[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-02-12. Laatste update: 2026-02-12 21:23
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

43e vergadering, donderdag 12 februari 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 137 leden der Kamer, te weten:

Aartsen, El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, Belhirch, Van den Berg, Van Berkel, Bevers, Biekman, Bikker, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, Martin Bosma, Boswijk, El Boujdaini, Van Brenk, Bart van den Brink, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Van der Burg, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Dassen, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Erkens, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heinen, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Frederik Jansen, Jumelet, Kathmann, Kisteman, Klaver, Klos, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Maeijer, Markuszower, Martens-America, Van Meetelen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Prickaertz, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, De Roon, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wilders, Yeşilgöz-Zegerius, Zalinyan en Zwinkels,

en de heer Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de heer Heijnen, staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, mevrouw Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president, en de heer Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van donderdag 12 februari 2026.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Hamerstukken

Hamerstuk

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie) (36822).

Dit wetsvoorstel wordt zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Stemmingen Wet werkelijk rendement box 3

Stemmingen Wet werkelijk rendement box 3

Aan de orde zijn de stemmingen in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (36748).

De voorzitter:

Hedenochtend zullen wij alleen stemmen over de ingediende amendementen en de artikelen. De eindstemming over het wetsvoorstel zal bij aanvang van de middagvergadering plaatsvinden. Het betreft de Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3). Er zijn drie stemverklaringen, van de heren Stoffer, Vermeer en Grinwis. Ik geef het woord aan de heer Stoffer voor zijn stemverklaring. Gaat uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Ik heb een stemverklaring bij het amendement op stuk nr. 36 van de heer Vermeer. De SGP is kritisch over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Het is een verbetering van het huidige stelsel. Dat geven we toe, maar het totaalplaatje is niet wat de SGP als ideaal voor ogen heeft. Er zitten nog heel veel haken en ogen aan. Een daarvan is het lage heffingsvrij resultaat. Met een gemiddeld rendement komen belastingplichtigen met bijvoorbeeld een beperkte aandelenportefeuille al heel snel boven die grens uit. De groep belastingplichtigen wordt ook flink uitgebreid. Het amendement op stuk nr. 36 van de heer Vermeer verhoogt het heffingsvrij resultaat naar €3.600. Dat doel steunen we, maar goede voorstellen moeten ook goed gedekt worden, want anders verleggen we de rekening naar toekomstige generaties. Bij dit sympathieke voorstel zit geen dekking. Het laat de staatsschuld oplopen. Dat is wat ons betreft zeer ongewenst. Vandaar dat wij tegen dit amendement zullen stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel. De stemverklaringen van de heren Vermeer en Grinwis zullen plaatsvinden bij de stemmingen over het wetsvoorstel. Dat zullen we doen bij aanvang van de middagvergadering.

In stemming komt het amendement-Stultiens/Jimmy Dijk (stuk nr. 10, I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, de PvdD en DENK voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 10 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Stultiens/Teunissen (stuk nr. 30, I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt en de PvdD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 30 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Grinwis (stuk nr. 38).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, Volt, DENK, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower en FVD voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Vermeer (stuk nr. 36).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

In stemming komt het amendement-Grinwis (stuk nr. 31, I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, Volt, DENK en de ChristenUnie voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement het andere op stuk nr. 31 voorkomende amendement als verworpen kan worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Hoogeveen (stuk nr. 43, I).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit gewijzigde amendement de overige op stuk nr. 43 voorkomende gewijzigde amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het tweede nader gewijzigde amendement-Grinwis c.s. (stuk nr. 40, I) tot het invoegen van een artikel IA.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit tweede nader gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit tweede nader gewijzigde amendement de overige op stuk nr. 40 voorkomende tweede nader gewijzigde amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het nader gewijzigde amendement-Hoogeveen (stuk nr. 42, I) tot het invoegen van artikelen IA en IB.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, JA21, BBB, Groep Markuszower en FVD voor dit nader gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit nader gewijzigde amendement de overige op stuk nr. 42 voorkomende nader gewijzigde amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Inge van Dijk (stuk nr. 11).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

Dat waren de stemmingen. Ik schors voor een kort ogenblik.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting Klimaat en Groene Groei. Het betreft het antwoord in de eerste termijn van de zijde van het kabinet en de voortzetting.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Klimaat en Groene Groei, viceminister-president op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik geef haar het woord voor de beantwoording. Wellicht kan zij ons meenemen in de wijze waarop zij haar beantwoording heeft gestructureerd.

Minister Hermans:

Voorzitter. Dan zal ik daarmee beginnen in het kader van de orde. Dat ga ik doen langs vijf lijnen, blokjes of mapjes, of niet echt mapjes, want ik heb hier één mapje liggen. Het zijn in ieder geval vijf lijnen. Ik begin met de betaalbaarheid, gevolgd door de verduurzaming van de industrie, netcongestie, kernenergie en tot slot een aantal overige vragen.

De voorzitter:

Ik stel de leden voor om interrupties te doen na ieder afgerond blokje. Ik zie dat daar volmondig mee wordt ingestemd. Het woord is aan de minister voor haar beantwoording. Gaat uw gang.

Minister Hermans:

Ik zal het aangeven wanneer ik bij het einde van een blokje aanbeland ben.

De voorzitter:

Hogelijk gewaardeerd, nu al.

Minister Hermans:

Dank, voorzitter. Eind vorige maand was ik in de Eemsdelta. Daar opende de koning een nieuwe fabriek van CIRCTEC, een mooie toekomstgerichte onderneming. De fabriek gaat jaarlijks een enorme hoeveelheid oude autobanden omzetten in nieuwe grondstoffen. Dat levert banen op en een enorme CO2-besparing. Het zijn dit soort projecten — daar zijn er echt nog veel meer van — en regio's, zoals de Eemsdelta, die cruciaal zijn voor onze ambities voor klimaat en groene groei. Bij dit soort projecten is de afstand tussen Den Haag en Groningen of tussen Groningen en Den Haag niet relevant — zeg ik via u, voorzitter, tegen mevrouw Van Oosterhout, die nog niet binnen is. Zij refereerde daaraan in haar maidenspeech, waarmee ik haar wil feliciteren. Dat waren prachtige woorden. Want die afstand is niet relevant, zeker als je kijkt naar de opgave waar we voor staan in de klimaat- en energietransitie. In het hele land vraagt dat inzet, energie en betrokkenheid. En dat gebeurt ook: je ziet in het hele land prachtige voorbeelden van innovatie van ondernemers die een stap vooruitzetten.

Voorzitter. Ik ben het ook eens met mevrouw Van Oosterhout dat die afstand niet relevant is. Ik ken het zelf van vroeger. Ik heb zelf in Friesland gewoond. Dan ervaarde ik ook dat vrienden dachten dat het naar Friesland langer rijden was dan van mij naar hen. Maar het is even ver, van welke kant je het ook bekijkt. Of beter nog: het is even dichtbij. Dat moet het ook zijn, als je het aan mij vraagt. Beleid moet dichtbij zijn. Daarmee bedoel ik: het moet werken. Daarvoor moet je elkaar spreken en naar elkaar luisteren. Dat geldt altijd, maar zeker voor activiteiten die we in de ondergrond doen, gaswinning in het bijzonder. Daarop kom ik later nog uitgebreider terug.

Eerst nog even naar Groningen, naar CIRCTEC. Want bij CIRCTEC zien we dat de omstandigheden om te kunnen verduurzamen gunstig zijn. Er is op termijn voldoende toegang tot windenenergie en waterstof, waardoor belangrijke verduurzamingsstappen nu ook mogelijk zijn. Dat is niet overal zo, dus we moeten hier vanuit de overheid werk van blijven maken en die randvoorwaarden op orde blijven brengen, om Nederland sterker, onafhankelijker en duurzamer te maken.

Daarvoor zijn de komende jaren drie zaken cruciaal. Ten eerste is er stevig en voorspelbaar beleid voor de lange termijn nodig. Ik kan het dan ook niet meer eens zijn met wat de heer Jumelet daarover zei in zijn eerste termijn. Stevig en voorspelbaar beleid is vereist, niet tot 2030 maar tot 2040, zodat investeerders en regio's zekerheid hebben en plannen kunnen maken. En we moeten uitvoeren wat we met elkaar hebben afgesproken. Ten tweede moeten we de uitvoering op orde brengen en de randvoorwaarden verbeteren, zodat we resultaten gaan zien: nieuwe energie-infrastructuur, voldoende duurzame energie en nieuwe banen. Dit kan ook niet zonder in regio's op een goede en effectieve manier samen te werken, zodat we doelen omzetten in concrete projecten. Ten derde is er blijvende aandacht nodig voor de betaalbaarheid en het concurrentievermogen, zodat huishoudens en ondernemingen vooruit kunnen en weten waar ze aan toe zijn.

Voorzitter. Daarmee kom ik bij de vragen die gesteld zijn over betaalbaarheid. Ik begin met een vraag van de heer Kops. Ik weet niet of dit een teken is van de dag, maar die liep net even de zaal uit. Ah, daar is de heer Kops weer! Die vroeg mij wat ik nou ga doen voor huishoudens en hun energierekening. Ik begrijp goed dat mensen zich blijvend zorgen maken over de hoogte van de energierekening. Als je de stijgende gasprijzen ziet op de groothandelsmarkt en de koude periodes die eraan komen, begrijp ik dat je je afvraagt: wat doet dit en wat betekent dit voor mijn energierekening? Dit is voor het kabinet dus ook een blijvend aandachtspunt. Energie moet niet alleen beschikbaar zijn; ze moet ook betaalbaar zijn en blijven voor iedereen. Niet om dit vraagstuk te bagatelliseren, maar wel om even de cijfers en de situatie feitelijk neer te zetten, zeg ik: op dit moment liggen de gastarieven voor een eenjarig vast contract 11% lager ten opzichte van vorig jaar januari en 3% lager ten opzichte van afgelopen december.

Maar nogmaals, dat ontslaat ons niet van de plicht hier continu aandacht voor te hebben en de inzet die dit kabinet op meerdere fronten pleegt door te blijven zetten, door huishoudens te steunen voor wie de energierekening een probleem is. Daarvoor heeft dit kabinet de energiebelasting structureel verlaagd met 100 miljoen euro per jaar vanaf 2026. Er is hulp en er zijn financiële middelen beschikbaar om woningen beter te isoleren en het energiegebruik daardoor te verminderen. Dat is natuurlijk uiteindelijk, op de lange termijn, structureel de beste manier om de energierekening naar beneden te brengen. Specifiek voor mensen die hun rekening niet kunnen betalen, wordt er dit jaar 30 miljoen euro extra uitgekeerd aan gemeenten, die hiermee huishoudens in energiearmoede aanvullend kunnen ondersteunen. Tot slot wordt er door de collega's op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid keihard gewerkt aan de realisatie van het publieke energiefonds, met als inzet om dat deze winter gereed te hebben.

Voorzitter. We hebben ook een aantal subsidieregelingen waarmee we mensen helpen en waarmee we de drempel verlagen om een verduurzamingsmaatregel te nemen. Een daarvan is de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen. De heer Flach en de heer Klos hebben daar vragen over gesteld.

De heer Klos vroeg het volgende. Er staat nu geld gereserveerd op de begroting voor de ISDE-regeling — die is gericht op het subsidiëren van onder andere warmtepompen — maar zouden we dat geld eigenlijk niet moeten gebruiken om de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen nog een impuls te geven? De heer Flach merkte namelijk terecht op dat het aanvullende budget van 20 miljoen euro dat het kabinet in december beschikbaar heeft gesteld, heel snel op was; sterker nog, dat was overtekend. Dit is een hele begrijpelijke vraag, want ik onderschrijf met de heer Klos en de heer Flach het belang van de opschaling van collectieve warmte en de essentiële rol die woningcorporaties en andere verhuurders spelen om dit te ondersteunen. Ik zei al: we zagen de enorme belangstelling voor die regeling eind vorig jaar. Wellicht hing die samen met de behandeling van de Wet collectieve warmte in de Eerste Kamer. Het is goed dat die wet nu eindelijk door beide Kamers behandeld en aangenomen is. Daarmee staat het fundament voor hoe we dit gaan organiseren. Nu moeten we het ook voor elkaar krijgen. Daar kan die regeling aan bijdragen. Ik snap dus heel erg de vraag en het verzoek. Tegelijk zeg ik: ik zou dit heel graag aan mijn opvolger, of aan een volgend kabinet over willen laten, omdat dat dan mee kan lopen in de reguliere besluitvorming die plaatsvindt over de manier waarop je de middelen uit het Klimaatfonds besteedt, zodat we ook het advies kunnen afwachten dat TNO en PBL altijd geven op de voorstellen die vanuit de ministeries worden gedaan voor het besteden van de Klimaatfondsmiddelen en zodat we dat ook op een zo efficiënt en doelmatig mogelijke manier doen. Maar nogmaals, ik onderschrijf het belang en ik zie ook dat het nodig is om die duurzame warmte te blijven aanjagen en stimuleren.

Voorzitter. Nu we het hebben over de gebouwde omgeving, kom ik even bij een vraag van de heer Jumelet over koeling en de relevantie daarvan. Daarover deel ik dat het vraagstuk van koeling steeds belangrijker wordt en dat de koelbehoefte ook toeneemt, bijvoorbeeld omdat we steeds meer en beter isoleren. Goed inzicht in de precieze koelbehoefte is dus belangrijk. Halverwege 2025, dus vorig jaar, is door het kabinet de zogenaamde Hitte aanpak gepresenteerd. In de bouwregelgeving worden op dit moment ook al eisen en normeringen voor het voorkomen van oververhitting meegenomen bij nieuwbouw en renovaties. Bij de energieprestatieberekeningen wordt al expliciet gekeken naar de koelbehoefte en het risico op oververhitting bij nieuwbouwwoningen. Maar we zien ook dat we mogelijk nog niet alle antwoorden op dit vraagstuk hebben. Er loopt op dit moment dus ook een interdepartementaal beleidsonderzoek, een ibo-onderzoek, naar de energietransitie van de woningvoorraad richting 2050. Ook daarin wordt de koelbehoefte betrokken. De relevantie van het onderwerp voor ons energiesysteem en specifiek voor de gebouwde omgeving deel ik dus. Die zit volgens mij ook in een aantal stappen die al gezet zijn en in dat onderzoek. Ik zou nu dus geen aparte visie willen ontwikkelen, zoals de heer Jumelet mij vroeg. Daarvoor zou ik eerst echt even de resultaten van het onderzoek willen afwachten. Maar nogmaals, het belang onderschrijf ik.

Voorzitter. In het kader van de betaalbaarheid vroeg de heer Grinwis specifiek naar de nettarieven. De heer Grinwis, zeg ik via u, voorzitter, noemde de amortisatie. Hij vroeg ook of er niet gekeken moet worden naar een kapitaalstorting bij TenneT. Even over de amortisatie en de langere afschrijvingsperiode als een manier voor TenneT om de grote investeringen die het gaat doen en die het mag doorberekenen in de nettarieven, over een langere periode uit te kunnen smeren. Dat is door het kabinet onderzocht. Ik moet eerlijk zeggen dat ik er ook hoge verwachtingen van had. We hadden met elkaar natuurlijk wel een aantal voorwaarden gesteld. Een daarvan was als volgt. Je wil niet dat als je dat instrument zou gaan inzetten, dat er alsnog toe zou leiden dat je rekeningen doorschuift naar volgende generaties. Aan die voorwaarde kon helaas niet worden voldaan, zo bleek uit ons onderzoek. Dat is op Prinsjesdag met de Kamer gedeeld. Vandaar dat deze optie van tafel is gegaan.

Dan suggereerde de heer Grinwis om te kijken naar een kapitaalstorting als middel om de nettarieven te verlagen. De vraag daarbij is als volgt. Als je dat doet, leidt dat niet tot een verlaging van nettarieven. Je verandert namelijk verder niets aan de financieringsstructuur. De investeringen die TenneT doet, mag het dus nog steeds doorrekenen in de nettarieven. Dan kom je bij de variant van een subsidie. Dan zou dat namelijk wél kunnen. Dat gaat om hoge bedragen; dat hebben we volgens mij ook in eerdere debatten al wel gewisseld. Het kabinet doet dat natuurlijk ook, bijvoorbeeld via de IKC, in de richting van bedrijven. Maar de heer Grinwis vroeg specifiek naar huishoudens, want ook daarvoor gaan de nettarieven natuurlijk omhoog. Daar zoekt de kabinet het in de route van de korting op de energiebelasting.

Voorzitter. Ik zei al dat de betaalbaarheid van ongelofelijk groot belang is. Het zorgt ervoor dat huishoudens, maar natuurlijk ook ondernemers, kunnen blijven meekomen in deze hele transitie en dat ze de stappen blijven zetten om te investeren. Want als je de investeringsruimte ziet, dan ga je kansen en ruimte zien. Dat hebben we samen nodig om stappen vooruit te blijven zetten.

Voorzitter. Via die route kom ik eigenlijk bij de vragen over de verduurzaming van de industrie. Dat betekent dus dat ik bij een volgend blokje ben beland.

De voorzitter:

Maar niet zomaar.

Minister Hermans:

Zeker niet.

De voorzitter:

Eerst hebben we namelijk nog de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, het nadeel van wachten tot het blokje is afgelopen, is dat ik op twee punten vragen heb. Staat u mij dat toe?

De voorzitter:

Ik sta u dat toe, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

Dank u. Ik begin even bij de aardgasvrije huurwoningen. Die zijn inderdaad heel cruciaal voor het van de grond krijgen van warmtenetten. In mijn eigen regio heb ik gezien dat zij echt de drager zijn van überhaupt de uitrol van zo'n systeem. Dat is dus helder. Ik zou, luisterend naar het antwoord van de minister, toch willen vragen of ze met iets warmere aanbeveling zou willen overdragen aan haar opvolger dat die het schamele beetje geld dat er was, ophoogt. Dat zeg ik zeker ook omdat we gezien hebben dat er 118 miljoen gewoon naar de algemene middelen terugging. Met andere woorden, het geld is er. Zet het daarvoor in, zou mijn oproep zijn.

Minister Hermans:

Als ik heb uitgestraald dat ik de duurzame warmte, of de verdere ontwikkeling van ons warmtesysteem in Nederland, niet belangrijk vind, dan wil ik dat bij dezen rechtzetten. Het is namelijk een hele belangrijke pijler onder ons klimaat- en energiebeleid. Voor die woningen waarvoor elektrificatie geen optie is, is dit de duurzame oplossing. Dat vraagt de komende jaren nog een heleboel, maar zeker waar je nu stappen kan zetten en waar die regeling een duwtje in de rug kan zijn, vind ik dat belangrijk. Mijn terughoudendheid had betrekking op het nu, op dit moment in het debat, even herverdelen van die middelen als demissionair minister op de allerlaatste dag waarop dit kabinet debat voert. Dit is dus ook mijn laatste debat als minister van Klimaat en Groene Groei. Maar je moet kijken naar hoe die middelen op dit moment in het fonds zitten en hoe je ervoor zorgt dat middelen die we overmaken naar departementen ook besteed worden en niet, zoals de heer Flach terecht opmerkte, aan het eind van het jaar teruggaan naar de generieke middelen, dus dat ze echt besteed worden aan waarvoor ze bedoeld zijn. Dan moet je ook kijken welke regelingen goed werken en naar welke regelingen veel vraag is. Daar is dit er absoluut een van.

De heer Flach (SGP):

Dat is voldoende op dit punt. Ik ga ervan uit dat de minister dit in haar overdrachtsgesprek aan de opvolger meegeeft. De andere vraag gaat over de amortisatie. Ik hoorde iets wat me verbaasde. De minister zei dat ze dit niet wil doorschuiven naar volgende generaties, maar ik mag aannemen dat we de nieuwe aanleg die we nu doen, doen voor decennia, voor 50 jaar, 60 jaar of misschien nog langer. Dat zijn verschillende generaties. Juist vanuit die redenering is het logisch om de kosten uit te smeren over de generaties die daar in de toekomst van profiteren. Wat we nu aan het doen zijn, is louter deze generatie belasten voor iets wat ook in de toekomst nog gebruikt zal worden.

Minister Hermans:

Dat zijn natuurlijk investeringen die in de komende jaren gedaan worden; het omvat dus niet allemaal alleen het volgende jaar of het jaar daarna. Specifiek over die amortisatie: er moet in die variant de komende jaren ruimte zijn. Zit daar, kijkend naar de ontwikkeling van de energietarieven, voldoende ruimte in om wat je nu minder in rekening brengt, straks wat meer in rekening te kunnen brengen? Het moet zich uiteindelijk immers natuurlijk wel terugbetalen. Toen wij een nadere analyse maakten van de ontwikkeling van die tarieven in het bestuderen van die amortisatievariant bleek dat verschil gewoon onvoldoende om te kunnen zeggen dat de kosten daarmee op een eerlijke manier over een langere periode worden uitgesmeerd. Daarmee schuif je dus eigenlijk een onevenredig groot deel door naar de volgende generatie.

De heer Flach (SGP):

Ik denk dat dit vooral een financiële discussie blijft over hoe je kosten verdeelt over generaties. Misschien is dit ook niet het moment om dit hier helemaal uit te diepen. Wat de SGP betreft blijft dit echt een mogelijkheid die we meer zouden moeten benutten. Het is een dermate grote ingreep in de basisinfrastructuur dat we misschien echt af moeten van het principe van kostendekkendheid. Er zijn andere mogelijkheden genoemd om het via algemene middelen te doen. Misschien moeten we daar dan naar kijken, maar het punt is dat je te veel kapotmaakt als je nu doorgaat met belasten op basis van kostendekkendheid.

Minister Hermans:

Ik denk dat we allemaal, ook dit kabinet en het volgend kabinet, het probleem van de oplopende nettarieven zien. Heel specifiek zien we dat natuurlijk in de concurrentiepositie van onze industrie, omdat de energiekosten in Europa in vergelijking met de rest van de wereld al hoger zijn en in Nederland hoger dan binnen Europa. Daar zijn dus al een aantal stappen op gezet via de IKC, de verlenging en ook de uitbreiding van de IKC. Die staan in het coalitieakkoord. Daarin staat ook een envelop klaar om nog aanvullend iets te doen op het punt van die nettarieven. Dan blijft er de vraag wat dit bij huishoudens betekent voor de betaalbaarheid. Nu richten we ons specifiek op de route via de energiebelasting, maar deze discussie is niet klaar; dat ben ik met de heer Flach eens. Het gaat overigens echt over grote bedragen; daar kom ik zo bij de netcongestie op terug. We moeten dus alle maatregelen nemen die mogelijk zijn om die grote investering … Die 195 miljard kan je naar beneden brengen door een aantal maatregelen te nemen.

De heer Kops (PVV):

De minister zei: de betaalbaarheid van de energierekening is van belang. Daar sla ik op aan. Ten eerste is dat een beetje een dooddoener en ten tweede gaat het juist daar mis, want meer dan een half miljoen huishoudens leven inmiddels in energiearmoede en dat aantal stijgt. De minister zegt: ja, maar de gasprijzen zijn nu relatief laag. Ja, "relatief". En als er een bepaald voordeel in die relatief lage gasprijzen zit, wordt dat door de overheid rigoureus weggenomen, want het is een feit dat de energierekening dit jaar, in 2026, weer verder stijgt.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Kops (PVV):

De energiebelasting op gas gaat omhoog. De vermindering van de energiebelasting, een soort korting, gaat juist omlaag.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Kops (PVV):

De nettarieven gaan omhoog. Dan is de vraag wat de minister doet voor al die mensen die nu letterlijk in de kou zitten, want het wordt alleen maar erger.

Minister Hermans:

De heer Kops schetst een aantal ontwikkelingen in de energieprijzen en de gasprijzen. Ik plaatste de prijzen van een vast contract op dit moment ten opzichte van vorig jaar even in perspectief. Ik vind het ook onze taak om die feiten wel af en toe te schetsen om de discussie in evenwicht te brengen. Nogmaals, de heer Kops schetst een aantal ontwikkelingen die prijsopdrijvend zijn, zou je kunnen zeggen, maar ik noemde net ook een aantal dingen die dit kabinet gedaan heeft. Ik denk dan aan het structureel beschikbaar maken van 100 miljoen om de energiebelasting te verlagen. 30 miljoen is beschikbaar voor gemeenten om mensen die echt in directe nood zitten met hun energierekening extra te ondersteunen. Ik geloof dat dat naar aanleiding van een motie of een amendement van de heer Grinwis was. En er wordt met man en macht gewerkt om dat noodfonds, dat energiefonds, op te richten. Dus het is niet zo dat er niks gebeurt. Er is absoluut aandacht voor.

De heer Kops (PVV):

Dat Noodfonds Energie klinkt misschien heel leuk, maar laten we wel wezen, het is natuurlijk wel een uiterst middel. Het is natuurlijk een lapmiddel. Als mensen daar gebruik van moeten maken, zitten ze namelijk al diep in die energiearmoede. Daar gaat dus iets mis. We moeten voorkómen dat steeds meer mensen in de energiearmoede zitten. Als we de begroting lezen, want daar gaat het nu om, zien we gewoon concreet dat de CO2-heffing voor bedrijven naar nul gaat en dat de indirecte kostencompensatie omhooggaat. Dat wordt allemaal gedaan voor bedrijven. Prima, helemaal goed, maar we zien dat er voor die huishoudens helemaal niks gebeurt. De energiebelasting op gas gaat omhoog. De netkosten gaan omhoog. Onderaan de streep gaan de mensen dit jaar, in 2026, meer voor hun energie betalen.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Kops (PVV):

Dat kan toch niet! Wat doet de minister nu concreet om dat tegen te gaan?

Minister Hermans:

Ik zal de financiële maatregelen die ik net noemde niet herhalen. Ik vind dat de heer Kops echt geen recht doet aan het belang en de werking van het energiefonds, het publieke energiefonds. Ik ga er wel één benadrukken. Dat is de ongelooflijke inzet die er wordt gepleegd door woningcorporaties en door verhuurders, op heel veel plekken in het land, om te isoleren, om maatregelen te nemen om woningen energiezuiniger te maken. Want wat je niet verbruikt, hoef je uiteindelijk ook niet te betalen. Dat is uiteindelijk op de lange termijn dé maatregel om de energierekening omlaag te brengen. Daar wordt fors in geïnvesteerd, ook de komende jaren nog.

De heer Kops (PVV):

Zo'n energiefonds of noodfonds is leuk. Verduurzaming om het energieverbruik omlaag te krijgen klinkt ook leuk. Het klinkt allemaal leuk, maar daar hebben de mensen die nu in de energiearmoede zitten natuurlijk helemaal niks aan. En laten we eerlijk zijn: dat die energierekening steeds maar weer omhooggaat, is gewoon bewust overheidsbeleid. Ongeveer de helft van de gasrekening bestaat namelijk uit belastingen. We zien ook dat Nederlanders op Zweden na het meeste voor hun gasrekening betalen van heel Europa.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Kops (PVV):

Dat kan toch niet? We zijn als Nederland nota bene een gasland. Althans, dat waren we. We exporteerden heel veel gas. Nu doen we dat niet meer, maar we waren altijd een gasland. Dan kan het toch niet zo zijn dat de mensen in dat gasland bijna het meeste voor hun gas betalen van heel Europa? Dat kan niet! Het is overheidsbeleid.

Minister Hermans:

Dit kabinet zet langs verschillende lijnen in op betaalbaarheid van de energierekening. Betekent dat dat daarmee niemand meer een probleem heeft en dat voor niemand die energierekening meer hoog is? Nee, absoluut niet. Is dit dus iets wat klaar is? Nee, dat ook niet. Wat betreft gas hebben we de afgelopen jaren om hele goede en hele terechte redenen keuzes gemaakt. We importeren inderdaad op dit moment meer. Ik zal zo meteen nog wat zeggen over wat dat betekent voor onze onafhankelijkheid. Maar laten we dat alsjeblieft niet vermengen met de aandacht die er is en moet blijven voor de betaalbaarheid van de energierekening.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik hoop dat het publieke noodfonds op 1 januari aanstaande echt van start gaat, met terugwerkende kracht, zoals is beloofd. Hopelijk kan de minister dat bevestigen. Ik had eigenlijk een andere vraag, namelijk over de vulgraad. Die gaat over de gasopslagen. De minister zei net een beetje relativerend: de gasprijs is nu lager dan een jaar geleden. Het was een beetje van: gaat u maar rustig slapen. Ze zegt dit terwijl de gasopslagen nog maar voor 17,6% gevuld zijn. Wat vindt de minister van dat niveau? Is dat niet gewoon veel te laag?

Minister Hermans:

Als ik feiten in een discussie breng om ook even de andere kant te benoemen, doe ik dat niet om sussend te doen over een vraagstuk waarvan ik bij herhaling heb gezegd dat ik dat van groot belang vind, namelijk de betaalbaarheid van de energierekening. Ik ben nota bene mijn antwoord begonnen met te zeggen dat ik snap dat mensen, als je ziet dat er koude dagen aankomen en er berichten zijn over fluctuaties in de gasprijs, denken: zit er nog voldoende in de opslagen en kan ik het nog betalen? Dus daar doe ik op geen enkele manier lichtzinnig over.

Dan de vulgraad, waar we de afgelopen weken op verschillende momenten, en terecht ook, debatten over hebben gevoerd. We zien die vulgraad inderdaad dalen en zien ook dat die op een lager niveau is dan vorig jaar rond deze tijd. Tegelijkertijd is het ook zo dat de opslagen niet de enige bron zijn waar wij deze dagen, deze weken, ons gas vandaan halen. Het zijn opslagen die wij in het winterseizoen gebruiken om te kunnen voldoen aan de extra vraag als het koud is, maar we hebben ook nog steeds de import en natuurlijk onze eigen productie. De import van lng gaat gewoon door. Die schepen blijven komen. Daar is die relatief lage prijs wel een belangrijke factor in. Die markt blijft zijn werk gewoon doen.

Tot slot is het volgende nog wel belangrijk om te noemen als het over het percentage gaat. Dat houd ik natuurlijk dagelijks in de gaten. Mijn collega's op het ministerie kennen inmiddels mijn eerste vraag in de ochtend: hoe staat het ervoor? Maar per 1 april van dit jaar houdt het contract, of de samenwerking, met GasTerra op. Dan past het ook in de ontwikkeling dat de gasopslagen tot april leeggeproduceerd worden. Dat neemt niet weg dat we dit in de gaten houden, omdat we het gas wel gewoon nodig hebben voor de leveringszekerheid. Er moet voldoende gas beschikbaar zijn om huizen te kunnen verwarmen maar ook om de industrie te kunnen laten draaien.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Er liggen aangenomen moties om dan wel met een minimale reserve te gaan werken, dan wel de vulgraaddoelstelling weer op te hogen naar 90%. Ik hoop dat die dit jaar worden uitgevoerd, zodat we komend jaar toch met hogere vulgraden zullen zitten in deze fase van de winter dan op dit moment.

Ik wil een heel ander punt aansnijden, namelijk netcongestie en het gerucht dat mij bereikte dat TenneT vanmiddag, aansluitend op deze begrotingsbehandeling, met een bericht naar buiten zal komen dat er vanaf juni geen kleinverbruikers meer zullen worden aangesloten in de provincies Gelderland, Utrecht en Flevoland. Dat betekent echt heel veel voor nieuwbouw en voor verbouw. Het is echt huge.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mijn vraag aan de minister is: op welke manier staat zij de gemeenten en de provincies die het betreft terzijde?

