Zoönosen en dierziekten
Opening
Verslag van een commissiedebat
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 14 januari 2026 overleg gevoerd met de heer Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over Zoönosen en dierziekten.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Podt
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Mohandis
De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
Van den Brule-Holtjer
Voorzitter: Podt
Griffier: De Keijzer
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Beckerman, Bromet, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Den Hollander, Koorevaar, Kostić, Van der Plas en Podt,
en de heer Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Aanvang 14.00 uur.
Zoönosen en dierziekten
Aan de orde is de behandeling van:
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 18 maart 2025 inzake reactie op verzoek commissie over afschrift van het antwoord op de brief aan de heer P.V. over de publicatie van het rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden deel 3 (VGO-III) Dierziekten d.d. 6 februari 2025 (28973, nr. 261);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 27 maart 2025 inzake reactie op verzoek commissie over originele patiëntendata VGO-III patiëntenstudie (28973, nr. 262);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 1 april 2025 inzake mond-en-klauwzeer (MKZ) uitbraak in Slowakije en Hongarije (27622, nr. 154);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 12 mei 2025 inzake blauwtong en overige zaken diergezondheid (30669, nr. 32);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 22 mei 2025 inzake advies Wageningen University & Research verminderen ziekteverwekkers geitenbedrijven (28973, nr. 268);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 28 mei 2025 inzake reactie op de motie van de leden Van Campen en Podt over een plan van aanpak uitwerken voor vaccinatie tegen de dierziekten in de dierhouderij (Kamerstuk 29683-290) en op de moties van het lid Graus over een adequaat registratie- en monitoringssysteem ter voorkoming van toekomstige virusuitbraken (Kamerstuk 29683-293) en over onderzoek naar de effecten en gevolgen van toegediende vaccins (Kamerstuk 29683-294) (29683, nr. 309);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 28 mei 2025 inzake afschalen landelijke ophok- en afschermplicht vogelgriep (28807, nr. 307);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 26 mei 2025 inzake LVVN-beleidsvoorstellen uit Voorjaarsnota met CW 3.1 kaders (Beleidskeuzes Uitgelegd) (36725-XIV, nr. 4);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 1 juli 2025 inzake aanpassingen maatregelen vogelgriep en andere onderwerpen diergezondheid (28807, nr. 308);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 juli 2025 inzake advies Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen (28973, nr. 280);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 14 juli 2025 inzake situatie ten aanzien van lumpy skin disease in Europa en in Nederland (29683, nr. 312);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 22 september 2025 inzake stijging Salmonella in de pluimveehouderij (29683, nr. 313);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 2 oktober 2025 inzake stand van zaken lumpy skin disease en overige zaken diergezondheid (29683, nr. 314);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 16 oktober 2025 inzake stand van zaken vogelgriep en overige zaken diergezondheid (28807, nr. 309);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 oktober 2025 inzake uitvoering van de motie van het lid Kostić over een nationaal uniform moratorium met een verbod op uitbreiding, verplaatsing en nieuwbouw van geitenstallen (Kamerstuk 29683-305) (29683, nr. 315);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 13 november 2025 inzake vogelgriepsituatie najaar 2025 (28807, nr. 310);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 november 2025 inzake plan van aanpak Afrikaanse varkenspest in wilde zwijnen (29683, nr. 316);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 8 december 2025 inzake deel II Gezondheidsraadadvies over de gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen. (28973, nr. 285);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 15 december 2025 inzake stand van zaken veterinair antibioticabeleid en AMR (29683, nr. 317);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 18 december 2025 inzake reactie op verzoek van het lid Kostić, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 9 december 2025, over het tweede deeladvies van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s rondom geitenhouderijen (28973, nr. 286);
- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 december 2025 inzake reactie op verzoek commissie over het mogelijk afschaffen nulstand wilde zwijnen in provincie Noord-Brabant (29683, nr. 318);
- de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 januari 2026 inzake beleidsreactie op het Gezondheidsraadadvies over gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen (28973, nr. 287).
De voorzitter:
Goedemiddag allemaal. Welkom bij het commissiedebat van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Wij zitten vandaag met twee bewindspersonen. Welkom aan de minister van VWS —heel fijn dat hij erbij kan zijn vandaag — en natuurlijk welkom aan de minister van Landbouw en aan hun medewerkers. Heel fijn dat jullie er zijn. Wij spreken vandaag met elkaar over zoönosen en dierziekten.
Het is goed om aan de voorkant mee te geven dat er een spreektermijn van vijf minuten staat. Zoals u dat in deze commissie gewend bent, gaan wij uit van vier interrupties en iedere interruptie korter dan 30 seconden is gratis; die telt niet mee. Interrupties langer dan 30 seconden daarentegen tellen dubbel mee. Dit betekent dat u dan in twee keer door uw interrupties heen bent. Ik zie sommige mensen heel moeilijk kijken, maar we hebben dit vaker gedaan.
Verder is het goed om te zeggen dat wij gisterenavond nog een brief hebben gekregen met als titel Ontwikkelingen vogelgriep en dierziekten. Ik vind het belangrijk om daarbij op te merken — ik kijk daarbij even naar de regering — dat die te laat was. Wij verwachten brieven aan de commissie drie werkdagen voordat de commissie bijeenkomt. Ik heb 'm niet gelezen en ik hoor hier "ik ook niet". We gaan er dus in principe van uit dat de meeste mensen die brief de volgende keer bij het debat zullen betrekken. Het zou zomaar kunnen dat er dan vragen komen waarover u zegt: die staan al op papier. Daar heeft u het dan maar mee te doen.
Dit betekent ook dat wij kunnen gaan beginnen. Ik ga het rijtje af en kom als allerlaatste bij mijzelf uit. Dan heeft lid Kostić zich bereid verklaard het voorzitterschap even van mij over te nemen. Dan gaan we het zo doen.
We gaan beginnen met de eerste termijn van de Kamer. Lid Kostić, aan u.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Voorzitter. De kernvraag van vandaag is hoe lang we nog toestaan dat de gezondheid van Nederlanders in gevaar wordt gebracht door de vee-industrie. Al vijftien jaar blijkt uit onderzoek dat omwonenden van geitenbedrijven vaker een longontsteking krijgen. Al die tijd is verspild en mensen zijn onnodig ziek gemaakt. Het onderzoek van de Gezondheidsraad is het zoveelste onderzoek dat aantoont dat de geitenhouderij mensen ziek maakt. Als je binnen 500 meter van een geitenhouderij woont heb je 73% meer kans op longontsteking. 73%! Tientallen mensen overlijden en honderden worden ziek.
De Gezondheidsraad bevestigt dat het onverantwoord is om geitenhouderijen binnen één kilometer van woningen, scholen en andere gevoelige locaties te hebben. Maar ondertussen is het aantal geiten binnen twintig jaar na de Q-koorts vervijfvoudigd, terwijl we toen al wisten dat het aantal geiten niet omhoog moest, maar omlaag. Het kabinet kiest nu opnieuw voor meer onderzoek en uitstel. Mensen die nu in de buurt van geitenhouderijen wonen, worden compleet in de steek gelaten. Het kabinet kiest voor technische lapmiddelen waarover de Gezondheidsraad zegt dat de effectiviteit onzeker en onduidelijk is. Het kabinet gaat een afstandsnorm tussen geitenhouderijen en woningen onderzoeken.
De geitenhouderijen hoeven natuurlijk niet te verdwijnen, want dat is tegen de agrobelangen van minister Wiersma. Nee joh, we schrappen gewoon woningbouwprojecten, nieuwe scholen en verzorgingshuizen in de buurt van geitenhouderijen. Logisch. Nee, dit is de omgekeerde wereld. Het minimale wat je kunt doen, is het invoeren van een afstandsnorm van minstens één kilometer om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. In tijden van enorme wooncrisis is het totaal onverantwoord om te kiezen voor geitenhouderijen boven woningen, te kiezen voor geitenhouderijen boven scholen en verzorgingshuizen, maar VVD en BBB doen het gewoon. De Gezondheidsraad adviseert per direct een afstandsnorm van minstens één kilometer, omdat mensen binnen die grens van één kilometer 20% meer risico lopen. Het is daarom ook logisch om die afstandsnorm wat hoog te zetten.
De minister van Volksgezondheid blijft zeggen dat gezondheid op één staat in het beleid, maar we zien dit nog niet. Vandaag is zijn kans om daden te laten zien die inderdaad gezondheid op één zetten. Kan hij toezeggen dat hij op korte termijn een afstandsnorm gaat instellen van minstens één kilometer en het liefst nog hoger, gezien de risico's? Kan hij toezeggen met een afbouwpad voor het aantal geiten en het aantal geitenhouderijen in Nederland te komen om mensen te beschermen? Als de afstandsnorm niet gepaard gaat met een afbouwpad van de intensieve geitenhouderij, komt woningbouw op het spel te staan. Kan de minister van Volksgezondheid een oproep doen aan de provincies en gemeenten die nog geen moratorium hebben om dat zo snel mogelijk in te voeren? De Kamer wilde immers een moratorium dat overal geldt. De minister van Volksgezondheid moet zich gesteund voelen om zelf de knoop door te hakken nu de Kamer al twee keer heeft gezegd dat zij graag van de minister van Volksgezondheid wil dat hij daarover beslist en niet de minister van Landbouw.
Voorzitter. Voor de Partij voor de Dieren is het duidelijk: kom met een afbouwpad voor de geitenindustrie, zorg dat elke provincie en gemeente een moratorium heeft, en kom met een afstandsnorm van meer dan één kilometer. Technische stalmaatregelen geven niet alleen geen enkele zekerheid over de bescherming van gezondheid, maar schaden ook welzijn van dieren en beperken de ruimte van dieren om hun natuurlijk gedrag te kunnen vertonen.
Voorzitter. Ik doe vandaag een concreet voorstel waarmee we de gezondheidsrisico's van vogelgriep op korte termijn kunnen inperken. Deze week werd een vergunning van het laatste eendenslachthuis van Nederland ingetrokken, omdat daar continu de wet wordt overtreden. Dit is ontzettend goed nieuws voor de dieren, want hoe kun je in vredesnaam een industrie optuigen waarin eenden niet eens kunnen zwemmen. Weerzinwekkend! Ze liggen opgepropt in veel te kleine stallen zonder hun natuurlijk gedrag te kunnen vertonen. Het slachthuis moet over elf weken dicht, maar het slachthuis heeft de hele keten in handen, van fok tot slacht. De gemeente kan wel dit slachthuis sluiten, maar niet voorkomen dat ze nieuwe eenden blijven uitbroeden. Over elf weken hebben we dus propvolle stallen met nieuwe eenden die creperen of moeten worden afgemaakt óf die op langtransport moeten naar een slachthuis in het buitenland. Eenden zijn extra vatbaar voor vogelgriep. Eendenhouderijen dragen hierdoor bij aan grote gezondheidsgevaren voor de mens. In december zijn meer dan 10.000 eenden vergast vanwege vogelgriep. Ik vraag de minister van Volksgezondheid om, nu deze sector toch op zijn einde loopt, snel met een uitbroedverbod voor eenden te komen. Is hij daartoe bereid?
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan wij naar een interruptie van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Prima verhaal van de Partij voor de Dieren, dat ik namens GroenLinks-PvdA volledig kan steunen. Ik mis één aspect bij de geitenhouderijen en dat zijn de dierrechten. Als je in Nederland koeien wilt houden, moet je dierrechten aankopen of op de een of andere manier verwerven. Bij geiten hoeft dat niet, waardoor inderdaad de geitenstapel vervijfvoudigd is. Als GroenLinks-PvdA met een voorstel komt voor dierrechten voor de geitenhouderij, kunnen we dan op de steun van de Partij voor de Dieren rekenen?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Waar het ons om gaat, is dat er een afbouwpad moet komen voor de intensieve geitenhouderij. Wij hebben dat voorstel dus net gedaan. Eigenlijk is de Kamer het daarmee eens, want in 2024 is een D66-motie aangenomen om een einde te maken aan de bio-industrie. De bio-industrie omvat bijna alle geitenhouderijen. Het is in lijn met wat de Kamer wil om het af te bouwen. Als dierrechten daarbij kunnen helpen, is dat een goed verhaal, maar er moet echt een plan komen voor afbouw om mensen te kunnen beschermen.
De voorzitter:
Kunt u gaan afronden?
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb mijn punt gemaakt.
De voorzitter:
Heel goed. Goed om even te zeggen, mevrouw Bromet, dat uw eerste interruptie langer dan 30 seconden was. Ik zeg dit ter lering en vermaak van ons allen. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Lid Kostić zei in haar inbreng dat het niet ten goede komt aan de agrobelangen van de minister van Landbouw. Ik wil graag weten wat zij bedoelt met "de agrobelangen".
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nou ja, wat ik net zei. We weten al vijftien jaar dat mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen een verhoogd risico lopen op longontsteking. We hadden dus uit voorzorg veel eerder kunnen handelen. Dat is niet gebeurd en dat heeft te maken met de economische belangen van de agro-industrie. Mevrouw Wiersma heeft hier open en bloot gezegd dat ze voor die belangen staat.
De voorzitter:
Lid Kostić, we hebben het hier over minister Wiersma.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Excuus, minister Wiersma, dubbel demissionair minister Wiersma heeft heel duidelijk aangegeven dat ze vooral voor die belangen staat en niet voor het algemeen belang. Daarom vestig ik mijn hoop op de minister van Volksgezondheid om eindelijk na al die jaren mensen te beschermen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
"Agrobelangen" impliceert dat de minister gevoelig is voor corruptie of zoiets. Ik vind het altijd heel ernstig als zoiets wordt gezegd. "Agrobelangen" komt de minister niet ten goede. Kan het lid Kostić bevestigen dat die implicatie niet is bedoeld, maar dat deze minister voor een sector staat?
Kamerlid Kostić (PvdD):
We hebben hier een dubbel demissionaire minister die open en bloot zegt dat ze alleen maar voor die agrobelangen is. Dat is een specifiek deel van de boerensector. Het gaat vooral om de grote jongens. De kleinere boeren lijden ook onder dit systeem en lijden ook onder het beleid van minister Wiersma. Het is open en bloot en het impliceert geen enkele sprake van corruptie. Het wanbeleid is heel transparant.
De voorzitter:
Oké. Tot zover. Ik ga naar meneer Flach. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Dieren houden en volksgezondheid, een spannend onderwerp. Het kan verkeerd gaan zoals de Q-koortsuitbraak heeft laten zien. Ook het houden van huisdieren is niet zonder risico's. Risico's uitsluiten gaat niet, want dan krijgen we een onleefbare samenleving. Bedrijfstakken wegzetten als goed of fout werkt ook niet. Ik kan me voorstellen dat maatschappelijk gewenste veehouderijsystemen met veel stro en uitloop van dieren meer zoönoserisico's met zich meebrengen dan gesloten systemen. Maar, er ligt wel een opdracht om risico's onder ogen te zien en te werken aan het inperken ervan.
Ik vind het goed dat uitgebreid onderzoek is gedaan naar het eerder geconstateerde verband tussen geitenhouderijen en longontstekingen. Onderzoekers zien nog steeds een verband, al is de reikwijdte gelukkig minder groot dan eerder gedacht. Een aanwijsbare oorzaak is niet aangetoond, al kan niet worden uitgesloten dat die er wel is. Desalniettemin verbindt de Gezondheidsraad stevige conclusies aan het geconstateerde verband. Dit kan behoorlijke impact hebben op bijvoorbeeld de woningbouw. Daarom heb ik toch een paar vragen over het onderzoeksrapport.
De gevonden correlatie bij de door de huisartsen geconstateerde longontstekingen is redelijk stevig over meerdere jaren. Al past de kanttekening dat het verschil in de provincies Gelderland en Overijssel niet significant is, terwijl daar meer mensen in de buurt van geitenbedrijven wonen dan in Brabant. Tegelijkertijd is het opvallend dat er geen verband is tussen ziekenhuisopnamen en antibioticagebruik en de afstand tot een geitenhouderij. Ook heeft uitgebreid onderzoek naar allerlei mogelijke oorzaken geen aanwijsbare oorzaak opgeleverd. Dan blijf de vraag openstaan of het een ongedachte combinatie van factoren is of dat er sprake is van een valspositieve correlatie.
Een reviewer van het VGO-onderzoek wijst op de mogelijkheid van een bias in de onderzoeksopzet waardoor sprake kan zijn van een valspositieve correlatie. In een onderzoek hiernaar, waarbij de controlepopulatie vreemd genoeg buiten beeld bleef, wordt de mogelijkheid van een bewustzijnsbias opengehouden. Mensen met een negatief beeld van de veehouderij denken eerder dat ze een longontsteking hebben en zullen zich mogelijk sneller bij de huisarts melden. Dat geldt temeer voor Brabant en Limburg waar de Q-koortsuitbraak het meest gevoeld is en waar de verschillen ook het grootst zijn. De vraag is of dit verder wordt bekeken.
De verhoogde incidentie van longontstekingen wordt het hele jaar door geconstateerd. Is ook bekeken of de emissie van ziektekiemen op geitenbedrijven het hele jaar door op hetzelfde niveau zit? Ik zou me kunnen voorstellen dat dit in de winter anders is dan in de zomer. Zo niet, wordt dit dan in een vervolgstap meegenomen?
Wat nu? Ik snap dat het kabinet vervolgstappen wil zetten. Sowieso is verder onderzoek nodig. Wat de SGP betreft is in de praktijk de meeste winst te boeken door het zoeken en uitvoeren van maatregelen die emissies van bacteriën en fijnstof flink omlaag brengen. Volgens mij kunnen dergelijke maatregelen ook bijdragen aan minder ammoniakuitstoot. Heeft Wageningen inmiddels een eerste advies gegeven over het verlagen van bacteriële emissies uit geitenstallen?
Ik vind het goed dat de sector een actieplan heeft opgesteld en bereid is om hiermee aan de slag te gaan. Mijn vraag is hoe de bewindslieden deze handschoen oppakken. Deze inzet heeft wat mij betreft meer zin dan generieke beperkingen voor woningbouw, zeker op honderden meters afstand van geitenbedrijven.
Een bijzonderheid van geitenbedrijven is de opslag van de potstalmest buiten de stal, inclusief de voerresten die daar nog in zitten. Er zou onderzoek worden gedaan naar de mogelijke risico's van het composteren van potstalmest. Is dit gebeurd? Een onderzoeker wees erop dat de schimmel Aspergillus fumigatus zich in het algemeen snel kan vermeerderen in composthopen en voor problemen kan zorgen. Zou hier ook sprake kunnen zijn van dergelijk snelle vermeerdering van deze schimmel? Wordt dit in het vervolgonderzoek meegenomen?
Afrondend. Als ik eerlijk ben, vind ik het een heel lastig onderwerp. Je wilt het beste voor de volksgezondheid. Tegelijkertijd kan ik me voorstellen dat geitenhouders een machteloos gevoel hebben. Je krijgt verwijten en ondertussen is geen directe oorzaak aan te wijzen. Je blijft vraagtekens houden en weet niet wat je kunt doen. Mijn oproep aan de beide ministers is om te investeren in emissiebeperkende maatregelen, weg te blijven van eendimensionale en wetenschappelijk onverantwoorde extrapolatie van getallen, en steeds in de spiegel te blijven kijken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we naar de inbreng van mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Allereerst hoop ik dat iedereen heeft genoten van het kerstreces en wens ik iedereen een goed en gezond 2026. Dit is niet alleen een wens, maar ook een oproep aan de formerende partijen om, in tegenstelling tot dit kabinet, de broodnodige en voorgeschreven stappen te zetten om de volksgezondheid te waarborgen.
Binnen één kilometer van geitenhouderijen bevinden zich ruim 600 kinderdagopvangcentra, verzorgingshuizen en andere instellingen voor kwetsbare groepen. Onderzoek na onderzoek laat zien dat er overtuigende aanwijzingen zijn dat de daar verblijvende kinderen en kwetsbare groepen een verhoogd risico op longziekten lopen door nabijgelegen geitenhouderijen. Dit kabinet kiest ervoor om advies na advies naast zich neer te leggen als het aankomt op de gezondheid van omwonenden van geitenhouderijen. Waarom? Zodat we bijna 400 miljoen kilogram geitenmelk en 1 miljoen kilogram geitenvlees naar het buitenland kunnen exporteren? De adviezen zijn glashelder. De emissies moeten sterk worden teruggedrongen en er moet een afstandscriterium worden ingevoerd.
Dat daadkracht vanuit de kabinetten om hierop te handelen ontbrak, werd sterk duidelijk toen negen provincies wéér het heft in eigen hand namen en zelfstandig een moratorium instelden. Het kabinet legt de verantwoordelijkheid weer bij de provincies, net als bij veel andere landbouwdossiers. Het stijgende aantal geiten, ondanks de provinciale moratoria, toont aan dat regie van het Rijk nodig is. Ik vraag de minister van VWS te reflecteren op het voorzorgsbeginsel. Vindt hij dat het uitvoeren van nieuw onderzoek, als duidelijke en herhaalde adviezen onwelgevallig zijn, zich verhoudt tot dit voorzorgsbeginsel? Het gaat hier om het beschermen van economische belangen van enkele bedrijven ten koste van de gezondheid van grote aantallen omwonenden. Voor wie is deze minister er?
Het is duidelijk wat er moet gebeuren: de introductie van dierrechten, een nationaal moratorium op de bouw, verplaatsing en uitbreiding van geitenstallen, voorrang aan woningbouw, omwonenden boven geitenstallen, en een afstandscriterium. En laten we in meer algemene zin weer starten met het opvolgen van deskundigenadviezen. De Gezondheidsraad adviseert om een afstandscriterium van 1.000 meter in te voeren. Het is het zoveelste voorbeeld van een expertadvies dat door dit kabinet naast zich neer wordt gelegd, ten koste van grote economische, maatschappelijke en gezondheidsschade. Ik heb een vraag aan de minister van VWS. Waarom wordt er gesproken over 500 meter als de Gezondheidsraad 1.000 meter adviseert? Is dat een handjeklap met de BBB in het kabinet? Ik begrijp het niet.
Het recht van alle Nederlanders op een woning en op een gezonde leefomgeving moet wat GroenLinks-PvdA betreft zwaarder wegen dan het belang van die geitenhouderijen die omwonenden een verhoogd risico op ziekte geven. Daarom wil ik hierbij alvast een motie aankondigen om het advies van het afstandscriterium van 1.000 meter over te nemen en niet weer de bal naar voren te schoppen met de truc die hier altijd wordt toegepast, namelijk om weer een nieuw onderzoek te vragen. Ik kijk de VVD en de minister van VWS aan of zij, nu hun extreemrechtse experiment is mislukt, zich eindelijk durven te ontworstelen aan hun vrijwillige gijzeling door de BBB op dit dossier. En zo niet, dan kijk ik naar D66 en het CDA om hun aanstaande coalitiegenoot tot bezinning te brengen.
Voorzitter. Volksgezondheid is belangrijker dan het belang van één specifieke sector. Dit geldt ook voor woningbouw. Politiek is keuzes maken. GroenLinks-PvdA kiest voor volksgezondheid in plaats van de export van geitenproducten. GroenLinks-PvdA kiest voor woningbouw in plaats van enkele ondernemers met een boerderij. Het wordt tijd dat dit ook door het kabinet wordt gezien.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Bromet. Ik heb eerst de heer Flach en dan mevrouw Den Hollander.
De heer Flach (SGP):
Ik denk dat we niet moeten zeggen dat de ene partij meer om volksgezondheid geeft dan de andere. Het is duidelijk dat voor iedereen volksgezondheid bovenaan staat. Die mag nooit wijken, ook niet voor belangen van welk bedrijf dan ook. Tegelijkertijd zijn er best wel wat kritische kanttekeningen te maken bij de onderzoeken die zijn gedaan. Ik heb er een heel aantal opgesomd. Het is ook nogal ingrijpend als afstandsnormen of wat dan ook worden ingevoerd, zowel voor bedrijven als voor geplande woningbouwprojecten. Is mevrouw Bromet het met de SGP eens dat je zorgvuldig verder onderzoek moet doen voordat je zeker weet dat er maatregelen moeten komen? Of is haar conclusie: wat er ook gebeurt, er moeten sowieso minder geitenbedrijven komen? Dan is dat ook maar helder. Dit is dermate ingrijpend dat je niet overhaast te werk moet gaan bij dit soort zaken.
De voorzitter:
Meneer Flach, u heeft helaas ook twee interrupties gebruikt. Mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Alle partijen zeggen dat volksgezondheid bovenaan staat. Dat zal de minister zo meteen ook gaan zeggen. Dat is iets wat we al jaren horen. Tegelijkertijd worden een heleboel onderzoeken steeds weer opnieuw gedaan om maar 100% bevestigd te krijgen dat het inderdaad de geitenhouderijen zijn die zorgen voor een verhoogd risico op longontsteking. GroenLinks-PvdA had aan het eerste onderzoek al genoeg. Onderzoek doen wordt in deze Kamer gebruikt om steeds besluiten uit te stellen. Politiek is keuzes maken. Als je dan moet kiezen, moet je soms ook de pijn willen nemen. Je moet dan ook willen kiezen voor de volksgezondheid in plaats van de export van geitenproducten. Dat is wat GroenLinks-PvdA doet. Ik zie in het betoog van de heer Flach helemaal geen keuzes. Hij is helemaal opgevoed in het idee dat je een nieuw onderzoek vraagt als een onderzoek niet uitkomt, in de hoop dat op dezelfde voet kan worden doorgegaan.
De heer Flach (SGP):
Jammer dat op deze cynische manier wordt omgegaan met mijn zorgvuldig opgebouwde betoog, waarin ik heb gezegd dat onderzoek een verhoogde correlatie aantoont, maar dat er ook voldoende tegen in te brengen is, bijvoorbeeld waarom je in Gelderland en Overijssel niet de significante verschillen ziet die je in Brabant wel ziet. Je kunt niet op basis van een veronderstelde correlatie, ook al is die stevig, zomaar dwars door de belangen van mensen heen gaan en zomaar door de belangen van woningzoekenden heen gaan. We hebben in Nederland een rechtsstaat waarin mensen mogen rekenen op bescherming van de overheid en niet op doldrieste ideologiepolitiek, die ik toch bespeur in het antwoord van mevrouw Bromet toen ze zei dat ze aan het eerste onderzoek al genoeg had. Als je gaat ingrijpen in de eigendomsrechten van mensen, moet je zeker weten wat je doet. Dat kan overigens goed bestaan naast een volstrekte prioriteit op volksgezondheid. Zorgvuldigheid is daarin het verschil.
De voorzitter:
Meneer Flach, u bent door uw interrupties heen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik vind het helemaal niet zorgvuldig als je weet dat mensen in de buurt van geitenhouderijen een groter risico lopen op longziektes. Ik heb als medewerker van de Kamer meegemaakt hoe het ging in de tijd van de Q-koorts. Er zijn nog steeds mensen die dagelijks lijden onder deze verschrikkelijke ziekte. Ik vind het helemaal niet verantwoord om weer nieuw onderzoek te doen terwijl ondertussen de mensen in de omgeving van die geitenhouderijen last hebben van die geitenhouderijen. Ik had het al over kinderen en kwetsbare groepen met longaandoeningen. Ik vind het juist zorgvuldig om een politieke keuze te maken. Ik durf dat en doe dat. Ja, wij kiezen voor volksgezondheid en wij kiezen voor het voorzorgsbeginsel. Niet alles hoeft duidelijk te zijn om toch te kunnen kiezen voor gezondheid in plaats van de export van geitenproducten.
De voorzitter:
Ik zie ook nog andere vingers, maar ik ga eerst naar mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Mevrouw Bromet vindt dat wij een besluit moeten nemen op basis van wetenschappelijk onderzoek. Dat deel ik volledig. Stel nou dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er tussen 500 en 1.000 meter geen significant verschil is, zou het dan voor mevrouw Bromet wel acceptabel zijn om de afstand te bekorten naar 500 meter?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik ben bereid om elk onderzoek als bevestiging te nemen voor welk belang dan ook. Sommige mensen denken misschien van GroenLinks-PvdA dat wij vinden dat er een einde moet komen aan de geitenhouderijen an sich. Dat vinden wij niet. Wij vinden het belangrijk dat de volksgezondheid wordt gediend. Wij lezen het advies van de Gezondheidsraad en achten die instantie hoog. In dat advies staat "neem een afstandscriterium op van 1.000 meter" en dat nemen wij graag over. Dat is alles.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dat is een helder antwoord en die zorg delen wij ook. Tegelijkertijd zien we ook dat niet is gekeken in hoeverre de impact van die eerste 500 meter nog meeweegt in de tweede 500 meter. Wij vinden het wel waardevol om daar verder onderzoek naar te doen. Ik ben blij om te horen dat mevrouw Bromet bereid is daarin eventueel een aanpassing te doen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Als ik de VVD zo hoor, dan is die 500 meter in ieder geval al geregeld. Dat is een beginnetje. Als er geen bewijs komt dat de 500 meter daarbovenop een risico vormt, ben ik altijd bereid daar opnieuw naar te kijken. Maar de Gezondheidsraad is niet zomaar een instantie en die komt niet zomaar met een advies. Ik vraag me eerder af waarom er nu over die 500 meter gesproken wordt en niet over die 1.000 meter, zoals ik net in mijn betoog al aangaf.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik kan het betoog van collega Bromet goed volgen. Het is een helder uitgangspunt en ze legt de basis in het advies van de Gezondheidsraad. Ik heb wel een vraag. Voor nieuwe geitenhouderijen is het vrij eenvoudig, niet voor bestaande. Als je overgaat tot het sluiten of het verplaatsen van zo'n bedrijf, is dat een ingrijpende beslissing. Zeker als je ziet hoe sommige bedrijven maatschappelijk zijn ingebed. Moet je dan ook nog onderzoek doen of daadwerkelijk in een specifieke omgeving meer longontsteking voorkomt? Of is het voorzorgsbeginsel en de algemene uitspraak van 73% binnen 500 meter en 19% meer risico binnen 1.000 meter voldoende?
