[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [consultaties]←NIEUW! [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn]
[open vragen] [toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [woo/oo] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is opentk.nl?]

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 16 juni 2026, over Visserij en Landbouw- en Visserijraad (juni)

Zee- en kustvisserij

Verslag van een commissiedebat

Nummer: 2026D33102, datum: 2026-09-04, bijgewerkt: 2026-09-04 13:30, versie: 2 (versie 1)

Directe link naar document (.docx), link naar officiele pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van kamerstukdossier 29675 -242 Zee- en kustvisserij.

Onderdeel van zaak 2026Z18004:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (🔗 origineel)


VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT

Vastgesteld 4 september 2026

De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de vaste commissie voor Europese Zaken hebben op 16 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over:

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 22 november 2024 inzake reactie op verzoek commissie over het rapport "Naar een dierwaardige visserij en aquacultuur" van de Dierencoalitie (Kamerstuk 29664, nr. 210);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 16 april 2025 inzake heropenstelling van de subsidiemodules voor innovatie in de aquacultuur en visserij (Kamerstuk 29675, nr. 233);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 28 april 2025 inzake openstelling subsidieregeling Investeren in blackbox-systeem garnalenvisserij (Kamerstuk 32201, nr. 118);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 26 mei 2025 inzake IJsselmeervisserij (Kamerstuk 29664, nr. 212);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 30 mei 2025 inzake kabinetsreactie op berichtgeving gesprekken verduurzaming garnalenvisserij (Kamerstuk 32201, nr. 119);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 30 mei 2025 inzake verdere bescherming van trekvissen en vismigratievoorzieningen (Kamerstuk 29664, nr. 213);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 30 mei 2025 inzake voortgang visserijdossiers (Kamerstuk 21501-32, nr. 1706);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 11 juni 2025 inzake aankondiging vrijwillige saneringsregeling garnalensector (Kamerstuk 32201, nr. 120);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 27 juni 2025 inzake openstelling regeling Innoveren in visserijtechnieken (Kamerstuk 29675, nr. 234);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 30 juni 2025 inzake diverse visserijonderwerpen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1719);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 3 juli 2025 inzake publicatie en openstelling subsidieregeling Sanering garnalenvisserij (Kamerstuk 29675, nr. 235);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 december 2025 inzake diverse visserijonderwerpen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1745);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 9 februari 2026 inzake uitvoering Noordzeeakkoordafspraak met betrekking tot 1,2% bodembescherming (Kamerstuk 33450, nr. 139);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 10 februari 2026 inzake stand van zaken toekomstvisie garnalenvisserij (Kamerstuk 29675, nr. 237);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 13 februari 2026 inzake diverse visserijonderwerpen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1763);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 2 april 2026 inzake uitkomsten CO2-onderzoek visserij (Kamerstuk 32813, nr. 1557);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 13 mei 2026 inzake rapport Uitvoeringsagenda Visie op voedsel uit zee en grote wateren (Kamerstuk 21501-32, nr. 1793);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 15 mei 2026 inzake energie-efficiëntieregeling visserij en steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten (Kamerstuk 21501-32, nr. 1795);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 2 juni 2026 inzake heropenstelling van de subsidiemodule voor innovatie in de aquacultuursector (Kamerstuk 29675, nr. 238);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 mei 2026 inzake diverse visserijonderwerpen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1809);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 12 juni 2026 inzake diverse visserijonderwerpen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1815);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 12 juni 2026 inzake stand van zaken controle en handhaving (zee)visserij (Kamerstuk 21501-32, nr. 1814);

- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 11 juni 2026 inzake geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 22 en 23 juni 2026 (Kamerstuk 21501-32, nr. 1813);

- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 5 juni 2026 inzake verslag Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 (Kamerstuk 21501-32, nr. 1811);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 11 juni 2026 inzake evaluatie van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en Nederlandse inzet op de Vision 2040 for fisheries and aquaculture (Kamerstuk 26737, nr. 13);

- de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 16 juni 2026 inzake reactie op positionpaper De toekomst van de visserij in ecologisch perspectief (Kamerstuk 29675, nr. 239);

- de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 16 juni 2026 inzake uitkomst Coreper van 12 juni 2026 over Omnibusvoorstel veiligheid van voedsel en diervoeder (Kamerstuk 27858, nr. 767).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Steen

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken,

Van Meetelen

De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

Jansma

Voorzitter: Steen

Griffier: Bosman

Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Boomsma, Bromet, Flach, Grinwis, Chris Jansen, Kostić, Lohman, Meulenkamp, Steen, Vellinga-Beemsterboer en Vermeer,

en de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, en de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Aanvang 17.40 uur.

De voorzitter:

Dames en heren. 40 minuten later dan gepland heet ik u toch van harte welkom bij dit commissiedebat Landbouw- en Visserijraad van de vaste Kamercommissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Een hartelijk welkom aan de mensen op de publieke tribune, de mensen die thuis, nu of later, met ons meekijken, de minister en staatssecretaris van LVVN en hun ondersteuning, en natuurlijk de leden van de vaste Kamercommissie, die hier naast mij zitten. Ik ga hen omwille van de tijd niet langs, want u weet volgens mij al wie wie is. Dat komt dus helemaal goed.

U bent vandaag gesandwicht tussen landbouw- en visserijdebatten. U komt net uit een tweeminutendebat en straks is er over deze commissievergadering ook weer een tweeminutendebat, als dat aangevraagd wordt, maar ik vermoed zomaar dat dat zo gaat zijn. Die sandwich is dik belegd, namelijk met dit mooie commissiedebat. Doch hebben wij tot 21.00 uur vanavond. We zijn later begonnen, maar we kunnen dus niet uitlopen. Dat is inclusief dinerpauze. Dat betekent dus dat we moeten aanpoten met elkaar. U heeft vier minuten spreektijd per fractie, is het voorstel, en ik wil ook voorstellen om slechts vier interrupties per fractie te doen, en dan is er geen 30 secondenregel. Dat gaat helpen in de eerste termijn. Maar ik ben vooral ook wel benieuwd hoe u daarnaar kijkt.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ik ben er helemaal geen voorstander van om eindtijden te verlaten, maar in dit geval hebben wij om 22.00 uur vanavond nog een debat in de plenaire zaal. De commissie zelf heeft dus gewoon van 21.00 uur tot 22.00 uur de gelegenheid om verder te debatteren. Ik geloof ook niet dat er na 21.00 uur nog een debat is in deze zaal, maar misschien heeft het te maken met de personele bezetting.

Over de interrupties zou ik willen zeggen: ik wil de afspraak die wij in de strategische procedurevergadering hebben gemaakt niet loslaten. We doen korte interrupties -- het aantal is dan onbeperkt -- en geen lange interrupties.

De voorzitter:

Wat vinden de andere leden van de commissie?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Steun voor het voorstel van mevrouw Bromet.

De heer Flach (SGP):

Wat mij betreft hoeft het niet langer dan tot 21.00 uur te duren. Het tweeminutendebat is ook best heel kort daarachteraan gepland; daar ben ik dus al niet heel gelukkig mee. Wat mij betreft houden we het echt tot 21.00 uur en dan ontkom je volgens mij niet aan een zekere beperking van interrupties, temeer daar we al vaker over dit onderwerp gediscussieerd hebben.

De voorzitter:

Andere leden van de commissie over het voorstel van het lid Bromet?

De heer Meulenkamp (VVD):

Voor mij is tot 21.00 uur ook prima.

De voorzitter:

Ja, 21.00 uur.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Laten we ons richten op 21.00 uur. Als we iets uitlopen omdat we de beantwoording niet afkrijgen, vind ik dat prima. Iets van tussentijd tot het tweeminutendebat is fijn.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Flach.

De voorzitter:

Meneer Grinwis? Ik zie hem knikken. Dan richten wij ons op 21.00 uur. Dan nog even over het aantal interrupties. Mijn voorstel is maximaal vier interrupties, om ervoor te zorgen dat we de eerste termijn op tijd kunnen afronden en er voldoende tijd is voor de beantwoording, ook van de minister, die weer door moet. Ah, mevrouw Bromet komt met een compromisvoorstel.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ja, daar ben ik heel goed in. Laten we uw voorstel aanhouden voor de eerste termijn van de Kamer en bij de termijn van het kabinet wél wat meer interrupties toestaan, zodat we het kabinet goed kunnen controleren.

De voorzitter:

Ik zie voorzichtig knikkende hoofden van uw collega-commissieleden. Laten we in ieder geval eens even kijken hoe we daarmee uitkomen in de eerste termijn en hoeveel tijd we straks nog hebben. Akkoord. Dan gaan we beginnen, maar niet voordat er een punt van orde is gemaakt door het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Een punt van orde. De Kamer heeft per e-mailprocedure aan het kabinet gevraagd om een brief over het proces rondom de Food and Feed Omnibus. We moeten helaas constateren dat een aantal van die vragen, ongeveer de helft, niet is beantwoord in de summiere brief die de staatssecretaris heeft gestuurd. Ik zou willen opmerken dat dit de samenwerking echt niet helpt, juist in zo'n moeilijk proces rond de Omnibus. Ik zou alsnog die vragen beantwoord willen hebben. Het zijn er een stuk of vier. Ik kan ze opnieuw voorlezen of ik kan ze opnieuw schriftelijk doorgeleiden via de PA, maar het heeft onder andere te maken met de letterlijke tekst die de staatssecretaris heeft uitgesproken en de stemverklaring die was gedaan. Ziet het kabinet op EU-niveau kans om alsnog een fatsoenlijk impactassessment te laten maken door wetenschappers? Klopt het dat er sprake was van een blokkerende minderheid, waardoor het mandaat niet werd verleend? Klopt het dat Nederland daar niet aan heeft meegedaan?

De voorzitter:

Volgens mij is uw verzoek helder. Graag een volledig antwoord op die brief. Komt dat nog in het debat aan de orde, staatssecretaris?

Staatssecretaris Erkens:

Ik zal kijken wat ik dadelijk hiervan kan meenemen in mijn inleiding.

De voorzitter:

Heel goed. Heel veel dank. Dan gaan we snel beginnen. Ik begin bij de heer Vermeer van BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. We hebben hier natuurlijk een debat over de Landbouw- en Visserijraad, maar er komt net een bericht op de NOS binnen over wat bronnen gemeld hebben over het Catshuisoverleg gisteren. Als ik dit lees, vraag ik me af wat ik hier nou precies moet doen vandaag. Want hebben wij nog wel een landbouwsector over een aantal jaren? Maar ik zal toch proberen om mij door die emotie heen te focussen op wat we hier voor hebben liggen.

Voorzitter. Onze vissers varen door een periode van grote onzekerheid, door de fors gestegen gasolieprijzen, maar ook door alle nieuwe ruimtelijke natuurclaims op zee en de schokkende conceptbeheerplannen van Rijkswaterstaat voor de Waddenzee. Voor veel vissers is de rek er simpelweg uit. Zeker binnen de garnalenvisserij is de situatie buitengewoon zorgelijk. Vissersschepen liggen de komende drie weken stil, omdat varen nauwelijks rendabel is. Dat raakt niet alleen de vissers, maar ook hun gezinnen en de leefbaarheid van visserijgemeenschappen. BBB waardeert de inzet van de staatssecretaris om de gevolgen van de hoge gasolieprijzen voor de sector te verzachten, maar kan de staatssecretaris ook aangeven op welke termijn de sector duidelijkheid kan verwachten over mogelijke steunmaatregelen? Is hij bereid hierover op korte termijn met de sector in gesprek te gaan?

Voorzitter. BBB is verheugd dat er daadwerkelijk weer stappen gezet worden richting de terugkeer van de pulsvisserij. Dankzij onze aangenomen moties kunnen Nederlandse vissers straks daadwerkelijk weer met de puls vissen, al is de weg naar volledige terugkeer nog lang. Juist deze innovatieve techniek kan bijdragen aan een lager brandstofverbruik van de visserij.

Voorzitter. Het rondetafelgesprek over de toekomst van de visserij met professor Jaap van der Meer heeft veel losgemaakt. Net voor dit debat kregen wij ook nog een brief hierover. We zien dat natuurdoelen worden beoordeeld aan de hand van referentiewaarden die gebaseerd zijn op opgehoogde maximale aantallen uit het verleden of aangenomen theoretische streefbeelden. Maar de natuur werkt niet zo. Ik dacht net: hoe kunnen we nou aan burgers duidelijk maken wat hier gebeurt? Nou, dit is eigenlijk een soort model dat zegt: in de laatste 30 jaar heeft Vitesse een keer als hoogste notering de derde plaats in de eredivisie gehad; vanaf nu gaan we dat als eis stellen, maar we zeggen ook dat alle andere ploegen die in die periode net zo hoog of hoger gestaan hebben, dat ook moeten doen. Die punten kunnen alleen maar verdeeld worden in de competitie, dus dit gaat nooit lukken, net zoals dat de ene diersoort de andere ook altijd zal verdringen in de natuur.

Natuurlijke systemen kennen pieken en dalen. Dat zien we ook in de Waddenzee. Er wordt geconstateerd dat bepaalde vogeldoelen niet behaald worden en er wordt gekeken aan welke knoppen de overheid kan draaien. Rijkswaterstaat kan iets doen aan rust, recreatie of visserij. En dan gaan ze concluderen dat er maar meer gebieden gesloten moeten worden. Maar als je de oorzaak niet kent, weet je ook niet of de maatregel effect gaat hebben. Is de staatssecretaris bereid ervoor te pleiten dat knelpunten in natuurdoelstellingen worden onderbouwd? Is de staatssecretaris het met BBB eens dat, voordat ingrijpende maatregelen zoals gebiedssluitingen worden genomen, vooraf inzichtelijk gemaakt moet worden welk aantoonbaar ecologisch effect die maatregel naar verwachting zal opleveren? Erkent de minister dat wij bij de beantwoording van onze Kamervragen over de BISI-methode en het rapport Rottum met een kluitje in het riet zijn gestuurd? Nederlandse vissers verdienen beleid dat gebaseerd is op feiten, metingen -- niet op meningen -- en aantoonbare effecten. Alleen zo houden we draagvlak overeind.

Voorzitter. De kunstmestprijzen rijzen de pan uit. Boeren betalen zich blauw, terwijl ze gewoon waardevolle dierlijke mest op het eigen erf beschikbaar hebben. En wat doet Brussel? Een noodfonds optuigen, weer honderden miljoenen euro's rondpompen. BBB zegt: doe eens normaal. Er ligt een veel goedkopere, veel logischere oplossing voor de hand: verruim die knellende 170 kilonorm voor dierlijke mest.

De voorzitter:

Rond u af?

De heer Vermeer (BBB):

Ja. Laat boeren hun eigen mest beter benutten. Dat is beter voor de kringloop, beter voor de boer en beter voor de belastingbetalende burgers en ondernemers, en, voor wie het ook nog belangrijk vindt, slecht voor Rusland.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Vermeer. De heer Lohman van het CDA.

De heer Lohman (CDA):

Voorzitter. Kiezen tussen hoofdpijn of buikpijn: zo omschreef ik vorige week de stemmingen over de Omnibus. Het was met beperkte informatie stemmen over een pakket waar niemand blij mee is. Het werd hoofdpijn én buikpijn. Het Omnibuspakket lijkt te zijn verworpen met een blokkerende minderheid. Dat levert wel de broodnodige en door PRO gevraagde tijdswinst op, maar het maakt de situatie er niet makkelijker op, want de problemen die het pakket moest oplossen, zijn er nog steeds. Europa faseert terecht schadelijke chemische middelen uit, maar natuurlijke alternatieven komen niet versneld beschikbaar. Honderden toepassingen staan in de wachtrij, soms al tien jaar. We kunnen niet laten gebeuren dat mens, dier en milieu door dit proces nog meer vertraging oplopen. We moeten zelf aan de slag met wat we wél kunnen doen in Nederland.

Mevrouw Bromet (PRO):

Het gebeurt niet vaak dat ik de dag na een debat nog steeds boos ben. Dat was ik afgelopen vrijdag wel, na het debat van donderdag. Dat kwam omdat ik een motie had ingediend om Nederland zich te laten onthouden van stemming. Ik was met name zeer teleurgesteld in coalitiepartijen die dat niet steunden. Ik dacht: waarom steun je dat nou niet? Kan de heer Lohman vertellen waarom hij dat niet gesteund heeft?

De heer Lohman (CDA):

We hebben het daar natuurlijk ook over gehad. Uw boosheid had u ook al eerder gedeeld. Kijk, ik denk dat dit hele proces voor iedereen verschrikkelijk was. Er lag dus een compromisvoorstel dat wellicht niet beter was dan het oorspronkelijke. Dat heeft de staatssecretaris volgens mij ook uitgebreid in zijn beantwoording toegelicht. Voor mij was het echt een keuze, zoals ik zeg, tussen hoofdpijn en buikpijn. Maar de afweging is geweest: als we helemaal niet meepraten en er is al een onderhandeling geweest, dan praten we niet meer mee. Vanuit het vertrouwen in de staatssecretaris -- dat moet je als coalitiepartij soms misschien ook tegen je eigen gevoelens in opbrengen -- is de keuze die kant op gevallen. Ik ben daar zelf helemaal niet blij mee, dus daar begin ik mijn introductie ook mee. Ik denk dat we vooral moeten kijken: hoe kunnen we nu, in de tijd die er is, het voorstel dan beter gaan maken?

Mevrouw Bromet (PRO):

Je zit als Kamerlid, of je nou van een coalitiepartij bent of niet, hier om je eigen mind op te maken en om de regering te controleren. Ik vind het argument dat je de staatssecretaris moet steunen dus niet zo sterk als je denkt dat dat niet de juiste weg is. Maar mijn vraag aan de heer Lohman is nu: wat hebben wij nu als Nederland nog voor positie? We waren namelijk al akkoord gegaan, dus we hebben onze hele onderhandelingspositie weggegeven. Wat kunnen wij nu nog binnenhalen?

De heer Lohman (CDA):

Nou ja, zoals ik probeer uit te leggen, was voor- of tegenstemmen voor mij eigenlijk allebei een slechte optie. Uiteindelijk moesten we onder tijdsdruk de staatssecretaris nog ruimte geven om in de onderhandelingen iets te doen. Ik heb ook dezelfde vraag: wat kunnen we nu verwachten? Die vraag ga ik zo meteen ook aan de staatssecretaris stellen. Gaat dit voorstel überhaupt nog terugkomen en wanneer dan? Mijn voorkeur is als volgt. We hebben met de Kamer allemaal brede zorgen over de veiligheid van mensen en milieu. Die kon inderdaad niet gegarandeerd worden. Dat stond in het Ctgb. Daarmee wil ik ook niet zeggen dat het automatisch een verslechtering is. Ik wil dat ook wel weer een beetje nuanceren. Het is niet het grootste en slechtste voorstel dat er ooit is geweest. Nogmaals, mijn vraag aan de staatssecretaris is ten eerste: wat gaat er nu gebeuren? Daar hebben we volgens mij allemaal vragen over. Wordt het weer in stemming gebracht of niet? Hoe kunnen we een fatsoenlijk traject lopen, waarbij we als parlement mee kunnen beslissen over wat we wel of niet de ondergrens vinden?

De voorzitter:

Dat antwoord was langer dan uw inbreng tot nu toe.

Kamerlid Kostić (PvdD):

We hebben samen met het CDA vastgesteld: dit voorstel moet er op z'n minst voor zorgen dat de gezondheid van mens, dier en milieu niet achteruitgaat. We hebben geconstateerd dat dat niet is gewaarborgd. Vervolgens heeft de Partij voor de Dieren het voorstel gedaan om gewoon het enige juiste te doen: tegenstemmen, waarmee je ook een blokkerende minderheid kunt creëren. Dat blijkt juist het beste voorstel te zijn geweest, want er is een blokkerende minderheid ontstaan. Mijn vraag aan het CDA is dus: erkent het CDA dat de staatssecretaris gewoon een heel slechte keuze heeft gemaakt in zijn onderhandelingstactiek en dat we hierdoor eigenlijk 10-0 achterstaan?

De heer Lohman (CDA):

Kijk, ik heb aangegeven dat ik niet ga verdedigen of dit een goed voorstel was. Blokkeren is denk ik sowieso niet een optie geweest die ik had gevolgd. Ook in een eerder debat hebben we het met elkaar gehad over de vraag of we het bij voorbaat moeten blokkeren. Daar zijn wij niet voor geweest. Dat is dus een kleine nuance. Ik ga niet over wat de staatssecretaris heeft gedaan, maar ik denk dat we nu moeten kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat de goede elementen van het voorstel -- het voorstel was namelijk niet alleen slecht -- niet tot stilstand komen en dat we een proces hebben waarin we inderdaad ervoor zorgen dat we uiteindelijk tot een voorstel komen dat niet het niveau van bescherming van mensen en milieu verslechtert.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Het CDA heeft het over blokkeren, maar het CDA heeft gewoon een motie van de Partij voor de Dieren gesteund waarin staat: stem tegen dit voorstel als de bescherming van mens, dier en milieu niet gewaarborgd is. Dat is een feit, dus het CDA heeft al uitgesproken dat het bereid is om tegen te stemmen. Vorige week was daar een moment voor. Het blijkt een juiste strategie geweest te zijn om tegen te stemmen, juist om onderhandelingsruimte te creëren om het een beter voorstel te maken. Is het CDA het met ons eens dat het nu wel heel moeilijk wordt om aan de oorspronkelijke eis van de Kamer te voldoen om het voorstel te verbeteren tot op z'n minst het niveau waarop het huidige beschermingsniveau wordt gewaarborgd? We hebben nu namelijk al voorgestemd.

De heer Lohman (CDA):

Ik denk dat dat echt een andere aanvliegroute is. Blokkeren is voor mij nooit een optie geweest. We moeten meeonderhandelen. Onder stoom en kokend water hebben we er toen iets over moeten zeggen. Daar was ik uiteindelijk ook niet blij mee. Mijn vraag is: wat gaat er nu gebeuren? Gaat het nog heel snel in stemming gebracht worden of komt er een proces onder voorzitterschap van Ierland? Dan wil ik echt de oproep doen: hoe zorgen we ervoor dat we tot een gedegen proces komen? Want het voorstel dat er nu lag, was niet goed genoeg. Dat ben ik volledig met u eens.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Lohman (CDA):

Ondanks de tegenstellingen die bloot kwamen te liggen in het maatschappelijk debat, zoals hier ook te zien was, is er volgens mij juist veel overeenstemming te horen, van ngo tot boer, van links tot rechts. De route van biocontrol, integrated crop management en natuurlijke gewasbescherming is de enige houdbare route naar een landbouw die gezond, veilig, weerbaar en productief blijft. Dat vraagt niet alleen de afbouw van chemie, maar vooral versnelling van wat wél werkt.

Ik heb de volgende vraag aan de staatssecretaris. Welke onderdelen kunnen we, vooruitlopend op de Europese besluitvorming, nationaal of in Europees verband aanpakken, zodat deze niet in de koelkast belanden, maar juist bijdragen aan de versnelling van de transitie naar een duurzamer gewasbeschermingspakket?

Nog een vraag: kan de staatssecretaris aangeven hoe hij ervoor gaat zorgen dat de positieve elementen uit het Omnibusvoorstel, zoals de versnelling van de toelating van groene en laagrisicogewasbeschermingsmiddelen, niet biocontrol, geen onnodige vertraging oplopen?

Voorzitter. Dan de visserij. Aanstaande zaterdag is het Vlaggetjesdag in Scheveningen, een traditie die laat zien dat vis in Nederland niet alleen op het bord hoort, maar ook in onze cultuur zit. En terecht, want vis is gezond. De hernieuwde Schijf van Vijf raadt aan minstens één keer per week vis te eten, bij voorkeur vette vis. Over gehaktballen kunnen we misschien van mening verschillen, maar een haring per week is eigenlijk het makkelijkste gezondheidsadvies dat er is. Dan moet er wel een sector zijn die de haring vangt, en die sector staat onder druk. Deze week ontving ik een brandbrief van verschillende organisaties in de visserij. Herkent de staatssecretaris het beeld dat in die brief wordt geschetst dat inhoudelijke zienswijzen en praktijkkennis vanuit de visserijsector onvoldoende zichtbaar terugkomen in de uiteindelijke beleidsvorming? Zo nee, waaruit blijkt dan het tegendeel?

