oordelen over de ondersteuning zich verhouden tot de financiële middelen, ofwel de hoogte van de ondersteuningscategorie. Ook lijkt geen onderscheid te worden gemaakt naar leerlingen in het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs. Met deze informatie zou volgens de leden van de commissie het inzicht in de doelmatigheid van de ondersteuningscategorie kunnen worden verbeterd. Deze leden vragen de minister daarom of onderzocht is hoe de oordelen over de ondersteuning door scholen, ouders en leerlingen zich verhouden tot de middelen die daarmee gemoeid zijn en of deze informatie beschikbaar is op landelijk niveau en/of op het niveau van samenwerkingsverbanden. Ook willen de leden weten hoe de minister nagaat of de doelstelling ‘de ondersteuningsbehoefte is leidend’ ook voor het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs wordt behaald.

In het najaar van 2020 is in de Tweede Kamer een motie ingediend over de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs.15 Hierin werd aangekaart dat er signalen waren dat er leerlingen op wachtlijsten stonden voor het speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs en dat deze wachtlijsten niet werden gemonitord. Hierdoor was er geen sprake van een betrouwbaar beeld van de wachtlijsten. In de motie werd de regering onder andere verzocht om de wachtlijsten te monitoren. Inmiddels worden de wachtlijsten door het ministerie gemonitord en is er een eerste beeld van de omvang van de wachtlijstproblematiek.16 Tegelijkertijd is er geen centraal punt waar wordt bijgehouden welke leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring voor het gespecialiseerd onderwijs, nog geen onderwijs kunnen volgen. Centralere registratie, bijvoorbeeld bij DUO17, zorgt volgens de onderzoekers voor een betrouwbaarder beeld van het exacte aantal leerlingen dat in Nederland op een wachtlijst voor het gespecialiseerd onderwijs staat, omdat aanmeldingen van leerlingen op meerdere vestigingen dan zichtbaar worden (en geen vertekend beeld ontstaat, zoals nu het geval is). De leden van de commissie vragen de minister om een reflectie op dit punt.

Een toelaatbaarheidsverklaring (hierna: TLV) tot het gespecialiseerd onderwijs is tijdelijk, tenzij de school voor gespecialiseerd onderwijs het noodzakelijk acht dat de leerling daar langer blijft en het samenwerkingsverband een nieuwe TLV heeft verstrekt.18 De leden van de commissie constateren dat de minister zelf geen cijfers verstrekt over de mate waarin leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs uitstromen naar het regulier onderwijs en dat zij evenmin inhoudelijk reageert op het thematische rapport van de Inspectie van het Onderwijs over dit onderwerp.19 Ook koppelt de minister deze informatie over de uitstroom niet aan de informatie uit de doelstellingenmonitor, bijvoorbeeld ten aanzien van de doelstelling ‘Een dekkend netwerk in elke regio’, waarin één van de indicatoren de samenwerking tussen regulier en speciaal onderwijs is. Deze leden vragen de minister hoe zij de uitstroominformatie naar regulier onderwijs bij de monitoring van de doelstellingen van passend onderwijs gaat betrekken en of zij van plan is deze uitstroom op jaarlijkse basis te monitoren.

Tot slot merken de leden van de commissie op dat het uitgangspunt van het kabinet is dat het gespecialiseerd onderwijs blijft bestaan, ook in de beweging naar meer inclusief onderwijs.20 Daarom menen deze leden dat de minister beter inzicht moet krijgen in het type leerlingen voor wie gespecialiseerd onderwijs nodig is en blijft en voor welke leerlingen ook ondersteuning in het regulier onderwijs kan worden georganiseerd. De doeltreffendheid en doelmatigheid van het systeem (inclusief de hoogte van de bekostiging en de daadwerkelijke plaatsing) dat toegang geeft tot het gespecialiseerd onderwijs is eveneens onvoldoende inzichtelijk volgens de leden. Dit geldt ook voor hoe de samenwerking tussen het regulier en het gespecialiseerd onderwijs verloopt. Het valt de leden op dat de monitoring niet is ingericht om in deze inzicht behoefte op een integrale manier te voorzien. De informatie wordt versnipperd verzameld en geeft daarmee slechts ten dele zicht op de diverse doelstellingen die gekoppeld zijn aan de huidige Verbeteragenda en de toekomstige route naar meer inclusief onderwijs. Zij vragen de minister welke mogelijkheden zij ziet om een meer volledig en integraal beeld te krijgen van de werking van het systeem van gespecialiseerd onderwijs in relatie tot de beweging naar meer inclusief onderwijs? Hoe wordt de Kamer hierover geïnformeerd?

  1. Kansengelijkheidsbeleid funderend onderwijs

De leden van de commissie danken de minister voor de opvolgingsbrief periodieke rapportages.21 Bij de vorige opvolgingsbrief constateerden deze leden dat nauwelijks aandacht werd gegeven aan de opvolging van maatregelen die te maken hebben met de evalueerbaarheid van het beleid. In de huidige brief komen deze onderdelen wederom niet terug, zien deze leden. Door de opeenvolgende kabinetten en als gevolg daarvan de aanduidingen van deze beleidsprioriteit ‘Iedereen gelijke kansen (2024)’, Iedereen is nodig (2025, 2026)’, en in de meest recente Strategische Evaluatieagenda (2026) ‘Toegankelijkheid funderend onderwijs’, is het voor de Tweede Kamer lastig te overzien wat deze beleidsprioriteit nu precies behelst en hoe deze gecontroleerd kan worden.

Uit de voortgangsbrief over diverse maatregelen op het terrein van kansengelijkheid, wordt aangekondigd dat kernindicatoren voor kansengelijkheid zijn gekozen.22 Deze indicatoren geven weer of er structurele verschillen in onderwijsloopbanen zijn tussen groepen leerlingen en studenten. De cijfers worden gepresenteerd in een apart dashboard.23 Dit dashboard zien de leden van de commissie niet terug op de website ocwincijfers.nl, waarin de indicatoren worden gepresenteerd behorend bij de beleidsprioriteiten van de begroting. Deze leden vragen de minister hoe de set kernindicatoren kansengelijkheid zich verhoudt tot de indicator(en) die worden gepresenteerd op ocwincijfers.nl en hoe deze set zich verhoudt tot de doelstellingen van het beleid. Ook vragen zij waarom de indicator ‘onderwijspositie in het derde leerjaar in het voortgezet onderwijs van groepen leerlingen met ouders die verschillende opleidingen hebben gevolgd’ alleen in 2025 wordt gemeten en niet in opvolgende jaren. Tot slot vragen zij de minister voor de begrotingscyclus van 2027 om een overkoepelend overzicht van de doelstellingen, maatregelen, middelen, indicatoren en evaluaties op het terrein van het kansengelijkheidsbeleid in het funderend onderwijs.

De leden van de commissie lezen in het beleidsverslag niets over de subsidieregeling School en omgeving, waar in het jaar 2025 weliswaar op is bezuinigd, maar waar nog steeds ruim € 124 miljoen in het primair onderwijs voor werd uitgegeven en ruim € 138 miljoen in het voortgezet onderwijs.24 Op basis van het rapport van de landelijke monitor School en Omgeving25 valt het hen op dat vooral de positieve bevindingen uit de monitor worden geadresseerd in de hierboven genoemde voortgangsbrief, maar nauwelijks wordt ingegaan op zaken die mogelijk nog bijgestuurd kunnen worden en ook niet op het verbeteren van de evalueerbaarheid van de regeling. Dit laatste is ook relevant met het oog op de tussentijdse bezuiniging op de subsidieregeling en de weer voorgenomen herziening daarvan.26 Indien dit leidt tot veranderingen in doelstelling en doelgroep, zal hiermee rekening moeten worden gehouden in het evaluatieonderzoek. Verder is de evalueerbaarheid van de regeling volgens de leden van belang om in de nabije toekomst te kunnen komen tot een doeltreffend en doelmatig (aanvullend) bekostigingsinstrument waarmee een dergelijk programma vanaf 2029 structureel gefinancierd kan worden, zoals de wens is van het kabinet. De leden vragen de minister hoe is omgegaan met de (negatieve) bevindingen die zijn voortgekomen uit de meest recente monitor (toegenomen werkdruk schoolleiders en taakverzwaring leraren, niet overal meetbare en concrete doelstellingen, lastige verantwoording door mixen van budgetten, 10-uurs aanbod i.r.t. doelen scholen en aanbod regio). Zij vragen of en zo ja waar heeft dit geleid tot bijsturing van beleid of de regeling. Ook vragen zij de minister in hoeverre er bij de huidige subsidieregeling sprake is van quasi-experimenteel onderzoek, waarbij effecten kunnen worden vastgesteld. Tot slot vragen zij hoe resultaten uit onderzoek benut worden bij het ontwerpen van het structurele bekostigingsinstrument.

  1. Internationalisering in het hoger onderwijs

De leden van de commissie hechten eraan meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen in het Nederlandstalig en Engelstalig opleidingsaanbod en de verdeling van (inter)nationale studenten over die opleidingen. Inzicht in heldere cijfers en trends kan de commissie helpen om op basis van de juiste informatie te debatteren over het grip krijgen op internationale studenten en de effectiviteit van de maatregelen die het kabinet daarvoor neemt. Deze leden constateren dat in het Jaarverslag niet wordt ingegaan op waar de beleidsinzet (onder andere de Nederlandse inzet op de gebalanceerde mobiliteit in Europa, en het NL Scholarship programma) toe heeft geleid in 2025, in termen van aantallen studenten.27 Zo wordt ook niet verwezen naar het onderzoek van Nuffic over Inkomende diplomamobiliteit, dat jaarlijks verschijnt.28 Ook op de website ocwincijfers.nl treffen de leden hierover geen indicatoren aan bij het jaar 2025.29

De leden van de commissie waarderen het dat de minister relevante indicatoren opneemt in de begrotingscyclus van 2026.30 Tegelijkertijd geven de cijfers volgens deze leden weinig fijnmazige informatie. Zo wordt bij de indicatoren over instromende internationale studenten geen onderscheid gemaakt naar bachelor- en masterstudenten. Bij de indicator over de onderwijstaal ontbreekt informatie over de definitie (wanneer is een opleiding geheel Nederlandstalig en wanneer geheel Engelstalig) en over de inhoud van de opleiding (bijvoorbeeld op basis van de opleidingscode). Bij de indicator over de verdeling van de verschillende studenten over de anderstalige opleidingen en trajecten ontbreekt eveneens het inzicht in de inhoudelijke opleidingen die gevolgd worden door deze studenten.

Andere bronnen met internationaliseringsinformatie geven volgens de leden een beter beeld, zoals de Staat van het Onderwijs31 en de website van Universiteiten van Nederland.32 Toch laten deze cijfers nog niet het volledige beeld zien, en laten zij wellicht verschillende uitkomsten zien als andere definities worden gekozen voor bijvoorbeeld taligheid van een opleiding of de instroom van studenten. De minister benoemt dit zelf ook in de beleidsreactie die hij stuurde op verzoek van de commissie over het eerder genoemde Nuffic-rapport.33 Om de lacunes in de informatievoorziening op te lossen, kondigt de minister aan dat zij de kennisbasis wil versterken door het onderwerp ‘internationalisering in het hbo en wo’ als onderwerp toe te voegen aan de strategische evaluatieagenda (SEA) van het ministerie. De leden lezen hierover nog niets terug in de uitwerking van de SEA in de begroting van 2026 en vragen de minister de uitwerking hiervan op te nemen in de begrotingscyclus van 2027.

De leden van de commissie willen ten aanzien van die te ontwikkelen kennisbasis vast het volgende meegeven. Kan de minister op basis van de hierboven benoemde bronnen (en indien nodig aanvullende bronnen) de Kamer in ieder geval informatie verstrekken over de kenmerken van en trends rondom het (huidige) opleidingsaanbod en hoe dat zich verhoudt tot de aantallen en herkomst van (inter)nationale studenten en de instructietaal van opleidingen? Zo kan inzicht worden gegeven in vragen als:

  • Welke opleidingen trekken veel en welke weinig studenten?

  • Hoe is de verhouding tussen internationale en Nederlandse studenten op opleidingsniveau?

  • Hoe heeft de instructietaal zich ontwikkeld bij opleidingen en hoe verhouden instructietaal en aantallen (inter)nationale studenten zich tot elkaar?

  • Gaat het hier om ontwikkelingen op landelijk niveau of zijn er veel verschillen tussen instellingen?

Voor een voorbeeld van het type informatie dat de commissie zou helpen, verwijzen de leden naar de rapporteursnotitie.34 Zij vragen de minister naar de mogelijkheden en eventuele belemmeringen voor het openbaar maken van informatie op opleidingsniveau en hoe zij de taal waarin opleidingen worden aangeboden wil definiëren.

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het Jaarverslag OCW over het jaar 2025 en de Staat van het Onderwijs 2026.

Algemeen

Volgens de leden van de VVD-fractie moet onderwijsbeleid bijdragen aan betere onderwijskwaliteit, een sterkere aansluiting op de arbeidsmarkt en voldoende talent voor de economische en maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. De Staat van het Onderwijs laat volgens deze leden zien dat er nog veel werk aan de winkel is. Daarom hebben de leden de volgende vragen over de onderhavige stukken.

Basisvaardigheden

De leden van de VVD-fractie delen zeer met het kabinet dat het opleiden voor de toekomst van Nederland begint bij goede basisvaardigheden. Dat is hard nodig, menen deze leden, omdat Nederlandse leerlingen en scholieren minder goed presteren op deze vaardigheden dan voorheen. Het kabinet wil hierin het tij keren en dat moedigen de leden aan. Zij constateren dat de afgelopen jaren fors is geïnvesteerd in het Masterplan Basisvaardigheden, terwijl de Staat van het Onderwijs laat zien dat de noodzakelijke kwaliteitsverbetering op deze terreinen nog onvoldoende zichtbaar is. Toch vinden deze leden dat de focus op taal, rekenen en andere basisvaardigheden onverminderd moet worden voortgezet. Hoe beoordeelt de minister deze constatering van de Algemene Rekenkamer, zo vragen de leden. Wanneer verwacht de minister dat de investeringen in het Masterplan Basisvaardigheden daadwerkelijk zichtbaar worden in betere leerprestaties van leerlingen? Kan zij daarbij aangeven of en zo ja welke concrete doelstellingen zij daarbij hanteert?

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen van het kabinet om een aanmeldplicht voor kinderen vanaf vier jaar te verkennen voor de vve35. Deze leden vragen het kabinet wanneer de Kamer de eventuele resultaten van die verkenning kan ontvangen. Wat wordt precies onderzocht, zo vragen de leden. Zij vragen het kabinet daarnaast hoe zij vve beter gaat verbinden met het basisonderwijs, zodat die overgang zo soepel als mogelijk verloopt.

De leden van de VVD-fractie hebben voorts met veel belangstelling kennisgenomen van de ambities van het kabinet op praktijkgericht- en techniekonderwijs. Deze leden moedigen zeer aan dat er hier in het basis- en voortgezet onderwijs meer aandacht voor komt. De leden vragen het kabinet dan ook wat zij in het basisonderwijs doet om leerlingen te enthousiasmeren voor techniek. Op welke manier zijn techniek en technologie op dit moment geïntegreerd in het basisonderwijs? Klopt het dat veel scholen vanuit Wetenschap & Techniek al (structureel) techniekonderwijs aanbieden en is dit volgens het kabinet voldoende? De leden menen namelijk dat interesse voor techniek onder kinderen al zo vroeg mogelijk aangewakkerd moet worden. Dat begint ook bij leraren met enige kennis van het vakgebied. Wordt er in het huidige pabo-curriculum aandacht besteed aan het verzorgen van bijvoorbeeld W&T-onderwijs?

Leraren

De leden van de VVD-fractie zijn blij met de blijvende aandacht en urgentie van het kabinet voor kwalitatief goede leraren en de terechte aandacht voor de positie van de schoolleider. Deze leden vragen het kabinet graag naar haar ideeën over de ‘professionele leraar’ en hoe deze kunnen bijdragen aan het keren van de in de Staat van het Onderwijs beschreven trends. De leden weten dat er eerder gewerkt is met een zogenaamd lerarenregister om de professionalisering van leraren bij te houden. Zij vragen het kabinet hoe, gezien de ambities op dit punt, de continue professionele ontwikkeling van leraren bijgehouden gaat worden. Gaat dit uitbesteed worden aan de nog te ontwikkelen onafhankelijke beroepsgroep?

De leden van de VVD-fractie onderstrepen zeer de noodzaak van extra maatregelen voor het aantrekken en behouden van leraren en schoolleiders. Deze leden kijken met belangstelling uit naar het landelijke kwaliteitsfundament voor startende leraren en de bijbehorende centrale eindtoets van de pabo. Wanneer verwacht het kabinet daar stappen op te presenteren, zo vragen de leden.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de aanpak van het lerarentekort ook vraagt dat het beroep zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt wordt, ook voor mannen. Deze leden weten dat sommige geïnteresseerden zich laten tegenhouden doordat zij in de lerarenopleiding bij alle ontwikkelingsfases van leerlingen stil moeten staan, terwijl zij vooral geïnteresseerd zijn in een specifieke ontwikkelingsfase (bijvoorbeeld die van het oudere kind). Om die reden heeft het vorige kabinet ook het wetsvoorstel differentiatie pabo geïntroduceerd. De leden missen de voorgenomen voortzetting van dit wetstraject in de onderhavige stukken. Zij vragen het kabinet hoe de in het regeerakkoord afgesproken gesprekken met het onderwijsveld lopen en wanneer de Kamer deze wet kan behandelen.

De leden van de VVD-fractie ondersteunen zeer de inzet op zij-instroom, maar zijn daarnaast van mening dat leraren gestimuleerd moeten worden om meer uren te werken. Om die reden zijn deze leden benieuwd naar de voortgang en ontwikkelingen in de pilot meerurenmaatwerk in het onderwijs. De leden vragen het kabinet naar een stand van zaken en haar ambities op het stimuleren van meer uren werken in het onderwijs. In het verlengde van de arbeidsvoorwaarden van leraren vragen zij of er al ontwikkelingen zijn op de voornemens rond de planlastcalculator naar Vlaams voorbeeld.

De leden van de VVD-fractie weten dat het kabinet stimuleert dat er voldoende onderwijsaanbod is voor neurodivergente leerlingen. Deze leden vragen het kabinet hoe dat zich verhoudt tot de in het regeerakkoord benoemde ambitie om voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs te stimuleren, daar neurodivergentie niet alleen hoogbegaafdheid behelst.

Schoolleiders en kwaliteitszorg

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs opnieuw laat zien dat de kwaliteit van het onderwijs onder druk staat. Hoewel veel scholen werken aan verbetering van basisvaardigheden, blijven de resultaten achter en lukt het een aanzienlijk deel van de scholen niet om geconstateerde tekortkomingen tijdig te herstellen. De Inspectie wijst daarbij nadrukkelijk op tekortschietende kwaliteitszorg. Deze leden vragen de minister hoe zij deze bevindingen beoordeelt en welke aanvullende maatregelen zij neemt om scholen en besturen te ondersteunen bij het versterken van hun kwaliteitszorg.

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat schoolleiders steeds meer tijd kwijt zijn aan administratieve en organisatorische lasten en personeelstekorten, waardoor zij minder toekomen aan hun onderwijskundige verantwoordelijkheid. Welke mogelijkheden ziet de minister om schoolleiders meer ruimte te geven voor onderwijskundig leiderschap en kwaliteitsverbetering, zo vragen zij.

De leden van de VVD-fractie zijn daarnaast van mening dat een bekostigingssysteem dat scholen voldoende ruimte geeft om verantwoordelijkheid te nemen een belangrijke randvoorwaarde is voor goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren zij dat in het Jaarverslag wordt verwezen naar het uitgangspunt “structurele bekostiging voor structurele taken” en naar het wetsvoorstel gerichte bekostiging. Kan de minister aangeven wat de actuele stand van zaken is van dit wetsvoorstel en hoe zij de balans ziet tussen autonomie voor scholen enerzijds en gerichte sturing op beleidsprioriteiten anderzijds?

Excellentie vervolgonderwijs

De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat het vervolgonderwijs niet alleen toegankelijk is, maar ook voldoende ruimte biedt voor talentontwikkeling en excellentie. Nederland heeft behoefte aan goed opgeleide vakmensen, professionals, onderzoekers én topstudenten.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan aangeven hoe talentontwikkeling en excellentie een plek krijgen binnen de Nationale Talentstrategie. Hoe beoordeelt zij de huidige beschikbaarheid van honoursprogramma’s en andere vormen van extra uitdaging binnen mbo, hbo en wo? Acht zij deze voorzieningen voldoende toegankelijk en toekomstbestendig?

De leden van de VVD-fractie hechten daarnaast aan vlot studiesucces. Op welke wijze stimuleert de minister dat studenten hun opleiding succesvol en binnen een redelijke termijn afronden, met behoud van aandacht voor studentenwelzijn en persoonlijke ontwikkeling?

Instroom tekortsectoren

De leden van de VVD-fractie zijn nog altijd van mening dat arbeidsmarktrelevantie een belangrijker uitgangspunt moet worden binnen het vervolgonderwijs. Nederland kampt immers met grote tekorten in onder meer techniek, zorg, onderwijs, defensie en de energiesector.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan toelichten hoe arbeidsmarktrelevantie en macrodoelmatigheid worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de bekostiging van het mbo, hbo en wo. Op welke wijze krijgen onderwijsinstellingen en studenten beter inzicht in de arbeidsmarktperspectieven van opleidingen?

De leden van de VVD-fractie lezen in het Jaarverslag dat in verschillende regio’s maatregelen zijn genomen om vitale opleidingen te behouden bij dalende studentenaantallen. Hoe beoordeelt de minister de eerste resultaten hiervan? Welke rol speelt de (regionale) arbeidsmarkt hierbij?

De leden van de VVD-fractie verwelkomen het voornemen tot het ontwikkelen van een Nationale Talentstrategie. Deze leden zijn van mening dat Nederland veel gerichter moet sturen op het opleiden van voldoende talent voor maatschappelijke en economische sleutelopgaven. De leden vragen of de minister kan aangeven hoe de strategie concreet gaat bijdragen aan het vergroten van de instroom in tekortsectoren zoals techniek, zorg en het onderwijs. Welke doelstellingen worden hiervoor geformuleerd en hoe worden deze gemonitord? Wanneer kan de Kamer deze strategie verwachten, zo vragen deze leden voorts.

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe techniek en technologie structureel worden verankerd in het funderend onderwijs. Welke rol ziet de minister voor technologieonderwijs, digitale vaardigheden en loopbaanoriëntatie bij het enthousiasmeren van leerlingen voor technische opleidingen en beroepen?

Internationalisering

De leden van de VVD-fractie erkennen dat Nederland voor een aantal strategische sectoren afhankelijk is van internationaal talent. Tegelijkertijd vinden deze leden dat internationale studentenstromen beter moeten aansluiten op maatschappelijke behoeften en arbeidsmarkttekorten.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan aangeven voor welke sectoren zij het aantrekken van internationaal talent van bijzonder belang acht. Hoe verhoudt dit zich tot het beleid rondom internationalisering en de beheersing van de instroom van internationale studenten? Daarnaast vragen deze leden welke rol internationaal talent krijgt binnen de Nationale Talentstrategie en hoe wordt bevorderd dat afgestudeerde internationale studenten behouden blijven voor tekortsectoren op de Nederlandse arbeidsmarkt.

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van onderzoek en innovatie voor het Nederlandse verdienvermogen en de toekomstige economische groei. Deze leden vinden het daarbij van belang dat investeringen in onderzoek ook bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en het versterken van de strategische positie van Nederland.

Kan de minister aangeven welke technologiegebieden en kennisdomeinen de komende jaren prioriteit krijgen? Op welke wijze dragen investeringen in onderzoek en innovatie bij aan het verminderen van strategische afhankelijkheden van andere landen en het versterken van de Nederlandse concurrentiekracht?

Kennisveiligheid

De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan de bescherming van kennis, technologie en onderzoek tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Tegelijkertijd is open internationale samenwerking van groot belang voor wetenschap en innovatie.

De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan aangeven op welke termijn zij uitvoering gaat geven aan de ambitie tot het screenen van wetenschappers van buiten de EU die gaan werken met gevoelige informatie. Welke concrete maatregelen worden genomen om kennisinstellingen weerbaarder te maken tegen ongewenste beïnvloeding?

De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe de investeringen in cyberweerbaarheid binnen mbo, hbo en wo worden vormgegeven en hoe wordt geborgd dat ook kennisintensieve bedrijven en innovatieve mkb-ondernemingen onderdeel zijn van de bredere aanpak van kennisveiligheid.

Inbreng van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.

Brief Beleidsreactie op Staat van het Onderwijs 2026

De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet de knelpunten van de Inspectie erkent en er daarom voor kiest om € 1,5 miljard te investeren in onderwijs en onderzoek. Kunnen de bewindspersonen aangeven hoe de € 1,5 miljard concreet wordt verdeeld over de verschillende onderwijssectoren en hoe dit ten goede gaat komen in het aanpakken van de benoemde knelpunten van de Inspectie? Hoe willen de bewindspersonen ervoor zorgen dat het budget niet verdwijnt in algemene begrotingen, maar daadwerkelijk ten goede komt aan het aanpakken van de knelpunten? Houden de bewindspersonen bij de besteding van het geld ook rekening met de regionale verschillen die de Inspectie constateert en op welke manier, zo vragen deze leden.

De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet kiest om extra te investeren in vakmanschap voor de klas, zodat leraren de basisvaardigheden van hun leerlingen en studenten duurzaam kunnen verbeteren. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de extra investering in vakmanschap daadwerkelijk bij leraren in de klas terecht komt? En hoe zijn de bewindspersonen van plan ervoor te zorgen dat leraren daadwerkelijk voldoende tijd hebben om te investeren in vakmanschap?

Bijlage de Staat van het Onderwijs 2026

1.1.1 Steekproefonderzoek funderend onderwijs

De leden van de PRO-fractie lezen dat de Inspectie aangeeft dat het niet voor alle scholen duidelijk is wat de wetgever en de Inspectie bedoelen met kwaliteitszorg. Deze leden willen graag weten wat eraan gedaan kan worden om de onduidelijkheid over wat kwaliteitszorg precies is en over wat de verwachtingen zijn richting scholen weg te nemen.

Ook lezen de leden van de PRO-fractie dat de Inspectie sinds 2013 constateert dat leraren moeite hebben met differentiatie. Vanwege de hardnekkigheid van de tekortkomingen in het differentiëren deed de Inspectie in 2025 de aanbeveling om meer werk te maken van differentiatie en gaf het ter ondersteuning ook een globale omschrijving van wat het onder differentiatie verstaat.

Verder lezen de leden van de PRO-fractie dat soms kleine aanpassingen in het aanbod, een korte herhaling van de uitleg en een iets moeilijker variant van de opdracht vaak al voldoende zijn om differentiatie te bereiken. Hoe kan dit beter onder de aandacht gebracht worden van leraren? Hoe kunnen leraren beter ondersteund worden om differentiatie onder de knie te krijgen en welke rol heeft het ministerie van OCW hierin?

2.2.6 Middelen speciaal onderwijs

De leden van de PRO-fractie lezen dat een groot deel van de schoolleiders in het po en het vo en de meeste bestuurders van samenwerkingsverbanden vinden dat wet- en regelgeving rondom de besteding van middelen voor passend onderwijs het lastig maakt om voor elke leerling een passende oplossing te bieden. Ook lopen zij tegen het probleem aan dat wet- en regelgeving vereist dat uitgaven voor onderwijs en zorg worden gescheiden, terwijl die niet goed te onderscheiden zijn. Ook zouden bestedingen die eigenlijk nodig zijn niet toegestaan zijn. Deze leden zijn benieuwd of de minister deze signalen herkent en hoe de minister hierop reflecteert. Welke knelpunten ziet zij, welke wet- en regelgeving zorgt voor de grootste problemen en welke mogelijke oplossingen zijn er?

Hoofdstuk 3 – Hoofdlijnen

De leden van de PRO-fractie lezen dat leesvaardigheid de sleutel is tot (onderwijs)succes. Leraren zouden hieraan kunnen werken door bijvoorbeeld de dag te openen met een half uur (voor)lezen. Deze leden zijn benieuwd hoe de minister dit idee weegt, specifiek met de kansengelijkheid tussen leerlingen in het achterhoofd. Bestaat er een risico dat dit het verschil tussen sterke en zwakke lezers groter maakt? Moet een dergelijk half uur met meer omgeven worden, bijvoorbeeld met gesprekken over hetgeen dat de leerlingen gelezen hebben, en wat kan de minister doen in ondersteuning hierbij richting leraren?

Hoofdstuk 4 – Hoofdlijnen

De leden van de PRO-fractie lezen dat er regionale verschillen zijn in de onderwijsloopbanen, die al vroeg beginnen en lang doorwerken in de onderwijsloopbaan. Door deze regionale verschillen volgen bijvoorbeeld leerlingen met een vergelijkbare capaciteit in de Randstad vaak een andere onderwijsloopbaan dan leerlingen elders in het land, of krijgen po-leerlingen in de Randstad vaak kansrijkere adviezen dan vergelijkbare leerlingen in het noorden en oosten van het land. Zo zijn er meer regionale verschillen, ook ten aanzien van nabijheid van het onderwijs bijvoorbeeld. Deze leden vragen zich af wat er gaat gebeuren om deze regionale verschillen aan te pakken. Welke concrete maatregelen en ingrepen zijn er mogelijk om ervoor te zorgen dat kinderen in het gehele land dezelfde kansen krijgen? Kan uitgebreid stilgestaan worden bij elk regionaal verschil waar de Inspectie over bericht en de mogelijkheden om die verschillen te verkleinen?

Hoofdstuk 6 – Passend onderwijs

6.2.4. Leerlingen op residentiële scholen

De leden van de PRO-fractie zien dat er in de Staat van het Onderwijs een onderdeel is opgenomen over leerlingen op residentiële scholen, waarbij tevens wordt stilgestaan bij de gesloten jeugdzorg. Hier concludeert de Inspectie dat het moeilijk zicht te houden is op de kwaliteit van het onderwijs aan deze specifieke groep leerlingen. Deze leden vragen zich af wat er nodig is om ervoor te zorgen dat dit toezicht wel goed geregeld wordt. De leden hebben dezelfde vraag ten aanzien van onderwijs is justitiële jeugdinrichtingen.

Jaarverslag 2025 Inspectie van het Onderwijs

De leden van de PRO-fractie lezen dat de Inspectie, naar aanleiding van de wens van de Kamer om scholen binnen haar bestaande capaciteit vaker te laten bezoeken, het aantal scholenbezoeken al heeft opgeschaald, met specifieke aandacht voor scholen die al langere tijd niet bezocht waren. Op zich klinkt dat goed, maar uit een recente inventarisatie van het Onderwijsblad blijkt dat bij een derde van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs het laatste bestuursonderzoek stamt uit 2018 of 2019.36

Vanzelfsprekend kennen de leden van de PRO-fractie het verschil tussen een schoolbezoek en een bestuursonderzoek, maar wat zegt dit over de mate waarin de Inspectie binnen haar bestaande capaciteit in staat is om jaarlijks een betrouwbaar beeld te geven van de staat van ons funderend onderwijs, zoals het achtste lid van artikel 23 van de Grondwet voorschrijft?

De leden van de PRO-fractie merken op dat de Inspectie in haar Jaarverslag meldt dat op scholen die drie jaar op rij onder de ondergrens van het onderwijsresultatenmodel scoorden en mogelijk te maken kregen met inspectiemaatregelen (zoals een kwaliteitsonderzoek), de leerlingen een jaar later hogere eindtoetsscores behaalden. Ook dat klinkt mooi, maar deze leden vragen of het onderwijsresultatenmodel wel altijd voldoende zegt over goed onderwijs, zoals het werkelijk is bedoeld. Al eerder heeft de Kamer de motie van het lid Moorman c.s. aangenomen over het bieden van inclusief onderwijs niet nadelig laten uitwerken voor de beoordeling van scholen.37 Maar ook recentelijk bij het debat van 3 juni 2026 over onderwijskansen kwam het onderwijsresultatenmodel aan de orde. Kunnen de bewindspersonen toelichten op welke punten zij perverse prikkels uit het onderwijskansenmodel willen slopen die scholen belonen voor exclusief en kansenbeperkend onderwijs, zo vragen de leden.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

Jaarverslag 2025

De leden van de CDA-fractie lezen in het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer als een van de aanbevelingen dat het ministerie in haar jaarverslag beter zou kunnen definiëren wat zij beoogd te bereiken met het door haar gevoerde beleid zodat gemeten kan worden of de inzet ook daadwerkelijk het gewenste effect heeft gehad. Deze leden vragen de minister op welke wijze zij opvolging aan deze aanbeveling gaat geven. Een van de beleidsdoelen waar een meetbare definitie ontbreekt, is het beleid rondom gelijke kansen voor studenten in het mbo. De Algemene Rekenkamer geeft aan dat door het ontbreken van een concrete definitie, en doelstelling, de minister en mbo-instellingen niet goed kunnen volgen of zij goed op weg zijn met het gelijkekansenbeleid. Om die reden vragen de leden de minister wanneer zij met een definitie komt van wat in haar ogen gelijke kansen voor mbo-studenten zijn.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer de neergaande trend in de basisvaardigheden als een beleidsmatige risico ziet. Deze leden delen het belang van het doorbreken van deze trend. In dat licht is het positief om te lezen dat het ministerie met het langetermijndoel 3a ‘basis in het funderend onderwijs op’ binnen het po goed op weg is. Tegelijkertijd lezen de leden dat het bereiken van dit doel voor wat het vo betreft nog ver uit zicht is. Dit is met name te wijten, zo lezen de leden, dat op het vmbo maar een klein deel van de leerlingen het basisniveau 2F voor taal en rekenen beheerst. Zij vragen de minister, ook mede gezien haar eigen langetermijndoel, welke concrete maatregelen zij specifiek voor vmbo-leerlingen neemt, zodat ook voor het vo het beoogde langetermijndoel wordt behaald.

De leden van CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer geconstateerd heeft dat het ministerie maar beperkt zicht heeft op de effectiviteit en doelmatigheid van de toelaatbaarheidsverklaring-afgifte. Doordat de minister niet controleert of het bedrag dat scholen vragen klopt, is er een risico dat scholen onterecht te veel geld krijgen wat ten koste kan gaan van het budget voor andere kinderen die een passende ondersteuning nodig hebben. Deze leden vragen de minister of zij voornemens is een controlemechanisme in te stellen en zo ja, of zij kan aangeven wanneer dit wordt verwacht?

De Staat van het Onderwijs

De leden van de CDA-fractie vragen de minister hoe zij, in lijn met de motie van het lid Roodekerk c.s.38, ervoor gaat zorgen dat de Inspectie tenminste een keer per vier jaar per school een bestuursonderzoek gaat uitvoeren. Volgens deze leden is dat met name van belang in het licht van de tegenvallende resultaten op de basisvaardigheden zoals ook in de Staat van het Onderwijs wordt beschreven.

De leden van de CDA-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat er blijvende uitdagingen zijn voor scholen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Uit gesprekken die deze leden met leerlingen uit het Caribisch Nederland voeren blijkt dat een van de uitdagingen waar zij dagelijks mee te maken hebben, is dat het lesmateriaal wat zij gebruiken gericht is op de Europees Nederlandse leerling en daarmee niet, of onvoldoende, aansluit op de belevingswereld van de Caribisch Nederlandse leerling. De leden vragen de minister of zij dit probleem erkend en zo ja, welke stappen zij gaat zetten om ook voor de leerlingen in Caribisch Nederland lesmateriaal te ontwikkelen dat op hun belevingswereld aansluit.

De leden van de CDA-fractie hebben voor wat betreft het speciaal onderwijs nog een aanvullende vraag over de mate waarin leermiddelen toereikend zijn. De leermiddelen voor leerlingen in het speciaal onderwijs sluiten namelijk niet goed aan bij hun leeftijd. Deze leden willen graag van de minister vernemen wat het plan van aanpak is om de situatie in de klas te verbeteren. Welke mogelijkheden zij ziet om de leermiddelen beter aan te laten sluiten op wat deze doelgroep nodig heeft?

