[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [šŸ§‘mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [šŸ” uitgebreid zoeken] [wat is dit?]

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over Ontwikkelingen uitvoering taakstelling Rijksoverheid (Kamerstuk 31490-391)

Inbreng verslag schriftelijk overleg

Nummer: 2026D03066, datum: 2026-01-23, bijgewerkt: 2026-01-23 14:39, versie: 1

Directe link naar document (.docx), link naar pagina op de Tweede Kamer site.

Gerelateerde personen:

Onderdeel van zaak 2025Z18705:

Onderdeel van activiteiten:

Preview document (šŸ”— origineel)


31490 Vernieuwing van de rijksdienst

Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over Functioneren Rijksdienst.

De fungerend voorzitter van de commissie,

Van Eijk

De adjunct-griffier van de commissie,

Van der Haas

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie 2

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie 3

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie 4

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie 5

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie 7

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie 7

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie 8

II Antwoord / reactie van de minister

III Volledige agenda


I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Naar aanleiding hiervan hebben zij nog diverse vragen.

De leden van de D66-fractie lezen dat uit de cijfers over 2023 en 2024 blijkt dat bij het terugdringen van de externe inhuur weinig vooruitgang is geboekt. Hoewel de minister spreekt van ā€˜een stap in de goede richting’, was er feitelijk sprake van stilstand: in beide jaren bleef het aandeel externe inhuur steken op 15,4 procent. Uit het nieuwe dashboard externe inhuur, dat is ontwikkeld naar aanleiding van de motie-Sneller/Vermeer, blijkt dat de externe inhuur in de eerste helft van 2025 is gedaald naar 11,4 procent. Dat is een duidelijke verlaging. Waaruit is deze daling te verklaren en welke lessen trekt de minister hieruit, zo vragen deze leden. Kan de minister inzicht geven in welke sectoren de grootste daling in externe inhuur heeft plaatsgevonden en in welke sectoren nog het meeste winst is te behalen? Om te kunnen beoordelen of deze verlaging zich over het hele jaar heeft doorgezet, ontbreekt nog data. Wanneer wordt de rapportage over het derde en vierde kwartaal van 2025 verwacht?

Naar aanleiding van de motie-Sneller van 3 juli 2025 is onderzocht op welke wijze de primaire arbeidsvoorwaarden zouden moeten worden aangepast om specialistische ICT-capaciteit in huis te halen. De minister geeft aan dat er verschillen met de markt zullen blijven bestaan, onder meer vanwege de beperkte loonruimte voor rijksambtenaren. De leden van de D66-fractie vragen of de minister voorziet dat dit tot problemen zal leiden bij de werving. Op welke manier denkt de minister de algehele arbeidsvoorwaarden voor ICT-specialisten toch op een aantrekkelijk niveau te kunnen brengen. Verwacht de minister dat hiermee de beperkte loonruimte kan worden gecompenseerd, zodat alsnog voldoende specialisten kunnen worden aangetrokken?

Volgens de Staat van de Uitvoering legt onder meer gebrekkige gegevensuitwisseling tussen publieke dienstverleners een hoge druk op de publieke dienstverlening. In de ontvangen stukken worden diverse trajecten genoemd die vereenvoudiging zouden moeten bewerkstelligen. De leden van de D66-fractie vragen hoe de minister de resultaten beoordeelt van deze trajecten tot nu toe en wanneer hierover concreet kan worden gerapporteerd. Is de minister daarnaast in gesprek met uitvoeringsorganisaties over hun eigen behoeften en de door hen aangedragen oplossingen om gegevensuitwisseling te verbeteren? Ook vragen zij welke wet- en regelgeving in de weg staat van betere gegevensuitwisseling. Wat zouden de mogelijke besparingen zijn als gevolg van efficiƫnter werken door meer gegevensuitwisseling?