Minister Hermans:

Mag ik nog één reactie op het eerste punt van de heer Grinwis geven? Dat ging over de vulgraad voor komend jaar en de strategische voorraad. Aan beide kom ik tegemoet. De vulgraad is weer iets opgehoogd voor 1 november. Via wetgeving is geregeld dat we in 2026 voor het eerst een strategische voorraad kunnen aanleggen. Dat gaan we ook doen. In het kader van het strategische gasbeleid, waar ik toe ben opgeroepen via de motie-Grinwis, kijken wij ook wat de omvang van die voorraad moet zijn naar de toekomst toe. Maar dit jaar doen wij een eerste vulling.

Dan de tweede vraag van de heer Grinwis, over het aanstaande bericht van TenneT. Ik ben daarover geïnformeerd. Ik ben daar … Ik weet even niet zo goed welk woord ik daarop moet plakken, maar ik ben er ontstemd over. We werken al jaren, ook de netbeheerders, ook TenneT, met man en macht om de drukte op het stroomnet af te vlakken. Ik zou niet willen zeggen "oplossen", want dat gaat echt nog wel even duren. Het gaat om afvlakken. Een paar maanden geleden leek het nog voorzichtig de goede kant op te gaan. Ik zeg echt met nadruk: voorzichtig. Nu komen er cijfers die echt een veel minder rooskleurig beeld laten zien, met potentieel grote consequenties voor Flevoland, Gelderland en in bijzondere mate voor Utrecht. Dus ik heb regelmatig contact met de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht, met TenneT en met de regionale netbeheerders om te kijken wat we in het algemeen doen aan de netcongestie in deze drie provincies, maar in het bijzonder aan dit specifieke onderwerp. Als je moet overgaan tot zo'n ingrijpende maatregel, waar de heer Grinwis ook op doelde, kan dat niet zomaar zonder hele zorgvuldige afwegingen, berekeningen en een second opinion. Ik wil precies weten welke maatregelen we nog kunnen nemen voordat we tot zo'n ingrijpende maatregel komen. Dat kan en mag alleen in goed overleg met de provincies, TenneT en de netbeheerders. Ik ben hier echt meer dan ontstemd over.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat delen wij helemaal, want ik vind het echt ongehoord wat daar gebeurt, temeer als ik hoor dat lokale en regionale bestuurders voor hun gevoel tegen een muur oplopen bij TenneT. Het is zo formalistisch en protocollair; het moet via allerlei procedures, maar tegelijkertijd gebeurt er voor hun gevoel zo weinig. Dat geldt niet alleen voor de bebouwde omgeving, maar ook voor bedrijven: anderhalve man en een paardenkop bij TenneT moeten de grootste energie-intensieve bedrijven zien te bedienen om de druk op het net te verlichten. Ik vind dat best wel ongehoord. Is er niet heel snel een aanvulling nodig op het Landelijk Actieprogramma Netcongestie dat de minister heeft gemaakt? Dat voorziet namelijk niet in deze acute situatie. Hoe ziet de minister dat? Ik overweeg een motie op dit punt.

Minister Hermans:

Ik herken niet alle beelden die de heer Grinwis schetst, en tegelijkertijd ook weer wel. TenneT, de regionale netbeheerders en wij misschien ook wel, hoefden nooit na te denken over de netwerkcapaciteit. Die was er gewoon. Als je een nieuwe of een grotere aansluiting wilde, was die er. Ineens is het een van de grootste vraagstukken — misschien is het wel het grootste — in onze energievoorziening op dit moment. Dat vraagt een hele andere manier van werken en benaderen. Daar kunnen we allemaal nog stappen in zetten, denk ik, ook wij vanuit de Rijksoverheid. Al pratende probeer ik me te herinneren … O ja, de heer Grinwis overweegt een motie voor extra actie. We hebben natuurlijk het Landelijk Actieprogramma Netcongestie. Dat programma moet gewoon doorgaan, maar het is volstrekt onvoldoende om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er nog een aparte FGU-aanpak voor Flevoland, Gelderland en Utrecht, heb ik versnellingsmaatregelen genomen en is onlangs het Aansluitoffensief gelanceerd. Al die dingen moeten samen doorgaan. Ik denk dat het ook nodig is om een goed beeld te krijgen van het exacte probleem in de cijfers, berekeningen en prognoses. Op dat gebied zijn aanvullende stappen nodig, zodat we een goede weging kunnen maken van bijvoorbeeld de betrouwbaarheid en het nemen van meer risico op het net. Ik denk dat er op dat gebied aanvullende stappen nodig zijn. Het ging net over een warme overdracht aan mijn opvolger. Dit zou ik ook aan mijn opvolger overdragen, die met het onderwerp netcongestie aan de slag gaat.

De heer Jumelet (CDA):

Van warme overdracht gaan we naar koeling, om het maar even zo te introduceren. Dank voor het antwoord. Ik hoor de minister spreken over geen visie op dit punt. Maar in mijn bijdrage constateerde ik dat koeling of koudevraag niet in de scenario's van het CBS, het NPE, TNO en de KEV zitten. Mijn vraag is dan om dit een plek te geven in de integrale aanpak van ons energiesysteem van de toekomst. Als we samen constateren dat het in ieder geval van belang is, dan zou er ook een maatregel moeten komen om daar werk van te maken, vraag ik de minister.

Minister Hermans:

De reden dat ik "nu geen visie op ontwikkelingen" zei, is dat er al zo veel loopt en er nu aan het ibo wordt gewerkt. Ik zou de uitkomsten daarvan willen gebruiken. Ik geloof niet dat het in die zin onderdeel is van het Nationaal Plan Energiesysteem. Het zit echt in het ibo over de gebouwde omgeving. Ik zit even te denken, want we hebben zo veel documenten en strategieën. Wat daaruit komt, is natuurlijk wel relevant voor hoe we verdergaan met dit onderwerp. Ik zou het daar dus graag aan willen koppelen. We hebben de hitteaanpak en de normen die bij renovatie en nieuwbouw gelden. Het is dus niet zo dat er geen aandacht voor is.

De heer Jumelet (CDA):

Net ging een vraag over netcongestie. Ik denk dat het heel belangrijk is om juist dit onderwerp daarin mee te nemen. Mensen maken keuzes. Dit kan ook van betekenis zijn voor welke investeringen bedrijven en mensen thuis doen. Ik denk dat het heel belangrijk is om hier volop aandacht voor te hebben.

Minister Hermans:

Dat deel ik.

De heer Vermeer (BBB):

Het was mij niet helemaal duidelijk wanneer ik iets moest vragen over die gasvoorraad, maar omdat het onderwerp al door een van mijn collega's opgeworpen werd, doe ik het maar bij dit blokje. In de schriftelijke reactie van de minister geeft ze aan dat er over de beëindiging van de operationele activiteiten van GasTerra in september een brief is gestuurd. Die hebben wij gehad en die heb ik doorgenomen, maar het is mij niet duidelijk wat er nu eigenlijk afgesproken is in de periode na september vorig jaar. Is er met de NAM overeenstemming bereikt over die gasopslagen bij Norg en Grijpskerk, of gaat EBN dat doen? Wat is eigenlijk de status van al die gesprekken?

Minister Hermans:

Dat is een goede vraag. Op dit moment lopen er gesprekken over hoe we die overgang straks, als de activiteiten van GasTerra aflopen, op een goede manier doen, over de rol van de NAM vanaf dat moment en over de rol van EBN. Die gesprekken lopen. Daar wil ik nu in het openbaar verder niet al te veel op ingaan, want dat zou die gesprekken niet ten goede komen, maar het is voor mij van het grootste belang dat we daar op een goede manier en in goed overleg met elkaar uit komen. Dat constructieve gesprek loopt ook.

De heer Vermeer (BBB):

Ik vraag dat omdat er een datum van 1 april staat; dan moeten ze leeg zijn. Dat is al over een week of zes. Staat EBN dus klaar om te zorgen dat er vanaf dat moment hoe dan ook bijgevuld gaat worden?

Minister Hermans:

Dat leegraken, waar we al menigmaal over hebben gediscussieerd, is niet het grootste vraagstuk op dit moment. Het gaat er vooral om hoe we ervoor zorgen dat ze weer gevuld worden vanaf 1 april. Dat zegt de heer Vermeer ook terecht. Daarop is alle inzet nu gericht. Daar is EBN uiteraard ook bij betrokken.

De heer Van den Berg (JA21):

In het verlengde hiervan de volgende vraag. We hadden het al over de leegrakende gasopslagen. Dit hebben we natuurlijk al eerder besproken, zeg ik tegen de minister. Is het niet juist zo dat de markt anticipeert op lagere prijzen die nog gaan komen? Dat is natuurlijk ongewoon, want we zitten nu in de winter. Nu zouden de prijzen over het algemeen wat hoger moeten zijn en dan in de zomer weer wat lager. Mijn punt is dat doordat we die vulgraden zo hebben ingericht, de markt steeds afwachtender is geworden is met het vullen van de gasopslagen.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Van den Berg (JA21):

Kunnen we dat niet gewoon weer loslaten, zoals eerder aangegeven, zodat de markt weer eerder gaat vullen, net zoals vroeger?

Minister Hermans:

Hier heb ik inderdaad eerder met de heer Van den Berg en collega's van de heer Van den Berg over gedebatteerd. Het feit dat de gasopslagen leger zijn of dat er eerder begonnen is met het onttrekken van gas uit die voorraden, heeft onder andere met de prijs te maken. Die gasopslagen en de inhoud van die gasopslagen zijn natuurlijk wel eigendom van marktpartijen. Die hebben contracten met afnemers, klanten. Die moeten zij beleveren op het moment dat die vraag hebben naar gas. Dat kunnen ze uit opslagen halen. Er wordt natuurlijk ook naar de prijs gekeken om te zien of het aantrekkelijker is om het uit de opslag of uit de import te halen, maar uiteindelijk moet aan de vraag worden voldaan. In algemene zin geldt dat je de leveringszekerheid en betaalbaarheid met elkaar in evenwicht moet brengen. Daarom is het steeds zo zoeken naar de balans tussen welke taak en rol je als overheid op je neemt en wat je aan de markt laat als het aankomt op het vullen van gasopslagen.

De heer Van den Berg (JA21):

Het gaat inderdaad vooral om betaalbaarheid, want ik denk niet dat het snel tot lege opslagen zal komen. Voor die tijd is de prijs namelijk zo erg gestegen dat de meeste bedrijven al failliet zijn gegaan. Dat drukt dan helaas ook weer de vraag. Kortom, moeten we niet gewoon stoppen met die vuldoelstellingen in de zomer? Daar pleitte ik de vorige keer ook voor. Dan zal de prijs in de zomer over het algemeen weer gaan zakken en dan vult de markt de gasopslagen, omdat die het perspectief heeft dat die in de winter voor een betere prijs kan verkopen. Hoe kijkt de minister daarnaar?

Minister Hermans:

Maar de gasprijs wordt natuurlijk ook bepaald door het aanbod op de markt en door wat er geproduceerd wordt in bijvoorbeeld de VS en Qatar. Dat ligt dus niet alleen maar aan wat er in de opslagen zit of niet. Dat is dus een veel groter vraagstuk, met veel meer factoren die op elkaar inspelen. Dan de vraag of we daarin een stapje terug moeten doen als overheid. Het lastige is dat de gasmarkt een markt is, waarin marktpartijen actief zijn en vraag en aanbod niet alleen de prijs, maar ook de vulling van de gasopslagen bepalen, en dat we tegelijkertijd in de afgelopen jaren hebben gezien dat energie een instrument is in de geopolitiek, conflicten en discussies. Daar past niet bij dat een overheid zich helemaal terugtrekt, zich er niet meer tegenaan bemoeit en er zelf geen rol in vervult. Daar hoort die balans tussen betaalbaarheid en leveringszekerheid en overigens ook onafhankelijkheid bij. Dat is steeds zoeken naar een juist evenwicht.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik ga het gewoon nog een keer proberen, want ik merk dat dit een vrij technisch verhaal is. Hoe leg je dat nou kort en bondig uit? Mijn punt is als volgt. De gasopslagen waren in november voor 74% gevuld. Ik denk dat die gasopslagen gewoon voor 100% gevuld waren geweest als de bedrijven in de markt het perspectief hadden gehad om het aardgas in de winter voor een hogere prijs te kunnen verkopen dan waarvoor ze het in de zomer hadden kunnen aankopen. Kortom: moeten we dat niet juist weer aanjagen?

Minister Hermans:

We hebben op nationaal niveau een vulambitie en op Europees niveau een vulverplichting. Aan die vulverplichting moeten we voldoen en die is publiekelijk bekend. Juist omdat we ook zien dat die markt door onder andere prijsontwikkelingen aan veranderingen onderhevig is, hebben wij er in Europa voor gepleit om die vuldoelstellingen minder rigide en wat flexibeler in de tijd te maken. Dat is een van de maatregelen die we hebben genomen, maar we hebben een Europese vulverplichting en daar moeten we aan voldoen.

De heer Kops (PVV):

De betaalbaarheid van energie staat onder druk en dat is een kwestie van overheidsbeleid, maar ook de leveringszekerheid van energie staat zwaar onder druk. Op dat punt ontbreekt nou juist overheidsbeleid. Ik vond wat de heer Grinwis zei namelijk eigenlijk nogal schokkend: we hebben uitgerekend nu de begrotingsbehandeling, maar later vandaag schijnt TenneT met het bericht te komen dat kleinverbruikers in Flevoland, Gelderland en Utrecht niet meer zullen worden aangesloten. Ik vind het nogal wat. De minister zegt dan dat ze bezig is met de landelijke aanpak van netcongestie en dat ze een aansluitoffensief voert, maar ik mis wat de minister nu, eigenlijk gewoon echt ter plekke en vandaag, kan en gaat doen om wat TenneT aankondigt te voorkomen.

Minister Hermans:

Nu moeten we even precies zijn. Het is niet zo dat er vanaf vandaag niemand meer aangesloten gaat worden. TenneT concludeert weliswaar op basis van de laatste berekeningen dat er mogelijk grote problemen aankomen en dat het beeld somberder is dan het bedrijf een paar maanden geleden dacht, maar de vraag is nu wat we in de komende maanden met elkaar kunnen doen om zo'n aansluitstop te voorkomen. Dat heb ik net geschetst in de richting van de heer Grinwis. Eén. Ik wil een validatie van die cijfers. Ik wil gewoon precies weten hoe het zit, omdat het beeld van hoe het er nu voorstaat te vaak wisselt. Twee. Welke verschillende maatregelen kan je nog nemen om zo'n aansluitstop te voorkomen? Die is namelijk volstrekt onwenselijk; laat daar geen spoor van twijfel over bestaan. En drie. Wat kunnen we in de provincies specifiek doen? Flevoland is geen Gelderland en Gelderland is geen Utrecht en andersom. Wat kunnen we daar nog specifiek doen om dit te voorkomen? Zijn er nog maatwerkoplossingen mogelijk? Daar vindt op dit moment het gesprek met de provincies over plaats.

De heer Dassen (Volt):

De minister noemde net terecht de geopolitieke situatie en de afhankelijkheden die we hebben. We hebben gisteren het debat gehad over Solvinity en digitale afhankelijkheid. Nu zien we dat we op het gebied van lng, gas, steeds afhankelijker worden van de Verenigde Staten. Ik ben benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt en welke plannen er zijn om ervoor te zorgen dat we de diversificatie op orde houden.

Minister Hermans:

Daar zou ik later uitgebreid op ingaan, ook naar aanleiding van een vraag van mevrouw Teunissen, maar ik kan dat natuurlijk ook nu doen. In het algemeen doen we het volgende om die afhankelijkheid af te bouwen; het gaat eigenlijk langs een aantal sporen. In eerste plaats versnellen we de eigen productie op de Noordzee en zorgen we ervoor dat we die op peil houden. We zetten natuurlijk blijvend in op energiebesparing, want wat je niet gebruikt, hoef je ook niet te importeren of op te wekken. We blijven doorgaan met het opschalen van eigen hernieuwbare energie. Wind op zee is daar een belangrijk onderdeel van. Het vierde is diversificatie van de import, precies wat de heer Dassen zei.

De heer Dassen (Volt):

Ik kijk naar de voorspellingen en ook naar wat experts aangeven. We zien dat de afhankelijkheid van de VS alleen maar groter aan het worden is. Ik ben dus wel benieuwd hoe die diversificatie er precies uitziet, want ik begrijp dat we over een aantal jaren 80% uit de VS gaan halen. Het lijkt me zeer onwenselijk om dadelijk weer zo afhankelijk te zijn van de Verenigde Staten, van één land.

Minister Hermans:

Ik heb dat bericht ook gelezen. Volgens mij was dat vanochtend of gisteravond, op de NOS. Dat zijn natuurlijk cijfers die we naar beneden willen brengen. Tegelijkertijd hebben we nog even gas nodig. Het is dus zoeken hoe je het op een goeie manier doet. Je wilt het inderdaad uit verschillende bronnen halen en daarvoor moet je contracten afsluiten. Daar zijn we mee bezig.

De heer Dassen (Volt):

Maar kan de minister dan iets meer helderheid geven over wanneer zij van plan is om ervoor te zorgen dat die afhankelijkheid afgebouwd is? We hebben ons gisteren als hele Kamer — het gold ook voor het kabinet — volledig staan opwinden over onze digitale afhankelijkheid. Nu zie ik dat we op het gebied van gas weer volledig afhankelijk aan het worden zijn, nu van de Verenigde Staten. Ik denk toch dat we dan met elkaar continu de verkeerde discussie aan het voeren zijn. Ik wil graag van de minister horen hoe we ervoor gaan zorgen dat we hier niet over een tijdje staan in een positie van volledige afhankelijkheid waarbij Trump misbruik maakt van de gasleveranties richting Europa.

Minister Hermans:

We doen een heleboel. Dat schetste ik net. We gaan onverminderd door met het produceren van onze eigen duurzame energie. We zetten in op energiebesparing. We hebben natuurlijk onze eigen productie en we hebben de diversificatie. Daarvoor kijken we bijvoorbeeld ook naar Qatar. Daarmee hebben wij nu nog geen afspraken, maar dat is work in progress, zou je kunnen zeggen. Ik deel met de heer Dassen dat we hier heel alert op moeten zijn en dat je de ene afhankelijkheid niet voor de andere wil inruilen, maar ik wil ook de suggestie wegnemen dat je dit van vandaag op morgen kan hebben aangepast. Ik zie de non-verbale communicatie van de heer Dassen, maar dat zat wel een beetje in de eerste zin van zijn interruptie.

De voorzitter:

Dat is uitlokking. Tot slot kort, meneer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Ja, voorzitter. Ik wek helemaal niet die suggestie. Ik geef aan dat de afhankelijkheid op dit moment groter aan het worden is. Dat is volgens mij een weg die we niet met elkaar moeten bewandelen. Is de minister dat in ieder geval met mij eens en wat gaat zij daar dan aan doen?

Minister Hermans:

Ik ben het met de heer Dassen eens; dat heb ik geschetst. Daarom is er beleid langs vier sporen: hernieuwbare energie, energiebesparing, eigen productie en de diversificatie van de import. Daar wordt elke dag keihard aan gewekt door collega's op mijn ministerie en bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik werk daar in Europees verband aan, want Nederland is natuurlijk niet het enige land dat hiermee te maken heeft. Maar dit is wel een inzet van lange adem.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

De Kamer heeft een motie van de Partij voor de Dieren aangenomen om de mogelijkheden in kaart te brengen om de afhankelijkheid van de VS voor olie en gas af te bouwen, en om de opbouw van schone energie in kaart te brengen en daarbij energiebesparing mee te nemen. Het probleem in het antwoord van de minister is natuurlijk dat we horen dat eraan wordt gewerkt, maar dat tegelijkertijd het antwoord op de vraag wat dan de oplossing is, gaswinning op de Noordzee en gas halen uit Qatar is. We horen verder op geen enkele manier of de minister nu bezig is met een plan dat er echt voor zorgt dat we de hoeveelheid gas en olie die we nu uit de VS halen, in zijn totaliteit kunnen compenseren met het opwekken van schone energie en energiebesparing. Dat is dus de vraag.

Minister Hermans:

Ook deze discussie heb ik veelvuldig met mevrouw Teunissen gevoerd. Wij zijn het gewoon fundamenteel oneens over het feit dat we gas echt nog even nodig hebben in deze transitie. Ik vind dat je dat juist om de importafhankelijkheid te verkleinen ook van eigen bodem moet halen. Er zit veel potentie op de Noordzee. Wij hebben afspraken gemaakt met de operators om de potentie die daar zit, versneld te kunnen boren. Dat is gewoon een stap die we zullen moeten zetten. Tegelijkertijd hebben we nog een aantal kleine velden op land waar we dat als het veilig en verantwoord kan, ook blijven doen. Dat is één.

Dan het tweede punt. Ik ben het ook met mevrouw Teunissen eens. Ja, we gaan door met het verhogen van onze eigen duurzame energieproductie. Dat doen we vooral via wind op zee, maar de aanleg van die parken kost tijd en geld. Dat geld is nu gelukkig gereserveerd, maar er gaat ook tijd overheen. In die tijd hebben we dat gas nog nodig. Ja, dan halen we het ook uit het buitenland. En ja, dan moeten we dat ook diversifiëren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Het klopt dat de minister en ik het al enige tijd met elkaar oneens zijn, maar dat was niet mijn vraag. Mijn vraag gaat over het uitvoeren van de aangenomen motie die er nu ligt. Ik hoor in het antwoord van de minister dat de oplossing ligt in gaswinning op de Noordzee en de kleine velden, waar terecht ontzettend veel protest tegen is vanuit Groningen en Friesland, en in gas halen uit Qatar. Sorry, maar dat is niet de motie uitvoeren; dat is geen oplossing. Ik vraag de minister dus: wordt er gewerkt aan een plan in lijn met de aangenomen motie?

Minister Hermans:

Dit kabinet en het volgende kabinet werken verder aan de klimaat- en energiedoelstellingen die we hebben afgesproken. Het vorige kabinet deed dat ook. Daar hoort bij dat we het gasgebruik afbouwen. Dat hoort ook bij een klimaatneutraal Nederland in 2050. Daar werken we dus onverminderd aan door. Terwijl je het gebruik van die fossiele brandstoffen afbouwt, moet je de productie en het gebruik van hernieuwbare energie en kernenergie, zeg ik er dan toch bij, opbouwen in de komende jaren. Dat hoort erbij. Maar het is niet zo dat je van het ene op het andere moment het een uitzet, het ander aanzet en het dan is opgelost.

Ik noemde de versnelling van de productie op de Noordzee en daar waar het veilig en verantwoord kan op land. Tegelijk hebben natuurlijk onze lng-terminals in de Eemshaven, in Rotterdam. We kijken nu naar uitbreiding van die terminals en of er een optie is om in Zeeland meer import naar Nederland toe te laten gaan. Nogmaals, die komt uit verschillende landen. Dat loopt natuurlijk vooral via de Europese lijn en de contracten die marktpartijen uiteindelijk afsluiten met leveranciers.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Tot slot, voorzitter. Ik hoor geen oplossing. Ik hoor alleen maar: gas, gas en nog meer gas. Lng importeren maakt ons nog afhankelijker van andere landen voor de import van onze energie. De minister zegt: er is een afbouwpad. Ik vraag de minister dan: waar blijkt nu uit dat er een afbouwpad is? Kan de minister dat delen met de Kamer? Er wordt namelijk verwezen naar het sectorakkoord, maar daar staat in ieder geval geen afbouwpad of einddatum in. Kan de minister dan delen met de Kamer wat het afbouwpad is, wat het plan is voor wanneer de contracten met de VS aflopen en of dat allemaal in lijn is met het halen van de klimaatdoelen? Daarom staan we hier namelijk ook.

Minister Hermans:

Ik heb gesproken over afbouw. We bewegen weg van het gebruik van fossiele brandstoffen, van gas en olie. We zijn op weg naar het doel van 2050. Terwijl we afbouwen, bouwen we iets anders op, namelijk de productie van duurzame energie in Nederland en Europa. Dat zal gewoon nog een tijd naast elkaar bestaan.

De voorzitter:

Mevrouw Van Oosterhout heeft een interruptie en daarna continueert de minister haar beantwoording.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Ik heb het al eerder met de minister gehad over de nieuwe gaswinning op land. Er komen steeds duidelijkere signalen vanuit onder andere Friesland, namelijk: wij willen dit niet. Ik ben toch benieuwd hoe de minister naar al deze geluiden luistert en of ze die wel echt serieus neemt.

Minister Hermans:

Die geluiden ken ik, uit brieven, maar ook uit gesprekken die ik gevoerd heb in Friesland, Groningen en Drenthe, aan de mijnbouwtafels die ook in Friesland en Drenthe bestaan en met inwoners op verschillende plekken. Ik snap het ook. Ik snap dat er zorgen over zijn, zeker na alles wat er gebeurd is en de eindeloze discussies die we gehad hebben over Groningen. Die zijn nog niet klaar, dat realiseer ik me. Ik snap dus die bezorgdheid. Aan de andere kant hebben wij gas nog even nodig in ons land, voor het verwarmen van huizen, voor het kunnen koken, voor onze industrie en ons bedrijfsleven, die producten maken die we allemaal elke dag nodig hebben. We kunnen dat niet nu, van het ene op het andere moment, stoppen. Als we dat doen, valt er een heleboel stil in dit land. Het komt er nu dus op aan hoe we dat gebruik van gas op een goede manier afbouwen, die ook past bij onze klimaat- en energiedoelstellingen. Daarbij gaat het ook om de vraag: waar halen we het gas dat we nog nodig hebben, vandaan? Ik had net een hele discussie over importonafhankelijkheid. Een deel van die onafhankelijkheid kunnen we afbouwen door ook op eigen bodem te produceren. Zo zoek je continu naar een balans en een weging van belangen. Daarbij ben ik mij ongelofelijk bewust van de kritische geluiden en de zorgen die er zijn in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe. Ik hou daar zo veel mogelijk rekening mee, zeker in de afspraken die we maken. De vraag is bijvoorbeeld of je ook kunt meedelen in de baten, in de lusten, en niet alleen in de lasten van zo'n project.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Bewoners voelen zich gewoon niet gehoord; ik zei het dinsdag ook al. Ze voeren zelf metingen uit, huren zelf advocaten in en starten allerlei bezwaarprocedures. Ik begrijp dat deze minister daar niet meer zoveel aan kan doen, maar ik ben toch heel erg benieuwd naar wat deze minister haar opvolger nog zou willen meegeven als het gaat om het echt serieus nemen van de geluiden en zorgen van al die bewoners.

Minister Hermans:

Mevrouw Van Oosterhout was net niet binnen toen ik begon aan mijn bijdrage. Daarin refereerde ik aan haar maidenspeech. Nu mevrouw Van Oosterhout tegenover mij staat, zeg ik: mijn complimenten voor uw inspirerende persoonlijke verhaal! Ik ging in op de afstand tussen Den Haag en Groningen of Den Haag en Friesland. Die mag niet relevant zijn. We zijn met z'n allen Nederland en leveren allemaal onze bijdrage, bijvoorbeeld aan de klimaat- en energietransitie, of je nu woont in Groningen, in Den Haag of op een andere plek in Nederland. Die afstand mag ook niet relevant zijn omdat we dicht bij elkaar moeten zijn. We moeten met elkaar in gesprek zijn en naar elkaar luisteren, zodat we weten waar de zorgen precies in zitten. Dan kunnen we daar gehoor aan geven of kunnen we misschien zorgen wegnemen. Ik weet niet of we eruit gaan komen als je zegt: we komen er alleen maar uit en het is alleen maar goed als je luistert en doet wat ik zeg. Zo werkt het niet in Nederland. Dat is ook niet mijn ervaring met dit soort ingewikkelde gesprekken. Mensen willen in elk geval hun zorgen kwijt kunnen. Dat wij daar op een serieuze manier mee omgaan, vind ik onze plicht en verantwoordelijkheid. Dat zal ik dus ook aan mijn opvolger meegeven.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Tot slot. Er was dinsdag ook nogal wat verwarring over wat een afbouwpad nou precies betekent. Kan de minister bevestigen dat in een afbouwpad ook zit dat je op dit moment nog wel nieuwe velden aanboort?

Minister Hermans:

Ja, dat kan. In het sectorakkoord gaswinning, waarin gaswinning op land een hoofdstuk is, staat ook het stabiliseren van gaswinning op land in een langer lopend traject naar een verantwoorde afbouw. Dat doen we in die context — ik zal het niet allemaal herhalen — van de hele discussie over de afbouw van fossiel, de opbouw van hernieuwbaar en over hoe we in die afbouw van fossiel zorgen dat we niet te afhankelijk worden van import uit andere landen.

De voorzitter:

U continueert met de verduurzaming van de industrie.

Minister Hermans:

Ja, voorzitter. En het goede nieuws voor u — ik zag u naar de klok kijken — dat ik natuurlijk en passant al een aantal vragen beantwoord heb.

De voorzitter:

Ik had eigenlijk al gezegd dat de minister doorging, meneer Grinwis. Heeft u één kleine vraag? Nou, gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Naar aanleiding van het antwoord net over het beginnen van nieuwe bronnen, nieuwe gasboringen. De afgelopen weken is er veel te doen geweest over Friesland. Er is misschien in een commissiedebat waar ik niet bij aanwezig was over gesproken. Wat is nou uiteindelijk de inzet van de minister als het gaat om welk aandeel de Friezen tegemoet mogen zien, mocht daar een nieuwe gaswinning beginnen?

Minister Hermans:

Daarover zijn afspraken gemaakt in het sectorakkoord. Het is voor het eerst dat er ook afspraken zijn met de gasbedrijven, de operators, om de gemeenschappen en regio's mee te laten delen in de baten. Er is 5% afgesproken tot een maximum van 2 miljard kuub. Ik heb gezien dat de provincie Friesland bij monde van de gedeputeerden dat percentage graag wat hoger zou zien, ik geloof 33%, uit mijn hoofd. Heel eerlijk, dat ligt natuurlijk wel heel ver weg van 5%. Als je kijkt naar de afdracht die partijen moeten doen via EBN en belastingen aan de Staat, dan vraag ik me ook wel af of dat nou helemaal realistisch is. Ik vind die 5% echt een goede afspraak. Ik denk dat we echt moeten koesteren dat die afspraak nu gemaakt is en dat we die tafel hebben waar we met de partijen aan zitten. Dat gesprek zullen we in de komende jaren blijven voeren. Daar ga ik zo meteen, in reactie op wat vragen van de heer Köse, nog verder op in.

De voorzitter:

U continueert.

Minister Hermans:

Voorzitter. De verduurzaming van de industrie. Dat is belangrijk voor onze klimaatdoelstellingen, maar ook voor onze economie, strategische autonomie en weerbaarheid. De heer Köse stelde mij een vraag over de CO2-infrastructuur en hoe het daar nu mee gaat. Hij vroeg naar de regie daarop vanuit de overheid en naar het afdekken van risico's in dat vraagstuk. Ik deel helemaal het belang van CCS. Dat is heel hard nodig om de klimaatdoelen die we voor de industrie gesteld hebben, te kunnen halen. Dat vraagt natuurlijk ook dat de aanleg van CO2-infrastructuur, niet alleen de opslag, maar ook het vervoer naar die opslag toe, tijdig gerealiseerd wordt. Voor die opslag is het weer belangrijk dat de CO2-volumes vanuit bedrijven gecontracteerd worden, zodat er ook voldoende investeringszekerheid is voor een project als Aramis om tot een daadwerkelijk investeringsbesluit te komen. Dat is ook de reden dat het kabinet in 2025 besloten heeft om een deel van het vollooprisico bij Aramis af te dekken. We hebben een kapitaalstorting aan EBN toegezegd zodat EBN ook de benodigde investeringen kan doen. Hier zit dus ook de commitment en de betrokkenheid van het kabinet.