De voorzitter:
Meneer Grinwis, dat waren er twee.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Kijk, soms verandert de werkelijkheid. Ik ben blij om te horen dat de ChristenUnie zegt dat bij nieuwe vestiging rekening moet worden gehouden met de afstandszones. Ik ben het daar helemaal mee eens. Daar begin je ook mee. In bestaande situaties moet je altijd denken aan overgangsrecht. Je kunt niet van de ene op de andere dag zeggen: er is nu een onderzoek gekomen en daaruit blijkt dat de risico's te groot zijn, dus we gaan die hele sector opdoeken. Daar moeten plannen voor komen met afbouwpaden en grondig bewijs. Maar allereerst moeten er geen nieuwe vestigingen worden toegestaan in de buurt van kwetsbare bestemmingen. Ik hoop dat daarvoor een meerderheid is.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Volgens mij zag ik ook nog mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Er zijn hele grote zorgen over pfas in coating van windturbines. Veel mensen hebben hier hinder, stress, en slaapproblemen door met effect op het hart- en vaatstelsel. Gaat GroenLinks nu ook de klimaatindustrie opdoeken, de windturbines, als de lijn met de geitenbedrijven wordt doorgetrokken?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Pfas is een groot probleem en wij pleiten ook in alle andere debatten over water en industrie voor een verbod op pfas. Daar hebben we nog geen meerderheid voor gekregen. Dat moet zeker gebeuren. Maar tja, om er dan nu de windmolens bij te halen. We hebben nu een klimaatprobleem en wij denken dat windmolens schone energie kunnen opwekken. Volgens mij kan dat ook zonder pfas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik snap dat dat onwelgevallig is, maar van windturbines is toch echt bekend ... Als GroenLinks-PvdA het over het voorzorgsbeginsel heeft, vraag ik me af welk voorzorgsbeginsel wordt toegepast bij het plaatsen van windmolens in Nederland, als we het ook over de geitenbedrijven hebben.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het mooie is dat voor windmolens ook vaak afstandscriteria gelden en dat wij helemaal nooit ergens hebben gezegd dat er overal altijd op elke plek een windmolen moet komen. Er zijn hele grote gebieden waar boeren een prima extra inkomen hebben uit windenergie en daar zijn wij een groot voorstander van.
De voorzitter:
Volgens mij kunnen we naar de inbreng van mevrouw Van der Plas, BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Wat er gebeurt met onderzoeken bij de geitenhouderijen voelt steeds ongemakkelijker. De cijfers veranderen keer op keer. Eerst leek het effect door geitenhouderijen tot 2 kilometer te bestaan, nu blijkt het vooral binnen 500 meter te zitten. Eerst ging het over duizenden extra longontstekingen per jaar, nu zijn het er ineens 841 in heel Nederland. Ook het aantal ziekenhuisopnames en het aantal sterfgevallen zijn fors naar beneden bijgesteld, met precies dezelfde uitgangswaarden. Dan is de vraag heel simpel. Waarop kunnen we nog vertrouwen?
Ik vraag de minister inzicht te geven in hoe de Gezondheidsraad tot deze forse bijstellingen is gekomen. Ik wil graag een feitenrelaas. Kan de minister aangeven of binnen de Gezondheidsraad op enig moment serieus is overwogen dat er mogelijk géén effect is? Nog steeds is er geen echte oorzaak gevonden. Er is geen specifieke ziekteverwekker en geen duidelijk mechanisme gevonden. Er zijn alleen statistische verbanden gevonden. Statistiek kan een waarschuwing zijn, maar mag geen schuldverklaring worden en zeker niet voor de hele sector.
Wat heel duidelijk is, is dat het VGO-onderzoek alleen ging over wonen in de buurt van geitenhouderijen. Het ging niet over werken, recreëren, scholen, kinderopvang of zorginstellingen. Hoeveel geitenhouders hebben te maken met longontstekingen? Hoeveel van hun medewerkers en hoeveel van hun bezoekers hebben daarmee te maken? Veel geitenhouders hebben ook een zorgtak, zoals de Mèkkerstee in Ouddorp. Daar werken dagelijks 35 verstandelijk beperkte mensen op de geitenboerderij. Jaarlijks komen daar honderden bezoekers om te recreëren. En dit bedrijf zit dicht op een woonwijk, omdat die woonwijk naar het bedrijf toe is gebouwd. Waarom is er niet gericht onderzocht en hoe kunnen we de cijfers en statistieken juist beoordelen als al deze informatie ontbreekt?
Voorzitter. De volgende sector is aan de beurt om kapotgemaakt te worden. Dat is niet zorgvuldig. Wij maken beleid op aannames. Laten we heel helder zijn en laten we precies bijhouden wat er wel en wat er niet is onderzocht. In het VGO-onderzoek zijn twee groepen met elkaar vergeleken: mensen die vlak bij een geitenhouderij wonen en mensen die niet vlak bij een geitenhouderij wonen. Alleen voor die eerste groep is een verhoogd risico gevonden. Kinderen op kinderdagverblijven of ouderen op de dagbesteding wonen daar niet. Zij vallen volgens dit onderzoek juist in de groep die niet in de nabijheid van een geitenhouderij woont en daarmee in de groep met een lager risico op longontsteking. Dat deze locaties nu toch als gevoelig worden aangewezen is dus niet gebaseerd op onderzoek maar op aannames. Kan de minister laten onderzoeken of het in de VGO-studies gevonden statistische verband ook geldt voor andere vormen van verblijf zoals werken, onderwijs of zorg? Of ontbreken deze verbanden daar omdat deze situaties tot nu toe niet zijn onderzocht?
Daar komt nog iets bij. Er is geen enkel verschil gevonden tussen grote en kleine geitenbedrijven. Het tegenhouden van uitbreiding of het beperken van de omvang van bedrijven slaat nergens op. Dan pak je boeren aan zonder dat je maar weet of dat iets oplost. Is de minister bereid te laten onderzoeken of het beperken van de omvang van geitenbedrijven of het tegenhouden van uitbreiding überhaupt effect heeft op het in de VGO-studies gevonden verband? Het huidige onderzoek laat in ieder geval geen verschil zien tussen grote en kleine bedrijven.
Het is de VGO-onderzoekers niet gelukt om een bewezen werkingsmechanisme te vinden voor de extra longontstekingen. Slechts een mogelijke verklaring werd gegeven in de vorm van bacteriën in de bedding, in de stallucht en in de omgeving van geitenbedrijven. Dat gaat om bacteriën die van nature overal in de omgeving voorkomen, ook zonder aanwezigheid van een geitenbedrijf. Het VGO-consortium zegt zelf ook dat de bewijslast in geen enkel geval een oorzakelijk verband aantoont, ook niet voor de hoogst geprioriteerde micro-organismen.
Voorzitter. Het leven is niet risicovrij. We weten dat wonen langs een drukke weg aantoonbaar ongezond is. Die verbanden zijn causaal. Toch halen we geen snelwegen weg bij de steden omdat we altijd een afweging maken tussen risico, proportionaliteit en maatschappelijke gevolgen. Kan de minister duidelijk maken hoe groot het zogenaamde risico van wonen in de buurt van een geitenhouderij is als je het vergelijkt met wonen in de buurt van een drukke weg?
BBB wil duidelijkheid en geen paniekbeleid, geen steeds wisselende cijfers, niet schieten met een kanon op een mug, eerst weten waar het probleem precies zit en dan pas eventuele maatregelen nemen in overleg met de sector. De geitenhouders verdienen het niet om zo in de hoek te worden gezet en te worden neergezet als ziekmakers.
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u heeft een interruptie. Lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mevrouw Van der Plas heeft het over andere milieueffecten. De Gezondheidsraad heeft daarover iets gezegd, namelijk dat vergeleken met de blootstelling van andere bronnen van luchtverontreiniging et cetera de risico's aanzienlijk zijn als het gaat om geitenhouderij. Begrijpt mevrouw Van der Plas dat?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Volgens mij is dat niet wat de Gezondheidsraad zegt. We hebben het er al eerder over gehad dat er in het VGO-onderzoek eigenlijk 800 mensen zouden worden onderzocht. Die zijn niet eens gevonden. Er zijn 108 mensen onderzocht. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in een covidperiode, dus het is maar de vraag in hoeverre je dat goed kunt vergelijken met periodes zonder covid. De Gezondheidsraad geeft een advies. Dit is een onderzoek. Het feit blijft dat in al die jaren ... Zelfs in het eerste VGO-onderzoek werd helemaal geen verband gevonden tussen longontstekingen en de aanwezigheid van geitenbedrijven. Kort gezegd: nee, ik ben het daar niet mee eens.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mevrouw Van der Plas laat hier zien dat ze het rapport gewoon niet goed heeft gelezen. Ik kan het haar even appen. Het letterlijke citaat heb ik net voorgelezen. Jammer want dat maakt de rest van haar betoog ongeloofwaardig.
De voorzitter:
Oké. Uw inbreng gaat nog door? Er is niet heel veel tijd meer. U staat op 4 minuten en 37 seconden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb nog een paar andere vragen en die ga ik even snel doen. Zoals bij mensen de ene ziekte ernstiger is dan de andere, geldt dat ook voor dierziekten. Voor bestrijdingsplichtige dierziekten werkt Nederland met beleidsdraaiboeken. Een deel daarvan is verouderd. Sommige zijn meer dan tien jaar oud terwijl ziekten oprukken door klimaatverandering, insecten en de sterk veranderde wereld. BBB vindt dat beleid moet meebewegen met de stand van de wetenschap inclusief het serieus benutten van vaccinatie om onnodig ruimen te voorkomen. Wanneer worden de beleidsdraaiboeken voor bestrijdingsplichtige dierziekten geactualiseerd op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten? Kan de minister toezeggen dat ze maximaal inzet op maatregelen die onnodig ruimen van dieren voorkomen met name door het inzetten van vaccinatie waar dat mogelijk is? En kan de minister voor alle bestrijdingsplichtige dierziekten de grootst mogelijke inzet plegen om vaccinatie toe te staan door handelsbelemmeringen zo veel mogelijk weg te nemen? Hoe gaat ze dit aanpakken?
De voorzitter:
Mevrouw Van der Plas, u bent echt drastisch door de tijd heen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Oké, nog een laatste vraag. Ik wil graag weten wat de stand van zaken is van het fonds voor blauwtong. Dat speelt net over de grens. Welke eventuele gevolgen voor de sector zijn daar?
De voorzitter:
Helder. U krijgt een interruptie van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik hoor mevrouw Van der Plas zeggen dat zij groot voorstander is van vaccinatie bij uitbraak van dierziekten. Dat deel ik met haar. Toch heb ik bij het vorige debat BBB een motie horen indienen waarbij de vaccinatie pas tot uitwerking kon komen, nadat alle handelsbelemmeringen voldoende waren opgelost. Is het een koerswijziging die ik nu hoor of blijft zij daarbij?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou, ik heb ook de vraag hier net gesteld of de minister voor alle bestrijdingsplichtige dierziekten de grootst mogelijke inzet kan plegen om vaccinatie toe te staan door handelsbelemmeringen zo veel mogelijk weg te nemen en hoe zij dat concreet gaat aanpakken. Dus ja, de handelsbelemmeringen vormen nu wel een probleem.
De voorzitter:
Oké. Ik kijk naar mevrouw Den Hollander voor haar inbreng. De VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u, voorzitter. Meer dan 60% van de infectieziekten en 75% van de nieuwe of opkomende infecties zijn afkomstig van dieren. Een aantal bekende ziekten zijn Q-koorts, hondsdolheid, Lyme, vogelgriep, zika, ebola en COVID-19. Alle worden overgedragen via direct contact, via insecten of via besmet voedsel of drinkwater. Doordat mensen steeds meer reizen, door transport van dieren, door intensiever contact tussen mens en dier en door de dichtheid van populaties komen de zoönosen steeds meer voor. De impact die een infectieziekte kan hebben op de samenleving is enorm. De covidpandemie staat iedereen nog helder voor de geest, maar laten we ook de Q-koortsuitbraak tussen 2007 en 2011 niet vergeten. Tot op de dag van vandaag kent dit nog z'n nasleep voor veel patiënten die een chronische vorm van Q-koorts of longcovid hebben ontwikkeld. De vraag die ik aan de minister van VWS wil stellen is of er erkenning is van deze patiënten en op welke wijze er aandacht is voor de postinfectieuze aandoeningen.
Een aantal weken geleden is er een plenair debat geweest over vogelgriep. Het is zorgwekkend om te lezen dat het virus in de afgelopen weken naast een aantal nieuwe bedrijfsbesmettingen bij meerdere zoogdiersoorten is aangetroffen. Dat staat te lezen in een brief die wij deze week hebben ontvangen van de minister. In diezelfde brief lezen we dat er een uitstekend werkende monitoring voor diverse dierziekten actief is sinds 2002. Dat betreft een permanent systeem om de gezondheid van landbouwhuisdieren in Nederland te volgen en vroegtijdig afwijkingen te signaleren. Ik ben ervan overtuigd dat goede monitoring van groot belang is voor het signaleren en zeer snel acteren bij een uitbraak van ziekten. Monitoring van ziektegevallen zal ook in de gezondheidszorg voor mensen een veel grotere rol moeten krijgen. Dat is mijn overtuiging.
Dat brengt mij op het hoofdonderwerp van vandaag. In de afgelopen jaren is er veel monitoring geweest en is er veel onderzoek gedaan naar longontstekingen bij omwonenden van geitenhouderijen. De longontstekingen worden waarschijnlijk veroorzaakt door een samenspel van verschillende factoren: multicausaliteit. De emissies zijn in beeld maar er is nog onduidelijkheid over de precieze blootstellingsroutes. Er is nog geen causaal verband aangetoond. Dat neemt niet weg dat de Gezondheidsraad wel duidelijke adviezen heeft opgesteld over afstandsnormen en emissieverlagende maatregelen.
De VVD vindt dat we de zorg voor de volksgezondheid zeer serieus moeten nemen. Wij steunen daarom de koers die de minister van VWS en de minister van LVVN hebben ingezet voor het nemen van afstandsnormen bij nieuwvestigingen en emissiebeperkende maatregelen in bestaande situaties.
De voorzitter:
Mevrouw Den Hollander, u heeft een interruptie van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb net aan het kabinet gevraagd waarom het kiest voor 500 meter in plaats van de 1.000 meter van de Gezondheidsraad. Die vraag zou ik eigenlijk ook aan de VVD willen stellen.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wij kiezen daar op dit moment voor omdat wij vinden dat het kabinet sowieso eerst aan zet is voordat wij als Kamer daar nog een schepje bovenop doen. Ik zei net al in de interruptie op mevrouw Bromet dat ik verwacht dat er een grote correlatie is tussen die eerste 500 meter en die 19% die we zien bij de tweede 500 meter. Ik wil niet vooruitlopen op maatregelen als blijkt dat er zo meteen geen significant effect meer is in die tweede schil. Ik vind het belangrijk om in de proportionaliteit van maatregelen daarmee rekening te houden.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Wat is dan het oordeel over het functioneren van de Gezondheidsraad en de adviezen die hij geeft?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wij vinden het advies van de Gezondheidsraad zeer belangrijk. Nogmaals, wij vinden dat het kabinet nu al laat zien dat het een aantal stappen zet. We zijn wel bereid nog kort te wachten op wat er uit het aanvullend onderzoek komt.
De voorzitter:
Gaat u door met uw inbreng.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Eerder heeft de VVD al aandacht gevraagd voor het instellen van een landelijk moratorium. Nu zien we dat negen van de twaalf provincies een moratorium hebben ingesteld, die op onderdelen van elkaar verschillen. Wij vinden dit een onwenselijke situatie en zien graag dat de minister één lijn trekt voor alle regio's en daarmee duidelijkheid schept voor alle geitenhouderijen van Nederland en voor alle inwoners van Nederland. Kan de minister aangeven of er wordt gewerkt aan het instellen van een landelijk moratorium? Als hierin stappen worden gezet, wordt dan gedacht aan een verbod op nieuwvestiging, op uitbreiding of op wellicht allebei? Aan wat voor termijn wordt gedacht voor een nieuw moratorium? In het kader van beperking van uitbreiding van de sector: hoe kijkt de minister aan tegen een systeem van dierrechten voor de geitenhouderijen en andere veehouderijsystemen die nu nog geen sturingsmiddelen voor omvang kennen?
De voorzitter:
U krijgt een interruptie van lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Goed om van de VVD te horen over dat moratorium. Ze heeft eerder onze motie daarover gesteund. Dit kabinet blijft provincies oproepen het moratorium te handhaven. Is de VVD bereid ons te steunen in de oproep of met een eventuele nieuwe motie om dat door te trekken naar andere provincies?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Wij zullen iedere motie die over dit onderwerp wordt ingediend, met interesse lezen en bekijken of we die wel of niet kunnen steunen. Voor ons is het heel belangrijk dat wij voor iedereen duidelijkheid scheppen: voor inwoners rond bedrijven maar ook voor ondernemers. Daar moeten we één lijn intrekken. Het is niet uit te leggen dat in de ene provincie of in de ene plaats andere regels gelden dan in de andere plaats. Daarom zijn wij zeker voor een landelijke regelgeving.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dat klinkt goed. We zijn het met elkaar eens en dat is fijn. Dat gaan we hopelijk gewoon doorzetten.
De voorzitter:
Kumbaya. Mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Voorzitter. We zien dat de geitensector zelf een sectorplan heeft gemaakt voor het verlagen van bacteriële concentraties en emissies uit de geitenstal. Het is een ambitieus plan van een sector die inziet dat afwachten geen optie is. De sector is de afgelopen jaren fors gegroeid door toenemende vraag naar producten van geitenmelk zoals geitenkaas en babyvoeding voor baby's die allergisch zijn voor koemelk. Hier moet de lastige afweging worden gemaakt tussen het economische belang van de sector inclusief de handelsbelangen, het belang van de ondernemers en de bedrijven en het belang van de gezondheid van omwonenden. Dat vraagt om een zorgvuldige en proportionele besluitvorming.
Om zelf een goed beeld te krijgen van de diverse belangen die spelen, heb ik afgelopen vrijdag een werkbezoek afgelegd naar de gemeente Bernheze in Noord-Brabant. Ik heb gesproken met de gedeputeerde van de provincie, de wethouder van Bernheze, de lokale huisarts, infectieziektenonderzoekers, de GGD, de Gezondheidsdienst voor Dieren, een afvaardiging van LTO en NGZO en met de ondernemers van het geitenbedrijf waar we te gast waren. Dat zijn partijen met uiteenlopende belangen die zeer bereid waren naar elkaar te luisteren, hun zorgen te delen en de hoop uit te spreken op een duidelijk toekomstscenario voor alle partijen. We zijn benieuwd naar de stappen die het kabinet de komende tijd gaat zetten en we volgen dit op de voet.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Ik zie nog een interruptie van lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Is de VVD het met ons eens dat de afstandsnormen moeten leiden tot minder stallen in plaats van minder woningen?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Die twee zaken hebben een relatie met elkaar. Op het moment dat we een afstandsnorm instellen gaat die beide kanten op. We betreuren het enorm dat daarmee de woningbouwambities die dit kabinet ook heeft, onder druk komen te staan. Toch staat veiligheid voorop. Het gaat dus twee kanten op.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Nee, als je naast afstandsnormen niet kiest voor een afbouw van het aantal geiten, gaat dat direct ten koste van woningbouw en is dat in het voordeel van de geitenindustrie. Dus als de VVD moet kiezen tussen de geitenhouderij of woningen, waar kiest ze dan voor?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dat is niet de vraag. Op het moment dat je kiest voor het saneren van geitenbedrijven, waar u op doelt, gaat dat ten koste van de geitenbedrijven. Het gaat om de afweging in balans. Ik vond eigenlijk wat de heer Flach in zijn inbreng zei ... Het is gewoon een superingewikkelde keuze die we moeten maken en dat moeten we gefundeerd en proportioneel doen. Daarom wachten we de stappen af die het kabinet gaat nemen.
De voorzitter:
Laatste keer.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Mijn vraag was: als de VVD moet kiezen tussen de geitenindustrie en woningen, waar kiest ze dan voor? Dat hoor ik nog steeds niet. Kiest ze voor sanering van de geitenhouderij, een afbouwpad, in het voordeel van woningen?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij is dat niet een keuze die vandaag voorligt. Het belang van beide partijen moet worden afgewogen en er moeten proportioneel maatregelen worden genomen.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Stel dat er een gemeente is die graag een woningbouwproject wil doen maar dat er een geitenhouderij in die zone ligt, is de VVD dan bereid dwang toe te passen om die woningbouw voorrang te geven?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Als wethouder Woningbouw heb ik hiermee daadwerkelijk te maken gehad. Op dat moment was de conclusie dat daar geen woningen konden worden gebouwd. Is daarmee uw vraag beantwoord?
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het is altijd een belangenafweging, dus je kunt er als wethouder ook voor kiezen die woningbouw wel te laten plaatsvinden en die boerderij te sluiten.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Volgens mij moeten wij proportionele maatregelen nemen. We hebben diverse uitdagingen in dit land die we moeten aanpakken. Als wij een discussie gaan voeren over de Nota Ruimte, is het volgens mij heel belangrijk dat we ook dit soort afwegingen meenemen. Waar in Nederland is ruimte voor welke ontwikkeling? Nederland is een overvol land. We willen veel, we hebben veel ambities en we hebben grote ruimtevragers. Ik denk dat de Nota Ruimte het instrument is om straks keuzes te maken en er een uitvoeringsprogramma aan te koppelen. We moeten het niet sec splitsen op woningbouw versus geitenhouderij. Daarmee versmal je de discussie veel te veel.
De voorzitter:
Laatste keer.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Het gaat mij erom in ruimtelijke ordening keuzes te maken waarbij je soms dwang nodig hebt om de keuze te maken ten koste van iets anders. Is de VVD daartoe bereid?
Mevrouw Den Hollander (VVD):
De VVD loopt niet weg voor het nemen van beslissingen, ook niet als dat moeilijke beslissingen zijn. Het moet wel proportioneel zijn en het moet in verhouding zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Nog een laatste ... ik wou zeggen "oprisping" maar dat is wel erg onaardig. Een laatste interruptie.
De heer Graus (PVV):
Dat mag hoor. Ik ben heel wat gewend. Ik kom uit de oostelijke mijnstreek. Ik wil mijn collega van de VVD even aanspreken, want zij is ook dierenarts. Ik vind het heel fijn zo'n dierenarts in ons midden te hebben. Het gaat even over het blauwtongvirus, want daarover heb ik mijn collega niet gehoord. Het is een zeer ernstige ziekte waardoor heel veel diertjes hebben geleden. Ik ga er twee interrupties aan wijden. Dat gaat over vernatting in Nederland waardoor knutten goed gedijen. Dat gaat over de afvaltreinen die vanuit Italië naar Amsterdam zijn gegaan en waarbij allemaal knutten zijn gesignaleerd bij open afvalbelten. Maar er speelt ook verwaaiing. Er is een heel bekende onderzoeker die heeft aangetoond dat virussen vele, mogelijk tientallen kilometers en volgens dierenartsen laatst mogelijk meer dan honderd kilometer kunnen verwaaien. Hoe staat zij hierin? Dat wil ik gewoon als ter zake deskundige weten, ook ten behoeve van mijn inbreng.
Dank u wel.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Ik twijfel of we nu een technische briefing hebben of een debat. Mevrouw Den Hollander, ga uw gang.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik wil hier niet het idee neerleggen dat ik als dierenarts overal verstand van heb. Laat ik daarmee beginnen. Ik wil met alle liefde af en toe een college geven in deze zaal of in de plenaire zaal. Ik had vijf minuten spreektijd en ik heb gekozen waar ik mijn inbreng graag op wilde focussen. U vraagt nu naar de blauwtongsituatie. Ja, die vind ik zorgwekkend. Blauwtong heeft de afgelopen jaren heel veel dieren heel veel ellende bezorgd, ook veel schapenhouders en andere dierenhouders. We moeten zorgen dat er goed gevaccineerd wordt tegen blauwtong om zo veel mogelijk ziekte-uitbraken te voorkomen. Het klopt dat virussen zich over hele grote afstanden kunnen verspreiden. Ik heb niet voor niets gezegd dat dit voor een deel ook komt door reisbewegingen die mensen maken. Dat komt door handel en dat komt ook door intensieve veehouderij. Daarmee speel ik andere fracties in de kaart. We leven namelijk met z'n allen op een heel klein oppervlak en daardoor krijg je inderdaad ziekten die overgaan van dier naar mens en ziekten die overgaan van dier naar dier. Daarin moeten we met elkaar een balans zien te vinden.
De voorzitter:
Dank u wel. Nog een tweede vraag?
De heer Graus (PVV):
Dank u wel daarvoor, want ik zal er dadelijk in mijn inbreng op terugkomen. Dan kan ik u niet meer bevragen en daarom doe ik het nu even. Dank daarvoor.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu wel naar de inbreng van de heer Koorevaar van het CDA.
De heer Koorevaar (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Bij dierziekten gaat het om vooruitzien, voorbereiden en verantwoordelijkheid nemen. Daarbij moeten we de uitdagingen van vandaag serieus nemen, juist omdat die snel kunnen veranderen. Zagen we in 2024 nog veel blauwtong, in 2025 gelukkig niet. Dat was een opluchting voor zowel dieren als hun houders. Ik wil het hebben over lumpy skin disease, LSD, over vaccinatie en handel in gevaccineerde producten, over IBR en over de geitenhouderij.
Het klimaat verandert. Waar lumpy skin disease ooit een tropische veeziekte was, komt deze nu akelig dichtbij door de uitbraak in Frankrijk. Daarop moeten we goed voorbereid zijn en daarom de volgende vragen. Hoe staat het ervoor met de Nederlandse voorraad LSD-vaccins? Is het voor dierenhouders bekend wat de lumpy skin diseasesymptomen zijn? Is de minister bereid extra inzet te plegen op bewustwording? De derde vraag is of we überhaupt voldoende voorbereid zijn op andere dierziekten die we kunnen verwachten als gevolg van klimaatverandering? Waar blijkt dat concreet uit?
Voorzitter. Tijdens het vogelgriepdebat van 18 december 2025 is een motie aangenomen met de gezant of met extra inspanning van de CVO om de handel van gevaccineerde dieren en producten geen belemmering te laten zijn om een noodvaccinatie toe te passen. Bent u bereid om u naast vogelgriep ook te richten op MKZ en LSD? We zagen pas nog een uitbraak van MKZ op Cyprus, dus het is zeker van belang daar werk van te maken.
Ik kom op het derde onderwerp. Het heeft mij echt verbaasd bij het terugkijken van het commissiedebat van 6 februari dat er nog steeds geen AMvB ligt voor IBR, terwijl de minister toen aangaf vaart te willen maken met de EU-vrijstatus. Vanochtend konden we lezen dat er in de laatste twee maanden van 2025 vijftien gevallen van IBR bij kwamen. Er is dus urgentie. Een vraag: klopt het dat de AMvB voor IBR niet per 1 januari van dit jaar maar per 1 juli 2026 wordt ingevoerd? Wat is hiervan de reden?
Dan de geitenhouderij en longontstekingen bij omwonenden. Afgelopen vrijdag was ik met collega Den Hollander bij een bedrijfsbezoek. U weet wie we daar allemaal hebben gezien. Wat mij daar opviel, was het ongemak. Dat was bij de provincie over wat wijs beleid is en bij de geitenhouder die goed wil zijn voor zijn omgeving. Ik zag bij iedereen het besef dat afstandsmaatregelen de oorzaak niet wegnemen. Tegelijkertijd moeten we nu wel iets doen. Prudentie boven perfectie. Er is een consistent aantoonbaar verband tussen de afstand van geitenhouderijen en omwonenden. De "vermoedelijke" oorzaak is fijnstof uit geitenstallen. In één onderzoeksgebied werd er een associatie gevonden tussen meer geiten en meer longontstekingen, in een ander gebied niet. We nemen het risico op longontsteking serieus. Ik ervaar ongemak over het feit dat ondanks ingestelde moratoria het aantal geiten is toegenomen. Nu we weten dat er een verband bestaat, moeten we op zoek naar de onderliggende oorzaak en zal de geitensector niet verder groeien.
De minister stelt een aantal zaken voor, zoals blijvende monitoring. Wij zeggen: doen. Een afstandscriterium uitwerken ten opzichte van nieuwbouw lijkt ons ook verstandig. Wat ons betreft is er structuurbeleid nodig. Kijk dan ook integraal. De oorzaak moet boven water komen.
Ik heb nog wel enkele vragen over dit onderwerp. Een. Wat wil de minister concreet doen bij bestaande situaties? Twee. Hoe kijkt de minister naar structuurbeleid waarin ze ook de geitensector meeneemt? Drie. Als de oorzaak wordt gevonden, kan dan het afstandscriterium vervallen? Vier. Wordt er in het afstandscriterium rekening gehouden met de meest voorkomende windrichting? Ik begrijp echt wel dat het via de lucht komt als ik naar de stukken kijk. De vijfde en laatste vraag: kan de minister toezeggen dat het moratorium geen belemmering vormt voor stalaanpassingen die fijnstofemissie verminderen? Zo niet, welke stap zet de minister om dit alsnog mogelijk te maken en op welke termijn?
Tot zover.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Voordat we naar de interrupties gaan wil u misschien zelf nog even toelichten wat IBR is.
De heer Koorevaar (CDA):
Infectieuze boviene diarree. Een hele vervelende ziekte voor runderen.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Daar zullen de mensen die meekijken, enorm mee geholpen zijn. Fijn dat u dat even wilde toelichten. Ik heb een eerste interruptie van mevrouw Bromet.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik heb het verkeerd gezegd, hoor ik.
De voorzitter:
Heel goed. We gaan naar de interruptie van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
"Vervelende dierziekte" lijkt mij genoeg voor deze Kamerleden. Ik hoor de CDA-woordvoerder zeggen dat de geitensector niet verder zal groeien, maar daarvoor zijn wel maatregelen nodig, bijvoorbeeld het invoeren van dierrechten. Is het CDA daar voorstander van?