Voorts zou er jaarlijks worden gerapporteerd over de aanpak van onevenredige hardheden in beleid en uitvoering. Het eerste rapport wordt echter pas aangekondigd voor eind 2026. De leden van de D66-fractie vragen wat de reden voor deze vertraging is. Ziet de minister mogelijkheden om de Kamer eerder te informeren over de voortgang van deze aanpak en de uitdagingen waar hij in zijn coƶrdinerende rol tegenaan loopt? De Kamer denkt graag mee over deze aanpak, maar wordt hierin belemmerd door de late en beperkte informatievoorziening vanuit het kabinet.

In genoemde brief is te lezen dat het versoberen van de dienstverlening van het nieuwe directoraat-generaal ertoe leidt dat managers in schaal 15 voortaan niet meer kunnen rekenen op dienstverlening vanuit de Algemene Bestuursdienst (ABD), terwijl het ā€˜niet opportuun’ wordt geacht dat departementen en uitvoeringsorganisaties deze ondersteuning zelf gaan organiseren. Dat roept bij de leden van de D66-fractie de vraag op voor wie het versoberen van deze dienstverlening dan wĆ©l opportuun is. De dienstverlening in schaal 15 wordt ā€˜aangepast’. Wat houdt deze aanpassing precies in, zo vragen deze leden. Wordt de dienstverlening verlaagd, verhoogd of in een andere vorm georganiseerd? Welke effecten verwacht de minister hiervan op de kwaliteit en het behoud van talent onder managers in schaal 15, en op hen doorstroom naar en functioneren in topmanagementfuncties? Zij vragen zich, mede gezien de vele kanttekeningen die de minister zelf lijkt te plaatsen, af wie er precies gebaat is bij deze voorgenomen versobering. Zij vragen ook welke stappen er zijn ondernomen om meer technische expertise van buiten de Rijksoverheid aan te trekken binnen de programma's van de ABD. In de eerdergenoemde brief wordt bovendien aangegeven dat gesprekken met kritische experts op het gebied van de ontwikkeling van de rijksdienst en ambtelijk leiderschap nog gaande waren. Met wie is inmiddels gesproken, en hebben deze gesprekken tot nieuwe inzichten geleid en hebben deze inzichten geleid tot bijstelling van de plannen?

Uit de brief van 3 oktober 2025 blijkt dat de omvang van de Rijksdienst in een half jaar tijd met 3.934 fte is gegroeid (in de periode van 31 december 2024 tot en met 30 juni 2025). De leden van de D66-fractie vragen de minister hoe hij deze toename verklaart, zeker in het licht van de voorgenomen besparingen op het Rijksapparaat. Wat is de voortgang op de taakstelling? Kan de minister een overzicht geven binnen welke categorieƫn de grootste besparingen hebben plaatsgevonden? Welke investeringen zijn er gedaan in het vergroten van de arbeidsproductiviteit om op termijn te kunnen besparen, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie vragen of de minister signalen heeft ontvangen dat er druk wordt uitgeoefend op de professionaliteit van ambtenaren om politieke redenen, bijvoorbeeld het niet gebruiken van bepaalde gangbare beleidstermen om politieke redenen of het schrijven van adviezen die strijdig zijn met wetgeving. Op welke manier zouden ambtenaren dergelijke signalen kenbaar kunnen maken?

Tot slot vernemen de leden van de D66-fractie graag of er al zicht is op een besluit over de mogelijke verlenging van de functieduur van leden van de topmanagementgroep van de ABD en welke argumenten daarbij een rol spelen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie constateren dat de Nederlandse overheid aan de ene kant groter is dan ooit en aan de andere kant dat zij steeds minder goed levert op haar kerntaken. Deze leden hebben daartoe enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat beleid vaak wordt ontwikkeld zonder scherp zicht op de uitvoering, techniek en kosten, wat leidt tot maatschappelijke schade, hersteloperaties en verspilling van publieke middelen. Deze leden benadrukken dat de manier waarop beleid wordt gemaakt moet worden herzien. Zij vragen hoe uitvoeringsorganisaties eerder en beter kunnen worden betrokken bij beleidsvorming en hoe ondersteunende diensten, zoals ICT, ook al aan de voorkant standaard betrokken kunnen worden.

Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe de bekendheid met het beleidskompas verbeterd kan worden? Deze leden benadrukken daarbij dat uitvoeringswetgeving regelmatig moet kunnen worden bijgesteld op basis van signalen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), de Belastingdienst, de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en andere uitvoeringsorganisaties. Deze leden vragen zich af of het kabinet daartoe bereid is en hoe dit vormgegeven kan worden? Zou het een optie zijn om deze organisaties verplicht jaarlijks knelpunten te laten aanleveren?

De leden van de VVD benadrukken ook dat de kloof tussen beleid en uitvoering de overheid inefficiënt maakt. De leden zijn ervan overtuigd dat praktijkervaring geen uitzondering meer mag zijn, maar een verplicht onderdeel van het ambtelijk werk. De leden van de VVD-fractie vragen of het mogelijk is om iedere beleidsmedewerker vóór plaatsing én bij herplaatsing een praktijkperiode van enkele weken te laten meelopen bij een uitvoeringsorganisatie? Ook vragen de leden zich af of dit op reguliere basis kan worden herhaald, bijvoorbeeld via een uitwisselingsprogramma?

Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden een goed functionerende Rijksdienst van groot belang. Dit betekent volgens deze leden dat de Rijksdienst een goed werkgever is voor de rijksambtenaren waar vakbekwame ambtenaren werken die zich prettig en veilig voelen en die voor hun werk een passende en goede beloning ontvangen.

Cao rijksambtenaren

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan goede arbeidsvoorwaarden. Dit is niet alleen van belang voor de rijksambtenaren zelf, maar ook voor de kwaliteit van het werk van de Rijksoverheid. In dit kader hebben deze leden grote zorgen over het feit dat de oude cao inmiddels afgelopen is en het kabinet een nullijn voor komend jaar heeft voorgesteld. Zij vinden dit een onverstandig besluit van het kabinet en constateren dat de vakbonden zich hier ook tegen verzetten en bij de onderhandelingen over een nieuwe cao hier niet mee akkoord zullen gaan. Deze leden hebben hierover een aantal specifieke vragen. Allereerst vernemen zij graag wat de stand van zaken is met betrekking tot de gesprekken over een nieuwe cao. Wanneer verwacht de minister hierover meer nieuws? Op welke manier zorgt de minister ervoor dat er spoedig een akkoord met de vakbonden kan worden bereikt over een nieuwe cao? Verder ontvangen deze leden graag een reactie van het kabinet op het onderzoek dat in economievakblad ESB is gepubliceerd, waarin gesteld wordt dat de nullijn de loonachterstand van rijksambtenaren met de markt vergroot en daarmee de personeelstekorten verder vergroot, met name in de uitvoering. Deelt de minister deze zorgen en zo nee, waarom niet?

Ontwikkelingen rijksdienst

Het inmiddels demissionaire kabinet heeft eerder gesteld fors te willen bezuinigen op het aantal rijksambtenaren. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vaker aangegeven deze puur op financiƫle doelstellingen gebaseerde bezuiniging onverstandig te vinden omdat hier geen grondige kwalitatieve analyse aan ten grondslag lag. Juist in tijden waarin er al grote tekorten zijn op de arbeidsmarkt en de vergrijzing de komende tijd grotere gevolgen zal hebben is het belangrijk om juist goed te investeren in een kwalitatieve rijksdienst. Graag ontvangen deze leden een reflectie hierop van het kabinet. Erkent de minister dat een bezuiniging puur gebaseerd op financiƫle doelstellingen geen recht doet aan de kwaliteit van de rijksdienst? Hoeveel openstaande vacatures zijn er op dit moment bij de Rijksoverheid en kan de minister nader ingaan op de te verwachte gevolgen van de vergrijzing voor de rijksdienst?

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het wel goed dat er kritisch gekeken wordt naar de externe inhuur. Externe inhuur is niet alleen vaak duurder dan het in dienst nemen van ambtenaren in vaste dienst, het zorgt er ook voor dat de Rijksoverheid veel afhankelijker wordt van externe bedrijven bij de uitvoering van belangrijke overheidstaken. Wanneer verwacht de minister dat de Rijksoverheid aan de Roemer-norm voldoet? Welke extra stappen zijn hiervoor nodig?

