[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-01-29. Laatste update: 2026-01-30 01:07
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

37e vergadering, donderdag 29 januari 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 131 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van den Berg, Van Berkel, Bevers, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Boswijk, El Boujdaini, Van Brenk, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Clemminck, Coenradie, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Van Eijk, Erkens, Faber, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jetten, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Raijer, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vijlbrief, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, De Vos, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Yeşilgöz-Zegerius, Zalinyan en Zwinkels,

en de heer Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de heer Van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid, mevrouw Paul, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van donderdag 29 januari 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Hamerstuk

Hamerstuk

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Verlenging en wijziging van Titel X van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering) (36784).

Dit wetsvoorstel wordt zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Verzoekschriften

Verzoekschriften

Aan de orde is de behandeling van:

- verslagen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven (36615, nrs. 12 en 13).

De voorzitter:

Ik stel voor overeenkomstig de voorstellen van de commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Dan zijn we aanbeland bij de voorzetting van de behandeling van de begroting Justitie en Veiligheid. Ik heet van harte welkom de minister van Justitie en Veiligheid, alsook de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, voor de eerste termijn van de zijde van het kabinet.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef de minister het woord en zou hem willen vragen of hij ons, voordat hij zijn inleiding uitspreekt, wil meenemen in hoe hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. Dan hebben we het over de blokjes. Dan weten we een beetje wanneer we de interrupties kunnen toelaten voor de leden van de Kamer.

Minister Van Oosten:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin dadelijk met een korte spreektekst rondom het rapporteurschap van de zijde van de Kamer. Dat zou ik willen separeren, voor zover u dat ook wenst, van de rest van de begrotingsbehandeling, om dat duidelijk te markeren. Daarna ga ik door met de reflectie van de zijde van het kabinet, van de zijde van de minister van Justitie en Veiligheid, ten aanzien van de voorliggende begroting. Dat sorteer ik aan de hand van goed beschouwd drie blokken: georganiseerde criminaliteit/ondermijning, een blokje internationaal en een blok nationale veiligheid.

De voorzitter:

We hebben het genoteerd.

Minister Van Oosten:

Dank u wel. En aan het eind volgen de appreciaties rondom de amendementen.

De voorzitter:

Vanzelfsprekend. Gaat uw gang. We hangen aan uw lippen.

Minister Van Oosten:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de bijdrage van de rapporteurs, mevrouw Mutluer en de heer Ellian, over de prestaties in de strafrechtketen. De staatssecretaris en ik delen wat dat betreft exact dezelfde ambitie en hebben hetzelfde doel: een effectieve en efficiënte strafrechtketen. Het is van groot belang dat voor zowel slachtoffers als verdachten dat recht tijdig wordt gedaan.

Ik licht graag toe hoe we dat voor onszelf voor ogen zien. Er ligt namelijk een concreet verbeterplan als het gaat om die strafrechtketen. Dat hebben we ook toegelicht in twee recente brieven die we aan uw Kamer hebben gestuurd, eentje halverwege het afgelopen jaar en eentje op 16 december. Daarin zitten twee onderdelen: een gezamenlijke meerjarenagenda voor de ketenpartners en mijn ministerie, en maatregelen van het ministerie ter versterking van de coördinatie, regievoering en verbetering van het inzicht in de prestaties van de keten.

Op dit ogenblik wordt er door al die verschillende ketenorganisaties en het departement met volle inzet gewerkt aan de implementatie van die maatregelen. Persoonlijk heb ik echt wel de overtuiging — de staatssecretaris en ik hebben dus ook zelf bij dat overleg gezeten — dat iedereen ook ten diepste beseft dat het ongelofelijk belangrijk is voor de samenleving, voor de slachtoffers en voor iedereen die in die keten werkzaam is, dat we hier stappen in zetten.

Ik ben het namelijk wel met de rapporteurs eens en ik kan die kritische noot onderschrijven: het duurt wel erg lang. Dan mag ik ook het feit in herinnering brengen dat dit een thema is dat al jaren op de agenda staat. De staatssecretaris en ik herkennen dit ook van zoveel jaar terug. Dus we moeten daar echt mee aan de slag blijven gaan. Dat neemt niet weg dat mijn overtuiging echt is dat alle partners die daar zitten, daar stevig aan werken. Dat geldt ook voor het ministerie en dus ook voor de betrokken bewindspersonen.

Ik vind wel dat u frequenter op de hoogte moet worden gehouden van de voortgang. Daarom gaan we u vaker rapporteren, om te beginnen twee keer per jaar. Als u aan de hand daarvan zegt dat het strakker en scherper moet, dan gaan we dat met elkaar delen. Maar ik noem ook de andere kant van de medaille. Ik acht het niet zinvol om op dit moment — dat hoor ik ook in de bijdrage van de beide rapporteurs een beetje terugkomen — de koers geheel te verleggen, een heel nieuw plan te maken, een deltaplan, zoals mevrouw Mutluer het noemde. Dat zou ik nu echt een stap te ver vinden. Geef nu ook de ruimte aan de organisaties om te laten zien wat ze met elkaar waard zijn, inclusief het ministerie. Wacht af wat we daarover rapporteren. Dan kunnen we altijd nog zien of er verder stappen nodig zouden zijn.

Ten slotte. Over de aanwijsbevoegdheid wil ik nog het volgende zeggen. Ik hoop dat u kan billijken dat ik, net als mijn ambtsvoorgangers, om rechtsstatelijke redenen zeer terughoudend ben met de inzet van dat middel. Ik wijs erop dat er specifiek met betrekking tot de bedrijfsvoering ook helemaal geen verschil van inzicht bestaat tussen de ketenorganisaties en onszelf, de staatssecretaris en de minister, over wat er moet gebeuren om de prestaties te kunnen en te willen verbeteren. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Interrupties in maximaal drievoud en graag kort.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij ziet deze minister niet hoe urgent de situatie is. We hebben niet voor niets drie jaar terug samen met collega Ellian een parlementaire verkenning gedaan naar de vastgelopen strafrechtketen. Er kwamen heel stevige conclusies en aanbevelingen uit voort. De Algemene Rekenkamer is tot op de dag van vandaag nog steeds superkritisch. Er ligt een zogenaamd verbeterplan, maar we zien weinig verbeteringen. Eigenlijk eist deze hele commissie dat er aan de teugels wordt getrokken en dat er een deltaplan komt. Waarom wilt u dat niet doen? Ziet u de urgentie niet?

Minister Van Oosten:

Integendeel, ik zie die urgentie, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Mutluer. Ik heb de urgentie zelf ook uitgesproken in het overleg dat we hebben. Ik gaf hier ook mijn reflectie op de afgelopen jaren. Ik zat aan tafel op mijn ministerie, waar ik nu de politieke leiding van heb, en heb daar gesproken met al die partners en ketenorganisaties. Daar zag ik dat iedereen hiervan doordrongen is en dat er ook stappen zijn gezet. Dat laat ik u ook zien in de brieven. In de komende brief wil ik u dat ook weer verder laten zien. Dat moeten we nu vasthouden. Dat moeten we niet doorbreken door het ineens volstrekt anders te willen doen, nog los van het feit dat deze organisaties ook in een zekere onafhankelijkheid mogen acteren. Maar we moeten er scherp bovenop zitten, want de samenleving verdient beter op dit punt. Daar is iedereen het mee eens.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het kabinet en deze minister gewoon niet scherp op dit onderdeel, totaal niet. Ik geloof echt dat het OM, de politie en de rechtspraak afzonderlijk stappen zetten, maar we hebben heel nadrukkelijk gezegd dat de ketenoverstijgende samenwerking veel strakker moet. De digitalisering moet veel strakker. In de antwoorden van de minister lees ik dat zelfs de digitalisering geen onderdeel wordt en is van het verbeterplan, terwijl dat cruciaal is. Het duurt heel lang voordat een jeugdzaak daadwerkelijk kan volgen en losgelaten kan worden op andere zaken.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Onderkent de minister dat dit geen goede zaak is? Onderkent hij dat je ten behoeve van de slachtoffers wel een wat steviger plan nodig hebt, met duidelijke regie?

Minister Van Oosten:

Ik onderken van meet af aan — daar begon ik mijn bijdrage ook mee — dat dit echt, écht een punt van aandacht en ook een punt van zorg is als we het niet kunnen oplossen. Maar ik zeg er ook bij dat ik ervan overtuigd ben dat iedereen dat wel beseft en het wil oplossen. Dat is de reflectie die ik teruggeef, nadat ik zelf aan die tafel heb gezeten en heel indringend met alle vertegenwoordigers van deze organisaties heb gesproken. Ik zeg u ook toe dat ik u frequenter ga rapporteren, zodat u de vinger aan de pols kunt houden en we daarna ook kunnen spreken over wat er verder nog nodig is. Misschien kunt u een keer een briefing organiseren om zelf met de betrokken organisaties te kunnen praten over waar er eventueel een euvel zit. Maar het is niet zo dat er niks is gebeurd. Integendeel, maar het is wel complex en ingewikkeld. Daarom moeten we er scherp bovenop zitten, want het duurt wel verrekte lang. Dat ben ik met u eens.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

De wil is er, maar in mijn beleving gebeurt er in de praktijk te weinig. Het mag sneller. Twee keer per jaar een bestuurlijk ketenberaad is allemaal leuk en aardig, maar wij willen meer. Ik overweeg namens vele andere collega's hier om straks een motie in te dienen, want dit antwoord is wat ons betreft niet voldoende.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik denk dat de rapporteurs hebben gesproken namens de hele Kamer. De zorg is ook namens de hele Kamer. We zien dat de doelen goed zijn. Ik twijfel ook geen seconde aan de inzet van alle mensen. Die is heel goed. Het is ook vanzelfsprekend dat er een rechtsstatelijk onderscheid is. Het ministerie van Justitie heeft zich te verhouden tot het Openbaar Ministerie, ook ten aanzien van de zelfstandigheid. Maar we kunnen niet hebben dat we op alle fronten zien dat er onvoldoende gebeurt, terwijl de wereld keihard beweegt. We leven in een woelige tijd. We weten dat er veel gevraagd zal worden van de strafrechtketen. Dan is het nodig dat het ministerie van Justitie de regie neemt, want anders zal het achteraanlopen. Juist daarom denk ik dat de minister met uitgestoken hand naar deze Kamer kan kijken. Dat geldt ook voor degenen die hierna op het ministerie van Justitie aan de slag gaan. Want de oproep van deze Kamer kan helpend zijn in tijden van bezuinigingen. Dus minister, pak 'm aan en zie wat u hier hoort van de rapporteurs als kans om de strafrechtketen te versterken.

Minister Van Oosten:

U kunt ervan op aan dat ik als minister — dat geldt ook voor de staatssecretaris; daar durf ik ook voor te spreken — echt wel wat doe met de signalen en geluiden die we uit deze Kamer halen. Ik gaf net ook al aan dat ik in het gesprek met al die ketenpartners — daaruit wil ik niet te veel citeren, want dat is een intern gesprek geweest, maar ik mag natuurlijk zelf wel zeggen wat ik wil zeggen — de herinneringen heb aangehaald die ik had van zoveel jaren terug. Voor een deel zag ik herkenning in waar we nu zitten. Dat is niet goed. Ik verwacht dus ook dat dit verbetert. Ik zeg er alleen wel bij — dat was voor mij wel een nieuwe ervaring toen ik aan die tafel zat, wat ik als Kamerlid niet deed — dat ik echt wel proef dat die urgentie er is. Ik heb de overtuiging dat men eraan werkt. Er is een verbeterplan gemaakt, waarover ik frequenter aan u wil rapporten. U kunt ervan op aan dat het signaal dat u wederom geeft — al dan niet in een motie, maar van mij hoeft er geen motie te komen, want ik snap de urgentie heus wel — voldoende is om dat heel luid en duidelijk over te brengen aan de organisaties die het betreft, waaronder mijn eigen ministerie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

In een land waarin we momenteel helaas eens in de twee jaar landelijke verkiezingen hebben — ik zou die graag weer eens in de vier jaar hebben, maar dat terzijde — is het gevaar dat de Kamer alleen maar toekomt aan breien en niet aan voetballen. Wat bedoel ik daarmee? Er wordt wel eindeloos heen en weer gegaan, maar we hebben het niet strak over de doelpunten die gescoord moet worden, en over het moment waarop. Ik vind echt dat daar een schepje bovenop moet, zodat we voorkomen dat deze Kamer en de minister hier telkens alleen maar staan met een soort ongenoegen aan de hand van individuele cases of van Rekenkamerrapporten. We moeten het stevig hebben over welke verbetering we zien en over wat er nodig is om de ICT op orde te krijgen in de strafrechtketen in de breedte. Daar moeten we ook duidelijke financiële plaatjes bij zien, in plaats van dat het ministerie van Financiën alleen maar dicteert "gij zult efficiënt zijn" en we vervolgens met de gebakken peren zitten.

Minister Van Oosten:

Maar dan wil ik toch even terugkoppelen dat er bijvoorbeeld op het terrein van zeden en jeugd — dat is ook opgebracht door de rapporteurs — wel degelijk echt stappen zijn gezet die hoogstnoodzakelijk zijn voor de samenleving, omwille van slachtoffers et cetera. Het is dus veel meer dan alleen een financieel vraagstuk of innovatievraagstuk over digitalisering. Het heeft er ook plat mee te maken, als ik het zo mag uitdrukken, hoe je zorgt dat het werk van de politie aansluit op het werk van het Openbaar Ministerie, van de rechterlijke macht, van de reclassering, van de Raad voor de Kinderbescherming en noem het zo maar op. Dat is in zijn totaliteit best ingewikkeld, maar ik ben er echt van overtuigd — nu val ik in herhaling — dat er met grote urgentie aan wordt gewerkt. Ik wil daar vaker over aan u rapporteren, zodat u dat scherper kunt volgen en ook concreter en zichtbaar wordt wat er gebeurt.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Vooruitkijkend, alleen al op de domeinen die de minister noemt, jeugd en zeden. Als ik op werkbezoek ga, hoor ik eigenlijk keer op keer op keer hoe de mensen in de strafrechtketen keuzes moeten maken, omdat ze weten dat ze niet alles kunnen aanpakken. Deze maatschappij heeft heel wat nodig om dit weer in de vingers te krijgen op een manier waarmee de overheid het publieke domein weer veilig maakt, niet alleen offline maar ook online. Juist daarom vrees ik dat we eigenlijk onvoldoende de vinger aan de pols houden als we hier ondanks alle goede bedoelingen te slap acteren. Dan blijven mensen naar elkaar wijzen, want dat kan makkelijk in een keten. Ik vind het dus mooi dat de minister toezegt terug te koppelen. Daar ben ik blij mee. Maar ik denk echt dat er een tandje bij moet, ook om die urgentie te benadrukken.

Minister Van Oosten:

Ik heb mevrouw Bikker gehoord. Ik wacht verdere keuzes van de zijde van de Kamer op dit punt af. Ik heb ook duidelijk gemaakt hoe ik erin zit en hoe ik dat heb ervaren, en dat ik er vaker aan u over wil terugkoppelen, zodat u heel scherp aan de wind kunt blijven varen. Want daar gaat het om; dat doel willen we allemaal bereiken.

De heer Ellian (VVD):

Dank dat u dit toestaat, voorzitter, want we hebben als rapporteurs ook een aparte inbreng geleverd die alle collega's aangaat.

Voelt de minister dat de Kamer wat ongemak heeft? Deze minister is nu de derde met wie we het debat hebben over de prestaties in de strafrechtketen. We horen elke keer hetzelfde. Met alle respect en waardering voor degenen die elke dag bezig zijn, zoals bij het Bestuurlijk Ketenberaad: er verandert niets. Maar wij willen zo graag een cultuurverandering zien.

De voorzitter:

En uw vraag.

De heer Ellian (VVD):

Is de minister bereid om die cultuurverandering teweeg te brengen?

Minister Van Oosten:

Ik vind "cultuurverandering" gelijk weer zo'n term. In the end moet het gewoon op elkaar aansluiten, moet er niet onnodig tijd verspild worden en moet er volle aandacht zijn voor slachtoffers en voor de aanpak van criminaliteit. Wat mij betreft zijn al deze organisaties daarop gericht. Dat vergt in die zin volgens mij geen cultuurverandering. Maar het moet wel strakker, scherper en beter, want het terugdringen van de doorlooptijden duurt te lang. Tegelijkertijd zie ik ook verbeteringen: bij jeugd, zeden en veelvoorkomende criminaliteit zie ik dat de voorraden worden teruggedrongen. Ik heb toegezegd u frequenter te rapporteren. Dat is nodig, want het is ook uw taak. Het kan zonder meer helpen als u zich aan de hand van die brieven uitdrukkelijk blijft uitspreken over of het u bevalt of niet, want dat nemen de bewindspersonen — wie dat ook zijn — mee terug naar de tafel.

De heer Ellian (VVD):

We zullen ons uiteraard blijven uitspreken. Ik denk dat andere rapporteurs dan collega Mutluer en ik dat zullen doen. Het is inderdaad goed dat anderen dit ook verder gaan oppakken. De cultuurverandering is een diepgeworteld vraagstuk. Ook uit onderzoeken van de Rekenkamer blijkt dat de belangen in de keten aan het eind van de dag verschillend kunnen zijn. Ook de financiële belangen zijn niet op elkaar afgestemd; de financiering is anders. De uitdaging wat betreft de cultuurverandering is: hoe zorg je ervoor dat iedereen in de keten uiteindelijk naar hetzelfde doel toewerkt; moet je daarvoor geen ketenoverstijgende doelen vaststellen? Is de minister bereid dat ten minste te doen?

Minister Van Oosten:

Ik ben bereid in het volgende gesprek te verkennen of de partners daar de noodzaak toe zien, zodat de doelen die we willen bereiken daadwerkelijk gehaald worden, waaronder het verbeteren van de doorstroomtijden. Dan kan ik daarover terug rapporteren aan u, leg ik dat daar actief op tafel en kunnen we daarover spreken. Maar ik wil dat wel aan de ketenpartners zelf overlaten. Ik denk dat het belangrijk is dat we zorgen dat iedereen met urgentie aan dit doel blijft werken; daar ben ik van overtuigd.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Voordat we vandaag wederom naar de woorden "verkennen", "evalueren", "rapporteren" en "pilot" gaan luisteren, wil ik wel een kleine winstwaarschuwing geven voor dit debat. Ik heb daar echt de grootst mogelijke moeite mee. Wat mij betreft is het vijf over twaalf en moet er veel meer urgentie zijn. Daar wordt ook om gevraagd vanuit de Kamer. Als we dit bedrijfsmatig zouden benaderen, zouden we toch niet wachten op herkenning en verkenning? Wat kan de minister nu nog concreter toezeggen? Ik verwacht echt grotere stappen, grotere woorden en meer daadkracht.

Minister Van Oosten:

Ik heb u gezegd wat ik heb gezegd. Voor bijvoorbeeld de doorlooptijden zijn gezamenlijke doelen afgesproken. Daarover rapporteer ik netjes terug aan u. Ik deel met u allen de urgentie die de rapporteurs hebben opgebracht en dat er echt nog heel veel werk aan de winkel is. Ik geef u ook terug dat er verbeterstappen zijn gezet, dat er een verbeterplan ligt en dat ik verbeteringen zie. Het duurt wel lang. Het heeft ook wat tijd nodig. Wat mij betreft heeft het al te veel tijd gekost. Die urgentie moet je blijven uitspreken, en dat doe ik dus ook als bewindspersoon. Maar ik kan het ook niet afdwingen bij iedereen. We hebben het zo georganiseerd dat organisaties daar zelf over gaan. Maar we moeten zorgen dat het beter kan. Iedereen heeft dat besef.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dan begrijp ik in dezen dat de minister eigenlijk wel naast de Kamer gaat staan, maar ook zegt "ik sta een beetje met mijn rug tegen de muur in hoe we het met elkaar hebben georganiseerd", als ik het vrij mag vertalen. Dan heb ik een andere vraag: wat heeft deze minister nodig om grotere stappen te kunnen zetten; wat is er nodig vanuit deze Kamer? Dat hoor ik heel graag.

De voorzitter:

De minister heeft het woord en hij spreekt via de voorzitter.

Minister Van Oosten:

Sorry, voorzitter. Ik denk dat u als Kamer moet blijven doen wat u doet. Mijn advies zou zijn: blijf de bewindspersoon hier kritisch op aanspreken. Ik ben voor de Kamer de spreekbuis richting al deze ketenpartners. Ik heb al gedaan wat ik heb gedaan en wat ik u heb verteld: ik heb die urgentie overgebracht omdat ik die herken, ook van zoveel jaren terug, toen ik aan de andere kant in deze Kamer mocht zitten. Ik vind dat het nog strakker en scherper moet. Ik vind dat je van de bewindspersonen mag verwachten dat zij namens de Kamer en namens de samenleving die inbreng leveren. Maar ik geef u ook mee dat dit niet wordt betwist: die urgentie wordt echt wel gevoeld. Er zijn verbeteringen zichtbaar, maar die moeten meer zichtbaar worden en er moet vaker over gerapporteerd worden om de boodschap vaker terug te leggen.

De heer Sneller (D66):

Maar dat kan ik niet rijmen met het antwoord aan de heer Ellian dat de minister in een volgend overleg gaat verkennen of de ketenpartners zelf de noodzaak zien voor het stellen van de doelen. Dat kan ik niet rijmen met de motie van twee jaar geleden met het verzoek om dat te doen en met de motie van mevrouw Mutluer en anderen, waarin de minister wordt gevraagd te kijken wat hij kan doen met aanwijzingen om dit te bevorderen. Dat past toch niet bij elkaar?

Minister Van Oosten:

Ik weet niet precies hoe het twee jaar geleden allemaal met elkaar is gewisseld. Ik bedoel het volgende te zeggen. Het is heel belangrijk dat ik bij die volgende tafel, als ik daarbij mag zitten, ook gewoon kan reflecteren op wat ik hier heb opgehaald. Ik wil overbrengen dat ik in den brede urgentie voel, maar ook een stukje ongemak, als ik het heel neutraal geformuleerd mag uitdrukken, over de gemaakte verbeterstappen. Daarbij wil ik ook het punt dat de heer Ellian opbracht overbrengen, waarbij ik overigens opmerk dat we dat van die doorlooptijden ook hebben gedaan. Zo heb ik dat bedoeld. Volgens mij moet het die werking ook hebben.

De heer Sneller (D66):

Dan ga ik er toch van uit dat het antwoord richting de heer Ellian het gevoel dat er blijkbaar wel is om die urgentie te verhogen, niet helemaal weergaf. Het duurt inderdaad allemaal erg lang. Ik denk dat daar niet alleen "laat het aan de ketenpartners" wordt gezegd, maar ook "neem daarbij ook meer regie". Dat is volgens mij steeds het pleidooi geweest. Die consistente lijn heeft de Kamer sinds de parlementaire verkenning breed vastgehouden.

Minister Van Oosten:

Daar ben ik het ook volstrekt mee eens. Sterker nog, ik begon mijn bijdrage op dit punt dus ook met een stukje reflectie uit 2012 en een paar jaar daarna. Toen hadden we dezelfde discussie, zeg ik maar even. Alleen, nu zit ik op een andere manier aan die tafel en breng ik heel stevig in hoe ik dat toen heb ervaren. Vervolgens heb ik nu ook uw inbreng gekregen. Die zal ik ook weer overbrengen; dat past wat mij betreft heel prima in de lijn die u twee jaar geleden ook hebt besproken in de Kamer. Die urgentie wordt namelijk gevoeld.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn beantwoording met het onderwerp georganiseerde criminaliteit.

Minister Van Oosten:

Voorzitter. Dan kom ik bij al het overige van de begrotingsbehandeling, als ik het zo mag zeggen. Voordat ik bij de georganiseerde criminaliteit kom, zou ik een paar opmerkingen vooraf willen maken.

In de eerste plaats vanzelfsprekend dank aan uw Kamer voor de gestelde vragen. Dank ook voor de indrukwekkende maidenspeeches. Mevrouw Abdi, u heeft ons geleerd — dat vond ik toch wel mooi om te horen — dat je geen jurist hoeft te zijn om onrecht te herkennen. Ik denk dat dat waardevol kan zijn voor menigeen in deze zaal, onder wie voor mijzelf. Mevrouw Straatman vertelde het verhaal over het gezin van haar oma, wat natuurlijk een hele diepe indruk maakt. Haat bestrijden met liefde is ook vandaag de dag van betekenis. Ik heb ook wel kunnen genieten van de opmerking van mevrouw Schilder, die haar verantwoordelijkheidsgevoel zelfs zo ver liet gaan dat ze er het zonnige Curaçao voor heeft willen achterlaten; dank u wel daarvoor.

Voorzitter. Het is toch een beetje een aparte begrotingsbehandeling, gegeven het feit dat we al wat verder in het jaar zijn opgeschoven en we desondanks nog de gelden voor Justitie en Veiligheid moeten vaststellen. Daarom hoop ik dat u mij permitteert dat ik ook nog iemand anders even kort wil bedanken: de man die hier naast mij zit. Toen wij in augustus en september werden opgeroepen om in één keer politiek leiding te geven aan het ministerie van Justitie en Veiligheid … Het was natuurlijk toch een beetje apart om dat zo te ervaren. Het heeft mij de afgelopen maanden — we gaan wel zien wat het allemaal weer brengt — ongelofelijk veel nieuwe ontmoetingen gebracht, levenslessen gegeven en kennis opgeleverd. Ik ben wel ongelofelijk content dat ik dat samen met deze man hier naast mij heb mogen meemaken, met wie ik in 2012 ben begonnen in de Tweede Kamer en met wie ik onderwerpen heb kunnen behandelen die we nu ook weer voorbij zien trekken. Dus dank je wel, Arno, zeg ik voor één keer, voorzitter.

Voorzitter. Ik wilde verdergaan met de inhoud, want daarvoor zijn we hier vandaag natuurlijk. Ik had mijn blokjes al aangegeven. Ik heb gekozen om drie blokken neer te leggen: georganiseerde criminaliteit, internationale veiligheid en nationale veiligheid. Ik wil vooraf nog één zin zeggen. In dat ministerie — dat is mij wel gebleken — komen dagelijks zo ongelofelijk veel relevante onderwerpen voorbij; dat merkt u natuurlijk ook. Maar overal staat natuurlijk onze rechtsstaat centraal — volgens mij begon de heer Sneller daar ook over in zijn bijdrage — en hoe zuinig we moeten zijn op onze rechtsstaat. Mijn overtuiging en inzicht zijn, nu ik deze maanden op dit ministerie rond heb gelopen, opnieuw bevestigd, namelijk hoe ontzettend veel mensen elke dag bezig zijn, al dan niet binnen hun eigen koker — dat is waar — om die rechtsstaat te beschermen en te behoeden. Ik weet zeker dat ook de staatssecretaris daar dadelijk in zijn inbreng, bij de verschillende keuzes die hij dan weer heeft gemaakt ten aanzien van zijn spreektekst, op terug gaat komen.

Georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Het is terecht dat u daar allemaal aandacht voor vraagt. Het is een strijd die, spijtig genoeg, nooit klaar is. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat als je ergens een drugslab oprolt, je helaas alweer snel ergens anders een drugslab ziet opkomen. Als we linksom drugshandel onmogelijk maken, zoeken criminelen steeds weer rechtsom een weg om drugs te smokkelen of te verhandelen.

Het bestrijden van die georganiseerde criminaliteit zal dus altijd alle aandacht van deze Kamer, van mijn ministerie en van alle diensten en organisaties daaromheen moeten vergen. Ondermijning, zegt mevrouw Michon-Derkzen terecht, is het betonrot voor onze rechtsstaat. Ik kan niet anders dan het hartgrondig met haar eens zijn. Ik ben het volledig eens met de heer Van den Brink: elk pilletje, elk lijntje dat gesnoven wordt, of hoe het dan ook ingebracht wordt, heeft invloed. Het gaat om invloed die te maken heeft met het kapotmaken van onze rechtsstaat, met het versterken van de georganiseerde criminaliteit en met een jongere die geronseld wordt om containers uit te halen. Ik heb in een vorige functie gezien wat het voor zo'n jonge jongen betekent als die vervolgens zijn complete toekomst vergald ziet worden omdat hij voor een paar honderd euro zo ver gebracht is dat hij een paar van die drugsdozen uit de haven gaat ophalen. Dat gebeurt zelfs met gevaar voor eigen leven, bijvoorbeeld als zo'n container verkeerd om zou worden gezet en de zuurstof opraakt. Het is meer dan verschrikkelijk. Willekeurige voorbijgangers die terecht zouden kunnen komen in een vete tussen drugscriminelen, zijn ook weer zo'n voorbeeld. We hebben ook steeds weer veel voorbeelden gezien van schade die drugsafval aanricht in het milieu. Het is dus in het belang van onze hele samenleving dat we alles op alles zetten om die ondermijnende criminaliteit te voorkomen, te doorbreken en zo streng mogelijk te bestraffen en om de samenleving zo goed mogelijk te beschermen.

De heer Ellian vroeg in dat licht naar het oprollen van criminele netwerken. Ik wil dan maar als voorbeeld geven dat er afgelopen week 24 industriële drugslabs zijn opgerold. Vijf daarvan waren er in Nederland. Dat is dus een netwerk. Criminaliteit zie je echter niet alleen in het groot; je ziet het ook in het klein, maar kleine criminaliteit kan grote gevolgen hebben. Een van u — ik dacht dat het meneer Struijs was — begon over het voorbeeld van een ambtenaar die onder druk wordt gezet om informatie uit de basisadministratie voor persoonsgegevens door te geven. Op basis van die informatie worden mogelijk vervolgens ergens zware explosieven geplaatst. Ook dat heb ik zelf gezien: daarbij kan bij wijze van spreken de complete gevel van een pand worden weggerukt. Dat geeft ongelofelijk veel ellende voor de mensen in de woningen daaromheen en de betrokkenen zelf. Dat geeft ook ellende voor de mensen die de explosieven hebben geplaatst, want die zijn waarschijnlijk niet zo heel bewust bezig geweest met wat ze aan het doen waren op het ogenblik dat ze gesnapt werden. Ze hebben wel hun toekomst vergald — bij dit voorbeeld kijk ik de heer Van den Brink weer aan — want dat is ook weer de consequentie.

Inmiddels zijn er ook ambtenaren veroordeeld voor het verstrekken van bijvoorbeeld valse paspoorten aan criminelen. Samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt er dan ook op ingezet om de grootste kwetsbaarheden en risico's zo snel mogelijk de kop in te drukken. Op die manier vergroten we de weerbaarheid van belangrijke overheidsprocessen en -systemen.

Voorzitter. Dankzij een wijziging in de Opiumwet is het voor criminelen ook moeilijker geworden om grondstoffen voor synthetische drugs te verkrijgen. Het wetsvoorstel dat strafmaxima voor grootschalige drugsdelicten verhoogt, wordt begin maart in uw Kamer behandeld. Met een verbod op contante betalingen voor goederen vanaf €3.000 is het voor criminelen moeilijker geworden om cash wit te wassen.

Voorzitter. Dan ga ik door naar het kopje internationaal. Ten aanzien van die synthetische drugs wil ik nog een andere opmerking maken. Ik kom er later nog op terug, maar toen ik een bezoek bracht aan de regio West-Afrika is mij ook gebleken dat er bijvoorbeeld een risico kan zijn dat synthetische drugs hier soms heel goedkoop in onderdelen worden geproduceerd en vervolgens daarnaartoe worden geëxporteerd. Die maken daar ook weer landen kapot en maken hier ongetwijfeld criminelen ongelofelijk rijk. Dat is dus diezelfde georganiseerde criminaliteit die we zo keihard moeten bestrijden.

Voorzitter. Kortom, criminaliteit houdt zich niet aan grenzen. Dat besef is een belangrijk onderdeel in de internationale aanpak. Er gaat namelijk veel meer achter schuil dan in het licht en in het zicht komt. Ik wil deze begrotingsbehandeling aangrijpen om daar iets over te vertellen, omdat mijn ervaring is dat het niet altijd zoveel aandacht krijgt. Dat gebeurde althans niet in die jaren dat ik aan de andere kant een bijdrage mocht leveren. Ik was deze week bijvoorbeeld bij Eurojust. Dat is een grote organisatie, gevestigd hier in Den Haag, waar men werkt voor alle landen in Europa en ook daarbuiten. Daar heb ik gezien dat officieren van justitie uit al die verschillende Europese lidstaten heel constructief, specifiek en specialistisch samenwerken in de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Ik heb meegedraaid en een voorbeeld gezien van hoe dat kan gaan, waarbij je bijvoorbeeld in Spanje, Bulgarije en Nederland gelijktijdig acties moet draaien. Hoe zorg je er dan heel gericht voor dat netwerken en rechtssystemen — die worden niet op elkaar afgestemd, want die zijn zoals ze zijn — worden begrepen, zodat er geen tijd verloren gaat? Wanneer er toevallig misschien nog een vierde persoon uit weer een ander land is, gaat die op deze manier niet vrijuit. Ik ben er ongelofelijk van onder de indruk. Goede internationale relaties en vertrouwen zijn daarbij cruciaal.

Het is ook cruciaal om ervoor te zorgen dat criminelen uitgeleverd worden aan Nederland. Ons ministerie heeft de afgelopen jaren middelen en mensen geïnvesteerd in het aangaan en het verstevigen van die relatie. Ik durf te zeggen dat Nederland hierin echt bijzonder is in de wereld. Dat werpt zijn vruchten af. Zo zijn er in 2025 alleen al meer dan tien voortvluchtige personen door de Verenigde Arabische Emiraten aan Nederland overgedragen. Dat is een ongelofelijk goede prestatie, die zo ongelofelijk belangrijk is en waar ongelofelijk hard aan is gewerkt door mensen die wij nooit zien. Die moet u misschien beter ook maar niet willen zien, omdat er heel veel belangen achter zitten. Ik heb gewoon gemerkt hoe dat gaat en wat een vruchten het afwerpt als je daarin investeert, Daar mag je als bewindspersoon een bijdrage aan leveren, hoe klein die ook is.

Samen met het Openbaar Ministerie, de politie en andere partners in de opsporing bekijken we voortdurend met welke andere landen het aangaan of het verstevigen van dit soort samenwerkingsrelaties nodig is. Dat doen we bijvoorbeeld door het sluiten van verdragen en het uitwisselen van kennis en ervaring. Dat kan soms allemaal wat vaag en abstract klinken, maar het is zo ongelofelijk cruciaal. We hebben nu met Colombia een overeenstemming bereikt over een uitwisselingsverdrag. Er lopen onderhandelingen in een afrondende fase over een rechtshulpverdrag met dat land. Ik was in november in Ghana om te spreken met al de verschillende West-Afrikaanse landen — ik gaf er net al blijk van — om met elkaar de mogelijkheden te verbeteren en de samenwerking te verkennen. Ja, dat is weer verkennen, zeg ik richting mevrouw Coenradie, omdat ik het niet meteen kan afdwingen en niet meteen kan zeggen dat het gebeurt. We moeten daar wel tijd in blijven investeren, om te organiseren dat het in the end gerealiseerd wordt en dat Nederlandse criminelen nergens ter wereld een veilige thuishaven vinden.

Voor die internationale samenwerking is slagkracht nodig. Daarom investeren we hierin structureel 4 miljoen euro per jaar. Dat gaat naar internationale, regionale en bilaterale samenwerkingsprojecten, waarmee we ook liaisons financieren in Latijns-Amerika en West-Afrika. Inderdaad, het gaat om politieliaisons buiten onze eigen rechtsstaat, maar wel politieliaisons die onze rechtsstaat verdedigen en die bouwen en werken aan contacten en relaties. Het is cruciaal om te weten waar mensen zich opgeven en waar voor Nederland de gevaren ontstaan. Daarmee kom ik aan een einde van het blokje internationaal.

De heer Ellian (VVD):

Ik voelde dat het einde van dit blokje naderde.

De voorzitter:

Dat is het politieke fingerspitzengefühl.

De heer Ellian (VVD):

Dat is niet het gevoel dat de voorzitter heeft! Ik wil de minister graag het volgende vragen. Ik proef veel bereidwilligheid om internationale netwerken op te rollen, maar er zijn natuurlijk ook een paar kerels voortvluchtig. Sommigen zijn gewoon openbaar te zien op de opsporingslijsten, zoals Jos Leijdekkers. Denk ook aan Edin G. in de Emiraten, waar ik echt heel vaak naar heb gevraagd. De minister gaat niet in op individuele gevallen; dat weet ik. Maar mag ik, gelet op deze toch wel krachtige woorden van de minister, ervan uitgaan dat die landen worden aangesproken? Ik bedoel dat ook tegen het Afrikaanse land waarvan iedereen weet dat meneer Leijdekkers daar zit, wordt gezegd "u gaat deze kerel geven", en dat tegen de Emiraten wordt gezegd "u gaat meneer Gacanin aan ons geven". Zijn naam is openbaar, dus ik kan die noemen.

Minister Van Oosten:

Tuurlijk mogen de heer Ellian en de rest van de Kamer erop rekenen dat deze minister, dit ministerie en iedereen die hierin een rol speelt, voortdurend bezig zijn met het terugbrengen van criminelen die een veilige thuishaven durven te vinden in welk buitenland dan ook. Daar laat ik het in zijn algemeenheid bij. Dat betekent dat je voortdurend een weg zoekt om daar aandacht voor te vragen, dat je investeert in contacten, dat je benadrukt welke relaties je juridisch sowieso na hebt te leven en dat je misschien nieuwe verdragen sluit waar dat van toepassing is.

Voorzitter. Dan nationale veiligheid. Ook dat is een taak van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat zien we natuurlijk heel vaak, bijna elke dag, terug in Kamerdebatten over het werk van de politie et cetera. Maar er gaat veel meer achter schuil; dat weet u allemaal natuurlijk heel goed. Denk aan de onrustige wereld waarin we verkeren en de conflicten die overal, ook buiten onze grenzen, snel en hoog oplaaien. De dreiging voor onze nationale veiligheid is urgent en complex. De grootste, meest zichtbare hybride en militaire dreiging — ik ga u natuurlijk niks nieuws vertellen, maar het is toch goed om het wel op te merken in onze justitiebehandeling — komt op dit moment van Rusland. Maar ook de dreiging vanuit andere landen blijft onverminderd sterk. Landen gebruiken hybride middelen, zoals militaire intimidatie, spionage en cyberaanvallen, om hun belangen veilig te stellen. Dat vraagt om een weerbare samenleving, vitale processen die door moeten draaien en redzame burgers. Sommigen zeggen "zelfredzame burgers" en anderen zeggen "samenredzame burgers". Ik heb het over een samenleving waarin men elkaar redt en er voor elkaar is op het moment dat een grote calamiteit zich voordoet, over een weerbare samenleving die staat voor een gezamenlijke opgave. Het ministerie van Justitie en Veiligheid is daarin coördinerend, samen met het ministerie van Defensie. Daarbij is het ook heel belangrijk — ook dat onttrekt zich vaak aan het zicht van de actieve politiek in dit huis, zeg ik toch maar even — om te investeren en waardering uit te spreken, ook vanaf deze plek, voor de inzet van de veiligheidsregio's, de burgemeesters en allerlei organisaties daaromheen die ervoor zorgen dat die vitale samenleving er is. Zo wordt bijvoorbeeld georganiseerd dat een gemeente aan de lat staat om netjes antwoord te geven op vragen die je als burger hebt, bijvoorbeeld: hoe moet ik nou zo'n noodpakket betalen? Dat is een hele kwetsbare vraag van iemand die geconfronteerd wordt met grote geopolitieke vragen op de deurmat. Ik ben daar al die mensen ontzettend dankbaar voor.

Terrorismedreiging is een ander aspect dat ook direct onze nationale veiligheid raakt. Het vraagt onze dringende en continue aandacht. Dat zien we ook terug in de meest recente dreigingsbeelden van de NCTV. De terroristische dreiging in Nederland blijft, spijtig zat, onverminderd hoog, namelijk op niveau 4 van niveau 5. Dat betekent — dat is gewoon de harde werkelijkheid — dat er een reële kans is dat er een aanslag plaatsvindt in Nederland. Dat moeten we onder ogen zien; ik kan het niet beter maken dan dat. We moeten daar dus ook voortdurend voor gesteld staan. Dreigingen doen zich ook dichter bij huis voor. Mevrouw Van der Werf en mevrouw Michon-Derkzen vroegen daarnaar. Beide Kamerleden zien extremisme verschuiven naar de onlinewereld.

Andere Kamerleden vroegen naar de heftige onlinesituaties rondom kinderpornografie, het oproepen tot zelfbeschadiging, noem het allemaal maar op. Dat zijn allemaal verschrikkelijke beelden om überhaupt te moeten zien. Ik hoop dat het iedereen bespaard kan blijven om die te moeten zien. Het zijn inderdaad vaak minderjarigen die in korte tijd via onlinenetwerken kunnen radicaliseren. Zij worden in een trechter gewrongen en kunnen er niet meer uit komen. Dat is een zeer zorgwekkende ontwikkeling, waar ook de NCTV op wijst in het Dreigingsbeeld Terrorisme.

Terroristische organisaties als ISIS maken ook misbruik van de dynamiek van de onlinewereld. Hier zijn mensen anoniem en er mist een corrigerend geluid. Terroristen en extremisten benutten dat om hun gedachtegoed te verspreiden en om hun netwerk te onderhouden. Ik wil voorkomen en dit ministerie wil voorkomen — u wil dat ook voorkomen, hoor ik — dat jongeren radicaliseren en in aanraking komen met het strafrecht. Dan is het inderdaad noodzakelijk dat iedereen — maatschappelijke partijen, de internetsector, lokale professionals, ouders/verzorgers en veiligheidsdiensten — zijn verantwoordelijkheid pakt om dat onlinedomein veilig te houden. Zeker voor jonge mensen bestaat er namelijk geen onderscheid tussen wat er online en wat er op straat gebeurt. Het een hangt met het ander samen. We moeten platformen dus aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige omgeving. Daarnaast moeten we ook blijven inzetten op concrete samenwerkingen in de vorm van de Redirect-methode, die bijvoorbeeld bij Meta is gestart, zodat mensen worden gewezen op wat ze nou eigenlijk lezen en hoe fout dat is. Het is een functie die heel actief een bijdrage kan leveren aan het scheppen van een juist informatieveld voor mensen die met terroristische of extremistische content worden geconfronteerd.

Voorzitter. Ook dan past de opmerking — ik ga even terug naar die internationale component — dat Nederland dit echt niet alleen kan. U erkent dat allemaal ook ruiterlijk. Volgens mij is dat in zichzelf dus helemaal geen issue, of het nu gaat om de aanpak van online kinderpornonetwerken die zich buiten Europa bevinden en de inzet die we daarop plegen, of om de actieve en leidende rol die we binnen de Europese Unie op dat punt echt met elkaar nodig hebben. Nederland is wel een verrekt kleine speler als het gaat om die enorm grote internetplatforms waar we het tegenwoordig over hebben, maar we hebben een krachtige positie in Europa. Ik zou ook willen vragen om die krachtige positie op dit punt te behouden, zodat het ertoe doet wat wij zeggen.

Nederland heeft binnen de mogelijkheden die het heeft, de taak op zich genomen om samen met Duitsland en Frankrijk de Europese Commissie op te roepen om te komen tot een vrijwillige gedragscode. En ja, dat klinkt allemaal weer zo slap, "een vrijwillige gedragscode", maar die vrijwillige gedragscode is wel een eufemisme, wat mij betreft, om ervoor te zorgen dat je je met die Europese kracht, door al die lidstaten te bundelen, kan verhouden tot die onlineplatformen, hoe groot ze ook zijn. Daarmee zorgen we er ook voor dat radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme worden bestreden. Ondertussen blijven wij natuurlijk ook zelf de platformen aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor het creëren van een veilige onlineomgeving. Mijn laatste opmerkingen zouden zijn dat we binnenkort, in maart, een ministerieel EU Internet Forum hebben, wat een uitgelezen kans is om die platformen te wijzen op deze verantwoordelijkheid. We gaan ook een nieuwe gespreksronde starten op dit punt.

Voorzitter. Ik ga over naar de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Maar eerst een interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij kan deze minister de problemen heel goed schetsen, maar als ik kijk naar het aantal meldingen van kinderpornografisch materiaal en naar wat er wordt opgepakt, dan zie ik dat dat gewoon te weinig is. Een organisatie als Offlimits kan dat soort onlinemateriaal op zeer korte termijn weghalen. Als we dat niet structureel financieren, maar elk jaar, bij elke begroting een amendement moeten indienen om het weer een jaar een boost te geven, dan vind ik niet dat ik heel veel waarde moet hechten aan de woorden — dat is misschien heel hard gezegd — van deze minister.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Vindt u ook niet dat er nu te weinig wordt gedaan?

Minister Van Oosten:

Ik vind dat we hier meer aan moeten gaan doen op de lange termijn. Dat spreek ik ook uit. Ik noemde de gedragscode, maar er zijn ook andere voorbeelden die nog verder uitgerold en uitgediept moeten worden. Offlimits haalt u zelf aan. Ik kom dadelijk nog op de appreciatie van de amendementen. Ik wijs er wel op dat we al ontzettend veel doen. We doen ontzettend veel aan de hand van wetgevingstrajecten die we hebben, die we binnenkort ook gaan evalueren — dat heb ik u ook in de beantwoording teruggegeven — als het gaat om het ATKM-centrum, als het gaat om de bijdrage die Offlimits levert en als het gaat om de inzet die we willen plegen om platforms op hun verantwoordelijkheid te wijzen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dat te weinig. Het gaat hier om de veiligheid van jongeren, die op dit moment allemaal wel een telefoon bij de hand hebben en de meest heftige dingen online tot zich kunnen nemen. Alleen maar platforms aanspreken op hun verantwoordelijkheid vind ik niet afdoende. Dat is allemaal op vrijwillige basis. Wat kan de minister meer verplichtend doen? Wat kan de minister doen om daarin als Nederland het voortouw te nemen, ook binnen Europees verband?

Minister Van Oosten:

Als het gaat om de ATKM, is dat niet alleen maar aanspreken. Het kan een heel stevig, sanctionerend effect hebben langs de bestuursrechtelijke weg. Dat is niet minder krachtig in de uitwerking. Dat ziet bijvoorbeeld op online terroristisch gedrag, extremisme in de sfeer van kinderpornografie et cetera. Dat ziet daar dus wel degelijk op. Er zijn ook andere voorbeelden in Europees kader. We hebben hier met elkaar — dat zeg ik er ook maar bij — een hele stevige discussie moeten voeren over hoever we als Nederland wilden gaan in wat een bijdrage zou kunnen leveren aan de aanpak van de verspreiding van onlinekinderpornografie, om het zo maar te noemen. Daarnaast helpt Offlimits — dat is inderdaad zonder meer een waardevolle bijdrage — bij het offline halen van informatie en bij het actief mensen motiveren. Ik noemde al voorbeelden zoals de Redirect-methode, enzovoort. Het denken staat op dit punt echt niet stil, integendeel zelfs. Ik denk dat we met elkaar het kader moeten scheppen om, zonder elkaar meteen allerlei verwijten te maken, met elkaar in discussie te gaan. Waar zien we ruimte voor verbetering? Hoe verhoudt privacy zich daartegenover? Dat is ook een essentieel onderwerp. Hoe gaan we zorgen dat onze jongeren nog beter beschermd worden dan nu? Er is echt geen weerzin, bij niemand, ook niet bij het ministerie, om dat nu te gaan doen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Maar dan moeten we dit structurele probleem niet willen oplossen met allerlei incidentele oplossingen. Ik noem dit even, om bijvoorbeeld Offlimits weer aan te halen, omdat we die elk jaar weer via een amendement extra middelen toekennen, terwijl je weet dat zo'n organisatie, zeker anno 2026, erg belangrijk is om dit soort zaken offline te halen en jongeren en ouders goed te informeren.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Moet dat niet structureel geregeld worden?

Minister Van Oosten:

We hebben daar budgettaire keuzes in gemaakt. Ik kom dadelijk nog bij de appreciatie van de motie op het punt van mevrouw Mutluer ten aanzien van Offlimits.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Een puntje van orde. We staan hier allemaal best verbaasd te kijken dat er al wordt overgegaan tot appreciatie van de amendementen. Volgens mij liggen er nog heel veel vragen open. Ik vroeg me af: is dit het, dit halfuurtje van de minister in dit debat?

De voorzitter:

De minister heeft bij aanvang van het debat aangegeven dat een groot deel van de vragen schriftelijk is beantwoord. Maar goed, laten we het hem vragen. Minister, u heeft de vraag van mevrouw Van der Plas gehoord.

Minister Van Oosten:

Dat klopt, voorzitter. Ik heb niet anders begrepen dan dat dit gebruikelijk is. De vragen die u heeft gesteld, zijn allemaal keurig beantwoord. Ik heb hier voor de zekerheid een heel mapje liggen voor het geval dat u ergens nog een vraag over heeft. Dat is naar uw Kamer gestuurd. Dat bevat ook de vragen van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat komt inderdaad vaker voor. Een aantal vragen wordt schriftelijk beantwoord. Maar we voeren hier een debat. Ik wil een aantal vragen ook wel gewoon mondeling beantwoord zien, zodat we daarover met z'n allen hier kunnen debatteren. Ik vind het eerlijk gezegd wel makkelijk om te zeggen "dit is schriftelijk beantwoord en daar moet u het mee doen". Dan ga ik al die vragen zo meteen maar als interrupties opnieuw stellen.

De voorzitter:

Op zich staat het u vrij om dat te doen. We hebben de zaal tot 16.00 uur.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik vind het wel netjes om … Sorry trouwens dat ik door u heen praatte. Andere ministers doen het ook zo: die lichten hier toch een aantal zaken nog even mondeling toe. Daar hebben we een debat voor. Daar komen we hier ook allemaal voor: om in alle openheid met elkaar te kunnen debatteren. Ik verzoek de minister om de vragen die schriftelijk zijn beantwoord, hier ook nog even toe te lichten. Anders ga ik daar straks in een interruptie om vragen.

De voorzitter:

Ik denk dat dat laatste een beter idee is. Als we de minister nu de hele bundel opnieuw laten oplezen, dan wordt het wel heel ingewikkeld. Ik zou willen voorstellen dat de minister zijn beantwoording continueert. De minister krijgt op dit blokje nog een interruptie van de heer Diederik van Dijk. Vervolgens gaan we over naar de appreciatie van de amendementen. Ik stel voor dat u zelf even een inventarisatie maakt van de punten waarover u nog het debat wil aangaan met de minister. Dan zal ik u daar vanzelfsprekend ruimschoots de tijd voor geven.

Dan is er een interruptie van de heer Diederik van Dijk over het kopje nationale veiligheid.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik haak daarbij ook aan op de schriftelijke beantwoording. Er zijn gisteren door meerdere woordvoerders opmerkingen gemaakt over geweld tegen vrouwen. Ik heb dat zelf, net als andere woordvoerders, ook betrokken op de benarde positie van heel veel vrouwen in de prostitutie. Op dat punt vind ik de schriftelijke beantwoording buitengewoon tekortschieten. Ik mis een gevoel van urgentie om die kwetsbare vrouwen te helpen, bijvoorbeeld door een impuls te geven aan uitstapprogramma's en dat soort zaken. Wil de minister daar nog nader op reflecteren? Hoe ziet hij deze problematiek? Moet hier niet een enorme schep bovenop worden gedaan?

Minister Van Oosten:

Ik meen dat de heer Van Dijk daar ook een amendement op heeft ingediend, dat ik dadelijk nog zal appreciëren. Het is fijn dat u deze vraag specifiek stelt. Ik ben het met u eens dat het ongelofelijk belangrijk is dat er structureel en langjarig gelden beschikbaar zijn voor uitstapprogramma's voor prostituees. Dat is ontzettend belangrijk. We moeten gewoon met elkaar vaststellen en onder ogen durven zien dat het vaak gaat om ongelofelijk kwetsbare situaties, waarbij het maar zeer de vraag is of er sprake is van vrijwilligheid. Maar goed, ik stel ook vast dat die programma's lopen, dat die via gemeenten ook een goede weerslag krijgen en dat daar hard aan gewerkt wordt. Dat maakt niet dat het daarmee niet belangrijk is, integendeel. Ik vind dat we dat met elkaar moeten doorzetten en daar niet op moeten verzaken. Dat heb ik gepoogd in het antwoord mee te geven.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Hiermee loop ik in algemene zin iets vooruit op het amendement, maar ik vind het wel symptomatisch dat er dan een verzoek om vijf ton op een begroting van 19 miljard wordt weggewimpeld, terwijl dat het verschil kan maken voor vrouwen. Ik mis dan elk gevoel van urgentie. Is dit niet een vorm van zuinigheid — ik zou bijna "vrekkigheid" zeggen — ten koste van de meest kwetsbare vrouwen die we in onze samenleving kennen?

Minister Van Oosten:

Ik kom dadelijk nog wel even terug op het specifieke amendement dat u heeft ingediend, maar dan nu toch maar even een schot voor de boeg: los van het feit dat daar gelden naartoe zijn gegaan, die structureel gedekt zijn, die door gemeenten op een goede manier verdeeld worden en ik niet de indruk heb dat daarin nu dingen helemaal fout gaan … Als u vraagt of ik meer geld kwijt kan, zeg ik dat ik eerlijk gezegd geen organisatie ken die op zo'n vraag zal antwoorden: nee, ik kan het niet meer aan. Natuurlijk zal die positief beantwoord worden. Ik heb wel vastgesteld dat het goed loopt, dat de dekking die u voorstelt dan vervolgens een andere bestemming tenietdoet en dat dat ook verschrikkelijk ingewikkeld is. Dat heeft gemaakt dat ik tot een appreciatie van dat amendement kom die ik nu eigenlijk al heb verklapt. Dat neemt niet weg dat er ongelofelijk veel waardering is voor en belang wordt gehecht aan de inspanningen die worden verricht door bijvoorbeeld DUUP en alle andere betrokkenen in het kader van dit soort programma's.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

De laatste keer, omdat we nu toch op het amendement zijn geëindigd. Het gaat inderdaad over vijf ton op een artikel waarop de onderuitputting al járen miljoenen bedraagt. Het kan toch niet zo zijn dat je dan geen half miljoen kunt vinden om een extra stap te doen voor deze vrouwen?

Minister Van Oosten:

Ik kom dadelijk specifiek terug op de appreciatie, maar ik vrees dat ik de heer Van Dijk moet tegenspreken. Ik weet niet hoe het in andere jaren was, maar ik heb helaas geen miljoenen over. Ik kan het niet beter maken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Deze uitstaptrajecten zijn in een eerder kabinet tot stand gekomen. Ik herinner me niet alleen de stevige en goede onderhandelingen daarover, maar ook de gedeelde wens om vrouwen die willen stoppen met sekswerk daadwerkelijk de kans te geven om uit te stappen. Met dat doel is dat geld structureel beschikbaar gekomen en ik vind het nog elke dag enorm goed dat Nederland dit voor elkaar heeft gebracht. Mijn vraag is de volgende. Voorheen waren die gelden met landelijke richtlijnen heel specifiek bestemd voor uitstappen, maar we hebben gezien dat het met het structureel maken daarvan, nu iets breder geformuleerd is. Tot mijn schrik ontdek ik dat er gemeenten zijn die dit geld ook benutten om vrouwen te laten instappen in deze sector, die zo gevoelig is voor grote misstanden. Dat was absoluut niet het doel van deze uitstapgelden.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik zou dit heel graag weer gericht hebben op het doel. Kan de minister toezeggen dat we juist op dat punt een verbetering tot stand gaan brengen, zodat dit niet gebruikt gaat worden voor het tegenovergestelde van hetgeen waarvoor al deze gelden beschikbaar zijn gekomen?

Minister Van Oosten:

Ik kijk even of u daarover nou een vraag stelde of de heer Van Dijk. Ik heb daar namelijk ook nog wel het een en ander over teruggekoppeld. Ik wil het graag mee terugnemen. Het is mij ook bekend dat we wel vaker debatten specifiek over dit onderwerp hebben. We hebben het er nu in het kader van de begrotingsbehandeling over. De onderwerpen mensenhandel, zeden en prostitutie gaan echt nog wel voorbijkomen. Ik vind het goed om dan langs deze weg mijn ministerie de opdracht te geven om wat meer inzichtelijk te maken of het klopt wat u stelt. Dan hoef ik daar nu de discussie niet met u over te voeren.

De voorzitter:

"Dan hoef ik daar nu de discussie niet met mevrouw Bikker over te voeren."

Minister Van Oosten:

Met mevrouw Bikker. Sorry, meneer de voorzitter. Dan hoef ik nu niet de discussie met mevrouw Bikker te voeren over wat dan precies de doelstellingen zijn en hoe die doelstellingen daarmee worden gefinancierd. Dan kunnen we daarna met elkaar de discussie voeren over of u het eens bent met de doelstellingen dan wel of het juist besteed wordt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil de minister danken voor het meedenken. Laat ik daarmee beginnen. Ik wil niet opnieuw de discussie openen over de vraag of we deze uitstaptrajecten wel of niet moeten hebben. Ik heb de vrouwen gesproken voor wie het opeens een nieuw leven opende, waarin je in een hele ingewikkelde situatie je geld verdient. Ik wil dat het daadwerkelijk gebruikt wordt de vrouwen die eigenlijk klemlopen in plaats van voor de vrouwen die overwegen om de prostitutiesector in te gaan. Dat hoor ik nog niet in het betoog van de minister. Hoe ziet hij dat?

Minister Van Oosten:

Mevrouw Bikker schetst het beeld van de DUUP als een instapregeling, maar dat wordt niet herkend. Het is echt gericht op uitstap, maar het kan wel voorkomen dat niet elke deelnemer uitstapt. Dat kan bij mevrouw Bikker wellicht tot deze conclusie leiden, maar dan ga ik het invullen en daar moet ik voorzichtig in zijn. Ik denk echt dat we verder moeten praten over dit specifieke punt, want dat is het beeld dat bij mijn ministerie bestaat op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil dat beeld meteen wegnemen. Ik ga niet over de individuele keuze van vrouwen, ook niet in zo'n uitstaptraject. Soms kost het jaren. Mensen doen een poging, maar het lukt toch niet. Er zijn soms verwachtingen van familie elders. Er gaat een hele hoop tragiek mee gepaard. Ik wil dat wij telkens opnieuw klaarstaan om deze vrouwen hieruit te redden, want er is heel vaak sprake van mishandeling en moderne slavernij. Maar het gaat mij erom dat ik signalen krijg dat deze gelden bijvoorbeeld worden gebruikt om dames te leren hoe je dit werk veilig kunt doen. Daar is dit geld niet voor bedoeld. Dat is echt een ander type bezigheid. Je kunt allerlei discussies voeren over de vraag of dit een overheidstaak is, maar dit geld is bedoeld om vrouwen te helpen die overwegen om te stoppen. Daar gaat het mij om.

Minister Van Oosten:

Ik luister echt heel goed naar wat mevrouw Bikker zegt. Ik kan nu alleen de informatie terugkoppelen die ik heb. Het is echt niet gericht op een instapsituatie of op uitleg hoe je erin kunt blijven. Maar ik hoor ook wat mevrouw Bikker zegt. Ik vind dat we hier op een later moment iets diepgaander over moeten praten. Dat zou mijn conclusie zijn. Ik wil de zorgen die mevrouw Bikker heeft niet zomaar terzijde schuiven, want als dat klopt, dan vind ik daar ook wat van. Maar ik vind het te snel om dat nu te erkennen, want dat krijg ik niet teruggekoppeld.

Mevrouw Straatman (CDA):

Allereerst mijn complimenten aan de minister voor het starten met de Redirect Method. Er is eerder een belangrijke motie geweest van het CDA over maatregelen om onlineterrorisme aan te kunnen pakken. Het is mogelijk het verkennen waard om te kijken wat we kunnen doen aan online-extremisme. Maar daar gaat mijn vraag niet over.

Mijn vraag gaat over de verkeersboetes. Ik heb daar gisteren aandacht voor gevraagd. Er is al langer discussie over de disproportionaliteit van de verkeersboetes. Ik vroeg wat de verhouding is tussen de verhoging en de druk op de rechtsketen. De reactie van de minister was: dat heeft eigenlijk geen zin, want er is toch geen dekking.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn vraag is als volgt. Een halfuur voor dit debat kregen wij een evaluatie van de wet-Mulder. Daarin wordt opnieuw geconcludeerd dat er op een oneigenlijke manier gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om de boetes te verhogen. Mijn vraag is wat de reactie van de minister daarop is.

Minister Van Oosten:

Ik heb u vlak voor het begin van deze vergadering een heel, heel kort briefje gestuurd om u te laten weten dat ik nog met een uitgebreidere reactie zal komen. Dat zal wellicht samen met de staatssecretaris moeten, omdat er sprake is van overlap tussen onze beide portefeuilles. Die discussie moeten we op een later moment wat meer gericht voeren, als we de tijd hebben genomen om hier goed inzicht in te krijgen. Maar ik heb er in het antwoord dat ik u schriftelijk heb toegestuurd geen geheim van gemaakt dat het totale bedrag dat we met boetes binnenhalen, cruciaal is voor mijn begroting. Ik heb voor alle camera's erkend dat de boetes hoog zijn. Dat snap en zie ik, maar ik heb geen andere ruimte in mijn begroting. We hebben wel gezegd dat we alleen de normale indexatie toepassen. Als je de hele disbalans wilt oplossen, dan vergt dat echt een financiële investering, die ik simpelweg niet kan doen. Ik erken wel — maar dan herhaal ik wat er staat — dat de suggestie die mevrouw Straatman heeft meegegeven iets oplevert, maar dat is bij lange na niet wat mevrouw Straatman misschien beoogt op te halen. Je moet je afvragen of zo'n onderzoek et cetera nuttig en nodig is. Ik denk het niet.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat begrijp ik. Ik wil de middelen natuurlijk ook efficiënt inzetten. Tegelijkertijd voel ik er veel ongemak over dat we de JenV-begroting in feite rondbreien met veel te hoge boetes, die daar niet voor bedoeld zijn en die in het hele systeem disproportioneel uitwerken. Ik kijk uit naar de reactie van de minister en de staatssecretaris op de evaluatie. Ik heb daar nog één vervolgvraag over. Dit raakt met name mensen met een zwakke financiële positie. Die kunnen niet wachten. Nu zegt de evaluatie ook dat er problemen zijn met informatiedeling. Dat zien we breed.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Straatman (CDA):

Kan de minister wel op korte termijn kijken hoe hij die problemen rondom informatiedeling bij het aanpakken van multiproblematiek en schuldenproblematiek wel op korte termijn kan aanpakken, bijvoorbeeld via de Taskforce Gegevensdeling die we op dit moment al hebben?

Minister Van Oosten:

Even zodat ik het voor de annalen goed heb gezegd: het landt niet rechtstreeks in de JenV-begroting, maar wel in de rijksbegroting, waar JenV vervolgens weer mede uit wordt gefinancierd. Dat wil ik toch even zeggen, voorzitter, voordat gezegd wordt dat ik de Kamer niet juist zou hebben geïnformeerd. Het is ook niet zo — dat wil ik ook even rechtzetten; dan kom ik op uw punt, hoor — dat het per definitie niet goed is. Het zijn hoge boetes; dat erken ik. Maar een boete moet ook wel een afschrikwekkende werking hebben. En laten we wel wezen: er is ook een hele makkelijke manier om te voorkomen dat je er een krijgt, namelijk je aan de regels houden. Ik ben het wel met mevrouw Straatman en anderen eens … Dat heeft het CJIB ook onderkend. Ik weet niet of ik me er hiermee te gemakkelijk van afmaak; ik probeer even oogcontact te krijgen met de staatssecretaris om te zien of hij daar dadelijk nog wat over kan zeggen. Ik zie nu een knik, dus dat lijkt het geval te zijn. Als het onvoldoende in die portefeuille landt, dan moet ik er in mijn tweede termijn even op terugkomen om de vraag van mevrouw Straatman te beantwoorden.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb een heel exposé zitten aanhoren over de problemen met de aanpak van georganiseerde misdaad en de veiligheid in Nederland, maar elke keer ontbreken toch de grote zorgen die wij hebben rondom de zorgfraude. Het OM zegt dat het gaat om 10 miljard. Goede, valide autoriteiten zeggen dat het meer is, maar er blijft een beetje mist omheen hangen. Ik heb daar een vraag over, omdat de Nederlandse Zorgautoriteit al meerdere keren opmerkte dat een van de meest belastende dingen om door die mist heen te komen, het zichtbaar te maken en tot een goede aanpak te komen is dat een wettelijke definitie van zorgfraude ontbreekt. Er is wel een ambtelijke, bestuurlijke definitie opgesteld door ambtenaren. Die wettelijke definitie lijkt een technisch dingetje, maar is de basis voor het inzichtelijk maken en aanpakken ervan. Mijn vraag is: is de minister bereid om mee te werken aan zo'n wettelijke definitie om door de mist heen te komen en een betere aanpak van zorgfraude te krijgen?

Minister Van Oosten:

Het is mij niet bekend dat de wettelijke definitie hét euvel is om die 10 miljard helemaal los te trekken. Ik zeg ook niet dat het helemaal niet zo is, want ik weet wel dat er interdepartementaal — dat is weer zo'n term — aan gewerkt wordt om dit strakker op elkaar af te stemmen. Ik citeer even mijn eigen antwoord: VWS, OCW en JenV. Wat ik ga doen met de vraag van meneer Struijs, is dat ik ga toetsen of er ook een wettelijk vraagstuk is. Als daar het vraagstuk zit, dan zal dat namelijk meegenomen moeten worden in die bespreking en zal er aan uw Kamer teruggerapporteerd moeten worden. Daar moet dan inderdaad ook het antwoord bij gegeven worden waarom we het wel of niet gaan oplossen.

De heer Struijs (50PLUS):

Even voor de duidelijkheid: het is geen wondermiddel, maar het helpt om de volgende stap te zetten, van inzichtelijkheid en betere handhaving. Ik dank de minister voor het antwoord.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik wil eigenlijk terugkomen op het punt dat mevrouw Straatman heeft aangekaart over de evaluatie van de wet-Mulder. De minister zegt nu daadwerkelijk dat boetes wel nodig zijn, maar die evaluatie gaf dus aan, net als eerdere noodoproepen, dat het disproportioneel is, dat de overheid niet alleen moet stoppen met het uitdelen van deze boetes, maar dat ze eerdere verhogingen ook moet terugdraaien. Ik zou dus eigenlijk graag van de bewindspersonen willen horen welke voorstellen ze aan de Kamer gaan voorleggen met een duidelijke reactie op deze evaluatie, en dan meer dan alleen "we krijgen de begroting niet rond".

Minister Van Oosten:

Dat moet ik dan kritisch ontraden, om het zo maar even te zeggen. Dat ga ik nu niet doen, omdat dat te snel gaat. Ik moet dat echt even zorgvuldig bekijken. Ik heb u in mijn antwoord aan mevrouw Straatman wel heel duidelijk de kaders gegeven waar ik mee te maken heb. Die zijn inderdaad ook financieel. Die hebben ook te maken met het feit dat boetes een voldoende afschrikwekkende werking moeten hebben en moeten worden begrepen. Ik noem daar ook wel bij dat we zelf uiteindelijk allemaal in de positie zijn om te voorkomen dat we er een krijgen. Dat geheel ga ik meenemen in mijn reactie. Dan gaan we hier ongetwijfeld over spreken met elkaar, zeg ik via de voorzitter aan mevrouw Abdi. Maar ik schets er maar bij: alles wat u anders wilt, heeft echt een financieel vraagstuk in zich.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb best wel moeite met dit antwoord van de minister, want hij zegt eigenlijk dat het een financieel vraagstuk is, maar het is niet alleen een financieel vraagstuk. Het gaat ook over de vraag of iets wel of niet rechtvaardig is. Mijn verzoek aan de bewindspersoon zou dus eigenlijk zijn of hij in zijn tweede termijn iets uitgebreider kan terugkomen op wat wel mogelijk is. Ik hoor nu alleen maar "we kunnen er niet naar kijken", terwijl allerlei instanties keer op keer aangeven: dit kan niet, we moeten hier iets mee doen, het is niet eerlijk. Ik wil dus een iets uitgebreidere reactie dan alleen: we komen niet rond vanwege de financiën.

Minister Van Oosten:

Ik heb niet meer een zo heel uitgebreide reactie te geven, vrees ik, want ik ga een uitgebreidere reactie sturen als we de stukken allemaal goed tot ons hebben kunnen nemen. Ik denk dat we echt zeer waardevolle stappen hebben gezet op het punt van het door mevrouw Abdi benoemde onrecht dat misschien ervaren kan worden door betrokkenen die daarmee worden geconfronteerd, met name door de enorme verhoging als je een boete, ook door financiële kwetsbaarheid, niet kan betalen; ik denk dat de staatssecretaris daar iets over kan zeggen.

Mevrouw Faber (PVV):

Ten eerste wil ik de minister bedanken voor de schriftelijke beantwoording van de vragen, maar er zijn nog wel wat open eindjes in die antwoorden. Die wil ik nu graag op tafel leggen, ten eerste over het Halal Village Festival. De minister geeft aan dat de politie niet bekend zou zijn met de deelname en het partnerschap van Islamic Relief. Ik kan me dat haast niet voorstellen, want als je even googelt op dat festival, komt dat er gelijk uit rollen en zie je dat gelijk. Maar mijn vraag is als volgt. De politie is ook partner van dit festival. Blijft de politie partner van het festival en gaat zij nog deelnemen aan dit festival? Want volgens mij komt daar een groep mensen op bezoek waarvan ik me afvraag of je die wel moet rekruteren.

Minister Van Oosten:

Dat zal de politie volgend jaar, als die beurs er weer is, heel kritisch moeten gaan bekijken en beoordelen, want daar ga ikzelf in die zin natuurlijk niet over. Maar ik heb in de beantwoording ook teruggegeven — volgens mij heb ik daar ook schriftelijke vragen over beantwoord, maar misschien hangen die nog ergens — dat ik met mevrouw Faber wel herken dat dit allemaal niet gelopen is zoals het had moeten lopen. Ik herinner mij ook dat politieagenten in een frame werden gebracht met decoraties die, om te citeren hoe u dat gisteren noemde, refereerden aan de vraagstukken in het Midden-Oosten; misschien doelt mevrouw Faber daar ook een beetje op. Dat past helemaal niet, want agenten behoren neutraal te zijn. Die neutrale uitstraling dient ook beschermd en behoed te worden. Dat is in dat opzicht dus niet goed gegaan. Dat betekent niet dat de politie ineens helemaal niet meer mag komen bij beurzen et cetera, al dan niet van deze organisatie, maar je moet wel hele goede afspraken maken.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik zeg niet dat de politie niet bij beurzen mag komen, maar niet bij zo'n gekleurde beurs. Dat lijkt me niet echt goed voor het imago van de politie, terwijl in de beantwoording staat dat het ook zou gaan over verbinding met de samenleving. Ik vraag me eerlijk gezegd af of hier nou zo veel verbinding te vinden was. Maar goed, dat was het Halal Village Festival. In feite is dat Islamic Relief natuurlijk een verlengstuk van de Moslimbroederschap, zoals Duitsland al aangeeft. Ik denk niet dat je daar als politie mee geassocieerd zou moeten willen worden.

Dan de Chanoekabijeenkomst. Ook daar zijn antwoorden over binnengekomen. Er werden perskaarten in beslag genomen. Er wordt gezegd dat als de openbare orde verstoord wordt of verstoord dreigt te worden de politie zou mogen overgaan tot het beperken van het vergaren van informatie, maar er was een vergunning afgegeven. Nee, eerst werd de vergunning niet afgegeven. Er is een kort geding gekomen van de rechter. Toen heeft de rechter gezegd dat er wel een stil protest mocht zijn, met als gevolg dat er schreeuwende demonstraten waren die ook agressief waren.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Faber (PVV):

En dan wordt vervolgens de pers weggehouden. Waarom werd er niet ingegrepen op die demonstranten, die stil hadden moeten zijn? Zij mochten helemaal niet schreeuwen en zij mochten niet agressief zijn. Daarop werd niet ingegrepen, maar er werd wel ingegrepen op de pers die verslag wilde doen. Dan krijg je toch een gek beeld: moet het dan onder de pet gehouden worden?

Minister Van Oosten:

Dat is een stelling die mevrouw Faber nu inneemt en die ik niet per definitie kan delen of staven op juistheid. Het is een feit — daar heeft mevrouw Faber gelijk in — dat er journalisten, al dan niet met zo'n perskaart, verwijderd zijn uit een demonstratievak. Dit wordt dus ook heel grondig geëvalueerd door de politie en er worden ook lessen uit getrokken. Ook daar heeft u vragen over gesteld waar ik antwoorden op heb gezien. Volgens mij heeft u die antwoorden ook; zo niet, dan moeten ze heel snel komen, los van de vragen die hier staan. Wat de demonstraties zelf betreft: ik heb met de minister van Binnenlandse Zaken het een en ander toegezegd over hoe we naar de toekomst op dat punt gaan werken, maar het is ook zo dat die demonstraties onder het lokale gezag van de politie, het OM en de burgemeester plaatsvinden. De politie heeft in zijn algemeenheid natuurlijk alles erop gericht om te zorgen dat dit in goede banen verloopt. Als je afspraken met elkaar maakt, verwacht je dat die geëerbiedigd worden. Als dat niet gebeurt, is het daarna een goede vraag aan de organisatie hoe het kan dat zij de afspraken niet heeft nageleefd en wat dat betekent voor volgende aanvragen die zij al dan niet gaat doen. Zo werkt het dan natuurlijk ook. Ten aanzien van de journalisten moet echt even goed bekeken worden, en dat gebeurt ook, wat daarbij beter moet als het niet helemaal goed gegaan is.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik begrijp wel dat het ook onder het gezag van de burgemeester valt, maar er ligt natuurlijk wel een rechterlijke uitspraak en deze minister is de minister van Justitie. Mij lijkt toch dat je je moet houden aan een rechterlijke uitspraak. Dan kunt u dus wel zeggen dat het onder de burgemeester valt, maar volgens mij heeft de minister hierin ook een rol.

Minister Van Oosten:

Nou ja, beperkt, als ik eerlijk ben. We hebben dat ook met elkaar gewisseld toen we het hadden over het demonstratierecht in het algemeen en de aanscherpingen op dat punt. Wij moeten zorgen dat de instrumententas van de burgemeesters op orde is, dat het OM en de politie kunnen functioneren, dat het geld daarvoor geregeld is en dat er goede kaders zijn waarbinnen men opereert et cetera, maar de handhaving ter plekke valt echt onder het gezag van de burgemeester. Het zijn uw collega's in de gemeenteraad van willekeurig welke gemeente het dan ook betreft, die de burgemeester erover ter verantwoording kunnen roepen: waarom heeft de burgemeester iets gedaan of niet gedaan? Maar wij moeten voorkomen dat wij het verwijt kunnen krijgen dat we de regels niet op orde hebben om een burgemeester te kunnen láten optreden.

De voorzitter:

De heer Van den Brink dan.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Ook ik dank de minister voor de schriftelijke antwoorden op de vragen, maar ik krijg nog graag op twee punten een verheldering. Over de politiecampagne "Jouw lijntje, zijn liquidatie" zegt u, even in mijn woorden: die hebben we uitgerold maar wel op onze eigen manier. Ik ben heel benieuwd naar de evaluatie daarvan. Zou die een beetje snel kunnen komen? Vanuit de verslavingsinstellingen hoor ik namelijk gewoon: het loopt hier hartstikke vast, dus hoe sneller mensen zich bewust zijn van de gevaren hiervan, hoe liever. En bent u ook bereid om door te gaan met die publiekscampagne?

Minister Van Oosten:

Ja, "snel" kan ik altijd wel toezeggen, want dat is nog wat onbekend in de tijd, maar ik snap dat u hier urgentie op wil. Ik weet niet zo goed welke termijn ik daar dan praktisch aan kan koppelen. En wij willen het voortzetten, maar we moeten wel even goed kijken of de campagne precies deze werking heeft. Dat ziet u ook in de antwoorden terug. Je wil namelijk ook ophalen wat er gewerkt heeft en wat niet. We hebben aan de voorkant ook wat discussie gehad over hoe scherp je moet zijn in wat je wil laten zien. Je wil voorkomen dat het een tegengesteld effect sorteert. Ik denk dat het goed is om onszelf toe te wensen dat we dit even tot ons nemen en kijken welke aanscherpingen en aanpassingen er zouden moeten zijn in een nieuwe campagne, waarover u dan zelf ook weer in discussie gaat met elkaar.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Dan noteer ik de toezegging dat u doorgaat met de campagne zodra de evaluatie er is.

De voorzitter:

Ik ga nergens mee door. Dat is de minister.

Minister Van Oosten:

Nou, de minister zegt toe dat we die evaluatie met u gaan delen en dat we aan de hand daarvan gaan kijken wat die betekent voor het vervolg. Dan zullen we daar ook een financieel plaatje aan moeten plakken. Maar ik erken zonder meer dat we het met elkaar eens zijn dat het van belang is. Nu gaan we eerst even leren hoe het misschien nog beter had gekund en waar het niet heeft gewerkt et cetera. Dat gaat u horen.

Mevrouw Faber (PVV):

Voorzitter, ik zat nog midden in de beantwoording over die chanoekaviering. U heeft zelf aangegeven dat het in drie interrupties gaat, en ik was bij de tweede. Ik had er twee geplaatst en ik had er nog een, en dan komt er ineens iemand tussendoor kruisen op uw aanwijzing.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):

Dat vond ik niet zo netjes. Maar goed, we gaan verder. Laten we doorgaan.

Ik heb toch wel wat moeite met het volgende. Er is een uitspraak van de rechter en daar houdt men zich niet aan. Dan hoeven we ook geen kort gedingen meer te gaan aanspannen, want dat heeft dan totaal geen zin. Mijn concrete vraag aan de minister is: moeten wij ons houden aan de uitspraak van de rechter?

Minister Van Oosten:

Ja.

Mevrouw Faber (PVV):

Oké!

De voorzitter:

Mevrouw Faber nog?

Mevrouw Faber (PVV):

Sorry, dit was even mijn enthousiasme.

De voorzitter:

Het was enthousiasme.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik hoop dat u mij dat wil vergeven.

De voorzitter:

Uw tweede vraag.

Mevrouw Faber (PVV):

Goed, maar dat is dus duidelijk. We houden ons aan de uitspraak van de rechter. Laat dit ook even landen in de stad Amsterdam, zodat ze het daar ook gaan doen.

De voorzitter:

Ze luisteren mee.

Mevrouw Faber (PVV):

Ze luisteren mee. Goed zo. Ik hoop dus dat de burgemeester dit ook hoort.

Goed. Dan gaan we naar de voetbalkosten. Ik had gevraagd om te kijken hoe we de extra kosten kunnen verhalen op de grote profclubs. Het gaat namelijk wel ergens over. Deze profclubs hebben gewoon miljoenen in kas. Er worden ook miljoenen aan spelers gegeven. De bedragen vliegen je om de oren: 30 miljoen, 1,5 miljoen … Ook een kleine club zoals N.E.C geeft gewoon 1,5 miljoen uit, en Groningen 4 miljoen.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Faber (PVV):

De minister geeft aan dat het juridisch niet verhaalbaar is, omdat deze kosten in eerste instantie ten laste komen van de politie. Ja, dat is in eerste instantie, maar laten we om ons heen kijken. Het kan in Duitsland en in Engeland wel.

De voorzitter:

Uw vraag, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Dus waarom zou dat niet in Nederland kunnen, is mijn vraag aan de minister.

Minister Van Oosten:

Dat sluit ik niet uit, want je kunt in Nederland heel veel organiseren. Dat moet je dan wel willen. Bovendien moet je de keuze durven maken dat je wel afstapt van een min of meer principieel uitgangspunt en dat is dat politie-inzet niet door commercie wordt bepaald. Volgens mij heb ik die zin letterlijk uitgesproken toen wij eerder deze week in een ander debat over de politie spraken. Toen stelde mevrouw Straatman mij deze vraag. Ik kan heus wel begrip opbrengen voor de vragen die u inbrengt, want ik zie ook dat sommige risicowedstrijden of andere evenementen et cetera een heel bijzondere politie-inzet vragen. Als gewoon mens denk ik daarbij: nou, jongens, waarom is iedereen nou zo vreselijk opgewonden dat al die politie noodzakelijk is? Maar ja, feit is ook dat we een ingewikkelde discussie krijgen op het moment dat we de commercie laten bepalen waar de politie-inzet plaatsvindt. Mijn advies zou zijn dat we moeten proberen om daarbij weg te blijven. Dat neemt niet weg — mag ik die toevoeging nog doen, voorzitter? — dat we de schade die aangebracht wordt door mensen in zo'n demonstratie et cetera, ook proberen te verhalen op de vandalen. Dat zei mevrouw Straatman er ook bij.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Kijk, de minister geeft aan dat de commercie niet moet gaan bepalen waar de politie-inzet zal plaatsvinden. Natuurlijk bepaalt de politie zelf de inzet of in ieder geval de driehoek of wie daarbij betrokken zijn. We kunnen echter wel zeggen dat we de kosten gaan verhalen op de profclubs. Dat kan wel. Dat is een andere invalshoek. De politie bepaalt, maar de commercie betaalt. Dat is volgens mij helemaal niet zo'n verkeerd uitgangspunt.

Minister Van Oosten:

We hebben continu overleg als het gaat om de inzet van de profclubs. We hebben ook debatten met de Kamer over initiatieven van haar zijde over de omgang met de aanpak van hooliganisme et cetera. Daar doen de professionele clubs en ook de amateurclubs het nodige aan, maar dan veelal binnen het stadion. Dat is ook heel cruciaal, maar dat is weer een ander uitgangspunt. Als iemand iets organiseert, dan moet die ook de verantwoordelijkheid dragen. We willen dan niet de politie primair de verantwoordelijkheid laten dragen. Dat is de andere kant van hetzelfde uitgangspunt rondom commercie.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb een vraag over het wetsvoorstel over het verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Ik dank de minister voor de schriftelijke beantwoording, maar die roept wel vragen op. Hoe is het WODC-rapport daarin meegenomen? Daarin worden duidelijk de haken en ogen beschreven die zitten aan het verbieden van anoniem demonstreren. We zien dat nu bijvoorbeeld in Iran. Er zijn heel veel demonstranten die gewoon echt terecht vrezen voor gevolgen vanuit het Iraanse regime.

De voorzitter:

En uw vraag is?

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Mijn vraag is dus op welke manier het ministerie de mogelijkheid openhoudt om anoniem te demonstreren. Op welke manier betrekt het op z'n minst het WODC-rapport hierbij?

Minister Van Oosten:

In het wetsvoorstel dat hierover gaat en dat we nog gaan bespreken, is opgenomen dat het verbod op gezichtsbedekkende kleding niet verplichtend wordt op het moment dat je moet vrezen voor vervolging in een ander land of vervolging van je dierbaren et cetera, als de demonstratie daarop zou zijn gericht. Hoewel u dat niet vraagt, kan het bijvoorbeeld ook gaan om mensen die hun gezicht om medische redenen moeten bedekken. De contouren van de wet gaan we nog met elkaar bepalen. Het is belangrijk om dat hier te markeren. Ik hoop dat u dan uw bijdrage levert, zodat wat u wilt, ook echt in de rechtsgeschiedenis wordt vastgelegd. Dat is ook in lijn met de wens van het kabinet.