Als je de verschillende inbrengen voor dit debat leest, is het toch opvallend dat de sector en Stichting De Noordzee, die samen aan de uitvoeringsagenda hebben gewerkt, het fundamenteel oneens lijken te zijn over de ecologische onderbouwing van beleid. Hoe gaat het staatssecretaris om met de wetenschappelijke discussie, die zojuist al is aangekaart, over de besluitvorming over verregaande beperkingen in Natura 2000-gebieden?

Dan twee kortere punten. Het eerste gaat over camerasystemen en de aanlandplicht voor de kottervisserij. Er zijn vragen over de aanlandplicht bij de kottervisserij. Waarom wordt er nu al een subsidieregeling uitgerold voor camera's ter controle van het systeem voordat een pilot heeft plaatsgevonden? Over het contingentenstelsel: vangstrechten zijn de toegang tot een publieke hulpbron. De herziening is een kans om ruimte te maken voor jonge, innovatieve vissers. Welke concrete criteria overweegt de staatssecretaris om bij de herziening van het contingentenstelsel instroom van jonge vissers die duurzaam vissen daadwerkelijk mogelijk te maken?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank aan de heer Lohman. Dan kijk ik naar het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. De agenda van de Europese landbouwtop laat helaas opnieuw zien hoezeer Brussel op ramkoers ligt met alles wat onze gezondheid, dieren en natuur beschermt. Dat zien we bij landbouwgif, dat zien we bij dierenwelzijn en dat zien we bij de visserij.

Ik begin bij de recente ontwikkelingen rondom het Brusselse voorstel voor de Food and Feed Safety Simplification Omnibus. Vorige week hebben we met verbazing moeten luisteren naar de argumentatie van de staatssecretaris om in te stemmen met een voorstel dat slecht is voor mens, dier en milieu. Ik vraag de staatssecretaris het volgende. Erkent de staatssecretaris dat hij een hele slechte keuze heeft gemaakt door al in te stemmen met het slechte Omnibusvoorstel en dat hij nu zwakker staat als hij het voorstel nog wil verbeteren? Kan hij uitleggen waarom Nederland geen onderdeel uitmaakt van de blokkerende minderheid als we zogenaamd zo kritisch waren op het pakket? Hoe gaat de staatssecretaris zich ervoor inzetten dat de eisen die door de Kamer gesteld zijn worden meegenomen in het pakket? Is hij het met ons eens dat het Cypriotische voorzitterschap onbehoorlijk heeft gehandeld en dat de onderhandelingen straks verder moeten gaan onder het Ierse voorzitterschap?

Voorzitter. Terwijl de Kamer moet vechten tegen deze vreselijke Omnibus, die de gezondheid van mens, dier en milieu schaadt, is de staatssecretaris aan het lobbyen voor een nieuwe Omnibus, maar nu voor de visserij, voor opnieuw een afzwakking van de regels die dier, natuur en uiteindelijk onze toekomst beschermen. Dit is de wereld op zijn kop. Uit de Europese evaluatie van het visserijbeleid blijkt dat bijna 40% van de visbestanden nog altijd wordt overbevist en dat de populaties niet zijn hersteld tot een duurzaam niveau. Dit komt door gebrekkige implementatie en een gebrekkige handhaving van de regels door lidstaten. De staatssecretaris neemt geen enkele verantwoordelijkheid en wil in plaats daarvan een afzwakking. Waarom denkt de staatssecretaris dat het antwoord op slechte naleving van regels bestaat uit het afzwakken van die regels? Je gaat voor mensen die steeds door rood rijden toch ook niet het rode stoplicht vervangen door een groen licht?

Voorzitter. De sleepnetvisserij behoort tot de meest destructieve vormen van visserij. Zo verscheen er recent een onderzoek waarin werd aangetoond dat vissen met een sleepnet het leven op de zeebodem van de Waddenzee verstoort. Kan de staatssecretaris de Kamer vlak na het zomerreces een brief sturen over welke gevolgen dit onderzoek heeft voor zijn beleid?

Voorzitter. De rechter heeft gesteld dat de overheid geen sleepnetvisserij zonder vergunning meer mag toestaan op de Doggersbank. Waarom procederen de staatssecretaris en het kabinet tegen deze rechterlijke uitspraak, die sleepnetvisserij verbiedt? Dat is vreemd, omdat de staatssecretaris in het vorige commissiedebat zelf duidelijk heeft gezegd de sleepnetvisserij pas vergunningen te verlenen als aangetoond is dat dit geen significante negatieve effecten creëert. Waarom houdt hij zich niet gewoon aan de wet? Gaat de staatssecretaris binnen Europa pleiten voor een verdere beperking van de sleepnetvisserij in beschermde natuurgebieden?

Voorzitter. We hebben het nog niet gehad over de grootste slachtoffers: de vissen. Ik wil de staatssecretaris het rapport van onder andere de Dierenbescherming en de Dierencoalitie overhandigen waarin concrete maatregelen staan om het vissenwelzijn te beschermen. Die maatregelen zijn jaren geleden al aanbevolen door de Raad voor Dierenaangelegenheden, maar daar is nog steeds niets mee gedaan. Kan de staatssecretaris vlak na het zomerreces in een brief toelichten hoe hij deze adviezen zal oppakken en hoe hij daarover in gesprek gaat met de schrijvers van dit rapport? We zien gewoon dat de vissen lijden. Ze worden onverdoofd opengescheurd en ze liggen urenlang te stikken aan boord. Dat zijn dingen die je niet meer kunt verantwoorden als Nederland. Neem nou maatregelen. Ik hoop op een positieve reactie van de staatssecretaris.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik door naar de heer Grinwis van de ChristenUnie voor zijn inbreng in eerste termijn.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Wat heeft een jonge visser vandaag nog voor toekomst? Als je aan het begin van je werkzame leven staat, een schip wilt overnemen, misschien later wel het hele familiebedrijf wilt voortzetten, kun je er dan nog op vertrouwen dat er over tien of twintig jaar nog toekomst voor je is in de Nederlandse visserij, dat in onze mooie vissersdorpen de gemeenschap nog springlevend is en dat de eeuwenoude band met het water leven kan worden gehouden? Generaties vissers hebben in weer en wind hun brood verdiend en daarmee bijgedragen aan onze voedselvoorziening. De ChristenUnie zet zich in voor hun perspectief.

Dank aan de staatssecretaris voor extra steun aan deze sector in deze barre brandstoftijden. Hoe wordt dat geld op dit moment precies ingezet? Welke brandstofbesparende maatregelen ziet de staatssecretaris in de praktijk toegepast worden? Hoe wil hij in vervolg hierop ook de strijd voor de puls gaan vormgeven en winnen? Er leven namelijk zorgen bij onze vissers. Bij eerdere subsidieregelingen is een deel van de vissers tussen wal en schip gevallen, namelijk de vissers die een vissersboot, een kotter, hebben die in het buitenland staat geregistreerd, terwijl hun onderneming in Nederland is gevestigd en ze hier gewoon belasting betalen. Is dat verschil dan rechtvaardig? Kan de staatssecretaris toezeggen dat ook deze vissers aanspraak kunnen maken op deze subsidieregeling?

Om de toekomst van de visserij veilig te stellen zijn we gebaat bij gezonde ecosystemen, beheerd met behulp van quota op basis van wetenschappelijk onderbouwde vangstadviezen. Ja, om tot een goede afweging te komen moeten we bouwen op de wetenschap. De zee gedraagt zich niet volgens de tekentafels, is weerbarstig en voortdurend in beweging; iedere visser weet dat. Daarom moeten we oppassen voor de gedachte dat de natuur op zee maakbaar is of dat herstel altijd betekent dat we teruggaan naar een historische of theoretische referentie, terwijl er in de tussentijd door allerlei externe factoren veel kan zijn veranderd. Graag een reflectie van de minister dan wel staatssecretaris hierop.

Recent bleek dat de methode die veel wordt gebruikt, de zogenaamde BISI-methode, niet goed wetenschappelijk is onderbouwd. Deze methode gaat uit van onrealistisch hoge referentiewaarden, die nooit meer bereikt kunnen worden. De heer Vermeer had het daar net ook al over. Mijn oproep is: laten we sturen op daadwerkelijke verbetering van natuur- en visstand. Vanmiddag kwam er een brief van de minister, waarin hij vooral zei: we gaan er nog wat langer over praten. Maar als de methode aantoonbaar niet-wetenschappelijk is, is het dan niet beter om te zeggen: laten we deze methode even parkeren en voor nu overstappen op methoden die wel stevig wetenschappelijk zijn onderbouwd, zoals internationaal erkende modellen van ICES?

Voorzitter. Zo worden de mogelijkheden voor vissers steeds verder beperkt. Onlangs kondigde de minister aan de hele Hollandse kust te verklaren tot een Natura 2000-gebied. Natuurlijk moeten we fatsoenlijk omgaan met onze kust, maar is dit een effectieve en proportionele maatregel? Welke gevolgen heeft dit voor de visserij, energieopwekking en recreatie? Waarom kan er in dit gebied niet worden uitgegaan van duurzaam medegebruik, waar historisch goede papieren voor zijn? De Noordzee is immers nu al de meest gereguleerde zee ter wereld. Is de maatregel echt nodig?

Voorzitter, ten slotte. Je zou het bijna vergeten, maar we praten vandaag ook over de inzet van de minister in de EU. Ik ben daarbij benieuwd naar de stimulering van het ANLb, onder het nieuwe GLB. Ik heb hier in het schriftelijk overleg EU-LVVN vragen over gesteld. De financiering vanuit het GLB voor ANLb en de eco-regeling staat onder druk. Dat terwijl inkomenssteun in de vorm van hectarepremies makkelijker wordt gegeven. Is de minister bereid in EU-verband te pleiten voor het afschaffen of verlagen van de verplichte nationale cofinanciering van artikel 10-maatregelen? Welke andere mogelijkheden ziet hij om in EU-verband te pleiten voor een eerlijke vergoeding voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank aan de heer Grinwis. Dan is het woord aan de heer Jansen van de PVV.

De heer Chris Jansen (PVV):

Voorzitter. De Nederlandse visserij, het fundament van onze kustgemeenschappen van Katwijk en Urk tot Zoutkamp, wordt momenteel systematisch de nek omgedraaid door een verstikkende deken van Brusselse regels en bureaucratie. Wat de PVV betreft moet de prioriteit liggen bij onze eigen vissers en onze voedselsoevereiniteit en niet bij de dramatische groene hobby's van Eurocommissarissen.

Laten we kijken naar de herziene Controleverordening. Vanaf januari 2026 wordt elke gram vis die uit het water komt digitaal geterroriseerd. De 50 kilogramvrijstelling voor het logboek verdwijnt. Elke trip moet tot in het absurde detail geregistreerd worden. Alsof dat nog niet genoeg is, dreigt Brussel vanaf 2028 met verplicht cameratoezicht aan boord. De PVV vindt dit een ongekende schending van de privacy van onze vissers. Waarom worden hardwerkende ondernemers behandeld als potentiële criminelen, die 24/7 in de gaten gehouden moeten worden? Is de staatssecretaris bereid dit bigbrotherbeleid in Brussel te blokkeren?

De evaluatie van het EMFAF-fonds is vernietigend. De uitvoeringskosten zijn erg hoog en het bereik voor innovatie in de visserij is bedroevend laag. Miljoenen gaan op aan IT-projecten voor handhaving en administratie, terwijl de vloot krimpt. Kan de staatssecretaris uitleggen waarom we überhaupt nog aan dit fonds meedoen als het geld vooral naar ambtenaren en computers gaat in plaats van naar de vissersvloot?

Dan de pulskorvisserij. Dit Nederlandse succesverhaal is door Brussel opgeofferd op het altaar van Frans protectionisme. We spreken nu over kiwikuilen en andere alternatieven, terwijl de meest duurzame techniek op de plank ligt te verstoffen. Is het kabinet al bezig met herintroductie af te dwingen? Welke landen staan hiervoor open? Graag een update over waar we nu staan.

Ook wil ik het hebben over de Visie op voedsel uit zee. Er wordt gesproken over een multifunctionele zee, maar visserij moet wijken voor windparken en natuurgebieden. De PVV ziet een toekomst waarin de visserij de hoofdrol speelt, niet een waar zij moet wijken voor groene gekkies en onrendabele duurzaamheid. Als het zo doorgaat, worden we voor onze vis volledig afhankelijk van import van kweekzalm of Aziatische garnalen. Is er in 2050 nog plek voor een trotse onafhankelijke Nederlandse vissersvloot of is het kabinet slechts de begrafenis van de sector aan het regisseren?

Voorzitter. Ruim een week geleden ben ik op werkbezoek geweest bij het bedrijf Cornelis Vrolijk in Scheveningen, een mooi familiebedrijf dat sinds 1880 actief is. We hebben gesproken over wat hen bezighoudt en welke kansen en bedreigingen zij zien. Daarnaast heb ik gesproken met vertegenwoordigers van de pelagische visserijsector. Er is onduidelijkheid of de steunmaatregelen vanwege de torenhoge prijs van diesel ook voor deze ondernemers gaan gelden. Daarnaast zijn hun visquota onnodig lager geworden omdat de EU heeft zitten slapen toen Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Faeröer en IJsland een groter aandeel van de makreelquota opeisten. Graag een reactie op beide punten door de staatssecretaris. Het kan toch niet zo zijn dat hij de laatste drie familiebedrijven aan hun lot overlaat?

De mosselkwekers in de Oosterschelde hebben te maken gehad met massale sterfte. En wat doet Nederland? We vragen toestemming aan Brussel om huur kwijt te schelden, en Brussel zegt simpelweg: nee, want de oorzaak is onbekend. Kunnen we dan helemaal niets meer zelf beslissen? De geboden energie-efficiencyregeling is een doekje voor het bloeden dat de acute financiële nood niet oplost.

Als laatste de garnalensector. Die wordt geconfronteerd met de saneringsregeling die feitelijk de vernietiging van een derde van de vloot betekent. Ondertussen worden de vissers die overblijven, gedwongen tot investeringen in black box-systemen en SCR-katalysatoren, terwijl ze niet eens weten of hun natuurvergunning standhoudt bij de rechter. Het is vissen in totale onzekerheid. De PVV eist dat de voedselzekerheid zwaarder weegt dan de dwingende eisen van de Habitatrichtlijn, die onze visgronden in visvrije zones verandert. Graag een reactie van de staatssecretaris.

De voorzitter:

Dank aan de heer Jansen. Meneer Flach, SGP.

De heer Flach (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Het is op de kop af tweeënhalf jaar geleden dat mijn voorganger Roelof Bisschop het visserijdossier overdroeg. De visserij liet hem echter niet los. De mooie uitvoeringsagenda Voedsel uit Zee die onder zijn leiding tot stand is gekomen, vraagt om actie. Een hoofdpunt is het borgen van ruimte voor voedselwinning op zee. Een dikke streep eronder. Hoe gaat het kabinet daaraan bijdragen? De druk op de Noordzeevisserij is enorm. Tot 2030 is er al 10% tot 15% vangst- en inkomensverlies.

Het aantal windparken neemt daarna alleen maar verder toe. Nu wil de minister ook nog de hele Hollandse kust aanwijzen als Vogelrichtlijngebied. Hier maak ik me grote zorgen over. Wat gaat dat betekenen? Deze vraag stel ik tegen de achtergrond van een dieperliggend probleem, dat al het natuurbeleid raakt, of het nu om het Waddenzeebeheerplan gaat of de Doggersbankvergunning. Te vaak worden theoretische maxima als uitgangspunt genomen waardoor de visserij als bad guy snel aan het kortste eind trekt. Dit werd recent heel scherp neergezet door professor Van der Meer. Nederland grijpt vaak naar de zogenaamde BISI-methodiek om zee-ecosystemen te beoordelen. Het jaar waarin de meeste exemplaren van een soort werden aangetroffen, is dan de referentie. Wetenschappers geven aan dat je ook kunt kiezen voor een gemiddelde waarde. In het eerste geval scoren vissoorten zeer ongunstig. In het tweede geval scoren ze matig ongunstig en bijna groen. De minister lijkt het weg te wuiven. Ja, er staat hier "minister", maar het gaat in dit geval om de staatssecretaris. In de praktijk maakt dit wel een verschil. Vorig jaar ging een vergunning onderuit, mede vanwege de overstap op de BISI-methodiek waardoor de rechter veronderstelde dat er sprake was van verslechtering. Dit zat helaas ook zo in de Habitatrichtlijnrapportage. Erkennen de bewindslieden de impact van dit soort beslissingen? En hoe gaan ze zorgen voor een meer realistische koers? Kortom, hoe gaat het kabinet de ruimte voor voedselwinning op zee borgen, op papier en in de praktijk?

Dan de nadeelcompensatie voor pulsvissers. De staatssecretaris buigt zich naar de rechterlijke uitspraken over nadeelcompensatie voor ex-pulsvissers. Zij hadden geïnvesteerd in de toekomst, maar kregen de pin op de neus. Hoe gaat de staatssecretaris dit oppakken? Wanneer horen deze vissers meer? En kan de staatssecretaris ons ook even meenemen in zijn aanpak om in Europa de pulskor weer bespreekbaar te maken? Goed dat hij zich inzet voor een beter werkbaar Europees visserijbeleid. Ik zie dat Brussel fors wil bezuinigen op het visserijfonds. Tegelijkertijd worden vissers en innovaties als de pulskor gedwarsboomd en is modernisering van de vloot nodig. Gaat de staatssecretaris deze discrepantie aankaarten?

Op kotters werken ook buitenlandse werknemers omdat Nederlandse jongeren de visserij steeds minder aantrekkelijk vinden. Het grote knelpunt is dat buitenlandse werknemers voor werk binnen de 12 mijlszone een tewerkstellingsvergunning moeten hebben. Dat zorgt voor gedoe en onzekerheid. Andere scheepvaartsectoren hebben een vrijstelling. Wil het kabinet dit ook voor de visserij regelen?

Dan komen we bij de rivierkreeften. Die moeten op grote schaal weggevangen kunnen worden. De staatssecretaris gaat naast beroepsvissers ook waterschapsmedewerkers ruimte geven om met selectief vistuig rivierkreeften te vangen. Ook dan komen waterschappen handen tekort. Wordt met hen gekeken naar ruimte om onder voorwaarden hobbyvissers in te schakelen? Ik mis hier het urgentiebesef.

Tot slot, voorzitter, de landbouw. Brussel heeft het budget in de landbouwcrisisreserve bijna verdubbeld. Hoe gaan de bewindslieden ervoor zorgen dat de Nederlandse boeren hier gebruik van kunnen maken? Voor de langere termijn heeft Brussel minder op met de landbouw. Zo wil de Europese Commissie het budget voor producentenorganisaties ten laste laten komen van de nationale GLB-envelop. Gaat de minister dit voorkomen? De SGP heeft daarnaast grote moeite met de grootschalige import van kooieieren uit Oekraïne. Het is een ongelijk speelveld voor onze pluimveehouders. Het land verdient steun, maar dan graag op een andere manier. Dit is geen fair trade. Wil de minister dit aankaarten?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank aan de heer Flach. De heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Mensen vissen al tienduizenden jaren en wat ons betreft gaan ze daar ook nog tienduizenden jaren mee door, op zee en op onze binnenwateren.

Ten eerste complimenten voor de inzet voor de pulsvisserij. Het is heel goed dat dat nu serieus wordt opgepikt. Het blijft natuurlijk te zot voor woorden dat die techniek niet zou kunnen. Het is gewoon beter voor de natuur, het bespaart energie en het is ook beter voor de vissers, dus dat moet gewoon terugkomen.

Dan nog even over de onderhandelingen die nu gaande zijn tussen de EU en Mauritanië. Dat dreigt nu niet goed te gaan. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat daar een goede deal uit rolt, ook voor Nederlandse vissers, met voldoende vangstmogelijkheden en goede zones voor ons? Dat vergt nu aandacht.

Dan over de historische havens, de aanlandhavens. Er is een heel stel havens waar al heel lang elke week vis wordt gelost. Een paar maanden geleden werd opeens besloten dat dat niet meer kon en begon het boetes te regenen. JA21 heeft daarover een motie ingediend, maar nu wordt nog steeds een aantal havens afgewezen. Die zouden niet voldoen aan de regels. Vissers zouden dan maar gewoon moeten doorvaren, maar door wind en weer op het IJsselmeer kan dat soms niet of is dat gewoon gevaarlijk. Waarom zou je eigenlijk niet gewoon vis mogen lossen in Holwerd, Makkum of Stavoren? Ik wil de staatssecretaris graag verzoeken om hierover nogmaals in gesprek te gaan met de vissers die het betreft. Volgens mij kun je hier gewoon uit komen.

Dan over de paling. Dat blijft natuurlijk een fascinerende vis. Aristoteles vroeg zich al af hoe die zich in hemelsnaam voortplant. Dat was 2.000 jaar een mysterie. Het is eigenlijk nog steeds een mysterie. Maar we moeten er natuurlijk hoe dan ook voor zorgen dat die populatie zich gaat herstellen. Dat kan alleen als de migratieroutes gewoon op orde zijn. Het lijkt er nu op dat veel van die palingen worden geknakt. Het gaat om mechanische schade door schroeven en gemalen. Dat blijkt uit observaties van de sportvisserij. Wordt dat nu onderzocht? Kan de staatssecretaris dat meenemen? We moeten sowieso zo veel mogelijk van die obstakels verwijderen. Kan dat worden meegenomen in de uitvoering van onze eerdere motie daarover? Kijk ook naar überhaupt de invloed van waterbeheerkunstwerken op de overleving van de schieraal.

Dan de aanwijzing van de Hollandse kust als Natura 2000-gebied. Ik heb daar nog geen duidelijke onderbouwing van gezien. Ik heb twee stukken daarover gelezen. Dat zou verplicht zijn op grond van de Vogelrichtlijn. Ik wil daar graag een second opinion op. Ik denk dat het sowieso goed is om dat ontwerpbesluit niet ter inzage te leggen voordat de Kamer zich daarover heeft kunnen buigen. Ik vind sowieso dat er dan een extra lange periode zou moeten komen, als het al ter inzage wordt gelegd. Maar goed, laten we het eerst in de commissie bespreken. Ik vind ook sowieso dat we het Natuurplan ook even in deze commissie moeten bespreken, voordat het definitief naar Europa gaat.

Dan de hele discussie over de staat van de natuur in de Waddenzee en elders. Het is gewoon heel treurig dat dingen zo op scherp worden gesteld dat de vissers en de natuurorganisaties zo tegenover elkaar komen te staan. Het is ook gewoon onnodig. Je moet daar gewoon met elkaar uit kunnen komen, maar dan moet je dus wel realistische natuurdoelen en referenties opstellen en je moet duidelijk en transparant zijn over wat nou de politieke keuzes zijn. Ik blijf het herhalen: je moet onderscheid maken tussen wat juridisch, Unierechtelijk verplicht is en wat aanvullende wensen zijn. Dat zit dus ook in hoe je die referentiewaarden vaststelt. Ik wil daar graag een reactie op.

Ik heb het over de BISI-methode, maar ook over wat men heeft vastgesteld voor de Waddenzee, dus voor verschillende vissen. Waarom kies je de maxima uit die tijdreeksen voor zo veel soorten? Waarom doe je dat? Hoe doen andere landen in Europa dat? Welke methodes gebruiken ze daar? Ik denk dat hoe je die precies vaststelt, uiteindelijk ook een politieke keuze is. Het is niet zo dat er één neutrale wetenschappelijke keuze is van welke referentiewaardes je gebruikt. Daar moet je nu eenmaal, gezien de juridische gevolgen, ook met elkaar over in gesprek. Ik wil dus ook het verzoek neerleggen om heel transparant en duidelijk aan ons voor te leggen welke keuzes er worden gemaakt en welke eventuele andere keuzes er mogelijk zijn.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank aan de heer Boomsma. Meneer Meulenkamp van de VVD.

