[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Nota naar aanleiding van het verslag

Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2027)

Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag

Nummer: 2026D50335, datum: 2026-10-20, bijgewerkt: 2026-10-21 11:10, versie: 3 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 37022 -21 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2027).

Onderdeel van zaak 2026Z18819:

Onderdeel van zaak 2026Z21873:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


37 022 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2027)

Nr. 21 Nota naar aanleiding van het verslag

Ontvangen 20 oktober 2026

Inhoudsopgave

I. ALGEMEEN 3

1. Inleiding 3

2. Pakket Belastingplan 2027 3

3. Inkomensbeleid 10

4. Verhogen onbelaste reiskostenvergoeding en andere forfaitaire aftrekbedragen 38

5. Geleidelijker transitiepad youngtimerregeling 42

6. Verhogen aftrekpercentage energie-investeringsaftrek 48

7. Versoberen en afschaffen verhoogde zelfstandigenaftrek (startersaftrek) en startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid 50

8. Afschaffen aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten 59

9. Afschaffen bosbouwvrijstelling 74

10. Bevriezen aftoppingsgrens pensioen 78

11. Afschaffen gerichte vrijstelling branche-eigen producten 80

12. Verruimen forfaitaire regeling in de innovatiebox 86

13. Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat 90

14. Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7% 96

15. Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties 101

16. Afschaffen verlaagd btw-tarief voor sierteelt 103

17. Afschaffen verlaagd btw-tarief ballonvaarten 110

18. Tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s 112

19. Beëindigen teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen 113

20. Indexering alcoholaccijns 117

21. Afschaffen kleine brouwersregeling 121

22. Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine Europees Nederland 125

23. Aanpassingen afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie 133

24. Verhoging tarief belasting op leidingwater 139

25. Verlagen hoge tarief vliegbelasting 143

26. Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw 147

27. Verhoging belastingvrije kilometervergoeding en aanverwante regelingen BES eilanden 151

28. Verlaging benzineaccijns BES-eilanden 151

29. Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing 152

30. Budgettaire aspecten 152

31. Grenseffecten 153

32. EU-aspecten 154

33. Doenvermogen 155

34. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen 156

35. Uitzondering woningcorporaties van generieke renteaftrekbeperking vennootschapsbelasting 157

36. Box 3 160

II. OVERIG 166

I. ALGEMEEN

Inleiding

Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66, VVD, PRO, PVV, CDA, JA21, BBB, ChristenUnie en SGP.

Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.

Pakket Belastingplan 2027

De leden van de fractie van JA21 merken op dat de Afdeling advisering van de Raad van State (de Afdeling) niet alle maatregelen in het wetsvoorstel Belastingplan, zoals bij uw Kamer op Prinsjesdag 2026 ingediend, heeft kunnen beoordelen. Deze leden vragen het kabinet om aan te geven welke artikelen van het wetsvoorstel na ommekomst van het advies van de Afdeling zijn toegevoegd. Ook vragen deze leden of artikel LV één van deze toegevoegde artikelen is. De volgende bepalingen zijn na het advies van de Afdeling toegevoegd aan het wetsvoorstel Belastingplan 2027: artikel I, onderdelen A, J en K, artikel II, onderdeel A, artikel III, onderdeel A, artikel IV, artikel V, artikel VI, artikel VII, artikel VIII, artikel IX, artikel X, onderdelen C, D, E en F, artikel XI, onderdeel B, artikel XII, artikel XIII, artikel XIV, artikel XV, artikel XVI, artikel XVII, artikel XVIII, artikel XLVIII, artikel XLIX, artikel L, artikel LI, artikel LII, artikel LIII, artikel LIV, artikel LV en artikel LVI. Ingevolge artikel 3.3. van de WOO maakt het kabinet alle adviesaanvragen en de bijbehorende conceptwetsvoorstellen openbaar. Alle concepten van het pakket Belastingplan zijn te vinden op de website van rijksfinanciën1.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het niet voorleggen van artikel LV aan de Afdeling zich verhoudt tot aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze leden vragen of het kabinet alsnog bereid is om de Afdeling om advies te vragen over het aangepaste geheel. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet het verstandig acht om over het voorliggende wetsvoorstel een aanvullend advies aan de Afdeling te vragen. Aanwijzing 7.15 schrijft voor dat ingrijpende wijzigingen van een wetsvoorstel, na ontvangst van advies van de Afdeling, aan de Afdeling worden voorgelegd. Zoals het kabinet in het nader rapport heeft toegelicht, is zij van mening dat er bij de recent toegevoegde maatregelen geen sprake is van een ingrijpende wijzigingen, omdat sprake is van parameterwijzigingen. Het kabinet is om deze reden niet voornemens om alsnog aanvullend advies te vragen over het Belastingplan 2027.

Artikel LV omvat een delegatiebepaling op grond waarvan het toepassingspercentage van de tabelcorrectiefactor voor het jaar 2028 per algemene maatregel van bestuur (AMvB) kan worden vastgesteld. Het kabinet is van mening dat ook ten aanzien van artikel LV geen sprake is van een ingrijpende wijziging als bedoeld van aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Wanneer de maatregel wordt uitgewerkt in een AMvB zal deze uiteraard, zoals voorgeschreven door de aanwijzingen voor de regelgeving, worden voorgelegd ter advisering bij de Raad van State.

De leden van de fractie van JA21 vragen welke maatregelen uit de brief van het kabinet van 29 september jl.2 worden verwerkt via een nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2027 en welke wijzigingen worden verwerkt via de aangekondigde novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Daarbij vragen deze leden of over deze nota van wijziging om advies van de Afdeling wordt gevraagd. In de novelle op de Wet werkelijk rendement box 3 zijn zowel de wijzigingen op het wetsvoorstel als de dekkingsmaatregelen uit de brief van 29 september jl. opgenomen. De dekkingsmaatregelen zijn hierin als een als technische invulling opgenomen. Op deze novelle is advies bij de Raad van State aangevraagd. De novelle op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is te raadplegen via de wetgevingskalender.3

De koopkrachtmaatregelen uit de hierboven genoemde brief worden per nota van wijziging toegevoegd aan het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Deze nota van wijziging is tegelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag bij uw Kamer ingediend. Aanwijzing 7.15 van de Aanwijzingen voor de regelgeving schrijft voor dat ingrijpende wijzigingen aan een wetsvoorstel na advies van de Raad van State ook voor advisering voorgelegd dienen te worden aan de Afdeling. Het kabinet wijst erop dat deze maatregelen parameterwijzigingen betreffen en heeft daarom de keuze gemaakt deze wijzigingen niet voor te leggen aan de Raad van State.

De leden van de fractie van PRO lezen dat het kabinet bij het pakket Belastingplan 2027 een aantal uitgangspunten heeft gehanteerd, waaronder vereenvoudiging, het borgen van een positieve koopkrachtontwikkeling en het inperken van ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen. Deze leden kunnen zich in deze uitgangspunten vinden, maar menen dat het kabinet het eerlijker verdelen van de welvaart en het vergroenen van het belastingstelsel als uitgangspunten lijkt te zijn vergeten. Zij vragen het kabinet hierop te reflecteren en vragen of het kabinet deze uitgangspunten van ondergeschikt belang vindt.

De in de memorie van toelichting genoemde uitgangspunten hebben betrekking op de maatregelen die in dit pakket zijn opgenomen. Zij zijn niet bedoeld als uitputtende opsomming van de doelen van het fiscale beleid van het kabinet. Bij de vormgeving van het beleid voor 2027 heeft het kabinet dan ook nadrukkelijk gekeken naar de verdeling van de lasten over inkomensgroepen en huishoudtypen, met als doel een evenwichtig koopkrachtbeeld. Voor het einde van 2026 komt het kabinet bovendien met een hervormingsagenda voor het belasting- en toeslagenstelsel. Daarnaast vindt in het voorjaar besluitvorming plaats over de vergroening van het belastingstelsel.

De leden van de fractie van PRO merken op dat het kabinet een nota van wijziging op onderhavig wetsvoorstel heeft aangekondigd. Deze leden vragen het kabinet om toe te lichten waarom gekozen is voor een nota van wijziging en waarom deze nota van wijziging nog niet bij uw Kamer is ingediend. Het kabinet heeft tijdens de augustusbesluitvorming verschillende wijzigingen aangebracht in het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Het grootste gedeelte van deze maatregelen kon tijdig worden omgezet in wetgeving. Voor drie maatregelen was na de afronding van de besluitvorming meer tijd nodig om kwalitatief goede wetgeving op te stellen. Het gaat hierbij om de maatregelen verlengen accijnskorting Europees Nederland, verlengen accijnskorting BES eilanden en uitzondering woningcorporaties earningsstrippingmaatregel. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen deze maatregelen via een nota van wijziging toe te voegen aan het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Deze nota van wijziging is ter advisering voorgelegd aan de Raad van State. Deze nota van wijziging is gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag bij uw Kamer ingediend.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom het kabinet ervoor kiest om zich in dit pakket te richten op verduurzaming en klimaat in plaats van de energierekening te verlagen. Het kabinet heeft in het pakket Belastingplan 2027 een omvangrijk pakket aan maatregelen opgenomen om de gevolgen van de hoge energiekosten voor burgers en bedrijven te dempen. Zo maakt het kabinet 2,1 miljard euro vrij om de brandstofaccijnzen in 2027 en 2028 te verlagen. Daarnaast wordt de onbelaste reiskostenvergoeding structureel verhoogd van 23 cent naar 25 cent per kilometer, wordt de vrachtwagenheffing tijdelijk verlaagd en wordt de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s tijdelijk verlaagd.

De leden van de fractie van JA21 refereren naar de stellingname van het kabinet dat het op voorhand niet de verwachting is dat één van de onderdelen van onderhavig wetsvoorstel dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire behandeling van de andere onderdelen van het wetsvoorstel in het geding komt. Deze leden vragen hoe het kabinet tot deze verwachting komt. De aanleiding voor de betreffende opmerking van het kabinet is gelegen in aanwijzing 6.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze aanwijzing schrijft de voorwaarden voor de toelaatbaarheid van een verzamelwet voor. Eén van deze voorwaarden is dat niet één van de maatregelen uit een verzamelwet dermate politiek omstreden is, dat de aandacht voor die maatregel tijdens de parlementaire behandeling, ten koste gaat van de parlementaire behandeling van de overige maatregelen binnen die verzamelwet, waardoor de parlementaire behandeling van die overige maatregelen in het geding komt. Het kabinet is van mening dat er niet één specifieke maatregel in het Belastingplan 2027 is opgenomen die dermate politiek omstreden is dat de parlementaire behandeling van de overige maatregelen in het geding komt.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom voor specifieke negatief geëvalueerde fiscale regelingen gekozen is om over te gaan tot afschaffing en bij andere niet. De afweging om negatief geëvalueerde regelingen al dan niet aan te passen of af te schaffen is een politieke keuze. Daarbij spelen factoren zoals de samenhang van het beleid, de verscheidenheid aan mogelijke beleidsopties, en de context en impact op de gebruikers een belangrijke rol.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet de mening deelt dat het aantal ondoelmatige fiscale regelingen moet worden teruggedrongen en hoe het kabinet reflecteert op de inhoud van het pakket Belastingplan 2027 op dit vlak. Ook vragen de leden om een budgettair overzicht van alle aanpassingen van fiscale regelingen binnen de regeerperiode en het pakket Belastingplan 2027.

Het kabinet ziet het aanpassen van negatief geëvalueerde fiscale regelingen als een belangrijk onderdeel van de bredere opdracht om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Daarom is er besloten om een flink aantal regelingen af te schaffen, mede naar aanleiding van de motie Dassen.4 Het klopt dat het kabinet in het pakket Belastingplan 2027 ook voorstelt om enkele regelingen te verruimen en ook enkele nieuwe in te voeren. Echter, het kabinet deelt niet de mening van de leden van de fractie van PRO dat het hiermee halfslachtig te werk gaat. Het totale budgettaire effect van alle voorgestelde aanpassingen van fiscale regelingen is per saldo een structurele opbrengst van ruim een miljard euro (zie onderstaande tabel). Ook qua aantal regelingen wordt er een goede stap gezet met het afschaffen van 10 regelingen (exclusief de stakingsaftrek en de meewerkaftrek waarvan afschaffing reeds ingezet was), tegenover het invoeren van drie nieuwe. De gevraagde tabel met alle aanpassingen van fiscale regelingen tijdens de regeerperiode en het pakket Belastingplan 2027 is hieronder weergegeven. Dit overzicht wordt ook regulier opgenomen in de bijlagen van de Miljoenennota, in het hoofdstuk over fiscale regelingen (zie tabel 4.5.1., pagina 55, bijlagen Miljoenennota 2027).

Tabel: aanpassingen fiscale regelingen regeerperiode en pakket Belastingplan (in € mln., + = saldoverbeterend en prijspeil 2026)

2026 2027 2028 2029 2030 2031 Structureel
Pakket Belastingplan 2027
Afschaffen aftrek specifieke zorgkosten 0 0 560 560 560 560 560
Bevriezen aftoppingsgrens pensioenopbouw t/m 2032 0 31 66 102 139 182 229
Afschaffen verlaagde btw-tarief voor levering van sierteeltproducten 0 0 305 305 305 305 305
Invoeren ovb vrijstelling voor overdrachten van woningen tussen woningcorporaties 0 -2 -2 -2 -2 -2 -2
Afschaffen accijnsteruggaaf regeling voor biobrandstoffen 0 4 4 4 4 4 4
Verhogen onbelaste reiskostenvergoeding met € 0,02 naar € 0,25 per kilometer -155 -191 -223 -218 -212 -207 -207
Verhogen onbelaste reiskostenvergoeding met $ 0,02 naar $ 0,22 per kilometer voor Caribisch Nederland 0 0 0 0 0 0 0
Tijdelijk verlagen motorrijtuigenbelasting tarief bestelauto’s van ondernemers met 50% t/m december 2026 -160 0 0 0 0 0 0
Verhogen aftrekpercentage energie-investeringsaftrek (EIA) van 40% naar 45,5% 0 0 0 0 0 0 0
Afschaffen startersaftrek 0 112 112 109 106 104 99
Afschaffen werkkostenregeling vrijstelling voor branche-eigen bedrijfsproducten 0 123 123 123 123 123 123
Aanpassing versobering youngtimerregeling in de BPM 0 -58 1 -11 -11 -11 -11
Afschaffen bosbouwvrijstelling 0 0 0 34 34 34 35
Afschaffen verlaagde btw-tarief op luchtballonvaart 0 0 2 2 2 2 2
Afschaffen verlaagd accijnstarief voor kleine brouwerijen 0 0 2 2 2 2 2
Afschaffen willekeurige afschrijving starters 0 0 0 2 4 6 8
Afschaffen startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid 0 0 0 1 1 1 1
Verruiming innovatiebox via mkb-forfait 0 -20 -20 -20 -20 -20 -20
Invoeren uitzondering ATAD-1 voor woningcorporaties 0 0 -425 -425 -425 -425 -425
Invoeren regeling werknemersopties voor startups en scale-ups 0 -49 -49 -50 -51 -52 -19
Verruimen verlaagde tarief EB glastuinbouw 0 -51 0 0 0 0 0
Stapsgewijs afschaffen stakingsaftrek 0 13 12 12 16 15 15
Stapsgewijs afschaffen meewerkaftrek 0 5 5 5 6 6 6
Pakket Belastingplan 2028
Toespitsen belastingvermindering energiebelasting op huishoudens 0 0 0 0 401 395 371
Totaal -315 -83 473 535 982 1022 1076

De leden van de fractie van PRO vragen of bevestigd kan worden dat de motie Maâtoug5 nog steeds een belangrijk uitgangspunt vormt in de omgang met fiscale regelingen en of het toevoegen van een horizonbepaling bij nieuwe fiscale regelingen wenselijk wordt geacht. De motie Maâtoug vormt nog steeds een belangrijk uitgangspunt bij fiscale regelingen. Zoals vermeld in de Miljoenennota6 kan het kabinet bij nieuwe, maar niet louter tijdelijke, fiscale regelingen meerwaarde zien in het opnemen van een horizonbepaling. Of sprake is van meerwaarde hangt onder andere af van of sprake is van nationale beleidsruimte, of de regeling enkel de uitvoering en administratieve lasten verlicht, de mate waarin de regeling onlosmakelijk verbonden is met het stelsel/de structuur van de belastingsoort en of het beëindigen hiervan disproportionele gevolgen zou hebben (zoals bij pensioenpremies en heffingskortingen).

Verder vragen de leden van de fractie van PRO welke stappen zijn gezet met het toevoegen van horizonbepalingen aan bestaande fiscale regelingen en hoeveel regelingen sinds 2023 een horizonbepaling hebben gekregen. Verder vragen deze leden hoeveel horizonbepalingen zijn toegevoegd bij negatief geëvalueerde bestaande regelingen en hoeveel zijn opgelegd bij nieuwe fiscale regelingen. Tot slot vragen de leden wat met ‘recente ervaringen met uitvoering van de motie’ wordt bedoeld.

Tot nu toe vond in evaluaties van fiscale regelingen geen beoordeling plaats of een horizonbepaling passend is. Bij de behandeling van de beleidsopvolging kregen horizonbepalingen daarom vaak ook niet de aandacht die zij verdienen. Om dit in de toekomst te voorkomen zal bij komende evaluaties expliciet ingegaan worden op de vraag of een horizonbepaling passend is, waarna daarover besluitvorming plaatsvindt. Sinds 2023 zijn er geen nieuwe horizonbepalingen in de wet opgenomen. Op dit moment is er uitsluitend in artikel 10b.1 Wet inkomstenbelasting 2001 een horizonbepaling opgenomen met betrekking tot de willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil), de energie-investeringsaftrek (EIA) en de milieu-investeringsaftrek (MIA).

Zoals aangegeven is de opvolging aan de motie Maâtoug in recente jaren beperkt geweest, waar ‘recente ervaringen met de motie’ naar verwijst. Ook verwijst ‘recente ervaringen met de motie’ naar het feit dat de gehanteerde termijn voor horizonbepalingen een aandachtspunt vormt voor de betreffende uitvoeringsorganisatie. De inwerkingtredingsdatum van de horizonbepaling moet daarom voldoende rekening houden met de uitvoerbaarheid, waaronder de druk op IV-portfolio’s. Zo zal indien mogelijk een duidelijke keuze gemaakt worden tussen tijdelijke regeling met een vastgestelde einddatum of een permanente regeling, om onnodige onzekerheid voor de uitvoering te voorkomen. Met deze aanscherping kiest het kabinet er daarmee voor om de omgang met horizonbepalingen beter te institutionaliseren.

De leden van de fractie van PRO vragen waarom het kabinet geen voorstellen in het Belastingplan 2027 heeft gedaan om belastingontwijking tegen te gaan.

Het kabinet heeft net als vorige kabinetten oog voor belastingontwijking en de aanpak daarvan. Bijvoorbeeld de bijlage bij de Voorjaarsnota 2026 net als de vorige drie Voorjaarsnota’s getuigt hiervan. In de bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 is een stand van zaken gegeven van de aanpak van belastingconstructies. Te zien is dat de aanpak van vijf beschreven constructies openstonden op moment van publicatie van de Voorjaarsnota en dat de overige drie constructies zijn aangepakt. Zeven constructies die ten tijde van de Voorjaarsnota 2025 al waren aangepakt (bij Belastingplan 2025, Belastingplan 2024, Eindejaarsregeling 2024, Fiscale Verzamelwet 2025 dan wel in de uitvoering opgelost) zijn in de Voorjaarsnota 2026 niet meer gepubliceerd.

De meest actuele stand van zaken wat betreft de bij Voorjaarsnota openstaande constructies is als volgt: in het voorjaar van 2026 zijn vier aanvullende maatregelen tegen 1) dividendstripping openbaar geconsulteerd door middel van een internetconsultatie. Naar aanleiding van enkele reacties op deze internetconsultatie, zullen er nadere consultatiegesprekken plaatsvinden met respondenten. Nadat een weging heeft plaatsgevonden van alle inbreng, zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd of, en zo ja, welke maatregelen worden omgezet in wetgeving. Naar verwachting wordt deze brief eind dit jaar verstuurd. Over 2) opknipgedrag bij vastgoed bv’s heb ik uw Kamer op 8 juni jl. een brief gestuurd. In die brief is uitgebreid ingegaan op drie beleidsopties en is geconcludeerd dat elke onderzochte beleidsoptie voor- en nadelen kent. Omdat het Omnibusvoorstel wijzigingen inhoudt ten aanzien van de earningsstrippingmaatregel, acht het kabinet het niet opportuun om op dit moment een beleidsrichting te kiezen. Van constructies, onzakelijke leningen en samenwerkingsverbanden wordt op dit moment de aanpak nog onderzocht. Ten slotte is de aanpak van papieren constructies uitgebreid beschreven in de Voorjaarsnota 2026. Hier heeft geen besluitvorming over plaatsgevonden.

Het doel van het jaarlijks presenteren van de lijst met belastingconstructies is concreet en transparant te maken hoe het belastingstelsel in de praktijk kan uitpakken. Deze transparantie vindt het kabinet een groot goed. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele beleidsopties om constructies zo gericht en efficiënt mogelijk aan te pakken. Het daadwerkelijk aanpakken van een constructie vergt altijd een politieke weging, omdat het dichtzetten van een constructie ook neveneffecten met zich mee kunnen brengen. Het kabinet let in elk geval bij de aanpak op proportionaliteit, juridische houdbaarheid en de uitvoerbaarheid van een mogelijke aanpak. Oplossingsrichtingen zijn niet altijd eenvoudig en vereisen vaak nader onderzoek en vergen daarmee soms een lange adem.

De leden van de fractie van PRO vragen naar de vele adviezen en rapporten over het belasten van arbeid en kapitaal en of het kabinet globaal kan samenvatten wat daarover in deze adviezen en rapporten is gezegd en geconcludeerd. Zij vragen waarom het kabinet deze adviezen niet overneemt en of het kabinet deze adviezen niet relevant vindt. Ook vragen zij naar rapporten en adviseurs die pleiten voor het verhogen van de lasten op arbeid en het gelijk laten van de lasten op kapitaal.

Heel globaal zeggen de adviezen en rapporten dat het belangrijk is om de belastingdruk op arbeid te verminderen door lasten te verschuiven naar andere grondslagen (kapitaal en consumptie), omdat hoge lasten op arbeid het functioneren van een krappe arbeidsmarkt belemmert. Lagere lasten op arbeid vergroot het arbeidsaanbod en bevordert investeringen in menselijk kapitaal. Daarbij wordt benadrukt dat het belangrijk is alle werkenden gelijker te belasten, dat wil zeggen dat de lasten op het inkomen van werknemers, IB-ondernemers en dga’s niet te ver uit elkaar mogen lopen. Ook wordt benadrukt dat het evenwichtig belasten van verschillende vormen van vermogen kan bijdragen aan robuuste belastingontvangsten. Het kabinet is niet bekend met rapporten die gelijktijdig pleiten voor het verhogen van de lasten op arbeid en het gelijk laten van de lasten op kapitaal. De realiteit binnen dit vraagstuk is dat de grondslag arbeid vele malen groter is dan de grondslag kapitaal (en consumptie). Dat betekent dat voor een budgettair neutrale schuif van bijvoorbeeld een beperkte lastenverlichting op arbeid een relatief grote lastenstijging op kapitaal dan wel consumptie staat. Dat zijn geen gemakkelijke politieke keuzes.

Economisch is een lagere belasting op winst van bedrijven ten opzichte van belasting op arbeid te rechtvaardigen, omdat die grondslag mobieler is en omdat ondernemen met risico’s gepaard gaat. Nederland is voor het ondernemingsklimaat en concurrentievermogen erbij gebaat dat de tarieven op ondernemen internationaal niet te veel afwijken. De afgelopen jaren zijn maatregelen genomen die belastingontwijking tegen gaan en arbeid en vermogen evenwichtiger belasten. Dit betreft bijvoorbeeld het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% en het verlagen van de bijbehorende schrijfgrens van € 395.000 naar € 200.000. Een ander voorbeeld is de invoering van de Wet excessief lenen. Het kabinet wil met het beperken van excessief lenen van de eigen bv nog flinke stappen verderzetten door de grens stapsgewijs verder te verlagen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het kabinet om wil gaan met het advies van de SER over vereenvoudiging van het belasting- en toeslagenstelsel. Ook vragen zij of het kabinet op koers ligt om de kinderopvangtoeslag af te schaffen. Het kabinet ziet het advies van SER met belangstelling tegemoet en zal dit meewegen in de eigen hervormingsagenda. De voorbereidingen voor de stelselwijziging van de kinderopvang liggen op koers, zodat de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2029 kan worden afgeschaft.

Inkomensbeleid

De leden van de fractie van D66 vragen naar de tarieven in box 1 zonder de compensatie voor de zorgpremies en de inkomenseffecten van de tariefsverhogingen, met en zonder de lagere zorgpremies. De leden van de fractie van het CDA vragen wat in grote lijnen het netto-effect is van de gedaalde zorgpremies, als gevolg van de eigen risicomaatregelen. De leden van de fractie van JA21 vragen om de inkomenseffecten van de zorgpremies, inkomensafhankelijk bijdrage Zvw en tariefsverhogingen in de eerste en tweede schijf voor verschillende huishoudtypes en inkomensgroepen.

In het coalitieakkoord en de augustusbesluitvorming is besloten om het verplicht eigen risico niet te verlagen en de tranchering van het verplicht eigen risico in te voeren in 2028. Bij een hoger verplicht eigen risico daalt de nominale zorgpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (IAB). Deze lastenverlichting via de nominale zorgpremie en IAB zijn gecompenseerd met een lastenverzwaring door verhoging van het tarief in de eerste en tweede schijf van box 1 van de IB en de Aof-premie.

De onderstaande tabel toont de belastingtarieven zonder compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies. Niet de gehele lastenverzwaring in de schijftarieven in 2027 is compenserende lastenverzwaring. +0,46%-punt is het gevolg van het coalitieakkoord, +0,03%-punt is het gevolg van de compensatie van een meevaller in de zorguitgaven en -premies. Overige mutaties in de schijftarieven hebben geen samenhang met de zorgpremies.

2027 zonder compenserende lastenverzwaring zorgpremies 2027 volgens Belastingplan
Tarief eerste schijf 35,74% 36,23%
Tarief tweede schijf 37,67% 38,16%
Toptarief 49,50% 49,50%

Onderstaande tabel toont het inkomenseffect van de gecombineerde beleidswijzigingen, het besluit om eigen risico niet te halveren en de compenserende lastenverzwaring. Het mediane inkomenseffect bedraagt -0,4%.

Inkomensgroep

Inkomenseffect

1e (<=108% WML) -0,6%
2e (108-174% WML) -0,5%
3e (174-257% WML) -0,4%
4e (257-381% WML) -0,4%
5e (>381% WML) -0,4%
Inkomensbron
Werkenden -0,4%
Uitkeringsgerechtigden -0,6%
Gepensioneerden -0,6%
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,4%
Alleenstaanden -0,5%
Alleenverdieners -0,3%
Kinderen
Huishoudens met kinderen -0,3%
Huishoudens zonder kinderen -0,4%
Alle huishoudens -0,4%

De onderstaande tabel toont de belastingtarieven zonder compenserende lastenverzwaring voor de lagere zorgpremies. Niet de gehele lastenverzwaring in de schijftarieven in 2027 is compenserende lastenverzwaring. +0,46%-punt is het gevolg van het coalitieakkoord en de augustusbesluitvorming, +0,03% is het gevolg van een meevaller in de zorguitgaven die losstaat van het eigen risico. Overige mutaties in de schijftarieven hebben geen samenhang met de zorgpremies.

Onderstaande tabel toont het inkomenseffect van alleen de compenserende lastenverzwaring via de schijftarieven.

Inkomensgroep

Inkomenseffect

1e (<=108% WML) -0,5%
2e (108-174% WML) -0,5%
3e (174-257% WML) -0,6%
4e (257-381% WML) -0,6%
5e (>381% WML) -0,5%
Inkomensbron
Werkenden -0,6%
Uitkeringsgerechtigden -0,5%
Gepensioneerden -0,5%
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,5%
Alleenstaanden -0,5%
Alleenverdieners -0,5%
Kinderen
Huishoudens met kinderen -0,5%
Huishoudens zonder kinderen -0,6%
Alle huishoudens -0,5%

Onderstaande tabel toont het effect van alleen het hogere eigen risico en de lagere zorgpremie.

Inkomensgroep Iedereen
1e (<=108% WML) -0,2%
2e (108-174% WML) 0,0%
3e (174-257% WML) 0,1%
4e (257-381% WML) 0,2%
5e (>381% WML) 0,1%
Inkomensbron
Werkenden 0,2%
Uitkeringsgerechtigden -0,1%
Gepensioneerden 0,0%
Huishoudtype
Tweeverdieners 0,1%
Alleenstaanden 0,0%
Alleenverdieners 0,2%
Kinderen
Huishoudens met kinderen 0,2%
Huishoudens zonder kinderen 0,1%
Alle huishoudens 0,1%

Daarnaast vragen de leden van de fractie van D66 naar de koopkrachteffecten van het in de brief van 29 september 20267 aangekondigde koopkrachtpakket. Daarnaast vragen de leden wat het betekent voor de marginale druk van werkenden. Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van de koopkrachtmaatregelen uit de brief van 29 september 2026 voor alle inkomensgroepen. Een inkomenseffect kan niet zonder meer worden opgeteld bij het mediane koopkrachtcijfer, doordat het huishouden met de mediane koopkrachtontwikkeling vrijwel nooit gelijk is aan het huishouden met het mediane inkomenseffect. Hierdoor heeft deze maatregel voor de meeste groepen een mediaan inkomenseffect van 0,0%.

Inkomensgroep Inkomenseffect
1e (<=108% WML) 0,0%
2e (108-174% WML) 0,0%
3e (174-257% WML) 0,0%
4e (257-381% WML) 0,0%
5e (>381% WML) 0,2%

Deze maatregelen werken op verschillenden manieren door in de marginale druk van niet-gepensioneerde huishoudens (bedragen in prijzen 2027):

  • De marginale druk stijgt door de verlaging van de arbeidskorting met 0,32%-punt tot het eerste knikpunt (€12.438) van de arbeidskorting. Het opbouwpercentage daalt op dit traject van 9,50% naar 9,18%.

  • De marginale druk daalt door de verhoging van het aanvangspunt toptarief (ATT) met 4,70%-punt tussen het ATT uit de Miljoenennota (€78.426) en nieuwe ATT (€80.578). Hierdoor vallen werkenden later onder het toptarief (49,50%) in plaats van het tarief tweede schijf (38,16%), waar ook de afbouw van de algemene heffingskorting (6,638% zonder doorwerking van het hogere ATT) bij komt.

  • De marginale druk daalt door de verhoging van het ATT met 0,29%-punt tussen het wettelijk minimumloon en het aanvangspunt van het toptarief (€80.578). Het ATT is het eindpunt van de afbouw van de algemene heffingskorting. Verhoging van het ATT zorgt ervoor dat het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting daalt van 6,638% naar 6,350%.

Voor huishoudens met inkomen boven het wettelijk minimumloon daalt de marginale druk als gevolg van deze maatregelen.

De leden van de fractie van PRO vragen naar het verschil tussen het netto sociaal minimum en het nettominimumloon. Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van het netto sociaal minimum (i.e. de netto bijstand exclusief toeslagen) en het netto-inkomen (exclusief toeslagen) van werkenden op minimumloonniveau. De tabel toont dit voor zowel alleenstaanden als gehuwden/samenwonenden (i.e. alleenverdieners). De tabel laat zien dat het nettominimumloon in 2027 naar verwachting iets meer stijgt dan het netto sociaal minimum, wat betekent dat het verschil tussen die twee iets groter is geworden. Dit komt vooral door de verhoging van de arbeidskorting, die het nettoloon op minimumloonniveau extra verhoogt.

Tabel: ontwikkeling netto sociaal minimum en netto-inkomen op minimumloonniveau alleenstaande en gehuwden/samenwonenden (alleenverdieners) op jaarbasis (2026 en 2027) 2026 2027 Stijging in € Stijging in %
Alleenstaande Netto sociaal minimum € 16.926 € 17.387 € 462 2,7%
Netto minimumloon € 27.276 € 28.149 € 872 3,2%

Gehuwden/

samenwonenden

Netto sociaal minimum € 24.180 € 24.839 € 659 2,7%
Netto minimumloon € 27.276 € 28.149 € 872 3,2%

Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO om een reactie op het verschil tussen het netto sociaal minimum en het nettominimumloon. Het kabinet streeft geen doelen na ten aanzien van het verschil tussen het netto sociaal minimum en het netto minimumloon. Bij het voeren van inkomensbeleid streeft de regering naar een balans tussen uiteenlopende doelen, waaronder de financiële prikkels om te gaan werken of meer uren te werken, gezonde overheidsfinanciën en de toereikendheid van het inkomen op sociaal minimum.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO het kabinet om te reflecteren op dat sommige partijen geloven dat het verlagen van uitkeringen helpt bij het creëren van werkgelegenheid.

Het CPB geeft op basis van de wetenschappelijke literatuur aan dat het aantrekkelijker is om de stap van uitkering naar werk te zetten als dit financieel meer oplevert.8 Tegelijkertijd zijn financiële factoren niet allesbepalend, en bovendien zijn er signalen dat een verlaging van de uitkeringen soms ook een belemmering kan vormen om de stap naar werk te zetten, bijvoorbeeld als mensen hierdoor in armoede terechtkomen.

Op dit moment is een verlaging van de uitkeringen overigens niet aan de orde. De bijstand is wettelijk gekoppeld aan het netto referentieminimumloon, en wordt daarom elk half jaar geïndexeerd. Dat is in de afgelopen jaren gebeurd, en is ook in 2027 het geval.

Deze leden van de fractie van PRO vragen het kabinet daarbij ook in te gaan op het feit dat de Commissie Sociaal Minimum heeft vastgesteld dat het sociaal minimum in Nederland in veel gevallen te laag is om van rond te komen, waardoor steeds hogere toeslagen nodig zijn om armoede te voorkomen. Ook vragen deze leden de regering om in het antwoord mee te nemen dat opeenvolgende regeringen én bijna de voltallige Kamer hebben uitgesproken van het toeslagenstelsel af te willen.

Het klopt inderdaad dat de Commissie sociaal minimum in 2023 vaststelde dat het inkomen van veel huishoudtypen te laag is voor minimaal noodzakelijke uitgaven. De Commissie keek daarbij overigens niet alleen naar het sociaal minimum (i.e. de bijstand), maar naar het totale inkomen van huishoudens op het sociaal minimum – dus ook toeslagen en gemeentelijke regelingen.

Na het advies van de Commissie sociaal minimum zijn er echter verschillende stappen gezet om het inkomen van huishoudens op minimumniveau te verhogen, onder meer met verhogingen van de huurtoeslag en het kindgebonden budget. Daarom is vorig jaar de analyse van de Commissie sociaal minimum geactualiseerd.9 Uit die analyse, die met de Tweede Kamer is gedeeld, bleek dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor minimaal noodzakelijke uitgaven, als zij de uren werken waar zij toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar zij recht op hebben, goed met geld kunnen omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben. Een aantal huishoudtypen heeft ook enige ruimte om tegenvallers op te vangen, al is deze ruimte beperkt. Het kabinet ziet dat veel huishoudens sterk afhankelijk zijn van toeslagen om rond te komen, en dat dit voor veel huishoudens leidt tot onzekerheid, onduidelijkheid en terugvorderingen. Daarom werkt het kabinet aan het hervormen van het toeslagenstelsel, bijvoorbeeld door de kinderopvangtoeslag te vervangen door een inkomensonafhankelijke hoge vergoeding voor kinderopvang voor alle werkende ouders, en door de kinderbijslag en het kindgebonden budget samen te voegen tot één nieuwe kindregeling.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO om een tabel met het aandeel van toeslagen in het netto-inkomen van verschillende groepen per jaar sinds de introductie van het toeslagenstelsel.

Op dit moment is het aandeel toeslagen in het totale inkomen voor de gevraagde huishoudtypen niet beschikbaar vanaf de introductie van het toeslagenstelsel. Er is ook geen eenduidig bedrag aan toeslagen te noemen voor huishoudens gegeven een bepaald inkomen en een bepaalde huishoudsamenstelling. Huishoudens ontvangen bijvoorbeeld alleen huurtoeslag als zij in een huurwoning wonen (tot en met 2025 moest dit een sociale huurwoning zijn), en de hoogte van de huurtoeslag hangt – naast inkomen en huishoudsamenstelling – ook af van de hoogte van de huur. En huishoudens ontvangen alleen kinderopvangtoeslag als zij gebruikmaken van kinderopvang, waarbij de hoogte van de toeslag – naast inkomen en het aantal kinderen – afhangt van het aantal afgenomen dagen opvang, het type opvang en het tarief dat een kinderopvangorganisatie in rekening brengt.

Wel is het aannemelijk dat het aandeel toeslagen in het totale inkomen voor veel huishoudens sinds de invoering van het toeslagenstelsel in 2006 substantieel is toegenomen. In 2006 was het totale budget dat gemoeid was met toeslagen nog ongeveer € 5,4 miljard, terwijl dat in 2026 naar verwachting € 22,3 miljard is. In nominale termen is dat een stijging van ruim 300 procent (en gecorrigeerd voor inflatie ongeveer 250 procent).

Om een beeld te geven van de rol van toeslagen op dit moment, geeft onderstaande tabel voor de gevraagde huishoudtypen het aandeel toeslagen als percentage van de totale inkomsten in 2026 en 2027. Voor alle huishoudens is aangenomen dat zij in een sociale huurwoning wonen met een huur gelijk aan de bovengrens van passend toewijzen. Voor het huishoudtype alleenstaande met twee kinderen en een modaal inkomen is aangenomen dat de alleenstaande ouder 4 dagen werkt en dat beide kinderen 4 dagen per week naar de bso gaan. De tabel laat zien dat het aandeel inkomen uit toeslagen hoog kan zijn, met name als huishoudens ook recht hebben op kinderopvangtoeslag. De tabel laat ook zien dat het aandeel inkomen uit toeslagen niet verder oploopt in 2027. Voor huishoudens met kinderopvangtoeslag is bovendien relevant dat het aandeel inkomen uit toeslagen flink afneemt zodra het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang in werking treedt.

Paar met bijstand met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar Werkende alleenstaande ouder (modaal) met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar Alleenstaande AOW'ers zonder aanvullend pensioen
2026 2027 2026 2027 2026 2027
Nettoloon, bijstand of AOW (1) € 24.180 € 24.839 € 40.129 € 41.099 € 20.045 € 20.715
Zorgtoeslag (2) € 2.963 € 3.222 € 0 € 0 € 1.550 € 1.680
Kinderbijslag (3) € 2.883 € 2.979 € 2.883 € 2.979 € 0 € 0
Kindgebonden budget (4) € 5.160 € 5.432 € 7.349 € 7.592 € 0 € 0
Huurtoeslag (5)* € 5.644 € 5.804 € 3.292 € 3.341 € 5.224 € 5.369
Kinderopvangtoeslag (6) € 0 € 0 € 20.848 € 21.537 € 0 € 0
Totaal inkomen (7) = (1+2+3+4+5+6) € 40.829 € 42.277 € 74.501 € 76.549 € 26.819 € 27.765
Aandeel inkomen uit toeslagen (8) = (2+4+5+6) / (7) 34% 34% 42% 42% 25% 25%

*Voor de berekening van de huurtoeslag is gerekend met een huur die overeenkomt met de bovengrens binnen de kaders van passend toewijzen (€ 713 voor de alleenstaande AOW’er, € 764 voor het paar met kinderen in de bijstand en € 933 voor de alleenstaande ouder met kinderen en een modaal inkomen), waarbij is aangenomen dat de huur in 2027 met 3,5% stijgt.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO een koopkrachtbeeld op te stellen zonder de voorstellen uit het Belastingplan 2027 en te reflecteren op de verschillen met het bestaande koopkrachtbeeld. Het is niet mogelijk het gevraagde koopkrachtbeeld op te stellen. Een deel van de maatregelen beïnvloedt het koopkrachtbeeld namelijk via de inflatie, zoals de verlaagde brandstofaccijns (met een omvangrijk budgettair bedrag van 1,4 miljard euro). Deze effecten op inflatie vergen een nieuwe economische raming van het CPB. Deze is niet beschikbaar.

Wat wel mogelijk is, is het in kaart brengen van de inkomenseffecten in 2027 van het terugdraaien van de tariefsverhogingen in het Belastingplan 2027 van 0,57%-punt, de vrijheidsbijdrage, de verlaging van de ouderenkorting en de verhoging van de arbeidskorting. De onderstaande tabel toont deze effecten. Hierbij is dus geen rekening gehouden met de effecten van het terugdraaien van de maatregelen die via de inflatie het koopkrachtbeeld beïnvloeden. Het niet doorgaan van de verlaging van de accijns op benzine en diesel zal daarbij het grootste effect hebben op de inflatie en daarmee de koopkracht. Een grove inschatting is dat het niet doorgaan van deze maatregel een inflatieverhogend effect heeft van circa 0,2%-punt, en daarmee een negatief inkomenseffect van eveneens circa 0,2%-punt. Dit effect komt boven op de inkomenseffecten in onderstaande tabel.

De lastenverzwaring op arbeid uit het Belastingplan 2027 volgt voornamelijk uit twee grote onderdelen. Ten eerste de compensatie in de lasten voor het niet halveren van het eigen risico. Daar staan lagere zorgpremies tegenover ten opzichte van het basispad. De zorgpremies zitten niet in het Belastingplan en zijn daardoor ook niet meegenomen in onderstaande tabel. Daarnaast is de vrijheidsbijdrage nodig om de investeringen in onze veiligheid te dragen. In uw Kamer is veel aandacht geweest voor deze vrijheidsbijdrage en het resulterende koopkrachtbeeld. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen om zo gericht mogelijk de koopkrachteffecten van de vrijheidsbijdrage te verzachten met het koopkrachtpakket uit de Miljoenennota 2027 en de aanvullende brief van 29 september jl. tot een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld te komen. Daarnaast wordt onder meer de accijnskorting voor diesel en benzine doorgetrokken, wat een aanzienlijke lastenverlichting is.

Tabel: inkomenseffecten van terugdraaien inkomensmaatregelen in het Belastingplan 2027 (exclusief maatregelen die via de inflatie de koopkracht beïnvloeden)

Inkomensgroep Inkomenseffect
1e (<=108% WML) 0,6%
2e (108-174% WML) 0,8%
3e (174-257% WML) 0,7%
4e (257-381% WML) 0,7%
5e (>381% WML) 0,7%
Inkomensbron
Werkenden 0,6%
Uitkeringsgerechtigden 0,8%
Gepensioneerden 1,1%
Huishoudtype
Tweeverdieners 0,7%
Alleenstaanden 0,7%
Alleenverdieners 0,7%
Kinderen
Huishoudens met kinderen 0,6%
Huishoudens zonder kinderen 0,7%
Alle huishoudens 0,7%

De leden van de fractie van het CDA vragen om verschillende alternatieven uit te werken voor de technische invulling, inclusief effect op het koopkrachtbeeld.

Onderstaande figuur toont:

  • In kolom 1 het koopkrachtbeeld uit de brief van 29 september waarin de daar gepresenteerde koopkrachtmaatregelen zijn doorgerekend.

  • In kolom 2 een alternatieve invulling waarbij de middelen voor de verhoging van de arbeidskorting worden ingezet voor een hogere toepassing van de tabelcorrectiefactor (84,17% in plaats van 48% in 2027).

  • In kolom 3 een alternatieve invulling waarbij de middelen voor de verhoging van de arbeidskorting worden ingezet voor een verlaging van schijf 1 en 2 in box 1 (-0,21%-punt).

De leden van de fractie van JA21 vragen de inkomenseffecten van de vrijheidsbijdrage uit te splitsen naar de inkomensdecielen en naar de huishoudtypes. Daarnaast vragen de leden hoeveel een huishouden met een modaal inkomen in 2027 structureel extra betaalt. Onderstaande tabel toont de cumulatieve inkomenseffecten van de lastenverzwaringen door de vrijheidsbijdrage

in 2027 en 2028 voor de verschillende inkomensgroepen die het CPB standaard hanteert in haar koopkrachtramingen. De inkomenseffecten slaan relatief gezien evenredig neer over de verschillende groepen. In doorsnee gaan huishoudens er 0,7% op achteruit door deze maatregel.

Het netto-inkomen van een alleenstaande zonder kinderen, koopwoning en vermogen met een arbeidsinkomen van 50.000 euro daalt met circa 120 euro in 2027 als gevolg van de vrijheidsbijdrage.

Inkomensgroep Inkomenseffect
1e (<=108% WML) -0,7%
2e (108-174% WML) -0,8%
3e (174-257% WML) -0,7%
4e (257-381% WML) -0,7%
5e (>381% WML) -0,7%
Inkomensbron
Werkenden -0,7%
Uitkeringsgerechtigden -0,5%
Gepensioneerden -0,7%
Huishoudtype
Tweeverdieners -0,7%
Alleenstaanden -0,7%
Alleenverdieners -0,7%
Kinderen
Huishoudens met kinderen -0,6%
Huishoudens zonder kinderen -0,7%
Alle huishoudens -0,7%

Gepensioneerden gaan er volgens tabel 2 van de brief in doorsnee op vooruit. De leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel AOW-gerechtigden er, mede door de verlaging van de ouderenkorting, in 2027 toch in koopkracht op achteruitgaan. Het kabinet financiert de aanpassing met € 436 miljoen uit de overdekking aan de lastenkant. Deze leden vragen hoe groot die overdekking in 2027 en structureel is, waar zij uit bestaat en of de aanpassing structureel is gedekt. Tabel 2 van de brief laat zien dat de mediane koopkracht van werkenden verbetert van -0,2 naar -0,1 procent, terwijl de koopkracht van alle huishoudens op -0,1 procent blijft. Deze leden vragen de regering waarom werkenden er ook na de aanpassing in doorsnee op achteruitgaan, terwijl gepensioneerden er met 0,3 procent op vooruitgaan.

In tabel 2 van de aangehaalde brief gaan gepensioneerden er in doorsnee 0,3% op vooruit in 2027. Dit komt mede door de positieve indexatie van de aanvullende pensioenen, doordat een deel van de gepensioneerden overgaat naar het nieuwe pensioenstelsel. Circa 34% van de gepensioneerden heeft in dit beeld een negatieve koopkrachtontwikkeling. De koopkrachtontwikkeling van werkenden verbetert in de aangehaalde brief door het verhogen van het aangrijpingspunt van het toptarief. Dit is echter niet voldoende om de negatieve koopkrachtontwikkeling van werkenden volledig te compenseren. Per saldo gaan werkenden er in doorsnee 0,1% op achteruit in 2027. In het genoemde koopkrachtbeeld is geen rekening gehouden met de dekkingsmaatregelen in box 3.

De leden van de fractie van JA21 hebben gevraagd naar de dekking van het aanvullende koopkrachtpakket. Het aanvullende koopkrachtpakket kost € 436 miljoen structureel. In 2027 wordt deze gedekt door de ruimte die in 2027 ontstaat aan de lastenkant. Per 2028 wordt het pakket gedekt door het bevriezen van het aanvangspunt toptarief in 2028. Dat levert structureel € 482 miljoen op per jaar. Over de kabinetsperiode valt de cumulatieve overdekking van het box 3 pakket weg tegen de cumulatieve derving van het koopkrachtpakket.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel werkenden in 2027 een marginale druk hebben van meer dan 60, 70 en 80 procent, uitgesplitst naar huishoudtype. Ook vragen zij hoe deze aantallen zich verhouden tot 2026.

Onderstaande tabel toont het aandeel werknemers met een marginale druk hoger dan 60, 70 en 80 procent in 2026 en 2027. Hierin is uitgegaan van de aangepaste koopkrachtinvulling in de aangehaalde brief bij het Belastingplan. Zowel in 2026 als in 2027 ligt het aandeel werknemers met een marginale druk boven de 60% tussen de 16 en 17 procent. Het aandeel werknemers met een marginale druk hoger dan 70 en 80 procent bedraagt ongeveer 5% en 2% respectievelijk.

Tabel: Aandeel werknemers met een hoge marginale druk, 2026 en 2027

Aandeel werk-nemers 2026 Aandeel werk-nemers 2027
Marginale druk hoger dan 60% 16,6% 16,8%
Marginale druk hoger dan 70% 4,8% 5,0%
Marginale druk hoger dan 80% 2,3% 2,4%

Onderstaande tabel toont een uitsplitsing van de werknemers met een hoge marginale druk in 2027 naar huishoudtype.

Tabel: Hoge marginale belastingdruk, aandelen werknemers per huishoudtype 2027

Alleenverdieners Alleenstaanden Tweeverdiener, minstverdienende partner Tweeverdiener, meestverdienende partner Totaal
Marginale druk hoger dan 60% 1,2% 6,5% 0,6% 8,5% 16,8%
Marginale druk hoger dan 70% 0,5% 2,9%

0,1%

1,4% 5,0%
Marginale druk hoger dan 80% 0,1% 2,0% 0,0% 0,2% 2,4%

De leden van de fractie van de PVV vragen naar de negatieve koopkrachtontwikkeling in de MEV en de reflectie van de regering hierop. Uit de cMEV bleek een negatieve koopkrachtontwikkeling voor veel groepen, in doorsnee was de koopkrachtontwikkeling van alle huishoudens -0,3%. Werkenden hadden in doorsnee het grootste koopkrachtverlies. Het kabinet heeft daarom middelen beschikbaar gesteld om de koopkracht te verbeteren, zowel in de Miljoenennota 2027 als in de brief van 29 september jl. waarin een aanvullend koopkrachtpakket is aangekondigd. Het kabinet heeft dit pakket integraal gewogen, rekening houdend met de budgettaire consequenties. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en is bereid gedekte voorstellen vanuit uw Kamer in overweging te nemen.

De leden van de fractie van D66 vragen welke groepen de hoogste marginale druk ervaren en hoe hoog die is. Daarnaast vragen zij welke maatregelen in dit Belastingplan de marginale druk voor die groepen verlagen. De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat uit de tabellen over de marginale druk het beeld naar voren komt dat de marginale druk volgend jaar over de hele linie stijgt door de kabinetsplannen en waarom het kabinet daarvoor kiest.

De marginale druk is het hoogste bij werkenden die te maken hebben met een stapeling van de afbouw van heffingskortingen en toeslagen. Deze stapeling zit vaak bij inkomens tussen het minimumloon en een modaal inkomen.

De maatregelen uit het Belastingplan leiden niet tot grote wijzigingen in de marginale druk van werkenden. Er zijn wel kleine verschillen. Afbouw- en knikpunten schuiven op als gevolg van indexatie met het minimumloon of de (beperkt toegepaste) tabelcorrectiefactor. Hierdoor verschuiven de pieken (en dalen) in marginale druk naar iets hogere inkomens. Tegelijkertijd stijgen de lonen ook, waardoor dit effect wordt beperkt. Ook neemt de marginale druk bijvoorbeeld iets toe door de verhoging van de tarieven in eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. Een hogere marginale druk gaat veelal gepaard met een lagere gemiddelde druk.

Verder vragen de leden van de fractie van D66 wat de tarieven in box 1 zijn in 2026, wat deze zouden zijn zonder dit Belastingplan in 2027 en wat ze worden in 2027. In onderstaande tabel zijn de tarieven opgenomen. Het tarief in de eerste schijf is het gecombineerde belastingtarief inclusief premies. De verhoging van het tarief eerste en tweede schijf uit het belastingplan bestaat met name uit compenserende lastenverzwaring voor de zorgpremies, maar er is ook sprake van een verlaging van de tarieven met 0,06%-punt als onderdeel van het koopkrachtpakket.

2026 2027 zonder BP27 2027 met BP27
Tarief eerste schijf (gecombineerd) 35,75% 35,66% 36,23%
Tarief tweede schijf 37,56% 37,59% 38,16%
Toptarief 49,50% 49,50% 49,50%

De leden van de fractie van D66 vragen om een eenvoudige uitleg van de systematiek waarin maatregelen rond het eigen risico en de zorgpremie samenhangen met de tarieven van box 1. Ook vragen zij wat hier precies is gebeurd in de laatste jaren. De leden van de fractie van de BBB vragen om een overzicht van alle beleidsmatige mutaties in de zorgpremie en het eigen risico sinds het aantreden van het kabinet-Jetten I. Zij vragen daarbij per mutatie aan te geven of al dan niet sprake is van compensatie van de zorgpremie via de inkomstenbelasting of de Aof-premie.

De zorgpremies zijn lastendekkend en maken onderdeel uit van het inkomstenkader. Er zijn twee premies: de nominale zorgpremies en de inkomensafhankelijke bijdrage (IAB). Deze financieren beide voor de helft de Zvw (Zorgverzekeringswet). Lagere uitgaven aan de zorg, leiden daarmee tot lagere premies, en daarmee tot lagere ontvangsten (en omgekeerd). Hierdoor heeft besluitvorming over de uitgaven aan de Zvw altijd een directe doorwerking op het inkomstenkader. De nominale zorgpremie werkt ook door op de zorgtoeslag, die ook onderdeel is van het inkomstenkader.

Een tegenvaller in de zorguitgaven heeft dus twee effecten op de kaders: het leidt aan de ene kant tot minder ruimte onder het uitgavenkader en aan de andere kant tot een overschot binnen het inkomstenkader (door hogere zorgpremies). Een meevaller in de zorguitgaven heeft ook twee effecten op de kaders: het leidt aan de ene kant tot ruimte onder het uitgavenkader en aan de andere kant tot een tekort binnen het inkomstenkader (door lagere zorgpremies).

In de begrotingsregels staat opgenomen dat een per saldo meevaller in de uitgaven aan de Zorgverzekeringswet wordt ingezet voor lastenverlichting via een verlaging van de zorgpremies. In het geval dat er sprake is van een meevaller aan de uitgavenzijde, wordt tegenover de lagere zorgpremies in het inkomstenkader in principe geen compenserende lastenverhoging gesteld. In zo’n geval wordt een kadercorrectie toegepast.

In het geval dat er sprake is van een kaderrelevante tegenvaller aan de uitgavenzijde wordt dit opgelost binnen het uitgavenkader. In principe worden aan de inkomstenkant de lasten, met hetzelfde bedrag als de gestegen zorgpremies, verlaagd.

Bij de keuze van het compensatie-instrument wordt gekeken naar de verdeling van de lasten. De nominale premie drukt op huishoudens en wordt gecompenseerd via de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting. De inkomensafhankelijke bijdrage Zvw drukt grotendeels op werkgevers en wordt gecompenseerd via de Aof-premie. Zo blijft niet alleen het totaal, maar ook de verdeling van de lasten tussen huishoudens en bedrijven in evenwicht.

Onderstaande geeft een overzicht van de beleidsmatige mutaties in de zorgpremie sinds het aantreden van het kabinet en de daarbij toegepaste compensatie.

Tabel: Beleidsmatige mutaties zorgpremie en toegepaste compensatie

Moment Mutatie Effect op zorgpremies Compensatie via IB en aof-premie
Coalitieakkoord (verwerkt in de Voorjaarsnota 2026) Doorwerking maatregelen coalitieakkoord binnen de Zvw op de inkomstenkant (regel 12 t/m 14 in tabel 7 van de Voorjaarsnota 2026). De maatregelen bestonden uit het niet verlagen en wel indexeren van het eigen risico per 2027, de verhoging van het eigen risico met € 60 per 2027 en de tranchering van het eigen risico op maximaal €150 per behandeling. Lagere zorgpremies ten opzichte van het basispad (structureel €7.155 mln.) Compenserende lastenverzwaring om beoogde EMU-saldo effect te realiseren via de tarieven in de eerste en tweede schijf van de inkomstenbelasting (€3.025 miljoen in 2027, oplopend naar €4.956 miljoen structureel) en via de Aof-premie (€474 mln. in 2027, oplopend naar €766 mln. structureel)
Voorjaarsnota 2026 Bijstelling (meevaller in de Zvw) zorgpremie-ontwikkeling op basis van uitvoeringsinformatie (regel 1 t/m 4 van tabel 8 in de Voorjaarsnota 2026) Lagere zorgpremies ten opzichte van het basispad (structureel €642 mln.)

Compenserende lastenverzwaring via tarief eerste en tweede schijf IB (voor deel burgers)

Compenserende lastenverzwaring via de aof-premie (voor deel bedrijven)

Miljoenennota 2027 Doorwerking uitstel van 1 jaar van verhoging eigen risico met 60 euro op de zorgpremies (regel 24 van tabel 4 in de Miljoenennota 2027) Hogere zorgpremies ten opzichte van het basispad in 2027 (€1.015 mln.) Geen compenserende lastenverlichting om beoogde EMU-saldo effect te realiseren
Miljoenennota 2027 Bijstelling (tegenvaller in de Zvw) zorgpremie-ontwikkeling op basis van uitvoeringsinformatie (regel 42 t/m 45 van tabel 4 in de Miljoenennota 2027) Hogere zorgpremies ten opzichte van het basispad (structureel €287 mln.)

Compenserende lastenverlichting via tarief eerste en tweede schijf IB (voor deel burgers)

Compenserende lastenverlichting via de aof-premie (voor deel bedrijven)

De leden van de fractie van D66 vragen welk effect op het arbeidsaanbod en het aantal gewerkte uren het kabinet verwacht van de oorspronkelijke verhoging van de arbeidskorting en het aangepaste pakket uit de brief van 29 september. Daarbij wordt verwezen naar schattingen van het CPB. In CPB (2020) Kansrijk belastingbeleid heeft het CPB een schatting gemaakt van het effect van aanpassingen in belastingen op het arbeidsaanbod. Daaruit blijkt dat een generieke intensivering van de arbeidskorting (met € 1,5 miljard euro) gepaard gaat met een toename van het arbeidsaanbod van 0,1%. Daarbij stelt het CPB ook dat het meerdere jaren kan duren voordat het volledige effect is bereikt en dat het gaat om een schatting op basis van wetenschappelijke literatuur en de modellen Mimosi en Micsim. Bovendien is het de vraag in hoeverre deze inschattingen van het CPB nog actueel zijn, aangezien het arbeidsaanbod sinds 2020 verder is gestegen.

De leden van de fractie van PRO vragen wat de regering bedoelt met het ‘technisch invullen’ van het koopkrachtpakket voor het jaar 2027.

Tijdens de augustusbesluitvorming heeft het kabinet gestreefd naar een evenwichtig koopkrachtbeeld. Het kabinet heeft daarom middelen vrijgemaakt voor een koopkrachtpakket. Er is gekozen voor een technische invulling in de Miljoenennota 2027 om het gesprek met uw Kamer zo goed mogelijk te kunnen voeren en het Centraal Planbureau in staat te stellen om het koopkrachtpakket door te rekenen in de Macro-economische Verkenning. Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen heeft uw Kamer een oproep gedaan om werken meer te laten lonen, het verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden verder te verkleinen en om het aandeel van de arbeidskorting te verkleinen in het koopkrachtpakket. Hier heeft het kabinet gehoor aan gegeven in de brief van 29 september waarin aanvullende koopkrachtmaatregelen zijn aangekondigd. Bij de Algemene Financiële Beschouwingen is de motie Stultiens10 aangenomen, waarin het kabinet wordt verzocht om een verdere aanpassing van het Belastingplan zodat werken meer gaat lonen. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en zal u uiterlijk 2 november informeren over de wijze waarop deze motie wordt uitgevoerd.

De leden van de fracties PRO, SGP, ChristenUnie en CDA vragen naar de keuzes die gemaakt zijn tijdens de augustusbesluitvorming om het koopkrachtpakket vorm te geven, of hierbij rekening is gehouden met de kloof tussen een- en tweeverdieners, waarom niet is gekozen voor de tabelcorrectiefactor en of de vormgeving aangepast kan worden.