Veilige rijksdienst

Zoals gezegd hechten de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie veel waarde aan een veilige werkplek voor alle rijksambtenaren. Deze leden zijn blij dat recent de eerste rapportage over de rijksbrede Klachtcommissie Ongewenste Omgangsvormen (KCOO) is verschenen. Kan de minister aangeven of deze KCOO breed bekend is onder de rijksambtenaren en of nieuwe rijksambtenaren bij de start van hun werkzaamheden actief op de hoogte worden gesteld van het bestaan van deze klachtencommissie?

Inkoop

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan duurzaam en maatschappelijk verantwoord opdrachtgeverschap en inkopen. Kan de minister aangeven hoe het staat met het opvolgen van de aanbevelingen uit de evaluatie uit 2024?

Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de diverse stukken op de agenda voor het schriftelijk overleg over het functioneren van de Rijksdienst.

De externe inhuur komt een aantal keer voorbij. In 2024 was deze, net als in 2023, 15,4 procent. In de eerste helft van 2025 was dit 11,4 procent (grootste deel ICT). Deze leden constateren dat er wordt vastgehouden aan de Roemer-norm van maximaal tien procent, terwijl er met name op ICT externe inhuur nodig is. Kan de minister aangeven waarom er niet is gekeken naar differentiatie?

Met betrekking tot de voortgang van de banenafspraak overheid was het de bedoeling dat er voor 1 januari 2026 100.000 banen door de markt en 25.000 banen door de overheid zouden zijn ingevuld. Door de social return on investment maakt de overheid naast het invullen van de eigen banen ook banen mogelijk bij de markt (deze worden niet meegeteld). Per 1 juli 2026 komt er een nieuwe wet. Hierdoor maakt het niet uit of de banen door de overheid of de markt worden gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie constateren dat hiermee het risico bestaat dat men naar elkaar gaat kijken, waardoor het realiseren van de doelen lastiger wordt. Op welke wijze wordt dit voorkomen? Deze leden vragen daarnaast of, en zo ja op welke wijze, werkgevers bij het behalen van de doelstellingen ontzorgd worden, zodat het invullen van de banen makkelijker wordt (minder administratieve rompslomp). Hoe helpt de minister de werkgevers hiermee?

In de beleidsreactie over de evaluatie rijksinkoopstrategie wordt benoemd dat leveringszekerheid ook een aandachtspunt is. De leden van de CDA-fractie lezen hier in de beleidskaders niets over terug (wel diversiteit, inclusie, milieu, biodiversiteit, circulair- en klimaatvriendelijk inkopen). Deze leden vragen daarom hoe de benoemde kaders zich verhouden tot de leveringszekerheden? Daarnaast wordt aangegeven dat de rol van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstevigd moet worden. Hoe gaat de minister dit concreet vormgeven?

Met betrekking tot de rijksbrede taakstelling (structureel ƩƩn miljard euro in 2029) zien we juist een groei van rijksmedewerkers, met name bij inspectie, uitvoering en ondersteuning. De taakstelling ligt bij de verschillende ministeries. De leden van de CDA-fractie vragen daarom hoe realistisch de minister de ingezette bezuinigingstaakstelling vindt.

In de Stand spreiding Rijkswerkgelegenheid 2025-2029 zien we in sommige provincies groei, maar anderen blijven achter. De leden van de CDA-fractie vragen waar de minister het meest tegenaan loopt als het om spreiding gaat.

In de brief opvolging hervormingsagenda voor versobering van de ABD is te lezen dat de functies in schaal 15 niet langer deel uitmaken van de ABD, maar dat er mogelijkheden zijn tot doorgroei. De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat hiermee de top dus kleiner wordt gemaakt (1.250 functies). Deze leden vragen of daarmee het probleem niet juist verschoven wordt.