De voorzitter:

Nogmaals, minister, ik lever geen bijdrage. Mevrouw Teunissen levert een bijdrage.

Minister Van Oosten:

Het spijt me. Ik blijf het fout doen.

De voorzitter:

Ik wil u echt verzoeken om in dit huis via de voorzitter te spreken.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

We kunnen het tijdens het wetsvoorstel wel gaan hebben over de contouren, maar de contouren zijn dat het een generiek verbod is op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties. Over wat de minister net aangeeft, namelijk de uitzonderingen voor medische situaties, staat in het WODC-rapport dat dit problemen zal opleveren. Ook de politie en de burgemeesters zeggen allang dat ze dit niet goed kunnen handhaven en dat ze te maken hebben met uitvoeringsproblemen. We kunnen dat wetsvoorstel straks wel gaan behandelen, maar mijn vraag is wat de minister nú doet met wat er in het WODC-rapport staat aangegeven en wat de politie en de burgemeesters al heel lang zeggen, namelijk dat ze een generiek verbod niet goed kunnen handhaven en dat ze in de knel komen vanwege uitvoeringsproblemen.

Minister Van Oosten:

Burgemeesters kunnen nu het verbod op gezichtsbedekkende kleding afdwingen, lokaal georiënteerd. De burgemeester moet daarbij altijd afwegen of hij dat kan handhaven of niet en of hij dat kan uitvoeren of niet. Overigens, los van het antwoord op die vraag kun je ook wel de norm willen stellen dat je het niet wil. Je kunt ook later laten bekijken aan de hand van camerabeelden et cetera wat je eventueel alsnog kunt ophalen. Ik vind dat uitgangspunt niet verkeerd. Het kabinet gaat terugkomen, zeg ik via de voorzitter — ik hoop dat ik het zo goed doe — op de reactie op dat hele WODC-rapport. We hebben als kabinet heel duidelijk gemarkeerd dat we een paar dingen uitlichten. Ook los van het hele WODC-rapport vinden we dat het in het kader van het demonstratierecht noodzakelijk is om daarmee verder te gaan, onder meer met dit verbod. Er komt dus een wetsvoorstel richting uw Kamer. Dan gaan we het nog heel precies over de inhoud hebben.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Maar ook het WODC-rapport geeft nu aan dat er echt haken en ogen aan de uitvoering zitten. Dan kan de minister zeggen: burgemeesters kunnen dat verbod op gezichtsbedekkende kleding tijdens demonstraties al opleggen. Ja, in extreme gevallen, in specifieke situaties. Daar kun je dus ook andere, betere handhaving organiseren. Maar bij een generiek verbod loop je er dus nu al tegenaan dat je anoniem demonstreren niet meer mogelijk maakt, ook niet als er uitzonderingen zijn. Als er uitzonderingen worden gemaakt, is daar slecht op te handhaven. Dus waarom is dit rapport niet nu al een aanleiding voor het ministerie om te heroverwegen of we dat generieke verbod wel moeten invoeren?

Minister Van Oosten:

Nee, geenszins, omdat ik alle reden zie, juist ter bescherming van dat zo belangrijke demonstratierecht, dat we als samenleving zeggen waar het kabinet dus ook voor staat, namelijk: wij willen demonstraties mogelijk maken en houden. Dat moet dus ook betekenen dat iedereen zich vrij voelt om mee te kunnen doen aan een demonstratie. Dan moet je dus ook de zekerheid voelen dat een demonstratie niet gekaapt wordt door mensen die in één keer hun gezicht bedekken, niet omdat ze vrezen voor vervolging in een ander land, niet omdat ze bang zijn voor een medische uitstraling et cetera, maar omdat ze willen vernielen, geweld willen plegen et cetera. Dat verdient onze samenleving niet. Precies dat is de reden dat we met dit wetsvoorstel komen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Volgens mij was de heer Van den Brink …

De voorzitter:

Ja, maar de heer Van den Brink had zijn eerste onderwerp in drie interrupties afgerond, dus dan is mevrouw Mutluer. Het is eigenlijk net als bij de bakker of bij de slager: je wacht gewoon op je beurt.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik wilde heel netjes zijn, maar dan neem ik het woord, voorzitter, via u.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik merk wel dat we een beetje van de hak op de tak gaan. Dat komt door de wijze waarop we debatteren. Er zijn schriftelijke antwoorden geweest. De inleiding van de minister was een beetje vaag, in de zin van: breed en abstract. Nu gaan we allemaal onze onderwerpen pakken. Dat maakt het debat niet prettig en slaat het dood. Dat is even een algemene opmerking die ik wil maken. Ik ga nu namelijk ook mijn onderwerp oppakken waar ik een vraag over wil stellen.

De voorzitter:

Ik kan daar niets aan doen, mevrouw Mutluer. Het heeft te maken met de beantwoording van de zijde van het kabinet. Ik wil u wel allen de ruimte geven om uw onderwerpen te bespreken met de minister. Ik denk dat dit de manier is waarop we dat kunnen doen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dat doet u fantastisch, voorzitter, maar ik hoop dat we de volgende keren bij de begrotingsbehandelingen hier anders mee omgaan. Dit is gewoon een oproep …

De voorzitter:

In de richting van het kabinet.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

… die ik hierbij doe in de richting van het kabinet.

De voorzitter:

We zullen het op alle departementen overbrengen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

De overige Kamerleden horen het ook.

De voorzitter:

Uw interruptie, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Mijn interruptie gaat met name over het onderdeel criminaliteit en preventie. We hebben het heel erg vaak over jeugdigen die dader zijn en vaak ook slachtoffer, uit kwetsbare wijken, en die als soldaten worden ingezet. Ik heb heel nadrukkelijk gevraagd tijdens eerdere begrotingsbehandelingen wat we doen met die 1% of 2% die net te klein is voor de politie, maar te groot voor de reguliere jongerenwerkers. Toen zijn we met het plan gekomen voor een specialistische jongerenwerker.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Daar is een onderzoek van ruim 2 miljoen euro naar gedaan. Ik wil concreet weten wat daarmee is gebeurd en hoeveel specialistische jongerenwerkers we nu hebben.

Minister Van Oosten:

Het antwoord op de vraag hoeveel specialistische jongerenwerkers we hebben, heb ik nu niet. Ik kan wel kijken of ik dat voor de tweede termijn alsnog kan krijgen. Dat is een nieuwe vraag die ik niet heb kunnen voorbereiden. In mijn antwoord heb ik u wel gezegd dat het specialistische jeugdwerk, waar dus ook de financiering zit waar mevrouw Mutluer op doelt, heel in het bijzonder z'n plek heeft gevonden in het samen met gemeenten, zorg en het veiligheidsdomein oprichten van een lerend netwerk, waarbij alle lessen over en weer worden gedeeld. Dat kan natuurlijk heel abstract en vaag klinken, maar het is wel ontzettend belangrijk, want we hebben ruim — hoeveel zijn het? — 350 gemeenten en evenzoveel organisaties, die daar rondom functioneren. Die moeten niet allemaal het wiel willen uitvinden. Aan de hand van die 47 gemeenten die we hebben geselecteerd voor Preventie met Gezag, kunnen we echt bekijken: wat heeft in gemeente X gewerkt en waarmee kunt u dus in gemeente Y werken? Het antwoord over het aantal jongerenwerkers, voor zover ik u dat kan geven, blijf ik u nog even schuldig.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dan wil ik wel van de minister een toezegging dat hij met een Kamerbrief komt waarin hij nadrukkelijk uitlegt wat er met dat onderzoek van ruim 2 miljoen is gebeurd, wat de uitkomsten ervan zijn en wat het voor de praktijk betekent.

Dat gezegd hebbende, stel ik nu mijn laatste vraag, over de Wet wapens en munitie. Ik zie dat onwijs veel jongeren anderen op straat bedreigen met messen. Luchtdrukwapens, gekocht via Telegram, worden omgezet naar normale wapens. Mijn concrete vraag, dezelfde vraag als drie jaar terug, is: wanneer mogen we die Wet wapens en munitie eindelijk eens in deze Kamer behandelen?

Minister Van Oosten:

Ik ben het volledig, echt volledig, met u eens dat de aanscherping van de Wet wapens en munitie er moet komen. Ik ga kijken of ik een precisering kan aanbrengen. Misschien komt zo nog binnen wanneer die komt. Maar ik weet dat er hard aan wordt gewerkt. Dat heb ik zelf ook in stukken gezien, dus die gaat echt uw kant op komen. Het is mij er ook zeer aan gelegen dat dit gebeurt, omdat ik ook uit andere ervaringen kan putten en weet hoe ongelofelijk gevaarlijk en riskant het is en hoeveel toekomsten er vergald worden door jonge mensen die ineens met wapens op straat komen. Dus er wordt aan gewerkt. Hetzelfde geldt voor uw vragen over gas- en alarmpistolen. Die ben ik echt niet vergeten, zeg ik via de voorzitter tegen mevrouw Mutluer. Daar werken we aan met onze internationale partners. Maar het euvel is wel dat ik niet in een paar maanden België of Duitsland kan dwingen om het ineens anders te doen. Zo werkt het gewoon niet. Die realiteit heb ik ook onder ogen moeten zien de afgelopen maanden. Maar het is niet vergeten. Die wet komt eraan. Dan gaan we het erover hebben, met die aanscherping, precies wat u wilt.

De voorzitter:

Mevrouw Mutluer vroeg naar de timing. Ik stel voor dat u daar in tweede termijn op terugkomt.

Minister Van Oosten:

Ja.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Excuus aan mevrouw Faber. Ik wilde u net niet onderbreken; ik was slechts gehoorzaam aan de voorzitter. Ik moet misschien iets minder gehoorzaam zijn. Ik heb nog een vraag over het wietexperiment en de overlast die dat veroorzaakt. In de schriftelijke antwoorden zegt de minister dat de meerderheid van de gemeenten tevreden is over hoe het gaat. Dat betekent nog altijd dat 40% ontevreden zou kunnen zijn, want het gaat om tien gemeenten. Kan de minister er iets preciezer in zijn? Hoe groot is de overlast en wat doet hij ertegen?

Minister Van Oosten:

Het wordt nu een beetje gissen in de lucht. Ik denk niet dat de inschatting van 40% van de heer Van den Brink klopt. Ik heb recent een bijeenkomst mogen bijwonen met burgemeesters van gemeenten waar wordt geteeld en waar coffeeshops et cetera zijn. We zitten wel nog in een leerproces. Daarom is het ook een experiment, dat nog een aantal jaren duurt. Daarom is mijn oproep aan de Kamer, ook een beetje vooruitkijkend naar de amendementen: zorg dat het experiment tot zijn recht kan komen, met de goede en de slechte dingen. Ik ga ook niet zeggen, als concreet antwoord, dat het in elke gemeente pais en vree is op dit punt, want het is me ook bekend dat er één gemeente in het bijzonder is waar mensen bijvoorbeeld geuroverlast ondervinden. Daar refereert de heer Van den Brink ook aan. Ik kom er ook in mijn antwoorden op terug. We hebben er contact over met de betreffende burgemeester.

De heer Tijs van den Brink (CDA):

Mijn laatste vraag gaat over het actieplan tegen mensenhandel. De minister meldt dat er een centraal informatiepunt komt. Waarom is dat er nog niet? Wanneer komt het wel?

Minister Van Oosten:

De vraag wanneer het komt en wanneer het in de planning zit …

De voorzitter:

U komt erop terug in de tweede termijn?

Minister Van Oosten:

… kan ik nu niet specifiek beantwoorden.

Mevrouw Faber (PVV):

Er moet me toch nog even iets van het hart. U zei dat we allemaal op onze beurt moeten wachten en dat we dat ook moeten doen bij de bakker en de slager. Nou, ik heb in een slagerij gewerkt. Als iemand een grote bestelling had, dan liet ik niet allerlei andere klanten tussendoor voorgaan. Dat gezegd hebbende, hoop ik dat u mij mijn punten wil laten afmaken. Dan kan ik gaan zitten.

De voorzitter:

Die vergelijking gaat mank, maar ik denk dat u wel een beetje weet wat ik bedoel.

Mevrouw Faber (PVV):

Goed, laten we doorgaan. Ik heb een vraag over het groepsgedrag. We zien gewelddadige groepen waarin een of twee kopschoppers aanwezig zijn. Vervolgens houden ze allemaal hun mond over wie het heeft gedaan en komen ze ermee weg. Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht gaat over het opereren als groep. Die een of twee kopschoppers doen dit omdat ze in de groep zitten. Ze voelen zich veilig in die groep. Mijn vraag aan de minister is: waarom wordt dan toch die hele groep niet zwaar bestraft? Dan breek je die groep ook op den duur. Op het moment dat ze er niet mee wegkomen, gaan ze er namelijk mee stoppen.

Minister Van Oosten:

Ik kan een heel lang antwoord geven, maar ik ben het in de kern met mevrouw Faber eens. Dat heb ik ook geprobeerd uit te leggen in het debat over geweld tegen hulpverleners, maar misschien is dat onvoldoende bij mevrouw Faber overgekomen. Ik lees net als mevrouw Faber wat er nu in de wet staat. Er zijn mogelijkheden, maar de bewijslast is soms ingewikkeld. Ik stel ook gewoon vast dat het niet altijd leidt tot dat wat mevrouw Faber benoemt. Ik kan niet verder gaan dan alleen een verkenning aan te kondigen, want ik ben een demissionair minister; dat is de status waarin ik zit. Maar ik doe het wel. Zoals ik u ook heb toegezegd en nu ook weer staat in de antwoorden, wil ik verkend hebben langs welke weg we een aanscherping kunnen aanbrengen, en we de mensen kunnen aanspreken die verscholen gaan achter de figuren die daadwerkelijk het wangedrag uiten richting bijvoorbeeld politieagenten. Het gaat om de mensen die deze groep aanmoedigen, die ze misschien dronken voeren of verzin het allemaal maar. Dat kan wat mij betreft financieel gebeuren, maar ook strafrechtelijk. Die verkenning gaan we dus doen. Die komt naar uw Kamer toe. Ongetwijfeld gaan we het er dan echt over hebben, want er is me veel aan gelegen om daar verder mee te gaan. Het is nu, vind ik, onvoldoende.

Mevrouw Faber (PVV):

Dank u wel voor deze toezegging, zeg ik via de voorzitter aan de minister. Wanneer kunnen we deze verkenning dan verwachten?

Minister Van Oosten:

U stelt heel precieze vragen en ik zou het liefst zeggen: het komt allemaal volgende week. Maar dat gaat niet zo zijn, want ik heb daar werk voor te doen. Dit jaar gaat u dat sowieso krijgen. Die toezegging doe ik.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u in de tweede termijn ook tot een precisering van de vraag komt.

Minister Van Oosten:

Dat preciseer ik voor zover dat mogelijk is, voorzitter. Dank.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Faber.

Mevrouw Faber (PVV):

Over een ander onderwerp. Ik kan moeilijk ...

De voorzitter:

Dan wil ik toch echt eerst de heer El Abassi even het woord geven. Het is een beetje zoeken naar een goeie vorm, maar ik denk dat we zo het meest recht doen aan alle vragen en opmerkingen.

De heer El Abassi (DENK):

Het is al gebeurd, maar om te voorkomen dat er ook in de toekomst door partijen uitingen gedaan worden die niet op feiten gebaseerd zijn, wil ik de minister het volgende vragen over Islamic Relief. Klopt het namelijk dat Islamic Relief door heel veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is onderzocht, ook strafrechtelijk, en dat uit geen een onderzoek is gebleken dat er sprake is van een terroristische organisatie of überhaupt van een strafrechtelijke veroordeling?

Minister Van Oosten:

Als u het mij zo precies vraagt, wil ik ook een heel precies antwoord geven. Dat ga ik u in de tweede termijn geven, want ik heb er eerlijk gezegd geen behoefte aan dat ik dadelijk in een situatie terechtkom waarin ik net even een zinnetje verkeerd heb gezegd ten opzichte van hoe het precies zou zitten, en we daarna dáár weer een heel debat over hebben met elkaar. Het onderwerp is dat het denk ik niet waard, want u heeft recht op het goede antwoord.

De heer El Abassi (DENK):

Heel graag. Daar wil ik bij aangeven dat ik wel weet van het individuele geval in het Verenigd Koninkrijk. Daarin hebben ze het over een individuele persoon, die ook ontslagen is, die wat uitingen heeft gedaan, maar die niet strafrechtelijk is veroordeeld. Dat zeg ik zodat ik dat verhaal in ieder geval niet krijg van de minister op het moment dat hij hier antwoord op geeft. Het lijkt me goed als we dit even opklaren, want het beeld wordt iedere keer naar voren gebracht alsof het hier gaat om een terroristische organisatie. Voor zover ik weet — daarmee maak ik 'm af, voorzitter — gaat het om een door de VN herkende wereldwijde noodhulporganisatie die in 40 landen actief is. Ik hoop dat dit ook zo is. Dat hoor ik graag zo van de minister.

Minister Van Oosten:

Ik ga u het antwoord geven.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn vraag gaat ook over nationale veiligheid, maar over iets heel anders dan de vraag van collega El Abassi. Dat is een beetje ingewikkeld aan hoe we dit met elkaar hebben opgebouwd, maar we doen het ermee. Mijn vraag gaat over de beantwoording die ik van de minister ontving over de ICT-problemen bij het OM. We gaan dus weer even terug, zeg ik voor de minister. Daarbij staat mij het gesprek voor ogen dat ik met een aantal officieren van justitie had, die zich 's avonds gewoon niet konden voorbereiden op de dag erna, omdat ze pas op kantoor konden zien welke zaken aan de orde zouden zijn, ook omdat het zo snel verspringt. Dat heeft grote gevolgen voor de strafrechtpleging. Wat mij betreft kunnen we dan geen afwachtende houding hebben, met gesprekken die nog eindeloos duren. Als ik naar de antwoorden kijk van de minister, geven die me zorgen.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Zijn er nu wel of niet structureel extra middelen nodig volgens de minister?

Minister Van Oosten:

Het Openbaar Ministerie heeft aan mij bekendgemaakt ... Rondom de IT-problematiek voeren we op het ogenblik heel scherpe gesprekken met het Openbaar Ministerie. Dat steek ik niet onder stoelen of banken. Het Openbaar Ministerie doet daar ook zelfstandig uitlatingen over. Ik vind het niet aan mij om dat direct over te nemen, want dat gesprek moet ook wel zijn plek vinden. Daar zitten we echt nog in. Zodra dat uitgewerkt is, moet ik uw Kamer daar ook over informeren. Ik voorzie wel ... De problemen die het Openbaar Ministerie neerlegt, zijn niet aan mij voorbijgegaan, hè? Ik heb ook een brandbrief gezien van — wat is het? — 3.000 mensen, onder meer officieren van justitie. Zij stellen wat u zegt. Ik snap dus heel goed dat het college daarmee aan de slag moet en ook naar de politiek kijkt. Maar het is ook een beetje mijn rol — ik hoop dat u mij die ruimte blijft geven — om scherp terug te duwen naar het college. Het college is primair verantwoordelijk voor een goed werkende bedrijfsvoering in de organisatie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dat begrijp ik heel goed. Dit gesprek hebben we eerder gehad met de rechtspraak, en dit geldt vaker in de strafrechtketen. De bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht en van het Openbaar Ministerie, maar men is financieel afhankelijk van de beslissing die de Kamer neemt. Als wij te lang te efficiënt hebben begroot, en de ICT-weerbaarheid daardoor niet op orde is, moeten we dat wel scherp onder ogen zien. Ik kan me voorstellen dat een minister die op het punt staat … We bevinden ons natuurlijk ook op een raar moment, met een zwevende begroting die er morgen wellicht alweer anders uitziet.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Daar heb ik dus ook begrip voor. Mijn vraag is: laten we concreet onder ogen zien welke opgave er in ieder geval is. Deze kan altijd groeien — ik hoop het niet — maar het maakt nogal uit of dat gaat om 40 of 80 miljoen structureel, of om 310 miljoen, zoals ik ergens las. Aan welke orde van grootte denkt de minister?

Minister Van Oosten:

Ik ben echt voorzichtig met het noemen van bedragen. Dat wil ik eigenlijk niet doen, want dan doe ik geen recht aan het gesprek dat mijn ministerie vanuit de systeemverantwoordelijkheid heeft te voeren met het Openbaar Ministerie. Dat heeft helemaal niks te maken met het feit dat er geen erkenning zou zijn voor het vraagstuk. Maar als ik hier nu een bedrag ga noemen, dan veronderstelt dat ook weer van alles. Dat vind ik gewoon niet goed. Laat dat uitgewerkt worden. Het is voor iedereen duidelijk welke kaders ik nu heb. Die zijn zoals ze zijn, en in mijn antwoord geef ik duidelijk aan dat ik daar geen dekking voor heb. Het is mij volstrekt helder dat het Openbaar Ministerie een forse claim neerlegt en dat er een vraagstuk ligt. Daar wordt nu over gesproken. Als we daaruit zijn, kom ik bij u terug. Daar mag u van op aan.

De voorzitter:

Mevrouw Bikker, tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wil het dan toch concreet hebben. Ik heb de afgelopen maanden gezien hoe groot de gevolgen zijn en hoe, bij wijze van spreken, een paar Russische hackers onze hele strafrechtketen plat kunnen leggen als we dit niet goed op orde krijgen. Ik heb er alle begrip voor dat de minister zegt dat het een ingewikkeld tijdsgewricht is. Dat snap ik goed. Maar ik wil wel dat we, bijvoorbeeld bij de Voorjaarsnota, de gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen dat die weerbaarheid er komt. Daar zit mijn grote zorg. Als ik de officieren spreek die de zwaarste zaken namens ons allemaal behandelen en hoor wat voor gevolgen dat heeft, mag dit niet te lang duren. Het kan ook niet zo zijn dat we in Den Haag in onzekerheid zitten, omhoogkijken en wachten tot het gesprek een keer afgelopen is.

Minister Van Oosten:

Met "onzeker tijdsgewricht" doel ik niet op wat we morgen of op een ander moment horen van een nieuw kabinet. Ik doel erop dat mijn ministerie nu, binnen de kaders die ik heb te borgen als demissionair minister van Justitie en Veiligheid, scherpe gesprekken heeft te voeren met het Openbaar Ministerie over wat het precies heeft gedaan. Dat is echt mijn bestuurlijke rol. Ik misken het vraagstuk helemaal niet. U noemt zelf de Voorjaarsnota, maar daar wil ik even bij wegblijven om eerst heel precies te horen wat er nu speelt. Ik wil eerst een heel goed verhaal horen over wat het OM heeft gedaan met al die extra investeringen; dat moet ik ook aan u uitleggen. Daar zit ik precies middenin. Zodra ik daar klaar mee ben, geef ik dat aan u terug.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik ben er bijna, voorzitter.

De voorzitter:

Ik ga bijna vragen hoeveel blokjes u heeft. Normaal gesproken vraag ik dat aan de leden van het kabinet.

Mevrouw Faber (PVV):

Het is misschien een beetje blijven hangen. Maar goed, even zonder gekheid. De minister en ik hebben het al eerder gehad over de bevoegdheden en sturingsmogelijkheden van de minister. Dan heb ik het over de aanwijzingsbevoegdheid. Toen gaf de minister aan dat dit kan bij zwaarwegende belangen, naast andere mogelijkheden. Maar in artikel 15, lid 3 van de Politiewet staat ook dat de minister bijzondere aanwijzingen kan geven als dat noodzakelijk is voor de veiligheid van de Staat. Bij de jaarwisseling wisten we natuurlijk wel allemaal wat er ging komen; alles was op volle sterkte. Dan had de minister toch een mogelijkheid gehad om een aanwijzing te geven? Of begrijp ik het verkeerd?

Minister Van Oosten:

Ik heb altijd de mogelijkheid om een bijzondere of algemene aanwijzing te geven, in ieder geval zolang de wet van de initiatiefnemers nog niet is aangenomen. Maar — dit heb ik altijd gezegd en al mijn voorgangers ook — daar moet je zeer, zeer, zeer prudent mee omgaan. Je moet het ook heel bijzonder kunnen concretiseren. Vaak heeft het ook betrekking op strafvervolgingszaken et cetera. Dat komt dus ook niet helemaal terug in het voorbeeld dat mevrouw Faber noemt. Maar diezelfde aanwijsbevoegdheid — ik wil die discussie niet weer helemaal openen — maakt wel dat ik om tafel kan zitten met het Openbaar Ministerie en dat ik bijvoorbeeld precies op het punt dat mevrouw Faber nu opbrengt, echt een kritisch gesprek kan voeren. Daar hangt namelijk boven dat ik inderdaad als minister wél iets kan doen. U hebt die democratische controle daardoor ook via mij. Daarom is die aanwijsbevoegdheid in mijn ogen ook zeker relevant.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik wil de minister danken voor de beantwoording. Ik blijf wel even hangen bij mijn vraag over de actualiteit in Noordoost-Syrië en de terroristen die daar in de gevangenis zitten. Nu lees ik in de antwoorden dat we op dit moment — ik moet even precies zijn — geen weet hebben dat er Nederlanders, of mensen met een Nederlandse link, zijn vrijgekomen. Mag ik de minister vragen — ik hecht hier zeer aan — of de Kamer direct op de hoogte wordt gehouden als we weten dat er inderdaad terroristen met ten minste een Nederlandse nationaliteit vrij rondlopen? We doen dat namelijk ook als we iemand ophalen. Ik wil ook weten of we er direct, al dan niet vertrouwelijk, over worden geïnformeerd als er iemand vrij rondloopt.

Minister Van Oosten:

Ik heb begrepen dat er op dat laatste punt — dat is even voor mijn tijd — een motie is ingediend over de informatieverstrekking aan de Kamer. Volgens mij is mevrouw Michon-Derkzen dat geweest. Die wil ik — dat wordt natuurlijk ook voor mij bewaakt — recht blijven doen. Ik ben het ook wel eens met de kritische opmerking in uw inbreng, zo van: goh, ik had eigenlijk wel een brief verwacht van het kabinet. Die neem ik in die zin ook wel even ter harte, maar ik vraag wel enige redelijkheid, in die zin dat de snelheid van de ontwikkelingen heel groot is. Ik kan u verzekeren dat alle mensen met Nederlandse wortels et cetera internationaal gesignaleerd zijn en dat het instrumentarium hiervoor voorhanden is. Ik ben wel terughoudend om te zeggen dat ik u in alle gevallen meteen in openbaarheid antwoord kan geven op vragen, want ik weet niet of die ruimte wenselijk is. Maar u mag er wel van uitgaan dat we dit echt heel nauwlettend volgen. Ik denk ook dat we dat scherper en frequenter met elkaar moeten gaan doen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik zie dit echt als een van de grootste veiligheidsrisico's die op ons afkomen. Als dat niet openbaar kan, dan wil ik het vertrouwelijk. Ik beroep me ook even op een uitspraak van de Kamer op dit punt, niet om de minister voor het blok te zetten, maar omdat ik vind dat wij ook als Kamer echt goed op de hoogte moeten zijn en blijven van dit soort grote veiligheidskwesties.

Minister Van Oosten:

Dat begrijp ik ook. Dat is ook in lijn met wat u eerder heeft gezegd. Ik ga me nu niet uitlaten over een appreciatie van een eventuele motie; die heb ik dan te beoordelen. Maar dit thema is ook voor dit kabinet en voor deze minister een bijzonder aangelegen onderwerp; dat mag u wel aannemen.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik sluit me als het gaat over ICT en het OM volledig aan bij de woorden van mevrouw Bikker, maar er komt op procesniveau een ander probleem aan dat ook urgenter wordt, namelijk de relatie tussen het College van pg's, de minister en de uitvoerende officieren van justitie. Er worden zware woorden gebezigd, zo van: "Er is nu een crisis. Er is niet alleen een ICT-crisis, maar we hebben nu al jaren aangegeven dat dit probleem er is." Het College van pg's geeft aan dat zij lange tijd geen gehoor bij de minister hebben gevonden. Ik hoor nu van de minister en ook van het College van pg's en het OM dat er nog steeds — laat ik het zo zeggen — een zeer geanimeerde spanning is tussen die drie partijen. Ze beraden zich zelfs op acties. Herkent en erkent de minister dat er niet alleen iets moet worden gedaan aan ICT, maar dat ook op procesniveau alle mensen moeten worden meegenomen, en zeker ook deze Kamer?

Minister Van Oosten:

Ik aarzel even. Ik denk even na over mijn antwoord. Ik hoop dat u die ruimte geeft. Weet u, ten aanzien van ICT kan ik het tamelijk concretiseren. Er ligt namelijk een claim die ik vanuit mijn bestuurlijke rol, zeg ik maar even, kritisch heb te beoordelen. U mag mij oproepen het anders te willen, meer te doen enzovoort, maar niemand mag mij kwalijk nemen dat ik dat ook doe, want die kaders hebt u mij meegegeven. Als het gaat om de procesregie, het aanhaken tussen het college en de officieren van justitie et cetera, zijn mij in de contacten met het college in die zin geen vraagstukken in directe zin bekend. Het is ook niet aan mij om op de stoel te gaan zitten van de werkgever. Maar als de heer Struijs zegt dat hij signalen heeft dat hier sprake is van een vraagstuk, lijkt het mij niet vreemd om in het onderhoud dat ik regelmatig met het Openbaar Ministerie heb, aan te geven dat ik dit heb gehoord en te zeggen "vertel mij dan maar". Zo ga ik er dan eerlijk gezegd mee om. Dat is dus mijn antwoord.

De heer Struijs (50PLUS):

Dank voor het antwoord. Ik wil toch nog even de urgentie hiervan meegeven. Ik zou dat gesprek dus ook niet te lang laten hangen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik kom nog even terug op de vragen die ik had. Ik heb de bewindspersonen een heel document gegeven over het Meldpunt Agro Intimidatie; een van de vragen die niet beantwoord zijn, gaat daarover. In dat document staat een heel aantal meldingen van boeren en mensen in de agrarische sector die aangeven op welke manier zij met bedreigingen en intimidatie te maken hebben. Ik had de minister gevraagd om een reactie op dat hele document. Die reactie heb ik niet kunnen vinden.

Minister Van Oosten:

Nee, daar heeft u gelijk in. Dat moet ik dan ten spoedigste gaan doen richting de tweede termijn. Ik heb uw bijlage — misschien heb ik het dan niet goed opgevat — als een voorbeeld gezien van wat u in uw inbreng naar voren bracht, namelijk dat mensen in de agrarische sector soms, om even hele neutrale woorden te gebruiken, een zeer zwaar gemoed hebben als het gaat om waar ze mee geconfronteerd worden door mensen die vinden dat het werk anders moet et cetera. Zo heb ik het opgevat. Ik heb het niet opgevat als een vraag om er heel precies op in te gaan. Ik ben ook bang dat dat voor een heel end niet kan, omdat het natuurlijk individuele zaken zijn, maar ik wil die toets nog even laten doen, mevrouw Van der Plas. Dat ben ik u dan nog verschuldigd.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mensen hebben geen zwaar gemoed; mensen leven in angst. Dat is omdat hun erf betreden wordt of omdat er ingebroken wordt in hun stallen. Vrachtwagenchauffeurs van veetransporten worden gewoon afgesneden op de weg. Dat soort dingen staat daarin. Ik wil hier dan maar in de tweede termijn een reactie op. Het tweede punt betreft iets wat ik de minister gevraagd had. De politie zegt weleens tegen boeren die aangifte of een melding willen doen, maar zeker bij een aangifte: doe dat maar niet, want dan krijg je heel veel gedoe en misschien wordt het ook verder niet behandeld. Boeren vatten dat eigenlijk als volgt op: dan kan ik maar beter ook geen aangifte doen. De oorsprong van mijn vraag is dus de wettelijke verplichting van de politie om een aangifte van strafbare feiten of een vermoeden van strafbare feiten op te nemen.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag is in deze zin dus als volgt: vindt de minister ook dat de politie gewoon tegen boeren — die kennen dat strafrecht niet van haver tot gort — moet zeggen dat wanneer zij een strafbaar feit of een vermoeden van een strafbaar feit zien, zij maar gewoon aangifte moeten komen doen?

Minister Van Oosten:

Ik ben het er volstrekt mee eens dat je aangifte moet kunnen doen. Ik roep ook iedereen op om dat te doen. Ik sprak de woorden van zonet uit omdat ik wil vermijden allerlei uitingen te doen over de voorbeelden die mevrouw Van der Plas noemt. Als je in angst leeft omdat je bedreigd wordt — wat ook de oorzaak ervan is en wat ook de grond en het motief zijn — dan hebben we daarvoor in dit land de politie. Ik wil dat iedereen de ruimte en de vrijheid voelt om aangifte te doen. Dan verwacht ik dat de politie de aangifte ook opneemt en er volgens mee aan de slag gaat. Dat is eigenlijk weer de discussie die we helemaal aan het begin hadden: rondom de doorlooptijden. Hier is geen twijfel over, geen misverstand op dit vlak.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik hoop dat ik even wat meer ruimte krijg dan drie interrupties, want ik heb nog een paar dingetjes. Ik noem ook het in angst leven van mensen en de roekeloosheid waarmee dierenextremisten te werk gaan. In Blokker hebben ze vrachtwagens in de fik gestoken bij het pluimveebedrijf Plukon. Vrachtwagens! En dat terwijl vrachtwagenchauffeurs vaak in de cabine slapen. Die overnachten bijvoorbeeld op een bedrijfsterrein omdat ze 's ochtends vroeg weer verder moeten. Ze slapen dus in die cabines. Dus een dierenextremist …

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou ja, mijn vraag ... Laat ik het zo zeggen: de overheid heeft in mijn beleving de roekeloosheid waarmee te werk wordt gegaan, met de kans op dodelijke slachtoffers, niet genoeg in het vizier. Er wordt wel gezegd: de politie doet natuurlijk onderzoek. Dat is ook allemaal prima gebeurd, maar dit soort dingen gaat gewoon een keer gruwelijk mis. Dat is de angst waarin mensen leven. Ik wil de minister gewoon oproepen om wat hier gebeurt, niet te licht op te nemen.

Minister Van Oosten:

Dat kan mevrouw Van der Plas echt wel mee terug nemen. Ik hoop dat ze dat doet. U mag weten dat ik een overleg heb gehad, samen met de minister van onder meer Landbouw — zo zeg ik het even, want we hebben het nu over specifiek agrarische vraagstukken — en dat was een heel indringend gesprek. Het was met vertegenwoordigers uit de sector, die me precies vertelden wat mevrouw Van der Plas mij nu ook vertelt. Daarbij heb ik ook aan hen gevraagd: verspreid alsjeblieft ook het verhaal "doe aangifte, vertel de politie waar je tegenaan loopt, laat weten welke angsten er zijn en welke meldingen je hebt". Want dan hebben we het in kaart. Dan kan er ook mee gewerkt en op geacteerd worden. Als minister verwacht ik dat dat gebeurt. Die oproep ligt er dus. Ik hoop echt dat daarnaar gehandeld wordt, zodat zaken waarbij signalen missen, opgelost kunnen worden doordat ze wel opgebracht worden. Daar kan af en toe nog wel een iets beter resultaat op worden geboekt, zo was ook mijn afdronk.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, kort en bondig alstublieft.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik had een vraag over de meldingen. Die worden wel gedaan, maar tellen niet mee in de rapportages en blijven dus buiten beeld bij de NCTV. Dan krijg ik een soort administratie over hoe de rapportages worden verwerkt, maar de vraag is niet beantwoord. Aangiftes en dergelijke worden dus wel meegenomen, maar meldingen niet. Mijn vraag aan de minister is om meldingen ook op te nemen in de rapportages van de NCTV.

Minister Van Oosten:

Ja, die vraag is helder. Die is overigens ook opgekomen in datzelfde overleg. Dat haakt een beetje terug op de vraag die mevrouw Van der Plas net ook opbracht. Het is wel belangrijk om het beeld … Mijn indruk is dat er misschien meer leeft in de sector dan er is overgebracht. Ik sluit dat gewoon niet uit. Dat vind ik dus niet goed, want ik vind dat de politie er weet van moet hebben, ongeacht het motief of de reden waarom mensen zich bedreigd voelen enzovoort, want dat moet eigenlijk niet uitmaken. Als het inderdaad veel meer is dan we nu in kaart hebben gebracht, dan gaat het automatisch zijn weg vinden in dat dreigingsbeeld et cetera, maar daar gaat het mij niet om. Daar gaat het mevrouw Van der Plas ook niet om, denk ik. Het gaat niet om het dreigingsbeeld, maar het gaat erom dat je actie onderneemt als mensen wat overkomt. Dan moet je het wel weten. Soms kan dat ongetwijfeld beter vanuit de zijde van de politie, maar ik denk ook dat we meer meldingen moeten kunnen ophalen dan er zijn.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Daarvoor bestaat het Meldpunt Agro Intimidatie. Mijn vraag aan de minister was dus om te kijken of dat meldpunt in samenwerking met de politie kan, zodat er een betere bundeling en analyse komen van het beeld van bedreigingen en intimidatie en daadwerkelijke strafbare feiten door dierenextremisme. Die vraag zou ik hier bij de minister willen neerleggen. Ziet hij er kans toe om daaraan mee te werken?

Minister Van Oosten:

Die vraag wil ik even mee terugnemen, want ik heb altijd een kleine terughoudendheid als het gaat om nieuwe meldpunten. Ik zeg niet dat het een nieuw meldpunt is, hoor. Het moet ook duidelijk zijn waar je naartoe gaat als je je bedreigd voelt. Als je bent bedreigd, bel je 112, of je nou een boer bent of een slager, zoals in het voorbeeld van mevrouw Faber. Je kan ook anoniem bellen. Dan bel je met de politie, zodat die aan de slag kan. Ik wil voorkomen dat dat wegebt, wat we ook nog gaan organiseren. Dan heb je die registratie namelijk toch onvoldoende, denk ik.

De voorzitter:

Dan gaan we over naar de appreciatie van de amendementen. Ik durf het bijna niet te vragen, minister, maar kunnen die gecategoriseerd worden?

Minister Van Oosten:

Ik heb geluisterd naar …

De voorzitter:

Ik zie de heer El Abassi. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Ik wist niet dat het derde al zo snel afgelopen was. Ik had nog een vraag in het derde blokje.

De voorzitter:

Dan bent u de laatste in dit blokje.

De heer El Abassi (DENK):

In antwoord op de vragen over het geweldsincident dat gisteren en eergisteren viraal is gegaan, geeft de minister aan dat het al onderzocht wordt door de politie zelf. Volgens mij heb ik juist gevraagd om een onafhankelijk onderzoek. Ik zou graag van de minister willen horen waarom er in dezen niet wordt gekozen voor een onafhankelijk onderzoek.

Minister Van Oosten:

De heer El Abassi doelt nu, zo veronderstel ik even, op de beelden die we gisteren allemaal konden zien op sociale media. Ik kan mij heel goed voorstellen dat daar de nodige vragen over zijn. Maar het is juist zo belangrijk dat de politie … Ik ga uit van het goede bij de politie. Je moet de politie de gelegenheid geven om heel goed en serieus te onderzoeken wat er plaats heeft gevonden en in welke context dat heeft plaatsgevonden. Dit geeft de politie mogelijkheden en ruimte. Het is net gebeurd en het onderzoek is net gestart. Mijn oproep is om dat af te wachten en ervan uit te gaan dat de politie … De politie is er alles aan gelegen om dit heel serieus te bekijken; dat kan ik u verzekeren.

De heer El Abassi (DENK):

Ook ik ga uit van de goedheid van de politie; dat hebben we gelukkig gemeen. Juist daarom stuur ik aan op een onafhankelijk onderzoek. Op het moment dat ik iets over mijzelf wil onderzoeken, laat ik dat niet door mijzelf doen, juist vanuit die goedheid.

Voorzitter. Ik zou een vervolgvraag willen stellen. Ik heb namelijk getuigen gehoord, en een van die getuigen heeft aangegeven: ik heb aangifte gedaan tegen deze zelfde politieagent voor mishandeling. Tegelijkertijd heb ik ook beelden ontvangen van een eerdere mishandeling, waarin dezelfde agent te zien is. Ik zou de minister het volgende willen meegeven. In die beelden is te zien dat mensen de agent vragen om rustig te doen, en weer hakt hij erop los. Ook die beelden — daar ben ik van overtuigd — zullen vandaag viraal gaan. Ik zou de minister willen vragen om in dit geval toch echt een onafhankelijk onderzoek te laten doen, juist vanwege de gevoeligheid hiervan.

Minister Van Oosten:

Ik blijf bij mijn eerdere punt dat het echt belangrijk is om dit heel serieus te onderzoeken. Als er andere of meer context omheen gegeven moet worden, gaat dat ook onderdeel worden van het onderzoek. Iedereen weet dat dit een kwestie is die zeer nauwlettend wordt gevolgd. Dat begrijpt iedereen ook goed, inclusief deze minister. Ik ga ervan uit dat het onderzoek met grote zorgvuldigheid en grondigheid gaat plaatsvinden en dat alles erbij wordt betrokken, maar dat ga ik eerst afwachten. Verder ga ik ook geen uitlatingen doen over wat er nou precies wel of niet heeft plaatsgevonden. Dat is niet mijn rol. Dat moet je ook niet doen als je een lopend onderzoek hebt.

De heer El Abassi (DENK):

Juist omdat het zo gevoelig ligt, juist omdat iedereen meekijkt, is het belangrijk dat dat onderzoek onafhankelijk gedaan wordt. Mensen kunnen dat zien en meenemen, zodat er niet achteraf allerlei commentaar komt op dat onderzoek. Dat zou ik de minister willen meegeven.

Minister Van Oosten:

Ik heb er niks aan toe te voegen. Het is heel goed dat dit heel serieus gaat worden onderzocht, en daar is alle reden toe. Dat kan de politie heel goed, en daar heeft zij ook allerlei mogelijkheden toe.

De voorzitter:

We gaan over tot de appreciatie van de amendementen. Ik stel de leden voor maximaal twee interrupties per amendement te plegen, bij voorkeur op het eigen amendement.

Minister Van Oosten:

U vroeg mij hoe ik dat ga doen. Ik hoop dat ik dat goed doe. Ik ga een aantal amendementen langs en die liggen bij mij op volgorde, maar die gaan bijvoorbeeld wel van 28 naar 34. Hoe men dat dan helemaal precies verklaart, moet ik u even schuldig blijven.

De voorzitter:

Mijn lijstje zegt dat we beginnen bij het amendement op stuk nr. 11.

Minister Van Oosten:

Ik begin bij het amendement op stuk nr. 28.

De voorzitter:

Ja. Het amendement op stuk nr. 11 heeft al een appreciatie, oordeel Kamer.

Minister Van Oosten:

Ja. Dat is al geapprecieerd bij een eerder debat. Sorry.

De voorzitter:

Het amendement-Dassen op stuk nr. 28.

Minister Van Oosten:

Dat ontraad ik. Dat ziet op aanvullende middelen voor noodpakketten. Daarbij wil ik de opmerking maken dat ik echt wel heel goed besef dat het niet voor iedereen even gemakkelijk is om de financiering voor zo'n noodpakket rond te brengen, maar dat de campagne er juist ook op gericht is om dit waar mogelijk met elkaar te doen en het gesprek met buren op dat punt aan te gaan.

Dan de motie op stuk nr. 34.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 34.

Minister Van Oosten:

Het amendement op stuk nr. 34, van de leden Michon-Derkzen en Sneller, is een amendement dat ziet op aanvullende middelen voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Dit amendement kan ik oordeel Kamer geven.

Ik kan erbij zeggen: ik ga nog twee andere amendementen ook oordeel Kamer geven. Ik ga er ook gelijk bij zeggen dat ik me realiseer dat dit dan een vraag kan oproepen. Ik kijk in het bijzonder naar de heer Van Dijk, want hij vroeg daarnaar: "Waarom mijn amendement dan niet?" Nou, kijk. Om te beginnen heb ik eigenlijk gewoon helemaal geen geld. Dat maakt het al verschrikkelijk ingewikkeld. We hebben iets van een onverdeelde-middelenpost. Dat is een zogeheten "artikel 92", een beetje technisch. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat eigenlijk allemaal al is ingevuld. Dat ziet onder meer op prijsbijstellingen et cetera. Maar ik snap ook wel — ik heb het ook van de andere kant meegemaakt — dat er een aantal punten zijn, die ik heb opgehaald uit de maanden waarin ik debatten met u heb mogen voeren en die ik voortdurend heel breed zag terugkomen. Ik heb het dan over criminaliteitspreventie en over twee andere punten waarvoor ik incidenteel ruimte heb gevonden op de begroting. Daarom durf ik dat oordeel Kamer te geven en kan ik dat voor het overige niet doen. Het is uiteindelijk natuurlijk aan uzelf wat u op dat punt besluit.

Het amendement op stuk nr. 34 heeft dus oordeel Kamer gekregen. Oordeel Kamer gaat ook krijgen het amendement op stuk nr. 35 van de leden Mutluer en Straatman. Dat ziet op de Fraudehelpdesk. Dat is ook zo'n onderwerp. Waarom dat dan wel? Omdat ik met u een debat heb mogen voeren waarbij ik Kamerbreed heb moeten vaststellen dat u een diep verlangen heeft als het gaat om die Fraudehelpdesk en fraudebestrijding als zodanig. We willen komend jaar, dit jaar, ook verdere stappen zetten als het gaat om de fraudehub, de vraag wat je kunt verbeteren et cetera. Dan heb je ook een beetje tijd nodig om dat goed te kunnen vormgeven. Vandaar.

Het amendement op stuk nr. 37 van de leden Bikker c.s., dat ziet op het Platform Aanpak Ondermijning Kleine Zeehavens, ontraad ik. Ik zeg daarbij in de richting van mevrouw Bikker dat dit niet is omdat ik geen sympathie heb voor de kleine zeehavens. Ik wijs er wel op dat we als ministerie in heel nauw contact staan — we zijn "in dialoog", zoals dat dan ambtelijk heet — met de betrokken gemeenten. Het bedrag dat nu structureel wordt gevraagd, is relatief hoog. Even ter vergelijking: dat is hetzelfde als voor de ondermijning op heel Schiphol. Ik vind dat zich dat toch wat ingewikkeld met elkaar laat vergelijken. Belangrijker is nog dat de probleemanalyse, met de bijbehorende interventies, op dit moment nog onvoldoende onderbouwd is. Daardoor is onvoldoende zichtbaar wie wat kan doen en welke middelen daarbij horen. Het is overigens niet zo dat er helemaal niks naartoe kan gaan, maar niet het bedrag dat u heeft voorgesteld.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Welk bedrag dan wel?

Minister Van Oosten:

Daar wordt over gesproken. Binnen de reguliere middelen is er misschien een mogelijkheid. Ik moet er iets duidelijker over zijn. We gaan nu eerst een onderzoek financieren om heel precies duidelijk te krijgen wat er nou nodig is om tot die probleemanalyse te komen. Die heb je echt nodig; die ontbreekt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dit vind ik, met alle respect voor de minister, een frustrerend antwoord. Ik heb hier jaar na jaar gestaan om te pleiten voor een Noordzee-aanpak. Jaar na jaar heb ik van de minister en zijn ambtsvoorgangers te horen gekregen: "Dat is een goed plan, mevrouw Bikker. We moeten het dan niet alleen hebben over de mainports, maar ook over die andere havens, van Harlingen tot aan Scheveningen, en ook alles langs de Noordzeekust. Sterker nog, we zullen in gesprek gaan met de Duitse havens, met de Belgische havens, enzovoorts." Er is dus heel veel geanalyseerd. Dat we weer opnieuw gaan analyseren, voelt als een kluitje in het riet, terwijl er deze dagen elke keer opnieuw criminelen gebruikmaken van andere plekken om te landen en de drugs aan wal te brengen. Het duurt nog even voordat het amendement in stemming komt. Ik vind het prima om naar het bedrag te kijken, maar niet om weer in de wachtstand te gaan.

Minister Van Oosten:

Ik ben nog even in afwachting van het precieze bedrag, maar in de reguliere ondermijningsmiddelen is ook wel wat geld gereserveerd voor dit punt. Het is niet zo dat dit niet onderkend wordt. Ik heb u daar zelf ook over gerapporteerd. Je ziet bij drugstransporten een verschuiving plaatsvinden van hele grote mainporthavens naar kleinere havens. We kunnen daarover misschien redetwisten met elkaar, maar ik krijg ook terug dat die probleemanalyse van wat je dan precies moet doen, wat er exact nodig is en wat gemeenten zelf kunnen doen, toch nog onvoldoende onderbouwd en ondervangen is. Dat neem ik ook serieus. Dat biedt dus ook geen ruimte voor de financiering waarom u vraagt. Ik vergelijk het met Schiphol, waarvoor we een vergelijkbaar bedrag hebben. Ik vind dat die grootheden dan toch uit elkaar lopen.

De voorzitter:

De beantwoording mag iets beknopter.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Punt van orde. Bij het amendement over de Fraudehelpdesk mistte ik mijn eigen naam. Dat is niet de schuld van deze minister. Ik denk dat het vanuit ons niet goed is doorgegeven. Bij dezen.

De voorzitter:

Bij dezen.

De heer Sneller (D66):

Een hele korte interruptie naar aanleiding van de interruptie van mevrouw Bikker. Volgens mij is het ook goed om naar het plan van dat platform te kijken en dan vooral naar wat de actie is die daaruit volgt, en dan daar vanuit het ministerie op in te zetten, in plaats van dus in te zetten op allemaal onderzoeken. Je moet juist bekijken wat je uit dit voorstel kunt overnemen.

Minister Van Oosten:

Dat is precies de bedoeling, want er wordt met het platform, mét het platform, gewerkt aan een goede probleemanalyse en de bijbehorende interventies. Daarna is pas duidelijk wie wat kan doen en welke middelen daarbij horen. Binnen de reguliere ondermijningsmiddelen is er voor dat platform al 4 ton gereserveerd. Dat krijg ik ook bevestigd. Daarnaast vindt er ook onverminderd inzet plaats bij de Douane, de marechaussee en de lokale RIEC's. Daarop doelde ik eigenlijk net. Daarmee wordt, naar mijn mening, ook een heel eind recht gedaan aan de inzet van mevrouw Bikker.

De voorzitter:

We gaan naar het amendement op stuk nr. 38 van mevrouw Coenradie.

Minister Van Oosten:

Het amendement-Coenradie dat ziet op aanvullende middelen rondom de capaciteit van rechercheurs, ontraad ik. Ik zeg er wel bij dat er op dit ogenblik in de opsporing een onderbezetting van 12% is. Dat zijn 1.300 fte's. Uitbreiding van de formatie is in die zin dan ook weinig zinvol, want extra geld gaat daarvoor gewoon de oplossing niet bieden; we moeten eerst de onderbezetting oplossen.

Het amendement op stuk nr. 40 van mevrouw Coenradie ontraad ik eveneens. Dat heeft te maken met de capaciteit van de zedenpolitie. Ook hiervoor geldt dat de personeelscapaciteit mede wordt veroorzaakt door pensioenuitstroom en een krappe arbeidsmarkt. Ik onderken dat dit echt een uitdagend vraagstuk is, maar extra geld — want dat is wat een amendement doet — gaat daar geen oplossing voor bieden.

Het amendement op stuk nr. 43 van mevrouw Dobbe ziet op aanvullende middelen voor de politie om het begrotingstekort te dichten. Dat amendement ontraad ik. Het is misschien te makkelijk, maar ik verwijs terug naar het debat dat we afgelopen maandag hebben gehad in het wetgevingsoverleg. We hebben toen uitvoerig gesproken over hoe die 46 miljoen euro met mijn inzet en die van de korpschef zou moeten worden ingevuld.

Het amendement op stuk nr. 64 van de leden Mutluer en Dobbe ziet ook op structurele middelen et cetera in het kader van de politie. Dat ontraad ik eveneens. Ik verwijs hierbij ook naar datgene wat we hebben gewisseld met elkaar. Er zijn ook onvoldoende middelen in artikel 92, waar de dekking vandaan moet komen.

Dan kom ik op het amendement op stuk nr. 66 van de heer Van Dijk. We hebben het al een beetje gehad over de aanvullende middelen ten aanzien van de DUUP. Ik ontraad dit amendement. Het ondermijningsbudget is volledig geoormerkt voor allerlei verschillende hoofdlijnen. De Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's Prostituees behoort niet tot de doelen van het ondermijningsbudget en zal daar dus ook geen onderdeel van zijn. Dat betekent echter niet dat er geen lopende programma's zullen worden gefinancierd, maar dat gebeurt langs een andere weg.

Het amendement op stuk nr. 67 van mevrouw Teunissen over aanvullende middelen voor het Meldpunt 144 ontraad ik. Dat meldpunt is echt onderdeel van de landelijke eenheid van de politie en vervult een cruciale rol. Er zijn op dit ogenblik 299 themahouders dieren werkzaam bij de politie, maar onderdeel van het eerlijke verhaal is ook dat de politie en het Openbaar Ministerie altijd keuzes hebben te maken in welke zaken wel en niet worden opgepakt.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb hier nog één vraag over. Uiteraard moet er altijd geprioriteerd worden. De Kamer heeft een motie aangenomen om een plan van aanpak te maken om het Meldpunt 144 te versterken. Dat is hard nodig. Er ligt hier een amendement voor, dat de minister ontraadt. Mijn vraag is: hoe gaat de minister de motie om het Meldpunt 144 te versterken dan uitvoeren?

Minister Van Oosten:

Naar mijn weten zijn we die aan het uitvoeren. Ik neem dat mee terug om te zien in hoeverre daarover al een terugkoppeling heeft plaatsgevonden aan de Kamer. Dat weet ik nu even niet. We voeren dit uit door de themahouders dieren een plek te laten hebben bij de politie en door dat specifieke telefoonnummer te hebben. Als er nog geen terugkoppeling is gegeven over die motie — dat weet ik nu niet — dan zeg ik toe dat ik die nog verschuldigd ben aan mevrouw Teunissen. We kunnen het daar vervolgens nog over hebben.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Er is een terugkoppeling geweest. Daarin wordt aangegeven dat het kabinet de motie niet uitvoert wegens financiële redenen. Vandaar dit amendement. Mijn vraag is: als dit wordt ontraden, welke mogelijkheden zijn er dan nog? Ik vind het prima als de minister daar in de tweede termijn op terugkomt. Ik zal er zelf ook nog op terugkomen.

Minister Van Oosten:

Maar nu ben ik even kritisch, want dan weet mevrouw Teunissen het antwoord eigenlijk al. Het kabinet heeft al teruggekoppeld hoe het omgaat met de motie. Daar heb ik eigenlijk niet zo veel aan toe te voegen. Desondanks zeg ik dat dat meldpunt onderdeel is van de landelijke eenheid en dat we themahouders dieren werkzaam hebben. Daarmee is er aandacht voor het punt dat mevrouw Teunissen opbrengt. Maar structurele aanvullende middelen, zoals zij verlangt, heb ik niet.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Oosten:

Het amendement op stuk nr. 68 was volgens mij van ... Ik ben bijna bij het einde, voorzitter.

De voorzitter:

Van El Abassi.

Minister Van Oosten:

Dat ziet op veiligheidsmaatregelen voor moskeeën. Ik ontraad dit amendement. Ik kan heel veel opnoemen, maar het komt er ook op neer dat de dekking bij artikel 92 onvoldoende is. Richting de heer El Abassi wil ik zeggen, zoals ik eerder heb gezegd, dat het lokaal gezag waar nodig op basis van risico's en actuele dreigingsinformatie beveiligingsmaatregelen kan treffen. De NCTV kan altijd gevraagd worden om advies te geven en zal dat bij omstandigheden ook doen.

Het amendement op stuk nr. 72 van de heer Struijs ziet op de ICT. Dat ontraad ik. Ik verwijs naar de discussie die we net hebben gehad. Ik realiseer me echt dat dit een vraagstuk is, maar we zijn daarover in gesprek.

Dan het amendement op stuk nr. 73 van mevrouw Bikker over het experiment gesloten coffeeshopketen. Eigenlijk heb ik in de beantwoording al wel aangegeven dat ik dat ontraad. Ik zou het ons toewensen dat we het nu een plek geven om dit uit te rollen of ten minste af te wikkelen.

Ten slotte kom ik nog bij het amendement op stuk nr. 74 van mevrouw Van der Werf.

De voorzitter:

Dat is het amendement-Van der Werf op stuk nr. 75.

Minister Van Oosten:

Ja, inderdaad. Sorry. Dat gaat over aanvullende middelen voor Offlimits. Dat amendement kan ik oordeel Kamer geven, ook indachtig de discussie en het luisterend oor dat ik heb gepoogd te hebben in de richting van uw Kamer.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors de vergadering voor een halfuur, dus tot 12.55 uur, waarna we het woord geven aan de staatssecretaris voor zijn beantwoording.

De voorzitter:

De vergadering is geschorst voor de lunch tot 12.55 uur.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het wetsvoorstel Wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om de grondslagen voor gegevensverwerking te verstevigen en enkele andere wijzigingen (Verzamelwet gegevensverwerking VWS II.b) (36621).

Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 31865-287; 28663-84; 31305-528; 32813-1550; 36850-XX-3; 2025Z21640; 36800-VII-18; 36800-VII-17; 35165-100; 36865-5; 2025Z22535; 31865-289; 32827-370; 32827-371; 32827-373; 32827-374; 32827-375; 32827-376; 36800-VIII-17; 32827-377; 36800-VIII-16; 36800-A-11; 36800-A-12; 34244-13; 36800-XII-12; 32847-1399; 32847-1389; 29435-270; 36800-A-7; 31305-526; 36600-A-65; 36800-A-3; 36600-A-69; 32668-25; 36800-VI-15; 36820-VI-6; 31511-49; 32820-470; 33340-39; 33340-38; 2026Z01151; 36800-I-12; 36764-10; 36803-1; 21501-02-3316; 33037-629; 21109-275; 36850-XIV-3; 21501-32-1747; 28973-287; 36800-V-20; 36800-XVII-9; 20361-235; 36045-263; 36800-V-33; 36801-2; 26643-1417; 36800-V-8; 33694-71; 36592-53; 26643-1422; 33763-158; 36800-V-12; 32820-561; 33997-188; 36045-264; 21501-07-2157; 21501-07-2153; 21501-03-198; 31934-104; 28165-469.

Op verzoek van de fractie van de PVV benoem ik:

  • in de vaste commissie voor Asiel en Migratie de leden Faber en Martin Bosma tot lid in de bestaande vacatures en het lid Maeijer tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Martin Bosma;
  • in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het lid Tony van Dijck tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Vlottes tot lid in plaats van het lid Maeijer en het lid Boon tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Vlottes;
  • in de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp het lid Tony van Dijck tot lid in plaats van het lid Wilders, het lid Van Meetelen tot lid in plaats van het lid Maeijer en het lid Vlottes tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Defensie het lid Boon tot lid in plaats van het lid Maeijer;
  • in de vaste commissie voor Digitale Zaken het lid Maeijer tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Europese Zaken het lid Boon tot lid in plaats van het lid Maeijer, het lid Kops tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Boon en het lid Chris Jansen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Prickaertz;
  • in de vaste commissie voor Financiën het lid Mooiman tot lid in plaats van het lid Raijer;
  • in de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat het lid Emiel van Dijk tot lid in plaats van het lid Kops, het lid Chris Jansen tot lid in plaats van het lid Mooiman, het lid Mulder tot lid in de bestaande vacature en het lid Vondeling tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Chris Jansen;
  • in de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid het lid Stöteler tot lid in de bestaande vacature, het lid Maeijer tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Stöteler en het lid Martin Bosma tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei het lid Stöteler tot lid in plaats van het lid De Roon en het lid Faber tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties het lid De Roon tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het lid Prickaertz tot lid in de bestaande vacature en de leden Edgar Mulder en Tony van Dijck tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacatures;
  • in de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Boon tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de commissie voor de Rijksuitgaven het lid Stöteler tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Prickaertz tot lid in de bestaande vacature en het lid Chris Jansen tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport het lid Maeijer tot lid in plaats van het lid Martin Bosma, het lid Kops tot lid in plaats van het lid Boon en het lid Raijer tot lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het lid Graus tot lid in de bestaande vacature en het lid Van Meetelen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Edgar Mulder.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Dan is aan de orde de voortzetting van de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

We zijn aanbeland bij de beantwoording van de staatssecretaris. Ook de staatssecretaris zou ik willen vragen of hij ons zou willen meenemen in de wijze waarop hij zijn beantwoording heeft gestructureerd. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Laat ik maar met die formele informatie beginnen, of die procedurele informatie, moet ik eigenlijk zeggen. Ik heb een wat algemenere inleiding, maar dan kom ik uiteindelijk met wat omwegen bij vier blokjes. Ik ga het hebben over de capaciteit bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en over het voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat is het blokje gevangenis, zeg maar. Dan heb ik een blokje over huiselijk geweld en kindermishandeling, inclusief femicide. Ik heb een blok over toegang tot het recht, en dan — u raadt het al — de overige onderwerpen.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter. Ook ik bedank de Kamerleden graag eerst voor hun bijdragen in de eerste termijn, in het bijzonder mevrouw Abdi, mevrouw Straatman en mevrouw Schilder voor hun maidenspeeches. De minister zei al dat die maidenspeeches divers waren in de benadering van de onderwerpen waar we het over hebben. Tegelijkertijd kwamen ze allemaal vanuit het hart en persoonlijke ervaring. Ik geloof erin dat politiek ook zo bedreven moet worden: vanuit je eigen overtuigingen, vanuit je eigen ideologie, maar wel met hart voor de zaak en voor waar wij hier allemaal voor staan, want wij moeten met elkaar proberen dit land elke dag een beetje mooier en veiliger te maken.

Ik kreeg hele mooie woorden van de minister over de prettige samenwerking die wij hebben. U denkt misschien dat het een beetje klef wordt, maar ik moet eerlijk toegeven dat we een mooie tijd hebben gehad, ook al is en was het maar kort. Het is echt heel bijzonder om als oud-Kamercollega's in omgedraaide vorm als bewindspersonen terug te mogen komen op de onderwerpen waar we het vandaag over hebben en om hier vandaag met jullie de begroting te mogen bespreken. Dat is bijzonder en ik dank de minister voor de prettige samenwerking.

Voorzitter. Mevrouw Abdi had het over het terugvinden van haar stem. Ik denk dat dat gelukt is. Overigens heeft bijna iedereen zichzelf gisteren goed laten horen. Dat is belangrijk. Als we het hebben over "stem" en "geluid": ik ga u vandaag meenemen in het gedachtegoed van wijlen Johnny Cash. Dat is een artiest die ik eigenlijk al sinds mijn jonge jaren bewonder. Als student ging het mij om de eenvoud, zijn indringende stemgeluid en zijn ritme. Ik vond het intrigerend dat hij optrad in Folsom Prison en in San Quentin. Ik was student strafrecht, met speciale aandacht voor criminologie en penitentiair recht. U kunt zich voorstellen dat dit destijds mijn aandacht trok. Maar later, in mijn tijd als Kamerlid, als strategisch adviseur in de zorg en nu ook als staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, kwamen daar zijn rake teksten bij en zijn oproep om anderen te zien, om maatschappelijk betrokken te zijn en verantwoordelijkheid te delen. Dat voel ik en dat drijft ook mij.

Die oproepen deed Cash altijd in een zwart pak, stemmig zwart voor al die mensen die niet gezien werden. Hij kwam op voor de vergeten mens, van native Americans tot de gevangenen. Vandaag draag ik om die reden ook zwart. Dat leidde wel tot een reactie van mijn chauffeur, die vandaag zei: "Dat staat je eigenlijk niet; liever een blauw pak." Maar ja, ik had het al beloofd. Vandaag ben ik dus in het zwart: voor het overgrote deel van de gedetineerden dat nu aan het oog van de samenleving onttrokken wordt maar dat straks wel weer een plek in diezelfde samenleving moet vinden, voor de grote zorgen die er zijn over de capaciteit binnen de gevangenissen, voor alle vrouwen en kinderen die dagelijks nog steeds gevaar lopen en voor de rechtzoekenden die de weg in ons rechtsbestel nu nog niet vinden. Cash deed een appel op de samenleving. Gemeenschapszin en solidariteit beginnen volgens hem niet in de instituties, maar in de menselijke nabijheid: oog hebben voor de mensen in je eigen omgeving en voor het algemeen belang en iemand helpen daar waar dat kan.

Ex-gedetineerden hebben niet alleen een re-integratieplan nodig om weg te komen van een criminele lifestyle, maar ook een plek om weer te kunnen wonen en werken, met vaak nieuwe buren en een nieuwe werkgever. Dat vraagt iets van ons, hoe lastig dat soms ook is. En vrouwen hebben niet alleen politie nodig voor een melding, maar juist ook anderen, met wie zij samen 's nachts kunnen fietsen, of buren die aan de bel trekken als dat nodig is. Mensen met een conflict hebben niet alleen laagdrempelige toegang tot het recht nodig, maar juist ook een huurbaas of een gemeente met wie zij een probleem onderling kunnen oplossen. Een samenleving die op tijd ziet wie dreigt te ontsporen, wie gevaar loopt of wie hulp nodig heeft, maakt het mogelijk dat de overheid haar werk vervolgens beter, sneller en menselijker kan doen.

Cash deed ook een appel op de overheid. Ik doe dat hier ook: op overheden en op ons als wetgevende macht. Om de samenleving haar rol te kunnen laten pakken, moeten wij haar immers die ruimte bieden. Dat doe je niet per se altijd met nieuwe wetgeving, nieuw beleid of nieuwe regelgeving. Voor elk probleem een nieuw loket: dat is vaak onze reflex, met als risico dat mensen overspoeld raken met ingewikkelde regelingen en dat de overheid overvraagd en overbelast wordt. Waar dat kan moeten we wetgeving, beleid en uitvoering eenvoudiger maken. Daarom doe ik een appel op ons om met minder regels meer ruimte te creëren waarin we al die mensen kunnen blijven helpen die er zelf niet uit komen.

Voorzitter. Mijn portefeuille verlangt een overheid die een speelveld creëert waarin mensen zich kunnen ontplooien en hun recht kunnen halen, en die een vrijheid creëert die ervoor zorgt dat mensen zich veilig kunnen voelen en dat de rechtsstaat kan functioneren, en die enerzijds oog heeft voor slachtoffers en anderzijds daders straft. Ik zie dat niet los van de eigen verantwoordelijkheid van mensen om iets van hun leven te maken. Zo zijn gedetineerden uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor hun terugkeer in de samenleving. Het is een balanceeract tussen een overheid die nabij is en een overheid die afstand houdt. Cash zong dat hij zijn zwarte pak aanhield 'til things are brighter, dus totdat de dingen lichter worden. Ik vraag uw Kamer niet om in het zwart gekleed te gaan — sommigen doen dat wel; dat mag natuurlijk maar ik schrijf het u niet voor — maar wel om zich samen met het kabinet te blijven inzetten voor alle mensen die hunkeren naar lichtere tijden.

Dat gezegd hebbende, ga ik over naar de onderwerpen die ik zonet opnoemde. Ik ga beginnen met de capaciteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen en voortgezet crimineel handelen in detentie. Daarna komt huiselijk geweld en kindermishandeling, vervolgens toegang tot het recht en ten slotte de overige onderwerpen.

De heer Ellian (VVD):

Sorry, voorzitter, ik vind eigenlijk dat je bij een inleiding niet moet interrumperen, maar de staatssecretaris zegt iets wat mij echt even puzzelt. Het lijkt namelijk alsof de staatssecretaris zegt: gedetineerden die in code zwart zitten hebben het heel zwaar. Oké, maar als je geen strafbaar feit had gepleegd had je daar niet gezeten. Maar ik sloeg ook even aan op het volgende. Deze staatssecretaris en ik vinden toch dat sommige gedetineerden nooit meer vrij moeten komen en ook nooit meer terug hoeven te komen?

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dat deel ik met de heer Ellian. Er is een grote diversiteit aan gedetineerden. Dat gaat van mensen die een licht delict hebben gepleegd of mensen die misschien een verstandelijke beperking hebben en toch vastzitten tot en met de allerzwaarste en gevaarlijkste criminelen, die wij trakteren op het zwaarste regime dat we hebben. Of die dan helemaal nooit meer vrijkomen? Van mij mag het, maar er schijnt soms helaas toch een eind aan te kunnen zitten. Maar in de basis moet ik dat verschil absoluut maken. Dit geldt dus niet voor iedereen, maar het overgrote deel van de gedetineerden komt uiteindelijk wel weer terug in de maatschappij. Ik zal daar zo nog wat over zeggen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Ik vind het toch wel een beetje een raar verhaal. De staatssecretaris is in het zwart gekleed, want och, al die arme gedetineerden hebben te lijden onder code zwart. Op welke manier dan? Is het omdat ze twee weken eerder naar huis mogen? Doelt u daarop? Ik begrijp het niet. Als er iemand te lijden heeft onder deze code zwart zijn het de mensen in de samenleving, die weer worden blootgesteld aan gevaarlijke criminelen die vast horen te zitten of die niet opgespoord worden.

Staatssecretaris Rutte:

Zoals de heer Van Dijk het nu zegt, heb ik het niet gezegd en ook zeker niet bedoeld. Ik maak mij zorgen over code zwart in het gevangeniswezen, juist omdat ik vind dat mensen die een straf hebben gekregen, die straf ook fatsoenlijk moeten uitzitten en wij mensen nu gewoon eerder vrij dreigen te moeten laten. Dat is het zwarte deel. De andere kant van het zwart heeft ermee te maken dat gedetineerden ook weer terugkeren in de maatschappij, maar net zo hard weer terugkomen in de gevangenis als we dat niet fatsoenlijk regelen. Daar ga ik zo wat meer over vertellen. Beide is dus waar, maar die twee moeten we niet met elkaar verknopen. Het is niet zo dat ik mij zorgen maak over arme gevangenen in de gevangenis omdat ze eerder naar huis mogen. Die cirkel zou ik zo niet rond willen maken.

Voorzitter. Ik wil graag beginnen met een groot compliment voor de medewerkers van de DJI en van tbs-klinieken. Zij doen fantastisch werk onder soms onmogelijke omstandigheden. Zij zijn het sluitstuk van onze veiligheidsaanpak en zij verdienen echt alle lof. Die onmogelijke omstandigheden komen onder andere door de bomvolle gevangenissen. De term "code zwart" is gisteren meerdere keren gevallen. Zoals ik zonet al zei, draag ik ook om die reden een zwart pak. We hebben pijnlijke maatregelen moeten nemen. We roepen minder zelfmelders op en we laten gedetineerden met een straf van maximaal één jaar wanneer dat nodig is onder voorwaarden maximaal twee weken eerder vrij. Ondanks deze maatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenissen voor mannen boven de 99%. Dit komt onder andere doordat gedetineerden langere straffen uitzitten, er meer dan 250 tbs-patiënten in de gevangenis op hun behandeling wachten en er 40 jongvolwassenen in een reguliere gevangenis zitten.

Ik heb mijn ministerie daarom in kaart laten brengen — dat is ook gebeurd — wat er moet en wat er kan. We hebben dat ding de menukaart genoemd. Die heeft u vlak voor kerst ontvangen. Wat mij betreft, staat daarin één ding bovenaan: we moeten allereerst aan de slag met het achterstallige onderhoud van de instellingen. Als we dat niet doen, komen we in steeds grotere problemen. Daarnaast staan er ook uitbreidingen gepland, zoals een nieuwe jeugdinrichting in Harreveld. Ook zijn er in het afgelopen jaar extra meerpersoonscellen gecreëerd. Gedetineerden worden hierin geplaatst, tenzij dat volgens de directeur van de vestiging niet mogelijk is. Gedetineerden beslissen dit dus niet zelf, zoals mevrouw Schilder veronderstelde.

Dankzij de amendementen van de heren Ellian en Sneller is er incidenteel geld vrijgekomen om tijdelijk extra capaciteit te realiseren. Er komen bovendien ongeveer 200 tbs-plekken bij en wij maken het voor particuliere tbs-klinieken aantrekkelijker om uit te breiden en meer bedden beschikbaar te houden voor de forensische zorg. Om de instroom van tbs-patiënten te beperken en de uitstroom te bevorderen werk ik samen met mijn collega's van VWS aan de Werkagenda Verbeteren van de aansluiting tussen de forensische zorg en reguliere zorg.

Tegenover al deze plannen staat echter een groot personeelstekort. We moeten ons dus ook niet rijk rekenen. Zo is de vorig jaar geopende jeugdinrichting De Haven door gebrek aan personeel nog steeds niet volledig operationeel. Daarom kijk ik hoe en waar het schaarse personeel het beste kan worden ingezet. Daarnaast kijk ik naar betere doorstroom binnen instellingen. Een tbs-behandeling verloopt altijd in twee fases. Naarmate de behandeling vordert, kan in sommige gevallen de zorg naar een lager beveiligingsniveau. Hiermee spelen we naar verwachting 50 plekken op het hoogste beveiligingsniveau vrij.

Ik ben ervan overtuigd dat we ook meer op deze manier naar het reguliere gevangeniswezen moeten kijken. We schalen op wanneer iemand naar een zwaarder regime moet. De heer Ellian gaf dat net al aan. De zwaarste criminelen horen thuis in het zwaarste regime. We schalen af wanneer iemand naar een lichter regime kan. In dat laatste geval spelen we plekken vrij in een zwaarder regime en bereiden we gedetineerden beter voor op een veilige terugkeer in de samenleving. Daar hoort bij dat al tijdens detentie wordt gewerkt aan het voorkomen dat gedetineerden na hun straf terugvallen in crimineel gedrag. Ik vind dat we daarbij ook oog moeten hebben voor de behoeftes en kwetsbaarheden van specifieke doelgroepen. Zo kan een licht verstandelijke beperking iemands gedrag beïnvloeden en de kans op recidive vergroten. Helaas zitten er erg veel mensen met een licht verstandelijke beperking bij ons in de gevangenissen. Dat vraagt om een specifieke begeleiding tijdens detentie, maar het vraagt ook iets van de zorg en van de samenleving. Als we meer aandacht hebben voor deze mensen en hun een eerlijkere kans geven om hun leven te beteren, wordt Nederland veiliger.

Ik noem een paar harde cijfers die onderstrepen waarom het zo belangrijk is dat we met z'n allen werken aan een veilige terugkeer van gedetineerden. Ook de reclassering kan daardoor haar werk beter doen, want net zoals de heer Sneller erken ik de maatschappelijke meerwaarde van het reclasseringswerk. Jaarlijks hebben we 23.000 ex-gedetineerden. 47% van de volwassen personen die tussen 2010 en 2019 uitstroomden kwam binnen twee jaar weer met justitie in aanraking. 27% kwam binnen twee jaar weer in detentie terecht. Het gaat echt om duizenden cellen. Wat is de reden dat zo veel mensen weer in de fout gaan? Daar bestaat geen eenduidig antwoord op. Het simpelste om te zeggen is dat ze iets doen wat niet mag. Dat is ook zo en dat moeten we dan ook afstraffen. Dat is ook zo. Laten we dus eens kijken naar de meeste recente Recidivemonitor. Ik wil een paar relevante cijfers noemen. Een groot deel van de gedetineerden heeft zowel voor als na detentie problemen met de basisvoorwaarden om mee te kunnen draaien in onze samenleving. 80% heeft geen dagbesteding, zoals werk of een opleiding. 80%! 30% heeft geen inkomen uit werk, uitkering of pensioen. 60% heeft problematische schulden.

In mijn inleiding noemde ik al dat ex-gedetineerden ook werk nodig hebben om weg te kunnen komen van hun criminele leefstijl. Ik doe hier dus een oproep aan alle werkgevers in Nederland: hoe lastig het misschien ook lijkt, geef ex-gedetineerden een kans! Doet u het niet voor hen, doet u het dan voor een veiliger Nederland. Om ook de aankomende jaren straffen ten uitvoer te kunnen leggen en recht te doen aan de belangen van slachtoffers, medewerkers van DJI, de samenleving en gedetineerden is nú het moment om breder te kijken naar het capaciteitsprobleem.

Aan de andere kant is er voortgezet crimineel handelen in detentie. Dat is een ander vraagstuk. Door de succesvolle aanpak van georganiseerde criminaliteit zitten er steeds meer hoogrisicogedetineerden in onze gevangenissen. Als zij voldoen aan bepaalde criteria, worden zij geplaatst in een Afdeling Intensief Toezicht of in de extra beveiligde inrichting, de AIT of de ebi. Dankzij een motie van de heren Ellian en Wilders krijgt de ebi dit jaar nog twaalf extra plekken. Daarnaast gelden sinds 1 november van vorig jaar de nieuwe maatregelen uit de Penitentiaire beginselenwet voor de gedetineerden in de ebi en de AIT's. Kort gezegd betekent dit minimale communicatie en maximaal toezicht voor een betere bescherming van de samenleving, van gevangenispersoneel en van advocaten.

De geuite zorgen van de advocatuur hebben mijn volle aandacht. DJI en de orde van advocaten zijn met elkaar in gesprek over de precieze uitvoering van de maatregelen en de zorgen van de advocatuur. DJI voert in het eerste kwartaal van dit jaar intern een audit uit op het visueel toezicht. Daarnaast wordt ook een onafhankelijke partij gevraagd hierop een audit uit te voeren.

Contrabande in gevangenissen is mij een doorn in het oog. We moeten telefoons kunnen opsporen voordat ze een gedetineerde bereiken. Ook hier wordt flink in geïnvesteerd. Dankzij een motie van de heer Ellian zijn er verscherpte controles om contrabande in gevangenissen te weren en op te sporen en komt er een nieuwe taskforce, die in het tweede kwartaal operationeel is. Ik weet dat dat nog steeds niet snel genoeg is voor de heer Ellian. Ik doe er alles aan om dit moment naar voren te halen. Daarnaast investeer ik in nieuwe techniek om de beveiliging in en om de penitentiaire instellingen te versterken.

Daarmee beëindig ik het blokje gevangeniswezen. Ik zie mensen opstaan.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb een korte vraag in het kader van de capaciteitsproblemen. Ik was benieuwd of er nog actualiteiten zijn rondom het justitieel complex in Vlissingen. Een tijdje terug waren er allerlei discussies en problemen rondom stroomvoorziening. De vraag is: liggen ze nog op koers om in 2030 open te gaan?

Staatssecretaris Rutte:

Voor zover ik weet, ligt men nog steeds op koers. Daar wordt vol op ingezet.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Ik ben blij dat de staatssecretaris begon over de menukaart. Kan de staatssecretaris aan de slachtoffers en de samenleving uitleggen dat veroordeelde criminelen eerder vrijkomen door een cellentekort, terwijl dat tekort aan cellen mede wordt veroorzaakt doordat de één stamppot wil eten en de ander couscous?

Staatssecretaris Rutte:

Ik vind het slecht uit te leggen, eigenlijk helemaal niet uit te leggen, dat mensen eerder vrijkomen en dus niet hun hele straf uitzitten, maar ik geloof niet dat dat te maken heeft met de eetvoorkeuren van de gedetineerden.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Maar in uw beantwoording heeft u wel gezegd dat daar rekening mee wordt gehouden.

Staatssecretaris Rutte:

Dat gaat over het vraagstuk of mensen op een eenpersoonscel of een meerpersoonscel komen. Het vraagstuk of iemand op een eenpersoons- of meerpersoonscel komt, hangt niet af van de voedingsvoorkeuren. Maar wie met wie op een cel terechtkomt, kan wel daarmee te maken hebben; rokers bij elkaar, niet-rokers bij elkaar. Maar iemand kan niet zeggen: ik eet graag couscous, dus zet mij maar alleen op een cel. Zo werkt het niet.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik wil graag aan de staatssecretaris vragen om een reactie op de stakingen die gaande zijn in de p.i.'s. Ik ben benieuwd naar zijn reactie daarop.

Staatssecretaris Rutte:

De zorg voor de medewerkers van DJI … Ik maak me gewoon zorgen over hoe zij hun werk doen in omstandigheden die buitengewoon ingewikkeld zijn. Daar hoort salariëring dan ook nog een keer bij. Dat is een sluitstuk van hoe je als werkgever met je werknemers omgaat. Onder die enorme druk, met een bezetting van 99%, nemen ook die zorgen toe van medewerkers over hoe zij hun werk moeten doen en de omstandigheden waarin dat gebeurt. Dat moet ik me aantrekken en daar heb ik ook oog voor. Als het gaat om de cao-onderhandelingen, dan heb ik daar als staatssecretaris van Justitie helaas nul invloed op. De medewerkers van DJI vallen onder de cao Rijk. De onderhandelingen voor die cao lopen via het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Heeft de staatssecretaris nog gesprekken gevoerd met zijn collega? Ik kan me voorstellen dat u zegt "het gaat me heel erg aan", maar heeft u gesprekken gevoerd met uw collega over die cao-onderhandelingen en wat u kunt betekenen voor die gevangenismedewerkers?

Staatssecretaris Rutte:

Nee. Ik heb vorig jaar wel, mede op instigatie van de heer Van Nispen van de SP, de medewerkers van DJI een eenmalige tegemoetkoming gegeven, €500 netto. Die financiële ruimte was er en heb ik ook benut. De cao-onderhandelingen zelf laat ik echt aan de minister van Binnenlandse Zaken, die daarin het brede palet aan belangen vanuit het hele Rijk zal moeten wegen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik snap dat antwoord, maar ik vind het ook zeer onbevredigend. Ik vind het ook te makkelijk. Deze staatssecretaris gaat natuurlijk wel over de veiligheid in de gevangenissen, over de capaciteit die er is binnen de gevangenissen. Om dan net te doen alsof het personeel daar geen factor in is en de facto dus ook de acties die het personeel nu voert … Zij zeggen: het is code zwart in de gevangenissen bij ons werk. Ze lopen met bosjes weg en over naar private beveiliging. Ik vind het te makkelijk. Ik zou toch de staatssecretaris hier willen oproepen om te zeggen: ik steun deze actievoerders en snap waarom ze actievoeren en ik ga me ervoor inzetten dat zij gewoon een fatsoenlijke beloning krijgen.

Staatssecretaris Rutte:

Volgens mij ben ik mijn betoog bij dit onderdeel, het gevangeniswezen, begonnen met het uitspreken van mijn enorme waardering voor de medewerkers van DJI. Dat is niet voor niks. Ik heb vele werkbezoeken afgelegd in de korte periode dat ik staatssecretaris ben. Ik ben diep onder de indruk van hun professionaliteit, maar hoor ook hun verhalen over hoe zwaar het soms kan zijn en wat ze voor de kiezen krijgen. Ik hoor ook veel over hun liefde voor het vak. Dus het is dat alles bij elkaar. Zonder hen geen gevangenissen. Bij elke keuze die wij maken rondom het gevangeniswezen moet de veiligheid van medewerkers vooropstaan. Mensen moeten veilig en goed hun werk kunnen doen. Op de beloning heb ik eerlijk gezegd geen invloed. Ik sta niet als onderhandelaar aan tafel. Elke toezegging die ik daarover doe, heeft hier dus helemaal geen waarde. Daarom doe ik dat ook niet; dat is me te makkelijk. Maar laat duidelijk zijn dat ik absoluut achter deze medewerkers sta. Er komen ook weleens maatregelen en suggesties mijn kant op om a, b, c of d in het gevangeniswezen te doen. Als die naar mijn inschatting de veiligheid van medewerkers in gevaar brengen, doen we die dus ook niet.

