[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-03-19. Laatste update: 2026-03-24 14:06
Thorbeckezaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit

Opening

Verslag van een commissiedebat

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 19 maart 2026 overleg gevoerd over Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,

Eerdmans

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,

Burger

Voorzitter: Sneller

Griffier: Meijer

Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Coenradie, Faber, Martens-America, Schilder, Sneller, Straatman en Zalinyan.

Aanvang 14.00 uur.

Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit

Aan de orde is de behandeling van:

  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 3 oktober 2025 inzake reactie op de brief van gemeente Kerkrade over gevolgen van recente uitspraak van Raad van State over Wet Bibob (31109, nr. 36);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 31 oktober 2025 inzake rapport "Criminaliteit en rechtshandhaving 2024. Ontwikkelingen en samenhangen" (33173, nr. 26);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 14 november 2025 inzake initiatieven gericht op beleidsontwikkeling met betrekking tot online aangejaagde openbareordeverstoringen (28684, nr. 814);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 1 december 2025 inzake rapport Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020 (31109, nr. 37);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 9 december 2025 inzake evaluatierapport Nederland in het kader van VN-Verdrag tegen corruptie (36800-VII, nr. 16);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025 inzake reactie FAD over aanpak van fraude, winkeldiefstal en criminaliteit binnen de detailhandel (28684, nr. 815);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 december 2025 inzake evaluatie van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (36800-VI, nr. 27);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit (29911, nr. 492);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake kabinetsreactie op invoeringstoets artikel 174a van de Gemeentewet (36217, nr. 15);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 19 december 2025 inzake stand van zaken moties en toezeggingen high impact crimes 2025 (28684, nr. 816);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 januari 2026 inzake rapport "Evaluatie Wet Computercriminaliteit III. Een empirisch onderzoek naar de toepassing in de praktijk" (34372, nr. 32);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 15 januari 2026 inzake zesde rapportage Monitor Georganiseerde Criminaliteit (29911, nr. 493);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 februari 2026 inzake beleidsreactie op WODC-onderzoeksrapport Ondergronds bankieren in relatie tot georganiseerde criminaliteit in Nederland (29911, nr. 497);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 februari 2026 inzake WODC-onderzoek Eenheid in veelzijdigheid bij de aanpak van financieel-economische criminaliteit (29911, nr. 498);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 27 februari 2026 inzake circulaire bewaken en beveiligen (29911, nr. 499);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 2 maart 2026 inzake Veiligheidsmonitor 2025 (28684, nr. 847);
  • de brief van de minister van Justitie en Veiligheid d.d. 13 maart 2026 inzake eerste National Risk Assessment Corruptie (31477, nr. 123).

De voorzitter:

Het is 14.00 uur, dus ik stel voor dat we beginnen met de commissievergadering van de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid. Op de agenda staat het commissiedebat Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid van harte welkom. Van de zijde van de Kamer zijn aanwezig: mevrouw Zalinyan van GroenLinks-PvdA, mevrouw Straatman van het CDA, mevrouw Schilder van de Groep Markuszower, mevrouw Coenradie van JA21 en mevrouw Faber van de PVV. Aan het eind zal ik namens D66 het woord voeren. We hebben spreektijden afgesproken van vier minuten per fractie. Ik stel voor te beginnen met vier interrupties onderling. Mevrouw Martens van de VVD is ook aangeschoven. Ook zij heeft vier interrupties in de eerste termijn.

Ik geef graag het woord aan mevrouw Zalinyan voor haar inbreng namens GroenLinks-PvdA.

Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Al jarenlang is bekend dat wat justitie en de Belastingdienst afpakken aan crimineel geld, totaal niet in verhouding staat tot wat criminelen verdienen. Naar schatting gaat het jaarlijks om 15 tot 20 miljard euro, terwijl slechts een fractie, in de orde van honderden miljoenen, wordt afgepakt. Dat moet beter. Elke witgewassen euro is immers verdiend met criminaliteit. Des te zorgwekkender is het recente rapport van de Algemene Rekenkamer. Dat schetst opnieuw een somber beeld van de aanpak van witwassen, net als in 2022. De conclusie is scherp: de huidige aanpak is onvoldoende effectief en efficiënt. Er zijn veel en ingrijpende controles, maar er is weinig inzicht in wat die opleveren. Ook wordt er te weinig gedaan om dat inzicht te verbeteren. In de reactie van de minister van Financiën mis ik bovendien een duidelijke sense of urgency. Ik zie witwassen als onderdeel van het bredere probleem van georganiseerde criminaliteit. Daarom vraag ik de minister van Justitie en Veiligheid of hij dit rapport samen met Financiën grondig wil bestuderen en of hij met een uitgebreide reactie en concrete verbetermaatregelen wil komen.

Daarnaast blijkt uit WODC-onderzoek dat ondergronds bankieren een essentieel onderdeel is van het criminele bedrijfsproces, met name binnen de internationale drugscriminaliteit. Tegelijkertijd gaf de hoofdofficier van het landelijk parket recent in de NRC aan dat naar schatting 98% van het criminele geld buiten het zicht van justitie blijft en ondergronds circuleert. Die geldstromen onttrekken zich grotendeels aan opsporing, terwijl criminelen zich continu aanpassen met nieuwe methoden, zoals het chemisch camoufleren van cocaïne en het gebruikmaken van cryptocurrency. Kortom, er is nog altijd te weinig zicht op criminele geldstromen en de manier waarop deze worden witgewassen. Tegelijkertijd heb ik waardering voor de inzet van politie en justitie. Met beperkte middelen boeken zij wel degelijk resultaten, zoals het kraken van cryptocommunicatie en het blootleggen van netwerken. De aanpak mag daar echter niet afhankelijk van zijn. Mijn vraag aan de minister is dan ook: hoe gaat hij deze stagnatie doorbreken en zorgen voor een effectievere aanpak?

Uit WODC-onderzoek blijkt dat ondergrondse bankiers het reguliere financiële stelsel en bedrijfsstructuren gebruiken om crimineel geld wit te wassen. Dat doen ze onder meer via dekmantels. We zien dat ook bij hypotheekfraude. Criminelen kopen vastgoed met zwart geld, vaak op basis van vervalste inkomensgegevens of fictieve dienstverbanden. Vervolgens lossen ze af met illegaal geld. In september 2024 is de motie-Mutluer aangenomen om de gegevensdeling tussen de Belastingdienst en hypotheekverstrekkers te verbeteren. Zo wordt fraude met valse gegevens voorkomen. Inmiddels loopt er via het Financieel Expertise Centrum een onderzoek naar de aard en omvang van hypotheekfraude en mogelijke maatregelen daartegen. De minister wil het zetten van nieuwe stappen uitstellen tot de uitkomsten, die deze maand verwacht worden, bekend zijn. Wat is de stand van zaken en kunnen we, bijna twee jaar na de motie, eindelijk concrete stappen verwachten?

Voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit is inzicht in de achterliggende structuren essentieel. Toch worden bv's nog steeds misbruikt. Zo komen er signalen dat op één adres tientallen bv's worden ingeschreven en is het toezicht volgens het OM gebrekkig. GroenLinks-PvdA en de SP hebben daarom al eerder een initiatiefwet ingediend voor een centraal aandeelhoudersregister, zodat duidelijk wordt wie achter die bv's zit en opsporingsdiensten daar gebruik van kunnen maken. De minister noemde dit een nuttig instrument en zou hierover in overleg gaan met notarissen en andere betrokkenen. Heeft dat overleg inmiddels plaatsgevonden en wat zijn de uitkomsten?

Tot slot: gemeenten. Gemeenten signaleren steeds vaker ogenschijnlijk legale ondernemingen met "niet pluis"-signalen, zoals winkels of horeca zonder zichtbare klanten of activiteit. De impact op de leefbaarheid en het ondernemingsklimaat is vaak aantoonbaar. De impact op de openbare orde, die nodig is om bestuurlijk in te kunnen grijpen, is moeilijk vast te stellen. Juist wanneer ondernemingen als dekmantel voor illegale activiteiten dienen, proberen malafide ondernemers zichtbare verstoringen van de openbare orde te vermijden. Wij vragen de minister hoe hij het bevoegdheidsgat en de wens van gemeenten om meer ruimte te krijgen om op te treden bij dergelijke signalen beoordeelt.

Dank, voorzitter. Ik houd het hierbij.

De voorzitter:

Uitstekend. Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Straatman voor haar inbreng namens de CDA-fractie.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Georganiseerde en ondermijnende criminaliteit vormt een directe bedreiging voor onze rechtsstaat. Dat zijn geen holle frases; dat is de bittere werkelijkheid. Eind vorig jaar schreef een Belgische rechter een brandbrief waarin zij stelde dat onze zuiderburen afstevenen op een narcostaat. Ze moest onderduiken voor de georganiseerde misdaad. Wij wisten, na de moorden op Derk Wiersum en Peter R. de Vries, natuurlijk al langer dat de impact van de georganiseerde misdaad ook hier doorwerkt in het werk van rechters, advocaten en hoeders van onze rechtsstaat. Maar ook breder in de samenleving zien we dat georganiseerde criminaliteit steeds zichtbaarder wordt, bijvoorbeeld door explosies bij woningen en bedrijven en door drugslabs in wijken. Jonge, kwetsbare jongeren worden schaamteloos geronseld voor criminaliteit.

Voorzitter. Laat duidelijk zijn: tegenover georganiseerde misdaad moet een georganiseerde overheid staan. Wat het CDA betreft is dat een georganiseerde overheid die criminele netwerken niet alleen hard bestrijdt, maar ook daadwerkelijk ontwricht. Allereerst kom ik dan bij het aanpakken van crimineel vermogen. De implementatiedeadline voor de EU-Confiscatierichtlijn is 23 november van dit jaar. Hoever is de minister met de implementatie van deze belangrijke richtlijn, die het mogelijk maakt om crimineel vermogen ook zonder veroordeling van een verdachte af te pakken?

Wat het CDA betreft pakken we het crimineel vermogen niet alleen af, maar investeren we het in de wijken die onder die criminaliteit hebben geleden. Het mooie initiatief in Schiedam is daar een voorbeeld van. In 2023 werd in Schiedam een leer-werkplaats geopend die kwetsbare jongeren helpt om nieuwe kansen te krijgen op de arbeidsmarkt. Dat was het eerste project dat werd gefinancierd met afgepakt crimineel geld. Tot teleurstelling van het CDA werd vorige maand bekendgemaakt dat deze pilot per 1 oktober van dit jaar stopt. Wat kan de minister zeggen over de resultaten van deze pilot? Waarom komt er geen vervolg? Is de minister bereid om meer van dit soort projecten op te starten met afgepakt crimineel geld?

Voorzitter. Die herbestemming van crimineel vermogen is essentieel om wijken die lijden onder criminaliteit zichtbaar te helpen, juist omdat het vaak ook kwetsbare wijken met veel sociale armoede zijn. Dat bleek deze week ook weer uit de Onderwereldkaart die werd gepubliceerd. Daar kwamen juist Schiedam, Rotterdam en ook Heerlen in terug. De grensregio heeft daarbij een extra eigen dynamiek: het heeft kwetsbare jongeren en een perfecte ligging, maar desondanks vaak heel weinig politiecapaciteit. Ziet de minister mogelijkheden om, in gesprek met de politieleiding, ruimte te maken voor extra politie-inzet in die grensregio?

Voorzitter. Dat brengt me bij preventie. Uit de Monitor Georganiseerde Criminaliteit blijkt dat verdachten die betrokken raken bij zware, georganiseerde criminaliteit steeds vaker geen eerdere justitiecontacten hebben. Ze belanden ogenschijnlijk uit het niets in de zware criminaliteit. Wat betekent de instroom van deze jongeren zonder strafblad voor de huidige preventiestrategie?

Tot slot de gegevensdeling. Het is goed dat de Taskforce Gegevensdeling nog twee jaar doorgaat. Gebrekkige informatiedeling tussen instanties is namelijk een doorn in het oog. Het komt ook keer op keer terug. Neem nu ook weer de evaluatie van de Wet Bibob. Een van de belangrijkste conclusies daaruit is dat de tipfunctie tussen gemeenten onvoldoende wordt gebruikt, omdat het voor bestuursorganen lastig is om te beoordelen welke informatie moet en mag worden gedeeld. Wat is de reactie van de minister daarop?