De leden van de CDA-fractie lezen over het burgerschapsonderwijs in de Staat van het Onderwijs dat het voor scholen lastig blijkt hier praktisch invulling aan te geven. Kan de minister uiteenzetten of de Wet Kerndoelen scholen hierbij zal helpen of dat er praktische ondersteuning nodig is? Zo ja, hoe kan de minister dat vormgeven, zo vragen deze leden.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met zeer veel belangstelling kennisgenomen van het Jaarverslag OCW 2025 en het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en de Staat van het Onderwijs 2025. Deze leden hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.

Het is cruciaal dat de Tweede Kamer zo goed mogelijk zicht heeft op de uitgaven en resultaten.

De leden van de JA21-fractie danken de Algemene Rekenkamer voor het Verantwoordingsonderzoek Algemene Rekenkamer. De Algemene Rekenkamer concludeert dat de minister van OCW beter laat zien wat zij doet, maar niet wat zij heeft bereikt. Wat gaat de minister doen om beter in kaart te brengen en te rapporteren wat is bereikt ten aanzien van de belangrijkste doelen van het ministerie? Specifiek vragen deze leden dit met betrekking tot het verbeteren van de basisvaardigheden. Het is ook volgens de Algemene Rekenkamer ‘niet duidelijk navolgbaar’ hoeveel geld het ministerie van OCW totaal in 2025 heeft besteed aan het Masterplan Basisvaardigheden en wat de opbrengsten zijn, al is het volgens door het kabinet aangehaalde onderzoekers te vroeg om dat te beoordelen. Kunnen de bewindspersonen zo goed mogelijk uiteenzetten op welke manier de doelstellingen van het Masterplan, en de beheersing van basisvaardigheden in het algemeen, worden geformuleerd en gemonitord?

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer ook constateert dat niet duidelijk is gemaakt wat “gelijke kansen” zijn en dat dit nodig is om te zien of het beleid dat daarvoor wordt gemaakt, werkt. Kunnen de bewindspersonen dat verhelderen? Wat zijn “gelijke kansen”? In hoeverre menen de bewindspersonen dat gelijke kansen te vertalen zijn in meetbare doelen? En hoe voorkom je dat het streven naar gelijke kansen in de praktijk betekent “streven naar meer theoretisch opgeleiden”?

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer aan geeft dat 26 procent van de leraren die overweegt van baan te wisselen administratie als de belangrijkste reden noemt. Daarop stelt de staatssecretaris dat het overgrote deel van de administratie niet “direct” volgt uit wet- en regelgeving, maar is opgenomen in schoolbeleid en werkprocessen en dat het daarom niet mogelijk is reductiedoelen te stellen. Mede gezien het lerarentekort en het belang dat leraren zich kunnen richten op de kerntaak van lesgeven, kan de staatssecretaris desalniettemin nader toelichten of en in hoeverre de administratieve druk voortvloeit uit “indirecte” wetten en regelgeving? Waarom besluiten scholen tot dergelijke administratieve lasten, met welk doel, en in hoeverre is onderzocht of wordt bekeken of dat effectief en doelmatig is? Op welke manier trekt het kabinet nu samen met de Inspectie op om scholen meer duidelijkheid te bieden en welke handvatten worden daarbij opgesteld? Zijn of worden er best practices ontwikkeld die bijdragen aan verlichting van de werkdruk? Is een goed overzicht van de minimaal-verplichte administratieve handelingen die scholen moeten verrichten? In hoeverre zijn deze taken effectief te beleggen bij andere medewerkers dan docenten zelf?

De leden van de JA21-fractie constateren dat over de structurele overschrijding van externe inhuur bij OCW en DUO, de minister stelt dat dit deels wordt veroorzaakt door moeilijk vervulbare vacatures, tijdelijke programma’s, politieke urgentie en ontwikkelingen. Kan de minister dat nader toelichten? Welke vacatures zijn zo moeilijk vervulbaar, welke tijdelijke programma’s betreft het, welke piekbelasting, en hoe verhoudt dat zich tot het structurele karakter van de overschrijding? Hoe heeft het aantal fte dat op het ministerie van OCW en bij DUO werkt zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld? En hoe verhoudt dat zich tot de externe inhuur? De streefnorm van het kerndepartement van OCW is 3,3 procent. Wat is daar de huidige externe inhuur, zo vragen de leden.

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer uitgebreid heeft gekeken naar het proces van de TLV. De staatssecretaris constateert dat de afgifte en registratie op veel plekken nog niet goed gaat, en de Algemene Rekenkamer ziet dat de staatssecretaris beperkt zicht heeft op dit proces. Waar gaat dat niet goed en op welke manieren werkt de staatssecretaris nu aan verbetering? De Algemene Rekenkamer constateert dat niet wordt gecontroleerd of de ondersteuningscategorie die in de TLV staat voor het (v)so overeenkomst met het bedrag dat DUO aan de scholen uitbetaalt. Is dat ingewikkeld en/of tijdrovend? Waarom ontbreken in de uitspraken van de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring in deskundigenverklaringen de eigen afwegingen van de betrokken professionals? Is dat een manier om tijd te besparen en in hoeverre is het omvat in de taakbeschrijving van de deskundigen, dat zij informatie over de betreffende leerlingen verzamelen los van wat de school aanlevert? Hoe worden deze deskundigen betaald voor hun werkzaamheden?

De leden van de JA21-fractie merken op dat het aantal leerlingen in (v)so is sterk toegenomen, terwijl het doel juist was om het beroep daarop te beperken. De Algemene Rekenkamer constateert dat er juist minder geld voor ondersteuning gaat naar de reguliere scholen. Bij 14 samenwerkingsverbanden was het reguliere budget voor extra ondersteuning hierdoor op. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dat, mede in het licht van de passend onderwijs-discussie?

Overige vragen over het Jaarverslag.

De leden van JA21-fractie constateren dat een paar schoolbesturen beschikken over bijna de helft van het bovenmatige eigen vermogen. Kan de minister aangeven hoe dat komt, en hoe zij dat beoordeelt?

De leden van JA21-fractie willen de minister nog nadrukkelijk vragen om meer inzicht te verschaffen in de internationalisering van het hoger onderwijs, per opleidingen, binnen clusters, door de tijd etc. conform ook de verzoeken van de rapporteurs voor het Jaarverslag. Deze leden willen meer inzicht in het type opleidingen die in het Engels worden gegeven en daardoor toegankelijk zijn voor internationale studenten (behoudens kleinere groepen die Nederlands leren), en hoe dit de afgelopen tijd is verschoven.

De leden van JA21-fractie merken op dat uit verschillende bronnen blijkt dat bijna alle universiteiten bijvoorbeeld de opleiding psychologie ook in het Engels geven, behalve de Universiteit van Utrecht die deze opleiding in het Nederlands aanbiedt. In hoeverre vindt de minister dit wenselijk? Is zij het eens met deze leden dat het, voor bijvoorbeeld deze studie, het Nederlands de norm zou moeten zijn, en dat het wenselijk is dat het aantal universiteiten dat psychologie in het Engels aanbiedt, wordt beperkt?

De leden van JA21-fractie vragen of de minister beschikt over informatie over de stay-rate van internationale studenten specifieke opleidingen en universiteiten.

De leden van JA21-fractie merken op dat sinds 1 januari 2026 de inschrijfdatum van nieuwkomers leidend is voor het de bekostiging van het onderwijs aan nieuwkomers, de datum van de inschrijving in de Basisregistratie Personen wordt niet langer aangehouden als startdatum voor de bekostiging. Hoe zal dit helpen om een einde te maken aan de onzekerheid over de rechtmatigheid van een deel van de uitgaven aan het onderwijs aan nieuwkomers (€ 158 miljoen in 2025)?

Staat van het Onderwijs

De leden van JA21-fractie vragen welke gevolgen het gegeven heeft dat bijna de helft (44 procent) van de onderzochte mbo-opleidingen onvoldoende scoort. Welke stappen wil de minister zetten om dit te verbeteren?

Tot slot vragen de leden van JA21-fractie of de ambitie om voor iedere leerling individueel maatwerk te bieden (te differentiëren) verband houdt met de werkdruk die leerkrachten en leraren ervaren.

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en het Jaarverslag Onderwijs 2025. Deze leden danken de Inspectie voor het opstellen van het rapport. Naar aanleiding hiervan hebben de leden nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat de regio waarin een kind opgroeit nog altijd invloed heeft op de kansen die het krijgt in het onderwijs. De Inspectie constateert onder andere verschillen in deelname aan voorschoolse educatie, verschillen in het bijstellen van schooladviezen na de doorstroomtoets en verschillen in doorstroommogelijkheden binnen het voortgezet onderwijs. Deze leden delen de conclusie van de Inspectie dat het voor de kansen van een kind niet mag uitmaken waar zijn of haar wieg heeft gestaan. Talent moet overal in Nederland tot zijn recht kunnen komen. Kan de minister uiteenzetten welke concrete maatregelen zij neemt om regionale verschillen in onderwijskansen verder terug te dringen? Welke regionale verschillen hebben daarbij volgens de minister de hoogste prioriteit?

De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie constateert dat in zeer stedelijke gebieden, zoals de Randstad, schooladviezen vaker worden bijgesteld naar aanleiding van de doorstroomtoets dan in minder stedelijke gebieden. Ook na correctie voor achtergrondkenmerken van leerlingen blijven deze verschillen bestaan. Kan de minister aangeven welke verklaringen zij ziet voor deze verschillen? Acht zij het wenselijk dat de kans op bijstelling van een advies afhankelijk lijkt te zijn van de regio waarin een leerling woont?

De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van sterke basisvaardigheden. Lezen, schrijven en rekenen vormen immers de basis voor verdere ontwikkeling, vervolgonderwijs en deelname aan de samenleving. De Inspectie constateert dat er breed besef bestaat dat basisvaardigheden prioriteit moeten krijgen, maar dat de resultaten nog onvoldoende verbeteren. Ook lezen deze leden dat veel scholen en besturen moeite houden met de uitvoering van kwaliteitszorg en dat onvoldoende en zeer zwakke scholen blijven ontstaan.

De leden van de BBB-fractie vragen of de minister kan aangeven waarom de ingezette maatregelen tot nu toe nog onvoldoende leiden tot een structurele verbetering van de basisvaardigheden van leerlingen. Welke aanvullende mogelijkheden ziet de minister om de prestaties op taal en rekenen te versterken? Worden die mogelijkheden betrokken bij het vernieuwde kennisrijke curriculum dat ingevoerd wordt, of worden die mogelijkheden eerder benut?

De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie daarnaast constateert dat scholen waar minder leerlingen de streefniveaus taal en rekenen behaalden soms overstapten naar een andere doorstroomtoets en vervolgens betere resultaten lieten zien. Hoe duidt de minister deze ontwikkeling? Wat zegt dit volgens haar over de vergelijkbaarheid van de verschillende doorstroomtoetsen?

De leden van de BBB-fractie onderschrijven dat iedere leerling een onderwijsloopbaan moet kunnen volgen die past bij zijn of haar talenten, mogelijkheden en ambities. Daarbij geldt voor deze leden nadrukkelijk dat passend onderwijs belangrijker is dan een zo hoog mogelijk onderwijsniveau. Nederland heeft zowel vakmensen als theoretisch opgeleide professionals hard nodig.

De leden van de BBB-fractie merken op dat de Inspectie beschrijft dat leerlingen in de Randstad vaker “stapelen” binnen het voortgezet onderwijs dan leerlingen elders in het land. Tegelijkertijd blijkt dat zogenaamde stapelaars gemiddeld een minder gunstig arbeidsmarktperspectief hebben dan leerlingen die direct een opleiding volgen die passend is bij hun niveau. Kan de minister reflecteren op deze bevinding?

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat in het maatschappelijke en politieke debat de afgelopen jaren veel aandacht is geweest voor mogelijke onderadvisering van leerlingen. Deze aandacht heeft onder andere geleid tot aanpassingen rondom de doorstroomtoets en het bijstellen van adviezen. Onderadvisering is heel kwalijk, maar ook te hoog adviseren is niet goed. Deze leden willen dan ook aandacht vragen voor de omgekeerde vraag. Waarom is nog niet onderzocht wat de gevolgen zijn van een mogelijk te hoog schooladvies voor het verdere verloop van de schoolloopbaan en het latere arbeidsmarktperspectief van leerlingen? Indien dit niet is onderzocht, is de minister bereid een onderzoek uit te laten voeren naar de vraag wat de effecten zijn van een aanvankelijk te hoog schooladvies op onder andere:

  • afstroom binnen het voortgezet onderwijs;

  • voortijdig schoolverlaten;

  • welzijn en motivatie van leerlingen;

  • eventuele psychische problematiek;

  • kansen op de arbeidsmarkt op langere termijn?

Kan daarbij expliciet worden onderzocht hoe deze uitkomsten zich verhouden tot de uitkomsten van leerlingen die vanaf het begin onderwijs volgen op een niveau dat beter aansluit bij hun capaciteiten? De leden achten een dergelijk onderzoek van belang om een volledig beeld te krijgen van de gevolgen van zowel onder- als overadvisering.

De leden van de BBB-fractie vinden dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs van een bevoegde leraar. Deze leden onderschrijven daarom het uitgangspunt van de staatssecretaris dat bevoegde leraren de basis vormen van goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren de leden dat tijdelijke maatregelen die oorspronkelijk bedoeld waren om acute lerarentekorten op te vangen steeds vaker worden besproken in het kader van een toekomstbestendig onderwijsstelsel.

De leden van de BBB-fractie vragen of de staatssecretaris kan toelichten hoe zij voorkomt dat tijdelijke noodmaatregelen geleidelijk uitgroeien tot structureel beleid. Hoe borgt zij dat de inzet van bevoegde leraren daadwerkelijk leidend blijft bij toekomstige wet- en regelgeving?

De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat de oplossing voor het lerarentekort primair moet worden gezocht in het opleiden, behouden en aantrekken van voldoende leraren. Welke aanvullende stappen zet de staatssecretaris op het gebied van zij-instroom, het terughalen van bevoegde leraren die het onderwijs hebben verlaten en het verkorten van maatwerktrajecten richting een onderwijsbevoegdheid, zo vragen deze leden.

Inbreng van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en het Jaarverslag 2025 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs een ongemakkelijke werkelijkheid laat zien waarin het er nog altijd toe doet waar je wieg staat in ons land. Deze leden constateren dat in de Randstad een veel groter deel van de leerlingen (circa 88 procent) een opwaartse bijstelling van het schooladvies krijgt na de doorstroomtoets dan in andere regio’s (circa 68 procent). Voorts vragen de leden de staatssecretaris te verklaren hoe het kan dat gelijke toetsprestaties leiden tot aanzienlijke verschillen in de Randstad en daarbuiten. Tevens vragen zij welke aanvullende maatregelen de staatssecretaris gaat nemen om ervoor te zorgen dat de woonplaats van een leerling niet langer bepalend is voor de kans op een hoger schooladvies, en wanneer de Kamer zal worden geïnformeerd over de voortgang bij het verkleinen van deze regionale verschillen in schooladviezen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sociaaleconomische achtergrond, woonwijk en geslacht nog steeds doorwerken in het schooladvies in het primair onderwijs. Tevens constateren deze leden dat scholen met relatief weinig leerlingen met een migratieachtergrond mogelijk minder aandacht hebben voor kansrijk adviseren. De leden vragen de staatssecretaris welke aanvullende maatregelen zij gaat nemen om te voorkomen dat achtergrondkenmerken nog langer bepalen hoe kansrijk scholen adviseren en hoe zij borgt dat alle leerlingen een kansrijk schooladvies krijgen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat het per lerarenopleiding verschilt in de kennis en vaardigheden die de studenten opdoen en dat de bekwaamheidseisen in veel opleidingsroutes niet volledig zijn verwerkt in de leerdoelen van de onderwijseenheden. Deze leden wijzen erop dat er hierdoor geen garantie bestaat dat alle (toekomstige) leraren over dezelfde kennis beschikken om recht te doen aan de diversiteit in de klas. Voorts vragen de leden hoe de minister wil waarborgen dat de bekwaamheidseisen daadwerkelijk leidend worden in de opzet van de curricula van lerarenopleidingen, zodat de uitval van startende leraren op scholen met een complexe leerlingenpopulatie zal afnemen en de druk van personeelskrapte zich niet zal concentreren op een beperkt aantal scholen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat er sprake is van onderuitputting van meer dan € 67 miljoen op het budget voor studiefinanciering, door onder andere minder uitwonende studenten. Deze leden benadrukken dat het studentenleven veel duurder is geworden. Tevens vragen de leden de minister het overschot dat gereserveerd was voor studiefinanciering in te zetten om de rente op studieleningen te verlagen. Indien de minister hiertoe niet bereid is, vragen deze leden waarom middelen die bedoeld zijn om studenten financieel te ondersteunen, niet worden gebruikt om de financiële druk op studenten en oud-studenten te verlichten.

De leden van de DENK-fractie constateren dat er sprake is van onderuitputting op het budget voor de bekostiging van het primair onderwijs, terwijl het aantal nieuw gestarte basisscholen hoger ligt dan eerder geraamd. Deze leden wijzen erop dat uit het SEO-rapport blijkt dat de startbekostiging voor nieuwe basisscholen, in het bijzonder voor scholen met nieuwe besturen, ontoereikend is en pas laat beschikbaar komt.39 De leden vragen de staatssecretaris of zij bereid is de onderuitputting op dit budget in te zetten voor een pilot waarbij nieuwe scholen in het primair onderwijs al in de opstartfase een vervroegde bekostiging ontvangen, in plaats van alleen achteraf. Op die manier kan worden onderzocht of eerdere en hogere startbekostiging de financiële drempels voor nieuwe besturen daadwerkelijk verlaagt en de instroom van nieuwe scholen bevordert. Indien de staatssecretaris hiertoe niet bereid is, vragen deze leden om een toelichting waarom vrijgevallen middelen niet worden ingezet om belemmeringen voor nieuwe onderwijsinitiatieven weg te nemen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat € 4,2 miljoen aan subsidiebudget voor het programma schoolmaaltijden onbenut is gebleven. Tevens constateren deze leden dat de ondersteuning via schoolmaaltijden, ondanks een toegenomen behoefte onder kinderen, niet langer wordt voortgezet tijdens de kerst- en zomervakantie. De leden vragen de staatssecretaris om het resterende overschot altijd in te zetten ten behoeve van deze kinderen, zoals het verstrekken van een eenmalig pakket met houdbare voedingsmiddelen. Indien de staatssecretaris daartoe niet bereid is, verzoeken deze leden om een nadere toelichting op deze keuze.

De leden van de DENK-fractie constateren dat schoolleiders in het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in toenemende mate te maken krijgen met islamofobe uitingen (18 procent). Deze leden vragen de staatssecretaris welke aanvullende stappen zij gaat zetten om islamofobie in het onderwijs terug te dringen, hoe zij scholen ondersteunt bij het signaleren en aanpakken van islamofobe incidenten en op welke wijze zij borgt dat moslimleerlingen en -medewerkers zich veilig en gesteund weten binnen hun onderwijsinstelling.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sommige studenten die zich op universiteiten en hogescholen uitspreken over de genocide in Gaza zich psychisch onveilig voelen door de handelingskaders binnen hun onderwijsinstelling. Deze leden vragen de minister hoe zij de psychische en fysieke veiligheid van studenten die zich uitspreken over de genocide in Gaza waarborgt en hoe zij voorkomt dat studenten worden ontmoedigd of gesanctioneerd om gebruik te maken van hun grondrecht op demonstratie en vrije meningsuiting.

De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat de genocide in Srebrenica wordt beschouwd als de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog en dat de VN tijdens de Algemene Vergadering in 2024 11 juli heeft aangewezen als internationale herdenkingsdag. Deze leden onderschrijven dat onderzoek toont dat er weinig aandacht wordt besteed in het onderwijs aan de genocide van Srebrenica.40 Deze leden vragen welke plaats de genocide in Srebrenica momenteel inneemt in het geschiedenis- en burgerschapsonderwijs in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Tevens vragen de leden, indien deze genocide nog geen duidelijke plaats heeft in het geschiedenis- en burgerschapsonderwijs, of de bewindspersonen bereid zijn met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe de genocide in Srebrenica een expliciete en feitelijke rol kan krijgen in het onderwijsprogramma, en de Kamer hierover te informeren.

Inbreng van de leden van de Groep Markuszower

De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en de bijbehorende beleidsreactie. Deze leden maken zich ernstige zorgen over de aanhoudende daling van de onderwijskwaliteit en de effectiviteit van het gevoerde beleid.

De leden vragen hoe de minister de voortdurende en omvangrijke daling van de prestaties op leesvaardigheid en woordenschat in de onderbouw van het voortgezet onderwijs verklaart, en waarom de miljardeninvesteringen via het Masterplan basisvaardigheden na jaren nog steeds niet tot een meetbare trendbreuk hebben geleid. Zij vragen om een reactie op het feit dat een derde van de scholen in het funderend onderwijs er zelfs na een herstelonderzoek niet in slaagt om de basiskwaliteit te bereiken, en welk concreet instrumentarium de Inspectie gaat inzetten om dit hardnekkige falen van schoolbesturen te doorbreken.

De leden van de Groep Markuszower vragen hoe de minister het verantwoordt dat in de steekproef maar liefst 40 procent van de onderzochte mbo-opleidingen als onvoldoende of zeer zwak is beoordeeld, en waarom met name een gebrek aan 'studiesucces' hierbij de meest doorslaggevende negatieve factor blijkt te zijn.

De leden van de Groep Markuszower vragen waarom het aantal ongeoorloofd thuiszittende kinderen is gestegen naar ruim 19.000 en waarom het streven naar inclusief onderwijs in de praktijk juist lijkt te leiden tot een verdere toename van leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs (vso), wat de druk op de kwaliteit in het regulier onderwijs alleen maar verder vergroot.

De leden van de Groep Markuszower vragen welk moreel en politiek oordeel de bewindspersonen vellen over de bevinding dat de helft van het bovenmatige publieke eigen vermogen van bijna een miljard euro geconcentreerd is bij slechts 7 procent van de besturen, terwijl op andere scholen leerlingen de dupe zijn van tekorten.

De leden van de Groep Markuszower vragen naar een toelichting op de zorgwekkende stijging van het aantal meldingen van fysiek geweld en de verdubbeling van incidenten met vuurwerk of brandstichting op scholen. Hoe kan de sociale veiligheid worden gegarandeerd als ruim een kwart van de vo-scholen niet eens voldoet aan de minimale wettelijke eisen voor veiligheidsbeleid?

De leden van de Groep Markuszower vragen waarom het voor lerarenteams en schoolleiders nog steeds ‘onduidelijk’ is hoe te handelen bij ernstig pestgedrag, terwijl burgerschapsonderwijs een wettelijke kernopdracht is. Schiet de professionalisering en de concrete aansturing vanuit het ministerie hier niet fundamenteel tekort?

De leden van de Groep Markuszower leden vragen hoe het mogelijk is dat Nederlandse leraren binnen een lesuur gemiddeld 30 procent van hun tijd kwijt zijn aan orde houden en administratie, waardoor zij aanzienlijk minder effectief zijn dan hun internationale collega’s, en welke directe maatregelen de staatssecretaris neemt om deze enorme verspilling van onderwijstijd te stoppen.

De leden van de Groep Markuszower vragen hoe de minister aankijkt tegen de digitale weerbaarheid van het onderwijs nu 80 procent tot 88 procent van de leraren aangeeft niet over de benodigde kennis te beschikken om AI veilig en effectief in te zetten, terwijl leerlingen en studenten deze technologie inmiddels massaal en ongecontroleerd gebruiken.

De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de ‘wieg’ nog steeds zo bepalend is voor de onderwijsloopbaan, gezien de alarmerende constatering dat leerlingen in de Randstad bij een gelijk toetsadvies vaker op een hogere schoolsoort belanden dan leerlingen in regio’s buiten de Randstad.

De leden van de Groep Markuszower vragen naar een reactie op de bevinding dat de curricula van voltijd pabo-opleidingen niet alle wettelijk verplichte bekwaamheidscategorieën dekken in hun leerdoelen. Hoe kan de minister de kwaliteit van het onderwijs garanderen als de basisopleiding van nieuwe leraren gaten vertoont op het gebied van essentiële bekwaamheden?

De leden van de Groep Markuszower kijken uit naar de reactie van de bewindspersonen.

II Reactie van de minister en staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Gezamenlijke inbreng commissie

De leden van de commissie hebben kennisgenomen van de bevindingen van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de bedrijfsvoering van het departement. De leden vragen wanneer wij verwachten dat de bestaande onvolkomenheden rondom het M&O-beleid volledig zijn opgelost en welke stappen wij daarvoor in 2026 nog gaan zetten.

Sinds 2023 maakt het uitvoeren van een risicoanalyse standaard onderdeel uit van het proces van totstandkoming van een subsidieregeling. De Algemene Rekenkamer constateert dat de kwaliteit van de analyse en de vastlegging erg verschilt per subsidieregeling. Om de kwaliteitsstandaard te borgen is begin 2026 het format dat voor risicoanalyses beschikbaar is uitgebreid met een tweetal kolommen waar specifiek om onderbouwingen van (rest)risico’s wordt gevraagd. Daarnaast is er voor project- en instellingssubsidies een format in de maak. We sturen aan op ingebruikname uiterlijk 1 oktober 2026, waarmee de onvolkomenheid is opgelost.

Verder vragen de leden naar de oorzaak van de nieuwe onvolkomenheid op de uitvoeringstoetsen van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie).

De bevindingen in het rapport van de Algemene Rekenkamer sluiten aan bij de bevindingen van de inspectie en het bestuursdepartement. Binnen de inspectie gold tot op heden geen structurele werkwijze om iedere uitvoeringstoets te voorzien van een expliciete uitspraak op handhaafbaarheid en een uitspraak over verwachte kosten. Hierover vond wel vaak separaat afstemming plaats, maar dit landde niet standaard in de uitvoeringstoets van de inspectie. Door dit voortaan wel te doen wordt de transparantie en overzichtelijkheid in het wetgevingsproces vergroot. Daarnaast is geconstateerd dat de inspectie bij een uitvoeringstoets meer tijd moet worden geboden voor het inrichten en doorlopen van een goed en zorgvuldig proces met voldoende kwaliteitsborgen.

Ook willen zij weten hoe wij waarborgen dat nieuwe wet- en regelgeving voortaan tijdig en zorgvuldig wordt getoetst op uitvoerbaarheid door de inspectie.

De benodigde aanpassing van de werkwijze is reeds in gang gezet. Na de zomer wordt dit geïmplementeerd. Voornaamste punten hiervan zijn:

  • Vaste afspraken en kwaliteitseisen aan uitvoeringstoetsen, waaronder een expliciete uitspraak op handhaafbaarheid en verwachte kosten.

  • Meer tijd voor de inspectie voor het doen van een uitvoeringstoets

  • Directer en eerder betrekken van de inspectie (en andere betrokkenen zoals DUO) in het beleidsproces

  • Een formele afstemming en ondertekening bij de inspectie.

De Algemene Rekenkamer oordeelt dat de totaalbedragen in de financiële verantwoording van OCW over 2025 kloppen. Tegelijk is het geld niet altijd volgens de regels besteed. Daarom geeft de Algemene Rekenkamer negatieve oordelen bij het totaal van de afgerekende voorschotten, bij de agentschappen en bij artikel 95 Apparaat Kerndepartement. De leden van de commissie vragen ons om actief aan de slag te gaan met dit negatieve oordeel. De leden vragen ons om de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van 2027 te infomeren over 1) de uitkomsten van het gesprek met de ministeries EZ en I&W over de naleving van de aanbestedingsregels en 2) hoe de tekortkomingen in de subsidievaststellingen op artikel 14 en artikel 16 zijn opgelost.

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voelen zich beide zeer verantwoordelijk om te zorgen dat de onrechtmatigheid zo snel mogelijk wordt weggewerkt. De aanbesteding ICT Inhuur is inmiddels weer rechtmatig gegund (per 1 november 2025 en 1 mei 2026) en de aanbesteding die het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verzorgd wordt naar verwachting in augustus 2026 opnieuw gepubliceerd.

De leden van de commissie vragen nadrukkelijk aandacht voor de informatiewaarde van het Jaarverslag in algemene zin. Deze leden concluderen dat de informatie uit de diverse bronnen een versnipperd en onvolledig beeld oplevert, waarbij het Jaarverslag zelf de minste informatie geeft. Ook in voorgaande jaren heeft de commissie hiervoor aandacht gevraagd. De leden waarderen de nieuwe beleidsindicatorensystematiek (vanaf begrotingsjaar 2026), maar denken dat deze verder verbeterd kan worden. In het beleidsverslag zien de leden graag meer aandacht voor de resultaten die zijn bereikt, een betere koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren en gebruik van aanvullende bronnen om tot samenhangende verantwoordingsinformatie te komen. De leden vragen ons om een expliciete toelichting op hoe deze punten in het Jaarverslag van 2026 en op ocwincijfers.nl zijn verwerkt. Ook vragen zij ons om deze punten toe te passen op de begrotingscyclus van 2027 en dit toe te lichten in de begrotingsstukken.

We waarderen uw constateringen over de informatiewaarde van het jaarverslag en zien mogelijkheden om dit verder te verbeteren. Een betere koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren sluit aan bij onze eigen ambitie om goede verantwoordingsinformatie te leveren over ons beleid. In de voorgaande jaren hebben we daarvoor al stappen gezet en we blijven hierop inzetten.

Zo hebben we de informatievoorziening voor het jaarverslag vanaf begroting 2026 opgeknipt in informatie over de beleidsprioriteiten op hoofdlijnen in het jaarverslag en detailinformatie op ocwincijfers.nl bij het onderdeel ‘Begroten en verantwoorden’. Met deze werkwijze bieden we informatie gestructureerd en uniform aan. De bereikte resultaten per beleidsprioriteit staan beschreven in het beleidsverslag en ook per beleidsmaatregel op ocwincijfers.nl in de monitoringsmatrices. In de begrotingsstukken worden de belangrijkste indicatoren opgenomen per sub-thema, terwijl ocwincijfers.nl voor de beleidsterreinen van OCW meer indicatoren en kerncijfers bevat met resultaten over een langere periode. Voortgangsrapportages die uw Kamer tussentijds ontvangt bevatten uitgebreide en gedetailleerde informatie over de monitoring en de tussentijds behaalde resultaten en de gevolgen voor de beleidsinzet.

Met de monitoringsmatrices bieden we overzichtelijk in éen document de door de commissieleden gevraagde koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren. We zijn voornemens de informatie in de monitoringsmatrices nog completer en in samenhang te presenteren, bijvoorbeeld door het toevoegen van inzichten uit data en (evaluatie-)onderzoek. Ook voegen we voortaan de resultaten per beleidsmaatregel specifiek toe aan de monitoringsmatrices en zullen we overzicht bieden over de inzet per beleidsartikel door de beleidsprioriteiten en sub-thema’s hieraan te koppelen. Tenslotte gaan we onderzoeken hoe de informatie over behaalde resultaten concreter terug kan komen in het beleidsverslag voor 2026.

De leden van de commissie hebben de informatie in het Jaarverslag over de beleidsprioriteit ‘Een sterke basis en een hoge kwaliteit’ bestudeerd en constateren dat de kwaliteit van het onderwijs in de begrotings- en verantwoordingsstukken nog onvoldoende wordt geoperationaliseerd. Deze leden merken op dat de Staat van het Onderwijs een breder beeld laat zien van de kwaliteit van het onderwijs, maar dat dit beeld niet wordt benut voor de beleidsverantwoording. Op ocwincijfers.nl treffen deze leden als indicatoren voor het beleid ter verbetering van de kwaliteit van het funderend onderwijs alleen de mate waarin leerlingen aan het einde van het basisonderwijs en eind leerjaar 2 van het voortgezet onderwijs de referentieniveaus voor taal en rekenen behalen. De leden van de commissie vragen hoe de kwaliteit van het funderend onderwijs wordt gedefinieerd en hoe de diverse maatregelen genoemd in het Jaarverslag bijdragen aan deze beleidsprioriteit. Ook vragen de leden van de commissie om voor de begrotingscyclus te komen tot een set van indicatoren die breder is dan alleen het meten van de taal- en rekenvaardigheid bij leerlingen.

Van kwalitatief goed onderwijs is, in het funderend onderwijs, sprake wanneer leerlingen kansen krijgen hun talenten optimaal te ontwikkelen, zij goed voorbereid worden op het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt en deelname aan de samenleving. Kwalitatief goed onderwijs werkt daarmee aan kwalificatie, persoonsvorming en socialisatie van leerlingen. Daarbij hoort ook dat leerlingen zich veilig voelen en gezien worden. Onderwijskwaliteit beperkt zich dus niet tot de basisvaardigheden, maar deze vaardigheden vormen wel de noodzakelijke basis en zijn de kernopdracht van het onderwijs. Basisvaardigheden hebben daarom, ook vanwege afnemende prestaties, de komende jaren prioriteit. Taal staat daarbij voorop als moeder van alle vaardigheden. De verbetering van taal en de andere basisvaardigheden is dan ook één van de belangrijkste beleidsprioriteiten van OCW.

De samenhang tussen de beleidsprioriteit een sterke basis en hoge kwaliteit en verschillende beleidsmaatregelen wordt inzichtelijk gemaakt per sub-thema. Elke beleidsprioriteit wordt uitgewerkt aan de hand van verschillende sub-thema’s. Elk sub-thema heeft een monitoringsmatrix waarin is toegelicht hoe beleidsmaatregelen bijdragen aan het sub-thema en hoe het sub-thema bijdraagt aan de beleidsprioriteit. Deze koppeling tussen beleidsprioriteiten, sub-thema’s en beleidsmaatregelen en nadere informatie over indicatoren en middelen worden ontsloten via ocwincijfers.nl.

Het jaarverslag beslaat alle OCW-beleidsterreinen en in verhouding met de Staat van het Onderwijs heeft het jaarverslag een compacte en relevante set van beleidsindicatoren. De basisvaardigheden zijn een prioriteit en daarom zijn de prestaties van leerlingen op taal en rekenen beleidsindicatoren voor de begrotingscyclus. De set van beleidsindicatoren voor OCW in het kader van de begrotingscyclus wordt regelmatig tegen het licht gehouden en aangepast. Voor het begrotingsjaar 2026 is bijvoorbeeld ook de veiligheid van leerlingen en van leraren één van de indicatoren. Dat neemt niet weg dat er sprake blijft van een selectie. Voor een gedetailleerd overzicht van onderzoeksuitkomsten die zicht geven op de uiteenlopende aspecten van onderwijskwaliteit verwijs ik u graag naar de jaarlijkse rapportages Staat van het Onderwijs van de inspectie en de Monitor basisvaardigheden van het ministerie van OCW en de verschillende Kamerbrieven waarnaar in de monitoringsmatrices op ocwincijfers.nl wordt verwezen.

De leden van de commissie constateren dat de indicatoren over de (aspecten van) de kwaliteit van het onderwijs, ook die in de Staat van het Onderwijs, vooral geaggregeerde landelijke beelden laten zien, met beperkt zicht op spreiding tussen scholen. Deze leden merken op dat die indicatoren niet alleen zouden moeten laten zien hoeveel scholen onvoldoende of zeer zwak zijn, maar ook hoe groot de verschillen zijn binnen de groep scholen die een voldoende scoort. De leden van de commissie vragen of wij in het volgende Jaarverslag, eventueel in samenwerking met de inspectie, een bredere set van indicatoren de spreiding van (groepen) scholen op deze gemiddelden kunnen laten zien.

De inspectie heeft in het verleden een aantal keer over schoolverschillen gerapporteerd in de Staat van het Onderwijs op basis van DUO-data over leerlingprestaties. Wij bekijken in overleg met DUO in hoeverre de beschikbare data zich lenen voor een indicator die inzicht geeft in de spreiding en de verschillen tussen scholen. Overigens geven veel onderzoeken, zoals de jaarlijkse analyses van het NCO en Cito van de leerlingvolgsysteem(lvs)-data en de examenmonitor al inzicht in de verschillen tussen scholen. Het is ons doel de verschillen tussen scholen te verkleinen. Daarbij nemen we de wens mee om verschillen tussen scholen die voldoende scoren in beeld te brengen.