De heer Meulenkamp (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD staat voorop dat natuurherstel zorgvuldig, proportioneel en op basis van robuuste wetenschappelijke inzichten moet plaatsvinden. Recent heeft hoogleraar Jaap van der Meer -- hij is vandaag al een aantal keer genoemd -- tijdens een rondetafelgesprek aandacht gevraagd voor de wijze waarop de ecologische toestand van de Noordzee wordt beoordeeld. Hij plaatst kanttekeningen bij de BISI-methode, die onder meer wordt gebruikt binnen het natuurherstelbeleid. Hij wees op andere indicatoren. De VVD heeft vandaag kennisgenomen van de reactie van de minister op de positionpaper van de heer Van der Meer. De minister geeft aan dat hij aanleiding ziet voor een vervolgtraject rondom de wetenschappelijke onderbouwing van de indicator. Kan de minister vertellen welke concrete vragen hij in het aangekondigde vervolgtraject wil gaan onderzoeken? Hoe borgen de staatssecretaris en de minister dat beleidskeuzes worden gebaseerd op een zo volledig mogelijk wetenschappelijk beeld? Dat is in onze ogen toch wel de essentie van het beleid.

Daarnaast ziet de VVD kansen om de kennis en praktijkervaring van de vissers beter te benutten. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de visserijsector zelf nadrukkelijker te betrekken bij de monitoring van visbestanden en de staat van de natuur op zee?

Voedselzekerheid. Vis, schaal- en schelpdieren vormen een hoogwaardige bron van eiwitten en essentiële voedingsstoffen en kunnen een belangrijke rol spelen in een toekomstbestendige voedselvoorziening. De seafoodsector -- zo noemen ze zichzelf -- beschikt over veel kennis en innovatiekracht. Juist in een wereld waar voedselzekerheid steeds belangrijker en actueler wordt, verdient deze sector wat de VVD betreft een volwaardige plaats in het bredere debat over de voedselvoorziening van de toekomst. Daarom vraagt de VVD de staatssecretaris welke mogelijkheden hij ziet om seafood nadrukkelijker te betrekken bij toekomstige analyses, scenario's en rapportages over voedselzekerheid. Tot nu toe komt deze sector daar eigenlijk niet in voor.

De Nederlandse ondernemers in de groente- en fruitsector ontvangen een EU-subsidie voor gezamenlijke investeringen in kwaliteit en verduurzaming. In 2025 ging het om een bedrag van 165 miljoen euro, betaald uit een apart Europees potje, los van het Nederlandse GLB-budget. De VVD kijkt kritisch naar het voorstel van de Europese Commissie om deze steun voortaan te financieren uit het nationale GLB-budget. Deelt de minister deze zorg dat dit voorstel ten koste kan gaan van andere onderdelen van het GLB en is hij bereidt zich in Brussel in te zetten voor behoud van aparte Europese financiering voor deze steun?

Een laatste kopje over kunstmest. De spanningen in het Midden-Oosten laten zien hoe kwetsbaar onze voedselproductie kan zijn voor geopolitieke ontwikkelingen. Hogere energieprijzen werken direct door in de kosten van kunstmest en raken daarmee niet alleen de Nederlandse boeren, maar uiteindelijk iedere consument in Nederland. De VVD vindt het daarom positief dat de Europese Commissie kijkt naar de inzet van de landbouwcrisisreserve. Voor Nederland gaat het om een bedrag van circa 23 miljoen euro. Het is in onze ogen van belang dat deze eventuele steun snel en uitvoerbaar bij onze boeren terechtkomt. Voor de VVD lijkt een uitkering via de basisbetaling een logische route. Dat is eenvoudig, uitvoerbaar en kent beperkte administratieve lasten, zowel voor de boeren als voor de RVO. Kan de minister aangeven hoe hij hierover denkt?

Dank u wel.

De voorzitter:

Met veel dank aan de heer Meulenkamp. Mevrouw Vellinga-Beemsterboer van D66.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Dank u wel, voorzitter. We hadden al geconstateerd dat visserij een groot onderdeel is van de agenda in de komende Landbouw- en Visserijraad. Daarom zoom ik daar in mijn bijdrage ook op in. Nederland is namelijk een land van visserij. Al eeuwenlang varen Nederlandse vissers de zee op. Meerdere van ons hebben dat al gezegd. Maar Nederland is ook een land van verandering, van innovatie. Ook dat is al gezegd. Waar wij ooit nog met een hengel of een klein roeibootje te werk gingen, varen er nu hyperefficiënte boomkorkotters. Helaas is dit niet zonder gevolgen voor de natuur. Daarom is het nu hoog tijd om onze innovatiekracht in te zetten voor een duurzame toekomst van de visserij, juist zodat we over honderd jaar nog steeds de Noordzee op kunnen varen en met een net vol vis terug kunnen keren.

Er zijn ook veel vissers aan hard aan de slag om dit waar te maken. Ik sprak vorige week met Stefan, een jonge visser uit de kop van Noord-Holland. Hij komt uit een familie die al meer dan 200 jaar vist en wil dat graag doorzetten, maar wel op een toekomstbestendige manier, zodat ook zijn kleinkinderen visser kunnen worden, mochten ze dat willen. Stefan, en met hem talloze andere jonge vissers, staan te popelen om te werken aan de visserij van morgen. Laten we hun dan ook de kans bieden dit mogelijk te maken. Daarom wil ik het precies daarover hebben: de visserij van morgen, het contingentenstelsel en de kansen van innovatieve aquacultuur.

We moeten deuren openen in plaats van sluiten voor innovatieve vissers zoals Stefan. Het is dus belangrijk om verdere innovatie te stimuleren en het gebruik van bestaande duurzame visserijtechnieken aan te moedigen. Het belangrijkste hierbij is dat innovatieve vissers voldoende zekerheid krijgen dat er in de visserijvloot van de toekomst ook voldoende plek voor hen is. Wat is in de visie van de staatssecretaris de optimale verdeling van verschillende voedselbronnen uit zee? Hoe stuurt hij hierop? Hoe stimuleert de staatssecretaris dat visserijtechnieken die een kleinere ecologische impact hebben een groter aandeel van onze vangst op zullen leveren ten opzichte van schadelijke technieken als bodemberoerende visserij?

Voorzitter. Om deze weg naar een duurzamer visserijsysteem vorm te geven, zijn bepaalde veranderingen nodig. De staatssecretaris werkt aan de broodnodige herziening van het huidige Nederlandse systeem voor visrechten, oftewel het contingentenstelsel. Deze herziening biedt dan ook een perfecte kans om zulke veranderingen teweeg te brengen en echte kansen te creëren voor een nieuwe generatie vissers. Ook hierover heb ik een aantal vragen.

De voorzitter:

Voordat u die vragen stelt, heeft u een interruptie van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Een beetje een opendeurvraag, maar ik stel hem toch. Ik luisterde goed naar het betoog van mevrouw Vellinga over de bodemberoerende vistechnieken. Ik ga er dus van uit dat ook D66 de pulskor als de innovatie ziet waarvoor we moeten strijden, ook in Europees verband.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Die vraag had ik natuurlijk wel een beetje verwacht. Pulskor is niet de enige innovatie die mogelijk is. Wij zien dit als een stap binnen een programma van steeds meer innovatievere en duurzamere visserijtechnieken. Pulskorvisserij brengt nog steeds schade toe aan de zeebodem. Er zijn nog steeds heel veel dingen op aan te merken. We willen dus dat het daar niet stopt en willen verder kijken naar wat we nou echt kunnen doen om te zorgen dat je voor de langere termijn een duurzame visie voor de visserij kan neerzetten. Het stopt niet bij de pulskor.

De heer Flach (SGP):

Toch minder een open deur dan ik had gehoopt, want hier ligt al een innovatie die klaar is. Tot grote frustratie en met bijna traumatische gevolgen is die op de plank komen te liggen in visserijgemeenschappen. Om überhaupt nog te praten over innovatie, zul je toch eerste die no-brainer van die plank moeten halen. Je zult moeten zien dat dit zo beperkt bodemberoerend is en een enorme besparing op brandstof biedt om te kunnen besluiten dit in ieder geval eerst te doen. Dat je daarna niet stopt met nadenken, prima. Maar zullen we met elkaar afspreken dat we deze innovatie als speerpunt in de Europese lobby inzetten?

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Ik herhaal: voor ons kan dat wel echt alleen als we ook zicht hebben op hoe we verder gaan denken. Dat het traumatisch was, snap ik, want vissers hebben hierin geïnvesteerd. Als Nederland hebben we een beetje meer ruimte genomen en het voor onszelf verpest. Daarin hebben we wat goed te maken. Als stap richting een meer duurzame visserij staan wij hiervoor open.

De voorzitter:

Dan ga ik naar de heer Grinwis, want die heeft ook nog een vraag. O, meneer Flach voor zijn derde interruptie. Prima.

De heer Flach (SGP):

Ik wilde 'm afronden met de opmerking dat het maar een kleine sector is. Als we hier geen comfort op bieden en als we dit niet terughalen als het vis-ei van Columbus gaat er in die sector nooit meer bereidheid komen om te innoveren. Als het zo makkelijk onder je vandaag getrokken kan worden, waarom zou je als kleine sector dan nog zo je nek uitsteken en op zoek gaan naar nieuwe technieken? Ik denk dat het zelfs randvoorwaardelijk is om te komen tot innovatie in de toekomst.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Dat was een statement.

De voorzitter:

Heel goed. Meneer Grinwis, statement of vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Aansluitend op collega Flach vind ik de reactie van collega Vellinga wat terughoudend. Beseft zij wel dat er 35 jaar onderzoek in de pulskor zit en dat, nadat pulskor uit kinnesinne door het Europees Parlement is verboden, er nog maar enkele tientallen boomkorkotters resteren? Als we deze innovatie niet omarmen, hebben zij het nakijken en is straks misschien de operatie van mevrouw Vellinga geslaagd, maar de patiënt overleden.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

We gaan er natuurlijk niet voor om de patiënt te laten overlijden. Dat u zegt dat er 35 jaar onderzoek aan vooraf is gegaan, laat zien hoe belangrijk het is dat we met z'n allen gaan inzetten op een bredere toekomstvisie en een langetermijntoekomstvisie. Ik hoor meerdere mensen zeggen dat als wij toekomst willen voor de visserij, we moeten ontwikkelen. Het moet dan niet 35 jaar gaan duren voordat nieuwe ontwikkelingen in de praktijk worden gebracht. Daar pleit ik hier voor. We moeten niet stoppen bij de ontwikkeling die we al hebben en denken: "Mooi, die hebben we. Laten we die inzetten en dan gaan we rustig nog eens 35 jaar nadenken". Nee, er moet een langetermijnvisie komen te liggen waarbinnen pulsvisserij een stap op de ladder is, maar niet het einde van de ladder.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Natuurlijk is het niet het einde van alles en moeten we niet op onze lauweren rusten tot de pulskor weer terug is. Ik vraag begrip van mevrouw Vellinga, en wil haar dit ook meegeven voor haar afwegingen, voor het feit dat het niet eenvoudig is om in zo'n kleine sector een innovatieprogramma draaiende te houden en daar animo voor te houden. Vissers moeten op hun schip allerlei zaken toestaan. Als ze op een gegeven moment een succesvolle innovatie hebben -- wat geen sinecure is blijkens de 35-jarige ontwikkeling van de pulskor -- die vervolgens bij de handen wordt afgebroken door een of andere autoriteit, in dit geval het Europees Parlement die het werk onmogelijk maakt, is dat niet eenvoudig. Ik zou graag iets meer besef willen zien van hoe ingewikkeld het is om in zo'n klein sector nog een grensverleggende nieuwe innovatieroute te beginnen als je die oude innovatie, die fantastisch is, niet mag toepassen. Dat is wat ik aan D66 en het kabinet wil meegeven: blijf met extra visie en vaart strijden voor oude innovaties die er al zijn en voor nieuwe innovaties die nog onbekend zijn.

De voorzitter:

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer, u rondt af denk ik.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Ik hoorde meer een statement dan een vraag. De heer Grinwis vindt mij aan zijn zijde in het besef dat dit een kleine sector is die een grote ontwikkeling moet doormaken. Dat zien wij ook. Juist daarom is het zo belangrijk dat wij als overheid de juiste randvoorwaarden scheppen. Maar ik pleit er, nogmaals, wel voor dat we hier breed naar kijken. Er zijn jonge, innovatieve, vissers, die buiten de gebaande paden durven te denken en die niet alleen durven te denken in wat we hadden en hoe we daaraan kunnen sleutelen, zodat we het zo veel mogelijk kunnen behouden. Het zijn vissers die denken: wat als ik het helemaal anders ga doen; wat heb ik dan nodig en wat moet er dan mogelijk worden gemaakt? Ik sluit mij aan bij de oproep aan de staatssecretaris: hoe kunnen we dat mogelijk gaan maken en hoe kunnen we ervoor zorgen dat we dat vanuit Den Haag gaan ondersteunen, zodat de visserij een supermooie toekomst tegemoet kan gaan?

De voorzitter:

Het lid Kostić wil hier graag een vraag over stellen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, toch wel. Het gaat hier heel vaak over de vissers -- dat is uiteraard terecht -- maar het gaat eigenlijk nooit over de vissen. Dat zijn toch de slachtoffers. Er worden ongeveer 4 miljard vissen per jaar gevangen door de Nederlandse vissers. Dat gebeurt met brute kracht. Ze worden onverdoofd opengesneden, de ruggengraat wordt van de hersenen gescheiden, ze stikken langzaam. Soms lijden ze urenlang aan boord. Vreselijk. We hebben van onze eigen Raad voor Dierenaangelegenheden te horen gekregen dat daar echt meer wettelijke bescherming voor moet komen. Kan ik D66 aan onze zijde vinden om de staatssecretaris op te roepen om nu echt, na al die jaren wachten en weinig doen, met maatregelen te komen om de vissen te gaan beschermen?

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Dit is voor mij onderdeel van de ontwikkeling die we in de visserijsector zien. Ik vind het heel mooi dat Partij voor de Dieren, bij monde van lid Kostić, hier zo nadrukkelijk om vraagt. Ik vind ook dat de staatssecretaris al goed heeft aangegeven dat hij hiernaar gaat kijken. Dit lijkt me iets heel moois om aan te moedigen. Laten we kijken hoe we de visserijsector diervriendelijker kunnen maken.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

In 2022 is de herziening van het contingentenstelsel aangekondigd. Op welke termijn verwacht de staatssecretaris dat deze herziening volledig uitgevoerd kan worden? Kan de staatssecretaris toezeggen het nieuwe contingentenstelsel vorm te geven op een wijze die een toekomstbestendige visie realiseert en meer kansen biedt voor duurzame en innovatieve vissers? Is de staatssecretaris bereid om in het nieuwe contingentenstelsel expliciet ruimte te bieden voor vissers, die experimenteren met nieuwe technieken om zo innovatie te stimuleren?

Dan nog even aquacultuur. Nederland is een land van verandering. Het is dan ook aan ons om deze kracht in te zetten voor nieuwe duurzame manieren om voedsel uit zee te krijgen. Ik ben blij te horen dat de staatssecretaris de subsidiemodule voor innovatie in de aquacultuursector heropent, maar volgens mij kunnen we nog meer doen. Daarom heb ik nog een vraag aan de staatssecretaris. Op welke wijze werkt de staatssecretaris samen met andere Noordzeelanden ter bevordering van de innovatieve aquacultuursector? Aquacultuur en passieve visserij in windparken hebben naast een economische kant vaak ook een positieve en natuurversterkende impact, die we zouden moeten stimuleren. Onderzoekt de staatssecretaris in dat kader of deze sectoren in aanmerking kunnen komen voor aanvullende Europese subsidies voor natuurherstel?

Om de visserij voor de toekomst te behouden, moeten we veranderen en ontwikkelen. De nieuwe generatie vissers, zoals Stefan, staat klaar om deze veranderingen te maken. Laten we hen daar ook vooral zo goed mogelijk bij ondersteunen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Top getimed, mevrouw Vellinga-Beemsterboer, ware het niet dat u nog een interruptie heeft van het lid Kostić. Het is haar laatste interruptie.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Misschien heb ik het gemist, maar we hebben natuurlijk het nieuws gekregen dat het kabinet in beroep gaat tegen de uitspraak van de rechter over de vergunningen voor sleepnetvisserij bij de Doggersbank. Nu weten we dat het slecht gaat met de natuur. D66 kunnen we aan onze zijde vinden om daarop te wijzen. Vindt D66 ook dat het echt zonde is van alle tijd, capaciteit en middelen van het kabinet en dus van de belastingbetaler om in hoger beroep te gaan? Vindt D66 ook dat de uitspraak van de rechter gewoon moet worden gerespecteerd en dat de natuur moet worden beschermd?

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Ik moet tot mijn schande bekennen dat ik deze uitspraak even niet helemaal scherp heb. Voordat ik heel veel onzin ga uitkramen, kan ik dat beter direct toegeven. Ik weet wel dat de staatssecretaris hierop heeft gereageerd met een uitleg die ik plausibel vond. Ik ben het wel met u eens dat we natuurlijk hele goede afspraken moeten maken over die gebieden. Wanneer het afgesloten wordt, is het ook afgesloten. Dat vraagt wel dat we de visserijsector en de natuursector duidelijkheid geven. Daar vindt u mij aan uw zijde, zoals u al zei.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk naar mevrouw Bromet. U gaat de rij sluiten vandaag.

Mevrouw Bromet (PRO):

Dank u wel. Net in een interruptie met de heer Lohman had ik het erover dat ik de dag na het debat nog zo boos was. Ik dacht: hoe komt dat nou? Ik denk dat dat komt omdat wij als Kamer in het voortraject hier wetenschappers hadden uitgenodigd die zeiden: doe dit niet met die Omnibus in Europa. We hadden de avond voor het debat nog een auteur van een boek die ook zei: doe het niet. Op de ochtend van het debat kwam het Ctgb-advies dat ook zei: de veiligheid van mens, dier en milieu kan niet worden gegarandeerd. Dan wordt er na een debat toch voorgestemd.

Zoals ik net al zei, had ik expres een motie ingediend om ons te onthouden van stemming, zodat we aan tafel zouden blijven en wel invloed zouden hebben. Nu staat Nederland met lege handen. Wij hebben voorgestemd, dus wij zijn al akkoord met een compromis dat geen steun verdient. Ik ben heel benieuwd hoe de staatssecretaris gaat uitleggen wat er allemaal precies gebeurd is en of hij ook vindt dat hij zelf een inschattingsfout heeft gemaakt. Ik verwijt het ook mijn collega's hier. Als je dat allemaal aanhoort en als je die informatie in het voortraject allemaal krijgt, waarom stem je dan in godsnaam in met zijn voorstem?

Voorzitter. Ik zal straks, vanavond om 22.00 uur, een motie indienen waarin ik de staatssecretaris zal vragen om zijn afkeuring uit te spreken over het proces, want daar is in ieder geval niemand gelukkig mee geweest. Ik denk dat we het daarover eens zijn, maar daar moeten we natuurlijk wel iets mee doen. Ik ben benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris over vorige week.

Dan over de visserij.

De voorzitter:

Mevrouw Bromet, voordat u verdergaat heeft u een interruptie van de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Is mevrouw Bromet het met mij eens dat de keuze om voor te stemmen bleek uit de stemmingen in de Tweede Kamer en dus gewoon een democratisch besluit was?

Mevrouw Bromet (PRO):

Ja, maar daar was ik helemaal niet blij mee. Als je Kamerlid bent en bent aangesteld om de regering te controleren, als je een heel circuit optuigt van wetenschappers die een advies geven en een auteur van een boek uitnodigt en als het Ctgb een advies geeft, dan begrijp ik niet dat je blind achter de staatssecretaris aanloopt. Daar waren mijn kritiek en mijn woede op gericht.

De heer Vermeer (BBB):

Zou mevrouw Bromet in overweging willen nemen dat er ook Kamerleden zijn die gewoon zelf een besluit nemen en dat niet laten afhangen van wat de staatssecretaris daarvan vindt? Zij nemen gewoon hun politieke verantwoordelijkheid om adviezen te wegen in plaats van dat ze welk advies dan ook blind overnemen.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ten eerste weet ik niet wat de weging is als je alleen maar adviezen krijgt om iets niet te doen en het dan wel doet. Daarin zie ik geen weging. Ik ben de eerste die zal betogen dat wat wij hier dagelijks doen een politieke belangenafweging is. Als ik kijk naar dit belang, het belang van de gezondheid, het belang van het milieu en het belang van de dieren in Nederland, dan kan ik me haast niet voorstellen dat je zegt: wij kiezen voor het belang van de chemische industrie. Dat heb ik de voorstemmers ook niet horen zeggen, en ook niet: wij kiezen voor het belang van de boeren omdat wij denken dat de boeren daarmee geholpen zijn. Er is gekozen voor "ik wil de staatssecretaris niet afvallen" of "ik vertrouw de staatssecretaris". Dat is ook hardop gezegd. Dat is niet hoe ik in de politiek zit, ook niet als ik ooit in een coalitie kom. Ik ben hier om mijn eigen afweging te maken. Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling. Ik hoop dat dat een les is, ook voor de Kamerleden die volgens mij deze vergissing hebben gemaakt.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik vind dat gemopper nu best raar, want volgens mij zijn er zat partijen die gewoon hun eigen afweging hebben gemaakt. Onze afweging is dat wij tegenstemmen niet goed vonden. Ons van stemming onthouden vonden wij ook niet goed. Dan blijft er één andere keuze over. Daarin hebben wij gewoon een weloverwogen afweging gemaakt. Daar komt bij dat een deel niet is overgenomen van wat de Kamer in meerderheid had voorgesteld en wat is meegenomen door de staatssecretaris naar Brussel. Dat vonden wij een hele goede zet, want wij waren daartegen. Wij waren dus blij met de minder scherpe aanscherping, om het zo maar te zeggen. Ook dat was voor ons een overweging om deze stemming op die manier in te gaan. Ik denk dus dat mevrouw Bromet gewoon moet accepteren dat een meerderheid iets vindt. Ik heb dat ook heel vaak. Ik vind dat dan ook heel jammer, maar het is wel de realiteit.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ik ben de eerste die meerderheden respecteert, dus daar gaat dit ook helemaal niet over. Dit gaat over iets anders, waar ik me in het debat ook heel erg aan heb gestoord. Er zitten hier een heleboel partijen op een rij die er ongeveer hetzelfde in zitten en helemaal niks zeggen over het belang van gezondheid voor mensen en de angst die mensen hebben om een ziekte te krijgen als gevolg van bestrijdingsmiddelen, waarvan we weten dat ze overal zitten. We zitten nu glyfosaat in te ademen! Dat zijn zorgen waar heel veel Nederlanders mee leven, voor wie wij als volksvertegenwoordigers op moeten komen. Ik ben daar teleurgesteld en boos over, omdat er een minderheid in de Kamer is die dat doet. Daar komt ook nog eens bij dat deze hele exercitie totaal mislukt is, omdat wij het verloren hebben in Brussel. We hebben onze hele onderhandelingspositie weggegeven door al akkoord te gaan met iets waar nog geen akkoord op is. Ik vind het dus gewoon een blamage eerste klas! Ik respecteer meerderheden, maar ik mag er wel iets van vinden.

De voorzitter:

Meneer Jansen heeft nog een vervolginterruptie. Daarna ga ik naar de heer Lohman.

De heer Chris Jansen (PVV):

Volgens mij hebben de partijen die niet voor de moties van Partij voor de Dieren en PRO hebben gestemd wel degelijk oog voor de gezondheid van mensen. Dat is ook uitgesproken door alle partijen. Ik durf daar mijn hand voor in het vuur te steken. We hebben dat ook allemaal gememoreerd. We kijken alleen ook naar het belang van de sector. Als gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn, zijn ze nodig, zeker als er geen biologisch alternatief is. Nogmaals, ik denk dat mevrouw Bromet gewoon moet accepteren wat er is gebeurd. Niemand is blij met het proces, zelfs de staatssecretaris niet. We zijn weer terug bij af en we zien vanzelf wel wat hier nu het gevolg van is. Ik ga er ook van uit dat we onder een volgende voorzitter opnieuw met dit verhaal geconfronteerd worden. Dat geeft ons opnieuw de kans om dingen mee te geven aan de staatssecretaris om in Brussel over te kunnen onderhandelen namens Nederland.

De voorzitter:

Ik hoor geen vraag, maar mevrouw Bromet kan kort reageren.