Voorzitter. Laat ik afsluiten met een positieve noot. Het doorbreken van PGP-berichten door de politie heeft aangetoond dat het lukt om de georganiseerde misdaad een zware slag toe te brengen. Dat geeft hoop. Maar voor effectief gebruik van de hackbevoegdheid is versleuteling nog steeds een grote barrière. Om nog zo'n PGP-voltreffer te maken, zullen we het gesprek moeten blijven voeren over hoe we, binnen de rechtsstatelijke grenzen, omgaan met de versleuteling van berichten. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Schilder namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Het effectief bestrijden van criminaliteit begint bij het hebben van een goed beeld van wat er in de samenleving speelt. Cijfers spelen daarin een belangrijke rol. Het rapport Criminaliteit en rechtshandhaving lijkt te laten zien dat de criminaliteit daalt. Dat klinkt positief, maar dat beeld is vertekend. Deze cijfers gaan namelijk alleen over de geregistreerde criminaliteit, en dat is niet hetzelfde als de werkelijke omvang. De aangiftebereidheid staat onder druk. Politiebureaus verdwijnen, waardoor de drempel om aangifte te doen hoger wordt. Daarnaast speelt schaamte vaak een rol, waardoor slachtoffers geen aangifte doen. Laten we onszelf dus vooral niet rijk rekenen. Ik vraag de minister of hij een plan heeft om de drempels voor het doen van aangifte weg te nemen.

Wat zorgen baart, is het grote aantal minderjarige verdachten. Het gaat om zware feiten. Ik noem straatroven en explosies zoals die van afgelopen week bij de synagoge in Rotterdam. Jongeren worden vaker ingezet bij de georganiseerde criminaliteit als uithalers, geldezels en loopjongens. Deze jongeren plegen de feiten, maar daarachter zitten volwassenen die hen aansturen. Dat zijn criminelen die heel goed weten dat jongeren minder zwaar worden gestraft. Een op de zeven jongeren wordt benaderd voor criminaliteit. 30% van de jongeren staat open voor criminele klussen, als het maar voldoende geld oplevert. Het is een gigantische arbeidsmarkt. Mijn fractie wil de hoogste prioriteit geven aan het oppakken van ronselaars. Wie minderjarigen de criminaliteit in trekt, verdient een forse straf. Daarom willen wij het ronselen voor criminele activiteiten als zelfstandig strafbaar feit in de wet opnemen. Zo kunnen we ingrijpen, gerichter vervolgen en zwaarder straffen. Daarom vraag ik aan de minister of hij bereid is om ronselen als apart delict op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, met een passende zware straf en met strafverzwaring als het om minderjarigen gaat.

Voorzitter. In sommige gebieden in ons land ligt de criminaliteit structureel hoger. In diezelfde gebieden zien we vaak dat er sprake is van een hoge concentratie van opvanglocaties en groepen met een niet-westerse migratieachtergrond. Dit wil niet zeggen dat iedereen zich schuldig maakt aan criminaliteit, maar het wordt wel tijd dat we erkennen dat het huidige beleid van vergoelijken en wegkijken faalt. Daarom vraag ik de minister of hij erkent dat er meer criminaliteit is in gebieden met veel opvanglocaties en groepen niet-westerse migranten. Gaat de minister deze groep eindelijk eens echt aanpakken en uitzetten na het plegen van strafbare feiten, of blijft hij ze belonen met voorrang op huizen, dagjes Efteling en gratis busreizen?

Voorzitter, tot slot. Wie de criminaliteit echt wil bestrijden, moet het verdienmodel aanpakken. Zolang criminelen miljoenen kunnen verdienen en dit geld mogen houden, blijft criminaliteit aantrekkelijk. Dat blijft het ook voor jongeren die worden geronseld. Crimineel vermogen moet dus sneller afgepakt worden en dat moet harder gebeuren. Er moet direct ingegrepen worden en er moeten zeker geen procesafspraken gemaakt worden waarbij criminelen hun winst mogen houden. Er ligt inmiddels een wetsvoorstel om dit te vergemakkelijken en het geld af te pakken zonder veroordeling. Dit laat zien dat het probleem wordt erkend. Daarom vraag ik de minister of hij de mogelijkheden van deze wetgeving maximaal gaat benutten om het afpakken van crimineel vermogen fors te intensiveren. Gaat hij ervoor zorgen dat we niet alleen de opgepakte dader raken, maar ook het gehele verdienmodel vernietigen? Hoe gaat hij dit concreet doen? Ik hoor het graag.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng namens JA21.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter. Vandaag spreken we over criminaliteitsbestrijding en ondermijning. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: we maken er een ongekende puinhoop van. In tal van gemeenten heeft het lokaal gezag geen grip op jongeren, veelal van Marokkaanse, Antilliaanse of Syrische afkomst. Deze problematiek verspreidt zich als een olievlek over ons land: van Drimmelen, Etten-Leur en Zwijndrecht tot aan de excessen in Almere, Lelystad en Utrecht. Het gebeurt in en rondom winkelcentra, op pleinen en in stadscentra. Volgens advocaat Peter Schouten is de situatie in Lelystad zelfs zo ernstig dat er overeenkomsten zijn met die in de buitenwijken van Stockholm.

Voorzitter. Op deze manier veranderen onze gemeenten in derdewereldgebieden, en dat accepteer ik niet. De lokale gezagen hebben hier geen of onvoldoende grip op. Samenscholingsverboden hebben hier en daar effect, maar een echte, fundamentele aanpak om dit gedrag de kop in te drukken, ontbreekt. Het helpt ook niet dat we in te veel gemeenten te maken hebben met slappe bestuurders die voortdurend roepen dat deze jongeren "kwetsbaar" zijn. Dat zijn bestuurders met een handelswijze die mij doet denken aan de slappetheepolitiek uit de jaren negentig van talloze PvdA-burgemeesters in grote steden. "We moeten met de goede krachten het gesprek aangaan", zei burgemeester Sharon Dijksma na de totale escalatie in Overvecht vorige week naar aanleiding van een aanhouding. Dat is totaal lachwekkend. Het is absurd om te denken dat praten met de goeden een oplossing is voor het gedrag van de kwaden. Als je dat echt denkt, dan snap je er simpelweg helemaal niets van. Laten we eerlijk zijn: Overvecht is op dit moment een no-goarea. Ik ben het niet met veel van wat burgemeester Dijksma heeft gezegd eens, maar wel met het feit dat Utrecht versterking nodig heeft. De minister wil structurele ME-ondersteuning voor Utrecht niet toezeggen vanwege capaciteit, maar zegt wel dat hij het tij wil keren in moeilijke wijken. Welke concrete belofte doet hij hier eigenlijk?

Voorzitter. In Lelystad en Almere zijn jeugdbendes, veelal van Marokkaanse en Antilliaanse afkomst, de baas op straat. Explosies, intimidatie, drugsdeals, overlast en dreigementen zijn daar aan de orde van de dag. Het lokaal gezag en de gemeente kunnen dit om tal van redenen niet alleen aan. Er is regie, hulp en steun vanuit de landelijke overheid nodig. Lelystad en Almere zijn niet de enige gemeenten die hulp nodig hebben, maar wel gemeenten waar recent sprake was van excessen. Wat doet de minister momenteel om vanuit zijn positie gemeenten te helpen bij het bestrijden van dit probleem van jongerencriminaliteit? Werkt hij aan een extra of gerichte aanpak?

Voorzitter. Ik begrijp dat we dit probleem niet van vandaag op morgen kunnen oplossen. Als ik het ei van Columbus had gehad, had ik dat gisteren nog met u gedeeld. Maar we mogen als landelijke politiek niet wegkijken van wat er in onze steden en dorpen gebeurt. We verliezen het gezag over straten, wijken en winkelcentra aan kinderen en adolescenten. Dat is lachwekkend, triest en veelzeggend over de apathische staat van onze overheid. Er moet echt iets gebeuren. Dat is fundamenteel noodzakelijk, voor de veiligheid op straat, maar ook voor onze eigen geloofwaardigheid als politiek en overheid. Wat mij betreft beginnen we vandaag nog met twee concrete voorstellen, die ik graag aan de minister wil voorleggen.

Ten eerste noem ik heropvoedingsprogramma's. Jongeren met herhaald problematisch, overlastgevend en crimineel gedrag nemen dan verplicht deel aan een tijdelijk, gestructureerd en disciplinair programma, waarin onderwijs, normen en waarden, heropvoeding en andere noodzakelijke elementen centraal staan. Hiervoor is simpelweg verplichte gesloten plaatsing nodig. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Is hij bereid zo snel mogelijk werk te maken van deze aanpak, waarbij ook eventuele juridische belemmeringen worden weggenomen?

Ten tweede. In Denemarken werkt men met een systeem waarin de rechter, politie en gemeenten samen vroeg ingrijpen als jongeren betrokken raken bij ernstige criminaliteit. Zij kunnen snel een verplicht traject opleggen, met bijvoorbeeld gedragsinterventies, verplichte schooldeelname, toezicht, gezinsbegeleiding of, indien nodig, plaatsing buiten het gezin. In Nederland bestaan vergelijkbare maatregelen, maar die zijn versnipperd over strafrecht, jeugdzorg en gemeentelijke bevoegdheden. Zou zo'n integrale aanpak ook hier kunnen helpen? Is de minister bereid om op z'n minst te onderzoeken of dit systeem in Nederland toepasbaar is?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik deel de zorgen als het gaat om de situatie in Utrecht en Lelystad. Ik hoorde mevrouw Coenradie ook zeggen dat zij de oproep van de burgemeester van Utrecht voor een eigen ME-korps zou willen ondersteunen. Zoals ik het begrijp, gaat een ME-korps in Utrecht ten koste van de flexibele inzet elders in het land. We zien hoe groot de grensproblematiek is. Kijk bijvoorbeeld hoeveel gemeenten alleen al in Zuid-Limburg hoog op de Onderwereldkaart boven komen drijven. Ik vraag me af hoe u dat ziet. Hoe ziet u de politiecapaciteit in de grensregio's en buiten de Randstad?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik ben natuurlijk geen strategisch personeelsmanager. Maar als je het mij vraagt, denk ik dat we natuurlijk geen blikken met personeel of met ME-mensen buiten hebben staan. De rek is er heel erg uit. Ik denk wel dat het goed is dat er überhaupt goed gekeken wordt hoe we omgaan met de capaciteit die we wél hebben, niet alleen vanuit de politie, maar ook vanuit de minister. Het gaat daarbij niet alleen om de ME, maar ook om al het politiewerk, de wijkagenten en alle dienders op straat en op kantoren. Waar kunnen we efficiencyslagen maken? Waar kan de politie het nog hebben en waar moet de politie ook gewoon nee durven te verkopen richting de politiek? Ik denk dat er andere keuzes gemaakt moeten worden. Nogmaals, ik ben geen strategisch personeelsmanager. Wat mij betreft is dat iets wat de korpsleiding samen met de minister goed moet bekijken. Daarbij is er ruimte om te zeggen: heel veel dingen kunnen we aan, maar dit is ook wat we moeten loslaten. Dan kijk je vervolgens wat de minister of de Tweede Kamer daarvan vindt. Maar er zullen keuzes gemaakt moeten worden, want, nogmaals, niemand heeft hier een blik met agenten of ME-mensen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Juist omdat we geen blik agenten en ME-mensen hebben, is het heel belangrijk om scherp te hebben dat als er politieagenten of ME-mensen elders in het land bij komen, dat ten koste gaat van andere regio's. Als we naar de kaart van Nederland kijken, zien we dat de Randstad vaak overbedeeld is. Laten we alsjeblieft ook oog houden voor de provincies en regio's aan de grens. Daar is de problematiek ook heel groot. Daar schreeuwen de burgemeesters misschien iets minder hard in de media, maar we moeten echt voorkomen dat daar steeds minder politieagenten naartoe gaan, want de problematiek is daar zeer groot.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dat raakt niet alleen de voorstellen die ik hier vandaag doe, maar ook de aangenomen motie van vorige week waarin ik zeg dat verwarde mensen niet in het strafrecht thuishoren en dat we ook moeten kijken naar andere voorzieningen, omdat ik van mening ben dat niet alles een taak is van de politie. Daarmee bedoel ik te zeggen dat de politie ook weleens nee mag zeggen. Zij mogen ook weleens zeggen: dit kunnen wij nog wel aan en dit is gewoon simpelweg niet van ons. Dan gaat het over verwarde mensen en heel veel zaken die in de preventieve sfeer zitten of die eigenlijk bij de gezondheidszorg horen. Die zaken horen daar en zijn niet van de politie. Op het moment dat we die allemaal wel steeds bij de politie neerleggen, moeten we niet verbaasd zijn dat we ME's niet meer dedicated voor in dit geval Utrecht kunnen inzetten.