In de Kabinetsreactie op het ROB-advies ā€˜Naar een uitvoerende macht’ wordt aangegeven dat de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) als ƩƩn van de instrumenten uit de actieagenda moet helpen om bij nieuwe taken of wijziging van bestaande taken voor decentrale overheden tot een passend bestuurlijk-financieel arrangement te komen. De leden van de CDA-fractie vragen of de minister kan aangeven hoe deze UDO in de praktijk werkt.

In de Jaarevaluaties campagnes Rijksoverheid 2024 missen de leden van de CDA-fractie een beoordeling van de effectiviteit van de genoemde campagnes. Deze leden vragen of de minister hier inzicht in kan geven.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op de agenda van het commissiedebat over het functioneren van de rijksdienst. Deze leden maken zich zorgen over de toenemende afhankelijkheid van externe partijen voor beleidsvorming, uitvoering en onderzoek. Zij vragen de minister om een overzicht van de totale kosten die de afgelopen vijf jaar zijn gemaakt voor externe onderzoeken uitgevoerd door consultancybureaus en universiteiten/kennisinstellingen, uitgesplitst per ministerie en per type opdrachtgever. Deze leden vragen welke trend zichtbaar is in deze uitgaven. Is sprake van een structurele stijging? Zo ja, wat zijn daar volgens de minister de belangrijkste oorzaken van?

De leden van de BBB-fractie vragen welke beleidsregels, kaders en toetsingscriteria momenteel gelden voor het uitzetten van externe onderzoeksopdrachten en consultancytrajecten binnen de Rijksoverheid. Wordt vooraf structureel getoetst of de benodigde kennis en capaciteit intern beschikbaar zijn? Zo ja, hoe wordt die afweging vastgelegd? In hoeverre is er sprake van centrale sturing of uniforme richtlijnen tussen ministeries? Hoe wordt voorkomen dat externe inhuur de standaardoplossing wordt in plaats van een uiterste middel?

De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete ambitie het kabinet heeft om de kosten voor externe inhuur en externe onderzoeksopdrachten terug te dringen. Zijn hier kwantitatieve doelstellingen aan verbonden? Welke actieprogramma’s, beleidslijnen of maatregelen momenteel lopen om deze afhankelijkheid van externe partijen te verminderen. Kan de minister aangeven welke resultaten deze programma’s tot nu toe hebben opgeleverd?

De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen worden gezet om structureel meer kennis en expertise binnen de ministeries zelf op te bouwen en te behouden. Hoe wordt ingezet op het aantrekken van inhoudelijke specialisten, het behoud van ervaren ambtenaren en het versterken van interne kennisnetwerken?

Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt geborgd dat kennis die extern wordt ingehuurd ook daadwerkelijk duurzaam wordt overgedragen aan de organisatie, zodat herhaalde externe inhuur in de toekomst kan worden voorkomen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie

De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor dit schriftelijk overleg en hebben de volgende vragen en opmerkingen. Kan de minister de meest recente cijfers delen over de brede diversiteit bij de Rijksoverheid en kan de minister deze cijfers ook uitsplitsen voor de (sub)top van het Rijk, bijvoorbeeld salarisschaal 15 en hoger en/of de ABD, en aangeven hoe dit zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld? Hoe beoordeelt de minister de effectiviteit van het beleid om de brede diversiteit te bevorderen?

De leden van de DENK-fractie lezen dat de minister aangeeft te werken aan een departementaal rapportagemodel voor de aanpak van discriminatie. Kan de minister aangeven wat de status hiervan is en wanneer de Kamer dit model kan verwachten? In hoeverre is dit model afdwingbaar? Hoe ziet het model eruit?

Daarnaast heeft de DENK-fractie enkele vragen over de KCOO. Kan de minister aangeven welke concrete acties rijksbreed worden ondernomen om de KCOO onder de aandacht van rijksambtenaren te brengen? Erkent de minister dat er binnen de Rijksoverheid sprake kan zijn van onderrapportage van discriminatie door angst voor repercussies of gebrek aan vertrouwen? Welke concrete maatregelen worden genomen om meldingsbereidheid en bescherming van melders te vergroten, onder meer via de KCOO? Welke termijnen hanteert de KCOO voor het oppakken en afhandelen van klachten (intake, ontvankelijkheid en inhoudelijke behandeling)?