Mevrouw Dobbe (SP):

Maar als de staatssecretaris zegt achter deze medewerkers te staan, dan hoort hij daar acties aan te verbinden. Dan hoort hij daarbij ook te zeggen: ik ga mij inzetten voor de eisen die dit belangrijke personeel neerlegt en die nodig zijn om hun werk te blijven doen. Want zij kunnen geen brood kopen en de koelkast niet vullen met woorden van waardering of met liefde voor het vak. Ziet de staatssecretaris dat ook?

Staatssecretaris Rutte:

Ik heb vorig jaar gedaan wat ik kon binnen de marges die er waren en me hardgemaakt voor een eenmalige uitkering voor medewerkers. Dat vond ik toen ook terecht. Voor de rest lopen de cao-onderhandelingen nu. De uitkomst daarvan kennen we niet. Daar wil ik het voor nu bij laten.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dan zou ik de staatssecretaris, die verantwoordelijk is voor de veiligheid in de gevangenissen, graag willen vragen wat hij denkt dat er gaat gebeuren op het moment dat het personeel zegt: het is code zwart. Wat gaat er gebeuren met de capaciteit van onze gevangenissen als ze weglopen van het vak dat ze met zoveel liefde doen omdat het gewoon niet meer kan en ze elders wel genoeg verdienen om de koelkast te kunnen vullen? Daar moeten wij hier dan ook rekening mee gaan houden, want het heeft natuurlijk ook gevolgen. Of denkt de staatssecretaris dat dit zonder gevolgen blijft?

Staatssecretaris Rutte:

Het hele pakket van arbeidsvoorwaarden en de omstandigheden waarin mensen hun werk moeten doen, is van groot belang. Daarvan is de salariëring een onderdeel, maar veel belangrijker is dat je je werk goed en veilig kunt doen, dat je prettige collega's hebt en dat je goed wordt begeleid, met alles wat daarbij hoort. Van mijn kant neem ik de verantwoordelijkheid om te zorgen dat we het gevangenissysteem niet nog verder overbelasten, simpelweg omdat dit niet kan en niet veilig is. Daar ligt mijn verantwoordelijkheid. Met de maatregelen die we nemen, moeten we datgene doen wat de gedetineerden veilig kan houden, maar bovenal de medewerkers. Over het salaris ga ik simpelweg niet. Iedereen kan mij daarop bevragen, maar ik ga er niet over, zoals ik ook niet ga over de salariëring van de medewerkers bij de Belastingdienst, die onder dezelfde cao vallen. Dat is echt aan de minister van Binnenlandse Zaken. De begroting Binnenlandse Zaken is volgende week.

De heer Ellian (VVD):

De staatssecretaris is ook Kamerlid geweest. Hij weet dat je als Kamerlid informatie nodig hebt om uiteindelijk het beleid van de regering te kunnen controleren, bijvoorbeeld of moties worden uitgevoerd.

Staatssecretaris Rutte:

Zeker.

De heer Ellian (VVD):

Wat vindt de staatssecretaris dan van het volgende? Ik heb gevraagd om de groepsindeling van de extra beveiligde inrichting. Mij wordt aangegeven dat het de veiligheid van de samenleving in gevaar zou brengen, terwijl dit Kamerlid ook geïnformeerd wordt over counterdronemaatregelen en staatssteun aan een bepaald bedrijf, bijvoorbeeld in de Defensiecommissie. Dat heeft dezelfde vertrouwelijkheidsclassificatie. Begrijpt de staatssecretaris dat ik op deze manier mijn werk niet kan doen?

Staatssecretaris Rutte:

Deze vraag heeft de heer Ellian vele keren gesteld. Inderdaad, aan de ene kant is het antwoord dat het de staatsveiligheid raakt. Daar sta ik ook voor. Soms kun je daar met een workaround in vertrouwelijke briefings nog omheen. Maar in dit geval raakt het ook, ook al vinden we dat niet leuk, aan privacygevoelige factoren. De optelsom van beide leidt ertoe dat ik die informatie niet kan geven.

De heer Ellian (VVD):

Genoteerd. De bewindspersoon vindt de privacy van deze zware criminelen, die dood en verderf zaaien, dus zwaarder wegen dan mijn controlerende taak. Fine, want ik heb de groepsindeling gevonden. Maar dit is voor rekening van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter, ik heb wel een klein persoonlijk feit.

De voorzitter:

Meneer de staatssecretaris, de heer Ellian is aan het woord.

De heer Ellian (VVD):

Ik heb de groepsindeling dus gevonden en ik heb vorig jaar een breed aangenomen motie ingediend om er alsjeblieft voor te zorgen dat deze gedetineerden niet met elkaar kunnen overleggen in de extra beveiligde inrichting.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Ellian (VVD):

Vindt de staatssecretaris dat aan deze motie is voldaan?

Staatssecretaris Rutte:

Ten eerste de vraag of ik de privacy als belangrijker weeg dan de controlerende taak van de heer Ellian. Dat is natuurlijk niet zo. Ik heb mij aan wet- en regelgeving te houden. Op basis daarvan kom ik tot mijn conclusie. Daar vind ik persoonlijk van alles van, maar wat ik vind, doet hier niet ter zake. Ik heb hier gewoon te staan als bewindspersoon en handel op basis daarvan. Dan de vraag over de motie van de heer Ellian. Ook daarover hebben we vaker van gedachten gewisseld. Dan komen we terug bij een antwoord dat hem niet bevredigt, namelijk dat het uitgangspunt een individueel programma is en dat er op basis van een risicoweging wordt bekeken of sommigen wel of niet incidenteel met elkaar kunnen recreëren, onder andere op basis van wettelijke regelingen en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Maar er wordt continu gekeken en gewogen of dat kan, of dat veilig is en of de internationale veiligheid daarbij in het geding is.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik vind overigens dat u prettig voorzit. Dat mogen we ook eens zeggen.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Ellian (VVD):

Ik zeg dit voor eigen rekening, want de staatssecretaris gaat het niet zeggen. Dit is voor de mensen die luisteren, want ik weet dat er geïnteresseerden meeluisteren. Ik heb de groepsindeling hier voor me liggen; die heb ik gekregen. Voor zover ik zie, zijn er wel degelijk groepjes. De minister van Justitie zit hier ook bij, dus ik vraag hem ook even te luisteren. Er zijn twee grote netwerken in Nederland: die van Bolle Jos en van Ridouan Taghi. De meeste kopstukken daarvan zitten in een extra beveiligde inrichting. Je kunt toch niet de stelling innemen dat het ongevaarlijk is dat zij met elkaar kunnen praten? In Italië is het uitgangspunt dat binnen een clan of familie in detentie nooit contact mogelijk mag zijn. Waarom doen jullie niet gewoon wat ik vraag namens de VVD, in het belang van de staatsveiligheid?

Staatssecretaris Rutte:

Het blijft ongemakkelijk om hierop te antwoorden. Die groepsindeling, waarvan de heer Ellian zegt dat hij die heeft — dat zal ongetwijfeld zo zijn — heb ik niet. Ik vind dat we dit moeten overlaten aan de instanties die de veiligheid wegen. Zij benadrukken iedere keer opnieuw dat er alleen contact kan zijn als de veiligheidssituatie dat toelaat, en daarop moet ik hen vertrouwen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik begrijp goed wat collega Ellian zegt, ook over het aanpakken van deze georganiseerde maffiabendes, maar ik heb een andere vraag. Ik steun hem dus wel. Ik maak me te veel zorgen over hoe het nu gaat. Terug naar code zwart, waar de staatssecretaris ook uiting aan geeft in zijn kleding. Ik vind het mooi dat een bewindspersoon laat zien dat de situatie en wat medewerkers daardoor meemaken hem ook pijn doen. Ik vraag me af op welk moment de staatssecretaris voor ogen heeft dat we van code zwart af zijn.

Staatssecretaris Rutte:

De uitdagingen in het gevangeniswezen zijn buitengewoon omvangrijk en complex. Ik heb niet voor niks laten uitzoeken welke opties er allemaal op tafel liggen en aan welke knoppen we allemaal kunnen draaien. Dat is geland in een ambtelijke verkenning — die heeft u wellicht ook gezien — met een heel pakket aan mogelijke maatregelen. De betrokken ambtenaren hebben daarin een drietal scenario's geschetst.

Het eerste scenario gaat uit van een hele forse investering in gebouwen. Als we dat scenario zouden volgen, wat kan en waar ook wel wat voor te zeggen valt, mits we de middelen hebben, duurt het nog steeds lang voordat we weer voldoende capaciteit hebben. Het tweede scenario is meer een mengvorm. Ieder scenario begint overigens met de renovatie van bestaande gevangenissen; dat duurt ook lang, maar het moet gebeuren. Dat proces is al in gang gezet.

Dan heb je nog een aantal andere knoppen waar je aan kunt draaien, maar dat moet wel politiek gewogen worden. Zo is een penitentiair programma waarmee gedetineerden iets eerder vrijkomen, maar wel gemonitord worden met bijvoorbeeld een enkelband, op dit moment, binnen de wettelijke kaders, niet zomaar morgen mogelijk, maar het zou wellicht wel sneller kunnen als onderdeel van het pakket. Dat is ook geen oplossing voor 100%. Er zitten dingen bij die veel geld kosten en lang duren, en dingen die misschien iets voordeliger zijn, maar wel veel politieke besluitvorming en steun vragen. Ik heb het niet morgen opgelost, maar ik denk wel dat alle opties nu op tafel liggen. Het is aan de politiek en het nieuwe kabinet, dat hopelijk op korte termijn aantreedt, om hierin keuzes te maken.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Deze staatssecretaris heeft zich in een korte termijn enorm snel ingewerkt op dit dossier. Ik spreek mijn waardering daarvoor uit. Het is geen makkelijke klus. Ik denk dat hij wel een gerechtvaardigde inschatting kan maken binnen welke bandbreedte we het probleem van code zwart weer naar een behapbaar scenario kunnen krijgen. Wat is zijn inschatting daarvan?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een lastige vraag. Het is bijna een quizvraag; ik kan die vraag niet helemaal beantwoorden, want het hangt van de keuzes af. Ik geef een voorbeeld waarbij ik deels afhankelijk ben van dingen die ik niet helemaal in de hand heb. Dankzij de middelen die de heren Sneller en Ellian hebben vrijgemaakt, is er ruimte gekomen om met een bajesboot, een gevangenisboot, een behoorlijke verlichting te kunnen geven op de druk in het gevangeniswezen. Het is vooralsnog niet gelukt om in ons land een aanlegplaats voor die boot te vinden. Ik leg het hier maar even neer. Ook dat vraagt om bestuurlijke moed. Daar wordt hard aan gewerkt en hard aan getrokken, maar die boot is er nog steeds niet. Als dat een halfjaar geleden al was gelukt, toen er middelen waren, dan was die boot nu ongeveer operationeel geweest. Je moet hem eerst aanleggen en zo; dat kost een hoop tijd. Zelfs de incidentele dingen die je kunt doen, vragen elders weer bestuurlijke moed van mensen die de stap vooruitzetten en zeggen: dit gaan we doen. Zelfs dat is taai en lastig, maar het zou wel helpen als dat soort stappen worden gezet. Die optie ligt er dus nog. Die zou zeker helpen, ook gezien de renovatieopdracht die er ligt. Je zult dan waarschijnlijk nog steeds aanvullend een aantal andere maatregelen moeten nemen. Dat moet dan hier politiek plaatsvinden. Het gaat nog wel op z'n minst een jaar knellen, ook als alles op zijn plek valt; houd daar rekening mee.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dan hoop ik dat de staatssecretaris meerdere zwarte pakken heeft, totdat we er echt vanaf zijn. Mijn grotere zorg — dat is een veel grotere zorg — is eigenlijk dat we dit al jarenlang zeggen tegen het ministerie van Justitie. Ik weet nog dat we de nieuwe wet aannamen waarin we zeiden dat we anders omgaan met de gevangeniscapaciteit, ook al wisten we dat mensen daardoor langer zouden moeten zitten en minder snel in vrijheid zouden worden gesteld. Dat kan een terecht politieke wens zijn.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik heb die wet gesteund, maar wel met de gedachte: dan moet er ook geïnvesteerd worden in die gevangenissen. Ziet de staatssecretaris dat we ons op dat punt telkens laten verrassen door de harde realiteit? Dat zou vreemd zijn, omdat dit vooruitdenkend allemaal uit te tekenen valt. Zou hij de Kamer in ieder geval willen doen toekomen op welk moment gevangenissen gerenoveerd moeten worden? Het is volstrekt logisch dat dat vraagt om extra capaciteit, want het is volstrekt logisch dat als je een gevangenis in de jaren tachtig bouwt, die in 2025 niet meer voldoet. Hetzelfde geldt voor de jaren negentig enzovoort.

Staatssecretaris Rutte:

Het overzicht van wat wanneer gerenoveerd moet worden, is ongetwijfeld te realiseren. Ik laat dat dus opstellen. Ik heb dat niet meteen in de tweede termijn al beschikbaar, maar dat komt er wat mij betreft nog aan.

Het andere punt dat mevrouw Bikker maakt, is zeer terecht. In de analyse in de menukaart staat ook uitgebreid beschreven hoe wij hier hebben kunnen komen. Dat raakt ons als gezichten van het ministerie, maar ook de Kamer. Executie zit aan het eind van de strafketen. Het is geen uniek Nederlands fenomeen, nog los van de operatie die we tot ongeveer tien jaar geleden hebben gehad om gevangenissen te sluiten omdat ze voor een groot deel leeg stonden. Dat zal niet hebben geholpen. Ik weet niet of we dat nu weer zouden doen. Bijna elk Europees land worstelt hiermee.

Het tweede is dat het aan het einde van de keten zit. We nemen hier vaak beslissingen aan het begin van de keten. Denk aan meer blauw op straat, meer opsporingscapaciteit en het opsporen van criminele netwerken. Daar zijn we enthousiast over, maar de vraag wat dat betekent als dat een succes wordt, stellen wij ons politiek te weinig. Ik denk — dat zou mijn advies zijn, maar ik sta hier als bewindspersoon, dus ik kan niet te veel adviseren — dat het wel verstandig is om die vraag meteen mee te nemen als je aan de voorkant dingen doet. Onze succesvolle opsporing van criminele netwerken, zoals van de heer T., die nu in de ebi zit, en zijn kompanen, doet bijvoorbeeld echt heel veel met de gevangeniscapaciteit. Je pakt dan meer boeven en zwaardere boeven op, met langere straffen. Die verstoren de capaciteit verreweg het meest.

De heer Struijs (50PLUS):

Een phrase uit de song San Quentin was ook: San Quentin, I hate every inch of it. Dat is maar goed ook, want vergelding hoort daar ook bij. Dat was toen in een hele andere context dezelfde discussie als we hier nu ook hebben. Ook ik ben een jong en enthousiast Kamerlid, maar ik loop wel wat langer mee. Mijn vraag aan de staatssecretaris is toch, als ik door de brei heen kijk van het gevangeniswezen en alle maatregelen, of er voldoende wordt gedaan — dat is ook een onderdeel van code zwart — om het personeel te beschermen en weerbaar te maken. Zijn er voldoende aanspreekpunten op het moment dat zij iets constateren, bijvoorbeeld bedreigingen in hun vrije tijd om toch criminele handelingen die worden voortgezet toe te laten et cetera?

Staatssecretaris Rutte:

De heer Struijs raakt aan een terecht punt van zorg. In gevangenissen zitten voor een deel hele enge mensen die ook hele nare dingen voorhebben en er belang bij hebben om bijvoorbeeld contrabande een gevangenis in te krijgen. Die kunnen daarvoor medewerkers onder druk zetten. Ik vind het cruciaal — daar moeten we pal voor staan — dat die signalen worden gezien door de leiding in gevangenissen en dat ook de politie daarvoor openstaat. Dat is dus wel een punt van aandacht. Als de heer Struijs denkt dat dat beter en anders kan, dan denken we daar graag over mee. Het is namelijk absoluut een punt van zorg.

De heer Struijs (50PLUS):

Hier kom ik zeker op terug, dank u.

De heer Ellian (VVD):

Het lijkt nu net alsof de staatssecretaris net zei dat het pakken van die grote boeven — ik kijk dan ook maar weer even de minister van Justitie aan — de capaciteit dermate verstoort. Ik moet lachen, maar dat is niet omdat ik het grappig vind. Ik mag toch hopen dat het uitgangspunt nog steeds is dat bij elke grote boef die we vangen, inclusief de hele familie, de vlag uitgaat en we die ebi vullen. Ik hoop toch dat dat nog steeds het uitgangspunt is.

Staatssecretaris Rutte:

Als daaraan getwijfeld zou worden door de heer Ellian, heb ik mij heel verkeerd uitgedrukt. Ik denk dat de heer Ellian ook snapt dat we die grote boeven willen pakken en dat ze, laat ik zeggen, een speciale behandeling krijgen in de ebi of AIT. Dat is nodig ook, maar dat is de minst efficiënte manier om iemand op te sluiten en dat heeft een enorme impact op de capaciteit. Het is alleen niet voor niks dat we het aantal ebi-plekken uitbreiden, want we verwelkomen de zware boeven met liefde in ons gevangeniswezen. Het heeft alleen wel impact.

De heer Ellian (VVD):

Ik ga even voor mijn eigen stad pleiten; ik weet niet of de vlag daar nu uit gaat. Ik heb eerder aan deze staatssecretaris gevraagd waarom nou de keuze is gemaakt voor Harreveld, terwijl het hetzelfde zou kosten als je Almere zou openen. Het had alleen 300 plekken meer opgeleverd; dan had de staatssecretaris misschien een roze of oranje das om kunnen doen. Ik kan deze keuze gewoon nog steeds niet volgen. Ik denk dat een groot deel van de Kamer ook blij zou zijn met 360 extra plekken. We kunnen het nu niet echt meer aanpassen; het is een beetje lullig dat ik dat nu zelf zeg. Gelooft de staatssecretaris echt in de juistheid van deze keuze?

Staatssecretaris Rutte:

De keuze is gemaakt voordat ik aantrad. Ik vind het heel lastig om daar dan in te duiken. Ik ken wel de argumenten waarom voor Harreveld is gekozen. We hebben op dit moment te veel jongeren die in het reguliere gevangeniswezen een plek bezet houden. Ik weet dat de heer Ellian zou zeggen: ja, maar dat is nog steeds niet een-op-een en het is dus efficiënter om reguliere plekken te hebben dan plekken voor jongeren. Ja, dat klopt. Aan de andere kant is Harreveld wat goedkoper dan heropening van Almere. Dat is één kant; we hadden niet voldoende middelen om heel Almere te heropenen. Het tweede argument is dat we conform internationale verplichtingen jongeren uiteindelijk niet zomaar in een reguliere gevangenis mógen laten zitten.

Als je dat bij elkaar optelt — het budget was dus niet voldoende en we moeten jongeren laten doorstromen — kan ik wel begrijpen waarom die keuze is gemaakt. Los daarvan snap ik wel het ongemak dat het ons maar niet lukt om de gevangenis in Almere te heropenen. Je zou toch denken dat dat moet kunnen. "Er staat namelijk een heel gebouw. Dat kan toch morgen open? De muren staan er nog. Alles is er nog." Ik ben er onlangs samen met de burgemeester van Almere en de mensen van DJI nog op werkbezoek geweest. Ik kom op dit moment niet verder dan het punt dat als de capaciteit kan worden uitgebreid, Almere de plek is waar we het doen. Dat blijft ook zo, maar dat is wel erg afhankelijk van het budget en dat budget zit helaas niet in deze begroting.

De voorzitter:

Staatssecretaris, de antwoorden mogen iets korter.

De heer Sneller (D66):

Mevrouw Bikker vroeg aandacht voor de Wet straffen en beschermen. De staatssecretaris zegt dat er in het begin onvoldoende rekening mee is gehouden. Ik zie dat de wet in de TNO-analyse van de capaciteitstekorten in het gevangeniswezen wel wordt meegenomen, maar in de menukaart zie je dat soort opties helemaal niet terug. Ik vroeg me af wat daar nou achter zit.

Staatssecretaris Rutte:

Dat herken ik niet. Volgens mij is de menukaart redelijk compleet qua opties die je hebt om cellencapaciteit en capaciteit in het algemeen vrij te spelen, en qua knoppen waaraan je daarvoor kunt draaien. Ik zie daarin zelf geen omissie, maar misschien kan de heer Sneller dat nader uitleggen.

De heer Sneller (D66):

Dat is de vraag aan de staatssecretaris: heeft hij nou gekeken welke wettelijke kaders er zijn waarbinnen je dat kunt doen? Of zegt hij: nee, ik heb echt alles in beeld gebracht wat er kan gebeuren om iets te doen aan de capaciteit in het gevangeniswezen, ook bijvoorbeeld het terugdraaien van de vi-aanpassing?

Staatssecretaris Rutte:

Op de menukaart staan die opties wel degelijk. Die menukaart beperkt zich niet tot het huidige wettelijke kader. Er staan dingen in die nu niet passen, zoals de eerder genoemde ruimere vi-datum. Er staan ook de marges in waarbinnen je die zou kunnen inzetten. Die marges zijn ruimer dan in de huidige praktijk. Dat wordt dus gezien als een soort extra maatregel die je zou kunnen nemen, mits je daarvoor de wet aanpast en mits je dat wilt. Daarmee zou je capaciteit kunnen vrijspelen, maar daar heb je dan wel politieke steun voor nodig. Je zult namelijk wel aanpassingen moeten doen. De opties staan er zeker in.

De voorzitter:

U continueert met de beantwoording op het punt huiselijk geweld en femicide.

Staatssecretaris Rutte:

En kindermishandeling, om het maar gezellig te houden! Maar het is niet gezellig en dat is ook de reden dat het aandacht krijgt. Voordat ik helemaal in de wereld van huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide duik, zou ik iets willen zeggen over slachtoffers in het algemeen. De impact van een strafbaar feit kan groot zijn, en het leven van sommige slachtoffers en nabestaanden verandert hierdoor blijvend. Tijdens de Dag Herdenken Geweldslachtoffers sprak ik met slachtoffers en nabestaanden. Het werd mij duidelijk hoe zij nog jaren na het misdrijf worstelen, fysiek, psychisch en financieel. Vanuit de overheid is laagdrempelige hulp en ondersteuning op meerdere gebieden beschikbaar. Zo kunnen slachtoffers en nabestaanden gebruikmaken van kosteloze juridische en sociaal-emotionele ondersteuning door Slachtofferhulp Nederland. Die kan slachtoffers ook doorverwijzen naar specialistische hulp en ondersteuning. Alleen zijn niet alle slachtoffers bekend met dit soort beschikbare hulp. Hierin hebben we echt nog wel een slag te maken.

Voorzitter. A Minute of Shelter — vrij vertaald: een moment van beschutting — is de naam van een indrukwekkend kunstwerk op de Coolsingel in Rotterdam. Beeldend kunstenaar Narges Mohammadi vraagt met een reliëf van een badkamer in een bakstenen muur aandacht voor huiselijk geweld en femicide. Waarom een badkamer? Omdat die vaak op slot kan. Daardoor is het voor veel vrouwen en kinderen de enige plek in huis waar ze zich een beetje veilig voelen. Als vader van twee volwassen dochters raakt mij dit diep. Het is een onderwerp dat ons thuis niet loslaat. Gelet op de ruime inbreng op dit onderwerp gisteren, laat het ook de Kamer niet los. Dat was niet alleen gisteren, maar ook de afgelopen jaren. Ik zie veel mensen in de Kamer zitten die dit onderwerp keer op keer onder de aandacht brengen en er actie op willen. Dat is maar goed ook, want we hebben in Nederland een groot veiligheidsprobleem. Sinds jaar en dag staan de media bol van verhalen over huiselijk geweld, kindermishandeling en ernstig geweld tegen meisjes en vrouwen. Dit kunnen dus ook oudere vrouwen zijn, zoals de heer Struijs benadrukte. We horen verhalen die tot maatschappelijke afschuw en woede leiden. De meeste verhalen die we horen, gaan over geweld met fatale afloop. Andere verhalen horen we niet of minder vaak. Die gaan over de vrouwen en kinderen voor wie de badkamer een dagelijkse realiteit is. Dat zijn verhalen over fysiek, seksueel en psychisch geweld. Ook deze slachtoffers worden nog te weinig gezien. Huiselijk geweld is vaak geen opzichzelfstaand incident. Vaak is er sprake van een langdurig patroon van kleine en grote gebeurtenissen.

Met pilots en nieuwe maatregelen proberen we dit geweld beter aan te pakken. We kijken naar wat er wél kan en nemen belemmeringen zo veel mogelijk weg. Met Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de Kinderbescherming, reclassering en het Openbaar Ministerie werken we aan een betere dossieropbouw in zaken waarin psychisch geweld voorkomt. Als we onderliggende patronen meer feitelijk vastleggen, kan een rechter beter tot een oordeel komen. Daarnaast kan iedere Veilig Thuis-organisatie vanaf komende maand digitaal checken of bijvoorbeeld de politie bekend is met iemand over wie Veilig Thuis een melding heeft ontvangen. Dit betreft de koppeling van signalen waaraan mevrouw Coenradie en de heer Van den Brink refereerden.

Ik weet dat er Kamerleden zijn die femicide zwaarder willen bestraffen. Ik bekijk op dit moment wat er wettelijk mogelijk is. Dat betrek ik bij de voorbereiding van het wetsvoorstel over een afzonderlijke strafbaarstelling van psychisch geweld. Daarnaast wordt momenteel in opdracht van het WODC onderzocht in hoeverre de rechtspraak femicide en genderspecifieke motieven en factoren meeweegt. Dit moet ons relevante informatie bieden over onder meer de strafoplegging in dergelijke zaken. In het wetsvoorstel dat ik zojuist noemde, neem ik ook het vervallen van het klachtvereiste voor stalking mee. Vervolging is daarmee niet langer afhankelijk van aangifte van stalking. Het Openbaar Ministerie kan dan ook uit eigen beweging besluiten om tot vervolging over te gaan. Dit wetsvoorstel gaat naar verwachting nog voor deze zomer in internetconsultatie.

Soms kan een tijdelijk huisverbod nodig zijn om bij een dreiging van huiselijk geweld in te grijpen. Mevrouw Mutluer vroeg naar de mogelijkheden om dit verbod te versterken. In een aantal grote steden verkennen gemeenten en uitvoeringsorganisaties hoe we dit middel eerder en beter kunnen inzetten. Ze kijken onder andere naar de risicotaxatie en de duur van het verbod. In dat kader onderzoek ik ook of burgemeesters aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen opleggen om slachtoffers beter te beschermen. Denk aan een zelfstandig contact- of gebiedsverbod.

Ik heb niet het hele blokje afgesloten, maar ik kan mij voorstellen dat dit al leidt tot interrupties, voorzitter.

De voorzitter:

Duurt het blokje nog lang? Anders zou ik mij ook kunnen voorstellen dat we het even helemaal afronden en ik daarna ruimte geef voor interrupties.

Staatssecretaris Rutte:

Dit blokje duurt nog even.

De voorzitter:

Oké, dan geef ik de ruimte voor één interruptieronde.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik hoor eigenlijk allemaal hartstikke mooie dingen. Ik hoor een staatssecretaris die echt aan alle kanten de urgentie hiervan voelt en deelt met de Kamer. De wetten die eraan komen, onderstrepen heel veel. Ik ben wel benieuwd of de staatssecretaris met mij de mening deelt dat de rechtspraak misschien wel hetzelfde gevoel van urgentie heeft, maar niet altijd dezelfde kennis heeft die nodig is om goed te beoordelen of er sprake is van patronen of huiselijk geweld. Is de staatssecretaris het met mij eens dat intieme terreur echt anders is dan enkel een verhaal dat je hoort van een slachtoffer of een mogelijke dader?

Staatssecretaris Rutte:

Mevrouw Coenradie raakt aan een belangrijk punt. Het is precies de reden waarom we voor al die organisaties de mogelijkheid hebben gecreëerd om informatie met elkaar te delen en aan betere dossieropbouw te doen. Als je in één keer moet beoordelen of een handeling strafbaar is, is het vaak te weinig, maar nu hebben we mogelijk gemaakt dat het in een optelsom als een patroon kan worden gezien, waardoor het alsnog strafbaar wordt. Ik kan me wel voorstellen dat het wetsvoorstel dat van de zomer in internetconsultatie gaat, daarin nog aanvullend noodzakelijk is.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dan heb ik tot slot een vraag. In België bestaat de mogelijkheid voor rechters — sterker nog, het is een verplichting — om hierover veel meer kennis te krijgen. Dat is in de vorm van een aanvullende cursus. Dan weet men, even los van wat ze aangeleverd krijgen: dit moet ik op deze manier beoordelen en herkennen. In hoeverre is deze staatssecretaris van mening dat dat ook voor de Nederlandse rechtspraak van toegevoegde waarde zou kunnen zijn?

Staatssecretaris Rutte:

Het is in ieder geval van grote toegevoegde waarde dat er regelmatig contact is, onder meer tussen mij — straks geldt dat voor mijn opvolger — en de rechtspraak over dit soort thema's. Dat heb ik de afgelopen maanden steeds opnieuw gedaan. Ik merkte bij de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak dat die echt erkent: wij moeten als rechtspraak stappen zetten op dit punt. Het raakt heel veel onderdelen van de rechtspraak. Het gaat niet alleen om de strafrechter die het delict beter moet herkennen en moet kunnen beoordelen — dat begint trouwens ook al bij het OM en de politie met de dossieropbouw — maar heeft ook heel erg sterk te maken met familierechters die bij scheidingen niet altijd op het voorkomen van een vechtscheiding moeten sturen als er sprake is van intieme terreur. Ik zie dat de rechtspraak op dit moment zelf opleidingen aan het organiseren is om hier stappen in te zetten. Dit is dus een goed punt.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Tot slot complimenten aan deze staatssecretaris voor de wijze waarop dit wordt opgepakt met de rechtspraak. Ik hoop dat zijn opvolger precies hetzelfde zal doen, zodat dit elke keer weer in het vizier is bij de rechtspraak en goed wordt opgepakt.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dit is een belangrijk onderwerp, waarbij de Kamer eensgezind aan hetzelfde touw trekt. Gelukkig doet de staatssecretaris dat ook aan de zijde van het kabinet. Ik wil graag een vraag stellen over online stalking. Dat begint vaak — mooi dat de staatssecretaris dat zegt — met kleinere dingen die opgeteld kunnen leiden tot een contactverbod of gebiedsverbod, ook digitaal. Maar nu lezen we in de stukken van de politie dat dit heel moeilijk te handhaven is, vooral als het over anonieme accounts gaat of onder een pseudoniem gebeurt. Ik zou het allemaal niet eens precies weten. Hoe weten we nou … Hebben we alles op orde om, ook in het geval van die anonieme accounts, effectief te handhaven? Anders lijkt het op papier wel mooi, maar werkt het in de praktijk toch onvoldoende.

Staatssecretaris Rutte:

Ik ben bang dat we daar nog stappen te zetten hebben. Het is geen onwil, maar daar zal toch echt nog het een en ander moeten gebeuren. Überhaupt gaan de ontwikkelingen in de onlinewereld toch vaak sneller dan de handhaving kan optreden. Maar de wens om dit goed te doen en die werelden met elkaar te verbinden, is er zeker.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Kan de staatssecretaris iets zeggen over de stappen die we daarin zetten? Waar hebben we het dan over? Is dat dan een verkenning naar technische mogelijkheden? Gaat het om de bevoegdheden van de politie? Kunnen we iets meer horen over de noodzakelijke stappen om dit gat in de handhaving te dichten?

Staatssecretaris Rutte:

Dat kan ongetwijfeld, maar niet nu on the spot. Dat moet ik laten uitzoeken. Daar kom ik dan wellicht in de tweede termijn op terug, en anders op korte termijn met een brief.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Als het in de tweede termijn voorhanden is, ontvang ik het graag, en anders vind ik het ook prima als het later per brief komt. We gaan over dit onderwerp ook nog op een ander moment met elkaar in gesprek. Ik heb liever een degelijke analyse dan een snelle, wil ik maar zeggen.

Staatssecretaris Rutte:

Dat was ook precies mijn punt. Ik denk dat we dit grondig moeten nalopen om te kijken wat er wel kan, waar de gaten zijn enzovoort. Dat is beter dan dat ik hier een kort antwoord geef.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Collega Michon-Derkzen noemt een volledig terecht punt. Ik kijk uit naar een uitgebreide Kamerbrief. Mijn vraag gaat over tijdelijke huisverboden. Daar begon de staatssecretaris zojuist ook mee. Ik heb ook de antwoorden gelezen die hij met ons heeft gedeeld. Volgens mij hebben wij als Kamer een hele duidelijke uitspraak gedaan, namelijk dat wij het best wel gek vinden dat vrouwen naar een blijf-van-mijn-lijfhuis moeten, in plaats van de mannen. Daarom vraag ik om het opnieuw inrichten van die tijdelijke huisverboden: langer, met rechterlijke toetsing, niet alleen bij acuut geweld, maar ook bij ernstige en voortdurende dreiging …

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

… en ook met daderhulp. Mijn vraag is, zeker gelet op de antwoorden, de volgende. Ik zie dat die pilot daar niet helemaal in voorziet. Vandaar dat wij verder gaan dan de pilots bij deze gemeenten. Onderschrijft deze staatssecretaris dit en ondersteunt hij ook de oproep vanuit de Kamer hieromtrent?

Staatssecretaris Rutte:

Het belang van die tijdelijke huisverboden, die moeten voorkomen dat het slachtoffer uit huis gaat, onderschrijf ik echt volledig. Het is wel een bestuurlijke en juridische puzzel om dat op een goede manier te doen. Je hebt een moedige burgemeester nodig. Ik weet dat mijn buurman hier, toen hij burgemeester was, dit soort middelen ook weleens inzette. Het zijn bestuursrechtelijke middelen die je inzet, waarbij je daarna eigenlijk wil dat er naadloos strafrechtelijke maatregelen op aansluiten. Dat vraagt wat. Het is niet voor niks dat we het een en ander nu in pilots aan het beproeven zijn. Wat kan wel, wat kan niet? Wat kan de toets van de rechter doorstaan en wat niet? Wat mij betreft is dat stevig en robuust, maar we ontkomen er toch niet aan om te kijken hoe die wettelijke kaders op elkaar aansluiten. Dat kost wel tijd, en dat kost een pilot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik heb natuurlijk ook geluisterd naar het veld en daarmee contact opgenomen. Volgens mij zijn de eerste signalen van wat beter kan als het gaat om tijdelijke huisverboden vrij helder. Je hoeft niet te wachten tot begin 2027. Sterker nog, ga de wensen meenemen — voor mijn part doe je dat in die pilots — die wij hebben uitgesproken over de verlenging, over dat het sneller moet, over de scope ten aanzien van tijdelijke huisverboden uitbreiden. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Rutte:

Mevrouw Mutluer en ik delen volledig het belang van het robuust en stevig maken van het tijdelijk huisverbod om ervoor te zorgen dat we daarmee vrouwen goed kunnen beschermen. Er zullen bij de pilots zeker partijen zijn die zeggen dat het beter en mooier kan, maar we hebben ook gemeenten waarin dit nog weinig voorstelt en er niet wordt opgetreden. We hebben het stap voor stap verkennen hoe het wel kan, hoe we dit robuust kunnen maken en hoe we ervoor zorgen dat dit overal gebeurt, echt nodig. De vragen die mevrouw Mutluer daarover stelt, wil ik daar ook graag op tafel laten leggen. Absoluut. Ik ben voor elke stap die we kunnen zetten om het beter en scherper te doen. Tegelijkertijd moeten we de gemeenten die daarin achterlopen niet kwijtraken, want dan krijgen we een hele rare wereld waarin je in de ene gemeente wel veilig bent en in de andere niet. Ik heb het daar zo in het blokje met betrekking tot het slachtofferdevice ook nog over.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter. We moeten niet lichtzinnig omgaan met de veiligheid van slachtoffers. Sterker nog, we moeten vaart zetten achter de bescherming van deze mensen. Wij gaan een stevige motie indienen ten aanzien van het tijdelijk huisverbod, want wat ons betreft wordt dit instrument zo breed mogelijk toegepast. Ik hoop en verwacht dat deze minister zijn voorganger, of dat straks nou een hij of een zij is … Ik moet "opvolger" zeggen, hè?

Staatssecretaris Rutte:

Ja. Een voorganger heb ik al gehad.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

De voorganger heeft u al gehad.

Staatssecretaris Rutte:

Die zit er nog.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik moet opschieten, dus dat helpt niet. Voorzitter, excuses. Ik ga door. Ik hoop dat de opvolger van deze staatssecretaris uiteindelijk met de nodige terugkoppeling komt en dat we eerder dan begin januari 2027 het goede bericht ontvangen dat het tijdelijke huisverbod wordt uitgebreid, ook voor daders die niet thuis wonen, maar er incidenteel komen. Ik hoop ook dat er voor die dader hulp geregeld wordt, want dat is echt broodnodig.

Staatssecretaris Rutte:

Ik zie de motie tegemoet. Ik heb een positieve grondhouding. We zijn in ieder geval een langer huisverbod aan het onderzoeken. Ik kan dat van harte steunen.

Mevrouw Dobbe (SP):

Bij veiligheid van slachtoffers en vrouwen hoort ook het kunnen halen van recht door vrouwen. In de context van deze discussie halen mijn collega's volgens mij hele terechte punten aan. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of hij in deze context van het voorkomen van huiselijk geweld, geweld tegen vrouwen, seksueel geweld en femicide, het belang van de vrouwenrechtswinkels ziet. Die zijn hierin gespecialiseerd. Die zien juist vaker dit soort vrouwen, omdat die laagdrempeliger zijn en vrouwen daar gewoon sneller naartoe gaan.

Staatssecretaris Rutte:

Ik zou daar in het laatste blokje nog op teruggekomen zijn, maar ik wil daar ook nu wel wat over zeggen. Ja, dat belang zie ik. Ik zou onlangs ook op werkbezoek in Utrecht gaan om een van die vrouwenrechtswinkels te bezoeken, maar ijzel, sneeuw en de dreiging van een instortend dak hielden mij tegen. Ik zie dus absoluut het belang ervan; daar lag niet het aan.

Mevrouw Dobbe (SP):

Die dreiging van een instortend dak roept dan weer allerlei andere vragen op, maar daar zal ik niet op ingaan.

Staatssecretaris Rutte:

Dat had meer met sneeuw te maken dan met het dak zelf, denk ik.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik hoop dat dat niet heel ernstig was en dat iedereen dat overleefd heeft. De staatssecretaris ziet het belang. Ik heb de beantwoording van de staatssecretaris gezien. Ik vind die eerlijk gezegd te makkelijk. Het is op dit moment best wel moeilijk om die vrouwenrechtswinkel een plek te geven binnen het huidige rechtssysteem. Ook vrouwenrechtswinkels kampen met wankele financiering, waardoor de continuïteit telkens onder druk staat. Volgens mij is het ook in Utrecht zo dat ze continu moeten kijken of ze nog kunnen doorwerken, terwijl het juist zo belangrijk en succesvol is.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik wil de staatssecretaris oproepen om daar toch wat steviger in te zijn en te zeggen: dit borgen we echt als onderdeel van het beleid, zodat we ook kunnen bekijken hoe we dit kunnen stimuleren en waarborgen.

Staatssecretaris Rutte:

Ik kan daar geen keiharde toezegging over doen, maar zoals mevrouw Dobbe weet, hebben wij niet voor niets mevrouw Lilian Marijnissen gevraagd om een soort nationale verkenning te doen van dit soort vormen van ondersteuning en het belang daarvan. Ik kom daar zo op terug. Het gaat om juridische en semi-juridische ondersteuning die net niet direct in het juridisch veld ligt, maar daar vlak naast. Die verkenning is niet vrijblijvend. Die doen we natuurlijk ook om te zien wat het nou oplevert, waarom het goed is en hoe we dit een robuustere plek kunnen geven binnen het hele bestel. Maar ik kom daar zo meteen nog wel op terug.

De voorzitter:

Ja, mevrouw Dobbe, u mag interrumperen, maar de staatssecretaris komt erop terug, dus heel kort dan.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ja, ik heb natuurlijk wel bewust … Ik dacht dat al dat hij later in de beantwoording op de vrouwenrechtswinkels zou terugkomen, maar ik wil die juist in de context van dit stukje van het debat noemen, want als we het hebben over vrouwen als slachtoffers en ook als we het hebben over een debat over het voorkomen van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen, zijn die toch ook wel van belang. Ik vind dat het ook in deze context benoemd moet worden. Ik heb er uiteraard alle vertrouwen in dat Lilian Marijnissen haar werk ontzettend goed gaat doen en dat er een heel gedegen stuk komt, maar dat ontslaat de staatssecretaris er natuurlijk niet van om nu al te zeggen: we hebben nu dit beleid en we gaan dit ook zo borgen, omdat we dit belangrijk vinden. Zo weten we dat ook voor de toekomst.

Staatssecretaris Rutte:

Daar heb ik net een ander antwoord op gegeven. Daar moeten we het voor nu even mee doen.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb een beetje een basale vraag. Ik ben namelijk enorm geschrokken van het feit dat steeds meer minderjarigen dader zijn bij huiselijk geweld. Recent was er nog een voorbeeld van iemand van 14 jaar die van een alleenstaande moeder zijn sneakers niet kreeg en haar in elkaar sloeg. Uiteindelijk werd dit na een heel lang traject en na meldingen van buitenaf bekend. Mijn basale vraag aan de staatssecretaris is of er voldoende zicht op is. Is er bij alle maatregelen en goede voornemens die we hier hebben, waarvoor veel dank, ook door de bril gekeken van de minderjarige als dader van huiselijk geweld, of moeten wij daar als Kamer of u als staatssecretaris meer aan gaan doen?

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk dat de heer Struijs gelijk heeft dat dit een onderbelicht punt is. Wij denken toch vooral aan volwassen mannen die hun partner en kinderen mishandelen. Het is zeker mogelijk dat ook jongeren dat doen. We zien überhaupt dat gewelddadige criminaliteit onder jongeren toeneemt. Ik denk dus dat het goed is dat de heer Struijs hier aandacht op blijft vestigen en dat ook het ministerie die aandacht ervoor houdt.

De heer Struijs (50PLUS):

Ik proef uit dit antwoord ook dat de staatssecretaris de Kamer hierin gaat helpen met alle verkenningen die nu uitstaan.

Staatssecretaris Rutte:

Laten we ook dit onderwerp niet uit het oog verliezen.

De voorzitter:

De heer Diederik van Dijk. Daarna vervolgt de staatssecretaris zijn beantwoording.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Ik doe de interruptie wel met een heel klein beetje schroom. We hebben het uitgebreid over huiselijk geweld en over geweld tegen vrouwen. Dat is volkomen terecht; daar doe ik geen millimeter aan af. Tegelijkertijd kan je daardoor het gevaar lopen dat je bepaalde groepen onderbelicht. Ik pakte even de factsheets van het ministerie van VWS erbij. Bij 40% van het huiselijk geweld is er sprake van mannenmishandeling. 80.000 mannen per jaar worden ernstig mishandeld in huiselijke kring. Daar zit ook een heel taboe omheen et cetera. Het mag absoluut niet ten koste gaan van welke andere groep dan ook, maar krijgt dit ook de aandacht?

Staatssecretaris Rutte:

Ik vind dat we wat dat betreft geen onderscheid mogen maken. Als er sprake is van huiselijk geweld, moeten we daar serieus naar kijken. Ik denk niet dat het voor niks is dat de focus toch vaak op vrouwen wordt gelegd. Ik hoor de heer Van Dijk ook zeggen: laten we daar niet van wegkijken. Maar zeker kan er ook wel degelijk sprake zijn van geweld tegen mannen, ook huiselijk. De schroom die de heer Van Dijk voelt om dit punt aan te raken, wordt ook bij die mannen gevoeld. Die zouden we wel weg moeten nemen. Ook zij moeten veilig kunnen zijn.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Heel kort. Dank voor deze mooie reactie. De staatssecretaris heeft de nodige stukken aangekondigd om de Kamer op de hoogte te houden. Ik kan me dus voorstellen dat ook mannenmishandeling daar een onderdeel van kan zijn.

Staatssecretaris Rutte:

Ja. Als de heer Van Dijk dat wenst, dan zorg ik dat binnen huiselijk geweld ook dit thema voldoende aandacht krijgt.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Eventuele zaken die in de vragen al aan de orde zijn gekomen, kunnen natuurlijk achterwege worden gelaten.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, die probeer ik over te slaan, zeker.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rutte:

Dit is wel een punt dat ik specifiek wil uitlichten, waar in het verleden veel over gesproken is en dat niet uit het zicht mag raken, namelijk het slachtofferdevice als extra bescherming tegen stalking of dwingende controle. Dat willen we steeds verder uitbreiden. Ik wil daar wat langer bij stilstaan, omdat hier heel veel samenkomt. Kort gezegd kan een dader bij een door de rechter opgelegd contact- en locatieverbod een elektronische enkelband krijgen die gekoppeld is aan een slachtofferdevice dat het slachtoffer bij zich draagt. Komt de verdachte of dader te dicht in de buurt van een slachtoffer, thuis, maar ook op het werk, bij de school of waar het slachtoffer zich ook bevindt, dan waarschuwt de meldkamer van de reclassering het slachtoffer en kan zij — misschien is het ook wel een hij, moet ik tegen de heer Van Dijk zeggen — zich in veiligheid brengen. Maar wat als een vrouw die afhankelijk is van dit device wil verhuizen naar een regio waar deze bescherming niet of nog niet is georganiseerd? Dan maar niet verhuizen of niet meer in vrijheid over straat kunnen? Daarom vind ik dat dit device in heel Nederland beschikbaar moet komen. Dat gebeurt al wel gefaseerd. De ontwikkeling is op zich dus positief. Vier regio's werken inmiddels met het device. Een aantal regio's start nog begin dit jaar. Om het device landelijk te verspreiden zijn we afhankelijk van de samenwerking van meerdere partijen in een regio. Naast de reclassering gaat het dan ook om de organisaties die het slachtoffer begeleiden. We voeren het gesprek hierover met zowel de VNG en gemeenten als vrouwenopvangorganisaties om tot een voorstel te komen voor landelijke invoering. Want uiteindelijk zijn gemeenten verantwoordelijk voor het organiseren van de broodnodige hulp en maken zij eigenstandige keuzes, maar bij dezen doe ik de uitdrukkelijke oproep aan gemeenten om de handen ineen te slaan voor een landelijke invoering.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van dit blokje?

Staatssecretaris Rutte:

Bijna, nog niet helemaal. Ik maak het nog even af.

Hiernaast noem ik ook nog de publiekscampagne over dwingende controle, die er dit jaar, net als vorig jaar, ook weer komt. Johnny Cash zong er al over: de overheid komt vaak pas na het signaal vanuit de samenleving. Oog hebben voor gevaarlijke spanning achter voordeuren, voor isolement, angst en dwingende controle, kan levens redden. Familie, vrienden en buren kunnen de rode vlaggen herkennen. De overheid moet er alleen wel voor zorgen dat zij de rode vlaggen kennen en weten wat ze moeten doen. Hier hebben we nog een wereld te winnen. Met wetgeving, maatregelen en preventie pakken we het grote probleem van huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide breed aan. Dit vraagt om overzicht en een goede samenhang in beleid en uitvoering. Ik ben daarom blij dat het kabinet heeft ingestemd met een nationaal coördinator geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, zoals aangekondigd door mijn collega van Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Daarmee kom ik bij het eind van dit blokje.

De voorzitter:

Ik inventariseer de interrupties die er zijn op dit punt. Dat zijn er twee, van mevrouw Coenradie en mevrouw Mutluer. Mevrouw Coenradie.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Ik weet nu al dat er in de ministerskamer een beetje gegniffeld gaat worden bij deze vraag, maar ik — de hele Kamer, denk ik — zou heel graag een tijdpad willen zien voor de uitrol van dat slachtofferdevice. Het antwoord dat het een samenwerking is tussen allerlei instanties is mij bekend. Tegelijkertijd zijn de vraag en de urgentie zo enorm groot. Kan de staatssecretaris de toezegging doen dat dat meegenomen wordt in een eerstvolgende brief en dat er ook echt haast gemaakt wordt met de verdere uitrol hiervan?

Staatssecretaris Rutte:

Mevrouw Coenradie weet precies hoe het zit. Ik kan in kaart brengen waar het al is. Ik kan in kaart brengen welke regio's gaan beginnen. Dan wordt ook automatisch in kaart gebracht waar het nog niet is. Dat is bijna een vorm van naming-and-shaming. Ik hoop dat dat an sich er al toe leidt dat andere regio's die laatste stap ook zetten. Ik kan niet inschatten wanneer ze die laatste stap precies gaan zetten, dus dat hele tijdpad kan ik niet geven. Een overzicht van welke regio's het al doen en bij welke het op de planning staat: dat deel kan waarschijnlijk wel. Maar ik heb er helaas geen invloed op wie het nog niet doet.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Welke extra inspanning mag ik dan verwachten van deze staatssecretaris, nu hij er nog zit, of van zijn opvolger? Dit is namelijk ook een financieel vraagstuk. Via een amendement hebben we eerder 10 miljoen ter beschikking gesteld voor femicide. Kan dit opgelost worden met die financiële middelen van destijds, zodat de landelijke uitrol sneller tot stand wordt gebracht?

Staatssecretaris Rutte:

Het feit dat veel regio's al wel gebruikmaken van het slachtofferdevice laat zien dat het gewoon kan. Het heeft te maken met lokale keuzes: hoe organiseren wij lokaal het veilig houden van vrouwen, de opvang van vrouwen en het slachtofferdevice? Ik vind het vooral belangrijk dat we uitstralen dat als het in Rotterdam en in Noord-Nederland kan, het ook in elke andere regio mogelijk moet zijn. Dan moet het ook mogelijk zijn om deze middelen te vinden. Het gaat niet om activiteiten die heel erg duur zijn. Het moet vooral georganiseerd worden.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik ook behoefte aan dat overzicht, overigens ook financieel, voor zover dat speelt. Ik verwacht dus dat deze staatssecretaris daarmee komt.

Staatssecretaris Rutte:

Ik heb geen idee of ik dat financieel inzicht kan geven, want het gaat uiteindelijk om keuzes die gemeenten maken. Ik kan niet overal de gemeentebegroting op de kop zetten. Ik kan wel inzichtelijk maken wie het nog niet doet en ik kan ook inzichtelijk maken wie het wel doet. Dan zult u zien dat de diversiteit groot is. Ik vind dat elke gemeente dit uiteindelijk zou moeten doen. Dat hoort gewoon bij de taak die een gemeente heeft om vrouwen veilig te houden.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik verzoek de staatssecretaris om niet alleen inzichtelijk te maken wie wel iets doet en wat ze doen, maar tevens inzichtelijk te maken waarom ze dingen niet doen. Daar kan een financiële reden achter zitten, en die wil ik inzichtelijk hebben. Wat betreft de nationaal coördinator verwacht ik ook dat als het eenmaal zover is, we ook geïnformeerd worden over het mandaat en de herijking van het nationale actieplan. Wellicht is het dan ook leuk om de nieuwe coördinator in deze Kamer te ontmoeten.

Staatssecretaris Rutte:

Dat laatste laat ik aan de Kamer. Op dit moment wordt gewerkt aan het profiel en zal er geworven gaan worden. De taken en opvattingen over hetgeen deze nationaal coördinator moet gaan doen, stonden al eerder in de brief die door de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg is gestuurd, dus op zich is dat bekend. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat de Kamer deze coördinator straks wil uitnodigen. Het is een belangrijke functionaris, absoluut.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt zijn beantwoording. Ik wijs de leden erop dat er in tweede termijn een gezamenlijke spreektijd is van één uur. U zal daarin ongetwijfeld moties gaan indienen, die moeten kunnen rekenen op een appreciatie. Daar zal voor geschorst moeten worden. Daar wilt u ongetwijfeld ook nog een vervolgvraag over stellen. Ik zou de staatssecretaris dus willen vragen om de beantwoording kort en bondig te doen en de leden om terughoudendheid te betrachten bij interrupties.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter. Ik ga over tot de toegang tot het recht. Nederland is een sterke democratische rechtsstaat — de heer Sneller had het erover, maar ook anderen hebben het erover gehad wat dit betekent — die veiligheid biedt en zijn mensen beschermt. De overheid spant zich iedere dag in om de beloften van de rechtsstaat voor alle mensen waar te maken. Maar de overheid kan dit niet alleen. Mensen zelf en de samenleving als geheel zijn medeverantwoordelijk voor een goed functionerende rechtsstaat. In mijn inleiding noemde ik al de waarde van oog hebben voor het algemeen belang en iemand helpen waar dat kan.

In ieders leven kunnen zich juridische problemen voordoen, van een ruzie met de buren over een overhangende boom of een miskoop via Marktplaats tot een dreigend ontslag. Als buren, collega's of zakenrelaties kunnen we bepaalde problemen prima zelf oplossen: onderling dankzij lokale buurtbemiddeling of door gebruik te maken van een rechtsbijstandsverzekering. Lukt dit niet, dan moet de deur van het recht openstaan voor iedereen, ongeacht achtergrond, woonplaats of inhoud van de portemonnee. Daar hebben we als maatschappij baat bij. Elke dag werken we met alle betrokken beroepsgroepen, overheden en organisaties aan een goede toegang tot het recht. Centraal staat hierbij steeds de vraag waar de individuele rechtzoekende het meeste mee geholpen is. Waar het voor de een nodig is om het geschil voor te leggen aan de rechter of een geschillencommissie, vindt een ander de oplossing bijvoorbeeld in een mediationtraject of een betalingsregeling.

In mijn brief van 11 december 2025 staan de maatregelen die we nemen om de toegang tot het recht te versterken. De maatregelen waarvoor geen inkomensgrens geldt zijn voor alle rechtzoekenden in Nederland beschikbaar. Ik vind het belangrijk om dat te zeggen. We hebben vaak het idee dat allerhande regelingen alleen beschikbaar zijn voor mensen met een hele kleine beurs. Dat is niet altijd zo. Ze zijn er bijvoorbeeld ook voor mensen met een laag middeninkomen. Ik heb echter de indruk dat zij dit vaak niet weten. Een betere bekendheid met de maatregelen bij ook deze doelgroep kan soms ingewikkelde of kostbare procedures voorkomen en de druk op de rechtspraak verlagen.

Ik licht er een paar uit, zoals de versterking van het Juridisch Loket. Met extra middelen uit het regeerakkoord zorgen we voor een coördinerende rol van het Juridisch Loket om op lokaal en regionaal niveau samenwerking aan te gaan, bijvoorbeeld met sociaal raadslieden, zodat de rechtszoekenden sneller en effectiever hulp krijgen. Laagdrempelige toegang tot het recht is niet voor iedereen vanzelfsprekend; mevrouw Abdi haalde dit gisteren ook al aan. Voor veel mensen is het al lastig te herkennen dat ze een juridisch probleem hebben. Vervolgens is het lastig om het juiste loket te vinden. Een loket ligt soms wel op anderhalf uur reizen afstand of is maar op één ochtend in de week open. Vaak behandelen ze maar een deel van het probleem en is doorverwijzing nodig. U begrijpt dat we een landelijk dekkend netwerk van sociale, juridische en financiële hulp voor iedereen nodig hebben. Er zijn al wel initiatieven op dit vlak, zoals in Noord- en Midden-Limburg. Daar werken het Juridisch Loket, een aantal gemeenten en sociaal-juridische dienstverleners al heel mooi regionaal samen. Dat is nog niet genoeg. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger aan kwartiermaker Lilian Marijnissen gevraagd om begin 2027 concrete voorstellen te doen om tot dat landelijk dekkende netwerk te komen. Ik kan mevrouw Dobbe melden dat mevrouw Marijnissen momenteel intensief gesprekken voert met het werkveld. Ik verwacht nog voor de zomer een tussenrapportage. Ik kijk daar erg naar uit.

Per februari komt er een verhoging van het tarief van de sociaal advocaten. Hiervoor is voor 2026 15 miljoen euro nodig en vrijgemaakt. We passen onder andere de puntenaantallen aan en verhogen de bijzondere toeslagen en het basistarief per punt. Vanaf 2027 gaat er vervolgens jaarlijks 30 miljoen euro extra naar de sociale advocatuur. Een onafhankelijke onpartijdige rechtspraak is een van de pijlers van onze democratische rechtsstaat. De rechtspraak moet kunnen bouwen en vertrouwen op een stabiele financiering. Daarom investeren we structureel ongeveer 50 miljoen euro extra in de rechtspraak. Met innovatieve projecten draagt de rechtspraak bij aan het oplossen van problemen van mensen en verbetert zij de toegang tot de rechter.

Ik ga even wat versnellen, want ik zie dat de voorzitter wat haast heeft. Naar de voorbeelden moet u dus maar een andere keer vragen.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn betoog en zou ik willen overgaan naar de amendementen. Nou heb ik wel allemaal vervangende dingen binnengekregen, maar er is eerst nog een interruptie, dus wie weet gaat me dat helpen.

De voorzitter:

Ik inventariseer de interrupties; dat doe ik één keer. Ik zie drie interrupties, allereerst van mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik zal het kort houden. Je ziet capaciteitsproblemen bij de politie, omdat zij veel te maken heeft met mensen met onbegrepen gedrag. In de verhalen en in mijn eigen ervaringen bij de rechtswinkels en de juridische loketten zie ik hetzelfde probleem, namelijk dat veel capaciteit opgaat aan niet-juridische vragen. Erkent de staatssecretaris dit probleem en welke stappen worden op dat punt ondernomen, ook om de eerstelijnsrechtshulp en de sociale advocatuur te ontlasten?

Staatssecretaris Rutte:

Ik weet niets van specifieke activiteiten om op deze manier de sociale rechtshulp te ontlasten. Ik weet wel dat er activiteiten plaatsvinden om de mensen met onbegrepen gedrag inderdaad veel beter te kunnen begeleiden in de maatschappij, maar volgens mij weet mijn buurman daar nog meer van dan ik. Dat vraagt deels om zorg en ook om andere activiteiten, bijvoorbeeld bij de politie. Het is wel echt een groot punt van zorg; dat deel ik geheel met mevrouw Straatman.

Mevrouw Straatman (CDA):

Het is belangrijk dat we nu met pilots bij de politie kijken naar het combineren van zorg en veiligheid. Kunnen we dat uitbreiden? Ik weet niet of de kwartiermaker hier op dit moment ook onderzoek naar doet, maar kunnen we ook dit thema meenemen om de sociale advocatuur daadwerkelijk in brede zin te ontlasten?

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk dat ik dat moet navragen. Ik vind het in ieder geval een interessante gedachte om dat te doen.

De heer Ellian (VVD):

Ik heb een vraag waar ik graag antwoord op zou willen in de tweede termijn. De Telegraaf bericht zojuist: "Willem Holleeder mogelijk snel weg uit EBI Vught; zorgen bij OM." Ik meen dat ik deze staatssecretaris hier in december ook over heb bevraagd. Het antwoord was: we houden het goed in de gaten en grote criminelen komen er niet uit. Ingewijden zeggen dat hij uit de ebi komt. Ik wil in de tweede termijn graag een reactie van de staatssecretaris, want deze meneer moet daar blijven. Hij is immers een gevaar voor de samenleving.

Staatssecretaris Rutte:

Dan ga ik die reactie straks geven.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Ik heb de staatssecretaris vandaag volgens mij een kleine drie kwartier gehoord over zijn eigen outfit. Ik heb gisteren in mijn inbreng gesproken over gevangenisuniforms. Daar heb ik de staatssecretaris daarentegen vandaag nog niet over gehoord. Desondanks heeft hij wel een mooi voorschot genomen op het patroon dat zo'n gevangenisuniform zou kunnen hebben met zijn stropdas; een mooie streep staat niet slecht. Kan de staatssecretaris nog even reflecteren op wat hij van dat idee vindt en kan hij aangeven of hij daarmee kan leven?

Staatssecretaris Rutte:

Ja. Overigens had de heer Van Dijk het gisteren volgens mij over een roze pak. Ik heb geen roze das om; dat dus nog niet. Er wordt in gevangenissen op dit moment wel degelijk gekeken naar wat mensen aan hebben. Mensen worden aangesproken op het dragen van hele dure spullen en het pronken met dure kleding. Daarvan wordt ook gezegd: draag dat niet. Dat is natuurlijk een ander vraagstuk dan zeggen: stop iedereen in een oranje of roze overall. Ik heb nog geen signalen ontvangen waaruit blijkt dat dit ook maar iets zou oplossen. Het is dus niet zozeer dat ik daar principieel iets van vind, maar dat ik denk dat we grotere en belangrijkere problemen hebben op te lossen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Wij hebben die signalen wel gekregen, omdat dit inderdaad leidt tot haantjesgedrag en wordt gebruikt als statussymbool. Er is zelfs handel in en er is een hiërarchische verhouding op basis van de kleding die je wel of niet draagt. Dat werkt allemaal dus niet in het voordeel van het personeel. Ik wil de staatssecretaris dus toch vragen om hier een standpunt over in te nemen. Anders komt er straks gewoon een hele mooie motie.

Staatssecretaris Rutte:

We zijn natuurlijk dol op mooie moties, maar ik ben bereid om voor de heer Van Dijk na te laten vragen hoe dit zit en hoe dit binnen de instellingen speelt, zodat we hier in de eerstvolgende brief — we hebben regelmatig een rapportage over de stand van zaken in het gevangeniswezen — een update over kunnen geven. Dat zeg ik graag toe.

De voorzitter:

Volgens mijn administratie heeft u vier amendementen te appreciëren.

Staatssecretaris Rutte:

Ik heb een nieuw stapeltje gekregen, waarop alles is hernummerd. Laten we maar hopen dat het klopt. Als ik de weg kwijtraak, geleidt u mij daar hopelijk goed doorheen, voorzitter.

De voorzitter:

We komen er samen altijd uit.

Staatssecretaris Rutte:

We komen er altijd uit. Dan begin ik met het amendement op stuk nr. 69, dat gaat over de Stichting Geschillencommissies Consumentenzaken. Ik zou dat amendement oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 69: oordeel Kamer. Het amendement op stuk nr. 70.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dan kom ik op het amendement op stuk nr. 70. Dat moet ik helaas ontraden. Dat heeft er niet mee te maken dat het onderwerp niet belangrijk zou zijn, want gelijke beloning voor vrouwen en mannen binnen de rechterlijke macht ligt ook mij na aan het hart. Die is nogal belangrijk, maar de dekking die wordt gevonden in een verwachte onderuitputting op respectievelijk het ondermijningsbudget, het budget van artikel 34 over straf en beschermen en het budget voor sociale rechtsbijstand, is niet passend en is in strijd met de begrotingsproblematiek. Ook klopt het algemene beeld niet dat vrouwen bij de rechtspraak minder betaald zouden krijgen dan mannen die hetzelfde werk doen. Voor degenen die voor 1 juli 2023 zijn begonnen met de opleiding tot rechter of officier van justitie vormde gedurende een lange periode het laatstverdiende salaris een belangrijk uitgangspunt voor de inschaling. Dat was gebaseerd op afspraken tussen sociale partners. Op dit moment zijn over het oude inschalingsbeleid tijdens de opleiding enkele klachten in behandeling bij het College voor de Rechten van de Mens; dat is waar. Dit beleid is overigens sinds 1 juli 2023 gewijzigd. Deze zaak loopt nog. Daar kan ik verder niks over zeggen. Maar dat alles bij elkaar, dus dekking en inhoud, maakt dat ik het amendement toch moet ontraden. De Kamer zal vervolgens zelf in al haar wijsheid beslissen wat zij ermee gaat doen.

De voorzitter:

De heer Ellian, twee interrupties.

De heer Ellian (VVD):

Ja, ik heb er aan eentje genoeg, voorzitter, gelet op de tijd. Het inschalingsbeleid is toch aangepast naar aanleiding van de klachten die vrouwen terecht hebben geuit over de discriminerende effecten van dat criterium? Ik snap het dus niet. Ik snap dat de juridische aansprakelijkheid niet vaststaat, maar je kan als bewindspersoon toch niet zeggen dat er niks aan de hand was? Er was wel degelijk iets aan de hand. Dit amendement probeert daarin een — wat is het goede woord? — tegemoetkoming te regelen.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, dat snap ik. Ik leg het graag een beetje uit. Dan komen we een beetje in de juristerij, maar dat is prima. Misschien moet dat ook wel. Er waren wel degelijk verschillen en die waren gebaseerd op het voorgaande salaris. Dus mensen kwamen uit een andere functie binnen de rechtspraak en daaruit ontstonden de verschillen, omdat voor het nieuwe salaris werd aangesloten op het oude salaris. Dat wilde niet zeggen dat dit een onderscheid was op basis van geslacht, maar in de praktijk kunnen daardoor wel verschillen zijn ontstaan. Dat is precies de zaak die nu voorligt. De rechtspraak heeft wel besloten: dit leidt tot gedoe; dit willen wij niet meer. Daar sta ik ook achter. Het speelt dus sinds die tijd niet meer. Het klopt dus dat er verschillen zijn, maar vrouwen zijn niet doelbewust lager beloond dan mannen, hoewel dat in de praktijk wel de uitwerking kon zijn van de keuzes die gemaakt zijn. Zo moeten we dat dus zien. We wachten af wat er uit die rechtszaak komt, of in elk geval uit het geschil en de beslechting daarvan.

De voorzitter:

Dan het amendement op stuk nr. 76.

Staatssecretaris Rutte:

Ja … Ik heb hier 78 staan. O, 76! Ja, verrek, die heb ik ook. Dat amendement moet ik helaas ontraden. Het gevangeniswezen staat al ruim twee jaar onder druk. Ik ben echt verheugd dat de indieners extra capaciteit bij DJI willen creëren, maar de dekking via artikel 92 krijg ik niet rond. De minister gaf zonet ook al aan dat dit artikel inmiddels zo vaak vergeven is dat het niet meer past. Daarom komen wij er niet uit qua dekking en moet ik het amendement helaas ontraden.

De voorzitter:

Tot slot.

Staatssecretaris Rutte:

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 78. Ik neem aan dat dat klopt, voorzitter. Ja, dat is mooi. Dit amendement moet ik helaas ook ontraden. Ik heb hier een heel verhaal staan, maar het gaat echt om een enorm bedrag voor allemaal hele goede doelen, waarvan we de dekking op deze manier niet netjes rondkrijgen. Die dekking is echt in strijd met de scheiding van inkomsten en uitgaven. Het Belastingplan is ook al aangenomen door de Eerste Kamer en de Tweede Kamer en daarmee een feit. Daardoor krijgen we de dekking niet rond.

Voorzitter, daarmee zou ik mijn eerste termijn willen afronden.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording in eerste termijn van de zijde van het kabinet, en geef het woord aan de heer Sneller voor zijn tweede termijn namens de fractie van D66.

De heer Sneller (D66):

Een punt van orde, voorzitter. Misschien is het goed als mevrouw Mutluer namens de rapporteurs het woord krijgt en een derde van de spreektijd in eerste termijn gebruikt.

De voorzitter:

Nou, ja, het ligt eraan wat ze daarmee gaat doen. In principe is hiervoor namelijk in eerste termijn ruimte en spreektijd gegeven. Er is een uitvoerig debat geweest over het advies van de rapporteurs. Ik zou dus, gelet op de tijd, eigenlijk wel gewoon het woord aan u willen geven als eerste spreker van de zijde van de Kamer. Mevrouw Mutluer heeft ook nog een eigen termijn.

De heer Sneller (D66):

Dat is heel vriendelijk, maar aangezien mevrouw Mutluer een motie indient namens een groot deel van de commissie geef ik mijn minuut dan graag aan haar.

De voorzitter:

Ja, maar ik heb vooraf met mevrouw Mutluer afgesproken dat ze dat in haar eigen termijn doet. Het woord is nu dus echt aan de heer Sneller van D66. U heeft het woord.

De heer Sneller (D66):

Voorzitter, ik zei net: dan geef ik mijn minuut graag aan haar.

De voorzitter:

Dat kan, maar zij is verderop pas aan het woord. Ik wil vasthouden aan de sprekerslijst, meneer Sneller. Ziet u af van uw termijn? Ja, zie ik. Dan is het woord aan mevrouw Van der Werf namens de fractie van D66.

Termijn inbreng

Mevrouw Van der Werf (D66):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de meeste gevallen van femicide en ernstig huiselijk geweld kinderen betrokken zijn;

constaterende dat deze kinderen vrijwel altijd getuige zijn van geweld, langdurig stress ervaren en slachtoffer zijn van kindermishandeling;

overwegende dat een effectieve en preventieve aanpak van femicide vraagt om vroegtijdige bescherming, ondersteuning en begeleiding van kinderen die hiermee worden geconfronteerd;

verzoekt de regering om in de (verdere) aanpak van femicide de positie van betrokken kinderen expliciet mee te nemen, en daarbij in ieder geval te bezien hoe het hoorrecht van kinderen en de positie van nabestaanden met betrekking tot omgang en gezag kan worden versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en Coenradie.

Zij krijgt nr. 79 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met nudify-apps en AI-chatbots met één klik deepfake-naaktbeelden van echte mensen kunnen worden gemaakt;

constaterende dat het aantal door AI gegenereerde afbeeldingen en video's van vooral vrouwen en kinderen sterk toeneemt;

overwegende dat dit diepgaande en vaak langdurige schade veroorzaakt aan de persoonlijke levenssfeer, veiligheid en menselijke waardigheid van slachtoffers;

verzoekt de regering te onderzoeken of en op welke wijze een verbod op nudify-apps en vergelijkbare AI-toepassingen die zonder toestemming seksueel expliciete deepfakes van echte personen genereren, kan worden ingevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Werf, Synhaeve, Michon-Derkzen, Straatman, Tijs van den Brink, Mutluer en Coenradie.

Zij krijgt nr. 80 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar inbreng namens de VVD in tweede termijn.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide bewindspersonen heel erg danken voor hun antwoorden, zowel voor de schriftelijke antwoorden als voor de toelichting hier in het debat.

Ik denk dat we in deze twee dagen debat met elkaar hebben vastgesteld wat voor ongelofelijk belangrijke onderwerpen we verder te brengen hebben binnen JenV. We maken stappen, maar er is altijd nog meer te doen. Dat geldt voor ondermijning en zeker ook voor femicide en vrouwveiligheid. Bij een aantal onderwerpen moeten we gewoon altijd aan dijkbewaking doen.

In mijn ogen is terrorisme zo'n onderwerp. Het grote gevaar is dat we terroristen binnenhalen. We moeten ze vooral buiten onze landsgrenzen laten en ervoor zorgen dat we de terroristen die hier zijn, in de gaten houden. Mijn fractie zal er altijd alles aan doen om onze nationale veiligheid te beschermen. In dat kader heb ik één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een aantal Nederlandse uitreizigers voor terrorisme in Syrië en Irak zijn gedetineerd;

constaterende dat niet kan worden uitgesloten dat deze terroristen de komende weken of maanden ontsnappen of worden vrijgelaten uit detentie;

van mening dat berechting van Nederlandse uitreizigers in de regio dient plaats te vinden;

overwegende dat de aanwezigheid van uitgereisde terroristen in Nederland onaanvaardbare risico's voor de nationale veiligheid met zich meebrengt;

verzoekt de regering de Kamer terstond te informeren wanneer terroristen in buitenlandse detentie uit zicht zijn of zich melden bij Nederlandse diplomatieke posten of wanneer er signalen zijn van onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Michon-Derkzen en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 81 (36800-VI).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Michon-Derkzen. Het woord is aan de heer Ellian voor zijn inbreng namens de VVD in tweede termijn.

De heer Ellian (VVD):

Ik heb twee moties, uiteraard over de procesafspraken, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie steeds vaker met grote drugscriminelen procesafspraken maakt, waaronder inmiddels met vijf grote criminelen uit het crimineel samenwerkingsverband van Ridouan Taghi;

constaterende dat grote criminelen geen informatie hoeven te verschaffen, de gepleegde strafbare feiten niet hoeven te bekennen, en een lagere straf krijgen;

overwegende dat grote criminelen door het maken van procesafspraken in een lichter gevangenisregime terechtkomen;

van mening dat lage geldboetes geen enkel nut hebben bij grote criminelen aangezien zij miljoenen verdienen met georganiseerde criminaliteit;

spreekt uit dat procesafspraken met grote criminelen onwenselijk zijn;

verzoekt de regering aan het Openbaar Ministerie met klem over te brengen dat procesafspraken met grote drugscriminelen onwenselijk zijn en geen nadere stappen in deze richting te zetten tot na de behandeling van de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering in de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 82 (36800-VI).

De heer Ellian (VVD):

En dan uiteraard eentje over mijn eigen stad, niet omdat ik mijn eigen stad Almere, die overigens 50 jaar bestaat dit jaar, zo geweldig vind, maar omdat ik er heilig van overtuigd ben dat bijna de enige oplossing voor het capaciteitsprobleem in het gevangeniswezen het heropenen van de leegstaande bajes in Almere is.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat heropening van de Penitentiaire Inrichting Almere 360 plekken aan celcapaciteit oplevert;

verzoekt de regering om voorbereidingen te treffen die nodig zijn voor heropening zoals planvorming, het aanvragen van vergunningen en het inrichten van een projectteam,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ellian.

Zij krijgt nr. 83 (36800-VI).

De heer Ellian (VVD):

Dan heb ik nog één vraag aan de staatssecretaris. Die gaat over die groepjes op de Afdeling Intensief Toezicht, maar ook in de extra beveiligde inrichting. Wil hij dit nog één keer nagaan en mij nog één keer proberen … Nou ja, hij gaat me niet overtuigen. Ik wil hem nog één keer ervan proberen te overtuigen dat onderling contact tussen grote criminelen levensgevaarlijk is. Ik wil hem nogmaals vragen om daar een einde aan te maken.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Abdi voor haar inbreng in tweede termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de eerste integrale evaluatie van de wet-Mulder blijkt dat verkeersboetes disproportioneel hoog zijn en de overheid moet stoppen met het verhogen van verkeersboetes en eerdere stijgingen moet terugdraaien;

overwegende dat kleine verkeersovertredingen in disproportionele mate belanden bij mensen met lage inkomens en al heel snel kunnen leiden tot grote financiële problemen, zonder dat daar effectieve rechtsbescherming wordt geboden;

verzoekt de regering, met het oog op de bescherming van de juridische en financiële positie van burgers, met concrete voorstellen te komen voor hoe de uitkomsten van het evaluatieonderzoek zullen worden meegenomen in het opnieuw vaststellen van de hoogte van boetes,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, Straatman, Struijs, Dobbe, Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 84 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de CAO Rijk onvoldoende flexibiliteit geeft om de substantiële werkdrukverhogende omstandigheden in het gevangeniswezen mee te nemen in de arbeidsvoorwaarden voor DJI-personeel, met alle gevolgen van dien voor het behoud van DJI-personeel en het werven van nieuwe DJI-collega's;

verzoekt de regering om in goed overleg met vertegenwoordigers van het DJI-personeel te komen tot een afzonderlijke cao voor het gevangeniswezen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi, El Abassi en Bikker.

Zij krijgt nr. 85 (36800-VI).

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Mutluer voor haar inbreng in tweede termijn namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Dank aan de bewindspersonen. Met name dank aan de fijne geste van mijn fijne collega de heer Sneller. Ik ga heel snel voorlezen, namens ons allen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ondanks toezeggingen aan de Kamer na de parlementaire verkenning en het vereiste verbeterplan vanuit de Algemene Rekenkamer de voortgang bij het verkorten van doorlooptijden, ketenbrede sturing en informatievoorziening achterblijft;

verzoekt de regering:

  • uiterlijk vóór het zomerreces een integraal deltaplan strafrechtketen aan de Kamer te sturen met concrete, meetbare doelstellingen, een helder tijdpad en inzicht in verantwoordelijkheden en benodigde middelen;
  • scenario's uit te werken voor de mogelijke toekomstige inzet van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister, gericht op organisatieoverstijgende bedrijfsvoering in de strafrechtketen, en deze aan de Kamer voor te leggen;
  • te zorgen voor ketenbreed inzicht in doorlooptijden van individuele strafzaken;
  • de informatievoorziening vanuit de keten structureel te verbeteren, zodat voortgang op alle ketendoelstellingen meerjarig, actueel en goed vergelijkbaar kan worden gevolgd door de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Ellian, Diederik van Dijk, Sneller, Coenradie, Straatman, Struijs, Bikker, Dobbe, Teunissen, Schilder en El Abassi.

Zij krijgt nr. 86 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Zo. Nu ga ik naar mijn eigen moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het tijdelijk huisverbod in de praktijk onvoldoende bescherming biedt bij ernstig en structureel huiselijk geweld;

verzoekt het kabinet in uitzonderlijke gevallen verlenging van het tijdelijk huisverbod tot maximaal één jaar toe te staan, met duidelijke criteria en rechterlijke toetsing, en mogelijk te maken dat het tijdelijk huisverbod ook kan worden opgelegd en verlengd bij voortdurende dreiging of intieme terreur en ernstig huiselijk geweld zonder acuut gevaar;

verzoekt het kabinet tevens om de toepassing van het tijdelijk huisverbod mogelijk te maken op plegers die niet meer in de woning verblijven maar wel een ernstig risico vormen, en het tijdelijk huisverbod te koppelen aan verplichte daderhulpverlening, met handhaving bij niet-meewerken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Coenradie, Van der Werf, Becker, Diederik van Dijk, Struijs en Armut.

Zij krijgt nr. 87 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de implementatie van de EU-richtlijn huiselijk geweld de juridische en praktische mogelijkheden moet bieden om geweld in de privésfeer te voorkomen en te bestrijden;

van mening dat bijvoorbeeld Filomena, het Centrum voor huiselijk geweld en kindermishandeling en de Centra Seksueel Geweld onschatbare ervaring hebben opgedaan in de gewenste aanpak;

verzoekt de regering om in overleg met onder andere Filomena en decentrale overheden te onderzoeken hoe bij de implementatie van de EU-richtlijn huiselijk geweld mede kan worden voorzien in een landelijk dekkend netwerk van twaalf regio's om professionele hulp te bieden in situaties van (ex-)partnergeweld en kindermishandeling, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mutluer, Dobbe, Struijs, Diederik van Dijk en Coenradie.

Zij krijgt nr. 88 (36800-VI).

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Zo!

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Mutluer. U heeft het weer voor elkaar. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar tweede termijn namens de BoerBurgerBeweging.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat politici, boerengezinnen en andere betrokkenen in de agrarische sector te maken hebben met strafbare feiten door dierenextremisten;

verzoekt de regering om bij de politie een landelijk meldpunt dierenextremisme in te richten en daarbij samen te werken met het Meldpunt Agro Intimidatie voor een centrale registratie en bundeling van meldingen, zodat er een samenhangende opsporings- en beschermingsaanpak kan komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 89 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat extremistische ideologieën fundamentele vrijheden onder druk zetten en bijdragen aan intimidatie, uitsluiting en ondermijning van artikel 1 van de Grondwet;

verzoekt de regering een juridische verkenning te starten naar het begrip "extremisme", inclusief de mogelijkheid dit wettelijk te verankeren als grondslag voor het optreden tegen misbruik van grondrechten om de rechten van anderen te ondermijnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 90 (36800-VI).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Een goed initiatief. Er loopt al een verkenning naar de definitie van "extremisme", ook omdat we dat willen weten in het kader van online. Ik weet niet of mevrouw Van der Plas daarvan op de hoogte is. Hoe verhoudt haar motie zich dan tot hetgeen er loopt? Of wil zij hiermee nog eens onderstrepen dat het goed is wat er al loopt?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Wat er loopt is sowieso goed, maar volgens mij is er ook nog gewoon een groot grijs gebied dat we nu onder de vrijheid van meningsuiting scharen, maar dat wel degelijk onder extremisme kan worden verstaan, bijvoorbeeld een leraar die op een school aan kinderen uitlegt dat shariawetgeving eigenlijk wel heel goed is, en dat het ook heel goed is dat binnen die wetgeving je handen eraf worden gehakt als je steelt. Dan kun je zeggen dat dit valt onder de vrijheid van onderwijs, de vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting, maar het zijn best wel gestoorde ideeën. Dat is eigenlijk waar ik naar vraag. We moeten nu gewoon echt gaan definiëren wat extremisme is. Er hoeft ook niet altijd strafrechtelijk te worden opgetreden. Dat kan ook via de bestuurlijke weg.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Tot slot. Dat ben ik zeer met mevrouw Van der Plas eens. Daarom is het ook goed, wil ik maar zeggen, dat dit ook loopt. Zo weten we met elkaar wat we extremistisch vinden. Dan kun je er ook iets aan doen als je dat online tegenkomt. Daar ontbreekt het nu aan. Inhoudelijk ben ik het dus zeer eens, maar volgens mij wordt daar nu dus ook al aan gewerkt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja. Oké.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

U ook!

De voorzitter:

Dan is het woord aan mevrouw Faber voor haar inbreng in tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Zal ik mevrouw Faber nu een keer achter mij langs laten lopen?

De voorzitter:

Ik wilde het niet zeggen; ik wilde er niet zelf over beginnen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik moet weg, maar ik heb nog vijf moties!

Mevrouw Faber (PVV):

Nou, be my guest. Ik ben altijd voor een paar extra moties!

De voorzitter:

Het is goed zo!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We staan quitte nu.

De voorzitter:

Mevrouw Faber, het gaat hier om wetgeving, dus u heeft alle tijd. Gaat uw gang.

Mevrouw Faber (PVV):

Don't push me!

Goed, de motie van de leden Faber en Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de politie partner is in het Halal Village Festival en daar nieuwe politiemensen rekruteert;

overwegende dat het Halal Village Festival een festival is met een pro-Palestijnse activistische lading, gedecoreerd met Palestijnse vlaggen en watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd;

verzoekt de regering het partnerschap met het Halal Village Festival op te zeggen en te stoppen met deelname aan dit festival,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.

Zij krijgt nr. 91 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):

Dan de motie van de leden Faber, Vondeling en Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de organisatie Islamic Relief in Duitsland is aangeduid als een verlengstuk van de Moslimbroederschap;

overwegende dat de Moslimbroederschap de samenleving wil inrichten naar de regels van de islam, inclusief de maatschappij en de politiek;

verzoekt de regering Islamic Relief te verbieden in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Faber, Vondeling en Wilders.

Zij krijgt nr. 92 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):

Dan de motie-Faber/Wilders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een Frans overheidsrapport waarschuwt voor de subtiele langetermijninfiltratie van de Moslimbroederschap, met als einddoel een islamitisch rijk gebaseerd op de sharia;

verzoekt de regering de Moslimbroederschap en daaraan gelieerde organisaties in Nederland te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Wilders.