De voorzitter:

Ja? Dan gaan we naar mevrouw Faber voor haar inbreng namens de PVV-fractie.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Nederlanders voelen zich steeds onveiliger op straat. Een voorbeeld is een wijk in Amsterdam-West waar het islamitische Cornelius Haga Lyceum gelegen is. Omwonenden worden er dagelijks geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen en grove scheldpartijen door groepen moslimjongeren, elke dag weer. Wordt er van elk incident nog aangifte gedaan? Aangifte doen wordt steeds moeilijker gemaakt. Er zijn minder politiebureaus en agenten ontmoedigen mensen soms om aangifte te doen, terwijl het aannemen van een aangifte wel verplicht is. Graag een reactie van de minister hierop.

Door bedreigingen zien slachtoffers af van aangifte. Een taxichauffeur in Lelystad werd tijdens een overval met een pistool op zijn hoofd geslagen. Verantwoordelijken: de Kempenaarbende. Hun handelsmerk: intimidaties en bedreigingen na overvallen, om aangifte te voorkomen. Beweerd wordt dat de criminaliteitscijfers gelijk blijven, maar komt de geregistreerde criminaliteit nog wel overeen met de werkelijkheid? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Jongeren worden steeds vaker ingezet voor criminele klussen, niet alleen online, maar ook rond azc's. Met het opengrenzenbeleid hebben wij niet-westerse migranten geïmporteerd, met hun problemen en cultuur. De helft van de seksuele misdrijven wordt gepleegd door allochtonen, waarvan het overgrote deel niet-westers is. Dat is wellicht een van de redenen dat omwonenden van azc's in Lochem en Dordrecht €1.000 krijgen voor beveiligingsmaatregelen. Waar gebeurt dat nog meer? Graag een reactie.

Groepen jonge Syriërs vechten op Nederlandse straten hun vetes uit. In Groningen liep het zo uit de hand dat agenten gehuld in kogelvrije vesten en met getrokken pistolen nodig waren. In Arnhem is er gemiddeld een à twee keer per week een ernstig incident met minderjarige Syriërs. Een deel van de Syrische jongeren is gewetenloos en voor niets bang en daarom geliefd bij criminele bendes, die hen rekruteren voor hun klussen. Het gaat van kwaad tot erger. Kortom, deze jongeren moeten snel herenigd worden met hun familie, niet hier, maar in Verweggistan. Het kan toch niet zo zijn dat we crimineel gedrag gaan belonen met de jackpot, namelijk gezinshereniging in Nederland?

Voorzitter. Nederland heeft een drugsprobleem. Nu heeft de rechtbank in Haarlem besloten om drugskoeriers milder te straffen. Ze vinden het namelijk onrechtvaardig dat er scheefgroei is ontstaan tussen de straffen die worden opgelegd aan de drugskoeriers die worden opgepakt op Schiphol en de straffen die worden opgelegd in omvangrijke drugs- en witwaszaken. De oorzaak: het OM heeft procesafspraken gemaakt met de verdachten in grote strafzaken. Hierdoor kan het OM een derde minder straf eisen in ruil voor het afzien van verweer en hoger beroep door de verdachte. Maar deze deals moeten wel eerst goedgekeurd worden door de rechter. De rechter werkt hier dus aan mee. Je moet dus niet zeuren als je er zelf een aandeel in hebt. De rechter verlaagt op deze wijze zowel voor kleine als grote criminelen de strafmaat. Dat is niet goed voor de afschrikkende werking. Door de strafvorderingsrichtlijnen die het OM in het leven heeft geroepen, worden de strafeisen ook al drastisch verlaagd. Nu doet de rechter er ook nog een schep bovenop voor de drugskoeriers. Straks wordt er helemaal niet meer gestraft. Het wordt de hoogste tijd voor minimumstraffen, want wat heeft het verhogen van minimumstraffen op deze manier nog voor zin? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Door stevige straffen en meer inzet daalt het aantal explosies in Amsterdam. Hier kwam echter afgelopen week een abrupt einde aan toen uit terroristisch motief een explosie plaatsvond bij Atrium aan de Zuidas. Dit gebeurde na een aanslag op een synagoge en een Joodse school. Het wordt tijd dat de politiek correcte elite zijn lafheid laat varen en het probleem onomwonden benoemt. Dat probleem is de islam.

De aanval is ook ingezet op kerken en andere christelijke symbolen. Eind februari was het weer raak in Ede. In één week tijd werden daar drie kerken in brand gestoken. Zo werd er bij één een molotovcocktail naar binnen gegooid en werden bij een andere kerk, een rijksmonument, de deuren ingesmeerd met een brandbare vloeistof waarna het gebouw in de fik werd gestoken. Dit zijn geen ongelukken maar acties met voorbedachten rade. Is er al iets bekend over de daders en de motivaties? Graag een reactie van de minister.

Tot zover. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we ten slotte naar mevrouw Martens namens de VVD-fractie. Op één na ten slotte, bedoel ik.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik wilde al zeggen, sla uzelf vooral niet over!

Voorzitter. Het toenemende gevoel van onveiligheid op straat is één ding, maar de zorgwekkende vermenging van de onder- en bovenwereld, de ondermijning, is een tweede: minder zichtbaar, maar niet minder desastreus. Sinds de moorden op de broer van een kroongetuige, op advocaat Derk Wiersum en op Peter R. de Vries heeft iedereen kunnen zien dat de aanpak van de ondermijnende drugscriminaliteit een ander manier van denken en van politiek bedrijven vergt, een manier die gericht is op het doorbreken van de criminele verdienmodellen en het ontmantelen van deze criminele netwerken.

Voorzitter. Laat ik duidelijk zijn: preventie is essentieel. Voorkomen dat jongeren een weg op gaan die enkel slechte uitkomsten kent, moet het uitgangspunt zijn: inzetten op het voorkomen van schooluitval, betere taalbeheersing en begeleiding naar werk. Maar tegelijkertijd mag er nooit, maar dan ook nooit, een excuus zijn om crimineel handelen goed te praten, want dat is iets waarmee je uiteindelijk bewust bijdraagt aan het onveilig maken van ons land. Daartegen zal de VVD zich blijven verzetten. Wij blijven pleiten voor zwaardere straffen voor criminelen, het aanpakken van criminele kopstukken, het inzetten op het vergroten van de meldingsbereidheid en op het niet langer laten prevaleren van de privacy van daders boven de veiligheid van burgers. Tastbaar. Een haakje naar de verkiezingen die we gisteren hebben gehad: je merkt dat er in de politiek, bijvoorbeeld in de gemeenteraad, ellenlange discussies blijven plaatsvinden over de doelmatigheid van eventuele extra camerabewaking. Ondertussen ben je jaren verder voordat er daadwerkelijk iets gebeurt op straat. Privacy is op gemeentelijk niveau steeds vaker belangrijker dan de veiligheid van de inwoners.

Voorzitter. Gezien de hoeveelheid spreektijd wil ik graag de nadruk leggen op twee punten. Eén, smokkel via zee- en luchthavens; twee, het verwerken van de gegevens via woningbouwcorporaties.

Als eerste smokkel via zee- en luchthavens. Te vaak zie je dat de huidige criminelen nog wegkomen met illegale smokkel, bijvoorbeeld smokkel van drugs via onze lucht- en zeehavens. Vervolgens zijn de gevolgen hiervan zichtbaar in onze straten. In 2022 heeft toenmalig minister van JenV Yeşilgöz een plan opgesteld om dit tegen te gaan. Hiervoor is toen een groot aantal miljarden aan structureel geld beschikbaar gesteld en we zien nu de eerste positieve effecten hiervan. Vooral de nauwe samenwerking met landen om ons heen heeft positieve effecten. Maar de problemen lijken zich te verplaatsen naar de kleinere zeehavens; zie bijvoorbeeld de recente drugsvangst in Scheveningen. Ik zou de minister willen vragen in hoeverre we deze kleinere zeehavens kunnen betrekken bij dit grote project en kunnen meenemen in deze aanpak.

Dan het verwerken van gegevens via woningbouwcorporaties. Het goed kunnen bestrijden van deze georganiseerde criminaliteit is alleen mogelijk als er een goede samenwerking bestaat tussen deze verschillende organisaties. Ik ben dan ook blij dat er in het akkoord een passage is opgenomen over het delen van deze persoonsgegevens. Wat de VVD betreft zou het niet mogelijk moeten zijn dat criminelen zonder straf wegkomen omdat de overheid het delen van bepaalde gegevens niet toelaat of zelfs belemmert. In 2024 heeft mijn collega Michon een motie ingediend die verzoekt de mogelijkheden te verkennen voor een wettelijke grondslag voor woningbouwcorporaties om gegevens over criminelen te delen, en zo te voorkomen dat huurders op een nieuwe locatie gaan wonen zonder dat er meer kennis bestaat over hun criminele verleden. Ik wil de minister vragen naar de voortgang en de uitvoering van deze motie.

Dank u wel.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb een vraag over de opmerking van mevrouw Martens-America dat de privacy van criminelen niet belangrijker mag zijn dan de veiligheid van burgers. Ik kan mij daar helemaal bij aansluiten. In de evaluatie door het WODC van computercriminaliteit schrijft het WODC over de hackbevoegdheid dat het steeds ingewikkelder wordt vanwege de versleuteling van berichten. Ze doen eigenlijk een oproep aan de wetgever om na te denken hoe om te gaan met privacy versus veiligheid. Ik vroeg me af hoe mevrouw Martens-America daarnaar kijkt, naar die conclusie en die aanbeveling, mede in het licht van de motie van een paar weken terug die wel door de VVD is gesteund, die de regering ondubbelzinnig opriep om op te komen voor het recht op end-to-end-encryptie in alle discussies in alle relevante nationale en Europese beleids- en wetgevingstrajecten. Hoe verhoudt dat zich tot elkaar? Ik ben benieuwd hoe zij daarnaar kijkt.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Een hele mooie technische vraag, die ook laat zien dat cyberveiligheid — als we het even de digitale hoek in trekken — zo veel facetten kent dat het gewoon best wel lastig is om hier nu een heel makkelijk antwoord op te geven. Wat ik in mijn bijdrage bedoelde, is bijvoorbeeld dat als iemand verhuist van een gemeente naar een gemeente, onze eigen privacyregelingen ervoor zorgen dat die gegevens niet met elkaar gedeeld worden. Dat is het stuk privacy waar ik op doelde. Ik denk dat die vraag heel legitiem is. Volgens mij hebben we het maandag over de cyberwet. Ik kan me zo voorstellen dat we het dan ook hierover gaan hebben. Maar in dezen bedoelde ik de meest basale vorm van het delen van persoonsgegevens tussen bijvoorbeeld gemeenten.

De voorzitter:

En aangezien mevrouw Straatman al zo lekker veel heeft geïnterrumpeerd, zou ik haar willen vragen om het voorzitterschap even over te nemen.

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan de heer Sneller, voor zijn bijdrage namens D66.

De heer Sneller (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik wou twee onderwerpen aanstippen: ten eerste ondermijning en daarna corruptie. Onlangs hebben wij de opdrachtbrief gekregen die deze minister als coördinerend minister mag gaan uitvoeren voor de Taskforce Ondermijning. Het is veel "harde aanpak" en "krachtig internationaal offensief", terwijl ook wordt gezegd: langs de lijnen wordt aan voorkomen, doorbreken, bestraffen en beschermen gewerkt. Ik vroeg mij af op welke manier de minister van plan is om ook dat "voorkomen" langs te laten komen. Ik denk dat er heel effectieve programma's zijn en volgens mij gaat het er uiteindelijk ook om dat die aanpak effectief is. Als "hard" daarvoor nodig is, moeten we het hard doen, maar als we het aan de voorkant kunnen doen, dan is dat volgens mij alleen maar goed, zoals ook mevrouw Martens zei. En we zien dat programma's als Preventie met Gezag daar ook effectief in kunnen zijn.

Op de agenda staat ook de evaluatie van het CCV. De voorganger van deze minister zegt dat hij tevreden is met de uitkomsten en waardering heeft voor het belangrijke werk. En dan komt er een cryptische zin: "geen reden voor beleidswijzigingen, maar we blijven samen kijken naar de financiële uitdagingen". Tot nu toe is er steeds een amendement van de Kamer voor nodig geweest om de subsidie voor het CCV overeind te houden. Ik vroeg mij af hoe de minister dat voor de komende jaren ziet.