Daarnaast is het belangrijk dat er duidelijkheid is over de openstelling van SDE++ voor de komende jaren. Dat is natuurlijk belangrijk voor de bedrijven of de afvalverbrandingsinstallaties die contracten gaan afsluiten om CO2 op te kunnen slaan. In die SDE++, dat vollooprisico en die kapitaalstorting zit dus de betrokkenheid. We kijken dus ook naar het afdekken van risico's.

De heer De Groot vroeg mij het volgende. In het kader van die verduurzaming van de industrie, kan er nou niet een structurele overlegtafel komen waar knopen worden doorgehakt op het gebied van randvoorwaarden en energiekosten? Net zoals het overleg met provincies en inwoners van provincies waar gaswinning plaatsvindt, vind ik ook het overleg met de industrie van groot belang. Op dit moment hebben we daarvoor het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Dat is een plek waar de rijksoverheid met de provincie, de gemeenten, de netbeheerders en de bedrijven — die zijn vertegenwoordigd via de verschillende clusters — aan tafel zit. Dat is juist een tafel waaraan we niet praten over doelen of over beleid, maar echt over de uitvoering: "Waar loop je tegenaan? Hoe kunnen we dat oplossen?" Als je het mandaat van die tafel zou willen uitbreiden of veranderen, dan zou ik dat iets voor aan een volgend kabinet en een nieuwe minister vinden.

Ik hoorde wel iets heel belangrijks en wezenlijks in de bijdrage van de heer De Groot, namelijk die wederkerigheid: het maken van afspraken waarin je allebei je verantwoordelijkheid neemt. Ja, de rijksoverheid heeft een grote verantwoordelijkheid om de randvoorwaarden op orde te brengen — netcongestie is al genoemd, maar denk ook aan energiekosten, CCS, waterstof en de raffinageroute; daar hebben we al eindeloos veel debatten met elkaar over gevoerd — maar dit vraagt dus ook van de industrie om daadwerkelijk investeringen te doen.

Naast dat Nationaal Programma Verduurzaming Industrie, hebben we onlangs ook een sectortafel Chemie & Materialen in het leven geroepen. Dat is onderdeel van het industriebeleid van de minister van EZ. Daarvoor praat het kabinet met bestuurders en bedrijven uit die industrie, met als doel om innovatie en duurzame groei in de sector te stimuleren.

Voorzitter. Dan vroeg de heer De Groot mij ook naar de papier- en kartonindustrie en de keramiekindustie. Hij vroeg of daar nog aparte afspraken en stappenplannen voor worden gemaakt. Hij vroeg ook of we knelpunten, zaken waar die industrieën tegenaan lopen, terug gaan zien in het nieuwe NPE. De papier-, karton-, keramiek- en steenindustrie maken deel uit van de cluster 6-aanpak. Die zitten overigens ook weer aan de tafel van het NPVI. In september 2025 is er een actieplan 2.0 voor cluster 6 naar de Kamer gestuurd. Daarin hebben we ook een regioaanpak aangekondigd. De bedoeling daarvan is om clusters van bedrijven in een bepaalde regio concreet te kunnen ondersteunen bij de transitie. Een voorbeeld daarvan is Brick Valley. Dat is een aantal baksteenfabrikanten in Gelderland die tegen soortgelijke problemen in de verduurzaming aanlopen.

Verder zijn we bezig om inzicht te krijgen in de aanleg van de benodigde infrastructuur om ook voor deze bedrijven de transitie goed te kunnen laten verlopen. Ook bekijken we wat nou de meest kosteneffectieve transitiepaden voor die sectoren zijn. Daarvoor hebben we bijvoorbeeld met de keramiekbranche, die ook onderdeel is van cluster 6, vorig jaar een uitgebreide analyse uitgevoerd.

Dan over het Nationaal Plan Energiesysteem. In het NPE gaan we niet specifiek in op de knelpunten voor deze sectoren of voor cluster 6, want dat is te specifiek voor het NPE. Het NPE zit er eigenlijk een niveau boven en kijkt naar: hoe moet dat energiesysteem er nou uitzien? Maar we zijn dus wel met die sectoren, zeg ik tegen de heer De Groot, doorlopend in gesprek om knelpunten boven tafel te krijgen.

Voorzitter. De heer Dassen vroeg mij naar de maatwerkaanpak, hoe ik reflecteer op die aanpak en ook wat ik hierover zou willen adviseren aan mijn opvolger. Ik denk dat dat de meest gestelde vraag is in deze begrotingsbehandeling en terecht. Ondanks alle hobbels die we tegenkomen in de maatwerk denk ik dat het in de kern nog steeds een goede manier is om met overheid en bedrijfsleven om de tafel samen te kijken: wat is er nou nodig om de verduurzaming van de grond te krijgen? We zien dat het realiseren van de randvoorwaarden die nodig zijn om te kunnen verduurzamen echt taaie materie is. Over netcongestie is natuurlijk al veel gezegd. Hoge netwerkkosten of elektriciteitskosten zijn ook een goed voorbeeld. Je ziet nu dat de maatwerkafspraken bij Nobian zijn vertraagd; de heer Dassen ging daar ook specifiek op in. Er gebeuren ook nog weleens dingen in de bredere context die een effect hebben. Daar heb ik in een debat vorige week met de heer Jumelet en de heer De Groot uitgebreid bij stilgestaan. Er is nu beroep aangetekend door de provincie tegen een zoutwinningbesluit. Laat ik volstrekt helder zijn: dat staat de provincie volledig vrij, maar dat soort keuzes hebben consequenties. Dat zien we hier in de investeringen die Nobian eigenlijk van plan was op korte termijn te gaan doen, maar die nu voorlopig zijn uitgesteld. Ik zie dat de context waarin de maatwerkafspraken moeten worden gemaakt niet eenvoudig is. Maar ik vind het instrument dat je aan tafel zit en met elkaar op zoek gaat naar een maatwerkoplossing nog steeds een goede aanpak. Ik zal dat principe zeker overdragen aan mijn opvolger om daarmee verder te gaan. Maar de wederkerigheid waar ik net in de richting van de heer De Groot iets over zei, moet ook in die maatwerkaanpak stevig verankerd zijn.

Voorzitter. Dit was de verduurzaming van de industrie en ik kom nu bij netcongestie.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer De Groot.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik heb een tweetal vragen. De eerste gaat over de beantwoording van de minister over de overlegtafel en de bestaande structuur. Mijn vraag gaat eigenlijk over: wat doe je voordat je met elkaar in dat programma zit? Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat de industrie, bedrijven kunnen wisselen aan een tafel, zodat ze vooraf kunnen aangeven wat ze eigenlijk nodig hebben in plaats van dat ze ergens in zitten en dan ja of nee moeten zeggen. Ik zoek dus heel erg naar: hoe kom je op een meer ontspannen manier met elkaar aan tafel om deze verduurzaming te laten slagen? Daar gaat het eigenlijk over: minder formeel.

Minister Hermans:

Die tafel heet zo … We hebben een paar jaar geleden dat Nationaal Programma Verduurzaming Industrie gemaakt en van daaruit is die NPVI-tafel, die stuurgroep gekomen. Het is dus niet zo dat we daar nu aan tafel zitten en alleen maar zeggen: dit is het programma, dit moet uitgevoerd worden en zeg maar waar u staat. Mijn ervaring in de afgelopen anderhalf jaar met de discussies aan die tafel is dat ze heel precies gericht zijn op: waar loopt een cluster als Chemelot tegenaan, wat gebeurt er in het Noordzeekanaalgebied, wat gebeurt er in Eemshaven? Het is heel erg op de uitvoering gericht en daar zijn ook steeds ideeën uit voortgekomen: laten we dit verder uitwerken met elkaar, laten we hier specifiek een oplossing voor zoeken. Dat is juist aan de voorkant van nieuwe beleidsvorming of specifieke oplossingen. Kijk, je moet niet vasthouden aan een model omdat je het ooit zo bedacht hebt. Als de clusterregisseurs samen met de nieuwe minister zeggen "het zou helpen om het meer hierover te hebben of minder daarover", alsjeblieft, doe dat. Want de tafel is er niet voor de tafel en om de tafel in ere te houden, maar om voor elkaar te krijgen wat ze voor elkaar willen krijgen, namelijk verduurzaming van de industrie.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik ga nog even nadenken over het antwoord, omdat ik toch wel veel geluiden uit de industrie hoor: we zouden meer en anders willen overleggen met het ministerie. Ik denk dat er wat licht tussen zit als het gaat om welke partijen aan tafel zitten en hoe dat gesprek gevoerd wordt, maar daar ga ik nog even over nadenken.

Mijn tweede vraag gaat over de maatwerkafspraken. De minister geeft antwoorden als het gaat over Nobian. Ik heb daar dinsdag in het tweeminutendebat een motie over ingediend en heb uiteengezet hoe ik daarnaar kijk. Ik denk dat de maatwerkafspraken een heel belangrijk instrument zijn, ook die van Tata, om ervoor te zorgen dat we de industrie verduurzamen. Maar wat zou de minister de nieuwe minister willen meegeven in het licht van de maatwerkafspraak die gesloten is met Nobian en de maatwerkafspraakaanpak van Tata, die doorgezet moet worden? Wat is dus het belangrijkste kernpunt van het laten slagen van nieuwe maatwerkafspraken?

Minister Hermans:

Nog even over dat overleg. De overlegtafel die we hebben in het kader van de verduurzaming van de industrie is één vorm van overleg. Op heel veel manieren vindt er natuurlijk overleg en interactie plaats tussen het ministerie en verschillende bedrijven, juist ook om bedrijven te attenderen op alle subsidieregelingen die we hebben. We willen ervoor zorgen dat al die innovatieve ideeën en opschaling van verduurzaming voor elkaar komen. Maar als daar verbeteringen mogelijk zijn, sta ik daar altijd voor open.

Voorzitter. Dan maatwerk. Ik zei net tegen mevrouw Van Oosterhout … Nee, wie stelde mij nou net die vraag over maatwerk? De heer Dassen? Het was een vraag in mijn beantwoording, ja, excuus. Ik vind die wederkerigheid, die wederzijdse verantwoordelijkheid, van ongelofelijk groot belang. Ja, de overheid heeft een verantwoordelijkheid in het op orde brengen van de randvoorwaarden. Die moet ervoor zorgen dat je überhaupt kunt verduurzamen. We hebben uitgebreid met elkaar gedebatteerd over de CO2-heffing. Die is ooit ingevoerd met de gedachte: daarmee ga je prikkelen om te verduurzamen. Maar in de praktijk zagen we dat het zo niet werkt. Daarin hebben we dus stappen ondernomen. Er is een aantal stappen gezet in het verlagen van de energiekosten. We hebben een eindeloze discussie rondom de raffinageroute opgelost. We zijn bezig met de aanpak van netcongestie. Daar zijn we nog niet mee klaar en we gaan er absoluut mee door. Dat vraagt ook iets van bedrijven. Die moeten zeggen: "Ik zie en erken dat de toekomst een verduurzaamde toekomst is, voor onze concurrentiepositie, klimaat, veiligheid, weerbaarheid en autonomie. Dus ik ga ook investeren." Ik zou tegen mijn opvolger willen zeggen: heb er oog voor dat die wisselwerking op een goede manier een plek krijgt, of dat nou in een overleg is of in een maatwerkafspraak.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Peter de Groot (VVD):

De VVD is het er helemaal mee eens dat die wederkerigheid er moet zijn. Fijn dat de minister dit antwoord geeft. Ik zou de minister nog een andere vraag willen voorleggen, over de acceptatie van maatwerkafspraken. Wat betreft Nobian is de provincie Groningen een procedure gestart. Hoe kijkt de minister aan tegen de acceptatie van maatwerkafspraken en tegen wat ervoor nodig is om die wederkerigheid te kunnen geven vanuit die overheid? Hoe zorgt ze ervoor dat decentrale overheden gemaakte maatwerkafspraken accepteren? Want dat is een voorwaarde voor het slagen van die maatwerkafspraken.

Minister Hermans:

De decentrale overheden zijn ook betrokken bij het maken van die maatwerkafspraken. In het geval van Tata gaat het om de provincie Noord-Holland, en in het geval van Nobian is onder andere de provincie Groningen erbij betrokkenheid bij. Dat laat onverlet – dat hebben we ook afgesproken – dat je als provincie de mogelijkheid en vrijheid hebt om beroep aan te tekenen tegen andere besluiten die vanuit de Rijksoverheid worden genomen. Ik vind wel – dat heb ik volgens mij vorige week in het commissiedebat gezegd – dat we daarover altijd in gesprek moeten blijven, en daarom zijn we er ook over in gesprek. Elke keuze die je maakt hebben namelijk consequenties. Dat geldt ook voor de keuzes die ik maak als minister van Klimaat. Je moet wegen wat die consequenties zijn. Ben je bereid om die consequentie te accepteren? Maar deze consequentie vind ik fors. Dan zegt Nobian namelijk: "Wij stellen de investeringsbeslissing, die onderdeel is van de maatwerkafspraken, in elk geval even uit. Die komt later in de tijd." Dat heeft effect op de werkgelegenheid in de regio, op überhaupt de verduurzaming van het chemiecluster. Zoutwinning is belangrijk, ook voor het chemiecluster in Botlek. Als je zo'n besluit neemt, gaat er een heel treintje aan consequenties rijden. Maar nogmaals, de provincie heeft die vrijheid, dat recht. Wij blijven in gesprek. Ik heb begrepen dat de provincie het nu in beraad heeft en dat er begin maart ook weer een overleg is tussen het ministerie en de provincie. Ik hoop echt van ganser harte dat we daar samen op een goede manier uit komen en dat wij de provincie ook het comfort kunnen geven bij haar betrokkenheid en de zorg die ze heeft ten aanzien van de afsluitstrategie van die zoutcavernes.

De heer Flach (SGP):

Als dit debat is afgelopen, gaat de minister de kamer op haar departement zo zachtjesaan opruimen. Fotolijstjes en theemokken: alles gaat in een doos. Dan komt zij ook nog een motie over de ammoniaksector tegen die nog niet is uitgevoerd. Daarin heeft de Kamer gevraagd de ammoniaksector uit te zonderen van de verplichtingen vanuit de RED III-richtlijn. Als ik goed geïnformeerd ben, kunnen we zo ongeveer rond deze tijd een wetsvoorstel verwachten. Volgens mijn informatie houdt de minister vast aan de 60% voor die sector. Zou het niet een goed idee zijn om toch echt met een schone lei het bureau over te dragen aan haar opvolger?

Minister Hermans:

Deze motie ligt inderdaad nog op mijn bureau. Ik ken het verzoek van de heer Flach over deze uitzondering. Volgens mij was dat zelfs een motie samen met de heer Erkens. Ik heb daar eerder ook al een brief over gestuurd. We hebben daar ook al weleens over gewisseld dat we de grenzen van wat er kan hebben opgezocht en ook de ruimte die er naar onze interpretatie is in de RED III-richtlijn om die uitzondering te maken, maar dat we juridisch niet verder kunnen gaan dan we nu gegaan zijn. Dit is dus geen onwil of het in een laatje laten liggen van een motie, maar dit is oprecht de juridische inschatting die aan onze kant gemaakt is.

De heer Flach (SGP):

Dit gaat wel verder. Dit is niet alleen mijn wens. Een meerderheid van de Kamer heeft dit gevraagd aan het kabinet. Het gaat ook niet om onze interpretatie aan de kant van het departement; er is gewoon ruimte in de Europese richtlijn om de ammoniaksector uit te zonderen van die, ook niet effectieve, waterstofverplichting. Uit allerlei onderzoek is gebleken dat het gewoon niet bijdraagt aan de doelen. Met andere woorden: ik verbaas me toch een klein beetje over de halsstarrigheid en de eigen interpretatie die de minister aan de Europese richtlijn blijft geven op dit punt.

Minister Hermans:

Dit is de interpretatie vanuit het ministerie. Er zijn veelvuldig gesprekken over gevoerd in Europa. Het wetsvoorstel moet natuurlijk nog naar de Kamer, dus er is nog heel veel ruimte om dit debat verder te voeren. Ik realiseer me dat er een motie ligt. Dat is ook de reden dat ik dit uitermate serieus neem. Ik ga niet zomaar een motie niet uitvoeren of naast me neerleggen; ik heb ook de verantwoordelijkheid om richtlijnen te interpreteren en dat op een nette en rechtmatige manier te doen. Dit doe ik bij mijn beste weten naar eer en geweten bij deze richtlijn.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Flach (SGP):

Ik refereerde niet voor niks aan de ruimte die er ís in de Europese richtlijn en aan het feit dat buurlanden niet overgaan tot die verplichting van 60% voor de ammoniaksector en die daarvan uitzonderen. Volgens mij is dit echt een nationale interpretatie en dus een nationale kop. Daar moeten we echt vanaf. Ik heb mijn hoop dan maar gesteld op het CDA en de VVD, die beide deze motie hebben mede-ingediend. Ik hoop dat we in het nieuwe kabinet wel komen tot het uitwerken van die motie.

De voorzitter:

Minister, niet alleen de interrupties mogen korter, maar ook de beantwoording.

Minister Hermans:

Voorzitter, ik zie dit als een aansporing. Volgens mij is dit altijd interpretatie. Je hebt de richtlijn en de daaronder hangende … Hoe heet dat precies? Recital? Nou ja, ik denk dat hier het laatste woord nog niet over gezegd is, maar dat heeft de heer Flach ook benoemd. Punt. Daar houd ik het bij.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Mijn vraag gaat over nationale koppen versus Europese koppen. Het ETS-systeem en het CBAM-systeem zijn hele belangrijke Europese instrumenten om die uitstoot naar beneden te krijgen. De Partij voor de Dieren vindt het ETS niet ver genoeg gaan, maar het is nu eigenlijk de laatste strohalm die we hebben — zo zien wij dat althans — om die verduurzaming ook echt mogelijk te maken. Nu is er de hele zorgelijke ontwikkeling dat ETS en CBAM worden afgezwakt in Europa.

De voorzitter:

En uw vraag?

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Mijn vraag is als volgt. Er is vandaag een Europese Raad. Dit raakt indirect ook aan de begroting, omdat heel veel partijen hier geen nationale kop willen. Is de minister het ermee eens dat we ons in Europa moeten inzetten voor een sterk ETS en een sterk CBAM?

Minister Hermans:

Kortheidshalve: ja.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dan baart het mij wel zorgen dat Nederland in de Europese Raad geen duidelijk standpunt inneemt in dezen. Tenminste, niet als we kijken naar de agenda en de inzet van het kabinet. Misschien kan de minister in de tweede termijn terugkomen op wat precies de inzet van Nederland is in dezen.

Minister Hermans:

Dat kan ook nu. Mevrouw Teunissen vroeg naar het belang. Dat belang deel ik. Vandaag is er nog een aparte industrietop of -bijeenkomst. Misschien was dat gisteren al en zit het een beetje verkeerd in mijn hoofd. We hebben het eerder al gehad over investeringszekerheid. Het ETS en CBAM zijn daar belangrijk voor. Je wilt weten wat het langetermijnperspectief is, zodat je op basis daarvan kunt investeren. Een van de grote Nederlandse bedrijven zei daar vandaag of gisteren ook wat over in het FD. Onze inzet is dat het belangrijk is om deze maatregelen te behouden, juist voor de investeringszekerheid, voor het langetermijnperspectief en voor de voorspelbaarheid. Ze prikkelen natuurlijk ook de verduurzaming en dwingen ons om duurzame keuzes te maken. Die inzet is er dus. Ik heb dit bij herhaling ingebracht in de Energieraad en de Milieuraad. Ik weet niet anders dan dat dit ook door mijn collega's in het kabinet gebeurt.

De heer Dassen (Volt):

Ik zou graag nog even willen doorgaan op de overdracht van de maatwerkafspraken aan de opvolger van de minister. We zijn hier nu enkele jaren mee bezig. Het concept is heel mooi: samen verduurzamen richting de toekomst. Tegelijkertijd moeten we ook constateren hoever we nu zijn. Nobian zet het nu stil en bij Tata is er nog veel onduidelijk. Verder zijn er nog geen maatwerkafspraken gemaakt. De vraag die ik aan de minister heb, is: hoelang is zij van mening dat haar opvolgers hiermee door moeten gaan om ervoor te zorgen dat de industrie ook daadwerkelijk verduurzaamt?

Minister Hermans:

Zoals ik al zei: toen we begonnen met dit instrument ... Als je kijkt naar de tijd en naar waar we nu staan, dan had ik hier liever gestaan met een hele trits aan maatwerkafspraken. Het is ook geen geheim —- dat is voor iedereen bekend — dat er een heleboel veranderd is sinds het moment waarop we dit afspraken. Het is er geopolitiek gezien niet echt rustiger op geworden. Denk aan de problemen met de energiekosten en de netcongestie. Ten aanzien van de randvoorwaarden is de situatie minder florissant dan toen we begonnen aan de maatwerkaanpak. Maar dat laat onverlet wat de kern van de aanpak is, namelijk dat je met een bedrijf om tafel zit en vraagt: hoe kan jij, boven op datgene wat je al moet doen aan verduurzaming richting 2030 en 2040, nog een stapje extra zetten en hoe kunnen wij je daarbij helpen? Door dat gesprek te voeren leren we een heleboel over de knelpunten en de vraagstukken waar bedrijven tegenaan lopen in de verduurzaming, wat we ook weer kunnen gebruiken in ons generieke beleid. Ik zou dus nu niet willen zeggen: doe het nog een jaar en stop er dan mee. Gebruik deze aanpak heel gericht om met bedrijven tot afspraken te komen, maar dan wel met wederkerigheid, zoals ik net noemde. Haal uit die gesprekken wat je generiek kunt doen in het beleid of in je subsidieregelingen om het verduurzamingsbeleid effectiever te maken, maar gebruik dit wel echt om het gesprek met de industrie over verduurzaming aan de gang te houden.

De heer Dassen (Volt):

Het is natuurlijk heel mooi om daar knelpunten uit te halen en om het gesprek te voeren, maar uiteindelijk moeten we ook resultaten hebben. Vijf jaar geleden wilden we beginnen met de maatwerkafspraken. We zijn nu vijf jaar verder en er is één maatwerkafspraak gemaakt, die nu stilgezet is. Volgens mij is dat nog niet het tempo dat we willen hebben. De vraag is: als je het hebt over wederkerigheid, hoelang gaan we dan nog ruimte geven aan de industrie voordat we zeggen dat er nu echt stappen genomen moet worden in de verduurzaming? Want anders blijft het een gebed zonder eind.

Minister Hermans:

Ik wil een mogelijk misverstand voorkomen: het is natuurlijk niet zo dat de maatwerkaanpak het enige instrument is om de verduurzaming van de industrie voor elkaar te krijgen. Die maatwerkaanpak is de plus op de doelstelling die de industrie heeft om te verduurzamen. We voeren het gesprek met bedrijven. Ik heb in de afgelopen anderhalf jaar gezegd dat ik mij focus op de bedrijven waar je de energie en motivatie ziet om daadwerkelijk een extra stap te zetten en een extra ambitie te realiseren. We zijn nog in gesprek met een aantal bedrijven. Het liefst had ik natuurlijk meer gewild — daar zal ik echt niet voor weglopen — maar ik zie nog voldoende potentie om dat voort te zetten en dus niet nu te zeggen: nou, we doen dit nog een paar maanden en dan stoppen we ermee.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Dassen (Volt):

Daar zullen we ook met de nieuwe minister over te spreken komen. Wat ik namelijk ook zie — dat kwam ook ter sprake gisteren bij die industrietafel — is dat de industrie in Europa inmiddels ook zegt: ETS zit ons wel heel erg dwars. Die andere instrumenten worden inmiddels dus ook ter discussie gesteld. Dat begint wel zorgwekkend te worden, want dan gaan we dadelijk de Verenigde Staten achterna en zeggen we: we schuiven alles maar op, anders kunnen we niet meer concurreren. Dus ik neem aan dat de minister dat ook niet wil. Volgens mij was ze net duidelijk in haar antwoord op mevrouw Teunissen dat de inzet van het kabinet is dat we daaraan vast blijven houden. Dan heb ik nog één andere vraag over de Wetenschappelijke Klimaatraad. Die heeft aangegeven: niet alles kan; als je niet durft te kiezen dan raak je dadelijk alles kwijt.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Dassen (Volt):

Ik ben benieuwd of de minister daarop kan reflecteren, want dat is wel het probleem dat dit kabinet heeft en de volgende coalitie ook heeft, namelijk dat we niet durven kiezen voor onze toekomstige industrie.

Minister Hermans:

Dat is het advies van de WKR van vorige week. Dat heb ik vorige week in ontvangst genomen en daar heb ik met de auteurs van het rapport over gesproken. Eigenlijk zijn er meerdere adviezen in de afgelopen anderhalf, twee jaar die gaan over de vraag waar we ons op moeten richten in onze industrie. Ik heb zelf de chemiebrief gestuurd en de minister van Economische Zaken heeft een aantal sectoren benoemd die prioritair zijn voor Nederland. Ik denk dat dat de aanpak is waar dit kabinet voor staat: niet zozeer zeggen wat je niet wil, maar heel erg focussen op wat je wel wil. De vraag is: wat zijn nou de industrieën van de toekomst, die wij nodig hebben voor een krachtige en weerbare economie? Zo kijk ik ook naar dat advies van vorige week: hoe kunnen we die focus verder aanscherpen?

De voorzitter:

De heer Van den Berg. Daarna wil ik eigenlijk verder met het volgende blokje, netcongestie.

De heer Van den Berg (JA21):

Even iets heel anders. Ik hoor continu over de plannen voor de verduurzaming van de industrie, maar ik zie het als volgt. Vorig jaar is 20% van onze industrie verdwenen. Zoals het er nu naar uitziet, verdwijnt er dit jaar nog eens 20%. Als dat zo doorgaat, dan hebben we rond 2028 nog maar zo'n 30% van de industrie over die we twee jaar geleden hadden. Er is dus echt een exodus gaande in die industriesector. Kortom, ziet de minister nog mogelijkheden om gelijk nú die industrie verder te helpen om de kosten naar beneden te brengen, bijvoorbeeld met de energiebelastingen of de netwerktarieven, zodat we die industrieën wél kunnen meenemen in dit hele verhaal?

Minister Hermans:

Ik deel met de heer Van den Berg dat we ongelofelijk voorzichtig moeten zijn met onze industrie, want het zijn bedrijven die producten maken die we allemaal elke dag nodig hebben en producten die we liever hier maken dan dat we ze ergens anders vandaan moeten halen. Het zijn natuurlijk ook bedrijven waar heel veel mensen werken. Kortom, die zijn van groot belang voor onze economie en autonomie. Ik zie ook dat de industrie het zwaar heeft. Dat is de reden geweest dat wij vorig jaar al een aantal maatregelen hebben genomen om de moeilijke positie van de industrie te verzachten. We hebben toen de IKC verlengd, we hebben iets in de raffinageroute gedaan. Ik zal niet alle maatregelen herhalen die we vorig jaar hebben genomen. We moeten ook niet de maatregelen rondom de CO2-heffing vergeten. Het nieuwe coalitieakkoord neemt nog een aantal maatregelen om aan die kostenkant nog wat extra's te doen, maar ik zeg wel dat dit niet het enige is, want met name de chemie maar ook de staalsector hebben te maken met een internationaal heel ingewikkelde marktsituatie, waarin goedkope producten hier gedumpt worden. Dat is niet op te lossen met nationaal beleid. Dat moeten wij in Europees verband doen. Daar moeten we dus ook mee doorgaan.

De heer Van den Berg (JA21):

Die maatregelen zijn mij bekend. Ik heb zelf ook gewerkt met CBAM. Dus dat is allemaal al in gang gezet. Het gaat erom dat die industrie nú geholpen moet worden. De minister zei het zelf al: in het coalitieakkoord is inderdaad extra geld gereserveerd voor die indirecte kostencompensatie. Dat debat had ik ook met de heer De Groot. Dit jaar staat zo'n 300 miljoen euro ingeboekt op de begroting, voor volgend jaar 400 miljoen euro en pas in 2028 gaat het om 500 miljoen euro. Waarom beginnen we daar niet nu al gelijk mee, in plaats van dat we wachten tot 2028? Dan is de industrie al weg.

Minister Hermans:

Het antwoord is heel simpel: omdat het huidige kabinet bij de afgelopen Voorjaarsnota de IKC al verlengd had voor '26, '27 en '28. Het is dus een ophoging. De bedragen die de heer Van den Berg in het coalitieakkoord ziet staan, zijn een ophoging.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van den Berg.

De heer Van den Berg (JA21):

Kortom, ziet u mogelijkheden om die gelden alsnog naar voren te halen, zodat we de industrieën nú kunnen helpen in plaats van in 2028?

Minister Hermans:

De IKC-regeling kent een duidelijke afbakening voor sectoren die daar aanspraak op kunnen maken en onder welke voorwaarden. De Commissie heeft die voorwaarden net opnieuw gepresenteerd en geeft iets meer ruimte om ook nog wat andere bedrijven te helpen. Dat doen we, maar binnen de ruimte die de regeling geeft, kan iedereen aanspraak maken op die regeling.

De voorzitter:

Netcongestie.

Minister Hermans:

Voorzitter. Netcongestie. Daar heb ik al wel veel over gezegd, dus ik hoop dat ik u kan helpen door er wat sneller doorheen te gaan.

Ik begin bij de vraag van de heer Grinwis over datacenters of "datadozen", zoals de heer Grinwis die noemde, en de impact daarvan op het net. Het ministerie van VRO heeft sinds 2024 twee plekken aangewezen waar grootschalige datacenters mogen komen. Dat gaat om de Eemshaven in Groningen en Middenmeer in de Wieringermeer in Noord-Holland. Dat betreft dan grootschalige datacenters van meer dan 70 megawatt en groter dan 10 hectare; die beide voorwaarden moeten van kracht zijn. Gezien de grote elektriciteitsvraag van datacenters, waar de heer Grinwis op doelde, en de impact die zij hebben op het net, vind ik het begrijpelijk dat er vragen ontstaan rondom het vestigingsbeleid en dat de vraag ontstaat of we dat niet moeten aanscherpen om daarmee ook de impact op het net te verminderen. Het vraagstuk van datacenters is wel breder dan alleen energie. Het gaat over digitalisering, strategische autonomie, verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheden en de impact op het energiesysteem. Het vraagt dus een afweging van al die belangen en dus ook een ruimtelijke strategie. Dat vind ik, nogmaals, logisch en begrijpelijk, maar wel een vraag voor een volgend kabinet.