Zij krijgt nr. 93 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):

Dan heb ik een motie die ook is ondertekend door meneer Diederik van Dijk.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de politie kampt met zowel grote personeelstekorten als een tekort aan financiële middelen;

overwegende dat het niet de bedoeling is dat de belastingbetaler de dupe wordt van de extra politie-inzet bij voetbalwedstrijden terwijl het betaalde voetbal een miljoenenbusiness is;

overwegende dat in Engeland en Duitsland profclubs meebetalen aan de politie-inzet;

verzoekt de regering de betaaldvoetbalorganisaties mee te laten betalen aan de politie-inzet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Faber en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 94 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de burgemeester in het kader van de handhaving van de openbare orde beslist over de politie-inzet en de daarbij toegestane middelen;

overwegende dat het te voeren beleid niet afhankelijk mag zijn van de persoonlijke en politieke voorkeur van de burgemeester;

verzoekt de regering een eenduidig kader op te stellen, zodat er in gelijke omstandigheden sprake is van gelijke politie-inzet en middelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 95 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):

Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de schaarse politiecapaciteit op een efficiënte manier dient te worden ingezet;

verzoekt de regering de politie de opdracht te geven terug te keren naar de kerntaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.

Zij krijgt nr. 96 (36800-VI).

Mevrouw Faber (PVV):

Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer El Abassi. Ik sta twee interrupties toe.

De heer El Abassi (DENK):

Ik zal de kul met betrekking tot Halal Village even overslaan. Ik wil gelijk naar Islamic Relief. Ik heb daar ook een vraag over gesteld aan de minister. Ik zou mevrouw Faber willen vragen wat Islamic Relief strafrechtelijk verkeerd heeft gedaan. Islamic Relief is nooit veroordeeld. Er is in 2020 of 2022 een individu geweest waar het Verenigd Koninkrijk kritiek op had, maar deze persoon is niet strafrechtelijk veroordeeld. Wat vindt mevrouw Faber ervan om zo keihard uit te halen naar een organisatie die niet strafrechtelijk is veroordeeld en die al door tig aantal landen strafrechtelijk is onderzocht?

Mevrouw Faber (PVV):

Meneer El Abassi heeft aangegeven dat Islamic Relief een uitvloeisel van de Verenigde Naties zou zijn. Heb ik dat goed begrepen? U hoeft alleen maar te knikken; anders kost het u een interruptie. Ja, ik zie de heer El Abassi knikken. Ik wil u er wel even op attenderen dat voormalig minister Kaag, die toch echt fan was van de Verenigde Naties, de subsidie aan deze organisatie heeft stopgezet. Nou, dat zegt wel even iets. Zij is echt een aanhanger van de Verenigde Naties. Ze is ook vrij tolerant ten opzichte van de islam. Zij heeft die subsidie gekort. Nou, dat zegt wel iets. Dan is Islamic Relief in Duitsland ook nog aangeduid als een voortvloeisel uit de Moslimbroederschap. Het Franse parlement heeft een resolutie aangenomen om de Moslimbroederschap te plaatsen op de terreurlijst. Dat lijkt me toch wel voldoende om zeer kritisch te zijn op deze organisatie.

De voorzitter:

Tot slot, meneer El Abassi.

De heer El Abassi (DENK):

Als de PVV complimenten uitdeelt aan mevrouw Kaag, dan zegt dat heel wat, vind ik. Tegelijkertijd is dat geen antwoord op mijn vraag. Ik vroeg naar de situatie waarin iemand niet strafrechtelijk veroordeeld is. Mevrouw Faber noemt Duitsland. Duitsland is een van de landen die extreem veel onderzoeken heeft verricht naar Islamic Relief. Uiteindelijk heeft het gezegd: onschuldig. Dat is dus een van de landen die Islamic Relief onschuldig heeft bevonden. Dan komt weer mijn vraag: wat vindt mevrouw Faber ervan dat zij iemand die niet strafrechtelijk veroordeeld is en tig keer door tig landen is onderzocht, wél keihard veroordeelt, terwijl mevrouw Faber zelf in een partij zit waarvan de partijleider strafrechtelijk veroordeeld is? Wat zouden we dan moeten doen met dit soort partijen, zou ik mevrouw Faber willen vragen.

Mevrouw Faber (PVV):

Ik vind die vergelijking wel erg mank gaan, want mijn partijleider is veroordeeld wegens groepsbelediging. Dat vind ik wel even iets anders dan Islamic Relief, dat ons allemaal wil onderwerpen aan de islam. Een totalitair systeem vind ik toch wel iets anders dan de heer Wilders, die toch wel de democratie onderstreept.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Faber. Het woord is aan de heer Emiel van Dijk voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de Partij voor de Vrijheid.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gedetineerden in Nederlandse gevangenissen het recht hebben op het dragen van eigen kleding op grond van de Penitentiaire beginselenwet;

constaterende dat het recht op eigen kleding niet gestoeld is op internationale of Europese verplichtingen;

constaterende dat gedetineerden in verschillende Europese landen een gevangenisuniform dragen;

overwegende dat het recht op eigen kleding voor hiërarchische verhoudingen zorgt, statusverschillen versterkt en diefstal in de hand werkt, wat zorgt voor conflicten en toenemende onveiligheid van gevangenispersoneel;

van mening dat de veiligheid van gevangenispersoneel te allen tijde gewaarborgd en waar mogelijk verbeterd moet worden;

verzoekt de regering met een voorstel te komen om gevangenisuniformen te introduceren en daarmee een einde te maken aan het dragen van eigen kleding in detentie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 97 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overgrote meerderheid van de gedetineerden momenteel vertoeft in een eenpersoonscel;

overwegende dat dit onacceptabel is zolang er een cellentekort is en gedetineerden eerder naar huis gestuurd worden;

verzoekt de regering van meerpersoonscellen definitief de norm te maken en ervoor te zorgen dat het overgrote deel van de gedetineerden in een meerpersoonscel gehuisvest zal worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 98 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens artikel 10, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht de minimale duur van een gevangenisstraf één dag is;

constaterende dat de minimale duur van een gevangenisstraf in Duitsland één maand bedraagt;

overwegende dat zeer korte gevangenisstraffen vaak zinloos zijn en geen recht doen aan het leed van slachtoffers;

verzoekt de regering een voorstel in te dienen om de minimale duur van een gevangenisstraf, naar Duits voorbeeld, te verhogen naar één maand,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 99 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid geniet om wel of niet te vervolgen;

overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij ernstig geweld tegen hulpverleners;

verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij geweld tegen hulpverleners en het Openbaar Ministerie te dwingen te vervolgen in dit soort zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 100 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Openbaar Ministerie momenteel altijd de vrijheid geniet om al dan niet te vervolgen;

overwegende dat er veel te vaak niet vervolgd wordt bij gewelds- en zedenzaken;

verzoekt de regering het opportuniteitsbeginsel af te schaffen bij gewelds- en zedenzaken en het Openbaar Ministerie te dwingen te vervolgen in dit soort zaken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 101 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel WODC-onderzoeken uitgevoerd worden door onbekende onderzoekers;

verzoekt de regering voortaan voorafgaand aan een WODC-onderzoek de Kamer inzicht te verschaffen in de onderzoekers en hun functie, nevenfuncties, achtergrond en andere belangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 102 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door de overheid veel onderzoeken worden uitgevoerd waaraan hoge kosten verbonden zijn;

overwegende dat belastinggeld efficiënt uitgegeven moet worden en deze uitgaven goed gecontroleerd moeten kunnen worden;

verzoekt de regering voortaan bij alle gedane onderzoeken in het onderzoek zelf een vermelding van de gehele kostprijs van het onderzoek te voegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk.

Zij krijgt nr. 103 (36800-VI).

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Straatman voor haar inbreng in tweede termijn namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, minister en staatssecretaris, voor de beantwoording en voor de aardige woorden naar aanleiding van mijn maidenspeech. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij het opleggen en innen van verkeersboetes meerdere instanties betrokken zijn, waaronder het CJIB, de politie en het Openbaar Ministerie;

constaterende dat verkeersboetes en verhogingen kunnen leiden tot schulden of bestaande schulden kunnen verergeren;

overwegende dat betere gegevensdeling tussen betrokken instanties kan helpen bij het vroegtijdig signaleren van schulden, maar dat hier een duidelijke grondslag voor ontbreekt;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe de gegevensdeling tussen het CJIB, de politie en het Openbaar Ministerie verbeterd kan worden ten behoeve van het vroegtijdig signaleren van personen met een verhoogd risico op problematische schulden door verkeersboetes;

verzoekt de regering dit te betrekken bij de Taskforce Gegevensdeling, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Abdi, Bikker en Struijs.

Zij krijgt nr. 104 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Tijs van den Brink, maar die ziet af van zijn spreektijd. Dan is het woord aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng namens JA21 in de tweede termijn.

Mevrouw Coenradie (JA21):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat contact- en gebiedsverboden juridisch mogelijk zijn maar in de praktijk terughoudend en niet uniform worden ingezet;

overwegende dat snelle bescherming van slachtoffers essentieel is;

verzoekt de regering te borgen dat bij een hoog risico op herhaald huiselijk geweld of kindermishandeling contact- en gebiedsverboden toegepast worden, waar passend ondersteund door elektronische monitoring,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Bikker, Dobbe, Mutluer en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 105 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de tbs-sector onder zware druk staat door capaciteitstekorten en hoge kosten;

overwegende dat het EVRM regelmatige rechterlijke toetsing vereist, maar ruimte laat voor beoordeling op basis van individuele risico's;

verzoekt de regering te onderzoeken of binnen deze kaders meer maatwerk mogelijk is, waarbij de rechter in bepaalde gevallen en op basis van objectieve risicobeoordelingen kan besluiten tot een langere verlengingsperiode, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Eerdmans, Schilder, Ellian en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 106 (36800-VI).

Dank u wel. Het woord is aan de heer El Abassi voor zijn inbreng in tweede termijn namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter, dank. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat burgers onterecht op terrorisme- en extremismelijsten kunnen belanden en de rechtsbescherming daarbij tekortschiet;

constaterende dat de Inspectie Justitie en Veiligheid geen toegang heeft tot het CTER-themaregister en daardoor geen zelfstandig toezicht kan uitoefenen;

overwegende dat effectief toezicht een kernvoorwaarde is voor bescherming van grondrechten;

verzoekt de regering om te waarborgen dat de Inspectie Justitie en Veiligheid zo spoedig mogelijk structurele toegang krijgt tot het CTER-themaregister,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 107 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat politiegeweld uitsluitend mag worden toegepast als uiterste middel en altijd noodzakelijk en proportioneel moet zijn;

overwegende dat het filmen van politieoptreden en het uiten van kritiek daarop geen strafbare feiten zijn;

verzoekt de regering te waarborgen dat bij vermoedens van disproportioneel politiegeweld altijd een onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld;

verzoekt de regering te bevestigen dat het filmen van politieoptreden en het aanspreken op optreden op zichzelf nooit grond vormen voor het toepassen van geweld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 108 (36800-VI).

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter. Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat geweld tegen hulpverleners, politie en bestuurders altijd onacceptabel is;

overwegende dat uit de criminologie blijkt dat criminaliteit samenhangt met sociaal-economische factoren en niet met afkomst;

overwegende dat collectieve verdachtmaking op basis van afkomst het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt;

verzoekt de regering zich uit te spreken tegen het collectief criminaliseren van bevolkingsgroepen op basis van afkomst;

verzoekt de regering geweld tegen gezagsdragers consequent en zonder dubbele maat te veroordelen en aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.

Zij krijgt nr. 109 (36800-VI).

De heer El Abassi (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Dat was het.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Diederik van Dijk voor zijn inbreng namens de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb drie moties. De eerste heeft betrekking op de DUUP-regeling.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de DUUP-regeling is bedoeld voor uitstapprogramma's voor mensen die de prostitutie willen verlaten, maar dat uit de praktijk blijkt dat in sommige steden DUUP-middelen terechtkomen bij organisaties die naast uitstap ook instap faciliteren;

verzoekt de regering in overleg met de DUUP-centrumgemeenten te bevorderen dat de DUUP-middelen ook daadwerkelijk en exclusief voor uitstapondersteuning worden ingezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 110 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat geweld tegen vrouwen een hardnekkig maatschappelijk probleem is, dat zich in uiteenlopende vormen manifesteert;

overwegende dat uit diverse onderzoeken blijkt dat vrouwen in de prostitutie bovengemiddeld vaak te maken krijgen met seksueel, fysiek en psychisch geweld, alsmede met uitbuiting en dwang;

verzoekt de regering om in het kader van het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld expliciet aandacht te besteden aan geweld tegen vrouwen in de prostitutie, en daarbij in het bijzonder te bezien hoe preventie, signalering, bescherming en ondersteuning van vrouwen die zich onvrijwillig in de prostitutie bevinden verder kan worden versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk en Coenradie.

Zij krijgt nr. 111 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

En de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het vertrouwen van Joodse Nederlanders in de strafrechtketen drastisch is afgenomen, omdat antisemitische incidenten regelmatig traag, onvoldoende of helemaal niet worden opgevolgd en online antisemitische haat vaak onbestraft blijft;

overwegende dat effectieve bestrijding van antisemitisme vraagt om gespecialiseerde expertise, landelijke regie en duidelijke doorzettingsmacht binnen de strafrechtketen;

verzoekt de regering om in overleg met de strafrechtketen een gespecialiseerde eenheid bij politie en OM in te richten die exclusief is belast met de opsporing en vervolging na antisemitische misdrijven, beschikt over structurele capaciteit, specialistische kennis en doorzettingsmacht, en verantwoordelijk is voor snelle opvolging van aangiften, consequente vervolging en effectieve aanpak van (online) antisemitisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Diederik van Dijk, Bikker en Coenradie.

Zij krijgt nr. 112 (36800-VI).

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Teunissen voor haar inbreng namens de Partij voor de Dieren in tweede termijn.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer in 2023 de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing fors heeft aangescherpt en het nu onder meer mogelijk is om dierenbeulen een (levenslang) houdverbod op te leggen;

constaterende dat deze instrumenten alleen nut hebben als dierenmishandeling ook daadwerkelijk wordt gesignaleerd en er wordt ingegrepen, maar dat misstanden in de praktijk te vaak ongezien en ongestraft blijven;

verzoekt de regering om samen met het Openbaar Ministerie, de NVWA, de LID en de politie te onderzoeken welke maatregelen kunnen worden genomen om de pakkans van mensen die betrokken zijn bij dierenmishandeling te vergroten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 113 (36800-VI).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Dan heb ik nog één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het recht om te demonstreren een fundamenteel onderdeel is van de democratische rechtsstaat en dat de mogelijkheid om anoniem te demonstreren essentieel is voor de veiligheid van kwetsbare groepen, waaronder diaspora's die demonstreren tegen repressieve regimes en daarbij veiligheidsrisico's lopen;

overwegende dat politie en burgemeesters hebben aangegeven dat een verbod op anoniem demonstreren en gezichtsbedekkende kleding moeilijk uitvoerbaar is en tot handhavingsproblemen leidt;

verzoekt de regering het recht op anonieme deelname aan demonstraties actief te waarborgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 114 (36800-VI).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Bikker voor haar inbreng namens de ChristenUnie in tweede termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u. Felicitaties aan collega Abdi, collega Straatman en collega Schilder voor hun persoonlijke en prachtige maidenspeeches. Ik kijk zeer uit naar de samenwerking. Dank natuurlijk aan de bewindspersonen voor de beantwoording en aan allen achter hen die meegezwoegd en -geploeterd hebben.

Voorzitter. Ik heb een drietal moties. Allereerst heb ik er natuurlijk één over de uitstapprojecten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma's Prostituees (DUUP) een belangrijke rol speelt in het ondersteunen van mensen die uit de prostitutie willen stappen;

constaterende dat de gemeenten die deze subsidie ontvangen hierover geen financiële verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk en dat het Rijk geen kaders of voorwaarden aan de subsidie heeft verbonden, waardoor gemeentes dit geld aan zaken met een ander doel dan uitstap kunnen uitgeven;

verzoekt de regering de regels voor de DUUP aan te scherpen, zodat de Rijksoverheid er beter op kan sturen dat gemeenten dit geld gericht uitgeven aan het beoogde doel van de regeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Coenradie, Schilder en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 115 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Dan een motie over drugs.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gebruik van illegale drugs bijdraagt aan criminele ondermijning;

overwegende dat de overheid naar aanleiding van de motie-Bikker c.s. (36159, nr. 24) een publiekscampagne is gestart die drugsgebruikers confronteert met de gevolgen van drugsgebruik voor de samenleving;

verzoekt de regering de campagne over de gevolgen van drugsgebruik voor criminaliteit en de samenleving voort te zetten, en gemeenten hier ook actief bij te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Michon-Derkzen en Diederik van Dijk.

Zij krijgt nr. 116 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Dan een motie over het rookbeleid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de overheid preventiebeleid voert tegen e-sigaretten, oftewel vapes, en andere vormen van roken dan wel rookverslaving;

constaterende dat bij het roken van hasj en wiet ongeveer vier tot vijf keer meer teer vrijkomt dan bij een sigaret, en dat dit dus schadelijker is voor de longen en kankerverwekkender is;

verzoekt de regering bij haar preventiebeleid om roken tegen te gaan ook de schadelijke gevolgen van cannabis te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker en Tijs van den Brink.

Zij krijgt nr. 117 (36800-VI).

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Voorzitter. Recht boven macht: zo begon ik mijn bijdrage en zo wil ik die ook afsluiten. Dat betekent dat het huis van het recht op orde moet zijn, de hele strafrechtketen. Deze begrotingsbehandeling stelt mij daarin niet gerust. Of het nu gaat om de tekorten bij de DJI, de tekorten bij het Openbaar Ministerie, de tekorten bij de politie of om datgene wat onze woordvoerders in het begin namens ons allen hebben gezegd over de kritiek van de Rekenkamer: er is veel werk aan de winkel. Dat moet verzet worden in deze Kamer, willen wij ervoor zorgen dat recht boven macht blijft gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens de SP in de tweede termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er een aantal vrouwenrechtswinkels zijn die met veel succes werken als een laagdrempelige plek waar vrouwen juridische hulp en advies kunnen krijgen;

overwegende dat de vrouwenrechtswinkels van grote toegevoegde waarde zijn voor de toegang tot het recht voor vrouwen en dit hard nodig is, omdat vrouwen vaker in specifieke kwetsbare situaties zitten of specifieke hulpvragen hebben;

overwegende dat de financiering voor de vrouwenrechtswinkels niet structureel geborgd is in het beleid betreffende de bevordering van de toegang tot het recht;

verzoekt de regering om de vrouwenrechtswinkels een vaste en structurele plek te geven in het beleid omtrent de toegang tot het recht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe, Teunissen, Abdi en Coenradie.

Zij krijgt nr. 118 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de commissie-Van der Meer II heeft vastgesteld dat de kantoortoeslag van €14,82 noodzakelijk is om de sociale advocatuur voldoende betaalbaar te houden;

overwegende dat een verhoogde kantoortoeslag bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van de toegang tot het recht, omdat dit leidt tot het opleiden van meer sociale advocaten en het tegengaan van de vergrijzing en de uitstroom;

verzoekt de regering in samenwerking met de Raad voor Rechtsbijstand en de NOvA nog voor de zomer met een plan te komen om de kantoortoeslag te bewerkstelligen met ingang van 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Abdi.

Zij krijgt nr. 119 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het gevangenispersoneel momenteel aan het staken is omdat het personeel van de gevangenissen op de nullijn is gezet en ook de inflatiecorrectie niet wordt toegepast en zij er dus financieel zelfs op achteruitgaan;

overwegende dat er al sprake is van een personeelstekort en capaciteitsproblemen en er al langer wordt gesproken van een code zwart voor het gevangenispersoneel;

overwegende dat deze nullijn de situatie onhoudbaar maakt en desastreuze gevolgen zal hebben, zoals een nog verdere uitstroom van het gevangenispersoneel, als er niet snel wordt ingegrepen;

verzoekt de regering om de voorgestelde nullijn voor rijksambtenaren van tafel te halen, zodat ook het gevangenispersoneel een fatsoenlijke loonsverhoging kan krijgen, en in gesprek te gaan met de belangenvertegenwoordigers van het gevangenispersoneel over verbeterde arbeidsomstandigheden om het vak aantrekkelijker te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 120 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er weinig ruimte is voor maatwerk voor de penitentiaire inrichtingen om de bezoekuren aan te passen voor schoolgaande kinderen;

overwegende dat als ouders worden gestraft, dit niet betekent dat kinderen ook gestraft moeten worden;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat er meer maatwerk kan worden toegepast betreffende de bezoekuren in de p.i.'s, zodat schoolgaande kinderen hun ouders kunnen bezoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 121 (36800-VI).

Mevrouw Dobbe (SP):

Voorzitter. Ik zou nog willen zeggen dat ik het amendement op stuk nr. 43 (36800-VI) intrek.

De voorzitter:

Het amendement-Dobbe (stuk nr. 43) is ingetrokken.

Mevrouw Dobbe (SP):

En ik wil graag mijn collega Thomas van Halm bedanken, wiens laatste dag het hier vandaag is na zesenhalf jaar voor ons gewerkt te hebben.

Dank u wel, voorzitter.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Namens de Kamer veel dank voor alle bewezen diensten!

U heeft nog een interruptie van de heer Sneller.

De heer Sneller (D66):

Ik heb een vraag over de motie over de kantoortoeslag. Is dat "voer 'm in en kom voor de zomer met het plan"? Of is dat "maak een plan voor het geval we 'm zouden willen invoeren"?

Mevrouw Dobbe (SP):

Het is: maak een plan om 'm in te voeren.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Struijs van 50PLUS voor zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Struijs (50PLUS):

Voorzitter. Ik heb twee moties en een hele kleine tip.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de beleidsagenda van de begroting van Justitie en Veiligheid expliciet aandacht wordt besteed aan femicide, huiselijk geweld en kindermishandeling, en aan de versterking van interventies en samenwerking in de keten;

constaterende dat ouderenmishandeling een ernstige en vaak verborgen vorm van huiselijk geweld is, die zich kan uiten in fysieke, psychische en financiële mishandeling en verwaarlozing;

overwegende dat ouderenmishandeling door schaamte, afhankelijkheidsrelaties en sociale isolatie veelal onder de radar blijft en dat er een hardnekkig taboe rust op het melden en bespreekbaar maken van dit probleem;

overwegende dat door de toenemende vergrijzing en het langer zelfstandig thuis wonen van ouderen het risico op ouderenmishandeling toeneemt;

overwegende dat een effectieve aanpak van huiselijk geweld vraagt om expliciete beleidsmatige erkenning van alle kwetsbare groepen, waaronder ouderen;

verzoekt de regering om ouderenmishandeling expliciet te benoemen en te verankeren binnen de beleidsprioriteiten en de aanpak van huiselijk geweld in de beleidsagenda van Justitie en Veiligheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs, Mutluer, Coenradie, Bikker, Van der Werf, Michon-Derkzen en Dobbe.

Zij krijgt nr. 122 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zorgfraude een groot probleem vormt, waarbij aanzienlijke publieke middelen verloren gaan en de kwaliteit en toegankelijkheid van het zorgstelsel kan worden aangetast;

constaterende dat zorgfraude op dit moment lastig tegen te gaan is en in de praktijk onvoldoende wordt voorkomen of bestraft;

constaterende dat er momenteel geen wettelijke definitie van zorgfraude bestaat;

constaterende dat de Nederlandse Zorgautoriteit aangeeft dat zij door het ontbreken van deze wettelijke definitie niet kan vaststellen hoeveel signalen daadwerkelijk als fraude kunnen worden aangemerkt;

overwegende dat het ontbreken van een wettelijke definitie kan leiden tot onduidelijkheid bij toezicht, handhaving en opsporing van zorgfraude;

overwegende dat een duidelijke wettelijke definitie kan bijdragen aan een effectievere aanpak van zorgfraude;

verzoekt de regering om in samenspraak met betrokken instanties te komen tot een expliciete wettelijke definitie van zorgfraude, deze definitie wettelijk te verankeren, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Struijs en Dobbe.

Zij krijgt nr. 123 (36800-VI).

De heer Struijs (50PLUS):

Ik heb nog een kleine tip aan de staatssecretaris voor zijn playlist: I Walk the Line van Johnny Cash, over de struggling van een man.

De voorzitter:

Staat genoteerd, dank u wel. Tot slot als laatste spreker van de zijde van de Kamer mevrouw Schilder namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de staatssecretaris en de minister voor de beantwoording.

Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij zeer ernstige misdrijven grote verschillen bestaan in opgelegde straffen;

overwegende dat het ontbreken van wettelijke ondergrenzen kan bijdragen aan onbegrip en afnemend vertrouwen in het strafrecht;

verzoekt de regering wetgeving te ontwikkelen voor de invoering van minimumstraffen bij delicten waarop een gevangenisstraf van tien jaar of meer staat, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 125 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij zware geweldsmisdrijven en andere ernstige misdrijven, waaronder zware mishandeling, straatroof, overvallen en verkrachting, opgelegde straffen structureel ver onder de wettelijke maxima blijven;

overwegende dat de huidige strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie bij deze delicten onvoldoende recht doen aan de ernst van het misdrijf en het maatschappelijke rechtsgevoel;

verzoekt de regering om in overleg met het Openbaar Ministerie te bezien of de strafvorderingsrichtlijnen voor deze categorieën misdrijven substantieel kunnen worden verhoogd, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schilder en Coenradie.

Zij krijgt nr. 126 (36800-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de capaciteitsproblemen in het gevangeniswezen structureel zijn en leiden tot ernstige knelpunten, waaronder uitstel van detentie;

overwegende dat meerpersoonscellen een direct toepasbare maatregel zijn om de capaciteit te vergroten;

verzoekt de regering om de eenpersoonscel niet langer als uitgangspunt te hanteren, maar het beleid zodanig te wijzigen dat meerpersoonscellen de norm worden waar dit veilig en verantwoord kan, en de Kamer binnen drie maanden te informeren over de concrete uitwerking, doelstellingen en planning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Schilder.

Zij krijgt nr. 127 (36800-VI).

Dank u wel.

Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):

Dank u wel.

De voorzitter:

Meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Collega Michon en ik hebben in onze bijdrage verzuimd om de ambtenaren te bedanken voor de schriftelijke beantwoording. Ik doe dit nu even aan het einde. We beseffen hoe hard ze gisteravond hebben gewerkt, dus langs deze weg dank daarvoor.

De voorzitter:

Dat wordt hogelijk gewaardeerd. Dank u wel.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors twintig minuten, dus tot 15.20 uur, voor de beantwoording en de appreciaties. De vergadering is geschorst tot 15.20 uur.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Dat betreft de appreciaties van de ingediende moties en de beantwoording van de gestelde vragen. Ik geef daarvoor het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Van Oosten:

Dank u wel, voorzitter. Ik ga een paar antwoorden geven die ik heb laten liggen of waarbij ik heb doorverwezen naar de tweede termijn. Daarna kom ik bij één amendement dat nog een appreciatie verlangt, omdat dat in het afgelopen halfuur is ingediend. Daarna kom ik bij de moties, en die zal ik kort en krachtig appreciëren, zoals u van mij mag verwachten.

De voorzitter:

Heel graag.

Minister Van Oosten:

Mevrouw Mutluer stelt de vraag wanneer de nieuwe Wet wapens en munitie naar de Tweede Kamer komt. Wanneer de wet specifiek naar de Kamer komt, kan ik helaas op dit ogenblik nog niet preciseren, maar ik zeg u toe dat ik binnen de organisatie ga ophalen wanneer en hoe dat naar u toe gaat komen. We werken nu aan de contouren van de wet, en ik wil zelf ook dat deze wet heel snel naar uw Kamer komt ter behandeling. Ik kan op dit ogenblik gewoon nog geen precieze momenten noemen, maar wat mij betreft gaat dat zeker dit jaar zijn.

De voorzitter:

Er is geen ruimte voor debat, maar wel voor een vervolgvraag. Eén stuk, mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

We wachten al vier jaar op dit wetsvoorstel. Ik vind het antwoord van deze minister wederom vaag, dus ik verzoek hem wederom om binnen afzienbare tijd, wat mij betreft volgende week of binnen een maand, te preciseren wanneer dat wetsvoorstel onze kant op komt. Ik neem geen genoegen met "ergens in het jaar", want dat gaat waarschijnlijk weer twee, drie jaar worden. We worden elk jaar weer zoet gehouden. Ik wil gewoon het wetsvoorstel.

Minister Van Oosten:

Dat laatste ben ik niet met mevrouw Mutluer eens. Ik snap wel dat zij die precisering verlangt. Die verlang ik ook, en die heb ik nog onvoldoende teruggekregen. Dus, prima, ik neem de handschoen van mevrouw Mutluer aan: u krijgt ergens binnen de komende weken terug wanneer die wet aan u toegezonden gaat worden ter beoordeling.

Dan de vraag naar de specialistische jongerenwerkers en hoeveel specialistische jongerenwerkers er zijn. Het spijt mij, maar ik kan niet berekenen hoeveel jongerenwerkers er nu exact in gemeenten rondlopen. Dat onttrekt zich voor een deel aan mijn zicht. Zoals ik net al aangaf, zien wij in die wijken waar de problematiek het heftigst is wel dat bijna alle preventie met gezag, gemeenten en extra specialistisch jeugdwerk wordt ingezet. Het is aan gemeenten om te bepalen of dit passend is. Ik heb al toegezegd dat er hierover een brief naar mevrouw Mutluer en de Kamer toe komt. Wellicht geeft dat de gelegenheid om er verder over door te praten. Die toezegging staat.

Dan de heer Van den Brink. Hij vroeg naar het centraal informatiepunt. Zoals in het Actieplan Samen tegen mensenhandel is opgenomen: in 2025 is er een landelijk coördinatiecentrum gestart met de inrichting daarvan. In juni verwacht ik dat een deel daarvan van start kan gaan. Die informatie wordt meertalig behandeld. Het centraal informatiepunt wordt doorontwikkeld in een nationaal verwijzingsmechanisme conform de herziene Europese richtlijn. Bij dat punt kunnen slachtoffers, eerstelijns professionals et cetera toegankelijk en laagdrempelig worden geïnformeerd en doorverwezen. Er is dus geen heel precies moment te geven wanneer dit gebeurt, want het is doorlopend aan de orde en wordt doorlopend versterkt en verbeterd.

Dan mevrouw Faber: wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de verkenning naar de aanscherping rondom groepsgedrag? Dat is een precisering van de vraag waar ik zelf ook enorme urgentie voor voel, net als voor die Wet wapens en munitie. Ik lees hier nu geen antwoord. Dat antwoord ga ik u geven gelijktijdig met de brief die ik mevrouw Mutluer heb toegezegd. U gaat die concretisering krijgen wanneer die uw kant op komt. Daar heeft u recht op, en dat wil ik zelf ook.

Dan de vraag van de heer El Abassi over Islamic Relief, dat door heel veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, is onderzocht. Ook strafrechtelijk gezien is uit onderzoek niet gebleken dat er sprake is van een terroristische organisatie of strafrechtelijke veroordeling. Ik kom er dadelijk nog op terug bij een aantal ingediende moties, maar Islamic Relief Nederland is niet dezelfde organisatie als Islamic Relief Worldwide. Het is mij inderdaad niet bekend dat de organisatie Islamic Relief zoals die op de beurs stond in de ons omringende landen verboden is of strafrechtelijk vervolgd wordt. Vanzelfsprekend staan we nationaal en internationaal in goed contact met elkaar over organisaties met een mogelijk terroristisch oogmerk. Eventuele ontwikkelingen volgen we nauwgezet.

Dan de vraag van mevrouw Van der Plas over het document dat ze min of meer heeft ingediend — zo zeg ik het maar even — rondom agro-intimidatie. Zoals gezegd in mijn eerste termijn, heb ik het document bekeken en beoordeeld. Ik zie een bijlage met bijna 70 meldingen die bij het Meldpunt Agro Intimidatie zijn binnengekomen sinds januari vorig jaar. Ik ga die meldingen niet tekortdoen, maar ik lees ook meldingen van het aantreffen van stickers et cetera. Ik kan me goed voorstellen dat dat een enorme impact kan hebben op alle betrokkenen. Daarom vind ik het belangrijk dat meldingen doorgezet worden naar de politie. Ik herhaal dan een beetje het debatje. Meneer de voorzitter, ik kijk daarbij mevrouw Van der Plas specifiek aan, omdat ik hoop dat we met elkaar die oproep kunnen neerleggen bij de sector en bij alle mensen die dit aangaat: als je je bedreigd voelt et cetera, bel alsjeblieft 112 en laat het de politie weten. Ik kan u zeggen dat ik met de minister van LVVN in gesprek ga over of een onderzoek naar de aard en omvang van de door agrariërs ervaren bedreiging en intimidatie, mogelijk is. Daar sta ik positief tegenover, laat dat ook helder zijn.

De voorzitter:

Eén interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, en die gaat over stickers. Het gaat er niet om dat de sticker intimiderend is. Het gaat erom dat die mensen op het erf van een boer komen. Dat is waar hij woont en leeft. In je woonplaats, je huis, moet je je in de eerste en laatste plaats veilig voelen. Die mensen komen op het erf en beplakken daar dan ramen of auto's. Dáár gaat het om. Het gaat me niet om de sticker an sich, maar om het feit dat ze het erf betreden waar je je veilig moet voelen.

Minister Van Oosten:

Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens. Je eigen erf, je eigen huis, is wat mensen betreft heilige grond. Dat begrijp ik heel erg goed. Daarom: als je je bedreigd voelt, bel je in dit land de politie. Dat geldt voor iedereen, niet alleen voor de agrarische sector. Doe dat alsjeblieft, want dan kunnen we er ook mee aan de slag. Ik denk dat sommige mensen dat nog wat steviger en actiever kunnen doen dan nu gebeurt. Dat is mijn veronderstelling. Ik kan dat niet wetenschappelijk onderbouwen. Maar help mij hiermee, zodat het gaat gebeuren.

Dan heb ik alle vragen gehad en kom ik nog bij het amendement dat is ingediend door de leden Bikker c.s. Dat is het amendement dat ziet op "de kleine zeehavens"; ik geef het even die naam. Ik wil dit amendement, indachtig de discussie die we met elkaar hebben gevoerd, oordeel Kamer geven, maar wel met de volgende voorwaarde. Dat is namelijk dat voordat er in 2026 extra geld wordt besteed aan de kleine zeehavens, er eerst een duidelijke probleemanalyse moet liggen. Daar wordt aan gewerkt. Ik leg die handschoen wel even terug. Het amendement als zodanig is natuurlijk incidenteel.

De voorzitter:

Dat betreft dus een wijziging van de appreciatie. Het gaat om het amendement op stuk nr. 37.

Minister Van Oosten:

Ja, dat is het amendement op stuk nr. 37.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Als dat zo is, ben ik helemáál gelukkig, maar dat is het amendement waarmee ik 3 miljoen struc vroeg. Na de wisseling met de minister ben ik juist aan de slag gegaan met het ministerie om tot iets te komen waarin we elkaar vonden. Dat is nu het amendement op stuk nr. 124. Mijn beeld is dat de minister dat oordeel Kamer geeft, mits er een goed plan ligt. Dat begrijp ik natuurlijk helemaal.

De voorzitter:

Dus mevrouw Bikker heeft …

Minister Van Oosten:

Dank u wel. Ik word nu namelijk door een heleboel mensen geappt: het gaat om het nieuwe amendement!

De voorzitter:

Heel duidelijk. Mevrouw Bikker heeft dus de vruchten geplukt van het debat in de termijn van de minister, heeft daar haar conclusies uit getrokken en een gewijzigd amendement ingediend. Dat amendement krijgt nu oordeel Kamer. Akkoord. Dan gaan we naar de moties.

Minister Van Oosten:

De staatssecretaris neemt vanzelfsprekend de moties die onder zijn portefeuille vallen voor zijn rekening.

Dat betekent dat ik begin bij de motie op stuk nr. 80 over nudify-apps et cetera. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven.

Ik wil iets meer zeggen over de motie op stuk nr. 81 van mevrouw Michon-Derkzen en de heer Diederik van Dijk inzake de uitreizigers. Ik ben het namelijk met mevrouw Michon-Derkzen en de heer Van Dijk eens dat dit echt een ongelofelijk belangrijk ding is. Enerzijds realiseer ik me dat het ontzettend belangrijk is dat u het als Kamer goed kunt volgen, dat het ontzettend belangrijk is dat alle diensten en het hele instrumentarium hier in ons land paraat staan voor het geval de betrokkenen hier ineens zouden zijn en dat u er ook van op aan moet kunnen dat de bewindspersoon van Justitie en Veiligheid — whoever that may be; wie dat ook is — er bovenop zit, want het is echt een ding. Maar ik vind ook dat ik een beetje prudentie moet durven te betrachten in hetgeen ik u toezeg, omdat ik ook niet wil dat we daar verkeerde dingen in doen. Dus ik zeg u dat ik met mevrouw Michon-Derkzen deel dat deze personen een gevaar zijn voor de nationale veiligheid en dat we er alles aan moeten doen om te voorkomen dat ze onopgemerkt terugkeren naar terugkeer. Ik kan uw Kamer dan ook aanbieden uw Kamer vertrouwelijk te informeren over de situatie in Syrië en Irak in relatie tot uitreizigers, hun berechting en de gevolgen voor de Nederlandse nationale veiligheid. Ik kan niet op voorhand toezeggen, als dat specifiek het verlangen is, dat het altijd heel specifiek op casusniveau is. Dat lees ik niet zo in het dictum, maar goed, ik kan me voorstellen dat het misschien daarover gaat. Maar als ik de lezing mag geven zoals ik die hiervoor geef, waarbij u ook hoort wat ik eromheen zeg, dan ga ik echt mijn uiterste best doen om u gewoon te vertellen waar u recht op heeft om uw controlerende taak op dit punt te kunnen invullen, want dat moet gebeuren. Dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Dan laat u haar aan het oordeel van de Kamer. Kort, mevrouw Michon-Derkzen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ja, maar het luistert wel nauw. Ik vind het heel fijn om vertrouwelijk te worden geïnformeerd, maar het gaat er juist om dat de actualiteit er steeds voor zorgt dat we die scherpte hier met elkaar moeten hebben. Ik wil dus niet één keer worden geïnformeerd over de situatie; ik wil juist wel worden geïnformeerd als de actualiteit daartoe noopt. Dat hoeft niet op persoonsniveau — laat me daar ook even duidelijk over zijn — maar wel in die zin op casusniveau dat als de actualiteit is dat er daar nu tien veroordeelde terroristen vrij rondlopen, ik daarover graag geïnformeerd wil worden. Nogmaals, niet over namen, maar over "het gegeven dat".

Minister Van Oosten:

Dan verstaan we elkaar goed, want dat is ook wat ik u wil aanbieden. Ik ben nog niet zover dat ik precies weet met welke frequentie et cetera dat gaat gebeuren, want de ontwikkelingen volgen elkaar nu echt snel op. Dat moeten we dus even een beetje beproeven. U moet mij ook, zo vraag ik u dan, wat ruimte daarin geven. Maar echt, u mag mij erop aanspreken dat ik u ga informeren over dit punt. We hebben duidelijk gewisseld hoe specifiek dat moet zijn over individuen. Dan lees ik dat u het leest zoals ik het zeg, namelijk dat dat niet heel gericht hoeft te zijn. In dat geval oordeel Kamer.

De voorzitter:

Mevrouw Michon-Derkzen stemt er non-verbaal mee in.

Minister Van Oosten:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 82. Dat is de motie van de heer Ellian inzake de procesafspraken. Ik wil daar ook iets meer woorden aan wijden. Ik ben bereid de motie oordeel Kamer te geven, mits — "mits" zeg ik er even specifiek bij — ik haar zo mag lezen dat, vermits uw Kamer de motie aanneemt, waar het natuurlijk om gaat, ik het bericht doorzet naar het Openbaar Ministerie, precies zoals het is gegaan. Daarbij kan ik dan ook het ongerief meedelen. Dat betekent wat. Natuurlijk, men kan dit debat volgen via de livestream, maar het betekent ook wat wanneer ik dat als minister zelf zeg, in feite in opdracht van uw Kamer. Daarbij kan ik ook het ongerief aangeven ten aanzien van wat de initiatiefnemer heeft opgebracht over de systematiek die nu wordt toegepast. Dat ben ik bereid te doen. Wat ik niet bereid ben te doen — ik lees het er niet strikt in, maar ik noem het voor de Handelingen wel — is dat ik opdracht zou geven iets niet meer te doen. Ik versta wel dat de heer Ellian dat van het OM zou verlangen, maar dat is een hele andere vraag. Het luistert ook nauw dat ik dit even precies zeg zoals ik het zeg. Ik ben bereid dat te vertellen aan het OM als u deze uitspraak doet. Ten slotte wijs ik u erop dat we binnenkort een wetsbehandeling gaan hebben die specifiek hierover gaat, want dat ben ik met spreker eens. Dat hoeft niet lang meer te duren, want dat wetsvoorstel is echt zo goed als af. Dan kunt u met elkaar gaan discussiëren, met de minister van Justitie en Veiligheid en wellicht ook met de staatssecretaris als die er ook een rol bij heeft, maar dus gewoon met het kabinet, over welke kaders u over dit punt wil meegeven. Dat past, denk ik, ook bij dit aangelegen punt. Want nu is het aan de hand van het arrest van de Hoge Raad. Het kan ook passen om daar een wetgevingstraject voor in de plaats te stellen. Tot zover, voorzitter: oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie non-verbale instemming bij de heer Ellian. Daarmee wordt de motie op stuk nr. 82 aan het oordeel van de Kamer gelaten met een interpretatie.

Minister Van Oosten:

Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 84. De andere moties gaan, naar ik verwacht, iets sneller, tenzij ik natuurlijk vragen van leden krijg.

De motie op stuk nr. 84, van mevrouw Abdi en anderen, gaat over de verkeersovertredingen. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, maar ik zeg er wel bij: ik wil bij mevrouw Abdi geen verwachtingen wekken rondom de financiën. Daar ben ik in de richting van mevrouw Straatman ook wel heel helder in geweest. De financiën zijn best wel even een beetje ingewikkeld. Maar waarom durf ik 'm oordeel Kamer te geven? Omdat ik bereid ben dit mee te nemen in de beleidsreactie op het WODC-onderzoek. Die gaat u krijgen. Zo past het. Ik zie dat de voorzitter mij tot snelheid maant, maar vanwege de financiën permitteer ik mij nog even deze halve minuut.

De voorzitter:

Het is opgenomen in de Handelingen.

Minister Van Oosten:

Over de motie op stuk nr. 86 moet ik toch nog iets zeggen. Ik zie dat de hele Kamer dit wil. Ik zie echt dat de hele Kamer dit wil.

De voorzitter:

Nou, dan kunt u zich daarbij neerleggen!

Minister Van Oosten:

Maar, maar, maar, maar, maar: ik ben ook gevraagd om als uw minister van Justitie en Veiligheid terug te geven hoe ik hiernaar kijk. Ik zou toch zeggen: ik heb geprobeerd een weerslag te geven van hoe ik dat gesprek met de staatssecretaris zelf en alle ketenpartners heb gevoerd. Ik zou u het volgende willen vragen. Ik heb geleerd dat je dit als ontijdig moet duiden. Kunt u het als ontijdig hanteren? Daarmee bedoel ik te zeggen: hou het alstublieft nog even aan. Ik zeg u toe dat ik aan de ketenpartners terug ga geven wat u hiervan vindt, hoe u hiernaar kijkt en de urgentie die u verlangt. Dat ga ik ook teruggeven met dezelfde scherpte als ik het richting het OM teruggeef op het punt van meneer Ellian. Daarover ga ik aan u terugrapporteren voor de zomer, precies zoals u wilt. Als dat u niet bevalt, kunt u altijd nog bepalen of er wel of niet een deltaplan moet komen. Maar als ik nu tegen alle ketenpartners ga zeggen "kom met een deltaplan" enzovoort, dan vrees ik dat daar heel veel energie naartoe gaat. Ik denk dat we dat niet nodig hebben. Ik zou u dus willen vragen om mij die tijd te geven.

De voorzitter:

Eén interruptie van mevrouw Mutluer.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Ik kijk even rond, maar het antwoord is nee.

De voorzitter:

Nou, dan wordt de motie … ontraden?

Minister Van Oosten:

Ontraden.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Oosten:

Dat neemt niet weg dat ik het terugkoppel zoals ik heb verteld, aan alle betrokkenen.

De motie op stuk nr. 89 van mevrouw Van der Plas ontraad ik.

De motie op stuk nr. 90 van mevrouw Van der Plas ontraad ik. Er wordt ook een definitie gehanteerd. Een verdere juridische verkenning acht ik op dat punt niet noodzakelijk.

De motie op stuk nr. 91 van onder meer mevrouw Faber ontraad ik. De politie heeft ook geen partnership met die beurs.

De motie op stuk nr. 92 van mevrouw Faber ontraad ik. Ik kan ook nog iets zeggen …

De voorzitter:

Ik denk dat mevrouw Faber nog wat wil zeggen over de motie op stuk nr. 91. Gaat uw gang. Eén vraag.

Mevrouw Faber (PVV):

Ja, sorry. Ik was iets te traag. Ze hebben wel een partnerschap met dat festival. Dat is te vinden als je "halal village festival" intypt. Dan zie je daar de partners staan en daar staat gewoon de politie bij. Ze hebben dus wel degelijk een partnerschap.

Minister Van Oosten:

Oké. Dat ga ik dan even toetsen. Maar dat neemt niet weg dat ik de motie blijf ontraden, omdat ik vind dat de politie bij deelname aan beurzen en evenementen altijd de neutraliteit in overweging heeft te nemen. Wat dat betreft heb ik ook wel echt goed geluisterd naar de opmerking van mevrouw Faber, hoor. Daar worden ook wel lessen uit getrokken.

De heer El Abassi (DENK):

Ik heb een punt van orde. Dit is weer iets wat feitelijk niet klopt. Wij stonden daar namelijk ook als partner en wij zijn ook aanwezig geweest op dat Halal Village. Dat gold voor iedereen die daar een kraampje had, net als de politie. Wat de PVV hier weer naar voren brengt, klopt dus gewoon niet.

De voorzitter:

U heeft uw punt gemaakt. De motie op stuk nr. 93.

Minister Van Oosten:

Ik hecht ook aan mijn antwoord: er is geen partnerschap. Dat stel ik vast. Daarom kom ik ook tot "ontraden". Maar ik gaf die context erbij.

Over de motie op stuk nr. 92 heb ik al iets gezegd.

De motie op stuk nr. 93 ontraad ik eveneens.

De motie op stuk nr. 94 van mevrouw Faber en de heer Van Dijk gaat over voetbalorganisaties. Die ontraad ik. Ik verwijs naar mijn uitlatingen daarover eerder in het debat.

De motie op stuk nr. 95 van mevrouw Faber ontraad ik.

De motie op stuk nr. 96 van mevrouw Faber vind ik overbodig, want ik ben voortdurend met gezagen in overleg over de kerntaken van de politie.

De motie op stuk nr. 99 van de heer Van Dijk ontraad ik. Ik heb daar geen aanleiding voor. De straftoemeting is ook een straftoemetingsvrijheid. Ik kan dus niet anders dan deze ontraden.

De motie op stuk nr. 100 over het opportuniteitsbeginsel ontraad ik. Het ligt ook vast in de wet.

De motie op stuk nr. 101 van de heer Emiel van Dijk ontraad ik, eigenlijk met dezelfde argumenten als bij de vorige motie.

De motie op stuk nr. 102 van de heer Van Dijk ontraad ik. Die ziet op de onderzoekers inzake het WODC. Het is geen geheim wie er onderzoek doet. Dat staat altijd bij de publicatie in het rapport.

De motie op stuk nr. 103 van de heer Van Dijk ziet op de financiering rondom rapporten. Die motie ontraad ik eveneens. Wij hebben een algemeen budget. Een nadere specificering is wat mij betreft niet nodig.

De motie op stuk nr. 107 van de heer El Abassi beschouw ik als overbodig, want de Autoriteit Persoonsgegevens heeft wél toegang in het kader van de Wet politiegegevens. Er is ook een toezichthouder die toegang heeft. De informatiepositie wordt meegenomen in de herziening van de Wet politiegegevens, waarbij dit punt ook meer specifiek kan worden opgebracht. Ik denk dat dat laatste ook interessant is voor de heer El Abassi.

De motie op stuk nr. 108 van de heer El Abassi is in mijn ogen overbodig, omdat ieder geweld wordt gemeld bij de hulpofficier en door de hulpofficier wordt getoetst. Bij een vermoeden van disproportioneel geweld volgt onderzoek door de commissie Geweldsaanwending. Daarna kan de Rijksrecherche onafhankelijk onderzoek doen indien er sprake zou zijn van disproportioneel geweld.

Ook de motie op stuk nr. 109, ook van de heer El Abassi, is overbodig. Wat daarin wordt gevraagd is staand beleid.

De motie op stuk nr. 110 van onder meer de heer Diederik van Dijk gaat over de DUUP-voorwaarden. Ik ontraad deze motie. Ik kom hier straks overigens op terug bij een andere motie, volgens mij van mevrouw Bikker, die ook over de DUUP gaat. De uitleg past wel een beetje bij beide moties: het past mij niet om op de in de motie aangegeven manier bezig te zijn met een decentralisatie-uitkering, waartoe ik word opgeroepen. Maar ik wijs wel op een nieuwe wet, namelijk de nieuwe Financiële-verhoudingswet, waarbij decentralisatie-uitkeringen worden omgezet in bijzondere fondsenuitkeringen. Dat geeft wel de mogelijkheid om wat meer informatie op te vragen bij gemeenten. Dat komt hopelijk iets meer tegemoet aan het verzoek van de heer Van Dijk om inzichtelijk te krijgen of de gelden daar terechtkomen waarvoor ik ze bestemd heb en om inhoudelijk ook wat meer discussie te kunnen voeren.

De voorzitter:

Eén vraag van de heer Van Dijk.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank voor die laatste toelichting, maar die doet niks af aan het feit dat ik het oordeel over deze motie echt niet kan volgen. Het Rijk geeft momenteel subsidies aan gemeenten met de bedoeling om die te besteden aan uitstapprogramma's. De motie verzoekt om in overleg te bevorderen dat dat geld daarvoor wordt benut, gewoon via een gesprek. Ik begrijp dus oprecht niet waarom dat "ontraden" oplevert.

Minister Van Oosten:

Dat heeft te maken met de financiële verhoudingen zoals we die nu hebben georganiseerd: dit gaat langs de weg van een decentralisatie-uitkering. Maar ik begrijp de opmerking van de heer Van Dijk echt wel. Daarom heb ik doorgevraagd: welke mogelijkheid zou er wel voor de heer Van Dijk of voor anderen kunnen ontstaan om die informatie te kunnen krijgen? Ik heb begrepen dat die nieuwe wet dat inzicht meer zou moeten kunnen verschaffen. Ik zou dus het verzoek willen doen om dat even af te wachten. Dat maakt dat ik de motie voor nu moet ontraden.

De motie op stuk nr. 111 van onder meer de heer Van Dijk gaat over de aanpak van seksueel geweld. Ik vind die motie overbodig. Er is al apart beleid voor het beschermen van sekswerkers. Dat hoeft dus niet apart betrokken te worden bij dat nationale actieprogramma.

De motie op stuk nr. 112 over antisemitisme ontraad ik. De huidige structuur voor de aanpak van discriminatie binnen de politie en het Openbaar Ministerie volstaat. Plat gezegd: er zitten daar hele goede mensen op.

De motie op stuk nr. 113 van mevrouw Teunissen beschouw ik als overbodig. Er wordt altijd door de politie en het Openbaar Ministerie samen bezien hoe de pakkans kan worden vergroot. Dat geldt voor elk fenomeen. Het is aan het OM om keuzes te maken. Ik mag wijzen op het speciale telefoonnummer 144.

De motie op stuk nr. 114, ook van mevrouw Teunissen, kan ik oordeel Kamer geven. Ik begrijp het namelijk zo — zo heb ik het u ook uitgelegd — dat het wetsvoorstel Gezichtsbedekkende kleding de mogelijkheid biedt om het gezicht te bedekken in het geval van angst voor vervolging in het land van herkomst et cetera, maar dan moet je dat ook kunnen uitleggen et cetera. Die behandeling gaat nog komen en dan kunt u daar iets over zeggen.

Voor de motie op stuk nr. 115 geldt een beetje hetzelfde als voor de eerdere discussie, maar die heb ik nu met mevrouw Bikker et cetera. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven als ik de motie zo mag lezen dat zij het kabinet oproept om voortgang te maken met de wijziging van de Financiële-verhoudingswet. Dan is het "oordeel Kamer", want zoals ik net al uitlegde, maakt die wet er een bijzondere fondsenuitkering van, waardoor het Rijk meer info kan opvragen.

De voorzitter:

Ik kijk naar de reactie van mevrouw Bikker. Ik zie non-verbale instemming. Daarmee wordt de motie aan het oordeel van de Kamer gelaten.

Minister Van Oosten:

Dank u wel.

De motie op stuk nr. 116 van mevrouw Bikker gaat over drugs. Ik zou willen vragen of deze motie aangehouden kan worden. Ik zou deze motie misschien ontijdig moeten noemen. Dat komt omdat er nu samen met het ministerie van VWS een campagne is ontwikkeld waarmee we jongeren in studentensteden hiervan op de hoogte brengen. Dat weet mevrouw Bikker als geen ander. Die campagne wordt nu geëvalueerd en het is belangrijk om die evaluatie te kunnen meenemen. Het is vervolgens aan het nieuwe kabinet om op basis daarvan te wegen hoe het daarmee verder wil gaan. Mijn verzoek aan mevrouw Bikker is om dit een kans van slagen te geven. Laten we even op de evaluatie wachten. Dat was eigenlijk ook mijn opmerking richting de heer Van den Brink in het debatje dat wij hadden.

De voorzitter:

Is deze appreciatie overtuigend genoeg om de motie aan te houden, mevrouw Bikker?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Nou, ik zou mee willen geven dat die evaluatie juist prima betrokken kan worden bij het voortzetten van de campagne, maar dat die er niet toe mag leiden dat de campagne stopt. Daarom breng ik de motie gewoon in stemming.

De voorzitter:

Dat betekent dat de motie de appreciatie ontijdig krijgt.

Minister Van Oosten:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 117. Dat is de motie over roken, van mevrouw Bikker. Deze motie is overbodig. Preventiebeleid valt overigens onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport. Cannabis en tabak hebben overeenkomsten in gebruikswijze, maar de context verschilt wel weer wat. Bij de middelenpreventie op scholen is ook aandacht voor zowel cannabis als tabak. Om die reden is de motie overbodig.

Dan de motie op stuk nr. 123, van onder meer de heer Struijs. Die motie ontraad ik. Dat heeft te maken met die wettelijke definitie, maar ik heb wel aangeboden om samen met VWS en met betrokken instanties na te gaan in hoeverre die ontbreekt, en uw Kamer daarover te informeren.

Dan de motie op stuk nr. 125, van mevrouw Schilder en mevrouw Coenradie. Deze motie beschouw ik als overbodig. Mijn departement verkent al de wenselijkheid en de consequenties van de invoering van minimumstraffen. Ik ga daarover althans gesprekken voeren en daarover terugrapporteren aan uw Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 126, onder meer van mevrouw Schilder. Dit is volgens mij de laatste motie. Deze motie ontraad ik. Het OM is onafhankelijk en stelt zelfstandig strafvorderingsrichtlijnen vast.

Ten slotte, voorzitter, nog één zin. Mede namens de staatssecretaris heel veel dank aan alle medewerkers van mijn departement voor al het werk dat is verzet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Wij sluiten ons bij die dankzegging aan. Ook aan u dank, minister, voor de beantwoording in tweede termijn. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter, dank u wel. Ik heb ook een heel pakket aan moties om doorheen te gaan, maar ik wil toch eerst beginnen met een paar vragen die aan mij zijn gesteld.

Ik begin met de door de heer Ellian gestelde vraag naar aanleiding van berichtgeving in De Telegraaf. Het kortste antwoord, maar daar zal ik het niet bij laten, is dat ik niet op individuele gevallen in kan gaan. Dat blijft ook zo, maar ik heb wel de behoefte om wat uitleg te geven. In het algemeen kan ik echt begrijpen dat herplaatsing in een ander regime van criminelen die in een ebi zitten, enorme gevoelens losmaakt in de maatschappij. Daarbij geldt in algemene zin wel dat plaatsing in de ebi en de jaarlijkse toetsing daarvan zeer zorgvuldig plaatsvinden. Ieder jaar opnieuw moet dat beoordeeld worden. Dan moet beoordeeld worden of de plaatsing kan worden verlengd of dat er ruimte moet worden geboden aan een ander regime. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie van DJI zelf, van de politie en van het Openbaar Ministerie. Als er geen onaanvaardbaar maatschappelijk risico aanwezig is, en de gedetineerde dus niet meer voldoet aan de plaatsingscriteria binnen de ebi, vindt afschaling plaats naar een lager beveiligingsniveau. In dat geval, dus als iemand vanuit de ebi wordt afgeschaald, zou dat dan de Afdeling Intensief Toezicht zijn. Als er overigens weer nieuwe risico's worden gezien, kan iemand ook weer worden opgeschaald. Dat gaat op dezelfde manier. Al met al vindt dit dus, als het gebeurt, zeer zorgvuldig plaats. Ik weet ook dat de DJI dit soort beslissingen neemt met alle zorgvuldigheid en op grond van zeer betrouwbare informatie vanuit de organisatie zelf, de politie en het OM.

De voorzitter:

Eén hele korte vervolgvraag, meneer Ellian.

De heer Ellian (VVD):

Kijk, als Astrid of Sonja Holleeder of andere slachtoffers en nabestaanden dit horen, denk ik dat ze in tranen uitbarsten. Deze man is veroordeeld tot levenslang voor het vijf keer opdracht geven tot moord. Ik begrijp dat de staatssecretaris niets gaat doen, hoewel ik al twee jaar waarschuw voor dit risico. De man komt in een lager regime, met alle gevolgen van dien voor de samenleving. Ik zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat die man blijft waar hij zit, namelijk in de ebi. Ik hoop dat de staatssecretaris die moeite in ieder geval ook wil doen.

Staatssecretaris Rutte:

Ik kan niet op deze individuele zaak ingaan. Uiteindelijk wordt de afweging gemaakt op basis van informatie vanuit DJI, de politie en het OM.

De voorzitter:

U vervolgt.

Staatssecretaris Rutte:

Hoe die informatie eruitziet, weet ik niet.

Gevraagd werd, ik denk door mevrouw Michon, of wij online alles op orde hebben bij de handhaving van een contact- en gebiedsverbod, wanneer gebruik wordt gemaakt van anonieme accounts. De politie heeft aangegeven dat er soms een gebrek wordt ervaren aan bevoegdheden of mogelijkheden om te komen tot inzicht daarin, met name als er gebruik wordt gemaakt van anonieme socialmedia-accounts of onbekende telefoonnummers. Daarom verkent de minister de komende periode samen met de betrokken organisaties of de bestaande bevoegdheden volstaan en of er aanvullende beleidsmatige of wetgevende maatregelen nodig zijn.

De heer Ellian vroeg mij opnieuw naar het regime binnen de ebi. Hij vroeg of daar altijd individueel of in een groep wordt gewerkt. Dit wordt een herhaling van zetten, want wij hebben vaak hierover van gedachten gewisseld. We zijn het gewoon niet eens. Pas na zorgvuldige afweging samen met het OM en de politie om te bezien of het veilig is, kan worden besloten of een gedetineerde in een kleine groep kan deelnemen aan bepaalde activiteiten. Uiteindelijk heeft dat te maken met zowel de Penitentiaire beginselenwet als artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Maar alleen als het kan! Als er signalen zijn dat het niet kan, dan wordt het teruggedraaid of vindt het niet plaats.

De heer Ellian (VVD):

Voorzitter, ik ...

De voorzitter:

Meneer Ellian, we hebben het debat gevoerd. Ik heb hier veel ruimte voor gegeven. Een vervolgvraag ter verduidelijking mag, maar het debat is op zich gevoerd.

De heer Ellian (VVD):

Nou, ik moest even nadenken en ik ga het wel doen, want dit is geen antwoord op de vraag die ik gesteld heb. Ik heb aan beide bewindspersonen hierover een vraag gesteld. Er zijn twee grote netwerken in Nederland. Die leden zitten vast in de ebi. Hoe komt dit kabinet erbij dat die mensen onderling contact mogen hebben?

Staatssecretaris Rutte:

Tot op dat niveau doe ik als bewindspersoon niet de beoordeling. Ik laat dat echt aan de deskundigen die daarin via de verschillende organisaties ...

De voorzitter:

Helder, helder. We vervolgen de beantwoording.

Staatssecretaris Rutte:

... Daar heeft het mee te maken.

Mevrouw Straatman vroeg naar de capaciteit van het Juridisch Loket en dan met name naar zorg en veiligheid voor mensen met ingewikkeld gedrag. Wij herkennen niet direct dat een groot deel van de capaciteit van het Juridisch Loket opgaat aan niet-juridische vragen en problemen. Er is vaak wel een samenhang van het probleem met andere omliggende problemen, maar dat erkende mevrouw Straatman natuurlijk ook wel. Daarom zetten we al jaren in op versterking van de samenwerking tussen het sociale en het juridische domein voor interdisciplinaire hulp, indien nodig. De kwartiermaker, mevrouw Marijnissen, gaat hier ook specifiek naar kijken.

De voorzitter:

De moties!

Staatssecretaris Rutte:

Ja, goed. Ik ga naar de moties en ik begin met de eerste motie.

De voorzitter:

Dat mag kort en bondig.

Staatssecretaris Rutte:

Moet u maar eens kijken hoe snel ik dat kan! De motie op stuk nr. 79: oordeel Kamer. Nou, daar heeft nooit iemand een probleem mee, toch?

De voorzitter:

Kijk, die is al binnen.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 83 van de heer Ellian: oordeel Kamer. We gaan snel.

De motie op stuk nr. 85 van mevrouw Abdi en anderen over een eigen cao voor het gevangeniswezen moet ik ontraden. Ik heb er wel begrip voor, maar alleen een uitzondering voor DJI leidt weer tot een onwenselijke uitwerking voor andere uitvoeringsorganisaties binnen het Rijk; daarom ontraden.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 87.

Staatssecretaris Rutte:

Ik kom nu inderdaad op de motie op stuk nr. 87. Ik zal u zeggen dat die ontijdig is. De oproep is duidelijk. Die steun ik ook, maar we moeten een en ander echt eerst onderzoeken in vier pilotgemeenten. Op basis daarvan kunnen we vervolgstappen zetten. Daar kan ik niet op vooruitlopen.

De voorzitter:

Houdt mevrouw Mutluer de motie aan? Het mag ook non-verbaal, mevrouw Mutluer!

Staatssecretaris Rutte:

De uitkomsten van de pilots zullen in 2027 komen.

Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):

Wij willen daar niet op wachten. Voor mijn part neem je de uitgangspunten vanuit de Kamer mee in de pilot, maar we gaan niet wachten, dus we gaan de motie gewoon indienen.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 87 de appreciatie ontijdig.

Staatssecretaris Rutte:

Ik moet de motie op stuk nr. 88, ook van mevrouw Mutluer en anderen, ontraden. Die gaat over Filomena. Daar zijn we positief over, maar dit ligt gewoon echt niet bij mij. Dit ligt bij de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat dat betreft kan ik daar nu geen uitspraak over doen. Op basis daarvan moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 97.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 97, van de heer Van Dijk, moet ik ook ontraden.

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 98.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 104, van mevrouw Straatman. Die geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 105, van mevrouw Coenradie en anderen, moet ik ontraden. Ik heb er wel veel sympathie voor, maar een afweging maken over zaken als contact- en gebiedsverboden kan de staatssecretaris niet zelf; dat blijft bij het bevoegd gezag. Ik kan het dus niet borgen. Op basis daarvan kan ik de motie dus ook niet uitvoeren, mocht die worden aangenomen. Daarom moet ik hem ontraden.

We gaan door met de motie op stuk nr. 106, van mevrouw Coenradie en anderen. Die geef ik oordeel Kamer.

Veel sneller dan dit kan ik het toch niet doen. Ik ben inmiddels bij de motie op stuk nr. 118, van mevrouw Dobbe. Zelfs de voorzitter kan het nauwelijks bijhouden!

De voorzitter:

Heel fijn.

Staatssecretaris Rutte:

De motie op stuk nr. 118 gaat over vrouwenrechtswinkels. We hebben in 2025 voor verschillende rechtswinkels al wel structureel budget beschikbaar gesteld, €400.000. Maar de motie zoals die hier ligt, moet ik helaas wel ontraden.

We gaan door met de motie op stuk nr. 119, ook van mevrouw Dobbe en van mevrouw Abdi. Die moet ik ontraden. De motie gaat over de kantoortoeslag. Die zijn we aan het bekijken in samenhang met eventueel mogelijke andere maatregelen en de financiële impact op dit moment. We zien de kantoortoeslag ook niet als enige oplossing.

Dan ga ik door met de motie op stuk nr. 120. Die moet ik ontraden. Ik ga hier gewoon niet over. Het gaat over salariëring van de gevangenismedewerkers.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 121. Die gaat over het contact tussen kinderen en gedetineerden. Ik heb in de schriftelijke beantwoording ook aangegeven dat we daar wel zo veel mogelijk rekening mee houden. We zijn ook bereid om dit te onderzoeken, maar ik kan het niet zo hard waarmaken als hier in de motie staat. Dus ik zou 'm moeten ontraden, maar ik ben ook wel bereid om te zeggen "ontijdig", want dan komt het onderzoek naar u toe en dan kunt u op basis daarvan beslissen of dat voldoende is. Dus vooralsnog zou ik zeggen "ontijdig", maar daar heb ik wel mevrouw Dobbe bij nodig.

De voorzitter:

Nou, dan is de vraag of mevrouw Dobbe bereid is om de motie aan te houden. Dat wil ze niet. Dan krijgt 'ie "ontijdig".

Staatssecretaris Rutte:

O, is dat zo? Dan wordt 'ie ontijdig? Prima. De Kamer doet daarmee wat zij zelf wil.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 122.

Staatssecretaris Rutte:

Zeker. De motie op stuk nr. 122. Dan zitten we ook weer op het terrein van de staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg. Wat hier staat valt onder haar verantwoordelijkheid. Ik zou zeggen: houd 'm aan, dan kan de motie besproken worden bij de begrotingen van VWS.

De voorzitter:

Daar is de heer Struijs niet toe bereid. Dan krijgt de motie de appreciatie "ontijdig".

Staatssecretaris Rutte:

Ja, ontijdig doen we dan.

De voorzitter:

Uw laatste motie.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dan kom ik bij de laatste motie, op stuk nr. 48, van mevrouw Schilder. We eindigen met een positief moment; ik zeg oordeel Kamer. Het is onvoorstelbaar.

De voorzitter:

Die heeft u binnen, mevrouw Schilder. Oordeel Kamer.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik dank de bewindspersonen voor hun aanwezigheid bij de behandeling van de begroting en de leden van de Kamer voor de medewerking.

De voorzitter:

Ik schors een ogenblik voordat we verdergaan met het volgende debat. Over de ingediende moties zal aanstaande dinsdag worden gestemd. De vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Goedemiddag. Aan de orde is het tweeminutendebat Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals).

Ik zie een aantal mensen naar de interruptiemicrofoon komen. De heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):

Dank, voorzitter. Ik moet toestemming afsmeken om deel te nemen aan dit debat, omdat ik niet in de Kamer zat toen dit behandeld werd en ik dus niet schriftelijk heb meegedaan.

De voorzitter:

Ik geloof dat u dat wordt toegestaan. Er is nog een interruptie, van de heer Jansen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank, voorzitter. Voor mij hetzelfde verzoek. Ik verzoek om nul minuten spreektijd, zodat ik in ieder geval een verduidelijkingsvraag kan stellen op het moment dat ik iets van de bewindspersoon of de collega's wil weten.

De voorzitter:

Ook dat wordt u toegestaan.

Dan wil ik als eerste mevrouw Kostić van de fractie van de Partij voor de Dieren naar voren vragen. Of nee, het lid Kostić, met excuses.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Geeft niks.

Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een eerste versie van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de Kamer is voorgelegd en dat de Kamer heeft verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten totdat de behandeling is afgerond;

overwegende dat de Raad van State heeft geadviseerd om het ontwerpbesluit alleen aan te nemen na aanpassing op een aantal fundamentele punten (dictum c), maar belangrijke onderdelen van dit advies niet zijn overgenomen, terwijl het ambtelijk advies was om dit wel te doen (zie beslisnota's);

overwegende dat ambtelijk wordt gewaarschuwd voor de (juridische) risico's en twijfels worden geuit over de juridische houdbaarheid van deze benadering;

overwegende dat beide Kamers nog geen inzicht hebben kunnen krijgen in zowel de integrale tekst van het aangepaste ontwerpbesluit als van de aangepaste nota van toelichting, waarin alle voorgenomen wijzigingen en aanvullingen zijn opgenomen, terwijl de Eerste Kamer hier expliciet om heeft gevraagd;

overwegende dat zorgvuldige parlementaire behandeling van deze complexe materie meer tijd vergt;

verzoekt de regering geen verdere stappen te zetten in de voorbereiding of uitvoering van de voorgestelde wijziging van het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving, tot het nieuwe kabinet is aangetreden en de Kamer inzicht heeft kunnen krijgen in het voorgenomen besluit om er vervolgens een definitief oordeel over te vellen

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 310 (33118).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank aan het lid Kostić. Ik zie mevrouw Van der Plas van de fractie van de BBB al aanstalten maken om naar voren te komen. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, dank u. Ik ga meteen maar van start.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de maatschappelijke onrust en veiligheidsproblemen rond wolven toenemen;

overwegende dat het gewijzigde Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving noodzakelijk is om sneller en effectiever te kunnen ingrijpen bij probleemwolven;

verzoekt de regering het gewijzigde ontwerpbesluit zo spoedig mogelijk vast te stellen en in werking te laten treden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas en Boomsma.

Zij krijgt nr. 311 (33118).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland een van de meest dichtbevolkte landen van Europa is;

overwegende dat bij de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn nooit is voorzien dat wolven in zulke aantallen zouden voorkomen in landen met zo'n hoge bevolkingsdichtheid als Nederland;

spreekt uit dat in Nederland geen plaats is voor de wolf,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 312 (33118).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat incidenten met wolven steeds vaker plaatsvinden vlak bij, of zelfs mét mensen, kinderen en huisdieren;

overwegende dat de maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid hierdoor toenemen;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de bescherming van mensen en huisdieren altijd voorrang heeft boven de bescherming van individuele wolven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 313 (33118).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in toenemende mate wolven over en door goedgekeurde wolfwerende hekken heen gaan, dit gedrag zich herhaalt én zich kan verspreiden binnen roedels;

overwegende dat hekken daarmee geen bescherming meer bieden en het risico toeneemt;

overwegende dat herhaald door of over hekken gaan in andere Europese landen aanleiding is voor actief beheer;

verzoekt de regering om wolven die meer dan één keer aantoonbaar een wolfwerend hek weten te omzeilen, aan te merken als probleemwolf en hiervoor specifiek, effectief en juridisch houdbaar beheerbeleid te ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 314 (33118).

Mevrouw Van der Plas, u heeft een interruptie van mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):

Ik was even benieuwd. Ik snap de inleiding van mevrouw Van der Plas heel goed. Ik denk dat we allemaal mails ontvangen en dingen zien, soms ook in onze eigen omgeving, van mensen die zich terecht zorgen maken over wat er gebeurt. Tegelijkertijd zijn al die mensen er natuurlijk bij gebaat dat er straks maatregelen liggen die standhouden. Over de maatregelen van de staatssecretaris is natuurlijk best wel veel twijfel. Er zijn twijfels over de juridische houdbaarheid. Hoe kijkt mevrouw Van der Plas daarnaar?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ambtelijke adviezen en andere adviezen zijn adviezen, maar wij maken hier als Kamer de politieke keuze.

Mevrouw Podt (D66):

Dat doen we zeker. Het punt is natuurlijk alleen dat iedereen nog veel verder van huis is als er straks een besluit ligt dat niet voldoet. Kunnen we dan niet beter even zorgen dat het besluit echt helemaal doortimmerd is? Zo wordt iedereen die nu vraagt om maatregelen ook op zijn wenken bediend, en gaat het straks niet weer mis.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Deze staatssecretaris heeft er goed over nagedacht. Bij het ministerie van LVVN lopen natuurlijk ook juristen rond. We zien hier vaker dat er adviezen zijn om iets niet te doen, maar dat het toch gewoon gebeurt en ook standhoudt. Wij vinden dus dat het gewoon zo snel mogelijk in werking moet treden. Er moet een einde komen aan de ellende met de wolf in Nederland.

Dank u.

De voorzitter:

U ook bedankt, mevrouw Van der Plas. Dan zou ik mevrouw Podt graag naar voren willen vragen. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Podt (D66):

Voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geregeld situaties zijn waarin wolven zich in de buurt van mensen ophouden, hetgeen zorgt voor angst en veel logische vragen van lokale bestuurders en terreinbeheerders over hoe hiermee om te gaan;

overwegende dat om de veiligheid van mensen te waarborgen en het draagvlak voor wolven in Nederland te behouden, er een helder besliskader en maatregelen nodig zijn die snel inzetbaar en juridisch houdbaar zijn;

overwegende dat er voor verschillende beschermde soorten al wordt gewerkt met gebiedsgerichte planmatige instrumenten, zoals soortenmanagementplannen, die ecologisch onderzoek combineren met maatregelen om de populatie te behouden, waardoor er juridische borging ontstaat voor snel handelen zonder steeds een nieuw vergunningstraject te moeten starten;

verzoekt het kabinet te onderzoeken of een gebiedsgericht soortenmanagementplan, of een vergelijkbaar planmatig instrument, kan bijdragen aan een eenduidig, juridisch geborgd handelingsperspectief voor bevoegd gezag en lokale bestuurders, en aan het voorkomen van conflictsituaties tussen wolven en mensen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Podt en Bromet.

Zij krijgt nr. 315 (33118).

Mevrouw Podt (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

U ook bedankt, mevrouw Podt. Dan zou ik graag mevrouw Den Hollander uitnodigen naar het spreekgestoelte te komen. Zij spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Voorzitter. Het is bekend dat er ongeveer elf tot veertien wolvenroedels zijn in Nederland, met in totaal rond de 120 dieren. Deze dieren hebben grote impact op ons land, in eerste instantie op de veiligheid van mensen en hun huisdieren. Er zijn diverse incidenten gemeld waarbij sprake was van interacties met wolven die directe risico's voor de mens opleverden. Kinderen kunnen niet veilig alleen fietsen in gebieden waar de wolven gevestigd zijn. Onlangs is in Ruinen, bij mij om de hoek, een school een dag gesloten geweest omdat een wolf over het nabijgelegen sportveld wandelde.

Als we spreken over veiligheid, gaat het niet alleen over interactie tussen wolf en mens, maar ook om de verkeersveiligheid. Jonge, zwervende wolven die op zoek zijn naar een nieuw territorium zijn in ons land gedwongen verkeerswegen over te steken. Hierdoor worden soms in korte tijd meerdere dode wolven langs wegen gevonden. Dat is niet alleen een vreselijk einde voor de wolf zelf, maar vormt ook een groot risico op ongevallen, die kunnen leiden tot verkeersdoden. Vorig jaar is op de A28 een wolf aangereden. De dierenarts die het zwaar toegetakelde dier uit zijn lijden verlost heeft, is via het tuchtrecht aangeklaagd door een speciaal daarvoor in het leven geroepen stichting. Dit is een verwerpelijke inzet, die laat zien dat de polarisatie rond dit thema zorgt voor alleen maar meer dierenleed. Welk dier is erbij gebaat als een dierenarts het niet meer aandurft om een noodlijdend dier te helpen uit angst voor claims?

Voorzitter. Niet alleen de veiligheid staat onder druk, ook het effect op de economie, op de eerste plaats op de toeristische sector, is enorm. Nu de veiligheid en de bewegingsvrijheid van inwoners en recreanten onder druk staan, zie je dat het aantal annuleringen en het uitblijven van boekingen van vakanties in wolvengebieden een enorme economische impact hebben op recreatiegebieden in Drenthe, op de Utrechtse Heuvelrug en op de Veluwe. Gemeenten en provincies missen een duidelijk handelingskader. Dat is reden genoeg om deze kaders vanuit landelijk beleid te bieden, in combinatie met meer inzet op preventie en monitoring. We zien in de adviesnota dat de staatssecretaris het ontwerpbesluit wil doorvoeren, ondanks kritisch advies van de Raad van State en vraagtekens bij de juridische houdbaarheid. Is de staatssecretaris het met de VVD eens dat het belangrijk is dat we de nieuwe wetgeving voor de omgang met de wolf juridisch goed regelen, om te voorkomen dat we onze medeoverheden met een kluitje in het riet sturen?

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Den Hollander. U bleef precies binnen de twee minuten. Dan wil ik graag het lid Ten Hove van Groep Markuszower naar voren roepen. O nee, die was er alleen om eventueel te interrumperen. Dan de heer Boomsma namens JA21.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Wolven zijn prachtige beesten, maar je moet ze wel kunnen verjagen en in het uiterste geval kunnen afschieten om mensen en dieren te beschermen. Daarom is het goed dat deze algemene maatregel van bestuur zo snel mogelijk wordt aangenomen. JA21 gaat ook akkoord met de wijzigingen zoals aangekondigd in de reactie van de staatssecretaris op de Raad van State. Graag dus snel doen; dat is urgent.

Maar het blijft nog steeds cruciaal om snel die staat van instandhouding vast te stellen. Ik wil de staatssecretaris dan ook oproepen om de inzichten uit het rapport van Linnell en Boitani daarbij mee te nemen voor Nederland als klein en dichtbevolkt land zonder wildernis. Het is belangrijk om die inzichten mee te nemen. Hij heeft dat al aangekondigd. Hoe gaat het daarmee? Kunnen we een reactie op dat rapport verwachten?

Daarnaast is het in ieder geval cruciaal om nu voortvarend aan de slag te gaan met aversieve en liefst preventieve conditionering, oftewel wolven verjagen. Het mooie van die aangepaste status is dat dit nu niet meer vergunningplichtig is, maar je moet nog wel voldoen aan een zorgkader en daarvoor moeten inderdaad — anderen hebben er ook op gewezen — hele duidelijke instructies komen richting gemeenten en provincies.

Daarom heb ik ook de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat wolven hun schuwheid kunnen verliezen wanneer zij in contact komen met mensen en hun vee of huisdieren en het risico op conflicten dan toeneemt;

constaterende dat het opnemen van de wolf in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving, Bal, betekent dat het verjagen of verstoren van wolven géén vergunningplichtige handeling meer is maar nog wel dient te worden voldaan aan de vereisten van de zorgplicht zoals beschreven in artikel 11.27 Bal;

overwegende dat het belangrijk is om in te zetten op preventie, dus het voorkomen dat de wolven wennen aan mensen, en het dus zinnig is om ze te verjagen en afschrikken om te voorkomen dat ze zich ontwikkelen tot probleemwolven;

overwegende dat het van groot belang is dat gemeenten en provincies daartoe over een duidelijk kader van regels en voorschriften beschikken die aangeven op welke wijze dit verjagen als vorm van aversieve conditionering gestalte kan krijgen zonder aantasting van die zorgplicht;

verzoekt de regering:

  • om in overleg met de provincies ervoor te zorgen dat waar mogelijk wordt ingezet op aversieve conditionering om te voorkomen dat wolven hun schuwheid verliezen en aan mensen wennen;
  • om in samenspraak met provincies zo snel mogelijk gewijzigde interventierichtlijnen en duidelijke maatwerkregels en voorschriften op te stellen die duidelijk aangeven hoe deze verjaging vorm te geven;
  • om beleid voor het verlenen van toestemming voor dergelijke maatregelen eenvoudig en laagdrempelig mogelijk vorm te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Flach.

Zij krijgt nr. 316 (33118).

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Boomsma. Ik schors de vergadering voor vijf à tien minuten voor de beantwoording van staatssecretaris Rummenie.

De voorzitter:

We vervolgen het tweeminutendebat over het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving en van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bescherming wolf en goudjakhals). Ik geef graag het woord aan staatssecretaris Rummenie voor de beantwoording van de moties. Excuus, ik moest uw microfoon nog aanzetten. Gaat uw gang.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Rummenie:

Volgens mij doet de microfoon het nu. Ik vind het van groot belang — dat zal u allen niet verbazen — dat de AMvB zo spoedig mogelijk in werking kan treden. Hiermee wordt de beschermde status van de wolf in de Habitatrichtlijn verlaagd; er kan beter worden opgetreden bij incidenten met wolven. De AMvB heb ik bij uw Kamer voorgehangen conform de daarvoor geldende afspraken. Dat was al in juni. Sindsdien is er met uw Kamer en met de Eerste Kamer al uitvoerig gesproken. De hoofdpunten van het advies van de Raad van State heb ik ook in de AMvB verwerkt. Ik heb uw Kamer daarin meegenomen. De voorhangprocedure voorziet niet in het voorleggen van een versie na verwerking van het advies van de Raad van State. Ik vind verdere vertraging van de AMvB dan ook onwenselijk en wil deze na dit debat aan de ministerraad voorleggen voor vaststelling en publicatie. Daarmee ontraad ik de motie van de Partij voor de Dieren.

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 310 van het lid Kostić. Die krijgt de appreciatie ontraden.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 311 van de BBB. Deze motie is helemaal in lijn met mijn wens om de AMvB zo snel mogelijk in werking te laten treden, dus die is oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 311 van Van der Plas en Boomsma krijgt de appreciatie oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rummenie:

De motie op stuk nr. 312 is een spreekt-uitmotie, dus daar hoef ik geen commentaar op te geven.

De voorzitter:

Op de motie op stuk nr. 312 van Van der Plas is geen commentaar.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan is er een motie, de motie op stuk nr. 313, ook van Van der Plas, over de voorrang voor mensen en huisdieren. Die geef ik ook oordeel Kamer, maar uiteraard gelden daarvoor wel de grenzen van de wet. Ik denk dat dat voor zichzelf spreekt.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 313 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rummenie:

De motie op stuk nr. 314 over het wolfwerend raster geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 314 van Van der Plas krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan heb ik een motie van mevrouw Port, de motie op stuk nr. 315.

De voorzitter:

Podt. En mevrouw Bromet.

Staatssecretaris Rummenie:

Podt. Neem me niet kwalijk, mevrouw Podt. Het gaat over een soortenmanagementplan. Die motie geef ik oordeel Kamer. De provincies, beseft u wel, zijn in de regel het bevoegd gezag voor het afgeven van een dergelijke gebiedsvergunning, waarbij iedere provincie in beginsel alleen bevoegd is voor het verlenen van een gebiedsvergunning voor handelingen die plaatsvinden binnen de eigen provinciegrenzen. Maar ook in mijn AMvB zitten wel degelijk maatregelen die in lijn zijn met wat u voorstelt.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 315 krijgt oordeel Kamer. Er is een interruptie van de heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):

Ik had nog een vraag over de motie over het wolfwerende raster, en die ziet op de definitie van "probleemwolf". Die is, meen ik, gebaseerd op de internationale definities van wat in het Engelse dan de "bold wolves" zijn. Dat is eigenlijk een veel mooiere term. In hoeverre sluit dit hiermee dan nog daarbij aan? Of gaan de definities dan zeer uiteenlopen?

Staatssecretaris Rummenie:

Nee, in mijn ogen lopen ze niet uiteen door wat ik heb voorgesteld in de AMvB. Wij hebben ons namelijk bij die definities uiteraard ook niet alleen gericht op wat er in Nederland aan expertise zit. We hebben ons daarbij op vele andere lidstaten in Europa gericht.