De heer Koorevaar (CDA):
Ik denk dat we integraal moeten kijken. U heeft kunnen lezen in een eerder document, het basisdocument dat tussen D66 en het CDA naar buiten is gekomen, dat milieugebruiksruimte een leidend principe is, ook in Nederland. Het kan niet zo zijn dat je wel dierrechten hebt voor de varkens- en de kippenhouderij en dat je fosfaatrechten hebt voor de melkveehouderij, maar dat je geen beperking van de omvang hebt in de geitensector. Ik vind dat gewoon niet fair tussen de verschillende sectoren. Ik denk dat het heel netjes is op het moment dat je zegt: jongens, we hebben met z'n allen een emissie-issue, daar moeten we wel met z'n allen aan werken. Daar hoort begrenzing bij. Daarbij zeg ik ook dat voor mij een integrale afweging leidend is.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Goed om te horen. Ik hoop dat daar ook actie op gezet wordt. Het vervelende is dat dat nooit in het openbaar besproken moet worden. Het heeft allemaal zo lang geduurd dat dat nu wel gebeurt. Dat werkt speculatie in de hand. Is het CDA het daarmee eens?
De heer Koorevaar (CDA):
Ja, dat snap ik eigenlijk wel. Ik snap dat dat speculatie in de hand werkt, maar er zijn ook moratoria. Ik begrijp ook, als ik in Brabant ben geweest, dat er ondanks de moratoria toch een groei van de veestapel is geweest, ook al is die beperkt. Ik denk niet dat er op dit moment zo veel ruimte meer is. Dat is echter een inschatting. Ik weet helemaal niet wat IBR precies is, laat staan dat ik dit helemaal weet. Dit zou mijn inschatting zijn.
De voorzitter:
We gaan eerst naar een interruptie van mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik denk dat het gezien de onderhandelingen interessant is om het CDA verder te bevragen. Ik hoorde een uitspraak over de afstandscriteria. Wil het CDA de Gezondheidsraad en de adviezen opvolgen en, zo ja, op welke termijn?
De heer Koorevaar (CDA):
Pardon, ik had mijn microfoon niet uitgezet. Ik zet hem nu weer aan. We zijn samen in beeld en dat is helemaal prima.
Toen ik de brief van de minister las, zag ik dat die het VGO-onderzoek serieus neemt en ook de epidemiologische studie serieus neemt. Dat is een zorgvuldig traject geweest. Ik ben begonnen met mijn deel over de geitenhouderij waarbij ik aangaf heel veel ongemak te ervaren. Ik heb op dat erf rondgelopen en met de wethouder gesproken, met de gedeputeerde en met de geitenhouder. Die geitenhouder zegt nota bene zelf geen gevaar te willen zijn voor zijn omgeving en graag het goede te willen doen. Ik denk dat het goed is om in de afweging het goede doen voor de volksgezondheid en geen rigoureuze maatregelen nemen terwijl je ook selectiebias graag wil uitsluiten. Je wil ook uitsluiten dat er geen groot significant verschil is tussen de eerste 500 en de tweede 500 meter. Ik volg de redeneerlijn van de ministers en ik zou hen willen vragen om daar wel vaart achter te zetten.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat is een heel lang antwoord, waarbij er eigenlijk gezegd wordt: nee. Het CDA wil het advies van de Gezondheidsraad nog niet uitvoeren. Het wil nader onderzoek en geeft geen termijn. Ik snap de opmerking van het CDA over ongemak heel goed. Ik vraag daarbij of dat ongemak niet juist voortkomt uit een Rijksoverheid die heel erg lang afwacht en niet zelf maatregelen neemt. Een voorbeeld daarvan is dat er wel een lokaal of provinciaal moratorium is maar geen landelijk moratorium. Het CDA heeft zelf geconstateerd dat daardoor nog steeds groei kan plaatsvinden en er allerlei andere gevolgen zijn. Herkent het CDA dat beeld?
De heer Koorevaar (CDA):
Ja, na een lang antwoord komt er ook een lange vraag. Het antwoord was inderdaad als u dat kort wilt hebben: nee. Dan volgen we inderdaad het advies van de minister om te komen met een afstandscriterium. Ik ben het met de ministers eens dat er een afstandscriterium moet komen. Prudentie gaat immers boven perfectie. Ook dan zullen we het nog niet precies weten, maar we moeten er wel een besluit over nemen. Daartoe roep ik de ministers op. Nogmaals, in die belangenafweging is dat de richting die het kabinet nu kiest.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Waarom ondermijnt het CDA de Gezondheidsraad?
De heer Koorevaar (CDA):
Dat vind ik een valse tegenstelling; alsof het CDA dat zou doen. Volksgezondheid staat ook wat ons betreft voorop. We hebben in de VGO-onderzoeken gezien dat de oorzaak er niet is. We kunnen niet zoals bij Q-koorts precies aanwijzen: het is deze bacterie en daar kun je tegen vaccineren. Het is eerder waarschijnlijk dat het een van de 23 bacteriën is die gevonden zijn. Dat staat ook in het Gezondheidsraadadvies. Het kunnen endotoxinen zijn, het kunnen bacteriën zijn, het kan fijnstof zijn of het kan aan het stalsysteem liggen. Daar zit wat mij betreft het ongemak. Op het moment dat je maatregelen neemt, wil je maatregelen nemen waarmee je de oorzaak wegneemt. Op het moment dat je dat niet precies weet, ga je werken met een afstandscriterium. U heeft mij horen zeggen dat ik daarvoor ben, maar dat ik de verdere uitwerking van het kabinet afwacht. Ik heb daarbij gezegd haast te maken. Het is wederom een lang antwoord, maar wel een afgewogen antwoord en geen simpel antwoord.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik heb ook geen simpele antwoorden, maar de Gezondheidsraad heeft heel duidelijk geadviseerd om binnen één kilometer in iedere geval geen geitenhouderijen te plaatsen naast scholen, kinderopvangcentra et cetera. Dus ik snap niet dat het CDA dat niet overneemt. Mijn laatste vraag is dan of het CDA het ongemak niet voelt van al die mensen die al longproblemen hebben, van al die mensen die zich zorgen maken over hun kinderen en van al die mensen die nog steeds niet zien dat het kabinet hun gezondheid beschermt.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik voel dat ongemak wel. Ik ben ook begonnen met dat te zeggen, maar daarbinnen maak ik een afweging. Ik zal u ook nog meenemen naar een gesprek aan de keukentafel, dat ik had om de mensen te spreken die het betreft. Op de vraag of het voorkomen van longontstekingen soms ook wordt verward met Q-koorts was het antwoord breed bevestigend. Dat is dus niet iets wat uit dit onderzoek blijkt. Dat is iets wat daar in de streek erg leefde en daardoor onder een vergrootglas ligt. Daarom vind ik dat we hier heel prudent mee om moeten gaan. Het klinkt misschien raar voor u, maar u moet het er toch maar mee doen.
De voorzitter:
Nou, kijk eens aan. Lid Kostić, uw laatste interruptie was helaas meer dan 30 seconden. Ik zie nog meer interrupties. Mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik hoor de heer Koorevaar spreken over de 23 kiemen die zijn gevonden, over fijnstof en over endotoxine. Als dit het allemaal niet is en we vinden het nooit, wat vindt het CDA dan van het toepassen van het voorzorgsbeginsel in de afstandsnorm?
De heer Koorevaar (CDA):
Nu dicht u mij wel heel veel wijsheid toe. In de stukken las ik dat er rond 2016, 2017 ook al vrij veel onderzoek is gedaan naar fijnstof en ook naar fijnstof in de veehouderij. Dat heeft daarna een poos stilgelegen en nu is het superurgent geworden. Ik zie dat de sector is gekomen met een sectorplan, waarin ze proberen die oorzaken boven water te halen. Wat mij dan opvalt, is dat de routes daarin bekend zijn. Het zal waarschijnlijk iets met het instrooien van de stal zijn. Het zal te maken hebben met het uitmesten van de stal of het zal te maken hebben met het verspreiden van de mest over het land, waarbij de emissie door de lucht het meest waarschijnlijk is. Dat is wat we nu weten.
Wat mij opviel, is dat we eigenlijk nog vrij weinig weten over wat exact de ziekteverwekker is. Ik heb er nog hoop op dat die oorzaak wel wordt gevonden. Er is volgens mij nog een onderzoek vanuit Wageningen onderweg. Dat komt in het eerste kwartaal. Daarin wordt geprobeerd de meest waarschijnlijke veroorzaker of de meest waarschijnlijke route aan te tonen. Ik ga niet vooruitlopen op de vraag wat er gebeurt als die nooit wordt gevonden. Daar zullen we dan vaker over praten in debatten over dierziekten en zoönosen, denk ik.
De voorzitter:
Heel goed. Ik kijk ondertussen ook een klein beetje naar de klok. We hebben zo meteen nog vijf sprekers, dus ik wil u allen vragen om in de beantwoording iets korter te zijn. Dat is geen kritiek op u, meneer Koorevaar. Ik heb dit geconstateerd bij vele van uw voorgangers, dus ik ga daar wat strenger op zijn. Mevrouw Den Hollander, was dit voldoende voor u? Dan ga ik naar mevrouw Van der Plas. Meneer Graus.
De heer Graus (PVV):
Ik wil toch even iets zeggen over wat u nu voorstelt. Wat ik altijd raar vind, is dat degene die zich stilhoudt en weinig vraagt, gestraft wordt voor degenen die de boel overtreden. Ik vind dat niet goed. Heel veel mensen voor ons hadden een "lange Leitung" en dan zouden wij, die dadelijk vragen willen stellen, gekort worden. Dat vind ik gewoon niet eerlijk.
De voorzitter:
Voor alle duidelijkheid: mijn opmerking ging over de beantwoording, niet over het stellen van de vragen. Volgens mij mag u erop vertrouwen dat ik daar heel fair mee omga. Mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het maar een vaag verhaal van de heer Koorevaar. Ik weet eigenlijk helemaal niet wat hij nou wil met de geitensector en de geitenhouderij. Het moratorium geldt ook voor stalaanpassingen waarmee de uitstoot van fijnstof verminderd kan worden. Is het CDA dan tegen het moratorium of gaat het CDA dan voor een moratorium stemmen?
De heer Koorevaar (CDA):
De minister heeft opgeroepen om de moratoria in stand te houden. Dat snap ik. Maar als ze dat dan doet en het blijkt dat je met een stalaanpassing toch die emissie weg kan nemen, dan vraag ik de minister hoe we ervoor kunnen zorgen dat die moratoria dan niet in de weg zitten?.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De geitensector heeft niks aan het CDA, want het CDA is gewoon heel vaag in wat het nou met de geitenhouderijen wil. Eigenlijk mogen ze ook niet groeien. Ze mogen niet uitbreiden. Of mogen ze wel uitbreiden? Wat is nou het standpunt ten aanzien van de geitenhouders in Nederland van het CDA?
De heer Koorevaar (CDA):
We nemen een afgewogen beslissing wat betreft een afstandscriterium. Het zou logisch zijn om in de integrale afweging rond emissies ook de geitensector te begrenzen. Dat is wat ik ervan vind.
De voorzitter:
Laatste keer.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dan concludeer ik dat ook het CDA deze sector eigenlijk kapot wil maken.
De voorzitter:
Ik ga toch heel even een opmerking maken. Dit gaat een klein beetje uit de bocht, mevrouw Van der Plas. Misschien kan dat iets milder de volgende keer. Meneer Koorevaar.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik wil een punt van orde maken. Hier heb ik echt wel bezwaar tegen. Ik vind dit niet terecht. Ik heb een heel afgewogen verhaal. Als dat mevrouw Van der Plas dat niet bevalt, dan is dat gewoon jammer.
De voorzitter:
Dat is dan helder. Nog een interruptie van de heer Goudzwaard.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik hoor de heer Koorevaar met een beetje frisse tegenzin, denk ik, zeggen: wij zijn eigenlijk tegen die afstandsnorm van nieuwvestiging, maar vooruit, we snappen het; het is prudent, we doen het. Maar mochten er nu wel significante stappen worden gemaakt richting de omwonenden, bijvoorbeeld middels emissiereductiebeperkende mogelijkheden, dan lijkt CDA mij ook zo'n nuchtere agrarische partij die het dan wel opnieuw over deze afstandsnormen wil hebben. Klopt dat?
De heer Koorevaar (CDA):
Het antwoord is ja. Dat was ook mijn derde vraag. Als uit onderzoek blijkt dat emissies bijvoorbeeld kunnen worden afgevangen en daarmee het risico wordt ondervangen, dan kun je ook dat afstandscriterium loslaten. Mijn vraag aan de minister was of zij dat dan ook kan?
De voorzitter:
Nou, kijk eens aan. Dan zie ik geen interrupties meer en gaan we naar mevrouw Beckerman voor haar inbreng. Ik overval u een beetje.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, ik dacht dat we allemaal nog gingen interrumperen, maar dat valt reuze mee.
Voorzitter. Ik ben geschrokken van de verhalen. Dramatisch, gezinnen die ontworteld raken door de langdurige invaliditeit van mensen. Ze voelen zich in de steek gelaten en helaas hebben ze gelijk. Meer dan 2.000 besmettingen, een tiental mensen met hartklepontstekingen en zes doden. De geitensector blijft groeien. Er staan ook nog uitbreidingen op stapel. Veel bedrijven bevinden zich in de nabijheid van of zelfs ín de bebouwde kom en vormen daarmee een groot risico voor de volksgezondheid. In Duitsland werd na een grote Q-koortsepidemie geadviseerd geen geiten te houden binnen 500 meter van een woongebied. In Nederland blijft het angstvallig stil. Ik moet helaas constateren dat het kabinet achter de feiten aanloopt, zodat de besmetting zich steeds verder heeft kunnen uitbreiden. Het lijdt geen twijfel dat economische belangen een doortastend beleid in het belang van de volksgezondheid hebben gefrustreerd.
Voorzitter. Dat is niet mijn woordvoering, maar de woordvoering van een voorganger, Henk van Gerven, op 11-11-2009, voormalig huisarts in Oss die eindeloos veel aandacht heeft gevraagd voor Q-koorts. Hoe pijnlijk is het dat deze woorden uit 2009, inmiddels zeventien jaar geleden, nog zo actueel zijn? We hebben onvoldoende geleerd van fouten uit het verleden en onvoldoende geleerd van die Q-koortsuitbraak. Q-koorts laat zien wat er gebeurt als signalen te laat worden opgepakt, bedrijfsbelangen belangrijker worden gevonden dan het grote belang van volksgezondheid en de menselijke gevolgen te lang buiten beeld blijven. We vragen daarom opnieuw aandacht voor al die mensen die nog te maken hebben met gevolgen van Q-koorts.
Het is een compliment waard, zeg ik in de richting van minister Bruijn, dat hij met hen in gesprek is gegaan. Zij zeggen dat dit een begin van erkenning is. Ik denk dat dat heel waardevol is. Hij is de negende bewindspersoon op dit dossier. Maar de pijn blijft, want de geitenhouders worden gecompenseerd, maar naar de patiënten is natuurlijk jarenlang niet omgekeken. Daarom stellen we opnieuw de vraag hoe de minister verder wil gaan met die erkenning? Komen er excuses, waar ook de Ombudsman al jaren voor pleit? Welke blijvende oplossingen voor mensen met Q-koorts komen er? Hoe ziet het kabinet de structurele financiering van het PAIS-behandelcentrum in Noord-Brabant voor zich? Wanneer wordt hierover een besluit genomen?
Voorzitter. De woorden van Van Gerven klinken ook zo actueel omdat ook al in 2009 werd gedebatteerd over zo'n afstandsnorm, over het centraal stellen van de gezondheid in veehouderijbeleid. Zeventien jaar later blijven structurele keuzes nog steeds uit. De getallen zijn door alle sprekers voor mij natuurlijk al vele malen genoemd, dus ik ga ze niet allemaal herhalen, maar er zijn jaarlijks naar schatting 841 extra gevallen van longontsteking nabij geitenhouderijen. Het individuele risico om longontsteking te krijgen binnen 500 meter van een geitenhouderij is inmiddels 73% hoger. Ondertussen is het aantal geiten in Nederland tussen 2000 en nu ruim vierenhalf keer zo hoog. Maar opnieuw, net zoals bij de Q-koorts, wacht het kabinet lang met een echte aanpak. Het besluit welke afstandsnorm er moet komen voor nieuwbouw wordt uitgesteld. Wanneer komt dat wel? Welke planning hanteert het kabinet en wat is dan de ondergrens? Volgt het kabinet nu de 1.000 meter van de Gezondheidsraad of heeft het een andere ondergrens in gedachten?
Dit gaat over nieuwvestiging, maar voor bewoners die nu binnen die afstand van 500 meter of 1 kilometer wonen gebeurt er voorlopig nog niks. Het kabinet zegt dat geitenhouderijen schoner moeten werken, maar concrete maatregelen worden niet genomen. Ook dat besluit wordt uitgesteld. De Gezondheidsraad is kritisch, want hoewel hij dit adviseert, zegt hij ook dat emissiereductie niet gegarandeerd effectief is. Waarom stellen we het belang van de volksgezondheid niet echt voorop en hanteren we het voorzorgsprincipe niet? Na de woorden van Van Gerven kan ik verschillende woordvoeringen aanhalen: de SP pleit er eigenlijk al heel lang consequent voor om te voorkomen dat je steeds van crisis- naar crisisaanpak gaat. Ik kijk heel indringend naar het CDA, maar dat was niet per se de bedoeling. Wij herkennen de onzekerheid die leeft op het platteland. Juist omdat je niet met een structurele aanpak komt en van crisis naar crisis gaat, blijft die ook voortduren.
Voorzitter, daar wilde ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Beckerman. Ik zie geen interrupties.
Mevrouw Beckerman (SP):
Misschien nog een laatste opmerking. We hebben er natuurlijk net voor het reces over gedebatteerd. De brief over vogelgriep komt echt te laat voor kleine fracties. We hebben gisteravond een begrotingsdebat VRO gehad. Ik wil opmerken dat ik dat vervelend vind.
De voorzitter:
Ik heb daar aan het begin van het debat wat over gezegd.
Mevrouw Beckerman (SP):
Dat heb ik gehoord, maar ik wil daar ook als fractie wel echt een punt van maken, want dat maakt het ingewikkeld. Bij vogelgriep gaan de ontwikkelingen snel. We verwachten dus echt niet dat dat altijd op tijd komt, maar de tijd was nu wel heel erg kort. Dat maakt het erg lastig voor Kamerleden om er tijdig op te kunnen reageren.
De voorzitter:
Daar hebt u helemaal gelijk in. Meneer Goudzwaard.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ja, dank u, voorzitter. Ons land kent een sterke agrarische sector die bijzonder efficiënt presteert op een relatief kleine oppervlakte. Dat is iets waar velen van ons terecht trots op zijn. Maar zoals bij meerdere dossiers in ons land gaat de teruglopende en spaarzame ruimte hier en daar knijpen. Iedereen is zich er natuurlijk bewust van dat wij, gezien de vele belangen, op een verantwoorde manier die ruimte met elkaar moeten delen. Het tweede advies van de Gezondheidsraad geeft aan dat het wonen dicht bij geitenbedrijven een verhoogd risico meebrengt voor de volksgezondheid. Door de Gezondheidsraad wordt de conclusie getrokken dat het risico op longontsteking binnen een woonafstand tot 1.000 meter van een geitenhouderij aanzienlijk is verhoogd. Laten we eerlijk zijn: als burger wil je niet te horen krijgen dat je woonachtig bent in een omgeving met gezondheidsrisico's.
JA21 vindt dat dergelijke zorgen serieus genomen moeten worden. Er liggen immers verschillende rapporten, waaronder de VGO-onderzoeken, RIVM-studies en deelrapporten van de Gezondheidsraad. Toch heeft dit verhaal ook een andere kant. De Gezondheidsraad concludeert het volgende. Let wel, ik citeer nu even uit de brief van 9 januari. In het eerste deeladvies over de gezondheidsrisico's rondom geitenhouderijen wordt gezegd dat het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontsteking waarschijnlijk oorzakelijk is. De daarop volgende zin, die wellicht het scharnierpunt vormt tussen wetenschappelijke analyse en politieke besluitvorming, is: "Dat geeft volgens de Gezondheidsraad voldoende aanleiding voor overheden om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen om de gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken".
De Gezondheidsraad spreekt van een waarschijnlijk oorzakelijk verband. In haar brief van 9 januari schrijft de minister dat het kabinet op basis hiervan een afstandsnorm voor nieuwvestiging gaat uitwerken. Kan de minister toelichten welke juridische en wetenschappelijke drempels zij hanteert om op basis van een waarschijnlijk verband al te starten met de voorbereiding van landelijke en generieke normen? Hoe voorkomt het kabinet dat hiermee de bestuurlijke standaard ontstaat waarbij waarschijnlijk verband in andere dossiers eveneens voldoende wordt geacht voor verregaande beperking op eigendom, bedrijfsvoering en ruimtelijke ordening?
Voorzitter. Volksgezondheid staat voorop, maar het voorzorgsbeginsel mag geen carte blanche zijn voor stilstand. Ik herinner mij de jaren 2019-2020. Ik was toen Statenlid. Het staat me nog heel helder voor de geest dat het toenmalige pfas-beleid leidde tot een bouwstop op basis van extreem lage normen. Elk hoopje aarde dat toentertijd werd gecreëerd, zoals het aanleggen van zoiets basaals als een zandbakje voor je kinderen, werd behandeld als een dampende hoop chemisch afval. Enkele maanden later bleek dat de normstelling disproportioneel streng was en fors moest worden bijgesteld. Ik heb het dan echt over een factor 20 tot factor 40. JA21 vindt dus dat maatregelen gebaseerd moeten zijn op aantoonbaar risico, proportioneel moeten zijn en bovendien bijgesteld moeten kunnen worden op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Mede daarom heeft mijn partij, samen met nog zes medestanders, in mei 2025 tegen de motie gestemd op een nationaal uniform moratorium met een verbod op uitbreiding, verplaatsing en nieuwbouw van geitenstallen. Het is ondanks alles namelijk ook een feit dat het laatste rapport geen keiharde oorzaak aanwijst voor longontsteking.
Natuurlijk moet een vermoeden van een verband de ruimte geven om risico's te verkleinen. Dat staat echt voorop. Daarom zijn we ook blij met een sector die zijn verantwoordelijkheid wil nemen om gezondheidsrisico's terug te dringen. Sinds september ligt er namelijk een sectorplan met maatregelen, zoals strengere bioveiligheid, scholing, pilotmetingen, innovatie, allemaal gericht op het terugdringen van bacteriële emissies uit stallen. Deze maatregelen richten zich op de veronderstelde bron en maken het mogelijk om de effecten in praktijk te volgen. Juist omdat de oorzaak van longontsteking nog niet eenduidig is vastgesteld en de effectiviteit van de maatregelen nog moet blijken, past op dit moment wat ons betreft enige terughoudendheid. Het ligt daarom voor de hand om eerst ervaring op te doen met een generieke aanpak, voordat wordt overwogen om over te gaan tot generieke ruimtelijke beperkingen. Wij blijven deze laatste ontwikkelingen natuurlijk nauwgezet volgen.
Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Wij gaan naar de volgende inbreng. Die is van de heer Grinwis, ChristenUnie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, dank u wel. De Q-koorts ligt voor veel mensen nog vers in het geheugen. Sterker, voor zo'n 2.000 mensen is Q-koorts geen gesloten boek, maar nog altijd een harde dagelijkse realiteit. Hoe de overheid met deze mensen en met de Q-koortsepidemie is omgegaan verdiende op geen enkele wijze de schoonheidsprijs, integendeel. Welke taken en verantwoordelijkheid ziet de minister van VWS voor mensen die langdurig door Q-koorts of de gevolgen ervan zijn getroffen? Collega Den Hollander vroeg daar ook al naar.
Je mag niet alles over één kam scheren, maar vandaag zien we opnieuw dat er waarschuwingen op tafel liggen terwijl structurele keuzes uitblijven. De aloude spanning tussen de ministeries van VWS en LVVN is bij de Gezondheidsraad neergelegd. De Gezondheidsraad is vervolgens duidelijk geweest, maar is tegelijkertijd terecht niet op de stoel van de bewindspersonen gaan zitten. Zij zullen moeten kiezen. Tot nu toe vinden ze dat lastig, hoe collegiaal ze misschien nu ook achter de tafel mogen zitten. Mijn vraag is dan: hoe gaan beide ministeries zich tot elkaar verhouden? In wezen is het nu nog steeds "agree to disagree", een bewuste keuze om geen keuze te maken. Vervolgens is vervolgonderzoek dan een beproefd middel. Altijd maar dat mantra: meer onderzoek. Maar de vraag is hoeveel meer kennis je nodig hebt als beslisser om tot plannen te komen. En ja, die plannen, die maatregelen, die moeten tegelijk proportioneel zijn.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, ik zie een interruptie van mevrouw Bromet. Ga uw gang.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Tot nu toe een goed verhaal van de heer Grinwis, maar hij doet net of het ministerie van LVVN en dat van Volksgezondheid gelijkwaardige partners zijn wat betreft zoönose, terwijl volgens mij al lang duidelijk is en besloten is dat Volksgezondheid de leiding heeft bij zoönose. Is hij het daarmee eens?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar ben ik het mee eens. Tegelijkertijd zegt dat nog niks over welke keuzes er worden gemaakt en welke maatregelen er worden getroffen. Dat zegt nog niks over de aard van de maatregelen en welke eisen je daaraan stelt. Hoe dominant maak je het voorzorgsbeginsel? Mevrouw Bromet maakte dat in haar bijdrage dominant. Of leg je meer nadruk op de proportionaliteit van maatregelen? Dat zijn allemaal smaken die er nog steeds zijn, ook al is misschien de ene bewindspersoon of het ene ministerie prioritair of dominant boven het andere. Tegelijkertijd zitten hier twee bewindspersonen die volgens mij elkaars gelijken zijn. Ik stel ze als elkaars gelijken een vraag en vraag om een antwoord. Hoe die rangorde op papier ook mag zijn, ik zie dat er nog steeds spanning is tussen beide perspectieven. Die spanning wordt maar niet opgelost, behalve dan door maar weer meer onderzoek uit te zetten.
De voorzitter:
Helder. Hij mag volgende keer iets korter. Gaat u door met uw inbreng.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik voer niet alle zoönosedebatten. Je moet als kleine fractie zo je keuzes maken. Wat me wel steeds opvalt als ik er weer eens ben, is dat het beleid zo ad hoc is; dan de kippen, dan de geiten. Waar is de fundamentele standpuntbepaling over veehouderij in relatie tot volksgezondheid? Hoe kijken de aanwezige kabinetsleden daarnaar? Is er nou een lacune of zit het allemaal wel snor? Graag een reactie. We weten het inmiddels allemaal, zeker na corona: zoönosen kunnen zich snel vertalen naar een pandemie met vergaande impact. Het voorkomen van dergelijke uitbraken vraagt om een integrale aanpak, waarin gezondheid structureel wordt meegenomen in ruimtelijke ordening, vergunningverlening en beleidsvorming. Ik ben dus benieuwd hoe de beide ministers dat zien, met de nadruk op de minister van VWS.
Terug naar de geiten.
De voorzitter:
Nog heel even stoppen, want ik zie een interruptie van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
In mijn betoog heb ik het uitgebreid gehad over de monitoring die in de landbouw- en huisdierensector enorm goed ingeregeld is. Deelt de heer Grinwis dat het in zoönotisch belang ook goed is om de monitoring in de humane gezondheidszorg veel verder invulling te geven?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar ben ik het eigenlijk best wel mee eens. Ik begreep in de voorbereiding van dit debat — dat is ook een uitdaging voor de Gezondheidsraad — dat er sprake is van heel veel onderrapportage, bijvoorbeeld bij de woonlocatie in relatie tot een geitenhouderij in dit actuele voorbeeld, waardoor het heel moeilijk is om causale relaties te kunnen leggen. Dat is opgelost met heel langjarige reeksen. Op een gegeven moment heb je dan statistisch significante verschillen en kun je dus iets zeggen over waarschijnlijke causaliteit. Dan nog zou het probleem veel beter kunnen worden beetgepakt als je die rapportages en relaties beter op orde zou hebben. Ik ben het dus heel erg eens met mevrouw Den Hollander en ben ook wel benieuwd naar de reactie van de minister van VWS hierop, omdat dat zou helpen.
De heer Koorevaar (CDA):
U zei: we moeten dat beter afwegen, de gezondheid meer meenemen en meer data verzamelen. Bent u het ook met mij eens dat we ons dan meer moeten voorbereiden op de vraag welke dierziekten er eventueel nog zouden kunnen gaan komen? Moeten we dat daar dan ook in meenemen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, maar ik ben hier duidelijk niet de expert in, dus op de vraag hoe je dat zou moeten doen, moet ik het antwoord schuldig blijven. In algemene zin is dat wel verstandig. In het stikstofdossier en bij de waterkwaliteit hebben we veelvuldig te maken met het voorzorgsprincipe. Hoe ga je daarmee om? Dat kun je namelijk oneindig toepassen. Dan kun je vanwege het lijden dat je vreest meer gaan doen dan het lijden dat ooit op komt dagen. Zo lijdt de mens meer dan God te dragen geeft.
De voorzitter:
U kunt door met uw inbreng, meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Terug naar de geiten. Het zou natuurlijk het makkelijkst zijn als je zou kunnen wijzen naar één schuldige geitenbacterie, maar zo simpel is het dus niet. Het is een cocktail. Er is sprake van multicausaliteit. De een wordt ergens heel ziek van en de ander niet of nauwelijks. Hoogstwaarschijnlijk loopt het via de mest van de geiten en daar zouden allerlei stoffen in zitten die bijdragen aan een verhoogd risico op een longontsteking. Waar je vervolgens bij dit soort onderzoeken tegen aanloopt, is de onderrapportage. Daar hebben we het net over gehad. Uiteindelijk zegt de Gezondheidsraad dat uit de langdurig beschikbare data toch wel duidelijk is dat de uitkomsten statistisch significant zijn en waarschijnlijk causaal. Dat leidt tot de conclusie dat geitenhouderijen waarschijnlijk longaandoeningen veroorzaken. Binnen een straal van 500 meter is het risico 73% hoger en binnen een straal van 1.000 meter 19%. Het advies is om ten minste de afstand van 1 kilometer aan te houden.