Mevrouw Bromet (PRO):

Het gaat er niet om of je het belangrijk vindt dat mensen beschermd worden. Het gaat erom of het besluit dat in Brussel genomen wordt een garantie is dat mensen beschermd worden tegen de negatieve effecten van bestrijdingsmiddelen. Wij hebben de auteur van een boek hier gehad, die zei dat je die garantie niet hebt omdat in het voorstel onder andere stond dat de herbeoordeling van stoffen niet vaak genoeg meer plaatsvond, of soms helemaal niet. Tegelijkertijd hebben we in het verleden gezien dat er stoffen goedgekeurd zijn waarvan later bleek dat ze helemaal niet zo goed waren en waar mensen ziek van zijn geworden. Dát is waar ik voor opkom. Ik vind het ontzettend jammer dat er niet geluisterd wordt naar wetenschappers of naar een boekauteur die hier is geweest. Er is zelfs niet naar het Ctgb geluisterd. Dat is nota bene een instantie die moet waken voor dit soort effecten. Het is dieptriest dat ik de PVV alleen maar hoor over het gebruik van middelen en de PVV zich nooit -- ik heb er nog naar gevraagd in het debat -- druk maakt over de gezondheid van mensen.

De voorzitter:

Als de heer Jansen een nieuwe vraag heeft, dan mag hij een interruptie plegen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Volgens mij heb ik nog zat interrupties, dus wat dat betreft kan ik nog vrolijk doorgaan, voorzitter. Maar weet u wat, ik ga de discussie zelf sluiten. Laat maar. Ik ga er niet eens meer op in, want ik geef mevrouw Bromet alleen maar extra podium. Ik laat het hier dus gewoon bij. Ik wil wel nog een keer benadrukken dat volksgezondheid voor ons absoluut van belang is. Dat heb ik meerdere keren uitgesproken. Er wordt net wéér wat anders beweerd. Ik vind dat werkelijk te onzinnig voor woorden. Maar goed, mevrouw Bromet gaat over haar eigen woordkeuze.

De voorzitter:

Ik ga naar de heer Lohman.

De heer Lohman (CDA):

Ik heb toch behoefte om kort te reageren. Ik begrijp de woede van mevrouw Bromet heel goed. Ik heb ook in mijn inbreng aangegeven dat het een ingewikkelde afweging is geweest. Ik denk toch ook dat mevrouw Bromet en ik net een ander beeld hebben van wat er nodig is voor de transitie naar een gewasbeschermingsbeleid dat ervoor zorgt dat we geen of minder negatieve effecten op mens, dier en milieu hebben. Ik heb veel gesproken met telers die echt behoefte hebben aan de toelating van die groene middelen voor een heel ander gewasbeschermingssysteem. Er zaten een aantal elementen in die Omnibus die echt nodig zijn. Nogmaals … Moet ik tot een vraag komen, voorzitter?

De voorzitter:

Ja.

De heer Lohman (CDA):

Mijn vraag aan mevrouw Bromet is: hoe kunnen we ervoor zorgen dat we, als we dit achter ons hebben gelaten, in Nederland gezamenlijk werken aan een aanpak, die volgens mij veel overeenkomsten heeft, en samen tot een systeem van gewasbescherming komen met minder impact op mens, dier en milieu? Wat is ervoor nodig om weer in een samenwerkingsstand te komen?

Mevrouw Bromet (PRO):

Dank voor deze vraag, want die is heel belangrijk. Ik kan er ook een heel goed antwoord op geven. In de discussie die we hebben gehad over het steunen van de Omnibus zijn het sneller toelaten van groene middelen, waar wij ook een voorstander van zijn, en het gebrek aan herkeuring van bestaande middelen allemaal op één hoop gegooid. Er is gezegd: als je die herkeuringen maar op de lange baan schuift, dan heb je meer capaciteit over om die groene middelen goed te keuren. Ik begrijp die koppeling niet. Als wij willen dat er meer groene middelen toegelaten worden, dan moeten wij ervoor zorgen dat er in ieder geval capaciteit genoeg is om die groene middelen toe te laten, net zoals we ervoor moeten zorgen dat er genoeg capaciteit is om die herkeuring uit te voeren als blijkt dat er twijfel is over de schadelijke effecten van die middelen. Dat is volgens mij iets waar we het morgen over eens kunnen worden, misschien vanavond al. Ik zou dat dus uit elkaar willen halen en willen vragen aan de staatssecretaris waarom die twee dingen zo vermengd worden, want het is daarmee eigenlijk een valse discussie.

De heer Lohman (CDA):

Dat was deels een antwoord op de vraag hoe we in de samenwerkingsstand komen. Ik denk dat deze vraagstukken belangrijker zijn dan een politieke discussie en boosheid onder partijen, die volgens mij uiteindelijk hetzelfde einddoel hebben. Ik deel met name ook die noodzaak voor de toelating van groene middelen, dus ik beschouw dit als een kleine opening om weer het gesprek te gaan hebben over hoe we, ook in relatie tot wat er in Nederland gebeurt rondom het convenant, ook politiek kunnen gaan samenwerken om boeren en telers verder te helpen en te zorgen dat we tot een systeem komen met minder druk op mens, dier en milieu. Dat is geen vraag, maar daar laat ik het bij.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ik zou er toch op willen reageren. Ik sta altijd open voor politieke samenwerking. "Politieke samenwerking" is my middle name, maar samenwerking komt natuurlijk niet van maar één kant. Het is niet zo: Laura Bromet mag meewerken aan de plannen A, B, C, D, E en F. Ik wil ook weleens erkenning voelen in de politieke samenwerking voor compromisvoorstellen die wij doen. Wij zijn hier niet de stempelmachine van een minderheidscoalitie. Wij hebben ook onze eigen eisen en wij willen daar respect voor ontvangen. Ik ben nog op zoek -- misschien speelt dat in de hele discussie ook wel mee -- naar wat de coalitiepartijen nou eigenlijk met PRO in het algemeen willen. Wij hebben namelijk een hele belangrijke positie in de Eerste Kamer die wij graag willen verzilveren door een politieke samenwerking. Dat zeggen we elke dag, maar er is nog niet veel van gekomen.

De voorzitter:

De laatste interruptie van de heer Lohman.

De heer Lohman (CDA):

Wat ik daarmee met name wil zeggen heb ik volgens mij in mijn inbreng ook gezegd. Er is via een andere manier om tijdswinst gevraagd. Daar geef ik u ook credits voor. Wij hebben een afweging gemaakt. Dat doen we niet alleen om de staatssecretaris te steunen. We kijken daar op een andere manier naar. Ik denk dat u een heel duidelijk punt heeft gemaakt en ik hoop dat we vooruit kunnen kijken nu. We hoeven niet te wachten op wat er nu in Europa gaat gebeuren. We kunnen in Nederland aan de gang met die transitie. Ik hoop dat we daar samenwerking op kunnen vinden. Dat was ook weer geen vraag, maar ik sluit daarmee af.

De voorzitter:

De uitgestoken hand van de heer Lohman. Mevrouw Bromet vervolgt haar termijn.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ik neem die graag aan. Ik was gebleven bij de visserij. Uit onderzoek van de WUR blijkt dat de visserij op schol en tong meer CO2 uitstoot dan gedacht, vergelijkbaar met rundvlees. De kottervisserij slurpt brandstof en veroorzaakt veel bijvangst. Progressief Nederland twijfelt aan de publieke meerwaarde van ongerichte subsidies aan deze vorm van visserij. Publiek geld moet publieke doelen dienen. Maar hoe draagt het spekken van vervuilende visserij daar nu aan bij? Daar heb ik een paar vragen over. Welke reductiedoelen zijn er voor brandstofgebruik in de kottervisserij? Hoe dragen de rijkssubsidies daaraan bij? Kan de staatssecretaris de subsidie misschien anders inrichten, zodat ze directer bijdraagt aan de verduurzaming en is hij dat ook van plan?

Voorzitter. Als land aan de Noordzee hebben we een verantwoordelijkheid om de natuur te versterken en de vispopulaties te beschermen. Dat geldt ook voor de vissen waar de problemen nog onvoldoende voor in kaart zijn gebracht. Ik ben blij dat mijn motie, die ik samen met lid Kostić heb ingediend, om pijlinktvissen uit voorzorg te beschermen is aangenomen, want dat is zo'n soort waar experts zich zorgen over maken, maar waar nog niet van in beeld is wat precies de bedreigingen zijn. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe deze motie wordt uitgevoerd. Welke maatregelen is het kabinet aan het voorbereiden en hoe gaat het die implementeren?

Tot slot, voorzitter, de ruimte op zee. Net als alle ruimte die we te verdelen hebben, is het kiezen in schaarste. Er moet nog altijd een afspraak uit het Noordzeeakkoord worden waargemaakt om 1,2% van de Noordzee aan te wijzen om te beschermen. Dat is een taak voor de polder, maar het lijkt er nog steeds op dat het kabinet de polder doorkruist. Dat is eigenlijk ingezet door het vorige kabinet, want de voorganger van deze staatssecretaris negeerde het advies van de polder en koos de kant van de vissers. Ik vraag deze staatssecretaris opnieuw: respecteer nou de consensus van de Noordzeepolder, draai dat besluit terug en kies voor de optie met het meeste draagvlak. Graag hoor ik van de staatssecretaris of hij dat gaat doen.

De voorzitter:

Met dank aan mevrouw Bromet. Dan zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van uw commissie. Er zijn aardig wat vragen gesteld en u wilt allemaal vast ook uw plek innemen in de voedselketen, lijkt mij zo. In overleg met de bewindspersonen schors ik tot 19.35 uur.

De vergadering wordt van 18.51 uur tot 19.36 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan beginnen met de beantwoording door het kabinet in eerste termijn. We beginnen zo meteen met de minister. Ik heb net met de minister afgesproken dat hij zijn blokjes even afwerkt. Dan kunt u daar rekening mee houden. Daarna gaat hij van deze tafel weg, zodat hij zich kan bezighouden met een taskforce stikstof. Dat zult u ongetwijfeld begrijpen. Daarna is het woord aan staatssecretaris Erkens, die ook een fors aantal mapjes heeft. De Kamerleden hebben ook een heel aantal vragen gesteld. Als u net zo gedisciplineerd bent als in de eerste termijn gaan we ook nu werken met onbeperkte interrupties en de 30 secondenregel. Alles onder de 30 seconden is gratis en alles boven de 30 seconden telt dubbel en dan hebt u vier interrupties. Voor de administratie: wilt u de blokjes noemen waarin u gaat beantwoorden? Dan kunnen we allemaal vragen of de vraag wel aankomt.

Minister Van Essen:

Het eerste blokje gaat over de Noordzee en de Hollandse kust. Het tweede gaat over de BISI, het derde over het GLB en het vierde is het blokje overige vragen.

De eerste vraag betreft de Doggersbank. Waarom gaan we daarover in beroep? Dat was een vraag van het lid Kostić. We gaan in afstemming met mijn collega in hoger beroep tegen de uitspraak, omdat het gaat om een vrij principiële vraag, namelijk: wat is de juridische verhouding tussen het gemeenschappelijk visserijbeleid en de Habitatrichtlijn? Het is ons nu onduidelijk hoe de verhouding tussen deze twee juridische instrumenten is en hoe een en ander doorwerkt in de te nemen visserijmaatregelen. Het is ook onduidelijk -- en dat is niet onbelangrijk -- of die vrijstelling alleen voor Nederlandse vissers vervalt of dat dit ook voor buitenlandse vissers geldt. Het vervallen van de vrijstelling voor buitenlandse vissers zou dan weer in strijd zijn met het Europese visserijbeleid. Kortom, er zijn veel vragen rondom deze uitspraak en die heeft ook grote gevolgen. Daarom vinden wij het nodig, voor de juridische duidelijkheid, om in hoger beroep te gaan.

Dan de vragen van de ChristenUnie en JA21 over de aanwijzing van de Hollandse kust. Die aanwijzing van de Hollandse kust is nodig omdat het een belangrijke plek is voor vogels. Op grond van de Europese Vogelrichtlijn is Nederland verplicht zulke gebieden aan te wijzen als Natura 2000-gebied wanneer het gebied aan de criteria daarvoor voldoet. Kortom, wij zijn verplicht om die gebieden aan te wijzen. Eigenlijk moest dat vorig jaar al. De Europese Commissie vraag hier ook naar. De gevolgen van aanwijzing van het gebied voor de visserij, energieopwekking en recreatie zijn niet direct duidelijk, omdat het grotendeels afhankelijk is van de maatregelen die worden opgenomen in het beheerplan dat moet worden gemaakt. Dat beheerplan moet binnen nu en drie jaar worden opgesteld. Daarin worden dan maatregelen verwerkt. Medegebruik is alleen van toepassing binnen windparken. In het potentiële Natura 2000-gebied bevinden zich momenteel geen windparken.

De heer Boomsma (JA21):

De minister zegt: dit is juridisch verplicht; dit moet. Uit de Vogelrichtlijn zelf komen geen ornithologische criteria naar voren. De twee rapporten waarin naar eerdere stukken wordt verwezen bevatten nog niet een duidelijke richting. Kan de minister duidelijk aangeven wat nou precies de criteria zijn op grond waarvan dit nodig zou zijn? Wanneer, op welk moment en hoe heeft de Europese Commissie dan die aanwijzing gegeven?

Minister Van Essen:

Op deze vraag van de heer Boomsma zal ik schriftelijk terugkomen.

Dan de vraag van de heer Flach over de Hollandse kust. Wat gaat dit beteken? Dan verwijs ik naar de vorige beantwoording. Die aanwijzing is nodig omdat het een belangrijke plek is voor vogels. Zoals ik zei, zijn we echt afhankelijk van de maatregelen die in het beheerplan komen te staan. Dat moet worden opgesteld.

Dan een vraag van de heer Boomsma over de inspraak op de aanwijzing van de Hollandse kust. Uit de Omgevingswet, artikel 23.5, volgt dat de Kamer geïnformeerd wordt als het gaat om besluiten die betrekking hebben op de inclusieve economische zone. Dit gebied ligt niet binnen die exclusieve economische zone. Daarom wordt er, net als voor andere gebieden die buiten die EEZ liggen, geen voorhangprocedure doorlopen. Zo hebben we dat met elkaar afgesproken in de wet. Wel is er een mogelijkheid om inspraak te leveren. Dat kan nadat zo'n ontwerpbesluit is gepubliceerd. Voor eenieder staat dan de mogelijkheid open om gedurende een periode van zes weken een zienswijze in te dienen.

De heer Boomsma (JA21):

Ik snap dat een voorhangprocedure niet nodig is, maar is het wel mogelijk om het besluit voor te leggen? Het is een besluit met grote juridische consequenties, want daarmee wordt eigenlijk de hele kust van Nederland Natura 2000-gebied. Het is toch goed dat wij daar als Tweede Kamer nog even met elkaar van gedachten kunnen wisselen.

Minister Van Essen:

Ik zie het als een juridische verplichting, wat inhoudt dat dit moet. Wij hebben afgesproken wanneer we dit in de voorhang doen. Daar zou ik aan willen vasthouden.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dan is mijn vraag wat de materiële consequenties zouden kunnen zijn van deze aanwijzing. Als Nederland zijn we groot geworden door in het verleden land aan te winnen en het in te polderen. Kunnen we ook met de aanwijzing gewoon de derde Maasvlakte aanleggen en Delta21, het valmeerproject? Ik noem ook natuurprojecten als de Braakman. Wat is er wel en niet mogelijk? Of liggen die projecten allemaal niet in het aan te wijzen gebied?

Minister Van Essen:

Het beheerplan bepaalt in hoge mate welke maatregelen we uiteindelijk nemen. Daarin worden de consequenties ook duidelijk. Het zit de derde Maasvlakte niet in de weg, maar er zijn andere onderzoeken en afwegingspunten die we hebben om überhaupt te bepalen of we een derde Maasvlakte kunnen uitvoeren, maar daarover bent u volgens mij in een brief bij de Nota Ruimte geïnformeerd.

De voorzitter:

De heer Vermeer en daarna de heer Meulenkamp.

De heer Vermeer (BBB):

Nog even een ordevraag. Als de minister er straks niet bij is, is hij dan wel bij het tweeminutendebat?

Minister Van Essen:

De staatssecretaris zal mij dan vervangen. Hij kan ook een appreciatie geven op uw eventueel in te dienen moties.

De heer Vermeer (BBB):

Dat is dus een nee.

De voorzitter:

Dat is dus een nee. Dan nu de heer Meulenkamp.

De heer Vermeer (BBB):

Ik heb nog een andere vraag.

De voorzitter:

Gaat u dan vooral verder.

De heer Vermeer (BBB):

Ja, want als we rustgebieden hebben voor de Nederlandse kust voor vogels, hoe gaan we dat dan doen met een miljoen badgasten, vraag ik de minister.

Minister Van Essen:

Het besluit ziet niet op badgasten, maar op onze verplichting om vanuit de Vogelrichtlijn gebieden aan te wijzen. Ik herken wel dat recreatie in algemene zin een drukfactor op Natura 2000-gebieden is. Op dat gebied hebben we ook werk te doen.

De heer Vermeer (BBB):

Nogmaals de vraag: wat gaan we doen met die badgasten?

Minister Van Essen:

Op dit moment gaan we niks doen met badgasten.

De voorzitter:

Een punt van orde van de heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):

Hier zijn toch best wel veel vragen over. De minister heeft net aangegeven dat hij nog schriftelijk terugkomt op een aantal van de criteria en dergelijke. Dan vind ik het niet handig om het tweeminutendebat direct aansluitend hierop te plannen, want dan is het waarschijnlijk niet mogelijk om die gegevens boven tafel te krijgen. Dan zouden we dat beter morgen of overmorgen kunnen doen. Sowieso zouden we pas donderdag stemmen. Dat gaat dan niet werken. Mijn ordevoorstel is om het tweeminutendebat uit te stellen tot morgen.

Minister Van Essen:

Misschien is het een suggestie om uw Kamer een technische briefing aan te bieden over deze aanwijzing, zodat u meer informatie tot zich kunt nemen en ook detailvragen kunt stellen.

De voorzitter:

Het tweeminutendebat staat voor vanavond om 22.00 uur gepland. Het is de Griffie plenair die dat regelt. Als uw commissie in meerderheid zegt "nee, wij willen hiermee wachten", dan kunnen we dat verzoek doorgeleiden, maar het is geen garantie dat dit gaat lukken, gezien de plenaire agenda. Het is dus niet gezegd dat dit zomaar geregeld is. U zult hierover komende donderdag moeten stemmen.

De heer Flach (SGP):

Ik steun het verzoek van de heer Boomsma. Er zit sowieso nauwelijks tijd tussen de antwoorden van het kabinet en eventuele moties. Als je daar überhaupt serieus iets mee wilt doen, moet je eigenlijk je moties al klaar hebben liggen. Dat is ook niet zorgvuldig. Ik steun het verzoek van de heer Boomsma om aan de Griffie aan te geven om het tweeminutendebat naar morgen te verplaatsen.

De voorzitter:

Dan kijk ik even naar de overige leden van de commissie. De heer Jansen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben nu een motie aan het schrijven, omdat ik niet de tijd heb om zo meteen de beantwoording af te wachten. Ik mis dus een deel van de beantwoording. Wat mij betreft volg ik het voorstel dat net werd gedaan.

De voorzitter:

Andere leden?

De heer Meulenkamp (VVD):

Eens met het voorstel.

De voorzitter:

Oké, dan zal ik het volgende doen. Ik zie nu een soort van meerderheid ontstaan. We gaan proberen om te kijken of dat lukt. Meneer Grinwis wil toch nog iets zeggen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik zit heel snel te kijken naar de plenaire agenda van morgen. Het is natuurlijk aan de Griffie om het in te plannen. Morgenavond staat er een enorme rits aan tweeminutendebatten ingepland.

De voorzitter:

Ja, daarom.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dus dan kan deze er nog wel bij. Aan een boom zo volgeladen …

De voorzitter:

Ja, het is maar net hoe u het bekijkt. Hoeveel tweeminutendebatten stonden er ook alweer op de lijst? Volgens mij al meer dan 50 voor het zomerreces. Dus we moeten ook een klein beetje begrip hebben voor de enorme puzzel die ze bij de plenaire Griffie moeten leggen. We gaan kijken wat kan. Als ik daar zo nog iets over kan melden, dan meld ik dat aan u.

Dan ga ik naar de heer Meulenkamp met een inhoudelijke interruptie, dacht ik.

De heer Meulenkamp (VVD):

Ja. Het ging nog even over het aanwijzen van de hele kust in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Ik snap dat we moeten voldoen aan die richtlijn, maar zijn er alternatieven? Moeten we dan echt de hele kust aanwijzen? U heeft aangegeven dat u wellicht met een technisch beraad wil komen om dit nader toe te lichten. Het lijkt mij toch heel sterk dat er geen alternatieven zijn.

Minister Van Essen:

U heeft het kabinet inderdaad vaker opgeroepen om alternatieven te zoeken voor de verplichtingen die we hebben. Dat is een begrijpelijke vraag. Het gaat ook om veel details. Het lijkt me dus goed om die technische sessie aan te bieden om ons hierin te gaan verdiepen. Ik zie een aantal leden van deze commissie daar ook echt wel positief op reageren.

De voorzitter:

Dan nemen we die mee terug. Volgens mij kunt u doorgaan. Ho, nog eentje van de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

De minister zei net wel dat het voor die badgasten niks betekent, maar in Zeeland zijn wel recreatiegebieden dichtgegaan vanwege vogelrustgebieden. Dit lijkt me dus wel een punt dat zeer serieus genomen moet worden. Nou zullen ze echt niet volgende week dichtgaan, maar ik denk dat veel mensen zich hier ongerust over zullen maken.

De voorzitter:

Tot slot de minister op dit punt.

Minister Van Essen:

Die oproep zal ik meenemen richting de beheerplannen die moeten worden opgesteld.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Essen:

Dan de vraag over de 1,2% bodembescherming uit het Noordzeeakkoord. Zoals ik heb gemeld in die Kamerbrief Natuur van 1 juni, had ik bij dat besluit dat is genomen zo veel mogelijk rekening gehouden met de impact op de visserij, het beschermen van ecologisch waardevolle gebieden en aansluiting op het internationaal netwerk van beschermde gebieden, maar ook de handhaafbaarheidsafspraken over bodembescherming in die gebieden. Ik vind het van belang om te zeggen dat het besluit van die 1,2% bodembescherming niet op zichzelf te laten staan -- zo heb ik de brief ook opgesteld -- maar onderdeel te laten zijn van de bredere brief die we hebben gestuurd, waarin we afwegingen maken over de Noordzee in het licht van versterken van natuurwaarden, met voldoende maatschappelijk draagvlak. Daarom licht ik in de brief ook wat toe over bijvoorbeeld aanwijzing van gebieden. Ik zet me ook via het programma Natuurversterking Noordzee in voor natuurherstel en de rechten van vogels, vissen en riffen. Dat gebeurt juist ook in nauwe samenwerking met die partners uit het Noordzeeakkoord.

Mevrouw Bromet (PRO):

Als een overlegorgaan dat wij "het Noordzeeakkoord" en "de polder" noemen een bepaalde conclusie heeft getrokken, waarom wijkt de minister daar dan van af?

Minister Van Essen:

Dat overleg is helaas niet unaniem tot een besluit gekomen. Dat heeft het kabinet destijds ook aangegeven. Daar heb ik de weging op gebaseerd. Ik heb dat besluit overgenomen omdat ik ook verder wil met het beschermen van dit gebied, van die bodembescherming, maar ik wil het dus wel in een breder geheel zien, zodat ik ook tegemoetkom aan andere wensen die er zijn vanuit dat Noordzeeakkoord, onder andere over aanwijzing van gebieden. Daarover heb ik ook met de voorzitter van dat overleg geschakeld. Ik denk dat ik daarmee een gebalanceerd pakket heb neergelegd.

De voorzitter:

Een vervolginterruptie van mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (PRO):

Wat vond die voorzitter daar dan van?

Minister Van Essen:

Het is niet aan mij om haar uitspraken daarover te recenseren, maar ik vond begrip.