De leden van de commissie lezen in het Jaarverslag dat in 2025 gewerkt is aan bestedingsnormen.41 Deze leden gaan ervan uit dat hiermee wordt gedoeld op normen voor de besteding van geld dat direct of indirect ten goede komt aan het onderwijs in de klas. Deze leden benoemen dat de commissie zelf in 2025 onderzoek heeft laten uitvoeren naar de verschillende definities en meetmethoden van overhead.42 Deze leden constateren dat een aanbeveling van dit onderzoek is om te komen tot een heldere definitie en een uniforme toedeling van onderwijsondersteunende functies en uitbesteed werk. Ook merken deze leden op dat het relevant is overhead niet alleen uit te drukken in fte, maar ook in kosten.43 De leden van de commissie lezen in de beleidsbrief OCW 2026-2030 dat de uitkomsten van het onderzoek worden betrokken en vragen naar de stand van zaken.44

Op 2 juli jl. bent u per 2026Z15557&did=2026D34863">brief geïnformeerd over de stand van zaken van het traject om tot meer transparantie in de bekostiging te komen o.a. voor overhead in het funderend onderwijs.45 Samen met veldpartijen (vertegenwoordigers van schoolbesturen, schoolleiders, leraren, ouders en leerlingen) werken we aan concrete maatregelen om de transparantie te vergroten. Met hen wordt ook bezien wat de beste wijze van verantwoorden is om de beoogde transparantie te bereiken. Uiterlijk in het tweede kwartaal van 2027 informeren we uw Kamer over de concrete maatregelen die we voor ogen hebben.

De leden van de commissie geven aan dat een andere inzichtbehoefte gaat over publieke middelen die op de balans blijven staan, ofwel de reserves van schoolbesturen. Deze leden constateren dat in het Jaarverslag per onderwijssector de financiële kengetallen worden gegeven, maar dat daarbij geen toelichting wordt gegeven. Deze leden merken op dat de inspectie aangeeft dat de financiële situatie van de onderwijssector als geheel stabiel is en dat de sector financieel gezond is.46 Tegelijkertijd constateren deze leden dat de inspectie wijst op de dalende rijksbijdragen door bezuinigingen in de periode 2026-2030 en afnemende leerlingaantallen.47 Ook merken deze leden op dat de inspectie ziet dat eenpitters relatief vaak voorkomen onder besturen met mogelijke risico’s voor de financiële continuïteit en relatief vaak onder aangepast financieel toezicht staan.48

De leden van de commissie lezen verder in de Staat van het Onderwijs 2026 dat in 2024 49,7 procent van de schoolbesturen in het po en 49,2 procent van de besturen in het vo een mogelijk bovenmatig eigen vermogen heeft.49 Deze leden constateren dat het bedrag aan bovenmatig eigen vermogen niet evenredig verdeeld is over de besturen en dat 5 procent van de besturen ongeveer 45 procent van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen heeft. Deze leden merken op dat het in 2024 gaat om een bedrag van € 992,4 miljoen in het funderend onderwijs. De leden van de commissie vragen om te reflecteren op de financiële kengetallen van de sectoren po en vo in relatie tot de dalende rijksuitgaven en leerlingenaantallen en het mogelijk bovenmatig eigen vermogen van de sectoren. Ook vragen de leden van de commissie of er inzicht is in de logica van bestuurders om een mogelijk bovenmatig eigen vermogen aan te houden, met name als het gaat om het kleine percentage bestuurders dat het grootste deel van het mogelijk bovenmatig eigen vermogen bezit. De leden van de commissie vragen of hier vanaf volgend jaar ook in het Jaarverslag op kan worden ingegaan.

Geld voor onderwijs moet terecht komen waarvoor het bedoeld is, namelijk bij de leerlingen en in de klas. Meer eigen vermogen dan noodzakelijk is dan ook niet wenselijk. De afgelopen jaren zien we dat het mogelijk bovenmatig eigen vermogen in primair onderwijs en voortgezet onderwijs aan het dalen is. In het primair onderwijs is het mogelijk bovenmatig eigen vermogen gedaald van € 848 mln. in 2023 naar € 620 mln. in 2024 en in het voortgezet onderwijs van € 484 mln. naar € 377 mln. Ook is het aantal besturen met een mogelijk bovenmatig eigen vermogen gedaald van 493 naar 418 in het primair onderwijs en van 132 naar 117 in het voortgezet onderwijs. Dat is echter nog steeds de helft van het aantal besturen. Dat het mogelijk bovenmatig eigen vermogen (in absolute zin) niet evenredig is verdeeld komt ook omdat schoolbesturen in omvang verschillen. Door hun omvang hebben grotere schoolbesturen een relatief groot aandeel van het totale mogelijk bovenmatig eigen vermogen, zelfs als hun eigen mogelijk bovenmatige vermogen niet uitzonderlijk hoog is.

Het blijft belangrijk vinger aan de pols te houden, ondanks dat er een daling in het mogelijk bovenmatig eigen vermogen te zien is. Dit is dan ook onderdeel van het financieel toezicht door de inspectie. Op het dashboard Financiële Positie Onderwijs wordt op basis van de jaarverslagen van onderwijsinstellingen een overzicht gegeven van de financiële positie van het bekostigde onderwijs in Nederland, inclusief het mogelijk bovenmatig eigen vermogen. Met het dashboard kan sneller een actueel beeld gegeven worden hiervan, dan wanneer dit meeloopt met het OCW-jaarverslag. In het najaar van 2026 is er een nieuw integraal beeld van de financiële positie op basis van de jaarverslagen over 2025, dat zal dan tot een actualisatie van het dashboard leiden.

In 2021 heeft de inspectie onderzoek gedaan naar de belangrijkste oorzaken voor het ontstaan van bovenmatig eigen vermogen. De ervaren onvoorspelbaarheid van de rijksbekostiging en de gevoelde noodzaak om voor verschillende doelen reserves aan te leggen, in combinatie met voorzichtig financieel beheer zijn de belangrijkste oorzaken waarom schoolbesturen hogere eigen vermogens aanhouden. Daarbij is er geen onderscheid gemaakt tussen besturen met hoge dan wel lage bovenmatige eigen vermogens. We zien ook dat schoolbesturen de komende jaren negatief begroten, waardoor het mogelijk bovenmatig vermogen in principe verder zal afnemen.

De leden van de commissie constateren dat de Algemene Rekenkamer in het verantwoordingsonderzoek aangeeft dat er onvoldoende informatie is om te beoordelen of samenwerkingsverbanden de toelaatbaarheidsverklaringen op een goede manier (de juiste hoogte) afgeven. Deze leden merken op dat hierdoor een financiële onzekerheid ontstaat over de rechtmatigheid van de middelen voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs van € 248 miljoen.50

De leden van de commissie constateren dat de rapporteurs namens de commissie zijn nagegaan welke sturingsinformatie er is over de toelaatbaarheidsverklaringen voor het gespecialiseerd onderwijs en de daarmee samenhangende doelstellingen voor passend onderwijs. Deze leden merken op dat daarbij ook beleidsinformatie over de wachtlijstproblematiek en de beweging richting inclusiever onderwijs is betrokken. De leden van de commissie constateren dat het beleidsverslag geen informatie geeft over de voortgang van de diverse doelstellingen voor passend onderwijs en in het bijzonder over de mate waarin deze in 2025 reeds zijn bereikt.51

De leden van de commissie constateren dat op ocwincijfers.nl gedateerde informatie (tot en met 2022) zonder duiding over de hoogte van de ondersteuningsbekostiging staat, waardoor niet duidelijk wordt of bepaalde trends hebben doorgezet.52 De leden van de commissie vragen naar de ontwikkelingen in de hoogte van de ondersteuningscategorieën bij toelaatbaarheidsverklaringen in cluster 3 en 4 (v)so53 in de jaren 2023-2025. Ook vragen de leden van de commissie welke verklaringen kunnen worden gegeven voor eventuele trends in de ontwikkeling van de ondersteuningscategorieën.

In cluster 3 neemt het aandeel leerlingen met een lage ondersteuningscategorie toe, zowel in het so als in het vso. In cluster 3 so stijgt dit aandeel van 69,4% in 2023 naar 70,6% in 2025; in cluster 3 vso van 79,4% naar 80,7%. Het aandeel leerlingen met een hoge ondersteuningscategorie daalt in dezelfde periode: in cluster 3 so van 14,4% naar 13,5% en in cluster 3 vso van 10,6% naar 9,6%.

In cluster 4 so stijgt het aandeel leerlingen met een lage ondersteuningscategorie van 93,2% in 2023 naar 94,5% in 2025. In cluster 4 vso blijft dit aandeel vrijwel stabiel rond de 98%. Het aandeel leerlingen met een hoge ondersteuningscategorie is in cluster 4 beperkt en daalt licht.

Er zijn verschillende mogelijke verklaringen van de trends in registratie van ondersteuningscategorieën van toelaatbaarheidsverklaringen (tlv’s). Naar de verklaringen van de ontwikkelingen in leerlingaantallen van het gespecialiseerd onderwijs vindt momenteel een breder onderzoek plaats, waar de Kamer dit najaar over wordt geïnformeerd.

De leden van de commissie lezen dat in de Doelstellingenmonitor passend onderwijs54 de doelstellingen worden gemonitord die bij de Verbeteragenda passend onderwijs (2020) zijn opgesteld.55 Deze leden constateren dat uit de doelstellingenmonitor niet duidelijk wordt hoe de gemeten oordelen over de ondersteuning zich verhouden tot de financiële middelen, ofwel de hoogte van de ondersteuningscategorie. Ook merken deze leden op dat geen onderscheid lijkt te worden gemaakt naar leerlingen in het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs. Deze leden geven aan dat hiermee het inzicht in de doelmatigheid van de ondersteuningscategorie kan worden verbeterd. De leden van de commissie vragen of is onderzocht hoe de oordelen over de ondersteuning door scholen, ouders en leerlingen zich verhouden tot de middelen die daarmee gemoeid zijn en of deze informatie beschikbaar is op landelijk niveau en/of op het niveau van samenwerkingsverbanden. Ook vragen de leden van de commissie hoe wordt nagegaan of de doelstelling ‘de ondersteuningsbehoefte is leidend’ ook voor het speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs wordt behaald.

Er is niet onderzocht hoe de oordelen over de ondersteuning door scholen, ouders en leerlingen zich verhouden tot de middelen die daarmee gemoeid zijn. Alle schoolsoorten in het funderend onderwijs zijn meegenomen in de doelstellingenmonitor passend onderwijs, om onder andere de doelstelling ‘de ondersteuningsbehoefte is leidend’ te meten.

In het najaar van 2020 is in de Tweede Kamer een motie aangenomen over de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs.56 De leden van de commissie merken op dat inmiddels de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs worden gemonitord en dat er een eerste beeld is van de omvang van de wachtlijstproblematiek.57 Tegelijkertijd constateren deze leden dat er geen centraal punt is waar wordt bijgehouden welke leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring voor het gespecialiseerd onderwijs nog geen onderwijs kunnen volgen. Deze leden merken op dat centralere registratie, bijvoorbeeld bij DUO58, volgens onderzoekers zorgt voor een betrouwbaarder beeld van het exacte aantal leerlingen dat in Nederland op een wachtlijst voor gespecialiseerd onderwijs staat.

De leden vragen om een reflectie op de aanbeveling dat centralere registratie, bijvoorbeeld bij DUO, kan zorgen voor een betrouwbaarder beeld van het aantal leerlingen dat wacht op een plek in het gespecialiseerd onderwijs.

We zetten via een wetswijziging in op een nieuwe registratiewijze van toelaatbaarheidsverklaringen (tlv’s), waarmee DUO zowel de afgegeven als de ‘verzilverde’ tlv’s in beeld krijgt. Hiermee verkrijgen we een zo betrouwbaar mogelijk beeld van het aantal leerlingen dat wacht op een plek in het gespecialiseerd onderwijs.

Een toelaatbaarheidsverklaring (hierna: TLV) tot het gespecialiseerd onderwijs is tijdelijk, tenzij de school voor gespecialiseerd onderwijs het noodzakelijk acht dat de leerling daar langer blijft en het samenwerkingsverband een nieuwe TLV heeft verstrekt.59 De leden van de commissie constateren dat geen cijfers worden verstrekt over de mate waarin leerlingen uit het gespecialiseerd onderwijs uitstromen naar het regulier onderwijs en dat niet inhoudelijk wordt gereageerd op het thematische rapport van de Inspectie van het Onderwijs over dit onderwerp.60 Deze leden merken op dat deze informatie over de uitstroom ook niet wordt gekoppeld aan de informatie uit de doelstellingenmonitor, bijvoorbeeld ten aanzien van de doelstelling ‘Een dekkend netwerk in elke regio’. De leden van de commissie vragen hoe de uitstroominformatie naar regulier onderwijs bij de monitoring van de doelstellingen van passend onderwijs wordt betrokken en of het voornemen bestaat deze uitstroom op jaarlijkse basis te monitoren.

De inspectie rapporteert over de uitstroom in de Staat van het Onderwijs. De doelstellingenmonitor passend onderwijs, ingericht voor de monitoring van de Verbeteragenda passend onderwijs, is inmiddels afgerond. In de monitor die ontwikkeld wordt voor inclusief onderwijs, zal de uitstroom van leerlingen van gespecialiseerd naar regulier onderwijs worden meegenomen.

De leden van de commissie merken op dat het uitgangspunt van het kabinet is dat het gespecialiseerd onderwijs blijft bestaan, ook in de beweging naar meer inclusief onderwijs.61 Deze leden menen daarom dat beter inzicht nodig is in het type leerlingen voor wie gespecialiseerd onderwijs nodig is en blijft en voor welke leerlingen ondersteuning ook in het regulier onderwijs kan worden georganiseerd. Deze leden constateren dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van het systeem dat toegang geeft tot het gespecialiseerd onderwijs eveneens onvoldoende inzichtelijk is. Ook merken deze leden op dat de monitoring niet is ingericht om op een integrale manier in deze inzichtbehoefte te voorzien. De leden van de commissie vragen welke mogelijkheden er zijn om een meer volledig en integraal beeld te krijgen van de werking van het systeem van gespecialiseerd onderwijs in relatie tot de beweging naar meer inclusief onderwijs. Ook vragen de leden van de commissie hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.

Samen met de betrokken partijen werken we de komende periode een transitieplan uit. Daarbij kijken we niet alleen naar het reguliere onderwijs, maar ook naar de ontwikkeling en inzet van het gespecialiseerd onderwijs en de regionale ondersteuningsstructuur. Ook de monitoring van de beweging naar inclusief onderwijs maakt onderdeel uit van het transitieplan.

De Kamer wordt begin 2027 geïnformeerd over het transitieplan. Het transitieplan wordt iedere drie jaar herijkt. Bij deze herijkingen wordt de Kamer geïnformeerd zodat zij de ontwikkeling van zowel het gespecialiseerd onderwijs als de bredere beweging naar inclusief onderwijs kan volgen.

De leden van de commissie danken voor de opvolgingsbrief periodieke rapportages.62 Deze leden constateren dat bij de vorige opvolgingsbrief nauwelijks aandacht werd gegeven aan de opvolging van maatregelen die te maken hebben met de evalueerbaarheid van het beleid. Deze leden zien dat deze onderdelen in de huidige brief wederom niet terugkomen. Deze leden merken op dat het door de opeenvolgende kabinetten en als gevolg daarvan de verschillende aanduidingen van deze beleidsprioriteit, namelijk ‘Iedereen gelijke kansen (2024)’, ‘Iedereen is nodig (2025, 2026)’ en in de meest recente Strategische Evaluatieagenda (2026) ‘Toegankelijkheid funderend onderwijs’, voor de Tweede Kamer lastig is te overzien wat deze beleidsprioriteit precies behelst en hoe deze gecontroleerd kan worden.

De leden van de commissie lezen dat in de voortgangsbrief over diverse maatregelen op het terrein van kansengelijkheid wordt aangekondigd dat kernindicatoren voor kansengelijkheid zijn gekozen.63 Deze leden constateren dat deze indicatoren weergeven of er structurele verschillen in onderwijsloopbanen zijn tussen groepen leerlingen en studenten en dat de cijfers worden gepresenteerd in een apart dashboard.64 Deze leden merken op dat dit dashboard niet terugkomt op de website ocwincijfers.nl, waarin de indicatoren worden gepresenteerd die behoren bij de beleidsprioriteiten van de begroting. De leden van de commissie vragen hoe de set kernindicatoren kansengelijkheid zich verhoudt tot de indicator(en) die worden gepresenteerd op ocwincijfers.nl en hoe deze set zich verhoudt tot de doelstellingen van het beleid. Ook vragen de leden van de commissie waarom de indicator ‘onderwijspositie in het derde leerjaar in het voortgezet onderwijs van groepen leerlingen met ouders die verschillende opleidingen hebben gevolgd’ alleen in 2025 wordt gemeten en niet in opvolgende jaren. Tot slot vragen de leden van de commissie voor de begrotingscyclus van 2027 om een overkoepelend overzicht van de doelstellingen, maatregelen, middelen, indicatoren en evaluaties op het terrein van het kansengelijkheidsbeleid in het funderend onderwijs.

Op ocwincijfers.nl worden beide bronnen gepresenteerd.65 Het dashboard Kansengelijkheid en onderwijssegregatie maakt gebruik van data uit OCW in cijfers en biedt meer informatie over het thema kansengelijkheid. Het dashboard is door de Gelijke Kansen Alliantie in samenwerking met DUO en met cijfers van het CBS opgesteld. Al enkele jaren zijn er 4 indicatoren gekoppeld aan de begroting en beleidsprioriteiten, deze geven een overkoepelend inzicht in verschillen in schoolloopbanen, zie bijvoorbeeld de indicatoren: De verschillen in onderwijspositie op basis van behaald vo-diploma tussen groepen leerlingen | OCW in cijfers en De verschillen in onderwijspositie tussen groepen leerlingen 10 jaar na behalen vo-diploma | OCW in cijfers. Met het dashboard wordt het mogelijk om gericht te kijken naar onderliggende vraagstukken op het gebied van kansengelijkheid en worden landelijk en regionaal inzichten geboden, zo is het mogelijk om regio’s, gemeenten en scholen te vergelijken en landelijk en regionaal beleid aan te scherpen. Het dashboard geeft inzicht in de schoolloopbaan van leerlingen en studenten. Als een van de beleidsmaatregelen voor een betere doorstroom naar en binnen het voortgezet onderwijs, een beleidsprioriteit gekoppeld aan de begroting.66

De indicatoren op ocwincijfers.nl, waaronder de indicator ‘onderwijspositie in het derde leerjaar in het voortgezet onderwijs van groepen leerlingen met ouders die verschillende opleidingen hebben gevolgd’, zijn inmiddels aangevuld met de meest recente cijfers.

Voor een overkoepelend overzicht voor de begrotingscyclus 2027 ontvangt uw Kamer voor de begrotingsbehandeling de Beleidsagenda met de beleidsprioriteiten. In de beleidsprioriteitentekst worden OCW-beleidsdoelen, bijbehorende sub-thema’s en geselecteerde maatregelen op hoofdlijnen beschreven. Nadere informatie wordt ontsloten via ocwincijfers.nl waarbij, aan de hand van monitoringsmatrices, doorlopend en overzichtelijk inzicht wordt gegeven in de koppeling tussen beleidsprioriteiten, doelen, beleid, indicatoren en middelen waaronder ook voor kansengelijkheid in het funderend onderwijs.

De leden van de commissie lezen in het beleidsverslag niets over de subsidieregeling School en omgeving, waar in 2025 weliswaar op is bezuinigd, maar waar nog steeds ruim € 124 miljoen in het primair onderwijs en ruim € 138 miljoen in het voortgezet onderwijs aan werd uitgegeven.67 Deze leden merken op dat op basis van het rapport van de landelijke monitor School en Omgeving68 vooral de positieve bevindingen uit de monitor worden geadresseerd in de voortgangsbrief, maar nauwelijks wordt ingegaan op zaken die mogelijk nog bijgestuurd kunnen worden en ook niet op het verbeteren van de evalueerbaarheid van de regeling. Deze leden constateren dat dit laatste ook relevant is met het oog op de tussentijdse bezuiniging op de subsidieregeling en de voorgenomen herziening daarvan.69 Deze leden merken op dat, indien dit leidt tot veranderingen in doelstelling en doelgroep, hiermee rekening moet worden gehouden in het evaluatieonderzoek. Verder geven deze leden aan dat de evalueerbaarheid van de regeling van belang is om in de toekomst te kunnen komen tot een doeltreffend en doelmatig (aanvullend) bekostigingsinstrument waarmee een dergelijk programma vanaf 2029 structureel gefinancierd kan worden, zoals de wens is van het kabinet. De leden van de commissie vragen hoe is omgegaan met de (negatieve) bevindingen uit de meest recente monitor, zoals toegenomen werkdruk van schoolleiders en taakverzwaring van leraren, niet overal meetbare en concrete doelstellingen, lastige verantwoording door het mixen van budgetten en het 10-uurs aanbod in relatie tot doelen van scholen en aanbod in de regio. Ook vragen de leden van de commissie of, en zo ja waar, dit heeft geleid tot bijsturing van beleid of de regeling. Daarnaast vragen de leden van de commissie in hoeverre er bij de huidige subsidieregeling sprake is van quasi-experimenteel onderzoek waarbij effecten kunnen worden vastgesteld. Tot slot vragen de leden van de commissie hoe resultaten uit onderzoek worden benut bij het ontwerpen van het structurele bekostigingsinstrument.

De huidige subsidieregeling (School en Omgeving 2025-2028) is versimpeld ten opzichte van de vorige subsidieregeling (School en Omgeving 2023-2025). Daarbij is rekening gehouden met lagere verantwoordingslasten. Daarnaast zetten we mede naar aanleiding van deze monitor in op het delen van kennis tussen scholen onderling en vanuit het ministerie. Hierbij doen we scholen suggesties om School en Omgeving zodanig in te zetten dat het juist niet tot een taakverzwaring leidt, maar het onderwijs dat gegeven wordt juist kan versterken. Ook heeft deze kennisdeling ertoe geleid dat we in samenwerking met het veld een kwaliteitsformat opgesteld hebben dat handvatten geeft om bepaalde doelstellingen met het School en Omgeving-aanbod te bereiken.

Ook de huidige subsidieregeling wordt gemonitord. Daarnaast voert het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs een opbrengstgericht onderzoek uit. Dit onderzoek biedt inzicht in de effecten en opbrengsten van het activiteitenaanbod van School en Omgeving-coalities.

De leden van de commissie hechten eraan meer inzicht te krijgen in de ontwikkelingen in het Nederlandstalig en Engelstalig opleidingsaanbod en de verdeling van (inter)nationale studenten over die opleidingen. Deze leden merken op dat inzicht in heldere cijfers en trends de commissie kan helpen om op basis van de juiste informatie te debatteren over het grip krijgen op internationale studenten en de effectiviteit van de maatregelen die het kabinet daarvoor neemt. Deze leden constateren dat in het Jaarverslag niet wordt ingegaan op waar de beleidsinzet, waaronder de Nederlandse inzet op de gebalanceerde mobiliteit in Europa en het NL Scholarship programma, toe heeft geleid in 2025 in termen van aantallen studenten.70 Zo wordt ook niet verwezen naar het onderzoek van Nuffic over Inkomende diplomamobiliteit, dat jaarlijks verschijnt.71 Ook op de website ocwincijfers.nl treffen de leden hierover geen indicatoren aan bij het jaar 2025.72

De leden van de commissie waarderen het dat relevante indicatoren worden opgenomen in de begrotingscyclus van 2026.73 Tegelijkertijd geven deze cijfers volgens deze leden weinig fijnmazige informatie. Deze leden constateren dat bij de indicatoren over instromende internationale studenten geen onderscheid wordt gemaakt naar bachelor- en masterstudenten. Ook constateren deze leden dat bij de indicator over de onderwijstaal informatie ontbreekt over de definitie van een geheel Nederlandstalige of geheel Engelstalige opleiding en over de inhoud van de opleiding, bijvoorbeeld op basis van de opleidingscode. Daarnaast merken deze leden op dat bij de indicator over de verdeling van de verschillende studenten over de anderstalige opleidingen en trajecten eveneens inzicht ontbreekt in de inhoudelijke opleidingen die door deze studenten worden gevolgd.

De leden van de commissie merken op dat andere bronnen met internationaliseringsinformatie een beter beeld geven, zoals de Staat van het Onderwijs74 en de website van Universiteiten van Nederland.75 Tegelijkertijd constateren deze leden dat deze cijfers nog niet het volledige beeld laten zien en mogelijk verschillende uitkomsten laten zien als andere definities worden gekozen voor bijvoorbeeld taligheid van een opleiding of de instroom van studenten. Deze leden merken op dat dit ook wordt benoemd in de beleidsreactie op het Nuffic-rapport.76 Deze leden lezen dat, om de lacunes in de informatievoorziening op te lossen, wordt aangekondigd dat de kennisbasis wordt versterkt door het onderwerp ‘internationalisering in het hbo en wo’ toe te voegen aan de strategische evaluatieagenda (SEA) van het ministerie. Deze leden lezen hierover nog niets terug in de uitwerking van de SEA in de begroting van 2026 en de leden van de commissie vragen de uitwerking hiervan op te nemen in de begrotingscyclus van 2027.

De leden van de commissie willen ten aanzien van de te ontwikkelen kennisbasis meegeven dat zij graag meer inzicht ontvangen in de kenmerken van en trends rondom het huidige opleidingsaanbod en hoe dat zich verhoudt tot de aantallen en herkomst van (inter)nationale studenten en de instructietaal van opleidingen. De leden van de commissie vragen of op basis van de hierboven genoemde bronnen, en indien nodig aanvullende bronnen, informatie kan worden verstrekt over onder andere welke opleidingen veel en weinig studenten trekken, hoe de verhouding tussen internationale en Nederlandse studenten op opleidingsniveau is, hoe de instructietaal zich heeft ontwikkeld bij opleidingen en hoe instructietaal en aantallen (inter)nationale studenten zich tot elkaar verhouden. Ook vragen de leden van de commissie of het hierbij gaat om ontwikkelingen op landelijk niveau of dat er veel verschillen zijn tussen instellingen.

De leden van de commissie stellen enkele vragen met betrekking tot internationale studenten. In studiejaar 2025-2026 is 16,8% van alle ingeschreven studenten in het hbo en wo een internationale student.77 In absolute aantallen gaat het om 129.764 internationale studenten. In het hbo bedraagt het aandeel internationale studenten 8,8%, met in totaal 38.765 ingeschreven internationale studenten. In het wo bedraagt het aandeel internationale studenten 27,4%, met in totaal 90.999 ingeschreven internationale studenten.78

De instroom van internationale studenten in het hbo en wo daalt sinds het piekjaar 2021-2022 gestaag. Het totaal aantal ingeschreven internationale studenten is in studiejaar 2025-2026 voor het eerst licht gedaald. Naar verhouding is het aandeel internationale studenten tot nu toe nog licht blijven groeien. Dit komt doordat ook de instroom van Nederlandse studenten daalt.

Achter deze stelselcijfers gaan verschillen tussen instellingen en studierichtingen schuil.79 Universiteiten hebben doorgaans een groter aandeel internationale studenten dan hogescholen. In absolute aantallen hebben de Universiteit van Amsterdam, met 15.302 internationale studenten, en de Universiteit Maastricht, met 13.345 internationale studenten, de grootste populatie internationale studenten. Beide universiteiten hebben een internationaal profiel en daarmee ook een relatief hoog percentage internationale studenten. De Radboud Universiteit heeft van de universiteiten, met 2.525 internationale studenten, de kleinste populatie. In het hbo heeft Fontys met 6.098 internationale studenten het grootste aantal internationale studenten. Daarnaast zijn er verschillende hogescholen met zeer beperkte aantallen internationale studenten.

Wanneer wordt gekeken naar de aantallen internationale studenten en verhouding tussen Nederlandse en internationale studenten, vallen duidelijke verschillen tussen studierichtingen op. Onderstaande tabellen geven een overzicht van zowel het aandeel internationale studenten per studierichting als ook het absolute aantal internationale studenten, gerangschikt van het grootste aandeel internationale studenten naar het kleinste aandeel internationale studenten.

HBO

Studierichting Aandeel internationale studenten Aantal internationale studenten
Taal en cultuur 29,5% 7.317
Sectoroverstijgend 27,4% 226
Economie 7,8% 16.127
Landbouw en natuurlijk omgeving 6,6% 542
Techniek 5,2% 9.077
Zorg 4,3% 2.039
Gedrag en maatschappij 3,6% 1.596
Onderwijs 1,5% 1.841
Recht - 0
Natuur - 0

WO

Studierichting Aandeel internationale studenten Aantal internationale studenten
Sectoroverstijgend 41,9% 7.174
Economie 25,2% 19.559
Landbouw en natuurlijk omgeving 22,1% 2.929
Gedrag en maatschappij 18,8% 16.558
Techniek 18,7% 16.709
Natuur 15,8% 10.749
Taal en cultuur 14,6% 9.192
Recht 9,5% 5.419
Zorg 5,6% 2.764
Onderwijs 3,3% 46

Voor de verhouding tussen internationale en Nederlandse studenten geldt dat hierover op opleidingsniveau niet op een overzichtelijke manier kan worden gerapporteerd. Het hbo en wo tezamen kennen ruim 4000 opleidingen en de verschillen tussen opleidingen ten aanzien van de verhouding tussen internationale en Nederlandse studenten zijn aanzienlijk. Een overzicht zou daarom zeer omvangrijk zijn en weinig inzicht geven in de verhoudingen binnen het stelsel en tussen studierichtingen en instellingen.

Voor de ontwikkeling van de instructietaal en de relatie met (internationale) studentenaantallen geldt dat hierover geen volledig en eenduidig beeld kan worden gegeven. Een centrale registratie van de opleidingstaal ontbreekt en er bestaat geen eenduidige wettelijke definitie van een Nederlandstalige of Engelstalige/anderstalige opleiding. Daardoor kan niet betrouwbaar worden gerapporteerd hoe de instructietaal zich op opleidingsniveau heeft ontwikkeld. Ook kan geen zuiver verband worden gelegd tussen instructietaal en het aantal of aandeel Nederlandse en internationale studenten. Wel rapporteren de onderwijskoepels zelf over de taal waarin bacheloropleidingen worden aangeboden. Daarbij geldt dat instellingen en sectoren op dit moment verschillende definities kunnen hanteren. Zo hanteert UNL in haar monitoring80 van de instructietaal op universiteiten een definitie waarbij een opleiding als Nederlandstalig geldt wanneer deze alleen toegankelijk is voor studenten die Nederlands beheersen. Dat betekent dat binnen een als Nederlandstalig aangemerkte opleiding nog steeds een aanzienlijk deel van het onderwijs in het Engels kan worden verzorgd. Daarnaast kent deze monitoring de categorie “Nederlands en Engels”, wanneer zowel een Nederlandstalige als een Engelstalige variant van een opleiding bestaat. Volgens deze eigen definitie van UNL is op dit moment 51% van de wo-bacheloropleidingen Nederlandstalig, wat neerkomt op 229 opleidingen. Daarnaast is 31% Engelstalig, wat neerkomt op 139 opleidingen, en 18% meertalig, wat neerkomt op 66 opleidingen. Volgens de zelfregieplannen van de hogescholen81 is 80% van de hbo-bacheloropleidingen uitsluitend in het Nederlands beschikbaar, 8% uitsluitend in het Engels en 12% meertalig.

Het ontbreken van een centrale wettelijke definitie en registratie zorgt ervoor dat deze cijfers echter niet zonder meer vergelijkbaar zijn en gekoppeld kunnen worden aan studentenaantallen op opleidings- of instellingsniveau. In het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans wordt een wettelijke definitie voor Nederlandse en anderstalige opleidingen geïntroduceerd. Naar aanleiding van het Coalitieakkoord wordt dit wetsvoorstel aangepast. Na de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de nota van wijziging.

De leden van de commissie verwijzen voor een voorbeeld van het type informatie dat de commissie zou helpen naar de rapporteursnotitie.82 De leden van de commissie vragen naar de mogelijkheden en eventuele belemmeringen voor het openbaar maken van informatie op opleidingsniveau en hoe de taal waarin opleidingen worden aangeboden wordt gedefinieerd.

De leden van de commissie vragen naar de mogelijkheden voor het openbaar maken van informatie op opleidingsniveau. De belangrijkste belemmering ziet op het openbaar maken van informatie over de taal waarin opleidingen worden aangeboden. Zoals eerder is toegelicht, bestaat op dit moment geen centrale registratie van de opleidingstaal en ook geen eenduidige wettelijke definitie van Nederlandstalige, Engelstalige of anderstalige opleidingen. Daardoor kan op dit moment geen volledig en vergelijkbaar overzicht worden gegeven van de opleidingstaal op opleidingsniveau.

Voor universiteiten rapporteert UNL sinds studiejaar 2016-2017 over de instructietaal van opleidingen op basis van een eigen definitie. Deze informatie wordt door UNL zelf beheerd en gepubliceerd.83 Er bestaat geen formele verplichting voor instellingen om informatie over de opleidingstaal op opleidingsniveau openbaar te maken.

In de Wet internationalisering in balans, die bij uw Kamer voorligt, wordt een eenduidige wettelijke definitie geïntroduceerd. Naar aanleiding van het Coalitieakkoord wordt dit wetsvoorstel aangepast; na de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de nota van wijziging.

In algemene zin geldt dat gegevens over inschrijvingen van Nederlandse en internationale studenten door DUO worden beheerd. Op verzoek kan daarover op opleidingsniveau worden gerapporteerd. Daarbij de kanttekening dat het Nederlandse hbo en wo een groot aantal unieke opleidingen kennen, ruim 4000, waardoor een rapportage op opleidingsniveau zeer omvangrijk zal zijn en niet zonder meer een overzichtelijk beeld geeft.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

Volgens de leden van de VVD-fractie moet onderwijsbeleid bijdragen aan betere onderwijskwaliteit, een sterkere aansluiting op de arbeidsmarkt en voldoende talent voor de economische en maatschappelijke uitdagingen van de toekomst. De Staat van het Onderwijs laat volgens deze leden zien dat er nog veel werk aan de winkel is.

De leden van de VVD-fractie delen zeer met het kabinet dat het opleiden voor de toekomst van Nederland begint bij goede basisvaardigheden. Deze leden menen dat dit hard nodig is, omdat Nederlandse leerlingen en scholieren minder goed presteren op deze vaardigheden dan voorheen. Deze leden constateren dat de afgelopen jaren fors is geïnvesteerd in het Masterplan Basisvaardigheden, terwijl de Staat van het Onderwijs laat zien dat de noodzakelijke kwaliteitsverbetering op deze terreinen nog onvoldoende zichtbaar is. Deze leden vinden dat de focus op taal, rekenen en andere basisvaardigheden onverminderd moet worden voortgezet. Deze leden vragen ons hoe wij deze constatering van de Algemene Rekenkamer beoordelen. Ook vragen deze leden wanneer wij verwachten dat de investeringen in het Masterplan Basisvaardigheden daadwerkelijk zichtbaar worden in betere leerprestaties van leerlingen en of daarbij kan worden aangegeven of, en zo ja welke, concrete doelstellingen worden gehanteerd.

In 2023 zijn concrete, ambitieuze beleidsdoelen geformuleerd voor het Masterplan Basisvaardigheden.84 Aan die doelen – de basis en de aansluiting op orde – is destijds een concreet tijdpad verbonden, namelijk een periode van vijf jaar. Deze doelen gelden dus voor medio 2028.

De eerste resultaten zijn inmiddels zichtbaar. Zo zien we enige verbetering in het po. Ook de randvoorwaarden die nodig zijn om te komen tot betere prestaties zijn verbeterd. Scholen die gebruik hebben gemaakt van de subsidie Verbetering basisvaardigheden zijn positief over het effect van de extra interventies op de leerprestaties van leerlingen en op de expertise van het schoolteam. Daar staat tegenover dat in de onderbouw van het vo de daling op de basisvaardigheden juist doorzet. Na vier jaar hadden de resultaten beter moeten zijn.