De andere evaluatie die op de agenda staat, gaat over de uitbreiding van de Wet Bibob. Daarin wordt gezegd dat ook in de evaluatie van de wet uit 2013, die vijf jaar geleden is gepubliceerd, het gebrek aan capaciteit en kennis het belangrijkste knelpunt was voor de toepassing van de wet. In deze evaluatie is dat wederom het geval. Dit heb ik ook bij de behandeling van de wet die nu geëvalueerd wordt, gezegd: we gaan nu de bevoegdheden uitbreiden? Soms is dat nodig, en ik heb dat ook gesteund, maar tegelijkertijd is het cruciaal om te zorgen dat gemeenten, maar in dit geval ook rijksoverheidsorganisaties, ermee kunnen werken en ook daadwerkelijk gaan meewerken. Dus ook hier is mijn vraag: hoe gaan we er nou voor zorgen dat die capaciteit op orde komt voor degenen die het moeten gebruiken, om het ook daadwerkelijk te benutten? Want anders creëren wij hier instrumenten die vervolgens een lege huls blijven.

Dan vroeg ik mij voor de taskforce en de verdere uitwerking af op welke manier we kunnen gaan zien en volgen of het ook daadwerkelijk werkt. Dus welke indicatoren worden er zo meteen gebruikt? Een eerder WODC-onderzoek zei: stop met het gebruiken van het woord "ondermijning". Nou, dat advies van het WODC is niet overgenomen. Maar hoe kunnen we ervoor zorgen dat het WODC over een tijd wel de effectiviteit van de gekozen aanpak kan evalueren?

Dan corruptie. Dank voor het eerste National Risk Assessment. Wij zijn in 2024 gedaald tot een historisch lage plek op de corruptie-index van Transparency International. Ik denk dat dat heel zorgelijk is. We dalen niet verder, gelukkig, maar we gaan ook niet de goede kant op. Ik denk dat dat wel belangrijk is. Daarvoor ligt er in Europa ook een anticorruptiestrategie, die hopelijk binnenkort wordt vastgesteld en vervolgens door lidstaten moet worden geïmplementeerd. Mijn vraag aan de minister is: op welke manier bereidt hij zich voor, zodat we dat ook snel kunnen doen? Dat gaat namelijk belangrijke handvatten bieden. Er zitten ook een aantal lidstaatopties in, waarbij wat mij betreft door Nederland wat extra ambitie zou kunnen worden getoond. De vraag die ik aan de minister heb, is: kan hij toezeggen dat hij, voordat hij het wetsvoorstel daarover gaat sturen, eerst met een brief komt over wat hij van plan is met die lidstaatopties te gaan doen? En breder: is hij bereid om eindelijk een nationale anticorruptiestrategie te maken, zodat we daar als Kamer over kunnen praten voordat we over het wetsvoorstel spreken?

Uit dat risk assessment, waarvan ik denk dat het een heel mooi eerste overzicht is, blijkt voor bijvoorbeeld corruptie door statelijke actoren, door criminele organisaties en door private partijen, als we kijken naar volksvertegenwoordigers en politiek bestuurders, een potentieel hoge impact en hele lage weerbaarheid. Daarvoor wil ik specifiek ook aandacht vragen.

Daarmee ben ik door mijn tijd, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Ik geef dan nu het voorzitterschap terug, tenzij ... Nee, er zijn geen interrupties.

De voorzitter:

Wij gaan over twintig minuten verder.

De voorzitter:

Het is 14.55 uur. De minister is klaar voor de beantwoording in eerste termijn en de leden zijn ook zover om daarnaar te gaan luisteren. Ik geef graag de minister van Justitie en Veiligheid het woord.

Minister Van Weel:

Dank, voorzitter. Procesmatig: ik heb een korte inleidende tekst over dit onderwerp, aangezien het het eerste debat is met uw Kamer in deze kabinetsperiode over deze belangrijke onderwerpen. Daarna ga ik in op de brede basis van de ondermijningsaanpak, omdat daar veel vragen over werden gesteld. Dan ga ik in op een integere en veilige economie, en ten slotte op andere belangrijke onderwerpen die vandaag aan de orde zijn gekomen.

Laat ik ermee beginnen dat ik het een eer vind om dit onderwerp weer ter hand te mogen nemen. Dat zeg ik niet omdat dit onderwerp in een rustig vaarwater is beland. Ik zou zeggen: integendeel, we hebben een enorm probleem met ondermijnende criminaliteit. Dat probleem hebben we in deze globaliserende wereld, waarin de werelden van drugshandel, communicatie, corruptie et cetera meer en meer met elkaar verweven zijn. Dat probleem hebben we in Europa, en we hebben dat ook in Nederland.

De zege dat ons land logistiek en financieel fantastisch gepositioneerd is, heeft als keerzijde dat diezelfde logistieke en financiële wegen bewandeld worden door diegenen die er misbruik van willen maken. Dat geldt voor de mensen aan de top van de keten — we weten allemaal wie dat zijn — die we natuurlijk moeten aanpakken. Maar dat geldt ook voor de bodem van die keten. Ook daar zijn veel vragen over gesteld, namelijk hoe we voorkomen dat onze jeugd afglijdt en langzaam in het criminele circuit terechtkomt. Dat vraagt om een aanpak die op al die verschillende thema's ingaat. Het gaat van preventie — voorkómen, in de woorden van de heer Sneller — tot een aanpak voor het beschermen van onze economie en de integriteit van onze instituties, tot en met het doorbreken van deze criminele modellen.

Een hoop van mijn werkbezoeken in de eerste weken legde ik ook af in dat kader. Zo ben ik in Breda met de politie en een medewerker van Preventie met Gezag naar de wijk Hoge Vucht geweest. Dat was voor mij een enorme eyeopener. Deze wijk is enorm opgeknapt maar staat bekend om zijn criminaliteit. Het is de kraamkamer van Bolle Jos. Als je door die wijk rijdt met de politie, dan vallen een aantal dingen op. Eén. De wijkagent en de Preventie met Gezag-medewerker hebben goed contact met de jeugd die daar rondhangt. Zij weten wat daar speelt en kunnen ook contact maken met die jongeren. Twee. Dat voorkomt niet dat een heleboel van die jongeren het model van een leven in de criminaliteit verkiezen boven een alternatief. Ik ben thuis geweest bij een jongen van 13 met een enkelband, die al een paar jaar niet meer naar school gaat omdat dat niet te doen is. Hij heeft meerdere roofovervallen en mishandelingen op zijn naam staan, 13 jaar oud. Daaruit komen, zorgen voor perspectief en voorkomen dat zo iemand met die loopbaan doorgaat, vraagt enorm veel effort.

De politie kan dat niet alleen. We kunnen dat niet alleen met wijkagenten, hoewel die wel die verbinding hebben en het fijn is dat die verbinding er is. Ik zou overigens willen bestrijden dat we absolute no-goareas hebben. Ik ben ook in Overvecht geweest en heb daar over straat gelopen. En ik ben er nog. No-goareas zijn het dus niet. We hebben nog politiemensen die in verbinding staan, maar kunnen die de problemen oplossen die daar heersen? Kunnen zij voorkomen dat deze jeugd verder afglijdt? Nee, dat denk ik niet. Ik denk dat daarom zo'n programma als Preventie met Gezag — daar kom ik zo op terug — zo belangrijk is, waarin je die verschillende disciplines bij elkaar houdt. Maar dat vraagt dus enorm veel effort. Ik kom ook nog terug op mevrouw Coenradies vraag over of je daar heropvoedingskampen voor zou moeten inzetten. Het is een kwestie van aan de ene kant alternatieven bieden en aan de andere kant ook repressief optreden wanneer die grenzen worden overschreden, want die twee gaan absoluut hand in hand.

Ik denk dat er de afgelopen jaren een stevige basis is neergezet voor die brede aanpak van voorkomen, doorbreken, bestraffen en beschermen. Er is ook fors geïnvesteerd in deze aanpak, met heel veel steun vanuit uw Kamer. Dat is ook nodig. Zo zijn er verschillende maatregelen genomen om onze havens onaantrekkelijker te maken voor de internationaal gewortelde drugsmokkel. Mevrouw Martens wees al op de mainportaanpak. Ik kom zo meteen nog terug op hoe we die doorontwikkelen. We moeten ook voorkomen dat jongeren worden geronseld om het vuile werk uit te voeren en in een kwetsbare positie terechtkomen. Zoals ik dinsdag in het vragenuurtje al heb gezegd, hebben we ook afgelopen weekend bij de aanslag op een synagoge in Rotterdam gezien dat daar naar alle waarschijnlijkheid sprake was van het ronselen van jongeren die zonder dat zij zelf een binding hadden met het doel waarvoor ze gingen, louter voor geld bereid waren om een explosief aan een deur te hangen en de facto een terroristische aanslag uit te voeren.

Georganiseerde criminaliteit staat niet los van de maatschappij. Het is daarom heel belangrijk om te voorkomen dat criminelen zich nestelen in de zwakke plekken in onze samenleving — u noemde er net al een — en om tegelijkertijd ook de weerbaarheid van de burger en onze bedrijven te vergroten. De hulp van de samenleving is daarbij echt nodig. Daarom is de campagne Houd misdaad uit je buurt die we onlangs hebben herstart en die in de eerste oplage heeft gezorgd voor 30% meer meldingen bij Meld Misdaad Anoniem zo belangrijk. Uiteindelijk weten mensen namelijk heel vaak wel waar er drugs verhandeld worden, waar dat drugslab zit of wie er bezig is met niet-koosjere zaken. We hebben die ogen en die meldingsbereidheid nodig om daar verder op in te gaan.

Ik zeg hier meteen bij dat we onderzoek moeten doen naar de reden dat de aangiftebereidheid in sommige gevallen zo laag is en hoe we die omhoog krijgen. Een aangifteplicht vind ik echter te ver gaan. Zo'n plicht zou namelijk betekenen dat je mensen ook straft voor het feit dat zij een aangifte niet doen. Ik denk dat dat niet de manier is waarop we dit moeten doen. Heel vaak doen mensen uit angst geen aangifte. Ik noem het geval van die 13-jarige jongen nog maar even. Wij gingen daar langs om hem mede te delen dat het OM overging tot vervolging voor de mishandeling waarvan het slachtoffer zelf geen aangifte wilde doen uit angst voor deze 13-jarige jongen. Als je dan dat slachtoffer verplicht om aangifte te doen, zadel je hem op met een enorme angst voor repercussies, terwijl er in dit geval ook een alternatief is, namelijk een OM dat zegt: nou, het zal wel dat u geen aangifte wil doen, maar wij vinden het dusdanig belangrijk dat wij die zaak wél gaan oppakken voor u. Meld Misdaad Anoniem vind ik ook een alternatief voor aangifte. Dan zijn mensen bereid om criminaliteit wel te melden, zonder dat ze daarbij, in veel gevallen, hun buurman publiekelijk bij de politie moeten aanmelden. Mensen vinden dat namelijk om allerlei redenen heel moeilijk en lastig, zeker daar waar het criminelen aangaat.

De voorzitter:

U laat een pauze vallen, minister. Dan heeft mevrouw Faber een interruptie. We doen er ook in deze termijn vier.

Mevrouw Faber (PVV):

Nog even over die aangiftes. Mijn vraag was juist als volgt. Men gaat naar het politiebureau. Ik heb hier een artikel waarin staat dat de politie het ontraadt om aangifte te doen van bijvoorbeeld huiselijk geweld. Ze proberen dan de persoon die aangifte wil doen, over te halen om dat niet te doen of ze willen die aangifte niet opnemen, terwijl dat toch wettelijk verplicht is. Dat kan toch niet? Als men naar het politiebureau gaat en aangifte wil doen, moeten ze die aangifte toch opnemen?

Minister Van Weel:

Het antwoord daarop is "ja".

Mevrouw Faber (PVV):

Oké, dus u staat daar … Nee, toch maar niet, want dan ben ik een interruptie kwijt.

De voorzitter:

U heeft geen vervolgvraag?

Mevrouw Faber (PVV):

Nee, we laten het zo. Ja.

Minister Van Weel:

Nee, absoluut, het is een recht om aangifte te mogen doen. Als een burger aangifte wil doen, zal die aangifte worden opgenomen.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Zonder de inhoud van dit specifieke geval te kennen, is het niet zo dat er bij huiselijk geweld ook altijd wordt gekeken: is dit iets wat in het strafrecht hoort of moeten we juist kijken of we op een ander manier zaken kunnen oplossen? Dan wordt het uit het strafrecht gehaald, niet zozeer omdat de politie dat wil, maar wel om in het belang van het slachtoffer echt te kijken wat er precies nodig is. Ik weet uit eerdere ervaring dat ook in het oosten van het land door de politie echt wel wordt gekeken hoe zij anders kunnen omgaan met meldingen of aangiftes. Dan wordt er altijd aan de voorkant gekeken waar het geval eigenlijk ligt en of het betrokken moet worden bij de politie of op een andere manier moet worden opgelost.