Tijdens de augustusbesluitvorming heeft het kabinet gestreefd naar een evenwichtig koopkrachtbeeld, waarbij ook werd gekeken naar het verschil in de inkomensontwikkeling tussen een- en tweeverdieners, het verschil tussen inkomensgroepen en het verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden. Uit de doorrekening van het CPB bleek dat de koopkrachtontwikkeling in 2027 negatiever zou zijn dan verwacht, waardoor het kabinet middelen vrij heeft gemaakt voor een koopkrachtpakket. Om het gesprek met uw Kamer hier goed over te kunnen voeren is gekozen voor een technische invulling in de Miljoenennota 2027. In het bijzonder is hierbij gelet op de koopkrachtontwikkeling van werkenden omdat deze de grootste koopkrachtverslechtering zagen. Daarom is ervoor gekozen om de arbeidskorting te verhogen.

Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen heeft uw Kamer een oproep gedaan om werken meer te laten lonen, het verschil tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden verder te verkleinen en om het aandeel van de arbeidskorting te verkleinen in het koopkrachtpakket. Daarom heeft het kabinet in de brief van 29 september aanvullende koopkrachtmaatregelen aangekondigd. De verhoging van de arbeidskorting wordt € 133 in plaats van € 173 en de inkomensgrens waarboven het toptarief geldt wordt verhoogd voor het kalenderjaar 2027, waardoor minder inkomen onder het toptarief wordt belast. Door de koppeling van het afbouwpad van de algemene heffingskorting aan het aanvangspunt van het toptarief wordt daarmee ook de algemene heffingskorting langzamer afgebouwd. Hierbij geeft het kabinet gehoor aan de wens, onder andere vanuit de leden van de fractie van de SGP en de ChristenUnie, om deze extra lastenverlichting niet middels een verdere verhoging van de arbeidskorting te doen maar werken wel te laten lonen. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en is bereid voorstellen vanuit uw Kamer in overweging te nemen.

De leden van de fractie van PRO merken op dat het Belastingplan 2027 een uitzonderlijk hoge lastenverzwaring bevat. Zij vragen in hoeverre dit eerder zo is geweest, wanneer de laatste keer sprake was van een lastenverzwaring van vergelijkbare omvang en wat daarvan toen de aanleiding was.

Het wetsvoorstel Belastingplan 2027 leidt volgens tabel 17 van de memorie van toelichting tot een lastenverzwaring van € 3,2 miljard in 2027, oplopend naar € 9,1 miljard structureel. Deze cijfers geven echter niet het volledige beeld van de lastenontwikkeling. Het wetsvoorstel bevat alleen fiscale maatregelen. Het grootste deel van de lastenverzwaring in de inkomstenbelasting is een compensatie voor zorgpremies die lager zijn dan in het basispad. Een ander belangrijk deel is de vrijheidsbijdrage van burgers ten behoeve van de hogere defensie-uitgaven, die structureel € 3,4 miljard oplevert. Daarnaast heeft het kabinet met de Miljoenennota 2027 lastenverlichtingen doorgevoerd als onderdeel van het koopkrachtpakket, samen met kortingen op de brandstofaccijnzen en de vliegbelasting. Een aanleiding voor de lastenverzwaring van dit kabinet is de vrijheidsbijdrage voor de hogere defensie-uitgaven. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze rekening niet wordt doorgeschoven naar toekomstige generaties.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet scenario’s kan bedenken waarin de gewenste lastenverzwaring wordt bereikt door slechts gebruik te maken van het aanvangspunt van het toptarief, het verhogen van het toptarief en het afbouwpercentage van de arbeidskorting. Daarnaast vragen de leden of de regering kan aangeven waar de lasten terechtkomen per inkomenskwintiel en op welke manier de lastenverzwaring zoveel mogelijk beperkt kan worden voor de eerste twee inkomenskwintielen.

Het terugdraaien van de lastenverzwaring (onder andere vrijheidsbijdrage, compensatie zorgpremies en verlagen ouderenkorting) kost circa € 4,9 miljard in 2027. Hieronder is een voorbeeld opgenomen van een scenario waarin dit bedrag wordt opgehaald met het verlagen van het aanvangspunt van het toptarief, het verhogen van het toptarief en het verhogen van het afbouwpercentage van de arbeidskorting. Het verlagen van het aanvangspunttoptarief heeft niet alleen effect voor inkomens rond het aanvangspunt toptarief. Door de koppeling van het aanvangspunt toptarief met het afbouwpad van de algemene heffingskorting, heeft iedereen vanaf circa minimumloon en recht op algemene heffingskorting te maken met een steilere afbouw van de algemene heffingskorting. Ook het verhogen van het afbouwpercentage van de arbeidskorting raakt mensen met een arbeidsinkomen vanaf circa € 50.000.

Het verhogen van het toptarief levert volgens de sleuteltabel circa € 550 miljoen op per procentpunt. Het verlagen van het aanvangspunt toptarief levert circa € 350 miljoen op per 1.000 euro en het verhogen van het afbouwpercentage van de arbeidskorting levert circa € 850 miljoen op per %-punt. Dit geeft een indicatie, precieze uitkomsten kunnen wijzigen bij wijzigingen binnen box 1.

Er zijn veel verschillende scenario’s mogelijk. Wanneer de lastenverzwaring (onder andere vrijheidsbijdrage, compensatie zorgpremies en verlagen ouderenkorting) wordt teruggedraaid en daarnaast het toptarief met 3%-punt naar 52,50% wordt verhoogd, het aanvangspunttoptarief met € 2.000 euro wordt verlaagd en het afbouwpercentage van de arbeidskorting van 6,51% naar 9,71% wordt verhoogd, levert dit bijvoorbeeld circa € 4,9 miljard op in 2027.

Onderstaande tabel toont de inkomenseffecten van de huidige invulling in het Belastingplan en de alternatieve invulling van de lastenverzwaring in box 1 van de inkomstenbelasting. Lastenverlichtende maatregelen uit het Belastingplan zijn buiten beschouwing gelaten. De alternatieve invulling zorgt voor een mediaan inkomenseffect in de eerste twee inkomenskwintielen van nul procent. Hier staat tegenover dat het mediane inkomenseffect van de alternatieve invulling voor het hoogste inkomenskwintiel -2,1% is.

Inkomensgroep Inkomenseffect huidige invulling lastenverzwaring Belastingplan Inkomenseffect alternatieve invulling lastenverzwaring
1e (<=108% WML) -0,9% 0,0%
2e (108-174% WML) -1,1% 0,0%
3e (174-257% WML) -1,1% -0,1%
4e (257-381% WML) -1,1% -0,6%
5e (>381% WML) -1,0% -2,1%
Alle huishoudens -1,1% -0,1%

De leden van de fracties PRO, CDA, SGP, D66 en BBB vragen waarom het kabinet heeft gekozen voor een verhoging van de arbeidskorting en hoe dit zich verhoudt tot de ambitie van het kabinet om tot een eenvoudiger belasting- en toeslagenstelsel te komen.

Het kabinet kijkt, net als zijn voorgangers, jaarlijks in augustus naar de koopkrachtontwikkeling voor het aankomende jaar. Op basis van de macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau (CPB) over hoe de economie en beleid de koopkracht van huishoudens raakt, beziet het kabinet of en welke maatregelen nodig zijn om een evenwichtig koopkrachtbeeld te bereiken. Het kabinet maakt daarbij een integrale afweging, rekening houdend met het koopkrachteffect van de maatregelen en het benodigde budget. Omdat de koopkrachtontwikkeling van werkenden sterker verslechterde dan andere groepen heeft het kabinet dit jaar gekozen voor een combinatie van het verhogen van de arbeidskorting en het verhogen van de inkomensgrens voor het toptarief.

Tegelijkertijd ziet het kabinet dat het belasting- en toeslagenstelsel over de jaren heen steeds complexer is geworden. Het stelsel is daarom ook aan een herziening toe. Dat vergt tijd, ambitie en breed draagvlak. Het kabinet is daarom bezig met een hervormingsagenda. De hervormingsagenda geldt als het startschot voor een breder proces richting een toekomstbestendig stelsel. Per onderdeel van het belastingstelsel kijken we welke wijzigingen nodig en haalbaar zijn en op welk moment deze het beste doorgevoerd kunnen worden. Daarbij kijkt het kabinet, zoals aangekondigd in het coalitieakkoord, ook naar het stapsgewijs beperken van de veelheid aan inkomensafhankelijke regelingen in de fiscaliteit, te beginnen met de heffingskortingen.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de SGP, is het kabinet dan ook van mening dat beter in algemene zin gekeken kan worden naar de heffingskortingen en dat het uitbreiden van de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting niet bijdraagt aan het doel het stelsel te vereenvoudigen. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat (meer) werken loont. Het uitbreiden van de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting kan er juist voor zorgen dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken

De leden van de fractie van de SGP wijzen tot slot op een uitspraak van de Hoge Raad over de arbeidskorting.11 Bij deze uitspraak ging het om het verschil in behandeling tussen mensen met een Werkhervattingsuitkering Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) die deze via de werkgever ontvingen en mensen die deze WGA-uitkering rechtstreeks van het UWV ontvingen. Bij wie de WGA-uitkering rechtstreeks van het UWV ontvangt, telt deze niet mee voor de berekening van de arbeidskorting, terwijl een WGA-uitkering die via de werkgever wordt ontvangen, wel daarvoor meetelt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit verschil in behandeling in strijd is met het discriminatieverbod dat is opgenomen in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Hoge Raad heeft echter ook geoordeeld dat de WGA-uitkering in beginstel terecht niet is meegeteld in de berekening van de arbeidskorting. De samenvoegbepaling12 wordt per 1 januari 2027 aangepast13, zodat uitvoering wordt gegeven aan de uitspraak van de Hoge Raad.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet bereid is deze verruiming alsnog ongedaan te maken. Het kabinet heeft breed de koopkrachtinstrumenten gewogen om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld. Daarmee is het niet de insteek van het kabinet om het tarief van de tweede schijf aan te passen gegeven de koppeling aan de aftrekposten. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak. Daarom is het kabinet uiteraard bereid voorstellen vanuit uw Kamer in overweging te nemen.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet inzicht kan geven in de samenhang tussen hypotheekrenteaftrek en heffingskortingen en toeslagen. De leden vragen of het klopt dat een hogere hypotheekrenteaftrek in veel gevallen leidt tot hogere heffingskortingen en toeslagen. Zij vragen ook welk budgettair belang daarmee is gemoeid. De hypotheekrenteaftrek zorgt, net als andere aftrekposten, voor een lager verzamelinkomen. Het verzamelinkomen bepaalt de hoogte van heffingskortingen en toeslagen. Als mensen meer hypotheekrente kunnen aftrekken, zorgt in sommige gevallen het lagere verzamelinkomen voor hogere heffingskortingen of toeslagen. Dit geldt voor inkomens op het afbouwpad van de heffingskortingen en toeslagen. Het eigenwoningforfait zorgt daarentegen voor een hoger verzamelinkomen. Het budgettaire belang van het effect van de hypotheekrenteaftrek op de algemene heffingskorting is circa € 880 miljoen en voor de ouderenkorting circa € 70 miljoen. Het budgettaire belang van het effect op toeslagen is circa € 680 miljoen. Een verhoging van het aftrektarief leidt niet tot hogere heffingskortingen en toeslagen, dat heeft namelijk geen effect op het verzamelinkomen van mensen.

De leden van de fractie van PRO vragen enkele rekenvoorbeelden van voorbeeldhuishoudens die meer heffingskortingen en toeslagen krijgen door toepassing van hypotheekrenteaftrek dan vergelijkbare huishoudens in een huurwoning.

In de rekenvoorbeelden in onderstaande tabel voor 2027 wordt aangenomen dat huishoudens twee kinderen tussen 6 en 11 jaar hebben, die drie dagen naar de buitenschoolse opvang gaan.14 Daarnaast wordt aangenomen dat voor huishoudens met hypotheekrenteaftrek (HRA) de WOZ-waarde van een woning € 500.000, de hypotheekschuld € 250.000 en de hypotheekrente 4% is. Er wordt een huurprijs van € 706 per maand verondersteld. De arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) wordt berekend over het arbeidsinkomen in plaats van het belastbaar inkomen.

Alleenstaande, 2 kinderen in huurwoning Alleenstaande, 2 kinderen met HRA Alleenstaande, 2 kinderen in huurwoning Alleenstaande, 2 kinderen met HRA Paar (beide € 40.000), 2 kinderen, in huurwoning Paar (beide € 40.000), 2 kinderen met HRA
Belastbaar inkomen vóór aftrek € 30.000 € 30.000 € 50.000 € 50.000 € 80.000 € 80.000
EWF - € 1.750 - € 1.750 - € 1.750
HRA - -€ 10.000 - -€ 10.000 - -€ 10.000
Belastbaar inkomen na aftrek € 30.000 € 21.750 € 50.000 € 41.750 € 80.000 € 71.750
Totaal te betalen IB incl premies volksverzekeringen € 10.869 € 7.880 € 18.323 € 15.174 € 29.013 € 25.995
AHK € 3.154 € 3.154 € 1.942 € 2.466 € 5.154 € 5.677
AK € 5.558 € 5.558 € 5.748 € 5.748 € 11.487 € 11.487
IACK € 2.712 € 2.712 € 2.917 € 2.917 € 2.917 € 2.917
Netto inkomen € 30.000 € 30.000 € 42.284 € 45.956 € 70.545 € 74.087
Zorgtoeslag € 1.680 € 1.680 - € 189 - -
Huurtoeslag € 5.143 - € 1.292 - - -
Kinderbijslag € 2.979 € 2.979 € 2.979 € 2.979 € 2.979 € 2.979
Kindgebonden budget € 8.937 € 8.937 € 7.400 € 8.064 € 2.257 € 2.921
Kosten kinderopvang € 19.290 € 19.290 € 19.290 € 19.290 € 19.290 € 19.290
Kinderopvangtoeslag € 17.341 € 17.341 € 17.341 € 17.341 € 16.835 € 17.341
Besteedbaar inkomen na toeslagen en kinderopvang kosten € 46.790 € 41.648 € 52.007 € 55.240 € 73.327 € 78.038

Deze leden van de fractie van JA21 vragen de regering te kwantificeren welk deel van de opbrengst van € 1,5 miljard in 2027 en € 3,4 miljard structureel neerslaat bij ondernemers en in box 2 en box 3. Het beperkter toepassen van de tabelcorrectiefactor heeft geen invloed op de ondernemersregelingen in box 1, omdat deze niet worden geïndexeerd en dus geen deel uitmaken van de opbrengst van deze maatregel. Slechts een zeer klein deel van de opbrengst is toe te wijzen aan opbrengst uit box 2 en 3 (enkele procenten).

De leden van de fractie van JA21 vragen naar de gevolgen van de verlaging van het heffingsvrije vermogen en de verhouding tot het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Met de verlaging van het heffingsvrije vermogen naar € 30.846 is de inschatting dat het aantal mensen dat belasting betaalt in box 3 toeneemt met circa 1,2 miljoen. De verlaging van het heffingsvrije vermogen leidt niet tot wijzigingen in de geraamde opbrengst van de vrijheidsbijdrage en de hoogte van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor. Dat heeft te maken met de aangehouden volgorde van de ramingen. Bij het ramen van de opbrengst van het verlagen van het heffingsvrije vermogen is al rekening gehouden met het basispad waarin de tabelcorrectiefactor beperkt wordt toegepast.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het toepassingspercentage van de tabelcorrectiefactor van 12,2% een raming is en hoe groot de bandbreedte is als de tabelcorrectiefactor voor 2028 hoger of lager uitvalt dan nu verwacht is. Daarnaast vragen zij wat een hogere inflatie in 2027 betekent voor het toepassingspercentage in 2028. Ze vragen of het klopt dat bij een hogere inflatie het toepassingspercentage stijgt, terwijl bij een lagere inflatie de inflatiecorrectie in 2028 nagenoeg volledig kan wegvallen.

Het toepassingspercentage voor 2028 is inderdaad een raming en wordt volgend jaar indien nodig herijkt, omdat er sprake is van een taakstellende opbrengst in 2028. Er is geen bandbreedte van de tabelcorrectiefactor (tcf) beschikbaar. Verder zorgt een hogere inflatie dan verwacht in de eerste helft van 2027 voor een hogere tabelcorrectiefactor in 2028. Om hetzelfde taakstellende bedrag op te halen in 2028 zou dan een kleinere beperking nodig zijn van de toepassing van de tabelcorrectiefactor. Het toepassingspercentage zou in dat geval hoger zijn. Enkel de inflatie in de eerste helft van 2027 is van belang omdat bij het bepalen van de tabelcorrectiefactor voor 2028 de inflatiecijfers van de laatste maanden van 2027 niet worden meegenomen.

Verder klopt het ook dat bij een lagere tcf de inflatiecorrectie nagenoeg zou kunnen wegvallen in 2028, omdat de geraamde toepassingsfactor slechts 12,2% bedraagt.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het klopt dat huishoudens met een laag belastbaar inkomen, die hun heffingskortingen niet volledig kunnen verzilveren, wel profiteren van de lagere premie maar de tariefverhoging nauwelijks merken, terwijl werkende middeninkomens per saldo kunnen inleveren. Het klopt dat huishoudens die hun heffingskortingen niet volledig kunnen verzilveren wel profiteren van lagere premies, maar de tariefverhoging niet of minder merken dan huishoudens die hun heffingskortingen wel volledig kunnen verzilveren. Lagere inkomens die profiteren van een lagere premie door het verhoogde eigen risico krijgen overigens te maken met een lagere zorgtoeslag.

Deze leden van de fractie van JA21 vragen de regering de volledige aangepaste parameters voor 2027 te geven, inclusief de ouderenkorting en de tarieven van de eerste en tweede schijf. De leden vragen ook of de verlaging van de ouderenkorting met € 100 gehandhaafd blijft. Onderstaande tabel toont de hoogte van de belangrijkste parameters die beleidsmatig worden aangepast in 2027, inclusief de wijzigingen uit de brief van 29 september jl. De verlaging van de ouderenkorting met € 100 euro blijft in stand.

Parameters 2027
Tarief eerste schijf (gecombineerd) 36,23%
Tarief tweede schijf 38,16%
Tarief derde schijf 49,50%
Eindpunt eerste schijf € 39.247
Eindpunt tweede schijf € 80.578
Hoogte eerste knikpunt arbeidskorting € 1.142
Hoogte tweede knikpunt arbeidskorting € 5.500
Hoogte derde knikpunt arbeidskorting € 5.889
Ouderenkorting € 1.993

De leden van de fractie van de SGP vragen naar een overzicht van alle IB-parameters, nu diverse parameters zijn aangepast na indiening van het pakket Belastingplan. Onderstaande tabel toont de belangrijkste parameters in box 1 (inclusief wijzigingen uit de brief van 29 september jl.). Parameters in box 2 en 3 zijn nog niet opgenomen, omdat die nog niet stilstaan. Verder zijn er te veel parameters in de IB om een volledig overzicht te geven.

Parameters 2027
Tarief eerste schijf (gecombineerd) 36,23%
Tarief tweede schijf 38,16%
Tarief derde schijf 49,50%
Eindpunt eerste schijf € 39.247
Eindpunt tweede schijf € 80.578
Hoogte eerste knikpunt arbeidskorting € 1.142
Hoogte tweede knikpunt arbeidskorting € 5.500
Hoogte derde knikpunt arbeidskorting € 5.889
Afbouwpunt arbeidskorting € 47.834
Afbouwpercentage arbeidskorting 6,51%
Ouderenkorting € 1.993
Afbouwpunt ouderenkorting € 46.577
Afbouwpercentage ouderenkorting 15%
Alleenstaande ouderenkorting € 547
Algemene heffingskorting € 3.154
Afbouwpunt algemene heffingskorting € 30.910
Inkomensafhankelijke combinatiekorting € 2.918
Opbouwpercentage inkomensafhankelijke combinatiekorting 11,45%
Jonggehandicaptenkorting € 935

De leden van de fractie SGP vragen waarom de tarieven in box 1 worden verhoogd terwijl de verhoging van het eigen risico met 60 euro met een jaar wordt uitgesteld en wat precies de tariefverhoging in box 1 is als gevolg van deze keuze. Door het uitstel van de verhoging van het eigen risico zullen de zorguitgaven en zorgpremies in 2027 stijgen. Normaliter zou daar een compenserende lastenverlichting tegenover staan (waardoor tarief eerste en tweede schijf in de IB met 0,14%-punt zou afnemen), maar die compenserende lastenverlichting is niet toegepast om het EMU-saldo niet verder te belasten.

De leden van de fractie van JA21 constateren dat het wetsvoorstel volgens tabel 17 van de memorie van toelichting een lastenverzwaring van €3,2 miljard in 2027 en €9,1 miljard structureel oplevert en dat ook het pakket als geheel per saldo een forse lastenverzwaring bevat. Zij vragen de ontwikkeling van de collectievelastendruk in 2027 en de jaren daarna weer te geven, met en zonder dit pakket, en het beleidsmatige lasteneffect daarbij uit te splitsen naar burgers en bedrijven.

De collectievelastendruk geeft de totale belasting- en premieontvangsten weer als percentage van het bbp. De ontwikkeling daarvan wordt niet alleen bepaald door beleid, maar voor een belangrijk deel door economische ontwikkelingen, zoals de loongroei. De collectievelastendruk met en zonder dit pakket is daarom niet goed te berekenen. Ook de beleidsmatige lastenontwikkeling (blo) is niet goed te berekenen met en zonder dit pakket. Het pakket Belastingplan 2027 bevat alleen fiscale maatregelen, terwijl de blo bijvoorbeeld ook de premies werknemersverzekeringen, de zorgpremies en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw omvat. Daarnaast bevat de blo ook eerder genomen maatregelen, onder meer van voorgaande kabinetten, die in 2027 en latere jaren effect hebben.

Onderstaande tabel geeft de totale beleidsmatige lastenontwikkeling weer voor het beleid van dit kabinet inclusief het beleid van voorgaande kabinetten (basispad) en voor het beleid van dit kabinet afzonderlijk.

Tabel: Beleidsmatige lastenontwikkeling (in € mld., in standen, min = lastenverlichting)

De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet te bevestigen dat de Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel alleen over het deel van de vrijheidsbijdrage beslist dat van toepassing is op burgers. Ook vragen zij hoe hoog de Aof-premie in 2027 en 2028 wordt en wanneer de Kamer daarover wordt geïnformeerd. De leden van de fractie van de ChristenUnie wijzen op de conclusie van de Raad van State dat naar schatting 75% van de verhoging van de Aof-premie bij werknemers terechtkomt. Ook wijzen zij op de constatering van de Algemene Rekenkamer dat het gebruik van de Aof-premie voor het ophalen van geld voor Defensie een vermenging van premies en belastingen is, waarmee het budgetrecht van de Kamer wordt omzeild. Deze leden vragen of het kabinet de conclusie van de Raad van State herkent dat de druk van de premieverhoging voor een groot deel bij werknemers terechtkomt. Verder vragen zij naar de afwegingen van het kabinet om bedrijven niet via bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting te laten bijdragen aan Defensie. Tot slot vragen deze leden, onder verwijzing naar de motie Grinwis/Patijn, wat de analyse naar de juridische houdbaarheid en maatschappelijke wenselijkheid van een Aof-premie die veel sneller stijgt dan noodzakelijk voor de arbeidsongeschiktheidsuitgaven heeft opgeleverd.

De huidige fondsensystematiek voor de werknemersverzekeringen is complex, onder andere door het dubbele karakter van de premies. Enerzijds vloeien deze premies voort uit het verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen en zijn zij bedoeld om de uitgaven aan werknemersverzekeringen te financieren. Anderzijds zijn de premies onderdeel van de Rijksbegroting. De uitgaven en inkomsten van de fondsen tellen mee in het EMU-saldo. Dat geeft ruimte voor hogere/lagere (rijks)uitgaven of voor hogere/lagere andere inkomsten. Eventuele andere (rijks)uitgaven worden niet gedaan uit het fonds en hebben dus geen effect op het fondsvermogen.

Bij de start van de kabinetsperiode heeft het kabinet budgettaire afspraken gemaakt om de inkomsten en uitgaven van de overheid met elkaar in balans te brengen. Daarbij is in het inkomstenkader vastgelegd hoe hoog de beleidsmatige aanpassing van de belastingen en premies per jaar is. Het inkomstenkader omvat zowel belastingen als wettelijke premies. Voor de beheersing van de lasten maakt het dus geen verschil of een lastenverzwaring via een belasting of via een premie wordt vormgegeven: beide tellen op dezelfde wijze mee. De verhoging van de Aof-premie is onderdeel van deze afspraken.

Het klopt dat een verhoging van de Aof-premie geen onderdeel is van het Belastingplan. De premiepercentages worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld. Formeel beslist de Kamer bij de behandeling van dit wetsvoorstel dus alleen over de vrijheidsbijdrage van burgers. Het parlement heeft geen formeel budgetrecht ten aanzien van de premiegefinancierde uitgaven en de daaraan gekoppelde premies, omdat deze niet via een begrotingswet lopen. Er is daarom geen voorafgaande instemming van het parlement nodig voor aanpassingen van de premies. Wel kan het parlement de uitgaven aanpassen door de onderliggende wet- en regelgeving te wijzigen.

In de praktijk maakt de premiegefinancierde sector wel degelijk deel uit van het debat in het parlement. De vaststelling van de premies, het verschil tussen uitgaven en inkomsten en het vermogen van de fondsen is een vast onderdeel van de begroting van SZW (de voorgenomen premietarieven zijn terug te vinden in de bijlage van de SZW-begroting). Daarnaast zijn de premies onderdeel van het inkomstenkader en zichtbaar in de Miljoenennota: in de besluitvormingstabel, in de beleidsmatige lastenontwikkeling en in de raming van de inkomsten. Naar het oordeel van het kabinet wordt het budgetrecht van de Kamer met de verhoging van de Aof-premie daarom niet omzeild.

De voorgenomen Aof-premie bedraagt naar schatting gemiddeld 7,76% in 2027 en 7,83% in 2028. De voorgenomen Aof-premietarieven stijgen in 2027 daarmee met 0,40 procentpunt ten opzichte van 2026. Het kabinet herkent dat de verhoging van de Aof-premie op termijn voor een deel bij werknemers terecht kan komen. De verhoging komt in eerste instantie terecht bij werkgevers. Zij dragen de premie af over de loonsom die zij betalen. Dit verhoogt de loonkosten en kan op termijn doorwerken in de lonen. Het CPB gaat er in het algemeen van uit dat op de lange termijn ongeveer driekwart van een premieverhoging wordt afgewenteld op werknemers via een lagere loonstijging. Of en in welke mate dit gebeurt, zal verschillen per bedrijf en per sector. Bij cao-onderhandelingen spelen meer factoren een rol.

Tijdens het commissiedebat werknemersverzekeringen van 8 april jl. heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd in het najaar een brief te sturen over de relatie tussen de begroting, het budget, de premies en de fondsen. Daarbij wordt ook de motie Grinwis/Patijn betrokken. In die brief gaat het kabinet expliciet in op de juridische en maatschappelijke wenselijkheid van het huidige stelsel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat het kabinet bij het niet doorvoeren van de verhoging van het eigen risico in 2027 geen compenserende lastenverlichting heeft toegepast, met een beroep op het niet verder willen belasten van het EMU-saldo. Zij vragen of hiervoor een precedent bestaat, en zo ja, hoe vaak dit is voorgekomen. Zo nee, vragen zij waarom dit de eerste keer is. Ook vragen deze leden welke verlaging van de Aof-premie normaal gesproken had moeten worden doorgevoerd en met welke budgettaire gevolgen.

In de Miljoenennota 2027 is de verhoging van het eigen risico met €60 met een jaar uitgesteld naar 2028. Dit leidt in 2027 tot een € 437 miljoen lagere opbrengst van het eigen risico en tot € 613 miljoen hogere zorguitgaven, omdat huishoudens meer zorg gebruiken. Per saldo zijn de netto zorguitgaven in 2027 daardoor circa €1 miljard hoger. Hogere zorguitgaven leiden tot hogere zorgpremies. Deze nemen met grofweg €1 miljard toe en maken deel uit van het inkomstenkader.

Het is gebruikelijk dat een kaderrelevante tegenvaller aan de uitgavenzijde van de Zvw opgelost wordt binnen het uitgavenkader en dat aan de inkomstenkant de lasten met hetzelfde bedrag verlaagd worden. Dat gebeurt in principe met compenserende bijstellingen die zo goed mogelijk aansluiten bij de doelgroep. Het kabinet heeft er bij deze maatregel echter voor gekozen geen compenserende lastenverlichting toe te passen, om het EMU-saldo niet verder te belasten. Voor zover bekend is in de afgelopen tien jaar niet eerder afgezien van compenserende lastenverlichting bij hogere zorgpremies als gevolg van hogere Zvw-uitgaven.

Bij compensatie volgens de gebruikelijke systematiek zou de inkomstenbelasting met € 716 miljoen zijn verlaagd. Dat komt neer op 0,14 procentpunt lagere tarieven in de eerste en tweede schijf. Daarnaast zou de Aof-premie met €196,3 miljoen zijn verlaagd. Dat komt neer op een gemiddelde Aof-premie verlaging van 0,05 procentpunt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat in het kader van de vrijheidsbijdrage bij bedrijven €1,5 miljard in 2027 en structureel €1,7 miljard wordt opgehaald, tegenover structureel €3,4 miljard bij burgers. Zij vragen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen de vrijheidsbijdrage structureel voornamelijk door burgers te laten betalen en waarom niet is gekozen voor een 50-50-benadering. Ook de leden van de fractie van JA21 vragen hoe de vrijheidsbijdrage van burgers zich verhoudt tot de vrijheidsbijdrage van bedrijven.

De hogere defensie-uitgaven leveren een flinke rekening op. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze rekening niet wordt doorgeschoven naar toekomstige generaties. Daarom vraagt het kabinet zowel burgers als bedrijven een bijdrage te leveren. De verdeling daarvan is een keuze die is gemaakt in de integrale afweging van de budgettaire afspraken bij de start van de kabinetsperiode. Daarbij heeft het kabinet ten eerste oog gehad voor de grotere huidige omvang van de loon- en inkomensheffing ten opzichte van de werkgeverspremies, waarmee de verhoging in relatieve zin vergelijkbaar is. Daarnaast heeft het kabinet gewicht toegekend aan een stabiel fiscaal vestigingsklimaat en een zo gelijk mogelijk speelveld in Europa, en tegelijkertijd oog gehouden voor een evenwichtige verdeling van de lasten.

De leden van de fractie van D66 en het CDA vragen naar de stand van zaken van het onderzoek naar maatregelen om meer werken extra te laten lonen, zoals een arbeidskorting per gewerkt uur en een meerurenvoordeel.

Samen met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kijk ik naar ‘onorthodoxe’ maatregelen om werken meer te laten lonen. Hierbij wordt gekeken naar de mogelijkheden van een ‘meer-urenvoordeel’, een arbeidskorting per uur en een voltijdsbonus. Hierbij is onder andere aandacht voor doeltreffendheid en doelmatigheid, juridische haalbaarheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, inkomenseffecten en effecten op marginale druk. Uw Kamer ontvangt hierover in het najaar een brief.

De leden van de fractie van D66 vragen daarnaast hoe het beperken van heffingskortingen een plek in de hervormingsagenda krijgen.

Per onderdeel van het belastingstelsel wordt gekeken welke wijzigingen nodig en haalbaar zijn, en op welk moment deze het beste doorgevoerd kunnen worden. Daarbij worden ook de heffingskortingen en toeslagen die zijn genoemd in het coalitieakkoord meegenomen. Het kabinet streeft ernaar uw Kamer aan het einde van het jaar te informeren over de hervormingsagenda. Dat is het startschot – geen eindschot - voor een breder proces richting een stelsel dat beter aansluit bij deze tijd en toekomstbestendig is.

De leden van de fractie van PRO vragen waarom het kabinet heeft besloten om de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor het jaar 2028 in het Belastingplan 2027 te regelen en of het niet logischer zou zijn de maatregel op te nemen in het Belastingplan 2028, zodat sprake is van een afgewogen geheel. Het is gebruikelijk om maatregelen uit een coalitie- of een regeerakkoord met budgettaire gevolgen bij het eerstvolgende Belastingplan te regelen. Voor het opnemen in het Belastingplan 2027 van de maatregel beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor voor het jaar 2028 is geen sprake van een wetgevingstechnische of uitvoeringstechnische noodzaak. Het opnemen van de vrijheidsbijdrage voor 2028 in het Belastingplan van dit jaar zorgt ervoor dat er meer zekerheid is over de budgettaire opbrengst die nodig is als financiering voor de grote opgaven waar dit land voor staat. Voor transparantie en zekerheid in het belastingstelsel is het kabinet van mening dat het daarom belangrijk is om de volledige vrijheidsbijdrage in aankomend Belastingplan op te nemen. Nu de vrijheidsbijdrage is opgenomen in het Belastingplan 2027, zorgt het verwijderen van de maatregel uit het wetsvoorstel wel voor een budgettaire derving van € 1,9 miljard per 2028 die gedekt moet worden.

Het kabinet neemt in augustus een afgewogen besluit over de koopkracht voor het aankomende jaar. Voor het jaar 2028 zal dat niet anders zijn: ook de effecten van de beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor voor het jaar 2028 worden dan meegewogen in de besluitvorming. Wat het kabinet betreft is er dan ook sprake van een afgewogen geheel.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van JA21 om het toepassingspercentage voor 2028 alsnog in de wet op te nemen. Het kabinet is er geen voorstander van om het toepassingspercentage voor de tabelcorrectiefactor nu al in de wet op te nemen. De tabelcorrectiefactor voor het jaar 2028 is op dit moment nog niet bekend. Deze wordt bekend in juli 2027. De budgettaire opbrengst van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor is sterk afhankelijk van de hoogte van de tabelcorrectiefactor. Als de toepassingsfactor op dit moment zou worden geraamd, dan kan voor het jaar 2028 sprake zijn van een budgettaire tegenvaller of meevaller die in het saldo loopt. In het geval van een meevaller, zou ook sprake zijn van een onnodige lastenverzwaring voor burgers. Het kabinet vindt beide situaties ongewenst. Daarom is gekozen voor een delegatiebepaling waarbij het toepassingspercentage later bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld.

De delegatiebepaling is zo vormgegeven dat er geen sprake is van beleidsruimte. Het toepassingspercentage van de tabelcorrectiefactor volgt uit de al vastgestelde budgettaire opbrengst van € 3,4 miljard en de in juli 2027 uit de wet voortvloeiende tabelcorrectiefactor. Omdat sprake is van een algemene maatregel van bestuur wordt de regelgeving ter toetsing voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Het lijkt het kabinet dan nu ook niet noodzakelijk een voorhangprocedure op te nemen, maar gaat over de wens tot een voorhangprocedure graag met de Tweede Kamer in gesprek

Verhogen onbelaste reiskostenvergoeding en andere forfaitaire aftrekbedragen

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet heeft overwogen aanvullende maatregelen te nemen om ook werknemers die geen of een lagere reiskostenvergoeding ontvangen te bereiken, en zo ja, welke maatregelen mogelijk zouden zijn. Zo nee, waarom niet. In lijn hiermee vragen de leden van de fractie van het CDA of het kabinet ook actief bij werkgevers deze maatregel onder de aandacht heeft gebracht om deelname te verhogen. Het kabinet heeft onder meer de maximum gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding structureel verhoogd naar € 0,25 per kilometer om werkgevers de mogelijkheid te bieden de gestegen brandstofprijzen te compenseren. In 2023 is de onbelaste reiskostenvergoeding voor het laatst geëvalueerd. Uit de evaluatie blijkt dat slechts 11% van de werkgevers geen reiskostenvergoeding aanbiedt. Uit de evaluatie blijkt ook dat ongeveer 75% van de werknemers een vorm van een reiskostenvergoeding ontvangt van hun werkgever.15 De overige 25% van de werknemers ontvangt geen vergoeding, vaak omdat zij te weinig kilometers maken (83% van deze groep noemt dit als reden). Er is dus een groep werknemers die geen of een lagere reiskostenvergoeding ontvangt. Een mogelijkheid om te borgen dat deze groep werknemers wel een reiskostenvergoeding ontvangt, is om het uitbetalen van een reiskostenvergoeding wettelijk te verplichten. In 2024 is, conform de motie van Dijk16, advies gevraagd aan de Stichting van de Arbeid over het al dan niet introduceren van een wettelijke verplichting. De Stichting van de Arbeid ziet voordelen van een wettelijk verplichte minimumvergoeding, maar concludeerde dat een wettelijke minimumvergoeding niet wenselijk is.17 Een dergelijke verplichting zou, aldus de Stichting van de Arbeid, een vergaande inmenging van de overheid in het arbeidsvoorwaardelijke domein betekenen en zou kunnen leiden tot onbedoelde effecten. Denk daarbij aan een versobering van andere arbeidsvoorwaarden of een normerend effect op bestaande, vaak gunstigere, afspraken dan een wettelijk verplichte minimumvergoeding. De Stichting van de Arbeid benadrukt dat maatwerk per sector en bedrijf essentieel is, gelet op de grote diversiteit in situaties. In plaats van een wettelijke verplichting roept de Stichting van de Arbeid werkgevers en sociale partners op om op decentraal niveau afspraken te maken over een adequate reiskostenvergoeding. Het kabinet heeft, bij het bekendmaken van het pakket aan energiemaatregelen, werkgevers opgeroepen om gebruik te maken van de mogelijkheid om een hogere reiskostenvergoeding uit te betalen en is ook in gesprek gegaan met sociale partners zodat deze ruimte structureel in cao’s benut kan worden. Daarnaast deelt de Belastingdienst periodiek nieuwsbrieven met werkgevers waarin de hogere reiskostenvergoeding meermaals onder de aandacht is en wordt gebracht. Daarnaast kennen veel werkgevers een zogenaamde cafetariaregeling waarbij de werknemer de mogelijkheid heeft om brutoloonbestanddelen uit te ruilen voor een (aanvullende) netto onbelaste reisvergoeding tot het maximaal vrijgestelde bedrag van de reiskostenvergoeding. Dat leidt voor de werknemer tot een financieel voordeel. Door de verhoging naar € 0,25 wordt het netto voordeel voor de werknemer groter. De ervaring is dat werkgevers die dit aanbieden in de maanden oktober en november werknemers hier veelal nog eens extra op attenderen.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet ook flankerend beleid heeft overwogen om de negatieve klimaatimpact van hogere reiskostenvergoedingen te mitigeren. Daarnaast vragen deze leden hoeveel extra broeikasgastuitstoot zal plaatsvinden door deze maatregel. Uit de eerder aangehaalde evaluatie uit 2024 blijkt dat de onbelaste reiskostenvergoeding leidt tot negatieve milieueffecten. In 2020 heeft de onbelaste reiskostenvergoeding geleid tot ca 0,4 Mton extra broeikasgassen (ten opzichte van een situatie waarin er geen onbelaste reiskostenvergoeding zou bestaan). In 2020 heeft de onbelaste reiskostenvergoeding geleid tot ca. 0,4 kton NOx-emissies, wat gelijk is aan ca. 0,8% van de totale stikstofemissies van wegverkeer en spoorvervoer in Nederland in 2020. Het kabinet heeft om de volgende redenen vooralsnog geen flankerend beleid overwogen om de negatieve klimaatimpact van de hogere reiskostenvergoeding te mitigeren. Het is ten eerste niet de verwachting dat de hogere reiskostenvergoeding in de huidige situatie met hoge brandstofprijzen leidt tot meer reisbewegingen, ten opzichte van de situatie zonder de hoge brandstofprijzen. Het verhogen van de maximale onbelaste reiskostenvergoeding heeft met name beoogd om werknemers met ongewijzigde reisbewegingen naar hun werk, een hogere onbelaste reiskostenvergoeding te geven vanwege de hogere brandstofprijzen. Ten tweede is de gericht vrijgestelde onbelaste reiskostenvergoeding gesteld op maximaal € 0,25, onafhankelijk van de vraag hoe een werknemer reist. Deze maximumvergoeding geldt niet alleen voor reizen met de eigen auto, maar ook voor reizen met de fiets of te voet. Voor fietsen en lopen ligt de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,25 per kilometer vaak fors boven de daadwerkelijke kosten, wat een prikkel vormt om voor deze modaliteiten te kiezen.

De leden van de fractie van PRO vragen of het verhogen van de reiskostenvergoeding in combinatie met het verlengen van de accijnskorting niet dubbelop is. Opvolgend vragen deze leden welke van deze maatregelen het kabinet het belangrijkst vindt. Het kabinet heeft dit voorjaar een aantal maatregelen genomen om de gevolgen van de sterk gestegen brandstofprijs gericht te compenseren voor burgers en bedrijven. Als onderdeel van dit pakket heeft het kabinet gekozen voor een verhoging van de maximale onbelaste reiskostenvergoeding, zodat voor noodzakelijke ritten de gevolgen van de hogere brandstofprijs worden gedempt. Op dat moment gold de huidige accijnskorting al, die voortvloeit uit de korting die ten tijde van de vorige energiecrisis (in 2022) is gegeven. In de huidige situatie van hoge brandstofprijzen vindt het kabinet het onwenselijk dat de prijs nog verder stijgt vanuit het oogpunt van bereikbaarheid en betaalbaarheid. Daarom is ervoor gekozen om de accijnskorting in 2027 te verlengen.

De leden van de fractie van PRO vragen hoe het kabinet aankijkt tegen het stimuleren van woon-werkverkeer met het openbaar vervoer, bijvoorbeeld door de prijzen in het openbaar vervoer te verlagen of door werkgevers te verplichten woon-werkverkeer met het openbaar vervoer te vergoeden. Het kabinet heeft niet het voornemen om specifieke maatregelen voor te stellen om woon-werkverkeer met het openbaar vervoer verder te stimuleren, zoals prijsverlaging of een verplichting voor werkgevers. De Stichting van de Arbeid heeft in haar advies18 benadrukt dat een wettelijke verplichting om reiskosten te vergoeden niet wenselijk is, omdat dit een vergaande inmenging van de overheid in het arbeidsvoorwaardelijke domein zou betekenen. Wel biedt de huidige fiscale wetgeving al een stimulans voor het gebruik van het openbaar vervoer. Als een werkgever een recht op vrij reizen (zoals een OV-abonnement) aanbiedt, is dit recht op vrij reizen volledig onbelast, ook het deel dat ziet op privégebruik. De enige voorwaarde is dat dit recht op vrij reizen ook zakelijk wordt gebruikt. Hiermee wordt OV-gebruik al meer gestimuleerd dan reizen met de auto.

Hieraan opvolgend vragen de leden van de fractie van PRO of een dergelijke maatregel zowel effectief is om de groep die geen of een beperkte reiskostenvergoeding krijgen te bereiken, als de klimaatimpact van hogere reiskostenvergoedingen te mitigeren. Het is niet de verwachting dat de hogere reiskostenvergoeding, die alleen bedoeld is om hogere brandstofkosten te compenseren, leidt tot meer reisbewegingen en daardoor een negatievere klimaatimpact zal hebben in vergelijking met de reiskostenvergoeding van € 0,23 per kilometer. Daarom heeft het kabinet niet het voornemen om aanvullende flankerend beleid te overwegen om de klimaatimpact te mitigeren.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel bedrijven gebruikmaken van de hogere reiskostenvergoeding. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre bekend is of werkgevers deze hogere reiskostenvergoeding al hebben toegepast, of dat veel werkgevers dat nog niet doen en wat hiervan de reden is, bijvoorbeeld wachten op een nieuwe cao. Ook de leden van de fractie van JA21 stellen deze vraag. Hieraan gerelateerd vragen ook de leden van de fractie van de SGP welke inspanningen het kabinet verricht om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk werkgevers de verhoging overnemen. Ook vragen deze leden of het kabinet al zicht heeft op de effectiviteit van de maatregel, ook in de mate waarin werkgevers deze vergoeding verhogen, mede gelet op de inwerkingtreding met terugwerkende kracht. Het kabinet spant zich, mede conform de aangenomen motie van de leden Bikker en Dijk19, in samenwerking met de Stichting van de Arbeid, in om zoveel mogelijk werknemers te bereiken met deze maatregel. Er is nu echter nog geen goed beeld of en hoeveel bedrijven gebruikmaken van de hogere reiskostenvergoeding. Voor de raming is aangenomen dat uiteindelijk circa 40% van de werknemers de verhoogde reiskostenvergoeding ontvangen. Dit is echter afhankelijk van in hoeverre werkgevers de verhoging toepassen. De verhoging van het maximum geldt ten eerste voor de hoogte van de aftrekbare reiskosten van IB-ondernemers en resultaatgenieters. Deze groep zal dit hogere bedrag voor het eerst verwerken in hun aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2026, die in principe uiterlijk 1 mei 2027 moet worden ingediend. Daarnaast geldt de verhoging ook voor de gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding voor werknemers. Het kabinet zal onderzoeken in welke mate gebruik wordt gemaakt van de verhoging, om daarmee de effectiviteit van de maatregel beter in beeld te krijgen.

De leden van de fractie van de PVV vragen hoe de onbelaste reiskostenvergoeding zich verhoudt tot de brandstofprijzen. Omgerekend leidt deze hogere reiskostenvergoeding tot een voordeel van circa 30 cent per liter brandstof (bij een gemiddeld verbruik van 1 op 15). Hiermee wordt een belangrijk deel van de huidige prijsstijging van brandstof ten opzichte van het niveau van begin dit jaar gecompenseerd voor reizen die werknemers voor woon-werkverkeer moeten maken.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet bereid is de onbelaste reiskostenvergoeding voortaan periodiek te indexeren, zodat niet bij iedere prijsstijging een ad-hoc maatregel nodig is. Daarnaast vragen deze leden hoeveel een structurele indexatie met de tabelcorrectiefactor jaarlijks zou kosten. Ook de leden van de fractie van SGP vragen waarom het kabinet niet kiest voor een jaarlijkse verhoging van de reiskostenvergoeding met de tabelcorrectiefactor en of de huidige hoogte van de maximale onbelaste reiskostenvergoeding recht doet aan de werkelijke situatie. De onbelaste reiskostenvergoeding is bedoeld om reiskosten in verband met de dienstbetrekking onbelast te vergoeden, omdat het niet wenselijk is om loonbelasting te heffen over een vergoeding die niet als beloning voor arbeid is bedoeld, maar om kosten vanwege de dienstbetrekking te dekken. In 2023 is de reiskostenvergoeding geëvalueerd en bleek dat de maximale reiskostenvergoeding destijds voldoende was om de gemiddelde variabele reiskosten te vergoeden. Vervolgens geldt met terugwerkende kracht vanaf 2026 een hogere maximaal onbelaste reiskostenvergoeding van € 0,25 per kilometer. Deze verhoging is juist bedoeld om de gestegen brandstofprijzen te compenseren en sluit naar verwachting aan bij de reiskosten voor werknemers die met een privéauto reizen. Een eerder kabinet heeft de toezegging gedaan om de hoogte van de onbelaste reiskostenvergoeding periodiek te evalueren waardoor, indien gewenst, bijstelling mogelijk is. Zoals ook vastgelegd in de Miljoenennota zal de onbelaste reiskostenvergoeding opnieuw geëvalueerd worden in 2028. In dit onderzoek zal de hoogte van de actuele gemiddelde variabele reiskosten opnieuw worden bekeken. Dan wordt ook bezien of een jaarlijkse indexatie voor de hand ligt. Onderstaande tabel toont de kosten als de onbelaste reiskostenvergoeding jaarlijks geïndexeerd zou worden met de tabelcorrectiefactor.

Tabel: Budgettaire gevolgen jaarlijkse indexatie met tabelcorrectiefactor (tcf) in miljoenen euro’s, prijzen 2026. (+ is saldoverbeterend)

2027 2028 2029 2030 2031 Struc
Jaarlijkse indexatie met tcf -92 -220 -215 -315 -410 -410

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe de Belastingdienst belastingplichtigen, in het bijzonder nabestaanden die het F-biljet invullen, wijst op de verhoging. Verder vragen deze leden of het kabinet bereid is de aangifte ambtshalve te corrigeren als een lagere onbelaste reiskostenvergoeding in aanmerking is genomen door de belastingplichtige. Voor de Belastingdienst is het niet mogelijk om nabestaanden specifiek te wijzen op de mogelijkheid om de hogere reiskostenvergoeding zelf op te voeren in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2026. Vanwege het verstrijken van de daarvoor geldende termijn is het niet mogelijk om een aanvullend addendum aan het F-biljet toe te voegen. Voor volgend jaar (2027) wordt deze informatie wel opgenomen in het F-biljet. Momenteel wordt onderzocht of de betreffende informatie over de inkomstenbelasting via de website kan worden verstrekt. De Belastingdienst weet niet of een belastingplichtige rekening heeft gehouden met € 0,23 of € 0,25 per kilometer bij het in aftrek brengen van de reiskosten. De Belastingdienst kan daarom de aanslagen niet ambtshalve herzien. Wel is het mogelijk om over te gaan tot ambtshalve herziening van de aangifte als een belastingplichtige daar om verzoekt.

Geleidelijker transitiepad youngtimerregeling

De leden van de fractie van D66 vragen wat de gekozen variant van het geleidelijker afbouwen van de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling per jaar kost en hoe deze gedekt is. Het budgettaire effect van de gekozen variant voor het geleidelijker transitiepad van de youngtimerregeling is opgenomen in tabel 17 van de budgettaire paragraaf in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel Belastingplan 2027 en is hier nogmaals opgenomen in onderstaande tabel. Deze maatregel is onderdeel van het pakket aan maatregelen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 en is als zodanig integraal gedekt.

Tabel: Budgettair effect geleidelijker transitiepad youngtimerregeling, in € mln.

Maatregel 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc
Geleidelijker transitiepad youngtimerregeling 0 -58 5 -11 -11 -11 -11

De leden van de fractie van D66 vragen waarom de regeling niet volledig wordt afgebouwd of wordt dichtgezet op een datum eerste toelating, bijvoorbeeld 1 januari 2011. Hieraan gerelateerd stellen de leden van de fractie van PRO vast dat het kabinet niet geleidelijker de leeftijdsgrens verhoogt naar 25 jaar, maar slechts naar 20 jaar en vraagt waarom het kabinet deze keuze heeft gemaakt. Het doel van het kabinet is om een zo geleidelijk mogelijk transitiepad voor de youngtimerregeling voor te stellen, waarmee zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het doel van de aanpassing via het Belastingplan 2026: bijdragen aan de gewenste vergroening van het wagenpark in Nederland.20 Met het Belastingplan 2026 is geregeld dat de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling per 2026 verschuift van 15 naar 16 jaar en per 2027 verschuift van 16 naar 25 jaar. Uw Kamer heeft opvolgend via een motie aan het kabinet gevraagd om dit afbouwpad geleidelijker te laten aflopen. Met het voorstel zoals opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 komt het kabinet tegemoet aan deze motie. Er is ook een alternatieve vormgeving overwogen, dat gerelateerd is aan een datum eerste toelating. Dat scenario is ook met uw Kamer gedeeld21 en zorgt dat alleen auto’s die uiterlijk op 31 december 201022 voor het eerst in gebruik zijn genomen, gebruik kunnen blijven maken van de youngtimerregeling. Het kabinet heeft niet voor deze vormgeving gekozen, omdat een vaste datum (31 december 2010) zou betekenen dat alle auto’s die na die datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, nooit de youngtimerregeling kunnen toepassen. Met de door het kabinet gekozen optie, kan elke auto die de leeftijdsgrens van 17 jaar (2027) en 20 jaar (2028) bereikt, de youngtimerregeling toepassen. Het volledig afbouwen van de youngtimerregeling – ook voor de bestaande groep gebruikers - ligt ook niet voor de hand, omdat bij hele oude auto’s de cataloguswaarde niet altijd eenvoudig te achterhalen is. De gedachte van de structurele verhoging naar 20 jaar is dat deze grens passender is bij het doel van de regeling: een aangepaste waardering van het privévoordeel voor oudere auto’s van de zaak, die over het algemeen gepaard gaan met hogere onderhoudskosten. De leeftijdsgrens waarbij auto’s over het algemeen hogere onderhoudskosten kennen ligt tegenwoordig hoger dan in het verleden. Het kabinet acht de grens van 20 jaar daarom passend. Bovendien wordt hiermee voorkomen dat het zakelijk rijden van oude (vervuilendere) auto’s fiscaal nog langer wordt gestimuleerd, want zo pakt de youngtimerregeling op dit moment onbedoeld uit. Het kabinet kiest daarom voorlopig voor behoud van de youngtimerregeling op – vanaf 2028 - een leeftijdsgrens van 20 jaar. Daarnaast laat het kabinet ook onderzoeken of en zo ja in welke mate de geldende bijtellingspercentages nog aansluiten bij het doel van de bijtellingsregeling: bij benadering borgen dat hiermee het privévoordeel van een auto wordt belast. Naar verwachting wordt uw Kamer hier komend voorjaar over geïnformeerd.

De leden van de fractie van D66 vragen of een auto met een datum eerste toelating in 2010 in het jaar 2027 onder de youngtimerregeling valt, in 2028 en 2029 niet en in 2030 wel weer. Ook de leden van de fractie van PVV en BBB vragen dit. Aanvullend vragen de leden van de fractie van PVV, BBB en SGP waarom niet is gekozen voor een transitiepad dat dat voorkomt. Ook de leden van de fractie van ChristenUnie stellen vast dat er ondernemers zijn die door het gekozen transitiepad een periode buiten de regeling vallen en vragen welke afweging het kabinet heeft gemaakt om voor deze vormgeving te kiezen. Hieraan gerelateerd vragen de leden van de fractie van de PVV hoe dit rijmt met de ambitie om het belasting- en toeslagenstelsel te vereenvoudigen. Voor auto’s met een datum eerste toelating in 2010 kan het zo zijn dat de youngtimerregeling een tussenliggende periode niet van toepassing is. Het kabinet heeft ook alternatieve scenario’s bekeken die wel zouden voorkomen dat voor dezelfde auto de youngtimerregeling kan gelden, vervolgens niet en daarna weer wel. Zo had het kabinet ook kunnen kiezen voor langer overgangsrecht, zodat alle auto’s die nu gebruik kunnen maken van de regeling altijd gebruik kunnen blijven maken van de youngtimerregeling. Hier heeft het kabinet echter niet voor gekozen, mede vanwege budgettaire redenen. Het kabinet kiest voor één jaar extra overgangsrecht en daarna, per 2028, een nieuwe leeftijdsgrens van 20 jaar. Het is inherent aan feit dat het overgangsrecht op 31 december 2027 eindigt, dat er auto’s zijn die uit de regeling vallen. Het feit dat de youngtimerregeling wel blijft bestaan met een nieuwe leeftijdsgrens leidt er in dit geval toe dat de auto’s die na 2027 uit de regeling zijn vallen, later toch weer gebruik kunnen maken van de regeling. Een andere mogelijkheid zou een vormgeving zijn waarbij de youngtimerregeling alleen in stand blijft voor auto’s met een bepaalde datum eerste toelating (bijvoorbeeld 31 januari 2010 – auto’s die 1 januari 2027 de leeftijdsgrens van 17 jaar bereiken), waardoor er geen nieuwe auto’s meer toegang krijgen tot de youngtimerregeling. Deze vormgeving kent ook haar nadelen, immers in dit scenario zouden auto’s die wel daadwerkelijk ouder worden – en waarvan het voordeel van privégebruik via de reguliere bijtelling niet passend meer zou zijn – nooit de youngtimerregeling kunnen toepassen. Gelet op het voorgaande heeft het kabinet gekozen voor de voorgestelde vormgeving. Met dit voorstel blijft de youngtimerregeling bovendien net zo eenvoudig als nu, alleen ligt de leeftijdsgrens hoger. Bij de hiervoor genoemde voorstellen neemt de complexiteit toe, omdat voor een bepaalde groep auto’s een uitzondering binnen de bijtelling wordt gecreëerd.

De leden van de fractie van D66 vragen op welke wijze gebruikers van auto’s uit 2008, 2009 en 2010 de cataloguswaarde kunnen vaststellen als deze niet via RDW beschikbaar is. Voor de meeste auto’s die via officiële importeurs Nederland zijn binnengekomen na 1 juli 2007 en voor alle auto’s die na 1 januari 2010 op kenteken zijn gezet, is het mogelijk om via de RDW-kentekencheck de catalogusprijs op te vragen. Het ontbreken van de cataloguswaarde van oudere auto’s is bekend. In de praktijk wordt met de daarvoor wel beschikbare historische cataloguswaardegegevens, eventueel middels vergelijk, de best te benaderende cataloguswaarde vastgesteld. Voor de BTW moet voor deze auto’s jaarlijks een forfaitaire correctie worden bepaald op basis van de cataloguswaarde. Ervaring is dat dit bewerkelijk is, maar hier geen onoverkomelijke problemen zijn.

De leden van de fractie van PRO vragen ook waarom het kabinet kiest voor structureel behoud en ook vragen zij wat er zou misgaan als de youngtimerregeling geleidelijk, bijvoorbeeld in 10 jaar, helemaal afgeschaft zou worden en wat de effecten daarvan zouden zijn. Het kabinet heeft met dit voorstel opvolging gegeven aan de wens vanuit uw Kamer om een geleidelijker afbouwpad te introduceren voor de youngtimerregeling. Een potentiële dekkingsoptie hiervoor was ook om het bijtellingspercentage te verhogen. Daar kiest het kabinet nu niet voor, omdat met de bijtellingspercentages wordt beoogd zo nauw mogelijk aan te sluiten bij het doel van de bijtellingsregeling: bij benadering borgen dat hiermee het privévoordeel van een mede voor privédoeleinden ter beschikking gestelde auto wordt belast. Dat is ook de reden om de regeling wel structureel te behouden: het voordeel van privégebruik via de reguliere bijtelling acht het kabinet vanaf een leeftijd van 20 jaar niet meer passend. Naar verwachting wordt uw Kamer komend voorjaar geïnformeerd over het onderzoek naar de bijtellingspercentages. Het kan zijn dat de uitkomsten van dit onderzoek aanleiding geven om de youngtimerregeling verder aan te passen. Het kabinet wil daarvoor echter eerst de resultaten van het onderzoek afwachten.

De leden van de fractie van PRO vragen wat de gevolgen zijn voor het klimaat van het voorgestelde geleidelijker transitiepad. Hoeveel meer broeikasgasuitstoot verwacht het kabinet door tragere vervanging van het wagenpark. Het CO2-effect van het afbouwpad van de youngtimerregeling hangt samen met de greentimerregeling die per 2029 wordt geïntroduceerd. De greentimerregeling biedt een nieuwe korting in de bijtelling voor oudere elektrische auto’s. Het kabinet verwacht dat een deel van de huidige gebruikers van de youngtimerregeling zullen overstappen op de greentimerregeling. Dit gebeurt echter alleen, als tegelijkertijd de youngtimerregeling wordt afgebouwd. Anders is het financieel (veel) aantrekkelijker om in de bijtelling een oude fossiele auto te rijden in plaats van een jong gebruikt elektrisch exemplaar. Het effect op de totale CO2-uitstoot is met minder dan 0,1 Mton CO2-reductie tegelijkertijd beperkt. Dit komt doordat de groep auto’s relatief klein is ten opzichte van het totale wagenpark. Er zitten nu circa 75.000 youngtimers in de youngtimerregeling. Het Nederlandse wagenpark bestaat op dit moment uit 9,4 miljoen personenauto’s, waarvan er 2,7 miljoen 15 jaar of ouder zijn.

De leden van de fractie van het CDA en JA21 vragen naar de uitvoeringstoets van de Belastingdienst bij de maatregel ter introductie van een geleidelijker transitiepad ten aanzien van de yountimerregeling. Deze leden merken op dat de uitvoeringstoets bij de maatregel nog niet gereed is en vragen wanneer deze uitvoeringstoets wordt verwacht. De uitvoeringstoets bij deze maatregel is, als onderdeel van de verzameltoets bij het wetsvoorstel Belastingplan 2027, op 15 september 2026 bij uw Kamer ingediend.23 Alle bijlagen van het wetsvoorstel Belastingplan 2027 zijn zowel te vinden op de website van de rijksoverheid, rijksfinanciën en de Tweede Kamer24.