De prestaties in het vmbo, maar ook de taalprestaties in het algemeen, zijn zeer zorgwekkend. Dat is extra zorgelijk, omdat taal de basis is voor al het leren. Leerlingen hebben taal nodig om instructies te begrijpen en kennis op te bouwen. We kunnen het ons niet permitteren dat de taalbasis van leerlingen niet op orde is. Daarom komt er een Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden, die uw Kamer in het najaar ontvangt. Het eerste doel is om een trendbreuk te realiseren in de basisvaardigheden, zoals PISA die onder andere laat zien. Om dit mogelijk te maken, werken we aan diverse ambities. De concrete vertaling van deze ambities worden in de Versterkingsagenda verder uitgewerkt, evenals de maatregelen die hiervoor de basis vormen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen van het kabinet om een aanmeldplicht voor kinderen vanaf vier jaar te verkennen voor de vve85. Deze leden vragen ons wanneer de Kamer de eventuele resultaten van die verkenning kan ontvangen en wat precies wordt onderzocht. Daarnaast vragen deze leden ons hoe vve beter wordt verbonden met het basisonderwijs, zodat die overgang zo soepel mogelijk verloopt.

Doelstelling van de aanmeldplicht is om leerlingen vanaf jonge leeftijd in hun ontwikkeling te kunnen volgen en ondersteunen. De voorgenomen uitwerking van de aanmeldplicht wordt meegenomen in de Kamerbrief over het jonge kind en de samenhang tussen kinderopvang, voor- en vroegschoolse educatie en de basisschool in het najaar van 2026. Het versterken van de overgang tussen voorschool en het basisonderwijs is ook een thema in deze brief.

De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van de ambities van het kabinet op praktijkgericht- en techniekonderwijs. Deze leden moedigen zeer aan dat hier in het basis- en voortgezet onderwijs meer aandacht voor komt. Deze leden vragen ons wat in het basisonderwijs wordt gedaan om leerlingen te enthousiasmeren voor techniek. Ook vragen deze leden op welke manier techniek en technologie op dit moment zijn geïntegreerd in het basisonderwijs, of het klopt dat veel scholen vanuit Wetenschap & Techniek al (structureel) techniekonderwijs aanbieden en of dit voldoende is.

Voor de samenleving van nu én de toekomst is een diversiteit aan talenten nodig, waarbij technisch talent blijvend van belang is. Daarom is aandacht voor techniek en technologie verankerd in het wettelijk verplichte curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs. Dit curriculum wordt geactualiseerd om het beter aan te laten sluiten bij de kennis en vaardigheden die leerlingen in deze tijd nodig hebben. Zo is onder meer binnen de leergebieden Mens en Natuur en Digitale Geletterdheid expliciet aandacht voor techniek en technologie.

Daarnaast wordt techniek- en technologieonderwijs vanuit de overheid ondersteund en gestimuleerd voor het gehele funderend onderwijs via het Nationaal Groeifondsprogramma Techkwadraat, voor het vmbo via Sterk Techniekonderwijs (STO). Daarnaast zijn er praktijkgerichte programma’s voor het vmbo en de havo. Met Techkwadraat maken bijvoorbeeld zo’n 75% van de leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs kennis met technologieonderwijs.

Deze leden menen dat interesse voor techniek onder kinderen zo vroeg mogelijk aangewakkerd moet worden en dat dit ook begint bij leraren met enige kennis van het vakgebied. Deze leden vragen of in het huidige pabo-curriculum aandacht wordt besteed aan het verzorgen van bijvoorbeeld W&T-onderwijs.

De pabo’s hebben afspraken gemaakt over de aandacht voor Wetenschap en Techniek in de landelijke kennisbasis voor de pabo. De huidige landelijke kennisbases gelden sinds 2018/2019 en worden momenteel herzien. Daarbij sluiten de lerarenopleidingen nauw aan bij de inhoud van het Advies Herijking Bekwaamheidseisen86 en bij de nieuwe kerndoelen. De manier waarop Wetenschap en Techniek in de kerndoelen is verwerkt zal daarmee ook richtinggevend zijn voor de manier waarop dit thema in de kennisbases en vervolgens in de curricula van individuele pabo’s zal worden verwerkt.

De leden van de VVD-fractie zijn blij met de blijvende aandacht en urgentie van het kabinet voor kwalitatief goede leraren en de aandacht voor de positie van de schoolleider. Deze leden vragen ons naar onze ideeën over de ‘professionele leraar’ en hoe deze kunnen bijdragen aan het keren van de in de Staat van het Onderwijs beschreven trends. Deze leden benoemen dat eerder is gewerkt met een lerarenregister om de professionalisering van leraren bij te houden. Deze leden vragen hoe, gezien de ambities op dit punt, de continue professionele ontwikkeling van leraren bijgehouden gaat worden en of dit wordt uitbesteed aan de nog te ontwikkelen onafhankelijke beroepsgroep.

Het is belangrijk dat de professionele ontwikkeling van leraren duurzaam wordt ondersteund. Een onafhankelijke en verenigde beroepsgroep kan daarin een belangrijke rol spelen. Er is brede overeenstemming over het belang van zo’n verenigde beroepsgroep, maar over de precieze organisatie, werkwijze en positionering worden nog gesprekken gevoerd.

Het is de bedoeling dat de verenigde beroepsgroep in ieder geval een belangrijke rol krijgt bij het ondersteunen en verder ontwikkelen van de kwaliteit van het beroep. Leraren gaan daarbij zelf over hun beroepsbeeld en beroepsstandaarden en voeren hierover continu de dialoog met elkaar, met lerarenopleidingen, schoolleiders en bestuurders. Dit versterkt de professionele ontwikkeling, het eigenaarschap en de professionele identiteit van leraren.

De gesprekken die momenteel worden gevoerd met georganiseerde én niet-georganiseerde leraren moeten meer duidelijkheid geven over de taken en verantwoordelijkheden van de beroepsgroep, waaronder de rol die zij kan spelen bij het stimuleren en ondersteunen van de continue professionele ontwikkeling van leraren. Daarbij worden ook eerder door uw Kamer aangenomen moties betrokken, waaronder de motie over de rol van de beroepsgroep bij afspraken over tijd voor professionele ontwikkeling in teamverband.87

De leden van de VVD-fractie onderstrepen de noodzaak van extra maatregelen voor het aantrekken en behouden van leraren en schoolleiders. Deze leden kijken met belangstelling uit naar het landelijke kwaliteitsfundament voor startende leraren en de bijbehorende centrale eindtoets van de pabo. Deze leden vragen ons wanneer wij verwachten hier stappen op te presenteren.

In de brief over de lerarenstrategie die voor de zomer naar de Kamer is verzonden88, gaan we nader in op de stappen die nu al gezet worden in de richting van één fundament voor de lerarenopleidingen. Daarnaast hebben we in die brief het tijdspad geschetst om te komen tot een uitwerking van de aanvullende ambities in het Coalitieakkoord.

De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de aanpak van het lerarentekort ook vraagt dat het beroep zo aantrekkelijk mogelijk gemaakt wordt, ook voor mannen. Deze leden weten dat sommige geïnteresseerden zich laten tegenhouden doordat zij in de lerarenopleiding bij alle ontwikkelingsfases van leerlingen stil moeten staan, terwijl zij vooral geïnteresseerd zijn in een specifieke ontwikkelingsfase (bijvoorbeeld die van het oudere kind). Deze leden merken op dat het vorige kabinet om die reden het wetsvoorstel differentiatie pabo heeft geïntroduceerd en dat de voorgenomen voortzetting van dit wetstraject in de onderhavige stukken ontbreekt. Deze leden vragen ons hoe de in het regeerakkoord afgesproken gesprekken met het onderwijsveld verlopen en wanneer de Kamer deze wet kan behandelen.

Een hogere en meer diverse instroom, waaronder van mannen, in de pabo én voor de klas is en blijft belangrijk. In het Coalitieakkoord hebben we afgesproken in goed overleg en samen met de sector maatregelen te nemen. Medio juni is hierover met partners gesproken. Afgesproken is dat opleidingen, werkgevers en lerarenorganisaties een ketenaanpak uitwerken die we in het najaar van 2026 bespreken. We verwachten u in de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2026 hierover te kunnen informeren. Dan zullen we ook ingaan op wat dit betekent voor het wetstraject om te komen tot gedifferentieerde bevoegdheden en bekwaamheidseisen, wat nodig is om het inrichten van gedifferentieerde pabo-opleidingen mogelijk te maken.

De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet op zij-instroom, maar zijn daarnaast van mening dat leraren gestimuleerd moeten worden om meer uren te werken. Deze leden vragen ons naar de voortgang en ontwikkelingen in de pilot meerurenmaatwerk in het onderwijs en naar de stand van zaken en ambities op het stimuleren van meer uren werken in het onderwijs. In het verlengde van de arbeidsvoorwaarden van leraren vragen deze leden of er al ontwikkelingen zijn op de voornemens rond de planlastcalculator naar Vlaams voorbeeld.

Zoals benoemd in de brief lerarenstrategie van juli 2026 is op 1 juni jl. een bijeenkomst georganiseerd met de Inspectie van het Onderwijs, de Vlaamse Onderwijsinspectie en de Algemene Rekenkamer om kennis te nemen van de ervaringen in Vlaanderen met deze tool.89 Tijdens de bijeenkomst is verkend welke elementen relevant zijn voor de Nederlandse context en wat scholen nodig hebben om de administratieve lasten te verlagen. De gesprekken hebben waardevolle inzichten opgeleverd in de meerwaarde van de planlastcalculator, die niet alleen kan bijdragen aan het verlagen van administratieve lasten, maar ook het gesprek over werkdruk en administratieve lasten binnen scholen stimuleert. Samen met de inspectie en het onderwijsveld verkennen we de mogelijkheden om een vergelijkbaar instrument te ontwikkelen om het gesprek op school te stimuleren. Ik informeer uw Kamer hierover in de brief over de lerarenstrategie van dit najaar.

De leden van de VVD-fractie weten dat het kabinet stimuleert dat er voldoende onderwijsaanbod is voor neurodivergente leerlingen. Deze leden vragen ons hoe dat zich verhoudt tot de in het regeerakkoord benoemde ambitie om voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs te stimuleren, aangezien neurodivergentie niet alleen hoogbegaafdheid omvat.

Leerlingen Belang Voortgezet Speciaal Onderwijs (LBVSO) werkt momenteel aan een advies en handvatten voor scholen om goed onderwijs te bieden aan neurodivergente leerlingen. Dit kan ander aanbod zijn, of aanpassingen in de context. Belangrijk hierbij is dat wat goed is voor een specifiek kind, vaak ook bijdraagt aan het welbevinden en leren van een grotere groep kinderen, zoals een rustruimte op school of duidelijke en voorspelbare dagindelingen en roosters.

De afgelopen jaren is gericht ingezet op het stimuleren van aanbod specifiek gericht op hoogbegaafde leerlingen. Structureel hebben samenwerkingsverbanden hier nu middelen - 23,3 miljoen euro - voor ontvangen in de bekostiging, zodat zij de ingerichte voorzieningen en opgebouwde expertise kunnen voortzetten. Daarnaast wordt vanuit het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid met subsidie van OCW concreet ingezet op het delen van goede voorbeelden. Zo hebben alle scholen dit jaar het basisboek hoogbegaafdheid ontvangen. Tot slot wordt een norm basisondersteuning ontwikkeld ook voor het gebied hoogbegaafdheid.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs opnieuw laat zien dat de kwaliteit van het onderwijs onder druk staat. Deze leden merken op dat veel scholen werken aan verbetering van basisvaardigheden, maar dat de resultaten achterblijven en het een aanzienlijk deel van de scholen niet lukt om geconstateerde tekortkomingen tijdig te herstellen. Deze leden constateren dat de inspectie daarbij nadrukkelijk wijst op tekortschietende kwaliteitszorg. Deze leden vragen ons hoe wij deze bevindingen beoordelen en welke aanvullende maatregelen worden genomen om scholen en besturen te ondersteunen bij het versterken van de kwaliteitszorg.

Wij zetten samen met de scholen alles op alles om de onderwijskwaliteit en kwaliteitszorg op scholen te verbeteren. Bestuurders en intern toezichthouders dragen primair de verantwoordelijkheid om kwaliteit te onderhouden, monitoren en verbeteren. Het is daarom hun taak om te zorgen dat de randvoorwaarden voor goed onderwijs op orde zijn. Het gaat immers om de ontwikkeling, veiligheid en toekomst van leerlingen én om gemeenschapsgeld waar zorgvuldig en doelmatig mee moet worden omgegaan.

De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat schoolleiders steeds meer tijd kwijt zijn aan administratieve en organisatorische lasten en personeelstekorten, waardoor zij minder toekomen aan hun onderwijskundige verantwoordelijkheid. Deze leden vragen ons welke mogelijkheden wij zien om schoolleiders meer ruimte te geven voor onderwijskundig leiderschap en kwaliteitsverbetering.

Goed onderwijs begint bij professionele en lerende teams van leraren, schoolleiders en onderwijsondersteunend personeel die zich doorlopend blijven bijscholen en ontwikkelen. In de komende jaren moet het heel normaal worden dat onderwijspersoneel zich blijvend professionaliseert, nadrukkelijk ook in teamverband. Daarom investeren we structureel € 346 miljoen in de professionalisering van onderwijspersoneel op teamniveau. Zowel voor deze investering als voor de volgende investeringen die benoemd zullen worden in de resterende beantwoording, geldt dat inzet van CA-middelen nog onder voorbehoud zijn van de augustusbesluitvorming. We gaan in gesprek met de sector hoe dit concreet en effectief invulling te geven op een zodanige manier dat dit tot meer ruimte voor onderwijskundig leiderschap en tot kwaliteitsverbetering leidt.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat een bekostigingssysteem dat scholen voldoende ruimte geeft om verantwoordelijkheid te nemen een belangrijke randvoorwaarde is voor goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren deze leden dat in het Jaarverslag wordt verwezen naar het uitgangspunt “structurele bekostiging voor structurele taken” en naar het wetsvoorstel gerichte bekostiging. Deze leden vragen ons wat de actuele stand van zaken is van dit wetsvoorstel en hoe wij de balans zien tussen autonomie voor scholen enerzijds en gerichte sturing op beleidsprioriteiten anderzijds.

Het wetsvoorstel is op 1 juli jl. ingediend bij de Tweede Kamer. Uitgangspunt voor dit wetsvoorstel en de doelen waarvoor gerichte bekostiging kan worden ingezet, is dat er niets verandert aan het karakter van de basisbekostiging. De basisbekostiging moet namelijk voldoende zijn om te voorzien in de behoeftes van een in normale omstandigheden verkerende school. Basisbekostiging betreft het overgrote deel van de middelen voor scholen en wordt verstrekt om aan de deugdelijkheidseisen te kunnen voldoen. De basisbekostiging blijft bestedingsvrij. Gerichte bekostiging is enkel bedoeld om op een beperkt aantal aanvullende doelen bij te kunnen sturen en regie te pakken. Hiervoor zijn de drie prioritaire onderwerpen 1) basisvaardigheden, 2) bekwaamheid en beschikbaarheid van personeel en 3) gelijke onderwijskansen opgenomen in het wetsvoorstel. Daarnaast blijft de huidige vorm van aanvullende bekostiging bestaan. Met deze reguliere aanvullende bekostiging kan er bekostiging worden verstrekt aan specifieke doelgroepen, maar zonder extra verplichtingen ten opzichte van de reguliere verplichtingen die gelden voor de bekostiging. Gerichte bekostiging vervangt daarmee subsidies, wat zorgt voor minder administratieve lasten, meer gerichtheid en gedeelde verantwoordelijkheid.

De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat het vervolgonderwijs niet alleen toegankelijk is, maar ook voldoende ruimte biedt voor talentontwikkeling en excellentie. Deze leden wijzen erop dat Nederland behoefte heeft aan goed opgeleide vakmensen, professionals, onderzoekers én topstudenten. Deze leden vragen ons hoe talentontwikkeling en excellentie een plek krijgen binnen de Nationale Talentstrategie. Ook vragen deze leden hoe wij de huidige beschikbaarheid van honoursprogramma’s en andere vormen van extra uitdaging binnen mbo, hbo en wo beoordelen en of deze voorzieningen voldoende toegankelijk en toekomstbestendig zijn.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe talentontwikkeling en excellentie een plek krijgen binnen de Nationale Talentstrategie. Universiteiten en hogescholen zijn verplicht om aandacht te schenken aan de persoonlijke ontplooiing van hun studenten.90 Het is dus aan de instellingen zelf om hun studenten voldoende uit te dagen en goed bij te dragen aan hun talentontwikkeling. Hier past ook het aanbieden van extra uitdaging in, bijvoorbeeld via honoursprogramma’s. Er is geen landelijk overzicht van het aanbod van honoursprogramma’s, maar er zijn ons geen signalen bekend dat universiteiten en hogescholen hier onvoldoende invulling aan geven en dat de beschikbaarheid onvoldoende zou zijn. Binnen het mbo is er ook veel aandacht voor talentontplooiing, onder meer via excellentietrajecten. Instellingen die excellentietrajecten ontwikkelen worden ondersteund door Stichting MBO Excellent en kunnen hier middelen uit de Kwaliteitsafspraken 2024-2027 voor gebruiken. Daarnaast zijn er verschillende mogelijkheden voor het volgen van verdiepende en/of extra keuzedelen zodat mbo’ers zich in de breedte en diepte kunnen ontwikkelen.

Voor de Talentstrategie wordt momenteel bezien of en hoe eventuele inzet op talentontplooiing daarbinnen vorm krijgt. Voor het einde van dit jaar ontvangt uw Kamer een brief met daarin een nadere invulling van de Talentstrategie.

De leden van de VVD-fractie hechten daarnaast aan vlot studiesucces. Deze leden vragen ons op welke wijze wordt gestimuleerd dat studenten hun opleiding succesvol en binnen een redelijke termijn afronden, met behoud van aandacht voor studentenwelzijn en persoonlijke ontwikkeling.

De leden van de VVD-fractie vragen op welke wijze de minister studenten stimuleert hun opleiding succesvol en binnen een redelijke termijn af te ronden. Dit kabinet zet daar onder andere op in middels de Talentstrategie. Met de Talentstrategie wil het kabinet zorgen dat mensen relevante vaardigheden opdoen in de hele onderwijsloopbaan: van primair onderwijs tot vervolgonderwijs. We willen dat mensen sneller een geschikte baan vinden vanuit de initiële opleiding die zij volgen. Het funderend onderwijs moet hiervoor de brede basis bieden. Dat zorgt namelijk voor het soepeler doorlopen van de opleiding in het vervolgonderwijs. We zetten hierop in door verdere versterking van basisvaardigheden en door meer leerlingen in aanraking te laten komen met de beroepen en vaardigheden waar in de toekomst vraag naar is. Concrete maatregelen zijn onder meer de herziening van de profielenstructuur in het vmbo en de verkenning naar structurele financiering van Sterk Techniekonderwijs. Vervolgens dient met goede voorlichting de (toekomstig) student zo goed mogelijk te worden voorbereid op hun studiekeuze en baankansen. In het vervolgonderwijs is een aantrekkelijk en relevant opleidingsaanbod cruciaal om studenten succesvol hun opleiding te laten voltooien en een kansrijke positie te hebben op de arbeidsmarkt. Hiervoor werkt het kabinet samen met onderwijssectoren en werkgevers aan een partnerschap, dat in het najaar tot concrete afspraken moet leiden over keuzes en samenhang in het opleidingsaanbod.

Het onderwijs draait uiteindelijk om het bieden van een kansrijke toekomst voor de leerling en student. Dat vraagt ook om aandacht voor mentaal welzijn en persoonlijke ontwikkeling. Daarom hebben wij u recent ook geïnformeerd over de aanpak om studentenwelzijn van studenten verbeteren.91 De Talentstrategie en onze aanpak op studentenwelzijn gaan hand in hand en zijn cruciaal voor studenten. Bij beide aanpakken betrekken we dan ook de leerling- en studentorganisaties.

Naast de Talentstrategie kent het onderwijsstelsel al diverse maatregelen om studiesucces te bevorderen. Studenten in het hbo, wo en mbo niveau 3 en 4 ontvangen de basisbeurs en de aanvullende beurs in beginsel voor vier jaar, wat eventueel verlengd kan worden afhankelijk van de gekozen opleiding. Daarna kunnen studenten nog lenen. De basisbeurs, aanvullende beurs en het studentenreisproduct ontvangen studenten bovendien in de vorm van een prestatiebeurs. Dat betekent dat deze bedragen pas worden omgezet in een gift op het moment dat zij binnen de diplomatermijn van 10 jaar een diploma hebben gehaald dat recht geeft op omzetting. Beide aspecten van het studiefinancieringsstelsel geven studenten een prikkel om hun opleiding tijdig af te ronden. Daarnaast is het de taak van onderwijsinstellingen om studenten goed te begeleiden en in staat te stellen om de studie succesvol te doorlopen. Zij zetten hier ook actief op in, bijvoorbeeld door studenten goed te laten “landen” via introductiedagen, door studiebegeleiding in te zetten, door peer-to-peer begeleiding aan te bieden en door in te zetten op mentaal welzijn.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat arbeidsmarktrelevantie een belangrijker uitgangspunt moet worden binnen het vervolgonderwijs. Deze leden wijzen erop dat Nederland kampt met grote tekorten in onder meer techniek, zorg, onderwijs, defensie en de energiesector.

Deze leden vragen ons toe te lichten hoe arbeidsmarktrelevantie en macrodoelmatigheid worden betrokken bij de verdere ontwikkeling van de bekostiging van het mbo, hbo en wo. Ook vragen deze leden op welke wijze onderwijsinstellingen en studenten beter inzicht krijgen in de arbeidsmarktperspectieven van opleidingen.

Een aantal elementen in het stelsel verbinden de bekostiging aan de macrodoelmatigheid en arbeidsmarktrelevantie van het vervolgonderwijs. Zo zijn mbo-instellingen wettelijk verplicht om uitsluitend opleidingen aan te bieden met voldoende arbeidsmarktperspectief. Ook geldt de zorgplicht doelmatigheid om onwenselijk versnipperd aanbod te voorkomen. De minister kan een mbo-instelling rechten ontnemen bij niet naleven van een van de zorgplichten. Tevens is er in het hbo en wo bij het starten van een nieuwe opleiding een toets op macrodoelmatigheid. Hiermee wordt o.a. onderzocht of er een arbeidsmarktbehoefte is. Een positieve toets is een voorwaarde om een nieuwe, bekostigde opleiding te kunnen starten.

De bekostiging van het mbo, hbo en wo is in de basis bedoeld om instellingen in staat te stellen te voldoen aan de wettelijke taak. De bekostiging werkt in het hele vervolgonderwijs met een lumpsummodel, waarbij onderwijsinstellingen bestedingsvrijheid binnen de kaders van wet- en regelgeving hebben. De hoogte van de bekostiging per instelling wordt bepaald op basis van gelijkelijk geldende maatstaven voor alle instellingen, waarbij de differentiatie in tarieven gebaseerd is op de kosten van het onderwijs. Sturing richting arbeidsmarktrelevantie en macrodoelmatigheid, specifiek via het verdeelmodel van de bekostiging, past niet goed bij deze uitgangspunten.

Het kabinet ziet daarnaast mogelijkheden om met aanvullende middelen te sturen op een beperkt aantal (maatschappelijke) opgaven zoals arbeidsmarktrelevantie. Zoals aangekondigd in de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo geeft het kabinet hier voor het mbo invulling aan via het samenwerkingsbudget. Met dit budget wordt verder invulling gegeven aan de talentstrategie en het pact opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst. Er komt € 200 miljoen beschikbaar waarmee mbo-instellingen via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers afspraken maken over onder andere een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst en de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Voor het hbo en wo heeft het kabinet € 154 miljoen gereserveerd voor de talentstrategie. Deze financiële middelen worden ingezet ten behoeve van het behalen van de doelen van de talentstrategie in het hbo en wo. Over de precieze invulling spreekt het kabinet met de onderwijsinstellingen. In het najaar wordt de Tweede Kamer hierover nader geïnformeerd. Bovendien investeert het kabinet reeds in het Nationaal Versterkingsplan Microchip-Talent en in de tekortsectoren in het hbo.

Zoals is opgenomen in het coalitieakkoord gaan we er met de talentstrategie voor zorgen dat studenten betere voorlichting krijgen over hun arbeidsmarktperspectieven. Dit helpt studenten bij het maken van een bewuste studiekeuze en onderwijsinstellingen bij het vormgeven van een arbeidsmarktrelevant opleidingsaanbod. Daarvoor hoeven we niet bij nul te beginnen. Sinds 2024 is hiervoor structureel € 1 miljoen beschikbaar voor mbo, hbo en wo. Stichting Studiekeuze123 verwerkt uitgebreidere arbeidsmarktinformatie in de bestaande studiekeuzevoorlichting.

Daarnaast zijn per onderwijssector verschillende instrumenten, voor verschillende doeleinden, beschikbaar:

  • Mbo: KiesMBO en Studie in Cijfers bieden informatie over onder meer baankansen, stages en leerbanen, startsalarissen en het aandeel gediplomeerden met werk. SBB biedt regionale en sectorale arbeidsmarktinformatie, onder meer via de Regio Atlas mbo-arbeidsmarkt. Het Expertisepunt LOB ondersteunt instellingen bij het benutten van deze informatie in de loopbaanbegeleiding.

  • HBO/WO: het HO-uitstroomdashboard van het CBS en de arbeidsmarktprognoses van het ROA geven inzicht in de arbeidsmarktpositie van afgestudeerden en ondersteunen beleids- en macrodoelmatigheidsvraagstukken. Daarnaast wordt verkend hoe alumni-informatie op basis van CBS microdata kan worden doorontwikkeld. Met de talentstrategie werken we aan een betere afstemming tussen de arbeidsmarkt en instellingen. Die versterkte samenwerking draagt bij aan de oriëntatie van studenten en van instellingen op de arbeidsmarkt. In de talentstrategie komen we in gezamenlijkheid met de koepels tot een aanpak hiervoor.

De leden van de VVD-fractie lezen in het Jaarverslag dat in verschillende regio’s maatregelen zijn genomen om vitale opleidingen te behouden bij dalende studentenaantallen. Deze leden vragen ons hoe de eerste resultaten hiervan worden beoordeeld en welke rol de (regionale) arbeidsmarkt hierbij speelt.

We willen voorkomen dat maatschappelijk belangrijke opleidingen zoals in de techniek, zorg en onderwijs verdwijnen door dalende studentenaantallen. Dit tegen de achtergrond van teruglopende studentenaantallen (afnemende middelen) in combinatie met de krapte op de arbeidsmarkt.

Daarom zijn er extra middelen beschikbaar gesteld in de regio’s waar de daling het grootst is. Deze middelen zijn bedoeld als overbrugging naar een structureel stabieler bekostigingssysteem, dat minder afhankelijk is van studentenaantallen.

In het hbo lopen de overbruggingsmiddelen door tot en met 2027. Afgesproken is om begin 2028 te gaan evalueren. In de zomer van 2025 is reeds een bijeenkomst georganiseerd ter evaluatie van de 1e tranche hbo vitale regio middelen. Deze diende ook ter inspiratie voor de 2e tranche (leren van elkaar).

Er is in de eerste tranche krimpmiddelen in het hbo geïnvesteerd in:

  • de samenwerking binnen opleidingen waardoor de groepsgrootte is toegenomen en de opleiding rendabel blijft,

  • de samenwerking tussen opleidingen (bijvoorbeeld bij lerarenopleidingen de leeruitkomsten gelijktrekken zodat vakken gezamenlijk kunnen worden aangeboden),

  • gedeelde kosten door bijvoorbeeld huisvesting te delen met een mbo-instelling of het bedrijfsleven (bijvoorbeeld de praktijkfaciliteiten beschikbaar stellen voor regionale bedrijven zodat hun medewerkers actuele kennis behouden, wat vervolgens ook weer leidt tot meer praktijkgericht onderzoek, stageplekken, etc.).

In het hbo en wo is gewerkt aan een regionale en landelijke afstemmingsstructuur over het onderwijsaanbod, zodat strategische keuzes over het onderwijsaanbod waar nodig ook sector- en regio-overstijgend gemaakt kunnen worden. Samenwerking voorkomt niet altijd dat sommige opleidingen zullen moeten sluiten maar zorgt wel voor strategische keuzes met oog op de arbeidsmarkt.

Voor het mbo is ervoor gekozen om de beschikbare tijdelijke middelen in te zetten voor de jaren 2025-2027. De middelen zijn beschikbaar voor instellingen in de 11 sterkst krimpende arbeidsmarktregio’s. De uitdagingen door de dalende studentenaantallen vragen om goede onderlinge afstemming en samenwerking tussen de mbo-instellingen. Daarom is een voorwaarde voor toekenning van het budget dat de mbo-instellingen met vestigingen in deze regio’s een gezamenlijk regioplan opstellen dat in voldoende mate bijdraagt aan een toekomstbestendig aanbod van beroepsonderwijs in de regio. Ook goede betrokkenheid van het regionale bedrijfsleven was een voorwaarde voor toekenning van het aanvullende budget.

Het aanvullende budget wordt onder meer ingezet voor behoud van entree- en niveau-2-opleidingen in kleinere plaatsen in Friesland en de ontwikkeling van een gezamenlijk opleidingsportfolio van de mbo-instellingen in Groningen en Drenthe. In Zeeland kiezen de mbo-instellingen voor het starten van nieuw onderwijsaanbod en het openen van nieuwe locaties in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. In Noord-Holland Noord zetten de instellingen onder meer in op transitie van het aanbod en het delen van faciliteiten, zoals het opzetten van een techniekcampus en samenwerking rond sportopleidingen.

De leden van de VVD-fractie verwelkomen het voornemen tot het ontwikkelen van een Nationale Talentstrategie. Deze leden zijn van mening dat Nederland veel gerichter moet sturen op het opleiden van voldoende talent voor maatschappelijke en economische sleutelopgaven.

Deze leden vragen ons hoe de strategie concreet gaat bijdragen aan het vergroten van de instroom in tekortsectoren zoals techniek, zorg en onderwijs, welke doelstellingen hiervoor worden geformuleerd en hoe deze worden gemonitord. Deze leden vragen daarnaast wanneer de Kamer deze strategie kan verwachten.

De leden van de VVD-fractie stellen enkele vragen met betrekking tot de Talentstrategie. In antwoord daarop kunnen wij aangeven dat met de inrichting van de Talentstrategie, verstuurd op 10 juli 2026, is gekozen voor een aanpak langs vier lijnen.92 Een van deze lijnen richt zich op het beter en gerichter opleiden voor cruciale opgaven voor de toekomstige welvaart. Dit zijn digitalisering & AI, veiligheid & weerbaarheid, energie- & klimaattechnologie, life sciences & biotechnologie. We kunnen deze talentopgave niet realiseren zonder dat de basis op orde is. Daarom nemen we de knelpunten binnen deze opgaven ook mee als onderdeel van de Talentstrategie, namelijk: het (funderend) onderwijs, de kinderopvang, het sociaal domein, eerstelijnszorg en ouderenzorg, en de woningbouw.

Beter en gerichter opleiden lukt alleen als de kwaliteit van het funderend onderwijs op orde is. Het funderend onderwijs biedt jongeren een brede basis, waarna ze goed geëquipeerd doorstromen naar mbo, hbo of wo. Het kabinet geeft daarom prioriteit aan het versterken van basisvaardigheden (lezen, schrijven en rekenen). Daarnaast is goede voorlichting over studiekeuze essentieel. We bouwen ten slotte voort op bestaande succesvolle aanpakken, zoals Sterk Techniekonderwijs. Ook zetten we in op de verankering van technische, digitale en AI-vaardigheden op alle onderwijsniveaus, van funderend tot vervolgonderwijs. Dit geven we onder meer vorm via het Nationaal Groeifondsprogramma Techkwadraat. Het kabinet werkt aan de herziening van de profielenstructuur in het vmbo, de invoering van praktijkgerichte vakken in vmbo en havo en de actualisering van alle algemene vakken in de bovenbouw vmbo, havo en vwo en de verkenning naar structurele, regionale financiering (vanaf 2029) van Sterk Techniekonderwijs.93

In het vervolgonderwijs willen we de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen. Hiervoor zijn keuzes en samenhang in het opleidingsaanbod nodig. De onderwijssectoren en werkgevers spelen hierbij een cruciale rol en hebben de kennis en kunde om hier met het kabinet stappen op te zetten. Het hiervoor benodigde partnerschap met onderwijsinstellingen en werkgevers geeft het kabinet momenteel vorm. Ook de wijze waarop we deze ambitie met elkaar gaan vormgeven wordt momenteel uitgewerkt.

In het mbo krijgt dit vorm via het Pact ‘Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst’. Uitgangspunt is dat via gezamenlijke regionale plannen tussen werkgevers en mbo-instellingen concrete afspraken worden gemaakt over, onder andere, een regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst en de instroom van studenten in de cruciale opgaven uit de Talentstrategie. De hogescholen en universiteiten werken gezamenlijk aan proposities met daarin concrete voorstellen over de rol in en bijdrage aan de Talentstrategie. Deze proposities gaan niet alleen over het richten van onderwijsaanbod, maar ook over de andere onderdelen van deze Talentstrategie en de bijdrage die hogescholen en universiteiten daaraan kunnen leveren. Het partnerschap moet in het najaar tot concrete afspraken leiden. Uw Kamer zal hier te zijner tijd dan ook over worden geïnformeerd.

De leden van de VVD-fractie vragen ons hoe techniek en technologie structureel worden verankerd in het funderend onderwijs. Deze leden vragen welke rol technologieonderwijs, digitale vaardigheden en loopbaanoriëntatie spelen bij het enthousiasmeren van leerlingen voor technische opleidingen en beroepen.

Onze samenleving en economie worden gevoed door een breed scala van talenten met een diversiteit aan kennis en vaardigheden. Techniek en technologie zijn daar een belangrijk onderdeel van. Techniek is daarom ook structureel verankerd in het curriculum van het funderend onderwijs, onder meer in de kerndoelen van de onderbouw van het voortgezet onderwijs. In de bovenbouw zit techniekonderwijs in verschillende profielen. In het beroepsgericht vmbo zijn vijf van tien beroepsgerichte profielen technisch van aard. Niet elke vmbo-vestiging biedt echter een van deze technische profielen aan. Recentelijk is de motie van het lid Kisteman aangenomen die verzoekt uit te werken hoe techniekonderwijs in de onder- en bovenbouw van alle vmbo-vestigingen aangeboden kan worden.94 Regionale samenwerking tussen vmbo-scholen, mbo en bedrijfsleven is essentieel om dit aanbod uit te breiden. In de verkenning naar de manier van borging van het structurele programma Sterk Techniekonderwijs wordt deze vraag meegenomen. De Tweede Kamer wordt hierover eind 2027 nader geïnformeerd.

De leden van de VVD-fractie erkennen dat Nederland voor een aantal strategische sectoren afhankelijk is van internationaal talent. Tegelijkertijd vinden deze leden dat internationale studentenstromen beter moeten aansluiten op maatschappelijke behoeften en arbeidsmarkttekorten.

Deze leden vragen ons voor welke sectoren het aantrekken van internationaal talent van bijzonder belang wordt geacht en hoe dit zich verhoudt tot het beleid rondom internationalisering en de beheersing van de instroom van internationale studenten. Daarnaast vragen deze leden welke rol internationaal talent krijgt binnen de Nationale Talentstrategie en hoe wordt bevorderd dat afgestudeerde internationale studenten behouden blijven voor tekortsectoren op de Nederlandse arbeidsmarkt.

De leden van de VVD-fractie stellen enkele vragen over het aantrekken van internationaal talent. In de Kamerbrief over de Nationale Talentstrategie van 10 juli jl. zijn de eerste contouren van de aanpak geschetst. De inzet van de talentstrategie richt zich op vier domeinen die cruciaal zijn voor het behouden en versterken van het Nederlandse verdienvermogen: digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Daarnaast worden knelpunten meegenomen in sectoren die mensen in staat stellen om volwaardig en duurzaam mee te kunnen doen in de maatschappij en op de arbeidsmarkt, namelijk het (funderend) onderwijs, de kinderopvang, het sociaal domein, de eerstelijnszorg, de ouderenzorg en de woningbouw.