Minister Van Weel:

Uiteraard. Dat is ook een dialoog, vanuit de expertise en de inhoud, tussen de politie en een melder. Die is heel belangrijk. Soms is het strafrecht inderdaad helemaal niet de aangewezen weg. Maar als puntje bij paaltje komt, is aangifte doen een recht van elke burger. Vandaar dat ik de vraag kortheidshalve zo beantwoordde.

Voorzitter. Er gaat ook een hoop goed. In dat kader wil ik even memoreren dat ik vorige week de haven van Vlissingen heb bezocht. We zien de afgelopen jaren het aantal vangsten in de haven van Rotterdam afnemen. Dat heeft naar alle waarschijnlijkheid ook te maken met de effectieve aanpak die wij daar hebben; daar zijn wij van overtuigd. Maar we hebben meer havens. De haven van Vlissingen is zo'n haven waarbij je ziet dat het veiligheidsbewustzijn enorm is toegenomen, of het nu gaat om de bananenhandel en alle andere manieren waarop er drugs gesmokkeld werden of om de loopholes, de kwetsbaarheden die er zaten in systemen en de manier waarop bedrijven, de overheid, de politie, de FIOD en alle diensten samenwerken om elk gat dat wordt gevonden, zo snel mogelijk te dichten. Tot twee jaar geleden, vertelde een van de kade-eigenaren, kwamen er bijvoorbeeld regelmatig mensen vragen of ze naar een schip toe mochten, omdat ze vrienden waren van de kapitein. Gelet op het voorkomen, de leeftijd en anderszins werd er zwaar getwijfeld aan de waarheid daarvan. Dat gebeurt nu niet meer.

Maar het is wel een kat-en-muisspel, want even later zie je weer dat er pakketten voor de kust worden gedropt of dat kleinere havens, zoals die van Scheveningen, worden gebruikt. Dat is meteen mijn antwoord op de vraag van mevrouw Martens. We zijn nu bezig om te kijken welke aanpak nodig is bij de kleinere zeehavens. We kijken welke rol de kustwacht kan spelen, welke rol preventie daarbij kan spelen en of er barricades moeten worden opgeworpen om te voorkomen dat de makkelijke routes gebruikt worden. In die zin blijft het het continu dichten van gaten die zullen blijven ontstaan zolang men de mogelijkheid ziet om drugs naar ons te krijgen.

Een voorbeeld daarvan — ik noemde dat ook in het debat over drugsbeleid vorige week — is de toename van cannabisvangsten in de Rotterdamse haven. Die komen vanuit Noord-Amerika, omdat de markt daar verzadigd is maar de prijzen hier nog hoger zijn. We hebben dus te maken met handel die vanzelf zijn weg vindt naar een nieuwe markt. Die markteconomie kunnen we niet tegenhouden. Dat vind ik als liberaal in algemene zin ook niet erg, maar ik zie het wel echt als een opgave om illegale handelsstromen tegen te gaan door al die kwetsbaarheden aan te pakken. Dat vraagt om een internationale aanpak. In die zin hebben we bijvoorbeeld ook verschuivingen gezien van rechtstreekse import vanuit Zuid-Amerika naar de Rotterdamse haven naar een situatie waarin het bijvoorbeeld eerst wordt overgebracht naar havens in West-Afrika, waarna het overgeladen wordt op kleinere schepen of via de traditionele smokkelroutes door de Sahel naar het noorden wordt gebracht en via Spanje en Portugal binnenkomt. Dat vereist dan weer een nieuwe aanpak in die landen.

Corruptie en criminele inmenging zijn eigenlijk zaken die je daarbij overal tegenkomt. Ik kom zo op de specifieke vraag, maar in algemene zin zie je dat de georganiseerde misdaad gewoon niet zou kunnen functioneren als ze geen corrupte contacten hadden. Dat geldt zowel voor de overheid als voor het bedrijfsleven. Er wordt continu gezocht naar mensen die onder druk kunnen worden gezet, omgekocht kunnen worden of verleid kunnen worden. Daarom hebben we in de vorige periode ook al ingezet op intensivering van de aanpak van corruptie en criminele inmenging en is er 4 miljoen extra geïnvesteerd om de strafrechtelijke aanpak daarvan mogelijk te kunnen maken. Dat doe ik overigens samen met de collega van BZK. Daar gaan we ook mee door.

Een deel van wat we daar proberen te bereiken, is het wegnemen van de schaamte rondom corruptie. Ik denk dat hoe wij omgaan met cyberaanvallen en hacks daarvoor een goed model is. Tien jaar geleden vertelden bedrijven het niet als ze gehackt waren. Die betaalden gewoon en hielden het stil, omdat ze zich schaamden of geen klanten kwijt wilden raken. Inmiddels weten we dat iedereen gehackt kan worden en dat de beste oplossing daartegen is om dat meteen bekend te maken, dat te melden bij de autoriteiten en te zorgen dat je je systeem weer herstelt. Wat betreft corruptie geldt hetzelfde. Als bedrijf of overheidsorganisatie kun je nooit honderd procent voorkomen dat corruptie ook binnen jouw organisatie voorkomt. De beste methode om dit gezamenlijk aan te pakken, is door je dat te realiseren, ervaringen te delen op het moment dat je ertegen aanloopt en zo ook anderen te helpen om die lessen te leren. Wat mij betreft halen we de schaamtesluier dus weg en zetten we daar vol op in.

Op Europees niveau is er begin van de maand door de Commissie een nieuwe havenstrategie uitgevaren. Als die u bekend voorkwam, dan kan ik inderdaad bevestigen dat veel van onze maatregelen uiteindelijk in de Europese havenstrategie zijn beland. Dat helpt ook ons. Als wij namelijk onze havens dicht hebben, maar onze buurlanden en de interne markt niet, dan hebben we nog steeds een probleem.

Dan kom ik nu bij het eerste blokje, over de brede basis van de ondermijningsaanpak. De heer Sneller vroeg welke plek preventie nu heeft in de opdrachtomschrijving van de taskforce ondermijning, of dat aansluit bij de bestaande aanpak van het programma Preventie met Gezag en het NPLV, en hoe we de effectiviteit daarvan meten. Ja, preventie is onderdeel van die aanpak. Ja, we zetten de bestaande programma's voort; dat staat ook in het coalitieakkoord. Dat geldt voor zowel het NPLV als het programma Preventie met Gezag. Ik ben dan ook blij dat er een brede doorsnede van het kabinet zit, omdat ik preventie vanuit Justitie en Veiligheid nooit alleen kan oppakken. Dit is te breed. Ik had het al over die 13-jarige jongen. Waar gaat die dan heen? De wijkagent kan een middag met hem komen gamen, maar dat verandert het leven van die jongen niet. Je zult toch echt iets anders moeten doen. De effectiviteit van de maatregelen meten we ook. We geven een jaarlijkse voortgangsrapportage uit, we zetten de onderzoeksprogrammering uit en we hebben de Strategische Evaluatie Agenda.

We hebben het nu over al het slechte nieuws, maar met de meeste jongeren in Nederland gaat het wel goed. De jeugdcriminaliteit is de afgelopen twintig jaar stevig gedaald. Daarom is het zo belangrijk dat we in die "zwakke wijken", om het zo maar even te noemen, waar we het nu over hebben … Ik heb er de afgelopen twee weken drie bezocht. Ik was deze week nog in Overvecht, vanwege hetgeen agenten daar een week geleden hebben meegemaakt. We hebben in die wijken echt ontzettend veel te doen. Je moet daar een combinatie hebben van outreach, repressie en het bieden van een alternatief. Anders gaan we deze strijd echt verliezen. Neem een wijk als Hoge Vucht. De politie wijst een huis aan en zegt: "Zie je die sociale huurwoning met die palmbomen in de voortuin en die camera's aan de muur? Daar woont dus een man die in de drugshandel zit." Iedereen in die buurt weet dat. Zijn kinderen spelen ook al een rol in het afpersen van andere kinderen en maken daar de dienst uit. Als je dat niet doorbreekt en aanpakt, dan gaat dat uiteindelijk voor alle kinderen in die wijk als rolmodel gelden. Als dit in stand blijft, gaat helemaal niemand bij de Jumbo vakkenvullen voor €2 per uur. Die repressieve aanpak hoort daar dus bij. Daar zul je de rechercheaanpak op moeten inzetten, niet op elke uithaal of op elke tussenpersoon; dat hoor ik ook van agenten. Zorg dat je dit uit zo'n wijk weghaalt.

Tegelijkertijd zul je er, voor al die 13-jarige jongens die nu thuis op de bank zitten, heel veel effort in moeten stoppen om te zorgen dat er een alternatief komt. Mevrouw Coenradie refereerde aan een soort heropvoedingsprogramma. In Nederland hadden we de Glen Mills School. Het WODC heeft uiteindelijk een evaluatie daarvan verricht. Daaruit bleek dat recidive onder de deelnemers van de Glen Mills School juist 78% hoger was dan in andere, minder dwingende programma's. We hebben dus een negatieve ervaring en een negatieve onderzoeksuitkomst gehad met deze verplichte programmering. Dat zorgt voor terughoudendheid onder deskundigen om eraan te beginnen. Het gaat hier echt om maatwerk, waarbij je een-op-een, kind voor kind, een aanpak zult hebben. Dat is soms ook frustrerend, want het kost enorm veel effort. Als je aan medewerkers die daarmee bezig zijn, vraagt hoe vaak het effectief is, zeggen ze: nog niet in de helft van de gevallen; was het maar effectief in de helft van de gevallen.

De voorzitter:

Was dat de beantwoording van de vraag van mevrouw Coenradie? Dan geef ik haar de gelegenheid voor het stellen van een vraag.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik hoor hier een paar dingen. Eén. Het WODC-rapport was inderdaad redelijk vernietigend. Dat is mij ook bekend. Tegelijkertijd zou je anno 2026 kunnen bekijken wat we ervan hebben geleerd, wat we er wél uit zouden kunnen halen en hoe we het misschien wél passend kunnen maken. De groep is namelijk te groot om op dezelfde voet verder te gaan, onder het mom van "weghalen uit de wijken" zoals ik de minister hoor zeggen, en om maatwerk te leveren. De aantallen in al deze steden — ik heb daar een hele lijst van opgenoemd in mijn bijdrage, maar die is natuurlijk veel langer — zijn te groot voor de politie, te groot voor de zorg en te groot voor allerlei instanties. De ervaring leert ook dat al die instanties, inclusief de politie, ná elkaar werken en niet naast elkaar. Ik wil de minister toch vragen of hij bereid is dit allemaal in ogenschouw te nemen en daarbij te bekijken of we richting zo'n heropvoedingsprogramma zouden kunnen gaan, omdat je dit niet meer met maatwerk kunt oplossen. Dat kan misschien wel voor die ene jongen, maar zeker niet voor deze grote aantallen.

Minister Van Weel:

Iedereen die hiermee bezig is, leert van het verleden. De lessen uit Glen Mills en de zaken die daar wel werkten, worden meegenomen in PmG. Ik zou dolgraag willen dat er iets was waarmee je collectief, in grotere aantallen, kan komen tot positieve resultaten. Ik zie ook de uitdaging van de getallen hierin, zeker als je naar zo'n wijk kijkt waar er potentieel voor iedere jongere een risico is. Daarom geloof ik dat je beter nog eerder kan zijn. Ik ben in de vorige kabinetsperiode ook bij het programma "Alleen jij bepaalt wie je bent" geweest, waarbij jongetjes en meisjes van 6, 7, 8 jaar in een voetbalteam worden gezet. Waar de ouders dat normaal niet zouden opbrengen, niet kunnen betalen of niet willen aanbieden, wordt dat nu gedaan in een verlengde van school. Kinderen leren bijvoorbeeld dat je je kleren gewassen moet hebben als je bij de volgende wedstrijd komt, dat je überhaupt al je voetbalkleren bij je moet hebben, omdat je anders niet kan voetballen, en dat je niet kan voetballen als je in je eentje bent, omdat je daar je teamgenoten voor nodig hebt. Ze leren over de basics van omgang en discipline, maar ook over de lol die je daarvan vervolgens in zo'n team kan hebben met elkaar. Ik geloof dat je daarmee op die leeftijd een basis legt die je later, ook als het afglijdt, weer kunt aanspreken en waarmee je weer terug kunt. De 13-jarige jongen over wie ik het had, heeft die basis nooit meegemaakt. Het is ontzettend moeilijk om al op je 13de met al een crimineel strafblad weer terug te moeten naar de basis van hoe je als mens met je medemens en met jezelf omgaat. Daarom komt daarbij dat een-op-eenmaatwerk kijken, omdat je dat groepsgedrag waarin deze mensen elkaar herkennen, heel moeilijk kunt doorbreken. Nogmaals, ik wil alles proberen wat kan, zeker in deze nieuwe periode. Ook in de taskforce is wat mij betreft geen avenue onbespreekbaar, maar ik wil wel een voorbehoud zetten bij heropvoedingskampen à la Glen Mills.