De leden van de fractie van JA21 vragen om een onderbouwing waarom de leeftijdsgrens van 20 jaar passend is bij het doel van de regeling, gelet op de stelling dat auto’s vanaf een bepaalde leeftijd hogere onderhoudskosten kennen. De versobering van de youngtimerregeling is via een amendement op het Belastingplan 2026 geïntroduceerd. Deze versobering zou volledig ingaan per 2027. Kort nadat het Belastingplan 2026 werd aangenomen bleek dat de versobering onwenselijke effecten had die vóór 2027 moesten worden gemitigeerd. Bij het vormgeven van deze voorgestelde maatregel woog mee dat het voor zeer oude auto’s lastiger wordt om de catalogusprijs te achterhalen. Ten slotte zijn er ook bedrijven gespecialiseerd in de handel van youngtimers, ook deze groep wordt met een versobering van de youngtimerregeling benadeeld. Het kabinet heeft daarom voor nu gekozen voor een leeftijdsgrens van 20 jaar. Daarnaast laat het kabinet onderzoeken of de bijtellingspercentages bij benadering nog wel aansluiten bij de omvang van het privévoordeel dat een ter beschikking gestelde auto met zich meebrengt. Dit onderzoek kan uw Kamer in het voorjaar verwachten.

De leden van de fractie van de ChristenUnie en de SGP vragen waarom het kabinet gekozen heeft voor een transitiepad waarbij het overgangsrecht per 2028 vervalt voor de groep waarvoor het overgangsrecht eerder wel geregeld is voor 2026 en nu ook voor 2027. Verder vragen deze leden of het kabinet ook heeft overwogen om aanvullende tussenstappen te introduceren in de geleidelijker versobering van de youngtimerregeling, namelijk door ook een stappen te introduceren van 17 naar 18 jaar in 2028 en 18 naar 19 jaar in 2029 voordat de stap naar 20 jaar gemaakt wordt, zodat er elk jaar een jaar bijkomt inclusief overgangsrecht, en zij vragen welke budgettaire derving hiermee gepaard gaat en in welke jaren dit valt. Voor de gekozen variant is een afweging gemaakt tussen de wens voor een geleidelijker transitiepad en de budgettaire effecten hiervan binnen het geheel aan maatregelen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027. In tabel Y is het budgettaire effect weergegeven van de variant voor een geleidelijker transitiepad van de youngtimerregeling met jaarlijkse tussenstappen in de leeftijdsgrens tot uiteindelijk 20 jaar, wat in dat geval bereikt wordt in 2031.

Maatregel 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc
Transitiepad youngtimerregeling met jaarlijkse tussenstappen 0 -58 -15 -11 -8 -12 -12
Transitiepad youngtimerregeling BP2027 0 -58 5 -11 -11 -11 -11
Derving t.o.v. BP2027 0 0 -20 0 3 -1 -1

Tabel: Budgettair effect geleidelijker transitiepad youngtimerregeling met jaarlijkse tussenstappen, in € mln

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar het moment waarop hervormingsvoorstellen voor de bpm zijn te verwachten, waarom dit tot op heden zo veel tijd heeft gekost en wat de Kamer de komende tijd kan verwachten. De hervorming van de autobelastingen vraagt om een zorgvuldige afweging van verschillende doelen. Daarbij spelen onder meer de belastingopbrengsten, de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst en de RDW, de effecten op de automarkt, de klimaatdoelen en de gevolgen voor automobilisten een rol. De afgelopen jaren zijn daarom verschillende mogelijkheden voor de hervorming van de autobelastingen verkend.

In de contourenbrief hervorming autobelastingen van juli 202525 is onder meer de mogelijkheid geschetst om de bpm om te vormen tot een tenaamstellingsbelasting. Uit de nadere verkenning is gebleken dat een dergelijke omvorming niet wenselijk is. De voordelen voor de uitvoering wegen onvoldoende op tegen onder meer de risico’s op belastingontwijking, marktverstoring en budgettaire derving en het mogelijke negatieve effect op de ingroei van elektrische auto’s. De noodzaak om de bpm te hervormen blijft echter bestaan, mede vanwege de uitvoeringsproblematiek bij de parallelimport en de afnemende belastingopbrengsten door de elektrificatie van het wagenpark. Het kabinet onderzoekt daarom of de bpm op een andere manier beter uitvoerbaar en toekomstbestendig kan worden vormgegeven. Het kabinet zal, zoals op 22 juni 2026 is gecommuniceerd, de Kamer hier eind 2026 nader over informeren als onderdeel van een bredere brief over de kabinetsinzet ten aanzien van de hervorming van de autobelastingen.26

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het klopt dat de greentimerregeling nog niet is opgenomen in het Belastingplan omdat het ingangsjaar 2029 is. De greentimerregeling wordt opgenomen in het Belastingplanpakket 2028.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom is gekozen voor de ingangsdatum 2029 bij de greentimerregeling, terwijl in de titel van maatregel 27, 2028 staat. Deze leden vragen of de maatregel uitvoerbaar is per 2028. De greentimerregeling kan pas worden geïntroduceerd per 2029. Het kabinet heeft laten onderzoeken of de regeling eerder kan worden geïmplementeerd. Dat is niet het geval, omdat een nieuwe parameter moet worden ingebouwd in de aangifte inkomstenbelasting 2029 wat een structuurwijziging is. Er is tot het kalenderjaar 2029 echter zeer beperkt tot geen ruimte in het ICT-portfolio van de keten-IH. Per abuis is in de titel van de maatregel nog het jaar ‘2028’ blijven staan.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet de maatregel nu al wil opnemen in het Belastingplan 2027 zodat er ook investeringszekerheid wordt geboden aan de autobranche. Het kabinet heeft er bewust voor gekozen om de implementatie van de greentimerregeling op te nemen in het Belastingplanpakket 2028, zodat de wetgeving zorgvuldig uitgewerkt kan worden. De autobranche heeft dan nog ruim een jaar de gelegenheid, voorafgaande aan de inwerkingtreding per 2029, om zich hierop voor te bereiden.

Verhogen aftrekpercentage energie-investeringsaftrek

De leden van de fractie van D66 informeren naar de plannen van het kabinet om de EIA, MIA en VAMIL samen te voegen, de mogelijke positieve en negatieve effecten van een eventuele samenvoeging en vragen daarnaast ook naar het tijdpad. De leden van de fractie van het CDA vragen naar de uitwerking van de eventuele samenvoeging van de EIA en de MIA tot één regeling en vragen dit in samenspraak met ondernemers door te ontwikkelen. In het Coalitieakkoord is afgesproken dat de Energie-investeringsaftrek (EIA), de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen (Vamil) waar mogelijk worden samengevoegd tot één robuuste investeringsregeling. Bij het samenvoegen van de regelingen zijn verschillende varianten denkbaar. Het kabinet onderzoekt voor een aantal varianten welke effecten een eventuele samenvoeging zou hebben voor de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regelingen. Bij het Commissiedebat Fiscaliteit heb ik toegezegd uw Kamer na de zomer te informeren. Ik zal uw Kamer uiterlijk eind dit jaar informeren over de stand van zaken van het onderzoek naar het samenvoegen van de regelingen. Het onderzoek is naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 gereed en de uitkomsten zullen worden betrokken bij de voorjaarsbesluitvorming. Het kabinet wacht de uitkomsten van het onderzoek af en zal bij de verdere uitwerking van de varianten ook in gesprek gaan met werkgeversorganisaties.

De leden van de fractie van PRO vragen of het klopt dat de verhoging van het aftrekpercentage van de EIA geen budgettaire gevolgen heeft omdat de regeling een vast budget heeft en het budget niet wordt verhoogd en of dit betekent dat er minder bedrijven gebruik kunnen maken van de EIA of dat er vooral sprake is van minder onderuitputting. Het verhogen van het aftrekpercentage van de EIA heeft geen directe budgettaire gevolgen, omdat de EIA werkt met een vast beschikbaar budget per jaar. Ieder jaar wordt de Energielijst – de lijst met bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor de EIA – zo vastgesteld dat naar verwachting binnen het beschikbare budget wordt gebleven. Hierbij maakt de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) per bedrijfsmiddel een inschatting hoeveel ondernemers en bedrijven hier gebruik van zullen maken. In het basispad verwachtte het kabinet – vóór verhoging van het aftrekpercentage – in de komende jaren een toenemende onderuitputting van het budget. Dit wordt nu gebruikt om het aftrekpercentage te verhogen, zonder dat dit ten koste gaat van de samenstelling van de Energielijst.

De leden van de fractie van PRO vragen of er andere mogelijkheden zijn om onderuitputting tegen te gaan, en of het kabinet het wenselijk vindt als de regeling minder doelmatig wordt. Daarnaast vragen deze leden of er door deze maatregel naar verwachting meer investeringen in energiebesparing plaatsvinden. De leden van de fractie van de SGP vragen of het aftrekpercentage van de EIA verder kan worden verhoogd met gebruik van de verwachte onderuitputting en waarom hier niet voor is gekozen. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in dit kader wat de verwachte gedragsverandering van ondernemers in investeringen is ten gevolge van de tariefsverhoging van de EIA. De verwachting is dat met het verhogen van het percentage naar 45,5 procent de budgetclaim toeneemt met € 54 miljoen vanaf 2027 oplopend naar structureel € 68 miljoen vanaf 2032 in prijspeil 2026. Hiervan zijn naar schatting € 9 miljoen nieuwe investeringen in 2027 oplopend naar € 11 miljoen nieuwe investeringen vanaf 2032. De verwachting is dat de budgetuitputting van de EIA jaarlijks toeneemt door stijgende aanvragen en inflatie. Aan de andere kant wordt het budget van de EIA niet geïndexeerd waardoor het budget niet toeneemt. Hierdoor neemt de onderuitputting binnen de EIA naar verwachting jaarlijks af. Met de verhoging van het aftrekpercentage naar 45,5% wordt de verwachte onderuitputting in de komende jaren volledig ingevuld. Er was dus geen budgettaire ruimte om het aftrekpercentage verder te verhogen. Het additionele effect van het hogere aftrekpercentage op de doelmatigheid is minder groot dan voor de hele regeling. Toch acht het kabinet de verruiming gerechtvaardigd omdat het extra investeringen uitlokt. Het kabinet wacht de uitkomsten van het onderzoek welke effecten een eventuele samenvoeging zou hebben voor de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regelingen af en zal op basis daarvan uiteraard bezien hoe een eventueel samengevoegde regeling zo doelmatig mogelijk vormgegeven kan worden.

Versoberen en afschaffen verhoogde zelfstandigenaftrek (startersaftrek) en startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

De leden van de fractie van PRO vragen waarom het afschaffen van de startersaftrek niet mogelijk is per belastingjaar 2027. De voorgestelde maatregel is een structuurwijziging die niet alleen gerealiseerd moet worden in het aangifteprogramma voor belastingjaar 2027, maar ook in het programma verzoek voorlopige aanslag 2027. Het is namelijk onwenselijk dat de programma’s op dit punt van elkaar verschillen. De doorlooptijd van de werkzaamheden die nodig zijn voor de aanpassing van het programma dat gebruikt wordt voor het indienen van een verzoek voorlopige aanslag en uiterste deadlines van de externe softwareleverancier maken dat het niet mogelijk is deze werkzaamheden tijdig af te ronden voor 2027. Het afschaffen van de startersaftrek is daarom niet uitvoerbaar per belastingjaar 2027. Omdat afschaffing van de startersaftrek per 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is, vindt eerst per 1 januari 2027 een verlaging plaats van de startersaftrek van € 2.123 naar € 10. Vervolgens wordt de startersaftrek per 1 januari 2028 afgeschaft. Met deze vormgeving vindt de realisatie van de budgettaire opbrengst in 2027 alsnog zoveel mogelijk plaats.

De leden van de fractie van PRO vragen of inzicht kan worden gegeven in de inkomenseffecten van het verlagen van de startersaftrek per 1 januari 2027.

Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een alleenstaande, startende IB-ondernemer zonder kinderen en zonder overig inkomen in box 1. De startersaftrek bedraagt in 2026 € 2.123. In 2027 wordt de startersaftrek verlaagd naar € 10. Het maximale effect op belastingen is circa € 820 (€ 2.113 * MKB-winstvrijstelling * effectief tarief IB). Dit is inclusief de doorwerking op de hoogte van de algemene heffingskorting, die afhankelijk is van het verzamelinkomen.

Daarnaast heeft een hoger verzamelinkomen, afhankelijk van de hoogte van het winstniveau, doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen zoals de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) en toeslagen. In onderstaande berekening is de bijdrage Zvw meegenomen. De doorwerking op toeslagen is buiten beschouwing gelaten, omdat dit sterk afhangt van de kenmerken van het huishouden.

Het effect op de verschuldigde belasting (inclusief Zvw-bijdrage) van de verlaging van de startersaftrek met € 2.113 is weergegeven in onderstaande tabel PM A voor verschillende winstniveaus. Dit is niet per definitie gelijk aan het inkomenseffect, omdat de doorwerking op toeslagen niet is meegenomen. Bij een lage winst is het effect het kleinst, omdat de startersaftrek niet (volledig) kan worden verzilverd. Voor hoge winstniveaus komt het effect lager uit, omdat er geen doorwerking meer is op de algemene heffingskorting (die is volledig afgebouwd) en de Zvw-bijdrage (die kent een maximumbedrag).

Tabel: Effect verschuldigde belasting van de verlaging van de startersaftrek

Winstniveau

Effect op belastingen

(inclusief bijdrage Zvw)

€ 20.000 € 93
€ 30.000 € 581
€ 40.000 € 878
€ 50.000 € 914
€ 75.000 € 914
€ 100.000 € 704

De leden van de fracties van PRO en JA21 vragen hoeveel IB-ondernemers naar verwachting vanwege het versoberen en afschaffen van de startersaftrek en de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid per ongeluk te hoge toeslagen zullen ontvangen, op welke wijze dit geprobeerd wordt te voorkomen en of het ter preventie hiervan mogelijk is om deze doelgroep via gerichte acties te informeren over deze maatregelen.

Allereerst: de meeste IB-ondernemers hebben al te maken met jaarlijks wisselende inkomens, omdat dit onder andere afhankelijk is van de wisselende omzet die zij hebben. Dit geldt nog meer voor startende ondernemers. Voor deze groep is het om die reden altijd al een goed idee om het geschatte inkomen regelmatig te actualiseren.

Verder geldt hierbij dat de groep ondernemers die geraakt zal worden door deze maatregelen op individueel niveau niet scherp in beeld gebracht kan worden. Dit komt omdat de aangiften over belastingjaar 2025 daniet allemaal binnen zijn en het niet bekend is welke ondernemers over belastingjaar 2026 gebruik zullen maken van deze regelingen. Zodoende is het niet goed mogelijk om gerichte communicatie-interventies te implementeren voor de genoemde doelgroep.

Gegeven de inherente onzekerheid en variabiliteit van het inkomen van startende ondernemers dienen deze ondernemers ook in de huidige situatie hun verzamelinkomen te monitoren en eventuele wijzingen hiervan tijdig door te geven aan de dienst Toeslagen. De verwachting is hierbij dat een significant deel van deze doelgroep hierdoor sowieso goed op de hoogte zal zijn van deze maatregelen. Daarbij komt dat er ook algemene voorlichting over de maatregelen zal plaatsvinden o.a. via de website van de Belastingdienst en overige kanalen zoals het ondernemersplein, waardoor naar verwachting een groot deel van de doelgroep goed op de hoogte zal zijn van deze maatregelen.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het kabinet voorstelt fiscale startersregelingen af te schaffen voor dekkingsdoeleinden, hoewel het budgettaire beslag relatief klein is. Budgettaire dekking is een belangrijk doel van de voorgestelde maatregel, maar niet het enige doel. Afschaffing van de regelingen leidt ook tot een beter en eenvoudiger belastingstelsel.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het afschaffen van de fiscale startersregelingen niet beter onderdeel had kunnen zijn van een meer integrale verbetering van het belastingstelsel ten aanzien van het belasten van ondernemers en ondernemingen, zoals geschetst in het ambtelijke rapport ‘Kansen voor lagere tarieven en beter beleid’. In vergelijking met de beleidsopties in het genoemde rapport is het voorstel van het kabinet om fiscale startersregelingen af te schaffen een beperkte stap in dezelfde richting. Deze stap kan goed los gezien worden van de meer integrale beleidsopties in het rapport.

Verder vragen de leden van de fractie van het CDA of het afschaffen van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid wel meer oplevert dan deze mogelijk kost. De conclusie uit de evaluatie is dat de regeling waarschijnlijk beperkt doeltreffend is. De onderzoekers constateren dat arbeidsongeschikten met een startersaftrek vaker werkzaam zijn dan in de jaren voordat ze gebruik maakten van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. De toename is echter beperkt en loopt af in de tijd. Een andere kanttekening van de onderzoekers is dat het gaat om een samenhang en geen causaal verband. Het aandeel ondernemers dat gebruikmaakt van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid daalt na 2010 van 0,5 naar 0,1 procent. Doordat deze fiscale regeling zo specifiek is, gaat deze gepaard met relatief hoge uitvoeringskosten.

De leden van de fractie van het CDA vragen om een reactie op twee passages uit de evaluatie van de fiscale ondernemersregelingen over de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. De passages schetsen het belang van de mogelijkheid om een IB-onderneming te starten voor mensen in een uitkering en voor mensen die om verschillende redenen discriminatie ervaren op de arbeidsmarkt. Het kabinet is van mening dat discriminatie op de arbeidsmarkt moet worden bestreden en onderschrijft het belang van de mogelijkheid daarnaast om als ondernemer actief te kunnen zijn. Het is positief als arbeidsongeschikten aan de slag gaan als IB-ondernemer. De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid is echter geen doelmatige manier om dit doel te bereiken.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel ondernemers die in 2025 of 2026 zijn gestart nog één of twee jaar startersaftrek verliezen doordat de startersaftrek verlaagd wordt tot € 10 en uiteindelijk afgeschaft wordt per 1 januari 2028. Daarnaast vragen deze leden wat het zou kosten om overgangsrecht te introduceren voor deze ondernemers.

Omdat de aangiftegegevens over 2025 en 2026 nog niet (volledig) beschikbaar zijn is niet bekend hoeveel startende ondernemers uit die jaren nog één of twee jaar startersaftrek zouden kunnen claimen als deze regeling niet werd afgeschaft. Op basis van historische gegevens is wel iets te zeggen over de verdeling. Hiervoor is gekeken naar het cohort van IB-ondernemers die in 2019 gestart zijn. Dit cohort kon in 2023 voor het laatst gebruikmaken van de startersaftrek. Onderstaande tabel laat zien in welk jaar deze ondernemers in de praktijk gebruik hebben gemaakt van de startersaftrek.

Tabel: gebruik startersaftrek cohort IB-ondernemers die gestart zijn in 2019

Belastingjaar

Eerste jaar

Startersaftrek

Bedrag

(in miljoenen)

Aandeel
2019 2019 110 26%
2020 2019 87 21%
2020 48 11%
2021 2019 68 16%
2020 37 9%
2021 9 2%
2022-2023 2019-2023 59 14%
Totaal 417 100%

Uit tabel bovenstaande blijkt dat ongeveer 86% van de startersaftrek toegepast wordt in de eerste drie jaren dat de IB-onderneming bestaat. De cijfers uit deze verdeling kunnen gebruikt worden om de kosten van overgangsrecht uit te rekenen. Als het afschaffen van de startersaftrek alleen voor nieuwe gevallen zou gelden en de verdeling uit de tabel representatief is voor latere jaren, dan is de opbrengst in het eerste jaar ongeveer 26% van de opbrengst die behaald wordt onder het huidige voorstel. In het tweede jaar stijgt de opbrengst dan naar 59% en in het derde jaar naar 86%.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het ontbreken van overgangsrecht zich verhoudt tot het beginsel van rechtszekerheid. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen hiernaar. Verder vragen de leden van de fractie van JA21 of het kabinet bereid is overgangsrecht te treffen voor ondernemers die voor 1 januari 2027 zijn gestart en vragen de leden van de fractie van de SGP waarom niet is gekozen voor een geleidelijker afbouwpad van de startersaftrek.

Het afschaffen van de starteraftrek is op 20 april jl. aangekondigd in het maatregelenpakket energieschok.27 Omdat afschaffing van de startersaftrek per 1 januari 2027 niet uitvoerbaar is, vindt eerst per 1 januari 2027 een verlaging plaats van de startersaftrek van € 2.123 naar € 10. Vervolgens wordt de startersaftrek per 1 januari 2028 afgeschaft. Met deze vormgeving vindt de realisatie van de budgettaire opbrengst in 2027 alsnog zoveel mogelijk plaats. Zoals opgenomen in de memorie van toelichting28 heeft het kabinet daarom geen overgangsrecht opgenomen.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het kabinet tot de conclusie komt dat de startersaftrek naar verwachting zeer beperkt doeltreffend is. Deze leden stellen dat de evaluatie geen causaal verband kon vaststellen. Het vaststellen van een causaal verband is nodig om te kunnen concluderen dat een regeling doeltreffend is. Er zijn mensen die zijn gestart als ondernemer en die ook gebruikmaken van de startersaftrek. De onderzoekers kunnen echter niet vaststellen dat deze mensen zijn gestart als ondernemer als gevolg van het bestaan van de fiscale regeling. Per saldo concluderen de onderzoekers dat de startersaftrek waarschijnlijk zeer beperkt doeltreffend is. De omvang van het fiscale voordeel is te klein voor een substantieel effect. Bovendien draagt het extra ondernemerschap beperkt bij aan het algemene maatschappelijke doel van positieve externe effecten van ondernemerschap.

De leden van de fractie van JA21 vragen of aan de hand van rekenvoorbeelden kan worden aangegeven wat de stapeling van de afbouw van de zelfstandigenaftrek, de afschaffing van de startersaftrek en de afschaffing van de willekeurige afschrijving starters betekent voor een startende ondernemer.

Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een alleenstaande, startende IB-ondernemer zonder kinderen en zonder overig inkomen in box 1.

In 2026 bedraagt de zelfstandigenaftrek € 1.200 en vanaf 2027 € 900. De startersaftrek bedraagt in 2026 € 2.123 en in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld deze per 2027 te verlagen naar € 10 en vervolgens per 2028 af te schaffen. De willekeurige afschrijving starters wordt afgeschaft per 2028. Dit vindt bij ministeriële regeling plaats. De effecten van de stapeling van deze wijzigingen zijn berekend voor het jaar 2028 en kunnen geïnterpreteerd worden als de verschillen ten opzichte van 2026.

De willekeurige afschrijving voor starters levert ondernemers een liquiditeitsvoordeel op, waarbij sprake is van een schuif van verschuldigde inkomstenbelasting in de tijd. Bezien over een periode van vijf jaar levert het afschaffen van de willekeurige afschrijving geen belastingnadeel op. Daarom laat onderstaande tabel eerst de effecten zien van alleen de lagere zelfstandigenaftrek plus het afschaffen van de startersaftrek. Een positief getal in de tabel betekent dat de verschuldigde belasting (inclusief Zvw-bijdrage) toeneemt.

Tabel: effect op belastingen van lagere zelfstandigenaftrek en afschaffen startersaftrek in 2028

Winstniveau

Effect op belastingen

(inclusief bijdrage Zvw)

€ 20.000 € 106
€ 30.000 € 574
€ 40.000 € 1.008
€ 50.000 € 1.050
€ 75.000 € 1.050
€ 100.000 € 863

Om ook het effect van de willekeurige afschrijving voor starters te illustreren wordt hieronder het jaarlijkse effect gepresenteerd voor een periode van vijf jaar. Hierbij wordt aangesloten bij de aannames die ook ten grondslag liggen aan de raming. Uit aangiftegegevens blijkt dat een klein deel van de startende ondernemers gebruikmaakt van de willekeurige afschrijving. Het gaat om ongeveer 8.700 ondernemers op jaarbasis. Voor die kleine groep bedraagt de gemiddelde investering € 33.000. Bij lineaire afschrijving wordt deze investering in vijf jaar afgeschreven (dus 20% per jaar), bij willekeurige afschrijving is een aanname gemaakt over het gemiddelde afschrijvingsritme (60%, 30%, 10%, 0%, 0%).

Het effect op belastingen verschilt per jaar. Bij lineaire afschrijving is bijvoorbeeld sprake van een afschrijving van € 6.600 in het eerste jaar, bij willekeurige afschrijving gaat het om € 19.800. De winst vóór ondernemersaftrek neemt in het voorbeeld dus met € 13.200 toe in het eerste jaar door het afschaffen van de willekeurige afschrijving voor starters. In de voorbeelden is steeds aangenomen dat de winst na afschaffen van de willekeurige afschrijving vijf jaar lang constant is. In de situatie mét willekeurige afschrijving is de belastbare winst lager in de eerste twee jaren en hoger in de drie jaren daarna. De effecten op de verschuldigde belasting zijn weergegeven in onderstaande tabel. Hierbij wordt aangesloten bij de situatie in 2028 en is ook het effect van de lagere zelfstandigenaftrek (ten opzichte van 2026) en het afschaffen van de startersaftrek meegenomen (zoals in de tabel hierboven). Een positief getal in de tabel betekent dat de verschuldigde belasting (inclusief Zvw-bijdrage) toeneemt, een negatief getal betekent een daling van de verschuldigde belasting.

Tabel: effect op belastingen van afschaffen willekeurige afschrijving starters, lagere

zelfstandigenaftrek en afschaffen startersaftrek in 2028 (= jaar 1)

Effect belastingen (inclusief bijdrage Zvw)
Winstniveau Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4 Jaar 5 Gemiddeld per jaar
€ 20.000 € 770 € 272 - € 127 - € 1.486 - € 1.486 - € 411
€ 30.000 € 1.238 € 740 - € 488 - € 1.846 - € 1.846 - € 440
€ 40.000 € 4.355 € 2.367 - € 565 - € 2.138 - € 2.138 € 376
€ 50.000 € 7.082 € 2.652 - € 588 - € 2.227 - € 2.227 € 938
€ 75.000 € 7.606 € 2.689 - € 588 - € 2.227 - € 2.227 € 1.051
€ 100.000 € 7.604 € 2.662 - € 827 - € 2.461 - € 2.461 € 903

Uit de uitkomsten blijkt dat in de eerste twee jaar de verschuldigde belasting toeneemt doordat er minder kan worden afgeschreven. In de jaren daarna daalt de verschuldigde belasting juist door de hogere afschrijvingen. Bij relatief hoge winsten is het gemiddelde effect in lijn met het effect gepresenteerd in de tabel van alleen de zelfstandigenaftrek en het afschaffen van de startersaftrek. Bij lagere winsten is het gemiddelde effect negatief. Voor de volledigheid zijn die voorbeelden wel toegevoegd aan de tabel, maar in de praktijk zullen deze ondernemers niet kiezen voor een afschrijving van 60% in het eerste jaar. Zij kunnen het voordeel daarvan niet benutten, doordat zij geen belasting betalen.

De leden van de fractie van JA21 vragen wat het verdwijnen van de startersaftrek en de willekeurige afschrijving voor gevolgen heeft voor de liquiditeit en de investeringsruimte van starters. Het effect van de afschaffing van de startersaftrek op de liquiditeit en investeringsruimte is naar verwachting ongeveer gelijk aan het netto voordeel als gevolg van de regeling. Voor de willekeurige afschrijving hangt het effect sterk af van de omvang van de investering en de hoogte van de fiscale winst die nodig is om voordeel te hebben van de regeling.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het voorstel om fiscale regelingen voor startende IB-ondernemers af te schaffen zich verhoudt tot het wetsvoorstel Wet fiscale stimulering start-ups en scale-ups. Beide voorstellen staan los van elkaar. Het doel van het genoemde wetsvoorstel is om knelpunten voor start-ups en scale-ups weg te nemen bij het aantrekken en behouden van personeel. Daardoor krijgen zij betere kansen om succesvol te groeien in Nederland en bij te dragen aan het toekomstige verdienvermogen van Nederland.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe uw Kamer betrokken wordt bij het afschaffen van de regeling willekeurige afschrijving starters en wat het budgettaire effect van het afschaffen is.

De regeling willekeurige afschrijving starters is opgenomen in de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001 (URWA 2001) en niet in een wet, zoals de Wet IB 2001. Er is daarom geen wijzigingsopdracht opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Uw Kamer is betrokken bij de afschaffing van de regeling willekeurige afschrijving starters door de aankondiging in de Miljoenennota 202729 en de aankondiging in de memorie van toelichting op onderhavig wetsvoorstel.30 Een wijziging van de URWA 2001 vindt plaats via een ministeriële regeling. In dit geval wordt de wijzigingsopdracht waarmee de regeling willekeurige afschrijving starters per 1 januari 2028 komt te vervallen opgenomen in de Eindejaarsregeling 2026. In deze regeling worden onder andere wijzigingen opgenomen in de directe belastingen, die voortvloeien uit het Belastingplan 2027 of de Fiscale verzamelwet 2027. De Eindejaarsregeling 2026 wordt eind december 2026 gepubliceerd in de Staatscourant. Het afschaffen van de willekeurige afschrijving voor starters heeft een budgettaire opbrengst van € 1 miljoen per jaar vanaf 2028. Deze reeks geeft de netto contante waarde weer van de opbrengst op transactiebasis. Op transactiebasis ontstaat in de jaren na afschaffing een opbrengst van maximaal € 19 miljoen per jaar. Dit komt doordat afschrijvingen niet langer naar voren gehaald worden met als gevolg dat de belastbare winst van startende ondernemers toeneemt en er meer belasting wordt geheven. Die opbrengst daalt echter snel en vanaf 2032 is er niet langer sprake van een opbrengst (op transactiebasis). Vanaf 2032 wordt er namelijk naar verwachting weer evenveel afgeschreven per jaar als in een situatie mét willekeurige afschrijving. De reeks op transactiebasis komt wat betreft netto contante waarde overeen met een opbrengst van € 1 miljoen per jaar vanaf 2028 en structureel. Dit is de reeks die wordt ingeboekt in het inkomstenkader.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel ondernemers gebruikmaken van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. Daarnaast vragen deze leden welk alternatief deze groep wordt geboden om vanuit arbeidsongeschiktheid als ondernemer aan de slag te gaan.

Op basis van de aangiftegegevens over de belastingjaren 2023 en 2024 maken jaarlijks ruim 1.000 belastingplichtigen gebruik van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid. Er is geen alternatief voorzien in de zin van een nieuwe fiscale regeling. Wel blijft de mogelijkheid om een onderneming te starten uiteraard bestaan. Dit kan een goed alternatief zijn voor mensen om aan de slag te gaan als het niet mogelijk is om te starten in loondienst.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de zelfstandigenaftrek in 2027 € 900 bedraagt en vragen wat de uitvoeringskosten van de regeling zijn voor de Belastingdienst en belastingplichtigen. Het uitvoeren van de zelfstandigenaftrek is onderdeel van de reguliere werkzaamheden in de inkomensheffing, waardoor de kosten van deze specifieke regeling niet afzonderlijk in beeld zijn. De zelfstandigenaftrek wordt, als duidelijk is dat wordt voldaan aan het urencriterium, automatisch toegepast in de aangifte van een IB-ondernemer. Dit vergt geen extra acties van belastingplichtigen. Om aan het urencriterium te voldoen, moet de belastingplichtige de hoeveelheid tijd die aan de onderneming wordt besteed aannemelijk maken, bijvoorbeeld aan de hand van de agenda, offertes en facturen. Verwacht mag worden dat belastingplichtigen deze stukken voorhanden hebben als standaardonderdeel van de administratie.

Zowel de leden van de fractie van de ChristenUnie als de leden van de fractie van de SGP vragen naar uitvoeringskosten en de besparing als gevolg van het afschaffen van de startersaftrek en de willekeurige afschrijving voor starters. De uitvoeringskosten voor de zelfstandigenaftrek en startersaftrek zijn relatief hoog vanwege het urencriterium. Dit urencriterium wordt niet afgeschaft. In mijn Kamerbrief over de handhaving bij de Belastingdienst van 1 september jl. heb ik daarbij de toezegging van mijn ambtsvoorganger bestendigd om het toezicht achteraf de komende jaren op het niveau van de in het Jaarplan Belastingdienst 2025 opgenomen brandbreedte te houden. Het afschaffen van de startersaftrek leidt daarom niet tot een afname van het aantal te controleren aangifte, waardoor het afschaffen van de regeling geen personele gevolgen heeft. De capaciteit blijft nodig voor het toezicht van andere, eveneens complexe belastingaangiften.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het verstandig zou zijn om de zelfstandigenaftrek af te schaffen en met dit budget de MKB-winstvrijstelling te verhogen. Het afschaffen van de zelfstandigenaftrek zou kunnen bijdragen aan een eenvoudiger belastingstelsel, maar volgens de evaluatie zijn beide regelingen zeer waarschijnlijk zeer beperkt doeltreffend op het doel om ondernemerschap te stimuleren met het oog op positieve externe effecten. Tegelijkertijd is de MKB-winstvrijstelling van belang voor het globaal evenwicht met ondernemers met een bv. Het ambtelijke rapport ‘Kansen voor lagere tarieven en beter beleid’ schetst een aantal meer integrale beleidsopties voor de fiscale behandeling van ondernemers en ondernemingen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen met welk percentage de MKB-winstvrijstelling kan worden verhoogd als de zelfstandigenaftrek zou worden afgeschaft en het budget wordt ingezet om de MKB-winstvrijstelling te verhogen.

Het afschaffen van de zelfstandigenaftrek levert structureel € 193 miljoen op. Met dit bedrag zou de MKB-winstvrijstelling met 1,04 procentpunt verhoogd kunnen worden naar 13,74%.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen per wanneer het aanpassen van de MKB-winstvrijstelling uitvoerbaar is. Het aanpassen van het percentage van de MKB-winstvrijstelling is een parameterwijziging. Indien uiterlijk 20 november 2026 12:00 uur bekend, kan de Belastingdienst bij het versturen van de massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2027 die eind 2026 en begin 2027 worden verstuurd rekening houden met als gevolg van amendementen en nota’s van wijziging gewijzigde parameters. Parameterwijzigingen die na 20 november 12:00 uur bekend worden, kunnen door de Belastingdienst niet meer worden verwerkt in de massaal opgelegde voorlopige aanslagen inkomstenbelasting 2027 die eind 2026 en begin 2027 worden verstuurd.31 Indien de belastingplichtige niet zelf initiatief neemt om tussentijds een nieuwe voorlopige aanslag aan te vragen en, indien van toepassing, de parameterwijziging niet via de loonbelasting wordt verrekend, wordt dit rechtgetrokken bij de aanslagregeling 2027 die in 2028 van start gaat. In dat geval kan het zijn dat de belastingplichtige een extra bedrag moet bijbetalen, of juist een extra bedrag terugontvangt.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie naar de voor- en nadelen van de uitruil van de zelfstandigenaftrek tegen de MKB-winstvrijstelling. Voor de MKB-vrijstelling geldt het urencriterium niet. De belastingplichtige hoeft hier niet aan te voldoen en de Belastingdienst hoeft daar dus niet op te handhaven. De MKB-winstvrijstelling is een percentage van de winst en in hoogte niet beperkt. De zelfstandigenaftrek is een vast bedrag. Verder is de groep gebruikers van de MKB-winstvrijstelling groter dan de groep gebruikers van de zelfstandigenaftrek. Dit betekent dat - als een uitruil plaatsvindt - het beschikbare budget over een grotere groep wordt verdeeld. Bovendien lijkt het logisch dat als de MKB-winstvrijstelling wordt bijgesteld, ook de terbeschikkingstellingsvrijstelling dienovereenkomstig wordt bijgesteld.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de rationale is om de willekeurige afschrijving voor starters af te schaffen.

Uit de evaluatie fiscale ondernemersregelingen blijkt dat de willekeurige afschrijving starters waarschijnlijk zeer beperkt doeltreffend is. Ook zijn de uitvoeringslasten relatief hoog in relatie tot de omvang van de regeling. Het aandeel ondernemers dat gebruik maakt van de regeling is beperkt (ongeveer 0,7 procent van de IB-ondernemers en 4% van de startende ondernemers). Door het afschaffen van de willekeurige afschrijving starters vervalt een ondoelmatige en zeer beperkt doeltreffende regeling. Dit maakt het belastingstelsel eenvoudiger.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de vereenvoudiging voor de uitvoering opweegt tegen de economische nadelen voor startende ondernemers. Verder vragen deze leden of het ondernemerschap voor kleine bedrijven voldoende aantrekkelijk blijft.

Ja, door het afschaffen van de willekeurige afschrijving starters vervalt een ondoelmatige en zeer beperkt doeltreffende regeling. Dit maakt het belastingstelsel eenvoudiger. Het kabinet vindt het belangrijk dat ondernemerschap voldoende aantrekkelijk is voor kleine bedrijven. Ook zonder de ondoelmatige en zeer beperkt doeltreffende startersregelingen blijft ondernemerschap voldoende aantrekkelijk.

Afschaffen aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten

De leden van de fractie van D66 vragen om de complexiteit en uitvoeringsproblemen rondom de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten (hierna: de aftrek specifieke zorgkosten, ASZ) te schetsen. De leden van de fractie van de PVV over de voorgenomen afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten en tegemoetkoming specifieke zorgkosten (hierna: TSZ) en vragen waarom het kabinet 900.000 huishoudens in de kou laat staan door hun zorgkosten (naast de verhoging van het eigen risico) extra te laten stijgen.

Het kabinet onderkent dat de afschaffing van de ASZ financiële gevolgen heeft voor huishoudens die momenteel van de regeling gebruikmaken. De aftrek specifieke zorgkosten is negatief geëvalueerd en kent onder meer knelpunten en tekortkomingen vanuit burgerperspectief en de Belastingdienst. Er is zowel sprake van niet-gebruik door de beoogde doelgroep als onjuist gebruik. Ook ligt een fiscale regeling niet voor de hand omdat het tijdstip in de toekomst ligt (dus niet direct bij het maken van de kosten) en de omvang van de compensatie voor de kosten onzeker is: belastingplichtigen moeten de kosten eerst voorschieten en het recht en de hoogte pas later duidelijk (afhankelijk van o.a. het inkomen, de drempel en het totaal aan zorgkosten). Het kabinet wil middelen graag zo doelmatig en kostenefficiënt mogelijk inzetten. Dat geldt in zijn algemeenheid, en ook specifiek voor de middelen die samenhangen met de aftrek specifieke zorgkosten en de envelop.

De hoge administratieve last voor de burger om de kwalificerende zorgkosten te onderbouwen i.c.m. de complexiteit leidt tot een structurele hoge foutkans en een risico op correcties van inkomen, doorwerking naar inkomensondersteunende voorzieningen en terugvorderingen van soms aanzienlijke bedragen. De Belastingdienst is niet in staat medische informatie te beoordelen. De aftrek is dan ook slecht handhaafbaar voor de Belastingdienst. Zo is 39% van het afgetrokken bedrag corrigeerbaar met risico op terugvordering.

Conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet verbeteropties van de aftrek specifieke zorgkosten binnen en buiten de fiscaliteit. Het kabinet heeft oog voor de stapeling van zorgkosten bij mensen met een chronische ziekte of beperking. Daarom worden de gevolgen van de afschaffing van de ASZ in samenhang bezien met andere maatregelen die aangrijpen op de zorgkosten. Vanaf 2028 is structureel € 350 miljoen beschikbaar in de enveloppe Tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken. De precieze inzet van deze enveloppe wordt nog uitgewerkt en de enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen met oog voor inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer.

De leden van de fractie van D66 vragen om voor mensen met verschillende inkomens de effecten van de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten inzichtelijk te maken, inclusief doorwerking op toeslagen in de onderstaande grafiek worden de inkomenseffecten van de maatregel weergegeven, inclusief een uitsplitsing per inkomenskwintiel uit het technisch rapport stapeling n.a.v. motie Stoffer. Dit is het effect van de afschaffing van de ASZ en TSZ zonder de doorwerking hiervan op toeslagen.

Figuur: effecten afschaffen ASZ in euro’s per inkomenspercentiel.

De doorwerking op toeslagen (huurtoeslag en zorgtoeslag) is afhankelijk van het inkomensniveau. In het technische rapport is voor een aantal representatieve persona’s deze doorwerking in beeld gebracht. De doorwerking van de afschaffing van de ASZ en TSZ varieert bij deze persona’s van 150 euro voor een alleenstaande ouder met een modaal inkomen tot 700 euro voor arbeidsongeschikten met een IVA/WGA-uitkering die voorheen een modaal inkomen hadden.

De leden van de fracties van D66, PRO en het CDA vragen op welke manier de envelop voor chronisch zieken van € 350 miljoen wordt ingezet en hoe deze wordt gericht op de groep die het meeste last heeft van de voorgenomen afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten. De leden van de fractie van het CDA vragen of met de gereserveerde middelen een voldoende vervangende regeling kan worden opgezet en wanneer chronisch zieken hierover duidelijkheid zullen krijgen. Voor de tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken is structureel € 350 miljoen per jaar gereserveerd. De precieze inzet van deze middelen wordt uitgewerkt. Daarbij worden de verschillende maatregelen die gevolgen hebben voor de zorgkosten, waaronder de voorgenomen afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten en TSZ, in samenhang bezien met het besteedbare inkomen van mensen met een chronisch ziekte of beperking.

De ASZ kent geen expliciete afbakening tot mensen met een chronische ziekte of beperking en wordt ook gebruikt door mensen buiten deze beoogde doelgroep. Daarmee is de regeling beperkt doelmatig.

Conform de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet verbeteropties van de aftrek specifieke zorgkosten binnen en buiten de fiscaliteit. Ook heeft het kabinet in lijn met de brief in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie-Lahlah c.s. in de diverse debatten aangegeven dat voor de aanwending van de middelen uit de enveloppe integraal gekeken wordt hoe deze in het licht van de samenloop van de diverse maatregelen, waaronder de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten, het best is in te zetten. Daarbij heeft het kabinet reeds aangegeven dat de enveloppe aangewend zal worden voor maatregelen die aangrijpen op de zorgkosten van mensen.

De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer, waar de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van is. De komende tijd gaat het kabinet graag verder in gesprek om te komen tot een breed gedragen pakket met een meerderheid in beide Kamers. Het kabinet wil komen tot een breed gedragen pakket.

De leden van de fractie van D66 vragen, omdat de voorgenomen afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 is voorzien, of die afschaffing bij koninklijk besluit kan worden geregeld, zodat het alternatief (de envelop) eerst goed kan worden uitgewerkt. Ook vragen deze leden wanneer hierover definitief moet worden besloten om de datum van inwerkingtreding te halen.

Om de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 uitvoerbaar te maken, is het noodzakelijk dat hierover tijdig duidelijkheid bestaat. Deze termijn is nodig voor de Belastingdienst en softwareontwikkelaars om zowel de voorlopige aanslag inkomstenbelasting als de externe aangifteprogrammatuur tijdig te wijzigen. Om inwerkingtreding per 1 januari 2028 mogelijk te maken is de afschaffing daarom opgenomen in het Belastingplan 2027.

In het voorliggende wetsvoorstel is de inwerkingtreding van de afschaffing per 1 januari 2028 wettelijk vastgelegd en niet afhankelijk gemaakt van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Het uitstellen van de beslissing over de inwerkingtreding zou gevolgen hebben voor de tijdige implementatie.

De definitieve besluitvorming vindt plaats in het kader van de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2027.

De leden van de fractie van D66 en PRO vragen naar het totale effect, inclusief besparingen, op overige toeslagen en gemeentelijke regelingen. De leden van de fractie van de PVV vragen of het klopt dat, ondanks dat de envelop met € 350 miljoen bedraagt, er een budgettair gat resteert van € 210 miljoen. Het effect van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten levert aan de inkomstenkant € 396 miljoen per jaar op aan besparingen in de aftrekpost, € 91 miljoen in de tegemoetkoming specifieke zorgkosten en € 73 miljoen aan gemiste zorgtoeslag vanwege een hoger verzamelinkomen. Verder is er nog een besparing aan de uitgavenkant van € 65 miljoen aan gemiste huurtoeslag en € 4 miljoen aan gemist kindgebonden budget. Het effect in de gemeentelijk regelingen is onbekend. Per huishouden kan het effect verschillen omdat gemeentes hun regeling anders hebben ingericht. Het klopt dat de tegemoetkoming via de envelop € 350 miljoen is en daarmee lager is dan de opbrengst van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten.

De leden van de fractie van D66 vragen of het verschil tussen € 618 miljoen in het coalitieakkoord en € 560 miljoen euro in de factsheet hierdoor wordt verklaard. Het verschil tussen het coalitieakkoord en de factsheet heeft twee redenen. De eerste reden is dat de € 618 miljoen die wordt genoemd in het coalitieakkoord is gebaseerd op gegevens van belastingaangiften uit 2023. Voor de raming in de factsheet zijn gegevens van de aangiften uit 2024 gebruikt. De opbrengst is daardoor hoger. Ten tweede is in dat bedrag van € 618 miljoen in het coalitieakkoord het totale effect van de inkomsten- en uitgavenkant opgenomen. Hierin zijn, naast de aftrek specifieke zorgkosten en TSZ, de effecten van alle toeslagen meegenomen, dus ook de huurtoeslag en het kindgebonden budget. In de € 560 miljoen van de factsheet staan alleen de gevolgen aan de inkomstenkant. Hierin is van de toeslagen alleen de zorgtoeslag meegenomen, aangezien deze toeslag in het inkomstenkader valt.

De leden van de fractie van PRO vragen welke mogelijkheden er zijn om de afbakening van de doelgroep te verbeteren en welke het kabinet heeft verkend. Ook vragen deze leden of het kabinet heeft overwogen om de regeling te vereenvoudigen. De leden van fractie van de SGP vragen of het kabinet bereid is om, gezien de analyse inzake de motie Bikker c.s. om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn binnen en buiten de aftrek specifieke zorgkosten, te bezien of een slimmere vormgeving van de voorgenomen maatregel mogelijk is. Daarnaast geven deze leden aan dat nauwelijks op deze mogelijkheden wordt ingegaan in de memorie van toelichting, terwijl er een rapport ligt waarin alternatieven worden aangereikt. Zij verzoeken om hier alsnog op in te gaan.

In hoofdstuk 5 van het rapport van de ambtelijke verkenning ‘Eindrapport Aftrek specifieke zorgkosten’ uit 2025 zijn de knelpunten rondom de definitie van de doelgroep in beeld gebracht en zijn verschillende mogelijkheden verkend om een doelgroep te definiëren en af te bakenen. De verkende opties zijn het afbakenen op basis van een doktersverklaring, lijst chronische ziekten en beperkingen, recht op andere regelingen, het hebben van een European disability card en zorggebruik. Ook is opgemerkt dat voor verdere afbakening kan worden gekeken naar inkomen, vermogen en zelfverklaring van het behoren tot de doelgroep. Deze opties zijn uitgewerkt wie wel en niet wordt bereikt, op mogelijkheid tot objectieve afbakening en benodigde bewijslast. Geen van de opties bleek geschikt voor afbakening van de doelgroep gericht op mensen met een chronische ziekte of beperking en nader onderzoek en beleidskeuzes bleken nodig.

De aftrek specifieke zorgkosten is reeds op onderdelen vereenvoudigd. Daarnaast zijn in het Eindrapport uit 2025 verdere aanpassingen binnen de fiscale regeling onderzocht. Deze aanpassingen kunnen afzonderlijke knelpunten verminderen, maar nemen de fundamentele problemen rond de afbakening van de doelgroep, de complexiteit en de controleerbaarheid van de regeling niet weg.

Conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet een aantal verbeteropties binnen en buiten de aftrek specifieke zorgkosten om deze te behouden. Daarbij acht het kabinet het van belang dat gesprek ook breder te voeren over de verschillende zorgmaatregelen.

In het rapport van de ambtelijke verkenning 'Eindrapport Aftrek specifieke zorgkosten' uit 2025 zijn verschillende alternatieven voor de ASZ onderzocht. Specifiek is gekeken naar een gerichtere fiscale regeling, een gemeentelijke regeling, een vast bedrag voor mensen met een chronische ziekte of beperking, een landelijke subsidieregeling, een heffingskorting en uitbreiding van het verzekerde pakket. Uit de verkenning komt geen ideaal alternatief naar voren en alleen een gerichtere fiscale regeling en een gemeentelijke regeling zijn als kansrijk beoordeeld. De verschillende alternatieven kennen afruilen tussen gerichtheid, eenvoud, maatwerk en uitvoerbaarheid. Zo leidt een meer gerichte regeling doorgaans tot complexiteit met meer voorwaarden, aan te leveren bewijslast, discussiegevoeligheid en grotere druk op de uitvoerbaarheid, terwijl een eenvoudigere regeling minder goed aansluit bij de uiteenlopende meerkosten van de doelgroep. Een gemeentelijke regeling biedt in theorie meer ruimte voor maatwerk, maar dit doet een hoog beroep op de gemeentelijke uitvoeringscapaciteit en de beleidsvrijheid van gemeenten leidt tot verschillen in geboden tegemoetkoming tussen gemeenten. Een gerichtere fiscale regeling biedt meer uniformiteit, maar sluit door gebrek aan mogelijkheden tot maatwerk beperkt aan op de hoogte van meerkosten en gaat vanwege de handmatige controle en foutgevoeligheid in tegen de ontwerpprincipes van de massale belastingheffing.

De leden van de fractie van PRO vragen of is overwogen om een verklaring van een onafhankelijke arts in te voeren die vaststelt of er sprake is van een chronische ziekte of beperking en wat de voor- en nadelen hiervan zijn. In hoofdstuk 5 van het genoemde rapport uit 2025 wordt bezien of de doelgroep kan worden afgebakend met behulp van een doktersverklaring. Een dergelijke benadering kan bijdragen aan een gerichtere afbakening, maar vereist een afzonderlijk beoordelingsproces dat onderhevig is aan interpretatie en leidt daarmee tot aanvullende administratieve lasten voor burgers, zorgverleners en de uitvoering. Daarnaast blijft een beleidsmatige keuze nodig over de omstandigheden die de basis vormen voor het uitgeven van een verklaring en worden daarmee niet de overige knelpunten van de huidige aftrek weggenomen. Met andere woorden: de criteria om tot de doelgroep van mensen met een chronische ziekte of beperking te worden verklaard moeten dan worden ingevuld.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet heeft stilgestaan bij de gevolgen van het vervallen van de aftrek specifieke zorgkosten voor het verzamelinkomen en inkomensafhankelijke regelingen en hoe het kabinet deze neveneffecten beoordeelt. Ook de leden van de fractie van de PVV vragen of het klopt dat het afschaffen van de aftrek invloed kan hebben op de aanspraak op toeslagen. Zij vragen of het kabinet bereid is om bij de gevraagde berekening van de extra kosten voor deze groep niet alleen het directe verlies van de aftrek mee te nemen, maar ook de doorwerking op zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget en hoeveel de kosten voor deze groep stijgen als gevolg van dit schrappen.

Het kabinet heeft deze neveneffecten in beeld. Door het vervallen van de aftrek specifieke zorgkosten stijgt voor gebruikers het verzamelinkomen. Dit kan leiden tot een lager recht op inkomensafhankelijke regelingen, waaronder de zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget. De doorwerking naar toeslagen is onderdeel van de budgettaire effecten van de maatregel. Het kabinet onderkent dat hierdoor sprake kan zijn van een stapeling van effecten voor bepaalde huishoudens. Met Prinsjesdag heeft uw Kamer hierover een brief ontvangen van het kabinet. Bij de berekening is rekening gehouden met deze doorwerking op de toeslagen. Door de verhoging van het verzamelinkomen wordt er in totaal door de gebruikers van de regeling € 73 miljoen gemist aan zorgtoeslag, € 65 miljoen aan huurtoeslag en € 4 miljoen aan kindgebonden budget.

De leden van de fractie van PRO zijn ook benieuwd naar de middelen in de ‘envelop tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken’ overlappen met de ‘tegemoetkoming arbeidsongeschikten’, die juist per 2029 zou worden afgeschaft.

Het kabinet heeft in aanloop naar de Algemene Financiële Beschouwingen besloten om de eerder voorgenomen hervorming op de tegemoetkoming arbeidsongeschikten van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te halen.

De leden van de fractie van PRO vragen in hoeverre de maatregelen die uit deze envelop bekostigd moeten worden voldoende zijn om de negatieve effecten van het afschaffen van de aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming arbeidsongeschikten op te vangen.

Het kabinet heeft in aanloop naar de algemene financiële beschouwingen besloten om de eerder voorgenomen hervorming op de tegemoetkoming arbeidsongeschikten van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te halen. De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer, waar de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van is.

De leden van de fractie van PRO vragen het kabinet in te gaan op de samenhang tussen deze maatregelen en de voorgenomen verhoging van het eigen risico.

Het kabinet heeft in lijn met de procesbrief in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie-Lahlah c.s. in de diverse debatten aangegeven dat voor de aanwending van de middelen uit de enveloppe integraal gekeken wordt hoe deze in het licht van de samenloop van de diverse maatregelen, waaronder de voorgenomen verhoging van het eigen risico, het best is in te zetten. Daarbij heeft het kabinet reeds aangegeven dat de enveloppe aangewend zal worden voor maatregelen die aangrijpen op de zorgkosten van mensen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan aangeven hoeveel belastingplichtigen momenteel gebruikmaken van de aftrek specifieke zorgkosten, hoeveel personen gebruikmaken van de TSZ en hoeveel personen van beide regelingen profiteren. Ook vragen deze leden de gebruikers van de aftrek specifieke zorgkosten uit te splitsen naar inkomensdeciel, leeftijd, AOW-gerechtigd/niet-AOW-gerechtigd en huishoudtype, waaronder alleenstaanden, paren en huishoudens met kinderen. In 2024 hebben ongeveer 900.000 huishoudens gebruik gemaakt van de aftrek specifieke zorgkosten. Dit zijn ongeveer 1,2 miljoen individuele belastingplichtigen. Verder hebben in 2024 ongeveer 250.000 belastingplichtigen TSZ ontvangen. De TSZ is direct gekoppeld aan de ASZ. Iedereen die TSZ ontvangt, heeft gebruik gemaakt van de aftrekpost. Door toepassing van de ASZ kunnen sommige mensen niet of weinig van de aftrek profiteren, en daarom ontvangen zij TSZ om te compenseren van niet verzilverde heffingskortingen. Onderstaande tabel bevat het gebruik van huishoudens van de ASZ in 2023, uitgesplitst naar wel/geen AOW, fiscaal partnerschap en verschillende verzamelinkomens.

Tabel: gebruik ASZ in 2023, uitgesplitst naar wel/geen AOW, fiscaal partnerschap en verschillende verzamelinkomens.

AOW Aantal huishoudens Opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
AOW 431.609 € 700.873.991 50,4%
Niet-AOW 425.015 € 543.513.234 49,6%
Fiscaal partner Aantal huishoudens Opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
Zonder fiscale partner 588.600 € 789.929.619 68,7%
Met fiscale partner 268.024 € 454.457.606 31,3%
Verzamelinkomen huishouden Aantal huishoudens Opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
Maximaal € 20.000 221.336 € 243.224.104 25,8%
€ 20.001 - € 30.000 243.654 € 352.004.058 28,4%
€ 30.001 - € 40.000 188.211 € 305.266.471 22,0%
€ 40.001 - € 60.000 147.814 € 205.857.780 17,3%
Meer dan € 60.000 55.609 € 138.034.812 6,5%

De leden van de fractie van het CDA vragen verder of het kabinet ook het aantal huishoudens dat door volledige afschaffing per jaar een netto-inkomenseffect ondervindt inzichtelijk kan maken van respectievelijk minder dan €100, €100–€250, €250–€500, €500–€1.000 en meer dan €1.000. Onderstaand figuur laat een verdeling zien van het aftrekbare bedrag. Dit is het bedrag na eventuele verhogingsfactoren en de inkomensafhankelijke drempel. Het is het aftrekbare bedrag, dus niet het netto- inkomenseffect. Dit effect is afhankelijk van het inkomen.

Figuur: verdeling aftrekbaar bedrag

Deze leden vragen daarnaast of deze verdeling vervolgens kan worden samengevoegd met inkomen, leeftijd/AOW-status en huishoudtype, zodat zichtbaar wordt welke groepen relatief zwaar worden geraakt.

Onderstaande tabel bevat het gebruik van huishoudens van de ASZ in 2023, uitgesplitst naar wel/geen AOW, fiscaal partnerschap en verschillende verzamelinkomens. Hieruit is te zien dat er ongeveer evenveel huishoudens die AOW ontvangen gebruik maken van de ASZ als huishoudens die geen AOW ontvangen, maar dat zij gemiddeld wel een hoger bedrag kunnen aftrekken. Verder is te zien dat er meer huishoudens zonder fiscaal partner gebruik maken van de ASZ, maar voor een gemiddeld lager bedrag. En er maken meer huishoudens met een lager verzamelinkomen gebruik van de aftrekpost, voor gemiddeld een lager bedrag dan huishoudens met een hoger verzamelinkomen. In de bovenstaande tabel is uitgebreider zichtbaar dat de gemiddelde aftrek toeneemt bij de hogere inkomens en het hoogst is bij inkomens boven de € 100.000.

Tabel: gebruik van huishoudens van de ASZ in 2023, uitgesplitst naar wel/geen AOW, fiscaal partnerschap en verschillende verzamelinkomens

AOW Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
AOW 431.609 € 1.624 50,4%
Niet-AOW 425.015 € 1.279 49,6%
Fiscaal partner Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
Zonder fiscale partner 588.600 € 1.342 68,7%
Met fiscale partner 268.024 € 1.696 31,3%
Verzamelinkomen huishouden Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten Aandeel t.o.v. totaal aantal huishoudens
Maximaal € 20.000 221.336 € 1.099 25,8%
€ 20.001 - € 30.000 243.654 € 1.445 28,4%
€ 30.001 - € 40.000 188.211 € 1.622 22,0%
€ 40.001 - € 60.000 147.814 € 1.393 17,3%
Meer dan € 60.000 55.609 € 2.482 6,5%

De leden van de fractie van het CDA vragen daarnaast of het gebruik en het financiële voordeel kan worden uitgesplitst naar de verschillende categorieën specifieke zorgkosten, waaronder genees- en heelkundige hulp, voorgeschreven medicijnen, hulpmiddelen, vervoer, dieetkosten, extra kleding en beddengoed, gezinshulp en reiskosten voor ziekenbezoek. Onderstaande tabel laat per kostenrubriek zien hoeveel huishoudens gebruik hebben gemaakt van deze rubriek in 2023 en wat de totale opgevoerde kosten waren. Het financiële voordeel is niet exact te herleiden, omdat deze rubrieken in combinatie met elkaar kunnen worden gebruikt en het financiële voordeel afhankelijk is van de inkomensafhankelijke drempel, eventuele verhogingsfactoren en de marginale druk van een belastingplichtige.

Tabel: gebruik huishoudens per kostenrubriek

Kostenrubriek Aantal huishoudens Opgevoerde kosten
Kosten medicijnen 423.562 € 111.793.742
Uitgaven voor hulpmiddelen 287.643 € 219.013.249
Uitgaven vervoer i.v.m. ziekte of invaliditeit 404.898 € 160.992.497
Dieetkosten 159.290 € 146.699.792
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed 303.698 € 124.211.173
Uitgaven voor extra gezinshulp 22.984 € 34.675.769
Genees- en heelkundige hulp 574.425 € 571.205.861
Reiskosten ziekenbezoek 102.959 € 40.875.015

De leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre op basis van de beschikbare gegevens is vast te stellen welk deel van de huidige gebruikers chronisch ziek of gehandicapt is.