Voorzitter. De heer De Groot vroeg mij naar de flexcontracten: wat gaat daar nou precies aan veranderen en wanneer? Het net beter benutten door het flexibel te gebruiken is van ongelofelijk groot belang om de ruimte die we hebben zo goed mogelijk te gebruiken en te bekijken of we het aantal van 14.000 partijen die in de wachtrij staan naar beneden kunnen brengen. De zogenaamde capaciteitssturingscontracten zijn daar heel belangrijk voor. We zien echter ook dat die nog onvoldoende worden afgesloten. Dat zit 'm op de voorwaarden; dat was de specifieke vraag van de heer De Groot. Dat betreft onder andere de voorwaarden rondom aansprakelijkheid en de looptijd van het contract. Er vindt nu overleg plaats tussen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, KGG en de ACM om op een aantal van die punten tot aanpassing of verbetering te komen. Het probleem bij de looptijd is dat die nu gekoppeld is aan het einde van de congestiesituatie, maar we weten allemaal niet precies wanneer dat is, dus dat geeft een heel onhelder eindbeeld. We zoeken nu dus naar meer werkbare looptijden van dat contract. De verwachting is dat dat verbeterde contract uiterlijk in april beschikbaar is.

Voorzitter. Dan een vraag van de heer Kops over de inzet van gasgeneratoren: is het niet tegenstrijdig dat netcongestie wordt veroorzaakt door duurzame-energieopwekking, terwijl netbeheerders gasgeneratoren inzetten om pieken op te vangen? Ik begrijp op zich de tegenstrijdigheid die de heer Kops noemt. Ik denk wel dat ons tegenstrijdige gevoel ergens anders vandaan komt. Voor mij zit de tegenstrijdigheid erin dat we het gebruik van gas aan het afbouwen en hernieuwbaar aan het opbouwen zijn, en we nu af en toe gas nodig hebben om balans in dat net te brengen. Natuurlijk moet je het zorgvuldig doen en moet je een goeie afweging maken. Toch denk ik dat het goed is dat we dat doen. Dat is het realisme waar deze tijd van de energietransitie om vraagt. Als de inzet van gasgeneratoren als overbrugging kan dienen en kan voorkomen dat een investering in verduurzaming helemaal niet doorgaat en we dus stil komen te liggen, dan vind ik dat een te verantwoorden en te verdedigen tussenoplossing. Natuurlijk hebben we batterijen en opslag nodig als een langdurigere oplossing, maar dat is gewoon nog niet ver genoeg om dit hele vraagstuk zonder gasgeneratoren te kunnen oplossen.

Voorzitter. De heer Jumelet vroeg me hoeveel bedrijven door het Aansluitoffensief aangesloten kunnen worden. Het eerlijke antwoord is dat we nog geen onderbouwde inschatting kunnen geven van het aantal bedrijven. We kunnen wel het effect in gigawatt geven. De schatting is dat we in 2030 5 tot 10 gigawatt en in 2035 10 tot 20 gigawatt kunnen vrijmaken. Maar dit is, nogmaals, een inschatting van het landelijk effect. We hadden het al over de FGU-regio. Het netcongestieprobleem doet zich in het land natuurlijk op verschillende manieren en in verschillende gradaties voor. De impact zal dus per regio verschillen.

Voorzitter. Wat betekent het Aansluitoffensief voor andere projecten, zoals woningbouw, vroeg de heer Jumelet mij ook. Het doel van het Aansluitoffensief is om zo veel mogelijk ruimte op het net te creëren, zodat je bedrijven en instellingen op de wachtlijst zo snel mogelijk kan aansluiten. Op plekken waar sprake is van tekorten zal dit natuurlijk ook bijdragen aan het eerder ontstaan van ruimte voor prioritaire partijen, zoals de woningbouw.

Voorzitter. De heer Jumelet bevroeg mij over het project Veenoord-Boerdijk. Hij deed dat ook al eerder, in een commissiedebat. Wat hier gebeurt is gewoon superwrang. Eigenlijk is alles in orde — alles ligt klaar — maar omdat de Raad van State sneller met een uitspraak kwam, waren de aannemers bij TenneT nog niet klaar om aan de werkzaamheden te beginnen. Nogmaals, dat is heel wrang in een tijd waarin snelheid geboden is en we elke vorm van vertraging moeten voorkomen. Ik weet dat de grond inmiddels bouwrijp gemaakt wordt. Met de aanleg wordt zo spoedig mogelijk gestart. Ook is er overleg met TenneT, ambtenaren van KGG en mensen in de regio om te kijken waar in de bouw versneld kan worden. Ook evalueert TenneT de gemaakte inschattingsfout.

De heer Flach vroeg me hoe gemeentes kunnen helpen bij het Aansluitoffensief. Gemeentes spelen een hele belangrijke rol bij het tot een succes maken van het Aansluitoffensief. Voor een doorbraak is het opzetten van regionale tenders voor flexibiliteit namelijk van groot belang. We hebben regionale overheden, en dus ook gemeentes, hard nodig om locaties te zoeken, bijvoorbeeld voor regelbaar vermogen of batterijen. Daarnaast zijn gemeentes natuurlijk verantwoordelijk voor het verlenen van de benodigde vergunningen. Kortom, we hebben de hulp van en de samenwerking met gemeentes hard nodig.

Voorzitter. De vraag van mevrouw Teunissen over energiebesparing, in lijn met haar motie om onafhankelijk te worden van olie en gas uit de VS, is in alle interrupties inmiddels beantwoord, denk ik.

Voorzitter. Ik heb nog een vraag van de heer Dassen over het belang van interconnectiviteit. Hoe kunnen we dat nog verbeteren en versnellen? De integratie van de Europese energie-infrastructuur is natuurlijk van groot belang. Het mooie, zou je kunnen zeggen, is dat Nederland al enorm verbonden is. Maar het gaat er ook om dat de rest van Europa verder met elkaar verbonden wordt. Ik was twee weken geleden in Hamburg, op de Noordzeetop. Daar hebben we met een aantal landen rondom de Noordzee afspraken gemaakt voor de verdere ontwikkeling van windenergie en de energie-infrastructuur op zee. Het gaat over het versnellen, maar ook het beter coördineren van de aanleg. Daar speelt interconnectiviteit een belangrijke rol in.

Voorzitter. Ik ben de heer Köse nog een antwoord schuldig, maar ik heb al wel het een en ander gezegd over het overleg met mensen in de regio. De heer Köse stelde mij vragen over de gaswinning in kleine velden en de verantwoorde afbouw. Het is goed om een paar algemene opmerkingen te maken. De afgelopen jaren werd in Nederland ongeveer 30 miljard kuub aardgas per jaar gebruikt. Ongeveer een derde daarvan wordt in Nederland geproduceerd. De rest importeren we. Van die Nederlandse gasproductie komt twee derde uit kleine velden op zee en een derde uit kleine velden op land. Ook al bouwen we af, ook in de komende 25 jaar is de verwachte vraag naar gas in Nederland nog steeds groter dan de verwachte productie. We willen dat verschil natuurlijk zo klein mogelijk maken, want hoe kleiner dat verschil is, hoe kleiner de importafhankelijkheid is. Dat is de reden waarom we inzetten op opschaling van gaswinning op de gasvelden op de Noordzee. Op land winnen we alleen waar dat veilig en verantwoord kan. We zetten op die verantwoorde afbouw in via het sectorakkoord. Met de uitvoeringsagenda van het sectorakkoord — daarmee kom ik specifiek op de vraag van de heer Köse — blijven we eigenlijk dus continu in gesprek met de sector en de gaswinningsbedrijven over een verantwoord afbouwpad. We hebben natuurlijk ook de Mijnbouwtafels in Friesland en in Drenthe en alle aparte overleggen in Groningen, zodat ook dat gesprek met de regio gevoerd blijft worden. Dit in de richting van de heer Köse.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw blokje netcongestie?

Minister Hermans:

Ja, voorzitter, dat denk ik wel. Ja.

De heer Van den Berg (JA21):

Nog even over netcongestie. Het ging er net al even over in het debat, maar ons netwerk zit al sinds 2022 in een noodsituatie. Nu komt het bericht van TenneT dat in de provincies Gelderland, Flevoland en in het bijzonder Utrecht het stroomnetwerk op de rand staat van stroomuitval. Dat is een bijzonder kritieke situatie. Ik vraag de minister hoe we dit gaan voorkomen naast alle maatregelen die al zijn genomen, want op deze manier komt ook de woningbouw verder stil te liggen. Dat is onacceptabel.

Minister Hermans:

Ik gebruikte eerder het woord "ontstemd", maar ik ben hier eigenlijk gewoon pissig over. Eerder in het debat stelde de heer Grinwis mij hier al terecht een vraag over. We werken met z'n allen al jarenlang met man en macht. We weten ook dat het in de FGU-regio al langere tijd kritiek is en daar is een aanpak voor, maar nu komen we in een situatie die nog somberder is dan we gedacht hadden, met als potentieel gevolg de ongelofelijk ingrijpende maatregel van een aansluitstop. Maar daar zijn we nog niet. Ik zal ook in de laatste anderhalve week dat ik nog minister van Klimaat en Groene Groei ben, waar ook energie en de netcongestie onder vallen, alles op alles zetten en alles doen wat in mijn vermogen ligt om in kaart te brengen wat we kunnen en moeten doen om dit te voorkomen. Ik zei al tegen de heer Grinwis dat dit zit in de cijfers, in het in kaart brengen van de maatregelen en in voortdurend overleg met die provincies over wat je specifiek in die provincies kan doen.

De heer Van den Berg (JA21):

Als ik het goed lees, staat hier dat er zo snel mogelijk een hoogspanningsstation bij Utrecht-Noord moet komen en dat we, als die er niet komt, echt een — sorry — vet probleem hebben. Gaat de minister daarvoor zorgen? Is dat ook iets wat zij in haar pakket wil verwerken of hoe gaan we dat dan doen?

Minister Hermans:

Dat station bij Utrecht-Noord is van cruciaal belang. Daar spreken we al langer over, ook over wat je kunt doen om daar te versnellen. Dat is al onderdeel van gesprekken, maar je zou kunnen zeggen dat dit nu ook hoog op de agenda staat. Ik zou niet willen zeggen dat dit met stip op één staat, want je moet al die dingen tegelijkertijd en naast elkaar doen, maar dit hoort daar zeker bij.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van den Berg (JA21):

Ja, tot slot. Ik heb er op deze manier — dat ligt niet per se gelijk aan de minister of aan haar beantwoording — onvoldoende vertrouwen in dat we dit voor de zomer gaan oplossen. We leven al in februari; over een paar maanden is het zover. Dan hebben we een aansluitstop te pakken, ook voor de kleingebruikers, dus de woningbouw. Dat is onacceptabel. Ik zou de minister willen vragen om er alles, echt alles, aan te doen om dit te gaan voorkomen. Die woningbouw is namelijk zo belangrijk. Dit kunnen we niet laten liggen.

Minister Hermans:

Ja, ik doe er alles aan wat in mijn macht ligt. Laten we alsjeblieft wel voorzichtig formuleren. Er is nu geen aansluitstop. Die dreigt wel. Het scenario is somber. Maar ik zal er alles aan doen. Ik zal ook overdragen aan mijn opvolger dat er alles aan gedaan moet worden om dat te voorkomen. Ik denk dat ook TenneT en de regionale netbeheerders er alles aan gelegen is om dit te voorkomen.

De heer Flach (SGP):

Ik ben, net als de minister, ontstemd over deze berichtgeving. Netcongestie houdt ons namelijk al een aantal jaren bezig, maar we worden toch weer verrast door dit bericht. Met andere woorden, wat zit er nog meer in de verrassingspijplijn? Wat komt er nog meer aan? Wat zijn de volgende verrassingen? De vraag die ik daarbij heb is: hoe kunnen we nu een landelijk beeld krijgen van de situatie over een aantal jaar, zodat we niet acuut nu dit soort noodscenario's over ons uitgestort krijgen?

Minister Hermans:

Ik denk dat de heer Flach raakt aan wat eigenlijk mijn grootste frustratie is op dit moment: hoe krijgen we nou goed zicht op die cijfers en prognoses? Dat beeld wisselt nu te vaak. Ik zei het al tegen de heer Grinwis. In oktober dachten we voorzichtig — dat is allemaal relatief — te zien dat het een beetje de goede kant op ging. En nu, drie maanden later, is er dit bericht en blijkt het veel somberder. Dus ik wil dat er veel meer stabiliteit komt in die prognoses en in die cijfers. Dat vraagt een hele intensieve samenwerking tussen TenneT, netbeheerders en het ministerie. Ik zal nu in kaart brengen — dat wordt as we speak ook gedaan door mijn collega's op het ministerie — wat wij kunnen doen om dat te verbeteren, samen met TenneT. Hierbij neem ik heel specifiek voor deze situatie ook mee hoe we deze cijfers op zo kort mogelijke termijn van een second opinion kunnen voorzien, zodat ik heel zeker weet, althans, zo zeker als mogelijk, wat de exacte situatie is en waar de ingrepen nodig zijn.

De heer Flach (SGP):

Een van de dingen die de minister dan wel haar opvolger kan doen, is een van de aanbevelingen uit het rapport van de gezant Netcongestie, Gerard Schouw, oppakken. Dat is namelijk het zwaarder belasten van het net, de vluchtstroken in gebruik nemen enzovoorts. Die discussie wil TenneT nu ook gaan opstarten. Daar zit iets tegenstrijdigs in. Aan de ene kant wordt er gewaarschuwd voor stroomuitval, terwijl we nog 20% capaciteit hebben. Dat is gewoon lastig uit te leggen. Ik denk dat dat in de communicatie beter moet worden uitgedragen en dat we daar snel ook op een oplossing in moeten zetten. Laten we eerlijk zijn: liever een iets lagere betrouwbaarheid dan straks een nullevering bij heel veel mensen thuis.

Minister Hermans:

Dit is een van de sporen. Dit zat ook al in het aansluitoffensief dat we onlangs gepresenteerd hebben voor heel Nederland. Ik deel dit heel erg met de heer Flach. Daar komt wel iets bij. Als je dit gaat doen, dan zal dat ook een discussie van kabinet en Kamer vragen. Hoe wegen we nou de publieke belangen van beschikbaarheid en betrouwbaarheid en zorgen we ervoor dat we door kunnen met woningbouwprojecten, om dat even als voorbeeld te noemen? Gaan we met elkaar weloverwogen aan dat we meer risico lopen, dus het risico van potentieel minder betrouwbaarheid, ten behoeve van het door kunnen investeren om mensen, bedrijven en projecten aan te kunnen blijven sluiten? Maar ik ben het honderd procent met de heer Flach eens dat we deze discussie aan moeten met elkaar.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Flach (SGP):

Tot slot. Ik denk dat veel bestuurders en ontwikkelaars uit de regio Flevoland, Gelderland en Utrecht kijken naar dit debat en ook luisteren naar wat de minister hierover zegt. Wat kan de minister concreet op korte termijn voor die drie provincies doen om deze problematiek af te wenden?

Minister Hermans:

Ik denk hierbij aan het volgende. Eén: een second opinion op die cijfers. Dat moet ook met de provincies samen, want zij moeten natuurlijk ook precies weten wat hier exact het probleem is. Twee: de maatregelen in kaart brengen. Wat kun je nog allemaal doen voordat je tot die totaal onwenselijke maatregel van die aansluitstop overgaat? Drie: met Flevoland, Gelderland en Utrecht kijken wat je hier nou specifiek aan maatwerk zou kunnen doen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan regelbare opwek.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik ben er toch echt wel van geschrokken. Wij laten de inwoners, de bedrijven en zeker de woningzoekenden in Flevoland, Gelderland en Utrecht niet zakken. Wat mij toch frappeert, is het volgende. Pakken we dit wel voldoende als een crisis aan? Toen corona uitbrak, hadden we binnen de kortste keren een crisisaanpak. Toen de energieprijzencrisis uitbrak, met name naar aanleiding van de inval in Oekraïne in 2022, hadden we binnen de kortste keren een crisisaanpak.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Hebben wij hiervoor wel voldoende een crisisaanpak? Als ik hoor dat de bouw van het station in Utrecht-Noord vertraagd wordt door bezwaarmakers, denk ik echt: wat zijn we in dit land aan het doen?

Minister Hermans:

Twee dingen hierover. Eén. Zeker deze specifieke situatie in FGU vraagt alle aandacht en alle inzet. Het krijgt nog mijn inzet in de komende anderhalve week, en ik geloof dat dit onderwerp daarna bij de staatssecretaris van KGG belegd is. Dat zeg ik even uit mijn hoofd dus pin mij hier niet op vast, maar dit moet met de grootste urgentie worden aangepakt. Ik zie hoe hierover bij mij op het ministerie echt veelvuldig overlegd wordt met TenneT en de netbeheerders, maar ik sta altijd open voor wat daarin verbeterd kan worden. Je moet nooit blijven vasthouden aan hoe het ooit bedacht is. Dat is één.

Het tweede is die vertraging, of vertragingen, moet ik eigenlijk zeggen, die je op veel plekken in het land ziet door bezwaar- en beroepsprocedures. Utrecht-Noord is nu een hele pregnante. Dat vraagt ook iets van ons, hier in Den Haag, in de politiek. Het vraagt iets van de bestuurlijke kant, dus van het kabinet, en van de Kamer. Ik snap echt dat niemand zit te wachten op een hoogspanningsstation in zijn achtertuin, als ik het even huiselijk mag zeggen. Maar als we dat allemaal zeggen, in al die twaalf provincies, komt er geen hoogspanningsstation bij en dan lossen we dit probleem niet op. Dus we zullen dit soort lastige projecten in de achtertuin of op een plek waar je het liever niet wilt, toch moeten overwegen en toch moeten doorzetten voor het grotere belang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mijn zegen heeft de minister om dit te overrulen. Maar ik wil ook nog even het punt in herinnering brengen dat de minister eerder in dit blokje maakte over datacenters, naar aanleiding van mijn vraag. Dit bericht over de dreigende aansluitstop voor kleinverbruikers in Flevoland, Utrecht en Gelderland slaat in als een bom in de Kamer. We schrikken daar enorm van, maar tegelijkertijd zitten we een soort van met de handen in het haar, omdat er nog oude aanvragen zijn voor datacenters, waar ooit vergunningen voor zijn verleend en waarvoor de regelgeving die voormalig minister voor VRO Hugo de Jonge heeft afgekondigd, eigenlijk onvoldoende is.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ondertussen voegen we dus die grote datadozen toe op ons net, terwijl woningzoekenden schreeuwen om een huis, dat we straks niet meer kunnen aansluiten. Ik vind dat echt ongelofelijk. Kunnen we dat niet nog beter bij elkaar brengen?

Minister Hermans:

Uw punt is volstrekt helder. Ik deel dit ook, zeker met het nieuws dat nu naar buiten is gekomen. In ons huidige beleid zijn er twee voorwaarden waaraan je moet voldoen. Bij dat ene datacenter waar de heer Grinwis onlangs volgens mij ook een mondelinge vraag over stelde, gaat het om een constructie waardoor je net niet aan die twee voorwaarden voldoet. Dan kun je er dus niet op sturen. Ik vind echt dat we hiernaar moeten kijken in die bredere afweging die ik net schetste, waar ruimtelijke afwegingen in spelen maar zeker ook de impact op het net, indachtig het nieuws van zojuist.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Maar die en-enregel, dus én meer dan 10 hectare én meer dan 70 megawatt, kan eenvoudig worden aangescherpt door het of-of te maken, dus dat alleen 70 megawatt al voldoende is om het te kwalificeren als een hyperscale. Dat even als suggestie. Maar het kan ook dat er ooit in het verleden misschien een omgevingsvergunning is verstrekt. Is dat dan echt dominant? Moet de netbeheerder zo'n partij, zo'n datacenter, dan aansluiten? Kan het prioriteringskader niet zo veel tanden krijgen dat we dat soort maatschappelijk wat minder nuttige toepassingen op korte termijn even wat meer achter in de rij zetten ten opzichte van woningbouwprojecten?

Minister Hermans:

Ik weet dat er natuurlijk ook naar dit soort oplossingen wordt gekeken in het grotere vraagstuk van netcongestie en ruimte op het net. Ik zal het even nagaan, want ik weet de precieze stand van zaken niet. Dan kan ik daar in tweede termijn nog even op terugkomen bij de heer Grinwis. Maar ik snap het ongemak. Tegelijkertijd gaat het ook om rechtszekerheid. Daar kan ik niet zomaar doorheen fietsen. Maar ik begrijp het punt en nogmaals, ik zal hier in tweede termijn nog even op terugkomen.

De heer Vermeer (BBB):

Dit probleem in Flevoland, Gelderland en Utrecht speelt al een paar jaar. Er wordt voor gewaarschuwd. De provinciebesturen lobbyen ervoor dat er nu echt iets moet gebeuren. Al anderhalf jaar zeggen wij dat de rode lampjes op het dashboard felrood branden. Dan kan de gezant wel zeggen dat we de vluchtstrook benutten, maar nee, daar moet die auto op neergezet worden, want als je lampjes branden, heb je storing. Nu komt de provincie Flevoland met de oplossing om de overcapaciteit van windturbines tijdelijk te benutten om de netcongestieproblemen op te lossen, oftewel: zet die krengen uit!

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Vermeer (BBB):

Want dan kunnen wij gewoon gaan bouwen. Is de minister bereid om nu eens gewoon in te grijpen en die pauzeknop op wind- en zonne-energie in te drukken? Dat is namelijk een groot deel van de oorzaak van dit probleem.

Minister Hermans:

Als het zo simpel was … Dat weet de heer Vermeer ook. Nu maken we een ingewikkeld vraagstuk wel heel simplistisch. Dat neemt niet weg dat ik vind dat we alle opties in kaart moeten brengen. Wat kan je doen in deze provincies om die dreigende aansluitstop te voorkomen? Dat zal ik doen.

De heer Vermeer (BBB):

Ik bestrijd dat dit een simplistische oplossing is. Het is gewoon een oplossing die de provincie Flevoland zelf voorstelt. Bij een file doen we precies hetzelfde. Als er al een file staat, gaan we er niet nog meer auto's naartoe leiden. Nee, dan halen we ze daar weg of blokkeren we de weg met een rood kruis, als er een ongeluk is. Dit is dus helemaal niet simpel. Ja, feitelijk is het wel simpel, maar het kan niet afgedaan worden als iets te simplistisch om een oplossing te zijn.

Minister Hermans:

Ik heb toegezegd — dat blijf ik ook toezeggen — dat ik met de provincies alles op een rij zet: wat we kunnen doen en welke maatregelen mogelijk zijn, oplopend tot de maatregel die ik dus wil voorkomen. Dat zal ik ook met de provincie Flevoland doen. In de richting van de heer Grinwis zeg ik dat ik dat zal doen met een crisisteam binnen KGG. Op die manier gaan we werken.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik heb een paar maanden geleden een motie ingediend die opriep om de verdere flexibilisering, waar ik het in het debat ook over heb gehad, vooral toe te passen in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht en de wettelijke ruimte hiervoor te zoeken. Dat is hard nodig, is vandaag maar weer gebleken. Ik hoor de minister iets zeggen over een crisisteam. Mijn vraag gaat over het volgende. De minister gaf aan het te willen bezien in de innovatieve aanpak die ze in heel Nederland gaat toepassen. Is de minister inmiddels overtuigd dat het specifiek voor Flevoland, Gelderland en Utrecht nodig is om daarnaar te kijken?

Minister Hermans:

Ik begrijp niet helemaal wat de heer De Groot daarmee bedoelt. Ik ging net even in op die flexibele contracten. Als die worden aangepast, gelden die voor het hele land. In FGU waren we al bezig met een specifieke aanpak. Die wordt nu geïntensiveerd, omdat het probleem daar op dit moment nijpend is.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dat stelt mij gerust. Het probleem is niet morgen opgelost, want er moet heel veel gebeuren, maar ik ben blij dat de minister specifiek kijkt naar de provincies die die aandacht hard nodig hebben. Dank.

De heer Dassen (Volt):

Bij netcongestie had ik gevraagd naar de betere interconnectiviteit met andere Europese landen. De minister heeft mijn vraag beantwoord, maar in het antwoord gaf zij aan dat Nederland daar al heel goed in is. Maar het Europese doel is 15%; Nederland blijft op 8% haken. Kan zij mij dan uitleggen waarom wij niet in staat zijn te voldoen aan die 15%?

Minister Hermans:

Dat je ergens goed in bent, betekent niet dat je klaar bent. Dat is een van de redenen dat we bijvoorbeeld met het VK hard werken aan de interconnectie via de LionLink, zodat wij kernenergie uit het VK kunnen gebruiken en het VK windenergie van Nederwiek, een van onze windparken, kan gebruiken. We zijn dus zeker nog niet klaar. Daar werken we hard aan door. Het type afspraken dat we in Hamburg hebben gemaakt, is daar heel belangrijk voor. Die afspraken gaan bijvoorbeeld ook over de vraag hoe je de kosten en de baten verdeelt bij het aanleggen van zo'n gezamenlijke infrastructuur.

De heer Dassen (Volt):

Het is cruciaal om de netcongestie tegen te gaan, maar ook om in Europa straks een stabieler netwerk met elkaar te hebben dat beter kan omgaan met sabotage, black-outs en dat soort zaken. Ik ben nog heel erg zoekende hoe wij als Nederland ervoor kunnen zorgen dat we die doelen gaan halen. Hoe kunnen we versnellen? Wat zijn daarin de knelpunten? Waar lopen we tegen aan?

Minister Hermans:

Het is goed dat we die verklaring in Hamburg hebben getekend, denk ik. Op Europees niveau moeten we onze planning beter op elkaar afstemmen. Het gaat ook over hoe je de kosten kunt delen in dit soort projecten. Dat gaat over kosten en baten, moet ik zeggen, want het gaat niet alleen over de kosten. Dit weerhoudt landen er vaak van om zoiets aan te leggen. Het is grensoverschrijdend: je hebt er allebei iets aan en maakt allebei kosten. We hebben nu voor eerst afgesproken dat we dat gaan uitwerken. Daar zijn we nog niet. Toen ik anderhalf jaar geleden begon en ik dit idee van cost sharing opperde, keek iedereen mij wazig aan. Nu hebben we in ieder geval het uitgangspunt vastgelegd.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Dassen (Volt):

Het liefst zou je dit natuurlijk Europees doen, want dan heb je deze discussies niet en loop je niet vast met elkaar; dat kun je financieren met eurobonds, maar dat is een heel ander debat. Is de minister het met mij eens dat er een actieplan moet komen om ervoor te zorgen dat we dit gaan versnellen, zodat we als Europa stabiliteit krijgen en de kosten flink naar beneden gaan voor de consumenten? Is de minister van plan om hier een actieplan voor te maken zodat we de doelstelling van 2030 halen?

Minister Hermans:

Volgens mij wordt hier gewoon continu aan gewerkt. We hebben in Europees verband niet voor niks de samenwerking met landen rondom de Noordzee via het Pentaverband en NSEC. Door met deze landen samen te werken, kunnen we versnellen. Ik zit dus oprecht even te zoeken naar wat er de toegevoegde waarde van is als ik nu een nieuw plan ga maken dat anders is dan: hier met toewijding en tempo aan doorwerken.

De voorzitter:

Mevrouw Teunissen, dan meneer Jumelet en dan gaat u verder naar het onderwerp kernenergie.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ik heb nog een vraag over de datacenters. Ik begrijp dat de minister er ook in tweede termijn op terugkomt, maar ik sloeg toch aan op wat ze zei, namelijk dat een plan aan een nieuw kabinet is. Ik wil even een verduidelijking. Er had namelijk allang ingegrepen moeten worden. We hebben in 2022 de afspraak gemaakt dat er maar twee grote, hyperscale datacenters komen. Nu blijkt dat niet het geval te zijn. We hebben een netcongestiecrisis en we laten de datacenters maar binnenkomen. Ik weet dat het nieuwe kabinet er al bijna is, maar volgens mij moet er nu heel snel een plan worden gemaakt voor hoe we gaan ingrijpen en hoe we die criteria gaan aanscherpen. Kan de minister dat bevestigen?

Minister Hermans:

Ik heb al gezegd dat ik de vragen van de heer Grinwis, die mevrouw Teunissen dus onderstreept, snap, maar we hebben er ook gewoon mee te maken dat de verbodsbepaling op enig moment is ingegaan. Op vergunningen die voor 16 februari 2022 zijn aangevraagd, is die verbodsbepaling niet van toepassing. Zoals ik net ook tegen de heer Grinwis zei, kan ik niet zomaar overal doorheen fietsen. Dat laat onverlet dat ik vind dat we hiernaar moeten kijken.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Gezegd hebbende dat we de discussie niet helemaal opnieuw moeten gaan doen, was het in 2022 duidelijk dat er maar twee hyperscale datacenters kwamen. Nu komt uit een hoge hoed dat er al eerdere vergunningsaanvragen waren. Dan vraag ik me af waarom door het ministerie überhaupt nog niet de mogelijkheden in kaart zijn gebracht om iets te doen aan die oude aanvragen. Misschien is dat wel gedaan; dan hoor ik het graag. Dat de minister dat nu nog niet weet, toont wat mij betreft een gebrek aan urgentiebesef.

Minister Hermans:

Het ruimtelijk beleid ten aanzien van datacenters is de verantwoordelijkheid van de minister van VRO. Deze vraag werd hier gesteld in relatie tot de impact op de netcongestie. Ik heb in algemene zin iets gezegd over waarom ik het belangrijk vind dat we daarnaar kijken, maar de beleidsverantwoordelijkheid voor dit domein ligt bij VRO.

De heer Jumelet (CDA):

Ik hoor de minister zeggen dat er een crisisteam komt voor Utrecht, Gelderland en Flevoland. Ik denk dat het heel goed is om zo te acteren, maar als ik debat zo debat hoor, komt bij mij toch de vraag op hoe dit allemaal zo kan gebeuren. Enige tijd geleden heb ik bij het debat over netcongestie een motie ingediend over de manier waarop we inzicht kunnen krijgen in de data. Ik wil toch aan de minister vragen om daarop nog eens te reflecteren. Ik zou bijna zeggen: zijn we wel in control over al de maatregelen die we nemen? Als we al die inzet plegen met al die subsidieregelingen, zijn we daarbij in control? Doen we de goede dingen?

Minister Hermans:

Volgens mij zei ik net ook tegen de heer Grinwis, de heer Flach en de heer Vermeer dat ik dat niet vind kunnen bij zo'n ingewikkeld vraagstuk, dat zo raakt aan onze samenleving. Het raakt aan de aansluiting van woningbouwprojecten en aan bedrijven die willen uitbreiden of verduurzamen, maar die niet weten waar ze aan toe zijn. Dan is het van belang dat de data op orde zijn, zodat je kan sturen en monitoren, en je problemen aan ziet komen. In oktober hadden we een ander beeld dan vandaag — de hoeveelste is het vandaag? — op 12 februari. Dat kan niet. Ik snap dat er iets verandert en dat het iets fluctueert, maar dit soort grote verschillen kunnen niet. Ook daar kun je geen crisisaanpak op bouwen. Ik vind dus dat zorgen voor echt hele strakke sturing op die cijfers onderdeel moet zijn van wat dat crisisteam gaat doen; dat hadden we ook al afgesproken. Heel specifiek voor deze regio wil ik een second opinion over die cijfers. In het algemeen is de vraag hoe we meer rust in die prognoses en stabiliteit in de cijfers brengen.

De heer Jumelet (CDA):

Dank voor het antwoord. Ik zeg er toch bij dat het bij al de dingen die we doen, ontzettend nodig is om het grotere plaatje te zien. Het zou toch jammer zijn als we belastinggeld besteden aan zaken waarvan we later moeten zeggen dat we die anders hadden moeten doen? In die zin denk ik dus dat het goed is dat er een crisisteam komt. Toch wil ik nog benadrukken dat de regie heel belangrijk zal zijn in de komende tijd.