Het gericht aantrekken van internationaal talent is niet voor al deze sectoren een passende maatregel. Dit is met name relevant voor sectoren waar internationaal talent een concrete bijdrage kan leveren aan het verminderen van structurele tekorten en daarmee aan het versterken van het Nederlandse verdienvermogen. In onderling bindende afspraken hebben hogescholen en universiteiten afgesproken om de werving van internationale studenten nadrukkelijk op (regionale) tekortsectoren richten en het aantal studieplaatsen voor anderstalige opleidingen waar nodig te begrenzen. Dit is voor de zomer in bestuurlijke afspraken met het ministerie bestendigd. Daarin is ook afgesproken dat deze bestuurlijke afspraken jaarlijks worden geëvalueerd door de minister en de onderwijskoepels. In februari 2027 is de eerste evaluatie. Hier wordt gekeken of de universiteiten en hogescholen hun onderlinge zelfregieafspraken moeten bijstellen vanwege ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld in het kader van de recent gepubliceerde talentstrategie.

Het gericht aantrekken van internationaal talent is doeltreffend wanneer (voldoende) internationale studenten na afstuderen in Nederland blijven en instromen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Hogescholen en universiteiten nemen in het kader van hun zelfregie op internationalisering al maatregelen die hieraan kunnen bijdragen, zoals het bevorderen van de Nederlandse taalvaardigheid van internationale studenten door het aanbieden van extra taalonderwijs en het in contact brengen van internationale studenten met Nederlandse werkgevers. Samen met instellingen, werkgevers en andere betrokken partijen wordt bezien welke aanvullende inzet nodig is.

De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van onderzoek en innovatie voor het Nederlandse verdienvermogen en de toekomstige economische groei. Deze leden vinden het van belang dat investeringen in onderzoek ook bijdragen aan het oplossen van maatschappelijke uitdagingen en het versterken van de strategische positie van Nederland. Deze leden vragen ons welke technologiegebieden en kennisdomeinen de komende jaren prioriteit krijgen. Ook vragen deze leden op welke wijze investeringen in onderzoek en innovatie bijdragen aan het verminderen van strategische afhankelijkheden van andere landen en het versterken van de Nederlandse concurrentiekracht.

Een belangrijke extra investering van dit kabinet is € 132 miljoen in sectorplannen voor wetenschappelijk onderzoek. De minister van OCW heeft de universiteiten gevraagd om bij de uitwerking van de sectorplannen uit te gaan van de kansen voor onze toekomstige welvaart en daarin duidelijk te maken hoe ze hieraan bijdragen. Het gaat daarbij om fundamenteel onderzoek in de domeinen die dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart en waarin het kabinet de publieke en private R&D-investeringen wil stimuleren. Die domeinen zijn digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Ook de investeringen die we doen in het praktijkgericht onderzoek, van € 68 miljoen in het hbo en € 17 miljoen in het mbo, dragen direct bij aan het verstevigen van het concurrentievermogen van Nederland, doordat dit type onderzoek in essentie samen met bedrijven en (regionale) partners wordt uitgevoerd, waarmee we de regionale en thematische clusters in Nederland strategisch uitbouwen. Zo kiezen we in de extra middelen die het kabinet vrijmaakt gericht voor technologiegebieden die belangrijk zijn voor het behoud en groei van onze toekomstige welvaart en het verdienvermogen van Nederland.

De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan de bescherming van kennis, technologie en onderzoek tegen ongewenste buitenlandse beïnvloeding. Tegelijkertijd vinden deze leden open internationale samenwerking van groot belang voor wetenschap en innovatie. Deze leden vragen ons op welke termijn uitvoering wordt gegeven aan de ambitie om wetenschappers van buiten de EU die gaan werken met gevoelige informatie te screenen. Ook vragen deze leden welke concrete maatregelen worden genomen om kennisinstellingen weerbaarder te maken tegen ongewenste beïnvloeding.

Zoals aangegeven in de Kamerbrief Stand van zaken screening kennisveiligheid zal ik na de zomer uw Kamer informeren over de voortgang van de haalbaarheidsanalyse naar een screening kennisveiligheid in aangepaste, meer beperkte en gerichtere vorm95.

Tegelijkertijd willen we samen met de instellingen en onze ambtsgenoten in het kabinet nu verder bouwen op de basis die we met elkaar hebben gelegd met de kabinetsbrede aanpak kennisveiligheid. In de afgelopen vijf jaar hebben we diverse maatregelen genomen voor het tegengaan van risico’s op ongewenste overdracht van sensitieve kennis en technologie en statelijke inmenging in hoger onderwijs en wetenschap. Denk hierbij aan de Nationale Leidraad Kennisveiligheid, het Loket Kennisveiligheid en bestuurlijke afspraken met de sector over de implementatie van kennisveiligheidsbeleid. Het recente Sectorbeeld Kennisveiligheid 2026 laat zien dat de kennisinstellingen op dit vlak een stuk bewuster omgaan met risico’s.

Aanvullende maatregelen die we willen nemen, zijn:

  1. het opstellen van landelijke kennisveiligheidsprofielen aan de hand waarvan instellingen gerichter ondersteund worden;

  2. versterking van het Loket Kennisveiligheid door meer expertise over de volle breedte op te bouwen, bijvoorbeeld op sanctie- en exportwetgeving en sensitieve technologieën;

  3. inzet van het Loket Kennisveiligheid voor het ongevraagd en proactief adviseren van instellingen over risico’s, zoals gevraagd met de motie Martens-America96;

  4. wettelijke verankering van de adviestaak van het Loket Kennisveiligheid, inclusief de bevoegdheid om persoonsgegevens te verwerken, zodat de overheid de instellingen beter en met meer diepgang kan adviseren;

  5. een investering van in totaal € 80 miljoen om instellingen op weg te helpen bij hun uitdagingen op het vlak van kennisveiligheid en cyberveiligheid; en

  6. een bestuurlijk overleg met de instellingen over het bereiken van het gewenste kennisveiligheidsniveau.

Recent is de Nationale Leidraad Kennisveiligheid herzien, zodat deze handvatten blijft bieden voor een meer risico-bewuste sector. Tot slot blijven we gebruik maken van de bestaande bevoegdheden om stappen te zetten als een kennisinstelling een internationale samenwerking wil aangaan waarbij het kabinet toch een risico ziet voor de nationale veiligheid. Genoemde maatregelen zijn nader toegelicht in mijn voortgangsbrief over de aanpak kennisveiligheid die uw Kamer recent heeft ontvangen97.

De leden van de VVD-fractie vragen ons daarnaast hoe de investeringen in cyberweerbaarheid binnen mbo, hbo en wo worden vormgegeven en hoe wordt geborgd dat ook kennisintensieve bedrijven en innovatieve mkb-ondernemingen onderdeel zijn van de bredere aanpak van kennisveiligheid.

De leden van de VVD-fractie stelden ons enkele vragen m.b.t. cyberweerbaarheid. Om instellingen op weg te helpen bij hun uitdagingen op het vlak van kennisveiligheid en cyberweerbaarheid investeert dit kabinet tot en met 2031 in totaal € 80 miljoen. De middelen worden via de Rijksbijdrage beschikbaar gesteld aan de universiteiten, hogescholen, umc’s en de instituten van KNAW en NWO. Deze middelen helpen instellingen om werk te maken van fysieke en digitale maatregelen ter bescherming van kennisontwikkeling en internationale samenwerking. Elke instelling heeft haar eigen uitdagingen en kan zelf het beste beoordelen hoe ze deze middelen besteedt.

Daarnaast ontvangen de hogescholen en universiteiten vanaf dit jaar in totaal circa € 9 miljoen structureel via de lumpsum voor hun aanpak op cyberveiligheid. In het mbo ontvangen de instellingen tot en met 2027 in totaal € 25 miljoen subsidie. Vanaf 2028 ontvangen zij in totaal € 1,8 miljoen structureel via de lumpsum voor cyberveiligheid. In de voortgangsbrief over de aanpak voor verhoging van de cyberweerbaarheid in het vervolgonderwijs, die uw Kamer recent heeft ontvangen, wordt toegelicht wat de inzet is voor de mbo-instellingen.98

Voor kennisintensieve bedrijven en innovatieve ondernemingen heeft het kabinet de aanpak economische veiligheid opgezet. Deze aanpak richt zich, net als de aanpak kennisveiligheid, onder andere op het voorkomen van ongewenste overdracht van sensitieve kennis en technologie.99

Kennisinstellingen en het kennisintensieve bedrijfsleven zijn in hoge mate met elkaar verweven in kennisecosystemen en het kabinetsbeleid is erop gericht de publiek-private samenwerking verder te versterken. Dit betekent dat maatregelen om ongewenste kennis- en technologieoverdracht in deze sectoren tegen te gaan, goed op elkaar afgestemd moeten zijn. Hierbij trekken we nauw samen op met de minister van Justitie en Veiligheid en met de minister van Economische Zaken en Klimaat.

Inbreng van de leden van de PRO-fractie

De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de stukken. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet de knelpunten van de inspectie erkent en er daarom voor kiest om € 1,5 miljard te investeren in onderwijs en onderzoek. Deze leden vragen ons aan te geven hoe de € 1,5 miljard concreet wordt verdeeld over de verschillende onderwijssectoren en hoe dit ten goede gaat komen aan het aanpakken van de benoemde knelpunten van de inspectie. Ook vragen deze leden hoe ervoor wordt gezorgd dat het budget niet verdwijnt in algemene begrotingen, maar daadwerkelijk ten goede komt aan het aanpakken van de knelpunten. Deze leden vragen daarnaast of bij de besteding van het geld rekening wordt gehouden met de regionale verschillen die de inspectie constateert en op welke manier dat gebeurt.

Met het Coalitieakkoord komt er structureel € 1,5 miljard beschikbaar voor onderwijs en wetenschap. De onderverdeling van deze middelen is terug te vinden in de beleidsbrief van OCW.100

De belangrijkste knelpunten die de inspectie signaleert zijn dat de basisvaardigheden duurzaam verbeteren lastig blijft, schoolleiders te vaak overladen zijn, er onvoldoende geïnvesteerd wordt in sterke lerarenteams en vakdidactiek, en de schoolloopbaan van leerlingen en studenten wordt beïnvloed door de regio waarin zij opgroeien. Daarom zet dit kabinet aanpak en investeringen in basisvaardigheden voort en komt er aanvullend een Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden. Deze krijgt uw Kamer dit najaar.

Dit kabinet wil het professionaliseren en het teamleren in scholen een impuls geven. Wat betreft professionaliseren werkt het kabinet aan een infrastructuur waarbinnen leraren en schoolleiders zich kunnen blijven ontwikkelen. En goed onderwijs maak je niet alleen: naast de leraar is ook de rol van de schoolleider en het onderwijsondersteunend personeel belangrijk. Het systematisch bouwen aan kwaliteit op teamniveau moet onderdeel worden van de werkwijze van scholen. Het kabinet werkt aan de uitwerking op dit thema en informeert uw Kamer over de inzet in december via de lerarenbrief. Ook wordt op verschillende manieren gewerkt aan een passend schooladvies voor elke leerling. Dat doen we onder andere middels de Handreiking schooladvisering. Via de jaarlijkse DUO Monitor schooladvies en doorstroomtoets houden we scherp in de gaten hoe het gaat met de in-, af- en doorstroom in de onderbouw van het vo en nemen de uitkomsten – waar nodig – mee in beleid. Dit landelijke beleid kan ook positieve effecten hebben voor de regionale verschillen omtrent schooladvisering, stapelen en doorstroom.

In het Coalitieakkoord zijn middelen vrijgemaakt om te zorgen voor een goede regionale mix tussen brede brugklassen en onderwijs in één richting. Daarvoor wordt de subsidie brede brugklassen hervormd. In de bekostiging in het funderend onderwijs wordt verder op dit moment al rekening gehouden met regionale verschillen. Het is van belang dat er in elke regio een toegankelijk onderwijsaanbod is voor kinderen. Daarom is het kabinet voornemens om de huidige kleinescholentoeslag, die toekomt aan alle basisscholen met minder dan 150 leerlingen, om te vormen naar een dunbevolktheidstoeslag.101

De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet ervoor kiest om extra te investeren in vakmanschap voor de klas, zodat leraren de basisvaardigheden van hun leerlingen en studenten duurzaam kunnen verbeteren. Deze leden vragen ons hoe ervoor wordt gezorgd dat de extra investering in vakmanschap daadwerkelijk bij leraren in de klas terechtkomt. Ook vragen deze leden hoe ervoor wordt gezorgd dat leraren daadwerkelijk voldoende tijd hebben om te investeren in vakmanschap.

Het is van groot belang dat de extra investering in vakmanschap daadwerkelijk ten goede komt aan leraren in de klas. Daarom zetten we niet alleen in op individuele professionalisering, maar ook op schoolontwikkeling op teamniveau. Goed onderwijs ontstaat immers door een combinatie van individueel vakmanschap, gerichte en gezamenlijke ontwikkeling en een professionele leercultuur. De komende periode werken wij uit hoe we voldoende waarborgen kunnen creëren zodat de middelen voor het teamleren ingezet worden voor vakmanschap van leraren.

Daarnaast is een stevige infrastructuur nodig om de kwaliteit en continuïteit van professionalisering te borgen. Juist die infrastructuur maakt het mogelijk dat professionele ontwikkeling een vanzelfsprekend en niet-vrijblijvend onderdeel wordt van het werk op school. Uw Kamer is via de lerarenbrief van afgelopen juli geïnformeerd over de stand van zaken rondom teamleren en professionalisering. In het najaar volgt de verdere uitwerking van deze investering.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de inspectie aangeeft dat het niet voor alle scholen duidelijk is wat de wetgever en de inspectie bedoelen met kwaliteitszorg. Deze leden vragen ons wat eraan gedaan kan worden om de onduidelijkheid over wat kwaliteitszorg precies is en over de verwachtingen richting scholen weg te nemen.

De inspectie heeft een vragenlijstonderzoek uitgevoerd onder schoolleiders in het funderend onderwijs.102 Uit dit onderzoek blijkt dat het grootste deel van de deelnemende schoolleiders het enigszins duidelijk (47%) of zeer duidelijk (48%) vindt wat de inspectie verwacht van scholen op het gebied van kwaliteitszorg. Een klein deel (bijna 5%) van de deelnemers antwoordt zeer tot enigszins onduidelijk of neutraal bij de vraag ‘In hoeverre is het voor u duidelijk wat de inspectie van scholen verwacht op het gebied van kwaliteitszorg?’. Bij de deelnemers met de antwoorden enigszins of zeer onduidelijk is nader gevraagd welke aspecten onduidelijk zijn. Hier wordt vaak genoemd dat zij zich afvroegen of het de inspectie gaat om de papieren werkelijkheid of de praktijk. Om deze onduidelijkheid weg te nemen staat de werkwijze van de inspectie in de onderzoekskaders beschreven. Vanaf het najaar start een communicatietraject waarin ook schoolleiders en bestuurders doelgroep zijn en waarin dit punt aan de orde zal komen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de inspectie sinds 2013 constateert dat leraren moeite hebben met differentiatie. Deze leden merken op dat de inspectie vanwege de hardnekkigheid van de tekortkomingen in het differentiëren in 2025 de aanbeveling deed om meer werk te maken van differentiatie en ter ondersteuning ook een globale omschrijving gaf van wat onder differentiatie wordt verstaan.

Deze leden lezen daarnaast dat soms kleine aanpassingen in het aanbod, een korte herhaling van de uitleg en een iets moeilijker variant van de opdracht vaak al voldoende zijn om differentiatie te bereiken. Deze leden vragen ons hoe dit beter onder de aandacht kan worden gebracht van leraren. Ook vragen deze leden hoe leraren beter ondersteund kunnen worden om differentiatie onder de knie te krijgen en welke rol het ministerie van OCW hierin heeft.

Kunnen differentiëren is een belangrijk onderdeel van goed leraarschap en behoort tot de bekwaamheidseisen waaraan leraren moeten voldoen. Van leraren mag worden verwacht dat zij hun onderwijs afstemmen op de verschillende onderwijsbehoeften van leerlingen.

Het ministerie van OCW heeft hierin een faciliterende rol. Dat gebeurt onder meer door te investeren in de kwaliteit van de lerarenopleidingen, de professionele ontwikkeling van leraren en het versterken van de professionele standaard. Uiteindelijk is het aan scholen om, binnen een professionele leercultuur, leraren in staat te stellen hun vaardigheden op het gebied van differentiatie verder te ontwikkelen en te onderhouden. Vervolgens is het aan leraren om waar nodig of gewenst aan de slag te gaan met na- en bijscholing.

De leden van de PRO-fractie lezen dat een groot deel van de schoolleiders in het po en het vo en de meeste bestuurders van samenwerkingsverbanden vinden dat wet- en regelgeving rondom de besteding van middelen voor passend onderwijs het lastig maakt om voor elke leerling een passende oplossing te bieden. Deze leden lezen daarnaast dat scholen en samenwerkingsverbanden tegen het probleem aanlopen dat wet- en regelgeving vereist dat uitgaven voor onderwijs en zorg worden gescheiden, terwijl die niet goed te onderscheiden zijn, en dat bestedingen die eigenlijk nodig zijn niet toegestaan zouden zijn. Deze leden vragen ons of deze signalen worden herkend en hoe hierop wordt gereflecteerd. Ook vragen deze leden welke knelpunten worden gezien, welke wet- en regelgeving voor de grootste problemen zorgt en welke mogelijke oplossingen er zijn.

Deze signalen zijn herkenbaar. Daarom wordt gewerkt aan verbetering van de verbinding tussen onderwijs en zorg, bijvoorbeeld via het experiment voor Onderwijszorgarrangementen en het wetsvoorstel voor de vergroting van maatwerkmogelijkheden in het funderend onderwijs. Verder wordt dit punt ook meegenomen in de uitwerking van het ‘transitieplan inclusief onderwijs’. Hierin wordt onder andere uitgewerkt welke aanpassingen in wet- en regelgeving en bekostiging nodig zijn om de beweging naar inclusief onderwijs beter te ondersteunen. De Kamer wordt hierover begin 2027 geïnformeerd.

De leden van de PRO-fractie lezen dat leesvaardigheid de sleutel is tot (onderwijs)succes. Deze leden merken op dat leraren hieraan zouden kunnen werken door bijvoorbeeld de dag te openen met een half uur (voor)lezen. Deze leden vragen ons hoe dit idee wordt gewogen, specifiek met kansengelijkheid tussen leerlingen in het achterhoofd. Deze leden vragen of er een risico bestaat dat dit het verschil tussen sterke en zwakke lezers groter maakt. Ook vragen deze leden of een dergelijk half uur met meer omgeven moet worden, bijvoorbeeld met gesprekken over hetgeen leerlingen gelezen hebben, en wat kan worden gedaan om leraren hierbij te ondersteunen.

Wij juichen het toe als scholen tijd inruimen voor vrij lezen. Uit onderzoek blijkt dat dit een positief effect kan hebben op het leesplezier van leerlingen.103 Leerlingen die thuis niet lezen, krijgen zo een kans om alsnog leeskilometers te maken. De bredere leesaanpak van de school is van invloed op de kansengelijkheid. Begeleid vrij lezen, waarbij leerlingen gesprekken voeren over hetgeen ze gelezen hebben, levert volgens onderzoek weinig op. Het kan wel verschil maken als leraren leerlingen helpen bij het uitkiezen van een geschikt boek.104

Tijd maken voor vrij lezen en voorlezen is een van de mogelijke invullingen van de nieuwe kerndoelen. De komende jaren worden scholen door zowel OCW als andere onderwijspartijen ondersteund bij de invoering van de nieuwe kerndoelen. Dit biedt scholen de uitgelezen kans om naar hun taalbeleid te kijken en bewuste keuzes te maken ten aanzien van vrij lezen en voorlezen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat er regionale verschillen zijn in de onderwijsloopbanen, die al vroeg beginnen en lang doorwerken in de onderwijsloopbaan. Deze leden merken op dat door deze regionale verschillen bijvoorbeeld leerlingen met een vergelijkbare capaciteit in de Randstad vaak een andere onderwijsloopbaan volgen dan leerlingen elders in het land, of dat po-leerlingen in de Randstad vaak kansrijkere adviezen krijgen dan vergelijkbare leerlingen in het noorden en oosten van het land. Deze leden benoemen dat er meer regionale verschillen zijn, bijvoorbeeld ook ten aanzien van nabijheid van het onderwijs. Deze leden vragen ons wat er wordt gedaan om deze regionale verschillen aan te pakken. Ook vragen deze leden welke concrete maatregelen en ingrepen mogelijk zijn om ervoor te zorgen dat kinderen in het gehele land dezelfde kansen krijgen. Deze leden vragen ons uitgebreid stil te staan bij elk regionaal verschil waar de inspectie over bericht en de mogelijkheden om die verschillen te verkleinen.

De afstand tot een school en het aanbod en de kwaliteit op een school mogen geen belemmering vormen voor de kansen van leerlingen op een passende onderwijsloopbaan. We werken daarom aan het verkleinen van de verschillen tussen scholen door het verbeteren van de onderwijskwaliteit, zodat alle leerlingen onderwijs kunnen krijgen dat recht doet aan hun capaciteiten, ontwikkeling en wensen. Het is van belang dat er in elke regio een toegankelijk onderwijsaanbod is voor kinderen. Daarom wordt de huidige kleinescholentoeslag, die toekomt aan alle basisscholen met minder dan 150 leerlingen, omgevormd naar een dunbevolktheidstoeslag.105 Ook zetten we stappen om de groeiende verschraling van het regionale onderwijsaanbod van het beroepsgerichte vmbo terug te dringen. De recent afgelopen subsidieregeling Incidentele middelen Leerlingdaling (IML) stimuleerde de regionale samenwerking tussen scholen in krimpgebieden106, zodat het afstoten van beroepsgerichte vmbo-profielen107 en het sluiten van vestigingen en afdelingen werd voorkomen. Daarnaast verkennen we de toekomstbestendigheid van het regionaal aanbod van de beroepsgerichte vmbo-profielen en versterken we het regionale techniekaanbod met het programma Sterk techniekonderwijs (STO).

Ook een passend schooladvies voor het voortgezet onderwijs is van groot belang voor de onderwijskansen en leerprestaties van leerlingen. Hierin speelt de doorstroomtoets als tweede objectief gegeven en de maatregel ‘bijstellen schooladvies’ een belangrijke rol. We zijn in gesprek met verschillende partijen, waaronder de inspectie en de PO-raad, over wat de redenen kunnen zijn voor regionale verschillen in de bijstellingscijfers, zoals de nabijheid van vo-scholen of regionale verschillen in houding ten opzichte van vervolgonderwijs. Daarnaast ondersteunen we scholen en leraren met beleid dat gericht is op een passend schooladvies. Dit doen we door informatie, inzicht en tools te bieden, zoals de handreiking schooladvisering108, het dashboard met regionale inzichten van de Gelijke Kansen Alliantie109 en een zelftest die leraren bewust maakt van vooroordelen in de klas, die momenteel in opdracht van OCW wordt ontwikkeld.

Ook monitort en onderzoekt DUO jaarlijks de ontwikkelingen op het gebied van schooladvisering en schoolloopbanen in de vo-onderbouw, waarbij ook aandacht is voor verschil in stedelijkheid. Daarnaast verkennen we momenteel of er in groep 8 een breder schooladvies kan komen110 en bekijken we hoe scholen financieel ondersteund kunnen worden bij het aanbieden van brede(re) brugklassen, waarbij ook wordt gekeken naar een goede regionale spreiding.

Tot slot werken we aan beleid om de andere, in de Staat van het Onderwijs genoemde regionale verschillen terug te dringen. Zo investeert het kabinet in voorschoolse educatie via de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen en wordt wettelijk vastgelegd voor welke kinderen voorschoolse educatie in ieder geval is bedoeld. Daarnaast houden we het verloop van schoolloopbanen scherp in de gaten met de jaarlijkse DUO monitor111, waarbij ook wordt gekeken hoe het verloop van de schoolloopbaan zich verhoudt tot het dubbel toetsadvies in het po en welke rol kenmerken als stedelijkheid en sociaaleconomische status hierin spelen.

De leden van de PRO-fractie zien dat in de Staat van het Onderwijs een onderdeel is opgenomen over leerlingen op residentiële scholen, waarbij tevens wordt stilgestaan bij de gesloten jeugdzorg. Deze leden constateren dat de inspectie concludeert dat het moeilijk is zicht te houden op de kwaliteit van het onderwijs aan deze specifieke groep leerlingen. Deze leden vragen ons wat nodig is om ervoor te zorgen dat dit toezicht wel goed geregeld wordt. Deze leden stellen dezelfde vraag ten aanzien van onderwijs in justitiële jeugdinrichtingen.

De inspectie heeft goed zicht op de kwaliteit van het onderwijs op de scholen voor gesloten jeugdzorg en justitiële jeugdinrichtingen (JJI’s); al deze scholen hebben de afgelopen vier jaar een kwaliteitsonderzoek van de inspectie gehad. Het is voor de inspectie moeilijker zicht te houden op de kwaliteit van het onderwijs als jongeren uitstromen. Voor vrijwel al deze leerlingen geldt dat ze geen school van herkomst hebben waar zij naar terug kunnen keren. Het merendeel komt terecht op een verblijfplek waar geen residentiële school aan verbonden is, zoals een kleinschalige voorziening. Deze voorzieningen liggen vaak buiten het samenwerkingsverband van herkomst. De jongeren kunnen uit beeld raken, als hun ouders of voogden hen niet inschrijven op een school.

Gemeenten zien toe via de Leerplichtwet; daarvoor is wel nodig dat er inschrijving van de leerlingen in het GBA van de nieuwe gemeente plaatsvindt. Scholen verbonden aan een residentiële instelling worden op basis van de wet geacht afspraken te maken met het samenwerkingsverband waartoe de leerling behoorde, over de terugkeer van de leerling. Het kan daarbij zijn dat een leerling wordt ingeschreven op een reguliere vo-school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een mbo-instelling. De school of instelling is verantwoordelijk voor passend aanbod, al dan niet in samenspraak met het samenwerkingsverband. Dit valt onder het reguliere toezicht op deze scholen en instellingen.

De leden van de PRO-fractie lezen dat de inspectie, naar aanleiding van de wens van de Kamer om scholen binnen de bestaande capaciteit vaker te bezoeken, het aantal schoolbezoeken al heeft opgeschaald, met specifieke aandacht voor scholen die al langere tijd niet bezocht waren. Deze leden merken op dat dit op zichzelf goed klinkt, maar dat uit een recente inventarisatie van het Onderwijsblad blijkt dat bij een derde van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs het laatste bestuursonderzoek stamt uit 2018 of 2019.112

Deze leden geven aan het verschil tussen een schoolbezoek en een bestuursonderzoek te kennen, maar vragen ons wat dit zegt over de mate waarin de inspectie binnen de bestaande capaciteit in staat is om jaarlijks een betrouwbaar beeld te geven van de staat van het funderend onderwijs, zoals het achtste lid van artikel 23 van de Grondwet voorschrijft.

De inspectie combineert verschillende typen onderzoek om een beeld te krijgen van de staat van het funderend onderwijs. De toezichtmix bestaat uit de volgende onderzoeken:

  • Kwaliteitsonderzoek op basis van een steekproef

  • Kwaliteitsonderzoek op basis van ingeschatte risico’s

  • Onaangekondigde bezoeken

  • Bestuursonderzoeken

  • Onderzoeken bij samenwerkingsverbanden

  • Stelselonderzoeken

Naar aanleiding van de motie Rooderkerk c.s.113 die de regering verzoekt ervoor te zorgen dat alle scholen periodiek, de vier jaar zo dicht mogelijk benaderend, fysiek bezocht worden door de inspectie, heeft de inspectie de afgelopen periode keuzes moeten maken ten faveure van grotere aantallen bezoeken aan scholen. De inspectie vult dit onder meer in met onaangekondigde schoolbezoeken, die stimulerend van aard zijn en focussen op leskwaliteit, leerlingenzorg en veiligheidsbeleving. De effectiviteit van de deze onaangekondigde bezoeken wordt de komende jaren onderzocht. De inzet is dat dergelijke bezoeken bijdragen aan verdere verbetering van de onderwijskwaliteit en de inspectie in staat stellen om daar te zijn waar zij het hardst nodig is. Deze ontwikkeling naar meer schoolbezoeken betekent dat er druk is komen te staan op het toezicht op besturen en op het stelsel. De inspectie kan nog steeds een betrouwbaar beeld geven van de staat van het onderwijs, maar in meerjarig perspectief staat die betrouwbaarheid onder druk. De verwachting is dat de inspectie de komende jaren met de extra middelen die zijn toegezegd in het Coalitieakkoord kan komen tot een goed gebalanceerde toezichtmix. Dat is belangrijk om blijvend een betrouwbaar beeld te kunnen geven van de staat van het onderwijs. De inspectie zal zich steeds over de toezichtmix verantwoorden in haar jaarverslag.

De leden van de PRO-fractie merken op dat de inspectie in haar Jaarverslag meldt dat op scholen die drie jaar op rij onder de ondergrens van het onderwijsresultatenmodel scoorden en mogelijk te maken kregen met inspectiemaatregelen, zoals een kwaliteitsonderzoek, leerlingen een jaar later hogere eindtoetsscores behaalden. Deze leden merken op dat dit mooi klinkt, maar vragen ons of het onderwijsresultatenmodel wel altijd voldoende zegt over goed onderwijs, zoals het werkelijk is bedoeld.

De onderwijsresultaten geven een indicatie van de kwaliteit van het onderwijs op een school, maar een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs op een school vraagt om een breder perspectief. Het onderzoekskader van de inspectie bestaat zowel voor het primair als het voortgezet onderwijs uit 13 standaarden. Het onderwijsresultatenmodel wordt betrokken bij één van die standaarden, namelijk standaard OR1 (onderwijsresultaten). Belangrijk is onder meer ook het onderwijsproces, dat bijvoorbeeld op de standaarden OP2 (Zicht op ontwikkeling en begeleiding) en OP3 (pedagogisch-didactisch handelen) beoordeeld wordt en ook de kwaliteitszorg. Ook in de jaarlijkse prestatie- en risicoanalyse van de inspectie is de score op het onderwijsresultatenmodel één indicator in een veel breder spectrum (40+) van indicatoren.

Deze leden wijzen erop dat de Kamer eerder de motie van het lid Moorman c.s. heeft aangenomen over het bieden van inclusief onderwijs niet nadelig laten uitwerken voor de beoordeling van scholen.114 Deze leden merken daarnaast op dat ook recentelijk bij het debat van 3 juni 2026 over onderwijskansen het onderwijsresultatenmodel aan de orde kwam. Deze leden vragen ons toe te lichten op welke punten perverse prikkels uit het onderwijsresultatenmodel worden gehaald die scholen belonen voor exclusief en kansenbeperkend onderwijs.

Het huidige onderwijsresultatenmodel stelt ondergrenzen aan de resultaten in het primair en voortgezet onderwijs. In het voortgezet onderwijs worden ook vertraging in de schoolloopbaan en overgang naar een andere schoolsoort meegewogen.

De exacte norm is afhankelijk van de complexiteit van de leerlingenpopulatie. Die correctie is één van de manieren om mogelijke prikkels voor een selectief aannamebeleid tegen te gaan. Ook zijn de minimumnormen dusdanig opgesteld, dat er ruimte wordt gelaten voor maatwerk. Daarnaast krijgt een school altijd de gelegenheid om met een eigen verantwoording aan te tonen dat leerlingen wél naar hun kunnen hebben gepresteerd, voordat een berekend oordeel onvoldoende uit het onderwijsresultatenmodel leidt tot een negatief eindoordeel over de onderwijskwaliteit. Bij een toereikende verantwoording beoordeelt de inspecteur de onderwijsresultaten alsnog als voldoende.

Verder is het de bedoeling dat de onderwijsresultaten vanaf de nieuwe onderzoekskaders van 2027 meer in balans komt met de andere elementen in het eindoordeel van scholen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 18 december 2025.115 Daarmee wordt invulling gegeven aan de motie Stoffer/Ceder, de motie Kwint en de motie Soepboer.116 Samen met de inspectie onderzoeken we in het licht van de genoemde motie Moorman c.s. en de motie Armut c.s.117 welke nadere aanpassingen nodig zijn om te voorkomen dat scholen de noodzaak voelen om te sturen op de uitkomsten van het onderwijsresultatenmodel op andere manieren dan via het geven van het best mogelijke onderwijs. Uw Kamer wordt hier in het voorjaar van 2027 over geïnformeerd.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie lezen in het verantwoordingsonderzoek van de Algemene Rekenkamer als een van de aanbevelingen dat het ministerie in het Jaarverslag beter zou kunnen definiëren wat wordt beoogd met het gevoerde beleid, zodat gemeten kan worden of de inzet ook daadwerkelijk het gewenste effect heeft gehad. Deze leden vragen ons op welke wijze opvolging wordt gegeven aan deze aanbeveling.

Een betere koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren sluit aan bij onze eigen ambitie om goede verantwoordingsinformatie te leveren over ons beleid. In de voorgaande jaren hebben we daarvoor al stappen gezet en we blijven hierop inzetten. De bereikte resultaten per beleidsprioriteit staan beschreven in het beleidsverslag en ook per beleidsmaatregel op ocwincijfers.nl in de monitoringsmatrices.

Met de monitoringsmatrices bieden we overzichtelijk in één document de door de commissieleden gevraagde koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren. We zijn voornemens de informatie in de monitoringsmatrices nog completer en in samenhang te presenteren. Bijvoorbeeld door het toevoegen van inzichten uit data en (evaluatie-)onderzoek aan de resultaten per beleidsmaatregel specifiek aan de monitoringsmatrices toe te voegen. Tenslotte gaan we onderzoeken hoe de informatie over behaalde resultaten concreter terug kan komen in het beleidsverslag voor 2026.

Deze leden constateren dat een van de beleidsdoelen waar een meetbare definitie ontbreekt het beleid rondom gelijke kansen voor studenten in het mbo is. Deze leden lezen dat de Algemene Rekenkamer aangeeft dat door het ontbreken van een concrete definitie en doelstelling niet goed gevolgd kan worden of het ministerie en mbo-instellingen goed op weg zijn met het gelijkekansenbeleid. Deze leden vragen ons wanneer er een definitie komt van wat gelijke kansen voor mbo-studenten zijn.

Na de zomer ontvangt uw Kamer een brief over gelijke kansen in het mbo.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer de neergaande trend in de basisvaardigheden als een beleidsmatig risico ziet. Deze leden delen het belang van het doorbreken van deze trend. Deze leden merken op dat het in dat licht positief is om te lezen dat het ministerie met het langetermijndoel 3a ‘basis in het funderend onderwijs op orde’ binnen het po goed op weg is. Tegelijkertijd lezen deze leden dat het bereiken van dit doel voor het vo nog ver uit zicht is. Deze leden constateren dat dit met name te wijten is aan het feit dat op het vmbo maar een klein deel van de leerlingen het basisniveau 2F voor taal en rekenen beheerst. Deze leden vragen ons, mede gezien het langetermijndoel, welke concrete maatregelen specifiek voor vmbo-leerlingen worden genomen, zodat ook voor het vo het beoogde langetermijndoel wordt behaald.

Op dit moment werken we aan de Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden. In het najaar ontvangt de Tweede Kamer deze uitwerking, waarin we naast algemene maatregelen ook specifiek aandacht aan kwaliteitsverbetering in het vmbo besteden. Een bijkomende uitdaging voor het vmbo is dat leerlingen basisvaardigheden het beste aanleren als deze geïntegreerd aangeboden worden. De belangrijke eerste maatregel is het actualiseren van het examenprogramma Nederlands voor de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerwegen in het vmbo. Het huidige examenprogramma Nederlands stamt uit 1999, en is hoog nodig toe aan een actualisering.

Verder organiseert het ministerie webinars en andere vormen van ondersteuning specifiek gericht op basisvaardigheden in het vmbo en heeft het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) de opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de integratie van basisvaardigheden in het vmbo-curriculum.

De leden van de CDA-fractie lezen dat de Algemene Rekenkamer heeft geconstateerd dat het ministerie maar beperkt zicht heeft op de effectiviteit en doelmatigheid van de afgifte van toelaatbaarheidsverklaringen. Deze leden constateren dat, doordat niet wordt gecontroleerd of het bedrag dat scholen vragen klopt, het risico bestaat dat scholen onterecht te veel geld krijgen, wat ten koste kan gaan van het budget voor andere kinderen die passende ondersteuning nodig hebben. Deze leden vragen ons of het voornemen bestaat een controlemechanisme in te stellen en zo ja, wanneer dit wordt verwacht.