Dit is niet vast te stellen uit deze gegevens. In de aangifte wordt niet uitgevraagd of iemand chronisch ziek of gehandicapt is. Bovendien is er op dit moment geen eenduidige definitie van een chronisch ziek. Indien dit niet exact kan worden vastgesteld, vragen zij welke benadering of koppeling van gegevens kan worden gebruikt om hiervan een zo betrouwbaar mogelijke inschatting te maken. Dit is niet vast te stellen, omdat er geen definitie is van wanneer iemand chronisch ziek of gehandicapt is. Dat is geen toetsingscriterium binnen de vormgeving van de regeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan aangeven welk deel van het huidige budgettaire beslag van de aftrek en TSZ terechtkomt bij mensen met structurele zorgkosten en welk deel bij mensen met incidentele zorgkosten. Dit is niet bekend. Wel is bekend dat van de circa 250.000 belastingplichtigen die TSZ ontvangen, ongeveer 170.000 mensen 65 jaar of ouder zijn en ongeveer 75.000 jonger dan 65 jaar. De leden van de fractie van de SGP vragen om meer inzicht op huishoudniveau van de afschaffing van de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Zij constateren dat het gemiddelde belastingvoordeel 400 euro bedraagt en de uitbetaling van de TSZ-regeling gemiddeld 340 euro is en vragen wat de spreiding is van deze voordelen en of het kabinet hierover meer informatie kan geven.

De leden van de fractie van het CDA vragen of bij de uitwerking van het flankerende beleid een transitietabel kan worden verstrekt waarin voor verschillende groepen het huidige netto-voordeel uit aftrek/TSZ, de ondersteuning onder de nieuwe regeling en het resterende positieve of negatieve inkomenseffect wordt weergegeven. Onderstaande tabel toont voor verschillende huishoudens hoeveel huishoudens gebruik hebben gemaakt van de ASZ in 2023 en wat de gemiddelde opgevoerde kosten waren. De gemiddelde opgevoerde kosten zijn de kosten na eventuele verhogingsfactoren en na de inkomensafhankelijke drempel. Dit is het bedrag dat van het inkomen wordt afgetrokken en is niet het netto-voordeel. Uit de tabel is te zien dat huishoudens met een hoger verzamelinkomen minder vaak gebruik maken van de regeling, maar wel gemiddeld een hoger bedrag kunnen aftrekken.

Tabel: Gebruik ASZ verschillende huishoudens

AOW Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten
AOW 431.609 € 1.624
Niet-AOW 425.015 € 1.279
Fiscaal partner Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten
Zonder fiscale partner 588.600 € 1.342
Met fiscale partner 268.024 € 1.696
Verzamelinkomen huishouden Aantal huishoudens Gemiddelde opgevoerde kosten
Maximaal € 20.000 221.336 € 1.099
€ 20.001 - € 30.000 243.654 € 1.445
€ 30.001 - € 40.000 188.211 € 1.622
€ 40.001 - € 60.000 147.814 € 1.393
Meer dan € 60.000 55.609 € 2.482

Voor de TSZ is er alleen een uitsplitsing op basis van leeftijd. In 2023 is 69% van de belastingplichtigen die TSZ ontvangen 65 jaar of ouder. Zij ontvangen gemiddeld € 327 aan TSZ. 31% is jonger dan 65 jaar en ontvangt gemiddeld € 316 aan TSZ.
De TSZ is een regeling die alleen gebruikt kan worden door huishoudens die vanwege verzilveringsproblematiek in de heffingskortingen weinig tot geen gebruik kunnen maken van de ASZ. Per definitie zijn dit huishoudens met een (zeer) laag inkomen. Over de inzet van de enveloppe zal nog besluitvorming plaatsvinden. Waar mogelijk zullen wij de effecten in kaart brengen.

Ook vragen de leden van de fractie van het CDA hoe bij het nieuwe beleid rekening wordt gehouden met stapeling van zorgkosten. De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer.

De leden van de fractie van de BBB willen aandacht vragen voor de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten en uiten daarbij zorgen over de gevolgen hiervan voor de bereikbaarheid van zorg. Zij vragen hoeveel huishoudens momenteel gebruikmaken van deze regeling en of dit aantal kan worden uitgesplitst naar inkomensgroepen.
In 2024 hebben ongeveer 900.000 huishoudens gebruikgemaakt van de aftrekpost. Onderstaande tabel laat voor huishoudens uit verschillende inkomenscategorieën zien hoe veel huishoudens deze groep bevat, hoe veel er gebruik hebben gemaakt van de ASZ en wat het gemiddelde aftrekbare bedrag was. Hieruit is te zien dat vooral huishoudens met een lager inkomen gebruik maken van de regeling, maar dat huishoudens met een hoger inkomen hogere bedragen aftrekken.

Tabel: Totaal aantal huishoudens per inkomenscategorie en gebruik ASZ.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe het staat met de uitvoering van de motie Bikker c.s.32 waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken hoe de afschaffing van de specifieke zorgkosten kan worden teruggedraaid en de aftrek doelmatiger en meer gericht op ziektekosten van chronisch zieken kan worden gemaakt.

Het kabinet werkt aan de uitvoering van de motie Bikker c.s. en let daarbij op een zorgvuldige uitwerking, samenhang met het bredere pakket aan zorgmaatregelen en op de timing van de behandeling van het Belastingplan.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er een bestaande regeling of een nieuwe regeling uit de Enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken is die de doelgroep beter weet te bereiken dan de aftrek specifieke zorgkosten.

Conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet verbeteropties voor de aftrek specifieke zorgkosten binnen en buiten de fiscaliteit. In het rapport van de ambtelijke verkenning 'Eindrapport Aftrek specifieke zorgkosten' uit 2025 zijn verschillende alternatieven voor de ASZ onderzocht. Uit de verkenning komt geen ideaal alternatief naar voren en alleen een gerichtere fiscale regeling en een gemeentelijke regeling zijn als kansrijk beoordeeld. Een knelpunt hierbij is dat er geen eenduidige definitie en afbakening van de doelgroep chronisch zieken beschikbaar is. De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer, waar de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van is.

De leden van fractie van de SGP wijzen erop dat de afschaffing gevolgen kan hebben voor specifieke groepen, zoals gemoedsbezwaarden, en vragen of het kabinet dit herkent en bereid is specifiek voor deze groepen oplossingen in kaart te brengen.
Het kabinet erkent dat de maatregelen in de optelsom voor een aantal huishoudens stevig uitpakken. Voor de uitwerking van maatregelen geldt daarom dat het kabinet goed gaat kijken naar de precieze vormgeving om zo recht te doen aan de inzichten van de stapelingsanalyse uitgevoerd naar aanleiding van motie Stoffer. Bij de vormgeving van maatregelen wil het kabinet ongewenste zorgmijding waar mogelijk wordt tegengaan en daarbij ook de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken betrekken, die vanaf 2028 beschikbaar is.

De leden van de fractie van de SGP wijzen in het kader van de afschaffing op de analyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer c.s.33 waaruit blijkt dat de afschaffing één van de maatregelen met het grootste negatieve inkomenseffect is. Zij vragen of het kabinet deze constatering herkent en of deze analyse heeft geleid tot heroverweging dan wel aanpassing van de maatregel.
Het kabinet herkent dat de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten voor huidige gebruikers tot negatieve inkomenseffecten kan leiden en dat deze effecten voor bepaalde huishoudens kunnen stapelen met de gevolgen van andere maatregelen. Conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet verbeteropties voor de aftrek specifieke zorgkosten binnen en buiten de fiscaliteit. De analyse naar aanleiding van de motie Stoffer c.s. brengt deze stapeling op huishoudniveau in beeld. Het kabinet heeft besloten een enveloppe 'Tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken' per 2028 beschikbaar te stellen. De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar de inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer.

De analyse naar aanleiding van de motie Stoffer c.s. heeft niet geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel zoals dat op Prinsjesdag is ingediend. De uitkomsten zijn wel relevant voor verdere beleidsvorming en het kabinet zal goed kijken naar de precieze vormgeving van maatregelen om zo recht te doen aan de inzichten van deze analyse. Daarnaast onderzoekt het kabinet conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. een aantal verbeteropties binnen en buiten de aftrek specifieke zorgkosten. Daarbij acht het kabinet het van belang dat gesprek ook breder te voeren over de verschillende zorgmaatregelen.

De leden van de fractie van de SGP wijzen op de mogelijkheid om een deel van het bedrag terug te sluizen via het Gemeentefonds en vragen waarom hiervoor niet is gekozen.
Conform de appreciatie van de motie Bikker c.s. onderzoekt het kabinet verbeteropties van de aftrek specifieke zorgkosten binnen en buiten de fiscaliteit. In het rapport van de ambtelijke verkenning 'Eindrapport Aftrek specifieke zorgkosten' uit 2025 is de optie van een gemeentelijke regeling uitgewerkt. Volgens dit rapport kan een gemeentelijke regeling in theorie ruimte bieden voor meer maatwerk, mits de beschikbare uitvoeringscapaciteit dit toelaat. Belangrijk aandachtspunten bij een gemeentelijke regeling die terugkomen in dit rapport zijn dat de beleidsvrijheid van gemeenten leidt tot verschillen in geboden tegemoetkoming tussen gemeenten en dat gemeenten zich vaak specifiek richten op minima. De VNG heeft in een reactie op dit rapport aangegeven dat de gemeentelijke variant niet uitvoerbaar is en dat een simpele, landelijke regeling nodig is.

Het kabinet heeft besloten een enveloppe 'Tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken' per 2028 beschikbaar te stellen. De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar de inhoudelijke samenhang en de inzichten uit de stapelingsanalyse die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer.

De leden van de fractie van de SGP constateren dat in het coalitieakkoord € 350 miljoen is vrijgemaakt via de envelop ‘tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken’. Zij vragen of deze envelop ook bedoeld is om de gevolgen van de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten te verminderen en op welke wijze het kabinet voornemens is deze envelop terecht te laten komen bij de doelgroep die gebruikmaakt van de aftrek. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is snel duidelijkheid te verschaffen over de invulling van de envelop, zodat mensen hierop kunnen anticiperen, en waarom er niet voor is gekozen de invulling van de tegemoetkoming direct te koppelen aan de afschaffing.

Het kabinet heeft in lijn met de procesbrief in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie-Lahlah c.s. in de diverse debatten aangegeven dat voor de aanwending van de middelen uit de enveloppe integraal gekeken wordt hoe deze in het licht van de samenloop van de diverse maatregelen, waaronder de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten, het best is in te zetten. Daarbij heeft het kabinet reeds aangegeven dat de enveloppe aangewend zal worden voor maatregelen die aangrijpen op de zorgkosten van mensen.

De enveloppe zal worden betrokken bij het komen tot een gedragen pakket aan zorgmaatregelen. Daarbij zal het kabinet bij de vormgeving van dit pakket goed kijken naar de inhoudelijke samenhang en naar de inzichten uit de stapelingsanalyse naar stapeling van maatregelen die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Stoffer, waar de afschaffing van de aftrek specifieke zorgkosten onderdeel van is.

Het kabinet onderkent het belang van tijdige duidelijkheid over de invulling van de tegemoetkoming. De komende tijd gaat het kabinet graag verder in gesprek om te komen tot een gedragen pakket met een meerderheid in beide Kamers. Het kabinet wil komen tot een breed gesteund pakket.

Uit de stapelingsanalyse uitgevoerd n.a.v. motie Stoffer blijkt dat niet alleen de aftrek specifieke zorgkosten leidt tot negatieve inkomenseffecten. Ook andere zorgmaatregelen kunnen (in combinatie) fors uitpakken bij sommige huishoudens. Daarom kijkt het kabinet voor aanwending van de middelen uit de enveloppe integraal naar hoe deze in het licht van de samenloop van de diverse maatregelen het best is in te zetten.

De leden van de fractie van JA21 merken op dat de inschatting van de doenlijkheid door de dossierhouder in overleg met gedragsexperts is gemaakt, zonder aanvullend empirisch onderzoek en zonder contact met burgers. Deze leden vragen het kabinet waarom bij maatregelen met een grote doelgroep, zoals de afschaffing van de zorgkostenaftrek, niet is getoetst bij de betrokken burgers zelf. De Belastingdienst heeft in verdieping op de structureel hoge foutkans nadere analyses gedaan met de conclusie dat de regeling ondoenlijk is voor burgers. De oorzakenanalyse gaat in op de capaciteit, gelegenheid en motivatie. Daarvoor heeft zij zich gebaseerd op meerdere empirische deelonderzoeken, waaronder een onderzoek onder de doelgroep zelf (nl. interviews met gebruikers van de regeling, zowel burgers die de regeling vaker gebruikten en eenmalige gebruikers). In de uitvoeringstoets van de Belastingdienst wordt ook gerefereerd aan deze ondoenlijkheid en complexiteit.

Bij de uitwerking van het rapport van de ambtelijke verkenning 'Eindrapport Aftrek specifieke zorgkosten' uit 2025 zijn ambtelijk verschillende consultatiesessies gehouden met ervaringsdeskundigen, belangenbehartigers en gemeenten. Het conceptrapport is ook ter consultatie aangeboden aan belangenbehartigers en de VNG heeft een uitvoeringsscan uitgevoerd. Daarnaast is een sessie georganiseerd met een aantal stakeholderorganisaties, zoals ook beschreven in de memorie van toelichting bij het belastingplan 2027 (p. 138).

Afschaffen bosbouwvrijstelling

De leden van de fractie van PRO vragen wanneer de bosbouwvrijstelling is geïntroduceerd en waarom de regeling pas per 2029 kan worden afgeschaft. Voordelen uit bosbedrijf zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting op grond van artikel 3.11 Wet inkomstenbelasting 2001 en vrijgesteld van vennootschapsbelasting via de schakelbepaling in artikel 8, eerste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De bosbouwvrijstelling bestaat sinds 1926 in (de voorloper van) de inkomstenbelasting en later ook in de vennootschapsbelasting. Met de vrijstelling werd met name beoogd een stimulans te geven tot instandhouding van bossen en (oorspronkelijk ook) het wegnemen van de problematiek van de winstbepaling van bosbedrijven.34 Vanwege het feit dat het beheren van bos tegenwoordig doorgaans niet winstgevend is en het gebruik van deze regeling door niet-bosbouwbedrijven concludeerde SEO in de evaluatie van de o.a. de bosbouwvrijstelling dat deze niet doeltreffend is en daarom afgeschaft dan wel omgebogen zou kunnen worden.35 De afschaffing van de bosbouwvrijstelling vereist wijzigingen in de systemen van de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting. Voor de keten Inkomensheffingen is, afhankelijk van de omvang en prioriteit, pas ruimte voor nieuw beleid per belastingjaar 2029. Om die reden wordt voorgesteld de maatregel niet eerder in werking te laten treden dan 2029.

De leden van de fractie van de PVV vragen wat de gevolgen zijn voor de bosbouwsector en aanverwante sectoren als gevolg van de afschaffing van de bosbouwvrijstelling. De leden van de fracties van JA21 en de BBB vragen hoe groot het belastingvoordeel is dat niet-bosbouwbedrijven nu genieten, welke sectoren (niet-bosbouwbedrijven) geraakt worden en of kan worden aangegeven per sector in welke mate zij worden geraakt en welke gevolgen de afschaffing heeft voor het mkb in deze sectoren. Door het afschaffen van de bosbouwvrijstelling per 2029 worden voordelen uit bosbedrijf niet meer vrijgesteld van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting voor bosbouwbedrijven en niet-bosbouwbedrijven. Uit de evaluatie36 van SEO volgt dat met deze regeling de beoogde doelgroep (bosbouwbedrijven) zeer beperkt wordt bereikt. Bosbouwbedrijven zijn namelijk niet tot weinig winstgevend, waardoor het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven zeer beperkt is.

Uit de Miljoenennota 2027 volgt dat het totale belastingvoordeel op grond van de bosbouwvrijstelling voor 2026 € 54 miljoen bedraagt. Afschaffing zal vooral niet-bosbouwbedrijven - en daarmee de niet-beoogde doelgroep van de regeling - raken. In totaal komt naar schatting maximaal € 3 miljoen van het belastingvoordeel van de bosbouwvrijstelling terecht bij bedrijven met bos (>1 hectare bos). De rest van het belastingvoordeel van de bosbouwvrijstelling komt terecht bij niet-bosbouwbedrijven met minder dan 1 hectare bos. Van het vrijgekomen bedrag door de afschaffing van de bosbouwvrijstelling is vanaf 2029 € 5 miljoen gereserveerd op de begroting van LVVN voor de uitvoer van de bossenstrategie.

Het gemiddelde belastingvoordeel voor een onderneming op grond van de bosbouwvrijstelling bedraagt in 2026 naar schatting € 7.000. De inschatting welke sectoren gebruikmaken van de bosbouwvrijstelling is met onzekerheden omgeven omdat de landbouwvrijstelling en de bosbouwvrijstelling in de aangifte onder dezelfde post worden aangegeven. Verder geldt dat het gebruik van de bosbouwvrijstelling door bosbouwbedrijven in enkele specifieke sectoren dusdanig laag is dat geen afzonderlijke cijfers gepubliceerd mogen worden over deze bedrijven. Met deze beperkingen in gedachte kan een inschatting gemaakt worden van het gebruik van de bosbouwvrijstelling door niet-bosbouwbedrijven per sector. De uitsplitsing per sector wordt gemaakt op basis van SBI-codes37 van de gebruikers van de vrijstelling. De inschatting qua verdeling van de grootste sectoren ziet er als volgt uit: 15% slaat neer bij groothandel en handelsbemiddeling, 13% slaat neer bij vervoer en opslag, 11% slaat neer bij gezondheidszorg, 10% slaat neer bij logiesverstrekking, 10% slaat neer bij verhuur/handel in onroerend goed en de resterende 40% slaat neer bij overige SBI-codes.

De leden van de fractie van JA21 vragen welke adviespunten het ATR mee heeft gegeven toen het adviseerde om de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening was gehouden. Het ATR heeft één advies opgesteld voor diverse aanvullende maatregelen die na de Augustusbesluitvorming in het Belastingplan 2027 zijn beland, waaronder de bosbouwvrijstelling. Het advies van het ATR op al deze maatregelen luidde: ‘Het college adviseert de effecten op de eenmalige en structurele regeldruk van alle aanvullende maatregelen conform de Rijksbrede methodiek in kaart te brengen’. Bij de opvolging hiervan is teruggevallen op de methodiek uit het Handboek Meting Regeldrukkosten 202638. De regeldruk is toegelicht en verder uitweiden gaat in tegen het uitgangspunt van proportionaliteit uit het handboek gezien de beperkte effecten. Er zal daarnaast bezien worden of er een manier is hoe de administratieve lasten die gepaard gaan met afschaffing zo veel mogelijk beperkt kunnen worden voor de partijen die dit aangaat.

De leden van de fractie van JA21 vragen waarom er geen overgangsrecht wordt voorgesteld nu de afschaffing per 2029 plaatsvindt. De afschaffing van de bosbouwvrijstelling vindt inderdaad plaats per 2029. Dit betekent dat zowel de belastingplichtigen als de Belastingdienst zich kunnen voorbereiden op deze wijziging. Er is geen overgangsrecht opgenomen, omdat in artikel 3.11, derde lid, Wet inkomstenbelasting 2001, reeds is voorzien in de situatie dat de bosbouwvrijstelling niet meer van toepassing is. In dat geval wordt de waarde van de tot het bosbedrijf behorende bezittingen gesteld op de waarde in het economische verkeer. Dit betekent dus dat bij afschaffing van de bosbouwvrijstelling er een verplichte fiscale herwaardering plaatsvindt. Een eventuele herwaarderingswinst valt daarbij onder de bosbouwvrijstelling.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de plannen zijn voor de landbouwvrijstelling, wat er gebeurt bij de afschaffing ervan en of daar wel een goed overgangsrecht komt. Voorts vragen deze leden of hetgeen wat er jaarlijks bespaard zou worden met een afschaffing van de landbouwvrijstelling beschikbaar wordt voor een andere invulling binnen de landbouwsector. Het kabinet is zich ervan bewust dat de landbouwvrijstelling negatief geëvalueerd is in de meest recente evaluatie door het onderzoeksbureau SEO.39 Gelet op de grote veranderingen voor de landbouw die voortvloeien uit het maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof, acht het kabinet het niet opportuun om op dit moment te overwegen om de landbouwvrijstelling af te schaffen. Wat er gebeurt bij afschaffing hangt sterk af van de vormgeving hiervan. Rondom de afschaffing zal een uitdaging zijn dat niet alle ondernemers het grondbezit tegen de actuele boekwaarde op de balans hebben staan. Bij veel ondernemers staat het grondbezit tegen een historische (en lage) boekwaarde op de balans. Onmiddellijke afschaffing zorgt er bij die laatste groep voor dat heffing met materieel terugwerkende kracht plaatsvindt. Een overgangsregime corrigeert hiervoor door vermogenswinsten die in het verleden opgebouwd zijn maar nog niet gerealiseerd zijn, niet te belasten. Het gebruik van een overgangsregime wordt in de evaluatie van SEO als beleidsmatig verstandig gezien. In de evaluatie worden ook diverse varianten voor een overgangsregime toegelicht. Het afschaffen van de landbouwvrijstelling levert in het jaar van invoering circa € 10 miljoen op. De budgettaire opbrengst groeit langzaam in en na 40 jaar wordt een structurele opbrengst bereikt van circa €195 miljoen. Deze opbrengsten zijn indicatief en afhankelijk van het jaar van invoering en de precieze invulling van een eventueel overgangsregime. Aangezien het kabinet er niet voor heeft gekozen de landbouwvrijstelling af te schaffen, wil het kabinet niet op de mogelijke variant van het overgangsrecht en op de besteding van de vrijgekomen middelen van de landbouwvrijstelling vooruitlopen.

De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het kan dat de afschaffing van de bosbouwvrijstelling structureel € 35 miljoen oplevert, terwijl het budgettaire belang in de Miljoenennota 2026 geraamd wordt op € 126 miljoen. Voorts begrijpen deze leden dat er een terugsluis van € 5 miljoen komt, maar vragen ze zich af waardoor de rest van het verschil wordt verklaard. De leden van de fractie van JA21 vragen of de terugsluis van € 5 miljoen van de bosbouwvrijstelling is bestemd voor bosbouwbedrijven en langs welke regeling dat gebeurt. Tot slot vragen de leden van de fractie van de SGP zich af of de opbrengst van de afschaffing niet te beperkt wordt ingeschat. Naar aanleiding van signalen uit de praktijk en informatie die medio 2026 beschikbaar was is de raming herijkt van niet noemenswaardig in de jaren tot 2026 naar € 126 miljoen in de Miljoenennota 2026. Zoals te lezen in de Miljoenennota 2027 is het budgettaire belang nadien bijgesteld naar € 54 miljoen in 2026 op basis van de inzichten uit de evaluatie van de bosbouwvrijstelling.40 Uit de evaluatie bleek namelijk dat het aantal ondernemingen, alsook de omvang van het genoten voordeel beperkter was dan tijdens de eerste herijking in 2026 aangenomen was. De opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling wordt geraamd op circa € 35 miljoen. Dit is lager dan het budgettaire belang in de Miljoenennota omdat wordt gecorrigeerd voor gedragseffecten.

Van het vrijgekomen bedrag door de afschaffing van de bosbouwvrijstelling is vanaf 2029 € 5 miljoen gereserveerd op de begroting van LVVN voor de uitvoer van de bossenstrategie. Een specifieke regeling wordt in lijn met de doelstellingen van de bossenstrategie de komende tijd uitgewerkt. Deze regeling zal ten gunste zijn van de bossector in Nederland. Het restant wordt ingezet om de lasten op arbeid conform de motie Dassen41 te verlagen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in hoeverre stappen zijn gezet in de uitwerking van de motie Grinwis c.s.42 met betrekking tot het weghalen van fiscale knelpunten en met name het onderzoek dat bij tijdelijke uitruil van grond de schenk- en erffaciliteit blijft gelden. Voorts vragen deze leden wat hierin de voortgang is die voor de zomer van 2026 gedeeld zou worden. Tot slot vragen deze leden in hoeverre de prioriteit bij verduurzaming van de agrarische sector ligt ten opzichte van de behoefte om regels te vereenvoudigen en op hogere opbrengsten te sturen.

Tijdens het commissiedebat van 24 juni 202643 heb ik toegezegd dat de Kamer vóór de behandeling van het Belastingplan een update ontvangt over de stand van zaken met betrekking tot de geschetste opties in de Kamerbrief44 in reactie op de motie Stoffer45 en de motie Grinwis c.s. Daar zal de Kamer naast de update uit deze beantwoording tevens binnenkort per brief over geïnformeerd worden. Het kabinet heeft naar aanleiding van de motie Stoffer en de motie Grinwis diverse knelpunten geïnventariseerd bij belangenorganisaties. Op basis van deze inventarisatie is allereerst onderzocht of de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- en erfbelasting (BOR) kan worden verruimd voor gevallen waarbij sprake is van vruchtwisseling. Tijdens dit onderzoek is er overleg geweest met de sector. De conclusie is dat het kabinet mogelijkheden ziet voor verruiming van de BOR voor vruchtwisseling, die rekening houdt met de bestaande landbouwpraktijk. Deze maatregel wordt daarom opgenomen in de Fiscale Verzamelwet 2028. Daarnaast is besloten om budget te reserveren in de Miljoenennota 2027 voor een mogelijke introductie van een fiscale investeringsfaciliteit klimaat en dier, waarmee agrariërs worden ondersteund bij het doen van investeringen in dierenwelzijn en natuurbevordering (tot uiterlijk 2035). De mogelijke vormgeving van deze investeringsfaciliteit wordt het komende half jaar nader onderzocht, waarbij in ieder geval zal worden gekeken naar de afbakening (geen openeinderegeling), uitvoerings- en staatssteunaspecten en mogelijke alternatieven. Besluitvorming over de precieze invulling vindt plaats in het voorjaar van 2027.

Het kabinet streeft naar een evenwichtige benadering waarin verduurzaming van de sector centraal staat, maar waarbij ook rekening wordt gehouden met de praktische uitvoerbaarheid en het behoud van een samenwerkende agrarische markt. Zo heeft het kabinet een bedrag van € 20 miljard (cumulatief tot en met 2035) en € 435 miljoen structureel gereserveerd voor een pakket aan maatregelen in het kader van natuur, landbouw en stikstof, waarmee de agrarische sector ook verduurzaamd wordt. Daarnaast wordt zoals hierboven uitgelicht de BOR verruimd, zonder dat dit budgettaire consequenties heeft die relevant zijn voor het lastenkader.

Bevriezen aftoppingsgrens pensioen

De leden van de fractie van de VVD lezen dat het aantal personen dat door deze voorgestelde maatregel wordt geraakt volgens de memorie van toelichting stijgt van circa 280.000 in 2027 naar circa 790.000 in 2032 en vragen zich af hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de kwalificatie van deze maatregel als technisch van aard. De leden van de fractie van JA21 vragen in dit verband naar de zinsnede in de memorie van toelichting dat er geen sprake is van een substantiële beleidswijziging.

In hoofdstuk 10 van de memorie van toelichting is aangegeven dat de voorgestelde maatregel een vrij technische wijziging betreft. Het gaat in dat hoofdstuk over de doenlijkheid van de voorgestelde maatregelen. Deze kwalificatie moet dan ook gezien worden in het licht van de doenlijkheid van de betreffende wetgeving en ziet niet op de ontwikkeling van het aantal personen dat door de maatregel wordt geraakt. Zoals uit de memorie van toelichting volgt raakt deze maatregel inderdaad een substantiële groep. Voor hen kan de vraag op tafel komen om wel of niet een nettopensioen of nettolijfrente te gaan opbouwen of aanvullend te sparen voor de oude dag.

Met de zinsnede dat er geen sprake is van een substantiële beleidswijziging wordt bedoeld dat er geen fundamentele andere norm of uitgangspunt gaat gelden voor de aftoppingsgrens. Deze wordt alleen, vanwege budgettaire redenen, zes jaar niet geïndexeerd.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan ingaan op de door de NOB geschetste stille uitholling van de pensioengrondslag. In dit verband vragen de leden van de fractie van het CDA of het langetermijneffect van deze maatregel is meegewogen.

In Nederland kennen we een fiscaal gefaciliteerd tweede pijler pensioen. De aftoppingsgrens gaat excessief gefaciliteerd pensioensparen tegen.46 Het klopt dat het niet indexeren van deze aftoppingsgrens effect heeft op de hoogte van het op te bouwen fiscaal gefaciliteerde pensioen. Het kabinet is van mening dat met een aftoppingsgrens van € 137.800 die zes jaar niet wordt geïndexeerd, nog steeds een fiscaal gefaciliteerd adequaat pensioen kan worden opgebouwd. Voor het inkomen boven de € 137.800 kan nog wel een nettopensioen of nettolijfrente worden opgebouwd. Van uitholling van de pensioengrondslag is, het nettopensioen meegerekend, geen sprake. Het langetermijneffect van deze maatregel is gewogen waarbij de afweging is geweest zoals hiervoor aangegeven.

De leden van de fractie van PRO vragen wat de aftoppingsgrens naar verwachting in 2032 wordt in het prijspeil van 2026 en hoeveel procent dat naar verwachting is van een modaal inkomen in 2032. Ook vragen deze leden wat de aftoppingsgrens op dit moment als percentage van een modaal inkomen is.

Naar verwachting zal de aftoppingsgrens van € 137.800 in 2032 in het prijspeil van 2026 € 118.650 bedragen. Bij een verwacht modaal inkomen in 2032 van € 59.500 zal de aftoppingsgrens 232% hiervan bedragen. In 2026 is de aftoppingsgrens nog 287% van het modaal inkomen van € 48.000.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat bij een jaarlijkse stijging van het pensioengevend salaris en de franchise met twee procent, de pensioengrondslag in 2032 circa 13 procent lager kan uitvallen dan wanneer de aftoppingsgrens zou zijn geïndexeerd. De leden van de fractie van JA21 vragen ook dit effect te bevestigen.

Het klopt dat bij een franchise van € 19.172, een aftoppingsgrens van € 137.800 en een jaarlijkse stijging met twee procent de maximale pensioengrondslag na zes jaar € 133.594 zou bedragen als de aftoppingsgrens wel geïndexeerd zou worden (met twee procent) en € 116.209 als deze niet geïndexeerd wordt. Het laatste bedrag is 13% minder. Dit is wel het maximale effect voor degenen die met hun inkomen nu al boven de aftoppingsgrens uitkomen. Voor de meeste werknemers die geraakt worden door de maatregel zal het effect kleiner zijn.

De leden van de fractie van JA21 vragen of bij de raming rekening is gehouden met uitwijkgedrag naar nettopensioen, nettolijfrente of box 3.

In de raming is aangenomen dat vanwege de vrijstelling in box 3 voor nettopensioen en nettolijfrente het effect op de box 3-inkomsten beperkt zal zijn. Er is daarom niet gerekend met een toename van de box 3-inkomsten als gevolg van de maatregel.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet kan toelichten of bij de bevriezing van de aftoppingsgrens rekening is gehouden met verschillen tussen een- en tweeverdieners, waarbij in een eenverdienershuishouden veelal slechts één partnerpensioen opbouwt, en met de gevolgen van pensioenverevening bij echtscheiding voor de uiteindelijke pensioenpositie van beide partners. De leden van de fractie van de SGP vragen ook naar de effecten op de dekking van het partner- en wezenpensioenen en vragen of de maatregel middeninkomens raakt. Ook vragen de leden van de fractie van de SGP of er mitigerende maatregelen genomen kunnen worden door bijvoorbeeld de percentages voor het partner- en wezenpensioen te verhogen.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe deze maatregel zicht verhoudt tot de inzet om meer werkenden voldoende pensioen te laten opbouwen en waarom juist deze maatregel als algemene dekkingsmaatregel is gekozen.

De aftoppingsgrens is een grens die geldt voor een individuele werknemer. Voor de aftoppingsgrens wordt geen rekening gehouden met verschillen tussen één- en tweeverdieners. Het klopt dat door de beperking van de aftoppingsgrens het partnerpensioen wordt beperkt voor werknemers met een inkomen boven de € 137.800. Wel kan voor het inkomen boven de aftoppingsgrens een nettopartnerpensioen worden verzekerd. Dit is ook fiscaal gefaciliteerd, in de zin dat netto(partner)pensioen vrijgesteld is in box 3. Daarnaast is het mogelijk om het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum aan te vullen met een nabestaandeoverbruggingspensioen. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding voor mitigerende maatregelen. Zoals hiervoor ook aangegeven raakt het niet indexeren van de aftoppingsgrens alleen inkomens boven de € 137.800. Het kabinet rekent die inkomens niet tot de middeninkomens.

Het niet indexeren van de aftoppingsgrens staat los van de inzet om meer werkenden voldoende pensioen te laten opbouwen. Die is inzet is vooral gericht op mensen die weinig of geen pensioenopbouw hebben dus die niets of veel minder pensioen opbouwen dan fiscaal mogelijk is.

De keuze voor het zes jaar niet indexeren van de aftoppingsgrens is vanwege budgettaire redenen. Daarmee vraagt het kabinet een bijdrage van de hogere inkomens.

Afschaffen gerichte vrijstelling branche-eigen producten

De leden van de fractie van D66 lezen dat de afschaffing van de gerichte vrijstelling een opbrengst heeft van € 123 miljoen per jaar als dekking voor de maatregelen tegen hoge energie- en brandstofprijzen. Deze leden vragen waarom alleen de vrijstelling voor branche-eigen producten wordt afgeschaft en niet de diensttijdvrijstelling, die volgens hen ook ondoelmatig is en ten goede komt aan relatief welvarende werknemers. Het kabinet heeft gekozen voor afschaffing van de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten op verzoek van uw Kamer in plaats van de versobering van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA).47 Daarbij woog mee dat deze gerichte vrijstelling op basis van de evaluatie van de werkkostenregeling door Onderzoeksbureau SEO als deels doeltreffend en niet doelmatig werd beoordeeld. Een aantal andere aanbevelingen die volgen uit de evaluatie van de werkkostenregeling, worden momenteel nader onderzocht en uitgewerkt. Dit geldt ook voor de aanbeveling om de diensttijdvrijstelling af te schaffen.

De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat werkgevers nog steeds personeelskortingen kunnen geven, maar dat deze na afschaffing van de gerichte vrijstelling belast zullen worden. Een werkgever kan personeelskorting blijven verstrekken aan werknemers. Het staat werkgevers vrij om zelf hun arbeidsvoorwaarden vorm te geven, al dan niet afhankelijk van de toepasselijke cao. Vervolgens kan een werkgever kiezen of deze personeelskorting als zogenoemd loon in natura 1) belast wordt bij de werknemer of 2) dat hij het voordeel aanwijst als eindheffingsloon onder de werkkostenregeling. In dat geval komen de kosten ten laste van de vrije ruimte van de werkkostenregeling. Deze vrije ruimte is een algemene vrijstelling binnen de loonbelasting, waarbij de omvang wordt bepaald door de totale fiscale loonsom van de werkgever. De werkgever heeft ruimte om zelf te bepalen voor welk doel deze vrije ruimte wordt besteed. Een vorm van een personeelskorting kan dus, mits gebruikelijk, onderdeel maken van de vrije ruimte. Als de vrije ruimte wordt overschreden, kan de werkgever de korting nog steeds aanwijzen als zogenaamd eindheffingsbestanddeel. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever een eindheffing van 80% verschuldigd. Hoewel veel werkgevers dit zien als een strafheffing is dat niet een juist beeld. De eindheffing is vergelijkbaar met een regulier inkomstenbelastingtarief van ca. 44%. Tijdens de evaluatie van de werkkostenregeling is gekeken naar welke systemen andere landen (België, Verenigd Koninkrijk en Duitsland) hanteren. Wat opvalt is dat deze landen specifieke vergoedingen vrijstellen op basis van een set voorwaarden (bijvoorbeeld zakelijkheid). In die zin is Nederland uniek dat, naast specifieke vergoedingen (de gerichte vrijstellingen), ook nog een algemene vrijstelling bestaat in de vorm van een vrije ruimte.

De leden van de fractie van de VVD vragen of bij de toets op doelmatigheid rekening is gehouden met de waardering van het genoten loon. Uit de evaluatie van de werkkostenregeling is ook onderzocht of de gerichte vrijstelling doeltreffend is in het verlichten van de administratieve last. Mede gelet op het alternatief, de vrije ruimte, is deze gerichte vrijstelling deels doeltreffend en niet doelmatig.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke omstandigheden zijn veranderd sinds de invoering van de gerichte vrijstelling, waardoor deze volgens het kabinet niet langer nodig is. Het kabinet heeft ervoor gekozen de door uw Kamer aangenomen motie48 op te volgen, ook omdat de gerichte vrijstelling op grond van de evaluatie negatief is beoordeeld. De vrijstelling dient geen maatschappelijk doel en het verlenen van korting op branche-eigen producten sluit niet aan bij het doel van de gerichte vrijstellingen om zakelijke kostenvergoedingen onbelast te vergoeden. Ten slotte kan de korting, volgens de evaluatie, doelmatiger worden door gebruik te maken van de vrije ruimte in de werkkostenregeling. Daarnaast past de afschaffing in het streven naar vereenvoudiging van de werkkostenregeling, waarbij specifieke niet-zakelijke uitzonderingen worden teruggedrongen. Het kabinet weegt deze argumenten zwaarder dan het behoud van de regeling, ondanks mogelijke financiële nadelen voor specifieke sectoren (zoals de detailhandel).

De leden van de fractie van de VVD vragen of het onderbrengen van personeelskorting in de vrije ruimte leidt tot nieuwe waarderings- of afbakeningsvraagstukken voor werkgevers en de Belastingdienst. De NOB stelt dat hiervan sprake is bij werkgevers. Indien nieuwe vraagstukken ontstaan, vragen de leden van de fractie van VVD hoe dit zich verhoudt tot het argument dat het afschaffen van de gerichte vrijstelling de werkkostenregeling eenvoudiger en rechtszekerder maakt. De huidige gerichte vrijstelling kent een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld dat de korting niet meer mag bedragen dan 20% van de waarde in het economisch verkeer waarbij per werknemer een maximum geldt van € 500 per kalenderjaar. Deze voorwaarden leiden nu ook al tot waarderings- en afbakeningsvraagstukken. Immers, om te bepalen of de daadwerkelijk verleende personeelskorting de voorwaarden van de gerichte vrijstelling niet overschrijdt, moeten werkgevers zicht hebben op de waarde in het economische verkeer van hun branche-eigen product en moeten ze bijhouden hoeveel korting per werknemer wordt verleend. Als werkgevers ervoor kiezen om de korting te gaan verlonen als loon in natura, dan leidt dat tot een aanvullende administratieve last vergelijkbaar met de administratieve last die bijvoorbeeld werkgevers die geen branche-eigen producten hebben, hebben voor loon in natura dat zij aan hun werknemers verstrekken. De Belastingdienst verwacht een kleine toename van vooroverleggen, maar verwacht dit binnen de bestaande capaciteit op te kunnen vangen. De afschaffing leidt niet tot aanvullende uitvoeringskosten. Werkgevers moeten nu al en ook vanaf 2027 het loonvoordeel van de personeelskorting waarderen. Daarnaast kunnen afbakeningsvraagstukken ook eenvoudiger worden, omdat het gebruik van de vrije ruimte niet is beperkt met de voorwaarden die nu gelden voor de gerichte vrijstelling. Werkgevers hebben de ruimte om een hogere korting te geven of meer korting te verlenen dan € 500 per jaar. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever een eindheffing verschuldigd van 80% over die overschrijding. Dit komt overeen met een regulier inkomstenbelastingtarief van ca. 44%.

De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er geen overgangsrecht wordt voorgesteld. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen dit, omdat zij begrijpen dat sommige werkgevers arbeidsrechtelijk niet zonder meer in staat zijn bestaande kortingsregelingen aan te passen per 1 januari 2027. Er is geen overgangsrecht voorgesteld, omdat werkgevers personeelskorting kunnen blijven verlenen aan hun werknemers. Door gebruik te maken van de vrije ruimte, is het mogelijk om deze korting ook (deels) onbelast te blijven geven aan werknemers.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de maatregel later inwerking wil laten treden of een overgangsregeling wil introduceren om werkgevers tijd te geven om hun arbeidsvoorwaarden en administratieve processen hierop aan te passen. Het uitstellen van de inwerkingtreding brengt een budgettaire derving met zich mee. Het kabinet kiest er daarom voor de maatregel niet later in werking te laten treden. Temeer doordat de vrije ruimte gelegenheid geeft aan werkgevers om alsnog (deels) onbelast personeelskorting te blijven geven.

De leden van de fractie van de VVD lezen dat SEO concludeert dat verwerking via de vrije ruimte in de werkkostenregeling doelmatiger is dan via een afzonderlijke gerichte vrijstelling in de werkkostenregeling. Zij vragen zich daarbij af of de administratieve lasten en uitvoeringskosten van beide varianten afzonderlijk zijn gemeten.

De administratieve lasten zijn ingeschat bij een wijziging in wet- en regelgeving. Eventuele regeldrukkosten gaan daarbij over de wijziging zelf en niet over verschillende scenario’s. Voor de Belastingdienst leidt de afschaffing niet tot uitvoeringskosten. De Belastingdienst verwacht dat als gevolg van de afschaffing vaker afstemming zal plaatsvinden over de waardering van werknemersvoordelen. Deze werkzaamheden kunnen binnen de bestaande capaciteit worden opgevangen. De afschaffing levert evenmin een besparing op.

De leden van de fractie van PRO vragen om toe te lichten wat de verhouding in omvang is tussen de gerichte vrijstelling en de vrije ruimte in de werkkostenregeling. De gerichte vrijstelling is per werknemer per jaar gemaximeerd op een bedrag van € 500. Daarnaast mag de korting niet meer bedragen dan 20% van de waarde in het economische verkeer. Volgens onderzoek is de grondslag van de gerichte vrijstelling € 316 miljoen.49 Met het afschaffen van de gerichte vrijstelling, kunnen werkgevers personeelskorting (deels) onbelast verstrekken via de vrije ruimte. De werkgever heeft, mits gebruikelijk, ruimte om zelf de hoogte van de korting te bepalen. De inschatting is dat circa 60% van de werkgevers de korting kan verstrekken via de vrije ruimte. Daarnaast kunnen werkgevers ook bij overschrijding van de vrije ruimte een voor werknemers onbelaste personeelskorting verstrekken. Over de overschrijding is dan een eindheffing verschuldigd van 80%, hetgeen vergelijkbaar is met een regulier inkomstenbelastingtarief van ca. 44%.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet verwacht dat bedrijven die gebruikmaken van de vrijstelling hun huidige personeelskorting kunnen handhaven door van de vrije ruimte gebruik te maken. Het kabinet verwacht dat werkgevers een vorm van een personeelskorting kunnen blijven behouden met gebruik van de vrije ruimte. Werkgevers kunnen wel de voorwaarden aanpassen, omdat ze niet langer gebonden zijn aan de voorwaarden die nu gelden om de gerichte vrijstelling te mogen toepassen. Wel heeft het kabinet inmiddels signalen ontvangen dat de personeelskorting voor veel werkgevers een belangrijke arbeidsvoorwaarde is waar ook veel gebruik van wordt gemaakt in de sectoren waar sprake is van branche-eigen producten. In deze branches werken over het algemeen veel parttimers en zijn de lonen relatief laag, waardoor ook de omvang van de vrije ruimte relatief laag is. Als voor een groot bedrag op jaarbasis korting wordt verstrekt, dan kan het zijn dat de vrije ruimte ontoereikend is. Uit eerdergenoemde signalen blijkt dat dit voor een aantal werkgevers het geval te zijn. De inschatting is dat circa 60% van de werkgevers dat kan verstrekken via de vrije ruimte. De werkgever kan de vrije ruimte dan nog steeds gebruiken, alleen zal deze werkgever over de overschrijding een eindheffing verschuldigd zijn van 80%, hetgeen vergelijkbaar is met een regulier inkomstenbelastingtarief van ca. 44%.

De leden van de fractie van het CDA vraagt zich af of de gevolgen van het afschaffen van de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten voldoende in kaart heeft gebracht. Opvolgend vragen deze leden of inzichtelijk kan worden gemaakt hoeveel werknemers, uitgesplitst naar bijvoorbeeld inkomensniveau en arbeidsduur, gebruikmaken van de gerichte vrijstelling en welke gevolgen de afschaffing voor hen en voor werkgevers heeft. Het voordeel van een personeelskorting is niet zichtbaar in de loonaangifte. Het was bij de invoering van de werkkostenregeling een bewuste keuze om geen aanvullende administratieve lasten op te leggen aan werkgevers. Deze wens om de administratieve lasten te beperken heeft als nadeel dat dergelijke data niet via de loonaangiftedata achterhaald kan worden. Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel werknemers, uitgesplitst naar inkomensniveau en arbeidsduur gebruikmaken van de regeling. De totale budgettaire gevolgen zijn € 123 miljoen in 2027. Over het algemeen zal de gerichte vrijstelling voor korting op branche-eigenproducten meer worden toegepast voor werknemers in de detailhandel en industriële/productiegerichte sectoren. De gevolgen voor werknemers en werkgevers van het afschaffen van de gerichte vrijstelling hangt af van in hoeverre werkgevers deze onder brengen in de vrije ruimte of bereid zijn hier eindheffing over te betalen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of rekening is gehouden met het feit dat de vrije ruimte voor werkgevers met veel parttimers en werknemers met lagere lonen geen volwaardig alternatief is. Het kabinet is zich bewust dat werkgevers met veel parttimers en lage lonen vaak een beperkte vrije ruimte hebben en dat de afschaffing voor hen nadelig kan zijn. Het kabinet heeft er echter voor gekozen de door uw Kamer aangenomen motie toch op te volgen, ook omdat het kabinet het streven naar vereenvoudiging en de doelmatigheid (zoals geconcludeerd door Onderzoeksbureau SEO) zwaarder weegt. Het kabinet verwacht dat werkgevers de kortingen ten laste van de vrije ruimte kunnen brengen, maar erkent dat dit voor sommige werkgevers moeilijker is.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet bereid is om te onderzoeken of in plaats van volledige afschaffing van de gerichte vrijstelling een eenvoudigere vormgeving mogelijk is, waarbij het budgettaire beslag wordt beperkt. Het kabinet baseert het afschaffen van de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten op de aanbeveling die volgde uit de evaluatie van de werkkostenregeling. Een logisch alternatief zou zijn om de vrije ruimte te verhogen, juist omdat de vrije ruimte bedoeld is om gemengde kosten, zoals personeelskorting, onbelast te kunnen vergoeden. Het kabinet zal het gebruik van de vrije ruimte ook vereenvoudigen door een doelmatigheidsgrens in de wet op te nemen. Als een werkgever deze doelmatigheidsgrens niet overschrijdt, is in ieder geval voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium. Het kabinet laat deze vereenvoudiging dit komende jaar verder uitwerken.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet het ATR-advies wil opvolgen en de structurele regeldrukkosten van de verwachte extra afstemming tussen werkgevers en de Belastingdienst in kaart wil brengen en in de toelichting afzonderlijk inzichtelijk te maken. Naar aanleiding van dit advies is de raming van de regeldrukkosten aangepast en de memorie van toelichting hiermee aangevuld.50

Verruimen forfaitaire regeling in de innovatiebox

De leden van de fracties van D66 en PRO constateren dat de verruiming van de forfaitaire regeling in de innovatiebox voor een deel neerslaat buiten het mkb en vragen hoe dit effect zich verhoudt tot de doelstelling van de maatregel om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb. Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO hoe het kabinet de maatregel beoordeelt in het licht van de doelstelling om ondoelmatige fiscale regelingen in te perken of af te schaffen. Uit de evaluatie van de innovatiebox blijkt dat een groep mkb’ers gebruik zou kunnen maken van de innovatiebox, maar dat op dit moment niet doet.51 Daarbij wordt ook geconstateerd dat geen gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire regeling, omdat de baten niet opwegen tegen de kosten. Hierbij speelt mogelijk een rol dat het maximale forfaitaire bedrag dat kan worden toegerekend aan de innovatiebox sinds de introductie van de forfaitaire regeling in 2013 niet meer is geïndexeerd. Het gebruik van de forfaitaire regeling is de afgelopen jaren dan ook geleidelijk afgenomen. Het doel van de forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb wordt derhalve in mindere mate gerealiseerd. In lijn met de aanbeveling uit de evaluatie wordt daarom voorgesteld om het maximale forfaitaire bedrag te verhogen. Dit leidt in absolute zin tot een toename van het aantal mkb’ers dat gebruik maakt van de forfaitaire regeling in de innovatiebox. Hierbij is in beperkte mate sprake van zogenaamd doelmatigheidsverlies doordat een deel van het voordeel niet terechtkomt bij het mkb of terechtkomt bij belastingplichtigen die reeds gebruikmaken van de forfaitaire regeling. Als het plafond wordt verruimd tot € 100.000 is 78% van de gebruikers van de regeling naar verwachting mkb en slaat ongeveer 60% van het verstrekte voordeel neer bij het mkb. Desondanks acht het kabinet de verruiming van de forfaitaire regeling doelmatig, omdat er binnen de innovatiebox geen efficiëntere manier is om de toegankelijkheid voor het mkb in dezelfde mate te verbeteren. Daarnaast leidt de voorgestelde maatregel tot een verlaging van de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst. Hierdoor verbetert de verruiming van de forfaitaire regeling dus ook de doelmatigheid van de innovatiebox als geheel.

De leden van de fractie van D66 vragen waarom het kabinet ervoor kiest het plafond te verhogen naar € 100.000 en wat de impact zou zijn van indexatie van het plafond vanaf 2013, in plaats van de voorgestelde verhoging, voor het bereik onder het mkb en de Rijksbegroting. Het bedrag van € 100.000 is zodanig gekozen dat het aannemelijk is dat nieuwe mkb-ondernemingen die nu nog niet gebruikmaken van de innovatiebox met een dergelijke verruiming dit nu wel (weer) zouden gaan overwegen. De voorgestelde verruiming wordt geacht substantieel genoeg te zijn om dit gewenste effect te sorteren. Een indexatie van het plafond vanaf 2013 zou resulteren in een verhoging van het plafond naar circa € 32.500. Dit leidt tot een budgettaire derving van ongeveer € 6 miljoen. Een dergelijke verruiming leidt tot een beperktere toename van het aantal mkb-ondernemingen dat gebruik gaat maken van de forfaitaire regeling en sorteert derhalve minder effect dan de voorgestelde verhoging.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel mkb’ers momenteel gebruikmaken van de forfaitaire regeling, wat het gemiddelde voordeel bedraagt en hoeveel extra mkb-gebruikers het kabinet verwacht met de verruiming van de forfaitaire regeling. 2023 is het meest recente jaar waarvoor deze gegevens bekend zijn. In dat jaar maakten 752 mkb-ondernemingen en 136 grote ondernemingen gebruik van de forfaitaire regeling. Het gemiddelde voordeel in het forfaitaire regime bedroeg € 3.548 voor mkb-ondernemingen en € 3.689 voor grote ondernemingen. Als gevolg van de maatregel zullen naar verwachting ruim 350 belastingplichtigen die thans het reguliere regime van de innovatiebox toepassen gebruik gaan maken van de forfaitaire regeling. Bovendien wordt verwacht dat de geleidelijke afname van het gebruik van de forfaitaire regeling in de afgelopen jaren wordt tegengegaan, want in aanvulling op de 350 belastingplichtigen die overstappen zullen naar verwachting nog circa 400 extra belastingplichtigen gebruik gaan maken van de innovatiebox door middel van de forfaitaire regeling. Van deze 750 verwachte nieuwe gebruikers behoren naar verwachting 420 tot het mkb.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de hoogte van het doelmatigheidsverlies is bij een verlenging van de toepassingsduur van drie naar vijf jaar en hoe het kabinet daarbij weegt dat innovatieve starters in de eerste jaren vaak nog weinig winst maken. Verlenging van de periode naar 5 jaar leidt tot een groter doelmatigheidsverlies dan de voorgestelde verhoging van het plafond. Ongeveer 65% van de totale kosten van de voorgestelde maatregel slaan neer bij bestaande gebruikers of het grootbedrijf. Bij verlenging van de toepassingsduur naar 5 jaar loopt dit op naar bijna 80%. In de innovatiebox worden voordelen uit kwalificerende zelfontwikkelde immateriële activa effectief tegen een verlaagd tarief belast. Voor ondernemingen die nog weinig winst maken, bijvoorbeeld omdat zij zich nog in de ontwikkelingsfase bevinden, levert de innovatiebox weinig belastingvoordeel op. Voor deze ondernemingen zijn evenwel andere instrumenten beschikbaar die innovatie stimuleren, zoals bijvoorbeeld de WBSO.

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre mkb-ondernemingen op dit moment afzien van de toepassing van de forfaitaire regeling vanwege de complexiteit. Uit de evaluatie van de innovatiebox blijkt dat een groep mkb-ondernemingen gebruik zou kunnen maken van de innovatiebox, maar dat op dit moment niet doet. Daarbij wordt ook geconstateerd dat geen gebruik wordt gemaakt van de forfaitaire regeling, omdat de baten niet opwegen tegen de kosten. Daarnaast is een deel van de potentiële gebruikers onbekend met de regeling. Het kabinet heeft geen inzicht in hoeverre mkb-ondernemingen afzien van het gebruik van de forfaitaire regeling vanwege de complexiteit.

De leden van de fractie van de VVD vragen welke informatie mkb-ondernemingen op dit moment moeten aanleveren om gebruik te kunnen maken van de forfaitaire regeling. Mkb-ondernemingen zijn op dit moment niet gehouden om voorafgaand aan het gebruik van de forfaitaire regeling informatie aan te leveren. Mkb-ondernemingen beoordelen bij het opstellen van de aangifte of zij in aanmerking komen voor toepassing van de forfaitaire regeling. Wel dient de belastingplichtige in bezit te zijn van een S&O verklaring, deze wordt door RVO verstrekt.

De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre het mogelijk is om het uitvoeringsproces rondom de forfaitaire regeling te vereenvoudigen. Het uitvoeringsproces van de innovatiebox door de Belastingdienst is reeds relatief eenvoudig, zo hoeft een belastingplichtige geen informatie aan te leveren aan de Belastingdienst voorafgaand aan het gebruiken van de forfaitaire regeling.

De leden van de fractie van PRO vragen waarom de forfaitaire regeling in de innovatiebox wordt verruimd, gelet op de kritiek dat deze regeling winst beloont in plaats van innovatie. Daarnaast vragen deze leden welk doel het kabinet beoogt met de innovatiebox. Het hoofddoel van de innovatiebox is het bevorderen van het fiscale vestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven, zowel om bedrijvigheid uit het buitenland aan te trekken als om te voorkomen dat bestaande activiteiten vertrekken. Zonder een dergelijke regeling zou Nederland minder aantrekkelijk zijn als vestigingsland voor innovatieve bedrijven, omdat veel andere landen inmiddels vergelijkbare of gunstigere fiscale regimes hebben. Het gaat hierbij niet alleen om nieuwe innovatie, maar ook om het behouden van bestaande economische waarde (zoals octrooien en kennisintensieve arbeidsplaatsen). Uit de evaluatie blijkt dat de regeling hieraan bijdraagt door Nederland aantrekkelijk te houden voor R&D-investeringen en hoogwaardige werkgelegenheid. Daarnaast blijkt uit de evaluatie dat de innovatiebox bijdraagt aan R&D-investeringen, hoewel het effect minder sterk is dan bij de WBSO.

De forfaitaire regeling is bedoeld om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb. De regeling verlaagt de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst. Hierdoor verbetert de forfaitaire regeling dus ook de doelmatigheid van de innovatiebox als geheel. Het gebruik van de forfaitaire regeling is de afgelopen jaren echter geleidelijk afgenomen, waardoor het doel in mindere mate wordt gerealiseerd. Met de voorgestelde maatregel wordt beoogd om de doeltreffendheid van de forfaitaire regeling te verbeteren door deze te verruimen.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarop het kabinet baseert dat het gebruik onder het mkb zal toenemen als het mkb in het verleden beperkt van de regeling gebruik heeft gemaakt. Bij aanvang van de forfaitaire regeling bleek dat de toegankelijkheid tot de innovatiebox voor het mkb sterk verbeterde. Echter, na verloop van tijd is de regeling minder aantrekkelijk geworden. Daarbij speelt mogelijk een rol dat het maximale forfaitaire bedrag dat kan worden toegerekend aan de innovatiebox sinds de introductie van de forfaitaire regeling in 2013 niet meer is geïndexeerd. Hierdoor is het gebruik onder het mkb waarschijnlijk teruggelopen, omdat de kosten-baten verhouding mogelijk is verslechterd voor belastingplichtigen. Het doel van de forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb wordt derhalve in mindere mate gerealiseerd. Om die reden wordt met deze maatregel voorgesteld om het maximale forfaitaire bedrag te verhogen tot € 100.000. Hierdoor wordt de regeling aantrekkelijker voor mkb-ondernemingen, wat zal leiden tot een toename van het aantal mkb’ers dat gebruik maakt van de regeling.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de evaluatie zo goed mogelijk ingericht kan worden om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de verruiming van de forfaitaire regeling in de innovatiebox. Vooropgesteld dat één jaar aangiftedata inderdaad beperkt is, is de verwachting dat dit desondanks een goed beeld geeft van de effectiviteit van de verruiming. Allereerst geeft het te kennen in welke mate ondernemingen additioneel gebruik zijn gaan maken van het forfait. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat zij niet langer de reguliere systematiek toepassen of omdat zij nieuwe gebruikers van de regeling zijn. Deze groepen zijn direct te identificeren vanuit de aangiftegegevens. Net als bij de vorige evaluatie van de innovatiebox kan vervolgens door middel van een enquête of een interview aan deze groep ondernemingen worden gevraagd waarom zij overgestapt zijn of nieuw gebruik zijn gaan maken van de regeling. Welke methodiek hiervoor uiteindelijk het beste beeld geeft, is een afweging die ten tijde van de evaluatie gemaakt zal moeten worden.

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet heeft gekozen voor het verhogen van het plafond in plaats van het aanpassen van het percentage van de winst dat in aanmerking genomen kan worden in de innovatiebox op grond van het forfait. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet de ambitie deelt om de verruiming zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan het mkb. Het kabinet heeft gekozen voor een verhoging van het plafond in plaats van het winstpercentage, omdat deze naar verwachting meer neerslaat bij het mkb. Het verschil tussen de twee opties is dat met het verhogen van het plafond meer ondernemingen toegang kunnen krijgen tot (de forfaitaire regeling van) de innovatiebox, omdat de kosten-batenanalyse van de regeling verbetert. De forfaitaire regeling is meer gericht op het mkb. Een aanpassing van het winstpercentage verhoogt het belastingvoordeel voor alle innovatiebox gebruikers (zowel in de forfaitaire regeling als het reguliere regime), ongeacht het winstniveau van de belastingplichtige. In de groep forfait gebruikers is het verder zo dat naar verhouding het percentage vaker de beperkende factor is bij grote ondernemingen dan bij mkb-ondernemingen. Ook geldt dat mkb-ondernemingen die gebruik willen maken vrijwel altijd afdoende winst hebben voor toepassing van deze regeling waardoor het plafond de primaire beperkende factor is. Hierdoor zou naar verwachting ook een groter bedrag terechtkomen bij grote ondernemingen. Het kabinet deelt de ambitie om de verruiming zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan het mkb en kiest daarom voor een verhoging van het plafond in plaats van een verhoging van het winstpercentage of een combinatie van beiden.

Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat

De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet naast de alternatieven die zijn opgenomen in de brief van 12 januari 202652 nog andere alternatieven heeft overwogen en zo ja, waarom niet voor die alternatieven is gekozen. De leden van de fractie van het CDA vragen welke alternatieven zijn onderzocht om de budgettaire gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 202553 binnen de liquidatieverliesregeling op te vangen. Zij vragen of daarbij ook is gekeken naar een meer gerichte oplossing binnen de liquidatieverliesregeling. Deze leden vragen daarbij welke maatregelen nog meer binnen het domein kunnen worden overwogen. Zij vragen ook of het probleem richting de toekomst is opgelost. De leden van de fractie van JA21 vragen in dat kader om de opbrengst weer te geven van een aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling zelf, waarbij een liquidatieverlies alleen wordt beperkt voor zover de onderliggende verliezen elders daadwerkelijk tot een fiscale tegemoetkoming hebben geleid. Het kabinet heeft uw Kamer in de brief van 12 januari 202654 geïnformeerd over de verschillende dekkingsopties die het kabinet binnen de liquidatieverliesregeling heeft onderzocht. Het kabinet heeft uw Kamer hier ook over geïnformeerd in het verslag van een schriftelijk overleg over verschillende brieven, waaronder de brief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking.55 Opties die zijn onderzocht zijn bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het beperken van de liquidatieverliesregeling tot deelnemingen waarin een belastingplichtige een belang van ten minste 95% heeft, een voor-zover-benadering, en het verlagen van de drempel van € 5 miljoen. De onderzochte opties zijn beoordeeld op wetstechnische aspecten, EU-rechtelijke aspecten, budgettaire impact, uitvoeringsgevolgen en vestigingsklimaat. Hoewel het belangrijk is dat de dekkingsmaatregel budgettair dekkend is, zijn alle aspecten belangrijk, waaronder de effecten op het vestigingsklimaat. Op basis van een analyse, waarin alle aspecten in zijn totaliteit en in samenhang zijn beoordeeld, bleek dekking binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudig mogelijk. Om die reden heeft het vorige kabinet voorgesteld om met ingang van 1 januari 2027 de budgettaire derving van het arrest te dekken door middel van een technische aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht. Het kabinet heeft een concept wettekst en toelichting ter internetconsultatie aangeboden.56 Op deze internetconsultatie zijn vijf reacties binnengekomen. Als alternatieve dekkingsoptie wordt een voor-zover-benadering aangedragen, omdat daarmee de dubbele verliesneming zoals aan de orde in voornoemd arrest kan worden beperkt. Zoals eerder opgemerkt, heeft het kabinet onder meer deze alternatieve dekkingsoptie op verschillende aspecten onderzocht en ontoereikend bevonden. Bij de vormgeving van de liquidatieverliesregeling is er omwille van de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst bewust voor gekozen om het liquidatieverlies forfaitair vast te stellen. Door aan te sluiten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming zal de complexiteit van de al zeer complexe liquidatieverliesregeling verder toenemen. Die bezwaren zijn sterker als de verliezen naar Nederlandse maatstaven moeten worden omgerekend.57 Daarnaast leidt een voor-zover-benadering naar schatting tot een opbrengst van € 20 tot € 30 miljoen, terwijl de budgettaire derving van het arrest een stuk hoger ligt.58 Dan zouden nog aanvullende maatregelen nodig zijn om de budgettaire gevolgen van het arrest voldoende te dekken. Het kabinet heeft alles overwegende vastgehouden aan de eerder aangekondigde aanpassing van de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gebracht. Het kabinet houdt aan de voorgestelde maatregel vast omdat daarmee een onevenwichtigheid in de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten wordt weggenomen. Deze onevenwichtigheid schuilt er kort gezegd in dat een (hogere) rentelast op een afdekkingsinstrument in aftrek wordt genomen, terwijl het daar tegenoverstaande zogenoemde ingeprijsde valutaresultaat door toepassing van de deelnemingsvrijstelling is vrijgesteld.

De leden van de fractie van het CDA vragen of bij de voorgestelde oplossing voldoende oog is voor de mogelijke gevolgen van deze maatregel voor het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat voor internationaal opererende bedrijven met een hoofdkantoor in Nederland. Zij vragen daarbij of de gevolgen van de voorgestelde maatregel voldoende in kaart zijn gebracht. Het kabinet merkt op dat voor de keuze van de vestigingslocatie van een hoofdkantoor meerdere aspecten dan slechts fiscale aspecten van belang zijn. De positie van Nederland wordt bepaald door een breed palet aan voorwaarden, waaronder bereikbaarheid, opleidingsniveau, leefklimaat en betrouwbaarheid van de overheid. Op veel van deze factoren scoort Nederland goed. Zo is de ligging van Nederland gunstig, is onze infrastructuur goed en is onze beroepsbevolking goed opgeleid. Ook het leefklimaat in Nederland is gunstig en ons hoge voorzieningenniveau en de betrouwbaarheid van de overheid dragen daar aan bij. Voor wat betreft de fiscale aspecten geldt dat de deelnemingsvrijstelling daarvan een belangrijk onderdeel uitmaakt. In vergelijking met ons omringende landen heeft Nederland een ruime deelnemingsvrijstelling. Het kabinet onderschrijft daarvan het belang. Tegelijkertijd hecht het kabinet aan het doel van de voorgestelde maatregel om de onevenwichtigheid in de huidige vormgeving van de deelnemingsvrijstelling aan te pakken. Meer specifiek ontstaat deze onevenwichtigheid bij de toepassing van de deelnemingsvrijstelling ingeval het valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen, wordt afgedekt. Deze onevenwichtigheid schuilt er kort gezegd in dat een (hogere) rentelast op een afdekkingsinstrument in aftrek wordt genomen, terwijl het daar tegenoverstaande zogenoemde ingeprijsde valutaresultaat is vrijgesteld. De voorgestelde maatregel voorkomt deze onevenwichtigheid met ingang van 1 januari 2027. Het kabinet heeft bij de uitwerking van de maatregel oog gehad voor de gevolgen van de voorgestelde maatregel, waaronder de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Zoals eerder aangegeven is de voorgestelde maatregel ter internetconsultatie aangeboden. In de reacties op de internetconsultatie is breed aandacht gevraagd voor de berekening en de afbakening van het ingeprijsde valutaresultaat en het niet-ingeprijsde valutaresultaat. Het kabinet heeft in reactie daarop de toelichting op het voorstel uitgebreid, en de toepassing van de voorgestelde maatregel geïllustreerd met voorbeelden.

De leden van de fractie van het CDA vragen of ten aanzien van de vormgeving van de voorgestelde maatregel is onderzocht of voor reguliere bedrijfseconomische valuta-afdekkingen een eenvoudige ondergrens kan worden geïntroduceerd. De leden van de fractie van JA21 vragen in dat kader of het kabinet alternatieve vormgeving heeft doorgerekend, die de complexiteit beperken, bijvoorbeeld aan de hand van een drempel op basis van het renteverschil tussen de betrokken valuta of een vereenvoudigde regeling voor reguliere afdekkingen in liquide valuta. Omdat de voorgestelde maatregel tot doel heeft een onevenwichtigheid te voorkomen, acht het kabinet een ondergrens beleidsmatig niet passend. Een ondergrens zou er bovendien in kunnen resulteren dat afdekkingsinstrumenten worden ‘opgeknipt’, om zodoende oneigenlijk gebruik te kunnen maken van de ondergrens. Ook dat acht het kabinet onwenselijk. Om dezelfde reden heeft het kabinet niet gekozen voor een drempel op basis van het renteverschil tussen de betrokken valuta noch voor een vereenvoudigde regeling voor reguliere afdekkingen in liquide valuta. Het kabinet merkt daarbij volledigheidshalve op dat een vereenvoudigde regeling voor reguliere afdekkingen in liquide valuta vervolgvragen en subjectieve begrippen en afbakeningsproblemen met zich brengt. In dat geval ontstaan er immers vragen als welke afdekkingsinstrumenten als regulier moeten worden beschouwd en welke niet, en welke vreemde valuta wel als liquide moeten worden beschouwd en welke niet. Het kabinet acht dit gezien het doel van de maatregel onwenselijk en merkt op dat een en ander zou leiden tot afbakeningsproblematiek en daarmee een negatieve impact zou hebben op de administratieve lasten voor bedrijven en de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst.

De leden van de fractie van de VVD vragen hoe groot de overlap is tussen de groep die voordeel heeft van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 202559 en de groep die door deze maatregel wordt geraakt. De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet kan bevestigen dat de maatregel naar verwachting bij benadering dezelfde groep raakt als de groep die voordeel heeft bij voornoemd arrest. Zij vragen daarbij hoeveel belastingplichtigen het betreft.

De toepassing van de liquidatieverliesregeling in de situatie waarop het arrest betrekking heeft en de voorgestelde wijziging van artikel 13, zevende lid, Wet Vpb 1969 zien allebei op grote, internationaal opererende ondernemingen. Het aantal belastingplichtigen dat jaarlijks met deze aanpassing te maken krijgt ligt, op basis van het aantal afgegeven beschikkingen, in de orde van enkele tientallen. In de regeldrukberekening is aangenomen dat 25 belastingplichtigen door de maatregel geraakt worden.60

De leden van de fractie van JA21 vragen ten aanzien van de raming van de opbrengst van € 120 miljoen structureel welke bandbreedte het kabinet aannemelijk acht en welk deel van de opbrengst neerslaat bij de vijf en de tien grootste belastingplichtigen, hoe de structurele opbrengst zich tot de structurele derving als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 202561 verhoudt en of de maatregel meer oplevert dan voor de dekking van dat arrest nodig is. Het kabinet heeft met de voorgestelde wijziging tot doel om een onevenwichtigheid weg te nemen. De budgettaire opbrengst van deze aanpassing dient ter dekking van de derving als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 over de toepassing van de liquidatieverliesregeling.62 De incidentele derving van het Arrest wordt ingeschat op € 840 miljoen. De structurele derving wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar.63 De structurele opbrengst van de door het kabinet voorgestelde maatregel bedraagt € 120 miljoen per jaar. Vanwege het kleine aantal belastingplichtigen dat door deze maatregel wordt geraakt is het niet mogelijk om een bandbreedte te geven met betrekking tot de raming of een nadere uitsplitsing naar belastingplichtigen. Voor een nadere onderbouwing van deze raming verwijst het kabinet naar de ramingstoelichting.64 Gelet op het belang van de fiscale geheimhouding kan niet worden ingaan op de fiscale positie van een individuele belastingplichtige. Wel kan uit deze algemene cijfers worden afgeleid dat de structurele opbrengst van de voorgestelde maatregel de structurele derving als gevolg van het arrest overstijgt. Het kabinet heeft deze overdekking onder meer ingezet om de incidentele derving die uitgaat van het arrest te dekken.

De leden van de fractie van JA21 vragen waarom de berekeningsmethode niet in de wet of in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) wordt vastgelegd en waarom de – eerder in het consultatievoorstel opgenomen – delegatiegrondslag is komen te vervallen. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bereid is om bij beleidsbesluit ten minste een aantal goedgekeurde berekeningsmethoden te publiceren. Om het ingeprijsde valutaresultaat vast te stellen, moet het verschil tussen de actuele koers (spotkoers) en termijnkoers (forwardkoers) worden bepaald. Het niet-ingeprijsde valutaresultaat betreft het verschil tussen de termijnkoers en de werkelijke koers bij afwikkeling van het afdekkingsinstrument. Het kabinet heeft er voor gekozen om voornoemde berekeningsmethode voor het ingeprijsde en niet-ingeprijsde valutaresultaat niet in de wet of een AMvB vast te leggen. In de reacties op de internetconsultatie is eveneens aandacht gevraagd voor de berekening en de afbakening van het ingeprijsde valutaresultaat en het niet-ingeprijsde valutaresultaat. Om discussies in de uitvoering zoveel mogelijk te voorkomen en de administratieve lasten te beperken, is de toelichting op de maatregel op tal van punten aangevuld en verduidelijkt en waar mogelijk ter illustratie voorzien van voorbeelden. Hiermee worden belastingplichtigen de nodige handvatten geboden ten aanzien van de berekening van het ingeprijsde valutaresultaat en het niet-ingeprijsde valutaresultaat. Daarbij is in de memorie van toelichting opgemerkt dat belastingplichtigen in beginsel vrijheid toekomt in het bepalen van de bronnen waarop de berekening van de termijnkoers wordt gebaseerd.65 Het belang van zowel een delegatiegrondslag als publicatie van een beleidsbesluit is om voornoemde redenen komen te vervallen.

De leden van de fractie van JA21 vragen of de voorgestelde maatregel in combinatie met de toepassing van een renteaftrekbeperking kan leiden tot dubbele belastingheffing. De door het kabinet voorgestelde maatregel neemt de bestaande onevenwichtige behandeling tussen in beginsel aftrekbare rentelasten en het daar tegenoverstaande ingeprijsde valutaresultaat ter zake van afdekkingsinstrumenten dat onder de toepassing van de deelnemingsvrijstelling is vrijgesteld structureel weg. In het geval dat rentelasten niet aftrekbaar zijn als gevolg van de toepassing van een renteaftrekbeperking kan onder omstandigheden mogelijk dubbele belastingheffing ontstaan. Dit is echter primair het gevolg van de toepassing van de renteaftrekbeperking en niet het gevolg van de voorgestelde aanpassing. Het kabinet vindt het beleidsmatig onwenselijk om te voorzien in een samenloopbepaling. Daarbij is onder meer van belang dat dat de verschillende renteaftrekbeperkingen een zelfstandig beleidsdoel dienen.

De leden van de fractie van JA21 vragen verder hoe – in het kader van een verzoek om de deelnemingsvrijstelling niet langer toe te passen - een belastingplichtige rechtsbescherming krijgt als de inspecteur een verzoek als onvolledig aanmerkt. Onder de huidige wettelijke regeling ontbreekt voor belastingplichtigen de mogelijkheid om de deelnemingsvrijstelling vanaf enig moment niet langer toe te passen op het afdekkingsinstrument. In de praktijk bestaat soms behoefte de resultaten voor de toekomst niet langer onder de deelnemingsvrijstelling te brengen. Om aan die behoeft tegemoet te komen, stelt het kabinet voor dat belastingplichtigen kunnen verzoeken om de deelnemingsvrijstelling niet langer toe te passen op een afdekkingsinstrument dat strekt tot het afdekken van een valutarisico dat met een deelneming wordt gelopen. Het kabinet heeft er voor gekozen dat de inspecteur niet bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist op een dergelijk verzoek van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige daarom verzoekt, is de deelnemingsvrijstelling niet langer van toepassing op de resultaten die worden behaald met het afdekkingsinstrument voor zover die opkomen nadat het volledige verzoek door de inspecteur is ontvangen of, indien dat later is, de datum die in het verzoek is opgenomen. Welke informatie de inspecteur precies nodig heeft, is zoals in het artikelsgewijs deel van de toelichting is opgenomen, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Indien het verzoek onvolledig is, dan wordt de belastingplichtige de gelegenheid geboden om het verzoek binnen een door de inspecteur gestelde termijn aan te vullen. Deze tegemoetkoming is bedoeld voor de verzoeken die de informatie bevatten die de inspecteur in ieder geval nodig heeft, zoals toegelicht in het artikelsgewijze deel van de toelichting. Heeft de inspecteur in aanvulling daarop aanvullende informatie nodig, dan geldt als datum waarop de toepassing van de deelnemingsvrijstelling eindigt de datum waarop het oorspronkelijke verzoek is ingediend. Deze tegemoetkoming geldt derhalve niet voor verzoeken die evident onvolledig zijn, zoals een pro forma verzoek. In dat geval geldt is ingevolge de voorgestelde wettelijke bepaling het moment waarop de toepassing van de deelnemingsvrijstelling eindigt het moment dat het volledige verzoek is ontvangen of, indien dat later is, de datum die in het verzoek is opgenomen.

De leden van de fractie van JA21 vragen om nader te onderbouwen waarom de maatregel geen belemmering vormt, nu een valutarisico bij een deelneming in een andere valuta dan de euro in de praktijk vrijwel uitsluitend bij buitenlandse deelnemingen voorkomt en hoe groot schat het kabinet het budgettaire risico als de maatregel in rechte geen standhoudt. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder erkend dat valutarisico’s op deelnemingen zich niet alleen voordoen bij buitenlandse deelnemingen, maar ook bij binnenlandse deelnemingen.66 Naar de mening van het kabinet is van een belemmering dan ook geen sprake en is de kans dat de maatregel geen stand houdt verwaarloosbaar. Daarmee is het risico dat de voorgestelde maatregel geen budgettaire opbrengst heeft zeer beperkt.

De leden van de fractie van JA21 vragen ten aanzien van het overgangsrecht hoe het hanteren van de datum van indiening als peildatum zich verhoudt tot het uitgangspunt van terughoudendheid met terugwerkende kracht en hoeveel afdekkingsinstrumenten voor de peildatum 15 september 2026 zijn aangegaan zonder dat voor die datum een volledig verzoek is ontvangen. In de internetconsultatie werd voorgesteld om de maatregel voor het eerst toepassing te laten vinden met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027. In verschillende reacties hierop werd gevraagd om overgangsrecht of eerbiedigende werking voor bestaande afdekkingsinstrumenten. Het kabinet heeft naar aanleiding van deze reacties overgangsrecht voorgesteld en daarbij gekozen om gebruik te maken van de peildatum van 15 september 2026 (Prinsjesdag 2026). Het kabinet beoogt met dit overgangsrecht enerzijds rechtszekerheid te bieden voor bestaande instrumenten. Voor instrumenten die vóór 15 september 2026 zijn aangegaan én waarvoor voor die datum een volledig verzoek was ingediend, blijft het huidig recht tot en met 31 december 2027 van toepassing. Belastingplichtigen hebben hierdoor zoveel mogelijk tijd om bestaande instrumenten af te wikkelen onder de oude regeling. Anderzijds wenst het kabinet anticiperend gedrag van belastingplichtigen met betrekking tot het overgangsrecht te voorkomen. Om die reden sluit het kabinet aan bij de datum van 15 september 2026, de dag waarop de voorgestelde maatregelen aan uw Kamer zijn aangeboden. Zonder deze peildatum kunnen belastingplichtigen afdekkingsinstrumenten met een lange looptijd alsnog onder de gunstigere oude regeling brengen. De gekozen peildatum is derhalve niet willekeurig en proportioneel. Gestructureerde informatie over het exacte aantal afdekkingsinstrumenten die voor de peildatum 15 september 2026 zijn aangegaan zonder dat voor die datum een volledig verzoek is ontvangen is niet voorhanden. Voor zover belastingplichtigen op of na 15 september 2026 een afdekkingsinstrument hebben afgesloten, blijft het huidige recht onder voorwaarden van toepassing voor zover een voordeel van dat instrument toerekenbaar is aan de periode voorafgaand aan het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2027.

Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7%

De leden van de fractie van D66 willen dat meer mensen een goede, betaalbare woning kunnen vinden. Deze leden lezen dat het tarief voor woningen die de koper niet zelf bewoont, zoals verhuurwoningen, per 2027 van 8 naar 7 procent gaat. De leden vragen daarbij naar wat wordt bedoeld met terugwerkende kracht “waar van toepassing”. Het voorstel van het kabinet is om deze maatregel per 1 januari 2027 in te voeren. Er is geen sprake van terugwerkende kracht bij het invoeren van deze regeling.

De leden van de fractie van D66 vragen om het budgettaire effect van de verlaging van het algemene woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7% toe te lichten. Het gaat daarbij om het verschil tussen 2026 en 2027 en hoe dat is opgebouwd, het structurele effect en wat de prijseffecten en hoeveelheidseffecten zijn.

Het budgettaire effect bestaat uit twee componenten. De eerste component is het structurele effect van het gewijzigde tarief. Er ontstaat een derving omdat het tarief afneemt (prijseffect). Tegelijkertijd verwacht ik conform de publicatie Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 van het CPB67 dat de belaste grondslag groter wordt door de tariefsverlaging (hoeveelheidseffect). Per saldo resulteert dit in een structurele derving van € 75 miljoen per jaar. De tweede component is een incidentele grondslagverschuiving als gevolg van anticipatiegedrag van belastingplichtigen. Conform de publicatie Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 van het CPB verwacht ik dat een deel van de belaste grondslag verschuift van 2026 naar 2027. Omdat sprake is van een tariefsverlaging zal een deel van de belastingplichtigen transacties uitstellen van 2026 naar 2027 om te profiteren van het lagere tarief. Dit resulteert in een eenmalige derving in 2026 en een eenmalige opbrengst in 2027.

In het Belastingplan 2027 is de volgende reeks opgenomen (in € miljoen):

TabelBudgettaire reeks verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting

2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc

Verlaging algemeen woningtarief overdrachtsbelasting van 8% naar 7%

In miljoenen euro

-226 118 -75 -75 -75 -75 -75

De leden van de fractie van PRO merken op dat wisselend beleid de afgelopen jaren geleid heeft tot onzekerheid in de woningmarkt. Daarnaast vragen de leden van deze fractie of het kabinet kan bevestigen dat de overdrachtsbelasting niet van toepassing is op nieuwbouwwoningen en ook niet relevant voor corporaties en beleggers die woningen zelf verhuren. De voorgestelde verlaging van het algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting is onderdeel van een breder pakket aan maatregelen dat is gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat voor verhuurders en het vergroten van het aanbod van huurwoningen, zoals volgt uit het coalitieakkoord. Voor woningcorporaties is in het Belastingplan een vrijstelling voor overdrachtsbelasting opgenomen voor onderlinge transacties van bepaald DAEB-vastgoed.

Overdrachtsbelasting wordt door de toepassing van de samenloopvrijstelling in beginsel niet geheven op de verkrijging van nieuwbouwwoningen. Nieuwbouwwoningen vallen in de regel bij levering daarvan in de btw-heffing. Een verlaging van de overdrachtsbelasting werkt echter wel (indirect) door in het investeren in nieuwbouw huurwoningen. Dit komt doordat het overdrachtsbelastingtarief doorwerkt in de waarde van de woningen voor de investeerders, omdat gerekend wordt met de verkoopwaarde waarbij aan een andere investeerder verkocht wordt (in plaats van individuele uitponding). Een lager tarief zorgt voor een hogere verkoopwaarde en naar verwachting een hogere investeringsbereidheid.

Of corporaties en institutionele beleggers die zelf woningen verhuren worden geraakt door overdrachtsbelasting is in grote mate afhankelijk van de manier waarop zij hun bedrijfsstructuur vormgeven. Het is niet doenlijk ieder scenario uit te werken dat daarbij mogelijk is, omdat deze scenario’s afhankelijk zijn van een veelvoud van factoren zoals de bedrijfsinrichting, de manier waarop objecten worden aangekocht en verkocht en andere keuzes die door deze ondernemers worden gemaakt. Bij de doorverkoop van woningen kunnen deze partijen worden geconfronteerd met overdrachtsbelasting en eventueel profiteren van het lagere tarief dat nu wordt voorgesteld. Het zelf realiseren van nieuwbouwwoningen of de directe aankoop van nieuwbouwwoningen valt inderdaad buiten de overdrachtsbelasting hoewel ook hier de hoogte van de overdrachtsbelasting een rol speelt in de waardebepaling en verwachtingen voor het rendement.

De leden van de fractie van PRO en de leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel extra woningen het kabinet denkt dat er door deze maatregel gebouwd gaan worden. Het is niet precies te voorspellen hoeveel extra woningen er door de verlaging van de overdrachtsbelasting met 1 procentpunt gebouwd zullen worden. Dit aantal hangt af van diverse factoren, zoals de renteontwikkeling, marktvraag en andere economische omstandigheden. Wel is duidelijk dat de verlaging bijdraagt aan een betere rendabiliteit van middenhuurwoningen, zoals blijkt uit het SEO-rapport68. Daarmee verbetert de maatregel, in combinatie met andere onderdelen uit het actieplan, het investeringsklimaat voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Hierdoor wordt het aantrekkelijker voor partijen om meer woningen in het middensegment aan te bieden. Het kabinet houdt in brede zin de woningmarkt in de gaten en daardoor ook effecten van het bredere pakket van woningmarktmaatregelen waar deze overdrachtsbelastingmaatregel onderdeel van uitmaakt. Het kabinet richt zich met het inroepen van de ministeriële taskforce ‘Versnelling Woningbouw’ op de realisatie van 100.000 woningen per jaar.

De leden van de fractie van PRO vragen of het doel van de maatregel is om beleggers makkelijker te laten concurreren met eigenaren-bewoners en zo ja, waarom het kabinet dat wil.

In het coalitieakkoord is afgesproken om het investeringsklimaat voor verhuurders te verbeteren, onder meer door het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het aanbod van huurwoningen niet verder afneemt en kan toenemen. Tegen deze achtergrond wordt voorgesteld het algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting te verlagen van 8% naar 7%. Deze maatregel maakt daarbij onderdeel uit van een breder pakket aan maatregelen dat is gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat voor verhuurders, met als doel bij te dragen aan het bevorderen van het aanbod van huurwoningen, waaronder nieuwbouw. Voor koopstarters en eigenaren-bewoners die doorstromen verandert er niets. Zij kunnen bij de verkrijging van een hoofdverblijfwoning de startersvrijstelling of het verlaagde tarief van 2% toepassen. De verlaging naar 7% geldt alleen voor partijen die de woning niet zelf als hoofdverblijf gaan bewonen, bijvoorbeeld verhuurders. Het is niet het doel van de maatregel maar het heeft ook als gevolg dat de relatieve concurrentiepositie van verhuurders ten opzichte van eigenaren-bewoners verbetert.

Het investeringsklimaat voor (midden)huurwoningen is de afgelopen jaren verslechterd, als gevolg van een combinatie van fiscale maatregelen, strengere regelgeving en ongunstige macro-economische ontwikkelingen. Dit heeft geleid tot een toename van de verkoop van (midden)huurwoningen door investeerders. De belastingdruk is hierbij medebepalend voor het te behalen rendement en dus voor de bereidheid van verhuurders om in de huurwoningmarkt te (blijven) investeren. Als het verwachte rendement lager is dan het beoogde rendement, dan bestaat het risico dat investeringen in nieuwbouw huurwoningen uitblijven en huurwoningen uitgepond worden, met een daling van het aanbod aan huurwoningen tot gevolg. De tariefsverlaging van het algemeen woningtarief beoogt daarom de belastingdruk voor investeerders in huurwoningen te verlagen om de haalbaarheid van dergelijke investeringen te verbeteren. In 2029 wordt de tariefsverlaging geëvalueerd, waarbij onder andere wordt gekeken of de tariefsverlaging bijdraagt aan het bevorderen van het aanbod van huurwoningen.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet heeft overwogen om het geld van de tariefsverlaging te gebruiken om woningcorporaties verder te ondersteunen. Zoals hiervoor vermeld is de voorgestelde verlaging van het algemeen woningtarief in de overdrachtsbelasting onderdeel van een breder pakket aan maatregelen dat is gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat voor verhuurders en het vergroten van het aanbod van huurwoningen, zoals volgt uit het coalitieakkoord. Onderdeel van dit pakket is een maatregel voor woningcorporaties ten aanzien van de generieke renteaftrekbeperking (earningstrippingmaatregel) in de vennootschapsbelasting met een beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028. Hiervoor maakt het kabinet structureel circa €100 mln extra vrij voor woningcorporaties ten opzichte van de middelen die in het regeerakkoord waren afgesproken voor een faciliteit in de vennootschapsbelasting. Daarnaast staat in dit Belastingplan ook een nieuwe vrijstelling van overdrachtsbelasting gericht op woningcorporaties die onroerende zaken aan elkaar overdragen. Deze nieuwe vrijstelling maakt het makkelijker voor woningcorporaties om onderling DAEB-vastgoed vrij van overdrachtsbelasting over te dragen. Dit komt ook de uitvoering van de Nationale Prestatieafspraken ten goede. Het onderhavige voorstel dient in dit bredere perspectief, waarin woningbouwcorporaties dus al expliciet zijn meegenomen, te worden bezien. Daar komt bij dat deze verlaging snel is in te voeren en eenvoudig uitvoerbaar is. Er geldt al een specifiek tarief in de overdrachtsbelasting voor deze categorie verkrijgers van woningen, zodat de maatregel goed bij het bestaande beleid past.

De leden van de fractie van PRO vragen of het klopt dat onder bepaalde voorwaarden geen overdrachtsbelasting betaald hoeft te worden zolang er sprake is van een belang van minder dan 33 procent in een vastgoedtransactie en of hiermee legaal overdrachtsbelasting kan worden ontweken. Deze leden vragen ook of het kabinet mogelijkheden ziet om deze ontwijkingsroute aan te pakken. Het kabinet merkt op dat overdrachtsbelasting kan worden geheven over de verkrijging van aandelen in een zogenoemde onroerendezaakrechtspersoon (OZR). Dit is, kort gezegd, een vennootschap waarvan de bezittingen in meerderheid bestaan uit onroerende zaken. Het verkrijgen van aandelen wordt bij fictie gelijkgesteld met onroerende zaken. Een verkrijging van fictieve onroerende zaken is belast met overdrachtsbelasting, mits sprake is van een kwalificerende verkrijging. Van een belastbare verkrijging is sprake bij de verkrijging of uitbreiding van een belang van ten miste een derde.

Het kabinet merkt op dat de wetgeving die ziet op de overdrachtsbelasting al is ingericht op het voorkomen dat door middel van overdracht van aandelen, onroerende zaken worden verkregen zonder dat toegekomen wordt aan de heffing van overdrachtsbelasting. Het is tegelijkertijd niet de bedoeling om iedere verkrijging van aandelen in een vennootschap die onroerend goed bezit te belasten, ongeacht het belang dat wordt verkregen. Daarom bevat de wet regels over de omvang van de verkrijging, waarbij is gekozen voor een drempel van een derde. De mogelijkheden tot het ontgaan van heffing zijn in het verleden al beperkt, onder andere door niet slechts rekening te houden met het belang van de verkrijger zelf, maar ook van met de verkrijger verbonden natuurlijke personen en lichamen, en worden verkrijgingen in een periode van twee jaar samengenomen. Van gemiste belastinginkomsten als gevolg van legale ontwijking van de overdrachtsbelasting is dan ook geen sprake.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet plannen heeft het algemeen woningtarief verder te verlagen en wat een verlaging naar zes procent structureel zou kosten. Het kabinet merkt op dat het verder verlagen van het tarief naar 6% kan leiden tot een verbetering van het investeringsklimaat en ook een gunstig effect kan hebben op het aanbod huur- en nieuwbouwwoningen. Tegelijkertijd staat het kabinet voor budgettaire uitdagingen en kan elke euro slechts een keer worden uitgegeven. Ook moet bij elke verlaging de concurrentiepositie van met name starters ten opzichte van beleggers gewogen worden. Het verder verlagen van het tarief van 7% naar 6% kost aanvullend structureel circa € 90 miljoen. Het kabinet kiest uiteindelijk voor een breder pakket aan maatregelen dat is gericht op het verbeteren van het investeringsklimaat voor verhuurders en het vergroten van het aanbod van huurwoningen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie stellen verschillende vragen over de mogelijkheden om de verschillende overdrachtsbelastingtarieven te uniformeren, wat de baten daarvan zijn en de effecten op de woningmarkt. Het kabinet heeft toegezegd het onderwerp uniformering van de overdrachtsbelastingtarieven die in de loop van de jaren zijn ontstaan te behandelen in een aparte brief die voor de behandeling van het Belastingplan wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Daarin zullen ook deze vragen van de fractie van de ChristenUnie worden meegenomen.

Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties

De leden van de fractie van de VVD en de leden van de fractie van het CDA vragen waarom niet is aangesloten bij de gecontroleerde jaarrekening voor de vaststelling of sprake is van DAEB-vastgoed. De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting. Op het moment van de overdracht moeten de waarde en de beoordeling van het DAEB-vastgoed vaststaan. Het tijdvak waarop de jaarrekening ziet sluit niet aan bij het tijdstip van de verkrijging. Daarnaast is hier niet voor gekozen omdat het de uitvoering bij de Belastingdienst juist complexer zou maken. Daarom is gekozen voor de best passende variant binnen de overdrachtsbelasting door aan te sluiten bij de classificatie op basis van een taxatierapport. Hierin wordt al bijgehouden welke huurprijzen en huurcontracten onderdeel zijn van de overdracht. Dit is tevens een standaardonderdeel van een overdracht en sluit aan bij de waardebepaling op dat moment.

De leden van de fractie van PRO staan positief tegen voorstellen om corporaties te ondersteunen bij hun taak om voor betaalbare huisvesting te zorgen en vragen of het klopt dat de bestaande vrijstelling voor taakoverdracht ruimer is dan de nieuwe voorgestelde vrijstelling en of dat nadelige gevolgen kan hebben voor corporaties. De leden van de fractie van het CDA vragen welke gevolgen het vervallen van de bestaande taakoverdrachtsvrijstelling heeft voor woningcorporaties en andere ANBI’s die hiervan gebruikmaken.

Graag merk ik op dat de bestaande vrijstelling van overdrachtsbelasting bij een taakoverdracht tussen ANBI’s of bepaalde verenigingen niet komt te vervallen. In het Eindejaarsbesluit 2026 wordt een bepaling meegenomen waarbij de vrijstelling wordt teruggebracht naar de vorm zoals die was vóór 2021. Om knelpunten voor woningcorporaties bij de overdracht van sociale huurwoningen onderling aan te pakken, zijn de voorwaarden voor deze vrijstelling in 2021 verduidelijkt en aangevuld. De aanvulling destijds hield in dat aan de eis dat commerciële factoren geen rol spelen ook werd voldaan als een koopsom tegen marktwaarde of hoger werd bedongen, mits deze koopsom van overheidswege was voorgeschreven. Deze aanvulling was bedoeld om de drempel voor woningcorporaties voor een onderlinge overdracht van woningen te verlagen en zo bij te dragen aan het realiseren van de nationale volkshuisvestingsopgave. De voorgestelde nieuwe vrijstelling geeft woningcorporaties de mogelijkheid om sociale huurwoningen en andere DAEB-onroerende zaken onderling over te dragen, zonder heffing van overdrachtsbelasting. De vrijstelling ziet niet op de overdracht van niet-DAEB onroerende zaken, bijvoorbeeld middenhuur woningen. Het kabinet werkt aan een wijziging van de Woningwet om de borging van middenhuur woningen mogelijk te maken.69 Zodra deze wijzing ingaat behoren ook middenhuur woningen tot de zogenaamde DAEB activiteiten van woningcorporaties. Het kabinet erkent dat woningcorporaties bij onderlinge gemengde complexen de transactie mogelijk willen uitstellen om zo de overdrachtsbelasting over de middenhuurwoningen te vermijden. Dergelijke transacties met een groot aandeel niet-DAEB onroerende zaken zijn in de praktijk vrij uitzonderlijk en zullen naar verwachting incidenteel plaatsvinden. Het bezit van corporaties bestaat namelijk voor 95% uit sociale huurwoningen. Naar mening van het kabinet weegt dit dan ook op tegen het vereenvoudigen en beperken van de uitvoeringslasten door het terugbrengen van de taakoverdracht naar de oorspronkelijke vorm wordt de overlap met bestaande vrijstellingen weggenomen, wat het belastingstelsel en de uitvoering vereenvoudigt en administratieve lasten voor zowel woningcorporaties als de Belastingdienst vermindert. De verwachting is dat het terugbrengen van de vrijstelling taakoverdracht geen nadelige gevolgen heeft voor woningcorporaties bij overdrachten waarbij commerciële factoren geen rol spelen en de tegenprestatie maximaal gelijk is aan de boekwaarde (de historische kostprijs minus afschrijvingen) van de overgedragen activa. Bij onderlinge overdrachten waarbij commerciële factoren wel een rol spelen kan, in geval van bepaald DAEB-vastgoed, een beroep worden gedaan op de nieuwe vrijstelling. ANBI’s, waaronder woningcorporaties, behouden de mogelijkheid om bij een taakoverdracht onroerende zaken vrij van overdrachtsbelasting te verkrijgen tegen boekwaarde (ten hoogste de historische kostprijs minus afschrijvingen). Andere ANBI’s, dan woningcorporaties, doen tot op heden geen beroep op de vrijstelling van taakoverdracht waarbij een marktconforme prijs voor het vastgoed wordt bedongen. De inschatting is dat het terugbrengen van de vrijstelling voor taakoverdracht voor andere ANBI’s om deze reden geen gevolgen heeft.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de verwachte gevolgen zijn van de nieuwe vrijstelling voor woningcorporaties voor de opgave van verduurzaming en verbetering van de bestaande sociale huurvoorraad. Woningcorporaties hebben op basis van de Nationale Prestatieafspraken een grote investeringsopgave voor de komende tien jaar. Om deze opgaven te kunnen realiseren is het vergroten en verbeteren van onderlinge solidariteit tussen woningcorporaties noodzakelijk.70 Een belangrijke vorm van onderlinge solidariteit is het onderling overnemen van vastgoed tussen woningcorporaties wanneer de ene corporatie de benodigde investeringen niet kan dragen en een kapitaalkrachtigere corporatie wel. Zonder de nieuwe vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor onderlinge transacties tussen woningcorporaties zullen dergelijke transacties naar verwachting niet of nauwelijks plaatsvinden. Woningcorporaties zien de heffing van overdrachtsbelasting namelijk als het weglekken van maatschappelijk bestemd vermogen. Een onlangs aangekondigde overdracht van circa 1.000 sociale huurwoningen in Rotterdam-Zuid tussen de woningcorporaties Stichting Havensteder en Stichting Wooncompas heeft bijvoorbeeld als ontbindende voorwaarde dat de overdracht vrij van overdrachtsbelasting moet kunnen plaatsvinden.71 Het is de verwachting dat de komende jaren meer van dergelijke voorwaarden bij onderlinge transacties worden opgenomen.

De leden van de fractie van het CDA vragen welke verplichtingen na de overdracht gelden voor de overnemende woningcorporatie, en of zij de woningen op dezelfde wijze moeten blijven exploiteren om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken. De overdrachtsbelasting is een tijdstipbelasting. De vrijstelling is zo vormgegeven dat deze alleen van toepassing is als een onroerende zaak of de rechten waaraan deze is onderworpen door de overdragende toegelaten instelling direct voorafgaand aan de overdracht wordt gebruikt voor de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang. De verkrijgende partij moet op het moment van verkrijging ook een toegelaten instelling zijn volgens de Woningwet. Voor de overnemende woningcorporatie gelden in principe dezelfde verplichtingen als de verkopende woningcorporatie. De huurrechten van de huurders van de betreffende woningen veranderen immers niet door overdracht van de woningen naar een andere eigenaar. De overnemende woningcorporatie is verplicht de woningen te onderhouden en is conform de doelstellingen in de Nationale Prestatieafspraken verplicht erin te investeren, hetzij via renovatie en verduurzaming, hetzij via sloop en vervangende nieuwbouw mocht renovatie geen optie zijn. Op lokaal niveau kan de woningcorporatie hierover met de gemeente en huurdersorganisatie prestatieafspraken maken.

Afschaffen verlaagd btw-tarief voor sierteelt

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet inzichtelijk kan maken of andere belastingverhogingen op consumptie van vergelijkbare omvang, tot vergelijkbare werkgelegenheidseffecten leiden als de btw-verhoging op sierteelt. Een verhoging van bijvoorbeeld accijnzen kan, net als een btw-verhoging, leiden tot hogere prijzen, lagere consumptie en daarmee lagere productie en werkgelegenheid. De omvang van de effecten voor de betreffende sector hangen daarbij onder meer af van de mate waarin de belasting wordt doorberekend in de prijzen en de reactie van consumenten op de prijsstijging. Bij een vergelijkbare omvang van de belastingverhoging van accijnzen, ligt het voor de hand dat ook de macro-economische effecten in dezelfde orde van grootte liggen. Zowel een btw-verhoging op een specifieke productgroep als een verhoging van accijnzen kunnen een specifieke productgroep raken, waardoor de werkgelegenheidseffecten met name bij een specifieke sector terechtkomen. Vanwege de krapte op de arbeidsmarkt hoeft verminderde werkgelegenheid in de ene sector echter niet te betekenen dat de werkloosheid toeneemt, omdat mensen op de (middel)lange termijn elders aan de slag kunnen.

De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat de kabinetsinzet is opgenomen in de kolom ‘Beleidsopvolging’ in tabel 4.6.1. van bijlage 4 van de Miljoenennota 2027. Ja, dat klopt.

De leden van de fractie van VVD vragen naar de mogelijkheden om de btw te vereenvoudigen door naar één tarief te gaan dat lager ligt dan het huidige hoge btw-tarief en in hoeverre dit impact heeft op de inflatie. Ook vragen zij of grenseffecten hierin een rol spelen en of er Europese afspraken hierover nodig zijn. In het ambtelijk rapport “Kansen voor lagere tarieven en beter beleid - Aanpak fiscale regelingen voor een eenvoudiger en beter belastingstelsel” van 202572 zijn drie beleidsrichtingen uitgewerkt voor de verlaagde btw-tarieven. Een van de beleidsrichtingen gaat uit van een uniform tarief van 18%, waarbij de verlaagde tarieven worden afgeschaft en het algemeen tarief verlaagd wordt van 21% naar 18%. Uit het rapport blijkt dat uniformering nauwelijks effect heeft op de belastingdruk van het mediane huishouden binnen alle inkomensgroepen, maar dat de spreiding binnen inkomensgroepen groot is. Grenseffecten spelen met name een rol bij voedingsmiddelen, waarbij er ook andere factoren dan btw van belang zijn bij aankopen over de grens. Er zijn op dit moment geen Europese afspraken over grenseffecten mede omdat lidstaten het van belang vinden dat zij, binnen de kaders van de btw-richtlijn, zelf keuzes kunnen maken over btw-tarieven.

De leden van de fractie van PRO vragen hoe groot de negatieve externe effecten zijn van de sierteeltsector en in hoeverre deze worden verminderd door de btw-verhoging op sierteeltproducten. Bij de productie van bloemen en planten zijn er een aantal negatieve externe effecten, zoals het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de teelten, energieverbruik bij de productie en (vliegtuig)transport. Deze maatregel draagt indirect bij aan een vermindering van deze externe effecten doordat bloemen en planten duurder worden, waardoor de vraag en productie afneemt. De impact op de productie is echter beperkt, aangezien de omzet van producerende bedrijven volgens het recente rapport van Decisio (2026) afneemt met circa 1,2%.73 De verwachting is dat de vermindering van negatieve externe effecten daarom beperkt zal zijn.

De leden van de fractie van PRO vragen of het klopt dat de koopkrachteffecten van de btw-verhoging op sierteelt relatief beperkt zijn, in vergelijking met enkele andere voorgestelde maatregelen uit het Belastingplan 2027. Het koopkrachteffect van de voorgestelde btw-verhoging op sierteeltproducten moet worden bezien als onderdeel van het totale koopkrachtbeeld en is bijvoorbeeld relatief beperkt ten opzichte van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Allereerst is het budgettair belang van de voorgestelde btw-maatregel aanzienlijk lager. Daarnaast is ook bij eenzelfde budgettair belang het negatieve effect op de koopkracht van een btw-verhoging beperkter dan dat van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor. Een btw-verhoging werkt via hogere prijzen en daarmee via de inflatie door in de koopkracht. Daarbij wordt de btw-verhoging vaak niet volledig aan consumenten doorberekend. Een beperkte toepassing van de tabelcorrectiefactor werkt daarentegen direct door in de loon- en inkomensontwikkeling.

De leden van de fractie van PVV vragen of Nederlanders met een lager inkomen geen bloemetje verdienen en waarom het kabinet ervoor kiest juist nu de btw op sierteelt te verhogen. Het kabinet onderkent dat het verlaagde btw-tarief mede bedoeld is om bloemen en planten betaalbaar te maken voor lagere inkomensgroepen. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie van Dialogic (2023) dat juist hogere inkomens het meest profiteren van het verlaagde btw-tarief.74 Er zijn binnen het belastingstelsel gerichtere instrumenten om lage inkomens (fiscaal) te ondersteunen. Ook leidt verhoging van het btw-tarief tot een budgettaire opbrengst die nodig is om andere belangrijke uitgaven te financieren. Daarbij is gekozen om een regeling af te schaffen die negatief is geëvalueerd, de kosten van de regeling zijn erg hoog ten opzichte van de doelen die bereikt worden. Daarbij is het niet duidelijk waarom de overheid moet ingrijpen met een fiscale subsidie in deze specifieke sector.

De leden van de fractie van PVV vragen het kabinet om toe te lichten hoe de voorgestelde opbrengst zich verhoudt tot de gevolgen voor de sector. De btw-verhoging op sierteeltproducten leidt naar verwachting tot een budgettaire opbrengst van € 305 miljoen. Het kabinet is zich ervan bewust dat deze maatregel gevolgen heeft voor de verwachte omzet en werkgelegenheid in de sierteeltsector en heeft daarom via meerdere wegen de effecten in kaart gebracht. De extra werkgelegenheid die als gevolg van het verlaagde btw-tarief op sierteelt is gecreëerd staat volgens de evaluatie van het verlaagde btw-tarief75 echter niet in verhouding tot de derving aan belastingopbrengsten. Dit betekent dat de btw-verhoging op sierteelt een doelmatige manier is om de belastingopbrengsten te verhogen, zelfs als rekening wordt gehouden met het verlies aan werkgelegenheid. Vanwege de krapte op de arbeidsmarkt hoeft de verwachte, verminderde werkgelegenheid in de sierteelt-sector daarbij niet te betekenen dat de werkloosheid toeneemt, omdat mensen op de (middel)lange termijn elders aan de slag kunnen. Vanaf 2028 wordt gemonitord wat de effecten zijn van de btw-verhoging op sierteelt.

De leden van de fractie van de PVV vragen het kabinet te reageren op het bericht van de Wageningen Universiteit, dat de btw-verhoging op sierteelt maar maximaal € 216 miljoen opbrengt door lagere omzet. Daarnaast vragen de leden van de CDA of er effecten kunnen zijn, zoals een lagere winstbelasting, door verwacht omzetverlies vanwege minder vraag als gevolg van de btw-verhoging op sierteelt. De leden van de fractie van JA21 vragen daarbij naar de netto-opbrengst voor de schatkist als gevolg van de btw-verhoging op sierteelt. Daarin vragen zij om ook de derving aan inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting als gevolg van bedrijfsbeëindigingen mee te nemen. Het genoemde bedrag van € 216 miljoen betreft een raming van Decisio, die voortbouwt op eerder onderzoek van Wageningen University & Research76. Deze raming wijkt af van de geraamde opbrengst zoals opgenomen in de begroting en het Belastingplan (€ 305 miljoen). Hiervoor zijn met name twee redenen. Ten eerste gaat Decisio uit van een lagere omzet die door de btw-verhoging wordt geraakt. Het ministerie bepaalt deze omzet op basis van de btw bijlage 2025 van het CBS77, terwijl Decisio cijfers van Royal Flora Holland en de Tuinmonitor gebruikt. Dit verklaart primair het verschil met de raming van Decisio zonder gedragseffecten (€ 267 miljoen). Ten tweede worden conform de ramingsafspraken met het CPB bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen78, terwijl Decisio in zijn raming wel gedragseffecten van consumenten meeneemt. Een lager omzetniveau kan in beginsel ook leiden tot lagere opbrengsten uit de winstbelasting. Dergelijke bredere economische effecten, waaronder ook derving aan inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting, maken echter geen

onderdeel uit van de raming van het directe effect van een beleidsmaatregel. De reden hiervoor is dat dit soort doorwerkingen zeer onzeker en lastig toe te rekenen zijn aan een specifieke maatregel. Bovendien kunnen uitgaven (en daarmee winst en werkgelegenheid) verschuiven, waardoor elders de belastingopbrengsten worden gecompenseerd. Andere economische ontwikkelingen beïnvloeden tegelijkertijd de belastingontvangsten, zoals veranderingen in prijzen, consumptie en inkomens. Deze bredere economische effecten worden meegenomen in de macro-economische doorrekening van het CPB en werken daarmee door in de raming van de totale belastingontvangsten en het EMU-saldo. Om die reden wordt geen afzonderlijke netto-opbrengst voor de schatkist geraamd in dat scenario.

De leden van de fractie van het CDA vragen of er vooral banen verdwijnen in de detailhandel en minder bij producerende bedrijven en in het verlengde hiervan wat het effect is op arbeidsmigratie. Volgens berekeningen van Decisio (2026) daalt de werkgelegenheid in de sierteeltketen op korte termijn met 1.815 tot 2.235 fte, waarvan het grootste deel (69%) in de detailhandel. Hierbij merkt het kabinet op dat het aantal banen in deze sector in de afgelopen jaren ook al aan het afnemen is. De maatregel kan indirect een zeer beperkt effect hebben op arbeidsmigratie vanwege de geringe werkgelegenheidsdaling in de groothandel (330 tot 405 fte) en in de productie (240 tot 295 fte).

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de oorzaken zijn van het dalende aantal bloemisten en welke rol supermarkten hierin spelen. Uit het rapport van Decisio volgt dat het aantal specialistische bloemenwinkels al jaren dalende is, van 4.400 winkels in 2019 naar 3.880 begin 2023 en dat hun omzet tussen 2022 en 2024 is gedaald met 0,2% per jaar. Volgens de bloemenbranche (VBW) komt dit door weinig (financieel) perspectief voor opvolgers79. Ten aanzien van supermarkten wordt genoemd (zonder verdere onderbouwing) dat consumenten prijsbewuster worden en daardoor vaker naar de supermarkt gaan voor een bosje bloemen. Uit de publiekspeiling die het ministerie van Financiën heeft laten uitvoeren blijkt dat 36% van de ondervraagden meestal naar de supermarkt of benzinestations gaan voor bloemen en planten, terwijl 42% heeft aangegeven meestal naar een bloemist te gaan.80

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet kijkt naar de relevantie van de doelen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt en of er andere instrumenten denkbaar zijn. Het kabinet ziet geen reden waarom de werkgelegenheid en omzet in de sierteeltsector gestimuleerd moeten worden ten opzichte van andere sectoren. Het kabinet vindt betaalbaarheid voor lagere inkomensgroepen in algemene zin belangrijk, maar is terughoudend om dit voor specifieke producten te doen via het verlaagde btw-tarief. In plaats van het verbeteren van de betaalbaarheid via de btw kan gedacht worden aan het verhogen van het netto-inkomen via de inkomstenbelasting.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet reflecteert op het onderzoek van Wageningen Economic Research, dat concludeert dat de netto budgettaire opbrengst naar verwachting € 159 miljoen bedraagt. Decisio heeft een effectenstudie81 gepubliceerd die voortbouwt op het door de WUR uitgevoerde onderzoek in 202382. Decisio raamt op de korte termijn extra kosten door de krimp van werkgelegenheid. Deze kosten zijn volgens Decisio eenmalig: op het moment dat mensen opnieuw werk vinden, vallen deze kosten weg. De WUR heeft deze kosten wel meegenomen in de berekening van de verwachte netto budgettaire opbrengst. Het verschil met het WUR-rapport is reeds toegelicht in antwoord op vragen van het lid Goudzwaard (JA21)83.

De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet de opbrengst van de btw-verhoging op sierteelt te ramen met prijselasticiteiten van -1,13 tot -1,6 uit de beleidsevaluatie van 2007, het onderzoek van de WUR en het onderzoek van Decisio. Conform de ramingsafspraken met het CPB worden bij btw-tariefswijzigingen in de ex-ante beleidsraming geen expliciete gedragseffecten meegenomen84. Er wordt daarom geen aanvullende raming van de budgettaire opbrengst op basis van de genoemde prijselasticiteiten gemaakt.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoeveel minder arbeidsmigranten het kabinet verwacht als gevolg van deze maatregel en hoe dit zich verhoudt tot het verlies van banen van Nederlandse werknemers en zelfstandigen. Volgens berekeningen van Decisio (2026) daalt de werkgelegenheid in de sierteeltketen op korte termijn met 1.815 tot 2.235 fte, waarvan het grootste deel (69%) in de detailhandel. De maatregel kan indirect een beperkt effect op arbeidsmigratie hebben. Dit effect is niet te kwantificeren maar naar verwachting klein, gelet op de beperkte werkgelegenheidsdaling in de groothandel (330 tot 405 fte) en in de productie (240 tot 295 fte). Het kabinet vindt het niet wenselijk om arbeidsmigratiebeleid te voeren via de btw, maar deze daling is wel het indirecte gevolg van de btw-verhoging. Daarnaast is meermaals vastgesteld dat het weinig doeltreffend en doelmatig is om de btw te gebruiken voor beleidsdoelen.

De leden van de fractie van JA21 vragen welke lessen het kabinet trekt uit de btw-verhoging op sierteelt in Spanje in 2012. Allereerst onderkent het kabinet dat het afschaffen van een verlaagd btw-tarief waarschijnlijk zal leiden tot een omzetdaling bij met name bloemisten. Daarom is het kabinet uitgebreid ingegaan op de impact van deze maatregel en heeft het hierover veel contact gehad met belanghebbenden. Een belangrijke kanttekening bij de vergelijking is dat de maatregel in Spanje is ingevoerd ten tijde van de financiële en economische crisis. Voorafgaand aan deze btw-verhoging nam de binnenlandse vraag naar bloemen en planten al sterk af door de economische situatie, waarin meerdere bezuinigingen werden doorgevoerd en Spanje een relatief hoog werkloosheidspercentage had. Daarmee is de situatie in Spanje niet één op één vergelijkbaar met de Nederlandse situatie. Naar mening van het kabinet is dit een geheel andere uitgangspositie dan nu in Nederland. Gezien de verwachte impact van de maatregel wordt vanaf 2028 gemonitord wat de effecten zijn van de btw-verhoging.

De leden van de fractie van JA21 vragen hoe het kabinet kijkt naar de positie van bloemisten en tuincentra in de grensregio’s. De btw-verhoging leidt tot hogere prijzen, hoewel op voorhand niet zeker is in hoeverre de btw-verhoging wordt doorberekend in de prijzen. Of consumenten de grens over gaan voor hun aankopen hangt af van verschillende factoren, zoals het prijsverschil met aangrenzende landen, de reisafstand, de kwaliteit en het type product. De onderzoekers van Decisio stellen dat bloemisten in de grensregio meer last zullen hebben van de btw-verhoging doordat klanten gemakkelijker kunnen uitwijken naar buurlanden. Tuincentra in de grensregio die een groot deel van hun omzet uit bloemen en planten halen zullen eveneens last hebben van de maatregel. De onderzoekers van Decisio hebben de omvang van deze effecten echter niet kunnen berekenen.

De leden van de fractie van JA21 vragen waarom er voor sierteelt geen overgangsrecht is getroffen en welke criteria het kabinet hanteert voor de monitoring vanaf 2028. Het overgangsrecht is nodig voor situaties waarin wordt vooruitbetaald op het moment dat het oude tarief nog geldt (bijvoorbeeld augustus 2027) voor een prestatie die pas plaatsvindt op het moment dat het tarief al is gewijzigd (bijvoorbeeld maart 2028). De luchtballonsector werkt veel met vooruitbetalingen en vouchers, daarom heeft het kabinet gekozen voor overgangsrecht. Het kabinet verwacht niet dat dit zal spelen in de sierteeltsector. In het genoemde voorbeeld dat bloembollen en boomkwekerijproducten in het najaar worden geleverd moet tegen het dan geldende tarief worden gerekend, ook als betaling pas in het voorjaar volgt. Dat zou niet anders zijn met het hiervoor genoemde overgangsrecht, omdat ook in dat geval het moment waarop de prestatie plaatsvindt leidend is (najaar in het genoemde voorbeeld). Voor de monitoring vanaf 2028 zal het kabinet kijken naar de prijs- en vraageffecten van de maatregel. Er is geen vooraf vastgestelde uitkomst waarbij het kabinet de maatregel heroverweegt.

De leden van de fractie van de ChristenUnie en de fractie van de SGP vragen naar de afweging die het kabinet heeft gemaakt bij het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt, gelet op de gevolgen voor de sector. Het kabinet onderkent dat deze maatregel impact heeft op de sector. Daarom is het kabinet in het wetsvoorstel uitgebreid ingegaan op de impact, waarbij ook de uitkomsten van het rapport van Decisio zijn meegenomen. Ook heeft het kabinet uitgebreid contact gehad met belanghebbenden via een internetconsultatie, stakeholdersbijeenkomsten en direct contact met de sector. De impact is met name groot bij de detailhandel. Producerende bedrijven en de groothandel worden beperkt geraakt door de maatregel omdat 80-85% van de productie bestemd is voor export en leveringen naar andere EU-landen. Het Nederlandse btw-tarief op sierteelt heeft geen invloed op export en leveringen binnen de EU. Tegenover deze impact staat dat de opbrengst van deze btw-verhoging nodig is om andere belangrijke uitgaven te financieren. Daarbij is gekozen om een regeling af te schaffen die negatief is geëvalueerd en waarbij de kosten van de regeling erg hoog zijn ten opzichte van de doelen die bereikt worden. Ook is het niet duidelijk waarom de overheid moet ingrijpen met een fiscale subsidie in deze specifieke sector.

De leden van de fractie van de SGP vragen in hoeverre het kabinet in de raming van de btw-verhoging op sierteelt rekening heeft gehouden met het dalende aantal ondernemingen in de detailhandel. In de raming wordt uitgegaan van de gemiddelde omzetgroei van sierteeltproducten over de afgelopen vier jaar. Deze groei ligt lager dan de groei van het prijspeil, wat betekent dat wordt uitgegaan van een reële omzetdaling (in prijspeil 2026).

De leden van de fractie van de SGP vragen hoe het kabinet in de raming van de btw-verhoging op sierteelt rekening heeft gehouden met een verwachte lagere vraag. In de raming wordt rekening gehouden met de verwachte ontwikkeling van de vraag via de gehanteerde omzetontwikkeling van sierteeltproducten. Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde omzetgroei over de afgelopen vier jaar, die lager ligt dan de groei van het prijspeil. Een eventuele extra daling van de vraag als gevolg van de voorgestelde btw-verhoging wordt, conform de ramingsafspraken met het CPB85, niet als afzonderlijk gedragseffect in de ex-ante raming meegenomen.

De leden van de fractie van de SGP vragen naar de gevolgen van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op de duurzaamheids- en vergroeningsambities van de sector. Een lagere omzet voor de sector kan negatief doorwerken op de investeringscapaciteit van ondernemers voor verduurzaming. Echter blijkt uit het recente Decisio rapport dat vooral de detailhandel geraakt wordt door de maatregel. De omzetdaling bij producerende bedrijven in de sierteelt is met 1,2% relatief beperkt, waardoor de totale impact van deze maatregel op de duurzaamheids- en vergroeningsambities van de sector waarschijnlijk ook beperkt zal zijn.

Afschaffen verlaagd btw-tarief ballonvaarten

De leden van de fractie van PRO vragen welke effecten het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op ballonvaarten heeft op de ballonvaartsector. Door de btw-verhoging nemen de prijzen toe met maximaal 11%, afhankelijk van de mate van doorberekening. Dit leidt mogelijk tot minder vraag naar luchtballonvaarten en daarmee minder omzet voor de sector. De exacte effecten zijn niet vast te stellen, dit is mede afhankelijk van hoe sterk consumenten reageren op de hogere prijzen.

De leden van de fractie PVV vragen waarom de regering kiest voor een btw-verhoging op luchtballonvaarten en hoe dit zich verhoudt tot de gevolgen voor de sector. De btw-verhoging heeft via hogere prijzen en minder vraag naar verwachting negatieve effecten op de omzet van de sector. Hoe groot deze effecten zijn hangt onder meer af van hoe sterk consumenten reageren op een prijsverhoging. De leden van JA21 vragen of de regering heeft onderzocht hoeveel bedrijven door de btw-verhoging op luchtballonvaarten naar verwachting hun activiteiten staken en hoe de opbrengst zich verhoudt tot de gevolgen voor deze kleine sector. Er is geen onderzoek gedaan naar hoeveel bedrijven door deze maatregel naar verwachting hun activiteiten staken. De gevolgen voor bedrijven zijn onder meer afhankelijk van de mate waarin de btw-verhoging kan worden doorberekend aan consumenten en de reactie van consumenten op de daaruit voortvloeiende prijsstijging. In 2025 is een onderzoek gepubliceerd naar het verlaagde btw-tarief op personenvervoer86. Daarin werd geconcludeerd dat het faciliteren van luchtballonvaarten niet aansluit bij de algemene doelstelling van het verlaagde btw-tarief voor personenvervoer. Ook bestaat er geen goede reden om ballonvaarten te faciliteren met een fiscale subsidie. In het kader van de motie Dassen87 werd voorgesteld enkele negatief geëvalueerde fiscale faciliteiten af te schaffen om de voorgenomen belastingverhoging op arbeid te verminderen. Eén van deze faciliteiten is het verlaagde btw-tarief op ballonvaarten.