Minister Hermans:

Dat deel ik.

De voorzitter:

U vervolgt met kernenergie.

Minister Hermans:

Ja, voorzitter, kernenergie. De heer Heutink, die volgens mij niet in de zaal is, vroeg hoe we vaart gaan maken met het realiseren van die nieuwe kerncentrales. In het verlengde daarvan vroeg de heer De Groot mij wat de stand is wat betreft de eerste twee grote centrales en of ik bijvoorbeeld al met de grondverwerving ben begonnen. Het kabinet zet echt concrete stappen richting de realisatie van de eerste twee kerncentrales. Een belangrijk moment is dat we op korte termijn de oprichting van NEO NL zullen formaliseren. Die deelneming gaat de nieuwe kerncentrales laten bouwen en zal de exploitatie op zich nemen. Dat is dus een belangrijk moment. Het klinkt misschien organisatorisch, maar dat hebben we echt nodig om dit te kunnen doen. Daarnaast worden door KGG op dit moment al werkzaamheden verricht, zodat NEO NL als zij is opgericht — dat gaat echt snel gebeuren — kan starten met de inkoopprocedure van de technologieleverancier. Dat is een tweede belangrijk spoor in de bouw van de kerncentrales. Het derde gaat over de locatiekeuze. Begin februari hebben we de Notitie Reikwijdte en Detailniveau gepubliceerd. Dat is een belangrijke stap richting de voorkeursbeslissing voor de locatie. Die is nog steeds na de zomer voorzien. Ik kan in het algemeen geen uitspraken doen over strategische grondverwerving, vanwege de vertrouwelijkheid en de positie. Dat antwoord kan ik dus niet geven aan de heer De Groot.

Ik kan nog wel iets tegen de heer Dassen zeggen over SMR's en wat ik daarbij realistisch acht. Laat ik zeggen dat ik positief ben over de ontwikkeling van SMR's en de bijdrage die SMR's kunnen leveren aan het Nederlandse energiesysteem. De eerlijkheid gebiedt mij ook te zeggen dat initiatieven in Nederland echt nog moeten concretiseren en op dit moment nog niet met een tijdspad kunnen aantonen dat realisatie in 2035 reëel lijkt. Wat het kabinet nu doet, is initiatieven gepast ondersteunen, dus daar waar echt een duidelijke vraag en behoefte liggen. Zo hopen we bij te dragen aan de versnelling.

Als je internationaal kijkt, zie je dat er ook in andere westerse landen nog geen SMR gebouwd is. In Canada is wel gestart met de bouw van een first-of-a-kind SMR. De verwacht is dat die rond 2030 operationeel kan zijn. Ik verwacht niet dat er in een ander land eerder dan in 2030 een SMR zal draaien. Ik volg die ontwikkelingen op de voet. Ik ben in de zomer in het VK geweest om te horen hoe zij met hun SMR-programma en -aanpak omgaan. Ik spreek er rondom de Energieraad ook vaak met collega's uit Finland en Zweden over. Zo blijven we kennis en informatie uitwisselen. Ik heb in het vorige debat Kernenergie een stappenplan aan de Kamer toegezegd waarin we nog specifieker uiteenzetten hoe wij de ontwikkeling en planning van SMR's in Nederland voor ons zien. Ik verwacht dat dat voor de zomer aan de Kamer gestuurd kan worden.

Voorzitter. Dan ga ik langzaam over naar het blokje overig.

De heer Dassen (Volt):

Ik heb een vraag aan de minister, ook voor haar opvolger. In het coalitieakkoord wordt wat ruimte opengelaten om te zeggen: de grote kerncentrales gaan we niet meer bouwen; we gaan alleen nog maar focussen op de SMR's. Wat zou haar advies hierin zijn?

Minister Hermans:

Ik ben in dit kabinet begonnen met de ambitie van vier kerncentrales en het in beeld brengen van wat SMR's zouden kunnen bijdragen aan kernenergie of het energiesysteem in Nederland. Daarvoor heb ik dus alles in gang gezet. Ik heb voor de eerste twee kerncentrales de stappen in kaart gebracht om tot de locatiekeuze en de start van de bouw over te kunnen gaan. Voor kerncentrales 3 en 4 zitten we nog een paar stappen daarvóór. Vooral ruimtelijk zijn we nu aan het kijken wat daarin de mogelijkheden en opties zijn. Daar gaan we in het NPE, dat met Prinsjesdag verschijnt, nader op in. We hebben nu in beeld gebracht wat voor bijdrage de SMR's kunnen leveren en ik kom met een stappenplan. Dit zou ik overdragen. Dit is ook hoe ik de passage interpreteer. We hebben die vier kerncentrales — bij 1 en 2 zijn we waar we zijn en bij 3 en 4 zijn we bezig met die ruimtelijke inpassing — en we hebben de potentie van SMR's.

De heer Dassen (Volt):

Dat is weer een andere interpretatie dan we eerder in het debat hebben uitgewisseld. Bij de meeste partijen was die volgens mij dat er twee SMR's zouden zijn; voor sommige partijen zouden er ook vier SMR's kunnen zijn. Kan de minister aangeven wat de eventuele consequenties zijn als de bouw van de twee voorgenomen kerncentrales, waar al stappen in zijn genomen, niet doorgaan?

Minister Hermans:

Dat is een wat-alsvraag, die voor mij op dit moment totaal niet relevant is. Ik heb net geschetst dat we aan de vooravond staan van het oprichten van de deelneming NEO NL. We hebben de Notitie Reikwijdte gepubliceerd, zodat we op weg kunnen naar de locatiebeslissing. Alles is daarop gericht.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Dassen (Volt):

Dit is geen wat-alsvraag. In het coalitieakkoord staat het niet zo duidelijk als in het regeerakkoord van deze minister. Dat roept bij mij vragen op. Het is dan een terechte vraag, denk ik, of zij kan aangeven wat de consequenties zijn als we die trajecten zouden stoppen.

Minister Hermans:

De heer Dassen vroeg mij wat ik zou overdragen aan mijn opvolger. Dat heb ik duidelijk gemaakt: de stappen die we hebben gezet voor 1 en 2 doorzetten, voor 3 en 4 hetzelfde doen en de potentie voor SMR's verder uitwerken in dat stappenplan. De consequentie van nu stoppen is dat er ongelofelijk veel werk verloren gaat en je iets weggooit wat we keihard nodig hebben in de toekomst, namelijk regelbare opwek. Mijn dringende advies zou dus zijn om door te gaan met kernenergie, maar dat is ook gewoon de afspraak in het coalitieakkoord.

De voorzitter:

De heer Van den Berg heeft een interruptie en dan rondt u uw beantwoording af.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik hoor de minister net zeggen dat er voor Nederland nog geen concrete plannen zijn voor wanneer wij een SMR gebouwd kunnen hebben. Ik spreek veel met de kernenergie-industrie. Die zegt heel duidelijk dat het wel kan voor 2035, mits wij aan de voorkant helpen met de vergunning en er een locatiebesluit komt, zoals we bij windturbines doen. Kortom, waarom doen we dat nog niet voor kernenergie?

Minister Hermans:

Wij zijn in gesprek met verschillende initiatiefnemers die werken aan SMR's. We bekijken waar we kunnen ondersteunen om de SMR-ontwikkeling te versnellen. Ik zie echt potentie, op verschillende manieren ingepast in ons energiesysteem. Ik schetste het net ook al richting de heer Dassen. Kijk internationaal. Er is in Canada gestart met de bouw van een first-of-a-kind SMR, die rond 2030 operationeel zal zijn. Maar daar zijn wij gewoon nog niet. Dit is mijn beste inschatting op dit moment. Maar u krijgt het toegezegde stappenplan voor de zomer. Volgens mij heb ik dat zelfs specifiek aan de heer Van den Berg toegezegd.

De heer Van den Berg (JA21):

Ja, klopt. Dank u wel daarvoor, minister. U hoort ook mijn roep om versnelling. Stel dat we de regels gelijktrekken met de regels voor windparken op zee. We geven vergunningen voor die windparken en geven het op een presenteerblaadje aan de windindustrie. Waarom kunnen we dat niet ook gewoon doen voor kernenergie? Kies een locatie en help met de vergunningen. Dan kunnen de private investeerders instappen. Waarom doen we dat niet?

Minister Hermans:

De heer Van den Berg doet nu alsof we met een bootje de zee op gaan en een locatie aanwijzen en dat er vervolgens een windpark wordt gebouwd, maar zo werkt het niet. Daar gaat echt wel wat meer werk in zitten, nog los van de ingewikkeldheid waar de windsector op dit moment mee te maken heeft. Het bouwen van kerncentrales is een ongelofelijk complexe, technische operatie en vraagt om heel veel ruimtelijke inpassingen. Wij hebben in Nederland afspraken gemaakt over hoe we dat op een zorgvuldige manier doen, via projectprocedures. Daar hecht ik aan. Waar we snelheid kunnen maken, zal ik dat natuurlijk niet nalaten.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van den Berg (JA21):

Tot slot. Inderdaad, windturbines zijn ook niet makkelijk om te bouwen. Van Oord doet dat heel erg goed. Maar de overheid wijst de kavels aan, zoals IJmuiden Ver Gamma. Dat doet we niet bij kernenergie. Sterker nog, we helpen de windparken met de vergunningen. Wanneer windenergiebouwers zich niet inschrijven, verhogen we zelfs de subsidie voor de windparken. Nogmaals, waarom kunnen we dat niet ook bij kernenergie doen? Help die industrie nou, minister.

Minister Hermans:

Er staat in het Klimaatfonds zo'n 13,5 miljard, geloof ik, gereserveerd voor kernenergie. Bij wind op zee helpen we nu met een subsidie om te voorkomen dat het stilvalt. Dit is wat we te doen hebben in die energietransitie; het is en-en-en. Daar waar we kunnen helpen, ondersteunen we. Iets bouwen op zee waar niet direct mensen omheen wonen of op land waar je in een dorp, stad of regio terechtkomt, vraagt om andere typen overleg. De manier waarop het impact heeft op de natuur is anders. We houden overal rekening mee. Waar we sneller kunnen, zullen we dat doen. Maar het is en-en-en. Om het in de woorden van de heer Van den Berg in zijn maidenspeech te zeggen: het is doorzettingsvermogen en het is niet opgeven. Dat geldt ook voor deze energietransitie. Voorzitter, via u nog even mijn complimenten voor de maidenspeech van de heer Van den Berg.

De voorzitter:

Komt u tot een soort van afronding van uw beantwoording?

Minister Hermans:

Ja, voorzitter. Dat ga ik echt proberen. Mevrouw Teunissen en ik hebben het al vaker gehad over een verbod op fossiele reclames. Haar vraag aan mij was nu hoeveel ik nog moet onderzoeken tot we tot een nationaal verbod overgaan. Het is meer … Ik heb in verschillende brieven gereageerd op gedane onderzoeken. Ik heb niet gezegd dat het per definitie onmogelijk is, maar wel dat het heel veel vraagt. Het is ook niet het beleid van dit kabinet om daartoe over te gaan. Ik zie dus op dit moment geen aanleiding om die conclusie te herzien.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u eerst uw beantwoording afrondt. Dan doe ik daarna nog een ronde interrupties, een hele korte schorsing en dan de tweede termijn van de zijde van de Kamer.

Minister Hermans:

Voorzitter. Mevrouw Teunissen vroeg ook naar de uitspraak over Bonaire. Dat oordeel hebben we gezien en dat kennen we. Dat wordt nu zorgvuldig bestudeerd door het kabinet. Het volgende kabinet zal invulling geven aan de verschillende aspecten van de uitspraak en de afweging maken of er in hoger beroep wordt gegaan. De amendementen doe ik zo apart.

Dan de vraag van de heer Dassen, of wij eenzelfde soort onderzoek overwegen als de Britse veiligheidsdiensten hebben gedaan naar klimaatverandering en de impact daarvan op onze veiligheid, gezondheid en stabiliteit. Ik ken het rapport waar de heer Dassen naar verwijst en ik herken ook een aantal van de risico's en de impact die daarin geschetst worden. Ik vind ook dat we die veiligheidsrisico's voor Nederland goed in de gaten moeten houden. Ik kan tegen de heer Dassen zeggen dat het Analistennetwerk Nationale Veiligheid in opdracht van de NCTV de gevolgen van klimaatverandering voor de nationale veiligheid heeft geanalyseerd. Dat is terug te lezen in een analyse uit 2022 en een trendanalyse uit 2024. Of er een nieuwe dreigingsanalyse analoog aan de Britse veiligheidsdiensten moet komen, is natuurlijk aan een volgend kabinet. Maar de gedachte dat je deze opgave ook in relatie tot veiligheid moet bezien, deel ik erg met de heer Dassen.

Voorzitter. Dan nog een vraag van de heer Kops over de zogenaamde statistische overdracht als het 2030-doel niet wordt gehaald. In tegenstelling tot hoe het was in 2020, is er nu niet een bindend nationaal doel voor hernieuwbare energie vastgesteld. Daarom kunnen we niet op voorhand stellen, wat onlangs in het nieuws was, dat Nederland een eventueel tekort op haar nationale bijdrage aan het Europese doel financieel zou moeten compenseren. Zo was dat dus in 2020. De focus is er op dit moment op gericht om het beleid dat we hebben afgesproken, om het 2030-doel te halen, ook voor elkaar te krijgen. Het heeft de voorkeur om aanvullende acties te nemen in plaats van over te gaan op die statistische overdracht.

Voorzitter. Dan denk ik dat ik alle vragen beantwoord heb. Nee. Misschien nog een laatste, van de heer Klos, over de eindejaarsmarge. Ik heb de systematiek daarvan al wel in de beantwoording toegelicht, maar dan hier nu nog een enkel mondeling woord daarover. We hebben de afspraak dat als departementen voor de Miljoenennota zien dat het geld niet helemaal tot besteding komt, zij dat kunnen overmaken naar het Klimaatfonds, zodat het beschikbaar blijft voor klimaat- en energiebeleid. We hebben daar de afgelopen jaren ook echt op gestuurd, zo van: doe dat nou, ministerie IenW en van VRO, als je daarvoor staat. Daar zal ik mee doorgaan; ik zal dat overdragen aan mijn opvolger. Overigens geldt dat ook voor mijzelf, voor industrie en elektriciteit: doe dat nou, want dan blijft het geld beschikbaar. Ik denk dat mijn les vooral is dat we daar strak op sturen.

Voorzitter, dat was dan echt de laatste vraag.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef één ronde ruimte voor interrupties. Ik zie drie interrumpanten bij de microfoon staan.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Toch nog even over het landelijk verbod op fossiele reclames en vleesreclames. De minister zegt dat het heel ingewikkeld is en dat er heel veel bij komt kijken, maar ik maak het punt nu, omdat we zien dat Amsterdam, Den Haag, Delft, Haarlem en Zwolle — misschien vergeet ik nog een gemeente — nu allemaal dat verbod hebben ingesteld, in ieder geval voor fossiele reclames en een aantal ook voor vleesreclames. Het is natuurlijk volledig tegenstrijdig dat we het hier de hele tijd hebben over de industrie die, terecht, moet verduurzamen, maar dat je tegelijkertijd de behoefte aan, de vraag naar, vervuilende producten creëert. Dat is volledig tegenstrijdig beleid. Als al die gemeentes dat nu doen, snap ik niet waarom de minister zegt dat het heel ingewikkeld is om tot een landelijk verbod te komen. Dat lijkt me helemaal niet zo ingewikkeld.

Minister Hermans:

Waarschijnlijk wegen wij allebei hoe complex het is. Ik vind het complex als ik kijk naar wat ik moet afbakenen voor zo'n landelijk verbod. Ik heb, met dit kabinet, de afweging gemaakt en ga niet tot zo'n landelijk verbod over. Het staat een nieuw kabinet natuurlijk vrij om die afweging opnieuw te maken.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Maar dan is het wel zaak dat je die weging maakt op basis van wat we zien in de praktijk. De minister zegt dat het aan de afbakening ligt. Dat is nou precies wat we in de praktijk zien, een hele heldere afbakening van wat nou fossiele reclame en vleesreclame in de openbare ruimte is. Er is zelfs een rechtszaak over gevoerd in Den Haag, waarin de gemeente Den Haag gewoon gelijk heeft gekregen. Welke weging heeft de minister dan gemaakt waardoor zij nu denkt dat dit allemaal niet kan?

Minister Hermans:

Als je tot een nationaal verbod overgaat — ik heb het even niet over het lokale verbod — moet je een maatstaf ontwikkelen of een grenswaarde vastleggen voor wat je nou wel of niet als fossiel kunt beschouwen. Zo'n maatstaf bestaat op dit moment niet. Je moet duidelijk maken op welke vormen het verbod betrekking zou hebben. Je moet natuurlijk juridisch robuust onderbouwen dat zo'n verbod ook echt effectief beschermt tegen klimaatschade, luchtverontreiniging en gezondheidsschade. Dat vraagt ook weer maatstaven en grenswaarden. Ik heb de conclusie getrokken dat ik dat niet ga doen. Ik richt de energie op andere maatregelen om tot duurzaam gedrag te komen, en ik denk dat dat iets is wat mevrouw Teunissen en ik delen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Die andere maatregelen zijn er niet. Dat is nou precies het probleem. Ik zie geen andere maatregelen vanuit het kabinet om ervoor te zorgen dat vervuilend gedrag niet langer wordt aangewakkerd. Als de minister mij één maatregel kan noemen, is dat oké, maar ik zie die maatregelen niet en dit is wel het laaghangend fruit. Een verbod op fossiele reclame is het meest simpele wat we kunnen doen om vervuilend gedrag niet aan te wakkeren.

Minister Hermans:

Je gaat naar verbodsmaatregelen kijken als je gelooft dat je alles wat niet mag, moet bestraffen of stoppen. Ik geloof ook heel erg dat je het goede gedrag moet stimuleren. We hebben een SDE++-regeling om ondernemers en bedrijven te helpen bij innovaties in hernieuwbare energie en schoner produceren. We hebben de ISDE-regeling om mensen die hun huis willen isoleren te kunnen ondersteunen. Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Die maatregelen zijn er dus in overvloed.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

De minister had het net al eventjes over Bonaire en de uitspraak. De minister heeft het eerder een stevige uitspraak genoemd, en ze heeft een brief gestuurd waarin ze zegt dat het aan het volgende kabinet is om maatregelen te treffen. Maar wat er in die uitspraak staat, is nogal wat. Er is gediscrimineerd. Het eiland is onvoldoende beschermd. Het is eigenlijk opnieuw een aanmaning gericht aan de Staat om meer te doen in de strijd tegen klimaatverandering. Ik doe dus toch de oproep aan de minister om iets verder te gaan en om te reflecteren op die uitspraak. Wat doet zo'n uitspraak met de klimaatminister?

Minister Hermans:

Ik neem uitspraken altijd serieus en ik respecteer die ook. Dit is een vonnis van, ik dacht, 90 pagina's. Daar hoort bij dat je even de tijd neemt om dat goed tot je te nemen. Er zitten verschillende elementen in de uitspraak, die zien op mitigatie en adaptatie. Ik wil die goed tot mij laten doordringen om daar op een passende manier op te kunnen reageren. Wat vraagt het in termen van beleid en maatregelen om invulling te geven aan die uitspraak? Zoals ik al zei, kijken we ook naar de weging of we al dan niet in beroep gaan.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp dat het tijd kost. Het is een lange uitspraak, maar wij zouden graag nu al meer willen doen om het eiland te beschermen en om het signaal af te geven aan het eiland dat wij deze uitspraak serieus nemen. Daarom komt mijn fractie met een amendement over duurzame energie, al voor dit jaar. Ik vroeg me af hoe de minister daarop reflecteert.

Minister Hermans:

Ik kom zo nog op de amendementen. Ik heb dat amendement gezien. Ik zal daar zo op reflecteren, want ik denk dat het een goede stap is. Ik denk wel dat we er voorzichtig in moeten zijn om dat nu te koppelen aan de uitspraak, want daarmee zouden we geen recht doen aan diezelfde uitspraak en overigens ook niet aan de goede intentie van het amendement.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik wil het ook hebben over Bonaire. Allereerst de vraag aan de minister: heeft u de uitspraak ondertussen wel kunnen lezen? Want we zijn nu vijftien dagen verder. Ten tweede: kent u het IPCC-rapport, waarop het gebaseerd is?

De voorzitter:

Ik ken het niet, maar u vraagt het aan de minister.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik vraag het inderdaad aan de minister, voorzitter.

Minister Hermans:

Ik heb net in de richting van mevrouw Van Oosterhout geschetst dat we dat vonnis nu bestuderen. Ik heb in de afgelopen dagen niet alle 90 pagina's gelezen, maar ik heb wel een uitgebreide samenvatting gezien. Ik ben daarover ook bijgepraat door mijn collega's op het ministerie. Ik snap dat de heer Van den Berg mij nu allerlei uitspraken wil ontlokken over dat vonnis, maar ik ga dat niet doen. Ik vind dat geen recht doen aan deze uitspraak. Als ik reflecteer op de inhoud van de uitspraak, moet ik ook het handelingsperspectief erbij schetsen voor wat we gaan doen en dat vraagt echt om een afweging in het volgende kabinet.

De heer Van den Berg (JA21):

Daarom vraag ik ook aan de minister of zij het IPCC-rapport kent. Daarin staan scenario's geprojecteerd, die ook door het KNMI worden onderbouwd. Juist het hoogste scenario is compleet fictief. Dat is enkel bedoeld om dit soort zaken te agenderen, maar dat niet is gebaseerd op de realiteit. Kent de minister dat IPCC-rapport ook?

Minister Hermans:

Er zijn vele IPCC-rapporten en die zijn van onschatbare waarde. Ik denk dat die wetenschappelijke kennis en data cruciaal zijn om goed klimaatbeleid te kunnen voeren. Wat mij betreft hoort daarbij dat je daarin scenario's schetst met een verschillende bandbreedte. De exacte details van het scenario waar de heer Van den Berg nu naar verwijst, ken ik niet, maar daar wil ik me uiteraard best in verdiepen. Maar dat laat onverlet dat de rechter een uitspraak heeft gedaan en dat wij ons daartoe te verhouden hebben. Daar hoort ook de weging bij of we in hoger beroep gaan, mogelijk op grond van de scenario's waar de heer Van den Berg nu naar verwijst.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik wil toch het volgende meegeven. Ik snap de overweging, maar ik heb het wel allemaal doorgelezen. We zien dat het is gebaseerd op een fictief scenario. Ik vind dat we in deze zaal debatten moeten voeren op basis van de feiten. Ik zou graag aan de minister willen vragen of zij dat kan meenemen in haar afweging over het hoger beroep. Wat ons betreft moet dat er zeker komen, want op deze manier nemen we een hele verkeerde afslag in dit debat en hebben we het niet meer over de feiten.

Minister Hermans:

Bij de weging of we in hoger beroep gaan, zullen we heel veel feiten en informatie betrekken.

De heer Vermeer (BBB):

De heer Van den Berg brengt hier een belangrijk punt naar voren, waarover wij inmiddels ook Kamervragen hebben ingediend. Wat ons betreft moeten we niet alleen in hoger beroep gaan, maar had de landsadvocaat deze hele zaak supermakkelijk kunnen fileren, want die is inderdaad gebaseerd op scenario's waarbij we alle zonnepanelen en alle windmolens in de hele wereld gaan uitzetten et cetera. Dat gaat gewoon niet gebeuren.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer Vermeer (BBB):

Mijn vraag is of de minister een idee heeft wanneer de antwoorden op de vragen die ik gesteld heb, naar de Kamer kunnen komen. Heeft zij daar op dit moment een inschatting van?

Minister Hermans:

Ik heb geen idee. Ik weet ook niet wanneer die vragen gesteld zijn, maar ik zal dat nagaan en ik zal er straks op reageren.

De heer Vermeer (BBB):

Oké.

Dan heb ik nog een andere vraag. In de schriftelijke beantwoording in de eerste termijn op de vraag over een afstandsnorm van 10 kilometer staat dat daarmee de toekomstige realisatie van windturbines op land niet meer mogelijk is en dat dat grote gevolgen heeft voor de realisatie van de woningbouw, voor de uitbreiding van bedrijventerreinen en voor de economische groei. De gevolgen zijn toch dat dan méér mogelijk gemaakt wordt? Als je geen windmolen hebt staan die overlast kan veroorzaken, dan kun je toch meer bouwen?

Minister Hermans:

Windmolens op land kunnen juist helpen, bijvoorbeeld op bedrijventerreinen of bij boeren. Die zeggen: laat ons een windmolen hier neerzetten, met de opwek dicht bij waar wij het willen gebruiken, dan hoef je het ook niet te transporteren. In het hele netcongestievraagstuk kan dit dus een oplossing zijn. Als je met een afstandsnorm van 10 kilometer gaat werken, zoals de heer Kops suggereerde, dan is dat onmogelijk. Dat is wat u in die beantwoording leest.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Vermeer (BBB):

In de alinea daarna staat nog: "Daarnaast zijn er milieunormen voor het beschermen van de leefomgeving voor omwonenden, zoals geluids-, veiligheids- en slagschaduwnormen. Een afstandsnorm biedt geen aanvullende bescherming." Maar als het waar is dat er met die afstandsnorm geen enkele windmolen gebouwd kan worden, dan heb je toch ook helemaal geen milieunormen en andere normen meer nodig? Ze zijn er immers niet meer. Deelt de minister dat?

Minister Hermans:

Het gaat over de vraag met wat voor norm je milieu- en gezondheidsbelangen beschermt. Dat doe je via de milieunormen. Dat is wat daar in het antwoord staat. Ik weet dat de heer Vermeer geen groot fan — nu druk ik mij voorzichtig uit — is van wind op land, dus ik snap de redenering die de heer Vermeer via de interruptiemicrofoon in mijn richting gooit, maar daarop zeg ik het volgende terug. Ik zie echt dat we hier goed naar moet kijken, ook in termen van draagvlak voor de hele transitie. Tegelijkertijd moeten we er in het belang van bedrijventerreinen en agrariërs die er behoefte aan hebben om in hun eigen energie te voorzien, voor waken om dat allemaal onmogelijk te maken.

De voorzitter:

De amendementen.

Minister Hermans:

Ja, voorzitter. Die heb ik hier. Volgens mijn administratie heb ik er vijf.

De voorzitter:

Klopt.

Minister Hermans:

Mooi! Voorzitter. Dan begin met het amendement op stuk nr. 11, van mevrouw Van Oosterhout, over extra handhaving van de energiebesparingsplicht. Wij onderzoeken op dit moment, naar aanleiding van een motie van mevrouw Van Oosterhout, of er aanvullende middelen voor toezicht en handhaving noodzakelijk zijn. Dus wat dat betreft is het amendement wat te vroeg. Daar komt bij dat de dekking uit het perceel kernenergie onwenselijk is, om redenen waar ik bij heb stilgestaan in het blokje kernenergie. Om beide redenen ontraad ik dus dit amendement.

De voorzitter:

Dan het amendement op stuk nr. 16.

Minister Hermans:

Voorzitter. Dan kom ik inderdaad bij het amendement op stuk nr. 16, van mevrouw Van Oosterhout en mevrouw Kröger, over het inzetten van extra middelen voor de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen, waar we ook bij hebben stilgestaan in dit debat. Ik onderschrijf het belang van de opschaling van collectieve warmte. Daar heb ik volgens mij voldoende over gezegd. Maar ik wil het echt aan mijn opvolger overlaten om bij Voorjaarsnota te bezien hoe we met de middelen in het Klimaatfonds, die specifiek zijn gereserveerd voor de gebouwde omgeving, omgaan ten aanzien van het stimuleren van duurzame warmtepompen et cetera. Bovendien wordt ook dit gedekt uit het perceel kernenergie. Die combinatie maakt dat ik dit amendement ontraad.

Voorzitter. Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 17 van mevrouw Van Oosterhout, de heer Grinwis en de heer Ceder om geld vrij te maken voor een structurele verlaging van de elektriciteitsprijzen door verhoging van de groene productiecapaciteit op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Over dit amendement hebben we net al even van gedachten gewisseld. Ik snap deze stap en waardeer ook de inzet om iets te doen. Met de dekking die is vrijgemaakt via het flankerend beleid SDE++ zie ik hier dus echt de toegevoegde waarde van in, en zou ik dit amendement dus "oordeel Kamer" willen geven.

De voorzitter:

Dan het amendement op stuk nr. 18.

Minister Hermans:

Het amendement op stuk nr. 18 is een amendement van de heer Ceder, de heer Grinwis en mevrouw Van Oosterhout. Dat gaat over het voortzetten van de subsidie op de tarieven voor nutsvoorzieningen voor inwoners van Caribisch Nederland. Daarvoor heb ik dezelfde woorden als net richting mevrouw Van Oosterhout: ook dit amendement krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

Tot slot.

Minister Hermans:

Voorzitter. Tot slot het amendement op stuk nr. 19 van mevrouw Teunissen. Dat gaat eigenlijk om een herschikking van budgetten. Natuurlijk moeten we naast CCS ook inzetten op natuurlijke CO2-opslag. Dat doen we ook, maar de aanvullende inzet, ook financieel, is aan een volgend kabinet. Ik vind de dekking voor dit amendement, die uit het perceel kernenergie komt, niet wenselijk. Daarom ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Daarmee is de minister aan het eind gekomen van haar beantwoording. Daar dank ik haar ook voor. Ik schors een heel kort ogenblik, waarna we verdergaan met de tweede termijn van de Kamer. De vergadering is dus heel kort geschorst.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de Kamer van de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei. Ik geef het woord aan de heer Klos voor zijn inbreng in tweede termijn namens D66. Gaat uw gang.

Termijn inbreng

De heer Klos (D66):

Dank u wel, voorzitter. Nogmaals dank aan de minister voor haar inzet. Heel veel succes bij een volgend ministerie. Ook felicitaties aan de heer Van den Berg en mevrouw Van Oosterhout — dat heb ik nog niet kunnen doen — voor hun prachtige maidenspeeches. Ik zie zeer uit naar de samenwerking op dat vlak.

Namens mijn fractie heb ik twee moties. De eerste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Klimaatfonds een eindejaarsmarge heeft van 100%, maar dat in de toepassing van de begrotingsregels dit principe niet is gehanteerd voor de Klimaatfondsmiddelen die zijn overgeheveld naar andere begrotingen en niet zijn besteed;

constaterende dat in artikel 6 van de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds is bepaald dat bijdragen aan andere begrotingen uit het Klimaatfonds die niet zijn besteed, ten bate moeten komen van het fonds;

overwegende dat op dit punt spanning zit tussen de begrotingsregels en de Tijdelijke wet Klimaat- en energiefonds;

overwegende dat middelen in een begrotingsfonds zijn opgenomen omdat het precieze moment van besteding onzeker is en het wenselijk is dat middelen die voor het Klimaat- en energiefonds zijn bestemd hiervoor behouden blijven;

verzoekt de regering opnieuw te bezien hoe met overgehevelde niet-bestede middelen uit het Klimaatfonds wordt omgegaan, en de Kamer hierover bij de Miljoenennota te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Jumelet, Grinwis, Flach, Teunissen en Van Oosterhout.

Zij krijgt nr. 21 (36800-XXIII).