Er wordt gewerkt aan een aanpassing van de registratiewijze bij DUO, waarbij samenwerkingsverbanden de toelaatbaarheidsverklaringen (tlv’s) registreren. Zodra de school een leerling inschrijft, wordt middels het BSN van de leerling een koppeling gemaakt aan de afgegeven tlv. Dit zorgt voor een betere registratie en controle van de bekostigingscategorie van tlv’s. Dit vergt een wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers. Momenteel wordt deze wijziging voorbereid. We informeren uw Kamer wanneer er meer duidelijkheid is over het tijdspad van deze wijziging.

De leden van de CDA-fractie vragen ons hoe, in lijn met de motie van het lid Rooderkerk c.s.,118 ervoor wordt gezorgd dat de inspectie ten minste één keer per vier jaar per school een bestuursonderzoek gaat uitvoeren. Deze leden merken op dat dit volgens hen met name van belang is in het licht van de tegenvallende resultaten op de basisvaardigheden zoals ook in de Staat van het Onderwijs wordt beschreven.

In december 2025 is uw Kamer op de hoogte gebracht van de keuzes die zijn gemaakt naar aanleiding van de motie Rooderkerk c.s..119 De inspectie verwacht dat in het gekozen scenario ongeveer driekwart van de scholen minimaal eens per 6 jaar bezocht wordt en dat geen school langer dan 8 jaar niet bezocht wordt.

Dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat iedere school minimaal eenmaal per vier jaar onderzocht wordt. De inspectie werkt op dit moment uit welke mogelijkheden er zijn om vanuit het huidige scenario toe te werken naar het vierjaarlijks bezoeken van alle scholen. Daarnaast zijn wij in overleg met de inspectie hoe zij via haar Jaarwerkplan en Jaarverslag over de frequentie van schoolbezoeken rapporteert.

Uw Kamer wordt in september 2026 geïnformeerd over het ontwerp-jaarwerkplan 2027 van de inspectie en in het najaar volgt verdere informatie over de stand van zaken rondom de frequentie van de schoolbezoeken.

De leden van de CDA-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat er blijvende uitdagingen zijn voor scholen in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Deze leden geven aan dat uit gesprekken met leerlingen uit Caribisch Nederland blijkt dat een van de uitdagingen waar deze leerlingen dagelijks mee te maken hebben is dat het lesmateriaal dat wordt gebruikt gericht is op de Europees Nederlandse leerling en daarmee niet, of onvoldoende, aansluit op de belevingswereld van de Caribisch Nederlandse leerling. Deze leden vragen ons of dit probleem wordt erkend en zo ja, welke stappen worden gezet om ook voor leerlingen in Caribisch Nederland lesmateriaal te ontwikkelen dat aansluit op hun belevingswereld.

Veel lesmateriaal dat in Caribisch Nederland wordt gebruikt komt uit Europees Nederland. Hierdoor sluit het materiaal niet altijd aan op de context waarin leerlingen leren en opgroeien. Vooral bij het taalonderwijs worden knelpunten ervaren. In CN is meertaligheid de norm. Daarom is, aansluitend aan de nieuwe kerndoelen, een aangepaste didactiek voor CN nodig, met lesmateriaal dat past bij de leef- en belevingswereld en taalachtergrond van leerlingen. In het afgelopen jaar is in overleg met scholen in kaart gebracht op welke punten het huidige lesmateriaal tekortschiet en waar schoolbesturen, schoolleiders en onderwijspersoneel behoefte aan hebben. Op basis van deze behoefteanalyse gaat OCW in gesprek met de Openbare Lichamen, en met andere lokale partijen, om te kijken waar samenwerking mogelijk is bij het creëren van passend lesmateriaal voor de vakken Nederlands als vreemde taal en het Papiaments. Voor Nederlands als vreemde taal op Bonaire is het Openbaar Lichaam Bonaire zelf aan de slag gegaan met het creëren van een passende methode. OCW ondersteunt het Openbaar Lichaam Bonaire waar mogelijk. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de plannen de Kamerbrief ‘Onderwijs in Caribisch Nederland’.120

De leden van de CDA-fractie hebben voor wat betreft het speciaal onderwijs een aanvullende vraag over de mate waarin leermiddelen toereikend zijn. Deze leden merken op dat de leermiddelen voor leerlingen in het speciaal onderwijs niet goed aansluiten bij hun leeftijd. Deze leden vragen ons wat het plan van aanpak is om de situatie in de klas te verbeteren. Ook vragen deze leden welke mogelijkheden worden gezien om de leermiddelen beter aan te laten sluiten op wat deze doelgroep nodig heeft.

Om ervoor te zorgen dat leerlingen met een specifieke ondersteuningsbehoefte beschikken over passend lesmateriaal, wordt via het Nationaal Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal (IOL) tot 2030 ingezet op een brede kwaliteitsimpuls in het funderend onderwijs. IOL werkt samen met de Sectorraad GO (via GOpen) en Neon aan de ontwikkeling, beschikbaarheid, implementatie en het gebruik van open leermateriaal voor leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Dit zodat iedere leerroute in het gespecialiseerd onderwijsmateriaal heeft dat is afgestemd op de mogelijkheden, ontwikkeling en ondersteuningsbehoeften van een leerling. GOpen zet vooral in op modulaire leermaterialen voor leerroute 1 t/m 4, en Neon op het combineren en arrangeren van methodisch materiaal voor de hogere leerroutes waarbij expertise via de Sectorraad GO wordt benut. Neon verzorgt daarnaast de structurele (door-)ontwikkeling en het beheer van het leermateriaal, ook na 2030.

De leden van de CDA-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat het voor scholen lastig blijkt om praktisch invulling te geven aan het burgerschapsonderwijs. Deze leden vragen ons uiteen te zetten of de Wet Kerndoelen scholen hierbij zal helpen of dat praktische ondersteuning nodig is. Indien praktische ondersteuning nodig is, vragen deze leden hoe dit kan worden vormgegeven.

De nieuwe kerndoelen voor burgerschap kunnen scholen helpen om invulling te geven aan het onderwijsinhoudelijke deel van de wettelijke burgerschapsopdracht. De doelen geven richting en concretisering op onderdelen van de wettelijke opdracht. Om scholen te ondersteunen bij de implementatie van de nieuwe kerndoelen, wordt een landelijk ondersteuningsaanbod ingericht. Hierbij wordt samengewerkt met SLO, de sectorraden en andere onderwijsorganisaties. Scholen en besturen krijgen ondersteuning in de vorm van handreikingen, voorbeeldmateriaal, professionaliseringsactiviteiten en begeleide leernetwerken, zodat zij de nieuwe kerndoelen kunnen vertalen naar hun eigen schooleigen curriculum. Daarnaast biedt het Expertisepunt Burgerschap specifieke voorlichting over de nieuwe kerndoelen burgerschap en de manier waarop scholen deze kunnen vertalen naar eigen onderwijspraktijk.

Inbreng van de leden van de JA21-fractie

De leden van de JA21-fractie hebben met zeer veel belangstelling kennisgenomen van het Jaarverslag OCW 2025 en het onderzoek van de Algemene Rekenkamer en de Staat van het Onderwijs 2025. Deze leden hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.

Het is cruciaal dat de Tweede Kamer zo goed mogelijk zicht heeft op de uitgaven en resultaten.

De leden van de JA21-fractie danken de Algemene Rekenkamer voor het Verantwoordingsonderzoek. Deze leden constateren dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat het ministerie van OCW beter laat zien wat wordt gedaan, maar niet wat is bereikt. Deze leden vragen ons wat wordt gedaan om beter in kaart te brengen en te rapporteren wat is bereikt ten aanzien van de belangrijkste doelen van het ministerie.

Zoals eerder is aangegeven in antwoord op een vraag van de CDA-fractie sluit een betere koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren aan bij onze eigen ambitie om goede verantwoordingsinformatie te leveren over ons beleid. In de voorgaande jaren hebben we daarvoor al stappen gezet en we blijven hierop inzetten. De bereikte resultaten per beleidsprioriteit staan beschreven in het beleidsverslag en ook per beleidsmaatregel op ocwincijfers.nl in de monitoringsmatrices. Met de monitoringsmatrices bieden we overzichtelijk in éen document de door de commissieleden gevraagde koppeling tussen doelstellingen, middelen, maatregelen en indicatoren. We zijn voornemens de informatie in de monitoringsmatrices nog completer en in samenhang te presenteren. Tenslotte gaan we onderzoeken hoe de informatie over behaalde resultaten concreter terug kan komen in het beleidsverslag voor 2026.

Deze leden vragen dit specifiek met betrekking tot het verbeteren van de basisvaardigheden. Deze leden merken op dat het volgens de Algemene Rekenkamer niet duidelijk navolgbaar is hoeveel geld het ministerie van OCW totaal in 2025 heeft besteed aan het Masterplan Basisvaardigheden en wat de opbrengsten zijn, al is het volgens door het kabinet aangehaalde onderzoekers te vroeg om dat te beoordelen. Deze leden vragen ons zo goed mogelijk uiteen te zetten op welke manier de doelstellingen van het Masterplan, en de beheersing van basisvaardigheden in het algemeen, worden geformuleerd en gemonitord.

Zoals eerder is aangegeven in antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie zijn in 2023 voor het Masterplan basisvaardigheden concrete en ambitieuze doelen geformuleerd voor medio 2028.121 De monitoring van het Masterplan basisvaardigheden heeft twee hoofdbestanddelen. Enerzijds wordt de uitvoering van de maatregelen onderzocht. Zo wordt met implementatieonderzoek onderzocht hoe scholen de financiële middelen voor het verbeteren van de basisvaardigheden inzetten en welk effect zij zien bij hun leerlingen en binnen de school. Het CPB doet kwantitatief effectonderzoek naar de subsidie. Deze resultaten worden in het najaar van 2026 verwacht. Ook de uitvoering en impact van de Bibliotheek op school wordt via onderzoek gevolgd. Anderzijds wordt de ontwikkeling van de prestaties van leerlingen op de basisvaardigheden met verschillende onderzoeken gevolgd. Het gaat om internationale en nationale peilingsonderzoeken, toetsresultaten uit leerlingvolgsystemen, de resultaten van de doorstroomtoets, de eindexamenresultaten en data over doorstroom. In de Monitor basisvaardigheden wordt jaarlijks inzicht gegeven in de ontwikkeling van de prestaties van leerlingen aan de hand van deze bronnen. Het volledige plan van aanpak voor de monitoring en evaluatie van het Masterplan is in 2023 met uw Kamer gedeeld.122

In het kader van de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden zullen de doelen, de monitoring en de inzet tegen het licht worden gehouden op basis van de resultaten tot nu toe. U kunt de Versterkingsagenda in het najaar verwachten.

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer ook constateert dat niet duidelijk is gemaakt wat “gelijke kansen” zijn en dat dit nodig is om te kunnen zien of het beleid dat daarvoor wordt gemaakt werkt. Deze leden vragen ons dit te verhelderen. Ook vragen deze leden wat “gelijke kansen” zijn, in hoeverre gelijke kansen te vertalen zijn in meetbare doelen en hoe wordt voorkomen dat het streven naar gelijke kansen in de praktijk betekent “streven naar meer theoretisch opgeleiden”.

Het rapport van de Algemene Rekenkamer 2024123 betreft specifiek de sector MBO. Uw Kamer ontvangt, mede in reactie op het ARK rapport, na de zomer een brief met meetbare doelen en onze inzet voor het bevorderen van kansengelijkheid in het MBO.

Gelijke kansen in het funderend onderwijs betekent dat alle leerlingen op school dezelfde kansen krijgen om te leren en zich te ontwikkelen, ongeacht sociaaleconomische situatie, wijk of woonplaats. Het gaat niet om het streven naar zoveel mogelijk theoretisch opgeleiden. Het gaat erom dat leerlingen de kans krijgen een passende schoolloopbaan te doorlopen, passend bij hun eigen talenten, wensen en capaciteiten.

In de Tweede Kamer brief van 21 mei jl. hebben wij uw Kamer nader geïnformeerd over indicatoren voor kansengelijkheid.124 In het dashboard kansengelijkheid en in de beleidsindicatoren bij de begroting monitoren we verschillen in schoolloopbanen tussen verschillende groepen leerlingen. Ook zijn er overige bronnen te raadplegen voor meer uitgebreide sectorspecifieke data, zoals de Monitor Doorstroomtoetsen en de Werkagenda MBO. Een set kernindicatoren is ontoereikend om onze maatregelen goed te kunnen evalueren. Het blijft daarom van belang dat beleidsmaatregelen separaat geëvalueerd worden. Voorbeelden van evaluaties zijn de evaluatie van het landelijk kader studentenwelzijn (hbo en wo) en de evaluaties van het programma School & Omgeving en Schoolmaaltijden.

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer aangeeft dat 26 procent van de leraren die overweegt van baan te wisselen administratie als belangrijkste reden noemt. Deze leden constateren dat daarop is aangegeven dat het overgrote deel van de administratie niet “direct” volgt uit wet- en regelgeving, maar is opgenomen in schoolbeleid en werkprocessen en dat het daarom niet mogelijk is reductiedoelen te stellen. Deze leden vragen ons, mede gezien het lerarentekort en het belang dat leraren zich kunnen richten op de kerntaak van lesgeven, nader toe te lichten of en in hoeverre de administratieve druk voortvloeit uit “indirecte” wet- en regelgeving. Deze leden vragen waarom scholen besluiten tot dergelijke administratieve lasten, met welk doel, en in hoeverre is onderzocht of wordt bekeken of dat effectief en doelmatig is. Ook vragen deze leden op welke manier het kabinet samen met de inspectie optrekt om scholen meer duidelijkheid te bieden en welke handvatten daarbij worden opgesteld. Deze leden vragen of er best practices zijn of worden ontwikkeld die bijdragen aan verlichting van de werkdruk. Ook vragen deze leden of er een goed overzicht is van de minimaal verplichte administratieve handelingen die scholen moeten verrichten en in hoeverre deze taken effectief kunnen worden belegd bij andere medewerkers dan docenten zelf.

In het onderwijs vloeien de meeste administratieve lasten veelal niet direct voort uit wet- en regelgeving. De wetgeving heeft een indirect effect doordat er open normen zijn. Voor scholen is niet altijd duidelijk wat strikt noodzakelijk is en daardoor komt het voor dat zij administreren “voor het geval dat”. Een voorbeeld hiervan is Artikel 11 in de Wet op het primair onderwijs. Hierin is bepaald dat het schoolbestuur ouders moet informeren over de vorderingen van hun leerlingen. De wet schrijft niet voor hoe, hoe vaak of in welk detail scholen dit moeten doen, maar wel dat dit moet worden gedaan. Deze vorm van administratie is daarmee onderdeel van het beroep. De manier waarop deze norm uitgewerkt wordt door scholen en leraren heeft gevolgen voor de totale tijd die een leraar uiteindelijk kwijt is aan administratie.

Om scholen meer duidelijkheid te bieden en het gesprek over de nut en noodzaak van administratie te stimuleren trekken we samen met de inspectie op. Op 1 juni is een bijeenkomst georganiseerd met de Inspectie van het Onderwijs, de Vlaamse onderwijsinspectie en de Algemene Rekenkamer over de planlastcalculator. In navolging van die bijeenkomst zijn we voornemens met de inspectie en het onderwijsveld de mogelijkheden te verkennen een vergelijkbaar instrument te ontwikkelen om het gesprek op school te stimuleren. Ook is de leidraad Ruimte in Regels herzien en kijkt het bestuursdepartement samen met de inspectie wat er aanvullend nodig is om scholen meer handvatten en duidelijkheid te bieden.

Doordat er verschillende bronnen van werkdruk zijn en de ervaren werkdruk sterk verschilt per school en individu is er niet één oplossing die voor alle scholen werkt. Uit onderzoek naar de inzet van de werkdrukmiddelen blijkt dat het merendeel van de middelen gebruikt wordt voor de inzet van ondersteunend personeel voor praktische ondersteuning en taakverlichting binnen de klas. Niet alle scholen kiezen hier echter voor omdat de bronnen van werkdruk verschillen. De daadwerkelijke werkdrukvermindering vindt uiteindelijk op de school plaats in gesprekken tussen het onderwijspersoneel. Daar kunnen maatregelen genomen worden om de werkdruk te verlagen die passen bij de individuele uitdagingen en schoolcontext.

De leden van de JA21-fractie constateren dat over de structurele overschrijding van externe inhuur bij OCW en DUO is aangegeven dat dit deels wordt veroorzaakt door moeilijk vervulbare vacatures, tijdelijke programma’s, politieke urgentie en ontwikkelingen. Deze leden vragen ons dit nader toe te lichten. Deze leden vragen welke vacatures moeilijk vervulbaar zijn, welke tijdelijke programma’s en piekbelasting het betreft en hoe dit zich verhoudt tot het structurele karakter van de overschrijding. Ook vragen deze leden hoe het aantal fte dat op het ministerie van OCW en bij DUO werkt zich de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld en hoe dit zich verhoudt tot de externe inhuur. Deze leden merken op dat de streefnorm van het kerndepartement van OCW 3,3 procent is en vragen wat de huidige externe inhuur is.

De overschrijding van de Roemernorm binnen OCW kent meerdere oorzaken. De Roemernorm is een richtinggevende norm waarbij het uitgangspunt is dat maximaal 10% van de totale personeelskosten op departementaal niveau wordt besteed aan externe inhuur. In 2025 bedroeg het percentage externe inhuur voor heel OCW 16,4%. Voor specifiek DUO bedroeg in 2025 het percentage inhuur 24,2% en de inhuur voor OCW exclusief DUO bedroeg 8,6%.

De belangrijkste oorzaken zijn:

1. DUO

Van de totale inhuurkosten 2025 bij DUO heeft 87% betrekking op ICT-Inhuur. De externe inhuur is de afgelopen jaren gestegen vanwege de krapte op de arbeidsmarkt voor ICT-personeel en vanwege, deels tijdelijke, werkpakketuitbreidingen. De toename van het aantal externen in 2025 is met name het gevolg van het (tijdelijk) opschalen in de ICT-portfolio vanwege tijdelijke LCM-middelen (lifecyclemanagement = het op orde brengen van het ICT-landschap zodat het beheer, onderhoud, vervanging en vernieuwing in de toekomst kwalitatief beter en efficiënter gebeurt). Daarnaast zijn tijdelijke middelen toegekend in het kader van de WaU (onder meer de invoering van een geautomatiseerd klantvolgsysteem) en voor compliance. Het sterk groeiende ODC-Noord, één van de vier Overheidsdatacenters, maakt onderdeel uit van DUO.

De externe inhuur betreft onder meer functies zoals softwareontwikkelaars, informatieanalisten, architecten, testmanagers, securityspecialisten, projectleiders en specialisten voor beheer en vernieuwing van applicatielandschappen. Deze functies zijn moeilijk vervulbaar door de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt en de concurrentie met de private sector. Tegelijkertijd is deze expertise noodzakelijk om de continuïteit, veiligheid en modernisering van de digitale dienstverlening te waarborgen.

Ook de tariefstijgingen voor externe inhuur bij gelijkblijvende lonen voor ambtenaren hebben gezorgd voor een stijging van het inhuurpercentage.

2. Moeilijk vervulbare vacatures

Binnen OCW is sprake van vacatures die moeilijk structureel zijn in te vullen. Dit geldt onder meer voor juridische functies, ICT-functies, functies met specialistische kennis en functies waarbij specifieke beleidsmatige, financiële, technische of projectmatige expertise nodig is.

3. Tijdelijke programma’s en tijdelijke budgetten

Bij programmadirecties zijn werkzaamheden vaak tijdelijk van aard en gekoppeld aan tijdelijke budgetten, incidentele middelen of projectfinanciering. In deze gevallen is externe inhuur ingezet omdat structurele formatie niet in alle gevallen passend was bij de tijdelijke aard en specifieke expertisebehoefte van de werkzaamheden. Tegelijkertijd wordt bij programma’s die een meer structureel karakter krijgen expliciet beoordeeld of omzetting naar vaste formatie nodig en doelmatig is.

4. Piekbelasting en bestuurlijke urgentie

OCW heeft te maken met piekbelasting door tijdelijke beleidsopgaven, Kamertoezeggingen, implementatietrajecten en politiek-bestuurlijke prioriteiten. Externe inhuur wordt in die situaties ingezet om tijdelijk extra capaciteit beschikbaar te hebben. De ADR benoemt rijksbreed dat externe inhuur vaak samenhangt met ICT, uitvoering, formatie- en piekcapaciteit. In deze gevallen is externe inhuur ingezet omdat structurele formatie niet in alle gevallen passend was bij de tijdelijke aard en specifieke expertisebehoefte van de werkzaamheden.

5. Algemene conclusie

Concluderend: de overschrijding wordt veroorzaakt door een combinatie van moeilijk vervulbare vacatures, tijdelijke programma’s en budgetten, specialistische kennisbehoefte, piekbelasting, bestuurlijke urgentie en de aard van uitvoerings- en digitaliseringsopgaven. Daarbij wordt externe inhuur niet als doel op zichzelf ingezet, maar als instrument om tijdelijke of specialistische capaciteit beschikbaar te krijgen waar structurele formatie niet passend, niet beschikbaar of niet tijdig inzetbaar is. Het streven is om externe inhuur sterk terug te dringen.

Tabel verhouding: Ontwikkeling interne fte en externe inhuur OCW en DUO 2015-2025

Jaar

FTE

OCW

totaal

Fte OCW (excl. DUO) Fte DUO Inhuur OCW % Inhuur OCW excl. DUO % Inhuur DUO %
2016 4072,1 2132,1 1940,0 24,4% 5,4% 40,7%
2017 4194,3 2090,1 2104,2 22,7% 3,7% 38,1%
2018 4469,1 2146,5 2322,6 19,6% 4,0% 32,3%
2019 4676,1 2208,1 2468,0 15,3% 3,9% 25,0%
2020 4764,5 2242,2 2522,3 12,1% 2,8% 20,7%
2021 4971,3 2336,7 2634,6 13,9% 3,4% 22,6%
2022 5466,8 2683,1 2783,7 15,5% 6,2% 23,9%
2023 6100,8 3053,0 3047,8 17,5% 7,6% 26,8%
2024 6443,7 3271,2 3172,5 18,2% 9,8% 26,6%
2025 6552,4 3275,3 3277,1 16,4% 8,6% 24,2%

De leden van de JA21-fractie merken op dat de Algemene Rekenkamer uitgebreid heeft gekeken naar het proces van de TLV. Deze leden constateren dat is aangegeven dat de afgifte en registratie op veel plekken nog niet goed gaat en dat de Algemene Rekenkamer ziet dat beperkt zicht bestaat op dit proces. Deze leden vragen ons waar dit niet goed gaat en op welke manieren wordt gewerkt aan verbetering.

Deze leden merken op dat de Algemene Rekenkamer constateert dat niet wordt gecontroleerd of de ondersteuningscategorie die in de TLV staat voor het (v)so overeenkomt met het bedrag dat DUO aan scholen uitbetaalt. Deze leden vragen of dat ingewikkeld en/of tijdrovend is. Ook vragen deze leden waarom in de uitspraken van de Landelijke Bezwaaradviescommissie Toelaatbaarheidsverklaring in deskundigenverklaringen de eigen afwegingen van de betrokken professionals ontbreken. Deze leden vragen of dit een manier is om tijd te besparen en in hoeverre het omvat is in de taakbeschrijving van de deskundigen dat zij informatie over de betreffende leerlingen verzamelen los van wat de school aanlevert. Tot slot vragen deze leden hoe deze deskundigen worden betaald voor hun werkzaamheden.

Zoals aangegeven in de reactie op het jaarverslag wordt, naar aanleiding van de bevindingen van de Algemene Rekenkamer, met DUO en de inspectie bezien hoe het zicht op de afgifte, registratie en bekostiging van tlv’s kan worden verbeterd.125 Wat betreft de registratie wordt ter verbetering van de huidige praktijk al gewerkt aan een aanpassing, waarbij de samenwerkingsverbanden passend onderwijs de tlv’s gaan registreren en bij inschrijving van een leerling door de school een koppeling wordt gemaakt met de afgegeven tlv.

Voor afgifte van een tlv moet het samenwerkingsverband zich laten adviseren door twee onafhankelijke deskundigen. De wijze waarop deskundigen worden ingezet en bekostigd, verschilt per samenwerkingsverband. Op basis van welke informatie zij dit beoordelen, is aan de deskundigen.

De leden van de JA21-fractie merken op dat het aantal leerlingen in het (v)so sterk is toegenomen, terwijl het doel juist was om het beroep daarop te beperken. Deze leden constateren dat de Algemene Rekenkamer aangeeft dat er juist minder geld voor ondersteuning naar reguliere scholen gaat. Deze leden merken op dat bij 14 samenwerkingsverbanden het reguliere budget voor extra ondersteuning hierdoor op was. Deze leden vragen ons hoe dit wordt beoordeeld, mede in het licht van de passend onderwijs-discussie.

De groei van het aantal leerlingen in het (v)so is zorgelijk, zeker als dat ertoe leidt dat kinderen niet meer op de juiste plek terecht komen. Naar de verklaringen van de groei vindt onderzoek plaats, waar de Kamer dit najaar over wordt geïnformeerd.

De leden van de JA21-fractie constateren dat een paar schoolbesturen beschikken over bijna de helft van het bovenmatige eigen vermogen. Deze leden vragen ons aan te geven hoe dat komt en hoe dit wordt beoordeeld.

Geld voor onderwijs moet terecht komen waarvoor het bedoeld is, namelijk bij de leerlingen en in de klas. Meer eigen vermogen dan noodzakelijk is dan ook niet wenselijk. De afgelopen jaren daalt het mogelijk bovenmatig eigen vermogen in het primair en voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs is het mogelijk bovenmatig eigen vermogen gedaald van € 848 mln. in 2023 naar € 620 mln. in 2024 en in het voortgezet onderwijs van € 484 mln. naar € 377 mln. Ook is het aantal besturen met een mogelijk bovenmatig eigen vermogen gedaald van 493 naar 418 in het primair onderwijs en van 132 naar 117 in het voortgezet onderwijs. Dat is echter nog steeds de helft van het aantal besturen. Dat het mogelijk bovenmatig eigen vermogen (in absolute zin) niet evenredig is verdeeld, komt ook omdat schoolbesturen in omvang verschillen. Door hun omvang hebben grotere schoolbesturen een relatief groot aandeel van het totale mogelijk bovenmatig eigen vermogen, zelfs als hun eigen mogelijk bovenmatige vermogen niet uitzonderlijk hoog is.

Het blijft belangrijk vinger aan de pols te houden, ondanks dat er een daling in het mogelijk bovenmatig eigen vermogen te zien is. Dit is dan ook onderdeel van het financieel toezicht door de inspectie. Op het dashboard Financiële Positie Onderwijs wordt op basis van de jaarverslagen van onderwijsinstellingen een overzicht gegeven van de financiële positie van het bekostigde onderwijs in Nederland, inclusief het mogelijk bovenmatig eigen vermogen.

In 2021 heeft de inspectie onderzoek gedaan naar de belangrijkste oorzaken voor het ontstaan van bovenmatig eigen vermogen. De ervaren onvoorspelbaarheid van de rijksbekostiging en de gevoelde noodzaak om voor verschillende doelen reserves aan te leggen, in combinatie met voorzichtig financieel beheer zijn de belangrijkste oorzakenwaarom schoolbesturen hogere eigen vermogens aanhouden. Daarbij is er geen onderscheid gemaakt tussen besturen met hoge dan wel lage bovenmatige eigen vermogens. We zien ook dat schoolbesturen de komende jaren negatief begroten, waardoor het mogelijk bovenmatig vermogen in principe verder zal afnemen.

De leden van de JA21-fractie vragen ons nadrukkelijk om meer inzicht te verschaffen in de internationalisering van het hoger onderwijs, per opleiding, binnen clusters, door de tijd heen, conform de verzoeken van de rapporteurs voor het Jaarverslag. Deze leden geven aan meer inzicht te willen in het type opleidingen dat in het Engels wordt gegeven en daardoor toegankelijk is voor internationale studenten (behoudens kleinere groepen die Nederlands leren), en hoe dit de afgelopen tijd is verschoven.

De leden van de JA21-fractie vragen om meer inzicht te verschaffen in de internationalisering van het hoger onderwijs. Zoals eerder bij de beantwoording van de vragen over onderwijstaal en inschrijfcijfers is toegelicht, bestaat op dit moment geen centrale registratie van de opleidingstaal en ook geen eenduidige wettelijke definitie van Nederlandstalige, Engelstalige of anderstalige opleidingen. Daardoor kan op dit moment geen volledig en vergelijkbaar overzicht worden gegeven van de opleidingstaal op opleidingsniveau.

De leden van de JA21-fractie merken op dat uit verschillende bronnen blijkt dat bijna alle universiteiten bijvoorbeeld de opleiding psychologie ook in het Engels aanbieden, behalve de Universiteit Utrecht die deze opleiding in het Nederlands aanbiedt. Deze leden vragen ons in hoeverre dit wenselijk wordt gevonden. Ook vragen deze leden of wordt gedeeld dat voor bijvoorbeeld deze studie Nederlands de norm zou moeten zijn en dat het wenselijk is dat het aantal universiteiten dat psychologie in het Engels aanbiedt wordt beperkt.

De leden van de JA21-fractie vragen naar de voertaal van de opleidingen psychologie en vragen om een reflectie. In het Coalitieakkoord is vastgelegd dat het huidige anderstalige aanbod in stand blijft – dat geldt dus ook voor deze psychologieopleidingen.

Het kabinet vindt ook dat er aandacht moet blijven voor de positie van het Nederlands in het hbo en wo. Nederlandstalig onderwijs draagt bij aan de toegankelijkheid van het stelsel en ondersteunt de aansluiting op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook het versterken van de Nederlandse taalvaardigheid is waardevol, zowel voor Nederlandse studenten als voor de binding van internationale studenten aan de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt. Hieruit volgt echter volgens het kabinet niet direct dat het wenselijk is om het aantal anderstalige psychologieopleidingen te beperken. Er kunnen gegronde redenen zijn om een opleiding (ook) in een andere taal dan het Nederlands aan te bieden. Het is voor ons van belang dat instellingen een weloverwogen keuze maken voor de taal waarin zij een opleiding verzorgen en in het aantal plaatsen dat zij reserveren voor Nederlandstalige en anderstalige trajecten. Het kabinet vertrouwt erop dat zij dit vanuit hun zelfregie ook doen, in onderlinge afstemming.

De leden van de JA21-fractie vragen ons of er informatie beschikbaar is over de stay-rate van internationale studenten bij specifieke opleidingen en universiteiten.

Nuffic doet elke drie jaar onderzoek naar de blijfkans van internationale studenten. Daarbij gaat het niet alleen om de blijfkans zelf, maar bijvoorbeeld ook de voorwaarden om die blijfkans te vergroten. Uit de meest recente cijfers (uit 2025) komt naar voren dat ongeveer 25% van alle internationale studenten na vijf jaar nog in Nederland is; 80% van hen heeft betaald werk. De cijfers laten ook zien dat de blijfkans stijgt voor recentere afstudeercohorten. De blijfkans na vijf jaar van niet-EER-studenten is gemiddeld hoger (38,5%) dan die van EER-studenten (20,3%). Ook zijn er grote verschillen tussen studierichtingen: afgestudeerden in de domeinen onderwijs en techniek blijven relatief vaker, terwijl afgestudeerden in de domeinen recht en gedrag en maatschappij het vaakst vertrekken. Het ministerie van OCW heeft niet de beschikking over blijfkanscijfers van alle opleidingen of instellingen.

De leden van de JA21-fractie merken op dat sinds 1 januari 2026 de inschrijfdatum van nieuwkomers leidend is voor de bekostiging van het onderwijs aan nieuwkomers en dat de datum van inschrijving in de Basisregistratie Personen niet langer wordt aangehouden als startdatum voor de bekostiging. Deze leden vragen ons hoe dit zal helpen om een einde te maken aan de onzekerheid over de rechtmatigheid van een deel van de uitgaven aan het onderwijs aan nieuwkomers (€ 158 miljoen in 2025).

Tot 1 januari 2026 konden scholen in het voortgezet onderwijs zelf de datum binnenkomst in Nederland opgeven voor een nieuwkomer. Deze datum werd vervolgens gebruikt om de nieuwkomersbekostiging op te baseren. Voor deze datum kon niet met zekerheid worden vastgesteld of deze correct was opgegeven vanwege het ontbreken van een controle op deze datum. Hierdoor was er in het voortgezet onderwijs sprake van een onzekerheid over de rechtmatigheid van circa € 116 miljoen in 2025. Om dit op te lossen wordt er sinds 1 januari 2026 gebruik gemaakt van de datum eerste inschrijving op een school. Deze gegevens zijn al beschikbaar in de bekostigingssystemen waardoor scholen zelf geen gegevens meer hoeven op te geven voor de bekostiging. Voor een beperkt deel van de nieuwkomers zijn niet alle gegevens beschikbaar, hiervoor is een bewijslast met accountantscontrole ingevoerd. Deze bewijslast in combinatie met de aanpassing van de gehanteerde datum zorgt naar verwachting ervoor dat er vanaf kalenderjaar 2026 geen onzekerheid over de rechtmatigheid van de nieuwkomersbekostiging in het voortgezet onderwijs resteert. Voor de nieuwkomersbekostiging in het primair onderwijs wordt de onzekerheid over de rechtmatigheid (circa € 42 miljoen in 2025) opgelost door de overstap naar ambtshalve bekostiging, naar verwachting per kalenderjaar 2028.

De leden van de JA21-fractie vragen ons welke gevolgen het gegeven heeft dat bijna de helft (44 procent) van de onderzochte mbo-opleidingen onvoldoende scoort. Ook vragen deze leden welke stappen worden gezet om dit te verbeteren.

Het grote aantal onvoldoendes wordt in grote mate bepaald door onvoldoende onderwijsresultaten. Te veel studenten verlaten de opleiding voordat ze een diploma hebben behaald. Om dit te verbeteren hebben we een stap gezet met de Wet van School naar Duurzaam Werk, die per 1 januari van dit jaar van kracht is geworden. Hiermee zetten we alles op alles om dit tij te keren. We zetten hiermee in op een succesvolle begeleiding van jongeren terug naar het onderwijs, werk of een combinatie van beiden. Hierover bent u onlangs per brief geïnformeerd.

De kwaliteit van opleidingen wordt niet alleen door de onderwijsresultaten bepaald, maar ook door factoren zoals het zicht op de ontwikkeling en de begeleiding van studenten, het handelen van docenten in de klas, de veiligheid op de opleidingen, de kwaliteit van de stages en de kwaliteitszorg. Daarnaast spelen ook andere factoren een rol in het behalen van onderwijsresultaten die meer in de persoonlijke levenssfeer van studenten zitten, zoals de mentale gezondheid van de student, de thuissituatie en de (financiële) ondersteuning die de student van huis uit krijgt. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen er ook voor zorgen dat studenten uitvallen, ondanks goed onderwijs. Momenteel wegen de onderwijsresultaten betrekkelijk zwaar mee in de beslissing voor het eindoordeel van een opleiding. Bij onvoldoende onderwijsresultaten wordt een opleiding nu vaak automatisch aangeduid als volledig onvoldoende, terwijl andere factoren die de kwaliteit beïnvloeden weldegelijk op orde zijn. Daarom zijn we met de inspectie in gesprek om bij het nieuwe onderzoekskader van de inspectie, dat per augustus 2027 van kracht zal worden, de onderwijsresultaten anders mee te laten wegen bij het eindoordeel voor de gehele opleiding.

De leden van de JA21-fractie vragen ons tot slot of de ambitie om voor iedere leerling individueel maatwerk te bieden (te differentiëren) verband houdt met de werkdruk die leerkrachten en leraren ervaren.

Kunnen differentiëren is een belangrijk onderdeel van goed leraarschap en behoort tot de bekwaamheidseisen waaraan leraren moeten voldoen. Van leraren mag worden verwacht dat zij hun onderwijs afstemmen op de verschillende onderwijsbehoeften van leerlingen.