De leden van de fractie van het CDA vragen of er nog meer van de impact in kaart gebracht kan worden en wat volgens het kabinet de reden voor overheidsingrijpen is bij de luchtballonvaart. Het kabinet kan geen aanvullende informatie verschaffen over de impact van de maatregel. In algemene zin is de verwachting dat de btw-verhoging leidt tot hogere prijzen, minder vraag en een omzetdaling voor de sector. De grootte van deze effecten zijn onder meer afhankelijk van de prijsgevoeligheid van consumenten. In 2025 is een onderzoek gepubliceerd naar het verlaagde btw-tarief op personenvervoer88. Daarin werd al geconcludeerd dat het faciliteren van luchtballonvaarten niet aansluit bij de algemene doelstelling van het verlaagde btw-tarief voor personenvervoer. Juist daarom kiest het kabinet ervoor deze regeling af te schaffen.

De leden van de fractie van JA21 vragen welke adviespunten het ATR heeft meegegeven. Het ATR heeft één advies opgesteld voor diverse aanvullende maatregelen die na de augustusbesluitvorming in het Belastingplan 2027 zijn beland, waaronder het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor ballonvaarten. Op deze maatregelen had de ATR slechts één advies: “Het college adviseert de effecten op de eenmalige en structurele regeldruk van alle aanvullende maatregelen conform de Rijksbrede methodiek in kaart te brengen.”

Tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s en vrachtauto’s

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet de opvatting deelt dat de stijging van de brandstofprijzen het belang van energieonafhankelijkheid voor Europa onderstreept, en dat het dan ook verstandig zou zijn om versneld in te zetten op elektrificatie van het Nederlandse wagenpark. Het kabinet ziet het belang van het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele energie. De sterke stijging van de brandstofprijzen maakt zichtbaar dat verduurzaming niet alleen bijdraagt aan de klimaatdoelen, maar Nederland en Europa ook minder kwetsbaar maakt voor verstoringen op internationale energiemarkten. Elektrificatie van het wagenpark draagt daaraan bij. Met het verval van de bpm-vrijstelling voor fossiele bestelauto’s van ondernemers en de inwerkingtreding van de vrachtwagenheffing zijn hier de afgelopen tijd ook betekenisvolle stappen gezet. Tegelijkertijd kost de transitie tijd. Het kabinet zet daarom zowel in op verdere elektrificatie als op tijdelijke ondersteuning van ondernemers die op korte termijn nog afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen.

De leden van de fractie van PRO vragen ook naar de gevolgen als de voorgestelde verlaging niet doorgaat, in het bijzonder op het aantal faillissementen. De tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtauto’s is voorzien voor de periode die loopt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027. Via een goedkeurend beleidsbesluit is vooruitlopend op wetgeving invulling gegeven aan de verlaagde tarieven. Wanneer de Tweede Kamer niet instemt met de verlaagde tarieven zoals die bij de vaststelling van het Belastingplan 2027 met terugwerkende kracht in de wet worden opgenomen, heeft dit geen gevolgen voor de tariefverlagingen die op dit moment al worden toegepast. Bij de totstandkoming van de verlaagde tarieven is geen raming opgesteld van het aantal bedrijven dat zonder de verlaging failliet zou gaan. Aanleiding voor de maatregel is de uitzonderlijke en plotselinge stijging van de brandstofprijzen. Ondernemers die voor hun bedrijfsvoering sterk afhankelijk zijn van bestel- of vrachtauto’s kunnen hun brandstofverbruik op korte termijn vaak slechts beperkt verminderen en ook het aanpassen van prijzen kost tijd. De tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting is daarom bedoeld als gerichte tegemoetkoming aan deze ondernemers gedurende de periode waarin de brandstofprijzen uitzonderlijk zijn gestegen.

De leden van de fractie van PRO vragen ook naar de keuze om naast het verlengen van de lopende accijnskorting ook de tarieven in de motorrijtuigenbelasting te verlagen. Het kabinet heeft de verschillende maatregelen in samenhang bezien. De maatregelen verschillen in doelgroep en aangrijpingspunt. De accijnskorting verlaagt de brandstofkosten aan de pomp voor een brede groep gebruikers. De tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor bestelauto’s van ondernemers en vrachtauto’s is specifiek gericht op ondernemers die voor hun bedrijfsvoering relatief sterk afhankelijk zijn van wegvervoer. De maatregelen zijn daarmee niet volledig uitwisselbaar. Het kabinet acht de combinatie van maatregelen gerechtvaardigd vanwege de uitzonderlijke stijging van de brandstofprijzen en de gevolgen daarvan voor huishoudens en bedrijven.

Beëindigen teruggaafregeling bio- en hernieuwbare brandstoffen

De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet kan onderbouwen dat het accijnsvoordeel voor de leverancier niet of slechts beperkt wordt doorgegeven aan de eindgebruiker.

Leveranciers geven aan dat de regeling ruimte biedt om brandstoffen scherper aan te bieden, terwijl afnemers niet zien dat de teruggaaf in de brandstofprijs wordt verwerkt. Voor de teruggaafgerechtigde bestaat bovendien geen verplichting om het fiscale voordeel door te geven in de verkoopprijs. Daardoor is niet geborgd dat het voordeel bij de eindgebruiker terechtkomt.

Daarbij komt dat slechts een beperkt aantal brandstofleveranciers de teruggaaf aanvraagt, grotere spelers zien hiervan af vanwege de administratieve lasten. Voor de teruggaaf moet namelijk tot aan de pomp worden aangetoond wat de mengverhouding is en dat de gemende brandstof uitsluitend wordt gebruikt voor motorrijtuigen. De teruggaafgerechtigde is daarbij mede afhankelijk van informatie van de partij(en) verderop in de keten. Wanneer achteraf onvoldoende kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden is voldaan, bestaat het risico dat de teruggaaf wordt gecorrigeerd en een naheffing volgt. Deze lasten en financiële risico’s beperken het gebruik van de regeling.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet zich ervan bewust is dat met het beëindigen van de teruggaafregeling volgens deze leden opnieuw instabiel beleid wordt gevoerd. Verder vragen de leden of het kabinet het ermee eens is dat de voorgestelde beëindiging niet zonder meer bijdraagt aan het streven naar betrouwbaar en voorspelbaar beleid voor verduurzaming. Ook vragen de leden hoe het kabinet ervoor zorgt dat in de toekomst wel voorspelbaar en stabiel beleid wordt gevoerd op het gebied van verduurzaming.

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom het oorspronkelijke doel van de teruggaafregeling niet langer voldoende reden vormt om de regeling in stand te houden, nu de regeling volgens deze leden mede tot doel heeft het gebruik van duurzame brandstoffen te stimuleren door het prijsnadeel ten opzichte van reguliere brandstoffen te verkleinen. Ook vragen deze leden of duurzame brandstoffen door het beëindigen van de teruggaafregeling niet op een concurrentieachterstand worden gezet. De leden van de fractie van BBB vragen waarom het kabinet ervoor kiest de teruggaafregeling te beëindigen, terwijl vergroening en de transitie naar duurzamere brandstoffen belangrijke beleidsdoelen zijn. De leden van de fractie van de SGP vragen of het beëindigen van de regeling ertoe leidt dat deze vergroening wordt afgeremd en of dit niet indruist tegen de duurzaamheidsambities van het kabinet.

De voorgestelde maatregel wijzigt het kabinetsbeleid ten aanzien van de verduurzaming van mobiliteit niet. Wel kan de voorgestelde maatregel leiden tot een iets hogere kostprijs voor brandstoffen waarvoor nu de teruggaaf van toepassing is, maar de impact is naar verwachting beperkt. De aanleiding voor de maatregel ligt in de werking van de teruggaafregeling. Deze is ingevoerd om het accijnsnadeel voor motorrijtuigen te corrigeren dat kan ontstaan doordat bio- en hernieuwbare brandstoffen per liter een lagere energie-inhoud hebben dan de fossiele brandstof waarop het accijnstarief is gebaseerd. De regeling is dus niet ingevoerd om het gebruik van duurzame brandstoffen te stimuleren of om het kostenverschil tussen hernieuwbare brandstof en reguliere brandstof te overbruggen. De vraag is daarom of deze specifieke fiscale correctie, gelet op de gewijzigde markt- en beleidscontext en de uitvoeringsproblemen, nog voldoende doeltreffend, doelmatig en uitvoerbaar is.

Het verschil in energie-inhoud bestaat nog steeds, maar de context waarin dit verschil optreedt is veranderd. Reguliere benzine en diesel zijn in de loop der tijd zelf ook (meer) hernieuwbare componenten gaan bevatten. Het CBS89 wijst er eveneens op dat de introductie van bijgemengde biobrandstoffen de verbrandingswaarde van motorbrandstoffen voor het wegverkeer heeft gewijzigd.

Verder wordt de inzet van hernieuwbare energie in vervoer inmiddels in belangrijke mate gestuurd door Europese verplichtingen en de nationale brandstoftransitieverplichting. Dit stimuleert eveneens de vraag naar duurzame brandstoffen. Voor de vervoersector loopt de vereiste ketenemissiereductie op van 14,4% in 2026 tot 28,4% in 203090. Daarmee bestaat, los van deze teruggaafregeling, een structurele en oplopende verplichting om de ketenemissies van geleverde energie voor vervoer te verminderen.

Het beëindigen van de teruggaafregeling betekent daarom niet dat het kabinet minder belang hecht aan de inzet van bio- en hernieuwbare brandstoffen.. Gelet op de beperkte impact van de teruggaafregeling op de totale inzet van bio- en hernieuwbare brandstoffen acht het kabinet het niet aannemelijk dat het beëindigen van deze regeling op zichzelf leidt tot een wezenlijke verschuiving naar fossiele brandstoffen.

Daarnaast blijkt uit de uitvoeringspraktijk dat de regeling complex is voor zowel belastingplichtigen als de Douane. Voor het recht op teruggaaf moet onder meer worden aangetoond dat wordt voldaan aan voorwaarden ten aanzien van duurzaamheid, energie-inhoud en het uiteindelijke gebruik in motorrijtuigen. De informatie die daarvoor nodig is, bevindt zich niet altijd bij de teruggaafgerechtigde en kan betrekking hebben op handelingen verderop in de keten. De complexiteit brengt daardoor financiële en juridische risico’s voor belastingplichtigen met zich mee. Wanneer achteraf niet voldoende kan worden aangetoond dat aan alle voorwaarden is voldaan, bestaat het risico dat de teruggaaf wordt gecorrigeerd en een naheffing volgt. Dit beperkt de rechtszekerheid en vergroot de kans op fouten bij de toepassing van de regeling.

Daar staat een beperkt fiscaal voordeel tegenover. In 2025 zijn zestien aanvragen gedaan met een totale omvang van circa € 4 miljoen.

Gelet op de gewijzigde beleidscontext, de structurele uitvoeringscomplexiteit, de daarmee samenhangende risico’s voor belastingplichtigen en het beperkte fiscale voordeel acht het kabinet het niet proportioneel de regeling uitsluitend met het oog op beleidscontinuïteit in stand te houden. Betrouwbaar en voorspelbaar verduurzamingsbeleid betekent niet dat iedere fiscale regeling ongewijzigd moet blijven bestaan. Het is wel van belang dat de langetermijndoelen en het structurele beleidskader duidelijk zijn en dat wijzigingen in regelingen zorgvuldig worden afgewogen. Het kritisch bezien en waar nodig aanpassen of beëindigen van fiscale regelingen die ondoelmatig zijn, past bovendien binnen de bredere inzet om het belastingstelsel te vereenvoudigen.

De leden van de fractie van het CDA vragen welke gevolgen de beëindiging van de teruggaafregeling kan hebben voor bestaande businesscases, investeringsbeslissingen en de productiecapaciteit voor duurzame brandstoffen. Ook vragen de leden of de gevolgen van de maatregel voor de capaciteitsgroei van de biobrandstoffensector voldoende in beeld zijn gebracht.

Businesscases, investeringsbeslissingen en de ontwikkeling van productiecapaciteit worden door meer factoren bepaald dan alleen fiscale prikkels, zoals onder meer grondstof- en productiekosten, marktprijzen en de vraag naar deze brandstoffen. Die vraag neemt toe door aangescherpte Europese verplichtingen en de nationale brandstoftransitieverplichting.

Daarnaast zijn het gebruik en de omvang van de regeling beperkt, terwijl de regeling gepaard gaat met relatief hoge administratieve lasten en financiële en juridische risico’s voor belastingplichtigen. Gelet op deze en de veelheid aan factoren die investerings- en capaciteitsbeslissingen bepalen, acht het kabinet een afzonderlijke raming van het effect van de beëindiging op de toekomstige capaciteitsgroei niet noodzakelijk. Een dergelijk effect is bovendien moeilijk afzonderlijk vast te stellen. Het kabinet ziet eveneens geen aanleiding om te veronderstellen dat het beëindigen van de regeling een wezenlijke invloed heeft op de capaciteitsgroei van de biobrandstoffensector.

De leden van de fractie van het CDA vragen of alternatieven zijn onderzocht om de teruggaafregeling te vereenvoudigen in plaats van deze volledig te beëindigen.

Er zijn verschillende alternatieven bezien om de regeling in aangepaste vorm voort te zetten. Zo is gekeken naar het verhogen van de ondergrens voor het aandeel duurzame brandstof, zodat de facto alleen hoge blends zoals HVO100 of E85 onder de reikwijdte vallen. Ook is bezien of de regeling kan worden verbreed naar andere sectoren, zoals de scheepvaart en de luchtvaart, voor een lastenvermindering ten aanzien van het aantonen van het gebruik van de regeling.

Deze alternatieven nemen de kern van de uitvoeringsproblematiek echter niet weg en gaan uiteindelijk aan het doel van de regeling voorbij. Ook bij een hoger minimumaandeel blijft het nodig om vast te stellen dat gedurende de verdere keten aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan. De teruggaafgerechtigde beschikt in ketensituaties niet altijd over de informatie of zeggenschap die nodig is om dit zelfstandig aan te tonen. Daardoor blijft afhankelijkheid bestaan van informatie en verklaringen van derden, met de daarbij behorende administratieve lasten, controlelasten en juridische onzekerheid. Ook verbreding naar andere sectoren biedt geen afdoende oplossing. De bezwaren ten aanzien van uitvoerbaarheid en doelmatigheid blijven daarbij bestaan, dat in combinatie met een verbrede scope van de regeling.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe zonder de teruggaafregeling inhoudelijk kan worden voldaan aan de Richtlijn energiebelastingen, mede omdat het voorstel tot herziening van deze richtlijn uitgaat van belastingheffing op basis van energie-inhoud. Ook vragen de leden wat het kabinet doet om deze doelen alsnog te behalen.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de huidige Richtlijn energiebelastingen en het voorstel tot herziening daarvan. De huidige teruggaafregeling is geen vereiste uit de geldende richtlijn. Het beëindigen van de regeling staat daarom niet in de weg aan de naleving van de huidige Europese regels.

In het voorstel tot herziening van de richtlijn wordt voorgesteld de belastingheffing op energieproducten sterker te baseren op de energie-inhoud. De onderhandelingen over dit voorstel hebben niet tot overeenstemming geleid. Een eventuele fundamentele herziening van het Nederlandse accijnsstelsel moet mede in het licht van een eventuele uitkomst van de onderhandelingen worden bezien. Het kabinet acht het niet wenselijk om daarop vooruit te lopen door de huidige teruggaafregeling om die reden in stand te houden.

Voor zover de leden vragen naar de verduurzamingsdoelen, geldt dat het stimuleren van het gebruik van duurzame brandstoffen geen wettelijk opgenomen doel is van de teruggaafregeling. Zoals in eerdere beantwoording toegelicht, wordt de verduurzaming van brandstoffen gestuurd door Europese verplichtingen en de nationale brandstoftransitieverplichting. Daarmee bestaat, los van de teruggaafregeling, een structureel kader voor het verminderen van de ketenemissies van energie voor vervoer.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet deelt dat achter de zestien aanvragen in 2025 een groter aantal afnemers kan zitten dat indirect van de teruggaafregeling profiteert.
Ook vragen de leden hoe het kabinet rekening houdt met ondernemers die bij investeringen of in hun bedrijfsmodel rekening hebben gehouden met de teruggaafregeling.

Het aantal aanvragen ziet uitsluitend op het aantal teruggaafverzoeken en niet op het aantal afnemers van de brandstoffen waarop deze verzoeken betrekking hebben. Het is dus mogelijk dat via deze aanvragen meerdere afnemers worden bereikt. Hoeveel afnemers uiteindelijk daadwerkelijk financieel voordeel van de regeling hebben, kan echter niet worden vastgesteld. Er bestaat immers geen verplichting om het fiscale voordeel door te geven in de verkoopprijs. Gelet op de totale omvang van de regeling, 4 miljoen per jaar is, de verwachting dat het kostprijseffect van de regeling uiteindelijk beperkt zal zijn in het bedrijfsmodel.

Voor ondernemers die bij hun bedrijfsvoering rekening hebben gehouden met de regeling geldt dat wijzigingen in fiscale regelingen gevolgen kunnen hebben voor de uitgangspunten waarop zij hun bedrijfsbeslissingen baseren. Zoals in eerdere beantwoording toegelicht, worden businesscases en investeringsbeslissingen echter door meer factoren bepaald dan alleen deze fiscale regeling. Het kabinet ziet, mede gelet op de totale omvang van de regeling, geen aanleiding om te veronderstellen dat de teruggaafregeling een bepalende factor is voor dergelijke langjarige investeringsbeslissingen. Deze regeling is bovendien ook niet bedoeld om deze businesscase te ondersteunen, maar om te compenseren voor het accijnsnadeel als gevolg van de lagere energiewaarde van brandstoffen met biocomponenten.

Indexering alcoholaccijns

De leden van de fractie van PRO vragen hoe het komt dat alcoholaccijns nog niet jaarlijks wordt geïndexeerd en andere accijnzen wel. De leden van de fractie van JA21 merken op dat de voorgestelde indexering van de alcoholaccijns een jaarlijkse automatische lastenverzwaring betekent. De leden vragen waarom een automatische indexatie wordt ingevoerd in plaats van dat de Kamer jaarlijks bij het belastingplan over de hoogte van de accijns beslist.

In de Wet op de accijns zijn drie categorieën accijnsgoederengoederen opgenomen, namelijk alcohol, minerale oliën (brandstof) en tabaksproducten. De accijns voor minerale oliën wordt jaarlijks geïndexeerd. De alcoholaccijns en de tabaksaccijns worden op dit moment niet jaarlijks geïndexeerd. Voor de alcoholaccijns wordt met dit belastingplan een jaarlijkse indexatie voorgesteld. Indexatie zorgt ervoor dat de hoogte van de accijns wordt aangepast met de inflatie. Als de hoogte van de accijns niet wordt aangepast met de inflatie, neemt de reële waarde van de accijns af. Vanuit gezondheidsoogpunt is dit niet wenselijk. Het kabinet stelt daarom een jaarlijkse indexatie voor. Het alternatief van indexatie is een autonome verhoging van de accijns, waarnaar de leden van de fractie van JA21 verwijzen. Het voordeel van indexatie boven een autonome verhoging is dat de tarieven met indexatie reëel constant worden gehouden, wat vanuit gezondheidsoogpunt dus wenselijk is. Ook wordt de belastingheffing met een jaarlijkse indexatie meer solide. Daarnaast maakt een jaarlijkse indexatie dat er voor de consument minder aanleiding is voor anticipatieaankopen in het zicht van een substantiële autonome tariefverhoging.

De leden van de fractie van PRO vragen waarom het tarief van de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken niet wordt geïndexeerd, en of het kabinet van plan is dat alsnog te gaan doen op het moment dat overgestapt wordt naar differentiatie van de verbruiksbelasting op basis van suikergehalte.

Voor de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken stelt het kabinet nu geen jaarlijkse indexatie voor. Per 1 januari 2024 heeft wel een autonome verhoging van het tarief plaatsgevonden. Het kabinet onderzoekt momenteel nog de mogelijkheden voor een suikerbelasting op eetwaren en alcoholvrije dranken en komt uiterlijk begin volgend jaar met een brief. Voor de zomer verwacht het kabinet ook met een wetsvoorstel voor deze suikerbelasting op eetwaren en alcoholvrije dranken te komen. Het kabinet zal de komende maanden beslissen wat voor dit voorstel budgettair en voor het bevorderen van de gezondheid verstandig is en wil daar nu nog niet op vooruit lopen.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat het effect van de indexering naar verwachting in praktijk zal zijn, dat wil zeggen hoeveel de prijs van een biertje, fles wijn of fles sterke drank zal wijzigen.

Door de voorgestelde indexatie wordt de hoogte van de accijns bij inflatie jaarlijks aan de indexatie aangepast zodat in reële termijn sprake blijft van een ongewijzigde belastingdruk. Onderstaande tabel laat per product de huidige accijnstarieven zien exclusief btw, en de accijnstarieven en de stijging ten opzichte van de huidige tarieven na één jaar inflatie (in 2027) en na zes jaar aanpassing voor inflatie (in 2032). De leden van de fractie van het CDA vragen naar het effect hiervan op de prijs van verschillende soorten dranken. Het effect van de accijnsverhoging op de prijs van drankjes in de winkel of horeca is aan de verkopende producent of winkelier. Het is niet verplicht om accijnsverhogingen door te berekenen in de prijs. In de praktijk worden accijnsverhogingen veelal in de prijs doorberekend.

Tabel: huidige accijnstarieven, exclusief btw en stijging ten opzichte van de huidige tarieven na één jaar inflatie.

Type consumptie 2026 2027 2032
Een glas bier, 250 ml 5% alcohol € 0,10 € 0,10 (+ € 0,00) € 0,12 (+ € 0,02)
Fles witte wijn (0,75L, 12% alcohol) € 0,72 € 0,74 (+ € 0,02) € 0,82 (+ € 0,10)
Fles whisky (1L, 40% alcohol) € 7,31 € 7,49 (+ € 0,18) € 8,33 (+ € 1,02)

Na het lezen van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State geven de leden van de fractie van het CDA aan dat zij graag zouden zien dat de gezondheidsdoelstelling primair is. Verder gaan deze leden ervan uit dat de gedragseffecten budgettair voldoende zijn meegenomen, maar mocht dit niet zo zijn, dan vragen deze leden wat hiervan de gevolgen kunnen zijn.

Voor de alcohol- en tabaksaccijns geldt dat maatregelen zowel een budgettair doel als een gezondheidsdoel kunnen hebben. Ook het doel van jaarlijkse indexering van de alcoholaccijns is tweeledig. Met de jaarlijkse indexering wordt voorkomen dat de reële hoogte van de accijns afneemt bij inflatie. Dit dient een gezondheidsdoel omdat wordt voorkomen dat de hoogte van de alcoholaccijns bij inflatie relatief gezien steeds afneemt. Ook heeft de maatregel een budgettair doel. Er worden belastingopbrengsten gegenereerd. Deze worden ingezet ter dekking van het maatregelenpakket energieschok.91 Dit in reactie op de opmerking van de leden van de fractie van het CDA over het doel van de regeling. Voor het meenemen van gedragseffecten geldt dat hiermee rekening is gehouden bij het berekenen van de opbrengst van de maatregel. Dat betekent dat bij het ramen van de opbrengst die met deze maatregel gepaard gaat, bij voorbaat rekening is gehouden dat onder andere minder alcoholhoudende dranken worden geconsumeerd als gevolg van de maatregel. De omvang van het gedragseffect komt uit het met het CPB opgestelde gedragseffectenmemo.92

Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of de grenseffecten naar verwachting niet minder een rol zullen spelen omdat, in tegenstelling tot tabak, voor een goedkopere alcohol variant kan worden gekozen en veel consumptie ook plaatsvindt in horecagelegenheden.

Het gedragseffect dat wordt gehanteerd bestaat uit verschillende onderdelen, zoals minder consumeren of grenseffecten. Per type accijns wordt door het CPB op basis van deze factoren een gedragseffect opgesteld92. Het bij de alcoholaccijns gehanteerde gedragseffect is lager dan dat voor de tabaksaccijns. Hier wordt dus rekening mee gehouden.

De leden van de fractie van het CDA van naar een uitsplitsing is naar effect van grensproblematiek en illegale handel voor verschillende productcategorieën.

Voor het gedragseffect wordt het een gedragseffect van 20% gehanteerd zoals afgestemd met het CPB.92 Daarbij wordt één vast vuistregelpercentage voor elke productcategorie binnen de alcoholaccijns gehanteerd. Er is namelijk onvoldoende empirische onderbouwing om voor het gedragseffect onderscheid te maken tussen productcategorieën. Er zijn geen actuele, nauwkeurige schattingen beschikbaar van gedragseffecten per productcategorie.

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet per buurland kan kwantificeren welk deel van de geraamde opbrengst van de jaarlijkse indexering van de alcoholaccijns is gecorrigeerd voor gedragseffecten, in het bijzonder grensaankopen, en daarbij de gehanteerde prijselasticiteiten, substitutie-effecten en ontwikkeling van het Nederlandse accijnsverschil met België en Duitsland inzichtelijk kan maken.

Het gedragseffect dat gebruikt is voor de raming is conform het gedragseffectenmemo dat is opgesteld met het CPB92. Er wordt niet per buurland gekwantificeerd wat de gedragseffecten zijn. Er geldt een standaard gedragseffect met een vast vuistregelpercentage voor alle alcoholaccijnzen. Hierin worden eventuele grenseffecten meegenomen.

Ook vragen deze leden welke drempelwaarde het kabinet hanteert voor het accijns- of prijsverschil met België en Duitsland om te bepalen wanneer aanvullende monitoring of bijsturing nodig is en of daarbij afzonderlijk wordt gekeken naar omzet, accijnsopbrengst en werkgelegenheid in grensregio’s.

Grenseffecten maken onderdeel uit van het gedragseffect waar rekening mee is gehouden bij het opstellen van de raming van de opbrengst van de maatregel. Er wordt geen drempelwaarde gehanteerd voor het accijns- of prijsverschil met België en Duitsland. De effecten van indexatie van de alcoholaccijns worden met een rapportage in 2029 gemonitord. Pas na een aantal jaar is het verschil in alcoholaccijns groot genoeg om eventueel zichtbare effecten te hebben.

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet de doeltreffendheid voor het gezondheidsdoel gaat meten en welke vermindering van de alcoholconsumptie zij van deze indexering verwacht, uitgedrukt in liters of procenten.

Het verhogen van de prijs van alcohol heeft een direct effect op de vraag naar alcohol en wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie beschouwd als één van de drie maatregelen die het meest kosteneffectief, betaalbaar en uitvoerbaar zijn93 om alcoholgebruik te verminderen. De andere twee maatregelen bestaan uit het beperken van alcoholreclame en het beperken van de beschikbaarheid van alcohol. Jaarlijkse indexatie van alcoholaccijns voorkomt dat de reële hoogte van de alcoholaccijns daalt. Zonder indexatie daalt de reële hoogte van alcoholaccijns over tijd en wordt alcohol relatief goedkoper. Uit recent onderzoek is gebleken dat de prijzen van alcoholhoudende dranken de afgelopen jaren zijn achtergebleven bij de (gestegen) inkomens.94 Als alcohol relatief goedkoop wordt, kan dit gebruikers stimuleren om meer alcohol te drinken. Naar verwachting zal een jaarlijkse indexatie daarom kunnen bijdragen aan minder alcoholgebruik en daarmee de bevordering van de volksgezondheid. Het verhogen van de accijns op alcohol is een bewezen kosteneffectieve maatregel om alcoholgebruik te ontmoedigen, mits de accijnsverhoging zo substantieel is dat deze leidt tot een merkbare prijsverhoging en tegelijkertijd niet dermate groot is dat het leidt tot ongewenste grenseffecten.95 Naast dit soort algemene kennis geldt dat het nagenoeg onmogelijk is het effect van precies deze maatregel af te meten in een vermindering van alcoholconsumptie in liters of procenten, zoals de leden vragen. In het drinkgedrag van mensen spelen namelijk veel factoren een rol. Naast de prijs van de producten zijn dit bijvoorbeeld ook trends (zo neemt de consumptie van alcoholvrij en laagalcoholhoudend bier toe) en, in de zomer, het (terras)weer. Het kabinet kan daarom niet in liters of procenten aangeven welke gezondheidseffect zij van specifiek deze maatregel verwacht.

De Raad van State wijst erop dat de verhoging van de kansspelbelasting en de tabaksaccijns fors minder opbrachten dan geraamd, onder meer door aankopen in het buitenland en uitwijken naar de illegale markt, zo constateren de leden van de fractie van JA21. De raming gaat uit van het standaard gedragseffect van 20 procent. Deze leden vragen het kabinet waarom het kabinet verwacht dat het grenseffect bij alcohol, anders dan bij tabak, binnen dat standaardeffect blijft, gelet op de prijsverschillen met Duitsland en België.

Het gedragseffect dat wordt gehanteerd in de raming is conform het gedragseffectenmemo zoals afgestemd met het CPB2. Een eventuele toename van grensaankopen kan niet zonder meer worden toegeschreven aan Nederlandse accijnsverhogingen. Daarnaast is het prijsverschil door indexatie van de alcoholaccijns een beperkte toename en wordt er niet verwacht dat door deze toename in de accijns er een forse toename in de illegale markt optreedt.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet bereid is de opbrengst van de alcoholaccijns jaarlijks te monitoren en de indexering op te schorten als de opbrengst achterblijft bij de raming.

De effecten van indexatie van de alcoholaccijns worden met een rapportage in 2029 gemonitord. Pas na een aantal jaar is het verschil in alcoholaccijns groot genoeg om eventueel zichtbare effecten te hebben.

Afschaffen kleine brouwersregeling

De leden van de fractie van PRO hebben het voorstel gelezen om de kleine brouwersregeling af te schaffen. De evaluatie van de kleine brouwersregeling wijst uit dat de regeling niet doeltreffend en niet doelmatig is, waardoor de leden afschaffing goed te rechtvaardigen vinden om het stelsel te vereenvoudigen. De leden vragen om inzichtelijk te maken hoe groot de gevolgen voor deze kleine bierbrouwerijen zijn. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen om inzicht in de gevolgen van deze maatregel voor kleine brouwerijen. Zij vragen of het kabinet de toekomstbestendige exploitatie van dergelijke brouwerijen bij haar overwegingen over de maatregel heeft meegenomen. De leden van de fractie van de SGP vragen naar de effecten van de voorgenomen afschaffing van de kleine brouwersregeling op het MKB. De leden van de fractie van de PVV vragen hoe het kabinet aankijkt tegen de berichtgeving dat de

belastingverhogingen het einde van de sector zouden kunnen betekenen.

Over bier van kleine brouwerijen wordt op dit moment nog een lager accijnstarief geheven dan over bier van grote brouwerijen. Het afschaffen van dit verlaagde accijnstarief per 2028 zorgt ervoor dat vanaf dat moment ook bij kleine brouwerijen het reguliere accijnstarief wordt geheven. Hiermee wordt een negatief geëvalueerde regeling afgeschaft en wordt een structurele opbrengst behaald van € 2 miljoen vanaf 2028.

De afschaffing van de kleine brouwersregeling leidt tot een beperkte verhoging van de accijns die rust op bier van kleine brouwers. Hoe groot dit verschil is, hangt af van het alcoholpercentage van het bier. Het accijnsverschil tussen een glas bier van 33 cl van 5% vol. alcohol dat onder de kleine brouwersregeling valt en hetzelfde glas bier dat onder het normale tarief valt bedraagt in 2028 1 cent en voor een glas bier van 10% vol. alcohol 2 cent.

Accijns wordt vaak doorberekend in de prijs van producten in de winkel.96 Dat betekent dat de winstgevendheid van de kleine brouwerijen, afhankelijk van de vraag naar hun producten door consumenten, met de maatregel niet hoeft af te nemen. Gezien de kleine prijsverandering per glas bier zorgt het verlaagde tarief naar verwachting niet voor grote gedragsreacties bij consumenten en heeft het verlaagde tarief dus ook geen grote effecten op de uiteindelijke winstgevendheid en exploitatiemogelijkheden van kleine brouwerijen. Het kabinet beaamt dus niet dat deze belastingverhoging het einde van de sector zou kunnen betekenen. Ook niet in combinatie met de indexering van de alcoholaccijns.

In onderstaande tabel zijn getallenvoorbeelden opgenomen. Weergegeven is de accijns per biersoort per glas van 33 cl, exclusief btw. Het verlaagde tarief geldt voor bier dat onder het verlaagd tarief wordt belast (kleine brouwersregeling). Door de afschaffing van het verlaagd tarief komt het regulier tarief dus te gelden. Omdat zowel de tarieven voor 2028 als 2032 zijn opgenomen, is het effect van de indexering van de alcoholaccijns in deze tabel eveneens te zien. Dit op verzoek van de leden van de fractie van de PVV, die vragen naar het effect van de stapeling van belastingverhogingen voor de sector.

Tabel: getallenvoorbeelden afschaffen kleine brouwersregeling

Verlaagd tarief Regulier tarief
Alcoholpercentage 2028 2032 2028 2032
Een glas bier, 33 cl, 2% alc € 0,09 € 0,09 € 0,09 € 0,09
Een glas bier, 33 cl, 5% alc € 0,13 € 0,14 € 0,14 € 0,15
Een glas bier, 33 cl, 8% alc € 0,21 € 0,23 € 0,22 € 0,24
Een glas bier, 33 cl, 10% alc € 0,26 € 0,28 € 0,27 € 0,31

De leden van de fractie van de PVV vragen of het klopt dat in het Belastingplan 2027 zowel de afschaffing van de kleine brouwersreling als de jaarlijkse indexering van de alcoholaccijns worden voorgesteld. Dat klopt. De leden vragen wat de afwegingen van het kabinet hiervoor zijn. De jaarlijkse indexering van de alcoholaccijns heeft een tweeledig doel. Enerzijds een budgettair doel: de jaarlijkse indexering levert belastinginkomsten op die worden ingezet ter dekking van het maatregelenpakket energieschok.97 Anderzijds heeft de maatregel een gezondheidsdoel: jaarlijkse indexering van de accijns zorgt ervoor dat de hoogte van de accijns bij stijging van het algemene prijsniveau (inflatie) relatief niet afneemt, maar gelijk blijft. De kleine brouwersregeling wordt afgeschaft omdat deze regeling negatief is geëvalueerd. Het oorspronkelijke doel van de regeling is achterhaald en de regeling dient op dit moment geen duidelijk doel. Met het afschaffen van zogenoemde fiscale regelingen die ondoeltreffend zijn, wordt het belastingstelsel doelmatiger en doeltreffender gemaakt. Ook wordt hiermee mede invulling gegeven aan de motie Dassen.98

De leden van de fractie van het CDA vragen of in België en Duitsland sprake is van verlaagde tarieven voor kleine brouwerijen, aangezien de accijnsrichtlijn hier specifiek ruimte voor biedt aan lidstaten. De leden van de fractie van JA21 vragen welke gevolgen de afschaffing van de kleine brouwersregeling heeft voor de concurrentiepositie van Nederlandse brouwerijen.

Zowel België als Duitsland hanteert een verlaagd tarief voor kleine brouwerijen. De Richtlijn alcoholaccijns99 laat hiertoe de ruimte. Omdat accijns in de basis wordt geheven in het land waar het accijnsgoed (in dit geval het bier) wordt verbruikt, is er geen sprake van een ongelijk speelveld. Het verlaagd tarief dat in België geldt voor kleine brouwers, is namelijk ook van toepassing op Nederlandse kleine brouwers die hun bier in België verkopen. Als bier van een Nederlandse kleine brouwer in België aan een consument wordt verkocht, is daarover dus net zoveel Belgische accijns verschuldigd als over soortgelijk bier van een Belgische kleine brouwer. Andersom betalen kleine brouwers uit Nederland, Duitsland en België (en andere EU-lidstaten) hetzelfde tarief over bier dat in Nederland wordt verbruikt. Wel geldt dat extra grenseffecten kunnen optreden omdat de verschillen in accijns op bier tussen Nederland, Duitsland en België toenemen. Zoals in de tabel met rekenvoorbeelden aangegeven, is het effect van het afschaffen van de kleine brouwersregeling op de hoogte van de accijns beperkt.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet om per productieklasse inzichtelijk te maken (a) hoeveel Nederlandse brouwerijen en welk productievolume worden geraakt, (b) de lastenstijging in euro’s en als percentage van nettowinst en investeringsruimte, (c) de ontwikkeling van het effectieve accijns- en prijsverschil met kleine brouwerijen in België en Duitsland, en (d) de verwachte gevolgen voor grensoverschrijdende aankopen, afzet, marktaandeel, werkgelegenheid en verduurzamingsinvesteringen van brouwerijen in Nederlandse grensregio’s.

Het verlaagde tarief geldt alleen voor zelfstandige brouwerijen die per jaar gemiddelde niet meer dan 200.000 hl bier produceren. Uit aangiftegegevens van 2023 lijkt dit om 560 brouwerijen te gaan, die samen 640.000 hl bier produceerden, dus gemiddeld 1.142 hl per brouwerij per jaar. De lastenstijging verschilt per producent, afhankelijk van de productie en het alcoholpercentage van het bier. Gemiddeld is een kleine brouwerij per jaar ongeveer € 2.800 per jaar extra kwijt aan accijns vanwege het afschaffen van de kleine brouwersregeling.

Tot slot vragen de leden van de fractie van het CDA en de leden van de fractie van JA21 hoe het kabinet de stapeling weegt van de accijnsindexatie en de verhoging van de belasting op leidingwater

De doorwerking van de belastingen is allereerst afhankelijk van de doorberekening hiervan in de consumentenprijs. Daarnaast zijn de productie, het alcoholpercentage en de hoeveelheid water die wordt gebruikt tijdens het productieproces van belang voor hoe de belastingdruk precies uitpakt. Uit gegevens van aangiften uit 2023 blijkt dat de gemiddelde kleine brouwerij 1.142 hl bier produceert. Daar is in het vervolg van dit antwoord ter illustratie van de effecten vanuit gegaan.

Met het verlaagde accijnstarief en zonder indexatie van de alcoholaccijns is een gemiddelde kleine brouwerij die bier brouwt met een alcoholpercentage van 5% bijna € 43.000 per jaar kwijt aan accijns. Door afschaffing van het verlaagde accijnstarief is dit ongeveer € 2.800 meer. Inclusief btw gaat het om een verhoging van bijna € 3.400. Door de aanpassing van de tarieven aan de inflatie is een gemiddelde kleine brouwerij naar verwachting, inclusief btw en het effect van de afschaffing van het verlaagde accijnstarief, ongeveer € 5.500 meer kwijt aan belastingen in 2028, en in 2032 ongeveer € 9.700. Het is wel goed te beseffen dat het gaat bij de indexatie gaat om een aanpassing van de tarieven voor inflatie, in reële termen is hier geen sprake van een stijging van de belastingdruk. Voor een los biertje van 33 cl met een alcoholpercentage van 5% is de verhoging van de accijns vanwege het afschaffen van het kleine brouwerstarief in 2028 € 0,011. Als indexatie van alcoholaccijns ook wordt meegenomen, is de toename ten opzichte van het huidige tarief van de accijns voor een biertje van 33 cl € 0,016 in 2028 en € 0,029 in 2032. De doorwerking van de verhoging van de belasting op leidingwater voor een kleine brouwerij hangt af van hoeveel water wordt gebruikt bij het productieproces. Gemiddeld verbruiken brouwerijen rond de 6 liter water per liter bier wat neerkomt op 6.800 hectoliter water per gemiddelde kleine brouwerij. Per 1.000 liter wordt de belasting verhoogd met € 0,10. Voor een gemiddelde kleine brouwerij komt dit neer op een belastingstijging van € 68 per jaar. Inclusief btw is de verhoging € 83 per jaar. Per glas bier van 33 cl komt dit neer op een belastingstijging van € 0,0002, inclusief btw.

De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet hoeveel kleine brouwerijen van de regeling gebruikmaken en wat de gemiddelde lastenverzwaring per brouwerij is.

Uit aangiftegegevens van 2023 lijkt dit om ongeveer 560 brouwerijen te gaan. De gemiddelde extra accijns per brouwerij is ongeveer € 2.800 per jaar, exclusief btw.

De leden van de fractie van JA21 geven aan dat het adviesorgaan Autoriteit toetsing regeldruk (ATR) heeft geadviseerd de maatregel pas in te dienen nadat met de adviespunten rekening is gehouden. De leden vragen welke adviespunten dat waren.

De ATR heeft geadviseerd de effecten op de eenmalige en structurele regeldruk van alle maatregelen conform de Rijksbrede methodiek in kaart te brengen. Voor de afschaffing van de kleine brouwersregeling geldt dat het effect op de regeldruk is beschreven in de toelichting. Aangegeven is dat het laten vervallen van de kleine brouwersregeling beperkte (positieve) gevolgen heeft voor de administratieve lasten van brouwers die op dit moment gebruikmaken van het verlaagde tarief. De reden hiervoor is dat zij bij het doen van aangifte niet langer hoeven aan te tonen dat zij in aanmerking komen voor het verlaagde tarief. Eenmalige en structurele regeldruk is verder niet gekwantificeerd met het oog op proportionaliteit. Dit betekent dat de diepgang van de kostenanalyse in redelijke verhouding staat tot de verwachte relevantie.

De leden van de fractie van de SGP vragen in hoeverre de economische effecten van de afschaffing zijn meegewogen bij het voornemen, of dat de afschaffing vooral is ingegeven door de wens tot vereenvoudiging.

Zoals bij iedere maatregel zijn de effecten hiervan breed in kaart gebracht. De economische effecten van het afschaffen van de kleine brouwersregeling zijn daarom in de toelichting uiteengezet. Deze vormen voor het kabinet geen reden om van de afschaffing van de kleine brouwersregeling af te zien.

Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine Europees Nederland

De leden van de fractie van PVV vragen wat het kabinet doet om de brandstofaccijns te verlagen en of het kabinet erkent dat de benzineaccijns in dit Belastingplan alsnog stijgt. Deze leden vragen waarom het kabinet, gelet op hun zorgen over de inflatie en de koopkracht, niet ingrijpt door bijvoorbeeld de brandstofaccijns verder te verlagen. Ook vragen deze leden of het kabinet bekend is met de berichten dat één op de vier automobilisten financieel last heeft van de hoge brandstofprijzen en dat Nederlanders op boodschappen bezuinigen om brandstof te kunnen betalen. Verder vragen deze leden waarom het kabinet de brandstofaccijns niet verlaagt om het leven voor deze groep betaalbaar te houden.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het kabinet bereid is het basispad van de brandstofaccijns structureel te verlagen, zodat automobilisten na opeenvolgende tijdelijke verlengingen eerder en blijvend zekerheid hebben over de tarieven.

De leden van de fractie van BBB vragen waarom het kabinet de accijnskorting niet voor een veel langere periode vastlegt. Ook vragen deze leden waarom het kabinet, gelet op de verwachte prijsstijging door het vervallen van de korting en de invoering van ETS2, niet kiest voor een structurele accijnskorting om burgers en bedrijven langdurig zekerheid aan de pomp te bieden. Veder vragen deze leden waarom het kabinet een forse stijging van de brandstofkosten door het beëindigen van de accijnskorting en de invoering van ETS2 aanvaardbaar acht voor mensen die voor hun werk, familie of voorzieningen afhankelijk zijn van de auto, in het bijzonder in de grensstreek en op het platteland.

Het kabinet begrijpt de zorgen over de hoge brandstofprijzen en de mogelijke financiële impact op huishoudens. Zoals in de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok100 toegelicht, hangt de huidige stijging van de brandstofprijzen samen met een internationale aanbodschok op de oliemarkt. Het kabinet kan deze onderliggende internationale prijsontwikkeling niet wegnemen, maar heeft wel maatregelen genomen om de gevolgen voor huishoudens en bedrijven te beperken en de leveringszekerheid te versterken. Daarbij wordt steeds een balans gezocht tussen betaalbaarheid, leveringszekerheid en het voorkomen dat maatregelen bij een beperkt aanbod de vraag verder aanjagen.

Dit voorjaar heeft het kabinet daarom verschillende maatregelen genomen om de gevolgen voor burgers en bedrijven te verzachten. De maximale onbelaste reiskostenvergoeding is met terugwerkende kracht per 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Hiermee kunnen werkgevers een groter deel van de kosten van noodzakelijk woon-werkverkeer onbelast vergoeden. Het daadwerkelijke voordeel voor werknemers hangt af van de vergoeding die hun werkgever verstrekt. Voor ondernemers is de motorrijtuigenbelasting op bestelauto’s per 1 juli 2026 voor een half jaar gehalveerd. Voor vrachtauto’s is deze belasting in dezelfde periode verlaagd naar nihil en is de vrachtwagenheffing per 1 september 2026 voor de rest van het jaar met 22% verlaagd. Daarnaast heeft het kabinet ingezet op een inruilregeling voor huishoudens met een laag inkomen die een elektrische auto willen aanschaffen. Op initiatief van de Kamer is ook een goedkoop treinabonnement voor de zomermaanden afgesproken. Deze maatregelen bieden verschillende groepen ondersteuning, zonder te veronderstellen dat iedereen op korte termijn minder kan rijden of op een andere vervoerwijze kan overstappen.

Ook met dit Belastingplan neemt het kabinet maatregelen om de brandstofkosten te beperken. In het coalitieakkoord is circa € 900 miljoen gereserveerd voor het verlengen van de benzineaccijnskorting in 2027. Het accijnstarief voor benzine kan daardoor in 2027 nagenoeg gelijk blijven aan het tarief van 2026, ca. € 0,84 per liter in 2026 wordt ca. € 0,85 in 2027. Doordat het tarief in 2027 niet wordt geïndexeerd, wordt de korting ten opzichte van 2026 groter. Met de nota van wijziging worden aanvullende maatregelen voorgesteld om ook de korting op diesel in 2027 te verlengen en de kortingen voor benzine en diesel in 2028 geleidelijker af te bouwen. Met voornoemde maatregelen voorkomt het kabinet dat automobilisten in 2027 en 2028 de volledige accijnsstijging, door het vervallen van de korting, moeten betalen.

Het kabinet is terughoudend om de accijnskorting structureel te maken. Dit leidt structureel tot lagere belastinginkomsten en vraagt een structurele dekking, bijvoorbeeld door lagere uitgaven of hogere belastingen elders. Bovendien blijft de verminderde prikkel tot brandstofbesparing bestaan. Het kabinet acht dit ongewenst.

Het kabinet blijft de ontwikkeling van het conflict in het Midden-Oosten en de economische doorwerking hiervan nauwgezet volgen. In de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok zijn vijf scenario’s uiteengezet voor de ontwikkeling van het energieaanbod en de gevolgen voor de economie. Voor brandstof zaten we dit voorjaar tussen het gele en oranje scenario in en lijken we langzaam verder te bewegen richting het oranje scenario. In dit scenario stijgen de brandstofprijzen verder en houden die voor een langere tijd aan. In elk scenario is het van belang om zo veel mogelijk gericht in te grijpen, om te voorkomen dat de vraag naar brandstof onnodig wordt opgestuwd, waarbij het kabinet ook wil voorkomen dat burgers en bedrijven in de problemen komen.

De leden van de fractie van D66 vragen om de brandstofprijzen vanaf 2000 tot nu weer te geven in nominale en reële prijzen en om hierbij ook het aandeel belasting weer te geven.

Op basis van CBS-data zijn de brandstofprijzen voor benzine en diesel in nominale prijzen vanaf 2006 weergegeven. Vervolgens zijn deze prijzen geïndexeerd naar prijspeil 2026 om de brandstofprijzen in reële prijzen weer te geven. Daarnaast is de belastingdruk door accijns en btw over de afgelopen 20 jaar in kaart gebracht in zowel nominale als reële termen.

Onderstaand figuur laat zien dat de nominale benzineprijs met meer dan € 0,50 per liter is gestegen in de afgelopen 20 jaar terwijl de reële benzineprijs vergelijkbaar is met 20 jaar geleden. De belastingdruk is in nominale termen licht is gestegen de afgelopen 20 jaar. In reële termen is de belastingdruk constant over de jaren tot april 2022. Daarna is er een accijnskorting doorgevoerd, waardoor de belastingdruk is afgenomen en daardoor nu lager ligt dan die 20 jaar geleden lag.

Figuur: Ontwikkeling benzineprijs en belastingdruk over de afgelopen 20 jaar.

Onderstaand figuur laat zien dat de dieselprijs in nominale termen met meer dan € 0,50 per liter is gestegen de afgelopen 20 jaar en momenteel ook in reële termen hoger ligt dan 20 jaar geleden. De belastingdruk is in nominale termen toegenomen over de afgelopen 20 jaar, terwijl de belastingdruk in reële termen, na vanaf april 2022 tot nu lager lag, nu vergelijkbaar is met 20 jaar geleden.

Figuur: Ontwikkeling dieselprijs en belastingdruk over de afgelopen 20 jaar.

De leden van de fractie van D66 vragen wat de verwachte CO2-impact van het voorstel is om de accijnskorting te verlengen en of deze impact is meegenomen in de Klimaat- en Energieverkenning. In de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) alleen gekeken naar de voorgenomen verlenging van de accijnskorting voor benzine in 2027, omdat de accijnskorting voor diesel in 2027 en de gedeeltelijke verlenging van de korting in 2028 nog niet bekend was op de peildatum van de KEV. Op bladzijde 129 van de KEV wordt beschreven dat het verlengen van de accijnskorting geen structureel effect heeft, omdat de korting tijdelijk is. Het effect op de emissies is in 2030 volgens het PBL naar verwachting gericht en niet verder gekwantificeerd. In de jaren waarin de accijnskorting geldt, kan er wel sprake zijn van een toename van de CO2-emissies, omdat de prikkel afneemt om minder of zuiniger te rijden. Hier staat tegenover dat de marktprijs voor brandstof sterk is gestegen, waardoor de totale brandstofprijs (inclusief tijdelijke accijnskorting) hoger ligt dan in voorgaande jaren. Dit geeft per saldo een besparingsprikkel en tijdelijke CO2-reductie, maar minder groot dan wanneer de accijnstarieven niet tijdelijk zouden zijn verlaagd.

De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet borgt dat de accijnskorting na 2028 daadwerkelijk verdwijnt, gelet op de afspraak om geen rekeningen naar de toekomst door te schuiven.

De gedeeltelijke afbouw en de beëindiging van de accijnskortingen per 2029 worden in dit wetsvoorstel vastgelegd. Een verdere verlenging na 2028 vergt daarmee een nieuwe wetswijziging.

De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet uiteen te zetten welke inkomensgroepen het meest en het minst profiteren van de accijnsverlaging. Ook vragen deze leden of de verlaagde accijns een efficiënte manier is om huishoudens met een lager of middeninkomen te ondersteunen.

De leden van de fractie van PRO verwijzen naar de bij eerdere wetsvoorstellen verstrekte informatie over de gevolgen en doelmatigheid van de accijnskorting. Zij wijzen op het voordeel voor welvarende huishoudens en het beperkte bereik onder minder welvarende huishoudens en nodigen het kabinet uit eventuele nieuwe informatie te verstrekken.

Voor het uitsluitend ondersteunen van bepaalde inkomensgroepen is een generieke accijnskorting minder geschikt dan een gerichte tegemoetkoming. Echter de accijnskorting heeft als doel de brandstofkosten tijdelijk te beperken. Het voordeel van de korting hangt af van het brandstofverbruik en autobezit.

Het autobezit en aantal gereden kilometers hangt volgens het onderzoek van het CPB uit 2025101 samen met een hoger inkomen: van gemiddeld 0,4 auto’s en 5.000 kilometers onder lage inkomens tot 2,1 auto’s en 20.000 kilometers onder hoge inkomens. Hoge inkomens rijden gemiddeld genomen dus 4 keer zoveel kilometers als lagere inkomens. Uit gegevens van het CBS uit 2019 is dit uit te splitsen naar type brandstof: de hoogste 10% inkomens rijden 4,2 keer zo veel kilometers met benzine als de 10% laagste inkomens, 5,5 keer zoveel met diesel en 0,8 keer zoveel met LPG. Doordat de hoogste 10% inkomens rond de 4 à 5 keer zoveel kilometers rijden met benzine- en dieselauto’s komt het budgettaire voordeel van de accijnsverlaging gemiddeld genomen ook 4 à 5 keer meer terecht bij de hoogste 10% inkomens t.o.v. de laagste 10% inkomens.

Een belangrijke kanttekening is dat hierbij is gekeken naar het gemiddelde per inkomensdeciel, waarbij dus ook de huishoudens zijn meegenomen die geen auto hebben en ook niet worden geraakt door de hogere brandstofprijzen en de voorgestelde accijnsverlaging. Wanneer alleen wordt gekeken naar huishoudens met auto zijn de verschillen minder groot. Volgens onderzoek van het CPB ligt het aantal gereden kilometers bij huishoudens met auto in het laagste inkomensdeciel bijvoorbeeld tussen de 10.000 – 15.000 kilometers per jaar. Hierbij merkt het CPB op dat de spreiding in kilometrage groter binnen inkomensgroepen is dan tussen de verschillende inkomensgroepen.

De inkomenseffecten van de accijnsverlaging in 2022 zijn door het CPB nader onderzocht en weergegeven in onderstaande figuur. De boxplot geeft een overzicht van de spreiding van inkomenseffecten binnen elk inkomensdeciel. De box (het donkerblauwe vlak) zelf toont de middelste 50% van de inkomenseffecten binnen een inkomensdeciel en de roze lijn binnen de box geeft de mediaan weer (de ene 50% heeft een lager inkomenseffect, de andere 50% heeft een hoger inkomenseffect). De figuur laat zien dat binnen ieder inkomensdeciel veel spreiding bestaat, omdat het inkomenseffect van de accijnsverlaging sterk afhankelijk is van of een huishouden een auto heeft en hoeveel kilometer per jaar wordt gereden. Huishoudens die veel kilometers afleggen profiteren het meest van een accijnsverlaging en die komen in iedere inkomensgroep voor.

Figuur: inkomenseffecten van de accijnsverlaging in 2022

Bij de keuze voor de maatregel weegt het kabinet naast de inkomensverdeling ook de uitvoerbaarheid en de snelheid waarmee huishoudens kunnen worden bereikt. Een gerichter alternatief in de vorm van een brandstofpas voor lage inkomens is eerder verkend. Zoals toegelicht in de brief van 15 juni 2026102, kan dit instrument niet op korte termijn worden uitgevoerd. Er is geen publieke uitvoeringsorganisatie beschikbaar om te beoordelen welke huishoudens en voertuigen in aanmerking komen. Ook is een systeem van brandstofpassen fraudegevoelig.

Het kabinet kiest daarom voor tijdelijke voortzetting van de bestaande accijnskorting, als onderdeel van het bredere pakket om de gevolgen van de energieschok te verzachten. Daarmee wordt voorkomen dat huishoudens en bedrijven boven op de hoge brandstofprijzen ineens de volledige lastenstijging door het vervallen van de korting moeten opvangen. Daarnaast zijn de budgettaire consequenties en de verminderde prikkel tot brandstofbesparing voor het kabinet redenen om de korting niet structureel te verlengen.

De leden van de fractie van de PVV vragen of het kabinet de verwachte grenseffecten door het verschil in brandstofprijs met buurlanden uiteen kan zetten en of bij de beantwoording het toegezegde rapport over de grenseffecten van brandstofaccijns mee kan sturen. Uit eerdere analyses kwam naar voren dat de grenseffecten rond brandstofaankopen een beperkte impact hebben op de totale accijnsinkomsten, maar voor individuele tankstations in de grensregio de effecten wel aanzienlijk kunnen zijn. Het onderzoek naar de effecten van de verhoging van de brandstofaccijns per 1 januari 2026 is in de afrondende fase en wordt voor het einde van het jaar met de Kamer gedeeld.

De leden van de fractie van JA21 vragen wat een structurele verlaging van de accijnstarieven naar de huidige tarieven zou kosten. Het structureel verlagen van de benzineaccijns naar het geldende accijnstarief in 2026 kost structureel € 1.122 mln. Het structureel verlagen van de dieselaccijns naar het geldende accijnstarief in 2026 kost structureel € 532 mln. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting geleidelijk af te bouwen en trekt hier de komende 2 jaar € 2,1 miljard voor uit om uiteindelijk pas in 2029 de korting helemaal af te bouwen.

De leden van de fractie van JA21 vragen of het klopt dat de prijs aan de pomp per 1 januari 2027 met circa 0,8 eurocent per liter inclusief btw duurder wordt door de stijging van het accijnstarief voor benzine tussen 2026 en 2027. Zonder de accijnskorting zou het accijnstarief voor benzine in 2027 circa € 1,03 per liter bedragen. Door de voorgestelde accijnskorting blijft het tarief circa € 0,18 per liter lager en komt het uit op circa € 0,85 per liter. De accijnskorting is daarmee groter dan in 2026, toen deze circa € 0,16 per liter bedroeg. De hogere accijnskorting compenseert een groot deel van de stijging van het tarief in het basispad. Hierdoor neemt het daadwerkelijk geldende accijnstarief in 2027 slechts met € 0,007 per liter toe, wat inclusief btw neerkomt op € 0,008 per liter.

Onderstaande tabel laat de accijnstarieven (in het basispad) en accijnskortingen voor benzine zien per liter.

2026 2027
Accijnstarief benzine in basispad103 € 1,00207 € 1,02812
Accijnstarief benzine104 € 0,84469 € 0,85169
Accijnskorting € 0,15738 € 0,17643

De leden van de fractie van de BBB vragen of de stapeling van de beëindiging van de accijnskorting en de invoering van ETS2 binnen nu en drie jaar leidt tot een stijging van zo’n 30 à 40 eurocent per liter. Het beëindigen van de accijnskorting binnen nu en drie jaar zorgt voor een accijnsstijging van € 0,228 per liter benzine en € 0,148 per liter diesel. Bij een volledige doorberekening in de brandstofprijs komt dit inclusief btw neer op een prijsstijging van € 0,276 per liter benzine en € 0,179 per liter diesel in prijspeil 2026. In deze stijging is ook de indexatie/inflatiecorrectie meegenomen. In prijspeil 2026 stijgt de benzineaccijns € 0,157 (inclusief btw € 0,190) en de dieselaccijns € 0,102 (inclusief btw € 0,123). De invloed van ETS2 op de prijs aan de pomp is afhankelijk van de hoogte van de ETS2 prijs. ETS2 geldt voor alle EU-lidstaten en zal daar ook tot vergelijkbare prijsstijgingen leiden. Bij een ETS2-prijs van € 57/ton heeft PBL berekend dat de prijs van een liter benzine toeneemt met € 0,14 en een liter diesel met € 0,15 exclusief btw105. Inclusief btw komt dit neer op een prijsstijging van € 0,169 per liter benzine en € 0,182 per liter diesel. Met een hogere ETS2 prijs kan de prijsstijging hoger uitvallen. Bij een volledige doorberekening van het vervallen van de accijnskorting en een ETS2-prijs van € 57/ton zou de stapeling van genoemde effecten zorgen voor een prijsstijging van € 0,45 per liter benzine en € 0,36 per liter diesel. In prijspeil 2026 stijgt een liter benzine met € 0,36 en een liter diesel met € 0,31. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting de komende 2 jaar geleidelijk af te bouwen en trekt hier de komende 2 jaar 2,1 miljard euro voor uit. Hierdoor zal de prijs aan de pomp niet ineens met dit bedrag toenemen maar zal het geleidelijk oplopen over tijd.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet kan uitsplitsen welk tarief en budgettair belang gemoeid is met de accijnsverhoging en de maatregel om niet te indexeren. Ten opzichte van het basispad zal in 2027 sprake zijn van een accijnskorting van € 899 mln. euro voor benzine. Hiermee kan het accijnstarief in 2027 worden verlaagd tot net boven het geldende accijnstarief in 2026. Hierdoor zal het accijnstarief in 2027 iets toenemen ondanks de accijnskorting van € 899 mln. Als het accijnstarief voor benzine in 2027 gelijk was gehouden met het geldende accijnstarief in 2026 had dit geresulteerd in een extra derving van € 36 mln. en een verdere verlaging van de benzineaccijns met € 0,007 per liter. Het niet indexeren van de benzineaccijns tussen 2026 en 2027 resulteert in een derving van € 129 mln. en een verlaging van de benzineaccijns met € 0,026.