Dan ben ik bij het stuk over de BISI. Daar zijn veel vragen over gesteld. Het wordt soms wat technisch, maar ik denk dat dat wel belangrijk is, omdat u zichzelf er ook in heeft verdiept. Een van de vragen gaat over de natuurdoelen en de maximale aantallen en referentiewaardes. Dat is een vraag van onder anderen de heer Grinwis. Het is misschien goed om te zeggen dat ik belang hecht aan een gedegen wetenschappelijke onderbouwing van beleid, zoals ik al in mijn brief heb aangegeven. Een landelijke staat van instandhouding van mariene habitattypen in de Waddenzee wordt niet alleen op basis van de BISI maar ook op basis van verschillende parameters en verschillende methoden bepaald. Bij die parameters gaat het dan om verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functie en ook toekomstperspectief. Voor het bepalen van structuur en functie wordt onder andere gebruikgemaakt van de BISI-methodiek. Er is ook een meetlat ontwikkeld door Wageningen Marine Research waarmee aan de hand van die methodiek een score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van mariene habitattypen. Dat is dus samen met de scores van drie andere parameters. Ik vind het belangrijk om dit te zeggen omdat die staat van instandhouding niet alleen gebaseerd is op één instrument. De BISI-score is dus niet doorslaggevend, maar een van de gebruikte parameters.

De voorzitter:

U heeft een interruptie van de heer Flach en daarna van de heer Grinwis.

De heer Flach (SGP):

Dat is misschien zo -- het is een mist van woorden -- maar uiteindelijk hebben we het over een methodiek waar gewoon een snoeihard oordeel over kwam in het rondetafelgesprek onlangs. Het kan wel een van de beoordelingscriteria zijn, maar het is gewoon niet bruikbaar, dat is eigenlijk de afdronk die wij meekregen.

Minister Van Essen:

Ik loop nu een beetje vooruit op de andere vragen, maar dit is precies de reden dat we een gesprek met wetenschappers hebben georganiseerd en dat we op basis van dat gesprek hebben gezegd dat we snel verder om tafel moeten. We willen namelijk die wetenschappelijke inzichten zo goed mogelijk gebruiken om ons beleid op te baseren. U heeft dus wat gehoord van onder anderen de heer Van der Meer; wij hebben hem en anderen uitgenodigd om verder te spreken op ons departement. Op basis van dat gesprek hebben we geconcludeerd dat we snel weer met elkaar om tafel moeten, juist om hier langer over door te akkeren. Ik wil namelijk de best beschikbare kennis gebruiken. Ik hecht er daarom waarde aan te benadrukken dat we dus niet met elkaar tot besluitvorming komen op basis van alleen maar de methode waar we nu discussie over hebben.

De heer Flach (SGP):

Is de minister het in zijn algemeenheid eens met de SGP dat een methodiek waarbij je de piek van het beste jaar als referentie neemt, waardoor je dus überhaupt nooit in een gunstige staat kunt komen, überhaupt geen bruikbare methodiek is?

Minister Van Essen:

Ik snap dat de hele discussie hier en buiten en ook bij ons de nodige stof tot nadenken oplevert. Ik vind het daarom belangrijk om te zeggen dat het niet de enige indicator is die wij gebruiken. Zou het de enige zijn waarop je je baseert, dan zou ik met u de conclusie willen trekken dat daarmee veel meer op het spel staat. Ik hecht er waarde aan om dat te benadrukken. Ik hecht er ook waarde aan om te zeggen dat we de signalen serieus nemen. We doen dat door die wetenschappers vrij snel bij ons uit te nodigen en ook vrij snel weer een vervolg daarop te plannen. Dit juist omdat we toe willen naar een voldoende wetenschappelijk onderbouwde basis.

Het kan zijn dat ik nu in mijn antwoorden iets hiervan herhaal, maar beter twee keer gezegd dan niet gezegd.

De voorzitter:

Daar wachten we heel even mee, want de heer Grinwis heeft nog een interruptie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

We kunnen natuurlijk één score, die misschien iets minder goed wetenschappelijk is onderbouwd, nuanceren door te zeggen dat we ook andere methodieken gebruiken, maar de zorg die eronder schuilgaat, in ieder geval bij mij, is als volgt. Als wij waardevolle natuur beschermen, proberen we dan een foto te maken van het verleden, of is het onze inzet om natuur ook te ontwikkelen en is er ruimte voor die ontwikkeling en dus voor veranderingen, bijvoorbeeld door klimaat of invasieve soorten mee te nemen in de afweging? Is daar voldoende ruimte voor in de methodieken die worden gehanteerd?

Minister Van Essen:

Ik zie die ruimte politiek wel. Ik denk dat het op meer vlakken moet; je kunt niet stilstaan op dat punt. Dat betekent niet dat je zomaar dingen overboord gooit, of het nou om terrestrische Natura 2000 gaat of om zaken of zee. Maar er helemaal blind voor zijn lijkt mij niet de juiste keus. Ik weeg dus mee dat we ook in een veranderend klimaat zitten.

De heer Meulenkamp (VVD):

De minister geeft aan dat hij weer met wetenschappers in gesprek gaat. Ik vind het een heel geode zaak, zo kan hij toch even de vinger aan de pols houden of hij wel de beste info heeft. Wat betekent het voor de besluitvorming op dit moment? Wordt de besluitvorming vanuit het ministerie op dit vlak even on hold gezet? Ik kan me voorstellen dat er toch de nodige vraagtekens zijn en dat we dus op dit vlak even geen beslissingen nemen. Dat is mijn vraag.

Minister Van Essen:

Als de BISI de enige indicator zou zijn waarmee wij besluiten, zou ik uw vraag zeer goed kunnen begrijpen. Maar omdat we het dus breder zien en we niet alleen maar die indicator toepassen om tot besluiten te komen, vind ik dat nu niet nodig. Ik vind het wel nodig om het gesprek snel te voeren en uw Kamer daarna ook te informeren over wat het betekent.

De heer Flach (SGP):

Bij de waterkwaliteit hebben we het principe one out, all out. Dat zou je hier dan toch ook moeten toepassen? Het is niet de enige indicator, maar wel een niet-betrouwbare indicator die wel degelijk meeweegt. Al weegt die dan niet 100% mee, zelfs 20% vind ik nu onverantwoord. Dat moet de minister zich toch aantrekken, denk ik.

Minister Van Essen:

Ik trek het me aan dat er discussie is ontstaan over die indicator. Dat betekent dat je er iets mee moet, dat je je erin moet verdiepen en moet kijken of het nog de best beschikbare wetenschappelijke kennis betreft. Maar als één iemand er gerede en terechte twijfels bij heeft, betekent dat niet dat je meteen een hele systematiek die onder andere gebaseerd is op die methodiek moet omgooien. Dat zou ik wel een vergaande conclusie vinden op basis van de terechte bedenkingen erbij. Je moet het onderzoeken en op basis van dat vervolgonderzoek tot een conclusie komen.

De voorzitter:

De heer Vermeer en daarna de heer Boomsma.

De heer Vermeer (BBB):

Het is helemaal niet gezegd dat dit de enige wetenschapper is die er kritiek op heeft; het is de eerste die zijn mond open heeft gedaan. Dat mag niet tot de conclusie leiden dat er maar één wetenschapper is die ertegen is. Kunnen wij erop rekenen dat het hele rapport over de staat van de Waddenzee kritisch geëvalueerd gaat worden?

Minister Van Essen:

Als we in het vervolggesprek tot de conclusie komen dat er wat meer aan de hand zou zijn, omdat meer wetenschappers deze mening zijn toegedaan, en we dus de systematiek moeten aanpassen, kunt u van mij verwachten dat ik vervolgens ook documenten die op basis daarvan zijn gemaakt tegen het licht ga houden en u daarover informeer.

De voorzitter:

De heer Boomsma en daarna de heer Jansen.

De heer Boomsma (JA21):

Ik denk dat het juist heel goed is dat we het daarover hebben, want de keuze voor een bepaalde referentie kan majeure juridische consequenties hebben. Het is dus ook heel goed dat je politiek heel transparant kunt besluiten en oordelen over de keuze van referenties. Is de minister het met mij eens dat de keuze voor bepaalde referenties, bijvoorbeeld dat je bij één soort het maximum uit een tijdreeks kiest en bij een ander niet, niet alleen een puur neutrale wetenschappelijke vaststelling is, maar dat er ook een element van keuze in zit en dat het in ieder geval zaak is om heel transparant te zijn over welke referenties en keuzes Unierechtelijk absoluut verplicht zijn en welke ook een bepaalde mate van vrijheid impliceren voor de politiek?

Minister Van Essen:

Deze vraag over de techniek gaat mij op dit moment te ver om te beantwoorden. Ik zal er schriftelijk op terug moeten komen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik hoor de minister om de hete brij heen draaien. Wat ik tussen zijn woorden door hoor, is "oogkleppen op en doorgaan". Kan de minister ons garanderen dat dat niet het geval is?

Minister Van Essen:

Ja, dat kan ik u garanderen, want ik neem de argumenten vanuit de wetenschap zeer serieus. Daarom organiseren we ook meer bijeenkomsten op ons departement om zo hun kennis te kunnen gebruiken voor de uitvoering van ons beleid. Geen oogkleppen dus.

De heer Chris Jansen (PVV):

Het zit weer in de woorden. De minister geeft aan het serieus te nemen. Dat is hartstikke leuk. Ik neem ook dingen serieus, maar vervolgens doe ik er helemaal niets mee. Mijn vraag aan de minister blijft dus of hij een pas op de plaats zet en hier voorlopig mee wacht. Of gaat hij wel degelijk gewoon door met oogkleppen op?

Minister Van Essen:

Die vraag heb ik net al beantwoord.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Essen:

Dan de vraag van de VVD, maar ook van de heer Boomsma over het positionpaper en het vervolgtraject. Ik wil aangeven dat er een verschil is tussen de referentiewaarden die gebruikt worden in de BISI en de drempelwaarden die vanuit de Kaderrichtlijn mariene strategie en de Habitatrichtlijn worden nageleefd. Die zijn niet hetzelfde. Die drempelwaarden voor kwaliteit van de zeebodem zijn ook nog niet vastgesteld. De afgelopen jaren hebben Europese expertwerkgroepen en ICES wel hard gewerkt aan een leidraad om die drempelwaarden voor indicatoren voor habitatkwaliteit vast te stellen, zoals de BISI-indicator. Eind 2026 wordt die leidraad voor instemming voorgelegd aan alle lidstaten. Indien die leidraad bij meerderheid van stemmen wordt aangenomen, dienen lidstaten deze door te voeren in hun nationale beleid. Hiermee worden de doelen voor het Nederlandse natuurbeleid geborgd, ook met internationale wetenschappelijke consensus.

Dan heb ik nog een vraag van onder anderen de heren Vermeer en Grinwis over gebiedssluitingen en sociaal-economische gevolgen. De sociaal-economische gevolgen van visserijbeperkende maatregelen worden altijd integraal meegewogen bij de afweging over het nemen van een maatregel. Daarbij zoeken we naar een balans tussen ecologie, effectiviteit en die sociaal-economische gevolgen, dus ook de proportionaliteit. Dit is ook verplicht vanuit het gemeenschappelijk visserijbeleid voor de gebieden die in de exclusieve economische zone vallen en ook voor kustbeheerplannen via de planMER.

Dan ben ik het blokje over de BISI voorbij. Dan ga ik naar het GLB, waar ook wat vragen over zijn gesteld. Er werd gevraagd naar de ophoging van de landbouwreserve. De heer Flach vroeg of we ervoor gaan zorgen dat we gebruik kunnen maken van het verdubbelde budget in de crisisreserve. Naast de ophoging van het budget voor de landbouwreserve heeft de Europese Commissie ook het voorstel voor een nieuwe interventie toegevoegd aan het GLB voor steun aan boeren die getroffen zijn door die forse prijsstijgingen. Ik kijk positief naar het voorstel van de Europese Commissie en de inzet van de reserve om de huidige crisis te adresseren. Vrijdag stuur ik u een Kamerbrief hierover.

De heer Meulenkamp vraagt wat een logische route is voor het helpen van boeren. Ik deel de voorkeur van de heer Meulenkamp voor een uitvoerbare regeling. Die besluitvorming wordt in Brussel in hoog tempo voorbereid, vanwege het urgente karakter van de crisis, om zo snel mogelijk te kunnen invoeren. Dat laat helaas weinig ruimte over voor een discussie over precieze voorwaarden. Er is veel steun om het voorstel van de Commissie zoals het er nu ligt direct door te voeren, dus zonder aanpassingen en zonder vertraging. Gezien het snel kunnen helpen van boeren, vind ik dat ook van belang.

Dan een vraag van de heer Flach en de heer Meulenkamp over het budget voor producentenorganisaties. Zij vroegen hoe we voorkomen dat dat budget onderdeel wordt van de nationale envelop. De onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader vinden op dit moment volop plaats. Onze inzet is vorig jaar september aan de Kamer meegedeeld. Voor wat betreft het GLB-deel is de Commissie voornemens om lidstaten een nationale envelop toe te delen, zoals u zegt, waaruit de interventies gefinancierd kunnen worden. Het klopt dat daarmee niet allerlei potjes bestaan, zoals nu voor het programma voor de producentenorganisaties. Wij ondersteunen wel de flexibiliteit die lidstaten krijgen om zelf die prioriteiten te stellen. Tegelijkertijd steunen wij ook de inzet dat programma's voor productenorganisaties en de groente- en fruitsector verplicht blijven. De komende tijd maakt het kabinet een nadere afweging van de verschillende GLB-prioriteiten, dus hoe we de envelop gaan invullen vanuit het NRPP. Daar gaan we deze zomer het proces voor in.

De heer Meulenkamp (VVD):

Kan de minister iets zeggen over de hoeveelheid geld die hiermee gemoeid gaat? Zoals ik het zag, ging het om een potje van 165 miljoen euro in 2025 dat voor duurzaamheid en innovatie naar de landbouw ging. Ik vraag me af hoe dat in de komende jaren gaat.

Minister Van Essen:

Je hebt inderdaad het geringfencete deel vanuit het GLB, dat in totaal 727 miljoen betreft. Daar zou dat een hele grote hap uit zijn, dus we zijn ook aan het kijken waar je deze interventie zou kunnen plaatsen. Naast het geringfencete deel heb je ook nog een vrij te besteden deel, dat eerder aan het GLB toebehoorde. We zijn op dit moment volop bezig om te kijken waar dit te plaatsen zou zijn, ook omdat we deze Kamerperiode en regeerperiode best wel wat prioriteiten hebben die middelen uit het GLB nodig gaan hebben. We zijn dus nog volop aan het kijken waar deze prioriteit past en hoe die zo in te passen is dat we zo veel mogelijk overhouden voor de andere doelen die u als Kamer vaak benadrukt.

De heer Meulenkamp (VVD):

Het gaat mij om het gevaar dat we die 165 miljoen kwijt zijn. Dat is waar ik voor zou willen waken.

Minister Van Essen:

Ik onderken het belang daarvan, maar ik moet helaas ook zeggen dat dat onderdeel is van de hele afweging die we maken binnen het geringfencete deel en het deel dat niet geringfencet is. Er zijn ook andere prioriteiten die vanuit uw Kamer of vanuit het coalitieakkoord komen. Dat is het proces dat we deze zomer echt met elkaar door moeten. Maar ik zie ook het belang voor de producentenorganisaties, dat u onderstreept.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat was volgens mij het blokje GLB.

Minister Van Essen:

Dan zijn we bij de laatste vraag. Die vraag van de PVV gaat over natuurvergunningen voor de garnalensanering. Ik begrijp dat het lastig is voor vissers om in deze onzekere tijden te investeren in een black box. Daarom heeft de vorige staatssecretaris een subsidieregeling ontwikkeld. De rechtbank zal zich straks gaan uitspreken over de houdbaarheid van de vergunning. Een afweging tussen voedselzekerheid en natuurbescherming is daar alleen geen onderdeel van. Dat vind ik goed om mee te geven. De rechter spreekt zich namelijk alleen uit over de ecologische effecten. Die uitspraak hebben we nu af te wachten.

De voorzitter:

Dan heeft u nog een interruptie van de heer Jansen en daarna van de heer Vermeer.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank voor het antwoord, zeg ik tegen de minister, maar ik vroeg of de minister bereid is om dat te doen. Ik vroeg niet of de rechter daar een uitspraak over wil doen.

Minister Van Essen:

Deze minister heeft met natuurvergunningen een andere pet op dan met zijn beleidsportefeuilles. In dit geval zal ik die uitspraak dus echt af moeten wachten.

De heer Vermeer (BBB):

Ik zou graag voordat de minister zo weggaat nog wel als Kamerlid een informatieverzoek willen doen naar aanleiding van de berichtgeving over het Catshuisoverleg over de stikstofplannen. Ik zou de griffie willen vragen om dat door te geleiden naar het kabinet. Het verzoek is om alle onderliggende stukken, notities, beslisnota's, agenda's, verslagen en ambtelijke analyses die ten grondslag liggen aan wat er in dat overleg is besproken en de daarbij besproken maatregelen onverwijld met de Kamer te delen en dat uiterlijk morgen om 12.00 uur te doen, zodat wij ook weten waar we aan toe zijn richting het tweeminutendebat.

De voorzitter:

Dit is wel echt buiten de orde van dit debat, meneer Vermeer. Ik zie dat de minister graag iets wil zeggen.

Minister Van Essen:

Ik neem dit verzoek mee naar het kabinet.

De voorzitter:

Nou, u heeft het gehoord.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, minister. Ieder Kamerlid mag dat op ieder moment van de dag doen, bij welk debat dan ook.

De voorzitter:

Zeker.

De heer Vermeer (BBB):

Ik waardeer het dat de minister dat ook zo oppakt.

De voorzitter:

Dan wens ik de minister … O, helaas, de heer Grinwis wil nog iets zeggen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Sorry, maar we hebben dus geen tweede termijn met de minister. Mag ik nog één vraag stellen naar aanleiding van het eerste blokje, over de aanwijzing van de kust als Natura 2000-gebied? Heel veel van de discussies die we nu hebben over Natura 2000-gebieden, stikstof, de KDW, de goede staat van instandhouding en geen achteruitgang hebben ermee te maken dat deze gebieden een externe werking hebben gekregen. Daar was destijds bij de aanwijzing veel discussie over. In hoeverre krijgen wij met de aanwijzing van deze kustzone te maken met externe werking buiten het gebied waar het nu om gaat? Ik heb bij een ander debat de beeldspraak gebruikt van de kamelenneus waar een enorme kameel achter vandaan komt. Daar maak ik me wel zorgen over.

De voorzitter:

Tot slot de minister.

Minister Van Essen:

Ik hoor die zorg en ik hoor die ook bij toeristische Natura 2000-gebieden. Ik snap die vraag, maar op dit moment kan ik die niet beantwoorden, juist omdat we het beheerplan aan het opstellen zijn. Tegelijkertijd kun je die effecten niet uitsluiten. Dat hebben we op andere plekken ook gezien.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mijn vraag is of op een gegeven moment op een of andere manier in het beheerplan zelf het risico op externe werking zo veel mogelijk wordt beperkt. Hoe wil de minister omgaan met dit risico? Ik denk namelijk dat we ons lesje wel geleerd hebben.

Minister Van Essen:

Dan moet ik eerst een beeld krijgen van het beheerplan. Dan kan ik de vraag van de heer Grinwis beantwoorden. Ik snap die vraag wel.

De voorzitter:

Akkoord. Dan wens ik de minister succes met het vervolg van deze avond. Die is voor u vast nog niet voorbij.

Minister Van Essen:

Nee, zeker niet.

De voorzitter:

Dan ga ik naar de beantwoording van de staatssecretaris. Het helpt als u ons even meeneemt in het forse stapeltje met mapjes dat u heeft. Kunt u het even voor ons onder elkaar zetten, zodat iedereen weet waar we ongeveer zitten in de beantwoording?

Staatssecretaris Erkens:

De keuze was om per vissoort een mapje te maken, maar dat hebben we niet gedaan. We hebben toch een aantal zaken gebundeld. Er zal een korte inleiding zijn, gevolgd door het blokje uitvoeringsagenda, perspectief voor de visserij en contingentenstelsel. Dan een blokje puls. Dan een blokje brandstofregeling EMFAF. Dan een blokje cameratoezicht en de Controleverordening. Dan de Omnibus over gewasbescherming. We eindigen met een blokje overig, waar onder andere de rivierkreeft, de inktvis, de paling, mosselen en andere vissoorten in zitten, en de kooi-eieren ook.

De voorzitter:

Goed. Staatssecretaris, uw fruits de mer.

Staatssecretaris Erkens:

Dank u, voorzitter. Het kabinet zet zich in om de Nederlandse visserij toekomstbestendig te maken. De visserij hoort al eeuwen bij Nederland en ook de komende eeuwen moet dat het geval blijven. Het is goed om vandaag het gesprek hierover te kunnen voeren met uw Kamer. Voordat ik uw vragen beantwoord, zal ik eens kort delen hoe ik naar deze mooie sector kijk. Ik heb de afgelopen periode intensief kennisgemaakt met de visserij en de aquacultuur en met alles wat deze mooie sector te bieden heeft. Ik ben ervan overtuigd dat voedsel uit zee en grote wateren een gezond en waardevol deel van ons eten is en dat we binnen de ecologische grenzen van het systeem kunnen produceren. Ook heb ik de uitdagingen gezien en zorgen gehoord waar vissers mee te maken hebben, zoals over het behouden van ruimte voor de visserij en het meer toekomstbestendig worden. Die uitdagingen vragen om innovaties, zoals uw Kamer terecht aangaf, maar ook om het werken aan draagvlak voor die innovaties. Denk daarbij aan het wegnemen van gevoeligheden rondom de pulsvisserij bij onze internationale partners. Daar zet ik mij voor in. Ik zal dadelijk in het blokje ook verder ingaan op de strategie daarvoor.

Recent heb ik samen met een grote groep betrokken partij de Uitvoeringsagenda Visie op voedsel uit zee en grote wateren vastgesteld, inderdaad met de voorganger van de heer Flach, die daar een belangrijke rol in gespeeld heeft. U heeft deze van mij ontvangen. Ik ben trots op deze uitkomst van een intensieve samenwerking tussen de visserijsector, ngo's en de overheid. Ik kijk uit naar een verdere gezamenlijke invulling van de acties.

Ondertussen laten de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten zien hoe kwetsbaar vissers zijn voor de gestegen brandstofkosten. Ik vind het belangrijk om vissers, die dagelijks hard werken om hun bedrijf draaiende te houden, te ondersteunen in deze moeilijke tijden. Tegelijkertijd moeten we ook vooruit blijven kijken om de afhankelijk van de hoge brandstofkosten af te bouwen; vandaar de combinatie van brandstofcompensatie en een energiebesparingsregeling. Ik zet mij er de komende jaren graag voor in om samen met de sector en andere betrokkenen het toekomstperspectief verder in te vullen.

Ik ga over naar het eerste mapje. De heer Grinwis vroeg mij: mag ik erop vertrouwen dat de visserij over tien of twintig jaar nog bestaat? Volgens mij heb ik net gezegd dat die wat mij betreft de komende eeuwen nog bestaat. De inzet van dit kabinet is om samen met de visserij te werken aan die toekomst.

De heer Jansen zei: "Visserij moet een prioriteit zijn. Als dit zo doorgaat, worden we volledig afhankelijk van import. Is er nog plek voor een Nederlandse vloot?" Het borgen van ruimte voor voedselwinning heeft een belangrijke plek in de uitvoeringsagenda, onder leiding van de heer Bisschop, die ik net noemde. Die is opgesteld met de visserijsector én de natuur- en milieuorganisaties. Deze agenda geeft uitvoering aan de Visie op voedsel uit zee en grote wateren, waarin mijn voorganger een toekomstbeeld voor 2050 heeft geformuleerd waar ik me aan houd. Ik zie een toekomst voor me met een robuuste visserij- en aquacultuursector die een regionaal, gezond en duurzaam product levert en gewaardeerd wordt door de Nederlander. De sector verdient daarbij een goede boterham, binnen de ecologische draagkracht van de zee. Ik geloof heel erg in dit soort afspraken, die gemaakt worden tussen alle relevante stakeholders. De sector geeft namelijk ook heel duidelijk aan: "Zorg voor langetermijnzekerheid. We zien gewoon vaak losse besluiten, die eigenlijk zorgen voor veel onzekerheid bij ons, waardoor we ook niet weten waar we aan toe zijn." Het is echt de inzet van het kabinet om langjarig te gaan kijken, zodat je met elkaar afspraken maakt die daarna ook stand kunnen houden.