Het ministerie van OCW heeft hierin een faciliterende rol. Dat gebeurt onder meer door te investeren in de kwaliteit van de lerarenopleidingen en de professionele ontwikkeling van leraren. Daarom zetten we niet alleen in op individuele professionalisering, maar ook op schoolontwikkeling op teamniveau. Goed onderwijs ontstaat immers door een combinatie van individueel vakmanschap, gerichte en gezamenlijke ontwikkeling en een professionele leercultuur. Uiteindelijk is het aan scholen om, binnen een professionele leercultuur, leraren in staat te stellen hun vaardigheden op het gebied van differentiatie verder te ontwikkelen en te onderhouden. Vervolgens is het aan leraren om waar nodig of gewenst aan de slag te gaan met na- en bijscholing.

Inbreng van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en het Jaarverslag Onderwijs 2025. Deze leden danken de inspectie voor het opstellen van het rapport. Naar aanleiding hiervan hebben de leden nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie lezen in de Staat van het Onderwijs dat de regio waarin een kind opgroeit nog altijd invloed heeft op de kansen die het krijgt in het onderwijs. Deze leden constateren dat de inspectie onder andere wijst op verschillen in deelname aan voorschoolse educatie, verschillen in het bijstellen van schooladviezen na de doorstroomtoets en verschillen in doorstroommogelijkheden binnen het voortgezet onderwijs. Deze leden delen de conclusie van de inspectie dat het voor de kansen van een kind niet mag uitmaken waar zijn of haar wieg heeft gestaan. Deze leden benadrukken dat talent overal in Nederland tot zijn recht moet kunnen komen. Deze leden vragen ons uiteen te zetten welke concrete maatregelen worden genomen om regionale verschillen in onderwijskansen verder terug te dringen. Ook vragen deze leden welke regionale verschillen daarbij de hoogste prioriteit hebben.

Het is belangrijk dat alle leerlingen de kansen krijgen op goed onderwijs. We werken aan het verkleinen van de kwaliteitsverschillen tussen scholen door het verbeteren van de onderwijskwaliteit, zodat alle leerlingen onderwijs kunnen krijgen dat recht doet aan hun capaciteiten, ontwikkeling en wensen. Het is van belang dat er in elke regio een toegankelijk onderwijsaanbod is voor kinderen. Daarom wordt de huidige kleinescholentoeslag, die toekomt aan alle basisscholen met minder dan 150 leerlingen, omgevormd naar een dunbevolktheidstoeslag.126 Ook zetten we stappen om de groeiende verschraling van het regionale onderwijsaanbod van het beroepsgerichte vmbo terug te dringen. De recent afgelopen subsidieregeling Incidentele middelen Leerlingdaling (IML) stimuleerde regionale samenwerking tussen scholen in krimpgebieden, zodat het afstoten van beroepsgerichte vmbo-profielen en het sluiten van vestigingen en afdelingen wordt werd voorkomen. Daarnaast verkennen we de toekomstbestendigheid van het regionaal aanbod van de beroepsgerichte vmbo-profielen en versterken we het regionale techniekaanbod met het programma Sterk techniekonderwijs (STO).

Sinds de zomer van 2025 worden op het Dashboard kansengelijkheid en segregatie127 middels een aantal sectoroverstijgende kernindicatoren de ontwikkelingen omtrent kansengelijkheid voor langere tijd gevolgd. Dit dashboard biedt zowel landelijk als regionale inzichten. Regionaal kan bijvoorbeeld door scholen en lokale partijen gekeken worden hoe de kansengelijkheid in een bepaalde gemeente is. Dit dashboard maakt lokale knelpunten inzichtelijk. Ook de inzet van de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) werkt goed om regionale verschillen terug te dringen. Samen met gemeenten, scholen, onderwijsinstellingen, ouders en maatschappelijke organisaties werkt de GKA aan gelijke kansen in het onderwijs. 105 gemeenten verspreid door heel Nederland werken met een meerjarige GKA-agenda. Hiermee werken we aan het wegnemen van de effecten van negatieve omgevingsfactoren in de klas.

Daarnaast nemen we diverse maatregelen, zoals de Handreiking Schooladvisering. Deze helpt scholen en besteedt aandacht aan onderadvisering van groepen leerlingen bijv. uit niet-stedelijke gebieden of uit een kwetsbaar sociaaleconomisch milieu. De programma’s Brugfunctionaris, School & Omgeving, Schoolmaaltijden dragen bij aan onderwijskansen. Scholen waar veel leerlingen in kwetsbare situaties zitten, worden hier extra mee ondersteund.

De inspectie toont aan dat het bereik van voorschoolse educatie in zeer stedelijke en weinig stedelijke gemeenten lager is dan het landelijk gemiddelde. Het kabinet wil investeren in voorschoolse educatie via de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen. Daarnaast is eerder aangekondigd dat wettelijk wordt vastgelegd voor welke kinderen voorschoolse educatie in ieder geval is bedoeld. Daarmee kunnen gemeenten gerichter werken aan het verhogen van de deelname. In de praktijk blijkt het voor gemeenten namelijk lastig om duidelijke criteria af te spreken voor de doelgroep van voorschoolse educatie, waardoor doelgroepen en bereik tussen gemeenten enorm uiteenlopen en in sommige regio’s te veel jonge kinderen nog niet naar de voorschool gaan.

Voor het mbo geldt dat uw Kamer na de zomer per brief wordt geïnformeerd over gelijke kansen in het mbo. In deze brief zal onder meer ingegaan worden op de regionale verschillen.

De leden van de BBB-fractie merken op dat de inspectie constateert dat in zeer stedelijke gebieden, zoals de Randstad, schooladviezen vaker worden bijgesteld naar aanleiding van de doorstroomtoets dan in minder stedelijke gebieden. Deze leden constateren dat deze verschillen ook na correctie voor achtergrondkenmerken van leerlingen blijven bestaan. Deze leden vragen ons welke verklaringen er zijn voor deze verschillen. Ook vragen deze leden of het wenselijk wordt geacht dat de kans op bijstelling van een advies afhankelijk lijkt te zijn van de regio waarin een leerling woont.

De regio waar je opgroeit mag niet belemmerend zijn voor de kansen die je krijgt. Het is van groot belang voor de onderwijskansen en leerprestaties van leerlingen dat zij een passend schooladvies krijgen voor het voortgezet onderwijs. Hierin spelen de doorstroomtoets als tweede objectieve gegeven en de maatregel ‘bijstellen schooladvies’ een belangrijke rol. Landelijk gezien krijgen hierdoor ongeveer 3 op de 4 leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, een bijgesteld schooladvies.

We onderzoeken met verschillende partijen, waaronder de inspectie en de PO-raad, wat de reden kan zijn voor regionale verschillen in de bijstellingscijfers.

We houden op verschillende manieren in de gaten hoe de cijfers omtrent schooladvisering en schoolloopbanen zich ontwikkelen, waarbij ook regionale verschillen worden meegenomen. DUO monitort jaarlijks de ontwikkelingen op het gebied van schooladvisering en de schoolloopbanen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs.128 Ook zetten we dit jaar vervolgonderzoek uit naar onderadvisering en worden de effecten van de Wet doorstroomtoets po geëvalueerd, inclusief de maatregel ‘bijstellen schooladvies’.

De leden van de BBB-fractie onderschrijven het belang van sterke basisvaardigheden. Deze leden merken op dat lezen, schrijven en rekenen de basis vormen voor verdere ontwikkeling, vervolgonderwijs en deelname aan de samenleving. Deze leden constateren dat de inspectie aangeeft dat er breed besef bestaat dat basisvaardigheden prioriteit moeten krijgen, maar dat de resultaten nog onvoldoende verbeteren. Ook lezen deze leden dat veel scholen en besturen moeite houden met de uitvoering van kwaliteitszorg en dat onvoldoende en zeer zwakke scholen blijven ontstaan.

Deze leden vragen ons aan te geven waarom de ingezette maatregelen tot nu toe nog onvoldoende leiden tot een structurele verbetering van de basisvaardigheden van leerlingen. Ook vragen deze leden welke aanvullende mogelijkheden er zijn om de prestaties op taal en rekenen te versterken en of die mogelijkheden worden betrokken bij het vernieuwde kennisrijke curriculum dat wordt ingevoerd, of eerder worden benut.

Het beeld over de impact van het Masterplan basisvaardigheden is wisselend, maar na vier jaar hadden we echt meer resultaat willen zien. Zo laat het implementatieonderzoek zien dat er op veel scholen in de afgelopen jaren echt iets is veranderd en zijn er in het po wel positieve signalen over de prestaties van leerlingen. In de onderbouw van het vo is echter sprake van verdere achteruitgang. Met name de prestaties in het vmbo en op het vlak van taal zijn zorgelijk. Het is daarom van belang om met het Masterplan door te gaan en met de invoering van de vernieuwde curriculumimplementatie. Op basis van de bevindingen en resultaten komen we dit najaar met de Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden. Daarmee brengen we focus aan en plaatsen we het belangrijkste probleem bovenaan de agenda.

De leden van de BBB-fractie merken op dat de inspectie daarnaast constateert dat scholen waar minder leerlingen de streefniveaus taal en rekenen behaalden soms overstapten naar een andere doorstroomtoets en vervolgens betere resultaten lieten zien. Deze leden vragen ons hoe deze ontwikkeling wordt geduid. Ook vragen deze leden wat dit zegt over de vergelijkbaarheid van de verschillende doorstroomtoetsen.

Ieder jaar stappen er scholen over van de ene toets naar de andere. Dat is een van de mogelijkheden die een stelsel met meerdere toetsen aan scholen biedt. Er kunnen verschillende factoren een rol spelen waarom leerlingen op de ‘nieuwe’ toets andere resultaten halen: het is bijvoorbeeld mogelijk dat de school de resultaten van vorig jaar heeft aangegrepen om het onderwijs aan te passen, waardoor leerlingen beter zijn gaan presteren. Of dat leerlingen beter zijn gaan presteren omdat zij anders op de toets zijn voorbereid, of een papieren toets (in plaats van digitaal) sluit beter aan bij wat de leerlingen op school gewend zijn. In 2030 maken alle leerlingen uit groep 8 in principe dezelfde doorstroomtoets. Met één aanbieder is er minder twijfel over de vergelijkbaarheid van de toetsen.

De leden van de BBB-fractie onderschrijven dat iedere leerling een onderwijsloopbaan moet kunnen volgen die past bij zijn of haar talenten, mogelijkheden en ambities. Deze leden benadrukken dat passend onderwijs belangrijker is dan een zo hoog mogelijk onderwijsniveau. Deze leden wijzen erop dat Nederland zowel vakmensen als theoretisch opgeleide professionals hard nodig heeft.

Deze leden merken op dat de inspectie beschrijft dat leerlingen in de Randstad vaker “stapelen” binnen het voortgezet onderwijs dan leerlingen elders in het land. Tegelijkertijd constateren deze leden dat zogenaamde stapelaars gemiddeld een minder gunstig arbeidsmarktperspectief hebben dan leerlingen die direct een opleiding volgen die passend is bij hun niveau. Deze leden vragen ons te reflecteren op deze bevinding.

Ten aanzien van de regionale verschillen in “stapelen” heeft de inspectie gewezen op verschillen tussen regio’s in de toegankelijkheid van het onderwijs. Zoals aangegeven in de beleidsreactie op de Staat van het Onderwijs 2026, moet de kwaliteit van het onderwijs op alle scholen op orde zijn en moeten leerlingen overal gelijke kansen hebben op een bij hen passende onderwijsloopbaan De afstand tot een school, het aanbod en de kwaliteit van een school mogen daarvoor geen belemmering zijn. In dat opzicht zijn de regionale verschillen nu te groot. Zeker in het beroepsgerichte vmbo is een verschraling van het regionale onderwijsaanbod zichtbaar.129 Daarom onderzoeken we of en zo ja, welke aanpassingen in het stelsel nodig zijn om de talenten van leerlingen optimaal tot ontplooiing te laten komen, waar zij ook wonen en naar welke school zij ook gaan.

Het arbeidsmarktperspectief van ‘stapelaars’ laat zich niet eenduidig beoordelen. De positie op de arbeidsmarkt na afstuderen hangt af van verschillende factoren, zoals het behaalde diploma, de gekozen sector, de leerweg, het type vervolgonderwijs en de persoonlijke omstandigheden van de student. Het uitgangspunt is dat leerlingen en studenten onderwijs volgen op een niveau dat past bij hun capaciteiten, ambities en ondersteuningsbehoefte. Daarbij moet ook ruimte bestaan om door te stromen wanneer een leerling zich verder ontwikkelt. Stapelen kan voor individuele leerlingen daarom juist een belangrijke route zijn om alsnog een beter passend diploma te behalen en daarmee hun kansen te vergroten.

Voor mbo-‘stapelaars’ geldt dat zij in de eerste jaren na afstuderen vaak een vergelijkbare arbeidsmarktpositie bereiken als studenten die datzelfde niveau via een directe route hebben behaald.130 Tegelijkertijd verschillen de uitkomsten per route en per groep. Daarom is het van belang om niet alleen te kijken naar de route die iemand heeft gevolgd, maar ook naar het uiteindelijke diploma, de sector en de ondersteuning die leerlingen en studenten onderweg krijgen.

Scholen en mbo- en ho-opleidingen spannen zich in om elke leerling en student op een passende, volgende plek te krijgen. Zo is er LOB (loopbaanoriëntatie en -begeleiding), een onderdeel dat in het geactualiseerde curriculum een prominentere plek krijgt. In dit verband kan ook het Expertisepunt LOB genoemd worden, een initiatief van de VO-Raad, de MBO Raad en de Vereniging Hogescholen, gefinancierd door het ministerie van OCW. Dit expertisepunt ondersteunt vo-, mbo-, en hbo-instellingen bij het versterken van de loopbaanoriëntatie, -ontwikkeling en -begeleiding van jongeren.

De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat in het maatschappelijke en politieke debat de afgelopen jaren veel aandacht is geweest voor mogelijke onderadvisering van leerlingen. Deze leden merken op dat deze aandacht onder andere heeft geleid tot aanpassingen rondom de doorstroomtoets en het bijstellen van adviezen. Deze leden vinden onderadvisering heel kwalijk, maar merken op dat ook te hoog adviseren niet goed is. Deze leden vragen aandacht voor de omgekeerde vraag en vragen ons waarom nog niet is onderzocht wat de gevolgen zijn van een mogelijk te hoog schooladvies voor het verdere verloop van de schoolloopbaan en het latere arbeidsmarktperspectief van leerlingen. Indien dit niet is onderzocht, vragen deze leden of wij bereid zijn onderzoek uit te laten voeren naar de effecten van een aanvankelijk te hoog schooladvies op onder andere afstroom binnen het voortgezet onderwijs, voortijdig schoolverlaten, welzijn en motivatie van leerlingen, eventuele psychische problematiek en kansen op de arbeidsmarkt op langere termijn. Deze leden vragen of daarbij expliciet kan worden onderzocht hoe deze uitkomsten zich verhouden tot de uitkomsten van leerlingen die vanaf het begin onderwijs volgen op een niveau dat beter aansluit bij hun capaciteiten. Deze leden achten een dergelijk onderzoek van belang om een volledig beeld te krijgen van de gevolgen van zowel onder- als overadvisering.

Zowel onderadvisering als overadvisering zijn onwenselijk: leerlingen moeten een passend schooladvies krijgen dat aansluit op hun talenten en capaciteiten. Overadvisering is moeilijker te constateren en te onderzoeken dan onderadvisering.

Als een leerling in groep 8 op de doorstroomtoets minder goed scoort dan verwacht, dan weten we niet of er sprake was van overadvisering. Iedere leerling kan op de toets een slechte dag hebben, en leerlingen die al tevreden zijn met hun schooladvies kunnen minder motivatie hebben om op de toets te laten zien wat zij kunnen. Andersom kan een leerling niet veel beter scoren op de toets dan wat die leerling echt aan uitdaging aankan.

Voor leerjaar drie van het vo geldt dat als een leerling is ‘afgestroomd’ naar een ander onderwijstype dan het schooladvies, we niet weten waarom dat is gebeurd. Dat kan komen door een overschatting in groep 8, maar het kan ook komen door omstandigheden waardoor leerlingen hun cognitieve capaciteiten niet maximaal hebben kunnen ontplooien, bijvoorbeeld door omstandigheden thuis, door ziekte of te weinig ondersteuning.

We houden, bovenstaande beperkingen inachtnemend, scherp in de gaten hoe het gaat met de in-, op-, af- en doorstroom en de effecten van de maatregel bijstellen schooladvies. Dat gebeurt in de jaarlijkse DUO Monitor van schooladviezen en waar leerlingen terechtkomen in de onderbouw van het vo.131 Volgend jaar wordt duidelijk waar de eerste lichting leerlingen die een doorstroomtoets gemaakt hebben in het derde leerjaar terecht gekomen zijn. Ook loopt momenteel de evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po, waarin gekeken wordt naar de effecten van deze wet. Daarnaast bekijkt DUO momenteel of verdiepend onderzoek gedaan kan worden naar leerloopbanen op de langere termijn, waarbij bijvoorbeeld ook aandacht is voor afstroom en voorlopig schoolverlaten.

De leden van de BBB-fractie vinden dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs van een bevoegde leraar. Deze leden onderschrijven daarom het uitgangspunt dat bevoegde leraren de basis vormen van goed onderwijs. Tegelijkertijd constateren deze leden dat tijdelijke maatregelen die oorspronkelijk bedoeld waren om acute lerarentekorten op te vangen steeds vaker worden besproken in het kader van een toekomstbestendig onderwijsstelsel. Deze leden vragen ons toe te lichten hoe wordt voorkomen dat tijdelijke noodmaatregelen geleidelijk uitgroeien tot structureel beleid. Ook vragen deze leden hoe wordt geborgd dat de inzet van bevoegde leraren daadwerkelijk leidend blijft bij toekomstige wet- en regelgeving.

De leden van de BBB-fractie verwijzen naar het experiment Andere dag- en weekindeling in de G5: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere. In deze steden zijn de personeelstekorten groter dan in de rest van Nederland. Vanwege deze aanhoudende tekorten krijgen scholen in de G5 met de verlenging van dit experiment de mogelijkheid om een deel van de onderwijstijd te laten verzorgen door andere professionals. Het experiment – en begeleidende onderzoek – is gericht op het verkrijgen van kennis die nodig is om te beslissen of en hoe structurele wetgeving kan worden ingevoerd, aangepast of juist achterwege moet blijven.

Daarnaast vormt onderwijs aan alle leerlingen, verzorgd door bevoegde en goed opgeleide leraren, het leidende uitgangspunt voor de kwaliteit van het onderwijs. Tegelijkertijd zetten de demografische ontwikkelingen en aanhoudende schaarste op de arbeidsmarkt deze kwaliteit onder druk. Dit vraagt om een toekomstbestendig en wendbaar onderwijssysteem, gericht op het waarborgen van de continuïteit van de onderwijskwaliteit en de duurzame inzetbaarheid van onderwijspersoneel. We zien het als een gezamenlijke opdracht om dit te realiseren.

De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat de oplossing voor het lerarentekort primair moet worden gezocht in het opleiden, behouden en aantrekken van voldoende leraren. Deze leden vragen ons welke aanvullende stappen worden gezet op het gebied van zij-instroom, het terughalen van bevoegde leraren die het onderwijs hebben verlaten en het verkorten van maatwerktrajecten richting een onderwijsbevoegdheid.

Zoals toegelicht in de Kamerbrief lerarenstrategie van juli 2026 is zij-instroom een belangrijke maatregel in de aanpak van het lerarentekort.132 Het kabinet wil het lerarentekort aanpakken door de overstap naar het onderwijs voor zij-instromers aantrekkelijker te maken. Het doel is het verhogen van het aantal zij-instromers in het po, vo en mbo met 15% van 2.300 naar 2.650. Om het traject te verbeteren bouwen we voort op de ideeën van (ex)zij-instromers, zowel leraren als schoolleiders. Hiervoor maken we gebruik van bestaande instrumenten.

Ook via de onderwijsregio’s stimuleren we zij-instroom. Dat doen we onder meer door onderwijsregio’s te vragen meerjarige ambitieafspraken vast te leggen voor het aantal op te leiden zij-instromers. De partijen binnen de onderwijsregio’s zetten verder in op het optimaliseren van het voortraject door gezamenlijke werving, oriëntatietrajecten en begeleiding van zij-instromers. Ook heeft elke regio een informatieloket en is het Landelijke Onderwijsloket er om zij-instromers te informeren en adviseren.

De stille reserve aan bevoegde leraren inspireren we om weer aan te slag te gaan via het huidige bredere arbeidsmarktbeleid dat we voeren om de schaarste in het onderwijs tegen te gaan. Eerder is in onder meer Amsterdam een succesvolle campagne gevoerd om zij-instromers te trekken en ook enkele andere regio’s geven aan in te zetten op stille reserve. Recent onderzoek van DUO naar stille reserve en herintreders laat zien dat de afgelopen 10 jaar de stille reserve is afgenomen en meer leraren de weg naar de klas hebben teruggevonden. Vanuit de hele groep van momenteel 98.000 bevoegde leraren in de stille reserve zijn er de laatste jaren ieder jaar minimaal 3000 weer als leraar in het onderwijs gaan werken.

De lerarenopleidingen zetten in op het aanbieden van maatwerktrajecten richting een onderwijsbevoegdheid. Dit doen zij door het optimaliseren van het geschiktheidsonderzoek en EVC-assessments (Eerder Verworven Competenties) voor zij-instromers. Het werken met leeruitkomsten binnen opleidingstrajecten draagt tevens bij aan het leveren van maatwerk.

Inbreng van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en het Jaarverslag 2025 en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat de Staat van het Onderwijs een ongemakkelijke werkelijkheid laat zien waarin het er nog altijd toe doet waar je wieg staat in Nederland. Deze leden constateren dat in de Randstad een veel groter deel van de leerlingen (circa 88 procent) een opwaartse bijstelling van het schooladvies krijgt na de doorstroomtoets dan in andere regio’s (circa 68 procent). Deze leden vragen ons te verklaren hoe het kan dat gelijke toetsprestaties leiden tot aanzienlijke verschillen tussen de Randstad en daarbuiten. Tevens vragen deze leden welke aanvullende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de woonplaats van een leerling niet langer bepalend is voor de kans op een hoger schooladvies en wanneer de Kamer zal worden geïnformeerd over de voortgang bij het verkleinen van deze regionale verschillen in schooladviezen.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sociaaleconomische achtergrond, woonwijk en geslacht nog steeds doorwerken in het schooladvies in het primair onderwijs. Tevens constateren deze leden dat scholen met relatief weinig leerlingen met een migratieachtergrond mogelijk minder aandacht hebben voor kansrijk adviseren. Deze leden vragen ons welke aanvullende maatregelen worden genomen om te voorkomen dat achtergrondkenmerken nog langer bepalen hoe kansrijk scholen adviseren en hoe wordt geborgd dat alle leerlingen een kansrijk schooladvies krijgen.

De doorstroomtoets als objectief tweede gegeven naast het schooladvies en de maatregel ‘bijstellen schooladvies’ zijn de belangrijkste maatregelen om onderadvisering in het voorlopig schooladvies op te sporen en tegen te gaan. Onderzoek van DUO laat zien dat met name leerlingen met een lage SES en leerlingen met een herkomst van buiten Europa hiervan profiteren. Circa 28 procent van de leerlingen laat op grond van de toets zien meer uitdaging aan te kunnen dan uit het voorlopig schooladvies blijkt.133 De doorstroomtoets maakt het mogelijk het schooladvies bij te stellen, waardoor meer leerlingen een definitief schooladvies krijgen dat past bij hun vaardigheden. Landelijk gezien krijgen ongeveer 3 op de 4 leerlingen die op de doorstroomtoets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, een bijgesteld schooladvies.

We werken op verschillende manieren aan een passend schooladvies voor elke leerling. Dit landelijke beleid kan ook positieve effecten hebben voor de regionale verschillen omtrent schooladvisering, stapelen en doorstroom:

  • We zorgen voor laagdrempelige informatie en tools zoals de Handreiking Schooladvisering.134 Stichting Critical Mass ontwikkelt in opdracht van het ministerie van OCW een zelftest voor leraren om zich bewust te worden van vooroordelen in de klas. Ook biedt de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) sinds de zomer via een dashboard regionale inzichten in schooladviezen, tussentijdse doorstroom en stapelen.135

  • We zetten in op monitoring en onderzoek: DUO monitort jaarlijks de ontwikkelingen op het gebied van schooladvisering en de schoolloopbanen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs.136 Hierbij kijkt DUO ook naar verschillen in stedelijkheid. Dit jaar zetten we vervolgonderzoek uit naar onderadvisering en worden de effecten van de Wet doorstroomtoets po geëvalueerd, inclusief de maatregel ‘bijstellen schooladvies’.

  • Om leerlingen in de overgang naar het voortgezet onderwijs beter te laten landen is de subsidieregeling overgang po-vo beschikbaar.

Tot slot verkennen we momenteel of er in groep 8 een breder schooladvies kan komen137 en bekijken we hoe scholen gestimuleerd kunnen worden om meer brede brugklassen aan te bieden, waarbij ook wordt gekeken naar een goede regionale spreiding.

De leden van de DENK-fractie constateren dat er verschillen bestaan tussen lerarenopleidingen in de kennis en vaardigheden die studenten opdoen en dat de bekwaamheidseisen in veel opleidingsroutes niet volledig zijn verwerkt in de leerdoelen van de onderwijseenheden. Deze leden wijzen erop dat hierdoor geen garantie bestaat dat alle (toekomstige) leraren over dezelfde kennis beschikken om recht te doen aan de diversiteit in de klas. Deze leden vragen ons hoe wordt gewaarborgd dat de bekwaamheidseisen daadwerkelijk leidend worden in de opzet van de curricula van lerarenopleidingen, zodat de uitval van startende leraren op scholen met een complexe leerlingenpopulatie zal afnemen en de druk van personeelskrapte zich niet zal concentreren op een beperkt aantal scholen.

Recent heeft een vertegenwoordiging van de beroepsgroep van leraren, in goed overleg met de lerarenopleidingen en andere belanghebbenden in het onderwijsveld, een advies gegeven over de herijking van de bekwaamheidseisen. Dit advies vormt de basis voor de aanstaande wijziging van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel, dat komend najaar in internetconsultatie zal gaan. Met deze wijzigingen worden de bekwaamheidseisen scherper en concreter en sluiten ze beter aan op wat leraren, leerlingen, lerarenopleidingen en scholen nodig hebben.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sprake is van onderuitputting van meer dan € 67 miljoen op het budget voor studiefinanciering, onder andere door minder uitwonende studenten. Deze leden benadrukken dat het studentenleven veel duurder is geworden. Deze leden vragen ons het overschot dat gereserveerd was voor studiefinanciering in te zetten om de rente op studieleningen te verlagen. Indien hiertoe geen bereidheid bestaat, vragen deze leden waarom middelen die bedoeld zijn om studenten financieel te ondersteunen niet worden gebruikt om de financiële druk op studenten en oud-studenten te verlichten.

Het klopt dat er een meevaller is op de studiefinanciering doordat er relatief minder studenten uitwonend zijn. Deze middelen mogen, conform de begrotingsregels, niet worden ingezet voor een beleidsintensivering zoals de leden van DENK verzoeken. Daarnaast gaat het om een incidentele meevaller, voor de maatregel die de leden van DENK impliceren is structurele dekking nodig. Volledigheidshalve vermeldt de regering dat de studiefinancieringsbedragen mee stijgen met de prijzen, doordat deze jaarlijks worden geïndexeerd met het CPI.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sprake is van onderuitputting op het budget voor de bekostiging van het primair onderwijs, terwijl het aantal nieuw gestarte basisscholen hoger ligt dan eerder geraamd. Deze leden wijzen erop dat uit het SEO-rapport blijkt dat de startbekostiging voor nieuwe basisscholen, in het bijzonder voor scholen met nieuwe besturen, ontoereikend is en pas laat beschikbaar komt.138 Deze leden vragen ons of er bereidheid is om de onderuitputting op dit budget in te zetten voor een pilot waarbij nieuwe scholen in het primair onderwijs al in de opstartfase een vervroegde bekostiging ontvangen, in plaats van alleen achteraf. Deze leden geven aan dat op die manier onderzocht kan worden of eerdere en hogere startbekostiging de financiële drempels voor nieuwe besturen daadwerkelijk verlaagt en de instroom van nieuwe scholen bevordert. Indien hiertoe geen bereidheid bestaat, vragen deze leden om een toelichting waarom vrijgevallen middelen niet worden ingezet om belemmeringen voor nieuwe onderwijsinitiatieven weg te nemen.

Nieuwe po- en vo-scholen ontvangen in mei of juni startbekostiging. Het kabinet is van plan de startbekostiging eerder in het jaar uit te keren, bijvoorbeeld in februari. Op die manier kunnen schoolbesturen de start van een school beter voorbereiden. Onderzoeksbureau SEO constateert dat de startbekostiging in het basisonderwijs niet toereikend is. Het kabinet neemt deze aanbeveling mee in de integrale afweging van beleidswensen bij de voorjaarsnota. Het aanpassen van de hoogte van de startbekostiging leidt tot structurele meerkosten. De genoemde onderuitputting is incidenteel.

De leden van de DENK-fractie constateren dat € 4,2 miljoen aan subsidiebudget voor het programma schoolmaaltijden onbenut is gebleven. Tevens constateren deze leden dat de ondersteuning via schoolmaaltijden, ondanks een toegenomen behoefte onder kinderen, niet langer wordt voortgezet tijdens de kerst- en zomervakantie. Deze leden vragen ons om het resterende overschot altijd in te zetten ten behoeve van deze kinderen, zoals het verstrekken van een eenmalig pakket met houdbare voedingsmiddelen. Indien hiertoe geen bereidheid bestaat, vragen deze leden om een nadere toelichting op deze keuze.

In 2025 is minder aangevraagd door het Jeugdeducatiefonds (JEF) en het Rode Kruis, degenen die het programma Schoolmaaltijden uitvoeren, dan er beschikbaar was, doordat de totale declaraties van de deelnemende scholen lager uitvielen dan geraamd. De middelen die in 2025 zijn overgebleven op het subsidiebudget voor het programma Schoolmaaltijden kunnen niet worden benut voor het voortzetten van de zomer- en winterpakketten in 2026, omdat dit een ander begrotingsjaar betreft.

De leden van de DENK-fractie constateren dat schoolleiders in het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs in toenemende mate te maken krijgen met islamofobe uitingen (18 procent). Deze leden vragen ons welke aanvullende stappen worden gezet om islamofobie in het onderwijs terug te dringen, hoe scholen worden ondersteund bij het signaleren en aanpakken van islamofobe incidenten en op welke wijze wordt geborgd dat moslimleerlingen en -medewerkers zich veilig en gesteund weten binnen hun onderwijsinstelling.

Iedere vorm van discriminatie is ontoelaatbaar, ongeacht op wie het gericht is. Op school moet het veilig zijn voor leerlingen en voor personeel. Dit is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van het bestuur van een school, die op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht de plicht heeft om zorg te dragen voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht verschillen in bijvoorbeeld godsdienst. De inspectie controleert of het bestuur aan deze plicht voldoet.

Ten behoeve van het beter signaleren en aanpakken van discriminatie en sociale onveiligheid in algemene zin, kunnen schoolbesturen en scholen gebruikmaken van de ondersteuning van Stichting School en Veiligheid (SSV). Deze ondersteuning is gericht op het herkennen van discriminatie, het bespreekbaar maken van gevoelige onderwerpen en het adequaat handelen bij incidenten. Ook loopt er momenteel een actieonderzoek naar de aanpak van discriminatie en racisme in het onderwijs. Dit onderzoek heeft als belangrijkste doel het ontwikkelen van een inspiratiepakket voor onderwijsprofessionals over het ontwikkelen, uitvoeren en verankeren van een aanpak tegen discriminatie in het schoolbeleid. Het inspiratiepakket wordt in de eerste helft van 2027 opgeleverd. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie en versterking aanpak moslimdiscriminatie staat opgenomen welke stappen het ministerie zet met het oog op de Islamitisch-Nederlandse gemeenschap specifiek.

De leden van de DENK-fractie constateren dat sommige studenten die zich op universiteiten en hogescholen uitspreken over de genocide in Gaza zich psychisch onveilig voelen door de handelingskaders binnen hun onderwijsinstelling. Deze leden vragen ons hoe de psychische en fysieke veiligheid van studenten die zich hierover uitspreken wordt gewaarborgd.

De instellingen zijn verantwoordelijk voor een veilige leeromgeving van studenten. Universiteiten en hogescholen vinden het van belang om een open en veilige instelling te zijn voor studenten en medewerkers, met ruimte voor diversiteit van perspectieven en open dialoog. De instellingen respecteren daarbij de grondrechten van demonstratierecht en vrijheid van meningsuiting. Dat betekent overigens niet dat alles mag: demonstraties moeten altijd plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en de huis- en gedragsregels van de instelling.

Instellingen hebben verschillende maatregelen getroffen om te zorgen voor een veilige en open werk- en leeromgeving voor alle studenten en medewerkers. Zo worden op universiteiten en hogescholen diverse initiatieven genomen om het (academisch) debat binnen de (academische) gemeenschap te bevorderen op een manier die past binnen de traditie van de gemeenschap en het leren van en met elkaar in het onderwijs.

Over de voortgang van de aanpak ten aanzien van de veiligheid op hogescholen en universiteiten, en de maatregelen die de instellingen zelf hebben genomen, wordt uw Kamer geïnformeerd via brieven van juli 2025, december 2025 en april 2026.139 Zoals aan uw Kamer toegezegd, ontvangt uw Kamer dit najaar een update van de zorgplicht sociale veiligheid en hoe hier invulling aan wordt gegeven. Ook blijven we met bestuurders van instellingen en studenten(organisaties) in gesprek over het borgen van de sociale veiligheid van alle studenten en medewerkers.

De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat de genocide in Srebrenica wordt beschouwd als de grootste genocide in Europa sinds de Tweede Wereldoorlog en dat de VN tijdens de Algemene Vergadering in 2024 11 juli heeft aangewezen als internationale herdenkingsdag. Deze leden onderschrijven dat onderzoek toont dat er weinig aandacht wordt besteed in het onderwijs aan de genocide van Srebrenica.140 Deze leden vragen ons welke plaats de genocide in Srebrenica momenteel inneemt in het geschiedenis- en burgerschapsonderwijs in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Tevens vragen deze leden, indien deze genocide nog geen duidelijke plaats heeft in het geschiedenis- en burgerschapsonderwijs, of er bereidheid is om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan over hoe de genocide in Srebrenica een expliciete en feitelijke rol kan krijgen in het onderwijsprogramma en de Kamer hierover te informeren.

In de geactualiseerde kerndoelen geschiedenis en burgerschap voor het primair en voortgezet onderwijs wordt aandacht besteed aan noties als conflict, macht, onderdrukking, mensenrechten en genocide (op een manier die passend is bij de leeftijd van de doelgroep). De kerndoelen bieden daarmee ruimte en concrete handvatten om aandacht te besteden aan de genocide van Srebrenica.

De kerndoelen bevatten geen expliciete, limitatieve opsomming van de conflicten e.d. waaraan scholen aandacht moeten besteden. Ten eerste heeft dat te maken met de ruimte die scholen zelf hebben om keuzes te maken in hun onderwijsprogramma; daarnaast met het risico van een te overladen onderwijsprogramma. In de Canon van Nederland is een van de vijftig vensters gewijd aan Srebrenica. De Canon is een interactieve website met didactisch materiaal, die in opdracht van de overheid in 2006 ontwikkeld en in 2020 herijkt is. De vijftig vensters “nemen je mee langs de belangrijkste gebeurtenissen, personen en voorwerpen uit de Nederlandse geschiedenis” (www.canonvannederland.nl). De Canon wordt op de meerderheid van de basisscholen gebruikt, en ook op veel middelbare scholen.

De actualisatie van de examenprogramma’s vo geschiedenis loopt nog: vanaf september 2027 zullen de conceptprogramma’s worden “beproefd”, waarna in september 2028 de definitieve conceptexamenprogramma’s geschiedenis zullen worden opgeleverd. De inhoud van deze examenprogramma’s is dus nog niet bekend.