Mevrouw Straatman zei dat we nu ook de instroom van jongeren zonder strafblad zien in de zwaardere criminaliteit. Dat klopt. Preventie met Gezag is gericht op dit soort first offenders. Zij hopen die weer snel naar buiten te krijgen. Het oude groeimodel, waarin het begint met winkeldiefstal, is niet per se meer van toepassing. Je ziet nu echt dat er door deze bendes — zo noem ik ze maar even — ook hele jonge kinderen meteen voor de eerste keer al worden ingezet voor zwaardere klussen. Dat vereist naast het straffen dus ook hulpverlening en re-integratiehulp. Dat doet Preventie met Gezag in dit soort gevallen.

Er werd nog even gevraagd naar de vergelijking met Denemarken. De facto is het Deense model wat wij doen met Preventie met Gezag, wat de Zorg- en Veiligheidshuizen doen waar geen Preventie met Gezag is en wat Preventie met Gezag doet in wijken als Hoge Vucht of Overvecht. Daarbij zitten al die disciplines rond de tafel, beoordelen ze case by case deze mensen die in aanraking zijn gekomen met justitie en zeggen ze: wat kunnen we hier nu doen vanuit de jeugdzorg, de reclassering of anderszins? Heel intensief, nogmaals, en ook niet altijd effectief. Het voorkomt niet altijd het terugglijden, maar het is the best we have. Ik denk dat dat heel erg overeenkomt met de Deense aanpak.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Daar dan toch nog eventjes een aanvullende vraag op. Ik hoor ook verhalen, temeer omdat die instanties heel graag met elkaar werken, over dat privacy vaak een belemmering is als het gaat om elkaar preventief waarschuwen of casussen met elkaar delen. Dan weerhouden privacybelemmeringen ze er toch van om goed met elkaar te werken. Het Deense model laat dat eigenlijk los door gewoon echt heel erg integraal met elkaar die aanpak uit te voeren. Ik ben ook wel benieuwd wat de minister zou kunnen doen om, als je de veiligheid van de samenleving als uitgangspunt hebt, die privacybelemmeringen toch verder van dit soort aanpakken weg te duwen.

Minister Van Weel:

Het gaat in Denemarken ook om rechters, de politie, et cetera. Dat betekent dat iemand al in het strafrechtelijke traject zit. Dan zou er ook geen belemmering meer moeten zijn in het kader van privacy om die gegevens te delen met bijvoorbeeld de reclassering, jeugdzorg of anderen. Ik ben gaarne bereid om dat na te gaan en in een volgende rapportage mee te nemen of we daar belemmeringen zien. De aanpak als zodanig kennen we dus en zou ook, zeker voor degenen die al in het strafrechtelijke traject zitten, geen belemmeringen wat betreft privacy moeten opleveren.

Mevrouw Faber vroeg nog naar de procesafspraken met betrekking tot drugskoeriers. Ja, het klopt dat de rechterlijke macht heeft geconstateerd dat er uiteindelijk op het smokkelen van drugs vaak hogere straffen stonden dan op bijvoorbeeld het vervaardigen of het grootschalig dealen van drugs. Daarom ligt er een wetsvoorstel in uw Kamer. Ik hoop daar medio april de behandeling van te kunnen doen, om nou juist die straffen te verhogen om die meer in lijn te brengen met die in de landen om ons heen. Dat lost hopelijk ook dit probleem op, waarbij de rechters dus niet meer die discrepantie zien en daarbij terug kunnen gaan naar het oorspronkelijke recht en de straffen die erop staan, ook voor koeriers.

De voorzitter:

Mevrouw Faber op dit punt.

Mevrouw Faber (PVV):

Wat ik lees op de website van het Openbaar Ministerie, is dat ze nu gewoon die procesafspraken kunnen maken en ze dus 30% minder straf kunnen krijgen. Ze kunnen strafvermindering krijgen in ruil voor dat ze dan bijvoorbeeld niet in hoger beroep gaan. Dat is nu dus al aan de hand. We zien nu ook dat we strafvorderingsrichtlijnen hebben die de strafmaat al naar beneden duwen. De rechters hebben ook nog strafrichtlijnen aan de hand waarvan ze straffen en ze hebben ook dit. Dan vraag ik me wel af wat we nog overhouden. Ik weet niet of het wetsvoorstel dat eraan komt ook dit probleem aanpakt. Je ziet dus dat de straffen steeds verder naar beneden worden gedrukt. Ik heb het in het verleden weleens straferosie genoemd. Dat is helemaal aan de gang, natuurlijk. Dan hebben we ook nog dat ze vervoegd uit de gevangenis komen omdat er geen plek is. Dus gaan we nog straffen in de toekomst?

Minister Van Weel:

Wat mij betreft gaan we wel straffen in de toekomst. Dat is echt onderdeel van dit palet. Het nieuwe wetsvoorstel gaat hopelijk wat doen met de strafvorderingsrichtlijnen en de richtlijnen die rechters hanteren, want die kwamen voort uit de disbalans die werd geconstateerd. Het opheffen van die disbalans, door de straffen op het vervaardigen, handelen, et cetera, te verhogen, zou ook effect moeten krijgen op die strafvorderingsrichtlijnen. Wat het niet oplost, is de mogelijkheid van het maken van procesafspraken. Daar komen we ook nog met uw Kamer over te spreken in het kader van de aanvullingswetten bij het Wetboek van Strafvordering. Ik weet dat er zeer uiteenlopende meningen zijn in uw Kamer over procesafspraken en of die onderdeel uit zouden moeten maken van ons recht. In de feitelijke wereld zorgen die natuurlijk wel voor een stuk ontlasting van de strafrechtketen, die natuurlijk overvol zit van de politie tot en met uiteindelijk de reclassering. Dat is het doel van procesafspraken, om te zorgen dat vrij eenvoudige zaken verdwijnen uit die keten en je niet ook nog een keer een zaak in hoger beroep hebt. In ruil daarvoor krijg je inderdaad een lagere straf. Nogmaals, dat voert tot buiten de orde van dit specifieke debat, maar dat komt in het kader van de aanvullingswet zeker nog aan de orde.

De voorzitter:

Mevrouw Faber mag nog een keer.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik zie die wetgeving natuurlijk vol spanning tegemoet, maar dat zien we dan wel. De minister geeft aan: dan kunnen we de lichtere zaken uit de overbelaste strafrechtketen halen. Maar je ziet dat die kleine zaken ... Nou ja, "kleine zaken"... Ik vind een zaak met een drugskoerier niet echt klein. Dat lijkt misschien klein vergeleken met de rest, maar het is vaak een opmaat tot nog meer. Ik hoor de minister zeggen dat we juist de jongeren uit het circuit moeten halen. Vaak beginnen die klein en wordt het groter. Ik denk dus dat ook die lichtere zaken aangepakt moeten worden, want het zijn vaak de jeugdigen die daarmee bezig zijn. Het heeft dus echt zin om dat aan te pakken. Ik moet even diep in mijn geheugen graven. Volgens mij heb ik een jaar geleden een bericht gelezen waarin stond dat 30% van de officieren van justitie bezig is met beleid. Dat vind ik heel veel. Klopt dat wel? Kunnen ze niet beter in de rechtbank staan om bij de rechter voor bepaalde straffen te pleiten?

Minister Van Weel:

Ik weet dat mevrouw Faber voorstander is van zelf beleid maken …

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, ik was beleid.

De voorzitter:

De minister gaat door.

Minister Van Weel:

Sorry, de minister moest wel.

Natuurlijk heeft ook het OM te maken met een overhead. Er moet een bedrijf van duizenden mensen aan de praat worden gehouden. Ik ken dat percentage van 30 niet, maar laten we eerlijk zijn: de focus van het OM moet continu zijn om het primaire proces zo veel mogelijk voortgang te laten vinden. Laat ik in reactie op uw voorstel zeggen dat al deze criminaliteitszaken natuurlijk bestraft moeten worden. Het doel van procesafspraken is ook niet om niet te straffen, maar om in een zaak die vrij klip-en-klaar is te voorkomen dat je nog allerlei onnodige stappen moet nemen, bijvoorbeeld in een hoger beroep en verder, terwijl je daar weinig wijzer van wordt. We weten namelijk al wat de uitkomst is. Daar staat dan inderdaad een strafvermindering tegenover. Daar kunt u wel of niet wat van vinden. Ik hoor dat het wetsvoorstel volgende week uw kant op komt. Daar komen we te zijner tijd in algemene zin over te spreken.

Dat brengt mij bij een integere en veilige economie, en alle vragen die in dat kader zijn gesteld. Mevrouw Zalinyan vroeg wat de stand van zaken is van het FEC-onderzoek naar hypotheekfraude. Dat is nu in de afrondende fase en wordt door de FEC-raad op 15 april vastgesteld. Daarna zullen we op basis van de uitkomsten de koers rond hypotheekfraude voor de toekomst gaan vaststellen.

De heer Sneller zei: "Uit het National Risk Assessment Corruptie volgt een corruptiedreiging voor volksvertegenwoordigers en politieke bestuurders door statelijke actoren, criminele organisaties en private partijen." Ik deel de zorgen over de constateringen van het WODC. De corruptieaanpak heb ik al in mijn vorige incarnatie op 20 juni 2025 in gang gezet samen met de minister van BZK. Het risk assessment is op 12 maart jongstleden gepubliceerd. Dat gaan we natuurlijk gebruiken om de aanpak die we hadden, verder toe te spitsen en waar nodig te versterken. Daarover informeren we u medio dit jaar. De lidstaatopties worden daarin meegenomen. Die vraag heb ik hiermee ook meteen beantwoord.

Mevrouw Zalinyan vroeg naar de stand van zaken rond het centraal aandeelhoudersregister. Daarover heb ik gesproken met de collega's van Financiën en Economische Zaken, en met de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. De Kamer van Koophandel heeft de relevante Europese ontwikkelingen toegelicht, bijvoorbeeld rondom het UBO-register. In het licht van die Europese ontwikkelingen acht ik het op dit moment niet opportuun om vanuit het kabinet aanvullende nationale regels te gaan opstellen, want een centraal aandeelhoudersregister betekent weer een belasting en nieuwe regels. Dat verhoudt zich moeilijk tot het coalitieakkoord, waarin we ruimte proberen te scheppen voor ondernemers. Wanneer uw Kamer de behandeling van de initiatiefwet over een centraal aandeelhoudersregister hervat, zullen we, zoals gebruikelijk, een appreciatie geven. Dat is aan de orde in het wetgevingstraject.

Dan een vraag van mevrouw Zalinyan over het ARK-rapport over witwassen. We hebben dat natuurlijk uitgebreid gelezen. Ik herken ook een hoop van de in dat rapport gesignaleerde punten. We waren de Rekenkamer in dit geval ook al voor, met de brief die de voormalige minister van Financiën, tevens de huidige, en de voormalige minister van Justitie, tevens de huidige, medio 2025 aan de Kamer hebben gestuurd. De hele aanpak van witwassen was al gericht op het zo min mogelijk uitgooien van sleepnetten, omdat dat allerlei nadelen heeft, inclusief discriminerende effecten et cetera et cetera, en zo veel mogelijk pinpointen waar nu écht het probleem ligt; daar moeten we meer op focussen. Daar zijn we volop mee bezig. In januari is er gereageerd op het Rekenkamerrapport. Daarin hebben we gezegd dat we dit in deze aanpak meenemen. In de tweede helft van dit jaar komen wij gezamenlijk met een update over de voortgang, omdat we ook de banken uitgebreid nodig zullen hebben als we dit op een andere manier willen vormgeven.

Mevrouw Zalinyan vroeg het volgende: "Er is weinig zicht op ondergronds bankieren en de manier waarop dat geld via de bovenwereld wordt witgewassen. Hoe kunnen we die stagnatie doorbreken?" Ondergronds bankieren is enorm complex. Dat laat het WODC-rapport van september vorig jaar ook zien. We doen al ontzettend veel. Dit is ook echt een van mijn prioriteiten. Als we dat verdienmodel niet breken, of als we crimineel geld te veel laten doordringen in onze bovenwereldse economie, zijn we veel verder van huis. Mijn prioriteiten liggen de komende periode bij trade-based money laundering, het Cash Compensatie Model en — het werd al genoemd — het crimineel gebruik van cryptovaluta binnen deze wereld. Daar zitten ook de grootste zorgen van onze partners. We zullen proberen om daar handelingsperspectieven op te ontwikkelen.