Tot slot vraagt de DENK-fractie aandacht voor de rol van leidinggevenden bij discriminatie en voor inkoop en aanbestedingen als instrument voor inclusie. Deelt de minister de noodzaak om rijksbreed te borgen dat leidinggevenden verplicht worden getraind op het tegengaan van discriminatie en hierop ook worden beoordeeld? Kan de minister bevestigen dat in de opvolger van ā€˜Inkopen met Impact’ een concreet beleidskader diversiteit en inclusie wordt opgenomen en toelichten hoe dit wordt vertaald naar aanbestedingen? Welke mogelijkheden gebruikt het Rijk om bedrijven die zich aantoonbaar schuldig maken aan discriminatie te weren van opdrachten? Welke criteria worden daarbij gehanteerd?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie

Naar aanleiding van de stukken over het functioneren van de Rijksdienst hebben de leden van de SP-fractie nog enkele vragen en opmerkingen.

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de nullijn en de rijksbrede taakstelling van 22 procent en de gevolgen die deze maatregelen zullen hebben voor het loon van ambtenaren en voor het functioneren van de overheid als geheel. Is de minister zich ervan bewust dat ambtenaren een zeer diverse groep vormen? Zo vallen ook medewerkers in lagere loonschalen, zoals schoonmakers en beveiligers in dienst van het Rijk, onder de nullijn. Voor deze groepen kan de nullijn tot financiƫle problemen leiden, aangezien vaste lasten zoals huur en andere kosten wel blijven stijgen. Hoe gaat de minister hiermee om? Is de minister bereid om de nullijn van tafel te halen, zodat gesprekken met de vakbonden weer mogelijk zijn?

Is de minister zich ervan bewust dat ambtenaren er in feite op achteruitgaan, omdat zij niet worden gecompenseerd voor de inflatie? Waarom is ervoor gekozen deze maatregel twee jaar op rij toe te passen? Daarnaast vragen deze leden hoe de minister wil voorkomen dat op termijn een tekort aan personeel ontstaat doordat de overheid steeds minder aantrekkelijk wordt als werkgever. Dit geldt bijvoorbeeld in de ICT, maar ook bij de Dienst Justitiƫle Inrichtingen, waar juist een grote behoefte aan personeel bestaat.


II Antwoord / reactie van de minister


III Volledige agenda

Correctie op de Kamerbrief over afdoening motie van het lid Van Baarle over de Kamer binnen zes maanden na de instelling van het meldpunt voor racisme en discriminatie informeren over de eerste resultaten (Kamerstuk 30950-506)

Kamerstuk 30950-507 - Brief regering d.d. 16 januari 2026, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Afdoening motie van het lid Van Baarle over de Kamer binnen zes maanden na de instelling van het meldpunt voor racisme en discriminatie informeren over de eerste resultaten (Kamerstuk 31490-350)

Kamerstuk 30950-506 - Brief regering d.d. 13 januari 2026, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Reactie op verzoek van het lid Erkens, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 19 november 2025, over de toekomstige inrichting van de overheid

Kamerstuk 29362-395 - Brief regering d.d. 13 januari 2026, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Voortgang normering topinkomens (semi) publieke sector en WNT-jaarrapportage 2024

Kamerstuk 30111-132 - Brief regering d.d. 19 december 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Potentieel schijnzelfstandigen 1 januari 2025 en 1 juli 2025

Kamerstuk 31311-296 - Brief regering d.d. 17 december 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Dashboard externe inhuur n.a.v. de motie Sneller/Vermeer (Kamerstuk 31490-354)

Kamerstuk 31490-392 - Brief regering d.d. 05 december 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Tweede voortgangsrapportage ABRO-programma (Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten)

Kamerstuk 26643-1438 - Brief regering d.d. 28 november 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Jaarrapportage Maatschappelijke en Juridische Correspondentie 2024 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Kamerstuk 29362-389 - Brief regering d.d. 24 november 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Voortgang banenafspraak overheid 2024