Het kabinet kondigt maatregelen aan, maar gooit ook best wel veel over de schutting naar anderen of naar de toekomst. Voor meer onderzoek naar die 500 tot 1.000 meter valt op zich best wel weer wat te zeggen. Dat snap ik ook. Het zegt tegen provincies: jullie hebben dat moratorium al; houden jullie dat dan maar aan. Maar wat betekent dat dan voor de provincies Friesland, Groningen en Zeeland die dat moratorium niet hebben? Moeten die dat dan ook invoeren? Hoe gaan we dat doen?
Ondertussen blijft er wel onzekerheid voor geitenhouders. Waarom nu niet in ieder geval al een besluit om de afstand 500 meter maken? Ik begrijp de moeite met generieke afstandsnormen overigens goed. Ik verwees net al naar de discussie over stikstof. De bufferstroken hebben we daar ook rond Natura 2000-gebieden, vanwege de stikstofbelasting. Die liggen nog heel vers in het geheugen. Bovendien gaat het om ondernemers, families, medewerkers, om mensen.
Voor nieuwe gevallen is het niet zo ingewikkeld, maar voor bestaande bedrijven ligt het toch echt wel anders. Collega Van der Plas noemde al het prachtige bedrijf De Mèkkerstee in mijn geboortedorp. Dat ligt 300 meter richting nieuwbouw en op 500 meter afstand van een woonzorgcentrum. Die afstand is ontstaan nadat de geitenhouderij daar al lang aanwezig was. Bij mijn weten is er geen indicatie voor meer longaandoeningen in dat prachtige dorp. Hoe zit dat nou? Hoe kan dat? Heeft dat te maken met de overheersende windrichting vanuit het zuidwesten de polder in, weg van de huizen?
Specifieker kijken naar de gezondheidssituatie in een gebied is dus nodig. Ga om te beginnen dus daar onderzoeken. Komen er op minder dan 500 meter daadwerkelijk structureel meer longaandoeningen voor? Heb daarbij expliciet aandacht voor kwetsbare groepen. Vervolgens kun je naar omwonenden op grotere afstanden kijken. Het lijkt me dat daar de prioriteit moet liggen, want je kunt een bestaand bedrijf niet zomaar weghalen alleen op basis van een risico, terwijl er in die omgeving niet echt een aanleiding voor is. Of ziet het kabinet het anders en moet het voorzorgsprincipe ook in dat geval zwaarder wegen? Ik ben daar zelf mee aan het worstelen en volgens mij zijn meer collega's dat.
In de tussentijd moet je natuurlijk no-regretmaatregelen nemen, zoals het vaker uitmesten van de stal. Daar hebben we het allemaal over gehad. Een aantal collega's heeft het daarover gehad, ook collega Flach. Hier moet echter wel een keuze in gemaakt worden. Volgens mij hoef je dat niet allemaal over de schutting te werpen naar anderen en kun je daar zelf wel op z'n minst een aantal principes in formuleren, zodat we keuzes kunnen gaan maken.
De voorzitter:
Meneer Grinwis, u bent heel erg door uw tijd heen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Tot zover.
De voorzitter:
O, kijk eens aan. Dan waren wij het heel erg met elkaar eens. Dat is mooi. Kijk eens aan. We gaan naar de volgende inbreng. Die is van de heer Graus van de PVV.
De heer Graus (PVV):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Omdat ik toch de laatste spreker ben, wil ik wil me aansluiten bij eerdere betogen om de volksgezondheid te laten prevaleren en ook om de dierengezondheid, het dierenwelzijn leidend te laten zijn en niet "lijdend" met een lange ij. Ook sluit ik mij aan bij het betoog over de eendenhouderij en de beruchte eendenslachthuizen. Ik heb er zelfs nog een televisie-uitzending over gemaakt, samen met een professor, een ter zake deskundige, die zei dat er extreem veel dierenleed plaatsvindt. Dat zijn toch mensen die meer weten dan wij allemaal bij elkaar. Dat wil ik even genoemd hebben.
Ik wil weten welke adviezen en bevindingen beide ministers gaan overnemen van de GGD, de Gezondheidsraad en het Longfonds. We hebben er allemaal belangrijke post van gehad. Ik had daar graag een reactie op gehad. Wat gaat daarvan allemaal toegepast worden? Dat mag ook schriftelijk. Dat hoeft niet per se vandaag.
Blijf ook de negatieve gevolgen door overmatige vaccinatie of verkeerde vaccinatie monitoren alstublieft. We hebben het daar in een ander debat over gehad. Daar ga ik niet te diep op in.
Laat de belangen van de omwonenden en dieren prevaleren boven de economische belangen. Dat is al aangehaald. Daar sluit ik me helemaal bij aan. In verband met al deze zaken steunde ik al met mevrouw Agema, voormalig minister en ook fractiegenoot, eerder een moratorium. Later werd zij minister van Volksgezondheid.
Dan wil ik graag overgaan tot de aanbieding van een rapport. Dat is een onafhankelijk onderzoek naar de uitbraak van het Blauwtongvirus in 2023 in Nederland, een kritische zoektocht naar de oorsprong en omstandigheden. De minister heeft bij een eerder debat al aangekondigd dat in ontvangst te willen nemen. Daarom doe ik het. Ik ga dat via de bode doen als u me dat toestaat, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Naar welke minister gaat dat? Er zitten er nu twee.
De heer Graus (PVV):
Het gaat in dit geval naar mevrouw de minister, want die heeft dat ook toegezegd. Het gaat ook naar de griffier. Waarom? Er zit namelijk een copyright op, dus het komt bij de griffier te liggen. Daar moeten we het bilateraal over hebben. Dat wordt allemaal te technisch. Bij de griffier kunnen de Kamerleden het allemaal inzien. Het is een onderzoeksrapport. De auteurs, de onderzoekers zijn dokter Marscha Ormskerk en ingenieur Ton Kuik. Ze zijn beiden hier aanwezig op de tribune. Er zijn ook ongeveer tien gedupeerden uit de sector aanwezig. Dat vind ik heel mooi. Ik hoop dat u ze zo dadelijk even van harte welkom heet. Ik mag dat niet namens u. Ik zou dus graag één exemplaar aan mevrouw de minister willen aanbieden. Een ander exemplaar is voor de griffier van onze commissie ten behoeve van alle Kamerleden, in verband met het copyright.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Inderdaad een goede opmerking, want dat had ik zelfs aan het begin van de vergadering nog niet gedaan. Een hartelijk welkom aan iedereen op deze tribune.
De heer Graus (PVV):
Inderdaad ook de gedupeerden, want het is al erg genoeg wat die beste mensen allemaal overkomen is.
De voorzitter:
U heeft een interruptie.
De heer Graus (PVV):
Ben ik al door mijn tijd heen?
De voorzitter:
Nee hoor, maar u heeft een interruptie van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Waar gaat het rapport dat we nu aangeboden krijgen over? Daar ben ik wel nieuwsgierig naar. Ik ben ook nieuwsgierig wie die gedupeerden zijn en waardoor ze gedupeerd zijn.
De heer Graus (PVV):
Dat heb ik net opgelezen. Ik heb het rapport in mijn hand gehad. Toen was u waarschijnlijk met iets anders bezig. Misschien was u Pokémons aan het vangen. Ik heb het helemaal opgelezen. Het is een onderzoek naar de uitbraak van het Blauwtongvirus in 2023 in Nederland en een kritische zoektocht naar de oorsprong en omstandigheden. Ik zit in tijdnood. Daarom moet ik het allemaal kort doen. Ik heb mijn collega, de dierenarts van de VVD, er ook al over bevraagd. Het heeft namelijk ook te maken met de vernatting van Nederland, waar bijvoorbeeld u een grote voorstander van bent. Dat draagt allemaal mogelijk bij, want knutten gedijen daar beter bij. Er is verwaaiing van het virus. Er zijn afvaltreinen uit Italië gekomen met open balen, waar ook die knutten uit zijn gekomen. Het virus kan verwaaien over tientallen kilometers tot mogelijk meer dan 100 kilometer. Sommigen zeggen zelfs dat het over honderden kilometers kan, maar laat ik daar even van wegblijven. Dat zijn details. Daar gaat het om. Ik heb dat aangeboden aan de minister en ook aan u, via de voorzitter, aan de griffier.
De voorzitter:
Dus dat kunnen we allemaal gaan inkijken. Hartelijk dank. U heeft dat eerder al mooi toegelicht en ik heb ook de indruk dat mevrouw Bromet de context nu begrijpt. Heel goed.
Ik zie een hand van mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik zou toch wel een hele kleine handreiking willen doen aan de heer Graus, want het voordeel van een dierenarts is dat je ook een dierenartsnetwerk achter je hebt zitten. Over die trein hoeft u zich geen zorgen te maken, want in Italië is een andere stam van serotype 3 actief. Ik weet niet of dit helpt om u gerust te stellen.
De heer Graus (PVV):
Als ik daarop even mag antwoorden? Dat klopt. De onderzoekers zijn daarmee bezig geweest. Dat zijn niet de eersten de besten, die drie mensen die hier op de tribune zitten. Maar dan nog kan het een en ander vanuit het transport zijn overgebracht. U weet hoe vlug alles muteert. Onze wetenschappers kunnen er geen vaccins snel genoeg voor ontwikkelen of het virus is alweer gemuteerd. Daarom zeg ik: pas op met dat overmatig vaccineren, want je krijgt veel snellere virusmutaties. Het zijn superintelligente virussen, zou ik bijna zeggen. Daarom wil ik het toch even aanhalen. Maar u heeft daar zeker een bepaald punt. Dat wil ik niet ontkennen.
De voorzitter:
Heel goed. Dan nodig ik u uit om verder te gaan met uw inbreng.
De heer Graus (PVV):
Hoe lang heb ik nog, mevrouw de voorzitter?
De voorzitter:
U staat nu op 2 minuut en 47 seconden.
De heer Graus (PVV):
Dat is goed. Prima, dank u wel. Ik ben persoonlijk op een vrijdagmiddag met beide onderzoekers ook naar de inspecteur-generaal van de NVWA geweest. De beste man was ervoor teruggekomen van vakantie. Mijn waardering daarvoor. Ze hebben nooit toestemming van ProRail gekregen voor het bekijken en gebruiken van de spoorwegkaart ten behoeve van aanvullend onderzoek inzake de verspreiding. Beide ministers kunnen er wel voor zorgen dat dat wordt vrijgegeven aan de onderzoekers. Het hoeft niet publiekelijk, maar de onderzoekers moeten er wel gebruik van kunnen maken. Dus ik doe een beroep op beide ministers, op de regering, dat het alsnog boven tafel komt, als dat kan. Dat moet via een formeel verzoek. De onderzoekers hebben zelf al de afgelegde weg van de afvaltreinen naar Italië onderzocht. De route liep en loopt door het blauwtongvirusgebied. Er is een analyse nodig en de minister van Volksgezondheid weet wel wat ik daarmee bedoel.
Hier wil ik het bij laten. Ik had er wel graag een reactie op gehad. Dat mag gewoon teruggekoppeld worden aan de onderzoekers. Dan komt het vanzelf bij ons terecht. We moeten wel serieus worden genomen. Op dit moment kan er nog helemaal niets worden uitgesloten. Dat is namelijk het probleem.
De voorzitter:
Oké, hartelijk dank, meneer Graus. U was over één ding niet correct. U was niet de laatste spreker want dat ben ik namelijk.
De heer Graus (PVV):
Excuses.
De voorzitter:
U dacht al, wat komt er nu? Ik ga mijn voorzitterschap dus even overdragen aan mevrouw Bromet. Dank u wel daarvoor. Dan ga ik nu mijn eigen inbreng doen.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan mevrouw Podt van D66.
Mevrouw Podt (D66):
Dank u wel, voorzitter. We hebben het er al over gehad, maar kort voor het kerstreces heeft de Gezondheidsraad het tweede deel van zijn advies uitgebracht over de gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen en welke stappen er gezet kunnen worden om die risico's te verkleinen. Uit het eerste deel van het advies bleek al een oorzakelijk verband tussen longontstekingen en de afstand tot geitenboerderijen. Inmiddels zijn de risico's ook bekend. Binnen een straal van 1 kilometer is de kans op longontsteking 19% hoger; binnen 500 meter zelfs 73%. Dat zijn heftige cijfers. Ik kan me voorstellen dat deze uitkomsten in de eerste plaats de geitenboeren en hun gezinnen enorm doen schrikken. Zij wonen en werken tenslotte het allerdichtst bij de stallen.
Ook voor omwonenden is dit een schokkende bevinding, zeker voor kwetsbare groepen als kinderen, ouderen of mensen die al slechte longen hebben. Aan al deze mensen moet de overheid duidelijkheid bieden en ze moet voortvarende stappen zetten om ernstige longklachten te voorkomen. De Gezondheidsraad is glashelder. Om de gezondheid van omwonenden te beschermen is een afstandsnorm van minimaal 1 kilometer nodig tussen nieuwe geitenhouderijen en woningen of gevoelige locaties.
De ministers wachten met een afstandsnorm omdat ze eerst een impactanalyse willen maken. De wens voor een impactanalyse is op zich begrijpelijk, maar het RIVM-rapport en het advies van de Gezondheidsraad gaven vorig jaar al aan dat maatregelen nodig zijn op basis van het voorzorgsbeginsel. Bovendien hanteren provincies zelf al langer moratoria vanwege zorgen en onderzoeken die ruim tien jaar teruggaan. Het is simpel: door eerder door te pakken hadden we duizenden longontstekingen kunnen voorkomen. Mijn vraag aan de minister van Volksgezondheid is dan ook: is er een scenario denkbaar waarbij we de volksgezondheid niet laten voorgaan? Zo nee, waarom is het wachten dan eerst op die impactanalyse en nemen we dan een besluit? Moeten we niet om duidelijkheid te bieden nu al zeggen dat we in ieder geval het advies van de Gezondheidsraad volgen om een afstandsnorm van 1 kilometer te hanteren bij nieuwe situaties?
In hun brief beschrijven de bewindspersonen ook het dilemma tussen een afstandsnorm en de mogelijke belemmeringen die dat legt op de nieuwbouw van bijvoorbeeld woningen of zorginstellingen. Het zou zeer onwenselijk zijn als dit soort projecten vertraging oplopen. De oplossing is niet om het advies dan maar niet over te nemen. De Kamer heef in mei al een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen over een landelijk moratorium op de geitenhouderij. Deze is niet uitgevoerd, maar het lijkt me zaak dat alsnog te doen, gezien deze adviezen en de zorgen die de bewindspersonen zelf schetsen. Kan de minister van LVVN toezeggen dit landelijke moratorium alsnog in te stellen?
Voorzitter. Ik kom op de bestaande situaties. Van alle geitenhouderijen zit meer dan de helft al te dicht op kwetsbare locaties. Een van de redenen is dat de geitenhouderijen niet onder dezelfde regels vallen als bijvoorbeeld de melkveehouderij. Er is voor geiten geen melkquotum en zij vallen niet onder het fosfaatrechtenstelsel. Daarom is het aantal geiten tot 2023 gegroeid tot 600.000. Is de minister van LVVN het met mij eens dat het nuttig zou zijn om alle landbouwdieren onder eenzelfde fosfaat- en dierenrechtenstelsel in te brengen? Ik zie in de brief geen duidelijk of concreet spoor om te sturen op een kleinere geitenhouderij bij wijziging van bestaande situaties zoals de Gezondheidsraad adviseert. Kunnen de ministers toezeggen in hun verkenning expliciet te kijken welke mogelijkheden er zijn om de omvang van de geitenhouderij te verkleinen?
Voorzitter. De risico's zijn al bijna twintig jaar bekend. Het is eigenlijk raar dat in die tijd de hoeveelheid geiten juist is toegenomen. Laten we dus niet jaren gaan wachten met onderzoeken, maar voortvarend aan de slag gaan om geitenhouders en omwonenden zekerheid en veiligheid te bieden.
Tot slot, voorzitter. In de beantwoording van de vragen over dit thema aan de Eerste Kamer benadrukken beide bewindspersonen het belang van communicatie aan omwonenden. Als ik zelf ga zoeken naar antwoorden kom ik bijvoorbeeld op de site van het RIVM. Daar staat het kopje Wat betekenen de resultaten van het onderzoek voor mij? Ik kan me voorstellen dat omwonenden dat graag willen weten. Onder deze vraag legt het RIVM uit dat "omwonenden een verhoogd risico hebben, vooral als u meer kwetsbaar bent." Dat is heel eerlijk, maar het is niet heel erg behulpzaam. Wat moeten de mensen daar nu mee? Wat kunnen ze doen en waar kunnen ze terecht? Ik zei het al eerder bij debatten over het gebrek van pesticiden en bezorgde omwonenden. Je kunt mensen niet zo laten bungelen en al helemaal niet als het gaat om mensen die soms al eerder werden geraakt door Q-koorts. Dus wat gaan de ministers concreet doen om deze communicatie te verbeteren?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Ik ben nieuwsgierig of mevrouw Podt erkent dat de geitenhouderij als sector ook een heleboel goede aspecten kent, waaronder de geitenmelk die voor babyvoeding wordt gebruikt en die dus voor kinderen die allergisch zijn voor koemelk broodnodig is. Bij het verdwijnen van veel geitenbedrijven wordt daarop ook een beperking gelegd. Dat kan een probleem veroorzaken. Deelt mevrouw Podt dat met mij?
Mevrouw Podt (D66):
Ja, hoor. Dat deel ik. Ik denk ook dat je dat zorgvuldig moet afwegen. Volgens mij heb ik nergens gezegd dat er veel geitenhouderijen moeten verdwijnen. Ik denk wel dat we de afgelopen tijd een enorme toename hebben gezien die letterlijk en figuurlijk misschien niet zo gezond is.
De heer Koorevaar (CDA):
In de onderzoeken lees ik dat de geitenhouders zelf eigenlijk gezonder zijn dan de mensen in hun omgeving. Hoe kijkt mevrouw Podt daartegen aan?
Mevrouw Podt (D66):
De Gezondheidsraad heeft volgens mij vrij duidelijk opgeschreven dat het natuurlijk vrij lastig te duiden is. Men vermoedt ook dat het soms te maken heeft met bijvoorbeeld de leeftijdscategorie. De mensen die op zo'n boerderij met al die geiten wonen, zijn gemiddeld geen 80-plussers met zware longklachten. Anders doe je dat werk namelijk niet. Dus ja, ik kan me voorstellen dat zo'n bias dan daar ergens zit. Tegelijkertijd laat ik dat natuurlijk voornamelijk bij de Gezondheidsraad liggen die daarvan veel meer verstand heeft dan wie dan ook hier aan deze tafel.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik denk dat die selectiebias wellicht twee kanten op werkt. Dat zou ik wel meegenomen willen hebben in vervolgonderzoeken op de lange termijn: dus dat veehouders zich aan de ene kant niet melden en/of dat mensen in de buurt van geitenhouderijen zich juist eerder melden. Bent u dat met mij eens?
Mevrouw Podt (D66):
Weet u wat ik een beetje lastig vind... Ik zat het natuurlijk als voorzitter te doen, maar ik heb ook nog een ander petje. Ik luister er natuurlijk ook als woordvoerder naar. Ik doel nu niet specifiek op uw commentaar, maar ik zie in dit debat dat er toch veel vraagtekens worden gesteld bij zo'n advies van de Gezondheidsraad. Ik moet u eerlijk zeggen dat ik dat best ingewikkeld vind. Ik vond ook echt dat er een aantal best wel aanmatigende commentaren kwam. Ik begrijp dat gewoon niet zo goed. Wij zitten hier met z'n allen, met alle eerbiediging voor het ambt, als een lekenbestuur. We hebben gelukkig allerlei belangrijke instanties, zoals de Gezondheidsraad die hier heel erg veel van weet. De Gezondheidsraad zegt op dit moment die 1.000 meter aan te houden. Natuurlijk is het in een technische briefing misschien een uitstekende vraag om eens aan de Gezondheidsraad te vragen of daar zo’n dubbele bias in zit. Dat lijkt me een prima vraag voor een technische briefing, maar het is niet iets waarop ik antwoord moet geven.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Koorevaar (CDA):
Eigenlijk ben ik het wel met u eens dat het geen vraag is die ik aan u moet stellen, maar het is wel een vraag die bij mij opkwam toen ik de stukken las. Het is dus iets wat bij mij opkwam en u zei, ik kijk daarnaar en ik heb daar niet die vraagtekens bij. Ik ben wel benieuwd hoe u daarnaar kijkt en hoe u zoiets weegt. Dit ter afsluiting.
Mevrouw Podt (D66):
Nogmaals, ik denk dat dat een hele goede vraag is voor een technische briefing met de Gezondheidsraad.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is nog een vraag van de Partij voor de Dieren, lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Complimenten voor het betoog. Even een check: klopt het dat D66 nu qua maatregelen in ieder geval kiest voor de afstandsnorm van 1 kilometer, een moratorium dat overal geldt in Nederland en een afbouw van de geitenindustrie? Heb ik het een beetje goed samengevat?
Mevrouw Podt (D66):
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik geitenindustrie een beetje een ingewikkeld woord vind. Ik denk dat we te maken hebben met heel veel verschillende bedrijven en dat er echt bedrijven zijn in de dierensector die ik zou kwalificeren als "vrij industrieel". Ik weet niet of dat altijd aan de hand is. Daar ben ik dus een beetje voorzichtig mee. Wij hebben al eerder voor het moratorium gestemd en ik denk dat dat heel belangrijk is om te doen. De andere vraag ging over het verminderen van het aantal geitenhouderijen. Volgens mij heb ik dat in een ander interruptiedebatje ook al gezegd. Als het om de afstandsnorm gaat, is de Gezondheidsraad volgens mij glashelder. De vraag die ik bij de ministers heb neergelegd, was vooral uit een soort verbazing. Ik begrijp gewoon niet zo goed wat de gedachte daarachter is. Dat is eigenlijk mijn antwoord.
De voorzitter:
Tot slot.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Inderdaad een korte vraag nog. Omdat het kabinet schrijft nog te gaan bezien of een afstandsnorm ook gaat gelden voor uitbreiding van geitenstallen, verbaast mij dat dan weer. Het lijkt mij namelijk heel logisch dat het ook daarvoor gaat gelden. Is D66 dat met ons eens?
Mevrouw Podt (D66):
Weet u, volgens mij stond in de eerdere motie van het lid Kostić ook heel duidelijk dat het ging over uitbreiding. Dus ja, daarover ben ik niet van mening veranderd.
De voorzitter:
Er is ook een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Een oud-dierenarts, Pieter Vellinga, heeft zelf ook opgemerkt dat in het VGO-rapport wordt gesproken over opnieuw een verhoogd risico op longontsteking bij omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen. Daarmee zou een aantoonbaar verband zijn gevonden in elf opeenvolgende jaren tussen het wonen in nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op het oplopen van een longontsteking. De heer Vellinga was dierenarts en hij heeft 38 jaar gewerkt bij de Gezondheidsdienst voor Dieren. Hij geeft ook aan dat de bewering van een consistent verband niet klopt. Er wordt namelijk geen relatie gevonden in het rapport VGO-I dat in 2016 verscheen. Bij het rapport VGO-III bleek uit een heranalyse dat er geen sprake was van een significante associatie in Noord-Brabant en Noord-Limburg. Tot slot geldt hetzelfde voor het rapport VGO-III 2014-2017 voor Utrecht, Gelderland en Overijssel. De bewering dat dit effect het hele jaar door aanwezig is, wordt in andere publicaties van een van de VGO-onderzoekers ontkracht. Hoe kijkt mevrouw Podt daartegen aan?
Mevrouw Podt (D66):
Ik heb net natuurlijk al een wat langer interruptiedebatje met de heer Koorevaar gehad. Het lastige van dit soort discussies in de Tweede Kamer is dat wij natuurlijk altijd allemaal op allerlei thema's die wetenschappelijk onderzocht zijn, mensen kunnen vinden die de wetenschappelijke uitspraken en adviezen aanvechten. Op dit moment hebben wij hier natuurlijk een vrij zwaarwegend advies liggen van een zeer gezaghebbend orgaan, namelijk de Gezondheidsraad. Deze mensen zijn uitgenodigd en benoemd op basis van hun expertise en ze zijn er met verschillende wetenschappers uitgekomen om ons dit advies te geven. Ik ga dit dus niet doen. Ik ga hier niet zitten in de Tweede Kamer als niet-wetenschappers en met elkaar hierover een debatje voeren. Ik vind het prima om de Gezondheidsraad nog een keer uit te nodigen en hierover nog eens een gesprek te hebben.
Ik vond trouwens de vorige keer toen we een technische briefing hadden over het vorige rapport, de uitkomsten niet mis te verstaan. Die deden mij in ieder geval niet minder geloven in de uitkomsten van het rapport. Ik vind het prima om die mensen hier nog een keertje uit te nodigen, maar ik vind het niet kies om hier als Tweede Kamer de adviezen van de Gezondheidsraad te gaan recenseren. Dat ga ik gewoon niet doen.
De voorzitter:
Tot slot mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Maar ik heb het over de inconsistenties die zijn ontdekt in de VGO-rapporten. Ik heb het dus niet over de Gezondheidsraad, maar over VGO-I, VGO-II, VGO-III en IV. Daarin wordt een aantal dingen ontkracht wat hier eerder wel wordt gezegd. Ik wil wel dat de geitenhouderij goed wordt neergezet. Dat was mijn vraag over de VGO.
Mevrouw Podt (D66):
Volgens mij is er helemaal geen sprake van dat de geitenhouderij niet goed zou worden neergezet. Ik heb hier vandaag niemand in de zaal gehoord die geitenhouders ergens de schuld van heeft gegeven. Sterker nog, we hebben het daarnet nog gehad over hoe lovenswaardig het is dat verschillende geitenhouders nu met elkaar zijn opgetrokken om allerlei maatregelen te gaan nemen. Dat is hartstikke goed; dat is helemaal prima. Niemand zegt iets over de geitenhouders. We zeggen wat over het feit dat de Gezondheidsraad op basis van de VGO-rapporten heeft geconstateerd dat er een risico is, een groot risico dat mensen eerder ziek worden en dat ze longontsteking krijgen. Ik wil dat graag voorkomen.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Goudzwaard van JA21.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik heb een beetje moeite met het woord "aanmatigend" vanuit D66. Er zijn verschillende manieren om deze rapporten te lezen. We hebben gelezen dat mensen in de omgeving soms minder snel astma krijgen of daarvoor minder gevoelig zijn. We hebben net van het CDA gehoord dat geitenhouders en hun gezondheid er best goed uitzien. We hebben het gehad over onderzoeksbiases. Eerst was er een afstandsnorm van 2 kilometer, toen 1 kilometer en nu hebben we het over 500 meter versus behoorlijke gevolgen als het gaat over bedrijfsvoering, ruimtelijke ordening en eigendom. Het lijkt mij vrij normaal dat wij hier als commissie elkaar bevragen over hoe je dergelijke rapporten interpreteert. Graag zou ik een reflectie daarop willen hebben van mevrouw Podt. Waar gaat deze commissie dan opeens zo over de schreef?
Mevrouw Podt (D66):
Ik heb helemaal niet gezegd dat de hele commissie over de schreef gaat. Ik heb wel gezien dat er een aantal debatjes ontstond waarbij ik een zeker ongemak had. Dat lijkt mij helemaal prima. Ik heb een rapport gezien dat heel gebalanceerd is en waarbij ik mij als leek meegenomen voel in dat rapport. Daarbij zie ik dat de Gezondheidsraad heel zorgvuldig uitlegt hoe de raad deze risico's weegt, bijvoorbeeld ten opzichte van andere risico's in de milieu- en leefomgeving. Natuurlijk zou het heel prettig zijn als we naar een ding kunnen wijzen en kunnen zeggen: dát is het. Maar helaas werkt het vaak niet zo. Ik denk dat dit een heel mooi rapport is met een heel goede uitleg van waar dit zit. Dat vond ik. Ik denk niet dat het onze rol is om hier te gaan zeggen dat de Gezondheidsraad zijn werk niet goed heeft gedaan. Dat hoor ik namelijk een beetje tussen de regels door.
Misschien nog even tot slot, want het gaat een beetje over de grote gevolgen en die zie ik natuurlijk ook. Er zijn grote gevolgen voor de ondernemers en er zijn grote gevolgen voor de besluiten die we hier moeten gaan nemen, bijvoorbeeld over woningbouw. Dat zijn allemaal grote besluiten. Toen ik hier net in de Kamer begon, heb ik twee jaar lang de commissie Goed en veilig werken gedaan. Daar kwamen aan de lopende band allerlei zaken voorbij waarvan wij tegen elkaar zeiden: hadden we maar ... Of dat nu ging over chroom-6 of asbest of heel veel andere dingen die mensen in hun woon- of leefomgeving hebben en waarvan ze heel ziek worden. Achteraf zeggen we daarvan: jeetje, hadden we nu maar ... Dat is ook een van de dingen die we moeten wegen. Soms weten we nog niet 100% zeker wat de aanleiding is, maar als een Gezondheidsraad zegt dat je bijna 80% meer kans hebt om hiervan ziek te worden — dat is iets waarvoor mensen niet kunnen kiezen want dat komt door de plek waar ze wonen — dan denk ik dat we daar heel zorgvuldig mee moeten omgaan. Dat is mijn afweging.
De voorzitter:
Tot slot. We dwalen een beetje af, maar goed.
De heer Goudzwaard (JA21):
Ik dank mevrouw Podt voor haar reactie. Mij bekroop enige vorm van ongemak. Deze Kamer wordt natuurlijk aan de lopende band gevoed met rapporten door gezaghebbende organisaties. Als we straks een nieuw kabinet krijgen met D66 kan het niet zo zijn dat iedere discussie monddood moet worden gemaakt. Dat is een beetje het gevoel dat mij bekroop. Ik ben blij dat D66 klaarblijkelijk niet zo in de wedstrijd zit. Dat is heel fijn om te horen. Dus dank u.
Mevrouw Podt (D66):
Nou, kijk eens aan. Wat een fijn besluit van deze eerste termijn.
De voorzitter:
Ik geef het voorzitterschap graag weer terug aan mevrouw Podt.
De voorzitter:
Heel goed. Wij leven inmiddels bijna 15.50 uur en we gaan even schorsen. Eerder is mij het verzoek ter ore gekomen om dat 25 minuten te doen. Zouden we kunnen afspreken dat we om 16.15 uur weer doorgaan? Laten we daarnaar streven.