Het mbo bouwt daarop voort, waarbij studenten kennis en vaardigheden leren te verbinden aan hun rol als burger in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Mbo-instellingen hebben bijvoorbeeld de ruimte om hier binnen het burgerschapsonderwijs aandacht aan te besteden. Het is aan instellingen en docenten om, passend bij hun visie en doelgroep, invulling te geven aan het onderwijsprogramma.

Inbreng van de leden van de Groep Markuszower

De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Staat van het Onderwijs 2026 en de bijbehorende beleidsreactie. Deze leden maken zich ernstige zorgen over de aanhoudende daling van de onderwijskwaliteit en de effectiviteit van het gevoerde beleid.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons hoe de voortdurende en omvangrijke daling van de prestaties op leesvaardigheid en woordenschat in de onderbouw van het voortgezet onderwijs wordt verklaard en waarom de miljardeninvesteringen via het Masterplan basisvaardigheden na jaren nog steeds niet tot een meetbare trendbreuk hebben geleid. Deze leden vragen om een reactie op het feit dat een derde van de scholen in het funderend onderwijs er zelfs na een herstelonderzoek niet in slaagt om de basiskwaliteit te bereiken en welk concreet instrumentarium de inspectie gaat inzetten om dit hardnekkige falen van schoolbesturen te doorbreken.

Er is niet één verklaring voor de dalende leerprestaties. Onder andere de tekorten aan personeel, het verouderde curriculum en de hoeveelheid aan maatschappelijke opdrachten voor het onderwijs hebben hier invloed op. Dat geldt ook voor bredere maatschappelijke trends, zoals digitalisering en ontlezing. Om het tij te keren is de afgelopen jaren veel in gang gezet en is recent de Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden aangekondigd.

Alle interventies van de inspectie zijn gericht op verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Als een school er niet in slaagt om binnen een jaar tot herstel te komen, kan de inspectie haar toezicht aanscherpen en is verdere escalatie mogelijk. Het blijven steeds de instellingen en hun besturen die aan de lat staan voor het feitelijk realiseren van beter onderwijs en betere resultaten.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons hoe wordt verantwoord dat in de steekproef 40 procent van de onderzochte mbo-opleidingen als onvoldoende of zeer zwak is beoordeeld en waarom met name een gebrek aan ‘studiesucces’ hierbij de meest doorslaggevende negatieve factor blijkt te zijn.

Zoals eerder aangegeven in het antwoord op de vraag van de leden van JA21-fractie wordt het grote aantal onvoldoendes in grote mate bepaald door onvoldoende onderwijsresultaten. Te veel studenten verlaten de opleiding voordat ze een diploma hebben behaald. Om dit te verbeteren hebben we een stap gezet met de Wet van School naar Duurzaam Werk, die per 1 januari van dit jaar van kracht is geworden. Hiermee zetten we alles op alles om dit tij te keren. We zetten hiermee in op een succesvolle begeleiding van jongeren terug naar het onderwijs, werk of een combinatie van beiden. Hierover bent u onlangs per brief geïnformeerd.

Daarnaast zijn we met de inspectie in gesprek om bij het nieuwe onderzoekskader van de inspectie, dat per augustus 2027 van kracht zal worden, de onderwijsresultaten anders mee te laten wegen bij het eindoordeel voor de gehele opleiding. De kwaliteit van opleidingen wordt namelijk niet alleen door de onderwijsresultaten bepaald maar ook door factoren zoals het zicht op de ontwikkeling en de begeleiding van studenten, het handelen van docenten in de klas, de veiligheid op de opleidingen, de kwaliteit van de stages en de kwaliteitszorg. Daarnaast spelen ook andere factoren een rol in het behalen van onderwijsresultaten die meer in de persoonlijke levenssfeer van studenten zitten. Bijvoorbeeld de mentale gezondheid van de student, de thuissituatie en de (financiële) ondersteuning die de student van huis uit krijgt. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen er ook voor zorgen dat studenten uitvallen, ondanks goed onderwijs. Momenteel wegen de onderwijsresultaten betrekkelijk zwaar mee in de beslissing voor het eindoordeel van een opleiding. Bij onvoldoende onderwijsresultaten wordt een opleiding nu vaak automatisch aangeduid als volledig onvoldoende, terwijl andere factoren die de kwaliteit beïnvloeden weldegelijk op orde zijn.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons waarom het aantal ongeoorloofd thuiszittende kinderen is gestegen naar ruim 19.000 en waarom het streven naar inclusief onderwijs in de praktijk juist lijkt te leiden tot een verdere toename van leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs (vso), wat de druk op de kwaliteit in het regulier onderwijs alleen maar verder vergroot.

Op 21 mei jl. is uw Kamer geïnformeerd over de meest recente leerplichttelling waarin de verzuimcijfers over het schooljaar 2024-2025 zijn weergeven. Het totale schoolverzuim – zo blijkt uit deze rapportage – stijgt al enige jaren. Dit betreft met name het absoluut verzuim, waarbij leerplichtige kinderen geen schoolinschrijving hebben. Belangrijke verklarende factoren is de de komst van nieuwkomers in het Nederlandse onderwijs, onder andere door de oorlog in Oekraïne.141 142 Ook spelen de wachttijden in het gespecialiseerd onderwijs en in de jeugdhulp en de administratieve ruis in de gemeentelijke administratie een belangrijke rol.143 144 Het betreft in mindere mate het langdurig relatief verzuim, waarbij ingeschreven leerlingen meer dan vier weken ongeoorloofd afwezig zijn. Het kabinet ziet dit als een zorgelijke ontwikkeling en zet zodoende al enkele jaren in op het terugdringen van verzuim en heeft hiertoe onder meer meerdere wetsvoorstellen in voorbereiding, zoals het wetsvoorstel terugdringen schoolverzuim en het wetsvoorstel maatwerk. Over onder meer deze maatregelen en verklaringen van de stijging is uw Kamer op 21 mei jl. geïnformeerd.

Het streven naar inclusief onderwijs wordt momenteel uitgewerkt in een transitieplan dat begin 2027 met uw Kamer zal worden gedeeld. Uitgangspunt daarbij is dat kinderen zo veel mogelijk samen naar school gaan, in de eigen buurt. En dus juist een afname van het speciaal onderwijs, hoewel dit soort voorzieningen ook in de toekomst naar verwachting nodig zullen blijven.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons welk moreel en politiek oordeel wordt geveld over de bevinding dat de helft van het bovenmatige publieke eigen vermogen van bijna een miljard euro geconcentreerd is bij slechts 7 procent van de besturen, terwijl op andere scholen leerlingen de dupe zijn van tekorten.

Wij vinden het belangrijk dat geld voor onderwijs terechtkomt waarvoor het bedoeld is, namelijk bij de leerlingen en in de klas. Meer eigen vermogen dan noodzakelijk is dan ook niet wenselijk. Dat een groot deel van het totale bovenmatig eigen vermogen bij een klein deel van de schoolbesturen zit, kan grotendeels verklaard worden doordat de omvang van schoolbesturen in het funderend onderwijs verschilt. Door hun omvang hebben grotere schoolbesturen een relatief groot aandeel van het totale mogelijk bovenmatig eigen vermogen, zelfs als hun eigen mogelijk bovenmatige vermogen niet uitzonderlijk hoog is. De afgelopen jaren zien we dat het mogelijk bovenmatig eigen vermogen in het primair onderwijs en voortgezet onderwijs in algemene zin aan het dalen is. Het is belangrijk om de vinger aan de pols te houden, onder andere via het dashboard Financiële Positie Onderwijs. In het bestuurstoezicht van de inspectie is het mogelijk bovenmatig vermogen altijd onderwerp van gesprek, als het publiek eigen vermogen van het bestuur boven de signaleringswaarde uitkomt.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons om een toelichting op de zorgwekkende stijging van het aantal meldingen van fysiek geweld en de verdubbeling van incidenten met vuurwerk of brandstichting op scholen. Deze leden vragen hoe de sociale veiligheid kan worden gegarandeerd als ruim een kwart van de vo-scholen niet eens voldoet aan de minimale wettelijke eisen voor veiligheidsbeleid.

Het is van groot belang dat scholen hun veiligheidsbeleid op orde hebben. Bij een kwart van de vo-scholen is dit niet het geval, en geeft de inspectie herstelopdrachten, bijvoorbeeld omdat het veiligheidsbeleid niet past bij de leerlingenpopulatie, niet samenhangend is of niet gebaseerd is op de monitoring van de veiligheid. Dit is een zorgelijk beeld. Het is van belang dat besturen en scholen in het vo hier nog meer werk van maken, want leerlingen verdienen een veilige school. Dat begint met de basis: gedragen normen binnen de school, het consequent en eenduidig toepassen daarvan en handhaven waar nodig. Het betekent tevens: weten wat er leeft onder de leerlingen, zodat de school preventief kan handelen. En uiteindelijk betekent goed veiligheidsbeleid ook sanctioneren waar nodig. Scholen kunnen onder bepaalde voorwaarden overgaan tot bijvoorbeeld kluisjescontrole. Schorsing en in het uiterste geval verwijdering behoren tot de mogelijkheden van scholen en worden ook toegepast. Bij vermoedens van strafbare feiten roept het kabinet scholen op om aangifte te doen. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen hierbij.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons waarom het voor lerarenteams en schoolleiders nog steeds ‘onduidelijk’ is hoe te handelen bij ernstig pestgedrag, terwijl burgerschapsonderwijs een wettelijke kernopdracht is. Deze leden vragen of de professionalisering en de concrete aansturing vanuit het ministerie hier niet fundamenteel tekortschieten.

Scholen moeten verplicht antipestbeleid maken en hiervoor ook een antipestcoördinator aanstellen. Daarnaast stimuleren we scholen om gebruik te maken van waar mogelijk bewezen effectieve antipestmethoden. Het Nationaal Jeugdinstituut heeft met dit doel een kennisbank ontwikkeld. Tegelijkertijd is pesten een hardnekkig fenomeen en vraagt een antipestaanpak altijd een doorvertaling naar de specifieke context van school, pester(s) en gepeste(n), binnen de pedagogische aanpak van de school en het team.

Dit kabinet investeert in de professionalisering van leraren en in de versterking van de positie van schoolleiders, omdat zij samen de sleutel vormen tot goed onderwijs én een veilig leerklimaat. Professionalisering is niet alleen een individuele verantwoordelijkheid, maar juist ook een gezamenlijke. Een professionele leraar maakt deel uit van een professioneel team, waarin leraren en schoolleiders samen verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit en veiligheid van het onderwijs. Dat betekent dat zij signalen van pesten tijdig herkennen, hierover met elkaar en met leerlingen in gesprek gaan, gezamenlijk handelen en hun aanpak blijven evalueren en verbeteren. Scholen staan daarin niet alleen; zij worden ondersteund door Stichting School & Veiligheid.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons hoe het mogelijk is dat Nederlandse leraren binnen een lesuur gemiddeld 30 procent van hun tijd kwijt zijn aan orde houden en administratie, waardoor zij aanzienlijk minder effectief zijn dan hun internationale collega’s. Deze leden vragen welke directe maatregelen worden genomen om deze enorme verspilling van onderwijstijd te stoppen.

De invulling van het onderwijs is de primaire verantwoordelijkheid van de school in samenspraak met het onderwijspersoneel en de MR. Daar kan een effectieve invulling van de lestijd onderdeel van zijn. Zowel scholen, inspectie en het bestuursdepartement hebben een verantwoordelijkheid om de administratieve lasten te verlagen. In de brief lerarenbeleid van juli jl. hebben we u geïnformeerd over de acties die we hierop nemen. Dit zorgt er voor dat meer tijd kan gaan naar onderwijstijd.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons hoe wordt aangekeken tegen de digitale weerbaarheid van het onderwijs nu 80 procent tot 88 procent van de leraren aangeeft niet over de benodigde kennis te beschikken om AI veilig en effectief in te zetten, terwijl leerlingen en studenten deze technologie inmiddels massaal en ongecontroleerd gebruiken.

Om leraren voldoende kennis te geven over het veilig gebruik van AI, werkt het nationaal Groeifondsprogramma Nationaal Onderwijslab AI (NOLAI) samen met leraren, scholen, wetenschap en bedrijven aan verantwoorde educatieve AI, waarbij leraren vanaf de start betrokken zijn. Een van de onderzoekslijnen richt zich specifiek op wat aanstaande, beginnende en vakbekwame leraren nodig hebben om succesvol met AI te werken.

Daarnaast verkent Kennisnet145 hoe een publieke AI-voorziening eruit moet zien voor het funderend onderwijs, waarin scholen op een veilige manier gebruik kunnen maken van (generatieve) AI en zelf de regie houden. Het AI-toetsingskader van SIVON146 en Kennisnet helpt scholen (en leveranciers) te beoordelen of AI-systemen voldoen aan de eisen van de Europese AI-verordening.

Verder werken wij, zoals eerder toegezegd in de Kamerbrief over digitalisering in het funderend onderwijs147, samen met onderwijspartijen aan het Regieplan Digitalisering Funderend Onderwijs. In het hoofdstuk ‘nieuwe technologieën en AI’ worden bovenstaande kennis en interventies bij elkaar gebracht om ervoor te zorgen dat AI verantwoord kan bijdragen aan goed, veilig en kansrijk onderwijs. Dat vraagt om publieke regie, heldere kaders en beter inzicht in wat werkt. De Tweede kamer ontvangt het Regieplan in het najaar van 2026.

In het vervolgonderwijs helpt SURF148 de instellingen om aan de AI-verordening te voldoen. Vanuit het programma Npuls, het nationaal groeifondsprogramma waarin wordt gebouwd aan een toekomstbestendig vervolgonderwijs, wordt gezamenlijk actief gewerkt aan een verantwoorde en doordachte inzet van AI in het vervolgonderwijs, onder andere door een veilige AI-voorziening beschikbaar te stellen aan alle studenten en docenten in het vervolgonderwijs en door de versterking van de digitale vaardigheden van studenten en docenten, zoals via Centers for Teaching and Learning (CTL’s).

De leden van de Groep Markuszower vragen ons waarom de ‘wieg’ nog steeds zo bepalend is voor de onderwijsloopbaan, gezien de alarmerende constatering dat leerlingen in de Randstad bij een gelijk toetsadvies vaker op een hogere schoolsoort belanden dan leerlingen in regio’s buiten de Randstad.

De regio waar je opgroeit mag niet bepalend zijn voor de kansen die je krijgt. Het is van groot belang voor de onderwijskansen en leerprestaties van leerlingen dat zij een passend schooladvies krijgen voor het voortgezet onderwijs. Hierin speelt de doorstroomtoets als tweede objectief gegeven en de maatregel ‘bijstellen schooladvies’ een belangrijke rol. Circa 28 procent van de leerlingen laat op grond van de doorstroomtoets zien meer uitdaging aan te kunnen dan uit het voorlopig schooladvies blijkt.149 De doorstroomtoets maakt het mogelijk het schooladvies bij te stellen, waardoor meer leerlingen een definitief schooladvies krijgen dat past bij hun vaardigheden. Landelijk gezien krijgen hierdoor ongeveer 3 op de 4 leerlingen die op de toets laten zien meer uitdaging aan te kunnen, een bijgesteld schooladvies. Vóór invoering van de doorstroomtoets was dit maar 1 op de 3 leerlingen. Daarmee zijn -bij gelijke toetsprestaties- achtergrondkenmerken de afgelopen jaren minder belangrijk geworden in het definitieve schooladvies.

We zijn in gesprek met verschillende partijen, waaronder de inspectie en de PO-raad, over wat de reden kan zijn voor regionale verschillen in de bijstellingscijfers.

De leden van de Groep Markuszower vragen ons om een reactie op de bevinding dat de curricula van voltijd pabo-opleidingen niet alle wettelijk verplichte bekwaamheidscategorieën dekken in hun leerdoelen. Deze leden vragen hoe de kwaliteit van het onderwijs kan worden gegarandeerd als de basisopleiding van nieuwe leraren gaten vertoont op het gebied van essentiële bekwaamheden.

De leden van de Groep Markuszower verwijzen naar een inventariserend onderzoek naar de curricula van 47 voltijdroutes die opleiden tot leraar basisonderwijs dat in opdracht van de Inspectie van het Onderwijs is uitgevoerd en waarvan de resultaten in september 2025 zijn gepubliceerd. De beleidsreactie op dit onderzoek vindt u in de bijlage bij de voortgangsbrief lerarenstrategie van december 2025.150 De onderzoekers concluderen “dat leraren aan het eind van hun opleiding uiteenlopende kennis en vaardigheden meekrijgen en dat de meeste routes de bekwaamheidseisen niet volledig hebben verwerkt in de leerdoelen van hun onderwijseenheden.” Het rapport biedt waardevolle inzichten. In het rapport wordt overigens opgemerkt dat het onderzoek methodologische beperkingen kent, vooral de afhankelijkheid van aangeleverde documentatie en de moeilijk te interpreteren leerdoelen, die de representativiteit en betrouwbaarheid mogelijk hebben beïnvloed.

De kwaliteit van de lerarenopleidingen is geborgd in het accreditatiestelsel zoals dat geldt voor alle opleidingen in het hoger onderwijs. Het is de verantwoordelijkheid van de onderwijsinstellingen om de wettelijke bekwaamheidseisen in de curricula tot uitdrukking te laten komen. Opleidingen zijn zelf verantwoordelijk voor het vormgeven van het curriculum en het daarbij borgen van de wettelijke bekwaamheidseisen. Tijdens de accreditatie wordt dit ook beoordeeld. Daarbij wordt zowel de beoogde als de gerealiseerde leerresultaten betrokken. Uit de accreditatie van lerarenopleidingen blijkt dat de algehele kwaliteit op orde is.

Het kabinet heeft de ambitie om de lerarenopleidingen te versterken door het creëren van één stevig, landelijk fundament voor de curricula van de lerarenopleidingen. De aanstaande nieuwe landelijke kennisbases en nieuwe concretere bekwaamheidseisen vormen hierin de eerste stappen.


  1. Kamerstuk 36945-VIII, nr. 1, p. 15↩︎

  2. Bouwman, L., Ruitenbeek, M. & Wit, R. de (2025). Onderzoek Overhead in het onderwijs. Eindrapportage. Utrecht: Infinite Financieel b.v.; Kamerstuk 2025D50350↩︎

  3. Bouwman, L., e.a. (2025), p. 59↩︎

  4. Kamerstuk 36800-VIII, nr. 148, p. 3↩︎

  5. Inspectie van het Onderwijs (2026b). De Staat van het Onderwijs 2026. Kamerstuk 2026D17793, p. 32↩︎

  6. Inspectie van het Onderwijs (2026b), p. 38↩︎

  7. Inspectie van het Onderwijs (2026b), p. 40 en Inspectie van het Onderwijs (2026a). Technisch rapport financieel beheer, tabel 7 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2026/04/15/technisch-rapport-financieel-beheer)↩︎

  8. Inspectie van het Onderwijs (2026a), tabel 10↩︎

  9. Algemene Rekenkamer (2026), p. 41.↩︎

  10. Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 1, p. 21.↩︎

  11. (v)so: (voortgezet) speciaal onderwijs.↩︎

  12. OCWincijfers, (Voortgezet) speciaal onderwijs (https://www.ocwincijfers.nl/themas/passend-onderwijs/speciaal-voortgezet-onderwijs (geraadpleegd 18-6-2026).↩︎

  13. Kamerstuk 2026D23609.↩︎

  14. Kamerstuk 2020D44087.↩︎

  15. Kamerstuk 31 497, nr. 377.↩︎

  16. Middelbeek, L., Roode, J. de, Vleskens, M., Middelkoop, L. & Eck, P. van (2026). Monitoronderzoek Wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs: Peiling 4, najaar 2025. Utrecht: Oberon. Kamerstuk 2026D23606.↩︎

  17. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs.↩︎

  18. Wet op de Expertisecentra, artikel 40 lid 15.↩︎

  19. Kamerstuk 31 497, nr. 513.↩︎

  20. Kamerstuk 31 497, nr. 513, p. 1.↩︎

  21. Kamerstuk 31 511, nr. 67.↩︎

  22. Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 153, p. 3. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de motie Haage (Kamerstuk 36740-VIII, nr. 11).↩︎

  23. DUO, Dashboard kansengelijkheid en onderwijssegregatie (https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/Kansengelijkheid/).↩︎

  24. Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 1, tabel 8 en tabel 12.↩︎

  25. Kamerstuk 2026D24153.↩︎

  26. Kamerstuk 31 511-67, p. 9.↩︎

  27. Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 1, p. 16.↩︎

  28. Zie bijvoorbeeld Nuffic (2025). Inkomende diplomamobiliteit in het Nederlandse hbo en wo 2024‑25 (https://www.nuffic.nl/onderzoek-en-cijfers/onderzoeken/inkomende-diplomamobiliteit-in-het-hbo-en-wo-2024-25#:~:text=De%20laatste%20feiten%20en%20cijfers,met%20het%20studiejaar%202024%2D25)↩︎

  29. OCWincijfers, Beleidsindicatoren Hoger Onderwijs 2025 (https://www.ocwincijfers.nl/begroten-en-verantwoorden/sectoren/hoger-onderwijs/2025) (geraadpleegd 10-6-2026)↩︎

  30. OCWincijfers, Grip op internationale studentenstroom (https://www.ocwincijfers.nl/begroten-en-verantwoorden/begrotingsjaren/2026/een-sterke-basis-en-hoge-kwaliteit/grip-op-internationale-studenten) (geraadpleegd 20-6-2026)↩︎

  31. Inspectie van het Onderwijs (2025). Technisch rapport Hoger Onderwijs – De Staat van het Onderwijs 2025 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/04/16/technisch-rapport-hoger-onderwijs). En Inspectie van het Onderwijs (2025). Sectorbeeld – De Staat van het Hoger Onderwijs 2025 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/04/16/sectorbeeld-de-staat-van-het-hoger-onderwijs)↩︎

  32. Zie bijvoorbeeld UNL: https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/instructietaal-opleidingen-per-sector-en-universiteit (geraadpleegd 10-6-2026) en https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/internationale-studenten (geraadpleegd 10-6-2026)↩︎

  33. Kamerstuk 22 452, nr. 93, p. 3.↩︎

  34. Kamerstuk 2026D32380, bijlage Kamerstuk 36 945-VIII, nr. 9, p. 22-23.↩︎

  35. Vve: voor- en vroegschoolse educatie↩︎

  36. Onderwijsblad, juni 2026, Onderwijsinspectie belooft schoolbesturen elke vier jaar te onderzoeken, maar dat lukt bij lange na niet (https://www.aob.nl/actueel/artikelen/onderwijsinspectie-belooft-schoolbesturen-elke-vier-jaar-te-onderzoeken-maar-dat-lukt-bij-lange-na-niet/)↩︎

  37. Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 93.↩︎

  38. Kamerstuk 31 293, nr. 791.↩︎

  39. Kamerstuk 2026D07708↩︎

  40. PAX, maart 2020, Veilig Gebied? Srebrenica in het Nederlandse onderwijs (https://paxvoorvrede.nl/wp-content/uploads/import/import/pax-rapport-srebrenica-in-het-nederlands-geschiedenisonderwijs.pdf)↩︎

  41. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 945-VIII, nr. 1, p. 15↩︎

  42. Bouwman, L., Ruitenbeek, M. & Wit, R. de (2025). Onderzoek Overhead in het onderwijs. Eindrapportage. Utrecht: Infinite Financieel b.v.; Kamerstuk 2025D50350↩︎

  43. Bouwman, L., e.a. (2025), p. 59↩︎

  44. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 148, p. 3↩︎

  45. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 293-VIII, nr. 879.↩︎

  46. Inspectie van het Onderwijs (2026b). De Staat van het Onderwijs 2026. Kamerstuk 2026D17793, p. 32↩︎

  47. Inspectie van het Onderwijs (2026b), p. 38↩︎

  48. Inspectie van het Onderwijs (2026b), p. 40 en Inspectie van het Onderwijs (2026a). Technisch rapport financieel beheer, tabel 7 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2026/04/15/technisch-rapport-financieel-beheer)↩︎

  49. Inspectie van het Onderwijs (2026a), tabel 10↩︎

  50. Algemene Rekenkamer (2026), p. 41.↩︎

  51. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 945-VIII, nr. 1, p. 21.↩︎

  52. OCWincijfers, (Voortgezet) speciaal onderwijs (https://www.ocwincijfers.nl/themas/passend-onderwijs/speciaal-voortgezet-onderwijs (geraadpleegd 18-6-2026).↩︎

  53. (v)so: (voortgezet) speciaal onderwijs.↩︎

  54. Kamerstuk 2026D23609.↩︎

  55. Kamerstuk 2020D44087.↩︎

  56. Kamerstukken II, 2020/2021, 31 497-VIII, nr. 377.↩︎

  57. Middelbeek, L., Roode, J. de, Vleskens, M., Middelkoop, L. & Eck, P. van (2026). Monitoronderzoek Wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs: Peiling 4, najaar 2025. Utrecht: Oberon. Kamerstuk 2026D23606.↩︎

  58. DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs.↩︎

  59. Wet op de Expertisecentra, artikel 40 lid 15.↩︎

  60. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 497-VIII, nr. 513.↩︎

  61. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 497-VIII, nr. 513, p. 1.↩︎

  62. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 511-VIII, nr. 67.↩︎

  63. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 153, p. 3. Hiermee wordt opvolging gegeven aan de motie Haage (Kamerstukken II, 2024/2025, 36740-VIII, nr. 11).↩︎

  64. DUO, Dashboard kansengelijkheid en onderwijssegregatie (https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/Kansengelijkheid/).↩︎

  65. https://www.ocwincijfers.nl/themas/kansengelijkheid↩︎

  66. Betere doorstroom naar en binnen het voortgezet onderwijs | OCW in cijfers↩︎

  67. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 945-VIII, nr. 1, tabel 8 en tabel 12.↩︎

  68. Kamerstuk 2026D24153.↩︎

  69. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 511-67-VIII, p. 9.↩︎

  70. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 945-VIII, nr. 1, p. 16.↩︎

  71. Zie bijvoorbeeld Nuffic (2025). Inkomende diplomamobiliteit in het Nederlandse hbo en wo 2024‑25 (https://www.nuffic.nl/onderzoek-en-cijfers/onderzoeken/inkomende-diplomamobiliteit-in-het-hbo-en-wo-2024-25#:~:text=De%20laatste%20feiten%20en%20cijfers,met%20het%20studiejaar%202024%2D25)↩︎

  72. OCWincijfers, Beleidsindicatoren Hoger Onderwijs 2025 (https://www.ocwincijfers.nl/begroten-en-verantwoorden/sectoren/hoger-onderwijs/2025) (geraadpleegd 10-6-2026)↩︎

  73. OCWincijfers, Grip op internationale studentenstroom (https://www.ocwincijfers.nl/begroten-en-verantwoorden/begrotingsjaren/2026/een-sterke-basis-en-hoge-kwaliteit/grip-op-internationale-studenten) (geraadpleegd 20-6-2026)↩︎

  74. Inspectie van het Onderwijs (2025). Technisch rapport Hoger Onderwijs – De Staat van het Onderwijs 2025 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/04/16/technisch-rapport-hoger-onderwijs). En Inspectie van het Onderwijs (2025). Sectorbeeld – De Staat van het Hoger Onderwijs 2025 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/2025/04/16/sectorbeeld-de-staat-van-het-hoger-onderwijs)↩︎

  75. Zie bijvoorbeeld UNL: https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/instructietaal-opleidingen-per-sector-en-universiteit (geraadpleegd 10-6-2026) en https://www.universiteitenvannederland.nl/onderwerpen/onderwijs/internationale-studenten (geraadpleegd 10-6-2026)↩︎

  76. Kamerstukken II, 2025/2026, 22 452-VIII, nr. 93, p. 3.↩︎

  77. Definitie internationale student: geen vooropleiding voor ho in Nederland (of onbekende vooropleiding voor ho) én geen Nederlandse nationaliteit↩︎

  78. Inkomende diplomamobiliteit in het hbo en wo 2025-26 | Nuffic↩︎

  79. Informatie over verschillen tussen instellingen en studierichtingen: Interactieve dashboards | Nuffic↩︎

  80. UNL-dashboard instructietaal. Te raadplegen via: Instructietaal opleidingen, per sector en universiteit | Universiteiten van Nederland↩︎

  81. Zelfregieplan VH 2024.↩︎

  82. Kamerstuk 2026D32380, bijlage Kamerstukken II, 2025/2026, 36 945-VIII, nr. 9, p. 22-23.↩︎

  83. Instructietaal opleidingen, per sector en universiteit | Universiteiten van Nederland↩︎

  84. https://open.overheid.nl/documenten/ronl-cc009d8ad335c1154bfdcf845c12db5f4ada8a81/pdf↩︎

  85. Vve: voor- en vroegschoolse educatie↩︎

  86. https://www.platformsamenopleiden.nl/wp-content/uploads/2025/09/Herijking-bekwaamheidseisen-leraar.pdf↩︎

  87. Kamerstukken II, 2025-2026, 36 800-VIII, nr. 89.↩︎

  88. Kamerstukken II, 2025 – 2026, 27 923-VIII, nr. 539.↩︎

  89. Kamerstukken II, 2025/2026, 27 923-VIII, nr. 539.↩︎

  90. Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) artikel 1.3, vijfde lid.↩︎

  91. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 293-VIII, nr. 874.↩︎

  92. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 148.↩︎

  93. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 148.↩︎

  94. Kamerstukken II, 2025/2026, 30 079- VIII, nr. 131.↩︎

  95. Kamerstukken II, 2025/2026, 31288, nr. 1265.↩︎

  96. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 288-VIII, nr. 1130.↩︎

  97. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 288-VIII, nr. 1261.↩︎

  98. Kamerstukken II, 2025/2026, 26 643-VIII, nr. 1535.↩︎

  99. Zie Voortgangsbrief kabinetsinzet economische veiligheid, Kamerstuk 30 821, nr. 332↩︎

  100. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 148↩︎

  101. Kamerstukken II, 2025/2026, 35 050-VIII, nr 64.↩︎

  102. Technisch rapport Kwaliteit van het onderwijs | Inspectie van het onderwijs

    Rapport De Staat van het Onderwijs 2026 | Inspectie van het onderwijs↩︎

  103. Kennisrotonde. (2025). Draagt een schoolbreed leesmoment op de basisschool bij aan de leesvaardigheid en het leesplezier van leerlingen? (KR. 2457)↩︎

  104. Stichting Lezen - Leesmonitor (2026). Vrij lezen vooral effectief met begeleiding.↩︎

  105. Kamerstukken II, 2025/26, 35 050-VIII, nr 64.↩︎

  106. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 289-VIII, nr. 611.↩︎

  107. Kamerstukken II, 2025/2026, 300 79-VIII, nr. 125.↩︎

  108. Handreiking Schooladvisering, versie december 2025: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/12/16/handreiking-schooladvisering-versie-december-2025↩︎

  109. Dashboard Kansengelijkheid: https://www.gelijke-kansen.nl/actueel/regionaal-datadashboard↩︎

  110. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 293-VIII, nr. 880.↩︎

  111. DUO Monitor schooladvies en doorstroomtoetsen: https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/publicaties/schooladvies-en-doorstroomtoetsen.jsp↩︎

  112. Onderwijsblad, juni 2026, Onderwijsinspectie belooft schoolbesturen elke vier jaar te onderzoeken, maar dat lukt bij lange na niet (https://www.aob.nl/actueel/artikelen/onderwijsinspectie-belooft-schoolbesturen-elke-vier-jaar-te-onderzoeken-maar-dat-lukt-bij-lange-na-niet/)↩︎

  113. Kamerstukken II, 2024/2025, 31 293-VIII, nr. 791.↩︎

  114. Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800-VIII, nr. 93.↩︎

  115. Kamerstukken II, 2025/26, 31 293-VIII, nr. 865.↩︎

  116. Kamerstukken II, 2024/25, 31 293-VIII, nr. 771; Kamerstukken II, 2022/23, 36 200-VIII, nr. 190; Kamerstukken II, 2023/24, 31 289-VIII, nr. 580.↩︎

  117. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800-VIII, nr. 93; Kamerstukken II, 2025/26, 36 800-VIII, nr. 104.↩︎

  118. Kamerstukken II, 2024/2025 31 293-VIII, nr. 791.↩︎

  119. Kamerstukken II, 2025/26, 31 293-VIII, nr. 865.↩︎

  120. Kamerstukken II, 2025/26, 36 800-VIII, nr. 182.↩︎

  121. https://open.overheid.nl/documenten/ronl-cc009d8ad335c1154bfdcf845c12db5f4ada8a81/pdf↩︎

  122. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2023/05/16/plan-van-aanpak-monitoring-en-evaluatie-masterplan-basisvaardigheden↩︎

  123. Algemene Rekenkamer 2024: Op weg naar gelijke kansen in het middelbare beroepsonderwijs (Kamerstuk 31 524, nr. 600)↩︎

  124. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 153↩︎

  125. Kamerstukken II, 2025/26, 36 945-VIII, nr. 6.↩︎

  126. Kamerstukken II, 2025/26, 35 050-VIII, nr 64.↩︎

  127. Dashboard Kansengelijkheid | Gelijke kansen↩︎

  128. DUO Monitor schooladvies en doorstroomtoetsen: https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/publicaties/schooladvies-en-doorstroomtoetsen.jsp↩︎

  129. Kamerstukken II, 2025-2026, 30 079-VIII, nr. 125.↩︎

  130. Van Den Berge, W., Röttger, R., Inspectie van het Onderwijs, Goos, E. Al., Smits, E. de V., & Van Den Berge, E. T. W. (2015). Arbeidsmarktkansen van stapelaars in het mbo. In Onderwijs & Wetenschap ESB: Vol. Jaargang 100 (4721).↩︎

  131. DUO Monitor schooladvies en doorstroomtoetsen: https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/publicaties/schooladvies-en-doorstroomtoetsen.jsp↩︎

  132. Kamerstukken II, 2025/2026, 27923-VIII, nr. 539.↩︎

  133. DUO-monitor Schooladvies en doorstroomtoets 2024-2025↩︎

  134. Handreiking Schooladvisering, versie december 2025: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2025/12/16/handreiking-schooladvisering-versie-december-2025↩︎

  135. Dashboard Kansengelijkheid: https://www.gelijke-kansen.nl/actueel/regionaal-datadashboard↩︎

  136. DUO Monitor schooladvies en doorstroomtoetsen: https://duo.nl/open_onderwijsdata/primair-onderwijs/publicaties/schooladvies-en-doorstroomtoetsen.jsp↩︎

  137. Kamerstukken II, 2025/2026, 31 293-VIII, nr. 880.↩︎

  138. Kamerstuk 2026D07708.↩︎

  139. Kamerstukken II, 2024/2025, 29 240-VIII, nr. 175; Kamerstukken II, 2025/2026, 30 950-VIII, nr. 515; Kamerstukken II, 2025/2026, 29 240-VIII, nr. 179.↩︎

  140. PAX, maart 2020, Veilig Gebied? Srebrenica in het Nederlandse onderwijs (https://paxvoorvrede.nl/wp-content/uploads/import/import/pax-rapport-srebrenica-in-het-nederlands-geschiedenisonderwijs.pdf)↩︎

  141. KBA Nijmegen. (2025). Beter zicht op verzuim.↩︎

  142. SEO, Sardes, CAOP en Pharos (2026). Van tijdelijke opvang naar duurzame deelname.↩︎

  143. KBA Nijmegen. (2025). Beter zicht op verzuim.↩︎

  144. Gemeente Amsterdam (2026). Waarom steeds meer kinderen niet naar school gaan en hoe we dat aanpakken.↩︎

  145. Kennisnet ondersteunt als publieke organisatie scholen bij een professionele inzet van ICT.↩︎

  146. SIVON is de ict-coöperatie van en voor het primair- en voortgezet onderwijs.↩︎

  147. Kamerstukken II, 2025/2026, 32 034, nr. 72.↩︎

  148. SURF is de ict-coöperatie van het Nederlandse mbo, hbo en wo onderwijs en onderzoek.↩︎

  149. DUO-monitor Schooladvies en doorstroomtoets 2024-2025↩︎

  150. Kamerstukken II, 2024/2025, 27 923-VIII, nr. 518↩︎