Voorzitter. Ik kreeg een vraag van de heer Lohman over het contingentenstelsel: welke concrete criteria hanteert de staatssecretaris om bij de herziening van het stelsel de instroom van jonge en duurzame vissers daadwerkelijk mogelijk te maken? Ik wil de herziening inderdaad gebruiken om te kijken of ik daarmee de instroom van startende vissers kan vergemakkelijken. Een mogelijkheid die ik overweeg, is om starters bij aanvang onder voorwaarden over contingenten te laten beschikken. Concrete criteria over startende vissers werken we nu ook met de stakeholders uit. Die gaan bijvoorbeeld over de periode waarin de contingenten beschikbaar zouden worden gesteld, over eisen aan de naleving van regels, en daarmee ook verduurzaming, en over de vraag wat het begrip "starter" in dezen zou inhouden. Ik verwacht uw Kamer dan ook in het najaar gedetailleerder te kunnen informeren over onze voornemens op dit vlak.

Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer, ook over het contingentenstelsel: op welke termijn verwachten we dat deze herziening volledig uitgevoerd kan worden? Eind 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over de reikwijdte van de herziening. In mei dit jaar hebben we stakeholderbijeenkomsten gehad, zodat partijen vanaf het begin worden betrokken en ik zo ook de praktijkkennis mee kan nemen. Aansluitend hierop zal Wageningen Social & Economic Research deze zomer een beleidsanalyse doen van de financieel-economische gevolgen van de voorstellen. Die effecten zullen we ook bespreken met de stakeholders. Nogmaals, ik verwacht uw Kamer in het najaar te kunnen informeren over de concrete voorstellen voor deze herziening.

De vervolgvraag van mevrouw Beemsterboer was: kan de staatssecretaris toezeggen dat we dit vormgeven op een wijze die een toekomstbestendige visie realiseert en meer kansen biedt voor duurzame en innovatieve vissers? In de uitvoeringsagenda die ik net benoemde, heb ik opgenomen dat een herzien stelsel de startende en actieve visser helpt en ook duurzaam ondernemerschap beloont. We zullen ons daar dus zeker voor inzetten.

Voorzitter. Nog een vraag: is de staatssecretaris bereid om in het nieuwe contingentenstelsel expliciet de ruimte te bieden voor vissers die experimenteren met nieuwe technieken om zo innovatie te stimuleren? In het herzien van het stelsel richten we ons op de startende en actieve visser en het belonen van duurzaam ondernemerschap. Dat zou ook bereikt kunnen worden door het inzetten van innovatieve technieken. Daarbij wil ik wel aantekenen dat we het contingentenstelsel in de eerste plaats hebben voor het duurzame beheer van visstanden. We kijken inderdaad ook naar meekoppelkansen, maar ik wil voorkomen dat we heel veel doelen met elkaar gaan installeren in het contingentenstelsel, waardoor het primaire doel misschien onder druk komt te staan.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan even terug naar de vorige vraag, waar mevrouw Vellinga-Beemsterboer een interruptie over heeft.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

De staatssecretaris geeft er op zich al een voorzetje voor. Hij geeft aan dat het contingentenstelsel primair is bedoeld om visstanden te beheren, maar is de staatssecretaris het niet met D66 eens dat het natuurlijk ook het uitgelezen instrument is om juist een stok achter de deur te bieden om iedereen in de ontwikkeling mee te nemen en dat het ook antwoord geeft aan sommige vissers, die om duidelijkheid vragen? Zij geven aan: ik wil graag ontwikkelen, maar ik wil wel weten waartoe het leidt. Is de staatssecretaris bereid om het ook op die manier in te gaan zetten?

Staatssecretaris Erkens:

Daar ben ik het grotendeels mee eens. Het contingentenstelsel is wel iets dat je wil aanpassen met draagvlak van de sector. Verduurzaming, innovatie en het helpen van startende vissers zijn dan ook onderdeel van die gesprekken. Dat zijn beleidsdoelen die we hierbinnen op een zo goed mogelijke manier willen borgen, waarbij ik wel aangeef: het primaire doel is echt het beheer van de visstanden. Maar die meekoppelkansen nemen we daar zeker in mee.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Met draagvlak van de sector, zegt de staatssecretaris. Dat vind ik een heel mooi uitgangspunt, maar ik wil het toch graag even nader krijgen. De sector is namelijk best breed. Hij is niet groot, maar wel breed. Gaat de staatssecretaris dan ook wel echt de nadruk leggen op de kansen voor jongeren en meer innovatieve vissers? Ik denk namelijk dat dit soort regie ook wordt gevraagd van Den Haag.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben altijd voor het nemen van regie in dezen. Dit is inderdaad een van de doelgroepen die we willen helpen met de herziening van het contingentenstelsel. Ik bedoel met "draagvlak" dat je dit doet met stakeholderbijeenkomsten en dat je de praktijkervaring ophaalt. Uiteindelijk maak je wel met elkaar een besluit over hoe het stelsel eruitziet. Dat zal niet betekenen dat iedereen het eens zal zijn, ook omdat er in de visserijgemeenschap verschillende beelden bestaan over hoe dit stelsel eruit moet zien.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Is de staatssecretaris het met de Partij voor de Dieren eens dat je het niet over de toekomst van de visserij kan hebben zonder het ook te hebben over vissenwelzijn?

Staatssecretaris Erkens:

Nee. Daar ben ik het niet mee eens. Dit gaat over het contingentenstelsel, over het duurzame beheer van visstanden. Op dierenwelzijn kom ik dadelijk terug. Dat zal zeker ook een aspect zijn dat we bespreken, maar de toekomst van de visserij hangt niet alleen van dat aspect af.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Mijn vraag was niet of het alleen maar van vissenwelzijn afhangt. Mijn logische vraag was: als je denkt aan de toekomst van de visserij, dan is het toch logisch om daarin ook na te denken over wat die betekent voor vissenwelzijn? Is de staatssecretaris dat met ons eens?

Staatssecretaris Erkens:

Ik vind het logisch om na te denken over de vraag wat de toekomst van de visserij betekent op het gebied van vissenwelzijn. Tegelijkertijd zijn er ook heel veel prioriteiten op de korte termijn, zoals het duurzaam beheer van bestanden en überhaupt het behoud van de vloot, die op dit moment wel met meer urgentie worden uitgewerkt. Ik zal dadelijk terugkomen op het blokje dierenwelzijn en het rapport dat u mij gegeven heeft.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Welk blokje is het blokje dierenwelzijn? Dat heb ik nog niet gehoord.

Staatssecretaris Erkens:

Dat zit in het blokje overig, op het einde. Dat is met name omdat ik heel veel vragen in andere blokjes had. Zo kon er een bundel van gemaakt worden. Dat zegt niks over het belang van het onderwerp, wil ik daarbij zeggen, gezien de reactie van het lid Kostić toen ik dat zei.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Ik heb nog een vraag van D66: hoe stimuleert de staatssecretaris dat visserijtechnieken die een kleinere ecologische impact hebben, een groter aandeel van onze vangst op zullen leveren ten opzichte van schadelijke technieken? Dit kabinet zet zich in voor een toekomstbestendige visserij. Dat betekent dat we investeringen mogelijk maken in zowel technische als sociale innovaties. Daarvoor hebben we ook meerdere subsidieregelingen beschikbaar gesteld, doen we onderzoek naar duurzame vangsttechnieken, zoals FloMo en de Kiwikuil, en zetten we ons in voor het toestaan van pulsvisserij. Ook probeer ik meer inzicht te geven in de voetafdruk van verschillende visserijen, bijvoorbeeld met het CO2-onderzoek dat recent gepubliceerd is. Dat laat onder andere zien dat er een verschil tussen sectoren kan zijn.

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de heer Meulenkamp over voedsel uit zee. Hij vroeg naar de mogelijkheden om seafood, zoals hij het noemde, nadrukkelijker te betrekken bij toekomstige analyses, scenario's en rapportages over voedselzekerheid. Ik ben met u eens dat seafood, of voedsel uit zee -- laten we het wel zo noemen hier in de Kamer, want ik heb weleens gezien dat collega's hier zijn gecorrigeerd op Engels taalgebruik -- een waardevolle bijdrage is aan de Nederlandse voedselvoorziening. Het past namelijk in een gezond dieet en draagt ook bij aan de voedselzekerheid, zoals de heer Lohman ook zei. Minstens één keer per week is gezond, volgens mij, en meer ook nog, zou ik zeggen. Het thema heeft een belangrijke plek in de Uitvoeringsagenda Visie op voedsel uit zee en grote wateren. Deze acties richten zich onder andere op de positionering van, maar ook het narratief over vis, schaaldieren en schelpdieren en de gezondheidseffecten daarvan in een dieet. Ik zal zorgen dat we in de uitwerking van de agenda voedselzekerheid, die na de zomer komt, ook het visserijaspect en voedsel uit zee betrekken.

Voorzitter. Dan was er nog een vraag van D66: wat is de visie van de staatssecretaris op de optimale verdeling van verschillende voedselbronnen uit zee? Hoe stuurt hij hierop? Zowel in de Visie op voedsel uit zee en grote wateren als de daarbij behorende uitvoeringsagenda hebben we geen verdeling gemaakt van de verschillende bronnen van voedsel uit zee. Die zijn allemaal van waarde voor ons dieet. We zetten ons er daarom ook samen met de deelnemers aan de uitvoeringstafel voor in dat zowel de kweek van mariene eiwitten als de wildvangst een goede toekomst hebben op de Noordzee. Dat is het belangrijkste doel van de uitvoeringsagenda, waarbij de ecologische draagkracht een randvoorwaarde is.

Dat was dit blokje, voorzitter.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Ik zou de staatssecretaris toch willen vragen of hij iets uitgesprokener kan zijn. Ik merk dat de staatssecretaris redelijk op de vlakte blijft ten aanzien van de visie: we gaan het ondersteunen, maar aan de andere kant … Ziet de staatssecretaris, net als D66, het risico dat we juist net niet de regie bieden waar wel behoefte aan is in het veld als we ons hier heel erg op de vlakte houden vanuit het Haagse? Ziet hij dan ook dat we het risico lopen dat we op elkaar gaan wachten? De sector wacht op regelgeving, visie en doelen en wij wachten tot de sector ergens mee komt.

De voorzitter:

Dat was uw laatste interruptie.

Staatssecretaris Erkens:

De sector is met die uitvoeringsagenda gekomen, ook samen met milieu- en natuurorganisaties en de overheid. Daarbinnen worden dus wel een visie en route geschetst. Ik wil daarom ook echt vertrouwen geven aan dit proces en dit uitvoeren. Tegelijkertijd wil ik ook niet vanuit de overheid gaan sturen op welk voedsel uit zee we gaan produceren. Dat doen we natuurlijk ten dele al door quota die vastgesteld worden en door de randvoorwaarden voor de aquacultuur en de productie op dat vlak. Ik zou niet willen dat we daar als overheid een nog grotere rol in nemen, maar misschien begreep ik de specifieke vraag van mevrouw Vellinga-Beemsterboer niet. Dat pakken we nog los op, als er geen interrupties meer zijn.

De voorzitter:

Goed, zo. Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter, ik kom op de puls. Daar heb ik meerdere vragen over gekregen. Laat ik zeggen dat als het volledig op mijn bureau lag en ik het als staatssecretaris zelf kon beslissen zonder inspraak van Brussel, ik deze nacht zou doorwerken, morgen het besluit zou beklinken en het weer zou invoeren. Het is natuurlijk ontzettend jammer dat het niet mogelijk is om de puls in te zetten, zowel op het gebied van bodemberoering als op het gebied van brandstofbesparing voor de vissers. Het gaat vaak wel om 40% tot 50%. Met de hoge brandstofprijzen kunt u zich voorstellen wat voor verschil dat gemaakt zou hebben. Mijn inzet is de volgende. We kijken of een aantal andere lidstaten van de Europese Unie samen met ons twee dingen willen doen. Op korte termijn is dat onderzoek uitvoeren naar onder welke voorwaarden het mogelijk wel kan, dus ook welke verbeteringen mogelijk nog aangebracht kunnen worden. Ik wil in combinatie daarmee met die landen bekijken of we als vervolgstap bijvoorbeeld een gemeenschappelijke pilot kunnen doen, waarbij we ervoor zorgen dat het inderdaad niet alleen Nederlandse vissers zullen zijn, maar ook die van een aantal andere lidstaten. Zo creëren we met elkaar medestanders om dit dossier ook echt op de agenda te krijgen in Europa. Ik moet zeggen dat ik zelf ook ongeduld voel in dit proces. Waar ik dus sneller kan gaan, zal ik dat proberen te doen. Ik ben bijvoorbeeld begin juli in Berlijn, waar ik dit met mijn counterpart daar zal proberen te bespreken. Ik denk dat het bij het pulsdossier van belang is dat we met elkaar voorkomen dat we een te snelle afslag nemen waardoor de deur weer definitief dichtgaat, net nu we voelen dat het moment misschien weer rijp is om het op de agenda te plaatsen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Doet de staatssecretaris dat ook "boerenslim", om het zo te zeggen, door te zeggen: zullen we het eerst eens op een Franse kotter schroeven? Dat is in het verleden natuurlijk een beetje misgegaan. Wij gingen er met de innovatie vandoor en anderen profiteerden daardoor niet mee. Scheve ogen zijn er in de visserij, tussen vissers uit verschillende landen, te over. Dat weet u.

Staatssecretaris Erkens:

Dit is een valide punt. Je moet hier bondgenoten in creëren. Ik denk dat dat inderdaad een les uit het verleden is. Het was een hele goede innovatie, die ook tot een heel goed competitief voordeel leidde. De andere landen, die daar geen baat bij hadden, hebben dat inderdaad ten dele slim gespeeld door daarmee de puls in het verdomhoekje te krijgen. Mijn insteek hierbij is dus om echt een aantal medestanders te vinden, zodat je er ook voor kan zorgen dat meerdere lidstaten baat hebben bij de herinvoering hiervan.

De heer Chris Jansen (PVV):

Een van de redenen dat Frankrijk afhaakte, was het feit dat zij geen geld hadden om de complete vloot te vervangen. Zou het dus niet ook slim zijn om in Europees verband direct mee te denken over een langjarige investeringsmogelijkheid, zodat ook landen die minder middelen hebben toch de kans krijgen om hierop mee te liften?

Staatssecretaris Erkens:

Ik denk dat het wel breder ligt dan alleen dat de Franse vloot de investeringscapaciteit niet had. Er speelden ook rechtszaken van BLOOM, een ngo. Er speelden veel meer zorgen op dat vlak. Ik denk dat de medestanders die wij op dit dossier vinden in eerste instantie ook een iets nabijere geografische ligging hebben dan Frankrijk. Ik proef daar nog niet echt de ruimte dat men zegt: laten we hiermee aan de slag gaan. Ik probeer dus eerst een aantal andere lidstaten mee te krijgen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, voorzitter. Ik ben in dit debat wel heel transparant over mijn strategie, maar we doen het niet voor niks in het Nederlands, zou ik daarbij zeggen. Volgens mij moeten we als Nederland op dit dossier inderdaad uitstralen dat we geleerd hebben van de periode in het verleden, dat we dit samen met anderen willen doen en dat we de zorgen die er zijn serieus nemen. Volgens mij is dat de route waarmee je het weer op de agenda kan zetten.

Voorzitter. Ik kreeg een vraag over de nadeelcompensatie voor de puls. "De staatssecretaris buigt zich na de rechterlijke uitspraak over nadeelcompensatie. De pulsvissers hadden geïnvesteerd, maar kregen de pin op de neus. Hoe gaat de staatssecretaris dit oppakken? Wanneer horen de vissers meer?" Dat waren vragen van de heer Flach. Ik heb de Kamer vorige week geïnformeerd middels de verzamelbrief visserij. Ik begrijp dat de gevolgen van dit verbod inderdaad heel ingrijpend zijn voor de betrokken vissers, maar om in aanmerking te komen voor nadeelcompensatie moet altijd aan strikte voorwaarden voldaan worden. Ik heb daarbij aangegeven dat de inschatting is dat het niet waarschijnlijk is dat pulsvissers hiervoor in aanmerking komen. Desalniettemin heb ik ook aangegeven dat we iedereen de ruimte bieden om toch een verzoek tot nadeelcompensatie in te dienen. We zullen die verzoeken zorgvuldig met elkaar bekijken en beoordelen. Ik ben ook bereid -- dat was volgens mij ook een vraag van de heer Flach -- om bij RVO te vragen of men in dat proces ook probeert mee te denken, omdat het doen van een verzoek tot nadeelcompensatie als individuele visser een complex traject is dat tijd zal kosten. Ik zal dus ook vragen om een bepaalde coulance in het proces, zodat zij die mogelijkheid kunnen benutten als ze dat willen.

Voorzitter. Dan ga ik door naar het volgende blokje. Dat gaat over de brandstofregeling en het EMFAF. Er waren meerdere vragen over wanneer die compensatie opengesteld zal worden. Als kabinet erkennen we dat de nood hoog is in de visserijsector. We stellen daarom vanaf september een steunmaatregel in combinatie met een energiebesparingsregeling in. Ik wil de uitwerking van deze steunmaatregel zo snel mogelijk rond hebben, maar het moet op een gedegen manier gebeuren. We willen de middelen ook gericht inzetten, omdat de middelen beperkt zijn. We houden daarbij dus rekening met verschillende flowsegmenten en de mate van geraaktheid van de gestegen brandstofkosten. We krijgen daarvoor advies van Wageningen Social & Economic Research. Daarnaast werken we deze regeling, zoals de heer Vermeer vroeg, ook nauw uit met de sector zelf, zodat we de ondersteuning zo doeltreffend mogelijk kunnen vormgeven. De regeling moet daarnaast ook goed uitvoerbaar zijn. De administratieve lasten wil ik zo laag mogelijk houden, zowel voor de aanvrager als de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Zoals gebruikelijk moet het goedgekeurd worden door het Monitoringscomité EMFAF. Ik wil daar zo snel mogelijk op aansturen, zodat ik met uw Kamer kan delen dat deze regeling in werking treedt. Dat neemt niet weg dat het natuurlijk gewoon wrang aanvoelt dat we circa twee maanden geleden hebben aangekondigd dat er compensatie komt en dat de regeling nu wel bijna, maar nog niet helemaal af is. Ik heb daarom ook al eerder gecommuniceerd, zowel in een brief aan uw Kamer als richting de sector zelf, dat de compensatie met terugwerkende kracht zal plaatsvinden. We zien dus ook dat een deel van de vloten hierop anticipeert en ook al uitvaart.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik heb een vraag ter verduidelijking. Gaat de staatssecretaris nog apart in op de pelagische visserij?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, daar kom ik straks op terug.

Voorzitter. De heer Vermeer vroeg of ik bereid ben om in gesprek te gaan. Ja, dat doen we en dat zullen we blijven doen.

Dan was er een vraag van het CDA en de heer Grinwis. Hoe wordt het geld precies ingezet? Welke brandstofbesparende maatregelen zien we in de praktijk toegepast worden? Om de visserijsector minder afhankelijk te maken van brandstof zullen we eind september die energie-efficiëntieregeling openstellen. Van deze regeling kunnen onder meer de kottervisserij, de platvisvisserij, de garnalenvisserij en de schelpdiervisserij gebruikmaken. Met de regeling kunnen visserijondernemers subsidie krijgen voor aanpassingen aan hun vissersvaartuigen die brandstof besparen. Als bijwinst dragen ze zo ook bij aan het verminderen van CO2-uitstoot. In het verleden ging het daarbij vaak om de aanpassing van een schroef of van een motor. U moet dus aan dat soort maatregelen denken in dit geval. We hebben voor deze regeling 27 miljoen euro aan budget beschikbaar. Dat is 25 miljoen euro voor de kottervisserij en 2 miljoen euro voor de schelpdiervisserij. Voor de schelpdiervisserij hebben we aanvullend nog twee openstellingen van deze regeling op de planning, eentje in '27 en eentje in '28. We zagen namelijk dat dat bij de sector tot meer absorptiecapaciteit zou kunnen leiden voor de regeling.

Voorzitter. Mevrouw Bromet vroeg: "Hoe dragen de rijkssubsidies bij aan de doelen voor het verminderen van brandstofgebruik? Kunnen we de subsidiëring anders inrichten zodat die daar directer aan bijdraagt? Zijn we dat van plan?" We zien dat de brandstofkosten gestegen zijn. Ik hecht er waarde aan dat het brandstofgebruik in de visserijsector en in het bijzonder in de kottervisserij omlaag wordt gebracht, zodat de sector minder kwetsbaar is voor die prijsschommelingen. Middels deze subsidieregeling kunnen ze dus het brandstofgebruik van het vaartuig verminderen. De route daarnaartoe zal wel verschillen per visser. Het kan gaan om de aanpassing van de schroef, de motor et cetera. De vissers hebben zelf natuurlijk ook het meeste belang bij het verminderen van het brandstofgebruik, omdat ze zagen dat de businesscase niet meer uitkwam. Naar verwachting zullen zij daarom de subsidie ook gebruiken voor investeringen die echt leiden tot de meeste brandstofreductie.

Voorzitter. Dan hebben we de vraag van volgens mij de heer Grinwis over de vlagkotters. Hij zegt dat er bij een deel van de vissers zorgen leven, omdat een aantal vissers tussen wal en schip kunnen vallen. Hij zegt: "De onderneming is gevestigd in Nederland. Ze betalen hier belasting. Achten wij dat verschil rechtvaardig?" Ik ben van mening dat de Nederlandse middelen wel naar de Nederlandse visserijvloot moeten gaan en niet naar de vloot van een andere lidstaat of staat. De Nederlandse visserijbedrijven die varen onder een buitenlandse vlag komen dus niet in aanmerking voor subsidie onder het Europese visserijfonds. 70% van het EMFAF wordt bekostigd door de EU en 30% met middelen van de Nederlandse Staat. Daarom hebben subsidieregelingen onder het EMFAF ook als vereiste dat de vaartuigen waarin wordt geïnvesteerd, geregistreerd staan in het Nederlands Register van Vissersvaartuigen. In alle eerlijkheid is het qua uitvoerbaarheid heel moeilijk te controleren welke vaartuigen die niet onder de Nederlandse vlag varen dan ook daadwerkelijk een Nederlandse vloot zijn.

Voorzitter. Dan de pelagische visserij. De details van de steunmaatregel worden nog nader uitgewerkt. Mijn streven is wel om die zo doeltreffend mogelijk te maken, kijkend naar het bedrag dat wij beschikbaar hebben. We zien dat de pelagische visserij meestal wel bestaat uit meer veerkrachtige en grote internationale bedrijven. Die gebruiken inderdaad veel brandstof, maar tegelijkertijd zien we dat de draagkracht van dat deel van de visserij wel groter is dan die van de boomkorvisserij. Vandaar dat we het bij de afbakening daarvan niet op de pelagische visserij toepassen.

De voorzitter:

Ja, heel goed, meneer Jansen, u mag een interruptie plegen. Ik was even aan het multitasken vanwege uw verzoek.

De heer Chris Jansen (PVV):

Geeft niets. Ik snap wel wat de staatssecretaris zegt, maar ter illustratie: tien jaar geleden kostte een volle brandstoftank €300.000; nu praten we over bijna 1,3 miljoen voor één schip dat een maand de zee op gaat. Het zijn nogal bedragen. Ik weet inderdaad dat uw budget beperkt is, maar ik vind het ook weer iets te makkelijk om te zeggen: dat kunnen zij zelf wel dragen, want ze zijn kapitaalkrachtig. Graag iets meer duiding daarvan.