De voorzitter:
Dames en heren, wij gaan verder met het debat. We gaan door naar de eerste termijn van het kabinet. Ik kijk even naar de bewindspersonen in welke volgorde we dat gaan doen. Ik zie dat de minister van Volksgezondheid gaat beginnen. Het helpt mij vaak als beide bewindspersonen al wel even hun blokjes aangeven, zodat wij kunnen anticiperen op wie wat gaat beantwoorden. Misschien kunnen we daar even mee beginnen.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal eerst een algemene inleiding houden, dan iets zeggen over nieuwe vestigingen en afstandsnormen. Vervolgens iets over uitbreiding. Daarover zijn verschillende vragen geweest. Dan onderzoek, daarna het thema voorzorg, de Q-koorts en tot slot een aantal overige vragen.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Dan de minister van Landbouw.
Minister Wiersma:
Voorzitter. Ik vrees dat niet helemaal te herleiden is waar welke vraag beantwoord wordt, omdat we net een andere wijze van indelen hanteren. Ik begin uiteraard ook met een inleiding. Dan heb ik een blokje VGO en daarna de vaccinatie algemeen. Ik denk dat de vragen met name vanuit LVVN en vanuit dierenperspectief en agrarisch perspectief beantwoord worden. Daaronder vallen ook de moratoria. Van de minister van VWS is dat met name vanuit het gezondheidsperspectief. Als de vraag vanuit die lijn is gesteld, vindt de beantwoording daar plaats.
De voorzitter:
Ik kijk nog even richting de Kamerleden. Ik wilde weer inzetten op vier interrupties per persoon. De korte interrupties zijn weer gratis. Daarbij ga ik wel een klein beetje rekening houden met hoe er in de eerste termijn is geïnterrumpeerd. Een aantal mensen is daar helemaal losgegaan en een aantal mensen heeft zich meer bescheiden opgesteld. Tegen die eerste categorie ben ik misschien wat strenger. Laat ik het zo maar zeggen.
Ik ga naar de minister van Volksgezondheid.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Als minister van VWS sta ik vanzelfsprekend voor de volksgezondheid en voer ik samen met mijn collega van LVVN actief beleid om het risico en de impact van zoönose te verkleinen. Ik begin met het dossier dat nu om maatregelen vraagt, namelijk de geitenhouderijen en de gezondheid van omwonenden. Ik begin met een korte inleiding op dit onderwerp en ik heb de blokjes die ik daarna zal behandelen, al bij u aangegeven.
Voorzitter. In december, om precies te zijn op 9 december, is het tweede deel van het Gezondheidsraadadvies gepubliceerd waarin de raad duidelijk aangeeft dat mensen die in de buurt van een geitenhouderij wonen, een significant verhoogd risico op longontsteking hebben, zelfs van 73% binnen een afstand van 500 meter van een geitenhouderij. Ook geeft de raad aan wat voor maatregelen hiertegen genomen kunnen worden.
De afgelopen weken, sinds 9 december dus, ben ik hierover met mijn collega’s in beraad geweest. Dat gaat niet alleen om de minister van LVVN die hier nu aanwezig is, maar ook de minister van VRO en de staatssecretaris van IenW zijn betrokken omdat het immers ook hun terrein raakt. We hadden tussen het verschijnen van het advies en vandaag, of liever gezegd tussen het verschijnen van onze beleidsreactie en vandaag één werkweek als je het reces eraf trekt. Dat was dus vrij kort maar het is toch gelukt. Vorige week is dit besproken in de ministerraad en het is daar gesteund. Het is heel fijn dat ook uw Kamer nu snel de tijd heeft genomen om hier met ons over door te praten, want het is natuurlijk een belangrijk onderwerp dat daadkracht en snelle maatregelen vraagt.
Laat ik ten eerste vooropstellen dat het kabinet het advies van de Gezondheidsraad zeer serieus neemt. U heeft het in debatten daarover gehad. Wat mij betreft is het heel duidelijk dat er maatregelen moeten komen. Daarom heeft de Kamer zo snel een inhoudelijke reactie van ons gezamenlijk gekregen op het Gezondheidsraadadvies. Er zijn echter geen gemakkelijke oplossingen. Maatregelen hebben effect op bijvoorbeeld geitenhouders, op de bedrijven en op hun gezinnen, maar ook op de woningbouwopgave. Dat zijn geen geringe opgaves. Ik sluit op voorhand geen enkele maatregel uit, maar zorgvuldigheid en proportionaliteit zijn, zoals bij alles, van belang bij wat we hier in dit huis en wat wij als regering doen. Het zal neerkomen op maatwerk.
Ten tweede hecht ik eraan mijn uitgangspunt voor maatregelen heel helder te benoemen. Bij de bestrijding van infectieziekten heeft het altijd de voorkeur om zo gericht mogelijke maatregelen te nemen met zo min mogelijk maatschappelijke neveneffecten. Gerichte maatregelen dus. In deze situatie gaat het om technische maatregelen die de uitstoot van emissies uit de stal tegengaan. Op dit moment zijn er echter nog geen bewezen effectieve technische maatregelen in de bedrijfsvoering voorhanden. Was het maar zo, dan konden we daarmee volstaan. De sector zelf werkt er heel hard aan. Er is meer inzicht nodig in wat effectieve stalmaatregelen zijn: bronmaatregelen. Dat kost tijd. In de tussentijd is nietsdoen geen optie.
Wat gaan we doen? We gaan ten eerste voorkomen dat het risico verder toeneemt. Daarvoor gaan we een afstandsnorm verder uitwerken voor nieuwe vestiging van geitenhouderijen en nieuwbouw van woonkernen of andere gevoelige bestemmingen, zoals de Gezondheidsraad adviseert. Dat heeft impact, niet alleen voor geitenhouderijen maar ook voor woningbouw en andere functies van de leefomgeving. Daarom gaan we goed in beeld brengen wat de gevolgen zijn. Ik zal straks nader ingaan op die afstanden.
Ten tweede zetten we voor bestaande situaties waar mensen nu risico lopen, in op twee sporen. Een. We gaan de mogelijkheden voor technische of bedrijfsmatige maatregelen die de emissie vanuit de stal tegengaan, verder onderzoeken. We verwachten zeer binnenkort resultaten van onderzoek van WUR; u heeft het vanuit de Kamer al genoemd. Mijn collega-minister van LVVN kan hierover straks meer zeggen. Dat advies komt zeer spoedig. Twee. Voor prioritaire locaties waar veel woningen of andere gevoelige bestemmingen, zoals scholen en zorginstellingen, dicht bij een geitenhouderij staan, gaan we in beeld brengen welke aanpak in de lokale context mogelijk is. Daar is maatwerk en proportionaliteit nodig. Ook daarbij sluiten we op voorhand geen enkele maatregel uit.
De kern van de aanpak vergt maatwerk en proportionaliteit. Daarnaast, dat is eigenlijk onze derde lijn, blijven we de situatie monitoren. Dat is een vormend advies van de Gezondheidsraad. We willen natuurlijk blijven weten of de maatregelen leiden tot een daling van de gezondheidsrisico's. Dat gaat niet alleen om de gezondheidseffecten die we dan monitoren, maar we kunnen en gaan ook de emissies monitoren. Bij dit traject betrekken we natuurlijk de medeoverheden, de onderzoeksinstellingen en de sector.
Ik gaf al aan dat er geen makkelijke en helaas ook geen snelle oplossingen zijn. Het uitwerken van de genoemde maatregelen moet zorgvuldig gebeuren. Een maatregel moet ook direct duidelijk en permanent zijn. Dat kost tijd. Ik ben dan ook blij te zien dat de provincies in reactie op de brief van het kabinet nu al hebben aangegeven dat zij de huidige moratoria handhaven totdat we met andere maatregelen komen. Zo voorkomen we dat het probleem lopende de uitwerking verder zou kunnen toenemen.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Bromet.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik realiseer me dat dit slechts de inleiding is, maar ik hoorde de minister twee keer zeggen: "We sluiten geen enkele maatregel uit". Ik wil hier niet de onheilsprofeet zijn, maar kan dat in voorkomende situaties betekenen dat boerderijen worden gedwongen om te stoppen?
Minister Bruijn:
We sluiten geen maatregelen uit, maar we gaan er op dit moment ook niet op in. Wij zetten nu een aantal forse stappen. Die heb ik benoemd: afstandsnormen, stalmaatregelen, maatwerk. Dat gaat om prioritaire locaties, daar komen we nog op terug. Ik heb het monitoren en het moratorium handhaven benoemd. Dat zijn dus vijf maatregelen. We hebben nog een paar weken nodig, met name voor die eerste twee, om uit te zoeken hoe dat precies zit. Ik kom daar straks op terug, op die finetuning. We gaan kijken hoever we hiermee komen. Andere maatregelen sluiten we niet uit, maar die liggen op dit moment niet op tafel.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De maatregelen die de minister nu noemt, zijn geen maatregelen die de situatie gaan verbeteren. Ze voorkomen hoogstens dat de situatie verslechtert. Je kunt inderdaad afstandsnormen hanteren, maar als ze geen consequenties hebben in de realiteit, doet het niets. Een moratorium zorgt voor stilstand van de bestaande situatie. Technische maatregelen bestaan nog niet. Waar hebben we het dan dus over?
Minister Bruijn:
Het moratorium is bedoeld om de situatie niet te laten verergeren. Wat mevrouw Bromet zegt, klopt. Maar de afstandsnormen en de stalmaatregelen zijn wel degelijk bedoeld om de risico's terug te brengen en de zaak te verbeteren. Ik ben het dus niet met u eens dat dat deel van het pakket erop gericht zou zijn om de situatie te bevriezen.
De voorzitter:
U kunt door, minister.
Minister Bruijn:
Dank u wel. Dan kom ik bij de vervolgstappen. Zoals gezegd, verwachten we binnenkort het onderzoeksrapport te ontvangen van de WUR, Wageningen University & Research, over technische maatregelen in de bedrijfsvoering van geitenhouderijen. Ook hebben we binnen het VGO-onderzoek nog vervolgvragen uitgezet die belangrijk zijn voor de uitwerking van de afstandsnormen. Ik ga daar straks in detail op in. De onderzoekers hebben aangegeven de antwoorden op die vragen in de maand februari, en zo mogelijk eerder, te kunnen geven. We hebben daar haast mee. De onderzoekers zijn ook heel hard bezig. We zullen de Kamer — dat zeg ik nu al toe — in februari informeren over het WUR-onderzoek en de antwoorden die zijn gegeven in het kader van het VGO-onderzoek.
Desalniettemin zijn we blij dat we hierover met u in gesprek kunnen vandaag. Vanzelfsprekend gaan wij voortvarend aan de slag met de uitwerking van de genoemde maatregelen. We verwachten de Kamer in het eerste of tweede kwart van ... We verwachten de Kamer in ieder geval voor de zomer nader te informeren over de uitwerking, inclusief een planning voor implementatie.Over het WUR-advies en de opgevraagde data in het kader van het VGO-onderzoek kunnen we u dus al eerder, naar verwachting eind volgende maand, informeren.
Voorzitter. Dan wilde ik dieper ingaan op de afstandsnormen bij nieuwe vestiging. Ik begin met een vraag van de Partij voor de Dieren, van het lid Kostić. Die vraag is min of meer ook gesteld door GroenLinks-PvdA en de SP, door mevrouw Bromet en mevrouw Beckerman. Kan ik toezeggen dat ik op korte termijn een afstandsnorm van ten minste 1 kilometer ga instellen? Waarom kijken we naar 500 meter in plaats van 1.000 meter? Die vraag is heel begrijpelijk als je naar het rapport kijkt.
De Gezondheidsraad heeft in zijn advies dat vandaag voorligt — het gaat om deel 2 van het advies — inderdaad laten zien dat het risico op een longontsteking met 19% verhoogd is ten gevolge van wonen in de buurt van een geitenhouderij tot 1.000 meter. Dat betekent dus tussen 0 en 1.000 meter. Omwonenden tot 500 meter hebben een verhoogd risico van 73%.
We hebben dus het risico tussen 0 en 1.000 en tussen 0 en 500. Over het risico tussen 500 meter en 1.000 meter heeft de Gezondheidsraad nog niks gezegd. Daarom hebben wij voor een besluit van de invulling van de norm, of die nou 500 meter of 1.000 meter wordt, aanvullende gegevens nodig over het risico tussen de 500 meter en 1.000 meter. Die gegevens hebben we gevraagd en we hebben daar spoed achter gezet. We verwachten binnen enkele weken het antwoord. Het maakt namelijk ongelofelijk veel uit voor alle betrokkenen of je een afstandsnorm van 500 meter of 1.000 meter instelt.
Als u dieper ingaat op het rapport — dat heeft u ook gedaan — ziet u dat ze het risico tussen de 0 meter en 1.000 meter "borderline significant" noemen. Wij willen precies weten hoe het zit tussen de 500 meter en 1.000 meter en die vraag is nu uitgezet.
De voorzitter:
Ik zie heel veel handjes. Even kijken. Ik ga beginnen aan die kant. Meneer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Helder. Mag ik uit dit antwoord concluderen dat het kabinet voornemens is om ten minste een afstandsnorm van 500 meter te gaan hanteren? Is dat de conclusie? Zo helder stond dat namelijk niet in de brief. Daaruit volgt de volgende vraag. Gaat het in eerste instantie alleen om nieuwbouw of ook om bestaande geitenhouderijen? Hoe gaat het in zijn werk? Vanaf wanneer gaat het dan gelden?
Minister Bruijn:
Zoals we in de brief hebben gezegd ... Ik ben nu bij het onderwerp nieuwbouw bezig, om maar meteen bij het tweede deel van uw vraag te beginnen. Ik kom straks bij de bestaande situaties. De eerste stap die wij nu zetten, is goed kijken hoe het zit tussen de 500 meter en 1.000 meter. De besluitvorming over een afstandsnorm komt daarna. Daar ga ik dus niet op vooruitlopen. Ik ga nu dus ook niet zeggen: het zal wel in ieder geval dit of dat zijn. Dat gaan we integraal doen op dat moment.
Ik begrijp uw vraag wel. Wellicht is het ook geen hele onaannemelijk aanname. Maar om duidelijk te zijn naar alle betrokkenen, de mensen die daar wonen, die een geitenhouderij hebben en die een nieuwe woning nodig hebben, zullen wij ervoor kiezen om op één moment een hele duidelijke afstandsnorm te hanteren.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dat betekent dat het nu in ieder geval nog niet duidelijk is voor de geitenhouders. Is het niet gewoon een dispuut dat heeft plaatsgevonden tussen LVVN en Volksgezondheid, zoals we vaker zien in dit soort kwesties? Het gaat dan over het belang van de geitenhouders ten opzichte van het belang van de volksgezondheid.
Minister Bruijn:
Nee. Ik heb dat helemaal niet ervaren als botsende belangen. Het zijn complementaire belangen. Wij staan daar met elkaar en het hele kabinet in. We hebben deze discussie ook in goed overleg gevoerd met de minister van VRO en de staatssecretaris van I&W. Daar zijn verder geen woorden gevallen of zo. Dit is een zakelijke discussie. Het gaat om het belang van de mensen die in de buurt van een geitenhouderij wonen. Zo'n grote kans op een longontsteking, die ook heel slecht kan aflopen, kunnen we niet laten bestaan. Maar we moeten daarbij rekening houden met het belang van de geitenhouders zelf. Ook zitten we als kabinet natuurlijk integraal met de woningbouwopgaven. We hebben daar ook een integrale discussie over.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De minister heeft mij beloofd dat gezondheid op één staat. Als gezondheid op één staat en de minister duidelijkheid wil, hoeft hij alleen maar het duidelijke advies van de Gezondheidsraad op te volgen, namelijk een afstandsnorm van minimaal 1 kilometer. Ik begrijp dus nog steeds niet waarom de minister daar niet voor kiest. Waarom dat uitstelgedrag?
Minister Bruijn:
Dat is juist omdat de gezondheid op één staat. We willen dus precies weten hoe het zit met de gezondheid tussen 500 meter en 1.000 meter, omdat de gezondheid op één staat. Als u het rapport van de Gezondheidsraad goed leest ... U heeft helemaal gelijk dat de Gezondheidsraad 1.000 meter noemt. Verderop, met name in tabel 1 op pagina 17, ziet u dat uitgesplitst. Dan ziet u dat het risico tussen 0 meter en 500 meter met 75% verhoogd is. Tussen 0 en 1.000 is dat met 19% verhoogd. Maar de Gezondheidsraad zegt niet hoe het zit tussen de 500 en 1.000 met de gezondheid, die voorop staat. De minister van LVVN en ik willen dat weten voordat wij vergaande maatregelen treffen. Dat willen wij ook omdat die maatregelen meteen duidelijk moeten zijn.
We gaan nu dus geen halfzachte maatregelen nemen. De snelheid zit er wel in. We hebben er één werkweek over gedaan om u een beleidsreactie te doen toekomen. Dat is een record, denk ik. We hebben er dankzij u gelukkig ook kort over gedaan om hier dit debat te kunnen voeren.
De voorzitter:
Heel goed. De laatste keer.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het is nog steeds niet duidelijk waarom de minister niet gewoon kiest voor het duidelijke advies van de 1 kilometer van de Gezondheidsraad. Waarom moet hij dan opeens kijken naar die 500 meter tot 1.000 meter? Dat heeft echt geen enkele relevantie met gezondheid op dit moment. De Gezondheidsraad is duidelijk.
Minister Bruijn:
Het antwoord is omdat ik ook heb doorgelezen na pagina 1 van het advies van de Gezondheidsraad. Daar staat de gezondheid voorop, daarom heet het ook de Gezondheidsraad. Het advies is opgesplitst in de afstand tussen 0 tot 500 en die tussen 0 tot 1.000. Wij willen weten hoe het zit met de gezondheid tussen 500 meter en 1.000 meter, voordat wij een besluit nemen. Dat is het antwoord.
In de allerlaatste paragraaf van het rapport zegt de Gezondheidsraad ook zelf dat het een afweging is, dat het om proportionaliteit gaat en dat het uiteindelijk een politiek besluit is dat we met z'n allen nemen. Wat wij besluiten, zal ook uw steun vergen, om te zorgen dat de risico's voor de mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen zodanig omlaaggaan dat ze dalen tot de risico's die we uiteindelijk allemaal lopen. Een risicoloze samenleving bestaat namelijk niet. U en ik hebben ook een kans van 2% op een longontsteking. Lager dan dat zullen we dus niet komen. Dan loop ik meteen al even vooruit op de risicoloze samenleving. Daar is terecht ook een aantal vragen over gesteld.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet, voor u ook de laatste vraag op dit punt.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik ben het er niet mee eens, maar ik begrijp het verhaal over de afstand tussen 500 meter en 1.000 meter. Ik begrijp echter niet waarom het kabinet dan nu niet wil antwoorden op de vraag van de heer Grinwis. Die vraag is waarom er op die eerste 500 meter, waar dus 73% verhoogde kans is, niet wordt ingegrepen. Waarom moeten we nou wachten op het onderzoek naar de andere 500 meter?
Minister Bruijn:
Als wij nu zouden besluiten tot een afstandsnorm van 500 meter en over twee of drie weken tot een afstandsnorm van 1.000 meter, dan zijn we weer bezig met zwalkbeleid. Daarvoor zijn de belangen veel te groot. Het gaat om de belangen van de mensen die daar wonen en wier gezondheid op het spel staat, en die van de mensen die zelf een geitenhouderij hebben en daar met hun gezin van leven. Dat zijn grote belangen. Ze zitten hier ook. Ook de woningbouwopgave is heel belangrijk. Dit vergt dus zorgvuldige stappen van onze kant. Dat doen we snel; dat kun je denk ik niet ontkennen. We zijn hier heel snel mee bezig, maar we gaan het niet overhaast doen. We doen eerst stap 1, dan stap 2.
De voorzitter:
Mevrouw Bromet, u had al twee vragen in dit blokje gesteld. Ik wil dus eigenlijk ...
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Dit is mijn onderwerp. Ik heb nog één vraag: klopt het dat wij over 3 weken horen of de afstand 0 meter, 500 meter of 1.000 meter wordt?
Minister Bruijn:
Binnen enkele weken verwachten wij het advies naar aanleiding van het VGO-onderzoek over de risico's tussen 500 meter en 1.000 meter. Dat gaan we dan bestuderen. Daar gaan we de Kamer natuurlijk zo snel mogelijk bij betrekken. Vervolgens gaan we daar een besluit in nemen.
De voorzitter:
Dank u wel. U kunt door.
Minister Bruijn:
Voorzitter, dan ga ik naar de vraag van het lid Kostić. Kan de minister van VWS een oproep doen aan gemeenten die nog geen moratorium hebben om dat wel te doen? Ja, dat hebben we inmiddels gedaan. Dat is een terechte vraag. Ik kan hem beantwoorden met "ja".
In de brief naar de Kamer van afgelopen vrijdag hebben we opnieuw een beroep gedaan op provincies en gemeenten om de komende tijd nog vast te houden aan bestaande tijdelijke beperkingen op de groei van de geitensector, tot het moment dat wij met definitieve en duidelijke maatregelen komen. Het gaat vooral om de gemeenten en provincies die nog geen moratorium hebben. Daar gaat uw vraag natuurlijk ook over.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Oké. Ik heb een verduidelijkende vraag. In de brief stond niet dat ook de provincies die nog geen moratorium hebben, zouden worden opgeroepen om dat in te stellen. De minister zegt dat dat wel gaat gebeuren. Klopt dat?
Minister Bruijn:
Voor de verdere details over het moratorium verwijs ik graag naar de minister van LVVN. Dat is haar terrein. Maar we hebben die oproep dus gedaan. Het uiteindelijke moratorium wordt als aan de oproepen wordt voldaan, en daar lijkt het op, in ieder geval gehandhaafd tot het moment dat we definitieve maatregelen nemen.
De voorzitter:
Ja, laatste keer, mevrouw Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Het moet wel gewoon duidelijk zijn. Geldt de oproep ook voor provincies en gemeenten die nog geen moratorium hebben? Daar wil ik duidelijkheid over.
Minister Bruijn:
Ja. We hebben in de brief aan de Kamer van afgelopen vrijdag een beroep gedaan op provincies en gemeenten die geen moratorium hebben om de komende tijd vast te houden aan de bestaande tijdelijke beperking van de groei van de geitensector.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. U kunt weer verder.
Minister Bruijn:
Voorzitter. Dan ga ik naar een vraag van de heer Koorevaar van het CDA. Hij vraagt of er ook rekening wordt gehouden met de meest voorkomende windrichting bij het bepalen van het afstandscriterium. Dat is natuurlijk een hele interessante vraag. Het antwoord is nee. Uit eerdere VGO-onderzoeken is gebleken dat het risico niet aan maand, seizoen of windrichting gebonden is. Laten we meteen de maanden er ook maar bij meenemen. Het is het hele jaar door aanwezig.
Dat staat nog los van de vraag of je afstandsnormen of stalmaatregelen zou kunnen nemen die seizoens- of windrichting gebonden zijn. Dat lijkt mij lastig, maar daar zouden we nog over kunnen praten. Maar het antwoord is dus nee. De Gezondheidsraad adviseert een afstandsnorm van maximaal 1 kilometer. Hij maakt daarbij ook geen onderscheid tussen factoren zoals windrichting.
De heer Koorevaar (CDA):
Dat is toch best wel bijzonder. Het blijkt ook dat de lucht de meest waarschijnlijke route is waarin de veroorzaker wordt getransporteerd. De lucht verplaatst zich met de wind. Dan zou het toch wel heel bijzonder zijn om de windrichting niet mee te nemen. Als 80% uit zuidwestelijke richting komt, lijkt mij dat echt een factor die meegenomen zou moeten worden. Zou u kunnen toezeggen dat u daar toch nog eens naar gaat kijken?
Minister Bruijn:
Ik kan het wel meenemen bij de uitwerking van de technische maatregelen. Dat zeg ik toe. Ik verwacht er, eerlijk gezegd, niet veel van, want de wind waait nooit altijd uit dezelfde hoek. Dat weet u vanuit de politiek ook heel goed. Ik denk dus dat dat toch niks gaat opleveren, maar ik ben zeer bereid om ernaar te kijken. Dat zeg ik toe.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Koorevaar.
De heer Koorevaar (CDA):
Ik heb een korte vervolgvraag. Als het onderzoek van de WUR verschijnt en het blijkt lucht te zijn, zou je dan bijvoorbeeld nog wat kunnen doen met uitmesten bij een bepaalde windrichting?
Minister Bruijn:
Dan heeft u het over stalmaatregelen. Daar weet ik nog minder van dan de dingen waar ik het tot nu toe over gehad heb. Dat laat ik dus graag over aan de minister van LVVN, die daar expert in is.
Voorzitter. Dan een vraag van de heer Koorevaar van het CDA. Als de oorzaak wordt gevonden, kan dan het afstandscriterium vervallen? Dat is een scherpe vraag. Een afstandsnorm is voor nu de meest gerichte maatregel om te voorkomen dat gezondheidsrisico's door geitenhouderijen toenemen. Dat is inderdaad een tijdelijke maatregel, totdat er een andere specifieke maatregel gevonden is, welke dan ook. Dat kan bijvoorbeeld gaan om stalmaatregelen die de schadelijke uitstoot uit de geitenstallen zodanig kunnen verminderen dat wij het met z’n allen, inclusief de samenleving, acceptabel vinden.
Een brongerichte aanpak blijft uiteraard de voorkeur hebben, omdat dat de meest gerichte aanpak is met de minste bijwerkingen. De sector zelf staat aan onze kant en is daar druk mee bezig. De WUR kijkt er nu ook naar. Om het effect van emissiegerichte maatregelen vast te stellen, moeten we de gezondheidseffecten en emissies blijven monitoren en evalueren. Het korte antwoord is eigenlijk "ja".
Dan een vraag van mevrouw Beckerman van de SP. Wanneer komt het kabinet met een afstandsnorm? Wat is de planning? Een afstandsnorm is een complexe maatregel met veel betrokkenen, waaronder provincies en gemeenten. Daarvoor is eerst een brede impactanalyse en zorgvuldige weging nodig.
Nadat je voor een afstandsnorm hebt besloten — ik hoop dat we dat snel kunnen doen — komt natuurlijk de invoeringsfase. Dat is een wetgevingswijziging die naar verwachting minimaal anderhalf jaar doorlooptijd heeft, vanwege de inhoudelijke uitwerking en verplichte stappen in consultatie en toetsing. Zowel de regering als ongetwijfeld ook de Kamer zullen hier uiteraard spoed van maken. Maar die invoeringsfase zal toch echt wel een tijd duren. Er zou wellicht een voorbereidingsbesluit aan vooraf kunnen gaan. Daardoor zou het sneller kunnen gaan. Dat kunnen we dus gezamenlijk overwegen.
Ik zal u naar aanleiding van de vraag in het uitgewerkte voorstel nader informeren over het tijdpad. Dat komt voor de zomer. De provincies hebben aangegeven dat ze in de tussentijd het bestaande moratorium in stand houden; we hadden het er al over. Dat is natuurlijk wel belangrijk.
Voorzitter, dan ga ik naar het volgende blokje. Dat is het blokje uitbreiding. De heer Den Hollander ... Ik bedoel mevrouw Den Hollander van de VVD, excuus, heeft daar een vraag over gesteld.
De voorzitter:
Excuus, minister. U krijgt nog een interruptie van mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Heel even precies. De minister zegt dat we dat advies over de 500 tot 1.000 meter over enkele weken hebben en dat we dan een besluit kunnen nemen over wat we zouden willen. Ik hoop dat ik dit goed zeg. Hij heeft het ook over de impactanalyse en de voorbereidingsfase. Hij gaf aan dat als we een voorbereidingsbesluit nemen, het allemaal sneller kan. Aan hoeveel sneller moeten we dan denken?
Minister Bruijn:
Het wordt dan wetstechnisch heel complex. Dat hangt natuurlijk van heel veel dingen af. Het hangt bijvoorbeeld af van de agenda van de Tweede Kamer en de inzetbaarheid binnen de ministeries. Nou ligt het daar bijna nooit aan, want daar is men dag en nacht inzetbaar, maar uw agenda is ook druk. Het wordt een wetstraject, dus we weten allemaal dat het dan ook nog door de Eerste Kamer moet. Ik durf daar dus niets over te zeggen, behalve dat we daar natuurlijk wel met z'n allen spoed achter kunnen zetten.
De voorzitter:
De laatste keer.
Mevrouw Beckerman (SP):
Kan de minister ons daar ook schriftelijk over informeren, zodat de Kamer daar op tijd rekening mee kan houden? De minister zegt namelijk nu dat we zo’n tijdpad voor de zomer krijgen. Dat kan natuurlijk al sneller, zodat de Kamer rekening kan houden met de agenda. Dat is ook vrij gebruikelijk met planningsbrieven, die krijgen we soms voor een jaar vooruit.
Minister Bruijn:
Ik bedoel met "voor de zomer" niet kort voor de zomer. Ik bedoel ergens in het traject tussen vandaag en de zomer.
Dan een vraag van mevrouw Den Hollander van de VVD. Wordt er gewerkt aan een verbod op uitbreiding, nieuwbouw of allebei? Op dit moment is het kabinet een afstandsnorm voor nieuwvestiging aan het uitwerken. Dat hebben we besproken. Bij de uitwerking van die afstandsnorm gaan we tevens bezien of die moet gelden voor uitbreidingslocaties. Daar hebben we de onderzoekers naar gevraagd, want daar was nog niet voldoende helderheid over. Dat heeft zijn redenen. We hebben gevraagd of zij de relatie tussen de omvang van de geitenhouderijen, dus het aantal geiten, en het risico op longontstekingen toch beter in beeld kunnen brengen, in relatie tot emissiereducerende maatregelen in de bedrijfsvoering.
De vraag wordt dus nog onderzocht binnen het VGO-onderzoek. We verwachten dat deze, samen met de andere vraag over de 500 tot 1.000 meter, binnen enkele weken beantwoord wordt. In de tussentijd geldt natuurlijk het moratorium, dus is uitbreiding van nieuwbouw en verplaatsing niet aan de orde.
Dan een vraag van mevrouw Koorevaar van het CDA. Wat wil de minister concreet doen bij ...