De heer Klos (D66):

Dan een motie over klimaatveiligheid, waar ik in mijn bijdrage ook aandacht voor vroeg.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Britse inlichtingendiensten recent vaststelden dat klimaatverandering de Britse nationale veiligheid raakt en ook in Duitsland en de VS onderzoek is gedaan naar de effecten van klimaatverandering op de veiligheid;

constaterende dat voor Nederland tot op heden geen integrale veiligheidsanalyse heeft plaatsgevonden met het oog op de gevolgen van klimaatverandering voor waterveiligheid, voedselveiligheid, energievoorziening, infrastructuur en natuur, terwijl die integraal onderdeel zijn van de veiligheidssituatie van Nederland;

van mening dat met het oog op de toenemende geopolitieke spanningen een zo scherp mogelijk beeld van onze veiligheidsrisico's noodzakelijk is, zodat we Nederland veilig en weerbaar kunnen houden voor dreigingen op zowel de korte als lange termijn;

verzoekt de regering om in 2026 een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid met de NCTV, veiligheidsexperts, wetenschappers en Nederlandse stakeholders te organiseren, en de Kamer daar zo spoedig mogelijk over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Klos, Jumelet, Dassen, Van Oosterhout, Teunissen en Van den Berg.

Zij krijgt nr. 22 (36800-XXIII).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Köse voor zijn inbreng in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Köse (D66):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de goede beantwoording en voor haar werk. Ook dank voor de mooie maidenspeeches, nogmaals.

Eén motie van mijn kant. We hebben gesproken over de gaswinning en het afbouwpad daarbij. Het verzoek is om dat volgens het sectorakkoord nog wat concreter invulling te geven.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het belangrijk is om toe te werken naar een verantwoorde afbouw van gaswinning op land, in het kader van de energietransitie en de klimaatdoelen en met het oog op zekerheid voor omwonenden;

constaterende dat er in het sectorakkoord is afgesproken dat gaswinning zal worden afgebouwd;

verzoekt de regering om kwantitatieve scenario's uit te werken voor een afbouwpad van gaswinning op land;

verzoekt de regering tevens om te schetsen hoe zij dit afbouwpad in overleg met de sector en andere betrokkenen wil vormgeven, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Köse en Jumelet.

Zij krijgt nr. 23 (36800-XXIII).

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Twee dagen geleden was er nog een beetje onduidelijkheid over wat het afbouwpad nou precies zou betekenen. Inmiddels heeft de minister bevestigd dat het sectorakkoord daadwerkelijk betekent dat er ook nieuwe velden kunnen worden aangeboord. Ik vroeg me dus af of de heer Köse zich daar inmiddels ook bewust van is.

De heer Köse (D66):

Ja, daar zijn we ons altijd bewust van geweest. Mevrouw Van Oosterhout en ikzelf zien dat misschien niet als ideaal. Maar wat we wél als iets heel moois zien, is het afbouwpad dat erin zit. Dat kan betekenen dat er kleine velden bij komen — wat ons betreft gebeurt dat het liefst op de Noordzee — maar we zien wel een duidelijk afbouwpad. De gaswinning neemt dus af. Dat is het belangrijkste om hier te constateren, denk ik.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

In de motie lees ik toch een aantal schokkende dingen. Er wordt gesproken over het in kaart brengen van scenario's. Wat die scenario's precies betekenen ... Het zou ook kunnen dat er in die scenario's nieuwe gasvelden worden aangeboord. Er staat ook geen duidelijke datum in. Maar het meest schokkende vind ik nog dat er in staat dat het met de fossiele industrie zal worden opgesteld. Ik vind het toch wel heel jammer om te zien dat D66 de fossiele industrie centraal stelt in plaats van mensen. Ik vroeg me dus af waarom D66 voor fossiel kiest in plaats van voor de mensen in het Noorden.

De heer Köse (D66):

Ik snap niet waar zo van geschrokken wordt. Of we het leuk vinden of niet, we zullen moeten praten met degenen die gas winnen, om dat uiteindelijk af te bouwen. We kunnen wel heel veel over mensen praten en niet met ze, maar dat lijkt me niet bevorderlijk voor de discussie. Daarnaast praten we wel degelijk over afbouw. We gaan dus afnemen van de gaswinning. Dat moeten we, denk ik, vooropstellen. Ik zou de handreiking dus toch accepteren en samen in ieder geval een mooie eerste stap zetten.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Peter de Groot voor zijn inbreng in tweede termijn namens de VVD. Gaat uw gang.

De heer Peter de Groot (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst hartelijk dank aan de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Vanaf deze plek wil ik ook de heer Van den Berg en mevrouw Van Oosterhout nog even feliciteren met hun prachtige maidenspeeches.

We hebben afgelopen dinsdag hier in de Kamer met elkaar een mooi debat gevoerd. Namens de VVD heb ik daarin laten weten tevreden te zijn met de afspraken uit het coalitieakkoord. Ik heb voor nu nog een tweetal moties en een vraag meegenomen. Ik heb een motie over een overlegtafel met het bedrijfsleven en een over kernenergie.

Ik wil graag met die laatste beginnen. Ik ben tevreden met de antwoorden van de minister specifiek over kernenergie. Wat de VVD betreft gaan we namelijk door op de ingezette lijn. Dat betekent dat we doorgaan met het bouwen van vier grote kerncentrales. Zoals u de afgelopen maanden hier in de Kamer heeft gehoord, zie ik veel potentieel voor SMR's als aanvulling op dit programma.

Dan de motie.

De voorzitter:

Gaat uw gang; rondt u uw inbreng af. Dan krijgt de heer Flach de ruimte voor interrupties.

De heer Peter de Groot (VVD):

De motie aangaande kerncentrales.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er wordt gewerkt aan de realisatie van de eerste kerncentrales;

overwegende dat het wenselijk is om hierbij zo veel mogelijk snelheid te maken en waar mogelijk in te zetten op versnellingsopties, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten;

verzoekt het kabinet zo veel mogelijk van de omkeerbare werkzaamheden in gang te zetten en van alle mogelijke versnellingsopties met aanvaardbare risico's gebruik te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot en Jumelet.

Zij krijgt nr. 24 (36800-XXIII).

De heer Peter de Groot (VVD):

De tweede motie gaat over de verduurzamingstafel. Ik had een debatje met de minister. Er bestaat al een overlegtafel met de industrie, maar ik zie dat er in breder perspectief een structurele tafel moet zijn, los van programma's, beleidsdiscussies en wat er in de praktijk dan al voorligt. Dat gaat dus eigenlijk om een bredere discussietafel met de industrie over hoe we dit met elkaar goed gaan regelen in Nederland. Vandaar deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor de verduurzaming van de industrie stabiel langetermijnbeleid en goede samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven noodzakelijk zijn;

overwegende dat er daarom structureel overleg nodig is met wederzijdse verplichtingen om onder andere het tempo van verduurzaming, investeringen, vergunningverlening en de aanleg van infrastructuur op elkaar af te stemmen;

verzoekt de regering een structurele overlegtafel met het bedrijfsleven in te richten om vanuit samenwerking, ondersteuning en wederzijdse verplichtingen te komen tot een succesvolle aanpak van verduurzaming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Peter de Groot en Jumelet.

Zij krijgt nr. 25 (36800-XXIII).

De heer Peter de Groot (VVD):

Voorzitter. Dan afsluitend nog een vraag over de maatwerkafspraken, specifiek over de maatwerkafspraken met Tata Steel, waar ik net met de minister een interruptiedebatje over had. Ik zou nog willen vragen hoe de Kamer verder betrokken wordt bij de uitwerking en wanneer de Kamer daar inspraak op heeft. Ook in relatie tot debatten die wij met elkaar gaan voeren over Tata, zou ik graag duidelijkheid over het tijdspad willen hebben.

De heer Flach (SGP):

Eerder deze week is er een discussie geweest over de uitleg van de passage over vier kerncentrales. Toen zei de heer De Groot dat dat conventionele centrales kunnen zijn of SMR's. Nu hoor ik de heer De Groot toch duidelijk praten over vier grote kerncentrales. Is dat een herziene versie van de uitleg van eerder deze week? Met andere woorden, moeten we het coalitieakkoord zo lezen of is dit de VVD-inzet?

De heer Peter de Groot (VVD):

Volgens mij is de VVD altijd helder geweest. Ik heb dinsdag in het tweeminutendebat onder andere gezegd dat we het staand beleid moeten voortzetten. Dat houdt de bouw van die vier grote kerncentrales in. Aanvullend daarop kunnen SMR's worden ingezet. Dat is eigenlijk wat het is. In de passage in het coalitieakkoord staat natuurlijk dat we ten minste vier kerncentrales gaan realiseren. Het kunnen er ook veel meer zijn.

De heer Flach (SGP):

Dan beluister ik het zo dat het de komende vier jaar de inzet van de heer De Groot is om daarvoor te gaan. Dat zullen we dan blijven volgen.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Van Oosterhout voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid in de tweede termijn.

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de minister bedanken voor haar inzet in de afgelopen tijd. Ook veel dank voor de woorden over de afstand van Groningen naar Den Haag en haar inspanningen op dat punt.

Zoals eerder gezegd komt mijn fractie vandaag met een aantal constructieve klimaatvoorstellen. Wij willen er eigenlijk voor zorgen dat de handrem van dit kabinet er op het punt van het klimaatbeleid af gaat. We doen daarom een aantal reparatievoorstellen. We zien dat er meer punten zijn waarop het coalitieakkoord de goede kant op moet worden getrokken. Daar gaan we de komende tijd graag over in gesprek, maar voor nu heb ik de volgende drie voorstellen.

Ten eerste een extra tender van 1 gigawatt op zee, dit jaar nog. We zijn blij dat de coalitie hier meer in gaat investeren, maar we zijn bang dat dit te laat gaat komen. Het is heel belangrijk dat de sector nu duidelijkheid heeft. Ten tweede een amendement over groene warmte: 160 miljoen euro voor de subsidie Aardgasvrije huurwoningen, zodat geplande projecten niet stilvallen. Ten derde kwamen wij eerder deze week al met een voorstel voor energie-efficiëntie, omdat daar ook nog veel winst te behalen is. We maken Nederland hiermee groener en socialer.

Daarmee moeten we ook dingen laten. Daarom dien ook een motie in over het stoppen van gaswinning op land, want elk nieuw gasveld is er één te veel voor het klimaat, voor de mensen in het Noorden en voor de kwetsbare veenweidegebieden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van belang is om, in lijn met het actieplan wind op zee, in 2026 2 gigawatt wind op zee te tenderen voor een snelle energietransitie, meer energieonafhankelijkheid en het behalen van de klimaatdoelen;

overwegende dat het huidige kabinet onvoldoende middelen hiervoor heeft vrijgemaakt;

overwegende dat het gezien de tendertijdlijn te lang duurt voordat er nieuwe middelen beschikbaar zijn vanuit het nieuwe coalitieakkoord;

verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat het budget in het coalitieakkoord tijdig beschikbaar komt om in 2026 nog een extra gigawatt wind op zee te tenderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout, Jumelet en Klos.

Zij krijgt nr. 26 (36800-XXIII).

Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gaswinning op land leidt tot risico's voor de veiligheid en leefbaarheid van omwonenden, waaronder bodemdaling en aardbevingen;

overwegende dat verdere gaswinning op land moeilijk te verenigen is met de nationale en Europese klimaatdoelstellingen;

overwegende het gebrek aan draagvlak bij lokale en provinciale bestuurders en omwonenden in de gaswinningsgebieden;

verzoekt de regering om gaswinning in de velden op land volledig af te bouwen en niet uit te breiden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosterhout en Teunissen.

Zij krijgt nr. 27 (36800-XXIII).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Vermeer voor zijn inbreng in de tweede termijn namens de BBB. Gaat uw gang.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gemeente Amsterdam een verbod invoert op "fossiele reclame" en reclame voor vleesproducten;

constaterende dat een nationaal verbod juridische onzekerheden bevat;

overwegende dat Nederlanders de overheid niet nodig hebben om keuzes te maken in hun dagelijks leven;

verzoekt de regering geen verbod in te stellen op "fossiele reclame" en reclame voor vleesproducten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 28 (36800-XXIII).

De heer Vermeer (BBB):

Dan heb ik twee moties over de visserij.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ambitie voor wind op zee wordt uitgebreid naar 40 GW;

constaterende dat er steeds minder ruimte overblijft voor Nederlandse vissers;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat een verhoging van de ambitie voor wind op zee concreet betekent voor de Nederlandse visserij voordat volgende stappen worden gezet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 29 (36800-XXIII).

De heer Vermeer (BBB):

Dan heb ik iets over passieve visserij binnen windmolenparken.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in diverse onderzoeken de mogelijkheden voor passieve visserij binnen windmolenparken zijn onderzocht en dat de conclusies hiervan door het ministerie van LVVN zijn overgenomen;

constaterende dat passieve visserij binnen windmolenparken desondanks nog steeds niet mogelijk is, omdat de toegezegde wijziging van de gebiedspaspoorten van de betreffende parken nog niet is doorgevoerd;

verzoekt de regering de wijziging van de gebiedspaspoorten zo spoedig mogelijk door te voeren, zodat passieve visserij binnen windmolenparken mogelijk wordt gemaakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 30 (36800-XXIII).

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter. Dan wil ik het toch nog even hebben over die klimaatzaak over Bonaire. Die uitspraak vraagt ook om bindende doelen, alsof wij hier vanuit Nederland rechtstreeks het zeewaterpeil op Bonaire zouden kunnen beïnvloeden. Maar zelfs al zou dat zo zijn, dan vraagt dat heel veel. Wij willen heel graag dat een hoger beroep ingesteld wordt, zeker na de bestudering van de stukken. Ik wil de minister ook vragen … Ik weet niet precies wat hier de juiste procedure voor is. Dat vraag ik ook aan de voorzitter. Ik wil eigenlijk weten wat de tijdslijn is richting het nemen van een besluit over wel of geen hoger beroep en of daar ook een impactanalyse met hieraan verbonden financiële kaders onderdeel van is. Als dat niet zo is, hoe kunnen wij dan als Kamer — wij zijn hier namelijk budgetverantwoordelijke en controleur van de regering — op tijd de informatie krijgen over wat de impact daarvan zou zijn, bijvoorbeeld als het kabinet niet in hoger beroep gaat? Ik weet niet helemaal wat de beste weg is, voorzitter. Is dit een verzoek dat ik nu aan de voorzitter doe of doe ik dat aan de minister? Het maakt mij eigenlijk ook niet uit aan wie, als het maar gebeurt.

De voorzitter:

U doet een informatieverzoek. Dat recht heeft u. Dus ik stel voor dat de minister dat betrekt bij haar beantwoording in de tweede termijn.

De heer Vermeer (BBB):

Prima. Als laatste wil ik de minister heel graag bedanken. Ik ga haar missen in de debatten. Volgens mij waren we het niet altijd eens, maar ik heb in ieder geval geprobeerd altijd respectvol met haar in debat te gaan. Soms ging dat iets langs de randen van het akkoord, volgens sommige mensen, maar ja, daar zijn randen voor. Daar gebeuren interessante dingen. Dat zie je ook bij de natuurranden. Daar gebeuren de spannendste dingen altijd. Dus dat was interessant. Ik wens de minister veel succes in haar volgende betrekking.

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Vermeer. Het woord is aan de heer Kops voor zijn inbreng namens de Partij voor de Vrijheid in de tweede termijn.

De heer Kops (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de problemen rond netcongestie "vooral worden veroorzaakt door de snelle toename van duurzaam opgewekte energie en het groeiende duurzame-energieverbruik", aldus de minister van Klimaat en Groene Groei;

constaterende dat de regering desondanks 4 miljard aan subsidie beschikbaar stelt voor de bouw van een nieuw windpark op zee;

verzoekt de regering alle subsidies voor en de bouw van nieuwe windturbineparken te stoppen;

verzoekt de regering tevens windturbines waar omwonenden last van hebben en/of ziek van worden af te breken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 31 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens TenneT het hoogspanningsnet in Flevoland, Gelderland en Utrecht zijn maximum heeft bereikt en er een aansluitstop voor huishoudens, midden- en kleinbedrijf en woningbouwprojecten dreigt;

constaterende dat volgens TenneT "krachtige interventies en aanvullende maatregelen noodzakelijk" zijn;

verzoekt de regering onmiddellijk krachtige interventies en aanvullende maatregelen te presenteren teneinde een aansluitstop te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 32 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering sleutelt aan gedifferentieerde nettarieven voor kleinverbruikers;

verzoekt de regering geen gedifferentieerde nettarieven in te voeren, waarbij huishoudens die hun elektriciteitsverbruik niet naar dalmomenten willen of kunnen verplaatsen, worden gestraft met een hoger tarief,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 33 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland in 2020 voor 200 miljoen euro aan "duurzame-energiepapieren" in Denemarken heeft opgekocht om daarmee, in de klimaatstatistieken althans, het doel van 14% duurzame energie te halen;

spreekt uit dat dit niets anders is dan een peperdure boekhoudkundige klimaattruc;

overwegende dat dit opnieuw kan gebeuren;

verzoekt de regering geen cent meer uit te geven aan het opkopen van "duurzame-energiepapieren" in het buitenland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 34 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volgens TenneT de leveringszekerheid van elektriciteit na 2030 onder druk komt te staan, mede door het sluiten van de kolencentrales;

verzoekt de regering de kolencentrales open te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 35 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende de lage vulgraad van de gasvoorraden;

spreekt uit dat óns gas van óns is;

verzoekt de regering de export van gas uit onze voorraden te stoppen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 36 (36800-XXIII).

De heer Kops (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer De Groot.

De heer Peter de Groot (VVD):

Ik sloeg even aan op de motie over de FGU-regio, dus Flevoland, Gelderland en Utrecht. Het is natuurlijk niet mooi wat daar gebeurt, maar de heer Kops verzoekt de regering in zijn motie om met "krachtige interventies" te komen. Ik was eigenlijk benieuwd of de heer Kops zelf ideeën heeft over krachtige interventies die aanvullend zijn op wat wij hier in de Kamer al met elkaar gewisseld hebben.

De heer Kops (PVV):

Ik kan het de heer De Groot laten zien. Dit is het bericht van TenneT zelf, waarin wordt gevraagd om die krachtige interventies en aanvullende maatregelen. We hebben zojuist in het debat al aan de minister gevraagd wat zij nog meer kan doen naast wat zij al doet. Ik kreeg daar eerlijk gezegd niet echt een duidelijk antwoord op, maar in dit stuk van TenneT zelf staan al enkele suggesties. Deze motie van de PVV is bedoeld als aansporing voor de minister om hiermee aan de slag te gaan. Dat is het.

De heer Peter de Groot (VVD):

Mag ik de motie dan als volgt interpreteren? U zegt eigenlijk: voer de maatregelen in die TenneT zelf in het rapport noemt. Ik zou de motie graag willen steunen, dus dit is een oprechte vraag. U wilt de in het rapport benoemde maatregelen graag doorgevoerd zien.

De heer Kops (PVV):

Feitelijk maakt het mij helemaal niet uit welke maatregelen er worden genomen. Ik denk dat de heer De Groot het toch wel met de PVV eens moet zijn dat zo'n aansluitstop te idioot voor woorden is. Dat mag gewoon niet gebeuren. Netcongestie is al jaren een probleem. Al jaren vraagt de PVV — dat wordt ook Kamerbreed gevraagd — aan de regering: doe daar wat aan en zorg ervoor dat bedrijven en woningen aangesloten kunnen worden. Het is de afgelopen tijd niet voldoende gebeurd. En dan krijgen we dit; dan dreigt er een aansluitstop. Dat kan en mag niet gebeuren. Daarom dien ik deze motie in. Het maakt me niet uit, maar zorg ervoor dat de aansluitstop er niet komt.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Kops.

De heer Kops (PVV):

Ik dank u.

De voorzitter:

Meneer Jumelet krijgt het woord voor zijn inbreng in tweede termijn namens het CDA.

De heer Jumelet (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de minister voor het beantwoorden van de vragen die in de eerste termijn en vandaag zijn gesteld. Ook nog complimenten en felicitaties aan collega's Van Oosterhout en Van den Berg voor hun maidenspeech. Het is goed om elkaar ook zo wat beter te leren kennen. Dank daarvoor.

Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat randvoorwaarden en knelpunten in de energietransitie, zoals netcongestie, stijgende netkosten en trage vergunningverlening, in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) wel worden benoemd, maar niet structureel worden geanalyseerd;

overwegende dat inzicht in de oorzaken van deze knelpunten en in mogelijke handelingsperspectieven essentieel is voor de uitvoering en versnelling van de klimaat- en energietransitie;

verzoekt de regering het Planbureau voor de Leefomgeving te verzoeken om in toekomstige edities van de KEV en/of andere publicaties structureel en expliciet aandacht te besteden aan de analyse van randvoorwaarden en knelpunten in de energietransitie, inclusief een duiding van oorzaken en gevolgen;

verzoekt de regering in de beleidsreactie op de KEV expliciet in te gaan op het uit de PBL-analyse voortvloeiende handelingsperspectief,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jumelet, Klos, Peter de Groot, Grinwis en Flach.

Zij krijgt nr. 37 (36800-XXIII).

De heer Jumelet (CDA):

Voorzitter. Een tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat invoering van een invoedingstarief de businesscase van bestaande en nieuwe duurzame energieprojecten, zoals de verdere uitrol van wind op zee, kan verslechteren, terwijl compensatie binnen bestaande subsidieregelingen niet mogelijk is en aanvullend subsidiebudget ontbreekt;

overwegende dat het risico op uitblijvende biedingen voor wind op zee en onbenutte infrastructuur daarmee groot is, met negatieve gevolgen voor het energie- en klimaatbeleid;

verzoekt de regering om de Autoriteit Consument & Markt vriendelijk doch dringend te adviseren deze risico's nadrukkelijk te betrekken bij haar besluitvorming over een invoedingstarief,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jumelet, Peter de Groot, Klos en Grinwis.

Zij krijgt nr. 38 (36800-XXIII).

De heer Jumelet (CDA):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van den Berg voor zijn inbreng in tweede termijn namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Van den Berg (JA21):

Voorzitter, dank. Via deze weg ook mijn felicitaties aan mevrouw Van Oosterhout voor haar maidenspeech. Ik sluit me helemaal aan bij de woorden van de heer Jumelet dat we elkaar op deze manier wat beter leren kennen. Dank aan de minister voor de korte maar toch goede samenwerking. We zien elkaar gauw weer.

Voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gasprijzen voor Nederlandse huishoudens tot de hoogste gasprijzen in de EU behoren en dat belastingen en heffingen een substantieel deel van de energierekening uitmaken;

overwegende dat huishoudens en mkb door netcongestie en beperkte beschikbaarheid van betaalbare alternatieven niet altijd kunnen elektrificeren;

verzoekt de regering om af te zien van verdere verhoging van de energiebelasting op aardgas voor kleinverbruikers totdat de Kamer is geïnformeerd over een uitvoerbaar pad om netcongestie te verminderen en betaalbare alternatieven te ontsluiten;

verzoekt de regering tevens de Kamer vóór verzending van de Voorjaarsnota 2026 een overzicht te sturen van opties om de belastingdruk op de energierekening te verlagen, waaronder energiebelasting, btw en heffingskorting, inclusief budgettaire effecten en doelgerichtheid voor huishoudens en mkb,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.

Zij krijgt nr. 39 (36800-XXIII).

De heer Van den Berg (JA21):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Europese Emissions Trading System (ETS) leidt tot structureel hogere kosten voor energie-intensieve bedrijven;

overwegende dat de Europese energieprijzen aanzienlijk hoger liggen dan die in concurrerende economieën en dat de combinatie met ETS-kosten de Europese industrie competitief benadeelt;

verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor een herbezinning op de werking en effecten van het ETS, en daarbij te pleiten voor het voorkomen van verdere lastenverzwaring voor de Europese industrie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Berg, Hoogeveen en Vermeer.

Zij krijgt nr. 40 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat EU-vulgraadverplichtingen voor gasopslagen de leveringszekerheid dienen maar bij krappe marktomstandigheden prijsopdrijvend kunnen werken;

overwegende dat leveringszekerheid ook kan worden geborgd via alternatieven zoals de kussengasreserve en lng-(import)capaciteit;

verzoekt de regering zich in EU-verband in te zetten voor aanpassing van de EU-verordening over vulgraden, zodat lidstaten meer flexibiliteit krijgen en aantoonbare alternatieven voor leveringszekerheid kunnen meewegen;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe een kussengasreserve en lng-capaciteit (gedeeltelijk) als alternatief kunnen fungeren voor strikte vulgraadverplichtingen, inclusief kosten- en leveringszekerheidseffecten;

verzoekt de regering de potentiële impact van een heffing op de energierekening in kaart te brengen en dit element mee te nemen in de uitwerking van de lagere regelgeving op grond van het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg.

Zij krijgt nr. 41 (36800-XXIII).

De heer Van den Berg (JA21):

Ik dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Flach voor zijn inbreng namens de Staatkundig Gereformeerde Partij in tweede termijn.

De heer Flach (SGP):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat aardwarmte de potentie heeft om in een kwart van de totale verwachte warmtevraag te voorzien (Ontwikkelperspectief duurzame warmtebronnen) en bijdraagt aan ontlasting van het elektriciteitsnet;

overwegende dat TNO aangeeft dat het huidige investeringsklimaat voor aardwarmteprojecten niet spoort met dit ontwikkelperspectief;

overwegende dat de garantieregeling aardwarmte niet opnieuw is opengesteld, omdat de voorwaarden en opzet onvoldoende aansluiten op wat marktpartijen nodig hebben;

overwegende dat een investeringssubsidie beter past bij het kostenprofiel van aardwarmteprojecten en dan minder exploitatiesubsidie (SDE++) nodig is;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het investeringsklimaat voor aardwarmteprojecten verbetert en de combinatie van financiële instrumenten beter gaat aansluiten op het kostenprofiel van aardwarmteprojecten;

verzoekt de regering in aanloop naar de behandeling van de begroting voor 2027 met een voorstel te komen voor stimulering van aardwarmteprojecten, waarin integraal de verschillende instrumenten in de aardwarmteketen worden gewogen, waaronder de garantieregeling aardwarmte, de exploitatiesubsidie SDE++ en een eventuele investeringssubsidie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Vermeer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 42 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat door een tekort aan door de EU erkende verificateurs voor de CBAM-regelgeving verschillende bedrijven gedwongen worden gebruik te maken van standaardwaarden voor de CO2-emissie in de keten in plaats van de werkelijke waarden, waardoor zij met onnodig hoge heffingen geconfronteerd worden;

verzoekt de regering in overleg met betrokken sectoren op korte termijn met een tijdelijke oplossing te komen voor het tekort aan door de EU erkende verificateurs voor de CBAM-regelgeving om onnodig hoge heffingen te voorkomen;

verzoekt de regering om binnen vier maanden te komen met een routekaart voor verificatie van werkelijke emissiewaarden, zodat Nederlandse importeurs duidelijkheid hebben over de kosten bij het schrijven van orders voor 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach, Van den Berg en Grinwis.

Zij krijgt nr. 43 (36800-XXIII).

Dank u wel. Mevrouw Teunissen krijgt het woord voor haar inbreng in de tweede termijn namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Gedragswetenschappers en adviesorganen zoals TNO en PBL beschouwen een verbod op fossiele reclames als een essentiële maatregel voor het beschermen van het klimaat en de volksgezondheid. Deze reclames normaliseren namelijk vervuilend gedrag en ondermijnen het klimaatbeleid. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat fossiele reclames de consumptie van CO2-intensieve producten aanwakkeren;

overwegende dat de gemeenten Amsterdam, Den Haag, Delft, Zwolle en Haarlem onlangs succesvol een verbod op fossiele reclames in de buitenruimte hebben ingevoerd;

verzoekt de regering een wetsvoorstel voor te bereiden voor een landelijk verbod op fossiele reclames in de openbare ruimte,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen, Van Oosterhout en Dassen.

Zij krijgt nr. 44 (36800-XXIII).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Voorzitter. Dan de tweede motie. Die gaat over natuurlijke CO2-opslag. Ik vond de beantwoording daarover vrij teleurstellend, want we hebben in Nederland gewoon veel te weinig bos aangeplant voor de doelen die we hebben gesteld. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Klimaatakkoord 0,4-0,8 megaton CO2-opslag voorschrijft via bos en natuur tot 2030, inclusief 37.000 hectare bosuitbreiding onder de Bossenstrategie, waarvoor tot en met 2030 51 miljoen euro is uitgetrokken;

constaterende dat volgens de laatste Voortgangsrapportage Natuur (2023) slechts zo'n 1.400 hectare bosuitbreiding is gerealiseerd;

constaterende dat in 2023 alleen al 2 miljard euro subsidie is uitgekeerd aan CCS-projecten met een gemiddelde subsidie-intensiteit van €220 per ton CO2-reductie;

constaterende dat veenvernatting en bosaanleg CO2 vastleggen voor €5-€100 per ton CO2-equivalent, en daarmee vele malen kosteneffectiever zijn;

overwegende dat SDE++ momenteel technologische oplossingen subsidieert, maar natuurlijke CO2-opslag uitsluit;

verzoekt de regering SDE++ per 2027 te openen voor natuurlijke CO2-opslag via bosaanplant en veenherstel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Teunissen.

Zij krijgt nr. 45 (36800-XXIII).

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn inbreng in tweede termijn namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank. Ook dank aan de minister.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Amsterdam en Lelystad de facto hyperscale datacenters gebouwd gaan worden, maar dat deze niet vallen onder het huidige verbod c.q. de juridische criteria voor een hyperscale, van én 10 hectare én 70 megawatt;

verzoekt de regering om de huidige juridische criteria voor hyperscale datacenters aan te scherpen en tevens te verkennen welke nieuwe effectieve (wettelijke) voorwaarden gesteld kunnen worden aan datacenters om de groei te beteugelen dan wel te zorgen dat deze actief bijdragen aan het ontsluiten van meer flexibiliteit, teneinde de impact op het net zo veel mogelijk te mitigeren, en de Kamer hierover voor het zomerreces te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Flach, Jumelet, Vermeer en Teunissen.

Zij krijgt nr. 46 (36800-XXIII).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Motie twee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de invoering van ETS2 zorgt voor een lastenverzwaring voor burgers en bedrijven in Nederland tot wel ruim 4 miljard euro per jaar;

overwegende dat voor huishoudens en het mkb milieugerelateerde belastingen in ons land relatief reeds hoog zijn ten opzichte van de ons omringende landen, dat de voorziene compensatie voor ETS2 onvoldoende lijkt om te voorkomen dat het Europese speelveld ongelijker wordt voor bedrijven, en dat energie- en vervoersarmoede onder burgers toeneemt;

verzoekt de regering om de nettolastenverzwaring voor burgers en bedrijven door ETS2 te monitoren, daarbij in te gaan op de gevolgen en eventuele oplossingen voor burgers en bedrijven/sectoren die relatief hard worden geraakt, en de Kamer hierover jaarlijks te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Flach.