Aanpassingen afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) zich inmiddels voor Aramis hebben ingeschreven en of het nieuwe tariefpad voldoende zekerheid biedt om in CO₂-afvang te investeren. De meeste AVI’s zijn serieus bezig met CO₂-afvang en -opslag (CCS). Een aantal AVI’s hebben inmiddels een SDE++-beschikking ontvangen, andere nog niet. Het hebben van een SDE++-beschikking betekent overigens niet automatisch dat een AVI zich definitief inschrijft voor Aramis. Uiteindelijk baseren AVI’s hun beslissing op de vraag of hun businesscase over de looptijd van het project (15 jaar) voldoende rendabel is. Deze businesscase hangt af van meerdere factoren zoals de hoogte van de SDE++ beschikking, de hoogte van de CO2-heffing, de investeringskosten, de definitieve tarieven van Aramis en de ontwikkeling van de afvalmarkt en de verwachte toename van de export en afname van de import van afval als gevolg van het bij de miljoennota afgesproken pakket aan maatregelen voor de afvalsector. Met het voorgestelde pakket heeft het kabinet aan de sector meer duidelijkheid gegeven. Of het geheel van deze ontwikkelingen voldoende zekerheid biedt om in CO₂-afvang te investeren, is op dit moment niet met zekerheid te zeggen.

Voorts vragen de leden van de fractie van D66 in hoeverre het kabinet de risico’s weegt voor de investeringen van AVI’s en de definitieve totstandkoming van Aramis. Het kabinet hecht grote waarde aan het doorgaan van Aramis en ondersteunt dit actief met beleid. Zo is er € 1,3 miljard extra gereserveerd om het vollooprisico af te dekken, is de lastenverzwaring voor de afvalsector verlaagd en is de SDE++-regeling verruimd. Daarnaast voert het kabinet intensieve overleggen met alle betrokken partijen in de Aramisketen om de voorwaarden voor een finale investeringsbeslissing (FID) te realiseren.

Toch ligt de uiteindelijke investeringsbeslissing bij de bedrijven zelf, waaronder de AVI’s. Zij moeten een FID in het vierde kwartaal van 2027 mogelijk maken. Op dit moment zijn er echter nog onvoldoende volumes gecontracteerd. Hierbij zijn de resultaten van de SDE++-ronde van 2026 cruciaal. Het is niet gegarandeerd dat na deze ronde voldoende volumes zullen worden gecontracteerd, omdat dit ook afhangt van de algehele belangstelling voor de SDE++-regeling. De realisatie van Aramis hangt dus af van veel factoren.

Ook vragen de leden van de fractie van D66 hoeveel extra CO2-uitstoot wordt verwacht als gevolg van de verlaging van de lastenstijging voor AVI’s en hoe het kabinet dit binnen de klimaatdoelen op gaat vangen. Het kabinet verwacht dat de CO2-uitstoot met 0,25 Mton toeneemt ten opzichte van het maatregelenpakket uit het Belastingplan 2026. In onderstaande tabel wordt uiteengezet van hoeveel CO2-uitstoot wordt uitgegaan zonder verhoging van de afvalstoffenbelasting en aanscherping van de CO2-heffing industrie en de reducties als gevolg van de maatregelen uit het Belastingplan 2026 en 2027. In het aankomend voorjaar beziet het kabinet welk aanvullend beleid mogelijk is om de klimaatdoelen dichterbij te brengen.

Tabel: CO2-uitstoot AVI’s (in Mton)

Totale CO2-uitstoot (Mton) Reductie t.o.v. PRE-BP26
Verwachte uitstoot zonder beprijzingspakket 2,3 -
Verwachte uitstoot op basis van BP26 0,9 1,4
Verwachte uitstoot met huidig wetsvoorstel BP27 1,2 1,15

Tevens vragen de leden van de fractie van D66 het kabinet om het volledige pad van de afvalstoffenbelasting, CO2-heffing en de dispensatierechten tot en met 2035 weer te geven. Onderstaande tabel geeft een overzicht hiervan tot 2035:

Tabel: tarieven afvalstoffenbelasting en CO2-heffing en dispensatierechten tot 2035 (Prijspeil2026).

2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
BP26: Tarief afvalstoffenbelasting BP 26 (In € per ton) 40,85 92,8 95,3 124,2 113 105,7 101,6 109,3 117,1
BP27: Tarief afvalstoffenbelasting (In € per ton) 40,85 64 71 81 81 81 81 81 81
BP26: Tarief CO2-heffing (In € per ton) 154 204 254 304 304 304 304 304 304
BP27: Tarief CO2-heffing (In € per ton) 126 148 170 193 215 237 259 281 304
BP26: Dispensatierechten (In Mton) 1,7 1,3 0,9 0,6 0,4 0,2 0 0 0
BP27: Dispensatierechten (In Mton) 1,7 1,3 0,9 0,6 0,5 0,5 0,3 0,1 0

De leden van de fracties van PRO en de SGP vragen op welke wijze het kabinet de alternatieve voorstellen, waaronder die door de Werkgroep afvalsector zijn ingebracht, heeft gewogen, de status van deze voorstellen en of het kabinet bereid is om in gesprek te blijven met de sector om het lastenpakket op een alternatieve manier vorm te geven.

Het kabinet dankt de Werkgroep afvalsector voor het gedegen rapport en heeft de alternatieve voorstellen van de werkgroep grondig gewogen bij de totstandkoming van het huidige pakket aan maatregelen voor de afvalsector. Deze voorstellen zien met name op alternatieve heffingen eerder in de keten. De voorstellen zijn helder beschreven in het rapport en vragen geen nader overleg in de Werkgroep afvalsector. Aanvullende gesprekken met de sector zijn op dit moment niet nodig en zodoende niet voorzien. In de Appreciatietabel voorstellen Werkgroep Afvalsector106 zijn de bevindingen en overwegingen om niet voor deze alternatieven te kiezen nader toegelicht. Hieruit blijkt dat veel voorgestelde maatregelen nog niet voldoende zijn uitgewerkt op het gebied van uitvoerbaarheid, juridische haalbaarheid en beleidsmatige effecten. Bij meerdere voorstellen spelen bijvoorbeeld complexe afbakeningsvraagstukken, en voor een aantal maatregelen zou een nieuwe uitvoeringsorganisatie nodig zijn, wat een langdurig traject vereist. Hierdoor is snelle invoering van deze maatregelen niet mogelijk. Dit staat nog los van de vraag of deze maatregelen überhaupt wenselijk zijn of dat een ander type maatregel geschikter is om het doel te bereiken.

In het aankomend voorjaar beziet het kabinet welk aanvullend beleid mogelijk is om de klimaatdoelen dichterbij te brengen. Daarnaast verwacht het kabinet in de zomer van 2027 de resultaten van het interdepartementale beleidsonderzoek circulaire economie (IBO CE) te ontvangen. Op deze momenten zal het kabinet ook opnieuw bezien welke aanvullende maatregelen in het domein van circulaire economie mogelijk en wenselijk zijn. Ook de voorstellen van de werkgroep afvalsector zullen in het IBO CE worden meegenomen.

De leden van de fracties van D66, PRO, VVD, CDA, Christenunie en SGP vragen naar de concurrentiepositie van Nederlandse afvalverwerkers en recyclers in het Europese speelveld. Zij vragen of het kabinet hiervan een nieuwe analyse heeft gemaakt en hoe wordt voorkomen dat de nationale CO2-heffing leidt tot dubbele beprijzing wanneer afvalverbrandingsinstallaties onder het Europese ETS gaan vallen.

In 2025 heeft het kabinet door Trinomics107 onderzoek laten doen naar de verhoging van de afvalstoffenbelasting en de CO2-heffing in het afvaldomein. Hieruit kwam naar voren dat de poorttarieven als gevolg van de beoogde maatregelen gaan stijgen, waardoor het voor Nederlandse afvalverwerkers onaantrekkelijk wordt om buitenlands afval te importeren. Het risico op weglek van Nederlands afval wordt vooral veroorzaakt door de hoogte van de CO2-heffing, waar in tegenstelling tot de afvalstoffenbelasting geen exportheffing op zit. Ook vanuit de sector zijn zorgen geuit dat het snelle ingroeipad van de CO2-heffing uit het Belastingplan 2026 er weinig handelingsperspectief was voor de sector om haar uitstoot te verminderen. Naar aanleiding hiervan heeft het kabinet het pakket aan maatregelen aangepast. Naast een kleinere verhoging van de afvalstoffenbelasting, wordt de aanscherping van de CO2-heffing industrie vertraagd en over een langere periode uitgesmeerd om afvalverbrandingsinstallaties meer tijd te geven om hun uitstoot te verminderen. De beprijzing sluit hiermee aan op de ontwikkeling van het CO2- opslagproject Aramis en biedt de sector dus meer handelingsperspectief. Naast een lagere structurele opbrengst van € 69 miljoen per jaar, wordt er gedurende deze kabinetsperiode een cumulatieve lastenverlichting van € 536 miljoen aan de sector geboden. Daarnaast ondersteunt het kabinet de verduurzaming van AVI’s doordat het de SDE++-regeling met zes extra openstellingsrondes heeft verlengd in het coalitieakkoord, met een jaarlijks openstellingsbudget van 8 miljard tot en met 2032. Dit geeft AVI’s extra mogelijkheden om met lagere kosten de emissies te reduceren en de CO2-heffing te vermijden.

Door het pakket aan maatregelen worden de kostenverschillen tussen afvalverwerking in Nederland en het buitenland verkleind ten opzichte van het Belastingplan 2026. Het kabinet verwacht dat met name de importstroom van buitenlands afval zal afnemen en op termijn zal verdwijnen. Het risico op export van Nederlands afval naar het buitenland wordt ten opzichte van het Belastingplan 2026 verkleind, omdat bij export eveneens afvalstoffenbelasting is verschuldigd en de aanscherping van de CO­2-heffing wordt vertraagd. Bovendien is in de omliggende landen weinig extra capaciteit beschikbaar om meer afval te verbranden en hebben ook deze landen zich gebonden aan afspraken om hun uitstoot te verminderen.

Als afvalverbrandingsinstallaties onder het ETS gaan vallen zal het risico op weglek verder worden verkleind, doordat ook buitenlandse installaties, waar nu nog geen CO2-prijs wordt betaald, over hun emissie moeten gaan betalen. Voor Nederlandse installaties geldt in dat geval dat de ETS-prijs wordt afgetrokken van het tarief van de nationale CO₂-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties. Er is dus geen sprake van dubbele beprijzing.

Voor recyclers komt in het onderzoek van Trinomics een tweeledig effect naar voren. Enerzijds wordt recyclen relatief aantrekkelijker als de kosten van verbranding van afval stijgen. Tegelijkertijd ontstaat bij recycling ook een residu dat uiteindelijk verbrand of gestort moet worden. Uit de gesprekken die het kabinet met de recyclingsector heeft gevoerd komt dit beeld ook naar voren. In beginsel vinden recyclers dat de kosten voor verbranding kunnen worden verhoogd, maar zij maakten zich zorgen over de maatvoering. Het kabinet is hierin tegemoetgekomen door deze maatvoering aan te passen.

Mede op basis van de resultaten van het onderzoek van Trinomics naar de effecten van de voorgestelde maatregelen, heeft het kabinet de voorgestelde maatregelen uit de technische dekking aangepast. Er is op dit moment geen nieuwe analyse in uitvoering of gepland, aangezien de aangepaste maatregelen naar verwachting de risico’s verkleinen. De verwachting is dat een nieuwe aanvullende studie weinig nieuwe informatie op zal leveren ten opzichte van het onderzoek van Trinomics. In het kader van een efficiënte en slagvaardige overheid is het niet passend om een nieuw onderzoek uit te zetten.

Daarnaast vragen de leden van de fractie van PRO in hoeverre het kabinet effecten verwacht van de aanpassingen in de afvalstoffenbelasting en de CO₂-heffing voor AVI’s op de hoeveelheid in Nederland geproduceerde en geconsumeerde plastics. Deze maatregelen zijn, naast een budgettaire doelstelling, gericht op het bevorderen van duurzamere afvalverwerking en het verminderen van de klimaatimpact van de afvalsector. Het kabinet verwacht geen of slechts een beperkt effect op de hoeveelheid geproduceerde en geconsumeerde plastics. Via het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) komen de kosten voor verwerking deels terecht bij producenten, die daarmee een prikkel krijgen hun producten (bijvoorbeeld plastic verpakkingen) dusdanig te ontwerpen dat ze minder afval veroorzaken.

De leden van de fractie van PRO vragen in hoeverre de voorgestelde heffingen volgens het kabinet een prikkel geven om afval te voorkomen, hergebruiken, recyclen of verbranden. Als gevolg van de hogere tarieven van de afvalstoffenbelasting en de aanscherping van de CO2-heffing zullen de poorttarieven voor afvalverwerking hoogstwaarschijnlijk op termijn gaan stijgen. Hierdoor krijgen afvalontdoeners een prikkel om het aanbod van te verbranden of te storten afval te verminderen. Ook wordt hergebruik en recycling relatief aantrekkelijker ten opzichte van verbranden. Via de UPV krijgen producenten een prikkel om hun producten (bijvoorbeeld plastic verpakkingen) dusdanig te ontwerpen dat ze minder afval veroorzaken. Daarbij is het belangrijk op te merken dat een recyclingproces reststromen (residu) oplevert, die eveneens onder de hogere poorttarieven vallen als dit moet worden verbrand of gestort. De hoeveelheid residu varieert sterk per technologie. Bij conventionele recycling richting hoogwaardig recyclaat zijn er veel reststromen. Bij thermochemische recycling en innovatieve chemische recyclingtechnologie zijn de reststromen aanzienlijk kleiner.

Voorts vragen de leden van de fractie van PRO hoe de hoogte en vormgeving van de Nederlandse afvalstoffenbelasting zich tot die in andere Europese landen verhouden. De tarieven van de Nederlandse afvalstoffenbelasting zijn vergeleken met andere landen relatief hoog. Wel worden in Nederland voor meer stromen vermindering gegeven van de afvalstoffenbelasting. In Nederland wordt vermindering gegeven op stoffen die de inrichting via de weegbrug verlaten, zoals bodemas, uitgesorteerde materialen en afgevangen CO2. De hoogte van de effectieve belastingdruk van de maatregelen wordt dus onder meer beïnvloed door de mate waarin CO2 wordt afgevangen en opgeslagen. In het onderzoek van Trinomics is gekeken naar de hoogte van de tarieven in andere landen. In Frankrijk varieert dit tarief tussen €15-25 per ton afval en in België is deze verschillend per regio, maar wordt door de onderzoekers uitgegaan van een gemiddeld tarief van €20 per ton afval. In Duitsland Polen en Zweden bestaat geen afvalstoffenbelasting.

Belangrijk is op te merken dat Nederlandse afvalstoffenbelasting ook verschuldigd is als huishoudelijk of gemengd bedrijfsafval van Nederlandse oorsprong wordt overgebracht naar een buitenlandse afvalverbrandingsinstallatie of stortplaats. Nederlandse afvalstoffenbelasting kan dus niet worden ontlopen door het afval naar het buitenland over te brengen om daar te laten verwijderen.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet bereid is een vrijstelling in te voeren voor geïmporteerd afval en of het de analyse deelt dat een dergelijke vrijstelling nauwelijks of geen budgettaire kosten met zich meebrengt, maar de sector wel vooruit zou helpen. Het kabinet deelt de analyse dat de import van afval naar verwachting zal afnemen als gevolg van de voorgestelde maatregelen. Doordat de afvalstoffenbelasting minder wordt verhoogd en het ingroeipad van de CO₂-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) wordt verlengd ten opzichte van het Belastingplan 2026, verwacht het kabinet dat de importstroom iets minder sterk afneemt maar de verwachting is nog steeds dat het merendeel van de importstroom wegvalt. Naar het oordeel van het kabinet is een vrijstelling voor geïmporteerd afval in de CO₂-heffing niet mogelijk, omdat deze heffing wordt berekend op basis van de emissies van een installatie. Binnen de systematiek van de CO₂-heffing kan geen onderscheid worden gemaakt tussen de uitstoot die afkomstig is van geïmporteerd afval en die van nationaal afval. De heffing is immers gekoppeld aan de totale uitstoot van een installatie en niet aan afzonderlijke afvalstromen.

Voor de afvalstoffenbelasting geldt dat geïmporteerd afval tot 2020 was vrijgesteld, wat resulteerde in een import oplopend tot bijna 2 miljoen ton afval per jaar. Uit geïmporteerd afval worden nauwelijks hoogwaardige grondstoffen teruggewonnen, omdat deze in het land van herkomst al grotendeels zijn uitgesorteerd. Hoewel de verbranding energie oplevert, heeft dit extra uitstoot in Nederland tot gevolg en blijft er een aanzienlijke hoeveelheid verontreinigd bodemas achter in het Nederlandse milieu. Dit staat haaks op de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie. Sommige schadelijke stoffen, zoals PFAS, zijn ook na reiniging van dit bodemas moeilijk te verwijderen. Er is een groeiende maatschappelijke weerstand tegen het gebruik van dit bodemas als bouwmateriaal, en het afzetten ervan wordt steeds moeilijker. Het importeren van afval levert dus beperkte financiële voordelen op, terwijl Nederland wel verantwoordelijk wordt voor de milieuschade en het afzetten van het bodemas.

Kortom, hoewel het kabinet de analyse deelt dat de import van afval zal afnemen en nauwelijks of geen budget kost, is het kabinet geen voorstander voor een vrijstelling van geïmporteerd afval in de afvalstoffenbelasting. Een dergelijke vrijstelling zou het beoogde doel bij het in de heffing betrekken van geïmporteerd afval om milieuschade te verminderen ondermijnen. Bovendien zouden de wettelijk vastgelegde klimaatdoelen hiermee verder buiten bereik komen te liggen.

Verhoging tarief belasting op leidingwater

De leden van de fractie van D66 vragen waarom in de belasting op leidingwater is gekozen voor een verhoging van het tarief van tien eurocent, hoewel het ministerie van Financiën eerder had gewaarschuwd voor een te grote tariefsverhoging in combinatie met het wegvallen van het heffingsplafond. Het kabinet heeft geoordeeld dat een verhoging van het tarief met tien cent, zo’n 3% van de gemiddelde drinkwaterprijs exclusief vastrecht, niet onnodig belemmerend is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Nederland zit daarmee nog altijd aan de lage kant van het Europese gemiddelde. Ook vragen de leden van de factie van D66 zich of in hoeverre het kabinet waterbesparingen verwacht van grootverbruikers. Van drinkwatergebruik is bekend dat de prijselasticiteit klein is: dat betekent dat een prijsstijging van drinkwater over het algemeen leidt tot een beperkte daling van de vraag ernaar. Op basis van de lage prijselasticiteit is de verwachte waterbesparing bij grootverbruikers dan ook beperkt.

De leden van de fractie van PRO en het CDA spreken hun zorgen uit over de effecten van de voorgestelde tariefsverhoging in de belasting op leidingwater op bepaalde veelverbruikende sectoren. Specifiek vragen de leden van de fractie van PRO zich af of het kabinet heeft overwogen openbare zwembaden en ziekenhuizen te compenseren voor de aangekondigde tariefsverhoging van de belasting op leidingwater, omdat zij hun waterverbruik niet of nauwelijks kunnen aanpassen. Het kabinet heeft dit niet overwogen. Voor zwembaden geldt dat de aangekondigde maatregel nauwelijks kostprijsverhogend uitwerkt. Het gemiddelde zwembad verbruikt zo’n 80-100 liter drinkwater per bezoeker, inclusief het waterverbruik voor douchen. Voor een zwembad met 125.000 bezoekers per jaar betekent de maatregel een lastenverhoging van ca. 1000-1250 euro per jaar. Met een ticketprijsverhoging van minder dan 1 cent kan het gemiddelde zwembad deze kostprijsverhoging opvangen. Voor niet-academische ziekenhuizen geldt dat het gemiddelde drinkwaterverbruik per bed 160 kubieke meter per jaar is, terwijl dit bij academische ziekenhuizen 300 kubieke meter per jaar is. Dat betekent voor niet-academische ziekenhuizen een lastenstijging van 16 euro per bed per jaar, en voor academische ziekenhuizen 30 euro per bed per jaar. Dit acht het kabinet niet een zodanige lastenverhoging dat compensatie noodzakelijk is.

De leden van de fractie van het CDA vragen daarbij specifiek naar het effect van stapeling van de tariefsverhoging in combinatie met het schrappen van het heffingsplafond in de belasting op leidingwater per 1 januari volgend jaar. Voor een zwembad met 125.000 bezoekers per jaar, zorgt de afschaffing van het heffingsplafond en de tariefsverhoging voor een gezamenlijke lastenverhoging in de belasting op leidingwater van € 6581 tussen 2025 en 2027. Deze lastenstijging is voor € 5331 het gevolg van de afschaffing van het heffingsplafond alleen, € 30 vanwege de ophoging van het tarief alleen en €1220 vanwege de tariefsverhoging die van toepassing is op het verbruik dat eerder viel onder het heffingsplafond. Een gemiddeld academisch ziekenhuis heeft zo’n 1000 bedden en een gemiddeld algemeen ziekenhuis zo’n 400 bedden. Gegeven het hierboven weergegeven gemiddelde drinkwaterverbruik per bed voor beide ziekenhuistypes komt het gemiddelde waterverbruik voor deze categorieën neer op 300.000 kubieke meter drinkwater voor een academisch ziekenhuis en 64.000 kubieke meter drinkwater voor een niet-academisch ziekenhuis. De extra lasten voor een gemiddeld academisch ziekenhuis komen neer op € 160.969. Hiervan is € 130.969 vanwege afschaffing van het heffingsplafond alleen, € 30 vanwege de ophoging van het tarief alleen en € 29.970 vanwege de tariefsverhoging op het eerder niet belaste verbruik. Voor een niet-academisch ziekenhuis komt dit neer op € 34.237. Hiervan is € 27.837 vanwege afschaffing van het heffingsplafond alleen, € 30 vanwege de ophoging van het tarief alleen en € 6.370 vanwege de tariefsverhoging op het eerder niet belaste verbruik. De leden van de fractie van het CDA willen dit ook weten voor de farmaceutische en voedingsmiddelenindustrie. Het kabinet kent niet het waterverbruik van de gemiddelde farmaceut en het gemiddelde bedrijf in de voedingsmiddelenindustrie. Als gerekend wordt met het waterverbruik in het 95e percentiel voor deze groepen, geldt voor dit 95e percenteel een verbruik van circa 270.000 kubieke meter drinkwater voor de farmaceutische industrie een verbruik van circa 355.000 kubieke meter. Voor de voedingsmiddelenindustrie in het 95e percentiel komt dit neer op een jaarlijkse lastenverhoging voor de belasting op leidingwater van ten minste € 144.859. Hiervan is € 117.859 vanwege afschaffing van het heffingsplafond alleen, € 30 vanwege de ophoging van het tarief alleen en € 26.970 vanwege de tariefsverhoging op het eerder niet belaste verbruik. Voor een farmaceutisch bedrijf in het 95e percentiel komt dit neer op ten minste € 190.504. Hiervan is € 155.004 vanwege afschaffing van het heffingsplafond alleen, € 30 vanwege de ophoging van het tarief alleen en € 35.470 vanwege de tariefsverhoging op het eerder niet belaste verbruik. De leden van de fractie van het CDA willen tot slot weten of deze prijsstijgingen niet te sterke stapelingen inhouden voor deze sectoren en voorzieningen en wat de gevolgen van deze kostenstijging zijn. Het kabinet acht deze prijsstijgingen niet van het niveau dat die in de betreffende sectoren ondragelijk zouden zijn. In de meeste gevallen lijkt het haalbaar de prijsstijgingen door te rekenen aan gebruikers van die sectoren, zoals zwembadbezoekers en gebruikers van voedingsmiddelen. Daarnaast is enige drinkwaterbesparing te verwachten.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet de mogelijkheid van progressieve beprijzing van drinkwater heeft onderzocht en hoe het kabinet deze optie beoordeelt. Het kabinet heeft zich al eerder de vraag gesteld of het mogelijk is tarieven met staffels in de belasting op leidingwater te hanteren. Een inhoudelijk voordeel van een progressief stelsel is dat het kan bijdragen aan een belasting met relatief beperkte lasten en beperkte aantasting van de concurrentiepositie voor verbruikers door lage lasten bij het eerste gebruik, terwijl het gepaard kan gaan met een hoge waterbesparingsprikkel door hogere lasten bij het laatste, meer vermijdbare verbruik. Bij de analyse bleek dat het complex is om tot een uitvoerbaar progressief tarievenstelsel te komen. Het verschuldigde bedrag aan belasting op leidingwater zal bij een dergelijk stelsel per WOZ-object moeten worden berekend en niet elk WOZ-object beschikt over een eigen wateraansluiting. Daarom is het voor drinkwaterbedrijven lastig te achterhalen hoeveel WOZ-objecten zich achter de aansluiting bevinden, bijvoorbeeld in het geval van appartementencomplexen of bedrijfsverzamelgebouwen. Dit maakt de uitvoering van een progressief tarievenstelsel voor drinkwaterbedrijven complex.

De leden van de fractie van PRO vragen ook op welke andere manieren het kabinet zich inzet om de verspilling van drinkwater en niet-drinkwater terug te dringen.

Aan drinkwaterbesparing wordt gewerkt via het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing (NPvA Drinkwaterbesparing). Dit plan is de afgelopen maanden herijkt en binnenkort wordt een addendum met de kamer gedeeld. Daarmee zet het ministerie van IenW samen met ruim 30 publieke en private partijen de aanpak sinds 2024 voort om het drinkwatergebruik van zowel particulieren als bedrijven met 20% te verminderen, conform de afspraken in de Kamerbrief Water en Bodem sturend108. Naast het werken aan voldoende bronnen voor drinkwater draagt dit plan bij aan het borgen van voldoende drinkwaterbeschikbaarheid voor nu en in de toekomst. Het addendum bevat een aanscherping van bestaande maatregelen en aanvulling met vervolgacties en nieuwe maatregelen gekoppeld aan de beleidsinstrumenten communiceren, stimuleren, reguleren en kennisontwikkeling voor 2026-2028. Er is afgesproken om het NPvA Drinkwaterbesparing tweejaarlijks te herijken. Zo kan de aanpak bijgestuurd worden en wordt ingespeeld op ontwikkelingen die het doelbereik in 2035 beïnvloeden. Voor grondwater zijn in de Kamerbrief Water en Bodem Sturend instrumenten benoemd om meer grip en sturing te krijgen op grondwateronttrekkingen. Deze instrumenten, meet- en/of registratieplicht, grondwateronttrekkingsplafond, voorkeursvolgorde grondwater en de (verbreding van de) grondwaterheffing, worden nu uitgewerkt in onze nationale programma’s, NWP (Nationaal Waterprogramma) en programma Bodem, Ondergrond en Grondwater, die in januari 2027 ter inzage worden gelegd.

Om verspilling van oppervlaktewater tegen te gaan worden maatregelen getroffen om het water op te slaan op het moment dat het ruim voorhanden is. Zo is met de aanpassing van het peilbesluit IJsselmeer in 2018 een flexibel zomerpeil ingevoerd, waardoor het meer als buffer gebruikt kan worden. In de looptijd van het NWP 2028-2033 wordt een integraal onderzoek uitgevoerd naar het verder vergroten van deze buffer. Ook wordt ingezet op het verbeteren van het waterbufferend vermogen van de Maas door de inrichting en infrastructuur op en langs de rivier te optimaliseren. Derde punt is het tegengaan van verzilting van het oppervlaktewater. In de looptijd van het NWP 2028-2033 wordt hiertoe de Kennisimpuls Verzilting gestart. Voor de chemische en ecologische waterkwaliteit wordt gewerkt aan het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Sinds 2023 is er een impulsprogramma voor het behalen van de doelen met alle waterbeheerders. Tot slot wordt in perioden van feitelijk watertekort/crisissituaties verspilling tegengegaan door onder andere het afkondigen van onttrekkingsverboden en het instellen van schutbeperkingen.

De leden van de fractie van JA21 vragen zich af hoeveel water een huishouden met kinderen naar verwachting minder gaat gebruiken als gevolg van de tariefsverhoging van de belasting op leidingwater en of dit besparingseffect een lastenverzwaring van circa 15 euro per huishouden rechtvaardigt. Zoals door het kabinet aangekondigd heeft de aangekondigde maatregel primair een budgettair doel. Het is bekend dat de prijselasticiteit van de vraag naar drinkwater zeer klein is. Dit is des te meer het geval bij huishoudens. In het onderzoek van Witteveen en Bos is in de berekeningen uitgegaan van een gemiddelde prijselasticiteit van de vraag naar drinkwater voor huishoudens van -0,075. Dat betekent dat men er in dit onderzoek vanuit gaat dat een prijsstijging van drinkwater met 1% leidt tot een daling van de vraag naar drinkwater door huishoudens met -0,075%. Uitgaande van een gemiddelde drinkwaterprijs in Nederland van 2,7 euro, zou een stijging van de prijs met 10 eurocent (prijsstijging van 3,7%), gepaard gaan met een vraagdaling van 0,28%. Een gemiddeld huishouden verbruikt momenteel ongeveer 100 kubieke meter drinkwater per jaar. De vraagdaling zal dan ongeveer neerkomen op een daling van het jaarlijkse waterverbruik voor een gemiddeld huishouden met 0,28 kubieke meter.

De leden van de fractie van JA21 vragen met welke adviespunten het ATR kwam bij deze maatregel. Het ATR heeft bij de tariefsverhoging van de belasting op leidingwater geen specifieke adviespunten meegegeven.

De leden van de fractie van de SGP vragen zich af of de lastenverhoging als gevolg van de tariefsverhoging van de belasting op leidingwater niet zorgt voor een verdere uitholling van het vestigingsklimaat voor ondernemers. Het kabinet denkt niet dat deze maatregel leidt tot een uitholling van het vestigingsklimaat voor ondernemers. De prijzen van drinkwater zijn in Nederland (gemiddelde prijs van 2,70-3,50 euro per kubieke meter exclusief vastrecht) gemiddeld genomen laag vergeleken met andere landen in Europa (gemiddelde prijzen van 2-5 euro per kubieke meter).109 De voorziene prijsstijging van tien eurocent per kubieke meter maakt dit niet anders.

Verder willen de leden van de fractie van de SGP weten hoe het kabinet de lastenverzwaring van de belasting op leidingwater in de publieke sector apprecieert. Het kabinet heeft geen signalen dat deze maatregel leidt tot onevenredige nadelen voor overheden.

Verlagen hoge tarief vliegbelasting

De leden van de fracties van D66 en het CDA vragen of het kabinet een inschatting heeft van de lagere grenseffecten door de maatregel. Ook vragen zij of het kabinet een inschatting heeft van de verwachte klimaateffecten van de maatregel.

De verwachte kwantitatieve beleidseffecten van specifiek de verlaging van het hoge tarief van de vliegbelasting zijn niet onderzocht.

Wel zijn de verwachte beleidseffecten van de differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (hierna: gedifferentieerde vliegbelasting) recent geactualiseerd naar aanleiding van de motie van het lid Hoogeveen.110 In het geactualiseerde onderzoek111 is ook gekeken naar de mogelijke uitwijk door passagiers. Van de passagiers die ervoor kiezen om niet meer via Nederlandse luchthavens te vliegen, kiest een deel ervoor om via een buitenlandse luchthaven te reizen. Andere passagiers kiezen ervoor om over te stappen op andere vervoersmodaliteiten of om niet meer te vliegen. De verwachte additionele uitwijk van OD‑passagiers (Origin Destination) naar buitenlandse luchthavens door de gedifferentieerde vliegbelasting is ongeveer 1%. De uitwijk verschilt per type vlucht. Voor korte vluchten wordt een verschuiving zichtbaar van buitenlandse luchtvaart en landvervoer naar luchtvaart vanaf Nederland. Voor middellange en lange vluchten is er uitwijk van Nederland naar buitenlandse luchthavens.

Het kabinet verwacht dat de additionele uitwijk van OD-passagiers naar buitenlandse luchthavens door de gedifferentieerde vliegbelasting zal afnemen door de verlaging van het hoge tarief.

Wat betreft de klimaateffecten komt uit het geactualiseerde onderzoek naar voren dat de gedifferentieerde vliegbelasting naar verwachting zorgt voor een reductie van de CO2-uitstoot van het vliegverkeer vanaf Nederlandse luchthavens van 1,6% tot 1,8% (0,1 tot 0,2 megaton CO2). Deze reductie komt voornamelijk voort uit een verschuivingen tussen typen vluchten, namelijk van langere naar kortere vluchten met een lagere CO2-uitstoot. Het totaal aantal vluchten vanaf Nederlandse luchthavens blijft naar verwachting gelijk vanwege de capaciteitsrestricties op Schiphol.

Het kabinet verwacht dat de verlaging van het hoge tarief zal leiden tot een minimale afname van de CO2-reductie van de gedifferentieerde vliegbelasting. De verlaging van het hoge tarief neemt echter niet weg dat de gedifferentieerde vliegbelasting ten opzichte van de huidige situatie nog steeds zorgt voor een reductie van de CO2-uitstoot van het vliegverkeer vanaf Nederlandse luchthavens.

De leden van de fracties van D66 en JA21 vragen naar de stand van zaken van de inzet van het kabinet op een Europese vliegbelasting die voor alle EU-lidstaten gelijk is. De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast welke lidstaten de inzet van het kabinet steunen. In het Coalitieakkoord is de inzet op een Europese vliegbelasting die voor alle EU-lidstaten gelijk is opgenomen. De verlaging is onderdeel van die inzet. Verder heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat toegezegd om in gesprek te gaan met België en Duitsland over een gelijk speelveld ten aanzien van de vliegbelasting. Tijdens de Informele Transportraad op 20 en 21 september in Dublin heeft Nederland deze gesprekken ook gevoerd. De Kamer wordt voor het einde van het jaar geïnformeerd over de uitkomsten.

De leden van de fractie van PRO vragen of het kabinet kan aangeven wat de hoogte van de externe kosten van lange afstandsvluchten is, in hoeverre die worden geïnternaliseerd met het huidige tarief en in hoeverre dat nog het geval is na de voorgenomen tariefsverlaging. De hoogte van de externe kosten van verschillende retourreizen is in 2023 in kaart gebracht door CE Delft.112 Het onderzoek laat zien dat de externe kosten van een voorbeeld-retourreis naar Toronto ongeveer € 551 per passagier bedragen en naar Los Angeles € 726. In het onderzoek uit 2025 naar de effecten van de gedifferentieerde vliegbelasting113 is de mate van internalisatie van de externe kosten, inclusief de infrastructuurkosten van de gekozen vervoersmodaliteit, onderzocht. De mate van internalisatie wordt uitgedrukt als verhouding tussen de externe kosten en de beprijzing114 van de reis. Hieruit komt naar voren dat de mate van internalisatie van de externe kosten van langeafstandsvluchten in 2030 door gedifferentieerde vliegbelasting naar verwachting toe zou nemen van ongeveer 17% in de referentieprognose, naar circa 21%.

Het kabinet verwacht dat de verlaging van het hoge tarief zal leiden tot een afname van de mate van internalisatie van de externe kosten. De verlaging van het hoge tarief neemt echter niet weg dat de gedifferentieerde vliegbelasting ten opzichte van de huidige situatie nog steeds zorgt voor een hogere mate van internalisatie van de externe kosten.

De leden van de fractie van PRO vragen ook of het kabinet kan aangeven op wie de maatschappelijke kosten van vliegen die niet worden beprijsd, worden afgewenteld en of het kabinet het wenselijk vindt als deze kosten worden afgewenteld op de samenleving. Ook vragen de leden hoe het kabinet de verlaging van kosten voor luchtvaartmaatschappijen opweegt tegen de externe effecten voor klimaat en gezondheid die vliegen met zich meebrengt. Externe kosten die niet worden beprijsd komen uiteindelijk terecht bij de samenleving als maatschappelijke kosten, bijvoorbeeld in de vorm van milieuschade, gezondheidskosten of verminderde leefkwaliteit. Het kabinet acht het onwenselijk dat deze kosten niet in de prijs tot uitdrukking komt en internaliseert daarom de externe kosten van de luchtvaart via de vliegbelasting. Hierbij streeft het kabinet naar een balans tussen internalisatie van externe kosten en de netwerkkwaliteit van Nederland.

Het kabinet onderkent dat deze verlaging leidt tot een lagere mate van internalisatie van de externe kosten dan bij het eerder vastgestelde hoge tarief. Daar staat tegenover dat de maatregel zorgt voor een verbeterde kostenpositie van de luchtvaart in Nederland, evenals een gelijker speelveld met omliggende landen. Dit heeft naar verwachting een positief effect op de internationale concurrentiepositie en de netwerkkwaliteit van Nederland. Daarnaast neemt de verlaging van het hoge tarief niet weg dat de gedifferentieerde vliegbelasting ten opzichte van de huidige situatie nog steeds zorgt voor een hogere mate van internalisatie van de externe kosten.

Ook vragen de leden van de fractie van PRO af hoe het te verantwoorden is dat transferpassagiers niet worden belast in de vliegbelasting. De uitzondering voor transferpassagiers in de vliegbelasting kent beleidsmatige als praktische redenen. Transferpassagiers zijn belangrijk voor de netwerkkwaliteit van Nederlandse luchthavens: ze maken directe verbindingen naar meer bestemmingen met hogere frequenties mogelijk. OD-passagiers profiteren ook van een veelheid aan directe verbindingen die er zonder transferpassagiers niet zouden zijn. Ook komt uit onderzoek naar voren dat transferpassagiers bij kostenverhogingen snel uitwijken naar andere luchthavens of alternatieve routes. Dit zou leiden tot een daling van het aantal transferpassagiers, hetgeen vervolgens leidt tot een afname van het aanbod van directe verbindingen en dientengevolge een verslechtering van de netwerkkwaliteit van de Nederlandse luchthavens en het Nederlandse vestigingsklimaat. Tot slot wijkt het belasten van transferpassagiers af van de internationale praktijk. Een dergelijke grondslagverbreding kan daarom leiden tot concurrentienadelen voor de Nederlandse luchthavens.

De leden van de fracties van de PVV, JA21 en SGP vragen waarom is gekozen voor een verlaging van alleen het hoge tarief en niet voor een algehele verlaging van de vliegbelasting naar de tarieven van Duitsland of België. De leden van de fractie van de SGP vragen of dit niet leidt tot een onevenredige belastingdruk. De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast hoe hoog de budgettaire derving is van een algehele verlaging naar de tarieven van Duitsland. Ook vragen de leden van de fractie van de PVV waarom het kabinet er niet voor heeft gekozen de vliegbelasting af te schaffen. Het kabinet vindt het wenselijk om de externe kosten van de luchtvaart te internaliseren. Tegelijkertijd acht het kabinet het onwenselijk dat de kosten voor luchtvaart veel hoger zijn dan in andere landen. Met deze maatregel is het kabinet van mening een balans te hebben gevonden tussen de mate van internalisatie van de externe kosten, een meer gelijk speelveld en de budgettaire gevolgen. Het kabinet is dan ook niet van mening dat de verlaging van het hoge tarief leidt tot een onevenredige belastingdruk. Ook na de verlaging blijft voor langeafstandsvluchten een hoger tarief gelden dan voor kortere vluchten.

Een verdere verlaging naar bijvoorbeeld de tarieven van Duitsland of een afschaffing van de vliegbelasting acht het kabinet niet wenselijk. Voornoemde leidt tot een lagere mate van of geen internalisatie van de externe kosten via de vliegbelasting. Daarnaast leidt dit tot een budgettaire derving van € 345 miljoen bij een verlaging naar Duits niveau en ruim € 1 miljard bij afschaffing. De verlaging naar Duits niveau of afschaffing van specifiek het lage tarief staat op gespannen voet met Nederlandse inzet voor het Herstel- en Veerkrachtplan. Een verlaging zou daarmee ook tot een aanvullend incidenteel dekkingsvraagstuk leiden.

De leden van de fractie van de PVV vragen ook hoe het kabinet de verschillen in tarieven met België rechtvaardigt.

Vliegbelastingen zijn nationale belastingen. Het is dan ook aan elk land om zelf afwegingen te maken wat betreft de vormgeving en maatvoering van de belasting aan de hand van de specifieke situatie en factoren in dat land.

Ook vragen de leden van de fractie van de PVV welke invloed de gedifferentieerde vliegbelasting heeft op de luchtvaartsector en hoe dit zich verhoudt tot de budgettaire opbrengst.

Uit het recent geactualiseerde onderzoek komt naar voren dat de gedifferentieerde vliegbelasting ervoor zorgt dat de directe connectiviteit binnen Europa naar verwachting licht toeneemt met 0,3% tot 0,5%. Dit gaat ten koste van de intercontinentale connectiviteit, die naar verwachting afneemt met circa 2%. De gedifferentieerde vliegbelasting heeft daarnaast naar verwachting een negatief effect op de winstgevendheid van luchtvaartmaatschappijen. Dit komt doordat zij niet alle kosten van de hogere vliegbelasting kunnen doorberekenen aan hun passagiers. Dit effect is echter relatief onzeker, omdat het sterk afhangt van de strategische keuzes van de luchtvaartmaatschappijen. Zo kunnen Nederlandse luchtvaartmaatschappijen bijvoorbeeld anders reageren dan buitenlandse luchtvaartmaatschappijen. Het kabinet verwacht dat de hierboven genoemde effecten licht gedempt worden door de verlaging van het hoge tarief in de vliegbelasting.

Wijziging verlaagd energiebelastingtarief glastuinbouw

De leden van de fractie van D66 willen fossiele subsidies afbouwen en vinden dat vervuiling een voorspelbare prijs moet krijgen. Deze leden vragen of het kabinet de inschatting van de beslisnota’s deelt dat “de facto” het afgesproken klimaatdoel voor 2030 wordt losgelaten en hoe het restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030 nog wordt gehaald. Het kabinet heeft besloten om het besluit over de herijking van de CO2-beprijzing voor de glastuinbouw tot en met 2030, te betrekken in het gesprek over het transitiepad richting 2040. Anders zou namelijk tweemaal binnen korte tijd een nieuw tarief moeten worden vastgesteld, wat leidt tot ongewenste onzekerheid voor de tuinder. Het restemissiedoel van 4,3 Mton in 2030 voor de glastuinbouwsector staat nog steeds en het kabinet neemt in het voorjaar – in samenhang met het besluit over het beleid tot en met 2040 – een besluit over de invulling van het beleid om dit doel te halen. Daarbij deelt het kabinet, conform het coalitieakkoord, de ambitie om financiële prikkels voor fossiele brandstoffen af te bouwen.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel van de gereserveerde glastuinbouwmiddelen uiteindelijk is vrijgevallen en waarvoor dat is ingezet. Daarnaast vragen deze leden welk budget resteert voor de in 2025 afgesproken compensatie tot en met 2030? De gereserveerde middelen voor de glastuinbouw hadden als doel te compenseren voor een deel van de lastenverzwaring die voortkomt uit de opt-in van het ETS2 en de bijmengverplichting groengas. De gecombineerde lastenverzwaring van ETS en de bijmengverplichting, zou namelijk groter kunnen zijn dan nodig om de in het convenant afgesproken reductiedoelstelling te behalen. Het verschil tussen de gecombineerde lastenverzwaring en wat nodig is om de doelen te borgen, zou worden gecompenseerd. De invoering van ETS2 is echter met een jaar uitgesteld. Hierdoor verviel ook de noodzaak de glastuinbouwsector in 2027 te compenseren voor een eventueel te hoge lastenverzwaring. In 2027 is om deze reden een bedrag van 285 mln. vrijgevallen en ingezet om tegenvallers in het inkomstenkader op te vangen. Tot en met 2030 is nog een budget van cumulatief 468 mln. gereserveerd uit de inkomsten van de ETS2 opt-in voor compensatie van de meerkosten van ETS2 en bijmengverplichting groen gas voor de glastuinbouw.

De leden van de fracties van D66 en JA21 vragen hoeveel glastuinbouwbedrijven worden over- en onder gecompenseerd en om welke bedragen het gaat. De leden van de fractie van PRO merken daarnaast op dat de compensatie in de energiebelasting de verwachte lastenstijging als gevolg van de bijmengverplichting lijkt te overstijgen. Deze leden vragen of het kabinet dit wenselijk vindt en welke maatregelen het kabinet heeft overwogen om dit te voorkomen. Het klopt dat de energiebelastingtarieven voor de glastuinbouw verlaagd worden met € 0,04 (eerste schijf glastuinbouw), € 0,02 (tweede schijf glastuinbouw) en € 0,10 (derde schijf glastuinbouw) per kubieke meter aardgas. Daar staat een verhoging van de kosten met gemiddeld maximaal € 0,015 per kubieke meter aardgas tegenover als gevolg van de bijmengverplichting. Een aanzienlijk deel van het gasverbruik van glastuinbouwbedrijven is vrijgesteld als gevolg van de inputvrijstelling voor elektriciteitslevering aan het net. Dit betekent dat niet over elke gebruikte kubieke meter aardgas energiebelasting betaald wordt. De extra kosten als gevolg van de bijmengverplichting worden echter wel over elke gebruikte kubieke meters aardgas betaald. Het gevolg is dat de tarieven met meer dan de eerdergenoemde € 0,015 verlaagd moeten worden om via de energiebelasting te compenseren voor de kostenstijging. Op sectorniveau is de compensatie via de energiebelasting ongeveer gelijk aan de extra kosten door de bijmengverplichting. Zoals de voorbeelden in de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2027 laten zien pakt die compensatie verschillend uit afhankelijk van de verhouding tussen totaal gasverbruik en vrijgesteld gasverbruik. Voor sommige bedrijven is er sprake van overcompensatie, terwijl voor andere bedrijven geldt dat de kostenstijging als gevolg van de bijmengverplichting niet volledig gecompenseerd wordt. Er is geen complete dataset beschikbaar over het gasverbruik (zowel totaal als vrijgesteld) van individuele glastuinbouwbedrijven. Het is dan ook niet mogelijk om vast te stellen hoeveel bedrijven over- en ondercompensatie ontvangen en om welke bedragen het gaat. Doordat de buy-out prijs van de bijmengverplichting is aangehouden voor het te compenseren bedrag (maximaal € 0,015 per kubieke meter aardgas) en de verwachting is dat de daadwerkelijke kosten onder de buy-out prijs zullen liggen, verwacht het kabinet op sectorniveau over te compenseren. Voor de jaren na 2027 tot 2030 zal bezien worden of de compensatie beter aangesloten kan worden op de daadwerkelijke lastenstijging.

De leden van de fractie van PRO vragen waarom de compensatie van de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas onderdeel uitmaakt van dit Belastingplan en niet van het wetsvoorstel Wet bijmengverplichting groen gas. De compensatie voor 2027 wordt geïnstrumenteerd via een aanpassing van de verlaagde energiebelastingtarieven glastuinbouw. Gezien het gaat om een fiscale aanpassing, ligt het pakket Belastingplan meer voor de hand, dan het wetsvoorstel Wet bijmengverplichting groen gas. Het wetsvoorstel is zo vormgegeven dat indien de bijmengverplichting groen gas per 1 januari 2027 niet in werking treedt, de compensatie via de energiebelasting ook geen doorgang zal vinden.

De leden van de fractie van PRO vragen in hoeverre het kabinet een hogere broeikasgasuitstoot verwacht door de voorgestelde korting voor de glastuinbouwsector, en wat de concrete gevolgen zouden zijn van het niet doorvoeren van deze korting. In het voorliggende Belastingplan 2027 worden de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 gecompenseerd. Daardoor kent de KEV geen CO2-effect toe aan de bijmengverplichting voor de glastuinbouw. Indien de compensatie geen doorgang zouden vinden, dan zouden de glastuinbouwbedrijven in 2027 worden geconfronteerd met hogere lasten. Daardoor zou de uitstoot van de sector naar verwachting naar beneden gaan, naar verwachting deels door extra verduurzaming en deels door extensivering van de sector, wat leidt tot minder productie. Het kabinet neemt in het voorjaar van 2027 een besluit de vorm van compensatie voor de bijmengverplichting in de periode na 2027. Dit zal worden bezien in samenhang met de besluitvorming over de maatvoering en inrichting van het instrumentarium, waaronder beprijzing, om het klimaatdoel van 2030 te halen en invulling te geven aan het beleid en transitiepad voor de glastuinbouwsector richting 2040.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas worden gecompenseerd omdat de meerprijs van groen gas leidt tot financiële lasten voor tuinbouwbedrijven en vragen wat dit voor effect heeft op het beoogde doel om de productie van groen gas in Nederland te laten groeien. De financiële compensatie van de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor de glastuinbouwsector, heeft naar verwachting geen effect op het beoogde doel om de productie van groen gas in Nederland te laten groeien. De compensatie geldt namelijk alleen voor het deel van de groen gas inzet, dat reeds is verplicht onder de bijmengverplichting. Via de bijmengverplichting is er dus al een stimulans om de productie van groen gas op te schalen en dat staat los van de financiële compensatie voor afnemers van groen gas.

De leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre het aantrekkelijk is voor sectoren om zonder stimulering meer duurzaam alternatief te gebruiken boven de bijmengverplichting, als dat financieel nadeliger uitpakt? De opschaling van groen gas is belangrijk om minder afhankelijk te worden van energiebronnen uit het buitenland en om ons energiesysteem te verduurzamen. Het kabinet erkent dat het gebruik van groen gas duurder is dan aardgas, waardoor het niet aantrekkelijk is om meer groen gas af te nemen dan wat de bijmengverplichting verplicht. Met de invoering van ETS2 wordt hiertoe wel een eerste stap gezet, omdat voor inzet van groen gas geen emissierechten hoeven te worden ingeleverd (in tegenstelling tot voor de inzet van aardgas).

De leden van de fractie van JA21 lezen dat de compensatie geen doorgang vindt als de bijmengverplichting niet per 1 januari 2027 in werking treedt. Deze leden vragen wanneer daarover zekerheid bestaat en hoe tuinders daarover tijdig worden geïnformeerd. Deze leden vragen voorts welke vorm van compensatie het kabinet overweegt voor de jaren na 2027. De verlaging van de energiebelastingtarieven glastuinbouw vindt alleen doorgang als de wet bijmengverplichting groen gas per 1 januari 2027 in werking treedt. Het wetsvoorstel voor de bijmengverplichting groen gas wordt dit najaar door de Eerste Kamer behandeld. Indien deze behandeling tijdig is afgerond, dan kan de bijmengverplichting per 1 januari in werking treden. Het kabinet kan daarom op dit moment nog geen uitsluitsel geven over wanneer zekerheid bestaat over de compensatie en ingangsdatum van de bijmengverplichting groen gas. Tuinders zullen te zijner tijd via de reguliere kanalen hierover worden geïnformeerd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de voortgang van het onderzoek is om te kijken naar alternatieven om de glastuinbouw buiten ETS2 te houden. Deze leden vragen voorts of de glastuinbouwers hierover alvast duidelijkheid kunnen ontvangen, zodat de uitvoeringspraktijk niet wordt overvallen door een besluit dat pas in het voorjaar van 2027 definitief wordt. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEA) heeft eerder in een Uitvoeringstoets aangegeven dat het niet uitvoerbaar is om de glastuinbouwsector buiten ETS2 te houden. Conform verzoek van uw Kamer gaat het kabinet deze conclusie samen met de NEa, energieleveranciers en de glastuinbouwsector nog een keer tegen het licht houden.

De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt dat de verlaging van de energiebelasting als compensatie voor de bijmengverplichting groen gas alleen voor 2027 wordt geregeld met het voorliggende wetsvoorstel. Tevens vragen deze leden waarom de langjarige verlaging niet direct in het wetsvoorstel opgenomen. Het kabinet heeft er inderdaad voor gekozen om in het voorliggende Belastingplan 2027 enkel de meerkosten van de bijmengverplichting groen gas voor 2027 te compenseren via de energiebelasting. Het kabinet neemt in het voorjaar van 2027 een besluit over de herijking van de netto CO2-prijs. In dat kader zal het kabinet ook een besluit nemen over de vorm van compensatie voor de bijmengverplichting in de periode na 2027 en de invulling van de middelen die in het Klimaat- energiefonds zijn gereserveerd voor de glastuinbouwsector. Dit zal worden bezien in samenhang met de besluitvorming in het voorjaar van 2027 over de maatvoering en inrichting van het instrumentarium, waaronder beprijzing, voor de glastuinbouwsector richting 2040.

Verhoging belastingvrije kilometervergoeding en aanverwante regelingen BES eilanden

De leden van de fractie van JA21 vragen of de verhoging van de belastingvrije kilometervergoeding op de BES-eilanden, net als in Europees Nederland, afhankelijk is van de bereidheid van werkgevers de vergoeding te verhogen. Voorts vragen de leden van de fractie van JA21 welk deel van de werknemers op de BES-eilanden naar verwachting daadwerkelijk een hogere vergoeding ontvangt.

De verhoging van de belastingvrije kilometervergoeding is ook op de BES-eilanden afhankelijk is van de bereidheid van werkgevers de vergoeding te verhogen. Het is voor het kabinet op dit moment erg lastig in te schatten welk deel van de werknemers daadwerkelijk een hogere kilometervergoeding zal krijgen. Niettemin zal de rijksoverheid zelf, als grootste werkgever op de BES-eilanden, de hogere vergoeding wel aan haar werknemers verstrekken. Dat betekent dat een substantieel deel van de werknemers aldaar en die onder de kilometervergoeding vallen een hogere vergoeding zullen ontvangen.

Verlaging benzineaccijns BES-eilanden

De leden van de fractie van D66 alsmede de leden van de fractie van de BBB vragen of op de BES-eilanden geen sprake is van een accijns op diesel en wat de redenen hiervoor zijn.

Ten tijde van de ontmanteling van het Nederlands-Antilliaanse staatsverband (2010) is besloten de toen reeds bestaande Antilliaanse regelingen op het gebied van accijnzen voort te zetten en inderdaad geen accijns op diesel (en kerosine) te introduceren op de BES-eilanden, vooral om schokeffecten voor lokale inwoners en ondernemers te voorkomen. De achtergrond van het niet belasten van diesel met accijns is altijd geweest het zeer beperkte gebruik van diesel als motorbrandstof en het meer voorkomende gebruik van diesel in overige bedrijfstoepassingen aldaar (aggregaten, vaartuigen en overige machines). Op deze wijze wordt tot op heden rekening gehouden met de relatief hoge kosten van ondernemers op de BES-eilanden. Het heffen van accijns zou volgens het kabinet nog steeds zeer ontwrichtend werken voor die ondernemers.

De leden van de fractie van JA21 vragen tot slot hoe het kabinet waarborgt dat de verlaging, gezien het beperkte aantal aanbieders op de BES-eilanden, wordt doorgegeven aan de pompprijs.

Op Bonaire worden per twee weken de prijzen door het Openbaar Lichaam Bonaire wettelijk vastgesteld en gepubliceerd. De accijnsverlaging is hiermee gegarandeerd. Hoewel op Sint-Eustatius en Saba de brandstofprijzen niet door de lokale overheden worden vastgesteld monitoren zij wel of de accijns correct in de benzineprijzen wordt opgenomen.

Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing

De leden van de fractie van PRO vragen in hoeverre de vrachtwagenheffing voldoende hoog is om het aandeel van het vrachtverkeer in de kosten van het aanleggen en onderhoud van wegen te dekken. De tarieven van vrachtwagenheffing zijn niet tot stand gekomen met als doel de kosten van aanleg en onderhoud van de wegen die aan vrachtverkeer kunnen worden toegerekend, te dekken. Voor de hoogte van de tarieven is aangesloten bij de tarieven van vergelijkbare heffingen in onze buurlanden.

De in het Belastingplan opgenomen verlaging van de tarieven van de vrachtwagenheffing betreft een tijdelijke verlaging van 1 september tot en met 31 december 2027. Dit om ondernemers tegemoet te komen in een periode met uitzonderlijk hoge brandstofprijzen. Op basis van een goedkeurend beleidsbesluit is vooruitlopend op wetgeving uitvoering gegeven aan de verlaagde tarieven.

De leden van de fractie van PRO vragen tevens naar de samenhang van het tijdelijk verlagen van de vrachtwagenheffing met de tariefverlaging in de motorrijtuigenbelasting en de accijnskorting. Het kabinet heeft deze maatregelen in samenhang bezien. De tijdelijke verlaging van de vrachtwagenheffing en de tijdelijke verlaging van de mrb voor vrachtauto’s zijn specifiek gericht op ondernemers in het wegvervoer die relatief sterk worden geraakt door de uitzonderlijke stijging van de brandstofprijzen. De accijnskorting heeft een bredere doelgroep en grijpt rechtstreeks aan bij de brandstofprijs. Dat betekent dat vervoerders gedurende een beperkte periode van verschillende maatregelen kunnen profiteren. Het kabinet acht dit, gelet op de uitzonderlijke omstandigheden en het tijdelijke karakter van de maatregelen, gerechtvaardigd. Van een volledige compensatie van de gestegen brandstofkosten is geen sprake. Zo bedraagt de tijdelijke korting op de vrachtwagenheffing 22,3%. Ook bij de mrb wordt slechts een beperkt deel van de totale economische last van het vrachtvervoer gecompenseerd.

In reactie op de vraag van de leden van de fractie van het CDA kan worden bevestigd dat de verlaging van de vrachtwagenheffing zoals die is opgenomen in het Belastingplan 2027 alleen betrekking heeft op het jaar 2026.

Budgettaire aspecten

De leden van de fractie van JA21 vragen welke ramingen naar aanleiding van de CPB-certificering zijn herijkt en leiden tot een verschil tussen het Belastingplan en de Miljoenennota, om welke bedragen het gaat en hoe de verschillen in de voorjaarsbesluitvorming worden verwerkt. Ook vragen de leden of het CPB kanttekeningen heeft geplaatst bij de raming van het btw-tarief voor sierteelt en de alcoholaccijns. De ramingen van twee herijkte maatregelen leidt tot een verschil tussen Belastingplan en Miljoenennota. Deze staan in de onderstaande tabel gespecificeerd. De bijbehorende reeksen geven aan met welk bedrag de raming zoals opgenomen in de Miljoenennota is bijgesteld. De budgettaire gevolgen van deze herijkingen worden integraal meegenomen in de voorjaarsbesluitvorming. Hierbij is het uitgangspunt dat het inkomstenkader sluit.

De ramingen van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt en indexeren van de alcoholaccijns zijn in een eerder stadium herijkt n.a.v. het certificeringsproces met het CPB en ook al verwerkt in het inkomstenkader. Beide ramingen zijn neerwaarts bijgesteld met respectievelijk € 23 en € 1 miljoen. Dit is verwerkt in de augustusbesluitvorming (zie tabel 4, p. 46, Miljoenennota 2027). De beoordeling van het CPB van deze beide ramingen is te raadplegen in het document Certificering budgettaire ramingen Belastingplan 2027 en overige wetsvoorstellen dat is gepubliceerd op de website van het CPB.115

Tabel: herijkingen uit het Belastingplan 2027 en overige wetsvoorstellen

Regeling (in mln. euro, - is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc.
Herijking afschaffen startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid 0 0 0 1 1 1 1
Herijking afschaffen willekeurige afschrijving starters 0 0 1 -1 -3 -5 -7

Grenseffecten

De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet per sector inzichtelijk kan maken welke financiële en economische effecten ondernemingen met accijnsproducten ondervinden doordat zij in een grensregio zijn gevestigd, en daarbij toelichten welke afstand tot de Belgische of Duitse grens wordt gehanteerd voor de afbakening van de grensregio en welke indicatoren worden gebruikt, waaronder omzetverlies, verschuiving van consumentenaankopen, werkgelegenheid, winstgevendheid en investeringsruimte. Ondernemingen met accijnsproducten die dicht bij de grens gevestigd zijn, kunnen negatieve gevolgen ervaren vanwege grenseffecten. Vooral vergeleken met Duitsland zijn de accijnstarieven van tabak en alcohol in Nederland hoger. Hierdoor kan de prijs in Duitsland lager zijn, waardoor het voor consumenten aantrekkelijker kan zijn om over de grens hun producten te kopen. Tegelijkertijd zijn er ook andere dan fiscale verschillen tussen landen die van invloed zijn op mogelijke prijsverschillen. Bij het in kaart brengen van grenseffecten wordt geen vaste afstand gehanteerd, aangezien deze effecten breed in het land kunnen voorkomen. Dichter bij de grens is het effect sterker. De grenseffecten worden maken onderdeel uit van het gedragseffect bij ramingen van accijnsopbrengsten.