De voorzitter:

Gaat u verder met de motie op stuk nr. 316 van de leden Boomsma en Flach.

Staatssecretaris Rummenie:

Die geef ik ook oordeel Kamer, want ik ben van mening dat aversieve conditionering van groot belang is om incidenten met wolven tegen te gaan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 316 van Boomsma en Flach krijgt oordeel Kamer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de moties. U wil nog wat toevoegen?

Staatssecretaris Rummenie:

Er waren nog twee vragen. De ene was van de VVD en ging over de juridische houdbaarheid. Mevrouw Den Hollander, ik ben er absoluut van overtuigd. Ik breng ook enkele wezenlijke wijzigingen aan in de AMvB om tegemoet te komen aan de Raad van State. Ik zie dan ook echt geen enkel juridisch probleem voor het van kracht laten worden van deze motie.

Dan had ik nog een vraag van de heer Boomsma van JA21: kan de staatssecretaris toelichten hoe het staat met het onderzoek naar de staat van instandhouding? Meneer Boomsma weet dat ik zelf de aanstichter van dit onderzoek ben. Ik heb net als u de resultaten liever vandaag dan morgen. Echter, de onderzoeker heeft mij om uitgebreide datasets gevraagd die nodig zijn om zijn onderzoek uit te voeren. Aangezien ik geen eigenaar ben van de benodigde data, ben ik voor de levering van die data afhankelijk van anderen. De provincies zijn voor een belangrijk deel eigenaar van die benodigde data. Via BIJ12 lopen er meerdere formele dataleveringsverzoeken waar de provincies over moeten beslissen en waar zij ook voortvarend mee aan de slag zijn. Ik heb er dus alle vertrouwen in dat de tweede studie vrij spoedig ook voor u beschikbaar zal zijn.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik kom nog even terug op de verschillende uitspraken van de staatssecretaris richting de Kamer over dat zijn AMvB juridisch klopt. We weten uit de stukken dat de ambtenaren daar iets anders over vinden, namelijk dat het niet juridisch klopt. Hoe rijmt de staatssecretaris dit met elkaar?

Staatssecretaris Rummenie:

Er is niet zo vaak iets aan de hand als een bewindspersoon afwijkt van een advies, zeg ik tegen lid Kostić. Dat heb ik in dezen gedaan. Ik maak me er absoluut geen zorgen over. Ik heb namelijk toch iets heel belangrijks gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State.

De heer Boomsma (JA21):

Dank aan de staatssecretaris. Ik hoop ook dat dat onderzoek snel verschijnt. Ik snap dat daar allerlei data voor nodig zijn. Mijn vraag is: hoe verhoudt zich dat tot de inzichten van dat nieuwe rapport van Linnell en Boitani? Dat rapport gaat over de staat van de instandhouding en hoe je dat nou eigenlijk moet bepalen en definiëren. In dichtbevolkte en kleine landen als Nederland moet je dat ook meewegen om dat zorgvuldig te kunnen vaststellen. Het lijkt mij heel verstandig om dat ook mee te nemen in de uiteindelijke besluitvorming over hoe we dat in Nederland vaststellen.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat ben ik helemaal met de heer Boomsma eens. Er is heel duidelijk afgesproken met de onderzoeker dat ook de sociaal-maatschappelijke gevolgen in deze studie meegenomen zullen worden. Tegelijkertijd ben ik ook bezig met een ander spoor. Ik wil met de Europese Commissie over de door u aangehaalde studie van gedachten wisselen. Die studie bevat interessante informatie ten aanzien van de Benelux.

De voorzitter:

Dank u wel. We komen daarmee aan het einde van dit debat.

De voorzitter:

De stemming over de zeven ingediende moties is aanstaande dinsdag.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Dan gaan we door met het tweeminutendebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven. Ik wil het lid Kostić vragen om plaats te nemen achter het spreekgestoelte. Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. In aanloop naar het WK voetbal in 2030 worden in Marokko massaal straathonden op de meest gruwelijke wijze gedood. Honden worden vergiftigd, doodgeschoten, levend verbrand of begraven. Er zijn zelfs slachthuizen ingericht speciaal voor het doden van deze honden. Ik heb de staatssecretaris van de BBB eerder opgeroepen om met Marokko en de FIFA in gesprek te gaan om hier een einde aan te maken, maar toen kreeg ik doodleuk een briefje dat hij dit niet ging doen. Ik vind dit echt onacceptabel. Dierenbeschermers in Marokko vragen namelijk om onze hulp. Als Nederland straks aan het voetballen is in Marokko, onthoud dan: wij zijn medeverantwoordelijk voor dit afschuwelijke dierenleed. We kunnen dat nu nog stoppen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Marokko in aanloop naar het WK voetbal in 2030 op grote schaal straathonden doodt, onder meer door vergiftiging, doodschieten en levend verbranden, en dat er zelfs slachthuizen zijn ingericht specifiek voor het doden van deze honden;

overwegende dat Nederland succesvol heeft laten zien dat problemen met straathonden effectief kunnen worden aangepakt door middel van een zorgplicht voor dieren, opvang, sterilisatie en registratie;

verzoekt de regering op korte termijn met Marokko en de FIFA in gesprek te gaan en hen op te roepen om het doden van straathonden te stoppen en in te zetten op diervriendelijke alternatieven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 1417 (28286).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dan mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het al jaren verboden is om honden onder stroom te zetten met stroombanden of te pijnigen met prikbanden;

constaterende dat de verkoop van deze wrede halsbanden nog steeds is toegestaan, waardoor handhaving door de politie beperkt blijft tot situaties waarin ze op heterdaad waarnemen dat iemand deze halsbanden gebruikt en daarmee het effectief handhaven de politie bijna onmogelijk wordt gemaakt;

overwegende dat Vlaanderen wél is overgegaan tot een verbod op het verhandelen van deze banden;

verzoekt de regering om het verhandelen van wrede stroomstoot- en prikbanden voor honden te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Beckerman en Graus.

Zij krijgt nr. 1418 (28286).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan wil ik mevrouw Beckerman graag vragen om naar voren te komen, naar het spreekgestoelte, voor haar bijdrage. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Hi, goedemiddag! Op 2 oktober was dit debat. Toen presenteerden we met een heleboel partijen het dierendagakkoord, waarin we voorstellen deden voor goede, betaalbare en eerlijke zorg voor dieren. Het heeft even geduurd voordat dit tweeminutendebat kon worden ingepland, maar het leek ons mooi om dat akkoord van toen te vatten in een motie. Daar gaat ie!

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Tweede Kamer het dierendagakkoord heeft gepresenteerd, met ambities op het gebied van dierenwelzijn, betaalbare dierenzorg en ondersteuning van dierenhulpverlening;

verzoekt de regering om te zorgen voor volledige en tijdige uitvoering van het dierendagakkoord, en daarbij te komen tot en/of ondersteuning voor:

  • maximumtarieven voor dierenzorg, te beginnen bij spoedzorg, verkennen;
  • transparantie over de tarieven van dierenzorg;
  • het voorkomen van monopolies en de aanpak van monopolies;
  • de versterking van de beroepsgroep van dierenartsen;
  • het verbeteren van de spoedzorg;
  • het voorkomen van erfelijke ziektes en aandoeningen;
  • ondersteuning voor dierenhulporganisaties en wetgeving voor goede huisdierenzorg;

verzoekt de regering voorts per onderdeel een concreet tijdpad vast te stellen, aan te geven welke wet- en regelgeving nodig is om afspraken afdwingbaar te maken, en de Kamer periodiek te rapporteren over de voortgang en uitvoering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman, Bromet, Kostić, Grinwis, Den Hollander, Graus, Dassen, Vellinga-Beemsterboer en Koorevaar.

Zij krijgt nr. 1419 (28286).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Beckerman. Dan wil ik graag mevrouw Van der Plas, van de fractie van BBB, vragen om naar voren te komen. Ga uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel. Ik heet ook de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap welkom. Een deel van het debat ging namelijk over dierproeven en dat is zijn domein. Ik wil gelijk een vraag stellen. Er zijn hele grote zorgen over de versnelde afbouw van de instellingssubsidie voor het BPRC, het dierproevencentrum. Daarmee dreigt waardevolle kennis en infrastructuur voor onderzoek met niet-humane primaten te verdwijnen, terwijl dit onderzoek nu en in de komende jaren niet alleen noodzakelijk is voor pandemische paraatheid, maar ook voor de bestrijding van ernstige ziekten. Ik denk dat heel veel mensen dat niet in het vizier hebben. Onderzoek naar alzheimer kan dan bijvoorbeeld in gevaar komen. Mijn vraag is: deelt de minister de zorgen? Kan hij toelichten wat volgens hem de risico's zijn van de versnelde afbouw van de subsidie voor het BPRC, met name voor de volksgezondheid, de pandemische paraatheid en de afhankelijkheid van het buitenland? Ik heb een motie daarover. Ik dien die maar meteen in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de toelichting op het amendement-Kostić c.s. voorziet in een stapsgewijze afbouw van de instellingssubsidie voor het BPRC, waardoor vanaf 2030 geen subsidie meer beschikbaar is voor het in stand houden van de kolonie;

overwegende dat onderzoek met niet-humane primaten nog noodzakelijk is voor bijvoorbeeld de pandemische paraatheid en de bestrijding van levensbedreigende ziekten zoals alzheimer;

overwegende dat het onwenselijk is dat Nederland voor dit onderzoek afhankelijk wordt van landen met mogelijk lagere dierenwelzijns- en onderzoeksstandaarden;

verzoekt de regering om een alternatieve subsidieregeling voor het BPRC op te stellen zolang het onderzoek met niet-humane primaten noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1420 (28286).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dat was keurig binnen de twee minuten. Dank u wel, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Alstublieft.

De voorzitter:

We gaan over naar de heer Graus, die spreekt namens de fractie van de PVV. Ga uw gang.

De heer Graus (PVV):

Mevrouw de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te bezien en faciliteren hoe de rechten van dieren verankerd kunnen worden in de Grondwet, ondanks het feit dat animalia, gelijk wilsonbekwamen, niet aan hun plichten kunnen voldoen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 1421 (28286).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de reeds bestaande DNA-databanken voor dieren te koppelen aan informatiesystemen van de dierenpolitie opdat dierenbeulen, dan wel baasjes van gevonden dieren, sneller opgespoord kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 1422 (28286).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te onderzoeken hoe bestaande en toekomstige DNA-databanken de invasieve, verplichte chiphandelingen kunnen vervangen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 1423 (28286).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de wet dusdanig aan te passen dat een zelfstandig beroeps-, fok- en houdverbod opgelegd kan worden aan broodfokkers die zich schuldig blijven maken aan het laten procreëren van dieren met genetische defecten en andere innerlijke en uiterlijke schadelijke kenmerken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 1424 (28286).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een veterinair deskundig nationaal coördinator TPI (transitie proefdiervrije innovatie) aan te stellen die de versnelde transitie, acceptatie, validatie en toepassing regisseert inzake de spoedige afbouw van het aantal dierproeven en proefdieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 1425 (28286).

De heer Graus (PVV):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een veterinair deskundig marktmeester te benoemen die de regie krijgt om, in overleg met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, prijsplafonds in te stellen voor primaire dierenzorg en noodhulp teneinde de exorbitant gestegen dierenartskosten te beteugelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 1426 (28286).

De heer Graus (PVV):

Alles over de dierproeven is overigens beloofd, door diverse regeringen, ook door deze regering. Eigenlijk zou de motie dus overbodig moeten zijn, maar helaas moeten we een stok achter de deur houden.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Graus. Tot slot mevrouw Den Hollander namens de fractie van de VVD.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Voorzitter. Enkele weken geleden is het conceptrapport Marktonderzoek medische zorg huisdieren van de ACM uitgekomen. In het commissiedebat is daarover uitvoerig gesproken. Als dierenarts heb ik het rapport met interesse gelezen. Daarbij vind ik het belangrijk om allereerst aan te geven dat een dierenartspraktijk een onderneming is, net als de bakker op de hoek of een garagebedrijf waar je met je auto naartoe gaat voor de jaarlijkse beurt of als de auto gebreken vertoont. Dierenartspraktijken kunnen alleen goede zorg leveren als er sprake is van gezonde bedrijfsvoering, waarbij het personeel een fatsoenlijke beloning krijgt voor zijn inzet en er goede zorg kan worden geboden aan de klant en zijn huisdier in een goed ingerichte praktijk. De meeste dierenartsen in de dagelijkse praktijk werken met veel betrokkenheid, passie en inzet om de huisdieren gezond te houden of beter te maken.

De huisdierenzorg heeft zich de afgelopen decennia enorm ontwikkeld. De klantvraag gaat steeds verder. De consument verwacht van de dierenarts een 24/7-zorgaanbod, met de beste technieken, de best werkende medicijnen en ruime mogelijkheden voor onderzoek en behandeling om het dier beter te maken. Dat hier een kostenplaatje vergelijkbaar met toenemende kosten in de humane gezondheidszorg aan hangt, wordt kritisch bekeken. Op sommige punten kan de VVD zich zeker vinden in de kritiek, maar niet op alles. Voor de VVD is het heel belangrijk dat de markt goed kan functioneren, maar dat een monopoliepositie wordt voorkomen. Zeker in de spoedzorg moeten we hiervoor waken. Ook transparantie over de kosten is van groot belang, evenals werken aan professionele behandelstandaarden om overbehandeling te voorkomen. Het is ook goed dat het ACM-rapport het advies geeft om een geschillencommissie in te stellen. Het is namelijk belangrijk dat de uit Amerika overgewaaide claimcultuur niet verder doordringt in het Nederlandse zorgaanbod.

Voorzitter. Er wordt in het rapport aangegeven dat een hond of kat aangeschaft kan worden zonder dat er vooraf wordt gekeken naar de kosten van onderhoud. Volgens de VVD is het verplichtstellen van een cursus hier niet de oplossing voor. Wel moet er in het kader van "bezint eer ge begint" gedacht worden aan betere voorlichtingen. Een klant die onverwachts hoge zorgkosten niet kan dragen, moet gestimuleerd worden om een huisdierzorgverzekering af te sluiten. Om zowel dierenwelzijn te verbeteren als zorgkosten te beperken, kan de overheid strenger toezien op fokbeleid. Veel ingefokte afwijkingen …

De voorzitter:

Mevrouw Den Hollander, wilt u afronden?

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Veel ingefokte afwijkingen zorgen voor hoge kosten in de zorg. Wij sluiten ons daarom aan bij de oproep om het dierendagakkoord volledig en tijdig uit te voeren.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors voor tien minuten. Daarna volgt voor de beantwoording van de minister en de staatssecretaris. Dank u wel.

De voorzitter:

We gaan weer verder met het tweeminutendebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven. Ik geef het woord aan staatssecretaris Rummenie voor de appreciatie van de moties en de beantwoording van de vragen.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Rummenie:

Dank u wel, voorzitter. Ik zie trouwens dat het lid Kostić er nog niet is.

De voorzitter:

Nee. Was de motie op stuk nr. 1417 van het lid Kostić?

Staatssecretaris Rummenie:

Ja, dat is de motie over straathonden in Marokko. Deze motie is ontijdig. Dit is de verantwoordelijkheid van mijn collega van Buitenlandse Zaken. We hebben het daar in het debat ook al over gehad. Zoals in de beantwoording van de Kamervragen al is aangegeven, is het standpunt van het ministerie van Buitenlandse Zaken dat dit een interne Marokkaanse aangelegenheid is.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1417 van het lid Kostić krijgt de appreciatie "ontijdig".

Staatssecretaris Rummenie:

Dan de motie op stuk nr. 1418.

De voorzitter:

Eerst nog het lid Kostić voor een interruptie.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Deze staatssecretaris gaat over dierenwelzijn, in dit geval. We hebben ook relaties met Marokko. Ik vind het echt onbegrijpelijk dat de staatssecretaris zegt: het is aan hen om die honden te verbranden en te vergiftigen; wij doen lekker niks. Hoe verantwoordt de staatssecretaris van BBB dat?

Staatssecretaris Rummenie:

Ik heb er toch een beetje moeite mee dat er wordt gezegd: de staatssecretaris zegt dat hij het goedvindt dat er honden verbrand worden in Marokko. Dat is natuurlijk onzin. Het gaat erom dat dit niet onder mijn bevoegdheid valt. Ik ga over dierenwelzijn in dit land. Dit valt onder het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik kan u vertellen dat die mij ook gevraagd hebben om strikt bij deze tekst te blijven. Ik heb nog wel een hoopvolle mededeling voor u, en dat bedoel ik echt niet flauw. Wij hebben een landbouwattaché in Marokko. Zij is al decennialang een hele goede vriendin van mij. Overal waar zij zit, adopteert zij straathonden; haar man wordt er weleens moe van. Ik ben er zeker van dat zij dat ook in Rabat doet. Verder moet u deze vraag aan Buitenlandse Zaken stellen. Daarom noem ik die ontijdig.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog. Ik wil aan de Kamerleden vragen om in de microfoon te spreken. Meneer Graus, we zijn hier gewend om alleen maar vragen te stellen over eigen ingediende moties.

De heer Graus (PVV):

Ja, maar ik moet wel mijn fractie adviseren. Dan adviseer ik het lid Kostić …

De voorzitter:

Meneer Graus, ik had u nog niet het woord gegeven. Ik wil u vragen om via de voorzitter te spreken en hier orde te houden. Ik sta u een hele korte vraag toe, heel kort.

De heer Graus (PVV):

Voorzitter, ik vind dat u onsympathiek tegen mij doet nu. Ik begon gewoon omdat u klaar was met spreken. Ik heb dat helemaal niet onbehoorlijk bedoeld. Dan wil ik het lid Kostić vragen om de motie bij BuZa in te dienen, als die hier verkeerd geadresseerd is. Ik moet mijn fractie namelijk kunnen adviseren, en dat gaat dan niet vanuit deze commissie.

De voorzitter:

Meneer Graus, u kunt de interrupties richten aan de staatssecretaris en niet aan andere Kamerleden. Ik stel dus voor dat u dat even onderling regelt. Ik wil de staatssecretaris vragen om voort te gaan.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 1418, van het lid Kostić met de SP en de PVV, als ik het goed lees. Deze motie geef ik de appreciatie ontijdig. Op dit moment is een dergelijke beperking van het vrije verkeer van goederen niet mogelijk. Het gaat over het verbod op handel in stroom- en prikbanden. Bovendien kunnen stroombanden nog legaal gebruikt worden binnen de gestelde uitzonderingssituaties. Dan hebben we het over politie en Defensie. Er loopt momenteel ook een evaluatie van het verbod op het gebruik van de stroomband. Die zou ik graag eerst willen afwachten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1418, van de leden Kostić, Beckerman en Graus, krijgt de appreciatie ontijdig.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan heb ik de motie op stuk nr. 1419 over het dierendagakkoord. Zoals u weet, was ik daar zelf ook erg blij mee. Ik geef 'm dus uiteraard oordeel Kamer, maar ik heb daar nog wel een beetje commentaar bij. Ik vind het een zeer sympathieke motie, maar ik wil er nog even drie dingen over zeggen. Het voorstel van het akkoord gaat ook over de bevoegdheden van de ACM. Dat is toch echt de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken, die hieraan werkt. Ten tweede: als ik het onderdeel over de orde voor dierenartsen zo mag interpreteren dat we de beroepsgroep steunen om te komen tot één beroepsorganisatie, namelijk een federatie, die nu ook in oprichting is, dan geef ik de motie oordeel Kamer. Ten aanzien van het verkennen van de maximale prijzen: dat gaan wij uiteraard doen nadat het ACM-rapport na consultatie definitief is vastgesteld. Dat zal ergens eind mei zijn.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Beckerman om te zien of zij akkoord is met deze lezing van de motie, met de bijgaande opmerkingen van de staatssecretaris. Ik wil haar daar graag het woord over geven.

Mevrouw Beckerman (SP):

De eerste opmerking was: de ACM valt onder EZ. Nou, dat weten we. Tegelijkertijd is het natuurlijk een motie gericht aan de hele regering, dus dat lijkt me helder. De tweede opmerking ging over de orde van dierenartsen. Die staat niet in de motie. Die heb ik al anders omschreven, namelijk als "de versterking van de beroepsgroep van dierenartsen". In de motie lezen we dus dat je die moet ondersteunen. Het is mooi dat het kabinet dat al doet. Dan over de maximale prijzen. Mijn privémening is dat we die zo snel mogelijk moeten invoeren, maar de motie vraagt om dat te verkennen. Dat leest de staatssecretaris goed. Ik ga natuurlijk jubelend akkoord met het "oordeel Kamer".

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1419 krijgt oordeel Kamer. Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Rummenie:

Dan de motie op stuk nr. 1421, van de heer Graus, over het verankeren van de rechten van dieren in de Grondwet.

De voorzitter:

U slaat de motie op stuk nr. 1420 over. Of is die voor minister Moes?

Staatssecretaris Rummenie:

Die is voor minister Moes.

De motie van de heer Graus gaat over het verankeren van de rechten van dieren in de Grondwet. Wat de heer Graus wil, is eigenlijk al geregeld. In de Wet dieren is de intrinsieke waarde van het dier erkend. Dat betekent dat dieren een waarde op zichzelf hebben en worden beschermd door middel van diverse wettelijke verboden op voor dieren schadelijke handelingen. Het opnemen van dierrechten in de Grondwet zou op hetzelfde neerkomen, want geen enkel recht is absoluut. Overigens staat het u als medewetgever uiteraard vrij om een Grondwetswijziging voor te stellen. Maar ik geef de motie dus de appreciatie overbodig.

De heer Graus (PVV):

Er ligt al acht jaar lang een initiatiefwet klaar, van zowel de Partij voor de Dieren als van ons. Ik zou ondersteuning krijgen vanuit de regering, is mij door diverse bewindspersonen beloofd, om bredere steun in de Kamer te krijgen. Het is niet zo geregeld als de staatssecretaris zegt. De rechten van dieren zijn niet verankerd in de Grondwet. Dat is gewoon pertinent niet waar.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat heb ik ook niet gezegd, meneer Graus. Ik heb gezegd dat het al op een andere manier geregeld is. De intrinsieke waarde van een dier is namelijk in verschillende wetten vastgelegd.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1421 krijgt de appreciatie overbodig. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 1422.

Staatssecretaris Rummenie:

De motie op stuk nr. 1422, ook van de heer Graus, gaat over het koppelen van een DNA-databank aan systemen van de dierenpolitie. Informatiesystemen en het aanpakken van dierenbeulen valt onder het ministerie van Justitie. Mijn advies aan u is om dit verzoek aan te houden, zodat de minister van Justitie en Veiligheid de motie kan appreciëren. Er is trouwens al een systeem om dieren terug te vinden die zijn kwijtgeraakt.

De voorzitter:

De heer Graus krijgt de aanbeveling om zijn motie op stuk nr. 1422 aan te houden, en dat gaat hij ook doen.

De voorzitter:

Dan de motie-Graus op stuk nr. 1423.

Staatssecretaris Rummenie:

Ook deze motie is van de heer Graus. Daarin wordt verzocht te onderzoeken hoe databanken de chiphandelingen kunnen vervangen. Die ontraad ik. Het opzetten van een DNA-databank is een ingrijpende en dure maatregel. Daarnaast ligt er op dit moment een voorstel van de Europese Commissie, een dogs and cats proposal, waarin is opgenomen dat in de toekomst in alle lidstaten honden en katten door middel van een microchip kunnen worden geïdentificeerd en daarvoor een I&R-databank is opgezet. Ik ontraad deze motie dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1423 krijgt het oordeel ontraden. De heer Graus heeft daar een vraag over.

De heer Graus (PVV):

Mijn bedoeling is dat we stoppen met invasieve handelingen. Nu wordt een chip in een dier ingebracht. Ik denk dat de staatssecretaris het zelf ook niet prettig zou vinden als die in zijn bil werd ingebracht. Dat is de reden. Ik wil dat men stopt met invasieve handelingen die niet nodig zijn, want dieren kunnen al geregistreerd worden via AI en DNA.

De voorzitter:

Helder. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Rummenie:

Ik denk dat wij daarover van mening verschillen. Zoals u weet, heb ik zelf een poes. Bij haar is ook een chip ingebracht. Ik heb nog nooit gemerkt dat zij daar last van heeft.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1423 krijgt het oordeel ontraden. Dan de motie-Graus/Kostić op stuk nr. 1424.

Staatssecretaris Rummenie:

Die motie is ook van de heer Graus. Die gaat over het opleggen van een zelfstandig houdverbod aan broodfokkers. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en Veiligheid. Ik verzoek de heer Graus om deze motie net als zijn eerdergenoemde motie aan te houden, zodat de minister van Justitie en Veiligheid die kan appreciëren.

De voorzitter:

Meneer Graus zegt dat de motie van de heer Graus en het lid Kostić op stuk nr. 1424 wordt aangehouden.

De voorzitter:

Dan hebben we nog de motie-Graus/Kostić op stuk nr. 1425.

Staatssecretaris Rummenie:

Die gaat over het aanstellen van een veterinair deskundig nationaal coördinator Transitie Proefdiervrije Innovatie. Wat deze motie beoogt, gebeurt al. Ik doe dit met het programma TPI. Hierbij werk ik samen met veertien partnerorganisaties. Het afgelopen jaar zijn daar nog drie partnerorganisaties bij gekomen. Dit illustreert de nationale coördinatie van TPI en het draagvlak van mijn inzet. Binnen dit platform is uiteraard ook veterinaire deskundigheid geborgd. Het TPI-programma is bewezen effectief, wat onder andere blijkt uit de realisatie uit het Groeifonds voor Ombion ter waarde van 124,5 miljoen. De regie is er dus al. Die is alleen niet gekoppeld aan één persoon als nationaal coördinator, maar aan een TPI-netwerk. De betrokken partijen hebben aangegeven dat zij hierin geen meerwaarde zouden zien. Daarom geef ik deze motie het oordeel overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1425 van de leden Graus en Kostić krijgt het oordeel overbodig. Dan is er voor de staatssecretaris nog één motie, namelijk de motie op stuk nr. 1426 van de leden Graus en Kostić.

Staatssecretaris Rummenie:

Die gaat over de benoeming van een veterinair deskundig marktmeester. Die marktmeester is er al. Dat is namelijk de ACM, ingesteld bij wet. De ACM heeft een onderzoek gedaan en daar veterinair deskundigen uit de beroepsgroep bij betrokken. Het conceptrapport ligt voor ter consultatie. Veterinairs en andere betrokken partijen zoals de KNMvD kunnen daarop reageren. Zo benut de ACM expertise uit de sector en toetst zij de resultaten. Ik wacht het definitieve ACM-rapport af. Daar kan en wil ik niet met maatregelen zoals prijsplafonds op vooruitlopen.

De voorzitter:

Daarmee heeft de motie op stuk nr. 1426 het oordeel ontraden gekregen.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat waren mijn moties, voorzitter.

De voorzitter:

Ja. Dan wil ik graag aan minister Moes vragen om in ieder geval de motie-Van der Plas op stuk nr. 1420 van een appreciatie te voorzien.

Minister Moes:

Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag eerst even ingaan op de twee vragen die mevrouw Van der Plas over hetzelfde thema heeft gesteld.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Minister Moes:

Zij vroeg namelijk of ik de zorgen deel over het versneld afbouwen van de subsidie voor het BPRC. Ja, die zorgen deel ik zeker. Daar heb ik zowel in verschillende brieven aan de Kamer als indertijd in het debat ook nadrukkelijk aandacht voor gevraagd.

De andere vraag was of ik kan toelichten wat, volgens mij, de risico's zijn van die versnelde afbouw, en dan met name voor de volksgezondheid, de pandemische paraatheid en de afhankelijkheid van het onderzoek.

Het verschuiven van de huidige instellingssubsidie aan het BPRC naar alternatieven kent de volgende risico's. Op korte termijn kan de fokkolonie niet meer worden gefinancierd. Daardoor moet er vervolgens worden gestopt met noodzakelijk onderzoek ten behoeve van de pandemische paraatheid en de bestrijding van ernstige en levensbedreigende ziekten. Daarmee lopen we ook het risico dat we goede onderzoekers en essentiële kennis en ervaring verliezen aan het buitenland. Nederland wordt zo nog veel sterker afhankelijk van het buitenland voor onderzoek naar niet-humane primaten. De verwachting en het risico is dan ook dat we daardoor veel minder snel zullen kunnen reageren op een eventuele nieuwe pandemie. Het risico daarop bestaat wel degelijk.

Vanuit het perspectief van dierenwelzijn zeg ik daarbij: het onderzoek naar non-humane primaten zal zich vervolgens verplaatsen naar plekken waar een lagere dierenwelzijnsstandaard geldt dan in Nederland. Dezelfde dieren die nu bij het BPRC gehouden worden, worden dan verkocht en verplaatst en zullen dan een lagere dierenwelzijnsstandaard ervaren. Dat alles acht ik zeer onwenselijk, zoals ik eerder ook al heb aangegeven.

Daarmee kom ik bij de motie op stuk nr. 1420. Zoals ik net heb aangegeven, ben ik van mening dat het onderzoek naar niet-humane primaten nu absoluut nog nodig is. Als ik de motie zo mag lezen dat ik binnen de huidige OCW-begroting en in overleg met mijn collega's in het kabinet de mogelijkheid voor alternatieve subsidiestromen kan gaan onderzoeken, dan wil ik de motie graag oordeel Kamer geven. Dat is ook in lijn met de tekst van het amendement-Kostić c.s.

De voorzitter:

Dan kijk ik in de richting van mevrouw Van der Plas. Die kan daar goed mee leven, dus dan krijgt de motie op stuk nr. 1420 oordeel Kamer. Dank u wel.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dit gaat over een amendement van niet alleen de Partij voor de Dieren, maar bijvoorbeeld ook JA21. Het is een breed aangenomen amendement. De Kamer heeft ook bevestigd dat het amendement uitgevoerd moet worden. Ik vraag me af waarom de minister deze motie positief apprecieert, aangezien het een ongedekte motie is. Waar gaat deze minister 12,5 miljoen euro vandaan halen?

Minister Moes:

Zoals ik net al aangaf: als ik de motie zo mag lezen dat ik met een integrale afweging en binnen de OCW-begroting op zoek kan gaan naar die middelen, dus als ik dat onderzoek kan gaan doen, dan zie ik dat als onderstreping van het huidige beleid. Overigens is dit ook precies waar in het amendement zelf gewag van wordt gemaakt.

De voorzitter:

Lid Kostić, voor een hele korte laatste vraag.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Deze discussie hebben we eerder gevoerd. Het amendement is duidelijk: de subsidie moet worden afgebouwd. Ik concludeer alleen maar dat dit een ongedekte motie is en dat het niet past bij een dubbeldemissionaire minister om hier iets mee te doen. Ik wijs de Kamer daarop.

Minister Moes:

Ik lees even voor uit de tekst van het amendement: "Proefdieronderzoek met apen wordt hiermee niet volledig beëindigd. Het onderzoek bij het BPRC dat nodig is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen, kan tot 2030 met het niet-geoormerkte belastinggeld worden gefinancierd. Na 2030 kan het BPRC dit onderzoek, indien het dan nog steeds noodzakelijk is om hiervoor apen te gebruiken, nog steeds blijven uitvoeren, maar dan met alternatieve financiering." Dat wordt allemaal genoemd in het amendement.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik ben helemaal nieuw in deze commissie. Ik begrijp dat er 12,5 miljoen aan dekking voor de motie moet worden gevonden. Kan het kabinet inzichtelijk maken wat het oplevert voor de volksgezondheid als we het onderzoek wél voorzetten?

De voorzitter:

Uw vraag is duidelijk.

Minister Moes:

Ik weet niet of dat heel gemakkelijk te kwantificeren is. Ik vind het een heel interessante vraag. Ik heb net een aantal risico's opgenoemd. Het is lastig om van tevoren in te schatten wat een pandemie kost, maar ik denk dat we heel veel geleerd hebben van bijvoorbeeld de coronaperiode. We weten hoe gigantisch veel die heeft gekost. Pandemische paraatheid verdient zich dus zeer zeker terug. Het is een politieke vraag in hoeverre je volksgezondheid in geld zou kunnen uitdrukken. Ook voor belangrijke infectieziekten en andere ziekten is dit onderzoek echter ontzettend belangrijk.

De voorzitter:

Dank u, minister. Daarmee sluit ik het tweeminutendebat Dieren buiten de veehouderij en dierproeven.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan nu over naar het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 22-23 september 2025 en appreciatie van de wetenschappelijke vangstadviezen van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee. Ik wil ook graag de minister van LVVN welkom heten. Ik zie de heer Boomsma met een verzoek aan de Kamer.

De heer Boomsma (JA21):

Ik wil wederom bij de Kamerleden afsmeken dat ik hier aanwezig mag zijn en ook wat mag zeggen.

De voorzitter:

Nou, smeken maar liefst ... Uw smeekbede is verhoord: u mag deelnemen aan de beraadslaging.

Ik wil graag het lid Kostić als eerste naar voren vragen, om naar het spreekgestoelte te komen. Het lid Kostić namens de Partij voor de Dieren. Ah, voordat u uw gang gaat, ook de heer Jansen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ja, voorzitter, ook van mij hierbij het verzoek of ik kan worden toegevoegd aan de lijst van deelnemers, met nul minuten spreektijd.

De voorzitter:

Ook van u een smeekbede? Ook de nul minuten spreektijd wordt gehonoreerd door de Kamer.

Lid Kostić, ga uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter, ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie werkt aan een aalscholversdodingsplan en twee derde van alle aalscholvers wil doden omdat aalscholvers vissen eten;

constaterende dat daarbij zelfs de optie op tafel ligt dat de Europese Commissie landen, waaronder Nederland, gaat dwingen om aalscholvers dood te schieten;

overwegende dat aalscholvers inheemse vogels zijn en uit onderzoek blijkt dat zij in Nederland voornamelijk vissoorten eten waarop niet wordt gevist, zoals pos en grondels;

overwegende dat de staatssecretaris van LVVN heeft aangegeven dat aalscholvers in Nederland geen wezenlijke impact hebben op de visstand, dat niet-dodelijke maatregelen effectief zijn en dat "urgentie, noodzaak en onderbouwing" ontbreken om aalscholvers te bejagen, en het doden daarom al jaren niet gebeurt;

verzoekt de regering zich te verzetten tegen Europese plannen om meer aalscholvers af te schieten of lidstaten te dwingen om aalscholvers te doden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Bromet.

Zij krijgt nr. 1756 (21501-32).

Dank u wel. Dan wil ik graag uw collega Bromet van GroenLinks-PvdA vragen om naar voren te komen. Ga uw gang.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Meermaals heeft GroenLinks-PvdA gevraagd hoe we het zeegebied gaan beschermen. Met de polder, in het Noordzeeakkoord, is afgesproken dat we 15% van de zee gaan vrijwaren van bodem beroerende visserij. Nog 1,2% van dat gebied moet worden ingevuld. En hoewel het Noordzeeoverleg hierover in oktober al een dringend advies heeft gegeven, heeft de staatssecretaris nog niet bewogen. Ik lees in de beslisnota bij de brief uit december dat er nog altijd achter de schermen wordt gesteggeld tussen de ministeries. Om te voorkomen dat deze staatssecretaris, die op weg is naar de uitgang, hier nog overhaast een politiek besluit over neemt, wil ik bij motie verzoeken om dit over te laten aan het nieuwe kabinet, een kabinet dat hopelijk wel oog heeft voor een brede belangenafweging over de ruimte op onze kwetsbare zee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het Noordzeeakkoord is afgesproken dat 15% van het zeegebied gevrijwaard wordt van bodemberoerende visserij;

constaterende dat 1,2% van dit gebied nog aangewezen moet worden;

overwegende dat het Noordzeeakkoord in brede overeenstemming een invulling van deze 1,2% heeft aangedragen, maar het kabinet dit advies niet heeft overgenomen;

verzoekt de regering om het besluit over de invulling van 1,2% over te laten aan het nieuwe kabinet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 1757 (21501-32).

Dank u wel. Dan gaan we door met mevrouw Van der Plas, namens BBB. Ga uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik ga gelijk van start.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het brievenbusnet inmiddels al meerdere jaren in de praktijk wordt toegepast in de garnalenvisserij op de Waddenzee;

constaterende dat het brievenbusnet minder snel verstopt raakt dan de traditionele zeeflap, wat bijdraagt aan een verhoogde veiligheid aan boord en een verbeterde selectiviteit van de visserij in de zomermaanden;

overwegende dat er nieuwe typen en varianten van het brievenbusnet zijn ontwikkeld die mogelijk leiden tot een verdere verbetering van de selectiviteit en een verminderd verstoppingsrisico;

verzoekt de regering om samen met de sector de mogelijkheden te verkennen voor nieuw onderzoek naar de effectiviteit, selectiviteit en veiligheidsaspecten van nieuwe typen brievenbusnetten en zeefkelen, inclusief financiering, in de garnalenvisserij, en dit onderzoek te laten uitvoeren voor zowel gebruik op de Waddenzee als in de Noordzeekustzone,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1758 (21501-32).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Kort gezegd: een hele mooie motie voor hele duurzame visserij.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat strenge Europese wet- en regelgeving geregeld zorgt voor knellende situaties en juridische uitspraken, voor zowel ondernemers als particulieren in Nederland;

constaterende dat de Europese Commissie met voorstellen komt ter vereenvoudiging van wet- en regelgeving;

verzoekt de regering deze voorstellen met open vizier tegemoet te treden, en deze niet op voorhand langs de meetlat te leggen dat elke vorm van versoepeling op voorhand wordt afgewezen;

verzoekt de regering, in de gevallen waarin zij bij de Europese Commissie pleit voor een impactassessment van hun voorstellen, ook te vragen de gevolgen voor concurrentie- en verdienvermogen te onderzoeken, evenals de praktische gevolgen voor particulieren die bijvoorbeeld hun huis willen verbouwen, en die gevolgen nadrukkelijk mee te wegen in de uiteindelijke voorstellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1759 (21501-32).

Dank u wel. Dan wil ik graag het woord geven aan mevrouw Den Hollander namens de fractie van de VVD. U ziet af van uw spreektijd. Dan is de heer Boomsma namens de fractie van JA21. Doet u rustig aan, hoor. Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. In allerlei havens in Europa zijn de afgelopen dagen grote problemen ontstaan met partijen vis bij het lossen van de ladingen. Dat is omdat het digitale systeem, dat per 1 januari verplicht is, nog niet goed werkt. Ik heb begrepen dat ook in Rotterdam allemaal containers vol met bevroren vis liggen waar men nu niks mee kan. Dat dreigt nu dus gewoon verloren te gaan omdat dat systeem, dat CATCH heet, niet goed werkt. Het gaat nu dus mis. Ik wil dus vragen of de staatssecretaris of de minister, in ieder geval iemand, in gesprek gaat met de Europese Commissie om dit zo snel mogelijk op te lossen en ervoor te zorgen dat de vis niet verloren gaat. Je kunt bijvoorbeeld een transitieperiode instellen voor het voldoen aan deze regels. Graag een reactie daarop.

Dan heb ik nog een motie. Dit is eigenlijk een vervolg op een motie van mij van meer dan een jaar geleden over de schelpdierteelt. Het is gewoon een gezonde en extreem duurzame vorm van voedsel. Dat biedt heel veel kansen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat onze Noordzee zeer geschikt is voor milieuvriendelijke vormen van schelpdierkweek als gezond en duurzaam voedsel;

overwegende dat mosselen kunnen worden gekweekt op zandwinlocaties zolang die niet in gebruik zijn en in windturbineparken, maar initiatiefnemers wel voldoende tijd en zekerheid moeten hebben om een demonstratieproject uit te voeren;

overwegende dat de Kamer eerder de motie-Boomsma (36600-XIV, nr. 26) heeft aangenomen om tijdelijke demonstratieprojecten toe te staan aan de kust, maar de termijn van slechts een jaar voor de uitvoering daarvan onvoldoende was, waardoor projecten tot nu toe zijn uitgebleven;

overwegende dat Rijkswaterstaat verwijst naar de lijn van het Programma Noordzee 2022-2027 dat voor schelpdierkweek slechts ruimte biedt voor "kortdurende" projecten, maar één jaar niet voldoende is om de risico's en investeringen te kunnen dragen;

overwegende dat er veel interesse en enthousiasme is in de sector om te beginnen met dergelijke pilotprojecten;

verzoekt de regering voortvarend aan de slag te gaan met het vergunnen van een of meerdere demonstratieproject(en) voor schelpdierkweek op niet in gebruik zijnde zandwinlocaties en/of windturbineparken, waarbij voldoende tijd en zekerheid wordt geboden om de investering en risico's te dragen en er in overleg zorg voor te dragen dat deze binnen een jaar van start kunnen gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 1760 (21501-32).

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors voor vijf à tien minuten om de bewindspersonen in de gelegenheid te stellen om de moties te appreciëren.

De voorzitter:

Ik heropen het tweeminutendebat over de Landbouw- en Visserijraad de dato 22 en 23 september 2025 en de appreciatie van de wetenschappelijke vangstadviezen van de Raad voor het Onderzoek naar Zee. Dan geef ik graag het woord aan minister Wiersma.

Termijn antwoord

Minister Wiersma:

Dank, voorzitter. Ik heb één motie die ik moet appreciëren en ik kan daar heel kort over zijn. Het is de motie op stuk nr. 1759 van BBB over een impactassessment en die geef ik oordeel Kamer. De rest van de moties is voor de staatssecretaris.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1759 krijgt oordeel Kamer. Dan geef ik graag het woord aan staatssecretaris Rummenie.

Staatssecretaris Rummenie:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de motie-Bromet op stuk nr. 1756. Die ontraad ik. Ik heb eerder aangegeven dat ik de lijn steun om in Europees verband tot een onderbouwd beheer voor aalscholvers te komen. Dat is wel even iets anders dan zomaar aalscholvers afschieten of lidstaten daartoe verplichten. Voor zover mij bekend zijn er ook geen Europese plannen die lidstaten dwingen om aalscholvers te doden. Voor Nederland is het van belang dat beheer plaatsvindt binnen de kaders van de doelstellingen die we hebben om aalscholvers in bepaalde gebieden te beschermen. Om deze reden ontraad ik de motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1756 van de leden Kostić en Bromet is ontraden. Daar heeft het lid Kostić een vraag over.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik heb er moeite mee dat de staatssecretaris de Kamer af en toe niet goed lijkt te informeren. Ik heb hier een document waarin wél vanuit Europa wordt gezegd dat landen worden gedwongen om aalscholvers af te schieten. Ik kan het voorlezen aan de staatssecretaris, maar ik kan het ook aangeven zodat hij het met de ambtenaren kan afstemmen en hierop kan terugkomen.

De voorzitter:

Doet u dat maar.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat is tegenstrijdige informatie, dus het kan nooit kwaad om daar nog overleg over te hebben.

De voorzitter:

Gaat u verder. U was bij de motie op stuk nr. 1757 aangekomen.

Staatssecretaris Rummenie:

Die ontraad ik ook. Dat gaat over de additionele sluiting van 1,2% in de Noordzee. Er ligt, zoals mevrouw Bromet zegt, inderdaad een advies van het Noordzeeoverleg en ik ben voornemens om hier heel snel duidelijkheid over te geven. Wij hebben hier al min of meer overeenstemming over. Ik ontraad deze motie dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1757 van het lid Bromet is ontraden. Dan zijn we bij de motie op stuk nr. 1758.

Staatssecretaris Rummenie:

De motie op stuk nr. 1758 van mevrouw Van der Plas gaat over het brievenbusnet. Ik ben zeker bereid om met de sector de mogelijkheden te verkennen voor een nieuw onderzoek in het kader van innovatie en om, afhankelijk van de uitkomsten van die verkenning, te kijken naar de uitvoering en de financiering van het onderzoek. In het kader van de Wnb-vergunning dient de sector echter zelf te kunnen aantonen of nieuwe technieken in de Noordzeekustzone hetzelfde effect bereiken als de toegestane techniek nu. Als ik de motie zo mag interpreteren, krijgt die oordeel Kamer. Anders moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:

Dan kijk ik even ...

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag.

De voorzitter:

Ga uw gang.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

In de motie staat "inclusief financiering". Wat verstaat de staatssecretaris daaronder, een subsidie vanuit het Rijk?

Staatssecretaris Rummenie:

Nee, juist het omgekeerde. De sector moet dat zelf financieren.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Van der Plas of de motie zo geïnterpreteerd kan worden. Mevrouw Van der Plas knikt ja, dus daarmee "oordeel Kamer" voor de motie op stuk nr. 1758. Dan zijn we bij de motie op stuk nr. 1760.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat is een motie van de heer Boomsma. Deze motie valt onder de minister van IenW. Die gaat over mosselkweek. IenW gaat over de ruimtelijke verdeling op de Noordzee. Zandwinning ligt bij Rijkswaterstaat. Momenteel vindt samen met IenW en Rijkswaterstaat een verkenning plaats naar de mogelijkheden om schelpdierkweek in de Noordzeekustzone mee te nemen in het volgende programma Noordzee, op basis waarvan Rijkswaterstaat de vergunning verleent. Ik verzoek de heer Boomsma de motie aan te houden, omdat die onder IenW valt.

De heer Boomsma (JA21):

Dit verzandt de hele tijd. Eind 2024 heb ik die motie ingediend, om ermee aan de slag te gaan. Daar is brede steun voor. Ook in de sector wil men graag aan de slag. Dat lukt op de een of andere manier niet, omdat men zich daar zorgen over maakt. Oké, ik houd motie misschien wel aan, maar ...

De voorzitter:

Dat was de vraag.

De heer Boomsma (JA21):

Ja, maar ik wil dan eigenlijk nog een andere vraag stellen.

De voorzitter:

Heel kort.

De heer Boomsma (JA21):

Ik wil graag dat in kaart wordt gebracht, in overleg met de sector — wat dus eerder misging — wat ervoor nodig is om die demonstratieprojecten van de grond te krijgen.

De heer Boomsma heeft een korte vraag: bent u daartoe bereid?

Staatssecretaris Rummenie:

Daar ben ik toe bereid, maar ik zou die vraag ook vooral aan IenW willen stellen.

De voorzitter:

Dank u wel, staatssecretaris. En daarmee zijn wij door alle moties heen, maar u heeft nog een aantal vragen die u wil beantwoorden. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Rummenie:

Ik heb nog één vraag van de heer Boomsma en wel of CATCH onvoldoende werkt. Zo blijven er grote ladingen vis vaststaan in de haven van Rotterdam. Zijn vraag is wat ik daaraan ga doen. Ik heb in Nederland, in de aanloop naar de implementatie van CATCH, aanvullende capaciteit beschikbaar gesteld voor de NVWA om de sector in de aanloop naar en tijdens de implementatie te ondersteunen. Op basis van de informatie die nu bij de NVWA beschikbaar is, staat de bulk van goederen in de Rotterdamse haven vast, door implementatieproblemen bij ándere lidstaten, niet in Nederland. Daar waar het de Nederlandse import en export betreft, staat de NVWA dagelijks in contact met het bedrijfsleven om zo snel mogelijk praktische oplossingen te vinden bij eventuele knelpunten.

Verder blijf ik uiteraard de zorgen over het functioneren van het systeem onder de aandacht brengen bij de Europese Commissie. Zij is verantwoordelijk voor de doorontwikkeling.

U vroeg ook naar de transitieperiode. Dat is niet mogelijk — dat is afgelopen maandag in de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari besproken — omdat de regelgeving reeds geldt en daar heeft de Commissie afgelopen maandag ook heel erg veel duidelijkheid over gegeven.

Maar het is dus niet zo dat het systeem niet loopt in Nederland. We hebben het namelijk over doorvoer, wat niet minder ernstig is, dat betoog ik er niet mee. Het probleem is dat de doorvoer niet doorloopt, omdat andere lidstaten kennelijk nog niet zo goed digitaal met het systeem kunnen omgaan als Nederland.

De voorzitter:

Meneer Boomsma voor een hele korte laatste vraag.

De heer Boomsma (JA21):

Ja, maar dit is weer zo'n gekmakende catch-22, want het kan wel zo zijn dat het aan andere landen ligt, maar het feit is dat daar nu allemaal vis dreigt weg te rotten. En als er geen transitieperiode formeel mogelijk is, kun je er dan niet voor zorgen, dat er met zeer grote coulance wordt gekeken naar de implementatie van het CATCH-systeem, zodat in ieder geval die vis niet verloren gaat? Want volgens mij wil niemand dat.

Staatssecretaris Rummenie:

Dat ben ik met u eens. Daarom stond het afgelopen maandag natuurlijk ook op de agenda. Er wordt dus wel degelijk aan gewerkt, ook door de NVWA, maar er zijn dingen die wij hier kunnen controleren en er zijn ook dingen waarbij we afhankelijk zijn van andere diensten van andere lidstaten. Dus ik hoop dat het tijdelijke problemen zijn en kinderziekten, maar ik wilde toch vandaag wel even stellen dat het systeem op zich, wat Nederlandse import en export betreft, goed loopt. Het is alleen zo dat in de transit ernstige problemen zijn, dat heeft u juist. Daar kijken we uiteraard ook naar.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee sluit ik het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad 22 en 23 september 2025 en de appreciatie van de wetenschappelijke vangstadviezen van de Raad voor het Onderzoek naar Zee af.

De voorzitter:

De informatie van het lid Kostić wordt doorgeleid naar de Griffie plenair. De stemmingen over de ingediende moties zullen aanstaande dinsdag plaatsvinden.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We gaan meteen door met het tweeminutendebat Zoönosen en dierziekten. En het lid Kostić staat al klaar voor haar bijdrage, dus die wil ik graag naar voren vragen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. Januari is nog niet eens voorbij, maar in 2026 zijn alweer meer dan 180.000 kippen en kalkoenen in de veehouderij vergast vanwege vogelgriep. 180.000! Voor het eerst is in Europa ook een koe besmet met vogelgriep. Drie keer raden: natuurlijk hebben wij in Nederland de primeur. Dat is niet iets om trots op te zijn. We zijn het meest veedichte land en daarmee een hotspot voor nieuwe zoönosen. Experts waarschuwen dat het nog maar een hele kleine stap is voordat we de vogelgriep ook hier laten overspringen op de mens. We moeten echt doen waar virologen al jaren om vragen, namelijk veel minder dieren fokken en doden in ons land. Minister Wiersma negeerde alle adviezen van experts. Ik roep de nieuwe coalitie op om wel te luisteren naar deze experts en hier eindelijk werk van te maken.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een groot tekort aan betaalbare woningen in Nederland is;

constaterende dat het kabinet werkt aan een afstandsnorm tussen woningen en geitenhouderijen, wat gevolgen kan hebben voor de woningbouwopgave;

overwegende dat het overgrote deel van de producten uit de geitenhouderij wordt geëxporteerd naar het buitenland;

van mening dat het niet uit te leggen is als mensen in Nederland langer moeten wachten op een huis door de productie van geitenvlees, -melk en -kaas voor voornamelijk het buitenland;

verzoekt de regering om, waar spanningen zijn tussen deze verschillende belangen, woningbouw en volksgezondheid te prioriteren boven de intensieve geitenhouderij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 320 (29683).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, lid Kostić. Ondertussen wil ik ook minister Bruijn van VWS welkom heten in de plenaire zaal. En wij gaan door met de heer Grinwis namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Goedemiddag, voorzitter. We hebben een goed debat gevoerd over een gevoelig onderwerp, namelijk het risico van geiten voor de volksgezondheid en ook de onzekerheid voor geitenhouders die dat met zich mee brengt. Daarom de oproep om een concreet routeplan op te stellen dat perspectief biedt aan geitenhouders, maar dat ook duidelijkheid biedt aan omwonenden. Dat is echt nodig. Wanneer wordt welke actie ondernomen? Misschien wil de minister van VWS hier nog even op ingaan.

Dan heb ik één motie meegebracht en die luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat negen van de twaalf provincies een moratorium kennen op de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen, en dat het kabinet een beroep heeft gedaan op alle provincies en gemeenten om de moratoria te handhaven dan wel in te voeren;

overwegende dat een strikte toepassing hiervan ertoe leidt dat ook verplaatsing naar vanuit volksgezondheidsperspectief betere locaties onmogelijk dreigt te worden;

verzoekt de regering te bevorderen dat initiatieven, bijvoorbeeld vanuit geitenhouders, om de geiten te verplaatsen naar een plek verder weg van de bebouwde kom en/of locaties met kwetsbare bewoners mogelijk moeten zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Koorevaar en Den Hollander.

Zij krijgt nr. 321 (29683).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. De achtergrond van deze motie is dat ik geitenhouders heb gesproken die natuurlijk ook nadenken over hoe ze verdergaan met hun bedrijf en potentiële locaties daarvoor zien, maar dan tot de ontdekking komen dat een moratorium betekent dat er niets kan. Moratoria betreffen niet alleen nieuwvestiging of uitbreiding, maar ook het simpelweg verplaatsen van de huidige bedrijfsvoering. Dat zit nu volgens de indieners van deze motie net iets te veel op slot. Ik weet dat de ministers daar niet over gaan; het is aan de provincies. Maar zij kunnen de provincies vast een duwtje in de goede richting geven. Vandaar deze motie.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we verder in het debat met mevrouw Beckerman namens de SP. En ook u heeft twee minuten spreektijd.

Mevrouw Beckerman (SP):

Goedemiddag. Twee moties van mijn kant over Q-koorts.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gevolgen van de Q-koortsuitbraak in Noord-Brabant nog altijd niet zijn opgelost;

constaterende dat Q-koortsgedupeerden nergens terechtkunnen in behandelcentra;

verzoekt de regering om samen met de provincie Noord-Brabant te onderzoeken op welke manier het centrum in Noord-Brabant, dat toegankelijk moet worden voor alle PAIS-patiënten, structureel gefinancierd kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 322 (29683).

Mevrouw Beckerman (SP):

Mijn tweede motie, ook over Q-koorts.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de slachtoffers van Q-koorts nog altijd geen officiële excuses hebben ontvangen van de regering;

constaterende dat zowel de Ombudsman als slachtoffers dit als een waardevolle vorm van genoegdoening zouden zien;

overwegende dat het gesprek van de minister van Volksgezondheid met de slachtoffers van Q-koorts eind vorig jaar een goede eerste stap vormt maar nog altijd onvoldoende erkenning biedt;

verzoekt de regering officiële excuses aan te bieden aan de slachtoffers van Q-koorts,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 323 (29683).

Mevrouw Beckerman (SP):

Daar laat ik het bij. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Beckerman. Dan nodig ik uit naar het spreekgestoelte mevrouw Van der Plas namens de BoerBurgerBeweging. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het VGO-onderzoek uitsluitend betrekking heeft op wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en VGO geen onderzoek heeft gedaan naar andere vormen van verblijf, zoals werken, onderwijs, zorg of recreatie;

constaterende dat in het VGO-onderzoek geen verschil is aangetoond tussen grote en kleine geitenbedrijven;

overwegende dat beleidsmaatregelen alleen proportioneel en effectief kunnen zijn wanneer duidelijk is óf en waardoor gezondheidsrisico's daadwerkelijk ontstaan;

overwegende dat het aanwijzen van zogenoemde gevoelige locaties en het beperken van bedrijfsomvang vergaande gevolgen kan hebben voor ondernemers, de leefomgeving en de ruimtelijke ordening;

verzoekt de regering aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar de vraag of het in de VGO-studies gevonden statistische verband ook geldt voor andere vormen van verblijf dan wonen, zoals werken, onderwijs, zorg en recreatie;

verzoekt de regering tevens te laten onderzoeken of het beperken van de omvang van geitenbedrijven of het tegenhouden van uitbreiding daadwerkelijk effect heeft op het in de VGO-studies gevonden verband;

en verzoekt de regering om, totdat deze aanvullende onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, geen nieuwe generieke beleidsmaatregelen te treffen die vooruitlopen op deze onderzoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 324 (29683).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voor de mensen thuis die niet weten wat het VGO-onderzoek is: dat is het onderzoek Veehouderij en gezondheid omwonenden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan gaan we verder met de heer Graus namens de PVV. Gaat uw gang.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een adequaat monitoringssysteem te faciliteren om te verwachten vervolguitbraken van virussen sneller te beteugelen en/of te voorkomen waar en indien mogelijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 325 (29683).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de invloed en reikwijdte van wind op de verspreiding van virussen mee te nemen bij de epidemiologische kenmerken in reeds bestaande en nog op te stellen risicomodellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 326 (29683).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om registratie- en monitoring van vaccinatieprogramma's waarbij ook negatieve effecten, waaronder mogelijk snellere virusmutaties of juist aantasting van het immuunsysteem, worden meegenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 327 (29683).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering tijdens WHO-beraadslagingen in te zetten op een verbod op het gebruik van traditionele medicijnen waarin zich stoffen dan wel delen bevinden verkregen door het stropen en doden van wilde, bedreigde dieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 328 (29683).

De heer Graus (PVV):

Dan de laatste, mevrouw de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering door inmiddels aangereikte, wetenschappelijke argumenten aanvullend onderzoek in te stellen naar de niet uit te sluiten hypothese dat afvaltreinen uit Rome voorzien van meereizende knutten, het huidige klimaat- en natuurbeleid, waaronder vernatting van natuur en natte teelten waardoor knutten beter gedijen, en de invloeden door verspreiding van het dodelijke virus door windgedrevenheid, zowel losstaand als tezamen dẹ mogelijke oorzaak en/of versnellers zijn geweest van zowel alle dierenleed als de financieel-economische en sociaal-maatschappelijke ramp voor dierhouders,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 329 (29683).

De heer Graus (PVV):

Dit is de belangrijke motie die gaat over het blauwtongvirus, voor de mensen thuis die de beraadslaging niet gevolgd hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Graus. Dan gaan we verder met mevrouw Bromet namens de fractie van GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik hoorde de staatssecretaris net zeggen: pandemische paraatheid verdient zich altijd terug. Ik heb daar een motie over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat nadat er antistoffen van het vogelgriepvirus bij twee besmette katten zijn vastgesteld, ook antistoffen van het vogelgriepvirus in de melk van een koe in Nederland zijn vastgesteld;

overwegende dat in de Verenigde Staten besmettingen onder melkvee al veel vaker voorkomen;

overwegende dat zulke besmettingen de mutatie- en gezondheidsrisico's voor mens en dier vergroten, en alertheid daarom is geboden;

verzoekt de regering om systematische vogelgriepsurveillance ook in runderen en andere zoogdieren op te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 330 (29683).

Dank u wel, mevrouw Bromet. Tot slot de heer Koorevaar namens de fractie van het CDA, het Christen Democratisch Appèl. Gaat uw gang.

De heer Koorevaar (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De minister heeft in het commissiedebat aangegeven dat de afstandsnorm voor geitenhouderijen nadrukkelijk bedoeld is als een tijdelijke maatregel in afwachting van brongerichte oplossingen om gezondheidsrisico's te beperken. Ik heb een aantal vragen hierover. Kan de minister aangeven onder welke concrete vooraf vastgestelde en objectieve voorwaarden het tijdelijke afstandscriterium uiteindelijk kan vervallen en op welk moment wordt beoordeeld of aan deze voorwaarden is voldaan? De tweede vraag is of de minister bereid is om toe te zeggen dat bij het vaststellen van de afstandsnorm wordt geborgd dat er heldere beëindigingscriteria zijn en dat hij de Kamer daarover informeert op het moment dat de afstandsnorm wordt vastgesteld.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Koorevaar. Daarmee komen we aan het einde van de termijn van de Kamer. Dan wil ik het debat voor enkele minuten schorsen. Houdt u het kort, want we hebben allemaal ook een dinerpauze nodig en we gaan om 19.00 uur weer verder. Dus tien minuten, zeg ik streng. Vijftien minuten maximaal.

De voorzitter:

We gaan weer verder, al mis ik nog wat Kamerleden. Maar het lid Kostić is aanwezig en van haar is de eerste motie, dus ik ga ervan uit dat het verder allemaal goed gaat. We gaan verder met de beraadslaging en ik geef het woord aan de heer Bruijn.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. De motie op stuk nr. 320 van het lid Kostić van de Partij voor de Dieren gaat over het prioriteren woningbouw en volksgezondheid. De volksgezondheid staat voorop. Dat is de reden dat we nu kijken naar maatregelen rondom geitenhouderijen. Dus in het spanningsveld dat het lid Kostić schetst, staat de volksgezondheid altijd voorop. Voor toekomstige groei stellen we beperkingen aan de geitenhouderijen daar waar dat nodig is. Vandaar de afstandsnorm. Voor bestaande situaties kijken we naar een maatwerkaanpak waarin we de verschillende belangen afwegen, zoals ook genoemd door het lid Kostić in de motie, en de woningbouwplannen worden daarin uiteraard meegenomen. De motie is dus ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 320 krijgt ontijdig. Gaat u verder.

Minister Bruijn:

Dan ga ik door met de motie op stuk nr. 322 van mevrouw Beckerman namens de SP.

De voorzitter:

Maar voordat u dat doet, geef ik het woord aan het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

De minister zei van alles waardoor het leek dat de motie oordeel Kamer zou krijgen en toen zei hij opeens "ontijdig". Dat begrijp ik helemaal niet. Waarom is het ontijdig? Volgens mij is het gewoon oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

In de motie wordt niet alleen gesproken over het prioriteren van volksgezondheid boven de geitenhouderijen, maar ook over het prioriteren van de woningbouw boven de geitenhouderijen. Dat kan ik niet zo toezeggen, omdat het juist aan het lokale maatwerk is om per locatie een afweging te maken tussen de belangen van de ondernemers en die van de woningbouw. Dat geldt uiteraard ook voor de volksgezondheid, maar het is wel zo dat onderaan de streep voor de regering de volksgezondheid altijd vooropstaat. Ik kan niet nu garanderen dat we overal de woningbouw belangrijker zullen vinden dan de intensieve geitenhouderij, want die is ook belangrijk.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder. U was bij uw appreciatie van de motie op stuk nr. 322.

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. De motie van mevrouw Beckerman over Q-koorts roept de minister op om te onderzoeken of er een expertisecentrum voor Q-koorts kan komen in Brabant. Ik heb er begrip voor dat er behoefte is aan een expertisecentrum in deze regio, gelet op het aantal Q-koorts- en postcovidpatiënten in Brabant. Het zorgveld zelf is verantwoordelijk voor het organiseren van zorg voor PAIS-patiënten, net als bij andere aandoeningen. Ik vind het wel belangrijk dat er passende zorg wordt verleend. Dat is in het belang van de patiënten en dat belang staat natuurlijk voorop. Als ik de motie dus zo mag interpreteren dat zij een oproep is om in gesprek te gaan met Noord-Brabant, dan kan ik de motie op stuk nr. 322 oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Beckerman knikken. De motie op stuk nr. 322 krijgt dus oordeel Kamer. Gaat u verder.

Minister Bruijn:

Voorzitter. Dan ga ik naar motie op stuk nr. 323, eveneens van mevrouw Beckerman. Die motie gaat over de Q-koorts. Ook ik vind het zeer vervelend dat mensen na zo veel jaren nog steeds kampen met ernstige gevolgen van Q-koorts. Ik blijf toegewijd aan het verbeteren van de levenskwaliteit van betrokkenen en erkenning voor hun situatie. Excuses is iets anders. De rechter heeft geoordeeld dat er destijds rechtmatig is gehandeld volgens de toen geldende normen. Daarom zal de regering, zoals eerder besproken, niet overgaan tot het aanbieden van excuses. In die zin moet ik de motie dus ook ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 323 krijgt de appreciatie "ontraden". Mevrouw Beckerman heeft daarover nog een vraag of opmerking. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank voor de appreciatie "oordeel Kamer" van de eerdere motie. Het kabinet komt elke keer met juridische argumenten. De Ombudsman zegt dat excuses niet alleen een juridische betekenis hebben en dat ook naar de maatschappelijke waarde ervan moet worden gekeken. Zou het kabinet, gelet op die oproep van de Ombudsman, met een maatschappelijke in plaats van een juridische bril naar deze motie willen kijken? De komst van deze minister heeft al veel betekend, maar dit zou echt heel nuttig zijn en heel erg gevoeld worden.

Minister Bruijn:

Ik heb op die manier naar de motie gekeken. Laat ik nogmaals vooropstellen dat ik het heel vervelend vind dat mensen na zo veel jaar nog steeds kampen met de ernstige gevolgen hiervan. Iets anders is dat gevraagd wordt om excuses aan te bieden over iets wat destijds rechtmatig is gebeurd. Dat gaan we niet doen. Ook in andere omstandigheden zou het niet redelijk zijn om dat te vergen. Dat staat nog los van de juridische achtergrond. Ik ben het met mevrouw Beckerman eens dat je niet alleen juridisch moet kijken. Juist ook vanwege de maatschappelijke belangen willen we daar toch heel helder in zijn.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Bruijn:

Voorzitter. De motie-Van der Plas op stuk nr. 324 gaat over het VGO-onderzoek. De Gezondheidsraad heeft in zijn advies aangegeven dat er voldoende aanleiding is om op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen te nemen om de gezondheidsrisico's voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. De Gezondheidsraad legt in dit advies al een verband met andere locaties waar mensen langere tijd verblijven, met ook bijzondere aandacht voor bijzondere groepen, zoals kinderen of juist ouderen. We nemen dat advies heel serieus. We zijn daarom een samenhangend maatregelenpakket aan het uitwerken, zoals we ook besproken hebben. De vraag naar het effect van de omvang van een bedrijf staat uit bij de VGO-onderzoekers. Het is niet zo dat geconcludeerd is dat er geen relatie is. Het kon niet onderzocht worden, omdat daar onvoldoende variatie voor was. We wachten op het antwoord in februari. We doen wel onderzoek naar de impact van eventueel te nemen maatregelen en de toepasbaarheid en effectiviteit van emissiereducerende maatregelen. We verwachten een dezer dagen een advies van Wageningen University & Research over de stalmaatregelen. Verder is er voldoende wetenschappelijke onderbouwing om op grond daarvan te besluiten dat maatregelen nodig zijn. Daarom ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 324 krijgt de appreciatie "ontraden".

Minister Bruijn:

De motie-Graus op stuk nr. 328 gaat over traditionele medicijnen. Ik erken het risico van overdracht van ziekteverwekkers uit wilde dieren op de mens, ook bij dieren die worden gebruikt bij traditionele medicijnen. Bij de WHO zet ik mij ervoor in de gezondheidsrisico's aan te kaarten en het gebruik van wilde en bedreigde dieren in traditionele medicijnen te beperken, conform de eerder door de heer Graus ingediende motie, die mijn voorganger heeft uitgevoerd. De internationale handel in bedreigde diersoorten, inclusief afgeleide producten, zoals traditionele medicijnen, is bovendien al gereguleerd of zelfs verboden onder de internationale overeenkomst CITES. Daarom is deze motie overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 325, van de leden Graus en Kostić ...

Minister Bruijn:

Overbodig.

De voorzitter:

Ik had het over de motie op stuk nr. 325, maar dat klopt niet. Het was de motie op stuk nr. ...

Minister Bruijn:

328.

De voorzitter:

... 328, van het lid Graus. Die krijgt de appreciatie ...

Minister Bruijn:

Overbodig.

De voorzitter:

... "overbodig".

Minister Bruijn:

Tot slot de vraag van het CDA of bij de afstandsnorm ook heldere beëindigingscriteria kunnen worden geformuleerd. De afstandsnorm is inderdaad in principe tijdelijk. Dat hebben we goed met elkaar besproken. Je wil natuurlijk het liefst door stalmaatregelen het risico zodanig terugbrengen dat je de afstandsnorm niet nodig hebt. We wachten op de adviezen daarover. We weten niet hoe die eruitzien. Bij het uitwerken van de afstandsnorm zullen we heldere beëindigingscriteria opstellen. Dat is het goede moment. Als er duidelijke en bewezen effectieve alternatieve maatregelen zijn, kan de afstandsnorm worden beëindigd. We zijn het ermee eens dat dit op dat moment aan de voorkant duidelijk moet zijn. Ik zeg daarbij toe uw Kamer daarover te informeren. Dat is het antwoord op de vraag.

De voorzitter:

Dank u wel, minister Bruijn. Dan gaan we over naar minister Wiersma voor de beantwoording van een aantal vragen en de appreciatie van de moties.

Minister Wiersma:

Dank. Ik heb volgens mij een aantal moties, maar ik wil beginnen met een korte inleiding. Ik heb namelijk, overigens samen met de minister van VWS, de Kamer vorige week geïnformeerd over de casus vogelgriep bij melkvee. Omdat er ook in dit debat logischerwijs aan gerefereerd wordt, zou ik graag de stand van zaken daarvan even mee willen geven. Vrijdag hebben we uw Kamer daarover geïnformeerd. Ik wil benadrukken dat op dit moment uit de testresultaten blijkt dat er geen actief virus op het bedrijf gevonden is. Alle koeien zijn gemonitord en alle virustesten van de melk van dit bedrijf zijn gelukkig negatief. Ik schreef in de brief ook dat er aantal, vijf stuks, opnieuw getest moesten worden. Ook die uitslagen bleken negatief. In dit geval is dat positief. We hebben ook gemeld dat de NVWA monsters heeft genomen van alle individuele runderen op het bedrijf. Die worden allemaal getest op antistoffen tegen het vogelgriepvirus. Dat doet de Wageningen Bioveterinary Research. De nieuwe informatie, die ik hier toch met uw Kamer wil delen, is dat uiteindelijk is gebleken dat bij vijf verschillende koeien antistoffen gevonden zijn, maar, nogmaals, geen actief virus. Ook zijn er bloedmonsters genomen van alle dieren en die worden ook getest op antistoffen. Die onderzoeken nemen tijd in beslag. Wageningen wil daar graag aanvullend onderzoek naar doen, om echt zekerheid te kunnen geven over de uitslagen. Dat doet het in nauw overleg met het Europees Referentielaboratorium. De personen die blootgesteld zijn aan zowel de koeien als de kat die eerder al positief bevonden was, testen ook allen negatief. Uiteindelijk verwacht ik dat er volgende week een compleet beeld zal zijn met alle testresultaten. Dat is ook nodig om de deskundigen die hierover gaan en de overheid hierover kunnen adviseren een compleet beeld te geven en de situatie te laten duiden. Het is mijn doel om daarna met alle informatie — dat gaat niet alleen om de informatie van dit bedrijf, maar ook om de risicobeoordeling van de deskundigen, de mogelijkheden voor monitoring en eventueel te nemen maatregelen — in één keer mee te nemen en de Kamer zo compleet te informeren.

De voorzitter:

Punt.

Minister Wiersma:

Als er aanleiding is om dat sneller te doen, dan doen wij dat.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dank aan de minister dat zij deze nieuwe informatie met de Kamer deelt. Ik heb eigenlijk twee vragen. De eerste vraag is de volgende. Een dier dat antistoffen heeft, heeft waarschijnlijk wel de ziekte gehad. Mijn vraag is of het klopt dat die koe melk heeft gegeven op het moment dat die ziek was en die melk dus in het voedselsysteem terechtgekomen is. Mijn tweede vraag is: als je melk drinkt van een zieke koe, loop je dan ook als mens het risico om vogelgriep te krijgen? Ik weet dat namelijk gewoon niet.

Minister Wiersma:

Op de vraag of het virus van een koe die een positief, actief virus heeft, in de melk terecht kan komen, is het antwoord natuurlijk: ja. Als een dier ziek is en behandeld moet worden, wordt de melk normaal gesproken immers opgehouden. De vraag of dat in dit geval op een tijdstip na infectie ... Als dat zo is, hè. Dit zijn allemaal vragen die wij ook hebben. De deskundigen zullen ons daarover informeren. Ik wil daarbij wel gezegd hebben dat op het moment dat de melk is behandeld — die wordt gepasteuriseerd — er geen gevaar meer is dat het virus wordt overgedragen via het voedsel. Met de behandeling die de melk ondergaat, wordt het risico op overdracht van het virus dus weggenomen.

De voorzitter:

Mevrouw Bromet voor een hele korte vervolgvraag.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik snap dat het een tweeminutendebat is, maar de minister komt zelf met nieuwe informatie, die best relevant is, denk ik. Dank voor het antwoord. Er zijn ook boerderijen waar rauwe melk verkocht wordt, melk die niet behandeld is. Is het veilig om die melk nu te drinken, niet wetende waar het virus zich ophoudt?

Minister Wiersma:

Ik zou niet per definitie willen zeggen dat die melk onveilig is. Nogmaals, we vragen de deskundigen om een reflectie hierop. Op het moment dat we die hebben, zullen we de Kamer daar breed over informeren. Dit punt zal daarbij worden meegenomen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Een korte vraag. Wordt ook overwogen om structureel te testen op vogelgriep bij tankmelkonderzoek?

Minister Wiersma:

Nogmaals, de deskundigengroep die hierover gaat en ons hierover adviseert, zal ook dit punt meenemen, ook op het gebied van monitoring, zoals ik in mijn inleiding expliciet heb gezegd. Zij zullen advies geven over wat noodzakelijkerwijs verstandig is.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder met de moties. We beginnen bij de motie op stuk nr. 321.

Minister Wiersma:

Dat is een motie over het bevorderen van initiatieven die het verplaatsen van bedrijven naar gunstige locaties mogelijk zouden moeten maken. Ik wil deze motie een interpretatie geven. Als de heer Grinwis daarmee kan leven, dan krijgt de motie oordeel Kamer. Ik vind dit vanzelfsprekend een sympathieke gedachte. Ik denk ook dat we dit in ieder geval niet tegen moeten houden, los van de taken en verantwoordelijkheden die we hebben. Ik zou dit willen meenemen in de impactanalyse die we nu uitvoeren. We laten dit punt daar dan ook in uitwerken en kijken naar de mogelijkheden en de impact daarvan. Ik doe dat natuurlijk in samenwerking met alle betrokken departementen en de gezaghebbenden, in dit geval de provincies. Als ik de motie zo mag lezen, dan geef ik 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie de heer Grinwis knikken en zijn duim opsteken. De motie op stuk nr. 321 krijgt oordeel Kamer.

Minister Wiersma:

Oké, dank.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 325 van de heer Graus. Het is misschien wel mijn laatste tweeminutendebat, dus ik wilde deze motie ook maar oordeel Kamer geven. Overigens doe ik dat niet om die reden, hoor. De motie is in lijn met beleid dat we op dit moment ook voeren. We hebben een heel goed functionerend monitoringssysteem, maar het is prima om dit mee te nemen. Dus deze motie krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 325 van de leden Graus en Kostić krijgt oordeel Kamer.

Minister Wiersma:

Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 326. Die motie geef ik ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 326 van het lid Graus krijgt oordeel Kamer.

Minister Wiersma:

Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 327, die de regering verzoekt om registratie en monitoring van vaccinatieprogramma's, waarbij ook de negatieve effecten worden meegenomen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 327 krijgt oordeel Kamer.

Minister Wiersma:

Dan moet het een keer stoppen. Ik zou de heer Graus daarom eigenlijk willen vragen om de volgende motie, de motie op stuk nr. 329, aan te houden. De heer Graus heeft mij tijdens dit debat een uitvoerig rapport aangereikt. Dat rapport wordt op dit moment nader bestudeerd. Het is een lijvig rapport, dus dat kost even tijd. Deze motie komt dus wat te snel. Ik zou dus eigenlijk aan de heer Graus willen vragen of hij de motie aan zou willen houden. Ik kan een vervolgonderzoek nu nog niet toezeggen, maar mogelijk wordt er iets gevonden in het rapport wat daar wel toe leidt.

De heer Graus (PVV):

Ik wil hem graag aanhouden, want zorgvuldigheid gaat in dit geval boven snelheid. Dank u wel.

Minister Wiersma:

Ik had de heer Graus ook al toegezegd om voor de zomer een reactie op dat rapport te geven. Dank voor het aanhouden van de motie.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Wij hadden toch gehoord dat er een heel ander type vogelgriepvirus aanwezig was in die afvaltreinen? Is het dan geen stemmingmakerij om een onderzoek te doen naar die afvaltreinen?

Minister Wiersma:

Tijdens het debat heeft de heer Graus ons een uitvoerig onderzoeksrapport overhandigd, waar mijn mensen op dit moment naar kijken. Mocht er aanleiding zijn om daar toch nog verder naar te kijken, dan kunnen we dat doen op basis van conclusies uit dat rapport. Zoals gezegd komt die appreciatie voor de zomer. Dan kunnen we dus meer zeggen.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik hecht eraan dat we goede wetenschap waarderen. Ik begreep dat dat rapport niet gedeeld kan worden met de rest van de Kamer. Zou u kunnen toezeggen dat we dat rapport dan ook kunnen inzien? Ik ben eigenlijk wel benieuwd.

Minister Wiersma:

Ik kijk eigenlijk ook even naar de heer Graus, want ik heb het rapport ontvangen in het debat. Ik heb niet begrepen dat het niet gedeeld kon worden.

De voorzitter:

De heer Graus voor een hele korte reactie.

De heer Graus (PVV):

Even twee punten. Mevrouw Bromet had het over het vogelgriepvirus, maar dit gaat over het blauwtongvirus. Dat even terzijde. Nu over het rapport: het rapport is aangeboden aan de Griffier en ook aan de minister. De Kamerleden kunnen dat inzien bij de Griffier op de kamer. Dat heeft namelijk met copyright te maken. Dat is het probleem. U kunt het gewoon gaan inzien bij de Griffier.

De voorzitter:

Het is aangeleverd aan de Griffie Plenair. We gaan kijken hoe we daarmee verdergaan. Daar zal de Kamer over worden geïnformeerd. Minister Wiersma, gaat u verder.

Minister Wiersma:

Dan kom ik bij de laatste motie, de motie op stuk nr. 330, van mevrouw Bromet. Die gaat over de systematische surveillance voor runderen en andere zoogdieren. Ik zou mevrouw Bromet in het licht van mijn introductie willen zeggen dat wij nog een aantal onderzoeksresultaten verwachten. De deskundigen zullen ons daarbij adviseren over welke maatregelen verstandig zijn om nu te nemen. Ik zou mevrouw Bromet willen vragen om deze motie aan te houden. Anders is die ontijdig.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik zat even te kijken naar de motie op stuk nr. 325 van de heer Graus en het lid Kostić. Die gaat eigenlijk over hetzelfde. Die vraagt om een adequaat monitoringssysteem en ik vraag om een systematische vogelgriepsurveillance. Wat is nou het verschil tussen die twee moties? Want die van de heer Graus krijgt oordeel Kamer en die van mij wordt ontraden.

De voorzitter:

Helder.

Minister Wiersma:

Bij de appreciatie van de motie op stuk nr. 325 heb ik gezegd dat we dit in zekere zin al doen. Er is al een surveillance. Daar zit een basismonitoring diergezondheid in. Maar dat is niet ... Even kijken, hoor. Ik heb hier niet het hele dictum van deze motie. Als je het hebt over runderen, dan gaat het met name over het tankmelkonderzoek, waar mevrouw Van der Plas zojuist ook naar vroeg. Ik heb de deskundigengroep die ons over dierziekten adviseert gevraagd om daarop te reflecteren.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Is het oordeel dan "ontijdig"?

Minister Wiersma:

Ja. Het verzoek is eigenlijk om 'm aan te houden. Anders is het oordeel "ontijdig".

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dan hou ik 'm aan, voorzitter.

Minister Wiersma:

Dat waren ze.

De voorzitter:

Daarmee bent u aan het einde van uw betoog. Dit is misschien wel uw laatste tweeminutendebat, zei u al, dus ik wil u hartelijk danken. Dat geldt ook voor minister Bruijn.

De voorzitter:

Het is 18.15 uur. We moeten drie kwartier schorsen voor de dinerpauze. Dat betekent dat we precies op schema lopen en om 19.00 uur doorgaan met het debat over postcovid. De stemmingen over de moties die zijn ingediend in dit debat zijn aanstaande dinsdag. Hartelijk dank en eet smakelijk.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Goedenavond. Ik open het debat over postcovid. Ik heet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van harte welkom. Er is een ruime belangstelling vanuit de Kamer, waarvoor dank. Aan iedereen op de tribune en aan iedereen die dit debat anderszins volgt: van harte welkom.

Er zijn dertien sprekers aan de zijde van de Kamer. U heeft gezien dat u vier minuten spreektijd per persoon heeft. Ik zou daarom willen voorstellen om het aantal interrupties te beperken tot drie in tweeën, of, zoals iemand mij al vroeg, tot zes losse interrupties of losse vragen. Dat mag ook. We hopen dat we er een mooi debat van kunnen maken en nog op een normale tijd naar huis kunnen gaan.

Dat gezegd hebbende, wil ik graag het woord geven aan de eerste spreker van dit debat en dat is de heer Bushoff. Hij spreekt namens GroenLinks-PvdA.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Sep, 13 jaar, Jetske, 18 jaar. Romée van 25 heeft nog een heel leven voor zich, maar hoe haar toekomst eruitziet, zoals ze mij vroeg, kan ik niet zeggen. Femke, verpleegkundige, moeder van twee, Rien, vader van twee, en Astrid en Roel, ouders van Lotte, en Ben, Roger, Mariska, Roy. Ik ken jullie al zo'n drie jaar, vooral van het scherm. Jullie werkten op de ambulance tijdens de coronatijd. Jullie hielpen ons land door die crisis heen, maar corona ging voor jullie nooit voorbij. Ik weet dat jullie vandaag kijken en dat jullie een beetje de hoop hebben dat je ooit weer een stukje van je leven terugkrijgt, maar dat het vandaag de dag vooral overleven is in een nachtmerrie.

Met jullie zijn er zo veel anderen die vaak letterlijk in het donker zitten. Ik hoop dat we als politiek vandaag jullie en jullie noden in het licht kunnen zetten, want als je ziek bent, moet je toch kunnen rekenen op zorg. Als je niet kan werken, moet er toch een werkend sociaal vangnet zijn. Dat is de belofte van onze Nederlandse verzorgingsstaat. Vandaag is de vraag: breken we met die belofte of doen we, los van de kleur van de politieke partij, wat nodig is en nemen we als politiek onze verantwoordelijkheid voor al die mensen die zo ernstig ziek zijn, die honderdduizenden mensen met een postacuut infectiesyndroom, zoals postcovid? Onze verantwoordelijkheid voor deze groep mensen nemen betekent dat de expertisecentra blijven bestaan, dat we onderzoek doen waar dat nodig is en dat we ervoor zorgen dat het sociaal vangnet dat we in Nederland hebben, ook voor hen werkt.

Op die drie punten wil ik nog een aantal extra dingen zeggen en een aantal vragen stellen, allereerst over de expertisecentra. Ik zou de minister van VWS willen vragen wat de eerste resultaten zijn van deze expertisecentra. Is de minister het met GroenLinks-PvdA eens dat de infrastructuur die we hier hebben opgebouwd, overeind moet blijven? Deelt de minister de wens dat de kennis die wordt opgedaan in die expertisecentra uiteindelijk veel breder toegankelijk wordt voor een veel grotere groep patiënten, bijvoorbeeld via de eerstelijnszorg?

Dat brengt mij gelijk bij mijn tweede punt. Wat is er nodig om die kennis veel breder toegankelijk te maken? Daarvoor is onderzoek nodig. Ik heb dan ook met collega's een amendement ingediend om de begroting te wijzigen, om in ieder geval ter voorbereiding een budget vrij te maken voor dat onderzoek. Ik weet dat we dat vandaag nog niet bespreken en dat dit amendement vandaag ook nog niet wordt geapprecieerd door de minister. Dat zal pas gebeuren bij de begrotingsbehandeling in maart, maar ik noem het al wel vast eventjes. Ik hoop dat de Kamer en de minister daar met een positieve grondhouding naar willen kijken.