Zij krijgt nr. 47 (36800-XXIII).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De laatste gaat over de dreigende aansluitcrisis.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vanaf komende zomer een aansluitstop voor kleinverbruikers dreigt in de provincies Flevoland, Gelderland en Utrecht, met potentieel grote maatschappelijke gevolgen, zoals voor woningbouw;

spreekt uit dat een aansluitstop voor huishoudens, bedrijven en woningbouwprojecten voorkomen dient te worden;

verzoekt de regering in de aangekondigde crisisaanpak om in Flevoland, Gelderland en Utrecht te voorkomen dat er een aansluitstop voor kleinverbruikers komt, gemeenten en provincies actief terzijde te staan, en ieder kwartaal de Kamer te informeren over de aanpak en voortgang;

verzoekt de regering tevens om voor de Voorjaarsnota de Kamer inzicht te geven in het benodigde budget en de operationele capaciteit voor het beter ontsluiten van flexibiliteit op het stroomnet, onder andere door afspraken met de industrie (Flex-e XL), zodat nieuwe aansluitingen voor woonwijken, ziekenhuizen en bedrijven mogelijk kunnen worden gemaakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Flach, Jumelet, Vermeer, Klos en Peter de Groot.

Zij krijgt nr. 48 (36800-XXIII).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Dassen voor zijn inbreng namens Volt in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik wens haar veel succes in haar nieuwe rol vanaf — wanneer is het? — 25 februari. Nee, 23 februari.

Voorzitter. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland achterloopt op het Europese doel van 15% interconnectiecapaciteit in 2030 en dat een geïntegreerd Europees stroomnet, zoals ook benadrukt in het Draghirapport, cruciaal is voor de energietransitie, terwijl investeringen in grensoverschrijdende verbindingen achterblijven;

overwegende dat een sterker Europees stroomnet nodig is voor hernieuwbare energie, minder netcongestie en grotere leveringszekerheid;

verzoekt de regering versneld te investeren in grensoverschrijdende hoogspanningsverbindingen en actief gebruik te maken van het instrument Connecting Europe Facility for Energy,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Grinwis.

Zij krijgt nr. 49 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Britse veiligheidsdiensten klimaatverandering en biodiversiteitsverlies hebben onderzocht en waarschuwen voor grensoverschrijdende veiligheidsrisico's zoals natuurrampen, voedsel- en wateronzekerheid, ziekten, migratie en geopolitieke spanningen;

overwegende dat een gecoördineerde Europese aanpak nodig is om deze risico's in kaart te brengen en aan te pakken;

verzoekt de regering de Nederlandse veiligheidsdiensten een vergelijkbare risicoanalyse te laten uitvoeren, dit onderwerp bij Europese collega's te agenderen met als doel een gecoördineerd Europees onderzoek, en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen, Teunissen en Klos.

Zij krijgt nr. 50 (36800-XXIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat CO2-verwijdering, met name via direct air capture (DAC) en direct ocean capture (DOC), een noodzakelijke aanvulling is op emissiereductie om klimaatdoelen te halen;

constaterende dat opschaling van direct air capture en direct ocean capture in Nederland achterblijft door gebrek aan marktvraag en investeringszekerheid, terwijl andere landen publieke inkoopprogramma's ontwikkelen;

overwegende dat een stabiele vraag en duidelijke kwaliteitseisen nodig zijn voor innovatie en opschaling;

verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een meerjarig publiek inkoopprogramma voor direct air capture en direct ocean capture, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Jumelet.

Zij krijgt nr. 51 (36800-XXIII).

De heer Dassen (Volt):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Dassen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer.

De voorzitter:

Ik schors voor een kort ogenblik, want er is sprake van een korte regeling van werkzaamheden. Daarna ga ik schorsen voor de lunchpauze, zodat de minister haar beantwoording kan voorbereiden. Na de lunchschorsing hebben we allereerst de stemmingen en daarna gaan we verder met de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik schors een enkel ogenblik.

Extra Regeling van werkzaamheden

Extra Regeling van werkzaamheden

Extra Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan mevrouw Rajkowski voor een verzoek tijdens een korte regeling van werkzaamheden.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dank, voorzitter. Deze regeling van werkzaamheden is er, omdat de VVD, ook namens de SGP, graag zou willen voorstellen om vanmiddag aan de stemmingslijst de stemmingen over de wet over biometrische gegevens toe te voegen.

De voorzitter:

Ik kijk of daar steun voor is.

De heer Boomsma (JA21):

Steun.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Wij steunen dat. Er is veel te doen geweest over deze wet de afgelopen twaalf uur. We hebben de mondelinge toezegging dat de nieuwe bewindspersoon, de nieuwe staatssecretaris, zo snel mogelijk met een nieuwe wet komt. Ik ga ervan uit dat het nieuwe kabinet daar dan vaart mee maakt. Ik hoop dat we die dan voor de zomer toegestuurd zullen krijgen.

De heer Russcher (FVD):

Steun voor het verzoek.

De heer Klos (D66):

Steun.

Mevrouw Lammers (Groep Markuszower):

Steun.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Geen steun.

De heer Vermeer (BBB):

Steun.

De heer Dassen (Volt):

Geen steun.

De heer Kops (PVV):

Steun.

De heer Jumelet (CDA):

Steun, voorzitter.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Steun.

De voorzitter:

Er is steun voor het voorstel. Dan voegen wij dat toe aan de stemmingslijst. Ik schors de vergadering tot 14.15 uur. Dan gaan we eerst stemmen en vervolgens door met de beantwoording van de minister in de tweede termijn.

Stemming Wet werkelijk rendement box 3

Stemming Wet werkelijk rendement box 3

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (36748).

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de stemming in verband met de Wet werkelijk rendement box 3 (36748). Hedenochtend heeft de Kamer reeds over de ingediende amendementen en de artikelen gestemd. Het wetsvoorstel komt nu in stemming, maar eerst is er een aantal stemverklaringen. Als eerste geef ik het woord aan de heer Hoogeveen voor zijn stemverklaring namens JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):

Voorzitter. Box 3 moet worden hervormd. Het huidige stelsel is juridisch wankel, maar de keuze van het kabinet voor een vermogensaanwasbelasting is wat JA21 betreft fundamenteel verkeerd. Dit systeem belast papieren winsten, corrigeert niet voor inflatie, is complex en vergroot onzekerheid voor belastingbetalers. Die zorgen worden breed gedeeld. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, het Register Belastingadviseurs en de Raad van State waarschuwen voor problemen met uitvoerbaarheid en rechtszekerheid en voor een toename van procedures. Dit systeem wordt in deze vorm nergens ter wereld toegepast.

Toch heeft JA21 constructief meegedacht over het beter maken van een slechte wet. Wij kwamen onder andere met voorstellen voor achterwaartse verliesverrekening, zodat belastingteruggave mogelijk wordt na een jaar met negatief rendement. Deze correctie was essentieel voor een eerlijker systeem, dat werkelijk rendement wil belasten.

Nu vanmorgen bij de stemmingen al onze amendementen zijn verworpen, is het oordeel van JA21 dat deze wet niet voldoet aan het uitgangspunt om werkelijk behaald rendement te belasten. Wij zullen dus tegen deze wet stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Grinwis krijgt het woord voor zijn stemverklaring.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Voor of tegen de Wet werkelijk rendement box 3: dat is een waar dilemma voor de ChristenUniefractie. Mensen met geld mogen immers best naar vermogen bijdragen. De vrucht belasten in plaats van de boom klinkt na alle box 3-ellende van de afgelopen jaren aantrekkelijk. Alleen, de manier waarop in het wetsvoorstel, waar we nu over gaan stemmen, het werkelijk rendement belast gaat worden, is iets waar mijn fractie ernstige bedenkingen bij heeft.

Ten eerste zijn bijna 1.000 ambtenaren nodig om de belasting te innen en leggen we 1,6 miljoen huishoudens uitgebreide administratieve verplichtingen op. Maar een eenvoudige vermogensbelasting als alternatief, die goed uitvoerbaar is plus aantrekkelijk om investeringen aan te jagen, was onbespreekbaar.

Twee. Over vermogensaanwas versus vermogenswinst is veel gezegd. Maar de aanwasbelasting werd een brug te ver na het verwerpen van het amendement-Hoogeveen vanochtend, waardoor verliezen niet netjes verrekend kunnen worden. En dan heb ik het nog niet eens over de verworpen mooie amendementen van de ChristenUnie.

Ten derde noem ik de knoet van de budgetneutraliteit, die een zorgvuldige stelselwijziging onmogelijk maakt, ook volgens de Raad van State. Door daarbij alleen te focussen op box 3 en niet op ander vermogen, zoals erfenissen of de hypotheekrenteaftrek, doen we de mensen die sparen en beleggen in box 3, tekort.

Daarom zal mijn fractie tegen de Wet werkelijk rendement box 3 stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Grinwis. Het woord is aan meneer Stoffer voor zijn stemverklaring namens de Staatkundig Gereformeerde partij. Ook de heer Vermeer komt zeker nog aan de beurt.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. De SGP pleit al jarenlang voor een eerlijke heffing op vermogen: een heffing op basis van werkelijk rendement. Die is er nu niet. Het stelsel is op dit moment onrechtvaardig. Mensen betalen nu belasting over geld dat ze eigenlijk helemaal niet hebben. Het huidige stelsel is onhoudbaar. Het wetsvoorstel dat voorligt, lijkt een stap in de goede richting, maar dat is het niet, want er zitten te veel haken en ogen aan en de uitwerking pakt in veel gevallen negatief uit. Ik noem onder andere de positie van verpachte landbouwgronden, familiebedrijven, kleine beleggers, eigenaren van vakantiewoningen, en ik zou nog een hele tijd zo door kunnen gaan. Daar komt bij dat een aantal verbetervoorstellen deze ochtend helaas niet zijn aangenomen. Ten slotte ziet het aanstaande kabinet de voorliggende wet als tussenstap richting een stelsel op basis van vermogenswinst. De SGP wil geen halfbakken tijdelijke tussenstap; we willen naar een eerlijk en houdbaar stelsel. Alles overwegend — u voelt het aankomen — zal de SGP tegen deze wet stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Vermeer voor zijn stemverklaring namens de BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter. Dit box 3-voorstel is een eerste stap naar het eerlijker belasten van daadwerkelijke opbrengsten van vermogen. Deze wet stopt hopelijk het verder verkopen van huurwoningen, wat nu zorgt voor een nóg lager aanbod voor huurders. We komen met deze wet langzaam uit de klem van gerechtelijke uitspraken, maar dit gaat niet ver genoeg. BBB wil alleen belasting op daadwerkelijk gerealiseerde winst, zoals ook de coalitie al heeft toegezegd. Dit voorliggende wetsvoorstel leidt daarnaast tot extra belastingafdrachten bij kleine vermogens, en dat alleen vanwege begrotingsregels die het kabinet zelf ook niet hanteert voor haar eigen keuzes. Wijzigingsvoorstellen die de wet draagbaarder zouden maken, zijn helaas vanmorgen weggestemd. Daarom stemt BBB tegen deze wet.

De voorzitter:

Dank u wel.

In stemming komt het wetsvoorstel, zoals op onderdelen gewijzigd door de aanneming van het amendement-Inge van Dijk (stuk nr. 11).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA en de VVD voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

Stemmingen moties Voorhang wijziging Postbesluit 2009

Stemmingen moties Voorhang wijziging Postbesluit 2009

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Voorhang wijziging Postbesluit 2009,

te weten:

  • de motie-Prickaertz over vasthouden aan de ingangsdatum van 1 januari 2029 (35423, nr. 17);
  • de motie-Prickaertz over vasthouden aan de norm van 95% bezorgbetrouwbaarheid bij D+3 (35423, nr. 18);
  • de motie-Kisteman c.s. over waarborgen voor regionale postbedrijven voor toegang tot het landelijke netwerk (35423, nr. 19);
  • de motie-Jimmy Dijk over vasthouden aan de verplichting van vijfdaagse bezorging (35423, nr. 20);
  • de motie-Jimmy Dijk over werken aan een post- en pakketsector die gezamenlijk en integraal de post organiseert (35423, nr. 21).

De voorzitter:

Er is een stemverklaring van de heer Jimmy Dijk namens de SP. Hij krijgt het woord.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik zou graag een stemverklaring willen geven bij de motie op stuk nr. 19 van de heer Kisteman. Die gaat over het waarborgen van regionale postbedrijven voor de toegang tot het landelijk netwerk. Dat gaat over de 4.500 postbezorgers die daar aan het werk zijn. Het is geen oplossing om marktwerking in de postsector heel lang in stand te houden. Deze mensen doen fantastisch werk en dat horen ze ook te kunnen doen met de zekerheid dat er één centraal postbedrijf in ons land is dat efficiënt werkt, in plaats van dat deze mensen met heel veel verschillende soorten busjes, fietsen, karren en noem het maar op door onze straten heen broezen. Laten we er dus voor zorgen dat we één groot postbedrijf vormen. Daarvoor heb ik zelf de motie op stuk nr. 21 ingediend. Dat is een stuk beter dan deze mensen de schijnzekerheid te geven van regionale postbedrijven.

De voorzitter:

Dank u wel.

In stemming komt de motie-Prickaertz (35423, nr. 17).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, de PvdD, DENK, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Prickaertz (35423, nr. 18).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, de PvdD, DENK, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kisteman c.s. (35423, nr. 19).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21 en Groep Markuszower voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk (35423, nr. 20).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, de PvdD, DENK, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jimmy Dijk (35423, nr. 21).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, BBB, Groep Markuszower en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemming Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken

Stemming Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter bestendiging van de bevoegdheid om biometrische gegevens van vreemdelingen af te nemen en te verwerken (36859).

In stemming komt het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

Dat waren de stemmingen. Ik schors een enkel ogenblik. Daarna gaan we over naar de tweede termijn van de zijde van het kabinet bij de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Dan is aan de orde de regeling van werkzaamheden.

Op verzoek van het lid Kathmann stel ik voor haar motie op stuk nr. 1172 (21501-33) opnieuw aan te houden.

Ik stel voor dinsdag 3 maart aanstaande ook te stemmen over:

  • de aangehouden motie-Kathmann c.s. (21501-33, nr. 1172);
  • de aangehouden motie-Heutink c.s. (36800-XX, nr. 36);
  • de aangehouden motie-Coenradie c.s. (36800–VI, nr. 106).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/927 tot wijziging van de Richtlijnen 2011/61/EU en 2009/65/EG wat betreft delegatieregelingen, liquiditeitsrisicobeheer, toezichtrapportage, verlening van bewaar- en bewaarnemingsdiensten en leninginitiëring door alternatieve beleggingsfondsen (Implementatiewet gewijzigde AIFM-richtlijn en icbe-richtlijn) (36833);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen (36836);
  • het wetsvoorstel Uitvoering van verordening (EU) 2022/1031 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juni 2022 over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit derde landen tot de aanbestedings- en concessiemarkten van de Unie en procedures ter ondersteuning van onderhandelingen over toegang van ondernemers, goederen en diensten uit de Unie tot de aanbestedings- en concessiemarkten van derde landen (Instrument voor Internationale Overheidsopdrachten – IIO) (PbEU 2022, L 173) (36810).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda het tweeminutendebat (groot project) PALLAS (CD d.d. 11/02), met als eerste spreker het lid Ten Hove van de Groep Markuszower.

Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 2026Z00814; 31305-530; 33335-25; 30420-439; 32827-378; 30234-436; 30234-435; 30234-434; 30234-429; 30234-430; 30234-431; 30234-433; 30234-432; 30234-412; 30234-426; 30234-427; 32849-293; 32849-294; 32849-296; 32849-295; 2026Z02499; 36800-XX-5; 32239-12; 32175-71; 31765-811; 31839-944; 31765-814; 31765-837; 31839-969; 34907; 29689-1227; 29689-1236; 29689-1254; 29689-1255; 29689-1203; 29689-1200; 36800-XX-8; 36800-VII-7; 21501-34-451; 21501-20-2363; 36723-6; 30821-327; 21501-30-685; 33118-317; 2026Z02424; 31839-1146; 25295-2238; 2026Z01636; 36600-VII-137; 26643-1397; 26643-1334; 26643-1331; 32761-319; 26643-1456; 22343-437; 28684-819; 29893-284; 29628-1303; 26643-1455; 30950-508; 24557-277; 24557-280; 31865-293; 36850-VI-3; 36800-VI-23; 28684-818; 24587-919; 22112-4203; 22112-4249; 33626-36; 33626-35; 33626-32; 33626-31; 33626-33; 33626-30; 33626-29; 33626-28; 33626-25; 33626-26; 34541-16; 34931-12; 34931-13; 32429-35; 31765-953; 31765-936; 36800-VIII-13; 30420-438; 27923-517; 26643-1446; 32820-562; 36800-VIII-21.

Aangezien voor de volgende stukken de termijnen zijn verstreken, stel ik voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen: 31839-946; 30234-380; 31332-110; 36723-5; 28286-1414; 28286-1412; 31532-304; 36800-L-6; 31524-688; 35574-30; 35423-15.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Dan is nu aan de orde de tweede termijn van de zijde van het kabinet bij de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Hermans:

Voorzitter, dank. Ik had nog een paar vragen. Daarna zal ik overgaan tot de appreciatie van de moties.

Eerst was er de vraag van de heer Vermeer over wanneer hij het antwoord kan verwachten op zijn vragen over de Greenpeace-uitspraak in de zaak-Bonaire. Ik heb begrepen dat eergisteren een twintigtal vragen is binnengekomen bij het ministerie. Die worden nu beantwoord, maar daarvoor geldt, zoals de heer Vermeer weet, een termijn van drie weken. Die zullen we dus ook gebruiken. Als het nodig is, zullen we natuurlijk een uitstelbericht naar de Kamer sturen.

De heer Vermeer (BBB):

Ik ken de termijnen, maar dit was met name in relatie tot de hogerberoeptermijn die er is.

Minister Hermans:

Die vraag komt nu. De heer Vermeer vroeg hoe die procedure er in de planning uitziet. Wij moeten binnen drie maanden besluiten of er wordt overgegaan tot het instellen van hoger beroep, dus dat past binnen de termijn om de vragen van de heer Vermeer te beantwoorden. Ik zeg er wel bij dat het vonnis bij voorraad uitvoerbaar is, dus ongeacht het hoger beroep. We kijken nu dus goed naar de impact van het vonnis, ook bij de keuze voor de uitvoering van het vonnis. Dat zal allemaal naast elkaar lopen. Maar de vragen komen eerst. Het hoger beroep komt later en het vonnis is dus bij voorraad uitvoerbaar.

De heer Van den Berg (JA21):

Dit is een beetje een vraag aan de voorzitter, maar ook aan de minister. Is het mogelijk voor de Kamer om nog een opdracht mee te geven inzake wat we gaan doen met die zaak, bijvoorbeeld om de minister de opdracht te geven om wel in hoger beroep te gaan?

De voorzitter:

Dat is een vraag aan de minister.

Minister Hermans:

Ik interpreteer het nu even als vraag of ik in hoger beroep ga. Ik heb gezegd dat wij dat nu bestuderen. De afweging of dat zal gebeuren is aan een volgend kabinet. Wat de Kamer verder aan opdrachten geeft aan het kabinet, bij motie of in andere vormen, is aan de Kamer.

De voorzitter:

U continueert.

Minister Hermans:

Voorzitter. Dan de datacenters. Ik geloof dat het mevrouw Teunissen was die nog even iets vroeg over de verbodsbepaling en de vergunning. Ik heb dat nog even gecheckt, maar in dit specifieke geval is de vergunning verleend voordat de verbodsbepaling inging. Dat was ook nog eens voordat het hele netcongestieprobleem in z'n volle omvang bekend werd. Dat neemt niet weg dat alles blijft staan wat ik in de richting van de heer Grinwis heb gezegd. Ik kom daar zo bij zijn motie ook nog op terug. Maar dit is even hoe het in de tijd is gegaan.

Voorzitter. Dan een vraag van de heer De Groot over de maatwerkafspraak of, zoals ik eigenlijk moet zeggen, de betrokkenheid van de Kamer bij de verdere uitwerking en totstandkoming van de maatwerkafspraak met Tata Steel. In september heeft het kabinet de joint letter of intent met Tata Steel ondertekend. Dat zijn de contouren van de definitieve maatwerkafspraak. Over deze JLoI staat nog een debat tussen Kamer en kabinet gepland. Bij dat debat kan de Kamer natuurlijk op allerlei mogelijke manieren ingaan op de inhoud, alsmede meningen en opvattingen geven over de inhoud van de JLoI en daar al dan niet mee instemmen of er aanvullende opmerkingen bij meegeven. Dat is echt het moment om als Kamer nog uitspraken te doen ten aanzien van de uitwerking. Als uit dat debat instemming volgt om verder te kunnen met de JLoI, dan vindt de verdere uitwerking plaats. Het uiteindelijke onderhandelingsresultaat en het sluiten van de maatwerkovereenkomst met Tata zijn dan ook onder voorbehoud van goedkeuring door de Kamer, die dan ook nog ja of nee kan zeggen tegen die afspraak. Dat is even hoe het proces eruitziet. Op de inhoud is dus vooral het debat over de JLoI belangrijk, omdat wij vanuit daar verder werken aan de uitwerking.

Voorzitter. Dan kom ik bij de moties. Ik begin met de motie op stuk nr. 21 van de heer Klos over de overgehevelde niet-bestede middelen uit het Klimaatfonds. Ik heb daar in het debat een aantal opmerkingen over gemaakt. Ik begrijp ook de gedachte erachter en het verzoek dat de heer Klos met deze motie doet. Mijn vraag aan de heer Klos is of hij deze motie zou willen aanhouden. Zij is eigenlijk ontijdig, omdat het nieuwe kabinet natuurlijk nog afspraken hierover moet maken. Ik zie in de motie het verzoek om er bij de Miljoenennota op terug te komen. Dat is dan aan het nieuwe kabinet. Ik zou dus willen vragen om de motie even aan te houden totdat daar meer over bekend is.

De voorzitter:

Is de heer Klos daartoe bereid?

De heer Klos (D66):

Ja, als we daar direct na het constituerend beraad over kunnen stemmen, is dat prima. Ja.

De voorzitter:

Daar gaat u zelf over.

De heer Klos (D66):

Nou, dan doe ik dat.

De voorzitter:

Dan doen we dat voorlopig.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 22 van de heer Klos en een aantal anderen, over de briefing over klimaatveiligheid, geef ik oordeel Kamer. Het is misschien goed om wel te benadrukken dat de diensten natuurlijk een eigen bevoegdheid hebben, maar ik kan altijd het verzoek doen tot zo'n briefing. Ik begrijp ook waar het verzoek vandaan komt, dus dat zullen we doen. Oordeel Kamer dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 23.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 23 van de heer Köse over het afbouwpad van gaswinning op land krijgt oordeel Kamer. We hebben natuurlijk de EBN-analyse die bij het sectorakkoord zit. De afspraak is ook dat die jaarlijks geactualiseerd zal worden. Er zal dus ook jaarlijks meer duidelijkheid komen over het afbouwpad. Dat gebeurt ook in gesprek met de bedrijven. Zoals ik in mijn beantwoording aangaf, vraagt de uitvoeringsagenda om met de sector in gesprek te blijven. De uitvoeringsagenda geeft die opdracht ook. Op die manier kan ik invulling geven aan deze motie en geef ik 'm oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 24.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 24 van de heren De Groot en Jumelet, die gaat over op het gebied van kerncentrales zo veel mogelijk de omkeerbare werkzaamheden in gang zetten, krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 25.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 25 over de structurele overlegtafel. Daarbij blijf ik benadrukken dat de tafel er niet voor de tafel is. Als ik het mag interpreteren als dat we even bekijken wat er nou aan bestaande tafels is — dat betreft ook die nieuwe sectortafel die net in het leven is geroepen — en dat op een goede manier inrichten, kan ik deze motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De tafel is niet de tafel, meneer De Groot.

De heer Peter de Groot (VVD):

Het mag ook "kring" heten; het hoeft niet per se "tafel" te heten. Dat is helder.

De voorzitter:

Heel goed. We geven het ter overweging mee aan de minister.

Minister Hermans:

Ik neem het in overweging en ik neem het natuurlijk mee in de overdracht. Dan kom ik op de motie over het versnellen van het groene alternatief of het budget voor de tweede tender wind op zee. Als ik het mag lezen als dat ik de voorbereidingen tref of de opties in kaart breng voor een volgend kabinet — dat kan ik doen — kan ik de motie op stuk nr. 26 oordeel Kamer geven, maar de echte besluitvorming en de financiële kant daarvan zijn natuurlijk aan een volgend kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 27 van mevrouw Van Oosterhout en mevrouw Teunissen over de gaswinning in de velden op land volledig afbouwen en niet uitbreiden. We hebben daar heel veel over gewisseld in het debat, dus onder verwijzing daarnaar ontraad ik de motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 28.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 28 van de heer Vermeer, die de regering verzoekt géén verbod in te stellen op fossiele reclame en reclame voor vleesproducten. Zo meteen komt er nog een motie die eigenlijk het tegenovergestelde vraagt. Deze motie ga ik ontraden. Een nationaal verbod op de fossiele reclame en de reclame voor vleesproducten is niet aan de orde. Ik heb uitgelegd waarom. Wat lokaal gebeurt, gebeurt lokaal. Ik ontraad deze motie.

De heer Vermeer (BBB):

Als de minister van plan is precies te doen wat hier staat, kan ze 'm toch gewoon overnemen? Dan kan het oordeel nooit ontraden zijn.

Minister Hermans:

Het is niet aan de orde. Ik heb in het debat uitgelegd wat voor mij de afwegingen zijn om hiertoe niet over te gaan. Daarmee is het voor mij niet aan de orde. Ik ga het niet doen. Punt.

De heer Vermeer (BBB):

De motie vraagt precies om het niet te gaan doen. De minister zegt dat het niet aan de orde is en wij stellen ook voor dat het niet aan de orde is, dus …

Minister Hermans:

Nou, dan zou je ook kunnen zeggen dat de motie overbodig is.

De voorzitter:

Hoho, de heer Vermeer was nog aan het woord.

Minister Hermans:

Excuus, voorzitter, excuus.

De heer Vermeer (BBB):

… dan kan de minister toch niets anders doen dan die motie overnemen?

Minister Hermans:

Dan is de motie hierbij overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 28 krijgt het oordeel overbodig.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 29 verzoekt de regering in kaart te brengen wat de gevolgen van een verhoging van de ambitie voor wind op zee betekenen voor de Nederlandse visserij voordat volgende stappen worden gezet. Deze motie is ook overbodig, want bij het vaststellen van windenergiegebieden op de Noordzee in het Programma Noordzee brengt het kabinet de gevolgen in kaart voor de andere belangen op de Noordzee, waaronder die van de visserij.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 29 is overbodig. Ik denk dat mevrouw Teunissen nog een vraag heeft over de motie op stuk nr. 28.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Ja, dat klopt. De minister gaat natuurlijk over de appreciatie, maar het verbaast mij wel dat de motie eerst wordt ontraden en vervolgens overbodig wordt verklaard. We hebben hier schriftelijke vragen over gesteld. Het kabinet zegt: er komt nog een maatregelenpakket aan voor hoe we de gedragsverandering gaan aanpakken en daar nemen we dit ook in mee. Dan kun je toch niet zeggen dat dit overbodig is? Want dan zeg je eigenlijk: dat doen we al. Maar dat is gewoon niet in lijn met het beleid op dit moment.

Minister Hermans:

Ik heb meermaals uitgelegd wat voor mij de overweging is om niet over te gaan tot het instellen van een verbod. Daar hoeft van mij — dat zeg ik persoonlijk — niet nog een motie bij die dat nog een keer benadrukt. Daarom zei ik in eerste instantie "ontraden", maar je kunt het ook "overbodig" noemen. Ik weet dat mevrouw Teunissen een andere mening is toegedaan over dit verbod. Zij vindt dat het er wel zou moeten komen. Ik heb nooit gezegd dat het niet zou kunnen of dat ik het voor de toekomst altijd uitsluit. Dit is echt aan een volgend kabinet. Ik ga het op dit moment niet doen.

Mevrouw Teunissen (PvdD):

Met deze motie van de heer Vermeer wordt wel degelijk een verbod uitgesloten. Dat is gewoon niet de kabinetslijn op dit moment. In de beantwoording van de vragen door de minister lees ik dat het een optie is. Het wordt niet uitgesloten.

Minister Hermans:

Dit is de lijn van dit kabinet. Wij gaan het niet instellen. Het is overbodig om mij nog een keer op te roepen om het niet in te stellen. Over anderhalve week zit er een nieuw kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 30.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 30 verzoekt de regering de wijziging van de gebiedspaspoorten zo spoedig mogelijk door te voeren, zodat passieve visserij binnen windmolenparken mogelijk wordt gemaakt. Ook die motie is overbodig, want het ministerie van IenW stelt gebiedspaspoorten op nadat het inrichtingsplan van windparken bekend is. Dat bepaalt waar windturbines komen te staan en dan is ook duidelijk waar medegebruiksactiviteiten kunnen plaatsvinden.

De voorzitter:

Een korte interruptie van meneer Vermeer.

De heer Vermeer (BBB):

Wij krijgen van de sector en van onderzoekers signalen dat het hele proces rondom die gebiedspaspoorten al anderhalf jaar stilligt, terwijl die windparken er wel zijn. Ik wil de minister heel graag vragen om een brief toe te zeggen waarin zij nader ingaat op het proces van passieve visserij rondom wind op zee, de gebiedspaspoorten en de verantwoordelijkheden van de ministers van KGG, LVVN en IenW. Als zij dat toezegt, dan wil ik de motie intrekken.

De voorzitter:

Kunt u dat toezeggen, mevrouw de minister?

Minister Hermans:

Prima. Dat is goed.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Vermeer (36800-XXIII, nr. 30) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

De voorzitter:

Dan gaan we nu naar de motie op stuk nr. 31.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 31 van de heer Kops bevat een aantal verzoeken ten aanzien van wind op land en zee. Onder verwijzing naar wat ik allemaal heb gezegd over het belang van wind op zee en land ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 32.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 32 verzoekt mij om onmiddellijk krachtige interventies en aanvullende maatregelen te presenteren naar aanleiding van de berichtgeving van TenneT van vandaag. We zullen in samenwerking met de netbeheerders en de provincies alles op alles zetten om een aansluitstop te voorkomen, dus: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 32 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 33.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 33 verzoekt om geen gedifferentieerde nettarieven in te voeren. U vraagt mij net om krachtige interventies om het probleem in de FGU-regio aan te pakken. Een van de dingen die TenneT en de netbeheerders zeggen, is: kijk naar gedifferentieerde tarieven om echt wat te kunnen doen in de piek. Deze motie moet ik dus echt ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 33 wordt ontraden.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 34 verzoekt om geen geld meer uit te geven aan het opkopen van duurzame-energiepapieren in het buitenland. Dit is nu niet aan de orde. Zoals ik ook in het debat zei, gaat het nu niet over een bindende doelstelling. Deze motie zal ik dus ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 34 wordt ontraden.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 35 over het openhouden van de kolencentrales ontraad ik ook, want dan zouden we terugkomen op een bestaande gemaakte afspraak.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 36.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 36 verzoekt de regering om de export van gas uit onze voorraden te stoppen. Die motie moet ik ook ontraden. Dat is in strijd met de regelgeving.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 37.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 37 van de heer Jumelet verzoekt om in de KEV expliciet in te gaan op het uit de PBL-analyse voortvloeiende handelingsperspectief. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik ben met het PBL in gesprek om tot aanpassing van de KEV te komen, zodat we meer zicht hebben op de transitie voor de lange termijn en de randvoorwaarden. Dit vraagt natuurlijk ook wel weer iets van de ruimte in het werkprogramma van het PBL. Als er iets bij komt, moet er ook iets af. Het PBL zal ook expertise van andere partijen nodig hebben, maar ik lees de motie zo dat ik de ruimte heb om het gesprek ook op die manier met het PBL te voeren. Dus oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 38.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 38, ook van de heer Jumelet, verzoekt om nog een keer met de ACM in gesprek te gaan of haar in ieder geval dringend te adviseren om de risico's van het invoedingstarief nadrukkelijk bij de besluitvorming te betrekken. Wij voeren dat gesprek. ACM is zich ook bewust van de mogelijke risico's en gevolgen. Er liggen ook nog Kamervragen hierover die ik zo snel mogelijk zal beantwoorden, maar de motie kan ik verder oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 38: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 39.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 39, van de heer Van den Berg, moet ik ontraden. Het is echt aan een volgend kabinet om besluiten te nemen over de energierekening. In de begroting voor 2026 zijn stappen gezet om wat te doen aan die rekening.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 40.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 40, ook van de heer Van den Berg ...