De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet de grenseffecten van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief voor sierteelt, de indexering van de alcoholaccijns en de verlenging van de accijnskorting op benzine kwantitatief te onderbouwen. Daarnaast vragen de leden van de fractie van JA21 wanneer de volgende grenseffectenrapportage over de brandstofaccijnzen verschijnt. Grenseffecten maken deel uit van het gedragseffect dat bij het opstellen van ramingen wordt toegepast. Voor de indexering van alcoholaccijns en de verlenging van de accijnskorting op benzine wordt beiden een gedragseffect gehanteerd van 20%, in overeenstemming met het met het CPB opgestelde stuk116. Het gedragseffect voor de indexering van alcoholaccijns en de verlenging van de accijnskorting op benzine bestaat deels uit grenseffecten, maar het bestaat ook uit het gedragseffect van consumenten die vanwege een hogere prijs het product minder consumeren. Denk bij de brandstofaccijns aan minder rijden, zuiniger rijden, en veranderingen in het autobezit. Het onderzoek naar de effecten van de verhoging van de brandstofaccijns per 1 januari 2026 is in de afrondende fase en wordt voor het einde van het jaar met de Kamer gedeeld. Conform de ramingsafspraken met het CPB wordt bij btw-tariefswijzigingen geen gedragseffect meegenomen.

De leden van de fractie van JA21 vragen naar het cumulatieve effect van de btw-verhoging op sierteelt en de indexering van de alcoholaccijns, voor ondernemers in de grensstreek. De indexering van alcoholaccijns en de btw-verhoging op sierteelt kunnen zorgen voor een grenseffect voor ondernemers in de grensstreek. Door een veelheid aan beïnvloedende factoren en gebrek aan data hierover is het niet mogelijk dit (cumulatieve) grenseffect vast te stellen.

EU-aspecten

De leden van de fractie van de VVD vernemen van het kabinet wat de status is van de Gedragscodegroep, op grond waarvan deze wordt ingesteld, wie de leden van deze groep zijn en wie deze groep controleert.

De Gedragscodegroep (belastingregeling ondernemingen) is gebaseerd op een politieke afspraak tussen de EU-lidstaten met als doel om schadelijke belastingconcurrentie tegen te gaan. Deze groep bestaat sinds 1998 en onderzoekt belastingmaatregelen die potentieel schadelijk kunnen zijn. Alle lidstaten nemen deel aan deze groep en halfjaarlijks legt de Gedragscodegroep een rapport en conclusies ter goedkeuring voor aan de Ecofinraad, die daarna worden gepubliceerd.117 Naast de beoordeling van de lidstaten beoordeelt de Gedragscodegroep ook derde landen op schadelijke belastingconcurrentie. Landen die schadelijk worden bevonden, worden op de EU fiscaal zwarte lijst geplaatst.118 Uw Kamer wordt over deze lijst periodiek geïnformeerd in de verslagen van de Ecofinraad.

Verder willen de leden van de fractie van de VVD weten of de verruiming van de forfaitaire regeling in de innovatiebox al gemeld is aan de Gedragscodegroep. Tenslotte vragen deze leden of het kabinet de beoordeling zelf al heeft gemaakt of deze maatregel schadelijk is en zo ja, wat de uitkomst is van die beoordeling.

Concreet toetst de Gedragscode de voorgelegde belastingmaatregelen aan vaststaande criteria om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van schadelijke belastingconcurrentie. Zo heeft de Gedragscodegroep in 2017 geoordeeld dat de Nederlandse innovatiebox niet schadelijk was en goedgekeurd.119 Nu het voornemen is om de wetgeving over de innovatiebox aan te passen, zal deze aanpassing ook aan de Gedragscodegroep moeten worden voorgelegd. Dit zal gebeuren zodra de regeling door het parlement is goedgekeurd. Daarna zal de Gedragscodegroep de verruiming van het forfait toetsen aan de vastgestelde criteria ten aanzien van de innovatiebox regimes. Het kabinet is voorzichtig optimistisch over de uitkomst omdat het voorgestelde forfait primair bedoeld is om innovatie bij het Nederlandse mkb te stimuleren, hetgeen weinig te maken heeft met schadelijke belastingconcurrentie.

Doenvermogen

De leden van de fractie van JA21 hebben de vraag gesteld welke concrete maatregelen het kabinet neemt om te voorkomen dat toeslagontvangers door een hoger verzamelinkomen met terugvorderingen worden geconfronteerd. Zij merken op dat de startersaftrek, de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en de bevriezing van de aftoppingsgrens oordeel 3 ten aanzien van doenvermogen krijgen, terwijl de Belastingdienst hier geen aparte communicatie voor inzet.

Een wetswijziging die leidt tot het verlagen en volledig afschaffen van een aftrekpost heeft een indirect effect op de hoogte van toeslagen, omdat het verzamelinkomen stijgt. De Belastingdienst en Dienst Toeslagen ondersteunen burgers hierbij op verschillende manieren. Via reguliere kanalen vindt communicatie hierover plaats, burgers kunnen vragen stellen bij de Belastingtelefoon, en er is een landingspagina op de website van de Belastingdienst die toelichting geeft op dit soort nieuwe regelingen. Ook wordt de dialoogondersteuning voor de servicemedewerkers inkomstenbelasting aangepast, zodat zij burgers kunnen informeren dat de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid vanaf 2027 niet meer geldt.

Daarnaast helpt Dienst Toeslagen jaarlijks de burger met schatten van het verzamelinkomen door te indexeren, te attenderen, en waar mogelijk te muteren. Ten slotte is op de website van Dienst Toeslagen een pagina ingericht met informatie over het recht op toeslagen bij een wisselend inkomen. Op dezelfde pagina wordt ook verwezen naar de specifieke aftrekposten voor ondernemers. Deze informatie zal op tijd worden geactualiseerd.

Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen

De leden van de fractie van het CDA vragen naar mogelijkheden voor aanvullende fiscale maatregelen zonder vertraging van de modernisering van systemen. Per keten verschilt wanneer weer ruimte is voor nieuw beleid. Het jaar 2028 vormt daarbij een omslagpunt voor de meeste ketens. Naarmate minder capaciteit nodig is voor de modernisering en het wegwerken van achterstallig onderhoud, ontstaat meer ruimte voor initiatieven die de Belastingdienst in staat stellen om de verwachtingen van burgers, ondernemers en medewerkers beter waar te maken. In het eerste kwartaal van 2027 ontvangt uw Kamer een inhoudelijke roadmap waarin ik uitwerk hoe de Belastingdienst de komende jaren prioriteert binnen het portfolio.

Samenvattend is er de komende jaren in de meeste ketens geen ruimte voor extra structuurwijzigingen zonder herprioritering van portfolio’s. Er is wel ruimte voor het aanpassen van de parameters van huidige fiscale regelingen.

De leden van de fracties van het CDA en JA21 vragen welke maatregelen uit het Belastingplan 2027 uitvoerbaar zijn maar negatieve gevolgen hebben voor handhaving, toezicht of dienstverlening, en welke risico’s het kabinet daarbij accepteert. De inzichten van de Belastingdienst ten aanzien van de uitvoerbaarheid – waaronder de gevolgen voor handhaving, toezicht of dienstverlening – van het totaalpakket aan wijzigingen sinds Prinsjesdag 2025 worden nader toegelicht in de bijlage Overzicht Uitvoerbaarheid Belastingdienst 2026.

In het Belastingplan zitten 27 maatregelen waarvan de meeste beperkte impact hebben op de Belastingdienst, Douane en Dienst Toeslagen. Tegelijkertijd wordt voor enkele maatregelen risico’s of aandachtspunten voor de uitvoering geconstateerd. In een uitvoeringstoets worden die risico’s of aandachtspunten aangegeven door rode vlaggen of gele vlaggen. Het Belastingplan bevat geen maatregelen waarbij in de uitvoeringstoets rode vlaggen zijn opgenomen. Voor de maatregelen Versoberen en afschaffen verhoogde zelfstandigenaftrek (startersaftrek) en Nieuwe vrijstelling overdrachtsbelasting voor woningcorporaties geldt dat de interactie met burgers en bedrijven aandacht vraagt van de uitvoering. Daarnaast wordt voor de maatregel Afschaffing aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten aangegeven dat de afschaffing haalbaar is, maar dat in eerste instantie die met een tijdelijke oplossing in de IV wordt gerealiseerd. Dat betekent dat het vinkveldje zorgkosten wordt uitgegrijsd waardoor de velden waar normaliter het bedrag voor specifieke zorgkosten moeten worden ingevuld in de aangifte niet meer zichtbaar zijn. De bestendige uitbouw vindt voor 2032 plaats. Deze maatregel is overigens wel een grote vereenvoudiging voor de Belastingdienst. Door de maatregel Aanpassing fiscale behandeling ingeprijsd valutaresultaat neemt de uitvoeringscomplexiteit beperkt toe door de combinatie van toezicht en het overgangsrecht.

Bij de vormgeving van de wetgeving en het moment van inwerkingtreding zijn keuzes gemaakt om maatregelen goed uitvoerbaar te maken. Waar het beleidsmatig of budgettair niet anders kon is gekozen voor een vormgeving die de uitvoeringsrisico’s beperkt houdt.

De leden van de fractie van JA21 vragen naar de ruimte in het portfolio voor eventuele amendementen. De ruimte verschilt per keten en is afhankelijk van de vormgeving van het amendement. De Belastingdienst levert via het bureau wetgeving quickscans op de uitvoerbaarheid van amendementsverzoeken en ingediende amendementen. In het overzicht uitvoerbaarheid staat per keten aangegeven per wanneer er ruimte is voor nieuwe beleid. Parameterwijzigingen in de keten inkomensheffingen zijn bijvoorbeeld per 2027 uitvoerbaar, indien uiterlijk 20 november 2026 de wijziging via een amendement is aangenomen.

Uitzondering woningcorporaties van generieke renteaftrekbeperking vennootschapsbelasting

De leden van de fractie van D66 vragen waarom de uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel niet is opgenomen in het ingediende wetsvoorstel Belastingplan 2027 en op welke wijze woningcorporaties tijdig voldoende duidelijkheid kunnen krijgen. Daarnaast vragen de leden van de fractie van de SGP naar de effectiviteit van deze maatregel en of deze maatregel meer sociale huurwoningen tot gevolg heeft. Woningcorporaties vervullen een essentiële maatschappelijke taak bij het waarborgen van voldoende, betaalbare en passende huisvesting in Nederland. Daarom heeft het kabinet zich gecommitteerd aan de ambitieuze afspraken uit de Nationale Prestatieafspraken 2025-2035 (NPA). De NPA bevatten afspraken met woningcorporaties over hun bijdrage aan de volkshuisvestelijke opgaven voor de komende jaren. In het regeerakkoord zijn er afspraken gemaakt over een pakket maatregelen dat een bijdrage levert aan een grotere financiële slagkracht van de corporatiesector om uitvoering te kunnen geven aan de NPA.120 Daarna is in de augustusbesluitvorming circa € 100 miljoen aanvullend beschikbaar gemaakt voor een faciliteit in de vennootschapsbelasting. Het was gezien het korte tijdsbestek niet mogelijk om tijdig voor indiening van het Belastingplan 2027 de voorgestelde wetsaanpassing gereed te hebben. Daarom wordt met een nota van wijziging op het wetsvoorstel Belastingplan 2027 invulling gegeven aan deze faciliteit in de Vpb door woningcorporaties deels uit te zonderen van de generieke renteaftrekbeperking (de earningsstrippingmaatregel). Dit wordt gedaan door het deel van het saldo aan renten en het deel van de gecorrigeerde winst dat toerekenbaar is aan de uitvoering van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) door woningcorporaties bij de toepassing van de renteaftrekbeperking buiten aanmerking te laten. Voor een uitgebreide toelichting op deze voorgestelde maatregel wordt verwezen naar de nota van wijziging die gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer is aangeboden. Op basis van een eerste inschatting van het NPA-model levert de gedeeltelijke uitzondering in de earningsstrippingmaatregel woningcorporaties circa € 14 miljard aan extra investeringsruimte op. De maatregel zal naar verwachting per 1 januari 2028 in werking treden, mits is vastgesteld dat er bij de voorgestelde maatregel geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Woningcorporaties hebben daarom tot het moment van inwerkingtreding voldoende tijd zich voor te bereiden. Door de voorgestelde maatregel op te nemen in het wetsvoorstel Belastingplan 2027, kunnen woningcorporaties hiermee rekening houden in hun meerjarenbegroting waardoor bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) meer ruimte ontstaat voor corporaties om geborgde financiering aan te trekken. Hierdoor kan de maatregel vanaf 1 januari 2027 al daadwerkelijk bijdragen aan het vergroten van de investeringscapaciteit van woningcorporaties.

De leden van de fractie van de PVV vragen waarom voor de vrijstelling in de overdrachtsbelasting wordt aangesloten bij het overzicht van de ILT en voor de earningsstrippingmaatregel bij de Woningwet. Daarnaast vragen deze leden of voor zowel de maatregel voor de woningcorporaties in de overdrachtsbelasting en de uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel kan worden gegarandeerd dat de staatssteunregels niet worden overtreden. Voorts vragen de leden van de fractie van de SGP waarom de uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingsmaatregel niet breder wordt getrokken naar andere verhuurders en ontwikkelaars. Om de woningnood aan te pakken heeft het kabinet het Actieplan Versnelling Woningbouw van de ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw gepresenteerd met 50 concrete acties.121 Omdat het essentieel is dat er voldoende betaalbare huurwoningen worden gerealiseerd, vindt het kabinet het van belang dat het investeringsklimaat voor zowel woningcorporaties als private partijen wordt verbeterd.122 Zo wordt bijvoorbeeld in het Actieplan Versnelling Woningbouw het verlagen van de overdrachtsbelasting voor investeerders in woningen van 8% naar 7% per 2027 genoemd. Ook wordt er een objectsubsidie middenhuur voor private partijen geïntroduceerd om bij te dragen aan de realisatie van nieuwe middenhuurwoningen.

Ten aanzien van woningcorporaties stelt het kabinet voor een uitzondering voor de DAEB-activiteiten in de earningsstrippingmaatregel op te nemen. Deze voorgestelde uitzondering in de earningsstrippingmaatregel is zowel gekoppeld aan de hoedanigheid van toegelaten instelling als aan de uitvoering van de DAEB als bedoeld in de Woningwet. Zo mogen toegelaten instellingen bijvoorbeeld de financiële middelen uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting inzetten. Daarnaast wordt hiermee gewaarborgd dat uitsluitend het gedeelte van de financiering en de winst dat samenhangt met de desbetreffende DAEB-activiteiten buiten de werking van de renteaftrekbeperking blijft. De maatregel zal naar verwachting in werking treden per 1 januari 2028, mits is vastgesteld dat er bij de voorgestelde maatregel geen sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Voor een uitgebreide toelichting op deze voorgestelde maatregel wordt verwezen naar de nota van wijziging die gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer is aangeboden.

Voor de voorgestelde vrijstelling in de overdrachtsbelasting voor de overdracht van bepaald vastgoed tussen woningcorporaties die betrekking hebben op DAEB die in het Belastingplan 2027 is opgenomen, geldt dat wordt aangesloten bij de Woningwet. Het gaat hierbij om een verkrijging tussen toegelaten instellingen. Middels het register van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan geraadpleegd worden welke woningcorporaties op het moment van de overdracht kwalificeren als toegelaten instelling. Daarnaast is de maatregel zodanig vormgegeven dat deze uitsluitend betrekking heeft op bepaalde DAEB onroerende zaken, waardoor wordt voldaan aan het EU DAEB Vrijstellingsbesluit van 16 december 2025.123

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de gevolgen voor de opgebouwde doorgeschoven rente in relatie met de uitzondering voor woningcorporaties in de earningsstrippingmaatregel. De voorgestelde uitzondering voor woningcorporaties ten aanzien van de DAEB-activiteiten in de earningsstrippingmaatregel is opgenomen in een nota van wijziging voor het wetsvoorstel Belastingplan 2027 met een beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028. De geraamde derving van deze maatregel is € 426 miljoen structureel. In het kader van de voorgestelde maatregel is het behulpzaam om in de earningsstrippingmaatregel twee regelingen te onderkennen, in de eerste plaats de renteaftrekbeperking in het jaar en in de tweede plaats het in aftrek brengen van voortgewentelde rente uit eerdere jaren. De voorgestelde maatregel heeft tot gevolg dat ten aanzien van het saldo aan renten van woningcorporaties dat toerekenbaar is aan DAEB-activiteiten de earningsstrippingmaatregel in het jaar niet kan leiden tot een aftrekbeperking. Voor de voort te wentelen saldi aan renten blijft de geldende systematiek van toepassing. Een integrale uitzondering van woningcorporaties voor de earningsstrippingmaatregel zou in beginsel betekenen dat woningcorporaties ook uitgesloten worden van de regeling op grond waarvan renten kunnen worden voortgewenteld. In plaats daarvan heeft het kabinet gekozen voor een maatregel die geen afbreuk doet aan de reeds opgebouwde voort te wentelen saldi aan renten. Deze blijven behouden en kunnen in latere jaren in aftrek worden gebracht voor zover daar op grond van de thans geldende systematiek ruimte voor bestaat. Een verruiming van de renteaftrekmogelijkheid voor voortgewentelde rente heeft een aanvullende budgettaire derving tot gevolg. Voor een uitgebreide toelichting op de gevolgen van de voorgestelde maatregel voor de voort te wentelen saldi aan renten wordt verwezen naar de nota van wijziging die gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag aan uw Kamer is aangeboden.

Box 3

De leden van de fractie van D66 vragen of de onzekerheidsmarges van de ramingen voor de overstap naar vermogenswinst en de maatregel excessief lenen aanpakken in box 2 toegelicht kunnen worden. De raming van de Wet werkelijk rendement is in 2025 door het CPB gecertificeerd en als redelijk en neutraal beoordeeld met hoge mate van onzekerheid. De onzekerheid van de raming komt met name door de zeer volatiele rendementen op beleggingen. Deze onzekerheid geldt ook voor de raming van het onderbrengen van financiële producten onder een vermogenswinstsystematiek. De raming van deze vermogenswinstbelasting zal ook aan het CPB worden voorgelegd.

De raming van de maatregel excessief lenen is gebaseerd op aangiftegegevens met betrekking tot de leningen bij de eigen vennootschap, waarbij ook het geobserveerde gedragseffect met betrekking tot het aflossen van de leningen in 2023 toen de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap werd ingevoerd is meegenomen. De onzekerheid in de raming betreft met name dit gedragseffect en in hoeverre dit representatief is voor verdergaande maatregel en het effect op dividenduitkeringen in de toekomst als gevolg van de beperking. Een verdere kwantitatieve inschatting van de onzekerheidsmarge is lastig te geven.

De leden van de fractie van D66 vragen naar het aantal belastingplichtigen in box 3. Verder vragen zij naar de toename van het aantal mensen dat belasting betaalt in box 3 en de gemiddelde belasting die deze mensen gaan betalen door de verlaging van het heffingsvrije vermogen. Het kabinet heeft in de brief van 29 september het voorstel gepresenteerd voor een hervorming van Box 3. Hierbij is voorgesteld om het heffingsvrije vermogen in 2027 te verlagen naar € 30.846. Uit de raming volgt dat het aantal mensen dat na deze verlaging in 2027 belasting betaalt in box 3 ongeveer 3,6 miljoen is. Dat is ongeveer 1,2 miljoen meer dan zonder deze verlaging van het heffingsvrije vermogen. Gemiddeld gaan deze nieuwe box 3-belastingplichtigen 90 euro box 3 belasting betalen in 2027. In deze berekening is ook het verhogen van het forfait op overige bezittingen meegenomen.

De leden van de fractie van het CDA vragen of een grote verbetering voor vastgoedbeleggers niet vooral ligt bij het zo snel mogelijk invoeren van een stelsel van werkelijk rendement. Deze leden vragen ook of volgens het kabinet aanvullende maatregelen nodig zijn voor tussenliggende jaren indien een nieuw box 3-stelsel later dan 2028 wordt ingevoerd. Het kabinet is het eens met deze leden dat vastgoedbeleggers met de het nieuwe stelsel per 2028 erg geholpen zijn. Dit nieuwe stelsel gaat per 2028 in voor vastgoedbeleggers. Bij een vermogenswinstbelasting zijn immers kosten voor financiering, onderhoud en verbetering in beginsel aftrekbaar. Dit kabinet kiest bovendien voor de snelste route om zo veel mogelijk vermogen onder vermogenswinst te laten vallen per 2028. Op het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt daarom een novelle ingediend, waarmee ook de vermogenswinstbelasting wordt uitgebreid naar alle financiële instrumenten per 2028.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de snelle overstap van vermogensaanwas naar vermogenswinst een dure overstap is. Zij vragen of het mogelijk is om deze derving te verkleinen door een progressief tarief te overwegen voor box 3. Deze leden denken aan onderstaande mogelijkheden (met behoud van het heffingsvrij inkomen van € 1.800) en vragen welke variant naar het oordeel van het kabinet de beste mogelijke route is.

  • ⁠<€10.000 28% en >€10.000: 38%

  • <€10.000 30% en >€10.000: 40%

  • <€10.000 25% en >€10.000: 45%

  • ⁠⁠<€39.247 30% en >€39.247: 40%

  • ⁠⁠<€39.247 32% en >€39.247: 40%

  • ⁠<€80.578 32% en >€80.578: 44%

  • ⁠<€80.578 30% en >€80.578: 49,5%

Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA naar het in kaart brengen voor dekkingsopties waarbij twee tarieven worden gehanteerd om het heffingsmoment naar voren te halen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt belasting pas geheven bij realisatie van de winst, waardoor beleggers een prikkel hebben om verkoop uit te stellen (lock-in). Een progressief tarief zou het lock-in effect mogelijk kunnen mitigeren, omdat belastingplichtigen worden verleid om hun winsten eerder te nemen. Tegelijkertijd kunnen progressieve tarieven de lock-in prikkel juist ook versterken, doordat grotere winsten, die niet over meerdere jaren kunnen worden verdeeld, zoals bij bijvoorbeeld vastgoed, tegen een hoger marginaal tarief worden belast. Het invoeren van meerdere tarieven in box 3 is een grote structuurwijziging. Dit is gegeven het besluit om door middel van een novelle124 ook effecten onder het vermogenswinstregime te brengen niet uitvoerbaar voor de Belastingdienst per 2028. Wanneer dit wel uitvoerbaar is, moet nader worden onderzocht. Dit is qua inpasbaarheid mede afhankelijk van andere beleidswensen en wetsvoorstellen. Met betrekking tot de maatvoering is het lastig om de varianten te beoordelen. Omdat er een tariefsverlaging nodig is om het lock-in effect te beperken is het geen garantie dat de varianten tot een budgettaire opbrengst leiden. Aan de andere kant is de budgettaire meeropbrengst van een tariefsverhoging beperkt. In het algemeen wordt namelijk een groot gedragseffect (grote verschuiving van vermogen naar box 2) verwacht bij tarieven boven de 38% in box 3. Verder vragen de leden van de fractie van het CDA naar een inventarisatie van andere mogelijke dekkingsopties binnen het vermogensdomein. Tot dekkingsopties binnen het vermogensdomein behoren verscheidene wijzigingen binnen box 1, box 2, box 3, schenk- en erfbelasting en de vennootschapsbelasting. In de fiscale sleuteltabel 2027 is een overzicht te vinden van de budgettaire gevolgen van tarief- en schijfwijzigingen in dit domein. In de novelle zijn vooralsnog de volgende dekkingsmaatregelen opgenomen:

  • Het forfait op overige bezittingen in box 3 in 2027 te verhogen.

  • Het heffingsvrije vermogen in 2027 in box 3 te verlagen.

  • Het heffingsvrije resultaat in box 3 per 2028 te verlagen.

  • Excessief lenen in box 2 per 2027 te beperken.

  • Het hoge tarief in box 2 per 2027 tijdelijk te verlagen.

In de onderstaande tabel is een overzicht te vinden van de budgettaire gevolgen van verdere maatregelen in het vermogensdomein.

Tabel: budgettaire gevolgen van verdere maatregelen in het vermogensdomein

2027 2028 2029 2030 2031 Structureel
Box 3 (Wet werkelijk rendement125)
Tarief verhogen met 1%-punt 152 174 180 185 236
Constructies
Aanpakken belastingconstructie in de schenkbelasting met papieren schenkingen 157 157 157 157 157 157
Vennootschapsbelasting
Afschaffen lage vennootschapsbelastingtarief 3.322 3.266 3.210 3.154 3.098 3.043
Verlagen schijfgrens Vpb van € 200.000 naar € 100.000 in twee stappen 635 1.191 1.167 1.143 1.119 1.095
Box 1
Verhogen eigenwoningforfait tot € 1.350.000 met 0,05%-punt 417 433 430 430 431 513

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of een vermogensbelasting met een samenloopbepaling van nog geen 1,5% niet veel beter uitvoerbaar is voor belastingplichtigen en de Belastingdienst. Het kabinet heeft een vermogensbelasting eerder als alternatief beoordeeld.126 Een vermogensbelasting is in beginsel eenvoudig in de uitwerking, omdat alleen de waarde van bezittingen en schulden op 1 januari relevant is. Volgens de Landsadvocaat kan een vermogensbelasting echter in strijd zijn met het eigendomsrecht. Dat kan zich voordoen als de belasting niet kan worden betaald uit de inkomsten uit het vermogen en belastingplichtigen daardoor interen op hun vermogen.127 Om dat te voorkomen is een samenloopbepaling nodig die de heffing maximeert. Om te bepalen of de samenloopbepaling van toepassing is en tot welk bedrag de heffing wordt beperkt, moet bekend zijn wat het vermogen werkelijk heeft opgeleverd. Belastingplichtigen die een beroep doen op de samenloopbepaling, moeten hun werkelijke rendement dus alsnog berekenen en opgeven. De Belastingdienst moet dat vervolgens controleren. Daardoor is een vermogensbelasting met een samenloopbepaling naar verwachting niet eenvoudiger uit te voeren dan een belasting op het werkelijke rendement.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen ook of een vermogensbelasting niet meer uitnodigt om spaargeld te investeren in plaats van het op de bank te zetten. Bij een vermogensbelasting wordt de belasting berekend over de waarde van het vermogen op 1 januari en niet over wat het vermogen in de loop van het jaar oplevert. Twee belastingplichtigen met hetzelfde vermogen betalen daardoor hetzelfde bedrag aan belasting, ongeacht of zij hun vermogen sparen of beleggen. Een hoger rendement leidt niet tot meer belasting. Wie belegt en daarmee een hoger rendement behaalt, houdt na belasting dus meer over dan wie spaart. Een vermogensbelasting kan daarom inderdaad een prikkel geven om te beleggen in plaats van sparen. Deze prikkel ontstaat echter doordat spaarders verhoudingsgewijs zwaarder worden belast dan beleggers. Spaarders worden absoluut gezien even zwaar belast als succesvolle beleggers, terwijl hun inkomen uit vermogen veel lager is. Dat sluit niet aan bij het draagkrachtbeginsel. Het kabinet heeft mede om die reden niet gekozen voor een vermogensbelasting. Het kabinet wil langetermijnbeleggingen op een andere manier stimuleren, met een vermogenswinstbelasting. Daarbij wordt de waardeontwikkeling pas belast bij realisatie, bijvoorbeeld bij verkoop.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de moties Grinwis/Vermeer en Grinwis/Inge van Dijk over de leegwaarderatiocorrectie op de inbrengwaarde van vastgoed en de actualisatie van deze leegwaarderatio worden geïmplementeerd bij ingang van de Wet werkelijk rendement box 3.

De motie-Grinwis/Vermeer128 verzoekt de regering de nadelen van de leegwaarderatiocorrectie bij de beginwaarde van een woning bij inwerkingtreding van het nieuwe box 3-stelsel onafhankelijk te onderzoeken, met name voor de beschikbaarheid van particulier betaalbaar verhuurde huizen. In de Wet werkelijk rendement box 3 is een overgangsbepaling129 opgenomen waarin is geregeld dat de beginwaarde (verkrijgingsprijs) van het nieuwe box 3-stelsel gelijk is aan de WOZ-waarde op de waardepeildatum 1 januari 2028. Hierop is de regeling leegwaarderatio van overeenkomstige toepassing verklaard. De regeling leegwaarderatio corrigeert bij verhuurde woningen waarvoor huurbescherming geldt, de WOZ-waarde (leegwaarderatiocorrectie)130. De WOZ-waarde houdt namelijk geen rekening met de verhuurde staat van de woning, terwijl een verhuurde staat gevolgen kan hebben voor de waarde. Volgens het kabinet is het dan ook passend om bij het bepalen van de beginwaarde op de waardepeildatum 1 januari 2028 de WOZ-waarde voor verhuurde woningen met huurbescherming te corrigeren voor de leegwaarderatio. Mocht de WOZ-waarde in voorkomende gevallen onjuist zijn, dan staat het de belastingplichtige uiteraard vrij om tijdig bezwaar te maken tegen de hoogte van de WOZ-waarde van zijn box 3-woning bij de gemeente.

De motie-Grinwis/Inge van Dijk131 verzoekt de regering een onderzoek te starten of en in hoeverre de leegwaarderatio nog actueel is, zodat indien nodig de actualisering van de leegwaarderatio kan worden doorgevoerd zodat dit niet leidt tot een HVP-sanctie. Het kabinet is niet voornemens om in 2026, tijdens de looptijd van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP), hierover een besluit te nemen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de dekking voor plannen eruitziet bij het met 1%-, 2%-, 3%-, 4%- of 5%-punt eenmalig voor één jaar verlagen van zowel het hoge als het lage tarief in box 2 of als de schijfgrens naar boven wordt verlegd. Deze leden vragen ook met welke gedragseffecten gerekend wordt als gevolg van deze verlagingen.

In onderstaande tabel zijn de gevraagde budgettaire reeksen gegeven (op EMU-basis zoals in de brief van 29 september, waarbij rekening is gehouden met het moment dat de belastingontvangsten binnenkomen). Er is daarbij uitgegaan van verlaging van de tarieven en verhogen van de schijfgrens in 2027.

Tabel: Budgettair effect op EMU-basis (miljoen euro, + is saldoverbeterend)

Verlaging hoge en

lage tarief met

2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 Struc.
1%-punt -3.282 3.751 3.916 -1.664 -1.360 -1.055 -750 -281 0 0
2%-punt -4.310 7.180 5.325 -3.329 -2.719 -2.110 -1.500 -563 0 0
3%-punt -4.310 10.462 5.485 -4.993 -4.079 -3.165 -2.250 -844 0 0
4%-punt -4.310 13.744 5.207 -6.657 -5.438 -4.219 -3.000 -1.125 0 0
5%-punt -4.310 14.847 4.004 -7.216 -5.895 -4.574 -3.252 -1.220 0 0
Verhogen schijfgrens met
€ 100.000 -616 1.994 802 -1.160 -950 -739 -529 -217 0 0
€ 200.000 -900 2.913 1.171 -1.695 -1.387 -1.080 -773 -317 0 0

Bij een eenmalige verlaging van het tarief in box 2 zijn twee gedragseffecten van belang: ten eerste het anticipatie-effect op de verlaging hetgeen leidt tot een uitstel van dividenduitkeringen vanuit het jaar voorafgaand aan de tariefsverlaging en ten tweede het anticipatie-effect op de tariefsverhoging die daarna weer plaatsvindt, waardoor dividenduitkeringen vanuit de jaren na de maatregel naar voren worden gehaald. De omvang van deze anticipatie-effecten is op basis van realisaties uit voorgaande tariefswijzigingen bepaald op een verschuiving van 76% van de grondslag per procentpunt tariefverandering met een maximum van 330%. Deze gedragseffecten zijn afgestemd met het CPB en gedocumenteerd in de CPB-publicatie Gedragseffecten belastingmaatregelen (september 2026).

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de stand van zaken van de motie Grinwis c.s.132. In deze motie is verzocht om in kaart te brengen wat de structurele budgettaire meeropbrengsten van een vermogenswinstbelasting in box 3 zijn. In het commissiedebat Fiscaliteit van 11 maart 2026 heb ik toegezegd om in te gaan op het effect van ‘compound interest’ (rente-op-rente). Een vermogenswinstbelasting zorgt voor een budgettaire derving in de jaren waarin de vermogenswinstbelasting nog niet volledig is ingegroeid. Belastingplichtigen hebben een rentevoordeel, maar daar staat een rentenadeel voor de overheid tegenover. Graag verwijs ik naar het ESB-artikel van Ruud van den Dool, Aart Gerritsen en Bas Jacobs (2026), waarin zij het eenzijdige voordeel van het rente-op-rente-effect weerleggen.133 Van een rente-op-rente effect waardoor een vermogenswinstbelasting op de lange termijn meer zou opleveren is daardoor geen sprake. Hiermee beschouw ik deze motie als afgedaan.

II. OVERIG

De leden van de fractie van D66 lezen in de Prinsjesdagbrief over de WBSO dat het kabinet de afbakening van programmatuurontwikkeling in relatie tot AI heroverweegt, en dat aanpassingen via lagere regelgeving mogelijk per 2028 en via wetswijziging waarschijnlijk per 2029 kunnen ingaan. De leden van de fractie van D66 vragen of dit sneller kan. Er wordt op dit moment, met name door het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van een verruiming van de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk voor de ontwikkeling van AI. Het is er de Minister van Economische Zaken en Klimaat en mij veel aan gelegen om dit zo snel mogelijk te implementeren indien het onderzoek aantoont dat dit mogelijk is. Als horizon hebben we hiervoor 2029 aangewezen, maar indien het eerder kan doen we dit eerder, bijvoorbeeld in het Pakket Belastingplan 2028 of de regeling S&O-afdrachtvermindering die bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in beheer is.

De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet naar de voorgenomen ontwikkeling van de eerste schijfgrens binnen de WBSO. Deze leden hebben eerder aandacht gevraagd voor een structurele indexering van deze schijfgrens en wijzen in dit verband op de aangenomen motie waarin het kabinet is verzocht met een voorstel hiervoor te komen. De leden van de fractie van het CDA vragen voorts aan het kabinet om toe te lichten waarom ervoor is gekozen de schijfgrens in 2027 niet te indexeren, terwijl daarvoor budgettaire ruimte lijkt te zijn en als dat inderdaad zo is, of het kabinet bereid is om de schijfgrens voor 2027 alsnog te indexeren en daarbij ook een structurele systematiek voor indexering te ontwikkelen, conform de eerder aangenomen motie.

De aangenomen motie van lid Van Dijk c.s.134 verzoekt een voorstel te doen voor structurele indexering van de schijfgrens, binnen de budgettaire kaders van de WBSO. De schijfgrens kan momenteel al jaarlijks door de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden verhoogd of verlaagd. Bij een overschot aan budget uit een voorgaand jaar, kan de schijfgrens dan ook makkelijk worden verhoogd in het aankomende jaar. Het kabinet stelt voor deze werkwijze te handhaven om flexibiliteit in de regeling en sturing op allocatie van het budget te behouden zodat stabiliteit van de regeling (bijvoorbeeld qua percentages) geborgd kan worden. Omdat de schijfgrens het afgelopen jaar is geïndexeerd en er plannen zijn voor verruimingen van de scope van de WBSO, handhaaft het kabinet komend jaar de schijfgrens. Dit is van belang omdat de budgettaire gevolgen van die verruimingen op dit moment onzeker zijn. Om te voorkomen dat de regeling meermaals moet worden aangepast, is het wenselijk hier eerst beter zicht op te krijgen en daarvoor budget achter de hand te houden, alvorens de schijfgrens opnieuw te indexeren. Indexering van de schijfgrens heeft verder een beperkt effect op de totale effectiviteit van de regeling, waardoor andere aanpassingen van de WBSO nu zwaarder wegen.

De leden van de fractie van het CDA merken op dat loonkosten blijven stijgen, waardoor bedrijven bij een gelijkblijvend aantal S&O-uren sneller in de tweede schijf terechtkomen, zodat een groter deel van hun grondslag in de hogere schijf met een lager percentage valt. De leden van fractie van het CDA vragen het kabinet of hiermee in de praktijk geen versobering van de WBSO ontstaat, met name voor innovatieve mkb-bedrijven. Bij gelijkblijvende percentages en schijfgrenzen en gelijkblijvende (loon)kosten heeft een onderneming die gebruik maakt van de WBSO in 2027 recht op eenzelfde afdrachtvermindering als in 2026. Verder geldt reeds dat het budget van de regeling geïndexeerd wordt met de CAO-loonkosten- en de CPI-ontwikkeling waardoor de WBSO als geheel van nature de ruimte heeft om mee te groeien met loonkostenontwikkeling. In zoverre is er geen sprake van een versobering. Bij stijgende loonkosten valt relatief gezien een groter deel van de loonkosten in de tweede schijf met een lager percentage. Dit heeft echter voor het overgrote deel van de mkb-bedrijven geen gevolg omdat de omvang van hun S&O-inspanningen (ruim) onder het bedrag van de schijfgrens blijft.

De leden van de fractie van het CDA wijzen erop dat de keuzeregeling partiële buitenlandse belastingplicht bij het Belastingplan 2024 via het amendement-Grinwis is afgeschaft. De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet welke gevolgen de afschaffing heeft voor het aantrekken van internationaal talent en het Nederlandse vestigingsklimaat en of daar signalen van zijn. Deze leden vragen wat het budgettair belang is van eventueel herstel van deze regeling.

Uit de evaluatie van SEO blijkt dat gebruikers van de keuzeregeling – net zoals de andere gebruikers van de expatregeling – het belastingklimaat actief meewegen in de keuze voor een werkland. SEO concludeert echter ook dat de keuzeregeling voor de meeste werknemers geen doorslaggevende factor is voor hun migratiebeslissing, met uitzondering van een zeer beperkte groep hoogvermogenden en dan met name beperkt tot landen van herkomst van de werknemer waarbij sprake kan zijn van dubbele belastingheffing. Voor die beperkte groep hoogvermogenden levert de regeling naar verwachting wel een bijdrage aan de beslissing om in Nederland te komen werken. Verschillende individuele bedrijven en koepelorganisaties hebben het signaal afgegeven dat volgens hen het aflopen van de keuzeregeling per 1 januari 2027 een negatieve impact kan hebben op het Nederlandse vestigingsklimaat. De kritiek van deze bedrijven op de afschaffing van de keuzeregeling hield met name verband met de vermogensaanwasbelasting zoals die is opgenomen in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Inmiddels is evenwel bekend geworden dat op dat wetsvoorstel een novelle wordt ingediend waarmee per 2028 alle financiële instrumenten (onder andere aandelen, obligaties en opties) onder de vermogenswinstbelasting worden gebracht. Eventuele volledige herinvoering van de keuzeregeling leidt tot een structurele budgettaire derving van € 23 miljoen per jaar. Een gedeeltelijke herinvoering van de keuzeregeling beperkt tot box 3, leidt tot een structurele budgettaire derving van € 12 miljoen per jaar. Indien wordt gekozen voor herinvoering dan dient deze derving volgens de begrotingsregels voorzien te worden van dekking.

De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel papieren schenkingen er jaarlijks worden gedaan en hoeveel vermogen er jaarlijks wordt geschonken met papieren schenkingen. Daarnaast vragen dezelfde leden naar de ontwikkeling van het aantal papieren schenkingen. De hiernavolgende tabel geeft een overzicht van het aantal papieren schenkingen en het vermogen dat met papieren schenkingen werd geschonken in de periode 2021 tot en met 2024. In deze periode werd er gemiddeld genomen ten minste 22.300 keer per jaar een papieren schenking gedaan. Dit cijfer is een onderschatting van het werkelijke aantal, aangezien niet alle papieren schenkingen in een notariële akte worden vastgelegd en daardoor niet in de waarneming betrokken konden worden. Het totale vermogen dat jaarlijks met papieren schenkingen werd geschonken bedroeg in dezelfde periode gemiddeld genomen ten minste € 794 miljoen.

Tabel: Aantal papieren schenkingen en het geschonken vermogen op papier

Aantal papieren schenkingen Geschonken vermogen (in mln €)
2021 22.400 857
2022 24.300 779
2023 21.500 726
2024 21.000 816

De leden van de fractie van D66 vragen naar het vermogen van verkrijgers van papieren schenkingen. De hiernavolgende tabel toont een geschatte vermogensverdeling voor belastingplichtigen die in 2024 een papieren schenking ontvingen.

Tabel: Vermogensverdeling verkrijgers van een papieren schenking in 2024

Vermogenscategorie Aantal verkrijgers papieren schenking als % van het totaal
Negatief vermogen 4%
€ 0 - € 25.000 20%
€ 25.000 - € 100.000 12%
€ 100.000 - € 250.000 16%
€ 250.000 - € 500.000 20%
€ 500.000 - € 750.000 9%
€ 750.000 - € 1.000.000 5%
> € 1.000.000 14%

Daarnaast vragen de leden van de fractie van D66 naar de gemiddelde besparing aan schenk- en erfbelasting die met papieren schenkingen wordt behaald. Het budgettaire beslag van de progressievermijding en de onbelaste vermogensoverdracht in de vorm van rentebetalingen die met papieren schenkingen kan worden bereikt wordt voor het jaar 2026 geraamd op € 272 miljoen. De geraamde gemiddelde besparing aan schenk- en erfbelasting, verkregen door € 272 miljoen te delen door het gemiddeld aantal papieren schenkingen over de periode 2021 tot en met 2024 van 22.300, bedraagt circa € 12.200 per papieren schenking.

De leden van de fractie van D66 vragen of de maatregel envelop tegemoetkoming elektriciteitsprijs bedrijven uit het coalitieakkoord volgend jaar in het Belastingplan volgt. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet kan toelichten welke vormgeving het kabinet voor zich ziet voor deze maatregel. Het kabinet onderzoekt momenteel via welk instrument de gereserveerde middelen het best kunnen worden ingezet, zodat de elektriciteitskosten voor de industrie worden verlaagd. Hierbij wordt zowel gekeken naar opties aan de lastenkant als aan de uitgavenkant. De Minister van Klimaat en Groene Groei informeert uw Kamer hier voorafgaand aan de behandeling van de begroting van Klimaat en Groene Groei nader over. Indien wordt besloten de envelop in te vullen aan de lastenkant, dan zal dit inderdaad worden opgenomen in het pakket Belastingplan.

De leden van de fractie van het CDA vragen wat de -budgettaire gevolgen zijn voor het opnemen van een gerichte vrijstelling binnen de werkkostenregeling voor het aflossen van studieschulden via een werkgever, bijvoorbeeld afgebakend tot DUO-schulden en Europees geaccrediteerde studieschulden. Ook vragen deze leden op welke termijn een vrijstelling kan worden ingevoerd. Een nieuwe gerichte vrijstelling brengt een budgettaire derving met zich mee. Het is niet mogelijk om op dit korte termijn de budgettaire gevolgen inzichtelijk te maken, dat hangt ook af van hoeveel euro maximaal onder de gerichte vrijstelling valt per werknemer. Deze gerichte vrijstelling zou per 1 januari 2027 in werking kunnen treden mits daar tijdig duidelijkheid over wordt gegeven (voor stemming over het Belastingplan). Daarbij is het uiteraard noodzakelijk dat ook dekking gevonden moet worden voor zo’n regeling. Een alternatief kan zijn om de vrije ruimte te verhogen. Dat is het meest in lijn met de aanbeveling uit de evaluatie van de werkkostenregeling om zeer terughoudend om te gaan met het gebruiken van de werkkostenregeling voor aanvullende beleidsdoelstellingen. Dat geeft werkgevers niet alleen ruimte om werknemers tegemoet te komen in het aflossen van studieschulden, maar kan ook worden ingezet voor iets anders, zoals het verduurzamen van de woning van een werknemer of het geven van korting aan werknemers op branche-eigen producten. Een verhoging van de eerste schijf van de vrije ruimte met 0,1%-punt kost ongeveer € 26 miljoen per jaar bij een permanente verruiming. Een aantal andere aanbevelingen die volgen uit de evaluatie van de werkkostenregeling, worden momenteel nader onderzocht en uitgewerkt. Hierbij wordt ook gekeken naar hoe het kabinet werkgevers de ruimte kan geven om werknemers te helpen met het aflossen van hun studieschuld via de WKR. Uw Kamer zal hier begin volgend jaar over worden geïnformeerd.

De leden van de fractie van JA21 merken op dat een aantal technische wijzigingen opgenomen worden in de Fiscale verzamelwet 2028 en niet in dit pakket Belastingplan 2027. Deze leden vragen welke maatregelen dit betreft en wat dit betekent voor de invoeringsdata van deze maatregelen. Het kabinet hecht belang aan spreiding van fiscale wetgeving. Een reële voorbereidingstijd voor nieuwe wetgeving en de gelegenheid voor beide Kamers om daar zorgvuldig naar te kijken, komt de kwaliteit ten goede. Het kabinet hanteert daarom het uitgangspunt dat niet alle fiscale wetgeving in het pakket Belastingplan wordt opgenomen, maar meer technische en kleinere fiscale wijzigingen in een fiscale verzamelwet worden opgenomen. De Fiscale verzamelwet is een zelfstandig wetsvoorstel met een regulier wetgevingstraject en wordt eerder in het jaar bij uw Kamer ingediend. De Fiscale verzamelwet 2028 bevat technische fiscale maatregelen met geen of beperkte budgettaire gevolgen. De Fiscale verzamelwet 2028 is recent ter internetconsultatie aan een breed publiek voorgelegd. Voorbeelden van maatregelen die vanwege hun aard niet in het pakket Belastingplan 2027 maar in de Fiscale verzamelwet 2028 zijn opgenomen zijn de maatregelen verruiming van de aangiftetermijn voor de schenkbelasting tot 1 mei, de aanpassing van de objectieve belastingplicht voor omgekeerd hybride lichamen en verschillende wettelijke codificaties van goedkeurende beleidsbesluiten vooruitlopend op wetgeving. De meeste maatregelen die in de Fiscale verzamelwet 2028 worden voorgesteld, treden in werking op 1 januari 2028.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat een verhoging van het tarief van de dividendbelasting met respectievelijk 1%-, 2%-, 5%- en 10%-punt netto zou opleveren. Omdat Nederland in de meeste bilaterale belastingverdragen heeft afgesproken dat het bronland maximaal 15% belasting mag heffen over portfoliodividenden, kan een hoger tarief in de meeste gevallen niet worden toegepast. Derhalve kent het verhogen van het tarief van de dividendbelasting per 2027 een (zeer) beperkte opbrengst. Daarnaast zou deze maatregel een aanmerkelijke uitvoeringslast opleveren voor de Belastingdienst, aangezien die veel meer teruggaafverzoeken zal moeten behandelen.

De Staatssecretaris van Financiën,

E. Eerenberg


  1. Openbaarmaking-conceptstukken-bij-adviesaanvragen.pdf.

    ↩︎
  2. Kamerstukken II 2026/27, 37020, nr. 62.

    ↩︎
  3. Documenten bij Novelle uitbreiding vermogenswinstbelasting box 3 | Overheid.nl | Wetgevingskalender.

    ↩︎
  4. Kamerstuk II 2025/2026, 36 848, nr. 101.

    ↩︎
  5. Kamerstukken II 2022/23, 36602, nr. 112.

    ↩︎
  6. Kamerstukken II 2026/27, 37020, nr. 2, p. 57-58.

    ↩︎
  7. Kamerstukken II 2026/27, 37020, nr. 62.

    ↩︎
  8. Zie bijvoorbeeld CPB (2020): Kansrijk arbeidsmarktbeleid, update minimumloonbeleid; en CPB/SZW (2020): Kansrijk armoedebeleid.

    ↩︎
  9. Zie SZW (2025): Analyse toereikendheid inkomen op sociaal minimum (link), bijlage bij de Kamerbrief Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning.

    ↩︎
  10. Kamerstukken II 2026-2027, 37020 IX, nr. 8.

    ↩︎
  11. ECLI:NL:HR:2024:1657.

    ↩︎
  12. Werkgevers kunnen via de samenvoegbepaling het loon en een door hen uitbetaalde socialezekerheidsuitkering als één bedrag verwerken in de salarisadministratie.

    ↩︎
  13. Stcrt., 2026, 25913.

    ↩︎
  14. Door afronding van bedragen in deze tabel tellen de totalen soms niet precies op tot het bedrag dat is opgenomen bij het netto en besteedbaar inkomen.

    ↩︎
  15. Kamerstukken II 2022/23, 36202, nr. 155, bijlage.

    ↩︎
  16. Kamerstukken II 2023/24, 31305, nr. 455.

    ↩︎
  17. Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 164.

    ↩︎
  18. Kamerstukken II 2024/25, 36602, nr. 164.

    ↩︎
  19. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 18.

    ↩︎
  20. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 102.

    ↩︎
  21. Kamerstukken I 2025/26, 36812, Z.

    ↩︎
  22. Op 1 januari 2027 hebben deze auto’s de leeftijdsgrens van 16 jaar bereikt.

    ↩︎
  23. Bijlage bij Kamerstukken II 2026/27, 37022, nr. 3, p. 15.

    ↩︎
  24. Belastingplan 2027 | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid en Belastingplanstukken | Rijksoverheid.nl

    ↩︎
  25. Kamerstukken II 2024/25, 32 800, nr. 89.

    ↩︎
  26. Kamerstukken II 2025/26, 32 800, nr. 93.

    ↩︎
  27. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 1.

    ↩︎
  28. Kamerstukken II 2026/27, 37022, nr. 3.

    ↩︎
  29. Kamerstukken II 2027/27, 37020, nr. 1, p. 45 en 48.

    ↩︎
  30. Kamerstukken II 2026/27, 37022, nr. 3.

    ↩︎
  31. Kamerstukken II 2026/27, 37022, nr. 3, bijlage Overzicht uitvoerbaarheid Belastingdienst 2026.

    ↩︎
  32. Kamerstukken II 2025/26, 37020, nr. 31.

    ↩︎
  33. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 79

    ↩︎
  34. Kamerstukken II 1925/26, 266, nr. 3, p. 1-2.

    ↩︎
  35. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 124.

    ↩︎
  36. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 124.

    ↩︎
  37. Standaard Bedrijfsindeling.

    ↩︎
  38. Handboek Meting Regeldrukkosten 2026 | Regeldrukmonitor.

    ↩︎
  39. Kamerstukken II 2023/24, 36418, nr. 137.

    ↩︎
  40. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 124.

    ↩︎
  41. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 101.

    ↩︎
  42. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 97 (motie-Grinwis c.s.).

    ↩︎
  43. Kamerstukken II 2025/26, 32140, nr. 337.

    ↩︎
  44. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 120.

    ↩︎
  45. Kamerstukken II 2025/26, 36800, nr. 53 (motie-Stoffer).

    ↩︎
  46. Kamerstukken II 2012/13, 33610, nr. 3, p. 3-4.

    ↩︎
  47. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 38.

    ↩︎
  48. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 30.

    ↩︎
  49. SEO Economisch Onderzoek, Loont de werkkostenregeling?, 2025.

    ↩︎
  50. Kamerstukken II 2025/26, 37022, nr. 3, p. 128.

    ↩︎
  51. Bijlage bij Kamerstukken 2023/24, 36 418, nr. 127.

    ↩︎
  52. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117.

    ↩︎
  53. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR: 2025:417.

    ↩︎
  54. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117.

    ↩︎
  55. Kamerstukken II 2025/26, 31066, nr. 1541.

    ↩︎
  56. https://www.internetconsultatie.nl/ingeprijsdvalutaresultaatdeelnemingsvrijstelling/b1.

    ↩︎
  57. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117, p. 5.

    ↩︎
  58. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117, p. 5.

    ↩︎
  59. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR: 2025:417.

    ↩︎
  60. Kamerstukken II 2026/27, 37022, nr. 3, paragraaf 11.

    ↩︎
  61. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR: 2025:417.

    ↩︎
  62. HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.

    ↩︎
  63. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 117, p. 3.

    ↩︎
  64. https://www.rijksfinancien.nl/sites/default/files/bestanden/belastingplan-2027/wetsvoorstel-belastingplan-2027/ramingstoelichtingen-en-certificering-pakket-belastingplan-2027.pdf, p. 19.

    ↩︎
  65. Kamerstukken II 2026/27/ 37022, nr. 3, p. 159.

    ↩︎
  66. Arrest van 10 juni 2015, C-686/13, (X AB tegen Skatteverket, ECLI:EU:C:2015:375), punt 32.

    ↩︎
  67. Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 | CPB Website (https://www.cpb.nl/publicatie/gedragseffecten-belastingmaatregelen-2026).

    ↩︎
  68. Kamerstukken II, 2025/26, 27926, nr 431.

    ↩︎
  69. Kamerstukken II, 2025/26, 29453, nr. 586.

    ↩︎
  70. Kamerstukken II, 2024-25, 29453, nr. 574.

    ↩︎
  71. Samenwerking Havensteder en Wooncompas op Zuid - Havensteder

    ↩︎
  72. Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 266.

    ↩︎
  73. Rapport Desicio, Effectenstudie verhoging btw tarief op sierteeltproducten

    ↩︎
  74. Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 151

    ↩︎
  75. Evaluatie van het verlaagde btw-tarief | Rijksoverheid.nl.

    ↩︎
  76. Decisio, 2026. Effectenstudie verhoging btw tarief op sierteeltproducten.

    ↩︎
  77. Btw-nota 2025 | CBS.

    ↩︎
  78. gedragseffecten-belastingmaatregelen-CPB-2026.pdf.

    ↩︎
  79. Bloemisten verdwijnen als sneeuw voor de zon: ‘Wat vroeger verkoopprijs van een roos was, is nu inkoopprijs’.

    ↩︎
  80. Publieksonderzoek BTW op sierteelt.

    ↩︎
  81. Decisio, 2026. Effectenstudie verhoging btw tarief op sierteeltproducten.

    ↩︎
  82. WUR (2023) Doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en EU.

    ↩︎
  83. 2026Z08705&did=2026D26376">Antwoord op vragen die het lid Goudzwaard over het afschaffen van het verlaagde btw-tarief op sierteelt | Tweede Kamer der Staten-Generaal Antwoord vraag 3 en 4.

    ↩︎
  84. gedragseffecten-belastingmaatregelen-CPB-2026.pdf.

    ↩︎
  85. gedragseffecten-belastingmaatregelen-CPB-2026.pdf.

    ↩︎
  86. Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 266, bijlage.

    ↩︎
  87. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 101.

    ↩︎
  88. Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 266, bijlage.

    ↩︎
  89. https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/85365NED

    ↩︎
  90. Artikel 3, eerste lid, Besluit energie vervoer

    ↩︎
  91. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 1.

    ↩︎
  92. Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 | CPB Website

    ↩︎
  93. Quick buys for prevention and control of noncommunicable diseases - The Lancet Regional Health – Europe.

    ↩︎
  94. Alcoholconsumptie steeds goedkoper - ESB.

    ↩︎
  95. Quick buys for prevention and control of noncommunicable diseases - The Lancet Regional Health – Europe.

    ↩︎
  96. Onderzoek grenseffecten alcoholaccijns (2024); Shang, C., Ngo, A. & Chaloupka, F.J. (2020). The pass-through of alcohol excise taxes to prices in OECD countries.

    ↩︎
  97. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 1.

    ↩︎
  98. Kamerstukken II 2025/26, 36848, nr. 101.

    ↩︎
  99. Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PbEG 1992, L 316), herzien door Richtlijn (EU) 2020/1151 van de Raad van 29 juli 2020 tot wijziging van Richtlijn 92/83/EEG betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PbEU 2020, L 256).

    ↩︎
  100. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 1.

    ↩︎
  101. Verdeling autobelastingen over huishoudens | CPB Website.

    ↩︎
  102. Kamerstukken II 2025/26, 36933, nr. 42, onderdeel ‘Mobiliteitspas.

    ↩︎
  103. Accijnstarief per liter zonder korting en met jaarlijkse indexatie sinds 2022.

    ↩︎
  104. Het accijnstarief per liter ongelode benzine dat van toepassing is.

    ↩︎
  105. Het ETS2 en de gevolgen voor Nederlandse huishoudens.

    ↩︎
  106. Appreciatietabel voorstellen Werkgroep Afvalsector, 15 september 2026, bijlage bij het Nader rapport wetsvoorstel Belastingplan 2027 (Kamerstukken II 2026/27, 37022).

    ↩︎
  107. Trinomics (2025), Impactanalyse beprijzingsmaatregelen afvaldomein [Impacts of the reform of the waste tax and CO2 levy for waste incinerators], 8 september 2025. Bijlage bij pakket Belastingplan 2026.

    ↩︎
  108. Kamerstukken II 2022/23, 27 625, nr. 592.

    ↩︎
  109. Augustus 2026, Drinkwaterplatform, initiatief van de Nederlandse drinkwaterbedrijven.

    ↩︎
  110. Kamerstukken II 2025/26, 36812, nr. 111.

    ↩︎
  111. CE Delft (2026), Afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, juni 2026.

    ↩︎
  112. CE Delft (2023), De prijs van een vliegreis Editie 2023, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, december 2023.

    ↩︎
  113. CE Delft (2025), Effecten van een afstandsafhankelijke vliegbelasting, onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, mei 2025.

    ↩︎
  114. De totale beprijzing bestaat uit vliegbelasting, luchthavengelden, navigatieheffingen, ETS, CORSIA en de btw op tickets voor transport naar en van de luchthaven.

    ↩︎
  115. Certificering budgettaire ramingen Belastingplan 2027 en overige wetsvoorstellen | CPB Website

    ↩︎
  116. Gedragseffecten belastingmaatregelen 2026 | CPB Website

    ↩︎
  117. Voor meer informatie over de Gedragscodegroep en de rapporten: Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) - Consilium↩︎

  118. Zie ook: EU-lijst van niet‑coöperatieve jurisdicties op belasting­gebied - Consilium

    ↩︎
  119. Kamerstuk 34 552, nr. 85, Brief van de Staatssecretaris over goedkeuring Innovatiebox, 28 juni 2017↩︎

  120. Kamerstukken II 2025/26, 29453 en 27962, nr. 583.

    ↩︎
  121. Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw (TVW), Van plan naar thuis Versnelde aanpak woningnood, 21 september 2026.

    ↩︎
  122. Kamerstukken II 2025/26, 32847, nr. 1448.

    ↩︎
  123. Kamerstukken II, 29453, nr. 586.

    ↩︎
  124. De tekst van de novelle zoals deze is voorgelegd aan de Raad van State is te vinden op https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK029564.

    ↩︎
  125. Met uitbreiding van financiële producten naar een vermogenswinstsystematiek en heffingsvrij resultaat van € 1.000.

    ↩︎
  126. Kamerstukken II 2024/25, 36748, nr. 3, p. 52-53.

    ↩︎
  127. Kamerstukken II 2022/23, 35927, nr. 125.

    ↩︎
  128. Kamerstukken II, 2025/26, 36748, nr. 34.

    ↩︎
  129. Artikel 10a.31, tweede lid, Wet werkelijk rendement box 3.

    ↩︎
  130. Voor de regeling leegwaarderatio wordt uitgegaan van een bepaald percentage van de WOZ-waarde van de woning dat wordt bepaald aan de hand van de huuropbrengst. De leegwaarderatio geldt onder omstandigheden eveneens voor een pachtovereenkomst die voor ten minste twaalf jaar is aangegaan.

    ↩︎
  131. Kamerstukken II, 2024/25, 36706, nr. 13.

    ↩︎
  132. Kamerstukken II 2025/26, 36748, nr. 13.

    ↩︎
  133. https://esb.nu/258-261_vddool-box3/

    ↩︎
  134. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 85.

    ↩︎