Staatssecretaris Erkens:

Nee. Dat bedoel ik niet te makkelijk, maar de keuze die wij maken, is om die middelen zo gericht mogelijk in te zetten. Daarbij is wel de keuze gemaakt om het meer op de boomkorvisserij te richten. Dat betekent trouwens wel dat bij familiebedrijven die bijvoorbeeld zowel pelagische schepen als boomkorvissers hebben, de boomkorvissers in dat bedrijf wel nog aanspraak kunnen maken op de regelingen.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording, staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Dan heb ik de vraag: op welke wijze werkt de staatssecretaris samen met andere Noordzeelanden om de innovatieve aquacultuur te bevorderen? Voor de ontwikkeling van de innovatieve aquacultuur in windparken wordt samengewerkt met diverse Noordzeelanden in diverse Europese onderzoeksprojecten. Verder is er op dit moment geen directe samenwerking. Tegelijkertijd, als er nog andere raakvlakken zijn om samen te werken op dit soort projecten, sta ik daar uiteraard wel voor open. Misschien heeft mevrouw Vellinga-Beemsterboer daar in de tweede termijn nog een aantal gedachtes over. Dat geef ik mee. Het is geen uitlokking. Het is meer ter inspiratie of een verzoek. Ik vind het namelijk ook wel -- nu ga ik uiteraard even een beetje van mijn tekst afwijken -- vrij onlogisch dat we ten aanzien van de visserijsector per lidstaat proberen alles grotendeels zelf te doen. Volgens mij zijn er best wel meekoppelkansen, waarbij je zowel onze sectoren als die van een aantal andere landen kan versterken als je innovatieprojecten meer samen gaat oppakken. Dat is dus iets wat het kabinet ook breder wil oppakken.

Voorzitter. "Onderzoekt de staatssecretaris in dat kader of deze sectoren in aanmerking kunnen komen voor aanvullende Europese subsidies voor natuurherstel?" Onder het EMFAF zijn er de afgelopen jaren diverse regelingen opengesteld voor de aquacultuursector. We zullen ook een innovatieregeling openstellen op 31 juli met een budget van 3,3 miljoen. Aanvragers kunnen zelf de insteek bepalen. Dat betekent dat die ook zou kunnen zien op natuurherstel, als de aanvragers besluiten om daarop in te zetten.

Voorzitter. Dan een vraag van de heer Jansen: kan de staatssecretaris uitleggen waarom we aan het fonds meedoen, terwijl het geld vooral naar ambtenaren en niet naar vissers gaat? Ik zie dat het visserijfonds, EMFAF, van meerwaarde is voor de visserij- en aquacultuursector. Onder het EMFAF worden ook diverse innovatie- en investeringsregelingen voor de visserij en aquacultuur opengesteld. Kijkend naar de subsidieaanvragen zien we ook dat er vanuit de sector behoefte is aan die regelingen. Die dragen ook bij aan het toekomstperspectief van de sector. We willen dit uiteraard wel zo efficiënt mogelijk doen, dus u kunt zich voorstellen dat ik inderdaad kijk naar de administratieve lasten van de regelingen en wat wij als Nederland daarin kunnen verminderen.

Nog één vraag in dit blokje. Die is van de heer Flach, die zei: "Ik zie dat Brussel fors wil bezuinigen. Tegelijkertijd worden innovaties als de pulskor gedwarsboomd. Wat gaan we doen om deze discrepantie aan te kaarten?" Ik vind het van belang dat de visserij ondersteund wordt bij de energietransitie en innovatie. Uiteindelijk vraagt stappen zetten in innovatie zowel ruimte in de regelgeving alsook voldoende middelen om dit te ontwikkelen en uit te rollen. Voor wat betreft visserij en het MFK vind ik het van belang dat de beschikbare middelen in verhouding staan tot de beoogde doelen en eisen die aan lidstaten gesteld worden. Dat zullen we dus ook meenemen in het traject. Ik verwacht dat in het Nederlandse NRPP binnen het MFK inderdaad ook aandacht zal zijn voor innovatie en duurzaamheid voor de visserijsector. De komende tijd zal ik me daarvoor inzetten, maar ik zal uiteraard ook in den brede wijzen op de administratieve lastendruk die op de sector ligt. Daarom is eerder het verzoek gedaan voor een Omnibus voor de visserijsector, waarin wordt gekeken naar wat er kan om de administratieve lastendruk te verminderen, met inachtneming van de doelen die we gesteld hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. O, eerst nog een interruptie van de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Een korte vraag. Ik zeg dat ook vanuit de achtergrond dat met name het Europees visserijfonds fors zal krimpen. Meer aandacht voor innovatie is dan wel mooi, maar -- sorry voor de woordspeling -- is er straks nog boter bij de vis?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is een terechte vraag. Dat nemen we ook mee in dit proces. Daarom zeg ik dat er een balans moet zijn tussen de eisen die wij stellen aan de visserij en de beschikbare budgetten die eruit komen. Het kabinet neemt dat dus mee in de gesprekken. Daarbij heb je uiteraard twee knoppen waar je aan kan draaien. De ene is pleiten voor meer geld en de andere is inderdaad iets vragen van de sector. Maar ik probeer die balans mee te geven aan de collega's en ik weet dat de collega's dit ook scherp hebben.

De voorzitter:

Dank daarvoor. In de tussentijd kan de staatssecretaris even ademhalen en kom ik nog even bij u terug met het verzoek van de heer Boomsma om het tweeminutendebat te verzetten. U zult zich toch zo meteen om 22.00 uur mogen melden in de plenaire zaal. Als u het tweeminutendebat echt wilt verzetten, dan zult u dat daar moeten aanvragen. Dan kunt u er rekening mee houden dat het antwoord kan zijn dat het niet kan. Dat is wat ik u kan bieden op dit moment. Ik dacht: ik meld het u maar vast, dan kunt u zich daarop voorbereiden.

Mevrouw Bromet (PRO):

Weet u ook of het schema nog steeds zegt dat we om 22.00 uur dit debat aanvangen?

De voorzitter:

Ja. Er is in ieder geval een aanvang van een debat om 22.00 uur. Daar kan een Kamerlid het verzoek doen om het tweeminutendebat te verzetten naar morgen. U zult het daar in de plenaire zaal over moeten gaan hebben. Zoals ik zei: u kunt er ook rekening mee houden dat het wellicht niet gaat lukken, gezien de agenda. U zult dat dus helaas daar moeten doen, hoe graag ik u hier ook zou willen helpen.

Mevrouw Bromet (PRO):

Ik bedoelde eigenlijk vanavond 22.00 uur. Staat het schema nog steeds op vanavond 22.00 uur?

De voorzitter:

Jazeker. Het tweeminutendebat staat voor dat tijdstip gepland, dus u kunt gewoon om 22.00 uur naar de zaal.

Mevrouw Bromet (PRO):

Maar als er nog een ander debat gaande is, wordt het nog later.

De voorzitter:

Ja. Het kan natuurlijk best zijn dat het debat daarvoor uitloopt. Hoe het schema daar loopt … Ik kan best goed multitasken, maar ik heb op dit moment geen radar aan in de plenaire zaal, mevrouw Bromet.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik hecht er wel aan dat we hier een zorgvuldige besluitvorming bewaken. Als we straks nog even halsoverkop een tweeminutendebat moeten doen … Er moeten misschien nog moties worden geschreven. Je wilt die ook afstemmen. We hadden het net over samenwerking. Hoe gaan we dit allemaal doen? Als het op een ander moment kan, dan liever op een ander moment.

De voorzitter:

Dat zult u dus in de plenaire zaal met elkaar moeten bespreken en niet hier. Ik zou m'n tijd hier vooral gebruiken om deze termijn af te maken, als ik u een tip mag geven. Ik kijk naar de staatssecretaris voor het volgende blokje.

Staatssecretaris Erkens:

Het volgende blokje gaat over cameratoezicht en de Controleverordening. Daarover heb ik een aantal vragen gekregen.

Het CDA vroeg: waarom worden subsidies opengesteld voor de camera's voordat er een pilot is geweest? Dat is omdat per 10 januari 2028 cameratoezicht op basis van de Europese regelgeving verplicht wordt gesteld. De komende maanden zal in het Europese overleg duidelijk worden welk deel van de Nederlandse vloot hier precies mee te maken gaat krijgen en ook aan welke minimumeisen de systemen moeten voldoen. Een mogelijke Nederlandse pilot is dus bedoeld om dat cameratoezicht zo goed mogelijk op een uitvoerbare en proportionele manier te kunnen vormgeven. Het is nodig om dit nu uit te werken, omdat de tijd tot de inwerkingtreding steeds krapper wordt. Op dit moment hebben we dus nog middelen in het EMFAF om vissers te kunnen ondersteunen op dit vlak en een groot deel van die kosten op ons te nemen. Vandaar ook de oproep van mijn kant om in ieder geval te kijken naar een pilot samen met de sector om te zien hoe het vormgegeven zou kunnen worden op een manier die werkbaar is. We lopen namelijk toch het risico dat die EMFAF-middelen niet meer beschikbaar zijn op termijn. Dan zit je met een wettelijke verplichting met de bijbehorende kosten zonder middelen van ons.

De heer Lohman (CDA):

Ik had nog een aanvullende vraag. Er zijn zorgen over de betaalbaarheid van de camera's, maar ook over data: wie is er uiteindelijk verantwoordelijk? Er worden dan natuurlijk enorme bakken data door de visserij gegenereerd. Hoe wordt daarnaar gekeken?

Staatssecretaris Erkens:

Dat zullen we komende maanden in Europees overleggen nog uitwerken. Vandaar ook echt mijn oproep aan de sector om daar hun zienswijze in mee te geven, zodat we daar met die kennis en met die zorgen in de Europese overleggen nog richting aan kunnen geven.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

De heer Jansen vroeg: is de staatssecretaris bereid dit bigbrotherbeleid te stoppen in Brussel? Zo voelt hij het. Het is nu verplicht op grond van Europese regelgeving. Dat is met de vaststelling van de herziene Controleverordening in 2023 besloten. We hebben dus de verplichting -- die heb ik -- om dit te implementeren. Onze inzet is hierop gericht. De komende maanden wordt dus duidelijk welk deel van de vloot daarmee te maken gaat krijgen en aan welke eisen het moet voldoen. Dit wil ik dus graag doen in overleg met de sector, omdat we ons er ook hard voor willen maken om het zo uitvoerbaar, handhaafbaar en ook proportioneel mogelijk in te voeren voor de visserijsector. Er is nu echt nog ruimte in de discussies, hopelijk. Vandaar ook mijn oproep om daarover met ons een gesprek aan te gaan.

De heer Boomsma had een vraag over aanlandhavens: waarom zou je niet gewoon vis mogen lossen in verschillende havens? Hij vroeg mij om hier nog een keer over in gesprek te gaan. In het tweeminutendebat over de LVR van januari heeft mijn ambtsvoorganger de motie van het lid Boomsma de interpretatie gegeven dat de criteria van de Beleidsregel aanwijzing havens en plaatsen voor visserij leidend zijn bij de uitvoering. De afgelopen periode heb ik benut voor een analyse van de praktijk in de aanlandhavens. De conclusie van die analyse en de gesprekken is met uw Kamer gedeeld. Die houdt inderdaad in dat niet alle havens waar vissers tot nu toe hebben aangeland zijn aangewezen. Via de NVWA en RVO zal daar nog communicatie over plaatsvinden met die plekken. Die beoordeling heeft plaatsgevonden op basis van de criteria uit de beleidsregel, overleggen met de sector over wat de belangrijkste aanlandplekken zijn en afstemming met de NVWA in verband met de handhavingscapaciteit, omdat het aanlanden van de vis ook niet in elke willekeurige haven mag plaatsvinden vanuit regelgeving uit Europa in het kader van toezicht en wij dus wel moeten zorgen voor handhaving en toezicht op die plekken. Vandaar deze keuze.

De heer Boomsma (JA21):

Ik weet niet precies welke regel daar dan doorslaggevend in is geweest, maar het is natuurlijk best gek dat je gewoon eeuwenlang je vis daar kunt lossen en het ineens niet meer kan. De reden is dan dat het makkelijker te handhaven is. Ik vind niet dat het zo zou moeten werken. Ik zei al dat vissers zelf aangeven dat het op sommige momenten gevaarlijk is om door te varen door weer en wind. Het is niet altijd mogelijk om door te varen naar een andere haven. Dus wat is er nou op tegen om dat dan toch gewoon toe te staan?

Staatssecretaris Erkens:

Dat handhavingscapaciteit hierin wel een schaars goed is. Wij moeten dus de afweging maken waar we die capaciteit inzetten op dit moment. Ik kan wel tegen de heer Boomsma zeggen dat wij op een later moment, in een volgende visserijbrief, nog wat dieper kunnen ingaan op de criteria die hier inderdaad de doorslag in gaven.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, voorzitter. De heer Jansen vroeg: is de staatssecretaris bereid om iets te doen aan het digitaal registeren van vangsten onder 50 kilometer of, nee, 50 kilo -- het is ook laat voor mij -- in Brussel? Die aanvullende logboekverplichtingen, waaronder het digitaal registeren van die vangsten, zijn dus ook onderdeel van de Controleverordening ten dele. Die zijn afgelopen 10 januari ingegaan. Dit is op dit moment staand Europees beleid. Mijn inzet is er wel op gericht daaraan te voldoen. Tegelijkertijd ben ik me heel erg bewust van de administratieve lasten die dit met zich meebrengt voor de vissers en de controlediensten. De komende tijd blijven wij dus die knelpunten naar voren brengen bij de Europese Commissie. Dat geldt trouwens niet alleen voor dit aspect. Bij veel andere zaken uit die verordening zie je ook dat andere lidstaten punten opbrengen in de Raad. Daar sluit Nederland zich bijna altijd bij aan. Ik wil ook opmerken dat een goede vangstregistratie ook van belang is voor een duurzame visserij. Tegelijkertijd pleiten wij, zoals ik net al zei, niet voor niks voor een Omnibusvoorstel om regelgeving waar die te complex is geworden te kunnen versimpelen.

Voorzitter. Dan gaan we naar de Omnibus gewasbescherming. O, de heer Lohman nog.

De voorzitter:

De heer Lohman heeft nog een laatste interruptie.

De heer Lohman (CDA):

Ja, ik heb nog een visserijvraag. Is de staatssecretaris ook bekend met de brandbrief of de brief die onder andere door de Nederlandse Vissersbond is gestuurd?

Staatssecretaris Erkens:

Wij krijgen meerdere brandbrieven. Dus als wij de specifieke brief kunnen krijgen, zullen we die sowieso van een reactie voorzien als dat nog niet gebeurd is. Normaliter betrekken we de reacties bij het debat en ook in het contact met de visserij. Die dubbelcheck kan ik dus laten doen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Lohman.

De heer Lohman (CDA):

Ik hoor veel over de dialoog die gaande is met de visserijsector. In die brief wordt een aantal best stevige vragen gesteld: worden wij serieus genomen in de dialoog en is er een toekomst voor de visserij in Nederland? Dat is een beetje de tendens van de brief. Is de staatssecretaris het met mij eens dat er dan misschien meer nodig is, als ze zich blijkbaar in de dialoog onvoldoende gezien voelen door in ieder geval het ministerie?

Staatssecretaris Erkens:

Ik heb nog een mapje overig waar nog heel veel visserijvragen in langskomen. Daar zit deze ook nog in. Ik zal er dus zo dadelijk uitgebreid op terugkomen. Wij proberen in ieder geval de visserijsector zo veel mogelijk bij deze gesprekken te betrekken. Mochten er aanwijzingen zijn over processen waarin het niet goed loopt, sta ik ervoor open op te kijken hoe dat verbeterd kan worden. Ik zal er dadelijk uitgebreid op terugkomen.

De voorzitter:

Akkoord. U heeft nog twee blokjes te gaan. We hebben nog minder dan een kwartier op de klok en nog een tweede termijn te gaan. Als het tweeminutendebat om 22.00 uur plaatsvindt, hebben we nog weinig ruimte om dat nog voor te bereiden. Dus tip aan zowel de commissieleden als ook de staatssecretaris is om de beantwoording wat compact te maken en ook de vraagstelling compact te herhalen, zodat we op z'n minst deze termijn om 21.00 uur klaar hebben. Dat zou toch heel erg mooi zijn. En het liefst alles om 21.00 uur klaar, natuurlijk.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Ik kan snel praten. Ik zal mijn best doen. Over de Omnibus. Ik had het lid Kostić toegezegd de vragen te beantwoorden over het informatieverzoek. De eerste vraag was wat Nederland vorige week heeft ingebracht bij de overleggen over de Omnibus, wat we hebben gezegd en wat de tekst van de stemverklaring was. Het compromisvoorstel stond op de agenda van het zogeheten "ambassadeursoverleg" van 12 juni en is daar in stemming gebracht. Daarna is er geen inhoudelijk overleg meer geweest over het compromisvoorstel. De stemverklaring was, zoals schriftelijk meegedeeld, gewoon in lijn met de Kamerbrief die ik u vorige week heb gestuurd.

Het lid Kostić heeft ook gevraagd of het kabinet kansen ziet om op EU-niveau alsnog een fatsoenlijk impactassessment te laten maken door wetenschappers. De laatste periode van het proces was ronduit chaotisch te noemen, met korte reactietijden. Ondanks dat het nog onduidelijk is hoe het komende proces zal lopen, zal ik me inzetten voor een helder proces met voldoende tijd voor inbreng. Ik zal me bij de totstandkoming van een nieuw compromisvoorstel, mocht dat geagendeerd worden, ook inzetten voor de Nederlandse belangen conform het BNC-fiche, dus meer zekerheden op het gebied van het voorkomen van een verslechtering van mens dier en milieu, en blijvend inzetten op verbetering van het voorstel. Ik heb ook -- daarmee loop ik vooruit op een aantal andere vragen -- achter de schermen al het signaal afgegeven, ook aan het huidige voorzitterschap, dat het niet per se gewenst is om nu weer halsoverkop een nieuw compromisvoorstel op de mat te gooien zonder voldoende tijd voor behandeling. Dat zeg ik niet alleen omdat wij deze discussie gehad hebben, want niet alleen bij Nederland stond deze druk op het proces met bijbehorende discussies. Dat was in andere lidstaten ook het geval. Wij zijn dus niet de enigen die hiertegen aangelopen zijn.

De voorzitter:

Ik zie twee vingers. Ik weet even niet meer wie de eerste was, maar ik geef eerst het woord aan het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Een aantal vragen zijn nog onbeantwoord, maar ik wil nog even ingaan op dat impactassessment. Zegt de staatssecretaris dat hij zich inderdaad gaat inzetten voor een fatsoenlijk impactassessment, zodat we zeker weten dat die gezondheid wordt geborgd?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is in lijn met wat ik al eerder in het debat heb gezegd. Voor Omnibusvoorstellen doet de Commissie over het algemeen geen impactassessments. Ik zal inderdaad pleiten voor voldoende tijd, zodat wij een voorstel ook nog kunnen beoordelen, onder andere aan de hand van de wetenschappelijke adviezen en ook met het oog op de informatievoorziening naar de Kamer. Dan kunnen wij die impact beter inschatten dan in het spoedproces dat we met elkaar hadden, waarbij het in twee, drie dagen tijd moest.

Kamerlid Kostić (PvdD):

De staatssecretaris zegt: dan kunnen wij het goed beoordelen. Wil de staatssecretaris toezeggen om inderdaad onze wetenschappers die we vorige ronde ook hebben geraadpleegd, namelijk uit Leiden, Wageningen en van het Ctgb, er opnieuw bij te betrekken?

Staatssecretaris Erkens:

Ja. Dat hebben we deze keer, in dit proces, inderdaad ook gedaan via het Ctgb. Dat wil ik zeker bij een volgend voorstel ook doen. Daarbij benadruk ik wederom dat wij ons ongenoegen over het proces kenbaar gemaakt hebben. Het lid Bromet had gevraagd om het inderdaad ook nog op een ander moment te doen, niet alleen nu via de route die ik al belopen heb. Daar ben ik trouwens ook toe bereid, zal ik dadelijk zeggen. Wij geven dat signaal af. Dat kan niet betekenen dat er komende weken alsnog een chaotisch voorstel ingediend wordt; dat kan ook betekenen dat het nog een hele poos gaat duren met elkaar. Maar onze inzet is daarop gericht.

De voorzitter:

Tot slot hierover, heel kort.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik neem aan dat de staatssecretaris in de rest van de termijn andere vragen beantwoordt, want ik was nog benieuwd naar de reflectie op de inzet van de staatssecretaris tot nu toe, een in onze ogen verkeerde strategie. Mijn vraag is of de staatssecretaris de inzet van de Kamer als een harde lijn in verdere onderhandelingen vasthoudt, namelijk dat die ondergrens in stand blijft en er dus geen achteruitgang in de bescherming van de gezondheid van dier, mens en natuur mag zijn.

Staatssecretaris Erkens:

Ten opzichte van het voorstel dat nu op de mat lag, vinden we inderdaad dat de inzet nu gericht moet zijn op het veel beter inbouwen van die waarborgen.

De voorzitter:

Ik ga eerst even naar de heer Lohman -- die had een vraag -- en dan ga ik naar mevrouw Bromet.

De heer Lohman (CDA):

Mijn vraag ging over hetzelfde: hoe groot is het risico dat er toch -- daar heb ik indianenverhalen over gehoord -- binnen twee weken weer een stemming is en er dan eigenlijk weer volledig aan wordt voorbijgegaan? Hoe groot schat de staatssecretaris die kans in?

Staatssecretaris Erkens:

Als ik dat zou weten, dan zou ik het u per direct vertellen. Wij geven inderdaad het signaal af om dit niet te doen. Ik zal de mensen in Brussel ook verzoeken om dit signaal ook via een aantal andere lidstaten die met dit ongenoegen zitten, te laten geven, zodat de kans daarop zo klein mogelijk wordt.

Mevrouw Bromet (PRO):

In het interruptiedebatje dat ik met de heer Lohman had, maakte ik gewag van de koppeling die er steeds gelegd wordt tussen het versneld toelaten van de groene middelen en het afzwakken van herbeoordelingen. Hoe kijkt de staatssecretaris daar zelf naar? Als er nu toch nog onderhandeld moet worden, zou je namelijk als derde oplossing kunnen voorstellen dat je gewoon zorgt voor meer capaciteit, zodat die groene middelen sneller toegelaten kunnen worden maar die herbeoordelingen niet afgezwakt hoeven te worden.

Staatssecretaris Erkens:

Er zit ten dele een koppeling aan. Je kunt inderdaad ook een aantal zaken rond het toelaten van groene stoffen versnellen door meer capaciteit te hebben. De Commissie heeft ook aangegeven daar deels capaciteit voor te willen vrijspelen. Tegelijkertijd ligt er een heel groot werkbeslag op de herbeoordeling van stoffen met een laag risico. Als je nog meer capaciteit wil vrijspelen in zo'n nieuw model snappen wij als kabinet dus wel de afweging om dat ook te doen door meer risicogestuurd te gaan werken. Tegelijkertijd moeten daarbij de waarborgen steviger vastgelegd worden, ook conform de inzet van een BNC-fiche.

De voorzitter:

Vervolgt u uw beantwoording.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, voorzitter. Het lid Kostić vroeg nog of het klopt dat er sprake was van een blokkerende minderheid waardoor het mandaat niet werd verleend. Het klopt dat er een blokkerende minderheid was. Nederland heeft dat mandaat wel gesteund, ook conform de inzet in de Kamerbrief met de drie bijbehorende stemverklaringen.

Wat hebben andere landen ingebracht? Het verslag van het Coreper is niet openbaar, dus ik kan dat niet zeggen. Ik kan u daarbij wel, zonder lidstaten bij naam te noemen, aangeven dat er diverse redenen waren voor het niet instemmen, dat het vaak op deelonderwerpen zat en dat Nederland ook niet alleen stond op het punt waarover we hier in het debat gewisseld hebben, maar dat er ook lidstaten waren die eigenlijk vooral ongemak hadden bij het proces en daardoor hun standpuntbepaling nog niet volledig afgerond hadden. Ik denk dat het dus nogmaals benadrukt dat het Cypriotische voorzitterschap geen dienst heeft bewezen aan het proces door dit voorstel zo gehaast te agenderen, omdat ik bij collega's datzelfde probleem zag.

Voorzitter. Het CDA had de vraag gesteld: wat kunnen we nu verwachten; gaat dit voorstel terugkomen en wanneer dan? Het is dus weer aan het voorzitterschap, het huidige, het volgende, dat daarna komt of dat dat weer daarna komt, om een nieuw compromisvoorstel te vormen of niet. Dat is afhankelijk van of ze dit prioriteit geven. Dat is het leuke aan deze besluitvorming. Veel is dus onduidelijk. Onze inzet is gericht op een nieuw compromisvoorstel, met de verbeteringen conform het Kamerdebat en de moties die daarbij ingediend zijn. Daaraan is inderdaad ook gekoppeld om dat wel onder het volgende voorzitterschap te doen, zodat we voldoende tijd hebben voor een ordentelijk debat en ordentelijke besluitvorming.