Dan de Europese Confiscatierichtlijn. Mevrouw Straatman vroeg hoe het gaat met de implementatie daarvan. Goed. Die gaat zeer aanstonds naar de Raad van State voor advies en hopelijk komt deze daarna ook snel naar u toe. Ik kijk daar zeer naar uit. Ik denk dat dit een van de zaken is die men in het publieke domein ook zal waarderen: dat mensen niet meer kunnen rondrijden in auto's van vier ton terwijl ze tegelijkertijd een uitkering ontvangen. Dan zal de bewijslast ook meer komen te liggen bij de persoon. Die moet dan uitleggen waarom iets wel op een legale manier is verkregen, waardoor je uiteindelijk niet eerst door een heel strafproces moet voordat je pas tot het afpakken van zaken kan overgaan. Ik kijk daarnaar uit.

Dat sluit aan bij de andere vraag van mevrouw Straatman: "Wat doen we nou met de afgepakte goederen? Kunnen we meer 'Schiedams' creëren? Hoe staat het daarmee?" Ik wil ook in dit kabinet nog steeds aan maatschappelijk herbestemmen werken. Er lopen op dit moment verschillende initiatieven, waaronder een digitaal platform waarmee je afgepakte goederen kunt schenken aan maatschappelijke organisaties. Er zijn ook landelijke projecten met auto's, fatbikes et cetera. Dat digitale platform zit nu in de pilotfase en wordt later dit jaar uitgerold. Ik noem een voorbeeld: er is in december 2024 een patserbak geschonken aan een school; daar wordt nu vrolijk aan gesleuteld. De resultaten van de pilot in Schiedam worden op dit moment geëvalueerd. De aanknopingspunten die we daaruit kunnen halen, zullen we meenemen. Het aantal jongeren dat uiteindelijk in die pilot is begeleid naar werk, is wel klein. We moeten dus ook bekijken wat hier niet goed ging en wat er niet succesvol was.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb ook gesproken met een aantal mensen in Schiedam. Dat was een hele mooie pilot. Het gaat om een klein aantal jongeren, maar de jongeren vinden nu net wél de locaties. Het is dus eigenlijk zonde dat die pilots op het moment dat ze effectief worden, weer stopgezet worden. Kan de minister aangeven wat we daaraan kunnen doen? Kunnen we structureel met deze pilots doorgaan? We moeten er niet mee stoppen op het moment dat ze gaan werken. Destijds werd aangekondigd dat precies dezelfde pilot als de pilot in Schiedam er ook in Breda en Rotterdam zou komen. Die pilots zijn niet van start gegaan. Kunt u uitleggen waarom dat zo is?

Minister Van Weel:

Dat laatste weet ik niet. Wat betreft het eerste punt: een structureel karakter verhoudt zich wat moeilijk tot pilots. Het idee van een pilot is dat je bekijkt wat er werkt en wat er niet werkt. Ik ben er wel voor dat we die dan evalueren na afloop. Als je tijdens een pilot al ziet dat die succesvol is — ik noem maar wat: de inzet van boa's als het gaat om seksuele intimidatie en de opsporing daarvan — dan moet je 'm niet stopzetten. Dan moet je daar zeker mee doorgaan totdat je de definitieve invulling hebt. In dit geval zaten er ook wel wat haken en ogen aan het pilotproject in Schiedam. Ik noemde al het lage aantal jongeren, maar ook de les dat je eigenlijk veel beter zo'n pand kunt verkopen en de opbrengst dan weer kunt investeren in de wijk dan dat je een specifiek pand aanhoudt en het daar ontwikkelt. Dat soort lessen is, denk ik, nuttig om nu te leren voordat we nieuwe pilots of een structurele aanpak van start laten gaan.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik begrijp dat antwoord van de minister goed. Uiteindelijk moet je leren van pilots. Aan de andere kant is het ook een zorg dat ze dermate kort lopen dat je niet meer de vruchten ervan kunt plukken op het moment dat het gaat vliegen, maar ik begrijp het goed. Voor nieuwe pilots: op de Onderwereldkaart zag ik inderdaad Schiedam voorbijkomen, maar ook heel veel Zuid-Limburgse gemeenten. Zou de minister bereid zijn om te bekijken of nieuwe pilots op het punt van het herbestemmen van crimineel vermogen ook in die gemeenten zouden kunnen starten? Nu zie je veel pilots in met name de Randstad. Zou de minister willen bekijken of Zuid-Limburgse gemeenten met kwetsbare wijken met prioriteit ook dergelijke pilots kunnen krijgen?

Minister Van Weel:

Het staat gemeenten überhaupt vrij om dit soort projecten op te starten, dus dat mogen zij ook. Ik zal het vooral bij hen onder de aandacht brengen. Hoe meer we leren van individuele projecten, hoe beter. Het verschil met Schiedam is dat wij die pilot gefinancierd hebben. Daarom willen we die eerst even evalueren voordat we zelf weer nieuwe projecten gaan financieren. Maar er is geen verbod op maatschappelijk herbestemmen. Integendeel, zou ik zeggen.

Mevrouw Martens vroeg nog naar de uitvoering van de motie van het lid Michon-Derkzen rondom de gegevensdeling tussen de politie en woningbouwcorporaties. Die motie is door het ministerie van BZK afgedaan in de voorbereiding van het wetsvoorstel over gegevensverwerking door woningcorporaties, maar aanvullend wordt momenteel onderzocht of het Besluit politiegegevens gewijzigd dient te worden om de verstrekking van politiegegevens aan woningcorporaties mogelijk te maken in de aanpak van woonoverlast en de voortzetting bij crimineel gebruik. Soms is er inderdaad een beperking in wet- en regelgeving, maar bij andere vraagstukken is er eerder sprake geweest van handelingsverlegenheid. Dat is altijd een beetje de vraag bij gegevensdeling. In ongeveer de helft van de gevallen is er eigenlijk geen wettelijke belemmering, maar is het meer dat mensen niet weten of het wel mag en het dan uit voorzorg niet doen. In andere gevallen is er wel een wettelijke belemmering en dan moeten we de wet aanpassen. In december hoort u via het halfjaarbericht politie hoe het daar specifiek mee staat.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank voor de beantwoording. Ik wacht dat af. Ik kan me voorstellen dat deze minister niet gaat over het beleid van woningbouwcorporaties, maar wellicht kan hij wel in de tussentijd in eventuele gesprekken die gaan plaatsvinden die handelingsverlegenheid aankaarten, want dat is natuurlijk wel laaghangend fruit, om het maar zo te zeggen. Is deze minister — het kan ook een andere minister zijn — bereid om te blijven aankaarten hoe zij dit intern in hun eigen processen zouden kunnen opnemen?

Minister Van Weel:

Ja, dat zeg ik toe.

Dan een vraag van mevrouw Straatman over de tipfunctie, naar aanleiding van de Wet Bibob. Die is nog relatief nieuw en daarom zit die in het evaluatieonderzoek van de Wet Bibob. Op dit moment kijken we naar de aanbevelingen en conclusies van de onderzoekers. Met een paar weken kom ik met een reactie op dat onderzoek, waarin ik ook op de andere knelpunten en aanbevelingen van de onderzoekers in zal gaan.

De heer Sneller vroeg nog naar de capaciteit met het oog op de Wet Bibob. Ik weet dat er bij de Belastingdienst in ieder geval zwaar is geïnvesteerd in extra capaciteit. Ik weet dat de VNG veel doet aan voorlichting aan gemeenten over een betere toepassing van de Wet Bibob. Ik zal er in diezelfde reactie nog verder aandacht aan besteden en er meer in detail op ingaan.

Mevrouw Schilder vroeg of er meer criminaliteit is in gebieden met opvang van niet-westerse burgers en hoe we dat gaan aanpakken met uitzetting. Ik wil dit niet flauw doorverwijzen naar de minister van Asiel en Migratie, omdat ik daar zelf ook wel iets van afweet. Ja, maar ik denk dat het probleem is dat overlast voornamelijk komt door asielzoekers die weinig perspectief hebben op een uiteindelijke verblijfsvergunning. Dat is een probleem dat eerder onderkend is, ook in onderzoeken. Mensen die hier komen die daadwerkelijk op de vlucht zijn en weten dat ze een goede kans maken om hun asiel gehonoreerd te krijgen, zijn in de regel niet de mensen die overlast veroorzaken. Dat zijn mensen die gewoon zo snel mogelijk dat proces willen doorlopen. Het zijn de mensen die zes, zeven, acht herhaalde verzoeken indienen en die dat al in vier, vijf, zes, zeven EU-landen hebben gedaan onder valse namen, die bij elke aanvraag weer met nieuwe feiten komen, die op de vliegtuigtrap nog een nieuwe aanvraag indienen of in één keer een andere geaardheid zeggen te hebben of een andere religie aanhangen. Ik denk dat dat de groep is die uiteindelijk naar de aard veel overlast veroorzaakt. En ja, daar moeten we scherp op zijn. Ik weet dat de minister van Asiel en Migratie dat ook is. Er zijn ook mogelijkheden om bij crimineel gedrag en strafrechtelijke vervolging over te gaan tot het intrekken van verblijfsvergunningen. Ook dat gebeurt al. In Europees verband wordt er gekeken naar de interpretatie van het EVRM, naar wanneer je dat nou mag doen en bij welke zwaarte van crimineel gedrag. Voor de rest moet ik 'm wel echt doorverwijzen naar de minister van Asiel en Migratie.

Ik kom op de structurele ME-ondersteuning voor Utrecht en of ik die had moeten toezeggen. Ik heb de burgemeester aangehoord. De verdeling van politiecapaciteit en de inrichting daarvan geschiedt door mij in overleg met de korpsleiding en het LOVP, het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie. Daarin zijn de verdeelsleutels voor de regio's — dat zeg ik ook tegen mevrouw Straatman — vastgelegd. We hebben recent die verdeelsleutel herijkt met z'n allen, dus voor nieuwe capaciteit die erbij komt — die gaat er waarschijnlijk bij komen met de intensivering van dit kabinet — is ook afgesproken hoe die verdeeld gaat worden. Daarbinnen is het dan aan de regioburgemeesters en het lokaal gezag om te bepalen hoe ze die willen inzetten. Inderdaad, ik heb ook gelezen dat de politieformatie in Heerlen, de stad die genoemd werd in de criminaliteitsmonitor van RTL, met 30 fte is gedaald. Dat is uiteindelijk een keuze geweest in de regio. Ik heb beloofd om binnenkort naar Heerlen toe te gaan en dat aan te horen, maar uiteindelijk ben ik niet degene die gaat over het verdelen van agenten tussen verschillende regio's. Het ME-vraagstuk zal ik neerleggen bij de korpsleiding, zodat die kan bekijken hoe dit verder opgepakt moet worden.

Mevrouw Faber vroeg of de geregistreerde criminaliteit overeenkomt met de werkelijke criminaliteit. Nee, daar zit altijd licht tussen. Dat zullen we nooit helemaal kunnen voorkomen. Daarom ben ik wel blij met een instrument als de Veiligheidsmonitor, want die kijkt niet naar geregistreerde criminaliteit, maar vraagt mensen of zij het slachtoffer zijn geworden van criminaliteit. Dat geeft natuurlijk toch altijd een iets realistischer beeld dan alleen maar kijken naar wat naar boven is gekomen in de aangiftes. Daar blijkt inderdaad uit dat de traditionele criminaliteit in 2025 gelijk is gebleven ten opzichte van 2023, maar wel weer hoger is dan in 2021.

De vraag over de €1.000 voor omwonenden van een azc moet ik echt doorverwijzen naar de minister van Asiel en Migratie.

Dan was er nog de vraag van mevrouw Schilder of het verdwijnen van politiebureaus voor een hogere drempel zorgt voor het doen van aangifte. In algemene zin zien we dat het aantal spontane aangiften op bureaus afneemt. Het grootste politiebureau wat dat betreft is het online politiebureau: politie.nl. We zien dat een steeds groter deel van de aangiftes daar plaatsvindt en dat de mogelijkheden daarvan steeds verder worden uitgebreid. Nog steeds kan er wel ter plekke aangifte worden gedaan. Dat kan ook bij agenten, omdat agenten steeds meer de mogelijkheid hebben om dat mobiel te doen. Verder zou ik heel graag willen doorverwijzen naar het debat van volgende week over de politieorganisatie in bredere zin, want daarin komen de politiebureaus, de zichtbaarheid van de politie en de dienstverlening uitgebreider ter sprake.