Voorzitter. Als derde noem ik het sociale vangnet. Het blijkt uit heel veel berichten die ik van mensen krijg: of het nu gaat om het UWV, een Wajong- of een Wmo-aanvraag of om bijvoorbeeld een WIA-uitkering, eigenlijk zit in al deze regelingen, die wel verschillend zijn, de duidelijke overeenkomst dat vaak als criterium wordt gehanteerd dat je ofwel duurzaam arbeidsongeschikt moet zijn ofwel chronisch ziek moet zijn voordat je aanspraak kan maken op zo'n regeling. Bij zo'n nieuw ziektebeeld als postcovid, maar ook breder, bij PAIS, is dat vaak een probleem. Dan wordt er namelijk gezegd: we weten nog niet of het chronisch is. Ik vind echter dat je ervan uit zou moeten gaan dat het chronisch is zolang er geen behandeling is, zodat je deze mensen wel degelijk recht kan geven op zo'n regeling. Anders gaan ze ook nog eens financieel kopje onder, naast dat ze ziek zijn. Dat mogen we niet laten gebeuren.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank, meneer Bushoff. Daarmee komen we bij de tweede spreker. Dat is de heer Jimmy Dijk. Hij spreekt namens de SP.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter, dank. De dingen die in de afgelopen jaren bereikt zijn, zijn vooral bereikt door de mensen zelf. Ze zijn bereikt via overleggen, vaak helaas vanuit bed, via een schermpje, in het donker. Zij trokken samen op met een aantal Kamerleden; ik wil hierbij expliciet de ChristenUnie en GroenLinks-Partij van de Arbeid benoemen.

Ik kan me herinneren dat we voor het eerst het debat hierover voerden. Het was toen al heel erg pijnlijk dat er zo weinig geregeld was voor mensen die in het donker zaten. Uiteindelijk kwam er toch geld voor onderzoek, maar pas nadat er in 2022 een voorstel van de Kamer moest worden aangenomen. Expertisecentra werden opgezet toen de Tweede Kamer daar in 2024 geld voor vrijmaakte. Zelfs een compensatie voor zorgverleners die tijdens de pandemie long covid hadden opgelopen, kwam er pas in 2024, toen vakbonden samen met Kamerleden en deze zorgverleners zelf de druk opvoerden. Nu dreigt het geld voor onderzoek en behandeling weer te stoppen. Nu moeten we er samen met mensen weer voor zorgen dat het niet verloren gaat. Of is de minister nu bereid zelf een stap vooruit te zetten en structureel geld hiervoor vrij te maken?

De vergelijkingen gaan altijd mank, maar ik moet u toch zeggen dat er verbanden zijn tussen de ellende in Groningen, de ellende rondom de toeslagen, de ellende rondom de WIA-beoordelingen, de ellende rondom Q-koorts, de ellende rondom ME/CVS en ook de ellende rondom long covid. Waarom moeten gewone mensen die ellende hebben meegemaakt of in de ellende zitten en die nu hulp nodig hebben, zo lang wachten, smeken en strijden voor een oplossing en hulp? Vertel me waarom dit niet geldt voor bankiers die een bonus willen. Vertel me waarom dit niet geldt voor bedrijven, die in de watten worden gelegd met expatregelingen en belastingvoordelen om vervolgens miljarden winst te gaan maken en mensen te ontslaan. Waarom worden deze mensen en bedrijven wél geholpen, maar mensen die jarenlang ziek thuiszitten en die hulp nodig hebben niet? Waarom is er geen structurele financiering voor klinieken, expertisecentra, onderzoek, hulp thuis en begeleiding van kinderen met long covid en andere postacute infectiesyndromen?

Want ondanks dat de ziekte mensen vaak thuishoudt en daarom soms zelfs in het donker zet en onzichtbaar maakt, ondanks dat het voor hen een wereldreis is om hiernaartoe te komen, ons allemaal te benaderen en zelfs een protest op het Malieveld te organiseren, hebben zij zich georganiseerd en zijn zij nu wél zichtbaar. Er is dus voor geen enkele partij hier in de Tweede Kamer enig excuus om weg te kijken en niets te doen. Met een structurele financiering voor klinieken, voor onderzoek en voor zorg thuis kunnen wij vandaag of, zoals de heer Bushoff terecht zei, komende maand, bij de begroting voor Volksgezondheid, het verschil maken voor zo veel mensen die de pech hebben gehad om ziek te worden. Wie pech hebben bestraft, bestraft zichzelf het hardst. Een samenleving die zo omgaat met mensen die long covid en andere postacute infectiesyndromen hebben opgelopen, getuigt namelijk van een samenleving met een gebrek aan empathie. Dat is uiteindelijk schadelijk voor de samenleving als geheel. Ik wil niet in zo'n samenleving leven. Ik geloof ook niet dat mensen in Nederland zo'n samenleving willen.

Dit debat vindt plaats op het moment dat er een nieuw kabinet geformeerd wordt, een minderheidskabinet van D66, CDA en VVD. Zij zullen voorzichtig zijn met het structureel uitgeven van middelen aan klinieken, expertisecentra, onderzoek en zorg thuis, maar ik hoop echt op hun steun. Bieden zij die niet, dan moet de oppositie verenigd zijn en het bij het kabinet afdwingen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dijk.

Daarmee komen we bij de derde spreker in dit debat: mevrouw Bikker. Zij spreekt namens de ChristenUnie. Aan u het woord.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Alles geven om je studie vol te houden en alsnog opbranden. Zoveel moeten liggen op je bed, dat je nauwelijks meer vrienden en vriendinnen ziet. Je weer naar een UWV-arts slepen, ten einde raad, en dan horen dat je wel gewoon kan gaan werken. Mensen diep in de schulden. Huwelijken op de klippen. Kinderen die nergens terechtkunnen en ouders die aan het kind niks laten merken, maar 's avonds huilen. Dat zijn de mailtjes die de afgelopen dagen non-stop in mijn mailbox kwamen, toen ik alleen maar vroeg: "Kan je iets van je ervaringen delen?"; "Wat heb je nodig?".

Het onderwerp van vanavond is postcovid, maar eigenlijk hebben we het ook over de andere PAIS-ziekten. Ik hecht er echt aan om dat hier te noemen, want te veel mensen hebben zich al te lang vergeten gevoeld. De mensen met ME, met lyme, met Q-koorts, met B12-tekorten. En van al deze patiënten krijg ik het bericht: "Vergeet ons niet!"; "Schrijf ons niet af!"; "Zie ons staan!". Dat is wel wat de afgelopen jaren veel te vaak is gebeurd. Ik heb eerlijk gezegd als Kamerlid nog nooit meegemaakt dat zo veel mensen zo veel hoop haalden uit een debat op donderdagavond, maar dat je ook weet dat een heel aantal van die mensen weken moeten herstellen van het debat dat ze nu hier volgen.

Voorzitter. Ik heb dus al die dagen mails ontvangen van dappere mensen die nu in een donkere kamer zitten terwijl wij, gewone, gezonde mensen — zo denken we dan bij onszelf — doorleven en straks in de trein of de auto stappen en weer doorgaan met het volgende dossier. Maar zij kunnen niet uit dit moeras; zij zitten hierin vast. Daarom is dit debat een groot debat. 100.000 Nederlanders strijden al te lang in stilte, in eenzaamheid. Zij putten hoop uit dit debat, dat hier eindelijk plaatsvindt. Maar het is dan ook aan ons om er een regelmatig terugkerend debat van te maken, in plaats van eindeloos wachten en dan weten dat onder het gesternte van een formatie vast niet alles hier en nu besloten kan worden. Ik ben het daarmee ook eens, en ook met partijen die daarin nu misschien wat ongemak voelen.

Maar ik denk dat wij hier vanavond met elkaar wel een paar afspraken kunnen maken. Allereerst dat we het over dit thema zullen blijven hebben in de Kamer, en dat dat niet afhankelijk is van het smeken van patiënten die al zo weinig energie hebben. En ik denk dat we ook kunnen afspreken dat het niet zo kan zijn dat zeker 80% van de patiënten nooit een arts of andere medicus spreekt die verstand heeft van hun ziektebeeld. Dat moet anders. Ik vraag de minister of hij een andere ziekte kent waarbij zo'n groot deel van de patiënten niet gehoord wordt, maar eigenlijk zelf aan het dokteren is. En ik vraag speciaal aandacht voor de kinderen en jongeren met postcovid. Hun toekomst is zo onzeker ... In de volwassen wereld stuiten ze vaak alleen maar op onbegrip; in het onderwijs, in de eerstelijnszorg. De kennis over postcovid bij jonge mensen moet echt omhoog. Wat gaat de minister daaraan doen? De patiëntenorganisaties doen geweldig werk, maar wellicht is er nog wel meer nodig. Hoe wordt in de gaten gehouden wat patiënten nodig hebben? Is de minister bereid om daar onderzoek naar te doen? Ik sluit me aan bij de collega's die hebben gezegd dat de postcovidcentra doorlopend moeten worden gefinancierd, en dat we dus niet kunnen stoppen. Het is van de zotte dat er telkens opnieuw voor een jaar geld moet komen via amendementen van de Kamer. Wat heeft de minister daarbij voor ogen?

Gelukkig groeit de kennis over behandelingen en medicijnen, maar een richtlijn voor huisartsen en andere artsen is er nog niet, omdat de regels voor toelating tot behandeling en medicijnen streng zijn. Nu zitten we in de wrange situatie dat mensen met geld van alles kunnen proberen, maar dat iets officieel niet mag worden toegepast bij postcovid, zelfs als het voor een deel aanslaat. Ik snap zorgvuldigheid helemaal, maar hoe kunnen we er bij een onbekende ziekte voor zorgen dat we snellere routes vinden?

Voorzitter, ik rond af, hoor. Meer dan 15.000 mensen zijn geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt door postcovid. Dat is enorm, maar hoeveel mensen missen we wel niet in die cijfers? Mensen die zelf al minder zijn gaan werken. Mensen die een thuisfront hebben dat nu alles verder regelt. Welk actieplan heeft de minister van SZW om de werk- en inkomenssituatie van mensen met postcovid in beeld te houden en beter te ondersteunen?

En mijn laatste hartenkreet: laten we hier langetermijnbeleid op maken, zoals onze Duitse collega's dat al uitstekend hebben laten zien. Ik vind dat Nederland meer kan doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bikker. Daarmee komen we bij de vierde spreker. Dat is de heer Ten Hove. Sorry, mevrouw Ten Hove. Ik begrijp dat dat vaker gebeurt. Ik ga daar geen gewoonte van maken. Het woord is aan mevrouw Ten Hove. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dank u wel, voorzitter. Ongeveer 100.000 mensen in Nederland leven met ernstige klachten na een infectie. Dat is het bekende postacuut infectieus syndroom, oftewel PAIS, waarover we vanavond spreken. Een van de ziekten die hieronder vallen is long covid, een ziekte die naar schatting 450.000 volwassenen en 40.000 kinderen treft. Ik sluit mij aan bij collega Bikker, want het is een schatting. Mogelijk hebben we heel veel mensen nog niet in beeld. Duizenden van hen zijn bedlegerig en komen het huis amper uit. Hun leven staat letterlijk stil. Ondanks vele onderzoeken zijn er nog steeds geen sluitende diagnoses te stellen, laat staan dat er effectieve behandelingen voorhanden zijn die ervoor zorgen dat PAIS-patiënten volledig herstellen en hun oude leven weer kunnen oppakken. Naast al deze onzekerheden voor deze duizenden mensen is het zelfs nog onzeker of de huidige postcovidexpertisecentra voor volwassenen en kinderen na 2026 nog doorgaan. Het feit dat het onderzoek in de expertisecentra zodanig is opgezet dat de effectiviteit van de behandelingen wetenschappelijk aangetoond kan worden, speelt hier een belangrijke, grote rol in. Behandelingen kunnen namelijk alleen dan in het basispakket opgenomen worden.

Ik ben benieuwd, minister, zeg ik via de voorzitter, of het Zorginstituut al iets kan zeggen over de onderzoeksopzet hiervan? De Kamer, en met ons alle mensen in het land, wacht nog op heel veel onderzoeksresultaten, zowel nationaal als internationaal. Vanuit de Europese Commissie is er een lopend traject dat ook nog het hele jaar voortduurt. Moeten we daar niet op wachten, in plaats van nu keuzes te maken over verlenging en eventuele vervolgstappen? Duitsland investeert sowieso tot 2036 fors in meerjarig onderzoek naar postcovid; dat werd al even genoemd. Welke kansen en mogelijkheden worden gezien om resultaten en nieuwe inzichten van onze oosterburen te verkrijgen en om samen te werken? In hoeverre wordt hier gebruik van gemaakt? En in hoeverre is er inmiddels sprake van landelijk beleid voor diagnose, behandeling en nazorg in Nederland? Lukt het om de doelgroepen op de juiste wijze te vinden en voor te lichten? Zien we daarin inmiddels een trendbreuk ten opzichte van de afgelopen twee jaar?

Voorzitter. Ook zorgmedewerkers zijn tijdens de eerste covidgolf zwaar geraakt, maar door regelgeving bleek het lastig te definiëren of de zorgverlener binnen de gestelde periode ziek is geworden. We kunnen wel stellen dat het doel van de regeling en de uitvoering ervan niet goed op elkaar aansloten. Welke trajecten lopen nog of worden wellicht nog opgestart om de omissies in het gevoerde beleid recht te trekken, zodat de beoogde doelen van de uitvoeringsregeling alsnog behaald worden?

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb één vrij korte vraag. Vindt mevrouw Ten Hove namens Groep Markuszower ook dat de infrastructuur die we hebben opgetuigd rondom de expertisecentra in stand moet blijven, omdat dat belangrijk is voor de zorg voor longcovidpatiënten en alle andere mensen met een postacuut infectiesyndroom?

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dat gevoel deel ik zeker. Het voelt een beetje als het liedje van Acda en De Munnik, De Kapitein Deel II. Dan ben je net een beetje lekker weg van de kade en dan gaat het anker alweer uit. Ik sta hier mede namens mijn collega Claassen. We hebben nog heel veel vragen en die zouden we graag beantwoord willen hebben, zodat we daar een goede keuze in kunnen maken.

De voorzitter:

Ik zie het lid Kostić ook richting de interruptiemicrofoon komen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik snap dat mijn collega een en ander nog moet verkennen. Ik neem aan dat zij ook heel veel geluiden vanuit de patiënten zelf heeft gehoord, zoals wij allemaal. Zij zeggen dat er als basis echt een integraal, samenhangend plan van aanpak nodig is voor PAIS-ziekten — alle PAIS-ziekten. Daarin ga je kijken naar preventie, zorg en al die andere dingen. Is mijn collega bereid om daarin met ons mee te denken?

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Zeker. Het onderwerp gaat me ook zeer aan het hart. Ten tijde van de covidpandemie werkte ik zelf nog op de ambulance, dus ik heb gezien wat het doet. Ik heb de nazorg gezien. Ik hoor de geluiden ook. Wij spreken ook met de mensen in het veld, die het aangaat. We moeten daar met zijn allen heel goed naar kijken.

De voorzitter:

Dat leidt niet tot een vervolgvraag. U was aan het einde van uw betoog, hè?

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ja.

De voorzitter:

Dank u wel. Dank voor uw bijdrage.

Dan is de volgende spreker op mijn lijst de heer Dassen. Ik zie hem niet in de zaal, maar ik spreek zijn naam uit, want wellicht is hij net in de wandelgangen. Dat is niet het geval.

Dan komen we bij de spreker daarna en dat is de heer Van Houwelingen. Hij spreekt namens Forum voor Democratie.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. We spreken vandaag met elkaar over postcovid. Dat is zeer terecht. Ons bereiken veel verhalen van postcovidpatiënten die het zwaar hebben; zojuist weer, tijdens de petitieaanbieding. Ik wil de mensen op de publieke tribune die zojuist bij deze petitieaanbieding aanwezig waren, bedanken. Maar er is een ander syndroom dat qua ziektebeeld lijkt op postcovid en waarvoor veel minder aandacht is, en dat is postvax. Bij deze patiënten lijkt de schade niet in eerste instantie te herleiden tot de ziekte corona, maar lijkt deze verband te houden met de coronavaccinatie. Inmiddels zijn bij C-support bijna 1.300 postvaxpatiënten aangemeld. Mijn eerste vraag aan de minister is of hij erkent dat er niet alleen postcovid- maar ook postvaxpatiënten zijn, en of hij bereid is niet langer alleen onderzoek naar postcovid, maar ook onderzoek naar postvax te subsidiëren.

Langzaam maar zeker wordt wereldwijd steeds meer bekend over de langetermijnbijwerkingen van de coronavaccins, en het beeld is ronduit zorgelijk. Wereldwijd is er sprake van onverklaarbare oversterfte, die in ieder geval in ons land bovendien aantoonbaar correleert met de start van de coronavaccinatiecampagnes. Dat de coronavaccins de hartspier kunnen beschadigen was al bekend, maar de omvang waarin dit voorkomt werd tot nu toe onderschat, blijkt uit recent onderzoek. Een recente studie onder medewerkers van een ziekenhuis in Bazel wijst uit dat maar liefst 1 op de 35 medewerkers aantoonbaar hartschade heeft opgelopen door de coronavaccins.

Het ministerie heeft onlangs zelf toegegeven, in antwoord op Kamervragen van ons, dat er voor de coronavaccinatiecampagne gemiddeld twee klachten per week binnenkwamen van vrouwen met menstruatieklachten. Tijdens de coronavaccinatiecampagne liep dit op naar maar liefst 1.600 klachten per week. Dat staat allemaal in het antwoord op Kamervragen.

Een recente grote studie in Nature, uitgevoerd onder 700.000 gevaccineerde en 700.000 ongevaccineerde Amerikanen laat zien dat gevaccineerden een twee keer zo groot risico lopen op een ooginfarct of oogtrombose. Wat vindt de minister van al deze zorgelijke onderzoeksbevindingen? Is de Nederlandse regering nog steeds van mening dat de mRNA-vaccins veilig en effectief zijn? Of is de minister, net als zijn Amerikaanse collega Robert Kennedy, inmiddels tot het inzicht gekomen dat wat de mRNA-luchtwegvaccins betreft — ik citeer Kennedy nu — "de risico's niet langer opwegen tegen de opbrengsten"? Zo nee, waarom niet?

Ook zorgelijk is de zeer snelle stijging — niet sinds 2020, het eerste coronajaar, maar sinds 2021, het jaar waarin de vaccinatiecampagne begon — van de inzet van ambulances en first and rapid responders in Nederland. Zeker in het geval van first responders, die vaak uitrukken bij hartfalen, kan daarvoor bovendien geen goede verklaring worden gegeven door het kabinet. Kan de minister inmiddels wellicht, in aanvulling op antwoorden die wij een halfjaar geleden hebben ontvangen, de Kamer laten weten wat het totale aantal gevallen van inzet van ambulances, rapid responders en first responders is geweest in 2024 en 2025 en of deze zorgwekkende trend zich heeft doorgezet of niet?

Tot slot een paar concrete vragen voor de minister. Is de minister bereid de vervolging door de inspectie in zijn naam van artsen die tijdens de coronaperiode ivermectine of hydroxychloroquine hebben voorgeschreven stop te zetten?

Twee. Is de minister van mening dat Lareb data behoort te verschaffen aan onderzoekers die deze data nodig hebben om vast te stellen of de vaccinregistratie op orde is?

Drie. Is het middel lidocaïne — daar had ik het net al over — voor de behandeling van ernstige gevallen van zowel corona als postcovid voldoende overwogen?

Vier. Is de minister van mening dat artsen publiekelijk, zonder risico op vervolging door de Inspectie het vermeende verband tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen mogen betwijfelen?

Tot slot, de laatste vraag. Is de minister van mening dat het onwenselijk is voor ziekenhuisbesturen zich zonder onderbouwing publiekelijk te distantiëren van feitelijke waarnemingen die hun artsen verrichten op de werkvloer?

We kijken uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat leidt tot een interruptie van de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

De heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie begon in zijn eerste twee zinnen over longcovid. Anderen, ikzelf ook, hebben het ook gehad over Q-koorts, ME/CVS, Lyme; al die PAIS-aandoeningen, ziektes. Is hij van mening dat ook dit kabinet de expertisecentra, de hulp en zorg voor mensen en het onderzoek daarnaar in stand moet houden? Of vindt hij dat niet nodig?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Het lijkt mij heel verstandig om dat in stand te houden, ja, zonder meer.

De voorzitter:

U krijgt van mij het woord, maar u was mij voor. De heer Dijk, vervolgvraag.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat vind ik mooi om te horen, want ik denk dat als de oppositie zich verenigt wanneer andere partijen dat niet zouden doen, we een meerderheid kunnen krijgen. Dus het is goed dat Forum voor Democratie dat doet.

De heer Van Houwelingen (FVD):

… voorzitter.

De voorzitter:

Een reactie van de heer Van Houwelingen, maar u praatte buiten de microfoon.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik zie eventuele moties met belangstelling tegemoet.

De voorzitter:

Dan komen we bij de volgende spreker in het debat en dat is het lid Kostić. Zij spreekt namens de Partij voor de Dieren.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Voorzitter. Ik was bij het eerste landelijke PAIS-protest, waarin aandacht werd gevraagd voor mensen die kampen met longcovid, ME, Lyme, Post Sepsis en andere PAIS-ziekten. Het protest was georganiseerd door mensen die zelf ziek zijn en het is diep triest dat zij zo moeten strijden om gezien te worden. Ik zag kinderen met bordjes "geef me mijn moeder terug". Ik hoorde Kim praten over haar zieke dochter, Nikki, die al jaren in het donker aan het bed gekluisterd is. Kim zei: ik mis mijn dochter, ze is er nog, maar eigenlijk is ze al weg, we gaan haar verliezen.

Voorzitter. Het gaat door merg en been. Het ergste is: dit had niet gehoeven. Alle patiënten vertellen een verhaal van decennia van onwil en onkunde, geen erkenning, geen financiering, geen passende zorg.

Voorzitter. Dit is een van de grootste medische ethische schandalen van de afgelopen decennia. Dat concludeerde professor Matthies-Boon terecht. In Nederland verdwijnen op dit moment honderdduizenden mensen uit de samenleving door longcovid en andere PAIS-ziekten. En deze ziekten ontzien niemand: moeders, vaders, wetenschappers, verplegers, kinderen. Sporters die opeens nauwelijks meer het bed uit kunnen komen. Jongeren die hun opleiding moeten stoppen en geen toekomst meer zien. Boven op het lichamelijke lijden krijgen zij te maken met onbegrip. Er wordt ze verteld dat ze positiever moeten denken, dat ze niet zo lui moeten zijn, dat het tussen hun oren zit. Ze worden gedwongen te bewegen, wat ze nog zieker maakt.

Voorzitter. Duitsland noemt het een gezondheidscrisis, maar de Nederlandse overheid doet nog steeds niet wat nodig is. Kan de minister reflecteren op de verkeerde omgang in de behandeling van PAIS, de afgelopen decennia? Kan hij dat ten minste erkennen? Erkent de minister dat er sprake is van een gezondheidscrisis? Is hij, zoals Duitsland, bereid maatregelen te nemen die passen bij de omvang van deze gezondheidscrisis?

Voorzitter. Dank. Dank aan Guus, Rien, Bente, Niels, Lisette, Fran, Anil en vele anderen, die vaak al vijf, tien, vijftien jaar ziek zijn. Dank dat jullie je meest kwetsbare momenten op foto's vastlegden en deelden om ons wakker te schudden. Dank aan iedereen die, zelfs ziek vanuit bed, Kamerleden probeerden voor te lichten voor dit debat. Het team van de Partij voor de Dieren ziet jullie.

Voorzitter. Het kan iedereen raken. Naast alle menselijke ellende is de maatschappelijke schade ook groot. Waarschijnlijk kost PAIS ons miljarden, onder andere door verlies aan arbeidskracht. En het probleem wordt groter als we de oorzaken blijven negeren. Infectieziekten nemen namelijk toe, door de klimaatcrisis, door natuurvernietiging en door een veehouderij waar miljoenen dieren dicht op elkaar worden gepropt, waardoor gevaarlijke mutaties ontstaan die zich sneller kunnen verspreiden. Het is een kwestie van tijd tot de rondrazende vogelgriep naar mensen overspringt. Nederland is als het meest veedichte land dus een tikkende tijdbom. Ziet de minister dat ook?

Voorzitter. De Partij voor de Dieren wil een samenhangende nationale strategie voor PAIS, met maatregelen rond erkenning, zorg, kennis en samenwerking, met structurele financiering van behandelcentra, die toegankelijk worden voor alle PAIS-patiënten, met extra investeringen in mensgericht, proefdiervrij, innovatief onderzoek, dat veel betere resultaten kan opleveren voor de patiënten, met inkomenszekerheid en maatwerk in bijvoorbeeld WIA en Wajong voor PAIS-patiënten, zodat mensen niet in de armoede belanden, met preventie en door eindelijk serieus werk te maken van klimaatbeleid, natuurherstel en de afbouw van de intensieve veehouderij. Kan de minister toezeggen op elk van deze punten stappen te gaan zetten?

Voorzitter. Ik rond af. Het kan ons allemaal overkomen en niemand komt hier alleen uit. Laat dit debat een nieuwe politieke cultuur tonen: niet meer doorschuiven, maar doorpakken. Er kijken duizenden PAIS-patiënten mee. Laten we ze weer hoop geven. Laten we ze toekomstperspectief geven, voor Nicky, voor Jocelyn, voor Anil en voor al die andere mensen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee wil ik het woord geven aan de heer Diederik van Dijk. Hij spreekt namens de SGP.

De heer Diederik van Dijk (SGP):

Dank u, voorzitter. "Soms", zei het paard. "Hoezo soms?", vroeg de jongen. "Soms is alleen al opstaan en doorgaan moedig en geweldig." Dit citaat uit De jongen, de mol, de vos en het paard van Charlie Mackesy raakt iets wat veel mensen de afgelopen jaren aan den lijve hebben ervaren. Mensen voor wie opstaan en doorgaan geen vanzelfsprekendheid meer is. Ze zijn hier vandaag aanwezig. Velen van hen kijken of luisteren dit debat mee, maar voor sommigen zal zelfs dat te veel inspanning kosten.

De cijfers zijn indrukwekkend. Naar schatting kampen zo'n 650.000 mensen met een postacuut infectiesyndroom. Dat is ongeveer de grootte van de stad Rotterdam. Maar het zijn vooral de persoonlijke verhalen van mensen die het meest raken, het gebrek aan perspectief. Voorheen een bruisend leven, dat nu geheel opgedroogd is. In het ergste geval een leven dat volledig beperkt moet worden tot een donkere slaapkamer.

Voorzitter. Het is nodig dat we vandaag eindelijk een plenair debat over postcovid voeren. Ik ga allereerst in op de expertisecentra. De SGP zou het onbegrijpelijk vinden als die na dit jaar de deuren weer zouden moeten sluiten. Is de minister bereid om nu al langjarige financiering voor de expertisecentra beschikbaar te stellen? Hoe kan de focus van de expertisecentra worden verbreed van postcovid naar andere aandoeningen zoals ME/CVS? Wat is daarvoor nodig? Hoe kunnen patiënten die niet in staat zijn om naar de centra toe te komen, toch worden bereikt? Is het mogelijk om hiervoor een samenwerking met bijvoorbeeld gespecialiseerde huisartsen op te zetten?

Er zijn behandelingen zoals LDN die al langere tijd met succes worden toegepast, maar nog steeds niet vergoed worden. Zet de minister zich ervoor in dat die wel breed beschikbaar komen? Het tweede is onderzoek. Ook dat dreigt na 2026 in het slop te raken. Is de minister bereid om een voorbeeld te nemen aan Duitsland, dat meerjarig structureel zeer fors investeert in onderzoek naar postcovid en ME/CVS? Acht de minister het Nederlandse ambitieniveau in verhouding tot de omvang en ernst van het probleem toereikend? We hoeven het wiel niet opnieuw uit te vinden. Zijn er mogelijkheden dat Nederlandse onderzoekers aanhaken bij dit Duitse traject?

Het derde is kennis en voorlichting. Ik hoor veel verhalen dat kennis over PAIS bij zorgverleners, bij instanties zoals het UWV en bij lokale overheden tekortschiet. Hoe wordt schijnbare willekeur in de beoordelingen voorkomen? Het hangt te vaak af van wie het dossier beoordeelt: iemand met kennis van postcovid en begrip voor de ziekte of iemand die het nog steeds afdoet als "tussen de oren". Wat doet het kabinet concreet om kennis over PAIS te versterken bij bedrijfsartsen, huisartsen, maar ook sociale wijkteams vanuit de Wmo, bijvoorbeeld via bij- en nascholing?

Veel patiënten zullen nooit meer helemaal genezen. In plaats van herstelgerichte zorg is er juist meer zorg voor de kwaliteit van leven nodig. Hoe zet de minister daarop in?

Voorzitter. De pijn van veel patiënten zit 'm ook in het niet gehoord en gezien worden. De minister benadrukt het belang van ervaringsdeskundigen in onderzoek. Dat is echter nog niet structureel verankerd in beleid, zorgontwikkeling en uitvoering. Is de minister bereid zich daar sterk voor te maken?

Voorzitter. Ik sluit af met een citaat uit het boek waarmee ik mijn inbreng begon. "Is jouw glas halfleeg of halfvol?, vroeg de mol. Ik ben, geloof ik, al blij dat ik een glas héb, zei de jongen."

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dank voor uw bijdrage. Daarmee komen we bij de volgende spreker. Dat is de heer Krul. Hij spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.

De heer Krul (CDA):

Voorzitter. "Een gezond mens verlangt naar duizend dingen, een ziek mens verlangt slechts naar één", leerde ons de Chinese filosoof Confucius. Dat is ook het geval voor een hele grote groep mensen die dagelijks leven met de gevolgen van een postacuut infectiesyndroom. Mensen die nu misschien naar dit debat kijken, ook al is dat voor hen een enorme krachtsinspanning. Mensen met wie ik de afgelopen tijd in gesprek ging, met wie we gisteren nog een waardevolle ontmoeting hadden, zelfs vlak voor dit debat nog hier in de Tweede Kamer. Mensen als Nicole, die vier jaar geleden nog een actief leven had, moeder van twee kinderen. Ze krijgt corona, maar waar andere mensen snel weer opknappen, wordt ze alsmaar zieker. Ze belandt in bed en komt er niet meer uit. Ze gaat van ziekenhuis naar revalidatiecentrum, logeerhuis en weer terug. Zo zijn er nog veel meer mensen, jong en oud, mensen die in de coronatijd zelfs in de frontlinie stonden als verpleegkundige, maar ook mensen die geen postcovid hebben maar een andere aandoening, zoals ME/CVS, Q-koorts of de ziekte van Lyme. Met één gemene deler: van de ene op de andere dag heb je geen leven meer, maar een slepende ziekte zonder toekomstperspectief.

Voorzitter. Het is belangrijk dat de aandacht voor deze groep mensen niet verslapt, ook niet nu de coronacrisis al zo ver achter ons ligt. Juist niet. In de woorden van Melissa: "We leven een ik-cultuur. Mensen begrijpen niet hoe ingrijpend deze ziekte is, omdat je het niet altijd aan de buitenkant ziet. Dat maakt het eenzaam en zwaar."

In de afgelopen jaren is een aantal initiatieven opgezet om deze groep mensen te helpen: onderzoeksprogramma's, expertisecentra, ambassadeurs, nazorg. Het voelt soms als een druppel op een gloeiende plaat. Dat is een groot dilemma, want als we hier vandaag de kans hadden om een medicijn te ontwikkelen, dan hadden we het gisteren al gedaan.

Voorzitter. Het CDA heeft een aantal vragen aan het kabinet, ten eerste over de postcovid-expertisecentra. Onze vraag is of de minister meer kan zeggen over het aantal aanmeldingen en het aantal mensen dat ook daadwerkelijk geselecteerd wordt voor een behandelplek. Wij begrijpen dat er geselecteerd wordt op basis van loting. Waarom is hiervoor gekozen? In hoeverre zou de ernst van iemands situatie meegewogen moeten worden? Graag een reactie.

Een ander belangrijk onderdeel van de expertisecentra is dat ze ook moeten leiden tot effectieve behandelingen, zodat die uiteindelijk onderdeel worden van het basispakket. Juist daarom kijkt het Zorginstituut mee. We missen hier echter een duidelijk plan van aanpak, een stip op de horizon. Hoe krijgt dit vorm en wanneer?

Het is ook ontzettend belangrijk dat er plekken zijn voor mensen die aan bed gebonden zijn, maar die niet thuis kunnen zijn omdat ze intensieve zorg nodig hebben of omdat iemand of iemands mantelzorger op adem of tot rust moet komen. Wij zijn benieuwd of bekend is hoeveel mensen met ernstige postcovidproblematiek langdurige zorg en ondersteuning nodig hebben, zoals zorg met verblijf. Ik zou graag van de minister horen hoeveel plaatsen voor langdurige zorg met verblijf beschikbaar zijn in Nederland en of mensen met postcovid hier gebruik van kunnen maken. Om naar een revalidatiecentrum te kunnen, moet je vaak een bepaalde mate van belastbaarheid hebben, maar mensen met een ernstige vorm van PAIS hebben die belastbaarheid niet. Particuliere initiatieven, zoals logeerhuizen, kunnen een rol spelen. Ik ben benieuwd of de minister mogelijkheden ziet om zulke initiatieven beter te ondersteunen dan nu.

Tot slot, voorzitter. Een aspect dat onderbelicht blijft, is onbegrip, niet alleen in de medische wereld, maar ook in de samenleving. Je zult maar postcovid hebben en horen dat corona een hoax is, niet eens je eigen brood kunnen smeren en dan horen dat je klachten worden afgedaan als vermoeidheid of je arts in de ogen kijken en aan hem zien dat hij je niet gelooft. Het knakt mensen, hun vertrouwen in de zorg en in de overheid. In de brief van de minister mis ik juist hier aandacht voor. Hoe gaat hij werken aan enerzijds het tegengaan van desinformatie en anderzijds erkenning van de ernst van deze ziekte, die aan de buitenkant zo vaak verborgen blijft?

De voorzitter:

Dank u wel. Dit leidt tot een interruptie van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik zou graag aan de heer Krul willen vragen waarom hij tegen een motie van ons heeft gestemd — ik heb 'm aan het begin van dit debat aan de heer Krul uitgereikt, dus hij zal niet verrast zijn — waarin wij de minister oproepen om te stoppen met het vervolgen van artsen die in de coronaperiode hydroxychloroquine en ivermectine hebben voorgeschreven, middelen die dus veilig zijn en waarover heel veel aanwijzingen zijn dat ze effectief waren. Waarom heeft het CDA daartegen gestemd?

De heer Krul (CDA):

Omdat wij middels het kabinet aan de IGJ vragen om toe te zien op het naleven van richtlijnen. In die richtlijnen, die NHG-richtlijnen, staat heel duidelijk dat deze twee middelen niet voorgeschreven mochten worden, niet offlabel voorgeschreven mochten worden, en daarop is gehandhaafd. En ik denk niet dat het verstandig is als de Kamer met moties de Geneesmiddelenwet omzeilt.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Eén korte vervolgvraag …

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Van Houwelingen. U krijgt van mij het woord. Dat gaat echt gebeuren, dus geen zorgen daarover.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u wel. Dit antwoord had ik natuurlijk verwacht. Mijn vraag aan de heer Krul is of dit niet ook een politieke vraag is. Het CDA is heel erg voor soevereiniteit in eigen kring. Het CDA heeft dus nu de opvatting over offlabel voorschrijven dat alles centraal bepaald moet kunnen worden door de inspectie. Is het niet zo, los van wat je er inhoudelijk van vindt, of zou het CDA niet moeten vinden dat artsen hier een eigen vrijheid in moeten kunnen hebben? Ik denk dus dat dit een politieke vraag is, dus ik vind het heel vreemd dat het CDA nu zegt: nee, nee, nee, artsen die kunnen op allerlei wijzen daarin beperkt worden, bijvoorbeeld door de inspectie. Wat ons betreft hier op een onterechte wijze, maar dat is een andere zaak.

De heer Krul (CDA):

Ik zou het persoonlijk erg ongezond vinden als de politiek — ik kijk even naar mezelf — zonder enige expertise als het gaat om geneesmiddelen — ik ben geen arts — hier gaat bepalen wat we wel en niet toestaan. Ik ben heel blij dat het de experts zijn die dat samen bepalen en dat het uiteindelijk ook de IGJ is, met die expertise, die toeziet op de naleving. Ik denk niet dat de politiek zich daarmee moet bemoeien.

De voorzitter:

De heer Bushoff heeft ook een vraag voor u.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Een mooie inbreng van de heer Krul, die volgens mij heel erg verwoordt wat er gaande is voor heel veel patiënten. Tegelijkertijd zijn er nu eindelijk expertisecentra gekomen en zeggen de zorgverzekeraars, artsen, onderzoekers, de umc's en patiënten: nu hebben we eindelijk die infrastructuur opgebouwd en opgetuigd waar we terechtkunnen en waar we een beetje hoop aan ontlenen, dus laat dat niet verloren gaan. Mijn vraag aan de heer Krul is eigenlijk of hij in ieder geval onderschrijft dat die infrastructuur niet verloren zou moeten gaan.

De heer Krul (CDA):

Zeker. Wij hebben ook begrepen dat het inmiddels al zo is dat onderzoeksaanvragen die nu worden ingediend eigenlijk al niet meer worden gehonoreerd, omdat men vooruitloopt op dat die zullen gaan sluiten. Dat zou zonde zijn, omdat juist de stip op de horizon die effectief bewezen behandelmethoden zouden moeten zijn. Daar kom je alleen als we kennis opdoen over PAIS-syndromen en daarvoor heb je dus de kennisinfrastructuur nodig. Ik onderschrijf dus het belang daarvan, absoluut. Tegelijkertijd is dat ook een financieel vraagstuk en zoals alle financiële vraagstukken zullen we dat betrekken bij de begrotingsbehandeling. Dat zal niemand verrassen. Maar ik hoor heel goed wat de heer Bushoff zegt en ik erken ook dat dat belangrijk is.

De voorzitter:

De heer Bushoff heeft een vervolgvraag.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Eén vervolgvraag nog, voorzitter. Dank voor de beantwoording en de positieve grondhouding. Die hoor ik er namelijk wel in terug. Tegelijkertijd is de vraag ook: doen we de principe-uitspraak dat die infrastructuur niet verloren mag gaan? En kan dat het liefst vandaag in het debat, maar anders op dinsdag bij een stemming? Het principe dat we daar als politiek met z'n allen naar streven, lijkt me voor de patiënten, artsen en al die onderzoekers cruciaal. Ik hoop dat de heer Krul in ieder geval die bereidheid ook heeft.

De heer Krul (CDA):

Niet in die volgorde, denk ik. Als je in dit geval de principe-uitspraak doet dat de infrastructuur niet verloren mag gaan, wetende dat de manier om die infrastructuur te behouden via financiering is, vind ik dat je dat gelijk met een begroting moet regelen. Ik zou die volgorde dus verkeerd vinden. Het enige wat ik kan doen, is het volgende. Ik denk dat het belangrijk is dat we met zijn allen constateren dat zonder kennisinfrastructuur de kans op een duurzame oplossing verder weg is dan met die kennisinfrastructuur. Daarom is die positieve grondhouding ook een serieuze. We zullen dat gesprek ongetwijfeld in maart met elkaar voortzetten.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank voor de open en positieve grondhouding. Tegelijkertijd vraag ik me af of dit betekent dat we moeten wachten op de begroting. Betekent dit dat er nog geen principiële uitspraken kunnen worden gedaan omdat de coalitie nog geen afspraken heeft gemaakt over de aanpak van PAIS-ziekten en het helpen van PAIS-patiënten?

De heer Krul (CDA):

Dat betekent, zoals bij alle financiële vraagstukken, dat we die behandelen bij de begroting. Dat is wat ik zeg. De heer Bushoff vroeg net of we dat vanavond al met elkaar kunnen doen. Mijn antwoord daarop is: nee, dat kan niet. Dat is namelijk gewoon niet hoe de begrotingssystematiek werkt. Dat was eigenlijk wat ik bedoelde met mijn antwoord op de vraag van de heer Bushoff. Het klopt inderdaad dat die positieve grondhouding wel gemeend is. Er is nu al een amendement, maar we hebben nog een termijn van de regering te gaan. Er ligt al een amendement waar nog een appreciatie op volgt. Er zijn dus aanknopingspunten. De financiële discussie wil ik echter graag voeren waar die thuishoort.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat begrijp ik, maar de heer Krul zal het met mij eens zijn dat patiënten al jarenlang wachten op duidelijkheid. Zij smeken ons al jarenlang om echt structurele maatregelen. Zij hadden gehoopt dat er iets in het coalitieakkoord zou staan, ook wat betreft geld. Vandaag hebben we het debat; vandaag kunnen we als Kamer stappen zetten. Ik ben op zoek naar waar het CDA vandaag in mee zou kunnen gaan. Is het CDA bijvoorbeeld bereid te kijken hoe we een samenhangende nationale strategie voor PAIS zouden kunnen vragen? Kan daar een bepaalde vorm van komen? Kunnen we daar een aanzet toe doen? Zo geven we namelijk iets aan de mensen thuis.

De heer Krul (CDA):

Een van de oproepen die ik eigenlijk al jaren hoor, is: kom nou een keer met een concrete ketenaanpak. Het is namelijk niet alleen een zorgvraagstuk. Kinderen hadden met aanpassingen misschien onderwijs kunnen volgen, maar omdat dat simpelweg niet in het systeem past, kunnen ze nu helemaal geen onderwijs krijgen. Sommige mensen zijn misschien niet heel erg belastbaar, maar wel een beetje belastbaar. Als er vanuit SZW meer kennis en meer begrip zou zijn, dan zouden die mensen toch nog een beetje kunnen werken. Ik denk dat het heel belangrijk is dat het kabinet die integrale ketenaanpak echt departementoverstijgend gaat oppakken. Daar ben ik het dus zeker mee eens.

De voorzitter:

Tot slot, het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is heel goed om te horen, dus ik hoop dat we daar als Kamer vandaag stappen in kunnen zetten.

Mijn laatste vraag gaat over iets wat de heer Krul net zei, namelijk dat het om bewezen methoden moet gaan. Tegelijkertijd hoor ik van patiënten dat zij juist nu heel erg afhankelijk zijn van niet helemaal bewezen methoden, maar dat het heel belangrijk is om dingen te kunnen proberen en dat dat ook vergoed wordt. Ziet de heer Krul, gezien het verleden, gezien het feit dat ze jarenlang zijn genegeerd, ruimte om daar juist voor deze patiënten wat coulanter naar te kijken?

De heer Krul (CDA):

Een van de oproepen die we net nog hoorden, vlak voordat dit debat begon, is: geef mensen met dit syndroom geen valse hoop. Dat is het laatste wat de politiek moet doen. Ik heb met meerdere Kamerleden aan de andere kant van dit katheder gestaan toen het ging om het middel Voxzogo. Dat is een geneesmiddel waarmee jonge mensen met dwerggroei enigszins perspectief kunnen hebben op een gezond leven als volwassene. Keer op keer worden echter dezelfde muren opgetrokken. We hebben een heel zorgvuldig proces, dat belangrijk is. Je wil namelijk niet dat niet-effectief bewezen zorg zomaar vergoed wordt, terwijl het ook kan zijn dat er bijwerkingen zijn of dat het toch minder effectief blijkt te zijn dan in eerste instantie gedacht. Ik ben dus wel voor een zorgvuldig systeem, maar tegelijkertijd is het heel frustrerend. De vragen die de Kamer dan vaak stelt, zijn de volgende. Kan het sneller? Is er een geitenpaadje? Is er een pilot? Kunnen we een proefdossier opstarten? Keer op keer is het antwoord dat het eigenlijk niet kan. Ik heb dat antwoord hier vanavond ook niet en ik wil die suggestie ook niet wekken. Dat ga ik dus ook niet doen. Wel weet ik heel goed wat je ermee zegt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank aan de heer Krul, want ik zie een welwillende houding. Ik zie ook een zoektocht: hoe kunnen we dit het beste doen, in het huidige landschap? Zo ken ik het CDA. De voorganger van collega Krul, mevrouw Joba van den Berg, kwam erg op voor de eerste generatie postcovidpatiënten, die we zagen toen de crisis net was losgebarsten. Dat deed ze ook in de tijd erna met collega Krul. Als we alles naar maart schuiven … We hebben nu dit debat. Alle mensen zitten met hoop te kijken; wat kan er nu al worden afgesproken? Als we hier vanavond allemaal weer naar huis gaan, met welke afdronk is collega Krul dan zelf tevreden?

De heer Krul (CDA):

Mevrouw Bikker heeft in haar termijn zelf eigenlijk al een voorzet gegeven voor zaken die we hier met elkaar kunnen afspreken. Eén onderdeel, waar ik mijn betoog mee eindigde, is het feit dat het ook een onbegrepen ziekte is. Dat meen ik echt. Het zou mooi zijn als wij vandaag een klein beetje kunnen bijdragen aan het begrip. Het zou ook al iets moois zijn als we van het kabinet kunnen horen dat we daar meer aan kunnen doen, zowel in het onderwijs, als wat betreft sociale zekerheid en de zorg. Ten tweede ligt er nog steeds een motie-Bushoff, waarin is aangegeven dat de klinieken zo lang als nodig in stand gehouden moeten worden. De minister heeft daar in november in een brief wel iets over gezegd, maar voor mij is het nog steeds niet helemaal duidelijk hoe die motie wordt afgedaan. Dat is voor mij dus ook een vraagteken en ik zou daar graag een antwoord op willen, om maar twee dingen te noemen. Ik ben ook benieuwd of het kabinet bereid is om hier interdepartementaal meer prioriteit aan te geven, juist om een ketenaanpak te realiseren. Dat is nog iets. Mevrouw Bikker vroeg ook of het mogelijk is dat we dit debat veel vaker voeren, juist omdat deze groep zo snel vergeten wordt. Ik denk dat dat ook een uitstekend idee is. We kunnen nog wel even doorgaan. We kunnen vanavond een hoop wél doen, maar er zijn ook dingen die niet kunnen. Ik denk dat ik daar al veel over heb gezegd.

De voorzitter:

Helder. Mevrouw Bikker heeft een vervolgvraag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik zou graag met deze Kamer de afspraak maken dat we eens in het kwartaal, in ieder geval in de commissie, stilstaan bij de voortgang. Ik begrijp goed dat dat niet allemaal in de plenaire zaal hoeft, maar we moeten wel iets terugkomends hebben, waar we ook de verschillende departementen bij kunnen halen om te kijken wat nodig is. Daarnaast zou ik graag juist kijken naar wat onze Duitse buren al langere tijd aan het doen zijn. Hoe kijkt de collega van het CDA, collega Krul, naar die initiatieven? Deelt hij deze inzet? Volgens mij is dat niet iets wat geld kost, maar wel vandaag afgesproken kan worden.

De heer Krul (CDA):

Ik vind de Duitse aanpak om twee redenen heel interessant. Enerzijds is het een integrale, robuuste strategie. Het klopt dat het Duitse kabinet daar heel fors in investeert. Het mooie van wetenschap is dat het niet gebonden is aan grenzen. Er lopen nu al meer dan 500 internationale onderzoeken naar het aanpakken van PAIS-syndromen. De wetenschap ontwikkelt zich daar ook in. Ik heb zelfs begrepen dat aanstaande zomer de internationale conferentie over het wetenschappelijk onderzoek naar PAIS-syndromen in Nederland gehouden wordt, juist omdat er in internationale gemeenschappen gekeken wordt naar Nederland. Hier hebben we namelijk hele goede onderzoekers. Ik kijk dus natuurlijk met veel interesse naar wat er in andere landen gebeurt. Als daar namelijk een doorbraak gerealiseerd wordt, is die net zo goed relevant voor Nederlandse patiënten en vice versa.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik hoorde de heer Krul net zeggen dat hij infrastructuur en de expertisecentra heel belangrijk vindt, maar dat hij vandaag geen beslissing gaat nemen over de financiering daarvan. Is hij wel van mening dat financiering ook gewoon kan betekenen dat we vandaag, of eigenlijk dinsdag, bepalen dat het kabinet op pad moet om samen met universitair medische centra en verzekeraars een oplossing te vinden voor de financiering, om ervoor te zorgen dat de expertisecentra gewoon in stand gehouden worden?

De heer Krul (CDA):

Dat vind ik dus wel een hele interessante gedachte. Hoe ga je de expertise borgen, in welke vorm? Zijn dat PAIS-poli's in ziekenhuizen of is dat op een andere manier georganiseerd? Ik denk dat er wel een grote rol is weggelegd voor de driehoek van ministerie, ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Ik ben daar heel benieuwd naar. Tegelijkertijd kan ik me wel goed voorstellen dat alle drie de partijen ... Uiteindelijk moet er wel geld bij komen. Je kunt niet als overheid zeggen: "We gaan het op deze manier organiseren. Zorgverzekeraars en ziekenhuizen, jullie gaan die poli's betalen en wij doen dit." Als je die uitspraak doet, vind ik ook dat je een stap moet zetten. Dat doen we in maart. Maar het gesprek kan deze minister gewoon voeren en dan kan ik zomaar uitgaan van de aanname dat wij er in maart meer over weten. Dan weten we wat er precies mogelijk is en ligt er weer een andere vraag voor. Ik vind de richting die de heer Dijk kiest wel een interessante, maar ik denk niet dat wij er vanavond definitief een klap op kunnen geven.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik ben een beetje zorgvuldig met mijn interrupties. Ik ga even naar een heel ander onderwerp, ondanks dat ik hierop nog twee vervolgvragen had. Dan is er nog een groep mensen die dermate ziek zijn dat ze alleen maar thuis kunnen zitten. Ik zou graag van de heer Krul willen horen of hij het met de SP-fractie eens is dat er een specialistisch team moet komen dat deze mensen actief opzoekt om te kijken wat er nodig is en wat er kan. Dat is nu wel een hiaat, daar ontbreekt het echt aan. Is hij met de SP-fractie van mening dat we daarop ook iets kunnen doen vandaag?

De heer Krul (CDA):

Of het een specialistisch team moet zijn, weet ik niet. Ik heb in mijn bijdrage specifiek aandacht gevraagd voor deze groep. Er is een grote groep die niet naar een revalidatiecentrum kan gaan omdat dat te belastend is. Het beetje zorg dat er wel is, lopen ze nu dus ook mis. Er zijn mooie maatschappelijke initiatieven die deze groep ook helpen. Ik heb heel specifiek aandacht gevraagd voor de vraag of we dat soort initiatieven beter kunnen ondersteunen. Kunnen we kennis delen? Dat is dus een hele goede vraag, zou ik zeggen. Ik ben benieuwd naar wat de minister zegt en of de route van de heer Dijk dan de beste is. Ik heb juist voor die groep wat extra aandacht gevraagd, dus daar ben ik het natuurlijk mee eens.

De voorzitter:

Dat gaan we straks horen. Dank u wel, meneer Krul. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Van Brenk. Zij spreekt namens 50PLUS. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Ter voorbereiding op dit debat heb ik zondagavond gebeld met Christel. Christel woonde twee huizen verderop. Ze is één dag voor mijn dochter geboren en zij zijn samen opgegroeid. Christel stond fulltime voor de klas. In 2022 had de halve school covid. Christel had het ook, maar bij haar duurde het veel langer. Sterker nog, ze is nog steeds ziek. Ze kan nog geen kilometer lopen. Ze heeft maanden thuis bij haar ouders moeten wonen, omdat ze niet voor zichzelf kon zorgen. Het is verschrikkelijk als een arts tegen je zegt dat je op alle aspecten van je leven disfunctioneert. Ze is een jonge vrouw in de bloei van haar leven, die eigenlijk bijna niets meer kan. Als ze iets wil doen, dan moet ze dat inderdaad bekopen. Dat hebben we vandaag gehoord. We hebben het gisteren digitaal aangehoord. Deze ziekte is verschrikkelijk. Toch vindt Christel dat ze geluk heeft, want zij heeft een volledige WIA-uitkering. Heel veel mensen kunnen dat niet zeggen. Zij moeten procederen, omdat een heleboel keuringsartsen daar gewoon onvoldoende bekend mee zijn. Vechten terwijl je ziek bent: dat zou niet moeten mogen.

Voorzitter. Wat ons betreft zou daar veel in geïnvesteerd moeten worden. Keuringsartsen moeten beter geïnformeerd worden en meer richtlijnen krijgen. We moeten de expertise van de centra die er zijn, voort laten bestaan. We hoorden gisterochtend dat er al onderzoekers zijn die naar andere banen kijken, omdat er geen voortgang is en het misschien afloopt. We mogen die kennis niet weg laten vloeien. Vindt de minister dat de klachten die horen bij die postacute infectiesyndromen voldoende serieus worden genomen? En vindt de minister dat die expertisecentra wat betreft postcovid nu de basis zijn en dat die infrastructuur absoluut overeind moet blijven? Graag een reactie van de minister hierop.

Er moet meer onderzoek gedaan worden. Er werd net al gezegd dat de ambitie in Duitsland groot is. Waarom is onze ambitie niet groot? Deze mensen verdienen het. We hebben alle mensen nodig op de arbeidsmarkt. We zien dat jonge kinderen nu getroffen worden. Ik zou willen vragen of er mogelijkheden zijn om voor die kinderen iets te bereiken wat betreft een startkwalificatie op het gebied van scholing. Zij moeten straks namelijk ook verder. Als we pas over een paar jaar misschien een oplossing hebben, is dat zo veel verloren tijd. Behalve dat iemand z'n sociale leven stilstaat, is met name ook het inkomen een heel groot probleem. Ik kreeg van mijn collega een berichtje doorgestuurd van een politieagente voor wie zelfs douchen moeilijk is, maar die voor tien uur arbeidsgeschikt verklaard werd door een keuringsarts die er helemaal niets van wist en er niets mee kon. Kortom, er moet iets bij worden gedaan voor de keuringsartsen.

Toen ik aan Christel vroeg wat haar voorstel was, zei ze: ik zou zo graag ook in aanmerking willen komen voor zo'n expertisecentrum. Zij kan nergens terecht. Voor haar is er geen licht aan het einde van de tunnel. Zij weet niet wat zij kan verwachten. Dat is dus ook de vraag: wat kunnen deze mensen — er zitten hier mensen te kijken en er zitten thuis mensen te luisteren — verwachten? Ik vraag het volgende nogmaals. Er zijn verhalen van mensen die wanhopig zijn en zelfs een einde aan hun leven gemaakt hebben. Dat zouden we toch echt niet moeten willen. Als er licht aan het einde van de tunnel kan komen doordat er vanavond toezeggingen kunnen worden gedaan, dan lijkt me dat zeer wenselijk.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee komen we bij de volgende spreker in dit debat. Dat is de heer Vervuurt. Hij spreekt namens D66. Gaat uw gang.

De heer Vervuurt (D66):

Dank u wel, voorzitter. Postcovid en andere postacute infectiesyndromen treffen honderdduizenden mensen. Dat zijn mensen die midden in hun leven staan en die door ziekte hun baan, hun inkomen en soms hun volledige toekomstperspectief kwijtraken. Voor D66 staat één ding voorop: deze mensen mogen niet tussen wal en schip vallen. De verhalen van patiënten en het protest op het Malieveld hebben veel indruk op mij gemaakt. Dat moet ook gezegd worden in deze Kamer. Er is ook de werkelijkheid van het moment, want door de nog lopende onderhandelingen is het op dit moment heel moeilijk om in te gaan op concrete beleids- en financieringsvoorstellen. Ons doel voor dit debat is dan ook om de minister te bevragen over wat er nu loopt, wat er goed gaat, wat er niet goed gaat en wat het ministerie alsnog kan doen om deze mensen perspectief te bieden.

Voorzitter. D66 heeft zich de afgelopen jaren nadrukkelijk ingezet voor erkenning van postcovid, het mogelijk maken van onderzoeksprogramma's en Europese kennisdeling. Maar waar staan we nu? In de afgelopen jaren is er met geoormerkt geld onderzoek gedaan naar postcovid. Die onderzoekspotjes raken leeg. Hoe zorgt de minister ervoor dat de kennis die in Nederland over postcovid is opgedaan, niet verdwijnt?

Covid stopte niet bij de grens en postcovid doet dat ook niet. In heel Europa en over de hele wereld worstelen patiënten met dezelfde soort klachten. Daarom vragen wij de minister hoe de internationale en Europese samenwerking concreet is doorgezet. Kan de minister reflecteren op wat deze kennisuitwisseling en onderzoeken patiënten daadwerkelijk aan perspectief bieden op de korte en lange termijn?

Voorzitter. Naast onderzoek is goede ondersteuning cruciaal. D66 heeft de oprichting van postcovid-expertisecentra gesteund. Mijn complimenten aan de heer Bushoff voor het nemen van het initiatief daarin. De financiering voor deze centra loopt af aan het einde van dit jaar, iets wat al vaker is genoemd. Daarom vragen we aan de minister wat de bevindingen van dit kabinet zijn ten aanzien van het functioneren van deze centra. Belangrijker: wat betekent het voor patiënten als ze zouden verdwijnen?

Ook hebben wij ons, samen met collega's van de SP, ingezet voor de oprichting van C-support. Dat is het centrale ondersteuningspunt voor patiënten. Op termijn zou C-support opgaan in de reguliere zorg- en welzijnsstructuren. Dat was van het begin af aan duidelijk. Dat was het idee. De minister heeft recentelijk in zijn brief ook aangegeven dat er, ondanks dat het opgaat in die welzijnsstructuren, een waakvlamconstructie aangehouden blijft, maar mijn fractie hoort ook dat de subsidie voor C-support versneld afgebouwd wordt. Tegelijkertijd wordt het werkveld voor deze organisatie uitgebreid naar alle PAIS. Het is goed dat we die kennis en informatie bundelen, maar ze krijgen meer taken en minder geld. Dat wringt. Waarom is de keuze gemaakt om versneld af te bouwen en welke gevolgen heeft dit afbouwen voor de uitvoering van de taken en de borging van expertise? Graag een reactie van de minister.

In algemene zin ziet de D66-fractie een grote behoefte aan integraal langetermijn-PAIS-beleid. Ook patiëntenorganisaties en actiegroepen vragen hierom. Daarom de volgende vragen aan de minister. Hoe kan het ministerie bijdragen aan samenhangend beleid voor alle PAIS-patiënten? Welke initiatieven lopen er bij het ministerie om raakvlakken in onderzoek, zorg en sociale zekerheid beter te benutten?

Tot slot, voorzitter. De verhalen van al deze patiënten hebben ons geraakt, hebben mij geraakt. Ik heb gehoord dat ze ook een heleboel van de collega's in de Kamer geraakt hebben. We zien dat onderzoek doen tijd kost. Daar worstelen we nu mee, omdat we graag snel een oplossing voor deze mensen zouden hebben. We zullen ons samen voor hen blijven inzetten en kijken naar wat nodig is. Ik hoor graag de reactie van de minister op mijn vragen.

De voorzitter:

Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik zou graag ook aan de heer Vervuurt een vraag willen stellen over een motie van ons waar D66 tegen heeft gestemd. De tekst van die motie was: "De Kamer spreekt uit dat in de wetenschap de consensus niet per se ook 'de waarheid' is, zeker niet als mensen die het niet eens zijn met die consensus zich geïntimideerd voelen en zich dus niet kunnen uitspreken." D66 heeft daar tot mijn verbazing tegen gestemd. Mijn vraag is: waarom is dat zo?

De heer Vervuurt (D66):

Het moge duidelijk zijn dat intimidatie en bedreigingen niet de bedoeling zijn. Het is niet zo dat wij ons hier als Kamer iedere keer dat zoiets gebeurt moeten uitspreken via een motie. Dat is niet de bedoeling. Dat is niet hoe het hoort hier in Nederland. Daarom hebben wij tegengestemd.

De voorzitter:

De heer Van Houwelingen heeft een vervolgvraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dat is wel een heel vreemd antwoord, want als je begrijpend kan lezen, dan zie je dat die motie daar totaal niet over gaat. Ik zal 'm even voorlezen. De motie "spreekt uit dat in de wetenschap de (vermeende) consensus niet automatisch ook 'de waarheid' is". Elke wetenschapper zal dat onderschrijven. D66 is toch altijd de partij van de wetenschap? Dat onderschrijft elke wetenschapper. De consensus is zeker niet de waarheid als je ook nog eens de wetenschappers die het niet met die consensus eens zijn, uit het debat drukt. Een weldenkend mens kan niet tegen deze motie stemmen. Toch stemde D66 ertegen, dus nog een keer de vraag: dat is toch bijzonder?

De voorzitter:

Het is dezelfde vraag.

De heer Vervuurt (D66):

Wij verschillen daarover van mening. Ik vind het heel logisch dat intimidatie en bedreigingen niet toegestaan zijn. Daar hoeven we ons niet iedere keer als Kamer via moties over uit te spreken. Dat is evident.

De voorzitter:

Oké. Daarmee bent u aan het einde van uw betoog, maar niet voordat ik nog het woord heb gegeven aan de heer Bushoff voor een interruptie.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik kan mij zo voorstellen dat het lastig is om op voorhand te zeggen welke voorstellen D66 wel of niet steunt. Ik snap ook dat dit ingewikkeld is in het licht van de onderhandelingen die gevoerd zijn et cetera, maar wat ik D66 wel zou willen vragen is dit. Stel nou dat uit de beantwoording of uit de antwoorden op vragen die D66 zelf aan die expertisecentra et cetera stelt, inderdaad blijkt dat dit best wel een zinvol construct is en dat die infrastructuur hartstikke goed werkt. Zou D66 er dan voor voelen om de principe-uitspraak te doen dat die infrastructuur, als die echt goed werkt, eventueel via de zorgverzekeraars, in overleg met het ministerie en in overleg met de NFU, overeind moet blijven?

De heer Vervuurt (D66):

Dit is eigenlijk de vraag die ook aan de heer Krul werd gesteld. Ik ben het helemaal eens met wat hij daarop zei. Ik snap waar u om vraagt. Ik herken ook dat die expertisecentra voor veel mensen een belangrijke rol spelen. Tegelijkertijd zit daar een financiële werkelijkheid aan vast waar ik in deze fase niet op in kan gaan. Wat dat betreft heeft de heer Krul gelijk. Dat is een vraag die we bij de begroting zouden moeten beantwoorden. Dat is hoe het is.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik snap heel goed dat het voor een coalitiepartij in spe in de tussenfase gewoon even financieel ingewikkeld is. Waar ik tot nu toe altijd blij om ben is dat ik, nu bij mijn nieuwe collega en eerder bij mevrouw Paulusma, wel heb gezien dat ook bij D66 een vuur brandt om ervoor te zorgen dat mensen die postcovid of een andere PAIS-ziekte hebben, zich niet ongezien weten. Ik zou mijn collega willen aanmoedigen om dat heel duidelijk te laten merken. Het kan ook te gemakkelijk worden om alleen naar de financiële uitdaging te kijken, want allerlei beleid is wél mogelijk. We kunnen dingen leren van Duitsland. We kunnen als Kamer zeggen dat we iedere drie maanden terug gaan komen en dat we alle creativiteit die we maar hebben, gaan aanwenden om te zorgen dat we meer doen. We kunnen de minister van OCW vragen om er een keer bij te zijn en ons te zeggen hoe het nou zit met die kinderen.

De voorzitter:

Uw vraag graag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Kan collega Vervuurt juist op dat punt aangeven wat zijn ambitie is? Wanneer is hij na dit debat tevreden?

De heer Vervuurt (D66):

Een paar weken geleden, voor de jaarwisseling, stonden een heleboel mensen op het Malieveld met de centrale boodschap: zie ons, vergeet ons niet. Dat haalde u ook in uw eigen bijdrage mooi aan. Dit debat heeft sinds de vorige editie tweeënhalf jaar op zich laten wachten. Dat is te lang. Dat moeten wij ons als Kamer zelf aanrekenen. Dat moeten wij beter doen. De suggestie die u doet, namelijk dat wij er vaker op terugkomen — hoe gaat het met deze patiënten, hoe helpen wij hen en hoe kunnen wij hen beter ondersteunen? — onderschrijf ik volledig. Ik zou daar in de toekomst graag samen met u mee aan de slag gaan.

De heer Jimmy Dijk (SP):

De heer Vervuurt heeft in zijn woordvoering de toegevoegde waarde van de expertisecentra benoemd. Hij had ook complimenten voor het initiatief. D66 heeft toen het amendement gesteund. Ik snap … Nee, ik snap het eigenlijk niet. We kunnen het hier best over financiën hebben. Als het over dit soort bedragen gaat, vind ik dat er best een principe-uitspraak kan worden gedaan, door welke partij dan ook. Laat ik er even in meegaan dat D66 het moeilijk vindt. Kunnen we vandaag van D66 dan wel de uitspraak verwachten dat D66 het onverstandig vindt om expertisecentra op te zetten en na zeer korte tijd te laten stoppen? Zou het niet vrij logisch zijn om met elkaar te zoeken naar financiën, opdat die expertisecentra gewoon door kunnen gaan?

De heer Vervuurt (D66):

Ik zat niet in de Kamer toen dit initiatief genomen werd. Voor zover ik het heb begrepen, is het altijd de bedoeling geweest dat door die expertisecentra kennis zou worden opgedaan en dat die kennis vervolgens zo dicht mogelijk bij de mensen, bijvoorbeeld in de eerste lijn, terecht zou komen. Het is geen doel op zich om die expertisecentra tot het einde der tijden te laten voortbestaan, maar het is wel cruciaal dat de kennis die daar is opgedaan, niet verloren gaat. Dat ben ik met u eens.

Tegelijkertijd verwijs ik graag terug naar mijn eerdere antwoord. Er zit een financiële werkelijkheid aan vast, die ik graag behandel bij de begroting, en als ik het goed begrijp, loopt er op dit moment ook een evaluatie. Ik begrijp dat de Kamer de resultaten daarvan in het voorjaar mag ontvangen. Ik kan me goed voorstellen dat het heel erg nuttig en handig is om de resultaten van die evaluatie te hebben wanneer wij deze discussie verder voeren. Ik weet niet of het mogelijk is ze voor de begroting te ontvangen. Dat zou mij een groot goed zijn en dat zou wel heel handig zijn.

De voorzitter:

Dit wordt de laatste interruptie voor u, meneer Dijk. Ik probeer u even te helpen.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik probeer een beetje een balans te vinden, omdat ik het eigenlijk best wel vreemd vind dat er hier partijen zijn die wel zeggen dat die expertisecentra van toegevoegde waarde zijn en een compliment geven voor het initiatief, maar vervolgens zeggen: ik weet niet zeker of ze voortgang moeten vinden. Ik probeer een manier te vinden om hier niet enorm te gaan zitten pushen, terwijl ik wél vind dat het nodig is. Ik probeer die vraag toch op een andere manier te stellen: kan de fractie van D66 iets meer zekerheid geven? Zij zien toch ook dat mensen nu al op andere plekken aan het solliciteren zijn? Dat is toch gek? Dat is toch een gekke gewaarwording als er tegelijk mensen zijn die hier waarde aan hechten en voor wie dit van toegevoegde waarde is? Kan D66 ons iets meer geven dan het op dit moment doet?

De heer Vervuurt (D66):

Ik kan u meegeven dat wij ons er volledig voor zullen inzetten om deze mensen te helpen, zoals ik net ook tegen mevrouw Bikker vertelde. Dat hebben wij in het verleden ook gedaan en dat hebben we in het verleden ook samen gedaan. Ik zou graag ook samen met u die handschoen op blijven pakken. Wat betreft de expertisecentra kan ik u op dit moment niet meer geven dan ik al heb gedaan. Bij de begrotingsbehandeling ga ik daarover graag met u in debat.

De voorzitter:

Helder. We gaan luisteren naar de volgende spreker in dit debat. Dat is mevrouw Maeijer. Zij spreekt namens de PVV.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Dit is het "Debat over postcovid", een naam die de lading van het debat eigenlijk niet dekt, want we spreken hier vandaag over mensen die vaak al jarenlang ziek zijn. Zij lijden bijvoorbeeld aan postcovid, aan ME, aan lyme of aan Q-koorts. Hun leven is tot stilstand gekomen. Hun wereldje wordt vaak stap voor stap steeds kleiner. Ze missen het om partner, moeder of dochter te zijn, zoals ze dat waren voordat ze ziek werden. Daarmee wordt niet alleen hun leven ernstig ontwricht, maar ook dat van hun gezin en hun naasten. Op 30 november hielden zij een indrukwekkend protest op het Malieveld. Het was indrukwekkend vanwege de verhalen die werden verteld door patiënten, maar misschien bovenal door de symbolische lege rolstoelen die ook op het Malieveld stonden, als symbool voor hen voor wie het fysiek niet mogelijk was om te komen, omdat hun ziekte hen gewoon aan huis gekluisterd houdt of omdat ze niet meer onder ons zijn.

In de voorbereiding op dit debat kregen wij als Kamerleden vele mailtjes, met daarin indringende persoonlijke verhalen, verhalen met een schrijnende rode draad, namelijk patiënten die aangeven dat zij zich onzichtbaar en in de steek gelaten voelen en dat zij in stilte lijden. Zij willen zorg en perspectief. Ik heb niet de illusie dat we in dit debat alle problemen kunnen oplossen, maar ik hoop dat de vele sprekers die hier vandaag zijn, hen in ieder geval weer op de kaart hebben gezet.

Voorzitter. De minister schrijft dat hij inzet op een PAIS-brede aanpak. De mensen op het Malieveld vroegen de politiek om een aantal zaken, zoals een concreet plan voor de lange termijn, erkenning en betere zorg. Ik hoor van de minister graag per punt hoe hij ertegen aankijkt.

Voorzitter. De postcovidexpertisecentra zijn een mooie stap, maar zoals wij gisteren in een gesprek ook weer hoorden, zijn er ook obstakels. Niet iedereen kan er terecht. Mensen die fysiek niet in staat zijn om te komen, worden niet gezien. Ook is daar een wachtlijst. Ik zou graag van de minister willen weten wat de eerste resultaten zijn. Hoe worden de mensen die niet kunnen komen, toch gezien? Zij zijn toch ook belangrijk voor het onderzoek en de zorg die uiteindelijk geleverd moet gaan worden?

Voorzitter. Het was nadrukkelijk de bedoeling dat er zo spoedig mogelijk expertise werd opgedaan en dat die werd gedeeld met algemene ziekenhuizen, huisartsen en andere zorgverleners. In hoeverre komt dit nu van de grond? Er lijken namelijk knelpunten te bestaan. Wat is ervoor nodig om dit te versnellen? Hoe zorgen we er nu voor dat de kennis die er is, wordt geborgd en gedeeld?

Voorzitter. De financiering loopt dit jaar af. Hoe ziet de minister de toekomst van de centra? Ziet hij toekomst? De minister geeft aan dat dit jaar zal worden bezien waar de patiënt het beste af is. Er wordt door het veld nadrukkelijk aangegeven dat het werk nog niet gedaan is. Ik zou de minister willen vragen: dan kunnen ze toch niet sluiten? Hoe blijft die kennis anders geborgd? Die kunnen we toch niet laten verdwijnen? Ook van deze groep mensen hoor je vaak dat men van het kastje naar de muur wordt gestuurd. Welke mogelijkheden ziet de minister om mensen bij te staan in hun zoektocht naar hulp en passende zorg? De Q-koortsambassadeur pakt een aantal thema's op waar ook andere PAIS-patiënten mogelijk baat bij zouden kunnen hebben. Hoe wordt omgegaan met het leren en delen van de resultaten?

Voorzitter. Tot slot. Ik wil graag specifiek wat aandacht vragen voor een groep hele jonge patiënten: de kinderen. Kinderen die eigenlijk geen kind meer kunnen zijn; die niet of nauwelijks naar school kunnen; die niet kunnen sporten, niet mee kunnen doen met hun leeftijdsgenootjes. Ik kan me er geen voorstelling van maken wat dat met je doet; met het kind, maar ook met ouders en naasten. En rondom hen zijn er ook weer specifiekere knelpunten, zoals een betere bekendheid en scholing voor professionals die met hen te maken hebben. Niet alleen de artsen, maar ook leerkracht of de jeugdhulpverlener. Heeft de minister dit in zijn vizier? Op welke manieren wil hij hierop inzetten? Heeft de minister daarbij ook oog voor de ouders van deze kinderen, die niet alleen verdriet hebben over de ziekte die hun kind treft, maar ook moeten fungeren als mantelzorger en alle praktische rompslomp moeten regelen? Ouders geven aan dat er te weinig communicatie is over het ziektebeeld bij kinderen. Gaat de minister hier bijvoorbeeld op inzetten bij de GGD en bij de consultatiebureaus?

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Mijn laatste zin, voorzitter. Mag ik die nog uitspreken? Ik zou graag willen afsluiten met een citaat uit een e-mail die wij kregen. "Voor mensen zoals ik is dit debat geen abstract beleidsmoment, maar een kwestie van levenskwaliteit, perspectief en waardigheid". Ik hoop dat we daar vandaag een klein stapje verder in kunnen komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dit leidt tot een interruptie van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Mijn laatste interruptie volgens mij. Het is niet een hele verrassende interruptie, maar ik was wel blij om mevrouw Maeijer te horen zeggen dat het niet zo kan zijn dat die expertisecentra weer gaan sluiten. Stel je voor, met de steun van uw partij zeggen we dat we ze willen openhouden. Dan zijn we al bijna bij die meerderheid. Hoe staat u daartegenover?

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik dacht dat ik daar vrij helder over was. Wij staan daar met een positieve grondhouding tegenover. Ik hoor iedereen praten over de financiën. Ik zou de minister dan ook graag willen vragen: wat kost dat eigenlijk?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we naar de laatste spreker in de eerste termijn van de Kamer: de heer Bevers. Hij spreekt namens de VVD. Ga uw gang.

De heer Bevers (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ook ik begin met een citaat. "Door de ziekte verloopt Laura's dag volgens een vast patroon. 'Ik slaap tot laat, daarna ga ik ontbijten en dan ga ik weer twee uur slapen. Dan word ik wakker om te lunchen. Als ik een beetje energie heb, kan ik misschien op bed een activiteit doen, even tekenen of een spelletje doen, en anders ga ik gewoon weer liggen'". Dit citaat komt uit een uitzending van EenVandaag, van 29 november 2025. Het maakt in een paar zinnen duidelijk wat de impact van postcovid is op iemands leven. En heel eerlijk: we hebben bijna allemaal wel iemand in beeld die datzelfde verhaal zou kunnen vertellen.

Voorzitter. Ook ik heb de afgelopen dagen heel veel berichten mogen ontvangen van patiënten met postcovid of PAIS. Veel indringende verhalen. En zoals ik net al zei: de gevolgen zijn groot. Heel veel dank voor de berichten en ook voor de gesprekken die we net nog voorafgaand aan dit debat mochten hebben. Het is soms moeilijk voorstelbaar hoe groot de invloed van een aandoening als postcovid of een ander postacuut infectieus syndroom, PAIS, is. Wij lopen hier vanavond op ons gemak naar het spreekgestoelte, we lopen de zaal in en uit. Dat is voor heel veel andere mensen al ingewikkeld. Moe, uitgeput; het leven zoals je dat gewend bent te leven, werk, school, studie, sport, een fatsoenlijke relatie onderhouden ... Het leven kan niet meer geleefd worden zoals dat bijvoorbeeld voor corona was. Sommige mensen zijn zelfs heel gevoelig voor wat wij normale prikkels noemen: licht en geluid. De gevolgen zijn ongekend groot: leven in het donker. En daar komt nog de onzekerheid bij dat een gerichte behandeling en zicht op genezing nog vaak heel ver weg zijn.

Mensen met postcovidklachten en al die andere aandoeningen moeten de juiste zorg krijgen, maar helaas blijft er nog steeds veel onbekend. Daarom wordt er ook veel onderzoek gedaan, zowel in Nederland als in het buitenland, waarbij allerlei expertises samenwerken aan een oplossing voor deze patiënten. Het kabinet heeft daar eerder al geld voor beschikbaar gesteld. Daarnaast is er tot 2028 ook nog 40 miljoen beschikbaar gesteld. Er zijn zes expertisecentra voor volwassenen en twee voor kinderen met postcovid. Om nog even terug te komen op die begroting: in die van VWS voor 2026 is er ook nog 8,5 miljoen extra vrijgemaakt voor de ondersteuning van mensen met PAIS.

Maar het is ook hoopvol. Het is hoopvol dat er wereldwijd 400 tot 500 studies lopen die naar oorzaken en effectieve behandelingen voor postcovid zoeken. De realiteit is wel dat we, hoe graag wij dat hier ook zouden willen, de uitkomsten van de wetenschap niet kunnen versnellen. Dat is een nare constatering, want iedereen zoekt naar een oplossing. Ook bij de ontwikkeling van nieuwe medicatie — we kregen vanavond wat verhalen te horen over de effecten van en ervaringen met een nieuw middel, of met een bestaand middel dat op een nieuwe manier toegepast is — zien we dat we een vast systeem hebben van hoe we naar medicatie en patiëntveiligheid kijken. De heer Krul refereerde daar in zijn bijdrage ook al aan. Het is soms zoeken naar ruimte in de bestaande regels die we hebben. Dat betekent wel dat de beschikbaarheid van medicijnen soms langer duurt dan gewenst.

Voorzitter. Vanzelfsprekend vindt ook de VVD het belangrijk dat de zorg voor postcovid en andere PAIS-aandoeningen eindelijk in de reguliere eerste en tweede lijn plaats gaat vinden. Dan bedoel ik dicht bij huis, bij de zorgverleners die je kent, die je begrijpen, die jij vertrouwt, en die herkennen en erkennen wat jij in het dagelijks leven meemaakt. In zijn stand-van-zakenbrief heeft de minister al aangekondigd dat er een onderzoek naar de effectiviteit loopt. Wij kijken daarnaar uit. Ik zal helder zijn: wat ons betreft kan de minister in aanloop naar de begrotingsbehandeling aangeven wat er verder nodig is.

Tot slot, voorzitter. Hoewel wij destijds de motie van de heer Bushoff te vroeg vonden en tegen hebben gestemd, lijkt de vraag of en hoe de minister die motie verder gaat uitvoeren ons wel gerechtvaardigd.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat leidt tot een interruptie van mevrouw Bikker. Daarna kom ik bij het lid Kostić en dan de heer Van Houwelingen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Goed om te horen dat ook de VVD nu zegt dat we moeten doorgaan met het behouden van alle kennis die in de behandelcentra is opgedaan bij mensen die postcovid hebben. Ik zou de heer Bevers wel willen vragen wat zijn verwachting is van het debat in maart. We weten allemaal dat er bezuinigingen nodig zijn om bijvoorbeeld de Defensierekening te betalen. We moeten kiezen in schaarste. Ook ik weet dat. Als ik naar mijn eigen verkiezingsprogramma kijk, zie ik ook dat we die keuzes hebben gemaakt. Maar wat is de inzet van de VVD-fractie als het gaat om deze grote patiëntengroep?

De heer Bevers (VVD):

Wat mij betreft zijn er twee momenten. Als je puur kijkt naar het verloop van de tijd, zou je zelfs nog kunnen zeggen: voor de begroting van 2027 is nog een behandeling mogelijk, maar de begroting van maart is natuurlijk een heel ingewikkelde. Ik kan daarover aan deze twee bewindspersonen iets gaan vragen, maar — ik weet niet hoe zij daar zelf tegen aankijken — er is een grote kans dat er inmiddels andere bewindspersonen zitten met een ander regeerakkoord. Het is dus heel ingewikkeld om dat aan te geven. Wat ik heb gezegd, sluit aan op de stand-van-zakenbrief die de minister in november heeft gestuurd. Daarin zegt hij dat we moeten kijken of we iets kunnen zeggen over de effectiviteit van de expertisecentra en vervolgens over hoe je daarmee verder moet. Uiteindelijk is dat de opzet; dat gaf de heer Vervuurt volgens mij ook al aan. Ik vind namelijk oprecht dat de zorg zo dicht mogelijk bij huis moet plaatsvinden. Hoe vullen we die rol nu in? Hoe effectief zijn de expertisecentra? Wat mij betreft gaat de minister, deze of een andere, duidelijk maken hoe hij daartegen aankijkt en wat de effecten zijn. In die zin zou ik dat resultaat ook wel erbij willen betrekken.

De voorzitter:

Helder. Ik dacht: hoor ik een punt? Ja, een punt. Maar mevrouw Bikker heeft daar een vervolgvraag op.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

We zouden in de klassieke valkuil kunnen vallen dat we een paar kortdurende onderzoeken doen, dan kijken wat het resultaat is geweest en dan mogelijk weer iets nieuws gaan opzetten. Dat probeer ik te voorkomen. Dan is allerlei kennis weggewandeld die we juist bij een onbekende ziekte heel hard nodig hebben, ook juist in de opbouw met al die andere landen die onderzoeken doen. Stel dat we denken: deze begroting is wel erg ingewikkeld en we hebben nog zo veel andere vraagstukken, dan is mijn zorg dat we het aan laten komen op een volgend moment. Dat is echt wel een zoektocht. Ik snap heel goed dat collega Bevers zich vandaag niet gaat vastpinnen op bedragen, maar ik denk wel dat we met elkaar een intentie kunnen neergooien. Dat we als Kamer weten: als we deze kennis nu niet behouden, maken we het onszelf alleen maar lastiger.

De heer Bevers (VVD):

Laat ik daar helder over zijn. Ik heb gezegd dat er wordt gekeken naar de resultaten en de effectiviteit. De minister heeft het zorginitiatief ook gevraagd om daarin mee te kijken. Dat loopt op dit moment. Er is inderdaad gisteren tijdens de sessie al gezegd dat daar mogelijk al in het voorjaar wat zaken bij komen. Dat geeft aan hoe we die zorg uiteindelijk ook dicht bij huis gaan organiseren. Daar spelen die expertisecentra een belangrijke rol in. Ik wil dat oordeel in ieder geval meewegen; als het kan nog in maart bij die begrotingsbehandeling van 2026, waar de heer Bushoff inmiddels ook een amendement op heeft ingediend. Als het daar ter sprake kan komen, dan graag. Als dat niet lukt, wil ik wel een inhoudelijk en kwalitatief goed oordeel over hoe we dan verdergaan. Dat kan zijn door een aantal voorstellen van de minister, of afhandeling van de motie-Bushoff. Daar wil ik open naar kijken.

Kamerlid Kostić (PvdD):

We hebben het nu over geld en over de begroting. Het is misschien goed om daarbij te beseffen dat de kosten voor PAIS op dit moment in de miljarden lopen, met name als het gaat om bijvoorbeeld uitval van arbeidskrachten. Is mijn collega het met mij eens dat als we kijken naar keuzes die in de begroting moeten worden gemaakt op dit onderwerp, ook moet worden meegewogen wat we uiteindelijk besparen als we investeren in die aanpak?