De voorzitter:
Het gaat om meneer Koorevaar.
Minister Bruijn:
O, ja. Ik ben nieuw hier.
De heer Koorevaar (CDA):
De dingen veranderen snel, maar dat is toch echt niet aan de orde.
Minister Bruijn:
Nee. Het spijt me. Mijn excuses nogmaals, zowel aan mevrouw Den Hollander als aan meneer Koorevaar. Ik zal proberen mijn leven te beteren.
Wat wil de minister concreet doen bij bestaande situaties? In bestaande situaties gaan we het risico voor omwonenden verminderen. Dat is de hoofdlijn. Daar staat het gezondheidsrisico voorop, maar we houden wel rekening met andere belangen. Dan doen we ten eerste door het effect van emissiereductie door technische maatregelen op bedrijfsniveau zo snel mogelijk beter in beeld te brengen, voordat we deze kunnen uitrollen. Dat doen we voor zover de sector er niet al heel ... Ik zou bijna zeggen "enthousiast", maar dat doet te weinig eer aan de ernst van de situatie. De sector zelf is er volop mee bezig.
Om te beginnen krijgen we deze maand nog het rapport van de WUR. Daar worden mogelijk al no-regretmaatregelen — ik neem die term maar even over — benoemd die niet ingrijpend of kostbaar zijn en die snel kunnen worden toegepast. Andere maatregelen kunnen mogelijk in pilots worden uitgezet, waarbij de effectiviteit kan worden gemeten. De minister van LVVN kan meer zeggen over de stalmaatregelen. Weer andere maatregelen vragen nog om nader onderzoek.
Bij wijziging van de bestaande situaties kan, conform het advies van de Gezondheidsraad, een beperking van de omvang van geitenhouderijen het gezondheidsrisico verkleinen. Dat hebben we net ook besproken.
Daarnaast willen we kijken naar een maatwerkaanpak voor situaties waar het risico het hoogst is en waar relatief veel gevoelige bestemmingen zijn. Dat worden door de Gezondheidsraad "prioritaire situaties" genoemd. Je kunt dan denken aan woningen, maar ook aan instellingen waar kwetsbare groepen verblijven, zoals ouderenhuisvesting, zorginstellingen en andere plekken. Mevrouw Van der Plas is daar ook al op ingegaan. Ze heeft heel terecht de vraag aan de orde gesteld: wat doe je als die plekken dicht bij een geitenhouderij zijn?
We sluiten hierbij op voorhand ook weer geen maatregelen uit, maar we zijn proportioneel aan de slag. Dus, ook naar aanleiding van de eerdere vraag van mevrouw Bromet, zeg ik: dit is wat we nu doen. We nemen stap 1 en downstream kijken we verder.
Dan ga ik naar het onderzoek, voorzitter.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar heb ik vragen over gesteld. Wat betekent die laatste zin van de minister precies? Hij heeft het over downstream et cetera. Wordt er dan bijvoorbeeld bij een woonzorgcentrum dat binnen die afstand van 500 meter ligt onderzoek gedaan waarbij wordt gezegd: we weten hier iets van het risico, maar dat is een schatting op basis van een model? Gaan we dan kijken naar de feitelijke situatie, dus of daar ook meer longontstekingen zijn? En als dat niet het geval is, mag de geitenhouderij dan blijven zitten? Ik probeer meer duidelijkheid te krijgen over wat dat nou precies betekent. Die duidelijkheid hebben we namelijk niet. Of moeten we drie weken geduld hebben? Is die duidelijkheid er dan wel?
Minister Bruijn:
We hebben dat benoemd in de brief op pagina 4. Op de prioritaire locaties, waar het risico verhoogd is, gaan we kijken naar maatwerk. Zoals de heer Grinwis namelijk al aangeeft in zijn vraag, praat je dan over hele verschillende soorten situaties. Vergelijk bijvoorbeeld de situatie waarin er heel veel woningen zijn met een hele kleine geitenhouderij die misschien toch al van plan was om te stoppen, met een situatie waarin er een enorme geitenhouderij staat met een enorm belang en waar een paar huizen staan, of een school die misschien al van plan was om te verhuizen. Ik noem twee extreme situaties. Daar zit natuurlijk een heel spectrum tussen. Dat vraagt dus om maatwerk. Maatwerk en proportionaliteit, zeker in relatie tot de prioritaire locaties, hebben we letterlijk in de brief genoemd. Om daar dus nu algemene uitspraken over te doen, zou geen recht doen aan de complementaire belangen die er allemaal spelen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb eigenlijk het volgende aan de minister gevraagd. Er zitten scholen, woningen, bedrijven en zorginstellingen om geitenhouderijen heen. In welke mate is onderzocht, wordt onderzocht, of gaat nog onderzocht worden in hoeverre de bezoekers van geitenbedrijven een longontsteking oplopen? Er komen namelijk jaarlijks honderden mensen naar geitenbedrijven toe. Zij zitten daar ook omheen. Daar heb ik ook graag een antwoord op.
Minister Bruijn:
Dat is ook de reden dat we het monitoren als een van de belangrijke vijf stappen die we in ons pakket hebben opgenomen. We gaan dat dus monitoren, onder andere.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Hierop aanhakend het volgende. In de volksgezondheid wordt vaak gewerkt met DALY's. Dat zijn verloren jaren in goede gezondheid, waarbij zowel vroegtijdige sterfte als jaren met ziekte worden meegeteld. DALY's maken het mogelijk om gezondheidsrisico's met elkaar te vergelijken en om te beoordelen hoe groot een effect in de praktijk echt is. Juist bij het wonen in de buurt van een geitenhouderij is zo'n vergelijking essentieel om te kunnen beoordelen of de risico's daadwerkelijk zwaar genoeg zijn om ingrijpend beleid te rechtvaardigen. Kan de minister uitleggen waarom in deze onderzoeken geen DALY's zijn bepaald, terwijl er wel vergaande conclusies en maatregelen aan worden verbonden?
Minister Bruijn:
Jazeker. Het antwoord is dat in dit onderzoek van de Gezondheidsraad is gewerkt met oddsratio's, 95%-betrouwbaarheidsintervallen, prevalentie-evaluaties, populatie-attributieve fracties, logistische regressiemethodes en Cornell-analyses. Daar heb je de DALY's en de QALY’s dus evenmin bij nodig.
De voorzitter:
Ik hoop dat de mensen thuis dit nog kunnen volgen. Ik ga naar de heer Koorevaar.
De heer Koorevaar (CDA):
Dat klinkt bijna als een technisch iets, maar verblijfstijd vind ik eigenlijk ook wel een hele belangrijke. We hebben het over de vraag of je in de omgeving van een geitenhouderij woont. Maar kunt u de angst wegnemen bij mensen die een geitenhouderij bezoeken en zeggen dat je dan niet een heel groot risico loopt?
Minister Bruijn:
Nee, want die differentiatie is niet gemaakt. Dat is eigenlijk ook onmogelijk. Natuurlijk ligt het in de rede om te denken dat de kans op een infectie een vermenigvuldigingsfactor van de verblijfstijd en bijvoorbeeld je eigen gevoeligheid is. Jonge mensen of kwetsbare ouderen zijn namelijk ook verhoogd gevoelig. Er zijn allerlei factoren die daarop van invloed zijn. Dat kunnen we in de uitwerking, bij het monitoren in het maatwerk, zeker ook meenemen. Tot nu toe is daar in het onderzoek nog geen rekening mee gehouden, omdat de populatie groot genoeg moest zijn om deze statistische power, die we tabel 1 op pagina 17 zien, te bereiken.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste keer.
De heer Koorevaar (CDA):
Mag ik dat zien als een toezegging?
Minister Bruijn:
Dat kunt u zo zien.
De heer Koorevaar (CDA):
Dus het antwoord is "ja"?
Minister Bruijn:
Ja. We zullen dat zeker meenemen.
Dan een vraag van de heer Koorevaar van het CDA. Wat wil de minister doen bij bestaande situaties? Ik was daar eigenlijk al een beetje mee bezig. We wachten dus eerst op dat rapport van de WUR, dat deze maand nog komt. Dan kijken we naar andere maatregelen die in pilots worden uitgezet waarbij de activiteit kan worden gemeten. Enfin, we zijn er in de brief veel dieper op ingegaan. Bij wijziging van bestaande situaties kan de omvang van geitenhouderijen het gezondheidsrisico verkleinen. Daarnaast willen we kijken naar een maatwerkaanpak voor de prioritaire situaties die ik noemde. Daar ging ook de laatste aanvullende vraag over van uw kant.
Dan een vraag van de heer Flach van de SGP. Is het mogelijk dat er een ongedachte combinatie van factoren in het onderzoek tot deze uitkomst leidt? Bij elk onderzoek is er kans op toevalsbevindingen. Daarom doe je ook statistiek. Als die kans er niet was, hoefde je geen statistiek te doen, in ieder geval niet een bepaalde vorm van statistiek. Maar om de betrouwbaarheid van de resultaten te toetsen, hebben we dus de statistiek. Zo is dat in VGO-III ook uitgebreid gebeurd.
Het VGO-onderzoek is uitgevoerd door gerenommeerde onderzoeksinstituten. U heeft er zelf ook al het een en ander over gezegd. Er is ook over gepubliceerd in vaktijdschriften, waarbij de kwaliteit door andere wetenschappers is beoordeeld. De Gezondheidsraad heeft voor het eerste deel van het advies beschikbare wetenschappelijke publicaties, waaronder VGO-III, beoordeeld op hoe sterk de bewijskracht is. Dat is namelijk de hamvraag. Je wil alleen maatregelen nemen als het nodig is, want maatregelen hebben altijd hun prijs.
Zij komen tot de conclusie dat op basis van wetenschappelijk onderzoek het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen waarschijnlijk oorzakelijk is. Dat is de op-een-na-hoogste categorie van causaliteit die je kunt bereiken. De Gezondheidsraad, de commissie van relevante multidisciplinaire experts, concludeert op basis daarvan dat er voldoende bewijs is voor een verhoogd risico op longontstekingen onder direct omwonenden van geitenhouderijen. Dat is ook de basis voor, ik zou bijna zeggen, dit debat. Het is in ieder geval de basis voor onze beleidsreactie.
Dan is er een vraag van de heer Flach van de SGP of er verder wordt gekeken naar de bewustzijnsbias. Daar kijken we natuurlijk altijd naar. De resultaten van de VGO-onderzoeken zijn robuust en consistent over de jaren heen. Een bias doordat mensen in de omgeving een negatief beeld zouden hebben van de veehouderijen — dat is natuurlijk een vraag — kan hier naar mijn mening wetenschappelijk gezien geen verandering in brengen. Dat zal namelijk hun kans op een longontsteking niet vergroten of verkleinen.
Dat is tenzij je nog een geitenpaadje vindt — ik kijk even naar mevrouw Den Hollander — via het immuunsysteem. Echter is dat geitenpaadje, denk ik, te klein om statistieke power mee te bereiken. Maar er zijn mensen die dat zeggen. Het gaat hier dus gewoon om harde diagnoses van longontstekingen. Dat gaat om mensen met abcessen in de longen, die door de huisarts zijn vastgesteld. Die kun je niet diagnosticeren als ze er niet zijn.
Voorzitter. Dan is er een vraag van de SGP. Is er bekeken of de emissie van ziektekiemen op geitenbedrijven het hele jaar door op hetzelfde niveau zit?
De voorzitter:
Minister, mag ik u heel even onderbreken? Ik ga heel even het voorzitterschap overdragen aan lid Kostić, want ik krijg een dringend telefoontje.
Minister Bruijn:
Voorzitter, dat respecteer ik.
Voorzitter: Kostić
De voorzitter:
Dank. De minister heeft weer het woord.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Zit de emissie het gehele jaar door op hetzelfde niveau? Zo niet, wordt dit dan in een vervolgstap meegenomen? Is het anders met winters dan in de zomer? We hebben de vraag al een beetje besproken toen we het over windrichtingen en seizoenen hadden, denk ik. Daar zit dit natuurlijk wel in. In de VGO-studies is het verband tussen het risico op longontsteking en het wonen in de buurt van geitenbedrijven over het hele jaar onderzocht. Daar was dus geen seizoensinvloed te zien. Die is ook niet gevonden. Er is niet heel gericht onderzoek gedaan naar eventuele verschillen in emissies over het jaar heen.
De onderzoekers hebben op 19 maart 2025 een briefing gegeven in de Tweede Kamer, waarin de bevindingen van VGO-III heel duidelijk werden uitgelegd. De heer Flach zat toen nog niet in deze commissie. Ik zat overigens zelf ook nog niet in het kabinet, dus het is voor ons allebei nieuw. We kunnen de briefing samen gaan terugkijken op www.tweedekamer.nl. Als dat vervolgvragen oproept, kunt u natuurlijk altijd nog om een nieuwe briefing vragen bij de Gezondheidsraad.
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
De heer Flach zat wel al in deze commissie, denk ik.
Minister Bruijn:
O, de heer Koorevaar zat er niet in. Dan heb ik me alweer vergist. Dan staan we 3-0, voorzitter. Ik blijf mijn best doen.
Ik ga naar een vraag van mevrouw Van der Plas van de BBB. Die gaat erover dat het effect eerst 2 kilometer leek te zijn en nu 500 meter is. Eerst ging het over duizenden longontstekingen, nu zijn het er 841. Ook de aantallen van de ziekenhuisopnames zijn fors naar beneden bijgesteld met precies dezelfde uitgangswaarden. Kan de minister inzicht geven in hoe de Gezondheidsraad tot deze bijstelling is gekomen? Graag een feitenrelaas.
Dat geef ik graag. De resultaten van het VGO-onderzoek zijn betrouwbaar. Het is uitgevoerd door gerenommeerde onderzoeksinstituten. Het is gepubliceerd in vaktijdschriften waarbij de kwaliteit door andere wetenschappers nog eens opnieuw is beoordeeld via peerreview. We kennen dat systeem allemaal.
De Gezondheidsraad heeft vervolgens zorgvuldig gekeken naar alle beschikbare wetenschappelijke literatuur, waaronder de VGO-onderzoeken, over gezondheidsrisico's rondom geitenhouderijen; een soort meta-analyse. Die informatie is door een commissie van experts van diverse disciplines goed bestudeerd en gewogen, want het is natuurlijk ontzettend belangrijk dat het allemaal klopt.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Van der Plas over de afstand. De VGO-onderzoeken hebben laten zien dat het gezondheidsrisico voor omwonenden van geitenhouderijen, in de opeenvolgende studies in vijf provincies over de jaren heen en op basis van diverse analyses, tot een afstand van 2 kilometer aantoonbaar was. Het was aantoonbaar. Even los van hoe groot het risico is: het was er.
De Gezondheidsraad heeft die meta-analyse van de meest recente onderzoeken in de vijf regio's gezamenlijk beschouwd, en concludeert dat tot een woonafstand van 1.000 meter het risico met 19% verhoogd is. Dat is dus nieuwe informatie door meer nauwkeurig onderzoek te doen. En bij 500 meter is het risico zelfs met 73% verhoogd. Boven de 1.000 meter was het effect, hoewel het er was, niet significant. Dat is het antwoord. Het vervolgonderzoek was een nadere specificatie van het oorspronkelijke onderzoek. Dat kan dus inderdaad nieuwe getallen opleveren, anders hoef je het ook niet te doen. En zo werkt wetenschappelijk onderzoek.
Dat geldt eigenlijk ook voor de aantallen. Binnen het VGO-onderzoek is gekeken naar de risico's in vijf provincies waar in verhouding relatief veel mensen dicht bij een geitenhouderij wonen. Dat is dus niet maatgevend voor het hele land.
Het eerste onderzoek is een risicogericht onderzoek geweest. Die cijfers zijn toen geëxtrapoleerd naar heel Nederland. Dat kan je natuurlijk in het begin wel doen, maar daar kan je niet op blijven varen, omdat je weet dat de woondichtheid niet hetzelfde is voor alle provincies. Het was een soort worstcase-extrapolatie. En dan klopt het dat de Gezondheidsraad op lagere schattingen van het aantal extra longontstekingen, ziekenhuisopnames en sterfgevallen komt dan eerder gecommuniceerd. Ik zou bijna zeggen: gelukkig maar. Dat komt omdat de Gezondheidsraad de omvang van de groep omwonenden van geitenhouderijen op landelijke cijfers heeft gebaseerd. Daar komt bij dat eerder gecommuniceerde aantallen ziekenhuisopnames en sterfgevallen werden geschat op basis van cijfers van het CBS, het Centraal Bureau voor de Statistiek. Die zijn hoger dan de aantallen ziekenhuisopnames en overlijdens gerelateerd aan longontstekingen die door de huisarts worden vastgesteld. De Gezondheidsraad gebruikt dan de cijfers uit het VGO-onderzoek die door de huisarts vastgesteld zijn, en daaruit kan je verklaren dat er een verschil tussen die twee populaties lijkt. Maar dat ligt dus aan de manier van meten.
De Gezondheidsraad heeft in een meta-analyse alle getallen meegenomen en dat leidt gelukkig tot lagere uitkomsten, maar nog wel tot verhoogde risico's binnen de straal die we besproken hebben. Die vinden we dus onacceptabel, om te beginnen die 0-500 meter. Ik heb er alle vertrouwen in dat deze onderzoekers die, dat durf ik als wetenschapper wel te zeggen, tot de besten ter wereld behoren, dat met de grootst mogelijke zorgvuldigheid hebben gedaan. Mocht u daar toch nog wetenschappelijk-inhoudelijke vragen over hebben, dan is een technische briefing natuurlijk de aangewezen weg, zoals u zelf als Kamer al heeft gesuggereerd.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga me nu even baseren op wat een expert mij vertelt. Een cirkel met een straal van 1.000 meter heeft een vier keer groter oppervlak dan een cirkel met een straal van 500 meter. Dus 73% extra gevallen binnen 500 meter betekent 18% extra gevallen binnen een straal van 1.000 meter. De door de Gezondheidsraad genoemde 19% tot 1.000 meter zou dus moeten betekenen dat er nagenoeg geen extra gevallen zijn binnen de 500-1.000 meter. Kan de minister daar antwoord op geven? Er wordt gezegd: dat moeten we nog bekijken. Maar dit lijkt mij een vrij simpele rekensom waarop het antwoord eigenlijk al gegeven is. Tussen die 500 meter en die 1.000 meter zijn er geen extra gevallen. Kan de minister daar iets over zeggen?
Minister Bruijn:
Nou, voorzitter … Excuus, voorzitter.
De voorzitter:
Ik ben een nieuwe voorzitter, maar ik probeer te leren. Ik wilde richting mevrouw Van der Plas zeggen dat zij door haar interrupties heen is, want deze telde dubbel. Dan geef ik het woord aan de minister en misschien ook alvast het woord terug aan de enige echte voorzitter, mevrouw Podt.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Het ambt van voorzitter wordt door mij zeer gerespecteerd.
Ik moet dan toch even de diepte in, want daar vraagt mevrouw Van der Plas om. Als wij kijken naar tabel 1 op pagina 17, dan zien we dat er 628 extra longontstekingen zijn bij aanwezigheid van een geitenhouderij tussen 0 en 500 meter. Het zijn er 841 tussen 0 en 1.000 meter. Het verschil is 213 en dat zit dus tussen die 500 en die 1.000 meter. Maar laat ik er meteen bij zeggen: mevrouw Van der Plas heeft een andere berekening en die respecteer ik. Wij hebben precies deze vraag neergelegd bij de VGO-onderzoekers. Ik stel voor dat wij het antwoord van de VGO-onderzoekers afwachten. Dan gaan we zien wie er gelijk heeft.
De voorzitter:
Kijk eens aan.
Minister Bruijn:
Dan vraagt mevrouw Van der Plas hoeveel geitenhouderijen te maken hebben met longontstekingen en hoeveel van hun medewerkers en bezoekers? Waarom is er niet gericht onderzocht als al deze informatie ontbreekt? Als geitenhouders longontstekingen krijgen, dan zijn ze opgenomen in de patiëntengroep. Dus een geitenhouder is in dit onderzoek een bewoner van die 0-500 meter. Je begint bij 0, dus die geitenhouderij wordt meegeteld. In het onderzoek is niet naar het beroep gevraagd. Er zijn natuurlijk allerlei mensen die daar verhoogde of verlaagde risico's hebben. Dat kun je gaan specificeren, maar ik heb eerder al gezegd dat als je dat zou doen, je die power nooit met voldoende aantallen krijgt. Dat is daar dus niet mogelijk geweest.
Uit het onderzoek kwam overigens niet naar voren dat geitenhouders en medewerkers een significant verhoogd risico hebben op een longontsteking. Er moet wel rekening gehouden worden met het feit dat geitenhouders vaak relatief gezond en jong zijn. Ze werken ook heel hard. Dus ze zijn gezond, en daarnaast zijn er te weinig geitenhouders om goed een uitgebreid onderzoek te doen naar het voorkomen van longontstekingen bij deze relatief kleine populatie.
In het VGO-onderzoek is wel specifiek gekeken naar welke bacteriën voorkomen, maar er is niet gekeken naar alleen de geitenhouders. En dit is eigenlijk ook niet goed mogelijk. Ja, mevrouw Van der Plas mag niet meer reageren. Dat is wel jammer.
Voorzitter. Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Van der Plas. Kan de minister laten onderzoeken of het in de VGO-studies gevonden statistische verband ook geldt voor andere vormen van verblijf, zoals werken, onderwijs en zorg, of dat deze verbanden daar ontbreken omdat die situaties niet zijn onderzocht? VGO-studies hebben alleen gekeken naar het gezondheidseffect van omwonenden. Dat klopt, daar heeft mevrouw Van der Plas een punt. We hebben het eigenlijk ook al even aangestipt. Die andere situaties zijn niet onderzocht. We weten dus niet of daar ook een verband bestaat, en we weten ook niet hoe groot dat is. Het ligt wel voor de hand dat dit geldt in alle situaties waarin mensen langdurig verblijven in de buurt van een geitenhouderij. Of je nou langdurig verblijft in een woning of in een ruimte die dienstdoet als school of als ouderenverblijf, dat kan eigenlijk het effect op je risico niet veranderen, zou ik denken.
De Gezondheidsraad vraagt daarom aandacht voor situaties waarbij meerdere geitenhouderijen aanwezig zijn bij gevoelige functies — dat zijn die prioritaire locaties waar we het over hadden — en voor situaties waar relatief veel gevoelige bestemmingen dicht bij een geitenhouderij staan of gepland zijn. Dan komen we dus bij die woningen, scholen, kinderdagverblijven, ouderenhuisvesting en zorginstellingen waar mevrouw Van der Plas aan refereert. Op pagina 4 van onze brief hebben we daar een uitgebreide alinea aan gewijd. Meer onderzoek is niet aangewezen, want bij die prioritaire locaties is sowieso maatwerk nodig. Dat hebben we ook besproken, denk ik. We zullen echt moeten kijken wat daar proportioneel is. Om hoeveel scholen gaat het daar? Hoe groot is die geitenhouderij? Wat zijn de plannen? Dat verdient natuurlijk specifieke aandacht in de uitwerking. Daarom benoemt de Gezondheidsraad dat ook en hebben we dat ook in onze reactie overgenomen: bij prioritaire locaties maatwerk en proportionaliteit binnen de lokale context, rekening houdend met alle belangen.
De voorzitter:
Minister, ik ga u even vragen of u een inschatting kunt maken hoeveel tijd u nog nodig heeft. Ik zit naar de klok te kijken en zie de tweede termijn eigenlijk al een klein beetje in het water vallen, als ik zo kijk.
Minister Bruijn:
We krijgen alsnog een tweeminutendebat, voorzitter. Dat schat ik zo in.
De voorzitter:
Dat zou vast kunnen. Ik zit heel even te kijken naar hoeveel u nog moet.
Minister Bruijn:
Ik heb hier nog drie blokjes, maar laat ik u in ieder geval beloven dat ik gas geef.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Heel goed.
Minister Bruijn:
Ik zal niet de vragen herhalen. Mevrouw Van der Plas vraagt of ik bereid ben te laten onderzoeken of het beperken van de omvang überhaupt effect heeft op het verband. Dat gaat dus over de omvang, het aantal geiten versus het risico. De Gezondheidsraad geeft aan dat uit hun onderzoek geen conclusies te trekken zijn in hoeverre uitbreiding van een stal of inkrimping een effect heeft op het gezondheidsrisico. Dat komt omdat in de geitenhouderijen die we in Nederland hebben het verschil, de variatie in het aantal geiten, te gering is om zo'n onderzoek te kunnen doen. Je hebt dus geen uitleesparameter. De Gezondheidsraad verwacht natuurlijk dat het aantal geitenhouderijen binnen een bepaalde woonafstand van invloed kan zijn op het risico op longontsteking en ook dat het aantal geiten van invloed is op de emissie. Maar we kunnen dat niet aantonen. Dan zou je bijna prospectief geanonimiseerd onderzoek moeten doen met een controlegroep. Er is natuurlijk geen geitenhouder die dat ziet zitten. Dus die vraag kunnen we eenvoudigweg niet beantwoorden, hoe graag we dat ook zouden willen.
De onzekerheid kan veroorzaakt worden doordat er weinig variatie is in de omvang van die geitenhouderijen. Bij de uitwerking gaan we kijken of die ook moet gelden voor uitbreidingslocaties; dat doen we wel. Hiervoor vragen we de onderzoekers of ze de relatie tussen omvang en risico nader in beeld kunnen brengen. Die vraag is dus wel gesteld.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Grinwis, ChristenUnie. Hoeveel meer kennis hebben we nog nodig om tot plannen te komen? Ik heb hier een uitgebreid antwoord liggen, maar ik zou kortweg willen verwijzen naar het eerder besprokene, namelijk de kennis waarnaar we gevraagd hebben bij de VGO-onderzoekers en de WUR.
Voorzitter. Dan vraagt de heer Grinwis om een reactie op de specifieke situatie in Mèkkerstee: 500 meter naar een woonzorgcentrum, geen indicatie voor longaandoeningen. Hoe kan dat? Kan dat komen door de overheersende windrichting de polder in? Hoe kan het dat er geen longaandoeningen zijn?
Ik ben niet bekend met de specifieke situatie in Mèkkerstee. We hebben wel al uitgebreid besproken dat lokaal de situatie erg kan verschillen tussen locaties. Het is een landelijk onderzoek. Daarom zullen we in de uitwerking en implementatie ook kijken naar dat lokale maatwerk en de proportionaliteit tussen de verschillende belangen van de mensen die er wonen, de woningbouwopgave, de bedrijven en natuurlijk de volksgezondheid. Het laatste staat altijd voorop, zoals u weet. Als dat voor nu voldoende antwoord is voor de heer Grinwis, dan kan ik door naar de volgende vraag. Ik zie de heer Grinwis knikken.
Dan ga ik naar het blokje voorzorg. Mevrouw Bromet en mevrouw Beckerman vragen of ik kan reflecteren op het voorzorgsbeginsel. Is het uitvoeren van nieuw onderzoek wanneer herhaaldelijke adviezen onwelgevallig zijn, de manier om invulling te geven aan dat beginsel?
Laat ik vooropstellen dat het kabinet het advies van de Gezondheidsraad zeer serieus neemt, zoals u dat zelf ook deed, voorzitter. Het is duidelijk dat er maatregelen moeten komen, want we moeten de gezondheid van mensen die bij een geitenhouderij wonen, beschermen. Maar er zijn geen eenvoudige oplossingen. Een afstandsnorm is een maatregel met veel impact, niet alleen op de sector, maar ook op de planning van nieuw te bouwen woonkernen en andere functies in de fysieke leefomgeving. Conform de Omgevingswet moet daarom gezocht worden naar een balans tussen het beschermen, en dan kom je bij dat voorzorgsbeginsel, dus de veiligheid, de gezondheid en het milieu, en het benutten van de fysieke leefomgeving als het gaat om wonen, werken en recreatie. En dat is altijd een evenwicht, altijd een keuze en uiteindelijk ook een politieke afweging. Juist daarom behoeft de uitwerking van die maatregel gedegen onderbouwing — het gaat dus om die 500 meter en die 1.000 meter — en daarna ook afstemming en implementatie. Dat kost helaas tijd, maar ook degelijkheid en zorgvuldigheid zijn van belang in dit hele spel.
Het voorzorgsbeginsel wordt nu al toegepast, onder andere door de provinciale moratoria. Dat is een uitwerking van het voorzorgsbeginsel en we hebben opnieuw gevraagd om die ook aan te houden. Uiteindelijk zou ik willen echoën wat een aantal van u ook gezegd hebben: een risicoloze samenleving bestaat niet. We hebben allemaal een kans op een longontsteking. Die ligt gemiddeld ongeveer op 2%, zeker niet op 19% of 75%. Het zal dus nooit het doel zijn om daaronder te komen, want dan houdt het leven op.
Dan vraagt de heer Goudzwaard van JA21 hoe we voorkomen dat de bestuurlijke standaard ontstaat dat waarschijnlijk oorzakelijke verbanden grond bieden voor zware maatregelen. Alle maatregelen, ook vanuit voorzorg ingezet, worden altijd zorgvuldig getoetst op proportionaliteit en uitgewerkt in nauwe afstemming met de betrokken stakeholders in de samenleving. Dat is ons werk. In dit traject betrekken wij dus ook de geitensector en kijken we naar de impact van de woningbouw. Het precedent waar de heer Goudzwaard naar verwijst, zie ik eigenlijk niet, tenzij hij bedoelt dat dit een goede manier van werken is. Want dan is het natuurlijk een wenselijk precedent.
Dan kom ik op de vraag van de heer Goudzwaard over de wetenschappelijke drempel en de juridische drempel. Het voorzorgsbeginsel — daar gaan we dan nog wat dieper op in — betekent dat het ontbreken van sluitend wetenschappelijk bewijs niet een reden mag zijn voor de overheid om niets te doen. Dat is natuurlijk de andere kant. Soms neem je ook maatregelen als er geen bewijs is. Bovendien heb je een 100%-bewijs bijna nooit. Dan moet je aan de kostenpost later gaan voldoen in de geneeskunde en dat is bijna onmogelijk, zeker in deze context.