Voorzitter, ik probeer even op te schieten. Deze heb ik allemaal beantwoord. Dan had het CDA nog een vraag: kan de staatssecretaris aangeven hoe hij ervoor gaat zorgen dat de positieve elementen uit het voorstel, zoals de versnelling van de toelating van groene gewasbeschermingsmiddelen, niet onnodig vertraging oplopen? Het Omnibusvoorstel vormt één geheel en wordt als zodanig aangenomen of niet. Zoals ik net aangaf, proberen we wel richting het volgende voorzitterschap tot een nieuw compromisvoorstel te komen conform de hier in de Kamer gedeelde inzet. Tot het compromisvoorstel er zou komen en aangenomen zou worden, blijven we ons er op nationaal niveau wel voor inzetten om die laagrisicomiddelen op de markt te krijgen. Dat gaat dan niet om de stoffen, want daarbij zit op Europees niveau een knelpunt. Wat we met het Ctgb samen sneller kunnen doen, werken we aan de Nederlandse kant zo veel mogelijk uit, bijvoorbeeld het sneller beoordelen en het vrijstellen van meer capaciteit conform het amendement. Ik geloof dat het amendement van het lid Podt was. Ik zie dat er instemmend geknikt wordt.

Mevrouw Bromet (PRO):

De staatssecretaris zegt: ik heb achter de schermen eigenlijk ook al mijn ongenoegen aangegeven. Toen zei hij in een kort zinnetje dat hij er straks nog wat over ging zeggen dat hij dat nog een keer zou gaan doen. Misschien kan hij dat even doen, want dan hoef ik die motie niet in te dienen.

De voorzitter:

Dat scheelt toch weer bij het tweeminutendebat.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, dat zou schelen. Ik zou ook direct bij mijn Cypriotische collega dit signaal willen afgeven. Dat laten we nu via de organisaties lopen. Dan kunnen we inderdaad ook even het gesprek aangaan over hoe we dit ordentelijk kunnen laten verlopen. Die route, om dat bilateraal te doen, zou mijn voorkeur hebben. Ik denk dat het niet verstandig is om in de Europese Raad, met alle lidstaten erbij, andere lidstaten een veeg uit de pan te geven, want we willen wel gewoon nog constructief kunnen samenwerken met elkaar.

De heer Lohman (CDA):

We hadden het net over het uit elkaar trekken van bepaalde elementen. U geeft aan dat op het moment dat het niet verdergaat, er bij de Europese Unie op stoffenniveau echt blokkades blijven liggen. Dat zorgt dus onherroepelijk voor een vertraging bij het op de markt brengen van groene middelen met stoffen die nog goedgekeurd zijn hierdoor.

Staatssecretaris Erkens:

Dat klopt.

Voorzitter. Dan is er de vraag of we nog een onderhandelingspositie met elkaar hebben. We hebben vorige week ons voorstel gewogen op basis van de informatie die we hadden. Ik sta ook nog steeds achter dat besluit. We zeiden dat het voorstel inhoudelijk gezien een verbetering is ten opzichte van het huidige stelsel, dat ook zo zijn problemen kent. Tegelijkertijd is het verre van perfect en is er nog verbetering nodig. Die afweging hebben we met elkaar gemaakt. Nu gaan we eigenlijk terug naar start, met het wegstemmen van dit voorstel. Dat geeft ons ook weer de mogelijkheid om wederom samen op te trekken met andere landen om te kijken of we het voorstel kunnen verbeteren. Mijn idee is om dat ook bilateraal te doen met een aantal collega's die ik in de komende periode spreek. Ik zal zelf begin juli in Berlijn zijn. Ik zal daar bijvoorbeeld ook met mijn Duitse counterpart gaan spreken over hoe we gezamenlijk zo'n voorstel kunnen verbeteren.

Voorzitter. Dan heb ik, gezien de tijd, het volgende. Ik kan een aantal dingen nog meer in detail beantwoorden, maar ik kijk even naar de Kamerleden om te zien of daar behoefte aan is. Dat is niet het geval.

De voorzitter:

Ik zou de kans niet te baat nemen. Toch wel, zie ik. Eerst is het lid Kostić, dan ga ik naar de heer Vermeer.

Kamerlid Kostić (PvdD):

We kunnen van alles nog bespreken, maar ik vraag de staatssecretaris toch nog om een wat verdergaande reflectie. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat er landen zijn die om twee redenen tegen het voorstel hebben gestemd: vanwege het belabberde proces en, twee, om inhoudelijke redenen. Dat is precies waarom de Partij voor de Dieren hier, samen met wat anderen, aan de staatssecretaris heeft gevraagd om met zulke landen op te trekken en in ieder geval op dat moment, vorige week, tegen te stemmen. Daarmee creëer je ook een duidelijke grens en daarmee uiteindelijk ook meer ruimte om wel binnen te halen wat we moeten binnenhalen voor de gezondheid van mens, dier en milieu. Erkent de staatssecretaris dat hij met de vorige week gekozen route gewoon niet de juiste route heeft genomen en dat het beter had gekund?

Staatssecretaris Erkens:

Ik kan altijd erkennen dat zaken beter kunnen. Tegelijkertijd hadden we ons vorige week, gegeven het rommelige proces, te verhouden tot het voorstel dat voorlag. Daarbij heb ik de Kamer er direct over geïnformeerd dat dit eraan kwam, hebben we gelukkig het commissiedebat kunnen voeren met elkaar en hebben we moties kunnen indienen via een notaoverleg. Ik heb ook heel transparant mijn afwegingen gedeeld hier met uw commissie, zowel in de Kamerbrief als in het debat. Daar sta ik dus nog steeds achter. Wat betreft het vervolgproces geeft het feit dat ik nu een signaal afgeef aan Cyprus om het niet zo snel op de agenda te zetten, aan dat we er naar voren toe ook strakker op gaan zitten, in ieder geval om ervoor te zorgen dat het proces dat we met elkaar bewandelen niet weer gaat zorgen voor deze onrust. Dat was wat je ook zag bij andere lidstaten, want als je twee dagen de tijd hebt, is iedereen toch heel snel bezig met zijn of haar eigen parlement en met zijn of haar eigen regering, want je moet het ook nog met meerdere departementen interdepartementaal afstemmen. Dat betekent dat er heel weinig tijd is om nog afstemming te zoeken met andere lidstaten. Dat zorgt wel voor ruis in het proces. Meer tijd zou dus heel belangrijk zijn in het vervolg van dit proces. Dat zullen we ook echt proberen te agenderen met het voorzitterschap.

De voorzitter:

Meer tijd voor het vervolg van dit debat zou ook fijn zijn. Het is inmiddels 21.00 uur. Dat betekent dat ik u moet vragen om nog even door te gaan. "Laten we ze erdoorheen rammen", citeer ik even een niet nader te noemen commissielid. Heel goed. De heer Vermeer had nog een interruptie en volgens mij zag ik aan de andere kant ook nog een interruptie. Nee? Dan alleen de heer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

De minister is weg, maar ik mis nog steeds een antwoord op de vraag over het pleiten in Brussel voor de verruiming van de 170 kilonorm. Daarbij hebben we gevraagd om te stoppen met die noodfondsen en een andere aanpak te kiezen. Misschien kan daar in de komende dagen een briefje over komen. Kan dat doorgeleid worden naar de minister?

Staatssecretaris Erkens:

Als we nog een tweeminutendebat hebben, sta mij dan toe om daar een procesantwoord te geven. Dan check ik het voorafgaand daaraan ook even bij de minister.

Mevrouw Bromet (PRO):

Bedoelt de heer Vermeer daarmee de derogatie? Dat is misschien wat duidelijker dan "170 kilogram stikstof".

De voorzitter:

Nou, voor deze keer. De derogatie, meneer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Ja, voorzitter. Maak er 250 of 300, "derogatie" of hoe je het ook wilt noemen van, daar gaat het niet om. Het gaat om die norm.

Staatssecretaris Erkens:

Voor de tweede termijn, zijnde de plenaire afronding, waarschijnlijk, gezien de tijd, zal ik met de minister contact hebben om aan u te kunnen aangeven wat we daar voor procesantwoord op kunnen geven.

Voorzitter, dan ga ik door.

De voorzitter:

Dat is volgens mij het laatste blokje.

Staatssecretaris Erkens:

Dat bespaart weer een extra brief met schriftelijke beantwoording. Dat is fijn, denk ik.

De voorzitter:

Heel goed.

Staatssecretaris Erkens:

De heer Meulenkamp had nog een vraag over hoe we de visserijsector betrekken bij de monitoring van visbestanden. De visserij is in de praktijk veel betrokken bij de uitvoering van visserijonderzoek. Daarnaast vinden binnen verschillende onderzoeken ook zogenaamde kajuitgesprekken plaats, om aan boord bij vissers in gesprek te gaan met de praktijk. Door de vissers nadrukkelijk bij de uitvoering te betrekken, wordt de praktijkervaring zo optimaal mogelijk benut. Ik zei al eerder richting de heer Lohman dat waar we signalen zien van processen waar dat nog onvoldoende meegewogen wordt, we bereid zijn om daar nog met elkaar naar te kijken.

Voorzitter. "Kan de staatssecretaris na de zomer een brief sturen over wat er in het beleid wordt gedaan met het rapport over de effecten van de sleepnetvisserij in de Waddenzee?" Volgens mij was die vraag van het lid Kostić. Dat rapport ken ik niet. Als u mij de naam zou kunnen geven, zal ik daar kennis van nemen en zal ik daar in een latere brief op terugkomen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Die krijgt u zo meteen van ons. Dan vraag ik staatssecretaris om daar vlak na het zomerreces op terug te komen, als dat kan.

Staatssecretaris Erkens:

Ik zal dat meenemen in een brief die na het zomerreces komt. Ik weet nog even niet hoeveel werk er achter het rapport wegkomt en hoe verstrekkend dat is, maar we zullen kijken wat er kan.

Voorzitter. De vraag van de heer Lohman had ik al beantwoord. Dat ging over de zienswijze meenemen, dus ook over onze bereidheid om bij bepaalde processen waarvan het beeld bestaat dat wij daar niet voor openstaan, daarnaar te kijken.

De heer Boomsma vroeg naar de onderhandelingen van de Europese Unie met Mauritanië: hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat er een goede deal uitrolt, ook voor de Nederlandse vissers? Ik heb me daar inderdaad net in verdiept. Die onderhandelingen verlopen moeizaam. Ik betreur het dat Mauritanië vorige week de inhoudelijke gesprekken heeft afgebroken en alleen op hoog politiek niveau verder wil praten. Samen met de Commissie en andere betrokken lidstaten zullen wij ons de komende periode blijven inzetten voor een economisch interessant maar ook duurzaam visserijakkoord, gebaseerd op het wetenschappelijk advies dat er ligt. De belangen van de Nederlandse sector in Mauritanië zijn mij bekend. Deze zullen we ook blijven inbrengen bij deze onderhandelingen. Daarbij werken we dus toe naar een werkbaar, rendabel en duurzaam visserijakkoord dat zowel voor Mauritanië als voor de Europese Unie voordelen heeft. En ik lees ook dat Letland voor de komende Landbouw- en Visserijraad hierover een "diversen"-punt heeft aangevraagd. Daardoor zullen we ook onze positie inbrengen wanneer het langskomt bij de LVR volgende week.

Voorzitter. Dan ben ik bij de vragen over de rivierkreeft, van de heer Flach. Wordt er met de waterschappen ook gekeken naar ruimte om onder voorwaarden hobbyvissers in te schakelen? We gaan het mogelijk maken voor waterschappen om opdracht te geven aan derde partijen om met selectieve vistuigen in een gebied rivierkreeften weg te vangen. Dat zou een sportvisserijvereniging kunnen zijn. Daar kijken we nu in de uitwerking van de regelgeving ook naar. Het waterschap moet er dan wel zorg voor dragen dat de opdrachtnemer zich aan de geldende regelgeving houdt en dat we geen verdere schade creëren met de viswerktuigen. Het wordt niet mogelijk voor hobbyvissers om dit eigenstandig te doen, maar misschien wel om het in sportvisserijverband op te pakken. We hebben er wel bewust voor gekozen om het onder toezicht van de overheid vorm te geven, want om uitheemse rivierkreeften effectief weg te vangen, moet er elke vijf tot tien meter een vistuig neergezet worden. Die moeten elke paar dagen worden geleegd en eventueel bijgevangen vis moet worden teruggezet. De honderden tot duizenden rivierkreeften moeten dan wel worden afgevoerd zonder dat deze zich kunnen verspreiden naar andere wateren. Ik hoop dat de heer Flach wel blij is dat we de mensen van het waterschap ook gewoon de praktijk in sturen om dit te gaan doen. Zij hebben daar volgens mij ook heel veel zin in.

Kamerlid Kostić (PvdD):

We weten uit onderzoek dat ecologische maatregelen, de versterking van de lokale ecologie, de effectiefste manier is om iets te doen aan die rivierkreeften. Dat wil ik de staatssecretaris dus ook meegeven. Mijn vraag is hoe hij gaat waarborgen, nu hij jan en allemaal toestemming wil gaan geven via waterschappen om op die rivierkreeften te jagen, dat er niet uiteindelijk meer schade ontstaat. Want ja, leuk, ik wil iedereen heus op de blauwe en bruine ogen geloven, maar we willen toch wat wetenschappelijke zekerheid.

Staatssecretaris Erkens:

Het punt over de ecologie zal de minister ook in zijn aanpak van rivierkreeften meenemen. Ik zal dat punt doorgeleiden. De waterschappen zijn hiertoe natuurlijk wel geëquipeerd, maar wij komen als kabinet ook nog met een voorstel over die randvoorwaarden. We zullen uw Kamer daarover ook informeren, zodat u kunt kijken of die waarborgen er voldoende in zitten.

Voorzitter. Dan ben ik bij de pijlinktvissen. We gaan alle soorten langs. Hoe wordt de motie van de leden Kostić en Bromet uitgevoerd en welke maatregelen zijn wij aan het implementeren? Op dit moment zijn er nog geen officiële indicaties dat het slecht gaat met het inktvisbestand, maar ik snap de oproep tot beheer in dezen wel. De komende tijd zetten we in op het opbouwen van wetenschappelijke kennis over het bestand, want de wetenschappelijke basis voor het beheren van de pijlinktvis is nog onvolledig. Vervolgens gaan we in overleg met de wetenschap, de experts en de relevante stakeholders om te bepalen wat de effectiefste maatregelen zijn. We proberen daarbij wel zo veel mogelijk in Europees verband te doen, want daar ligt een heel groot deel van dit beleid.

De voorzitter:

Nee, u bent door uw interrupties heen, lid Kostić. Gaat u door staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ga door. "Kan de staatssecretaris vlak na het zomerreces aangeven hoe hij de adviezen uit het rapport van dierenbeschermingsorganisaties Naar een dierwaardige visserij en aquacultuur zal oppakken en kan hij daarover met de schrijvers van het rapport in gesprek gaan?" Ik zeg toe na het zomerreces met de gevraagde reactie op de adviezen te komen. Ik zal tevens de eerder door mij toegezegde reactie, uit het schriftelijk overleg van afgelopen mei, op het rapport over carnivorenaquacultuur meenemen hierin. Verder zal ik later dit jaar in gesprek gaan met de schrijvers over het welzijn van vissen.

Voorzitter. Dan heb ik een vraag van D66: hoe kunnen we de visserijsector diervriendelijker maken? Ik heb daar net op gereageerd. Ik zal dat inderdaad meenemen in een reactie op het rapport.

Voorzitter. Een vraag van de heer Flach ging over de tewerkstellingsvergunning. Goede timing: hij is net weggelopen. Andere scheepvaartsectoren hebben een vrijstelling, dus wil het kabinet dit ook voor de visserij regelen, vraagt hij. De tewerkstellingsvergunningen voor de zeevisserij worden afgegeven door het UWV en vallen daarmee onder mijn collega van SZW. Daarnaast is ook IenW betrokken als het gaat om de opleiding en trainingseisen voor de bemanning van vissersvaartuigen. Ik heb vanmiddag mijn antwoord op Kamervragen van de BBB naar de Kamer gestuurd. Ik kan me voorstellen dat dat vrij dicht op het debat zat. We hebben de vraag om een vrijstelling gehoord. Ik ben ook met mijn collega's bezig om naar de vraag te kijken. Dat doen we ook met de betreffende stakeholders uit de sector. Daarbij zijn er uiteraard verschillende belangen. Zo wordt er ook gekeken naar andere oplossingen voor het bemanningstekort, waaronder het opleiden van een nieuwe generatie en het stimuleren van jongeren om in de visserij te stappen. Ik kan dus niet vooruitlopen op de afwegingen, maar ik zal de Kamer na de zomer informeren over wat die gesprekken hebben opgeleverd en welke richting het kabinet voornemens is in te slaan.

We zijn er bijna doorheen, voorzitter. Ik heb nog vier vragen. Deze is al beantwoord. Kijk, dat gaat snel.

Dan hebben we de vraag over het verlagen van de mosselhuur. Dat moeten we aan Brussel vragen, maar kunnen we niet meer zelf beslissen, vraagt de heer Jansen. Het verlagen van de huur van mosselpercelen kan aangemerkt worden als staatssteun. Daarover heb ik contact gehad met de Europese Commissie, waaruit naar voren is gekomen dat dit het geval is. Mijn ambtsvoorganger heeft toen besloten om de sector op andere manieren financieel te steunen, waaronder het verlagen van de huurprijzen voor percelen.

Voorzitter. Dan is er een vraag van de heer Boomsma over de paling. Hij vraagt of ik me wil inzetten voor herstel als de migratieroutes op orde zijn. "Veel paling geknakt", "redenen onderzocht" ... Ja. In Nederland worden al veel stappen gezet in het beter passeerbaar maken van barrières, zoals sluizen en dammen. Zo zijn er vispassages aangelegd en hebben de waterkrachtcentrales specifieke maatregelen voor de trekperiode van de schieraal. Bij migratiebelemmeringen als waterkrachtcentrales en gemalen worden schieralen gevangen en voorbij de belemmering weer teruggezet. Beroepsvissers vissen daarbij tegen betaling schieraal voor het werk weg en zetten die aan de andere zijde weer uit, waardoor de dieren hun migratie kunnen voortzetten.

De voorzitter:

Ik zie de heer Boomsma mij vragend aankijken, waaruit ik afleid dat hij misschien nog een interruptie heeft.

De heer Boomsma (JA21):

Nou, in dat geval ... Dat lijkt me heel goed. Er is eerder een motie aangenomen om die blokkades in kaart te brengen, want er zijn nog best veel plekken waar het toch misgaat en er veel sterfte is. Ik denk dat het goed is om daarbij die zogenaamde "knakalen" te betrekken, dus die mechanische schade, want ze vinden dus op allerlei plekken die geknakte alen, die dus toch lijden onder die schroeven of onder bepaalde kunstwerken waar ze langs moeten zwemmen. Die motie wordt als het goed is al uitgevoerd, dus het verzoek is eigenlijk om dat daarin mee te nemen.

Staatssecretaris Erkens:

Dat klinkt voor mij heel logisch. Laat ik in de volgende brief terugkomen op hoe we dat vorm kunnen geven.

Voorzitter. De laatste vraag was van de heer Flach. Die ging over heel wat anders, namelijk de import van kooi-eieren uit Oekraïne en het ongelijke speelveld. Marktpartijen kunnen zelf bepalen welke eieren ze inkopen. Afgelopen jaren was er vanwege een vogelgriepuitbraak onvoldoende aanbod van Nederlandse en Europese eieren om aan de vraag van eieren voor industriële verwerking in Nederland te voldoen. Dat er veel eieren uit Oekraïne zijn ingevoerd in de afgelopen jaren, kwam mede door de autonome tariefmaatregelen, als economische steun vanwege de inval in Oekraïne. De ruimte van die tariefmaatregelen voor gevoelige landbouwproducten als eieren was in de afgelopen twee jaar al ingeperkt om Europese producenten meer te beschermen. Nederland heeft deze inperking toentertijd ook gesteund. Afgelopen najaar is met de inwerkingtreding van het tariefquotum voor eieren uit het associatieakkoord de aantrekkelijkheid van de import van eieren uit Oekraïne nog verder ingeperkt. Er zijn dus stappen op genomen. De eerste handelsdata laten ook zien dat de import is afgenomen. Volgens de Commissie zijn er buiten het afgesproken quotum om nog nauwelijks eieren geïmporteerd. Op dit moment zien we dus ook geen aanleiding om om aanvullende maatregelen te vragen bij de Commissie. We blijven die handelsstromen wel nauwgezet volgen. Mocht er sprake zijn van marktverstoring, dan zullen we dat inderdaad aankaarten bij de Commissie. Ook belangrijk is dat bij de handhaving van de import van eieren uit Oekraïne deze wel moeten voldoen aan de Europese standaarden voor voedselveiligheid en etikettering.

De voorzitter:

Dank aan de staatssecretaris. Dat heeft u snel gedaan. Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Nu heb ik twee scenario's voor u. Het eerste scenario is dat wij nog een tweede termijn gaan doen. Twee. U gaat plenair afronden met een tweeminutendebat. Ik zie instemmend knikkende hoofden. Ik kijk als eerste even naar de heer Vermeer om een tweeminutendebat aan te vragen. Ik vermoed zomaar dat u dat zou willen.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een vooraankondiging gedaan, maar nog geen definitieve aanvraag. Bij dezen.

De voorzitter:

Akkoord. Dat betekent dat wij om 22.00 uur ... O, meneer Jansen heeft nog een vraag.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik vraag me iets af. Als ik nog een vraag open heb staan, moet ik die dan zo meteen plenair stellen? Ja? Oké.

De voorzitter:

Akkoord. In dat geval gaat u straks om 22.00 uur dit debat plenair afronden met een tweeminutendebat. Daarvoor kunt u zich aanmelden bij de griffier.

De toezeggingen zullen omwille van de tijd worden opgenomen in het stenogram van de vergadering.

Dan dank ik de aanwezige leden. O, de heer Meulenkamp nog.

De heer Meulenkamp (VVD):

Ik heb eigenlijk nog een vraag aan de minister. Kan ik die dan nu het beste stellen? Hij is er straks misschien niet bij. Dan kan dat ambtelijk voorbereid worden en kan de staatssecretaris het meenemen.

De voorzitter:

Dat sta ik toe.

De heer Meulenkamp (VVD):

Het gaat mij even om het aanwijzen van de Hollandse kust als Natura 2000-gebied. We krijgen een informatiebijeenkomst, is toegezegd door de minister. Ik vraag me wel af of, voordat er onoverkomelijke stappen worden gezet, eerst die informatiebijeenkomst wordt gehouden of dat er al besluiten worden genomen door de minister, waar wij dan als Kamer niks meer aan kunnen doen. Worden wij dus eerst geïnformeerd en mogen wij dan iets vinden of worden er onomkeerbare beslissingen genomen?

De voorzitter:

De vraag is genoteerd.

Staatssecretaris Erkens:

De vraag staat genoteerd en er wordt hier geknikt.

De voorzitter:

Oké. De vraag staat genoteerd en komt zo meteen terug, en u heeft een knikkend hoofd gezien. De toezeggingenlijst gaat u terugzien in het stenogram van deze vergadering, dus die komt zo meteen voor u beschikbaar.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Normaal gesproken wordt het nog aan het einde van de vergadering gezegd, zodat we met elkaar nog even kunnen controleren of het klopt, maar als we dat achteraf nog kunnen doen ...

De voorzitter:

Jazeker, omwille van de tijd. We doen dat vaker, hoor, dat we dat opschrijven voor u en dat u er later op kunt terugkomen als u iets mist. Akkoord?

Dan dank ik de aanwezige commissieleden. Ik dank de minister, die al weg is, en de staatssecretaris. Succes gewenst zo meteen in het tweeminutendebat. Ik dank de mensen op de publieke tribune en de mensen van de griffie.

Ik sluit hierbij de vergadering.

Sluiting 21.15 uur.