De heer Bevers (VVD):

Dat is natuurlijk altijd een bredere afweging die je maakt, zeker als het gaat om zorg en gezondheid. Je kijkt dan naar wat het directe effect is voor mensen. Daar gaat het mij primair om, zeker wat betreft het gevoel van de groep mensen waarover we het vanavond hebben. Ik ben blij dat er heel veel mensen op de tribune zitten. Het gaat erom dat wij snappen waar het over gaat en dat wij daarvoor openstaan. Wij moeten ook zien hoe groot uiteindelijk de schade voor de samenleving is. Daarin moet een afweging worden gemaakt. Je moet dan kijken naar wat er moet gebeuren. Hoe gaan we om met de schade voor de samenleving? Stel dat je het hebt en je een aantal jaren niet kunt werken of helemaal niet meer kunt werken. Ik sprak vanavond een studente die gelukkig weer haar studie op kan pakken, maar die al drie jaar studieonderbreking heeft gehad. Het is verschrikkelijk voor jou als dat je overkomt en het levert heel veel negatieve effecten op voor de samenleving. Dus ik vind dat we daar zeker breed naar moeten kijken.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van het lid Kostić. Dit is tevens uw laatste vraag.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Het is heel fijn om dit te horen, want dit is natuurlijk belangrijk als je een goede afweging wilt maken bij de keuzes die in de begroting worden gemaakt. Dat is ook een duidelijke boodschap voor de minister. Ik hoor daar graag een antwoord op terug. Mijn laatste vraag is eigenlijk de volgende. Mijn collega heeft ook patiënten gesproken. Zij zijn heel duidelijk in wat zij willen. Zij wachten al zo lang: twee jaar alleen al op dit debat. Welke concrete stappen wil de VVD vandaag ten minste met ons zetten? Kunt u drie voorbeelden noemen?

De heer Bevers (VVD):

Ik heb vanavond ook met mensen gesproken. Laat ik ermee beginnen dat het belangrijk is dat we hier beseffen wat het voor mensen betekent. Ik heb al eerder gezegd dat ik vind dat we de besluiten waarover we het vanavond hebben gehad bij de begrotingsbehandeling moeten nemen op basis van alle informatie die we hebben. Dus dat ga ik nu niet doen. Het ergste wat je mensen kunt aandoen als je in de politiek actief bent, vind ik iets zeggen wat je niet kunt waarmaken. Ik kan niet overzien wat we op dit moment wel of niet waar kunnen maken. Dat doe ik niet. Ik wil geen valse … Als ik hoop kan geven, zal ik dat zeker doen, maar dan moet ik wel weten dat ik het waar kan maken. Als ik dat op dit moment niet weet, omdat ik niet alles heb om dat goed te beoordelen, dan doe ik dat ook niet.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ook voor de heer Bevers de vraag over een zorgmotie van ons, waar de VVD tegen heeft gestemd. De heer Bevers heeft deze motie. Daarin verzochten we de minister er zorg voor te dragen dat artsen — en die zijn er — die van mening zijn dat er geen verband is tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen zich moeten kunnen uitspreken in het publieke debat zonder dat ze de Inspectie op hun dak krijgen.

De voorzitter:

Ja. We kennen de motie.

De heer Bevers (VVD):

De vraag is waarom wij tegen hebben gestemd?

De voorzitter:

Hm, hm.

De heer Bevers (VVD):

Omdat wij het niet met u eens waren.

De voorzitter:

Ja, meneer Van Houwelingen, dat is ook een antwoord.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ja, dat is een antwoord, maar het is wel heel triest. Het is wel heel veelzeggend dat de VVD — en dat is waarschijnlijk het enige dat de VVD nog kan doen — er zich met een domme grap vanaf maakt. Het is natuurlijk heel ernstig, hè. Want wat hier dus gebeurt, en dat zagen we in coronatijd ook gebeuren, is dat dit soort codes worden gebruikt door de staat om kritische artsen de mond te snoeren.

De voorzitter:

Uw vraag, meneer Van Houwelingen?

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik maak hier nu ook maar een statement, want ik krijg geen antwoord. En dat is iets waar de VVD vanuit haar zogenaamde kernprincipes van vrijheid tegen zou moeten zijn.

De voorzitter:

Meneer Van Houwelingen. Een vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Nee, ik krijg toch geen antwoord. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Oké, een statement van de heer Van Houwelingen. Geen antwoord van de heer Bevers gewenst.

Daarmee dank ik de heer Bevers voor zijn bijdrage en ook alle andere leden voor hun waardevolle bijdragen in de eerste termijn. We schorsen en daarna gaan we naar het kabinet luisteren. Ik wil dus voorstellen om strák om 21.00 uur te beginnen met de reactie van het kabinet. Ik schors dit debat tot 21.00 uur.

De voorzitter:

Ik heropen dit debat. We gaan luisteren naar de beantwoording door het kabinet van de vragen gesteld in eerste termijn. We hebben hier het debat over postcovid. Ik zou minister Bruijn even voorafgaand willen vragen hoe hij zijn beantwoording structureert, zodat ook de leden zich daarop kunnen voorbereiden.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Ik zal eerst een inleiding houden, het dan hebben over de expertisecentra, vervolgens over het onderzoek, dan overige ondersteuning van patiënten, dan over vaccinatie en ten slotte over een aantal andere belangrijke onderwerpen, soms ook gecategoriseerd als overig.

De voorzitter:

Dank u wel. Mag ik met de leden afspreken dat we ook hier dezelfde drie interrupties in tweeën of zes losse vragen aanhouden? Ik wil u ruimte geven voor de vragen die u wenst te stellen, maar ik zit tegelijkertijd ook te kijken hoe we dit debat vanavond op een goede manier kunnen afronden, en wel enigszins op tijd. Ik zou dus willen vasthouden aan drie interrupties in tweeën. Dat gezegd hebbende geef ik het woord aan de minister.

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Ik sta hier vandaag om met u te spreken over postcovidpatiënten en ook andere patiënten die een postacuut infectiesyndroom hebben, afgekort PAIS, zoals bijvoorbeeld Q-koorts, Lyme, sepsis en een aantal andere.

Voorzitter. Laat ik beginnen met te zeggen dat ik heb uitgekeken naar dit debat, omdat de groep PAIS-patiënten mij zeer aan het hart gaat. Laat ik u daar ook een persoonlijk verhaal bij vertellen. Ik heb mijn hele leven gewerkt aan ziektes die worden veroorzaakt door een afwijkend immuunsysteem. Daar heb ik mijn hele werkende leven aan besteed. Ik heb daarvoor in een ziekenhuis gewerkt, ik heb daarvoor onderzoek gedaan, ik heb ook tijdens de covidcrisis in dat ziekenhuis gewerkt. Ik heb de ellende van dichtbij gezien, en het gaat mij dus zeer aan het hart wat hier gebeurt.

Ik ben ook naar de patiënten met Q-koorts toegegaan in Brabant. Ik heb die patiënten in de ogen gekeken, ik heb ze een aantal uren hun verhalen horen vertellen. Dat waren de verhalen die hier ook door uw leden naar voren werden gebracht. Schrijnende verhalen van mensen die van gezond en levenslustig totaal geïnvalideerd raken, soms niet met het leven verenigbaar. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Christel, die bij mevrouw Van Brenk in de straat woont, en ik kan alle andere namen ook door mijn hoofd halen, want ik heb goed naar u geluisterd.

We spreken hier dus over iets wat echt heel erg is. Ik zie ook patiënten op de tribune en ik weet dat er ook patiënten meekijken via de livestream, voor een heel groot deel ook omdat zij niet in staat zijn om hiernaartoe te komen. Fijn dat u allemaal de moeite neemt om dit te volgen en om ons te informeren, te beïnvloeden ook, want het gaat over ú, en wij zijn hier met z'n allen om alles te doen om u te helpen, hoe dan ook.

Voorzitter. Ik heb, zoals ik al zei, sinds mijn aantreden als minister meerdere personen gesproken die PAIS-ziektes hebben. Ik was op 30 november op het Malieveld bij het PAIS-protest, samen met de heer Bushoff, die ook zeer betrokken is, en ook samen met de Q-koortsambassadeur. Begin november heb ik zelf een indringend gesprek gehad met een aantal Q-koortspatiënten in Noord-Brabant. Daar was ook de Q-koortsambassadeur bij.

De impact van deze ziekte op het leven van de patiënten en dat van hun naasten — die moet ik er ook echt bij noemen, want dit is een ziekte die een groep mensen treft — is eigenlijk ongekend en raakt mij dus ook diep. Ik ben daarom blij dat ik minister van Volksgezondheid ben. De patiënten en ook uw leden kunnen erop rekenen dat ik alles, maar dan ook alles zal doen en ook al doe en in de afgelopen maanden heb gedaan voor deze patiënten. We mogen verschillen van mening over de aanpak, over de financiën, over hoe we dat evalueren — dat is ook moeilijk in de wetenschap; nogmaals, ik doe dat al mijn hele leven — maar wij verschillen niet van mening over het feit dat dit een hele hoge prioriteit heeft.

We moeten dus alles doen in onze mogelijkheden om de situatie van de patiënten te verbeteren. We moeten zorgen dat huisartsen, ziekenhuizen en gemeenten oog houden voor deze mensen en voor hun ziekte. Al deze partijen zijn namelijk nodig om deze ziekte en daarmee PAIS-patiënten te erkennen en te herkennen, want het ergste voor deze groep is als ze niet erkend of als ze niet herkend worden. Ik probeer daar mijn steentje aan bij te dragen. Zo financier ik onderzoek naar postcovid en naar ME/CVS, een variant van die ziekte. In totaal gaat het om ongeveer 73 miljoen euro voor respectievelijk vijf jaar onderzoek naar postcovid en tien jaar onderzoek naar ME/CVS. Dit loopt nog een aantal jaren door. Het bedrag van 73 miljoen loopt deels tot 2028 in een aantal programma's. Ik kan daar eventueel later dieper op ingaan.

We hebben sinds anderhalf jaar postcovid-expertisecentra, waar patiënten terechtkunnen. Dat is ook voor een groot deel te danken aan uw leden. Ik noem met name meneer Bushoff. We doen dit samen. Meneer Bushoff is een grote trekker geweest. Uiteindelijk gaat het om een group effort ten behoeve van die patiënten. Er is een Lyme-expertisecentrum, waar we tussen 2017 en 2026 1 miljoen euro per jaar in investeren. Stichting Q- en C-support levert nazorg aan Q-koortspatiënten en aan postcovidpatiënten. Vorig jaar september is een Q-koortsambassadeur aangesteld om ook bezig te zijn met het belang van de patiënten en vanuit een neutrale rol, niet vanuit het ministerie, niet vanuit de Kamer, maar vanuit het ambassadeurschap op te komen voor de patiënten.

Ik hecht eraan te zeggen dat er daarnaast wereldwijd honderden onderzoeken plaatsvinden naar postcovid. Nederlandse onderzoekers — ik ben er zelf mijn hele leven een geweest — werken altijd in internationale netwerken. Wij doen dat hier niet alleen in ons kleine landje. Wij werken altijd in internationale netwerken. Daar lopen onze onderzoekers bepaald niet in achter. Dat zijn al met al ontzettend veel onderzoeken voor één specifieke ziekte, want zoals de Nederlandse patiënten intens lijden aan deze ziektebeelden, zijn er helaas over de hele wereld mensen die intens lijden aan deze ziektebeelden.

Voorzitter. Ik weet echter ook dat we er nog niet zijn en dat het nodig is om aandacht te blijven vragen voor deze groep. Uw leden hebben ook gezegd dat we geen onterechte hoop moeten bieden, maar we moeten wel hoop bieden waar het kan. We kunnen in ieder geval de zekerheid bieden dat wij er allemaal voor staan en net zolang zullen doorknokken tot we voor deze patiënten een oplossing hebben. Daarom blijven we samen met de patiënten, artsen en onderzoekers verkennen welke acties er nodig zijn, zodat patiënten, net als iedereen, zo dichtbij mogelijk de zorg en ondersteuning krijgen die hun passen.

Voorzitter. Ik wil in dat kader ook aandacht vragen voor beladen onderwerpen die leiden tot desinformatie, zoals ook is genoemd door een aantal van uw leden, en polarisatie en bedreigingen aan het adres van zorgprofessionals. Verpleegkundigen, artsen die zorg verlenen, fysiotherapeuten, ergotherapeuten en huisartsen krijgen soms te maken met agressie. Nou hoort woede bij rouw, dus tot op zekere hoogte kan een goede professional dat plaatsen, maar daar zit wel een grens. Die grens bewaken ook ik, Justitie en wij met z'n allen. Die grens moet heel helder zijn. Ik zie helaas steeds vaker op social media dat meningsverschillen over bijvoorbeeld behandelmethoden worden uitvergroot en dat wat als inhoudelijke discussie begint, uitmondt in bedreigingen en intimidatie van zorgprofessionals.

De heer Van Houwelingen heeft aandacht gevraagd voor bedreiging en intimidatie. Die zijn natuurlijk ten enenmale niet aan de orde voor de zorgprofessionals waar ik als minister voor sta. Die zijn wat mij betreft dus ontoelaatbaar.

Voorzitter. Dan ga ik in op de expertisecentra, het tweede blokje. De fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid en mevrouw Maeijer van de PVV hebben vragen gesteld over de expertisecentra.

De voorzitter:

Voordat u daarover begint: het lid Kostić heeft een vraag voor u.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik waardeer de aardige woorden van de minister over zijn betrokkenheid bij de patiënten en dat hij het allerbeste voor ze wil, maar we hebben als Kamerleden allemaal direct contact met ze en ik kan u vertellen dat zij helaas niet blij zijn met de daadwerkelijke acties van de minister. Mijn vraag gaat over de budgetten waar de minister het over had, want het lijkt nu alsof er nog heel veel geld gaat naar onderzoek naar PAIS, terwijl we weten dat de financiering voor het onderzoek naar postcovid eigenlijk al bijna is afgelopen. Er wordt bezuinigd op C-support, met 70%. Zo zijn er een aantal dingen. Ik vraag de minister om daar open en eerlijk over te zijn. Er komen best keiharde bezuinigingen en er is nog steeds geen uitzicht op goede financiering en geld voor een structurele aanpak van alle PAIS-ziektes.

Minister Bruijn:

Ik begrijp de vraag. Als u het goedvindt, kom ik daarop terug, in detail, maar niet op dit moment. Dan moet ik mijn hele volgorde gaan omdraaien. Ik beloof u dat ik daarop terugkom.

De voorzitter:

Ik heb het idee dat de onderwerpen die het lid Kostić noemt in de blokken allemaal geadresseerd worden.

Minister Bruijn:

Zeker.

De voorzitter:

Zullen we dan op de antwoorden wachten? Dan is het aan u om daar een vervolgvraag op te stellen. Dan houden we de orde even aan zoals de minister die voorstelt.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Natuurlijk, maar de minister begon zelf over de budgetten en voor het publiek leek het even alsof er nog allemaal geld op tafel lag voor PAIS. Ik wilde daar gewoon op inspelen, maar misschien komt het straks terug.

De voorzitter:

Helder.

Minister Bruijn:

Voorzitter. We beginnen even met de eerste resultaten uit de expertisecentra. Dat was de vraag van GroenLinks-Partij van de Arbeid en de PVV, van mevrouw Maeijer. Het is een mooie eerste stap, maar er zijn ook obstakels. Wat zijn de eerste resultaten en worden mensen die niet komen ook gezien? Dat zijn een aantal verschillende vragen rondom de expertisecentra, relevante vragen. De eerste postcovid-expertisecentra zijn nu een jaar open en inmiddels hebben zes van de zeven umc's zo'n expertisecentrum voor volwassenen. De artsen en onderzoekers die in die centra werken, werken hard om kennis en ervaring op te doen en te leren van alles. U vraagt naar de resultaten.

Een kort overzicht van wat we weten op dit moment. In die centra zijn inmiddels ruim 800 patiënten gezien. Die worden daar overigens gezien in de context van wetenschappelijk onderzoek. Ze zijn niet primair gericht op patiëntenzorg. Dan zouden ze ook veel ruimer moeten zijn. Daarom kunnen ook niet alle patiënten daar terecht. Artsen zien dat van die 800 patiënten 95 zogenaamde "post-extertionele malaise", PEM-klachten, hebben en een kleine 25% posturaal orthostatische tachycardiesydroom, POTS. Dat gaat dus over hartschade, ook genoemd door een van uw leden. De gemiddelde leeftijd van de patiënten ligt rond de 50 jaar en het merendeel is vrouw.

Uit de eerste voorzichtige resultaten blijkt dat POTS — dat is de tachycardie, het hartprobleem — goed te behandelen is met een combinatie van zout water en steunkousen. Daar knappen de patiënten van op. Dat komt dus uit die expertisecentra. Voor de behandeling van de PEM, dus die post-extertionele malaise — kortom, dat je je verschrikkelijk voelt als je je hebt ingespannen — zien artsen goede resultaten met adequate pacing — dat is een zelfhulpstrategie waarbij je activiteiten doseert en afstemt op je energieniveau — en het medicijn low dose naltrexon, LDN. Dat is ook al genoemd. Ook geven patiënten aan het fijn te vinden slechts één internist te hoeven zien. Dat zijn dus positieve resultaten van de expertisecentra.

Waarom, zo vraagt een aantal leden, is er geen structurele financiering voor de klinieken en expertisecentra? Ik heb ook gehoord dat de postcovidcentra gefinancierd moeten blijven en niet mogen stoppen, van andere leden. GroenLinks-PvdA en 50PLUS en de leden Dijk, Bikker, Van Dijk en Van Brenk hebben het hier eigenlijk allemaal over gehad. De vraag is hoe het met de langjarige financiering zit. Laat ik ten eerste zeggen dat ik de wens deel om de zorg voor deze groep patiënten zo optimaal mogelijk te organiseren. Dat doel hebben we natuurlijk allemaal. De expertisecentra hebben eenmalig extra financiële middelen gekregen voor een looptijd tot en met 2026 om te kunnen komen tot oprichting. Dat was een soort startsubsidie voor deze centra, die primair op onderzoek gericht zijn en niet op structurele grootschalige patiëntenzorg. Daar kom ik straks op.

Voor een groot deel van de zorg in de expertisecentra — dat onderzoek wordt namelijk gedaan aan de hand van patiënten — geldt dat eind 2026 kan worden bezien of en hoe die zorg in de reguliere bekostiging landt. Een aantal leden heeft er ook al aan gerefereerd dat we in de loop van 2026 evalueren wat de opbrengst is. Het is nu verder aan het veld om de handschoen op te pakken en invulling te geven aan wat passende zorg is voor deze patiënten. Dat kan in de eerste, in de tweede of in de derde lijn zijn.

De voorzitter:

Ik dacht: maak even dit punt af, minister. Het hoeft niet het hele blokje te zijn, maar de expertisecentra in het geheel. Daarna kijk ik even. Anders gaan we vragen stellen waar wellicht het antwoord nog op komt.

Minister Bruijn:

Dat is goed, voorzitter. Het is onzeker of de expertisecentra in 2027 nog doorgaan. Dat was een vraag van het Kamerlid Ten Hove. Wetenschappelijk aantoonbare behandeling speelt een rol. Kan het ZIN iets zeggen over de onderzoeksopzet? Mensen wachten nog op veel resultaten van het onderzoek dat tot nu toe is gedaan in de expertisecentra, naast de resultaten die ik genoemd heb.

Dan ga ik naar de uitspraak van de Adviescommissie veelbelovende zorg van het Zorginstituut. We moeten namelijk kritisch kijken naar dat onderzoek; dat is ook in het belang van de patiënt. Dat hebben we dus gedaan. De uitspraak is dat het onderzoek naar medicijnen — dat zijn dus niet de opbrengsten waar ik het net over had, maar experimentele behandelingen — dat door de expertisecentra is opgezet niet tot een antwoord op de pakketvraag zal leiden. Dat is wat mij betreft geen kritiek op de expertisecentra. Je weet namelijk als je aan een onderzoek begint niet altijd, en vaak zelfs niet precies, hoe dat zal uitmonden. Daarom is onderzoekfinanciering ook altijd voor een aantal jaren. Je moet je dan opnieuw melden. Dan wordt er weer door experts gekeken of het doorgezet gaat worden. Zo heb ik ook mijn hele leven mijn eigen onderzoek moeten financieren, door het steeds weer aan te vragen.

Het is natuurlijk jammer dat dit stuk van het onderzoek door het Zorginstituut niet tot een antwoord op de pakketvraag zal leiden. Die vraag is: kan dit verzekerde zorg worden in het pakket, omdat het aantoonbaar helpt? Dat is jammer. Van de medicijnen die worden onderzocht, kan in dit onderzoek nu namelijk niet worden vastgesteld of ze werken. Ze kunnen dus op basis van dit onderzoek nog niet instromen in het pakket. Dat is nou eenmaal het systeem. We willen patiënten geen zorg geven waarvan niet in redelijkheid, statistisch en wetenschappelijk is aangetoond dat het werkt. Dat is de afspraak en die ligt vast in de Zorgverzekeringswet, die uw Kamer heeft vastgesteld.

Voorzitter. Bij wetenschappelijk onderzoek horen tegenslagen. Dat is vervelend, maar dat kunnen we niet veranderen. Dat geldt vooral wanneer we buiten de gebaande paden gaan, zoals we met deze centra doen. De expertisecentra hebben besloten dat de zorg voor postcovidpatiënten doorgaat in 2026. Daar is dus ook financiering voor. Ik ben blij dat we, zoals ik net gezegd heb, daarnaast ook heel veel leren. Dat doen we niet alleen binnen de expertisecentra, maar ook in andere lopende onderzoeken, bijvoorbeeld vanuit ZonMw of internationaal. De lessen uit de expertisecentra kunnen daaraan bijdragen. Uw leden hebben ook al bij herhaling gerefereerd aan het feit dat er internationaal 400 tot 500 studies lopen naar allerlei soorten geneesmiddelen voor PAIS-patiënten. We zijn dus niet in ons eentje bezig in Nederland. Daar wordt grootschalig onderzoek naar gedaan, gelukkig. Dat is ook belangrijk.

Nog even over de expertisecentra: ben ik bereid om de mogelijkheden te onderzoeken om de reikwijdte van de expertisecentra te verbreden van postcovid naar andere aandoeningen? Dat vroeg de heer Van Dijk van de SGP. Ik begrijp natuurlijk waar de vraag vandaan komt, maar het is belangrijk dat ook patiënten met andere PAIS, zoals Lyme, ME/CVS en Q-koorts, perspectief krijgen op voor hen passende zorg. Daarom stelt de heer Van Dijk die vraag natuurlijk ook.

Zoals ik al aangaf, ga ik als minister niet over de inhoud en de organisatie van de zorg, noch over de inhoud en de organisatie van wetenschappelijk onderzoek. Dat is namelijk aan het zorgveld. Het is aan hen om invulling te geven aan wat passende zorg is voor de patiënten in de eerste, de tweede of de derde lijn en aan hoe ze onderzoek willen opzetten. Ik begrijp van hen dat de zorg in de expertisecentra — ik zei het al — sterk is verknoopt met dat onderzoek. Het is wel belangrijk om ons dat te realiseren. Het zijn geen behandelcentra. Zo zijn ze ook niet bedoeld. Het zijn onderzoekscentra. Het is voor dat onderzoek wel noodzakelijk dat de groep heel duidelijk wordt afgebakend. Als je daar dus allerlei verschillende ziektebeelden door elkaar heen gaat onderzoeken, dan wordt, ook in mijn ervaring, dat onderzoek er voor de patiënt uiteindelijk zeker niet beter van. Dit zeg ik als antwoord op de vraag van de heer Van Dijk.

Op dezelfde manier verbindt het NLe, het Nederlands Lymeziekte-expertisecentrum, zorg en onderzoek met Lyme. Daar wordt dus afgebakend onderzoek gedaan naar patiënten met Lyme. Ik zou bijna het volgende zeggen. Het is al ingewikkeld genoeg als je het separaat onderzoekt. Laten we ze in ieder geval in dit stadium dus niet door elkaar heen mengen — in de wetenschap heet dat contamineren — omdat de kans dat daar iets gerichts uit komt waar de patiënt echt verder mee kan, waar de patiënt écht mee geholpen wordt, alleen maar kleiner wordt.

Het is in dit stadium niet voor de hand liggend om patiëntengroepen te vermengen, maar alle inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met postcovid of Lyme kunnen later natuurlijk wél — dat is ook de gedachte van de heer Van Dijk — van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere postinfectieuze aandoeningen. Met die uitgangsgedachte van de heer Van Dijk ben ik het natuurlijk eens.

Dan vraagt de heer Van Dijk ook: hoe kunnen we patiënten helpen die niet in staat zijn om naar de centra toe te komen? Helaas zijn die er. Op het Malieveld stonden heel veel stoelen, honderden stoelen, waar alleen maar een foto op geplakt was — dat was indrukwekkend — van patiënten die thuis, online, meekeken naar die manifestatie, omdat ze er zelf niet bij konden zijn. De jongedame die het had geïnitieerd en georganiseerd, kon er ook niet bij zijn. Zij was op een groot scherm, te zien vanuit haar bed, aanwezig. Dat was natuurlijk indrukwekkend. Ik was blij dat ze er in ieder geval op die manier bij konden zijn.

De heer Van Dijk vraagt hoe we de patiënten kunnen helpen die thuis geïmmobiliseerd in bed liggen, soms niet eens licht of geluid kunnen verdragen en zeker niet naar de huisarts kunnen, laat staan een expertisecentrum. Hij vraagt hoe we die kunnen bereiken en of we, bijvoorbeeld in samenwerking met gepensioneerde huisartsen, iets kunnen opzetten. Mij zijn ook signalen ter ore gekomen van mensen die zo zwaar zijn getroffen door een postinfectieuze aandoening dat ze aan het bed gebonden zijn en daardoor heel moeilijk terechtkunnen in de zorg. Voor deze mensen staat het hele leven stil. Dit moet ongelofelijk frustrerend zijn. Zoals we weten, is het soms ook niet met het leven verenigbaar. Ik ben het met de heer Van Dijk eens dat ook voor deze patiënten passende zorg hard nodig is.

In dat verband heb ik op het Malieveld gesproken met een aantal betrokken patiënten en met een huisarts, de heer Alfons Olde Loohuis. Ik wil hem toch echt noemen. Hij is een strijder aan het front. Hij is zeer betrokken bij deze patiënten en zoekt hen met regelmaat thuis op. Het zijn dit soort artsen en onderzoekers, met oog voor de patiënt, die het verschil maken. Weet dat ik vanuit mijn ministerie met diverse betrokken partijen in gesprek ben over specifiek deze problematiek: hoe bereiken we structureel de patiënten die hun huis niet uit kunnen komen vanwege deze ziekte? Onder meer door het PCNN — dat is het Post-COVID Netwerk Nederland — de Federatie Medisch Specialisten en C-support wordt hard gewerkt om alle reeds verworven inzichten over postcovid en andere postacute infectiesyndromen te delen. Zorgverleners en betrokken professionals overal in Nederland moeten hiervan op de hoogte zijn. We werken dus heel hard aan de kennisverspreiding, met name naar de eerste lijn. Daartoe is terecht opgeroepen door uw Kamer. Patiënten hebben ook baat bij die kennisverspreiding. Met nieuwe ziektebeelden duurt dat soms lang, maar er zit een enorme push achter, ook vanuit ons. Ik ben met de partijen in gesprek.

Ook vraagt de heer Van Dijk of er behandelingen zijn die al langere tijd met succes worden toegepast maar nog niet vergoed worden, zoals LDN, en of ik me ervoor inzet dat die breed beschikbaar komen. Ik deel de wens om de zorg voor deze groep patiënten zo optimaal mogelijk te organiseren. Voor een groot deel van de zorg in de expertisecentra geldt dat eind 2026 kan worden bezien of en hoe deze zorg aan postcovidpatiënten in de reguliere bekostiging landt. We hebben het in maart over de begroting. Uw leden hebben daar ook al aan gerefereerd. Dat is de begroting van 2026. In 2026 zijn er middelen voor de postcovidcentra. Voor het experimentele deel, veelal de behandeling met medicatie zoals LDN, kan dat nog niet in 2026. Ik begrijp het ongeduld, maar ik hecht sterk aan het doorlopen van de reguliere procedures. Het is namelijk een zorgvuldig proces en we moeten eenduidigheid in het basispakket borgen. In eerste instantie is het aan professionals en verzekeraars om te beoordelen of de behandelingen vergoed kunnen worden vanuit het basispakket. Daar wordt dus heel hard aan gewerkt.

Ik heb nog een paar vragen in dit blokje, voorzitter. Als u eerst laat interrumperen, dan is dat natuurlijk prima.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de leden. Wensen die nu te interrumperen?

Minister Bruijn:

Ik heb nog vier vragen te beantwoorden.

De voorzitter:

Dan onderbreek ik de minister en gaan we naar de vragen van de leden. Ik begin met een vraag van de heer Krul.

De heer Krul (CDA):

Ik sta nu voor de tweede keer op, want de minister geeft twee keer hetzelfde antwoord. Aan het begin van zijn blokje gaf hij hetzelfde antwoord als nu. Hij geeft namelijk terecht aan dat er voor het lopende jaar nog financiering is. Ook heeft hij vanuit zijn vorige leven een inkijkje gegeven in de werkwijze van een onderzoeker. De signalen die ons bereiken, zijn dat onderzoeksaanvragen al worden afgewezen in het lopende jaar, terwijl de financiering er eigenlijk nog is. Er wordt eigenlijk al gezegd: kom maar niet door met die onderzoeksaanvragen, want we weten niet of we er het jaar erop nog geld voor hebben. Met andere woorden, dat betekent dat er zelfs in het lopende jaar, waarin die financiering geborgd is, minder ruimte is voor onderzoek. Kan de minister dat bevestigen?

Minister Bruijn:

Het onderzoek naar postcovid dat via ZonMw door ons wordt bekostigd, is een vijfjarig programma dat loopt tot 2028. Dat gaat over 41 miljoen euro. Daarna is het natuurlijk weer kijken hoe, in welke omvang en in welke mate het onderzoek weer gefinancierd gaat worden. Op dit moment gaan we daar natuurlijk niet over.

De voorzitter:

De heer Krul heeft een vervolgvraag.

De heer Krul (CDA):

Ik kader 'm iets meer in. Stel dat een briljante wetenschapper als de heer Bruijn vandaag op de stoep staat bij een expertisecentrum met een geweldige onderzoeksopzet en aangeeft dat hij graag onderzoek zou willen doen. Ons bereiken echter de signalen dat men nu al zegt dat dat niet gaat. Ondanks dat ze nu wel financiering hebben, hebben ze die het jaar erop misschien niet meer. Ik denk dat dat zonde zou zijn. Is de minister dat met ons eens? Moeten we daar niet iets mee?

Minister Bruijn:

Dat is ten eerste uiteindelijk een financiële vraag, die we natuurlijk in maart tijdens de begroting 2026 behandelen. U vraagt wat ik zelf zou doen als ik onderzoeker was. Ik zou bijvoorbeeld naar Horizon 2020 in Europa gaan, waar ook geld is voor onderzoek, ook voor dit onderzoek. Als ik specifiek zou willen weten hoe de nieren van deze patiënten worden getroffen, zou ik naar de Nierstichting gaan. Er wordt ook gesproken over hartschade; daarover heb ik het ook gehad. Dan zou ik naar de Hartstichting gaan. Kortom, er zijn buiten ZonMw en al helemaal buiten VWS ... Eigenlijk zijn wij er niet om onderzoek rechtstreeks te bekostigen. Je moet onderzoek ook niet afhankelijk maken van tijdelijke subsidies vanuit een ministerie. Daarom waren wij destijds ook terughoudend met de expertisecentra, maar goed. Kortom, de heer Bruijn zou zich maximaal inzetten om waar dan ook middelen te verwerven. Dat hoeft zeker niet alleen bij ZonMw te zijn. Maar nogmaals, de bekostiging voor het onderzoek bij ZonMw loopt tot 2028, die 41 miljoen. Ik ga niet over hoe dat geld wordt besteed. De afweging die door ZonMw wordt gemaakt om het ene onderzoek wel en het andere niet te financieren of om al heel veel van het geld in de beginperiode van de tijdspanne te investeren of juist later, is echt een zaak van ZonMw.

De heer Jimmy Dijk (SP):

De minister had het over de grote groep mensen die thuiszitten en het fysiek niet kunnen opbrengen om naar een expertisecentrum te gaan of misschien zelfs om zorg te vragen. Hij roemde de huisarts die op huisbezoek gaat bij deze mensen. Hij zei: ik ben hierover in gesprek. Dan zou ik graag willen weten of daar iets uitkomt wat een vaste structuur heeft en niet afhankelijk is van goede huisartsen die hier hart voor hebben en eigenlijk op eigen houtje iets aan het opzetten zijn. Vindt de minister dat er een structurele aanpak moet komen voor de mensen die nu thuiszitten, geen huisbezoek krijgen en niet in staat zijn om zelf ergens naartoe te gaan?

Minister Bruijn:

Natuurlijk vind ik dat. Ik ben het ook zeer met de heer Dijk eens dat dit niet wordt bereikt als het afhankelijk is van één pionier. Tegelijkertijd huldigen we die pionier wel dat hij dat werk heeft gedaan en het goede voorbeeld heeft gegeven. Hij laat zien dat het kan en inspireert zijn collega's ook. Ik ben daar nu dus over in gesprek — daar is de heer Olde Loohuis ook bij betrokken — met de betrokken partijen, zoals de huisartsen. Er stond in januari van dit jaar, deze maand dus, een heel mooi overzichtsartikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde — ik kan u dat eventueel nog doen toekomen — waarin de conclusie van de huidige stand van zaken was dat de eerste lijn bij de behandeling van deze patiënten het aangewezen eerste station is. Het gaat dan om de diagnose en therapie. Daar kan getrieerd worden, maar dan moeten wij wel zorgen dat de kennis daar ook aanwezig is. Dat is ook waar u op doelt. Dat geldt dus ook voor een huisarts die een patiënt thuis gaat bezoeken. We investeren daar dus ook middelen in. Ik kan de bedragen allemaal noemen, maar ik zal u er niet mee vermoeien. Naast dat ik daarover in gesprek ben, investeren we natuurlijk ook in die kennisverspreiding, om te beginnen in de eerste lijn. Dat gaat niet alleen over huisartsen, maar ook over ergotherapeuten en fysiotherapeuten. Dat doen we om die eerste lijn in stelling te brengen. Op dit moment is de stand van zaken in de medische wetenschap — ik ga ook af op de experts — dat de eerste lijn ook de eerste opvanglaag moet zijn voor de patiënten en dat die beter moet worden toegerust, ook als het gaat om thuisbezoeken. Dat doet niet af aan en zegt verder niks over de enorme inspanning die huisartsen natuurlijk, ook op dit terrein, al leveren.

De voorzitter:

De heer Bushoff heeft op dit punt een vraag voor de minister.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

De minister schetst aan de ene kant de positieve bevindingen uit de expertisecentra. Aan de andere kant schetst hij ook wegen die waarschijnlijk niet leiden tot de gewenste resultaten, namelijk de verzekerde zorg als het gaat om de medicijnen die nu zijn onderzocht. Zijn die twee elementen niet juist twee dijken van argumenten die pleiten voor het openhouden van die expertisecentra? Aan de ene kant leveren ze namelijk positieve resultaten op. Aan de andere kant laten ze ook zien dat er nog meer onderzoek nodig is en er nog meer kennis opgedaan moet worden. Wat we nu over medicatie weten, leidt namelijk nog niet tot de gewenste resultaten.

Minister Bruijn:

Ik zou bijna zeggen: ja, natuurlijk. Het is daarom ook heel goed dat er heel veel onderzoek gedaan wordt. Het gaat dan om wereldwijd onderzoek; er lopen 400 tot 500 studies naar allerlei geneesmiddelen. Ook in Nederland lopen er studies. Maar het is natuurlijk een zaak van het medische veld, bestaande uit onderzoekers en hulpverleners, om te bepalen in wat voor infrastructuur dat gebeurt, waar dat gebeurt en door wie dat gebeurt. Die bepalen of dat in de derde lijn in een expertisecentrum gebeurt, in de eerste lijn bij de huisarts, of in een combinatie daarvan. Er wordt natuurlijk ook nog veel laboratoriumonderzoek gedaan naar hoe dit virus kan leiden tot zo'n disregulatie van je immuunsysteem dat je volledig invalide bent. Daar doen we natuurlijk ook moleculair onderzoek naar in de wereld. Er vindt ook veel uitwisseling van die kennis plaats in de wereld. Nederland zal zeker niet achteraan staan als het gaat om die kennis, zowel bij het brengen als bij het halen daarvan. Het korte antwoord is dus dat ik dat volledig deel. Maar het is niet aan mij om te bepalen in welke infrastructuur een bepaald onderzoek het best gedaan kan worden; dat is aan de onderzoekers. Zij worden gepeerreviewd door wetenschappelijke commissies van de organen die het geld ter beschikking stellen, en niet door mij.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Een deel van dit antwoord baart mij wel enigszins zorgen. Het geeft me een beetje een flashback naar 2023 en 2022, eigenlijk naar de aanloop van het tot stand komen van die expertisecentra. Ook toen wees iedereen naar elkaar: de politiek, de zorgverzekeraars en de zorg. Daar waren de patiënten niet mee geholpen. Vandaaruit is toen uiteindelijk gezegd: dan moet de politiek de verantwoordelijkheid nemen om niet zelf het onderzoek te doen en niet zelf die mensen te zien, maar in ieder geval de infrastructuur te bieden, zodat de academische ziekenhuizen en de onderzoekers die expertisecentra kunnen oprichten. Dat is eigenlijk wat we nu weer vragen: wijs niet naar elkaar, maar zorg ervoor dat de infrastructuur om dat onderzoek te doen en om de patiënten te blijven zien, in stand wordt gehouden.

Minister Bruijn:

Het is dus aan de onderzoeksinstellingen, in dit geval de derdelijnsziekenhuizen, om te bepalen of zij deze vorm van onderzoek en deze infrastructuur nog geschikt vinden. Dat kan heel goed wel zo zijn. De heer Bushoff doelt, denk ik, vooral op de manier waarop we dat financieren. Daar gaan wij hier natuurlijk wel over met z'n allen — althans, voor een heel groot deel; er kan ook subsidie uit Europa komen. Dat is natuurlijk een zaak voor de begrotingsbespreking.

De voorzitter:

Meneer Bushoff, uw derde vraag.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik ga toch mijn derde vraag aan dit onderwerp besteden. Het neigt wel heel erg naar: het is aan het zorgveld zelf om dit te organiseren. Natuurlijk spelen zij daar ook een rol in. Maar wat is nou juist de kracht van wat we hebben opgezet? Dat er een samenwerking is tussen het Post-COVID Netwerk Nederland, de NFU, de vertegenwoordigers van die academische ziekenhuizen, en het ministerie van VWS. Tijdens de werkbezoeken die ik heb afgelegd en de gesprekken die ik heb gevoerd met de NFU, met mensen van het ministerie, met de expertisecentra, met het Post-COVID Netwerk Nederland, zeggen ze allemaal: juist die samenwerking is zo ontzettend waardevol. Het zou zo zonde zijn als die nu knapt en we eigenlijk weer terug bij af zijn.

Minister Bruijn:

Dat bestrijd ik ook niet. Dat is dus aan die onderzoekers. Als dat hun conclusie is, dan staat het ze vrij om daar op die manier mee door te gaan. Er wordt ook heel veel covidonderzoek gedaan buiten de expertisecentra. Expertisecentra zijn in ieder geval geen behandelcentra voor de patiënten. Laten we dat dus vooral niet door elkaar halen. De patiënt is het beste af in de eerste lijn. Dat is niet in een expertisecentrum. Een expertisecentrum is voor onderzoek. Als de onderzoekers zeggen "wij willen deze infrastructuur behouden", dan staat dat ze vrij, los van hoe dat wordt bekostigd en door wie. Daar kunnen we bij de begroting over spreken. Dat geldt voor de hele zorg en de hele researchinfrastructuur. Dat geldt ook voor het laboratoriumonderzoek, de manier waarop je je laboratorium inricht en de spullen die je gebruikt. Dat is echt aan de onderzoekers.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Er is natuurlijk enorm veel overlap tussen de verschillende PAIS-ziektes. In die expertisecentra zijn postcovidpatiënten welkom, maar al die andere PAIS-patiënten niet, terwijl daar wel kennis wordt gebruikt die eerder opgedaan is met andere PAIS-ziekten, zoals ME/CVS. Vindt de minister het dan niet, net als wij, een beetje krom dat juist ME-patiënten daar niet welkom zijn en daar geen gebruik van kunnen maken, en dat die kennis niet ook voor hen en uiteindelijk voor het bredere zorgveld kan worden opgebouwd?

Minister Bruijn:

Die vraag is door de heer Van Dijk ook al gesteld, maar ik herhaal met plezier mijn antwoord. Ik begrijp dat dat op het eerste gezicht krom is, zeker als je ervan uitgaat dat dit behandelcentra zouden zijn, maar dat zijn het niet. Het zijn onderzoekscentra. Het is al heel moeilijk om dit onderzoek te doen. Je moet patiënten een tijd volgen en op een bepaalde manier behandelen. Er moet een controlegroep bij zitten die niet of met een placebo wordt behandeld. Nou, ik zal niet in details treden, maar dat is ontzettend lastig. Het is tot nu toe dus ook voor een deel niet gelukt, ook niet in de expertisecentra. Dat zegt niet dat dat geen goede centra zijn, maar het is heel moeilijk. Als je verschillende patiëntengroepen door elkaar gaat halen in dat soort onderzoek, wordt het alleen maar veel moeilijker. Daarom hebben we ook een apart lyme-expertisecentrum, waar onderzoek naar lyme wordt gedaan. Laat ik het zo zeggen: ik begrijp heel goed dat die onderzoekers ervoor kiezen om zich te focussen op één groep en dat bijvoorbeeld de lymepatiënten in een ander expertisecentrum worden onderzocht.

Ik heb in antwoord op de vraag van de heer Van Dijk over dit onderwerp het volgende gezegd. De onderzoekers en hulpverleners zijn natuurlijk breed en holistisch georiënteerd. Een van de eerste dingen die zij, in mijn ervaring, ongetwijfeld zullen doen als hier bevindingen uitkomen, is zeggen: hé, er zijn ook ziektebeelden die hierop lijken; zou wat we hebben gevonden misschien daarvoor ook kunnen werken of zou die ziekte misschien via dezelfde mechanismen tot stand komen? Maar voor het onderzoek zelf begrijp ik heel goed dat er in dit stadium niet voor wordt gekozen om verschillende ziektebeelden door elkaar heen te onderzoeken in zo'n expertisecentrum. Ik begrijp wel de vraag van het lid Kostić.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik denk dat veel mensen thuis het gewoon niet begrijpen. Ik snap dat de minister heel erg in zijn vak zit, maar patiënten lopen ertegen aan dat zij steeds van het kastje naar de muur worden gestuurd, dat het allemaal versplinterd is en dat het zorgveld eigenlijk niet toegerust is op de vragen die zij hebben en de problemen waar zij tegen aanlopen. Die expertisecentra waren een hoop, een lichtje. Eén gedeelte van de groep kan daar terecht. Ik zoek gewoon wat minder technische vaktaal van de minister en wat meer meedenken met waar de mensen in de praktijk tegen aanlopen, zodat we echt even praktische stappen zetten. Kan de minister daarin meedenken?

Minister Bruijn:

Ik begrijp de vraag heel goed, want het is al snel technisch en ingewikkeld, maar daar ontkom ik niet helemaal aan als ik de vragen, zoals de vraag "waarom onderzoek je niet meerdere groepen patiënten in één expertisecentrum?", serieus wil beantwoorden.

Terug naar de patiënt. De laatste stand van zaken in het Nederlandse onderzoek is heel goed weergegeven in een artikel deze maand in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Wat staat daar over de patiënt? De PAIS-patiënten zijn op dit moment het beste af in de eerste lijn. Dat zijn dus de huisarts, de ergotherapeut en de fysiotherapeut. Wat doen wij daaraan? Daar doen wij veel aan. Ik heb het ook al uitgebreid gehad over die groepen. Wij ondersteunen ze met kennis. Wij zijn met ze in gesprek over hoe we dat gaan doen. Dat gaat natuurlijk niet snel genoeg, maar dat is wel de manier om de zorg dicht bij de patiënt te krijgen, want de huisarts zit dichterbij dan een academisch ziekenhuis. Dat is ook de beste manier om de patiënt op te vangen en aandacht te geven. Het lid Kostić kan het daar niet mee eens zijn, maar dat is wel de stand van zaken op dit moment. Daar sta ik voor. Dat is gebaseerd op goed wetenschappelijk onderzoek dat wereldwijd gedaan is.

De patiënt moet primair naar de eerste lijn en kan van daaruit verder. Zo is het medische veld ook georganiseerd. Als die patiënt een bepaald orgaanprobleem blijkt te hebben binnen zijn ziekte, binnen PAIS, als er bijvoorbeeld een groot hartprobleem is, dan kan de patiënt naar de cardioloog. We hebben dus een holistische, brede eerste lijn voor de eerste opvang. We investeren enorm in kennis om de huisarts, ergotherapeut en fysiotherapeut te helpen. Ze hebben helaas tijd nodig om op sterkte te komen. Maar die werken zich helemaal uit de naad om dit te doen voor de patiënt. Dat is de lijn. Als de patiënt daarna hulp nodig heeft, kan hij verder naar de tweede en de derde lijn. Zo is de zorg voor iedereen in Nederland georganiseerd, en dat is zorg waar wij ons bepaald niet voor hoeven te schamen.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank aan de minister voor zijn introductiewoorden en zijn schets van het zorglandschap. Ik heb twee zorgen. De ene zorg betreft de manier waarop dit tot stand is gekomen, en dan denk ik ook aan de expertisecentra. We hebben heel lang gewacht omdat het ministerie telkens zei: "Wacht nou even op het veld. Als de universiteiten goed met elkaar overleggen en als de ziekenhuizen goed met elkaar overleggen, dan gaat dit wel tot stand komen, want dit is evident. Er is een patiëntengroep. Onderzoekers willen altijd onderzoeken bij een nieuwe ziekte. Dit gaat gebeuren." Maar het kwam niet van de grond. Als ik de ontwikkelingen en deze groep nu zie — ik hoor de minister verwijzen naar een Hartstichting en een Nierstichting — dan ben ik bang dat we binnen no time weer eenzelfde situatie hebben. Bezien vanuit de eerste onderzoekslogica is het immers volstrekt logisch dat het zou gaan ontstaan, maar de vorige keer hebben we gezien dat het niet gebeurt. Die andere zorg komt zo, maar ik hoor de minister hier graag eerst over.

Minister Bruijn:

Ik deel de gedachte van mevrouw Bikker, maar ik heb erbij gezegd dat de expertisecentra op dit moment worden geëvalueerd. Ik denk dat dat heel belangrijk is. We moeten ook kritisch kijken naar wat daar gebeurt en nagaan of de patiënt uiteindelijk het meeste heeft aan het onderzoek dat daar wordt gedaan. In de loop van dit jaar komen de opbrengsten van dat onderzoek, van die evaluatie, van die monitoring, en dan kunnen we deze discussie, denk ik, echt goed met elkaar voeren. Dat staat los van de financiële discussie, die natuurlijk bij de begroting thuishoort, maar daar heb ik mevrouw Bikker nu niet direct over gehoord. Dat speelt wel mee, maar juist uit respect voor de patiënt en voor de ziekte moeten we de stappen wel zorgvuldig zetten. Dat is heel vervelend, want dat kost tijd, maar dat is bij heel veel ziektebeelden zo. Dat is ook voor de dokters, de verpleegkundigen en andere zorgverleners en voor de onderzoekers heel frustrerend, maar die tijd hebben we wel nodig. De expertisecentra worden in ieder geval in 2026 nog bekostigd. In de loop van dit jaar gaan we de evaluatie doen en zien wat daar uitkomt en dan spreken we elkaar weer.

De voorzitter:

De tweede zorg van mevrouw Bikker.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ja, voorzitter. Dat kan ook "het paard achter de wagen spannen" worden. En waarom? Dan hebben we die evaluatie en dan praten we daar met elkaar over. Vervolgens heeft deze Kamer daarover nog gedachten en heeft deze minister of zijn opvolger daar nog een aantal gedachten over. De vraag wat dat financieel betekent ligt dan alweer voor bij de augustusbesluitvorming. Dan zitten we al in de tweede helft van 2026 voordat de knoop definitief is doorgehakt, en voor je het weet ben je alles opnieuw aan het opzetten. Dus wat betreft mijn eerste zorg: ik ben bang dat we dan te laat zijn en dat het paard achter de wagen wordt gespannen.

Mijn tweede zorg is dat we de patiënten ondertussen naar de eerste lijn verwijzen, naar de huisartsen. En wat hoor ik terug van patiënten? Zij krijgen heel veel goede adviezen: hoe kun je omgaan met je lagere energieniveau, hoe voorkom je dat je PEM krijgt, dat je volledig een vermoeidheidssyndroom meemaakt? Dat is helemaal niet zo bij de behandelingen die de minister net schetste, als het gaat om je hart, als het gaat om de mogelijkheden van steunkousen. Al die dingen krijg je op dit moment niet bij de eerstelijnszorg.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Mijn vraag en mijn zorg is dat op dit moment heel veel mensen wel naar de huisarts gaan, wel naar de ergotherapeut en wel naar de fysiotherapeut. Dat kost ze bakken energie, maar wat levert het ze op? En dat terwijl ze weten dat het elders net iets beter en net iets meer zou kunnen.

Minister Bruijn:

Ik deel de frustratie, maar ik kan hier geen beloftes doen die ik niet kan waarmaken. Ik kan dat niet doen als dokter en niet als wetenschapper, maar ook niet — en zo sta ik hier — als minister. Er wordt ongelofelijk hard gewerkt, door alle betrokkenen die we nu genoemd hebben, aan verbetering van die zorg. Er is een hele goede meta-analyse, om nog eens een moeilijk woord te gebruiken. Wat is nu precies de stand van zaken? Die is deze maand gepubliceerd. Ik heb vanmorgen een boek in ontvangst genomen over infectieziektenbestrijding. Ik houd het hier omhoog.

Dat is een boek van vandaag. Het is dus enorm actueel. Hierin valt te lezen dat de patiënt om te beginnen het allerbeste af is in de eerste lijn. Wil dat zeggen dat op dit moment alle patiënten in de eerste lijn ook goed worden ontvangen? Wil dat zeggen dat daar op dit moment alle kennis al is? Wil dat zeggen dat alle huisartsen ook al klaarstaan om de patiënt thuis te bezoeken? Nee, die garantie kan ik niet geven. Ik heb ook patiënten gesproken die daarmee worstelen. Dat is ook de reden dat we hier vandaag staan. Dat is ook de reden dat ik hier dagelijks mee bezig ben.

Ik sta dus geheel aan uw kant, maar het kost wel tijd. We investeren zelfs geld in het voorlichten van de huisartsen, de ergotherapeuten en de fysiotherapeuten; daar moet het gebeuren. Dat doen we omdat het inderdaad nog niet optimaal is. Dat is verschrikkelijk, maar het is niet zo dat we er niks aan doen. Het is ook niet zo dat ik de patiënten niet erken en herken, want daarom ben ik naar ze toe gegaan.

De voorzitter:

Ik kijk mevrouw Bikker indringend aan. Ja, mevrouw Bikker nog, met een vervolgvraag.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik stel deze vraag omdat ik gewoon weet dat echt duizenden mensen hiertegen aanlopen. Ik krijg namelijk mailtjes van mensen waarin zij schrijven: ik ga verhuizen om in ieder geval maar een andere huisarts te vinden, want ik kom er niet doorheen, ook bij het ziekenhuis niet. Ik heb een mailtje gekregen van een mevrouw uit Twente waarin zij schrijft: ieder expertisecentrum is voor mij te ver weg; HELP.

Minister Bruijn:

Precies.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Zij schrijft met hoofdletters: HELP. Ik geloof in wonderen, maar ik weet heel goed dat de minister die niet kan verrichten. Dat weet ik echt wel. Ik wil echter wel een verandering voor deze mensen. Als de expertisecentra een aantal behandelingen wél heeft voor een bepaalde groep, maar niet voor iedereen — daar moeten we ook eerlijk over zijn — dan moeten we wat mij betreft kijken hoe we dat kunnen verstevigen en borgen. Dan kom ik terug op mijn eerste zorg. We maken alles onzeker als we de evaluatie afwachten en te laat acteren. Ondertussen is de eerstelijnszorg niet op orde.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Juist daarom vraag ik de minister: stel het een, die expertisecentra, nou in ieder geval voor nog een poosje zeker en ga ondertussen als de bliksem aan de slag om te zorgen dat de eerstelijnszorg op een beter kennisniveau komt.

Minister Bruijn:

Ik zal het niet te lang maken. De vraag over de expertisecentra en de bekostiging hoort bij de begroting, begin maart. Ik stel voor dat we die dan bespreken. Dan kunnen we die ook afwegen tegen andere posten in de begroting. Daar kan ik nu, zeker als demissionair minister, misschien enkele weken voor de wisseling, niet met goed fatsoen iets aan toevoegen. Daar kan ik geen uitspraak over doen. Dat zeg ik met alle sympathie die ik heb voor wat mevrouw Bikker zegt. De keuze zal zijn: ga je de bekostiging al verlengen voordat je weet of het ook echt de optimale infrastructuur is om het onderzoek te doen of doe je dat niet? Dan heb je namelijk inderdaad het risico dat je de zaak voortijdig afbreekt en misschien later toch denkt: hadden we het toch maar gedaan. Die discussie kunnen we in maart voeren. Dat zal ik dan ook heel graag doen, mocht ik hier dan nog uw minister zijn. En dan nogmaals over het verspreiden van kennis: wij investeren vrij fors — dat zijn behoorlijke bedragen, van tientallen miljoenen — in het verspreiden van de kennis die er is, onder andere naar de huisarts, maar ook naar andere zorgverleners. U kunt erop rekenen dat ik daarbovenop zit.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De minister haalde Christel aan in zijn inleiding en dat raakte me. Daar wil ik hem voor bedanken. We praten echter over passende zorg. De minister heeft dat heel vaak genoemd. Christel kon echter nergens terecht. Mijn vraag is: zou het nou niet mogelijk zijn om speciale spreekuren of speciale poli's specifiek voor PAIS-patiënten te realiseren?

Minister Bruijn:

Als u het over poli's heeft, heeft u het over de tweede of de derde lijn, niet over de huisartspraktijk. Tenminste, ik neem aan dat u het zo bedoelt. De expertisecentra zijn natuurlijk een vorm van polikliniek of een vorm van opvang voor een beperkte groep in het kader van een onderzoek. Die zijn er. Of die voortgezet moeten worden en of die de beste manier zijn om dat onderzoek te blijven doen, is aan de onderzoekers. De funding hebben we ook besproken. Dat is nog best een ingewikkeld onderwerp; daar ben ik het gewoon mee eens. Je wilt het geld namelijk ook niet in de verkeerde hoek investeren.

Het kan best zijn dat het onderzoek beter op een andere manier kan plaatsvinden. Alleen, de huidige stand van zaken is dat een patiënt met zo'n ellendig ziektebeeld het best opgevangen kan worden bij de huisarts en niet in een polikliniek in de tweede of derde lijn. Daar zijn onderzoekers en zorgverleners het over eens, in ieder geval blijkens het artikel van deze maand in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Daar wordt ongelofelijk hard aan gewerkt. Men is het echt eens: de eerste lijn is de beste eerste opvang. Dat is een polikliniek in het ziekenhuis dus niet, maar dat is de huisarts.

Mevrouw Van Brenk had het over Christel. Ik heb haar expres genoemd, omdat mevrouw Van Brenk de wanhoop zo goed onder woorden bracht. Helaas moest dat. Ik heb die wanhoop ook gezien in de ogen van patiënten die ik bezocht heb in Brabant en die ik gesproken heb op het Malieveld. Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel Christel is nog mobiel en kan nog naar de dokter. Dan is de huisarts de meest nabije dokter. Dat is dus niet dat ziekenhuis met die polikliniek of het expertisecentrum, want dat ligt vaak op een grotere afstand. Daar is Christel dan het best mee geholpen voor de eerste opvang. Als Christel haar bed niet meer uit kan komen, dan — zo hebben we net besproken — geven we daar voorrang aan, prioriteit, om te zorgen dat Christel thuis bezocht kan worden. Daar heeft een pionier vanuit de huisartsenzorg de eerste stappen in gezet. We hebben hem ook gesproken, de heer Bushoff en ik, op het Malieveld. Nu gaan we dat uitrollen binnen die eerste lijn in de huisartsenzorg.

De voorzitter:

Mevrouw Van Brenk met een vervolgvraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

We praten over heel veel mensen die dit betreft. Ik snap dat de huisarts dichtbij is en dat dat makkelijk is, maar die kennis is inderdaad lang niet overal voorradig. En we praten over meer dan 300 gemeentes en zo veel huisartsen; een veelvoud. Hoe gaan we nou zorgen dat mensen op een simpele en slimme manier daarover kunnen beschikken? En is C-support daar bijvoorbeeld een van de aanjagers in?

Minister Bruijn:

Dan loop ik het toch even langs, want daar doen we dus ongelofelijk veel aan. Laat ik er ook de bedragen bij noemen. In scholing en advies aan zorgprofessionals als huisartsen, het UWV via gemeenten, daar stoppen we 10 miljoen in. In de patiëntennazorg en -informatie 47 miljoen. Scholing en advies aan zorgprofessionals als huisartsen, het UWV via — u noemde het — C-support: 10 miljoen. Dan hebben we biomedische kennis ontwikkelen over het ontstaan en verspreiden van ME/CVS via ZonMw: 33 miljoen. En kennis en expertise over diagnose, behandeling en optimaliseren, met de twee onderdelen kennisinfrastructuur Post-COVID Netwerk Nederland en het onderzoeksprogramma van diverse oproepen voor biomedisch en klinisch onderzoek naar postcovid: 41 miljoen. Tja, dat is wat we in financiële zin doen. Daarnaast ben ik dus ook in gesprek met de betrokken partijen, zoals ik eerder zei, om te kijken wat men nog meer nodig heeft.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ik hoor de minister eigenlijk zeggen dat hij de discussie over de financiering wil parkeren tot maart en een eventueel besluit over de toekomst wil laten afhangen van een evaluatie die misschien medio dit jaar volgt. Wat mij dan toch wel puzzelt, is dat we signalen kregen, bijvoorbeeld in het gesprek dat wij afgelopen woensdag hadden, over dat er ook nu, op dit moment — want de expertisecentra zijn dit jaar gewoon nog open, met financiering — knelpunten zijn met het delen van de kennis die zij opdoen. Dat zou 'm dan zitten in de beleidsregel voor innovatie, omdat die is ingesteld voor een tijdelijke pilot, dus niet voor structurele zorg en voor het verzamelen van wetenschappelijk bewijs. Dat was wat een van de artsen daar meegaf, evenals dat dat een belemmering is voor het delen van de kennis die zij nu opdoen in onderzoek. Dus het delen van de kennis met het Zorginstituut. Herkent de minister dit geluid? En zo ja, wat voor actie is hij dan voornemens om daarop te ondernemen? Want het zou toch zonde zijn dat ook in het jaar waarin er nog financiering is en ze opengaan, dat een obstakel zou zijn voor het delen van de kennis?

Minister Bruijn:

Dat is een heel belangrijk onderwerp. Ik weet niet precies over welke beleidsregel dat gaat. Ik weet wel, omdat ik er al heel lang in werk, middenin zelfs, hoe het gaat als kennis wordt opgedaan in een onderzoeksetting en hoe die kennis, als ze ook relevant blijkt en significant is, zo snel mogelijk bij de patiënten komt. Maar daarvoor moet je dus wel over die drempels. Daar zijn structuren voor en daar is Nederland over het algemeen ook snel in, vanuit mijn eigen ervaring met andere landen vergeleken. Alleen moet het dus wel voldoen aan de eis dat de patiënt er ook beter van wordt en er iets aan heeft. We gaan niet iets aan een patiënt geven als niet redelijkerwijs volgens de standaarden die we hebben — en dat is gewoon gezond verstand; wetenschappelijk onderzoek is gezond verstand — is bewezen dat het werkt. Want, zoals ook door een van uw collega's is gezegd, een geneesmiddel kan ook bijwerkingen hebben. En dan hebben we het nog niet over de kosten. Dus aan geneesmiddelen die niet bewezen effectief zijn, gaan we patiënten niet blootstellen, en dat is maar goed ook. Daar hebben we een infrastructuur voor die deels ook is vastgelegd in de wetgeving die door uw huis, de Kamer, is vastgesteld.

De voorzitter:

Een vervolgvraag. Ik zit even te kijken of we dit blokje kunnen afronden. Een vervolgvraag op dit punt?

Mevrouw Maeijer (PVV):

Ja, heel kort. Dat begrijp ik op zich. Alleen is dat iets anders dan de vraag die ik stelde. Die zag op het knelpunt daarvóór. Dat was in ieder geval mijn afdronk van het gesprek dat wij hadden en waarbij wij, en volgens mij meerdere Kamerleden, aanwezig zijn geweest: dat er knelpunten werden gesignaleerd bij de overdracht van de kennis die nu wordt opgedaan. Als ik het goed heb begrepen, zou ik dat doodzonde vinden voor het jaar waarin we in ieder geval nog een lopende financiering hebben. Dat staat even los van de discussie over een eventueel vervolg.

Minister Bruijn:

Als er in een researchsetting kennis wordt opgedaan die voldoet aan de bewijsvoering, waarvan het dus duidelijk is dat patiënten daar beter van kunnen worden, is het natuurlijk geen goede zaak als die kennis niet in het medisch beroepenveld, bij welke hulpverlener die dan ook thuishoort, terechtkomt. Dat ben ik helemaal met mevrouw Maeijer eens. Op dit specifieke geval kan ik alleen niet ingaan, omdat het mij niet helemaal duidelijk is waar het over gaat. Ik heb die arts ook niet gesproken. Misschien kunnen we daar samen nog eens naar kijken, want dan is daar iets niet goed.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het voelt een beetje als een herhaling. Het voelt alsof ik dit debat vaker heb gevoerd, op dezelfde manier, met een minister die keer op keer door de Kamer op pad gestuurd moest worden. Ik wil het geen "onwil" noemen, maar het voelt dan toch een beetje alsof het van de minister tegen de zin is. Dan heb ik het over uw voorgangers. Ik begin hierover omdat het zo onnodig lijkt. Laten we het vergelijken met andere landen. Als we bijvoorbeeld heel simpel kijken naar wat Duitsland beter doet dan Nederland, zien we forse nationale onderzoeksfinanciering voor langdurig onderzoek, namelijk 500 miljoen voor tien jaar. Er werden vroeg en snel scherpe richtlijnen en zorgstructuren ingericht. Dat was heel snel. Bij al deze dingen was er snellere klinische innovatie en behandeltrajecten, en betere patiëntbetrokkenheid. Dan bespeur ik toch wel dat er vanuit het kabinet constant een soort onwil is, wat enorme vertraging oplevert, terwijl de Kamer zegt dat we meer moeten investeren in onderzoeken en daar meer aan moeten gaan doen. Wat leert u van Duitsland?

Minister Bruijn:

Heel veel. Ik had vorige week nog de Duitse ambassadeur bij mij uitgenodigd om hierover te spreken en ervan te leren. Dat gesprek ging niet specifiek alleen over deze patiëntengroep, maar ook over het hele zorgstelsel en over de wetenschap. We kunnen van elkaar veel leren. Er wordt zeer intensief samengewerkt — daarover kan ik uit de eerste hand getuigen — niet alleen met Duitse onderzoekers, maar met onderzoekers uit de hele wereld. Maar we werken ook zeker samen met Duitsland, want daar wordt goed onderzoek gedaan. Er wordt intensief samengewerkt om van elkaar te leren, om dingen niet dubbel te doen en om daar samen in op te trekken. De hele onderzoeksinfrastructuur is op die manier georganiseerd. Van de onderzoeker tot aan de minister is er met Duitsland intensief contact. Nogmaals, vorige week had ik de ambassadeur op bezoek. Ik sta dus aan de kant van de heer Dijk: we kunnen inderdaad veel van Duitsland leren, en vice versa.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het is mooi dat we daar veel van kunnen leren en dat de minister dat ook erkent. Het verbaast me dan wel dat Nederland niet mee is gegaan in de vaart die Duitsland heeft gemaakt toen het ging over onderzoek naar en behandelmethoden van long covid, betrokkenheid van patiënten, eigenlijk de opsomming die ik net gaf. Dan zou ik toch zeggen dat hier een minister zit die zegt: Kamer, we horen u; we gaan inderdaad in die vaart mee.

Minister Bruijn:

Helaas zijn we zover nog niet. Als ik zeg dat we veel van elkaar kunnen leren — wij kunnen veel van hen leren en vice versa — dan heb ik het bijvoorbeeld over het feit dat in Duitsland bepaalde geneesmiddelen worden onderzocht en in Nederland andere geneesmiddelen. Het artikel over lidocaïne, dat overigens een observationele studie betrof, kwam uit een Nederlandse onderzoeksgroep en niet uit een Duitse. In Duitsland worden weer andere geneesmiddelen onderzocht. Dat geldt ook voor andere landen.

Gelukkig is de samenwerking tussen onderzoekers in de wereld, in ieder geval in de westerse wereld, zo intensief dat we goed kunnen zorgen dat we dingen niet dubbel doen, dat we veel van elkaar kunnen leren en dat er ook een uitwisseling is van die opbrengsten. Er is dus intensieve samenwerking. Dat heb ik mijn hele leven gelukkig ook al meegemaakt in het onderzoek. Dan kun je natuurlijk veel grotere stappen zetten. Stel je voor dat je dat niet hebt, en je gaat overal hetzelfde onderzoek doen en andere dingen allemaal niet onderzoeken; dat zou natuurlijk heel jammer of zelfs waardeloos zijn. Gelukkig wordt er dus intensief samengewerkt in de wetenschap, en dat is ook heel belangrijk. Ik ben het dus helemaal met de heer Dijk eens, maar dat we veel van elkaar leren, dat is in de wetenschap iedere dag het geval. Dat geldt zeker ook voor de goede relaties met Duitsland en voor die met wetenschappers in vele andere landen.

De voorzitter:

Zijn we hierbij dan ook bij het blokje onderzoek, minister?

Minister Bruijn:

Nee, voorzitter, want ik had nog vier vragen.

De voorzitter:

Ik dacht dat die wellicht al via de interrupties waren beantwoord.

Minister Bruijn:

Dan leg ik ze even onderop en dan kijken we op het eind of er nog vragen overblijven.

De voorzitter:

Dat lijkt me goed.

Minister Bruijn:

Dan ga ik naar het blokje onderzoek.

Mevrouw Bikker zei: "De kennis over postcovid moet echt omhoog." Ze bedoelde dat er meer kennis moet komen, denk ik, maar dat is een interpretatie van mij. "Wat gaat de minister daaraan doen?" Er is ruim 40 miljoen vrijgemaakt voor de vorming van een netwerk en een onderzoeksprogramma met als doel het vergroten en het delen van kennis en expertise over postcovid voor diagnose, behandeling en het optimaliseren van de zorg voor de patiënten. Het programma postcovid loopt van 2023 tot en met 2028. Er zijn alleen al in Nederland 30 projecten gestart binnen dit programma. Er volgt nog onderzoek uit de laatste subsidierondes. We verwachten de meeste resultaten van lopend onderzoek binnen dit programma vanaf 2026. Ik zou dus willen zeggen: er is echt hoop dat er mooie resultaten uit komen waar de patiënt beter mee door het leven kan. Tegelijk wordt er niet alleen in Nederland onderzoek gedaan, maar wordt ook in Duitsland veel geld vrijgemaakt voor onderzoek naar postcovid, zoals de heer Dijk zeer terecht heeft aangehaald. Wereldwijd lopen er honderden onderzoeken naar postcovid, waarin ook allerlei verschillende geneesmiddelen worden getest. Dat wordt in dat artikel in het NTVG ook aangehaald. De Nederlandse patiënten zijn ook gebaat bij dat internationale onderzoek, want onderzoekers en artsen werken zó internationaal samen, dat het ook gedeeld wordt als er ergens iets uit komt. Kennis gaat dan ook over de landsgrenzen heen.

Mevrouw Bikker vroeg ook: hoe wordt in de gaten gehouden wat patiënten nodig hebben en is de minister bereid om daar onderzoek naar te doen? Het korte antwoord is natuurlijk: ja. Maar nogmaals, we hebben 40 miljoen voor de vorming van een netwerk en een onderzoeksprogramma met als doel het vergroten en delen van kennis en expertise voor diagnose, behandeling en het optimaliseren van zorg. In het postcovidprogramma van ZonMw, dat een aparte geldstroom heeft, zijn patiënten en de patiëntenorganisaties uitgebreid betrokken. Dit is ook een belangrijk onderdeel van het antwoord op de vraag van mevrouw Bikker. We betrekken de patiëntenorganisaties dus ook bij de keuzes van het onderzoek en bij het monitoren. Zowel bij de vormgeving van het onderzoeksprogramma als bij de inhoud en de beoordeling van de relevantie van de onderzoeksvoorstellen wordt de stem van de patiënten meegenomen. "Wij horen u, wij halen u er graag bij". Dat gebeurt dus ook. Het is heel belangrijk.

Patiënten maken ook deel uit van de programmacommissies, waar de projecten worden bekeken en waar wordt beslist over de vraag welke richting we met het onderzoek uit gaan. Patiëntenparticipatie is zelfs verplicht in dat onderzoek, voor zover dat binnen het onderzoeksprogramma wordt gefinancierd. Dus die eis stellen we gewoon.

De heer Bushoff vraagt of kennis breder toegankelijk moet worden, bijvoorbeeld via de eerstelijnszorg. Wat is er nodig om kennis breder toegankelijk te maken? Natuurlijk is dat van belang. Iedereen is het erover eens dat uiteindelijk alle postcovid- en alle PAIS-patiënten zorg moeten krijgen die ze nodig hebben. Dat noemen we "passende zorg". Ik kan me goed voorstellen dat dit in de eerste lijn is en dat de onderzoekers en zorgverleners op dit moment zeggen: de patiënt is daar het beste af. Natuurlijk moet die eerste lijn dan ook voldoende worden uitgerust, met kennis en met inzichten.

De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis, en ook de verspreiding daarvan, een enorme vlucht genomen, dankzij al die inspanningen van onderzoekers, verpleegkundigen, artsen, ergotherapeuten, fysiotherapeuten en vele anderen. Dat is echt goed nieuws; laten we dat niet vergeten. Onder meer Post-COVID Netwerk Nederland, de Federatie Medisch Specialisten en C-support werken heel hard om alle verworven inzichten over postcovid en andere PAIS te delen en te vatten in een medische richtlijn voor zorgverleners en de betrokken professionals overal in Nederland, zodat de patiënt ook weet waar de zorgverlener zich aan moet houden. Daar is ook een vraag over gesteld. De patiënt kan er dan op rekenen dat de zorgverleners ook volgens die richtlijn moeten werken, zodat ze de aandoening herkennen, en dat ze ook weten hoe ze de patiënten het beste kunnen helpen. Bij het herkennen zit namelijk ook vaak nog een probleem, dat is ook aangehaald door uw leden. De herkenning van dat ziektebeeld is soms heel moeilijk. Dus daar werken we hard aan.

Dan een vraag van het Kamerlid Ten Hove van de Groep Markuszower: vanuit de Europese Commissie loopt nog onderzoek, moeten we daar niet op wachten? Op het woord "wachten" zou ik bijna al meteen "nee" antwoorden, na al deze interrupties. Wachten willen we zeker niet. Maar ik begrijp wel de vraag. Het ministerie van VWS financiert via ZonMw onderzoek voor 40 miljoen. Dat programma loopt tot en met 2028. Inderdaad loopt er ook internationaal veel onderzoek, bijvoorbeeld rondom multidisciplinaire zorg, trajecten voor mensen met postcovid, revalidatieprogramma's — heel belangrijk, de revalidatiesector — onderzoek naar verschillende geneesmiddelen, nationale richtlijnen die ik al genoemd heb, en er zijn dus inderdaad honderden trials. Dat zijn studies met groepen patiënten die groot genoeg zijn om conclusies te kunnen trekken, om statistische power te genereren, zeggen we dan. Die worden behandeld met een geneesmiddel. Een controlegroep krijgt een ander geneesmiddel, of niets of een placebo. Die groepen worden gevolgd en dan worden er conclusies getrokken over de verschillen. Dat is ontzettend belangrijk om patiënten straks de behandeling te kunnen geven die ook bewezen werkt. Dat zijn dus 400 studies. Het is de gouden standaard voor goed onderzoeksdesign.

Met de deelname van Nederlandse experts aan het Europese expertisenetwerk — dan hebben we het dus over Europa — zet ik in op meer Europese samenwerking rondom het uitwisselen en verbinden van opgedane kennis en uitgevoerd onderzoek. Dat Europese expertisenetwerk brengt nationale experts op het gebied van postcovid uit verschillende EU-landen samen. Dus ja, zeg ik tegen Kamerlid Ten Hove, er wordt intensief Europees samengewerkt. Maar we wachten niet. Het doel van het netwerk is om de aanpak te versterken door kennis en ervaring te delen tussen de lidstaten van de EU, en natuurlijk ook daarbuiten. Die samenwerking is van belang.

Dan de vraag van mevrouw Ten Hove: welke kansen en mogelijkheden worden gezien om inzichten vanuit Duitsland over te nemen? Ik denk dat ik die vraag al beantwoord heb. Ik zie mevrouw Ten Hove knikken, dus ik kan door.

Dan vroeg de heer Van Dijk: acht de minister het Nederlandse ambitieniveau toereikend, gezien de ernst van de problemen? Ik zou bijna zeggen: genoeg is het nooit, want de patiënten lijden zo verschrikkelijk, dat ik deze vraag eigenlijk altijd alleen maar met "nee" kan beantwoorden. Wij moeten daar dagelijks de schouders onder blijven zetten. Ik ben het wel met u eens dat we nog veel meer zouden kunnen leren over deze ziektes. Daarom financier ik 40 miljoen via ZonMw in dat onderzoek, dat nog steeds loopt. Er wordt ook wereldwijd onderzoek gedaan. Ja, het ambitieniveau is wereldwijd torenhoog, iets wat past bij de ernst en omvang van deze ziekte.

Dan de vraag van de heer Van Dijk over het onderzoek, over niet opnieuw het wiel uitvinden en over Duitsland. Ik denk dat we die vraag ook wel gehad hebben. Ik zie de heer Van Dijk ja knikken.

Dan de vraag van de heer Van Dijk over het betrekken van ervaringsdeskundigen. Dat zou niet structureel verankerd zijn in de zorgontwikkeling en -uitvoering. Hij vraagt of ik bereid ben om me daar sterk voor te maken. De patiënten en de patiëntenorganisaties zijn uitgebreid betrokken, dat hebben we met elkaar besproken. Dat is een belangrijk fundament voor dat onderzoek, ook voor mij. De patiënten moeten vooral meekijken, het gaat om de patiënt. Alleen de patiënt weet wat de patiënt meemaakt. Daarom is de betrokkenheid van de patiënt zelf essentieel. Zowel bij de vormgeving van het onderzoeksprogramma als de inhoud en de beoordeling zijn de patiënten betrokken. Ze maken deel uit van de programmacommissies en van het postcovidnetwerk Nederland. Er is vanuit mijn ministerie ook intensief contact met patiëntenorganisaties, met patiënten en met naasten van patiënten, ook door mijzelf, bijvoorbeeld met ouders van kinderen met postcovid. Daar werd ook aandacht voor gevraagd, en zeer terecht.

Dan een vraag van de leden Vervuurt en Maeijer: hoe zorgen we ervoor dat kennis die over postcovid is opgedaan, de afgelopen jaren, niet verdwijnt? Dat gaat dus over het omzetten van kennis die is opgedaan in de wetenschap en het implementeren ervan in de klinische praktijk. Ik denk dat ik dat wel besproken heb, maar ik kijk even naar mevrouw Maeijer en de heer Vervuurt of de wens is dat ik daar nog dieper op inga. Maar onze hele kennisinfrastructuur in de medische wereld is daarop gericht. Dat is ook het mooie van onze universitaire medische centra, die uniek zijn in de wereld. Daar gebeuren research, patiëntenzorg en onderwijs onder één dak. Dat is uniek. Het is ook uniek om daar te mogen werken.

Dan de vraag van de heer Vervuurt over patiënten die over de hele wereld worstelen met dezelfde klachten. Dat klopt. Hoe is de internationale en Europese samenwerking concreet doorgezet? Met de deelname van Nederlandse experts aan dat Europees expertisecentrum postcovid zet ik in op meer Europese samenwerking en dat netwerk brengt dus internationale experts bijeen. Neemt u van mij aan dat Nederlandse wetenschappers altijd, vanaf hun eerste dag, in internationale netwerken samenwerken. Ik kom weleens binnen in de kamer waarin mijn promovendi zitten en dan zijn ze met iemand anders aan het praten over een klein stukje van een molecuul. Als ik dan vraag waar die andere onderzoeker op deze planeet zit, weten ze dat soms niet eens, want ze schakelen gewoon heel snel. Het is allemaal kennisgedreven en gelukkig grensoverschrijdend in fysieke zin.

Voorzitter. Dan de overige ondersteuning van patiënten. Mevrouw Bikker vroeg: kent u een andere ziekte waarbij een groot deel van de patiënten niet gehoord wordt? Het is natuurlijk verschrikkelijk voor patiënten als zij zich niet erkend en herkend voelen door zorgverleners, omdat zorgverleners de diagnose soms niet of nauwelijks of moeilijk laat stellen. Maar dat is niet de schuld van de zorgverleners; het is namelijk gewoon een moeilijk herkenbaar ziektebeeld, dat soms ook nog eens moeilijk te onderscheiden is van andere ziektebeelden.

Het stond ook heel mooi in dat overzichtsartikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde: de patiënt moet wel individueel beoordeeld worden, want geen twee patiënten zijn hetzelfde. Ze zijn soms dus moeilijk te erkennen en te herkennen. Er is nog geen duidelijke diagnostiek. De zorgverlener doet alles wat die kan, maar het is natuurlijk verschrikkelijk voor de patiënt als die soms eindeloos tegen een muur aanloopt. Ik begrijp heel goed dat de patiënt dat zo beleeft. Daarom verspreiden we die kennis hard en snel en daarom sta ik hier ook, met inzet, omdat ik ook dat heel belangrijk vind.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik schrok er wel weer van toen ik hoorde en las dat 80% van de patiënten geen behandelaar tegenkomt met kennis van zaken. Dat is nu wel de situatie in de eerste lijn, terwijl ook in het net genoemde tijdschrift stond dat het het beste is om daar terecht te komen. Ik zou aan de minister willen vragen: als we nu langetermijnbeleid gaan maken, zouden we dan niet heel erg moeten sturen op dit percentage, opdat die 80% binnen no time 5% wordt of zo? Hoe heeft de minister voor ogen dat we die eerstelijnskennis stukken beter krijgen als we nu een langetermijnbeleid inrichten?

Minister Bruijn:

Ik ben het ten dele eens met mevrouw Bikker, maar ik ben het niet eens met haar term "lange termijn". Ik zou hier liever kortetermijnbeleid op willen maken. Daarom stoppen we daar ook veel in. Ik heb alle bedragen genoemd en alle kanalen waarlangs we die bedragen investeren. Dat is veel inspanning en ik ben in gesprek met alle betrokkenen over de verspreiding van die kennis. Dat moet ook in de bij- en nascholing gebeuren. Die kennis moet op alle manieren bij de hulpverleners komen.

De hulpverleners zelf willen dat ook graag. Het is ook niets nieuws. Er is bijvoorbeeld ieder jaar een hele grote bij- en nascholingsbijeenkomst van huisartsen in Leiden. Die worden continu bijgeschoold. Ik werd zelf ook continu bijgeschoold; nu misschien ook weer, door u. Dat is een heel belangrijk onderdeel van de medische wereld en ik denk ook dat dit op korte termijn beter moet. Ik zou er alleen geen langetermijnbeleid van willen maken, al moet het wel op lange termijn bestendigd worden. Maar de kennis zal zich waarschijnlijk blijven vernieuwen en moet dus ook steeds zo snel mogelijk naar die hulpverleners toe.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Volgens mij is uit mijn eerdere interrupties wel duidelijk geworden hoeveel ongeduld ik wat dat betreft heb, omdat ik gewoon zie wat dit voor mensen in hun dagelijks leven betekent. Maar ik zie ook dat de nieuwe kennis die wordt opgedaan, tergend langzaam doorsijpelt naar de eerste lijn, en al helemaal naar UWV en bedrijfsartsen. Er is ook groot verschil. Juist daarom vind ik het zo belangrijk dat we in dit debat ... Ik heb van de onderhandelende partijen begrepen dat het lastig is om dingen over geld te zeggen. Dat snap ik, maar dit soort afspraken kunnen we volgens mij wel maken: over wat we nu doen en over hoe we bestendigen dat we al die kennis, ook als het gaat over kinderen bijvoorbeeld, zo snel mogelijk op de plek krijgen waarvan deze mensen veel meer hulp zouden moeten kunnen krijgen dan ze daar nu vinden.

Minister Bruijn:

Zeker. Ik sta er hetzelfde in als mevrouw Bikker als het gaat om de urgentie. Maar nogmaals, we stoppen ten eerste veel middelen in de verspreiding van kennis. Verspreiding van kennis is natuurlijk niet alleen een kwestie van geld. Het moet ook in de programma's voor de bij- en nascholing. We krijgen congressen, helemaal hierop gericht, waar hulpverleners en onderzoekers uit de hele wereld samenkomen. Dat is de manier waarop we het altijd doen. Daar zit natuurlijk een enorme urgentie achter, want de patiënt moet zo snel mogelijk veel beter behandeld worden. Maar ik zeg er ook bij, en dat heb ik eerder gedetailleerd weergegeven, dat we ook vorderingen maken in de wereld wat betreft de kennis van PAIS. Er is hoop voor de patiënten.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dit is natuurlijk het blokje onderzoek. De minister noemde al dat er 40 miljoen aan onderzoeksgeld is voor onderzoeksprogramma's die nog lopen tot 2028. Dat is hartstikke mooi. Laten we hopen dat daar goede resultaten uit komen. Tegelijkertijd is er dan geen geld meer beschikbaar voor nieuw onderzoek, als er nog nieuwe aanvragen zouden komen. Zou het niet zinvol zijn om toch op korte termijn te inventariseren bij welk aanvullend onderzoek Nederland gebaat is en op basis daarvan vervolgens conclusies te trekken over hoeveel geld er nog nodig is voor de lange termijn en meerjarig vervolgonderzoek?