De heer Sneller vraagt hoe we omgaan met het CCV. In de aanloop naar 2027 hebben we nog tijd om daarover te spreken met de partners en te zien hoe we daarmee omgaan. Ja, de taakstelling komt voort uit de generieke taakstelling op subsidies die is ingevoerd. Die is dus niet opgeheven, maar we zijn wel in overleg met het centrum om te kijken welke activiteiten en diensten de focus zouden moeten hebben. Nogmaals, we hebben nog even de tijd tot 2027, maar het gesprek loopt al.

De voorzitter:

Een korte vraag: horen we daarover bij de begroting of is er daarvoor een moment waarop we het inhoudelijk zouden kunnen bespreken?

Minister Van Weel:

In principe is dat bij de begroting. Ja, laat ik het daarbij laten.

Laat ik dan beginnen met de aanslagen die we dit weekend hebben gezien, en met de vraag of er iets bekend is over de motieven van de daders. Ik heb tijdens het vragenuurtje op dinsdag ook gezegd dat het er alle schijn van heeft dat deze daders in Rotterdam geronseld zijn. Over hun motief zegt dat in ieder geval dat ze het uit financieel gewin hebben gedaan. Of ze daar nog andere motieven voor hebben, vertelt het verhaal op dit moment nog niet. Ik heb ook gezegd dat het mogelijk is dat Iran daar als statelijke actor achter zat. Die twee appreciaties zijn nog niet veranderd op dit moment. Verder is het aan het OM om daar nader over naar buiten te komen.

De voorzitter:

Excuus, mevrouw Faber heeft nog een laatste interruptie.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik had het voorbeeld genoemd van die synagoge en die joodse school, maar daarna schakelde ik door naar aanslagen op kerken en christelijke symbolen. Daar hoor je namelijk niks over. Dit waren geen ongelukken; dit was bewust. Er zijn in één week drie kerken in Ede in brand gestoken. Mijn vraag was: is er iets bekend over de daders en hun motivatie? Daar horen we namelijk niks over. En wordt daar onderzoek naar gedaan? Waarom horen we daar niks over?

Minister Van Weel:

Dat zijn onderzoeken die door het lokaal gezag worden uitgevoerd. De driehoek reageert daarop. De lokale politie en het OM zijn hier in charge. Bij de synagoge en de school liep dit anders, juist vanwege het terroristische karakter van de daad. Dan wordt er al snel landelijk gekeken wat de implicaties voor andere instellingen zijn. Daarom weet ik daar iets meer over dan over die lokale onderzoeken.

Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Schilder over de hackbevoegdheid. Hier zien we de eeuwige worsteling tussen privacy en briefgeheim, en de wens om versleutelde berichten te kunnen inzien. Aan de ene kant ben ik, en met mij een groot deel van de Kamer, altijd erg blij dat er geen verregaande bevoegdheden zijn om ons briefgeheim te schenden. We zijn blij met de end-to-end-encryption en willen die niet schenden. Aan de andere kant zien we dat criminelen, verspreiders van kinderporno en noem het maar op, gebruikmaken van elk veilig communicatiemiddel dat er nog is en waar we niet bij kunnen komen. Ik denk dus dat we continu moeten blijven kijken hoe we de balans tussen die twee belangen kunnen vinden. Daarbij mogen we de criminelen geen vrij spel geven. In dat kader ben ik ook heel blij met en trots op de recente zaken die Europol gecoördineerd heeft weten aan te pakken. Daarbij merk je dat als je uiteindelijk zo'n encryptie weet te doorbreken, je ook wel een schat aan informatie kunt blootleggen en netwerken kunt oppakken en oprollen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik begrijp dat de minister nog zal reageren op de evaluatie van de Wet computercriminaliteit, maar zou hij kunnen toezeggen de volgende punten mee te nemen in zijn reactie op die evaluatie? We hebben die hackbevoegdheid, maar tegelijkertijd zien we dat deze maar beperkt werkt vanwege de versleuteling. Hoe willen we omgaan met de discussie over privacy versus versleuteling? En welke stappen kunnen we daarin zetten? Kan hij dat specifiek meenemen in de reactie op die evaluatie?

Minister Van Weel:

Ja. Geef me nog een heel klein beetje ruimte, want deze discussie speelt niet alleen maar in het kader van criminaliteit, maar ook in bredere zin. Ook in de commissie Digitale Zaken wordt deze uitgebreid besproken. Ik zou voor nu even willen doorverwijzen naar het debat over de Cyberbeveiligingswet van maandag. Ik zal ervoor zorgen dat ik dan gewapend ben om op deze vraag in te gaan.

De voorzitter:

Waren dat alle overige belangrijke vragen? Ik kijk even naar de collega's om te zien of er iets is blijven liggen.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik mis nog de vraag die ik aan de minister heb gesteld over ronselen als apart delict opnemen in het Wetboek van Strafrecht.

Minister Van Weel:

Daar ga ik in een voortgangsbrief op terugkomen. Dat is een hele goede vraag, maar het antwoord daarop is niet heel eenvoudig.

De voorzitter:

Welke voortgangsbrief? Dan kunnen we dat goed noteren.

Minister Van Weel:

Ik ga dat voor de zomer meenemen in een stand-van-zakenbrief.

De voorzitter:

Uitstekend. Dan kijk ik nog even naar de andere collega's. Zijn alle vragen beantwoord? Dan stel ik voor dat we doorgaan met de tweede termijn. Daarin heeft u 1 minuut en 20 seconden. Ik geef het woord aan mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ik zal het kort houden. Ik ben blij met de snelle komst van de implementatie van de EU-Confiscatierichtlijn. Het is, denk ik, heel belangrijk om crimineel vermogen af te pakken en te herinvesteren op de juiste plaats; dat hoort er ook bij. Ik begrijp dat de minister zegt dat het bij gemeentes zelf ligt om bijvoorbeeld met pilots te komen, maar we kunnen gemeentes natuurlijk ook helpen en daarin sturen. We kunnen helpen bij het delen van ervaringen. Daarin kunnen we ook prioriteren. Laten we dus vooral kijken naar de regio's en de grensregio's waar het al heel lastig gaat.

Kort nog iets over de politiecapaciteit. Ik begrijp dat de minister zegt: ik ga er in feite niet over; dat is intern aan de politieorganisatie. Echter, het kan natuurlijk niet zo zijn dat Heerlen — ik zoom nu even in op die specifieke gemeente, maar het geldt voor meerdere Zuid-Limburgse gemeenten — keer op keer heel hoog op die lijstjes komt, en dat er vervolgens 30 fte aan politiecapaciteit weggaat. Dat is natuurlijk onbestaanbaar. Zo lossen we de problemen nooit op. Ik zou dus het volgende aan de minister willen vragen. Hij kan het misschien zelf niet oplossen, maar hij kan wel met de politieorganisatie in gesprek gaan. Hoe kan zoiets gebeuren? Hoe kan zo'n herverdeling binnen een regio op die manier plaatsvinden?

Daar zou ik het bij willen laten.

De voorzitter:

Mevrouw Schilder.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Dank u wel. Ik zal het ook heel kort houden.

Ik hoorde het verhaal van mijn collega, mevrouw Straatman, over herinvesteren in wijken. Ik vind dat mooi. Echter, ik zou aan de minister willen vragen of hij die herinvestering misschien ook wil meenemen in het opsporingssysteem, want het zou natuurlijk helemaal prachtig zijn om de mensen die bezig zijn met georganiseerde criminaliteit en drugs op te pakken met hun eigen middelen.

De voorzitter:

Mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voorzitter. Ik zag her en der wel wat openingen en ook wel een zoektocht vanuit deze minister, want hoe gaan we dit nou eigenlijk aanpakken in al die wijken? Het gaat her en der goed, maar er zijn te veel steden die toch elke keer de krant weten te halen vanwege echt grote overlast — en "overlast" is dan misschien nog wel een understatement. Ik zou om die reden graag een tweeminutendebat willen aanvragen.

De voorzitter:

Dat mag.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Fijn.

De voorzitter:

Was dat ook het einde van uw inbreng?

Mevrouw Coenradie (JA21):

Zeker.

De voorzitter:

Uitstekend. Dan gaan we naar mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u, voorzitter. Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de beantwoording.

Ik heb toch nog wel even een ding. Dat gaat over die kerken. De minister geeft aan: dat wordt op lokaal niveau onderzocht. Er wordt eigenlijk wat minder prioriteit aan gegeven op nationaal niveau, omdat — dat wordt aangegeven — het bij die joodse instellingen waarschijnlijk om een terroristisch motief ging. Maar ik geef u op een briefje dat het bij die kerken niet zo blijft; dat gaat net zo erg worden. Daarom wil ik de minister verzoeken om dit toch nader te onderzoeken. Is hij daartoe bereid? Ik geef u op een briefje: dit gaat erger worden.

De voorzitter:

Mevrouw Martens.

Mevrouw Martens-America (VVD):

Dank, voorzitter. Allereerst dank aan de minister en zijn team voor de beantwoording. Ik ben blij met de toezegging over het in gesprek gaan met de woningbouwcorporaties.

Daar laat ik het bij. Dank u wel.

De voorzitter:

Ik hou het ook kort. Dank voor de toezeggingen. Een aantal discussies zijn, als je het negatief zegt, vooruitgeschoven. Als je het positief zegt, hebben we toezeggingen gekregen om daar op een nader moment dieper op in te gaan. Laat ik het daarbij houden.

De minister gaat meteen door met zijn beantwoording in tweede termijn. Ik geef hem het woord.

Minister Van Weel:

Dank voor uw positieve appreciatie, want zo was 'ie in ieder geval wel bedoeld.

Ik houd het heel kort. Ik ga binnenkort op bezoek in Heerlen. Ik hoop dan ook te horen hoe het er daar voor staat en wat de overwegingen daarachter zijn geweest. Ik zal dat dus zeker als gespreksonderwerp oppakken.

Dan over het oppakken met de eigen middelen. Ik zie ze bij deze beeldspraak al opgevouwen achterin een Lamborghini zitten. Ik ga even kijken. We gaan er sowieso, ook in de komende periode, nog meer werk van maken om te kijken of we meer uniformiteit in die herbestemming kunnen brengen.

Mevrouw Faber had het over de kerken. Ik zal in ieder geval navragen of er, naar aanleiding van de incidenten die er zijn geweest, volgens de politie of het OM sprake is van een patroon. Dat wil ik wel doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan rest mij de taak om nog even door de toezeggingen te lopen en er nog eentje te upgraden tot een toezegging.

  • De minister komt in een volgende voortgangsbrief terug op de vraag van het lid Coenradie over het wegnemen van belemmeringen die zien op privacy in het kader van preventief waarschuwen, analoog aan het Deense model.
  • De minister stuurt voor de zomer een brief over de EU-anticorruptiestrategie aan de Kamer en neemt daarin het verzoek van het lid Sneller wat betreft de lidstaatopties mee.
  • De minister komt voor de zomer in een voortgangsbrief terug op de vraag van het lid Schilder over het opnemen van ronselen als apart delict in het Wetboek van Strafrecht.

Dan waren er twee opmerkingen, namelijk over de kerken en over de woningbouwcorporaties, waarbij we niet direct hebben gehoord wanneer daarop teruggekomen wordt of op welke manier. Zou de minister daar iets over kunnen zeggen?

Minister Van Weel:

Op de woningbouwcorporaties kom ik terug in de voortgangsbrief. Wat betreft de kerken wil ik dat eigenlijk alleen doen als daar een patroon uit naar voren komt. Anders kan ik namelijk bij elk onderzoek de politie gaan raadplegen. Dat is niet mijn taak en ook niet die van u. Het lijkt mij pas relevant als daar een patroon in zit.

De voorzitter:

Eén opmerking is geüpgraded tot toezegging, de andere opmerking ligt nog even bij mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik wil het ook weten als er niks uit komt. Want ik vind het een beetje moeilijk — laat ik het zo stellen — als we helemaal niks horen.

De voorzitter:

De minister geeft in dat opzicht aan: geen nieuws is goed nieuws.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik sta daar anders in, maar goed.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we het daarbij houden. Onderaan het papiertje dat ik voor me heb, staat nog dat het lid Coenradie een tweeminutendebat heeft aangevraagd. Wij gaan daar plenair voor zorgen. Dan dank ik de minister en zijn ondersteuning hartelijk voor de vlotte beantwoording. Ik dank ook de leden en de ondersteuning hier. Ik sluit de vergadering.

Sluiting