Dus zonder sluitend bewijs mag de overheid ook maatregelen treffen. Ook dat is proportionaliteit en dat is ook het voorzorgsbeginsel, en dat is ook juridisch houdbaar. De bewijslast voor het gezondheidsrisico rondom geitenhouderijen is door de Gezondheidsraad beoordeeld. Geconcludeerd is dat het verband waarschijnlijk oorzakelijk is, namelijk heel sterk, niveau 4 van 5. Wat voor maatregelen uitgewerkt worden, is een beleidsvraag. Dat vereist inzicht in risico's, mogelijke maatregelen en de gevolgen van die maatregelen. Dan komt die proportionaliteit. Welke prijs betaal je? Zo wegen we dus alles af, gecontroleerd door de Kamer. Wat is nodig, wat is proportioneel, wat is geschikt en wat is een zorgvuldige onderbouwing? Bij maatregelen uit voorzorg moet de overheid steeds een vinger aan de pols houden via monitoring en evaluatie. Wat juridisch houdbaar is, is uiteindelijk natuurlijk aan de rechter, maar daar denken we met z'n allen wel over na voordat we een maatregel nemen.
Dan vraagt mevrouw Bromet of wij vooral voor de economische belangen of voor de volksgezondheid staan. Als kabinet staan wij voor alle uitdagingen die ons worden toegeworpen. Wij besturen met z'n allen het land, gecontroleerd door de Kamer. Als het specifiek gaat om zoönose, dan hebben we een zoönosestructuur. In die zoönosestructuur werken we als kabinetsleden goed samen. In die zoönosestructuur staat ook uitgeschreven, en dat is dus ook afgesproken en vastgelegd, dat uiteindelijk het humane gezondheidsrisico of -belang altijd voorop staat. Dat wordt door alle leden van het kabinet natuurlijk onderschreven ingevolge artikel 45 van de Grondwet, zoals mevrouw Bromet weet.
Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Van der Plas. Kan de minister duidelijk maken hoe groot het risico voor wonen is in de buurt van een geitenhouderij in vergelijking met wonen in de buurt van een drukke weg? Ja, dat kan ik, want de Gezondheidsraad heeft er ook iets over laten zien. Het risico op een longontsteking tot 1.000 meter van een geitenhouderij is 19% verhoogd en tot 500 meter 73%. Bij de wegen, de snelwegen, de provinciale wegen en de kleinere wegen wordt ook gewerkt met een afstandsnorm en ook met bronmaatregelen, dat zijn snelheidsbeperkende maatregelen. Dat is analoog aan wat we hier doen. Bij wegen is het risico ongeveer 10% hoger op het ontstaan van astma door langdurige blootstelling aan stikstofdioxide afkomstig van verkeer. Dat staat om precies te zijn in paragraaf 3.4 van het Gezondheidsraadadvies. Dat is het antwoord op deze vraag van mevrouw Van der Plas.
Voorzitter. Dan ga ik naar de Q-koorts. Daar was een vraag over van de Kamerleden Den Hollander, Beckerman en Grinwis. Op welke wijze hebben wij aandacht en erkenning voor de Q-koortspatiënten? Ik vind dat alle PAIS-patiënten, de post-acute infectieuze syndromen, dus mensen met Lyme, met Q-koorts, met covid en met long covid, onze aandacht verdienen. Zij moeten kunnen rekenen op de reguliere structuren van zorg en welzijn en daar ook worden erkend en herkend. Omdat ik het ook belangrijk vind dat onder andere Q-koortspatiënten zich door mij, als minister van Volksgezondheid, gezien en gehoord voelen, heb ik zoals mevrouw Beckerman heeft aangegeven … Iemand heeft mij weleens verteld dat ik wel moet uitkijken tegen de tijd dat ik complimenten krijg van andere partijen. Maar ik heb dat zeer gewaardeerd van mevrouw Beckerman en ik heb inderdaad een bezoek gebracht aan patiënten in Brabant, want ik vind dat wij ook moeten luisteren naar de Q-koortspatiënten. Het zijn mensen die zeer veel verdriet hebben, die een vaak zeer moeilijk leven hebben en voor wie wij natuurlijk moeten doen wat we kunnen doen. Het is soms heel moeilijk om de mensen te helpen, maar aandacht en luisteren en ernaartoe gaan, is het eerste. Ik ben daarom ook een aantal weken geleden met de heer Bushoff van GroenLinks-Partij van de Arbeid naar het Malieveld gegaan om daar te spreken met PAIS-patiënten. Dat zijn zeer verdrietige verhalen, die er soms zelfs toe leiden dat mensen het leven niet langer aankunnen.
Ik heb de Kamer eind november een PAIS-brede brief gestuurd waarin ik toelicht waar we vanuit VWS allemaal op inzetten: de Q-koortsambassadeur, terugkomend op Q-koorts, de stichting Q-support en de stichting C-support, kennis over postcovid en andere PAIS bij eerstelijnszorgverleners, gemeenten en verzekeringsartsen. Denk ook even aan de postcovidpoli's, waar de heer Bushoff zich ook heel hard voor maakt, de postcovidexpertisecentra en het ZonMw-onderzoeksprogramma naar postcovid. Dit is het begin van een antwoord op deze belangrijke vraag over Q-koortspatiënten. We kunnen ze niet voldoende aandacht geven, dus laten we dat allemaal ook blijven doen.
Mevrouw Beckerman vraagt of er excuses voor de Q-koortspatiënten komen. Ik heb begrip voor de oproep van de Nationale ombudsman en waardering voor hoe de Ombudsman opkomt voor deze groep mensen, en überhaupt natuurlijk voor het belangrijke werk van de Ombudsman. Ook vind ik het zeer vervelend dat mensen na zo veel jaren nog steeds kampen met de gevolgen van hun ziekte. Ik blijf, net als mijn voorgangers, toegewijd aan het verbeteren van de levenskwaliteit van alle betrokkenen en de erkenning en herkenning van de situatie. De overheid heeft ten tijde van de uitbraak gehandeld op basis van de toen beschikbare kennis en adviezen van experts. Daar kunnen we nu niets meer aan veranderen.
Dan vraagt mevrouw Beckerman hoe het kabinet de structurele financiering van het behandelcentrum in Noord-Brabant ziet. Ik heb er kennis van genomen dat er een initiatief vanuit de provincie is om een behandelcentrum voor Q-koorts en postcovid te openen. Ik heb daarover contacten met de commissaris van de Koning in Brabant, mevrouw Adema, die zich hier ook zeer hard voor maakt. Het initiatief is begrijpelijk omdat er in Brabant veel mensen met langdurige klachten zijn. Ik zal het initiatief zeker met belangstelling volgen. Ik ben er dus ook al geweest, zoals ik u zei. Het is begrijpelijk dat hiervoor naar VWS wordt gekeken, maar het organiseren van zorg voor PAIS-patiënten is, net als bij andere aandoeningen, aan het zorgveld zelf. Wij leveren geen zorg. Wij kunnen natuurlijk wel de omstandigheden beïnvloeden om te zorgen dat het zo goed mogelijk gaat. Wij kunnen bijdragen aan onderzoek en dat doen we ook via die lopende onderzoeksprogramma's van ZonMw. We proberen patiënten op alle manieren te ondersteunen. Zo heb ik recent ook een Q-koortsambassadeur …
Voorzitter. Ik zie uw hand alsmaar op dat knopje.
De voorzitter:
Ik zag in ieder geval mevrouw Beckerman met een interruptie.
Minister Bruijn:
Ik ben wel bij mijn laatste blokje.
De voorzitter:
Kijk eens aan, heel mooi. Maar ik ga eerst naar mevrouw Beckerman.
Mevrouw Beckerman (SP):
Ja, en dan toch nog. Ik heb de minister complimenten gegeven, omdat ik ook zag dat het die mensen die al langdurig Q-koorts hebben gewoon goed doet dat dit als eerste stap wordt gezet. Toch vind ik het te makkelijk dat de minister zegt: de overheid heeft toen gehandeld op basis van toen bekende adviezen, en excuses zijn daarom niet nodig. Daar zijn natuurlijk ook onderzoeken naar gedaan die hele andere conclusies hebben getrokken. Mijn vraag gaat nu toch over die structurele financiering van het behandelcentrum. Ziet de overheid daar, gelet op haar eigen rol in die uitbraak, niet toch ook een rol? Als de minister het antwoord nu niet direct kan geven, dan zouden we het in ieder geval schriftelijk willen krijgen voor een eventueel tweeminutendebat.
Minister Bruijn:
Ik begrijp de vraag. We doen dus ook veel voor deze patiënten, maar het financieren van zorg is geen taak van het ministerie van VWS. Dat zou zelfs onrechtmatig zijn. Dan krijgen we straks op de Verantwoordingsdag een probleem met de president van de Algemene Rekenkamer. Dus dat gaan we niet doen.
De voorzitter:
Laatste keer.
Mevrouw Beckerman (SP):
Maar dat is ook niet per definitie de oplossing. Een van de belangrijke functies die dat centrum kan hebben, naast het leveren van zorg, is zorgen voor heel veel kennis en expertise die weer ingezet kan worden voor anderen, denk ik. Maar ook het voorkomen van nieuwe problemen, zoals de minister zelf natuurlijk ook benoemde: hoeveel zoönotische ziektes er zijn en hoeveel verschillen daarvan ook weer zorgen voor PAIS-achtige gevolgen.
De voorzitter:
U bent ook door uw interrupties heen, mevrouw Beckerman.
Minister Bruijn:
We doen dus heel veel voor de Q-koortspatiënten, ook in financiële zin. Ten aanzien van zorgverlening zou ik bijna willen zeggen: ik kan wel aan uw kant komen staan, maar dan hebben we allebei ongelijk. Wij financieren geen zorg, ook niet zorg rondom de patiënt. Dat doen we niet, dat zou onrechtmatig zijn. Dan krijg ik met mijn goede vriend, Pieter Duisenberg, een probleem en dat is het laatste wat ik wil.
De voorzitter:
U kunt door.
Minister Bruijn:
Dank u wel, voorzitter. Dan ga ik naar het laatste blokje en dat heet heel toepasselijk "overig", maar ik zou het liever "andere belangrijke onderwerpen" willen noemen.
Het lid Kostić vraagt of ik snel met een uitbroedverbod voor eenden kan komen. Dat kan ik als minister van Volksgezondheid niet. Ik ga namelijk niet over veterinaire maatregelen. Ik kan het hooguit in mijn eigen tuin proberen na te streven, maar dan houdt het echt op. Dus ik laat het antwoord op die vraag graag over aan mijn collega van LVVN, die hier veel meer vanaf weet dan ik en die bovendien ook doorzettingsmacht heeft op dit punt, tenminste dat denk ik.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Even een technische vraag. Ons is verteld dat doorzettingsmacht helemaal niet kan, het is ongrondwettelijk. Hoe zit het dan?
Minister Bruijn:
Daar wil ik best op ingaan, maar dat hebben we gedaan op pagina 2 van de brief die we u gestuurd hebben op 13 januari 2026. Doorzettingsmacht van de ene minister over de andere is niet aan de orde. Dat geldt dus ook voor het uitbroedverbod van eenden. Maar ik had het nu niet over de doorzettingsmacht van mij op de minister van LVVN, maar de doorzettingsmacht van de minister van LVVN op de eenden.
De voorzitter:
Kijk eens aan.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Daar zullen de eenden heel blij mee zijn. Maar ik had zelf de vraag gesteld aan de minister van VWS, juist omdat het hier knelt. Het is heel belangrijk dat we hier maatregelen op treffen, juist vanuit volksgezondheid. En de minister schuift het naar de minister van LVVN, die heel andere belangen heeft. Hoe rijmt de minister dat met volksgezondheid?
De voorzitter:
De minister gaat wel over zijn eigen beantwoording.
Minister Bruijn:
De minister van LVVN heeft geen andere belangen dan die ik heb. Wij staan allemaal voor de belangen van de inwoners van Nederland en ook voor de dieren in Nederland. Wij hebben natuurlijk wel andere beleidsterreinen en we zijn ook allemaal uiteindelijk zodanig gepositioneerd dat we de menselijke gezondheid bovenaan zetten. We hebben dus andere verantwoordelijkheden en samen vormen die een geheel. Dat is complementair en niet botsend. Ik vind het eigenlijk erg mooi wat ik zeg.
De voorzitter:
We kunnen dit gaan doen, maar ik ga nu echt een beetje strenger zijn. Ja, 18.00 uur, maar we hebben hierna nóg een minister die antwoord gaat geven. Ik ga nu de minister even vragen om door te gaan. Als er verder nog vragen zijn, dan kan dat heel even op het eind.
Ik wil heel even aan de mensen op links vragen om … want het wordt een beetje storend.
Minister Bruijn:
Ik kom eigenlijk vanzelf bij de heer Grinwis, die ook nog vroeg hoe de ministeries zich tot elkaar verhouden in de keuze rondom VGO. We werken daar samen, dat is onze verhouding. Dat doen we in goede harmonie. En we besluiten in goed onderling overleg over eventuele acties en behouden daarbij onze eigen beleidsverantwoordelijkheid, waarbij voor ons allebei in alle gevallen de volksgezondheid vooropstaat.
Dan vraagt de heer Grinwis of wij beiden zien dat een integrale aanpak nodig is, waarbij volksgezondheid een integraal onderdeel is. Dat zien we en daarom doen we dat ook. In verschillende beleidstrajecten en gremia wordt het volksgezondheidsbelang meegenomen, daarom bijvoorbeeld ook Health in All Policies en de nationale adaptatiestrategie klimaatverandering. Hierbij vraag ik aandacht voor de volksgezondheidsaspecten van klimaatverandering en klimaatadaptatiemaatregelen. Op het gevaar af dat ik nu in strijd ben met artikel 8 van het Reglement van Orde, voorzitter. Maar dat even terzijde.
Dan vraagt de heer Grinwis van de ChristenUnie om een reactie op uitbreiding van dierziektenmonitoring naar de humane gezondheidszorg. Helaas is de vraag van de heer Grinwis mij niet helemaal duidelijk. We hebben juist naar aanleiding van de pandemie de humane surveillance als het gaat om zoönoses versterkt. Dat komt tegemoet aan wat de heer Grinwis beoogt, denk ik. Bijvoorbeeld een uitbreiding van de Nivel Peilstations, maar ook versterking van de respiratoire infecties en de monitoring daarvan. Dus ook infecties van zoönotische oorsprong worden daarin meegenomen.
Dan vraagt de heer Graus welke adviezen en bevindingen wij beiden gaan overnemen van de GGD, de Gezondheidsraad en het Longfonds. Ik ken de brief niet, maar we gaan die bestuderen en we zullen er schriftelijk op reageren.
Dan de vraag van de heer Grinwis over eerst de kippen en nu de geiten. Waar is de fundamentele standpuntbepaling? Mag ik volstaan met verwijzing naar het voorgaande? Dank u wel.
Voorzitter. Dan doe ik dat, denk ik, ook bij de vraag van de voorzitter over het laten bungelen van mensen. Mag ik daar ook verwijzen naar het voorgaande?
De voorzitter:
Sorry, maar die begrijp ik heel even niet. Mijn vraag ging over communicatie naar …
Minister Bruijn:
Ja, klopt, maar uit het voorgaande mag wel blijken dat de communicatie natuurlijk onze aandacht heeft en dat we die waar nodig ook zullen verbeteren. Ik zal zeker nog eens kijken naar de website waaraan u refereert en of dat wel voldoende is of dat er meer kan.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Heel mooi, dank u wel.
Minister Bruijn:
Dan ten slotte de vraag van de heer Graus. Hij vraagt of ik weet wat fylografisch onderzoek is. Dat weet ik niet en ik heb het ook niet kunnen vinden. Ik vermoed dat hij doelt op fylogenetisch onderzoek. Daarmee wordt bedoeld dat aan de hand van vergelijking van genetische eigenschappen van een ziekteverwekker gezocht kan worden naar de bron van een infectie. Het antwoord op de vraag van de heer Graus is dus "nee", maar als hij fylogenetisch onderzoek bedoelt, dan is het antwoord "ja".
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, minister. Dan kunnen wij door met de minister van LVVN. Ik heb inmiddels, via de zeer ouderwetse manier van een brief, van de commissie begrepen dat er niet per se wordt gehecht aan een tweede termijn. Dat betekent dat we … Jammer ja, maar goed, we gaan dan vast nog een tweeminutendebat krijgen. Ik zie lid Kostić knikken. Dus dan kunt u gewoon nog met ons verder, minister.
Ik ga naar de andere minister. Ga uw gang.
Minister Wiersma:
Ja, dank voorzitter. Gelukkig sta ik bekend om mijn korte en bondige antwoorden, dus we zijn hier vast zo doorheen. Ik heb wel een hele stapel, moet ik zeggen. Na de zorgvuldige beantwoording van mijn collega van VWS kunnen we er ongetwijfeld wat sneller doorheen.
Vooropgesteld, het is goed dat we hierover spreken. We hebben natuurlijk voor het reces nog een plenair debat gehad over vogelgriep. Dat is ook direct even … nou niet een excuus voor de verlate brief. Hoewel dit debat bijna doet voorkomen dat het alleen over VGO en de geitenhouderij gaat, is het natuurlijk een breder debat. Ik zal straks ook nog op een aantal andere zaken ingaan. Maar juist voor het reces hebben we ook een uitgebreid debat gehad. De brief van gisteravond is bedoeld om toch na het reces nog de laatste stand van zaken mee te geven aan de Kamer. Natuurlijk hebben we aandacht voor het ongemak daaromtrent en begrijpen we dat.
De voorzitter:
Minister mag ik u vragen om, waar dat mogelijk is in ieder geval, de inleiding te schrappen of zeer te verkorten? Dat zou ons allemaal helpen, denk ik.
Minister Wiersma:
Ik ga mijn best doen.
Ik denk dat de minister van VWS al uitgebreid is ingegaan op onze kabinetsreactie ten aanzien van het Gezondheidsraadadvies. Het behoeft geen verdere uitleg dat we dat zeer serieus nemen, ook in het licht van de opmerking van de heer Grinwis. Volksgezondheid is zeker integraal onderdeel van beleid.
Ik zal even kijken waar ik kan verkorten. Dat zal straks ook denk ik in de beantwoording … Er zijn een aantal vragen over gesteld. In de brede zin hebben zoönose en dierziekten natuurlijk ook mijn expliciete aandacht. Er is een aantal malen iets gezegd over vaccinatie, maar ook over de internationale belemmeringen daaromtrent. Volgens mij heb ik in het plenaire debat voor het reces aangegeven dat wij deze maand nog een fysieke bijeenkomst hebben. Die vindt plaats in Nederland, waar de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, de Europese Commissie en de Wereldorganisatie voor diergezondheid ook aanwezig zullen zijn, juist als het gaat over het vaccineren tegen een hele hoop dierziektes. Dus het heeft onze hoogste prioriteit om tot brede acceptatie daarvan te komen.
Ik ga dit ook overslaan, zodat we in het kader van de tijd … Nee, ik ga door naar het eerste blokje, waarin ik ook zal ingaan op het VGO, wat al uitvoerig besproken is. In grote lijnen is de lijn die we als kabinet hebben ingezet inmiddels uitvoerig besproken hier in de Kamer, denk ik. De minister van VWS heeft die helder uiteengezet. Ik denk dat het echt belangrijk is dat we de gezondheidseffecten serieus nemen. Dat doen we ook. Dat is ook de reden dat we nu maatregelen uitwerken en dat binnen een tijdbestek dat zeer kort te noemen is.
Er is heel veel gevraagd over welke maatregelen het dan gaat en hoe snel dat kan. Dat snap ik. De minister van VWS heeft ook aangegeven dat de WUR deze maand het rapport zal opleveren dat we hebben gevraagd over de potentiële maatregel die genomen kan worden. Ik weet informeel dat daar een heel breed palet aan maatregelen in komt. Ik heb het nog niet gezien, dus ik kan daar inhoudelijk nog niet … We zitten hier in een commissie die er wel enig gevoel bij kan hebben aan wat voor maatregelen op het gebied van strooisel, het beperken van emissies je dan kunt denken. We verwachten dat rapport op korte termijn.
Ik verwacht dat het rapport voldoende aanknopingspunten geeft. We gaan daarna ook direct een vervolgonderzoek uitzetten om te bekijken wat de effectiviteit daarvan kan zijn. De minister van VWS zegt heel terecht dat er nog echt wel een aantal onduidelijkheden zijn en die moeten we wel scherp hebben. Alle urgentie zit erop om dat in beeld te brengen.
Over de WUR heb ik al iets gezegd, en over de sector. Dit laat ik dan nu even. O ja, dit heb ik ook al gezegd.
Medeoverheden zijn natuurlijk nauw betrokken bij de uitwerking hiervan. Omdat er nog meer tijd nodig is om die maatregelen daar uit te werken, hebben we de oproep aan de provincies gedaan om het moratorium in stand te houden. Er werd ook iets gezegd over de provincies waar geen moratorium geldt; het gaat dan om Groningen, Friesland en Zeeland. Het beeld op dit moment is niet dat dit daar een punt van zorg is. Tegelijkertijd zien we dat vanwege andere redenen, het stikstofbeleid bijvoorbeeld, op dit moment de vergunningverlening ook daar nagenoeg stilligt. De verwachting is dus niet dat het nu nodig is om daar een moratorium in te zetten voordat wij komen met de concretisering van wat we zojuist besproken hebben. De ontwikkelmogelijkheden zijn gewoon zeer beperkt.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Heeft het kabinet een oproep gedaan aan provincies en gemeenten die nog geen moratorium hebben om dat alsnog in te stellen?
Minister Wiersma:
Wij hebben wel de oproep gedaan om niet te ontwikkelen, maar op dit moment geldt daar geen moratorium. We zien dat er op de ontwikkelruimte daar op dit moment vanwege een ander beleidsdossier eigenlijk meerdere sloten zitten. Dat hebben we hier eerder ook uitvoerig besproken.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Ik wil gewoon een heel duidelijk antwoord. Ik hoorde minister Bruijn letterlijk zeggen: wij hebben afgelopen vrijdag een beroep gedaan op provincies en gemeenten die nog geen moratorium hebben om dat alsnog de komende tijd in te stellen. Klopt dat met wat de minister van LVVN zegt?
Minister Wiersma:
Dat hebben wij in het verleden gedaan. Ja, dat hebben we eerder in dit proces al gedaan.
De voorzitter:
Ik ga nu naar de heer Grinwis. ... Ja, maar er zijn heel veel dingen heel fundamenteel. Nee, we gaan nu echt door.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Op het gevaar af dat het een kip-ei-kwestie wordt en dat de kool en de geit worden gespaard toch even een heldere vraag over dat moratorium. Ik krijg uit de Staten een beetje het beeld dat daar een motie op is ingediend, bijvoorbeeld in Friesland. Die is verworpen. Er wordt gezegd: we wachten de nadere analyses van het kabinet af. En hier zegt de minister: ja, het is allemaal niet zo nodig en zo zinvol, want vanuit stikstof kan er toch al niks. Kan de minister niet klip-en-klaar hier herhalen dat het verstandig is dat de drie resterende provincies die geen moratorium hebben ook een moratorium toepassen hangende de besluitvorming van het kabinet?
Minister Wiersma:
Ja, ik wil dat wel herhalen. We hebben daar eerder ook toe opgeroepen. Tegelijkertijd heb ik toen gezegd, ook in het plenaire debat met de Kamer, dat er op dit moment nagenoeg geen vergunningen verleend worden en er in die zin ook een slot op de deur zit, omdat bedrijfsontwikkeling überhaupt op dit moment zeer problematisch is. Maar goed, we hebben in andere debatten natuurlijk ook uitvoerige discussies gehad over hoe we dat kunnen oplossen. Als wij kijken naar de snelheid waarmee dit dossier wordt opgepakt, dan hebben we dat eerder concreet dan dat we dat andere vergunningverleningsspoor in zijn volledigheid hebben opgelost. Maar we hebben die oproep eerder gedaan en bij dezen herhaal ik hem en staat dat.
De voorzitter:
Er komen er nog meer, minister. Mevrouw Bromet, o pardon, eerst de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort afrondend. Dus de minister zegt eigenlijk met zoveel woorden dat er de facto een moratorium is, ook in provincies waar formeel geen moratorium is. Maar vanuit het perspectief van volksgezondheid en het advies van de Gezondheidsraad is het toch wel wat duidelijker als we gewoon zeggen dat in het hele land en in elke provincie een moratorium geldt? Maar oké, dat heeft de minister eigenlijk met zoveel woorden wel gezegd. Daar ben ik blij mee, maar het blijft voor ons als Kamerleden vanuit dit perspectief van de Gezondheidsraad toch wat diffuus. Dat moet me van het hart.
Minister Wiersma:
Wat natuurlijk meespeelt, is dat in deze provincies de geitenhouderijsector niet een hele relevante sector is. Dat is een van de achterliggende redenen waarom deze provincies er tot nu toe geen noodzaak toe gezien hebben.
De voorzitter:
Sorry, minister. We hadden mevrouw Bromet en daarna mevrouw Den Hollander
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Even over hoe dat dan zit met dat stikstofslot in die provincies. Als je nou een boerderij hebt en je doet je koeien weg, mag je er dan zonder vergunning geiten in zetten?
Minister Wiersma:
In principe zou dat waarschijnlijk gelden. Je kunt over het algemeen geiten niet houden in een koeienhuisvestingssysteem. Dus dan moet je aan bedrijfsontwikkeling doen en dat zou dan waarschijnlijk vallen over intern salderen. Dus het lijkt mij ingewikkeld om dat te doen.
De voorzitter:
Goed. Mevrouw Den Hollander.
Minister Wiersma:
En intern salderen is natuurlijk niet toegestaan.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Bromet. Jongens, het wordt erg rommelig als het zo gaat. Probeer het even iets …
Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):
Ik heb het niet over intern salderen. Ik kan me voorstellen dat er stalsystemen zijn die koeien gebruiken en waar je ook geiten in kan zetten. Mijn vraag is eigenlijk gewoon — ik wil graag een antwoord, ja of nee — of je geiten in een koeienstal mag zetten. Ja of nee?
Minister Wiersma:
In theorie zou het kunnen als een melkveehouder bijvoorbeeld … Maar goed, je zit in je vergunning ook met het aantal koeien dat je daar hebt, dus dat zie ik niet gebeuren. Nee, want het gaat dan om de stikstofruimte. Dat zou alleen kunnen via intern salderen, en dat is op dit moment niet mogelijk vanwege de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024.
De voorzitter:
Dan gaan we nu naar mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
De VVD heeft ook gevraagd om een nationaal moratorium, juist omdat we het onderscheid tussen de provincies niet willen. We willen gewoon dat er één lijn getrokken wordt, zodat voor alle ondernemers en voor alle inwoners helder is wat de situatie is. Eigenlijk is de stikstofsituatie nu de reden waarom het niet kan, maar dat is geen moratorium. Een moratorium is op basis van gezondheid, stikstof is op basis van stikstof. Dat hopen we snel te gaan oplossen. Maar dan zou dat opeens niet meer gelden.
Een tweede vraag — en dan heb ik twee interrupties, prima — is of er nu wel of niet afgelopen vrijdag … Want dat heb ik minister Bruijn ook horen zeggen, en ik voel wel een beetje mee met het lid Kostić die dat fundamenteel vindt. Ik heb de minister ook horen zeggen dat er afgelopen vrijdag een oproep is gedaan. De minister van LVVN zegt dat dat niet zo is. Ik zou het wel fijn vinden om daar helderheid over te krijgen.
Minister Wiersma:
Er staat letterlijk in de brief: omdat voor de uitwerking van deze maatregelen nog enige tijd nodig is, doen we een beroep op de provincies en gemeenten de komende tijd vast te houden aan de bestaande tijdelijke beperkingen op de groei van de geitensector. Dat zijn de provinciale moratoria en het is gemeentelijk beleid. Dus dat is voor de provincies waar moratoria gelden; en het is een oproep naar die overige provincies. Dat hebben we in een eerder stadium gedaan en daar hebben we ook al uitvoerig over gesproken. Kijk, op het moment dat wij tot concrete afstandscriteria komen, dan houdt dat natuurlijk in dat die voor alle provincies gelden. Daar zetten wij veel vaart op en hierover hopen wij voor de zomer met u te kunnen delen.
De voorzitter:
Laatste keer, mevrouw Den Hollander.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Sowieso dank voor deze verheldering, maar ik heb de minister net ook horen zeggen dat er bij dezen een oproep gedaan werd. Heb ik het goed geïnterpreteerd dat dat alsnog de oproep aan de provincies was?
Minister Wiersma:
De heer Grinwis verzocht mij om de eerdere oproep te herhalen en dat heb ik gedaan.
De voorzitter:
Ik ga dit niet meer doen. Op een gegeven moment zit er een dak op de hoeveelheid vragen die gesteld wordt, lid Kostić. De minister.
Minister Wiersma:
In ieder geval hebben de provincies die een moratorium hebben, aangegeven dat ze daar voorlopig aan vast zullen houden. Dit hebben we ook besproken.
Ik wil beginnen met een vraag van het lid Kostić en dan wil ik eigenlijk beginnen met iets anders. Er werd gesteld dat ik sta voor de belangen van de agro-industrie. Daar werd een uitspraak over gedaan. Ik wil dat toch even rechtzetten, omdat de uitspraak in de context waarin die gedaan werd, lijkt te tornen aan mijn integriteit. Dat wil ik echt verre van mij werpen, want ik ben de minister van en voor landbouw en daar ben ik trots op. Natuurlijk sta je als vakminister ook voor de belangen van de sectoren waar je beleid voor maakt. Die belangen weeg je altijd mee. Dat is mijn vak. Daar heb ik de verantwoordelijkheid voor. Het zou gek zijn als de minister van Economische Zaken de economische belangen niet meetelt of dat de minister van Volksgezondheid de belangen van de gezondheid van mensen niet meeweegt.