Minister Bruijn:

De onderzoekers in Nederland en daarbuiten kijken natuurlijk altijd wat voor additioneel onderzoek of vervolgonderzoek er kan plaatsvinden. Zo zijn de onderzoekers ook opgevoed. Ze zijn eager en creatief genoeg om dat te doen. Dat gebeurt dus vanzelf, bottom-up, zou ik bijna zeggen. Het is wel aan de subsidiërende instanties om te bepalen welk onderzoek zo kansrijk is dat het ook verstandig is om de middelen daarvoor in te zetten, in plaats van voor ander onderzoek. Daar ga ik niet over. Dat doen de programmacommissies, waar ook de patiënten in meedraaien. Dat is heel belangrijk. We hebben daar dus een goed systeem voor, waarin aan het begin van het onderzoek kritisch wordt gekeken. De discussie over de omvang van de budgetten kunnen we bij de begroting voeren, want dan moet het ook meteen op de goede plek gebeuren. Een patiënt heeft er namelijk niks aan als we daarover praten, maar geen conclusies met elkaar kunnen trekken.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Heel kort. Er loopt nu onderzoek, maar gegeven de methodiek die de minister schetste, is de bottomline zo meteen nog steeds dat er geen geld is voor nieuw onderzoek. Het zou best zinvol kunnen zijn als dat geld wel beschikbaar komt. Als de pot met geld leeg is, hebben de instanties die het onderzoeksgeld verdelen, überhaupt niet de mogelijkheid om geld te verdelen. Dat is een conclusie die we toch wel kunnen trekken.

Minister Bruijn:

Ik zou die discussie echt zorgvuldig willen voeren. Je kunt iedere euro maar één keer uitgeven, dus als we zeggen dat het geld bijvoorbeeld naar de expertisecentra gaat, dan gaat het niet via ZonMw naar meer fundamenteel onderzoek naar postcovid. De vraag in welk onderzoek je het geld investeert en in wat voor infrastructuur en in welke lijn dat terechtkomt, is vaak een heel moeilijk te beantwoorden vraag, die we heel zorgvuldig door de wetenschappers moeten laten beantwoorden. Dan moeten we hier met elkaar kijken hoe we het belastinggeld daarbij verdelen.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Minister Bruijn:

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de leden Ten Hove en Maeijer. Welke mogelijkheden ziet de minister om mensen bij te staan in hun zoektocht naar hulp en passende zorg? Lukt het om de doelgroepen op de juiste manier te vinden? Voorlichting, patiëntvoorlichting, is voor die groep natuurlijk heel belangrijk. Die hebben we eigenlijk nog niet besproken. Daarom subsidiëren we de organisatie C-support. Zij voorzien in voorlichting aan de groep patiënten waar we het over hebben.

Dan een vraag van het lid Kostić over het medische schandaal dat PAIS is. Duitsland noemt het een gezondheidscrisis. Kan de minister reflecteren op de verkeerde behandeling? Wil de minister het als gezondheidscrisis bestempelen? Is hij zoals Duitsland bereid om maatregelen te nemen? Ik ben eigenlijk al ingegaan op de relatie met Duitsland. Ik heb ook mijn eigen inzet daarbij geschetst. Ik ben ook in gesprek geweest met de ambassadeur en ben voornemens dat nogmaals te doen. Ik zie er geen meerwaarde in om dit als crisis te bestempelen. Ik zie een medisch probleem zoals we er meer hebben, alleen is dit een exceptioneel groot probleem, en voor de patiënten ook een verschrikkelijke situatie. Wij zetten ons in, en ik zet me dagelijks ook maximaal in, om dit probleem voor de patiënten op te lossen.

Voorzitter. Dan een vraag van de Partij voor de Dieren, D66, PVV, van lid Kostić, de heer Vervuurt en mevrouw Maeijer, over een samenhangende nationale strategie.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, het is een beetje een verzuchting. Het is ook voor de minister goed om te weten dat er nog steeds geen enkele patiënt die nu meekijkt, blij is met de woorden van de minister. Maar goed, dat ter kennisgeving. Ik vraag me af hoe de minister beoordeelt dat een land als Duitsland dit als een serieuze gezondheidscrisis ziet en niet alleen investeert in onderzoek, maar ook in de infrastructuur, in serieus geld voor een serieuze infrastructuur. Niet de minste professor hier in Nederland zegt: als je kijkt naar hoe de overheid decennialang is omgegaan met de behandeling van PAIS, hebben we eigenlijk te maken met een medisch-ethisch schandaal. Als de minister zegt dat hij het daar niet mee eens is, dan wil ik graag dat hij meer toelicht waarom hij daarvan afwijkt.

Minister Bruijn:

Ik heb me daar nog niet over uitgelaten. Ik heb gezegd dat ik dit niet als crisis zou willen bestempelen, maar als een groot medisch probleem dat we moeten oplossen en daar laat ik het bij. Wij staan hier voor een groep patiënten die verschrikkelijk lijden, die we helaas niet vandaag kunnen beloven dat ze morgen goed behandeld kunnen worden en zelfs niet dat elke dokter de ziekte goed zal kunnen diagnosticeren. We kunnen wel zeggen dat we ons daar maximaal voor inzetten — dat geldt ook voor mij — en dat we in gesprek zijn met Duitsland, van de onderzoekers tot en met de minister en de ambassadeur, om te kijken wat we van elkaar kunnen leren, of we onderzoek kunnen ontdubbelen en hoe de infrastructuur in elkaar zit. Als je het onderzoek wilt vergelijken tussen landen, dan moet je niet alleen kijken naar euro's — dat is een inputparameter — maar moet je vooral kijken wat eruit komt.

Wij hebben ook in Nederland stappen gezet. We hebben observaties gedaan, we hebben opbrengsten. We hebben ook gezien dat sommige onderzoeken niet tot iets leiden. Dat was onder andere een stukje van het onderzoek in de expertisecentra. Dat moet misschien anders, op een andere manier of in een andere infrastructuur. Dat hebben we besproken. Maar het is niet zo dat er geen stappen gezet worden en wij zullen ook niet rusten, van wetenschappers tot en met de minister, totdat hier een goede diagnostiek en behandeling zijn gevonden.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik begin me toch echt af te vragen wat nou precies de bedoeling van de minister is. Hij beantwoordt gewoon mijn vragen niet. Ik vraag hem om reflectie en hij blijft maar herhalen dat hij van alles doet en dat hij met Duitsland spreekt, maar dat is niet het antwoord op mijn fundamentele vragen over de beoordeling van hoe zwaar deze crisis is, deze situatie, dit probleem, en wat er in het verleden, tot nu toe, is gebeurd en nog steeds gebeurt, waar de patiënten tegenaanlopen. Daar zie ik geen fundamentele reflectie over. Ik ga toch maar één vraag stellen, die wel fundamenteel is, omdat de minister blijft herhalen dat hij echt alles doet, alles doet. Dan wil ik heel graag drie heel concrete dingen horen die deze minister heeft gedaan of nog gaat doen die echt het verschil gaan maken voor patiënten.

Minister Bruijn:

Ik ga hier geen lijstjes delen. De lijst is overigens vele malen langer dan drie onderwerpen. Ik heb de onderwerpen allemaal langsgelopen. U kunt ze in de Handelingen vinden. Als u dat wilt, voorzitter, zal ik het hele verhaal opnieuw houden.

De voorzitter:

Dat zou ik dus zelf niet willen voorstellen.

Minister Bruijn:

Wij investeren fors. Ik ben met de ambassadeur in gesprek, ik ben met de patiëntenorganisatie in gesprek, ik ben op het Malieveld geweest en ik ben in Brabant geweest. Wij investeren nu in totaal 188 miljoen, als je alles bij elkaar optelt, in onderzoek, kennisverspreiding en patiëntenzorg. Dat zijn zo drie dingen, om het laaghangend fruit maar te noemen. Ik begrijp heel goed dat de patiënt pas tevreden is als die kan opstaan en weer aan het werk kan gaan. Dat begrijp ik heel goed. Dat geldt voor heel veel ziektebeelden. Daarom werk ik al mijn hele leven met passie in de patiëntenzorg. Het is verschrikkelijk frustrerend, voor de patiënt voorop, maar ook voor ons, dat het soms heel moeilijk is om die weg af te leggen.

De voorzitter:

Tot slot, lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Poeh. Ik moet even zuchten. De minister vertelt van alles en nog wat, maar eigenlijk zegt hij "ik ben bij het PAIS-protest geweest", dat de zieke mensen nota bene zelf hebben moeten organiseren, en ik heb gesprekken gevoerd.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Kamerlid Kostić (PvdD):

Verder zegt hij dat hij investeert. Hij heeft eigenlijk helemaal niets gedaan. Hij zegt dat hij wel investeert en dan vraag ik hem nog een keer — ik heb dat aan het begin al gevraagd — of het klopt dat er straks tot 70% wordt bezuinigd op C-support.

Minister Bruijn:

Wat er straks gebeurt, is aan het volgende kabinet. Die begroting hebben we nog helemaal niet. Over de begroting … O, mevrouw Kostić is zo te zien niet tevreden met het antwoord, maar ik geef het toch maar even in alle zorgvuldigheid. De begroting voor 2026 gaan we met elkaar bespreken — daar gaan we twee hele dagen voor uittrekken — en de begroting voor 2027 is een begroting van het nieuwe kabinet. Die heb ik nog niet eens gezien, maar daar ga ik ook niet over. Dus of en waar bezuinigd wordt in de zorg, dat weet ik gewoon niet. Dat is het antwoord aan mevrouw Kostić. Aan het lid Kostić, excuus.

De voorzitter:

Kunnen we naar het blokje vaccinatie, minister?

Minister Bruijn:

Als de Kamerleden vinden dat alle onderwerpen op dit punt behandeld zijn, dan ga ik door naar het blokje vaccinatie.

De voorzitter:

Ja, graag.

Minister Bruijn:

Voorzitter, dan ga ik naar het blokje vaccinatie. Dat is een kleiner blokje, maar niet minder belangrijk. De heer Van Houwelingen vraagt: erkent de minister dat er niet alleen postcovid-, maar ook postvaxpatiënten zijn en is hij bereid om ook onderzoek naar postvax te subsidiëren? Laat ik vooropstellen dat het ontzettend naar is dat sommige mensen ernstige gezondheidsklachten hebben gekregen in de coronatijd, waarvan sommige kort nadat ze zich hadden laten vaccineren tegen het coronavirus. Het is niet wetenschappelijk bewezen dat coronavaccinaties die bijwerkingen of langdurige bijwerkingen veroorzaken. Daar wordt natuurlijk internationaal al heel lang veel onderzoek naar gedaan. Het gaat namelijk ook over andere vaccinaties.

Onderzoekers in Nederland kunnen bij ZonMw een aanvraag indienen voor een subsidie, als ze dat onderzoek zelf wensen te doen. Op basis van een objectieve beoordeling door deskundigen wordt een aanvraag dan wel of niet gehonoreerd. Ik vind het uiteraard belangrijk dat mensen die kampen met langdurige gezondheidsklachten, ook deze groep dus, passende zorg krijgen. Net als mensen met klachten na een coronabesmetting, kunnen mensen met langdurige klachten na een vaccinatie terecht bij C-support. Zij bieden onder andere ondersteuning bij het vinden van de juiste zorgverleners.

Ik heb nog een paar vragen van de heer Van Houwelingen.

De voorzitter:

Ik zie de heer Van Houwelingen, maar ik heb het gevoel dat u een heel blokje heeft, minister. Kunnen we dat afmaken? Dan kijk ik daarna of alle vragen voldoende zijn beantwoord, meneer Van Houwelingen?

Minister Bruijn:

Ik heb nog twee vragen van de heer Van Houwelingen. Dan is dit blokje al klaar.

Erken ik onderzoeksbevindingen omtrent bijwerkingen van coronavaccins? En ben ik nog steeds van mening dat messenger-RNA-vaccins veilig en effectief zijn? Het vaccinatiebeleid is gestoeld op de onafhankelijke adviezen van de Gezondheidsraad, die zich baseert op de laatste stand van de wetenschap. Er is nog steeds brede wetenschappelijke consensus over het gegeven dat de voordelen van de coronavaccinatie opwegen tegen de kleine kans op bijwerkingen. Daar is brede consensus over. Alle coronavaccins die in Nederland worden ingezet zijn goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau, het EMA. De vaccins zijn uitgebreid getest, ook op toxiciteit, en voldoen aan strenge veiligheidseisen. De kans op bijwerkingen is klein, maar kan nooit helemaal worden uitgesloten. Dit geldt niet alleen voor de coronavaccins, maar voor alle geneesmiddelen die worden toegelaten tot de Europese markt.

Ten slotte vraagt de heer Van Houwelingen of ik van mening ben dat Lareb data behoort te verschaffen. Voor de toehoorders: Lareb is een organisatie waar bijwerkingen worden gemeld. Ben ik van mening dat de data over die bijwerkingen verschaft moeten worden aan onderzoekers die de data nodig hebben om vast te stellen of de vaccinregistratie op orde is? Dat is de vraag van de heer Van Houwelingen. Lareb is een onafhankelijke stichting die zelfstandig onderzoek doet. Daar kan en wil ik geen invloed op uitoefenen. Zij publiceren ook op basis van hun data. Ik heb vertrouwen in de zorgvuldigheid van Lareb voor wat betreft hun omgang met verkregen data. Bijwerkingen worden openbaar gepubliceerd, ook op hun website. Ik kan, wil en ga niet sturen op de publicaties van Lareb of andere onafhankelijke instanties. Zo is dat nou eenmaal geregeld. Daar kan en wil ik dus geen invloed op uitoefenen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Allereerst dank voor de beantwoording. Ik wil het even scherp krijgen. Als ik de minister goed begrijp, dan zegt hij: iets als postvax bestaat niet. Maar er zijn wel allerlei artikelen over het postvaccinatiesyndroom. Ik heb die de minister ook voor dit debat opgestuurd. Hoe kan dat dan? Er zijn publicaties over. Dan is het toch iets wat bestaat, zou ik zeggen.

Minister Bruijn:

Of iets wel of niet bestaat? Die woorden heb ik helemaal niet in de mond genomen. Ik heb gezegd: alle behandelmethodes hebben bijwerkingen. Die kans is in het geval van vaccinaties extreem klein. Dat is de reden dat er wereldwijd gevaccineerd wordt en dat er consensus is. Als ik het meest recente leerboek erbij pak over infectieziektebestrijding — dat heb ik vanmorgen in ontvangst genomen — dan staat daarin dat vaccins vergeleken met andere geneesmiddelen extreem veilig zijn. Dat is de laatste stand van de wetenschap. Daar kan ik verder niks aan veranderen.

Ik kan overigens wel ingaan op hoe zo'n messenger-molecuul werkt. Dat maakt namelijk gebruik van de eiwitproductie in je cellen. Dat kan je DNA überhaupt niet aantasten. Ik hoor u zuchten, voorzitter, maar het ging over bijscholing, en daar ga ik graag op in. Maar dat zijn dus echt hele mooie vaccins. Het is in ieder geval heel gevaarlijk om daar onnodig onrust over te zaaien in de wereld.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dit is toch wel interessant. De minister zegt: mRNA-vaccins — daar heb ik het ook over — zijn veilig; daar is brede consensus over. Dat is wat de minister zegt. Maar ik heb het volgende ook in Kamervragen gevraagd. Het is een niet te ontkennen feit — dat heb ik ook in mijn betoog gezegd — dat de Amerikaanse minister van Volksgezondheid, de collega van deze minister, expliciet heeft gezegd dat de risico's van de mRNA-luchtwegvaccins niet opwegen tegen de opbrengsten. Dat heeft het ministerie ook erkend in antwoord op Kamervragen. Hoe kan het dan zo zijn dat er brede consensus is, terwijl Amerika — dat is toch niet het minste land — daar blijkbaar niet bij hoort? Hoe reflecteert de minister daarop?

De voorzitter:

Het enige wat ik hierop wil zeggen, is dat ik wel graag bij het onderwerp postcovid wil blijven. Nu gaan we een heel andere route op, namelijk die van vaccinaties. Ik kijk de minister aan voor een kort antwoord hierop. Ik stel voor dat we op een ander moment over vaccinaties spreken.

Minister Bruijn:

De werking, grote meerwaarde en levensreddende werking van vaccins is in de medische wereld onomstreden. Dat wil niet zeggen dat ze nooit een bijwerking hebben. De meest onschuldige bijwerking is bijvoorbeeld dat je weleens een rood plekje hebt door een plaatselijke overgevoeligheid. Misschien heeft u die ook weleens gehad. Je kan er ook een beetje pijn in je bovenarm van krijgen. Dat kennen we allemaal, maar die bijwerkingen zijn zo gering dat er brede consensus in de wetenschappelijke medische wereld is dat dit dus gewoon moet gebeuren. In dit meest recente leerboek worden ze zelfs "extreem veilig" genoemd. Ik ga niet over de manier waarop politici in Amerika die wetenschappelijke data interpreteren en die ga ik ook niet recenseren.

De voorzitter:

De laatste vraag van de heer Van Houwelingen op dit punt.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik vind dat bij dit debat horen, want we hebben het ook over het postvaccinatiesyndroom gehad.

De voorzitter:

U stelt uw vraag. Stel uw vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mijn vraag is de volgende. Ik vind het namelijk toch zorgelijk wat de minister hier zegt. Minister Kennedy beroept zich expliciet op zijn gezondheidsraad, die vol met wetenschappers zit. Dat heb ik ook in een Kamervraag genoemd. Ik begrijp dit echt niet, dus ik wil nogmaals het volgende vragen. De minister zegt dat er brede consensus bestaat, maar Amerika hoort er dus niet bij. De wetenschappelijke raad van Amerika, waar minister Kennedy zich op baseert, zegt dat ook. Dat kan toch niet zomaar weggewoven worden?

De voorzitter:

Dat is dezelfde vraag. Ik kijk naar de minister.

Minister Bruijn:

Dan moet u die vraag daar gaan stellen.

De voorzitter:

Goed. Dit is het antwoord, meneer Van Houwelingen. Dit wordt de laatste vraag van u op dit punt.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dit wordt een nieuw punt, als ik een nieuwe vraag mag stellen. De minister heeft namelijk meerdere antwoorden gegeven.

De voorzitter:

Stel uw vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter. Ik concludeer dus even af dat Amerika blijkbaar niet hoort bij de brede consensus waar de minister het over heeft. Ik herhaal dat nog een keer.

De voorzitter:

Stel uw vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Mijn vervolgvraag gaat over Lareb, waar de minister net ook vragen over heeft beantwoord. Onderzoekers vragen data aan Lareb om te kunnen verifiëren of de coronavaccinregistratie op orde is. Ik heb dat ook in een Kamervraag benoemd. Die data zijn namelijk belangrijk om de effectiviteit en veiligheid van die vaccins te beoordelen. Lareb weigert om een hele specifieke dataset te geven. Ik heb daar geen antwoord op gehoord. Dat is mijn vraag aan de minister. Als ik minister van Volksgezondheid was, zou ik mij daar toch zorgen over maken. Ik zou me afvragen waarom die data niet aan onderzoekers gegeven worden.

De voorzitter:

Uw vraag is helder.

Minister Bruijn:

Lareb heeft mij nog nooit data geweigerd. De bijwerkingen van vaccins worden gemeld bij het bijwerkingencentrum Lareb. Lareb rapporteert hierover op de website en aan het CBG. Ook dit lees ik weer voor uit dit leerboek. Meer openbaar dan dat kan het niet zijn. Ik zou dus niet weten waar de zorg van de heer Van Houwelingen dan precies vandaan komt.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Ik vind het moeilijk om te geloven, met alle respect voor de minister, dat hij deze vraag niet begrijpt. Ik heb hem hier ook van tevoren over geïnformeerd. De minister is volgens mij zo slim. Ik heb hier meerdere Kamervragen over gesteld. Lareb heeft data en onderzoekers hebben die nodig. Die kunnen die dan koppelen aan CBS-data, om zo te kunnen bepalen en controleren of de vaccinregistratie op orde is geweest. In de wetenschap moet je ook kunnen controleren, toch? Onderzoekers willen die data, maar krijgen die niet. Lareb weigert die te geven aan die onderzoekers.

De voorzitter:

U stelt dezelfde vraag.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Maar ik krijg geen antwoord. Mijn vraag aan de minister is dus: zou hij niet moeten denken dat dit toch wel heel zorgelijk is? Hij is uiteindelijk verantwoordelijk voor Lareb. Zou hij niet op z'n minst tegen Lareb moeten zeggen: geef die data? Dat is mijn vraag. Dat is toch een duidelijke vraag, voorzitter?

Minister Bruijn:

Ik heb het antwoord al gegeven: ik wil en ga niet sturen op de publicaties van Lareb. Daar laat ik het bij. Het is een onafhankelijke organisatie.

De voorzitter:

We gaan naar het blokje overig. U kunt in uw tweede termijn verdergaan, meneer Van Houwelingen. U stelt drie keer dezelfde vraag en krijgt drie keer hetzelfde antwoord. Dat antwoord bevalt u niet, maar daar moet u het mee doen. Ik kan het ook niet mooier maken. We gaan naar het blokje overig en daarna gaan we nog luisteren naar de minister van SZW.

Minister Bruijn:

Het is het blokje andere belangrijke onderwerpen, voorzitter.

De voorzitter:

Andere belangrijke onderwerpen. Heel goed.

Minister Bruijn:

Kamerlid Ten Hove van de Groep Markuszower zei dat de doelgroep van de regeling voor zorgverleners en de uitvoering ervan niet goed aansluiten en vroeg welke trajecten er worden ingezet om omissies recht te trekken. Inmiddels is de uitvoering van de regeling afgerond. Alle aanvragen zijn beoordeeld. Bijna 1.200 zorgmedewerkers hebben de financiële ondersteuning ontvangen vanuit de overheid. De menselijke maat tijdens de uitvoering van de regeling stond daarbij voorop. De uitvoeringsorganisatie DUS-I heeft contact gezocht met alle aanvragers om tot een zorgvuldig besluit te komen. Daar waar nodig kan in specifieke gevallen ten gunste van de aanvrager worden afgeweken van de regeling. Dit met als doel om de ondersteuning te bieden aan de doelgroep waarvoor de regeling was bedoeld. Men is dus wel consequent aan het werk.

De heer Van Houwelingen vroeg of ik kan aangeven wat de totale inzet van ambulances door rapid responders en first responders was in 2024 en 2025 en of de zorgwekkende trend zich dus heeft doorgezet. Halverwege dit jaar verschijnen de cijfers van de ambulancesector over 2025 op de website van Ambulancezorg Nederland. Die hebben we dus nog niet. Daarin zal ook het aantal inzetten door rapid responders staan. Zoals de vraagsteller al aangeeft, heb ik u in de brief van 15 september vorig jaar uitgebreid geïnformeerd over dit onderwerp, waarbij ook over de aantallen van 2024. De stijging van het totale aantal ambulance-inzetten — 13% sinds 2017 — wordt grotendeels veroorzaakt door een toename van mobiele zorgconsulten. Die kunnen goed worden geleverd door rapid responders, gespecialiseerde verpleegkundigen in solo-ambulances. Zij kunnen met hun aanvullende kennis, bevoegdheden en materialen bepaalde zorg zelfstandig bieden en afhandelen en dat is ook weer een vorm van passende zorg dicht bij de patiënt, namelijk bij de patiënt zelf.

Er is helaas geen landelijke registratie van het aantal inzetten van first responders, omdat dit zowel burgerhulpverleners als professionele hulpverleners zijn. Daarover kan ik dus geen betrouwbare cijfers geven of toelichten. Dat die getallen door de tijd heen fluctueren, kan ontzettend veel verschillende oorzaken hebben. Daar is geen analyse van en dat is ook bijna niet te doen.

Voorzitter. Dan een vraag van de heer Van Houwelingen: is het middel lidocaïne voor de behandeling van ernstige gevallen van corona, en wellicht ook postcovid, voldoende overwogen? In opdracht van VWS heeft het destijds ingestelde Adviespanel Innovatieve Behandelingen meerdere geneesmiddelen beoordeeld, waaronder ivermectine, hydroxychloroquine en lidocaïne. Destijds is vastgesteld dat het bewijs voor de effectiviteit van deze middelen als behandeling voor COVID-19 onvoldoende was. Dat is iedere keer weer diezelfde drempel waar we overheen moeten voordat we de patiënt gaan blootstellen aan een geneesmiddel. Zorgverzekeraars Nederland heeft de aanvraag ontvangen voor vergoeding van de behandeling met lidocaïne bij patiënten met postcovid vanuit de basisverzekering. Die wordt momenteel beoordeeld. De zorgverzekeraars moeten hierover beslissen omdat het een apotheekbereiding betreft en geen geregistreerd geneesmiddel.

Dan de vraag van de heer Van Houwelingen of ik bereid ben de vervolging door de inspectie van artsen in zijn naam stop te zetten die tijdens de coronaperiode ivermectine en hydroxychloroquine hebben voorgeschreven. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd voert haar werk onafhankelijk uit. Dat volgt ook uit de scheiding van politiek en toezicht; gelukkig. IGJ bepaalt in dat kader zelf of er aanleiding is om onderzoek te doen naar de handelingen van een zorgverlener. Ik ga mij daar als minister niet in mengen en dat past ook niet in het stelsel, want gelukkig is een inspectie onafhankelijk van wat ik wens of niet wens. Die onafhankelijkheid is ook vastgelegd in het Besluit taakuitoefening IGJ.

Dan vroeg de heer Van Houwelingen of ik van mening ben dat artsen publiekelijk, zonder risico op vervolging door de inspectie, het vermeende verband tussen klimaatverandering en gezondheidsproblemen mogen betwijfelen. Ik wil die vraag wel beantwoorden, op het gevaar af dat ik in strijd handel met artikel 18.5 van uw Reglement van Orde, dat over binnen de orde blijven gaat. Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben in 2024 en 2025 in uitgebreide antwoorden op Kamervragen en meerdere keren in een verslag van een schriftelijk overleg antwoord gegeven op deze vraag. In de KNMG-gedragscode — dat is de vereniging van Nederlandse dokters, zullen we maar zeggen — is opgenomen dat artsen op basis van hun expertise en binnen de grenzen van hun kennen en kunnen in vrijheid kunnen deelnemen aan het publieke en wetenschappelijke debat. In de eerdere antwoorden op de vragen van de heer Van Houwelingen is ook meermaals aangegeven dat een arts gemotiveerd van de gedragscode kan afwijken. Het is dus apply or explain. Dat geeft de arts vrijheid in het publieke en wetenschappelijke debat, die een arts ook moet hebben. Ik vind het daarnaast belangrijk om te benadrukken dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd haar werk onafhankelijk uitvoert, zoals al gezegd. De IGJ kan een passende interventie inzetten als zij risico zien voor de kwaliteit of de veiligheid van de zorg. De IGJ kan een arts niet strafrechtelijk vervolgen; dat is dus uitgesloten.

Dan vroeg de heer Van Houwelingen ook of ik van mening ben dat ziekenhuisbesturen zich zonder onderbouwing niet publiekelijk horen te distantiëren van feitelijke waarnemingen die hun artsen verrichten op de werkvloer. Het is natuurlijk aan de ziekenhuisbesturen zelf, onder intern toezicht van hun raden van toezicht, om zorgvuldig af te wegen of ze zich al dan niet distantiëren van uitspraken van hun medewerkers. Het externe toezicht gebeurt door de IGJ. Als zij zich van die uitspraken distantiëren, is het ook aan hen om dat wel of niet te onderbouwen. Zij staan onder intern toezicht van hun raden van toezicht en onder extern toezicht van de IGJ. Zo is dat geregeld. Het is niet aan mij als minister om daar iets van te vinden. Ik zie dat de heer Van Houwelingen het daar niet mee eens is, voorzitter.

De voorzitter:

Dit is uw laatste interruptie, meneer Van Houwelingen.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank voor de beantwoording. Maar stel dat — dit is het geval waarvan u ook op de hoogte bent — een bestuur zich zonder enige onderbouwing distantieert van een waarneming van een arts. Daar hebben we het namelijk over. Is dat niet intimiderend voor die arts? Is dat niet gevaarlijk vanuit het principe van patiëntveiligheid? Zo'n arts durft dan natuurlijk geen waarnemingen meer te doen, omdat hij bang is dat het ziekenhuisbestuur daar dan zonder onderbouwing afstand van neemt. De arts krijgt alleen maar te horen: we willen niet dat je dat zegt.

Minister Bruijn:

Dat is allemaal een zaak voor de raad van toezicht.

Het lid Kostić vroeg of ik zie dat het probleem groter wordt als we oorzaken blijven negeren, dat infectieziekten toenemen, dat het een kwestie van tijd is voordat de vogelgriep ook op mensen overspringt en dat Nederland een tikkende tijdbom is. Op dit moment is de inschatting die experts maken van het risico van vogelgriep voor de volksgezondheid, want daar heb ik het natuurlijk over, nog steeds zeer laag. Vanmiddag heeft de minister van LVVN uw Kamer nog nader bijgepraat over de recente ontwikkelingen. Ook vanuit VWS houden we de situatie natuurlijk nauwlettend in de gaten.

Ten slotte kom ik bij een vraag van de heer Krul van het CDA. Hij stelt: onderbelicht lijkt onbegrip en het bestempelen van corona als hoax et cetera. Dat knakt mensen en het vertrouwen in zorg en overheid. Hoe ga ik desinformatie tegen en wat doe ik voor de erkenning van de ernst van de ziekte, die vaak verborgen blijft? Desinformatie is een complex probleem waar geen kant-en-klare oplossing voor is. De staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport werkt aan een strategie voor de aanpak van mis- en desinformatie over gezondheidsonderwerpen. In november heeft zij uw Kamer over de eerste contouren van de strategie geïnformeerd. Focusgebieden zijn onder andere het verbeteren van informatieaanbod en het versterken van weerbaarheid tegen onjuiste informatie. Dat is een belangrijk onderwerp. Ook de juiste en betrouwbare informatie over ziekten is hier onderdeel van. Ik denk dat ik daarmee de vraag van de heer Krul beantwoord heb.

Er was nog één vraag van de heer Krul over de toezegging om met de driehoek van VWS, zorgverzekeraars en ziekenhuizen in gesprek te gaan. Vanuit VWS zijn we voortdurend in overleg met de andere twee partijen in die driehoek. Afgelopen maandag waren we nog met hen in gesprek over de voortgang van de expertisecentra. Ik was daar zelfs bij. O nee, dat was een ander overleg. Ik kan met een gerust hart toezeggen dat ik op de vragen van de heer Krul bevestigend kan antwoorden.

De voorzitter:

Toch wil de heer Krul daar een vervolgvraag over stellen. Was dit het laatste antwoord van de zijde van de minister? Meneer Krul, pardon.

De heer Krul (CDA):

Ik moet toegeven dat ik een paar seconden weg ben geweest. Als de vraag toen beantwoord is, dan spijt mij dat. Ik heb vragen gesteld over logeerzorg. Er zijn best wel veel particuliere initiatieven voor de groep die eigenlijk niet belastbaar genoeg is om naar een revalidatiecentrum te gaan omdat ze gewoon volledig bedlegerig zijn. Ik heb specifiek gevraagd aan de minister wat voor rol hij kan spelen in het beter ondersteunen van dat soort initiatieven en of hij ook een rol kan spelen als het bijvoorbeeld gaat om kennisdeling daar. Ik heb daar nog geen antwoord op gekregen.

De voorzitter:

Dat staat mij ook niet bij.

Minister Bruijn:

Nee, voorzitter, dat geldt ook voor mij. Ik heb natuurlijk een aantal vragen terzijde geschoven met instemming van uw Kamer. Als u het goedvindt, kom ik in de tweede termijn nog even specifiek terug op deze vraag.

De voorzitter:

Dat lijkt me goed. Mevrouw Maeijer, mist u ook een antwoord op een eerder gestelde vraag?

Mevrouw Maeijer (PVV):

Jazeker. Ik ben niet weg geweest, dus ik hoop dat ik niet heb zitten slapen. Ik heb nog aandacht gevraagd voor kinderen met postcovid. Ik heb ook een aantal vragen gesteld naar aanleiding van zorgen die ouders hebben geuit, namelijk dat er te weinig communicatie is over het ziektebeeld. Ik heb aan de minister gevraagd of hij voornemens is om hier specifiek op in te zetten, bijvoorbeeld bij de GGD, bij het consultatiebureau en ook op scholen.

Minister Bruijn:

Daarvoor geldt hetzelfde als voor de vragen van heer Krul: daar kom ik in de tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Die noteren we voor de tweede termijn. Dan gaan we nu luisteren naar de beantwoording van de vragen die gesteld zijn aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik zou ook aan haar willen vragen wat de volgorde van haar antwoorden is. Wellicht heeft u gewoon één blokje, maar dan weten we dat. Het woord is aan de minister.

Minister Paul:

Voorzitter. Om daar direct op in te gaan: ik heb maar één blokje. Dat is dus heel overzichtelijk en simpel.

"Als opstaan en doorgaan niet vanzelfsprekend is." Dat aangrijpende zinnetje gebruikte de heer Van Dijk van de SGP. Als opstaan en doorgaan niet vanzelfsprekend is, wil je de zorg en de ondersteuning die je nodig hebt, maar volgens mij wil je bovenal gezien worden. Ik denk dat het daarom heel goed en belangrijk is dat we vanavond dit debat hebben. In de bijdragen van de leden in dit debat zijn er een paar vragen aan mij gesteld. Die wil ik nu graag beantwoorden.

Mevrouw Bikker van de ChristenUnie vroeg naar de acties om de werk- en inkomenssituatie van mensen met postcovid te verbeteren. De ondersteuning terug naar werk begint bij de bedrijfsarts, die in beeld brengt wat iemand nog kan. De beroepsgroep hanteert daarbij een leidraad die specifiek gericht is op herstel en re-integratie van werkenden met postcovid. Stichting C-support kan hier ook ondersteuning bij bieden. Mijn ministerie heeft hun daarvoor, specifiek voor hulp bij re-integratie, een subsidie gegeven.

Een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door het UWV komt op een moment waarop mensen in een onzekere en kwetsbare situatie zitten. Je moet dan ook kunnen vertrouwen op het deskundig oordeel van UWV. Daarom werken UWV en verzekeringsartsen aan het vergroten van de kennis over aandoeningen als postcovid, zoals mevrouw Van Brenk van 50PLUS benoemde. Dit doen ze door de ontwikkeling van handreikingen en richtlijnen, en via bijscholing van professionals. De afgelopen tijd heeft de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde met financiële steun van het ministerie van SZW een handreiking voor postcovid ontwikkeld, die dit voorjaar wordt gepubliceerd. Daarna gaat de NVVG een wetenschappelijke richtlijn postcovid ontwikkelen die nog grondiger is, op basis van de beste en meest actuele wetenschappelijke inzichten. Deze acties moeten ervoor zorgen dat de beoordelingsverschillen tussen verzekeringsartsen tot een minimum worden beperkt. Hiermee wordt de schijnbare willekeur voorkomen. Dit zeg ik in reactie op de vraag van de heer Van Dijk van de SGP.

Inmiddels zien we dat de meeste mensen met postcovidklachten die een WIA-uitkering aanvragen ook daadwerkelijk een uitkering krijgen toegekend. Tot en met 2024 was dit 85%. Dit is inmiddels opgelopen tot 93% in 2025. Overigens loopt de ondersteuning bij de re-integratie ook in de WIA door, door UWV dan wel de oud-werkgever. Er blijft dus te allen tijde aandacht voor de mogelijke terugkeer naar werk van mensen met postcovid.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik kijk even naar de leden. Ik zag mevrouw Bikker al staan. U wijst allemaal heel vriendelijk naar elkaar. De heer Bushoff voor zijn vraag aan de minister.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog één vraag bewaard voor deze minister. Ik krijg heel veel berichten van mensen, vaak jongeren, die zeggen dat voor de Wajong — dat geldt ook de Wmo en Wlz, maar daar gaat deze minister niet over — het criterium "duurzaam arbeidsongeschikt" geldt, of als het over de zorgkant gaat het criterium "chronisch ziek" et cetera. Dat criterium wordt niet altijd geplakt op mensen met PAIS, waardoor ze niet in aanmerking komen voor die regeling. Herkent de minister deze signalen ook? Is de minister het ermee eens dat we dat moeten voorkomen? Want zolang er nog geen behandeling is, moeten we uitgaan van duurzame arbeidsongeschiktheid dan wel chronische ziekte.

Minister Paul:

Ik heb niet alle specifieke details paraat, maar ik denk dat het heel belangrijk is om, als die kennis er niet is en de juiste diagnose niet kan worden gesteld, of als daar te veel onduidelijkheid over is, te doen wat de heer Bushoff zegt. Wellicht dat ik er in tweede termijn iets concreter op terug kan komen, maar ik ben het met de heer Bushoff eens.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik wacht het antwoord op die vraag af in tweede termijn. Mijn andere vraag luidt als volgt. Ik krijg toch ook nog berichten, zelfs net nog, over bijvoorbeeld een jonge vrouw van 30 die helemaal niks meer kan en zelfs overweegt zich aan te melden voor euthanasie vanwege uitzichtloos lijden. Zij krijgt tegelijkertijd van de UWV-arts te horen: ik wil toch nog een keer een herkeuring doen; ik wil het toch nog een keer bekijken. Je ziet dat de moed iemand weer helemaal in de schoenen zinkt. Mijn vraag aan de minister is: zouden we voor deze groep niet iets kunnen doen waardoor zij een en ander wat makkelijker kunnen aantonen en in het geval van een herkeuring ergens heen kunnen waar in ieder geval iemand zit die heel veel kennis van zaken heeft? Men ziet er als een berg tegenop. De cijfers over personen bij wie het wordt toegekend, zijn inmiddels huizenhoog, dus de groep waar dit voor geldt, wordt steeds kleiner.

Minister Paul:

Dat klopt. Tegelijkertijd is het ook lastig om ervoor te zorgen … Wat je het liefst wil, is dat elke UWV-arts over de juiste kennis beschikt om goed om te kunnen gaan met mensen die bij hen aankloppen, mensen die in de problemen zitten, mensen die kwetsbaar zijn. Ik zeg overigens ook richting mevrouw Bikker dat ik vind dat dat in den brede zo moet zijn. Mevrouw Bikker weet ongetwijfeld ook dat we op dit moment grote problemen hebben met de keuringsartsen, dat we een tekort aan keuringsartsen hebben en dat we dus heel hard werken aan het anders organiseren van het werk en het zorgen dat de kennis die daar nodig is, daar ook is. We werken aan een eenduidige behandeling van mensen die bij de keuringsarts aankloppen. We moeten ervoor zorgen dat die eenduidige manier van werken ook zorgt voor de juiste behandeling en — hoe moet ik dat nou zeggen? — dat er geen sprake kan zijn van vermeende willekeur of dat het lijkt alsof je op de ene plek beter wordt geholpen dan op de andere plek. Dat betekent volgens mij dat we moeten doorpakken op de inspanningen die we nu hebben ingezet om te werken aan die kennisopbouw. Dat is helaas geen quick fix. Dat zou ik willen, maar het blijft uiteindelijk mensenwerk. Dat geldt ook voor die beoordeling door artsen. De beoordeling van het individu dat ze tegenover zich hebben, blijft maatwerk, mensenwerk. Ik zou niet weten hoe ik dat kan versnellen, anders dan door ervoor te zorgen dat alle kennis die er is en de meest actuele kennis die opgebouwd wordt, zo snel mogelijk wordt verspreid binnen de organisatie. Daar zetten we dus verschillende middelen voor in, van symposia tot handreikingen, richtlijnen en om- en bijscholing. Dat doen we online en fysiek. Al die zaken zetten we op dit moment in.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De minister zei dat er dit jaar een handleiding komt. Wanneer is dat dan?

Minister Paul:

In het voorjaar, zei ik.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

O, sorry.

De voorzitter:

Ja, in het voorjaar.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

In het voorjaar, dat is mooi.

De voorzitter:

Goed. Ik begrijp dat daarmee ook de minister van SZW aan het einde van haar beantwoording is. Ik wil direct doorgaan met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik nodig de heer Bushoff uit voor zijn bijdrage.

Termijn inbreng

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik begin gelijk met de moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat honderdduizenden mensen in Nederland lijden aan een postacuut infectiesyndroom (PAIS) en er voor veel patiënten nog geen plek is in de zorg waar zij geholpen kunnen worden;

overwegende dat een deel van de patiënten geholpen wordt in de postcovid-expertisecentra en hier belangrijke kennis wordt opgedaan waarmee op termijn mogelijk een grote groep patiënten geholpen kan worden;

overwegende dat belangrijke kennis en deskundigheid verloren zal gaan en er geen plek meer is voor honderdduizenden mensen die lijden aan PAIS als de expertisecentra niet ingebed worden in de reguliere zorgbekostiging, zoals de wetswijziging beoogde, dan wel in 2027 de deuren moeten sluiten;

verzoekt de regering te garanderen dat de postcovid-expertisecentra zo lang als nodig blijven voortbestaan en hun belangrijke werk op het gebied van studie, behandeling en diagnostiek kunnen voortzetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, Bikker, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Kostić, Dassen en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 2242 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te komen tot een brede meerjarige aanpak van postacute infectiesyndromen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, Bikker en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 2243 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat honderdduizenden mensen in Nederland lijden aan een postacuut infectiesyndroom;

overwegende dat een groot deel van deze mensen als gevolg daarvan tijdelijk of langdurig niet kan werken en aangewezen is op zorg en/of inkomensondersteuning;

overwegende dat toegang tot het sociaal vangnet, zoals Wajong, WIA et cetera vereist dat er sprake is van langdurige en/of chronische ziekte dan wel duurzame arbeidsongeschiktheid;

overwegende dat door het gebrek aan kennis, een eenduidige definitie en adequate diagnostiek PAIS vaak niet als langdurige en/of chronische ziekte wordt erkend, terwijl de klachten ernstig en invaliderend kunnen zijn;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het sociaal vangnet ook daadwerkelijk toegankelijk is voor mensen met PAIS, waarbij het criterium langdurig ziek, chronisch ziek of duurzaam arbeidsongeschikt passend wordt geïnterpreteerd en de toegang tot het sociaal vangnet niet beperkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff, Bikker en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 2244 (25295).

Dank u wel. We eindigen met de heer Dijk. Ik geef hem het woord. De heer Jimmy Dijk voor zijn tweede termijn.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de groep zwaarst getroffen longcovidpatiënten niet terechtkan bij klinieken omdat zij hun huis niet uit kunnen;

overwegende dat juist deze groep passende en actieve zorg nodig heeft;

verzoekt de regering extra aandacht te besteden aan deze ernstig getroffen longcovidpatiënten en te zorgen voor een gespecialiseerd team dat deze mensen actief benadert, hen thuis bezoekt, samen met hen zoekt naar passende oplossingen en hiervoor specialistische expertise opbouwt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Bushoff en Bikker.

Zij krijgt nr. 2245 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat long covid een vastgestelde langdurige ziekte is;

constaterende dat mensen met long covid nog steeds buiten de boot vallen en een onjuiste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling krijgen;

verzoekt de regering vóór de Voorjaarsnota met het UWV duidelijke richtlijnen voor keuringsartsen te hebben opgesteld waardoor mensen met long covid een juiste beoordeling krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jimmy Dijk, Bushoff en Bikker.

Zij krijgt nr. 2246 (25295).

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Ik had met de minister een klein interruptiedebatje over de situatie in Duitsland en over de financiering van grote onderzoeken en langlopende onderzoeken die daar worden gedaan. Ik heb het erover gehad dat ze daar eerder en sneller richtlijnen hebben ontwikkeld. Ik was even aan het nadenken over de beantwoording van de minister, maar ik heb eigenlijk vooral een uitleg en een soort samenvatting gehoord van hoe er samen wordt gewerkt, maar niet zozeer wat nou van Duitsland geleerd kan worden.

De voorzitter:

U vraagt de minister om daar in tweede termijn op te reflecteren. Ik help u even, meneer Dijk.

Mevrouw Bikker voor haar tweede termijn.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een drietal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met het ontstaan van circa 100.000 ernstig zieke postcovidpatiënten de langdurige impact van PAIS op het dagelijks leven en de samenleving prominenter is geworden;

overwegende dat ten aanzien van PAIS een langetermijnbeleid ontbreekt en slechts naar de korte termijn wordt gekeken;

overwegende dat in Duitsland een grootschalig, meerjarig initiatief is gelanceerd om long covid en PAIS aan te pakken, met miljoeneninvesteringen gericht op betere diagnostiek en behandeling;

verzoekt de regering in gesprek te gaan met Duitse partners over dit initiatief;

verzoekt de regering voorts dit als inspiratie te gebruiken voor een Nederlands langetermijnbeleid ten aanzien van PAIS, de verbetering van diagnostiek en behandeling, en de erkenning en impact van PAIS op de samenleving, en dit uiterlijk in de zomer 2026 naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Van Brenk, Bushoff, Jimmy Dijk en Ten Hove.

Zij krijgt nr. 2247 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat naar schatting 40.000 kinderen en jongeren in Nederland postcovid hebben maar dat zij uit beeld raken, met grote gevolgen voor hun toekomst;

verzoekt de regering de kinderen en jongeren met postcovid en andere PAIS niet te vergeten, en daartoe de kennis en erkenning van deze ziekten bij kinderen in het onderwijs en de (jeugd)zorg te vergroten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Van Brenk, Bushoff, Jimmy Dijk en Ten Hove.

Zij krijgt nr. 2248 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de postcovid-expertisecentra meer kennis en kunde opleveren over passende behandelingen en medicijnen voor postcovid;

overwegende dat deze wetenschappelijke onderbouwing moeilijk op te bouwen is bij een nieuwe ziekte en bovendien een langdurig proces is;

verzoekt de regering zich er samen met de zorgverzekeraars, medisch-specialisten en huisartsen voor in te zetten om de opgedane kennis en kunde uit de expertisecentra op een verantwoorde wijze zo snel mogelijk toe te laten en te laten vergoeden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bikker, Van Brenk, Bushoff en Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 2249 (25295).

Nou, dank u wel. Dit is iemand die hier al een tijdje rondloopt. Dat maakt het moeilijk om voor te zitten! Ik kijk naar mevrouw Ten Hove, maar die ziet af van haar tweede termijn. Dan nodig ik de heer Van Houwelingen uit om naar het spreekgestoelte te komen voor zijn tweede termijn.

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank, voorzitter. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het onderscheid tussen postcovid en postvax lastig te maken is;

overwegende dat het belangrijk is onderzoek te verrichten naar beide ziektebeelden;

constaterende dat postcovidonderzoek wel en postvaxonderzoek niet gesubsidieerd wordt;

verzoekt de regering ook postvaxonderzoek te subsidiëren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 2250 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van groot belang is, met name voor de volksgezondheid, dat artsen zich vrij kunnen uitspreken over problemen die ze zelf waarnemen op de werkvloer;

spreekt uit dat het onwenselijk is dat ziekenhuisbesturen zich publiekelijk en zonder onderbouwing distantiëren van feitelijke waarnemingen die hun artsen verrichten op de werkvloer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 2251 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat voor onderzoek naar eventuele bijwerkingen van de coronavaccins een goede registratie van vaccins essentieel is;

constaterende dat er gegronde twijfels bestaan over de kwaliteit van de coronavaccinregistratie;

constaterende dat Lareb over data beschikt die hierover uitsluitsel zouden kunnen bieden, maar dat Lareb weigert deze data met onderzoekers te delen;

verzoekt de minister hierover in gesprek te gaan met Lareb en daarbij te escaleren indien noodzakelijk, met als doel de benodigde data door Lareb te laten aanleveren voor onderzoek naar de kwaliteit van de coronavaccinregistraties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 2252 (25295).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Tot slot, voorzitter. Ik heb de motie speciaal voor D66 wat aangepast. Ik heb de moeilijke bijzin er deze keer uitgehaald.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat een (vermeende) consensus niet automatisch ook de waarheid is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.

Zij krijgt nr. 2253 (25295).

De heer Van Houwelingen (FVD):

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik nodig het lid Kostić uit voor de bijdrage in tweede termijn.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik zal niet nog een keer mijn teleurstelling over de minister uitspreken, maar overgaan tot actie. Ik heb de volgende moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te bevorderen en faciliteren dat er naar voorbeeld van de richtlijn hiv zogenaamde levende medische richtlijnen voor long covid en andere PAIS tot stand komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 2254 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat PAIS-aandoeningen de samenleving jaarlijks miljarden euro's kosten door onder andere een verlies aan arbeidsproductiviteit en stijgende zorguitgaven;

constaterende dat patiënten met PAIS-ziekten nog steeds te maken hebben met onvoldoende erkenning, gebrekkige zorg en een schrijnend tekort aan effectieve ondersteuning;

overwegende dat het uitblijven van een samenhangende landelijke aanpak leidt tot niet alleen onnodig menselijk leed, maar ook vermijdbare economische kosten, terwijl tijdige investeringen juist kosten kunnen besparen;

verzoekt de regering om bij de begrotingskeuzes over investeringen in een structurele landelijke aanpak van PAIS expliciet mee te wegen dat investeringen in het voorkomen en behandelen van PAIS zich terugverdienen en juist miljarden aan kosten kunnen besparen;

verzoekt de regering de Kamer expliciet te informeren over hoe dit gewogen is bij de begroting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 2255 (25295).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om een plan te maken voor samenhangende, structurele voorlichting en preventie rond PAIS, waaronder publieke informatie over het risico van postinfectieuze ziekten, de verbetering van ventilatie en luchtzuivering in publieke gebouwen, en algemene bronmaatregelen om het ontstaan en de verspreiding van zoönosen en infectieziektes te beperken om zo de instroom van nieuwe PAIS-gevallen te verminderen;

verzoekt de regering de Kamer hierover zo snel mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić.

Zij krijgt nr. 2256 (25295).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik nodig de heer Krul uit voor zijn tweede termijn.

De heer Krul (CDA):

Voorzitter. Ik zal wat tijd overlaten, die dan weer terecht kan komen bij de collega's die net heel veel moties hebben ingediend. Ik dank de ministers voor het beantwoorden van de vragen, alhoewel ik één vraag open had staan. Het zijn er eigenlijk veel meer. Ik heb bijvoorbeeld ook gevraagd naar het aantal mensen dat op dit moment langdurig zorg en verblijf nodig heeft. Ik heb ook nog gevraagd aan de minister of het klopt dat er met loting gewerkt wordt en of er bij loting niet ook gekeken moet worden naar de ernst van de situatie. Ik heb eigenlijk best veel vragen gesteld die niet beantwoord zijn.

Ik heb ook nog een vraag gesteld over de logeerzorg. Er zijn ontzettend veel mensen die simpelweg niet belastbaar genoeg zijn om bijvoorbeeld naar een revalidatiecentrum te gaan. Er zijn particuliere initiatieven — de heer Dijk heeft daar een motie voor ingediend — maar er is meer mogelijk. Kan de minister toezeggen dat hij gaat kijken hoe hij dat vanuit zijn rol kan ondersteunen?

Voorzitter. Tot slot wil ik de mensen die dit debat gevolgd hebben, mensen die zelfs nu nog aanwezig zijn, danken. Het geeft blijk van hun onvermoeibare strijd. Dat klinkt heel gek, maar ik vind het heel bijzonder om te merken dat mensen die weinig kracht hebben, al hun kracht inzetten om op te komen voor zichzelf en voor hun lotgenoten. Ik hoop dat we kunnen werken aan hun perspectief.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Van Brenk nodig ik uit voor haar tweede termijn.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Eén motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in Nederland naar schatting 650.000 mensen met een PAIS-aandoening leven, waarvan circa 100.000 met ernstige tot zeer ernstige beperkingen;

overwegende dat dit naast gezondheidseffecten en effecten op het sociale leven, ook effecten heeft op de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, wat tot grote negatieve inkomenseffecten kan leiden;

overwegende dat ervaren wordt dat bij artsen in het algemeen en keuringsartsen in het bijzonder de kennis over en erkenning van deze aandoeningen te wensen overlaat;

verzoekt de regering in het beleid op PAIS expliciet aandacht te hebben voor de gevolgen voor de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, de kennispositie van artsen en keuringsartsen van het UWV inzake PAIS en hierbij waar nodig intensief samen te werken met het ministerie van SZW,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Bikker.

Zij krijgt nr. 2257 (25295).

Dank u wel.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Wij maken ons zorgen over de belasting van de huisartsen, want er wordt veel op het bordje van de huisarts gelegd. Ik krijg net het bericht door dat met name de oplossingen die de minister zelf heeft genoemd rondom steunkousen, water en zout, pacing enzovoort, door sommige huisartsen als controversieel worden gezien.

De voorzitter:

U vraagt daar een reactie van de minister op.

De heer Vervuurt voor zijn tweede termijn.

De heer Vervuurt (D66):

Voorzitter. Ook ik spreek mijn dank uit aan de bewindspersonen voor de antwoorden op de vragen. Ik heb één vraag naar aanleiding van de beantwoording door minister Bruijn. We hebben het heel veel gehad over expertisecentra en onderzoek; dat duurt lang. Dat weet ik zelf uit ervaring, en de minister weet dat ook. Daarbij is het dus wel zaak dat de kennis die er opgedaan wordt en de wetenschap die daar loopt, ook zo goed mogelijk terechtkomt waar hij moet landen. Daar hebben we het ook al over gehad; dat is bij voorkeur in de eerste lijn, dicht bij huis. Ik zou graag aan de minister willen vragen op welke manier dat op dit moment gebeurt. Ik zie daarin ook een grote rol voor artsenkoepels en beroepsgroepen, en ik hoop dat de minister daar wat over kan toelichten. Misschien ziet hij ook ruimte om met deze mensen in gesprek te gaan over hoe we die kennis zo goed mogelijk laten landen.

Als laatste even een korte reflectie; ik sta hier wel met een knoop in mijn maag. Iedereen vindt dit heel erg lastig en het perspectief is ingewikkeld. Het is ook zaak dat wij ons blijven inzetten voor deze groep patiënten. Daar heb ik het eerder met mevrouw Bikker over gehad. We moeten hen niet vergeten. In dat kader zal ik in ieder geval met mijn fractie alle moties die zijn ingediend — ik heb er zelf geen ingediend — constructief kritisch benaderen. Dat verdienen deze patiënten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Maeijer voor haar tweede termijn.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dank, voorzitter. Dank aan de ministers voor de beantwoording. De minister schuift de discussie over de toekomst van de centra en de financiering ervan naar een moment later dit jaar. Ik maak mij nog steeds zorgen over wat dit betekent voor dit jaar, nu de financiering nog loopt en de expertisecentra nog open zijn. Wij ontvangen nu signalen over knelpunten in de kennisdeling, over het vertrek van onderzoekers en over het niet-aannemen van nieuw onderzoek. Ik hoop dat dit jaar dan ook geen verloren jaar is. Ik wil het niet negatief formuleren, maar ik maak mij daar wel zorgen over. Ik hoop dat de minister deze zorgen deelt en oppakt.

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er zo'n 40.000 kinderen zijn met postcovid;

overwegende dat ouders aangeven dat het nog steeds ontbreekt aan communicatie en informatie over het ziektebeeld bij de GGD, het consultatiebureau en op scholen;

verzoekt de minister te bezien hoe hij, in overleg met het veld, kan voorzien in deze behoefte,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 2258 (25295).

Dank u wel. Tot slot in de tweede termijn geef ik het woord aan de heer Bevers.

De heer Bevers (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de uitgebreide beantwoording van de vragen. Het is goed dat wij lang en uitgebreid hebben gesproken vanavond. Dat was nodig. Laten we hier niet opnieuw tweeënhalf jaar overheen laten gaan. Ik was me er eigenlijk onvoldoende van bewust dat het al zo lang geleden was. Mevrouw Bikker heeft daar in eerste termijn ook iets over gezegd. Ik sluit mij daarbij aan wil in onze procedurevergadering bekijken of wij wat regelmatiger een overleg kunnen organiseren, in welke vorm dan ook, om de vinger aan de pols te houden. Dank voor alle verhalen die zijn toegestuurd. Dank voor uw aanwezigheid hier op de publieke tribune. Ik hoop oprecht, en dat is een grote wens, dat iedereen, hier aanwezig en thuis, die te maken krijgt met PAIS, zicht krijgt op een nieuw perspectief, op verbetering, hopelijk op oplossingen en perspectief op een uiteindelijk klachtenvrije toekomst.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors deze vergadering voor tien minuten. We gaan om 23.15 uur luisteren naar de beantwoording aan de zijde van het kabinet voor de tweede termijn. Er wordt tien minuten geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. We zitten hier vanavond bij elkaar om over postcovid te spreken. We gaan luisteren naar de beantwoording in de tweede termijn aan de zijde van het kabinet. Ik geef als eerste het woord aan minister Bruijn.

Termijn antwoord

Minister Bruijn:

Dank u wel, voorzitter. Ik wil aan het begin van deze termijn toch ook echt even stilstaan bij waar het in dit debat nu echt om draait en dat is de patiënt. Want er worden veel technische vragen gesteld en dat is terecht natuurlijk, maar daarmee wordt het soms ook een technisch debat. Zoals ik al in mijn eerste termijn zei: ik ben blij dat we dit debat nu voeren en ik waardeer het enorm dat ook de patiënten en hun naasten op de tribune, die dit heel veel energie kost, hier nog steeds zitten. Ik snap vanuit het perspectief van de patiënt dat veel van de antwoorden die we geven niet bevredigend zijn. Maar ik heb van dichtbij gezien dat artsen en onderzoekers elke dag hard aan het werk zijn; dit alles in het belang van de patiënt. Dat geldt ook voor de Kamerleden en het geldt ook voor de medewerkers van mijn ministerie.

Voorzitter. Ik had een aantal vragen niet beantwoord. Ik heb wel gevraagd of ik dat blokje als afgerond mocht beschouwen, dus daar zat een klein misverstand. Het was niet mijn bedoeling om de vragen over te slaan. Het was onder andere een vraag van mevrouw Maeijer rondom kinderen: ouders geven aan dat er te weinig communicatie is. Ze noemde GGD'en en consultatiebureaus. Wij begrijpen heel goed dat die ziekte op verschillende aspecten van het leven een enorme impact heeft. Het raakt het werk, het raakt het contact met naasten en het gaat ook over onderwijs, vooral als het kinderen betreft, natuurlijk. Vanuit mijn ministerie sta ik in contact met andere ministeries, zoals Sociale Zaken, waarvan de minister ook aanwezig is, maar ook met Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ook met andere partners, zoals bijvoorbeeld provincies, om hieraan te werken en samen te kijken wat we kunnen doen voor deze groepen mensen, ook langs de lijnen die mevrouw Maeijer schetst. Ik vind de suggestie van mevrouw Maeijer om contact te zoeken bij de GGD'en en consultatiebureaus een hele goede. Ik zal nagaan of deze contacten er al zijn. Als ze er niet zijn, zeg ik toe dat ik me daarvoor inzet.

Dan een vraag van de heer Krul, van wie ik ook een aantal vragen, met instemming van de Kamer, terzijde had geschoven. Maar ik ga ze uiteraard graag behandelen. Een vraag ging over logeerzorg. Logeeropvang is als maatschappelijke voorziening voor volwassenen beschikbaar binnen de Wmo en voor jeugdigen ook via de Jeugdwet. Die tijdelijke vorm van opvang wordt ingezet om mantelzorgers te ontlasten. Het valt onder respijtzorg, het is vaak voor weekenden en vakanties. Het is aan te vragen bij de gemeente. Ook PAIS-patiënten kunnen deze soorten van logeervoorzieningen aanvragen. Het is dus een goede vraag en een belangrijk extra onderwerp dat we hiermee in het debat hebben kunnen brengen, dankzij de heer Krul.

Mevrouw Maeijer vroeg nog naar signalen over expertisecentra die knelpunten ervaren. Ze kwam met een specifiek voorbeeld. Ik herken dat specifieke signaal niet. Het ging om de beleidsregel waar mevrouw Maeijer naar vroeg. In het algemeen kan ik zeggen dat het principe van academische wetenschap juist kennisdeling is. Als daar knelpunten zijn in de samenwerking tussen partijen is dat zeer onwenselijk. Ik roep de betrokken partijen dan op om zich constructief op te stellen, voor zover dat nog nodig is, en om gewoon tot goede kennisdeling te komen, zoals ook gebruikelijk is in de wetenschappelijke wereld, zodat ze zo snel mogelijk zorgverleners over de laatste inzichten kunnen inlichten. Dit alles opdat het belang van de patiënt vooropstaat. Als ik daar als minister van VWS naast dit heldere signaal iets aan kan doen, dan doe ik dat graag, zeg ik tegen mevrouw Maeijer. Ik hoor graag van u de details over het signaal inzake de betreffende beleidsregel, mevrouw Maeijer. Ik herken dat nu dus zelf niet, maar ik kijk er graag met u naar. Dat is ook een toezegging.

Dan de heer Krul over het aantal aanmeldingen en het aanwijzen van een behandelplek. Er wordt geloot bij de expertisecentra. Ik zeg nogmaals: het doel van de expertisecentra is onderzoek doen en kennis verzamelen, uiteindelijk ten behoeve van alle patiënten. Maar de expertisecentra zelf zijn niet bedoeld als behandelcentra. Er wordt wel behandeld, maar dat is behandelonderzoek. Dat betekent ook dat het maken van een onderscheid tussen ernstig en niet ernstig letsel niet goed mogelijk is. Ook het trekken van een grens tussen zwaar en niet zwaar is ingewikkeld, omdat dat natuurlijk per patiënt heel sterk wisselt. Het is eigenlijk een spectrum, het zijn niet twee groepen. Dat is samen met de specialisten, medisch-ethici en patiëntenorganisaties in goed overleg zo besloten.

Het aanwijzen van een behandelplek gebeurt op basis van het postcodegebied, dus zo dicht mogelijk bij huis. Kinderen gaan daarbij alleen naar Amsterdam en Utrecht. Volwassenen gaan naar alle deelnemende universitair medisch centra.

Dan de vraag van de heer Krul hoeveel mensen met ernstige postcovid langdurige zorg nodig hebben, zoals zorg met verblijf. Hoeveel plaatsen voor langdurige zorg en verblijf zijn beschikbaar in Nederland en kunnen patiënten met postcovid daar gebruik van maken? Het is mij, in alle eerlijkheid, niet bekend hoeveel personen met ernstige postcovid langdurige zorg nodig hebben. Ik kan die vraag dus op grond van de gegevens die nu beschikbaar zijn, niet beantwoorden. We hebben juist eerder ook met elkaar geconstateerd dat helaas — en dat is heel verdrietig — ook niet alle patiënten al in beeld zijn. Vandaar dat we samen met de huisartsen heel snel kijken naar het inschakelen en het op stoom brengen van die eerste lijn, waar heel hard gewerkt wordt.

Dan de motie van de heer Bushoff op stuk nr. 2242, die de regering verzoekt om te garanderen dat de postcovid-expertisecentra blijven voortbestaan. Alle partijen streven hetzelfde doel na, namelijk dat alle postcovidpatiënten toegang hebben tot passende zorg, maar in ons zorgstelsel ga ik als minister niet over waar welke zorg wordt geleverd, en dat is ook goed. Artsen, zorgverzekeraars, patiënten en onderzoekers weten veel beter wat de beste zorg is voor patiënten en hoe die georganiseerd wordt.

De expertisecentra hebben eenmalig extra financiële middelen gekregen voor een looptijd van twee jaar om te komen tot hun oprichting. Dat was een startsubsidie. Het is nu aan het veld om de handschoen verder op te pakken en invulling te geven aan wat passende zorg is voor deze patiënten in de eerste, tweede of derde lijn, en ook in welke omgeving welk onderzoek het beste kan gebeuren. Ik kan mij daar als minister niet in mengen en daarover dus ook geen garanties afgeven. Voor een groot deel van de zorg in de expertisecentra geldt dat eind 2026 kan worden bezien of en hoe deze zorg aan postcovidpatiënten in de reguliere bekostiging belandt en dus niet langer afhankelijk zal zijn van incidentele subsidies.

De heer Dijk heeft ook gepleit voor structurele bekostiging. Dat betekent dat het in de structurele zorg z'n plek moet vinden, zodat de patiënten ook altijd kunnen rekenen op die zorg. Dat gebeurt aan de hand van de evaluatie van de beleidsregel innovatie. Die moeten we echt afwachten en daarom ontraad ik deze motie.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dit is mijn enige vraag over de motie die ik zelf heb ingediend. Laat ik gebruikmaken van deze mogelijkheid om in ieder geval de beide ministers te bedanken voor hun beantwoording. Wellicht was dit de laatste keer dat we met elkaar debatteerden, bedenk ik mij ineens. Wellicht ook niet, maar die kans zit er dik in, natuurlijk. Dank dus in ieder geval voor de samenwerking.

Toch nog even een vraag over deze motie, want de minister geeft aan dat hij geen rol voor zichzelf ziet weggelegd hierin. Maar was het probleem nu niet juist dat, voordat deze expertisecentra tot stand kwamen, iedereen maar naar elkaar wees en dat deze expertisecentra er uiteindelijk juist kwamen doordat VWS een rol pakte in het tot stand komen ervan? Zou het niet mooi zijn, met het goede werk dat ook VWS en ambtenaren daar hebben gedaan, als dat voortgezet zou worden en zij dus ook onderdeel kunnen zijn van het voortzetten van deze klinieken?

De voorzitter:

Ik wil niet het hele debat opnieuw doen, maar een reactie van de minister op dit punt?

Minister Bruijn:

Er komt een evaluatie van die centra. Die centra zijn een onderzoeksomgeving. Welk onderzoek je waar doet, of je daarmee moet doorgaan, of dat je toe moet naar een andere onderzoeksomgeving of naar meer laboratoriumonderzoek of klinische trials — dan is dit misschien in het vervolg niet meer de goede weg — valt op dit moment niet te zeggen. Dat is echt aan het veld en niet aan de minister. Over de bekostiging komen we natuurlijk te spreken bij de begroting.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2242 is ontraden. De motie op stuk nr. 2243.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2243 gaat over een meerjarige aanpak. Natuurlijk is een brede meerjarige aanpak iets waar ik naar streef. Ik zal dan ook in mijn eerstvolgende brief terugkomen op dit onderwerp, want ik stuur regelmatig brieven. Als ik deze motie als ondersteuning van beleid mag zien, kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2243 is ondersteuning van beleid, dus oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2244 wordt gedaan door mijn collega, de minister van Sociale Zaken.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 2245 van de heer Dijk vraagt te zorgen voor een gespecialiseerd team. Het zorgaanbod door gespecialiseerde teams, of door reguliere huisartsen of andere zorgverleners, is een zaak van de zorgverzekeraar in overleg met de zorgaanbieders in de regio. Dat is niet iets waar ik mij als minister mee kan bemoeien. Dat is ook wettelijk zo vastgelegd in de wetgeving die door uw Kamer is vastgesteld. Ik moet deze motie daarom ontraden.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 2247 van mevrouw Bikker cum suis over PAIS. Ik kan die motie oordeel Kamer geven, ook in relatie met de motie op stuk nr. 2243. Ik laat het daarbij.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2247: oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

In de motie op stuk nr. 2248 staat helaas één klein zinnetje op het eind, namelijk "dit ook in de opleidingen van artsen te laten opnemen", en daar ga ik niet over. Ik ga niet over het curriculum van de artsenopleidingen. Dat maakt het voor mij onmogelijk om deze motie oordeel Kamer te geven. Die is namelijk onuitvoerbaar. Ik ga niet over het curriculum van de artsenopleidingen.

De voorzitter:

Daar wil mevrouw Bikker op reageren.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):

Ik snap heel goed dat de minister niet kan dicteren wat er in opleidingen gebeurt. Ik ben ook van soevereiniteit in eigen kring, dus daar vinden we elkaar. De minister zei net in zijn beantwoording in de eerste termijn echter ook dat het van belang is dat artsen in hun opleiding hier kennis van nemen. Als we elkaar nou zo verstaan dat we zien dat deze kennis ook bij opleidingen voor medici doorsijpelt en de minister die onder de aandacht brengt bij de overkoepelende artsenorganisaties en, denk ik, ook bij de academische centra, dan zijn we er volgens mij. Het gaat mij er niet om dat de minister het dicteert, maar dat we de kennis ook zien doorsijpelen in de opleidingen. Kunnen we elkaar zo vinden?

Minister Bruijn:

We kunnen elkaar natuurlijk zeker vinden, mevrouw Bikker, maar hier staat: dit in de opleidingen te laten opnemen. Ik kan dat taalkundig niet anders lezen dan dat ik ga regelen. Die garantie kan ik niet geven. Daarom kan ik die motie helaas ook niet oordeel Kamer geven. De motie zou moeten worden aangepast en het laatste zinnetje zou eruit moeten. En dan kan ik 'm wél oordeel Kamer geven. Dan gaan we al die andere dingen wel doen, maar dat laatste stuk, "in de opleidingen te laten opnemen", kan ik gewoon niet toezeggen.

De voorzitter:

Het is duidelijk. We begrijpen het. Mevrouw Bikker gaat zich even beraden.

Minister Bruijn:

Voor nu is de motie ontraden, voorzitter. Dat was de motie op stuk nr. 2248.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2248 is voor nu ontraden.

Minister Bruijn:

Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 2249, van mevrouw Bikker. Dan hebben we het over de indaling van kennis in de praktijk, waar de motie heel goed over gaat. Mevrouw Bikker, als ik deze motie zo mag lezen dat "een verantwoorde wijze" betekent dat we de reguliere procedures doorlopen die we daarvoor hebben, omdat die een zorgvuldig proces en eenduidig pakketbeheer borgen, dan laat ik de motie aan het oordeel van de Kamer. Ik zie mevrouw Bikker instemmend knikken, voor de Handelingen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2249: oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2250 van de heer Van Houwelingen verzoekt de regering postvaxonderzoek te subsidiëren. Mijn ministerie speelt geen directe rol, en ik persoonlijk al helemaal niet, in het toewijzen van subsidies aan specifieke onderzoeken. Ik moet deze motie daarom dus ook ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2250: ontraden.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2251 van de heer Van Houwelingen over de ziekenhuisbesturen is een spreekt-uitmotie. Daar heb ik dus geen oordeel over. Voorzitter. De motie op stuk nr. 2251 is een spreekt-uitmotie: geen oordeel.

De voorzitter:

Ja, sorry. U wacht op mijn herhaling. Geen oordeel van de minister op de motie op stuk nr. 2251. De motie op stuk nr. 2252.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2252 verzoekt om in gesprek te gaan met Lareb. Er is reeds een goede registratie van vaccins die onderzoek naar eventuele bijwerkingen van de coronavaccins mogelijk maakt. Lareb is een onafhankelijke stichting. We hebben het besproken. Ik heb vertrouwen in de zorgvuldigheid van Lareb, dat een hoogstaand instituut is, ook internationaal, voor wat betreft hun omgang met verkregen data. Ik ontraad dus ook deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2252 is ontraden. De motie op stuk nr. 2253 is ook een spreekt-uitmotie.

Minister Bruijn:

Een spreekt-uitmotie: geen oordeel.

De motie op stuk nr. 2254 van het lid Kostić verzoekt om medische richtlijnen voor de behandeling van PAIS. Op zich loopt dit voor postcovid en voor ME/CVS is het in ontwikkeling. Het is alleen aan de beroepsgroep. Ik ga zelfs niet over richtlijnen en in die zin kan ik dat dus ook niet bevorderen of faciliteren. Het is echt aan de beroepsgroep om dat te doen. Ik vind het een heel sympathieke motie, maar ik moet 'm technisch wel echt ontraden omdat ik mij anders tot iets zou committeren, net als net bij mevrouw Bikker, dat ik niet kan uitvoeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2254 is ontraden.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2255 ontraad ik ook. Dit onderwerp komt bij de begroting en ik wil me niet nu al vastleggen op de manier waarop ik dat in de begroting ga inkleden en al helemaal niet als het gaat om toelichtingen over zaken die we niet in de begroting opnemen, als dat zo is, want dan kunnen we de memorie van toelichting bij de begroting wel oneindig groot maken.

De voorzitter:

Minister, ik kijk even naar het lid Kostić. Zou het dan niet iets kunnen zijn om te verzoeken de motie op stuk nr. 2255 aan te houden, omdat die wellicht eigenlijk ontijdig is? Ik denk even mee.

Minister Bruijn:

Dat kan ook.

De voorzitter:

Het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik denk altijd constructief mee, maar ik wil even checken of we elkaar goed verstaan. Hoe dan ook — wat er ook in die begroting komt, of er meer of minder geld voor PAIS komt of dat het hetzelfde blijft — er gebeurt iets. Ik zeg helemaal niet wat er moet gebeuren. Ik zeg: als je iets gaat doen, en dat ga je sowieso doen, welke kant op dan ook, leg dan uit hoe je die maatschappelijke kosten hierin hebt meegewogen. Ik heb net ook een interruptie gepleegd bij VVD over dat dit een goed idee zou zijn. Dat was ook een oproep aan de minister. Volgens mij is het niet veel gevraagd. Misschien heb ik het te streng geformuleerd of niet goed genoeg. Misschien kan de minister daarin meedenken. Ik ben bereid om het aan te passen, maar dat was de strekking van het verhaal.

De voorzitter:

Dat kan eigenlijk niet staande dit debat, dat we even over teksten gaan spreken over en weer. Dat kan dan naderhand. Ik kijk even naar het lid Kostić. Dan blijft voor nu het oordeel over de motie op stuk nr. 2255 ontraden. Is dat werkbaar?

Minister Bruijn:

Ja, dan gaan we dat doen. Dan kunnen we altijd nog tot een nieuwe motie komen.

De voorzitter:

Ja, oké. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 2256.

Minister Bruijn:

Die is ook van het lid Kostić en die verzoekt om een meerjarig plan voor beperking van verspreiding infectieziekten en de Kamer daar snel over te informeren. Dat is eigenlijk staand beleid, dus het is een overbodige motie en daarom moet ik 'm ontraden. Dit is wat we doen. Lid Kostić, het spijt me. Ik denk echt zo constructief mogelijk mee, maar die motie op stuk nr. 2255 gaan we samen fiksen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2256 is overbodig, staand beleid. Het is al geregeld.

Minister Bruijn:

Ik zie het lid Kostić nu wel lachen. Daar ben ik wel heel blij om.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ja, zeker. Ik ben gewoon op zoek naar duidelijkheid. Dat is het vooral. Ik ben gewoon benieuwd waar dan dit plan, met al deze onderdelen van preventie, precies is vastgelegd.

Minister Bruijn:

Voor het grote plan voor bestrijding van infectieziekten zou ik u bijna naar dit mooie leerboek verwijzen. Dat is een heel dik boek. Het bestrijden van infectieziekten is zo'n veelomvattend onderwerp dat ik daar niet over de volle breedte zelf een plan voor ga maken, voor bestrijding van infectieziekten in brede zin. Natuurlijk houd ik u wel middels mijn Kamerbrieven — ik heb het recent nog gedaan — op de hoogte van wat wij doen. In die zin is dit dus staand beleid. Dat plan evolueert ook, bijvoorbeeld op grond van uitkomsten van onderzoek en op grond van moties of amendementen van uw kant. Dus ik houd uw Kamer natuurlijk op de hoogte. Er is niet één bevroren langjarig plan. Dat plan passen we juist steeds weer aan aan de omstandigheden. Dus ik informeer uw Kamer hier eigenlijk continu over.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2256 is overbodig. Ik vrees dat u het hiermee moet doen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik concludeer alleen maar dat bij doorvragen toch blijkt dat het niet zo overbodig is, maar misschien wil de heer Krul nog iets zeggen.

De voorzitter:

Het is ook aan u om erover te stemmen. Het is een advies. De minister apprecieert moties. U stemt en daarmee stelt u de kaders vast. Dus we gaan erover stemmen.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat snap ik, maar ik wilde het toch even duidelijk maken aan de Kamer.

De voorzitter:

Ja, dat is heel goed. Ik denk dat dat is gelukt, maar meneer Krul gaat u wellicht nog helpen. Meneer Krul.

De heer Krul (CDA):

Ik ga het wel proberen. De minister leest namelijk net een motie vrij letterlijk en zegt: als deze woorden achter elkaar staan, namelijk "zo te laten opnemen", moet ik 'm technisch ontraden. En hier interpreteert hij de motie op een manier en zegt hij dat het staand beleid is. Ik vind het best een interessante gedachte om structurele publieksvoorlichting te doen over postacute infectieuze syndromen, zodat ook een soort maatschappelijk begrip ontstaat, zou ik bijna willen zeggen. Het is niet alleen het begrip in de medische wereld dat heel belangrijk is voor patiënten, maar ook gewoon maatschappelijk begrip. Ik vraag me toch af of de minister echt van mening is dat het staand beleid is dat er structurele voorlichting is rondom postacute infectiesyndromen. Dan gaat het om publieksinformatie. Dat zou voor mij namelijk nieuwe informatie zijn.

Minister Bruijn:

Ik zou bijna verwijzen naar mijn brief van december. Maar ook alles wat we nu besproken hebben ... Ik heb alle onderdelen uiteengezet, onder andere subsidiëring voor verspreiding van kennis en publieksvoorlichting. Preventie is echt een totaal ander onderwerp. Dan kom je zelfs uit bij immunisatie, echt een ander onderwerp; dan kom ik uit bij de heer Van Houwelingen. Dit is zo'n breed onderwerp. Ik zeg niet dat dit onbelangrijke onderdelen zijn, ik zeg dat dit allemaal staand beleid is. Op al deze onderwerpen kom ik regelmatig terug in mijn brieven aan u. Ik zou er nou juist niet één plan van maken waar preventie, voorlichting, publieksinformatie et cetera allemaal in zitten. Dit zijn lopende inzichten. Ik houd uw Kamer daar continu van op hoogte. Dat zeg ik nogmaals toe. Dat is overigens ook staand beleid. Ik zou niet willen pleiten voor één staand beleid in de brede zin van infectieziektes. Dat is echt niet verstandig.

De voorzitter:

De minister gaat over zijn eigen appreciatie. De motie op stuk nr. 2256 apprecieert hij als overbodig. De Kamer gaat over het oordeel en zij oordeelt bij de stemmingen; zo gaat het. De motie op stuk nr. 2257.

Minister Bruijn:

De motie op stuk nr. 2257, van mevrouw Van Brenk, over aandacht hebben voor de gevolgen voor de inzetbaarheid, kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2257 krijgt oordeel Kamer.

Minister Bruijn:

Ten slotte. De motie op stuk nr. 2258, van mevrouw Maeijer, die mij verzoekt om te bezien hoe kan voorzien in de behoefte van ouders, geef ik oordeel Kamer. Dan gaat het om de GGD'en en de consultatiebureaus. Dat vind ik een goed idee.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2258 krijgt oordeel kamer. Ik kijk even naar de minister: bent u daarmee aan het einde gekomen van uw bijdrage in tweede termijn?

Minister Bruijn:

Ja, voorzitter. Dan rest mij nog u, en zeker ook de aanwezigen op de publieke tribune, hartelijk te bedanken voor dit relevante debat en ook voor uw doortastende voorzitterschap.

De heer Vervuurt (D66):

Nu heeft de minister al zijn afscheid aangekondigd. Dat vind ik jammer, want ik had nog een vraag gesteld over de manier waarop de expertisecentra de kennis die wordt opgedaan delen en dissemineren naar de eerste lijn. Dit is een vraag die we in de toekomst misschien vaker moeten stellen in de debatten die we vaker gaan voeren, zoals we hebben toegezegd. Misschien kan de minister daar nog kort op reflecteren.

Minister Bruijn:

Zeker. Ik meen dat al diverse malen gedaan te hebben, maar goed. De opbrengsten van het onderzoek naar de praktijk brengen is, ik zou bijna zeggen, staand beleid. Daar zijn verschillende methodes voor. Soms loopt het via de hogescholen, waar praktijkgerichte onderzoekers zitten en lectoren die zo'n opbrengst nog verder moeten vertalen naar een praktische toepassing. Soms gaat het ook rechtstreeks naar het veld. We hebben bijscholingsactiviteiten voor huisartsen, we hebben allerlei manier waarop het onderzoek is aangesloten bij de praktijk. Zodra een onderzoeksopbrengst zodanig relevant is en klaar voor de praktijk dat hij ook veilig naar de patiënt kan worden gebracht, zijn we daar in Nederland over het algemeen snel in. Maar er moet wel over die drempel heen gegaan worden.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar de beantwoording en de appreciatie van een enkele motie door de minister van SZW.

Minister Paul:

Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties die ik moet appreciëren, de moties op stukken nrs. 2244 en 2246. De motie-Bushoff c.s. op stuk nr. 2244 gaat over toegang tot het sociale vangnet. Als ik de motie zo mag interpreteren dat we maximaal inzetten op het vergroten van de kennis bij verzekeringsartsen over de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid bij PAIS, onder andere door dit expliciet onderdeel te maken van de richtlijnontwikkeling, waar ik over verteld heb in mijn bijdrage, krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer Bushoff. Hij knikt. De motie op stuk nr. 2244 krijgt oordeel Kamer.

Minister Paul:

Ja, die motie krijgt oordeel Kamer.

De motie-Dijk c.s. op stuk nr. 2246 gaat over richtlijnen voor keuringsartsen. Op dit moment werkt de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde al aan een handreiking voor postcovid. Hierna gaan ze aan de slag met een richtlijn die voor verdere verdieping zorgt. De handreiking verwacht ik voor de Voorjaarsnota, maar de richtlijn, waar de NVVG dit jaar mee begint, is niet af voor de Voorjaarsnota. Dat kan ik ook niet bespoedigen, want dat is iets wat de NVVG moet doen. Dat ligt niet bij het UWV. De NVVG gaat daarmee aan de slag volgens een doorwrocht wetenschappelijk proces. De uitkomst, die richtlijn, is iets waar het UWV en de verzekeringsartsen hun voordeel mee doen en waar zij wijzer van worden. Ik kan dat echter niet bespoedigen, want dat valt niet onder mijn verantwoordelijkheid. Wij volgen dat natuurlijk nauwgezet en hebben daar goede afspraken over gemaakt met de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde. Gezien de formulering van de motie, moet ik die ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 2246 is ontraden.

Minister Paul:

Tot slot had ik nog een vraag van de heer Bushoff over de Wajong. Hoewel postcovid, net als diverse andere ziektebeelden, een grillig en onvoorspelbaar verloop kent, biedt de Wajong hier juist de nodige flexibiliteit. Jongeren bij wie de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen nog niet direct vaststaat, kunnen gedurende vijf jaar elk jaar een nieuwe beoordeling aanvragen. Zodra het ontbreken van arbeidsvermogen als duurzaam wordt aangemerkt, ontstaat alsnog een recht op een Wajong-uitkering. Dit wordt door dezelfde keuringsartsen gedaan waar we het eerder over hadden. Ook hierbij werken we heel hard aan het opbouwen van kennis, zodat ook hier de juiste signalen worden opgepikt, de situatie op waarde geschat kan worden en recht gedaan kan worden aan de situatie van deze jongeren. Dat betekent dat ook hier nog werk te verrichten valt. Dit zijn de stappen die we nu doorlopen.

Tot zover. Dank aan de leden.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde van de beraadslaging gekomen. Ik dank beide bewindspersonen hartelijk voor hun uitgebreide reflectie. Ik dank de Kamerleden voor hun inbreng in dit goede debat dat we vanavond hebben gevoerd. Ook dank ik de mensen die hier aanwezig zijn of die dit debat op een andere manier hebben gevolgd hartelijk: dank voor uw aandacht, zoals zovelen al hebben gezegd, en voor uw aansporing op dit onderwerp.

De voorzitter:

We gaan volgende week, aanstaande dinsdag, stemmen over de moties, tenzij het schema verandert. Vooralsnog staan de stemmingen gepland voor dinsdag. Daarmee sluit ik de vergadering en wens ik u allen een heel goede nacht.

Sluiting