Kamerstuk 34352-348 - Brief regering d.d. 18 november 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Uitvoering van de motie van het lid Sneller over de primaire arbeidsvoorwaarden aanpassen om specialistische ICT-capaciteit bij het Rijk in huis te halen (Kamerstuk 36740-VII-33)

Kamerstuk 26643-1430 - Brief regering d.d. 3 november 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Beleidsreactie over Evaluatie Rijksinkoopstrategie Inkopen met Impact

Kamerstuk 36800-VII-11 - Brief regering d.d. 10 oktober 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Ontwikkelingen uitvoering taakstelling Rijksoverheid

Kamerstuk 31490-391 - Brief regering d.d. 3 oktober 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Stand spreiding rijkswerkgelegenheid 2025 - 2029

Kamerstuk 31490-390 - Brief regering d.d. 19 september 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Uitvoering van de motie van het lid Dijk c.s. over een uitgebreidere reactie op de aanbeveling van de PEFD voor een recht op persoonlijk contact met de overheid (Kamerstuk 35867-18)

Kamerstuk 35867-32 - Brief regering d.d. 10 september 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Beantwoording van de vraag, gesteld tijdens het tweeminutendebat Jaarverslag Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2024 van 3 juli 2025, over een Rijksbrede streefwaarde voor externe inhuur

Kamerstuk 31490-389 - Brief regering d.d. 9 september 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Staat van de Uitvoering Special 2025: Inspiratie uit de toekomst

Kamerstuk 29362-387 - Brief regering d.d. 8 september 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, F. Rijkaart

Voortgang ā€˜Herstel bieden’ en ontwikkeling programma Erkenning en Herstel

Kamerstuk 33047-42 - Brief regering d.d. 16 september 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Opvolging hervormingsagenda voor versobering van de Algemene Bestuursdienst (ABD)

Kamerstuk 31490-388 - Brief regering d.d. 11 juli 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Reactie op de motie van het lid Palmen c.s. over een onderzoek naar een algemene grondslag voor gegevensdeling in het belang van de burger om de actieve toekenning van inkomensrechten verder vorm te geven (Kamerstuk 36600-VII-24)

Kamerstuk 29362-386 - Brief regering d.d. 7 juli 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Voortgangsrapportage Regie op de Monitoring Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI)

Kamerstuk 26485-453 - Brief regering d.d. 4 juli 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Jaarverslag Algemene Bestuursdienst 2024

Kamerstuk 31490-387 - Brief regering d.d. 4 juli 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Kabinetsreactie ROB-advies ā€˜Naar een uitvoerende macht’

Kamerstuk 29362-385 - Brief regering d.d. 1 juli 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Toezegging tijdens het debat over de Voorjaarsnota inzake stand van zaken externe inhuur

Kamerstuk 31490-386 - Brief regering d.d. 27 juni 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Aanpak onevenredige hardheden in wetgeving, beleid en uitvoering

Kamerstuk 29362-382 - Brief regering d.d. 20 juni 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Kabinetsreactie op Periodieke rapportage begrotingsartikel 7 - Werkgevers- en bedrijfsvoeringsbeleid

Kamerstuk 30985-67 - Brief regering d.d. 20 juni 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Opvolging in beeld: periodieke rapportages/evaluaties Ministerie BZK vanaf 2024

Kamerstuk 30985-66 - Brief regering d.d. 6 juni 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024

Kamerstuk 31490-365 - Brief regering d.d. 21 mei 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Jaarevaluatie campagnes Rijksoverheid 2024

Kamerstuk 36600-III-15 - Brief regering d.d. 21 mei 2025, minister van Algemene Zaken, H.W.M. Schoof

Antwoorden op vragen commissie over de uitvoering ambities regeerprogramma taakstelling Rijksoverheid (Kamerstuk 31490-359)

Kamerstuk 31490-362 - Brief d.d. 18 april 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark

Terugdringen externe inhuur

Kamerstuk 31490-363 - Brief d.d. 18 april 2025, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.J.M. Uitermark