Uiteindelijk komen wij ieder vanuit onze verantwoordelijkheid bij elkaar. Hier zit totaal geen patstelling in. Volgens mij heeft mijn collega, de minister van VWS, dat heel duidelijk uiteengezet. Wij voeren daar heel constructieve gesprekken over, waarin wij tot gewogen conclusies komen. Die liggen nu ook voor. Ik heb als minister laten zien dat ik niet wegloop voor stevige ingrepen. Die zitten ook in deze brief. Het zijn best wel ingrijpende maatregelen die genomen moeten worden in de sector. Daar sta ik ook voor. Maar ik heb wel een zorgvuldige weging gemaakt, waarbij proportionaliteit en impact meegewogen zijn. Ik zou echt geen knip voor de neus waard zijn als ik dat niet zou doen. Dat dit een integriteitsvraagstuk is, wil ik bij dezen rechtzetten. Ik durf echt, terugkijkend op mijn periode in dit ambt, te zeggen dat daar geen sprake van is.
Dan de vraag van het lid Kostić.
De voorzitter:
Minister, één moment. Ik ga hierover één opmerking toelaten, maar geen debat.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Een persoonlijk feit. Ik heb zoiets nooit gesuggereerd. Dat verzint de minister. Wat wel een feit is, is dat de minister heeft gezegd dat ze altijd voor de agrobelangen staat en dat ze de afgelopen periode alleen maar alle stikstofmaatregelen heeft geblokkeerd, alle dierenwelzijnsmaatregelen en alle gezondheidsmaatregelen heeft geblokkeerd. Dat zijn de feiten.
De voorzitter:
We gaan ons nu weer wenden tot het debat van vandaag.
Minister Wiersma:
Ik wil wel even zeggen dat deze reactie mijn punt onderstreept, want er worden onwaarheden verteld die tornen aan mijn persoonlijke integriteit. Ik loop niet weg voor moeilijke beslissingen. Ik heb een enorme stikstofemissiereductie-opgave bij de landbouwsector neergelegd richting 2035. Ik weet dat het kan, als je naast die sector gaat staan en ze helpt die kant op te bewegen. Dus het is aantoonbaar onjuist. Ik wil dat af en toe toch even recht kunnen zetten, ook vanuit dit ambt, waarin je eigenlijk alleen mag incasseren.
Ik kom op de vraag. "Kan de minister toezeggen met een afbouwpad te komen voor geiten om mensen te beschermen?" Volgens mij heeft de minister van VWS heel duidelijk uiteengezet dat als je maatregelen neemt, die gericht moeten zijn en bij moeten dragen aan het doel waarvoor je de maatregelen neemt. Het afbouwpad van een sector is een ongerichte maatregel. Die kun je dus niet onderbouwen, ook niet vanuit volksgezondheidsperspectief, omdat ook duidelijk blijkt uit het advies van de Gezondheidsraad dat daar een afstand in af te bakenen valt. Dat kunnen we dus niet doen. De sporen die we wel uitwerken, die wel relevant zijn om te onderbouwen en die juridisch ook houdbaar zijn, heeft de minister van VWS duidelijk uiteengezet.
Kamerlid Kostić (PvdD):
De minister van Volksgezondheid heeft net gezegd dat hij geen enkele maatregel uitsluit en dat hij daar verder ook nu nog geen uitspraak over doet. Dat doet deze minister wel. Ik snap het niet, want de Gezondheidsraad zegt juist: een van de belangrijke effectieve maatregelen is kijken naar de omvang van de geitenhouderij. Hoe rijmt deze minister dat met die feiten?
Minister Wiersma:
De minister VWS heeft ook gezegd dat in het advies van de Gezondheidsraad staat dat nog niet duidelijk is of het reduceren van de omvang van een bedrijf überhaupt effect heeft op de emissies. Dat zijn vragen die wij in het vervolgonderzoek willen laten duiden. In algemene zin is de afbouw van een hele sector een ongerichte maatregel. Dat draagt niet per definitie bij, zeker niet als je het kijkt naar het gezondheidsperspectief. Je zou er vanuit andere doelstellingen, bijvoorbeeld stikstofemissies, een onderbouwing aan kunnen leveren. De vraag is of je dat op die manier wil. Maar gezien dit VGO-onderzoek, waar we vandaag voor aan tafel zitten, is dit een ongerichte maatregel die niet te onderbouwen valt. De sporen die we wel bewandelen en die ook te onderbouwen zijn, heeft de minister van VWS volgens mij heel duidelijk neergezet.
De heer Flach had een vraag over het WUR-onderzoek. Hij vroeg of er inmiddels een eerste advies gegeven is. Eind deze maand verwachten we dat. We zullen op korte termijn kijken hoe de geitenhouders de no-regretmaatregelen die daaruit volgen, kunnen oppakken en wie er al aan kan gaan werken. Als er maatregelen zijn die ingrijpender zijn of die heel veel investeringscapaciteit vragen, dan moeten we nader kijken naar de doelmatigheid en de effectiviteit. Dat gaat middels pilots, waar de minister van VWS zojuist ook al aan refereerde, in combinatie met het monitoren van het effect op emissies. Wij denken dat de meest kansrijke maatregelen in de komende jaren gedaan kunnen worden. Wageningen baseert zich daarbij op eerdere ontwikkelprogramma's voor reductie van fijnstof in pluimveestallen.
Dat brengt mij op het punt dat in eerdere VGO-onderzoeken ook een verband gezien werd met pluimvee, maar later was dat verband er niet meer. In die zin zal dat dus effectief zijn.
De heer Koorevaar (CDA):
Interessant. U zegt dus dat de maatregelen in de pluimveehouderij effectief zijn geweest. Dat is eigenlijk wat u zegt.
Minister Wiersma:
Nee, wat ik zeg is dat er eerder in VGO-onderzoeken een verband gevonden werd tussen pluimveehouderijen en longontstekingen en dat dat verband later niet meer werd gevonden. Ik kan niet uit dit onderzoek vaststellen dat dat daardoor komt. We hebben gezien dat er in die sector effectieve maatregelen genomen zijn, waar Wageningen ook bij betrokken geweest is, maar de correlatie tussen zaken die uit het VGO vallen en die maatregelen is niet een-op-een gelegd. Die lijk je met boerenverstand te kunnen leggen, maar ik kan dat niet hardmaken. Daar zijn wel effectieve maatregelen genomen.
Er is gevraagd hoe we opvolging gaan geven aan het actieplan van de sector. Allereerst inderdaad complimenten aan de sector. Zij zien ook dat zij dit proactief op moeten pakken. Daar ben ik blij mee. Dat willen we natuurlijk ook stimuleren, dus daar gaan we samen in optrekken. Wij willen inzetten op dat ontwikkelingsprogramma voor emissiereducerende maatregelen. Daarbij gaan we de inhoud van het sectorplan betrekken. Uiteraard zal de sector daar zelf ook goed bij aanhaken.
De heer Flach had ook een vraag over het onderzoek naar het composteren van stalmest. Hij vroeg of daar onderzoek naar gedaan is. Het korte antwoord is dat het VGO daar niet op ziet. Daar is niet specifiek naar het composteren van stalmest gekeken. We gaan wel kijken hoe we dit een plek kunnen geven in een vervolgonderzoek dat ik net benoemde.
De tweede vraag van de heer Flach ging over Aspergillus fumigatus. "Aspergus" staat hier, maar volgens mij heet het "Aspergillus fumigatus". Dat is een schimmel die in toenemende mate resistentie tegen azolen vertoont, maar die komt meer vanuit een andere sector, waaronder houtbewerking en dergelijke. Hij vroeg of dat een rol speelt in de vermeerdering van deze schimmel en of dat ook meegenomen wordt. Uit het VGO blijkt dat er niet sprake is van één specifieke ziekteverwekker en dat dat verband dus ook niet heel hard is aangetoond. Het werkingsmechanisme is waarschijnlijk multicausaal, dus om onderzoek naar één specifieke ziekteverwekker te doen is dan ook niet per se direct relevant. Dat concluderen de onderzoekers zelf ook. Wat wel relevant is, is dat we in algemene zin alle emissies moeten reduceren.
Mevrouw Den Hollander had een vraag, in het verlengde van de vraag van mevrouw Podt, over dat landelijke moratorium. Volgens mij is die in de inleiding beantwoord.
De heer Koorevaar vroeg naar het structuurbeleid, waar ook de geitensector in meegenomen wordt. Het afstandscriterium waar we mee komen, is in indirecte zin een structuurmaatregel. Daar wordt op dit moment nadere invulling en duiding aan gegeven. Bij bestaande situaties willen we bekijken hoe we daar met maatregelen kunnen komen om de risico's te mitigeren, onder andere door het instellen van reducerende maatregelen. We wachten daarvoor op het WUR-rapport.
Op de prioritaire locaties heeft de minister van VWS al een toelichting gegeven. Er is sprake van een maatwerkaanpak, zoals gesteld.
Er was een andere vraag van de heer Koorevaar. Die is wel relevant. De heer Koorevaar vroeg of het moratorium ook van invloed is op stalaanpassingen als dat emissiereducties in de weg zit. Fijnstofemissies werden expliciet genoemd. Over het algemeen is het wel zo dat de verspreiding van potentiële ziekteverwekkers ook met fijnstofemissies meegaan. Ik denk dat dit een heel belangrijk punt is. Primair staan provincies hiervoor aan de lat. Natuurlijk moeten wij ook kijken naar de bestaande bedrijven. Het moet niet zo zijn dat bedrijven in de toekomst geen effectieve emissiereducerende maatregelen meer kunnen nemen omdat er een moratorium geldt. Dit nemen we mee in het overleg dat we voeren met de provincies. Dat gaat natuurlijk hand in hand met de maatregelen die we straks vanuit Wageningen aangereikt krijgen. Het is van het grootste belang dat er ruimte blijft om die maatregelen te implementeren. Dat geeft ook wel aan waarom een moratorium geen definitieve oplossing is voor waar we nu naar kijken.
De voorzitter:
Ik zie een vraag van de heer Koorevaar. Eén moment, meneer Koorevaar. We hebben nog tien minuten van de oorspronkelijke tijd. Ik wil dus sowieso alle Kamerleden vragen om zich echt te focussen op de dingen die zij echt nog willen weten. Ik wil bovendien voorstellen dat de minister haar beantwoording afmaakt en dat we daarna die echt indringende vragen nog stellen. Ik zie geknik, dus dan gaan we dat zo doen. Dan kan de minister als een malle door met de rest van de tekst.
Minister Wiersma:
Ik doe mijn uiterste best, voorzitter.
De vraag die ik hier lees, heb ik in de inleiding beantwoord. Dan heb ik nog een aantal vragen van mevrouw Den Hollander en mevrouw Podt. Die gaan over dierrechten en specifiek over het implementeren van dierrechten voor de geitenhouderij, maar ook voor andere veehouderijsystemen die geen sturingsmiddel hebben. In het voorliggende vraagstuk, dat ook vanuit het licht van volksgezondheid wordt bekeken, is een rechtenstelsel geen gerichte maatregel. Op die grondslag kun je dat dus niet onderbouwen. Ik ben nauw betrokken geweest bij de introductie van het fosfaatrechtenstelsel, wat iets anders is dan een dierrechtenstelsel, omdat het een andere grondslag heeft. Voor het implementeren van een dierrechtenstelsel moet je echt een stevige onderbouwing hebben, maar ook een grondslag, niet in de laatste plaats omdat het een forse staatssteunmaatregel is. Binnen de Europese Unie moet er een goede onderbouwing zijn om die staatssteun in te voeren. Vanuit Volksgezondheid is het juridisch niet hard te maken. Dat is gewoon niet rond te rekenen, want dat gaat over het generiek sturen op een sector, terwijl die gezondheidseffecten conform het advies van de Gezondheidsraad juist in een bepaalde straal plaatsvinden.
Vanuit een andere overweging hebben we het bij andere sectoren natuurlijk gehad over sturingsmogelijkheden. Ik denk dat we vanuit het stikstofemissievraagstuk niet heel veel van de sectoren kunnen vragen wat betreft de sturingsmogelijkheden. Ik sta er dus niet per se onwelwillend tegenover, maar je kunt dit niet zomaar uitvoeren. Dit is namelijk zeer complex, ook uitvoeringstechnisch. Er moet een direct verband bestaan tussen het publieke belang en de effecten van die maatregel. Vanuit het debat dat we vandaag voeren, kan ik dat nog niet onderbouwen. In een ander debat zouden we met elkaar kunnen kijken of dit een geschikt instrument is en of dat dat te onderbouwen valt.
Dan had mevrouw Podt nog een vraag over het verkleinen van de omvang van de geitenhouderij. Die heb ik volgens mij net ook beantwoord, toen ik het had over het sturen op een sector in algemene zin.
Dit waren de vragen aan mij over het VGO.
Dan heb ik nog een algemeen mapje met een aantal vragen over andere dierziekten en vaccinatievraagstukken. Dan begin ik met mevrouw Van der Plas. Die vroeg of de draaiboeken van de bestrijdingsplichtige dierziekten geactualiseerd worden op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Ik kan zeggen dat er een aantal in 2023 zijn geactualiseerd. Volgens mij waren dat er negen. De aanpak van die bestrijdingsplichtige dierziekten is een voortdurend proces, waarbij de laatste veterinaire inzichten worden gebruikt. Een aantal draaiboeken zijn al wat ouder. Als ik me niet vergis, komen die bijvoorbeeld uit 2015. Maar zij gaan over het algemeen over dierziekten die we hier nagenoeg niet zien, bijvoorbeeld geitenpokken en de Afrikaanse paardenpest. Maar ook naar die draaiboeken wordt op dit moment gekeken om ze te actualiseren. Er wordt dus aan gewerkt om die allemaal up-to-date te houden. De draaiboeken voor de meest voorkomende en meest bedreigende dierziekten die we hier in Nederland en Europa hebben, zijn recentelijk geactualiseerd.
Mevrouw Van der Plas had ook nog een vraag over de vaccinatie voor dierziekten. Zij vroeg of ik mij maximaal in wil zetten voor maatregelen die onnodig ruimen van dieren voorkomen, met name door vaccinatie. Het antwoord is: ja, daar wil ik me maximaal voor inzetten. Sterker nog, eerst was er binnen de kilometer een ruimingsplicht wanneer er bijvoorbeeld vogelgriep geconstateerd werd en mijn voorganger heeft al besloten om dat niet meer per definitie te doen. Dat is een goede stap geweest. Wij willen niet onnodig dieren ruimen. Dat is het uitgangspunt. In Duitsland kijken ze ook of je dat bijvoorbeeld op bedrijfsniveau kunt doen en of je alleen een stal kunt ruimen waar een besmetting heerst. Dat was nog niet zo succesvol, maar er wordt wel gekeken hoe je daar op een goede manier invulling aan kunt geven, ook in Europees verband. Het beleid is er altijd op gericht om ruimen zo veel mogelijk te voorkomen.
Dan het punt van de vaccinatie. Ik ben ook binnen de Europese Unie een warm pleitbezorger voor vaccinatie. Wij proberen daar echt een doorbraak in te genereren. We weten met elkaar dat er handelsbelemmeringen zijn. Dan hebben we het niet alleen over eieren die je binnen Nederland af moet zetten, maar ook over de verwerkte producten, zoals de koekjes die daarmee geproduceerd zijn. Dat zijn producten die over de hele wereld gaan, dus dat is echt niet zo gemakkelijk gedaan. Maar nogmaals: we hebben deze maand echt een high-levelbijeenkomst. Ik weet dat er nu ambtenaren zijn die lachen dat ik dat zo uitspreek, want ik zei "high level" en "meeting". Van over de hele wereld zijn er vooraanstaande mensen aanwezig om het daarover te hebben. Dat laat ook wel zien dat wij hier koploper in zijn. Ik kan ook wel zeggen dat we de kartrekker zijn om handelsbelemmeringen in de toekomst weg te nemen. Maar voor het kerstreces heb ik ook al gezegd: er is nog wel een weg te gaan. We zijn daar nog niet, maar wij zetten ons daar onverminderd voor in. Ik doet dat op politiek niveau, ook bij de Europese collega's. De CVO doet dat op hoog ambtelijk niveau. Die is daar heel druk mee, kan ik zeggen.
Er was nog een vraag over de bestrijdingsplichtige dierziekten. Die heb ik al beantwoord.
Er was een vraag naar de stand van zaken van blauwtong. Ja, er is in Duitsland serotype 8 van blauwtong gemeld, vlak over de grens bij Kerkrade. Dat is een bekend serotype. Dat is al vaker gevonden in België en Duitsland, ook afgelopen jaar. We zien dat dat vaak geïsoleerde gevallen zijn en er geen verspreiding plaatsvindt. Wij staan in nauw contact met de Duitse collega's. Als er risico's bestaan voor de Nederlandse veehouders, dan zal ik daarover informeren.
De voorzitter:
Hoeveel moet u nog, minister?
Minister Wiersma:
Ik heb nog een klein stapeltje. Volgens mij kan het snel.
De heer Koorevaar had een vraag over de lumpy skin disease. Hij vroeg hoe het ervoor staat met de Nederlandse voorraad van vaccins. Vaccineren is gewoon de uitweg, mochten dit soort ziektes, ook bestaande ziektes, aan de orde zijn. Er loopt een traject. We hebben gewerkt aan de voorbereiding van de aanbesteding. Wij moeten dat Europees aanbesteden. De aanbestedingsprocedure wordt binnen een maand opgestart. We hebben tot nu toe gewerkt aan de aanbesteding. Dan loopt dat tussen de zes en negen maanden. Wanneer dat aanbesteed is, kunnen we de vaccinvoorraadbank aanleggen. Maar mocht er een calamiteit ontstaan, dan hebben wij andere routes voor noodvaccinaties. Dan kunnen we wel gewoon vaccins aanschaffen. Die vaccins zijn ook beschikbaar. Als het nodig is, dan kunnen we er dus over beschikken via een andere route. Maar als wij die voorraadbank aan willen leggen, dan moeten we dat via aanbesteding doen. Dat proces loopt.
De heer Koorevaar vroeg ook naar kennis over deze ziekte. Hij vroeg of we daar extra inzet op willen plegen. Ik ben het ermee eens dat dit een nieuwe dierziekte is, die in Nederland godzijdank nog onbekend is. We zien wel dat naarmate die in het buitenland vaker zijn intrede doet, er in de vakbladen meer aandacht voor komt. Op mijn verzoek is er vorig jaar door de Gezondheidsdienst voor Dieren en de WBVR een webinar over LSD gehouden. LSD staat voor lumpy skin disease. Mensen hebben er soms wat andere associaties bij, dus laten we dat maar gewoon uitspreken. Dat webinar was voor boeren, dierenartsen en andere geïnteresseerden. Dat was een druk bezocht webinar. Het is ook nog terug te kijken. Nu er ontwikkelingen in het buitenland zijn, is er meer aandacht voor. We houden de ontwikkelingen in het buitenland natuurlijk goed in de gaten. Die delen we ook direct met de sectoren. Mevrouw Van der Plas vroeg naar draaiboeken. Dit geactualiseerde draaiboek hebben we in december gepubliceerd. Via deze wegen proberen we daar aandacht op te blijven vestigen.
De heer Koorevaar vroeg ook of we zijn voorbereid op dierziekten die we kunnen verwachten als gevolg van klimaatverandering. Het antwoord is dat dit in de basismonitoring is geëvalueerd. We hebben een heel doeltreffend instrument waarmee we de monitoring op nationaal en internationaal niveau doen. De signalen worden snel opgevangen. We kunnen snel reageren. Natuurlijk zal klimaatverandering zorgen voor nieuwe risico's. Daar moeten we alert op zijn. Maar die bewustwording is zowel binnen Nederland als lidstaat als in breder verband zeer aanwezig.
De heer Koorevaar vroeg expliciet of ik een gezant voor de acceptatie van vaccinatie aan zou willen stellen. Ik zou willen beginnen met te zeggen dat ik de behoefte deel om die bredere acceptatie echt goed uit te dragen, maar als ik heel eerlijk ben, dan is mijn beeld op dit moment dat daar juist heel veel inzet op gepleegd wordt. Zojuist zei ik al dat de CVO van LVVN daar de afgelopen jaren heel actief in is geweest. Die gaat de hele wereld over om hier draagvlak voor te creëren. De CVO's van al die andere landen die ik net aanhaalde komen allemaal naar Nederland toe. Daaruit blijkt wel hoe vooruitstrevend wij zijn en wat voor positie wij op dit moment al in dit dossier hebben. Ik zou die informatie daarover heel graag met u willen delen. Misschien kan dat als deze bijeenkomst geweest is. In mijn beleving loopt dit juist heel goed. Als de heer Koorevaar na het informeren hierover nog steeds het idee heeft dat het ontoereikend is of als hij het gevoel heeft dat er toch nog meer energie op moet, dan kunnen we daar met elkaar naar kijken. Maar de huidige persoon heeft veel expertise en een hoog kennisniveau. Onze CVO is de gezant op dit gebied. Als we daar nog iemand naast zouden zetten, dan weet ik niet of dat tot een verbetering leidt of tot een verslechtering. Daar kunnen we met elkaar over van gedachten wisselen. Als de Kamer dat dan nog steeds beter lijkt, dan heb ik daar alle bereidheid toe.
De voorzitter:
Minister, ik waardeer de uitgebreide antwoorden, maar ze mogen toch iets beknopter.
Minister Wiersma:
Oké. Dan de IBR. Dat was ook een vraag van de heer Koorevaar. Ik heb in juli 2025 aangegeven dat 1 januari niet gehaald zou worden en dat 1 juli het streven is. Dit loopt al lang. Ik ken de IBR. Ik vind het belangrijk om hiermee door te gaan. Die AMvB is op dit moment in notificatie bij de Europese Commissie. De notificatieperiode loopt af op 24 januari. Daarna moet die worden voorgelegd aan de Raad van State. Alle inzet is daar dus op gericht. Ik heb in juli vorig jaar gezegd dat het 1 juli zou worden. Er wordt hard aan gewerkt om dat zo snel mogelijk te doen.
De heer Graus vroeg naar de spoorkaart voor blauwtong. Ik moet daarop antwoorden dat de plaats van herkomst en de bron tot op de dag van vandaag onbekend zijn en dat er geen verwantschap gevonden is met welk circulerend virus wereldwijd dan ook. Als we daar onderzoek naar willen doen, dan kan er een voorstel ingediend worden met daarin aangegeven welke informatiebronnen nodig zijn, zoals een spoorkaart van Europa. Dan zullen we het voorstel op kwaliteit en haalbaarheid beoordelen.
De Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA vroegen om een uitbroedverbod voor eenden. Er werd gesteld dat eenden extra vatbaar zijn voor vogelgriep. Hier zit een volksgezondheids- en een diergezondheidsaspect aan. Het RIVM heeft afgelopen najaar het volksgezondheidsrisico van met vogelgriep besmette eenden beoordeeld. Het concludeerde dat het risico vanuit gehouden eenden niet is verhoogd. Ook in eerdere adviezen zijn door experts geen specifieke maatregelen voor eendenbedrijven gegeven. Wat betreft diergezondheid is daar geen wettelijke basis voor, omdat daar geen veterinaire reden voor is. Het feit dat het slachthuis gesloten is, verandert niks aan het veterinaire risico, omdat er ook andere slachthuizen zijn, over de grens. Wat betreft de verdenking van vogelgriep zijn er enorm strenge eisen. Dat loopt goed conform het monitoringssysteem waar ik het net ook over had. Bedrijven worden heel snel geruimd wanneer er een verdenking is. Dat wordt echt binnen een dag allemaal in gang gezet. Het gezondheidsgevaar voor een houder van eenden en voor andere bedrijven is in die zin klein.
Dat was de laatste vraag.
De voorzitter:
Kijk eens aan. Heel goed. Dan was dit het einde van de termijn van het kabinet. Dan kijk ik heel even naar de Kamer. Ik wil u vragen om desnoods nog een of twee essentiële vragen stellen met elkaar, want we lopen nu al uit de tijd en ik vind het belangrijk dat we ons daar zo veel mogelijk aan houden. Alleen als u echt iets totaal hebt gemist, mag u een heel kleine vraag stellen. Een aanvullende vraag mag, maar een heel kleintje, mevrouw Van der Plas. Meneer Korevaar.
De heer Koorevaar (CDA):
Even over dat moratorium. Ik snap dat voor de no-regret, dus voor makkelijke maatregelen. Maar als het nu moeilijke maatregelen worden, pleit u er dan bij de provincies voor dat die ook genomen kunnen worden, wellicht met steun van u?
Minister Wiersma:
Ik begrijp de vraag niet helemaal, want het moratorium is iets van de provincies, maar de maatregelen worden vanuit de Rijksoverheid genomen.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Korevaar. Lid Kostić.
Kamerlid Kostić (PvdD):
Dank voor deze kans. Dan stel ik de vraag alsnog. Ik zou graag een brief willen hebben waarin wordt uitgelegd wanneer de provincies en gemeenten voor het eerst zijn opgeroepen om alsnog een moratorium in te stellen, terwijl ze dat niet hebben of hadden. In het vorige debat dat ik met deze minister van LVVN voerde, zei ze namelijk dat ze dat überhaupt niet zou willen doen. Ik ben dus verbaasd. Ik wil het gewoon op uw papier.
De voorzitter:
Uw vraag is helder. Minister.
Minister Wiersma:
Ik hoef daar geen brief over te sturen, want de brief waarin deze oproep gedaan is, is op 22 februari 2023 verstuurd. Ja, toen is die oproep al gedaan. Ik heb hem zojuist herhaald.
De heer Graus (PVV):
Twee korte dingen. De minister vroeg om die gegevens. Het gaat om de treinbewegingsgegevens van de afvaltrein vanaf de eerste rit tot eind december 2023. Daar gaat het om. Dat kan. ProRail werkt daaraan mee als bijvoorbeeld de NVWA dat goedkeurt. Maar de NVWA keurde dat verzoek niet goed en dat begrijp ik niet in dit geval.
Mijn tweede vraag gaat over dat heel dikke rapport van de onderzoekers Ormskerk en Kuik dat ik heb aangeboden. Omdat het heel belangrijk is en er mogelijke oorzaken en verspreidingsgevolgen in zitten, had ik graag geweten wanneer de Kamer er ongeveer een reactie op kan krijgen.
Minister Wiersma:
Ik ken dit verzoek aan de NVWA niet. Ik zou willen verzoeken om dat met ons te delen en dan komen we daar wel even op terug.
De voorzitter:
Dan de tweede vraag van de heer Graus: wanneer komt u terug op het rapport?
Minister Wiersma:
We nemen dat mee voor de zomer. Wanneer we weer communiceren, dan komen we daarop terug.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Even één korte vraag over het eventueel verplaatsen van bedrijven. Daarbij vraag ik mij af: hoe moet dat als er ergens een moratorium is? Dan mag er geen nieuwvestiging of uitbreiding komen van geitenhouderijen. Als je geen moratoria hebt, dan wordt verplaatsen natuurlijk wel makkelijker. Hoe zit de minister daarin?
De voorzitter:
Uw vraag is helder.
Minister Wiersma:
Volgens mij hebben we net heel duidelijk uiteengezet dat het onze intentie is om zo snel mogelijk met het afstandscriterium te komen. Op het moment dat wij dit geconcretiseerd hebben, dan kan het moratorium in principe natuurlijk losgelaten worden in de provincies, waardoor er dan weer ontwikkelmogelijkheden zijn, met de kanttekening die ik zojuist gemaakt heb dat ik ook andere moeilijkheden voorzie. Stikstof willen we ook met elkaar oplossen. Dat gaan we doen. Of eigenlijk gaat een volgend kabinet ermee verder in deze lijn. Als wij met de afbakening gekomen zijn, dan is er ook geen noodzaak meer om die moratoria in stand te houden. Dat kwam ook aan bod bij de vraag van de heer Koorevaar over structuurbeleid. Daar zit impliciet structuurbeleid in.
De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover. Er is geen behoefte aan een tweede termijn. Ik wil wel even kijken of er behoefte is aan een tweeminutendebat. Ik zie een ja. Oké, heel goed. Ik begreep dat mevrouw Van der Plas daar nog iets over wilde zeggen of vragen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. We hebben geen tweede termijn en wel een tweeminutendebat. Ik weet eigenlijk niet precies hoe dat zit, vandaar deze vraag. Kunnen we in een tweeminutendebat dan toch iets meer ruimte krijgen om nog wat dingen te zeggen? Ik begrijp dat er dan bij de regeling van werkzaamheden een kort plenair debat aangevraagd moet worden. Die twee minuten blijven gewoon twee minuten. Daar zit geen ruimte?
De voorzitter:
Het woord zegt het al, mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat snap ik, maar ik heb ook weleens gezien dat er een heel kort plenair debat werd aangevraagd. Dat is ook door deze commissie weleens gedaan. Dan zou het tweeminutendebat geschrapt kunnen worden.
De voorzitter:
Dat voorstel kunt u natuurlijk altijd bij de regeling van werkzaamheden doen, maar een tweeminutendebat is een tweeminutendebat.
Dan gaan we nog heel even de toezeggingen herhalen. Even voor de duidelijkheid: individuele toezeggingen die in bestaande brieven landen, noteren we niet. U hoeft dus niet te denken: waar is mijn toezegging gebleven? Er is een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Kostić en de volgende toezeggingen zijn gedaan.
- De minister van VWS zal de Kamer in februari 2026 informeren over het rapport van de WUR over de bedrijfsvoering van geitenhouderijen en de antwoorden van de VGO-onderzoekers over het verschil tussen de afstandsnorm van 500 meter en die van 1.000 meter.
Klopt dit?
Minister Bruijn:
Ja, voor zover die adviezen van de WUR en de VGO ook uiterlijk eind februari komen. Dat is wel toegezegd, maar ik maak die kanttekening. Ik kan u niet informeren als ik ze niet heb.
De voorzitter:
Dat begrijp ik.
- De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de uitwerking van maatregelen inzake geitenhouderijen en de implementatie en het tijdpad van deze maatregelen.
Ik zie geknik.
Dan hebben we inderdaad geconstateerd dat er een tweeminutendebat komt met als eerste spreker het lid Kostić. Dat komt op een later moment. Voor de mensen die dat niet weten: dat is het moment dat Kamerleden nog andere vragen en voorstellen kunnen doen.
Buiten de microfoon wordt naar een toezegging gevraagd, maar zoals gezegd: het gevraagde komt volgens mij gewoon in een bestaand ding. Daarom is de toezegging niet apart genoteerd.
Ik wil iedereen danken voor de belangstelling. Een goede reis naar huis. Ik sluit deze vergadering.