De heer Van den Berg (JA21):

Toch een verhelderende vraag aan de minister over de vorige motie. Dat het aan een volgend kabinet is om te besluiten wat we gaan doen met de energiebelasting: enfin, daar kan ik nog in meegaan. Maar deze motie vraagt om een overzicht te sturen van opties om de belastingdruk te verlagen, niet om die daadwerkelijk te gaan verlagen. Dan kan een volgend kabinet die opties meenemen.

Minister Hermans:

Volgens mij zijn er in heel veel documenten al heel veel opties gewisseld over wat er aan de elektriciteitskosten kan worden gedaan. Dus ik vind het een beetje overbodig en eerlijk gezegd ook zonde van de tijd om dat nu weer apart op een rij te gaan zetten.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 40.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 40, ook van de heer Van den Berg, gaat over een herbezinning op de werking en de effecten van het ETS en pleit voor het voorkomen van verdere lastenverzwaring voor de Europese industrie. De versterking van het concurrentievermogen en de verduurzaming gaan hand in hand. Dat staat ook in het rapport van Draghi, waar we het vaak met elkaar over gehad hebben. Het afzwakken van ETS helpt dus niet. Het is nu belangrijk dat we goed kijken naar de voorstellen die uit de Clean Industrial Deal komen, onder andere de groene marktcreatie. Dus ik ontraad deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 40: ontraden. Dan de motie op stuk nr. 41.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 41 doet een aantal verzoeken ten aanzien van een kussengasreserve en meer flexibiliteit ten aanzien van de vulgraden. Deze motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 41: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 42.

Minister Hermans:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 42 van de heer Flach: daar kan ik een heel eind in meegaan. Het enige is dat ik niet kan toezeggen om het te doen binnen de gestelde deadline, namelijk voor de begroting van 2027. Ik zal me er wel voor inspannen dat het na de zomer komt. Als de heer Flach dat goed vindt, dan krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik kijk of dat het geval is.

De heer Flach (SGP):

Eén vraag daaraan voorafgaand: komt dat omdat de minister niet meer voor haar opvolger kan beslissen of is het gewoon überhaupt niet mogelijk om dat voor de begroting te doen?

Minister Hermans:

Het zit in de procedure voor het aanvragen van adviezen over wat je al dan niet in de SDE++ kunt verwerken.

De heer Flach (SGP):

Ik houd het in overweging. Ik laat het nu even staan. Ik kijk even naar een eventuele aanpassing.

De voorzitter:

Dan wordt de motie in de huidige vorm ontraden, denk ik.

Minister Hermans:

Ja, vanwege die deadline in dat derde verzoek.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 43.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 43, van de heer Flach, met een routekaart voor verificatie, moet ik ontraden. Wel wil ik toezeggen om in gesprek te gaan met bedrijven en de Commissie over welke rol het kabinet aanvullend kan spelen om bedrijven zo goed mogelijk te helpen bij het vermijden van onnodige CBAM-kosten.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 44.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 44, van mevrouw Teunissen, verzoekt om een wetsvoorstel voor te bereiden voor een landelijk verbod op fossiele reclame. Ik ga dat dus niet doen. Ik heb al geschetst waar de ingewikkeldheden zitten. Om die reden ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

Ja. De motie op stuk nr. 45.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 45 doet het verzoek om de SDE++ per '27 te openen voor natuurlijke CO2-opslag via bosaanplant en veenherstel. De SDE++ is een exploitatiesubsidie voor projecten die gecorrigeerd worden voor marktprijzen voor energie en CO2. Voor natuurlijke opslag ontbreekt een marktprijs, dus die kan niet in de SDE++. De natuurlijke opslag loopt via de veenweide- en bossenstrategie. Daarom moet ik deze motie ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 45: ontraden. De motie op stuk nr. 46.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 46, van de heer Grinwis, over het verkennen van de aanscherping van regels voor de datacenters. Die motie kan ik oordeel Kamer geven. Ik benadruk wel wat ik in eerste termijn heb gezegd, namelijk dat we het hierbij niet alleen vanuit het perspectief van energie kunnen bezien, maar ook de bredere belangen, de ruimtelijke afweging, de digitalisering en de economie in ogenschouw moeten nemen; ik heb dat geschetst.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 47.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 47, van de heer Grinwis, verzoekt om de nettolastenverzwaring als gevolg van ETS2 te monitoren. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 48.

Minister Hermans:

Dat is ook een motie van de heer Grinwis, en anderen. Ze verzoekt om bij de Voorjaarsnota de Kamer inzicht te geven in het benodigde budget en de operationele capaciteit voor het beter ontsluiten van flexibiliteit. Die motie kan ik oordeel Kamer geven. Wij zullen aan het werk gaan met het crisisteam dat aan de slag gaat, in nauwe samenwerking uiteraard met de drie provincies. We hebben alles en iedereen nodig. Die samenwerking is cruciaal. De vraag is even of elk kwartaal rapporteren … Het zou misschien soms wat korter op elkaar en soms wat langer na elkaar kunnen. Wij zullen dus heel regelmatig rapporteren en vooral ook als er echt iets te melden is.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 49.

Minister Hermans:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 49, van de heer Dassen, om versneld te investeren in grensoverschrijdende hoogspanningsverbindingen. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50.

Minister Hermans:

De motie op stuk nr. 50, van de heer Dassen, om de Nederlandse veiligheidsdiensten te verzoeken een vergelijkbare risicoanalyse te maken. Deze motie moet ik ontraden. Het verzoek om de briefing, zoals de motie van de heer Klos vraagt, kan ik doen, maar dit gaat echt een stap verder. Ik laat het ook aan een volgend kabinet.

De voorzitter:

De laatste motie, op stuk nr. 51.

Minister Hermans:

Dan de motie op stuk nr. 51, van de heer Dassen. Die doet het verzoek om de mogelijkheden te onderzoeken voor een meerjarig publiek inkoopprogramma en de Kamer hierover te informeren. Die motie is eigenlijk ontijdig, want de discussies in Europa lopen nog. Er wordt gewerkt aan een post-2030-raamwerk, dus hoe ziet nou het beleidsraamwerk eruit om het doel van 2040 te halen? Er wordt gewerkt aan de ETS-voorziening. Dat zal ook een voorstel bevatten om permanente koolstofverwijdering op te nemen in het handelssysteem. Wij zetten ons in Europa dus in voor een Europees inkoopprogramma. Daar hebben we ook een non-paper over geschreven. Hiermee kan de diversiteit van het aanbod van technieken worden gestimuleerd als tussenstap naar een eventuele integratie. Maar om dat nu te doen, is te vroeg.

De voorzitter:

Is de heer Dassen bereid om de motie aan te houden? Dat is niet het geval. Dan krijgt de motie wanneer zij in stemming wordt gebracht de appreciatie ontijdig.

De heer Kops (PVV):

Even terug naar de motie op stuk nr. 32. Als de minister die motie zo interpreteert dat bij het tegengaan van netcongestie dus die gedifferentieerde nettarieven moeten worden ingevoerd — dat betekent voor huishoudens dus een hoger tarief tijdens piekmomenten — dan houd ik de motie nu even aan.

Minister Hermans:

Ik kijk naar de verkeerde motie. De motie over de gedifferentieerde tarieven is toch de motie op stuk nr. 33?

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 32 verzoekt de regering onmiddellijk krachtige interventies en aanvullende maatregelen te presenteren teneinde een aansluitstop te voorkomen.

Minister Hermans:

De invoering van die gedifferentieerde tarieven ligt wat verder in de tijd. Daar wordt nu aan gewerkt. Ik heb de motie op stuk nr. 32, over de krachtige interventies, geïnterpreteerd als "zo snel als mogelijk", om überhaupt te voorkomen dat we bij die aansluitstop komen. Ik koppelde het aan elkaar omdat we met de krachtige interventies het vraagstuk van netcongestie nog niet in den brede hebben opgelost.

De voorzitter:

De motie kreeg de appreciatie "oordeel Kamer". Het is dan aan de heer Kops. De motie wordt aangehouden.

De heer Van den Berg (JA21):

Ik heb nog een vraag van een andere orde, waar ik naar aanleiding van de begroting nog mee zat. Vorig jaar in februari is de motie-Erkens aangenomen om de RES-regio's op te heffen in 2030 of daarvoor. Nou gaan de gemeenten natuurlijk een nieuwe bestuursperiode in. Ik vraag de minister dus hoe het staat met die motie. Gaan we de RES-regio's afschaffen? Zo ja, wanneer? Dan hebben we namelijk bestuurlijke duidelijkheid.

De voorzitter:

Ik kan me ook voorstellen dat de minister hier ... Heeft u antwoord op de vraag van de heer Van den Berg, minister? Ik vind hem namelijk eigenlijk een beetje buiten de orde.

Minister Hermans:

We hebben vorig jaar uitgebreid gediscussieerd over die motie. Ik heb 'm met klem ontraden, omdat ik het echt een hele onverstandige motie vond. Maar de motie is aangenomen, dus we hebben gezocht naar een manier om er invulling aan te geven. Er zijn zogenaamde "interbestuurlijke samenwerkingsafspraken" gemaakt met provincie en gemeente. Daarin kijken we hoe we het Programma Warmtetransitie en dat wat de RES-regio's doen voor hernieuwbare energie op land, kunnen samenvoegen. Daar wordt nu invulling aan gegeven. Dat is de manier waarop we invulling geven aan die motie. We zullen daar ongetwijfeld in een voortgangsbrief ergens in het voorjaar op terugkomen voor een update.

De voorzitter:

Ik dank de minister.

Minister Hermans:

Voorzitter, mag ik misschien tot slot nog een enkel woord zeggen?

De voorzitter:

Wel degelijk.

Minister Hermans:

Dit is mijn laatste debat als minister van Klimaat en Groene Groei. Ik zou dus heel graag alle woordvoerders heel erg willen bedanken. Ik heb het afgelopen anderhalf jaar, en met sommigen de afgelopen weken, intensieve debatten met ze gevoerd. We waren het inderdaad, zoals mevrouw Teunissen zei, niet altijd eens, maar het waren wel goede en respectvolle discussies — ook als ze zich op de randen van het akkoord bevonden, zeg ik tegen de heer Vermeer. Het waren discussies met respect voor ieders standpunt. Ze waren gericht op het komen tot een oplossing en het verder brengen van de energietransitie voor onze economie, voor het klimaat en voor de veiligheid.

Mevrouw Teunissen zei: u bent nog niet van de Partij voor de Dieren af. Ook de zorg draagt ze namelijk een warm hart toe. De zorg kan ook een rol in de verduurzaming spelen. Dat heb ik zelf gezien in de afgelopen anderhalf jaar. Ik noem een bijzonder initiatief op Chemelot, waar materialen van operatiekamers worden gerecycled, zodat ze kunnen worden hergebruikt. Ik blijf het onderwerp dus ook straks — mocht het allemaal goed gaan met de beëdiging, natuurlijk! — met bijzondere interesse volgen. Ik zal dat wat ik in de zorg kan blijven doen, natuurlijk blijven doen. Ik realiseer me dus dat ik niet van de Partij voor de Dieren af ben.

Wie wel bijna van mij af zijn, zijn de collega's van het ministerie van KGG. Die wil ik via u, voorzitter, ongelofelijk bedanken voor het keiharde werk van de afgelopen dagen. Zo'n begrotingsbehandeling is namelijk echt een ongelofelijke klus. Ook heel veel dank aan hen allemaal voor de afgelopen anderhalf jaar. Hun inzet, professionaliteit en deskundigheid bij dit gigantisch complexe vraagstuk is echt bewonderenswaardig. Ik heb daar grote waardering voor. Ik wens hun heel veel succes met alles wat komen gaat.

Dank.

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Wij danken u en uw departement voor uw aanwezigheid. We zien u, als het Zijne Majesteit de Koning behaagt, weer terug in een andere rol in vak K. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de begroting van Klimaat en Groene Groei.

De voorzitter:

Ik schors tot 15.00 uur. Daarna zullen we voortgaan met de begroting van OCW.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begrotingsbehandeling Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ik heet de leden van de Kamer en ook de bewindspersonen in vak K van harte welkom. We zijn toegekomen aan hun eerste termijn.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik nodig de minister uit om van zijn spreektijd gebruik te maken. Gaat uw gang.

Minister Moes:

Dank u wel, voorzitter. We hebben gisteren een mooie eerste termijn gezien. Dank aan alle Kamerleden voor hun inbreng. Mevrouw Biekman, nogmaals van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech, die inspirerend was en die voor mij herkenbare elementen bevatte. Verder heb ik een interessante filosofische beschouwing gehoord van de heer Van Duijvenvoorde. Ik heb zelfs een Bijbels citaat gekregen van de heer Stoffer; ik ben toch blij dat het niet Spreuken 23, vers 13 was. De staatssecretaris en ik hebben de vragen natuurlijk al schriftelijk beantwoord, maar we willen graag ook mondeling ingaan op de verschillende thema's die wij gisteren in deze Kamer hebben gehoord. Aan het einde van mijn spreektekst zal ik de op mijn terrein ingediende amendementen appreciëren.

Mijn tijd als minister zit er bijna op. Ik ben trots en dankbaar dat ik, zij het voor korte tijd, deze rol mocht vervullen. In de afgelopen maanden heb ik veel gesprekken gevoerd met studenten, docenten, praktijkopleiders en onderzoekers in het mbo, het hbo, het wo en in de wetenschap. Daarbij vielen mij steeds hun tomeloze inzet en hun professionaliteit op. Nederland heeft een sterk en toegankelijk stelsel van vervolgonderwijs en onderzoek. Dat is van grote waarde voor mensen, voor regio's en ook voor onze economie, maar dat stelsel staat onder druk. Ik noem twee ontwikkelingen die ons dwingen tot scherpe keuzes. Na jaren van groei dalen de studentenaantallen in het mbo, het hbo en het wo, met grote regionale verschillen. Daardoor dreigen het onderwijsaanbod en de leefbaarheid in de regio aan kracht te verliezen. Tegelijkertijd is er een tekort aan goede vakmensen; dat is de tweede ontwikkeling. Juist in sectoren die maatschappelijk en economisch cruciaal zijn, komen we talent op de arbeidsmarkt tekort: in de zorg, in het onderwijs, in de techniek. Het volgende kabinet moet daarom keuzes maken. Ik geef daarvoor vandaag, mede als reactie op uw inbreng, vier prioriteiten mee.

Ten eerste moeten onderwijs en onderzoek zich sterker richten op wat de samenleving nodig heeft, zodat regio's vitaal blijven en onze economie sterk. Daarom ben ik het eens met mevrouw Rajkowski en mevrouw Van der Plas: er is in opleidingen en onderzoek meer focus nodig op maatschappelijke opgaven, tekortsectoren en concurrentiekracht. Het is noodzakelijk om meer studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst, bijvoorbeeld in de techniek, de veiligheid, de woningbouw en de zorg. Ik vind het van belang dat de Nederlandse samenleving hier boven het individuele belang van onderwijsinstellingen hoort te staan. Als dat niet vanzelf gaat, zijn meer regie en bijsturen vanuit de politiek nodig. Dat kan onder andere door het maken van goede afspraken tussen overheid, werkgevers en onderwijsinstellingen, bijvoorbeeld over betere voorlichting, goede stageplekken, salarissen en sturing op het aantal opleidingsplaatsen. Ook is het van belang dat studenten die van buiten Nederland komen, na hun afstuderen in Nederland kunnen en willen blijven, zodat zij een blijvende bijdrage aan onze maatschappij kunnen leveren, daar echt onderdeel van gaan worden en echt mee kunnen draaien in Nederland. Mevrouw Raijer en meneer Boomsma benadrukken het belang van de Nederlandse taal hierbij. Dat ben ik helemaal met hen eens. Het Nederlands moet niet alleen onze voertaal zijn, maar juist ook de academische taal. Dat maakt de universiteit geworteld, toegankelijk en van grotere toegevoegde waarde voor de Nederlandse samenleving, taal en cultuur.

Ten tweede moet onderwijs gericht zijn op de praktijk. Juist het mbo-talent is hard nodig in Nederland. Ik zie dat de waardering voor praktisch georiënteerde mensen in de samenleving steeds groter wordt. Dat is terecht. Veel Kamerleden, zoals meneer Ergin, mevrouw Armut, mevrouw Tseggai, mevrouw Van der Plas, mevrouw Rajkowski en mevrouw Biekman hameren dan ook terecht op het belang van het mbo. Maar er blijft inspanning nodig voor een gelijkwaardige positie van het mbo en de mbo-studenten. In de brief die ik uw Kamer een paar maanden geleden heb gestuurd, staat uitgewerkt wat de financiële verschillen zijn. Het gelijktrekken van de studiefinanciering voor mbo-studenten bijvoorbeeld kost ongeveer 400 miljoen. Dat bedrag heeft het huidige kabinet niet beschikbaar, maar ik heb hier gisteren bedragen gehoord van 1 miljard tot 1,5 miljard die het nieuwe kabinet gaat investeren in het onderwijs. Ik hoop van harte dat een nieuw kabinet de daad bij het woord voegt als het gaat om waardering en gelijkheid voor het mbo.

Net als mevrouw Tseggai en meneer Ergin maak ik me zorgen over de beperkte voortgang op de doelen van het Stagepact. Het lukt nog onvoldoende om stagediscriminatie tegen te gaan en de begeleiding van studenten te verbeteren. Dit is onacceptabel. Ik ben met alle partners in gesprek om het actieplan aan te scherpen. We zorgen ervoor dat studenten meldpunten voor discriminatie beter kunnen vinden. We spreken alle besturen aan op hun verantwoordelijkheid als het gaat over goede stagebegeleiding.

Ik ben heel blij met de stappen die ik heb kunnen zetten om de wettelijke stagevergoeding te regelen. Na een jarenlange discussie ligt de bal voor de wettelijke stagevergoeding op de stip. Het nieuwe kabinet kan met dit werk verder en de bal nu inschieten. Het is mooi om te zien dat dit ook is overgenomen in het nieuwe coalitieakkoord.

De derde prioriteit is stabiliteit. Ons stelsel moet stabieler worden, zodat dalende studentenaantallen in het mbo en hbo niet leiden tot het verdwijnen van belangrijke opleidingen, vooral in krimpregio's. Mevrouw Van der Plas, mevrouw Armut en mevrouw Straatman vroegen wat ik doe om het opleidingsaanbod in deze regio's in stand te houden. Voor het mbo en hbo is hiervoor 180 miljoen beschikbaar voor de korte termijn. Tegelijkertijd werk ik voor de langere termijn aan een bekostiging die meer rust en stabiliteit geeft en die juist die mbo-instellingen in de regio meer financiële ruimte geeft. Het vraagt om een wetswijziging, die in 2029 in moet gaan.

Maar stabiliteit gaat niet alleen over geld. Scholen zijn geen bedrijven. In plaats van elkaar te beconcurreren op leerlingenaantallen en studentenaantallen moeten onderwijs en kennisinstellingen met elkaar gaan zorgen voor goed onderwijs en onderzoek. Dat vraagt ook iets van de overheid, namelijk minder nadruk op details, maar meer sturing en verantwoording op hoofdlijnen. Mevrouw Raijer vroeg in haar bijdrage hier ook terecht aandacht voor. Zo kunnen we rust bieden voor instellingen en ruimte aan de docent en de onderzoeker, want zij maken dagelijks het verschil.

De voorzitter:

Ik hoorde een punt, maar ik ben ook even aan het zoeken of de minister nog bezig is met een inleiding en er daarna blokjes komen. Of geeft u een inleiding en volgen daarna de amendementen?

Minister Moes:

Zoals ik al zei aan het begin van mijn tekst, voorzitter: in principe hebben we de vragen op detailniveau schriftelijk beantwoord en ga ik op de thema's in die ik gisteren hier heb gehoord. Aan het einde van mijn tekst geef ik mijn appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

En de tekst is dus één grote inleiding? Ja, dan ga ik mevrouw Beckerman nu het woord geven voor een interruptie. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik hoor de minister zeggen: de bal ligt op de stip voor de stagevergoeding. Ik denk dat dat fantastisch nieuws is, want die verplichte stagevergoeding voor mbo'ers moet er komen. Het is heel pijnlijk dat nog steeds een meerderheid die niet krijgt. In het voorjaar krijgen we die contouren. Hoelang duurt het dan voordat er ook echt wetgeving ligt? Hoe schat de minister dat in?

Minister Moes:

Dat is echt afhankelijk van hoe snel mijn opvolger en het nieuwe kabinet tot die keuzes komen. Ik heb — dat heb ik ook toegezegd aan uw Kamer, mede dankzij moties van mevrouw Beckerman — een verkenning gedaan waarin ik heb gekeken op welke manier je dit in een wet zou kunnen vatten. Je hebt verschillende routes. Je hebt verschillende wetten die zich daar eventueel een beetje voor lenen. Er zijn ook keuzes aan verbonden. De ene wet past dan beter dan de andere. Moet je het met arbeidsrecht doen of met de Wet op het hoger onderwijs? We hebben verschillende wetten. Hierin zijn nou eenmaal in de praktijk keuzes te maken om te bepalen hoe dat eruit moet gaan zien. Ik heb die verkenning gedaan. Die ligt in principe klaar. Mijn opvolger kan eigenlijk gewoon een keuze maken en dan kun je de route naar een wetswijziging verder doorlopen. Dat zal een vergelijkbare tijd kosten als in reguliere gevallen bij een wetswijziging.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik vraag het om de volgende reden. Natuurlijk vraag ik deze minister niet om vooruit te regeren. Er komt een nieuw kabinet. Maar ik heb in het voorjaar van 2023 een debat gehad over de contouren van een nieuwe Mijnbouwwet. Het is nu bijna drie jaar later en die wet is er nog niet. Die is zelfs nog niet in consultatie. Daar zat een beetje mijn angst toen ik het antwoord las. Ja, het is heel mooi dat er dit voorjaar contouren van een wet komen, maar tegelijkertijd moeten we mensen niet blij maken met iets wat dan nog jaren duurt. Dat was dus eigenlijk de achtergrond van mijn vraag. Nogmaals, natuurlijk is het aan zijn opvolgers, maar misschien kan de minister iets meer een tijdpad geven, bijvoorbeeld: ik heb zoveel uitgewerkt, dus dan zou het in theorie binnen een jaar geregeld kunnen zijn. Daar zoek ik toch naar.

Minister Moes:

Voordat zo'n wet daadwerkelijk van kracht is, ben je algauw verder dan een jaar. Tegelijkertijd hebben we echt een goede verkenning gedaan naar de vraag welke wetten zich hiervoor lenen. We hebben ook verkend of het dan wettelijk zou moeten of we het ook op een andere manier afdwingbaar zouden kunnen maken. We hebben daar echt goed naar gekeken. In principe zou ik nu al zo ver kunnen zijn dat ik zeg "die richting zou het op kunnen gaan en we kunnen ermee verder", maar ik heb toch gedacht, aangezien ik nog maar een weekje heb als minister en ik dit ook in het nieuwe coalitieakkoord heb zien staan: dit komt goed, en de definitieve keuze voor de verdere richting is aan mijn opvolger. Als hier dan enigszins een beleidsprioriteit op ligt bij het ministerie, denk ik dat het met een jaar of twee ook daadwerkelijk in gang gezet kan worden en het vanaf dat moment geldt. Tot die tijd roep ik scholen, instellingen en werkgevers op om proactief aan de gang te gaan met die stagevergoeding, want het is niet meer dan netjes om dat gewoon keurig te regelen.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, ik wilde het bij twee interrupties laten, maar toen zei de minister toch iets interessants. Hij heeft inderdaad drie opties geschetst aan de Kamer, namelijk het aanpassen van de huidige onderwijswetten, het aanpassen van het Burgerlijk Wetboek en aparte wetgeving. Ik probeer het kort samen te vatten. De minister zei: ik zou nu een voorkeur kunnen uitspreken maar dat heb ik niet gedaan. Zou hij dan een klein advies kunnen geven aan de Kamer? Ik zat daar namelijk ook naar te kijken. Ik dacht: misschien kun je het wel tweetraps maken, dus het snel regelen in de onderwijswetten en dan daarnaast aparte wetgeving. Ik ben wel benieuwd welk advies de minister ons nou zou meegeven.

De voorzitter:

Het wordt steeds creatiever, mevrouw Beckerman.

Minister Moes:

Ik wil daar best een keer een kop koffie over drinken na mijn ambtstermijn, maar ik vind het niet netjes om over mijn graf heen te regeren. Daar wil ik me dus toch van onthouden.

De voorzitter:

Mevrouw Straatman, gaat uw gang.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik was even op zoek naar de blokjes. De minister zei zojuist iets over de krimpregio's, dus ik dacht: ik stel mijn vragen nu. De minister zei dat we op korte termijn 180 miljoen euro aan krimpmiddelen hebben voor het mbo en het hbo. Dat is mooi. Voor het CDA is het heel belangrijk dat het onderwijsaanbod nabij op een bepaald niveau en op peil blijft. Tegelijkertijd zag ik vandaag in het nieuws dat Saxion te maken heeft met een enorme daling in het aantal studenten. Het gaat om 6,6%, veel meer dan verwacht. Dat percentage is veel hoger dan het landelijk gemiddelde. Daardoor verdwijnen veel academies. In hoeverre is de 180 miljoen op dit moment voldoende om het onderwijsaanbod nabij op peil te houden?

Minister Moes:

Op dat detailniveau heb ik niet zo snel een antwoord paraat. Dat is in grote mate natuurlijk ook afhankelijk van de instellingen zelf. In de eerste plaats zijn zij er zelf verantwoordelijk voor om daarin keuzes te maken en een afweging te maken. Dat past ook bij de manier waarop we het stelsel hebben ingericht. Ik vind het aan de ene kant niet passend dat instellingen altijd direct naar de overheid kijken om alle problemen op te lossen. Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn: we zien dat dit een structureel probleem is dat niet van tijdelijke aard is. Het gaat vooral om de disbalans tussen de regio's: de ene regio heeft structureel te maken met krimp, maar bij de andere regio is dat juist niet het geval en is er groei zichtbaar. Dat is de reden waarom we zeggen dat we werken aan een stelselwijziging om de financieringsstructuur aan te passen, zodat het opleidingsaanbod in de regio toegankelijk blijft en je overal in Nederland nabij onderwijs hebt voor belangrijke opleidingen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Ik heb een vervolgvraag. Ik las in de brief dat de minister zegt dat de krimpgelden zijn bedoeld om te voorkomen dat er verschraling plaatsvindt en om deze te vertragen. Ik schrik met name van de vertraging. Ik zou graag meer inzicht willen hebben in de vraag of die 180 miljoen op dit moment afdoende is om het vertragingsproces meer richting voorkómen te laten gaan. Kan de minister op een bepaalde manier meer inzichtelijk maken of die gelden op de juiste plekken terechtkomen en of er daarmee daadwerkelijk vertraging plaatsvindt, of dat er op dit moment opleidingen die cruciaal zijn in de regio's verdwijnen? Zou hij kunnen toezeggen dat meer inzichtelijk te maken?

Minister Moes:

Natuurlijk willen we dat inzicht graag op detailniveau hebben, maar de realiteit is dat het, gelet op de manier waarop ons onderwijs wordt gefinancierd, heel lastig is, omdat er meerdere factoren tegelijkertijd spelen. Dit kabinet heeft ook bezuinigingen doorgevoerd. Die raken in principe ook de instellingen die ondertussen wel geld krijgen ter compensatie van krimp. Dat verhoudt zich op enige manier tot elkaar, maar het is niet zo gemakkelijk als een knopje waaraan je kunt draaien of een schuifje dat je omhoog of omlaag kunt zetten. Dat mengpaneel hebben wij gewoon niet ter beschikking, juist omdat de instellingen zelf gaan over hoe ze het precies vormgeven. Ze gaan ook zelf over de keuze welke opleidingen zij waar overeind houden. Ik heb, geloof ik, gisteren van JA21 gehoord dat kleine opleidingen, zoals Frans en Duits, verdwijnen omdat ze kleiner zijn. Daar worden keuzes in gemaakt, maar die zijn niet altijd een-op-een te vertalen naar krimp. Die vertaalslag is niet zo makkelijk te maken.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik wil eigenlijk doorgaan op dit punt. Ik ben toevallig ook op werkbezoek geweest bij Saxion. Ik hoorde de minister zeggen dat dat alle opleidingen zijn, maar voor 80% of 90% van de studenten die naar Saxion gaan, is dit de enige keuze die zij hebben in de hele regio Twente. Als die opleidingen verdwijnen, is dus er geen tweede of derde keus. Heel veel van die opleidingen zijn ook gericht op het opleiden van mensen in bepaalde tekortsectoren. Ik vind het dus een beetje een moeilijk antwoord. Ik ben benieuwd of de minister nog iets dieper kan ingaan op wat we specifiek doen voor instellingen die aangeven dat, als opleidingen verdwijnen, ook onderwijs voor een hele grote groep studenten verdwijnt.

Minister Moes:

Dit is exact het punt dat we hiermee proberen te ondervangen. Daarom hebben we tijdelijke middelen beschikbaar gesteld om deze periode te overbruggen, totdat het nieuwe financieringsstelsel wordt ingevoerd. Daar is dat geld voor bedoeld. We zien het probleem nu al, maar de stelselwijziging kost tijd. Dat kost nog ongeveer twee jaar. Tot die tijd hebben we dus die financiering om tegemoet te komen aan de instellingen en hen te helpen het verdwijnen van opleidingen te vertragen tot dat moment, zodat er tijd is om daar een nieuw stelsel tegenover te zetten. Dat is dus heel goed samengevat. Dat is ook precies de motivatie van het kabinet om daarmee aan de slag te gaan.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Moes:

Ik was toe aan het vierde, en laatste, thema dat ik wilde benoemen: vrijheid en veiligheid. Academische vrijheid, oftewel vrije, ongebonden en kritische wetenschap, is essentieel. Een veilige campus voor medewerkers en studenten is hiervoor een harde voorwaarde, maar die vrijheid is niet vanzelfsprekend. We moeten haar actief beschermen als zij onder druk komt te staan. We moeten diversiteit van opvattingen en perspectieven koesteren. Dat kan soms schuren en botsen, en dat moet ook; dat is fundamenteel iets anders dan veiligheid. Bij uitstek op de campus heb je het recht, het privilege om naar aanleiding van je overtuigingen en denkbeelden tegengesproken te worden. Maar dat kan alleen als het veilig is. Antisemitisme, racisme en discriminatie zijn ontoelaatbaar. Er is in het debat gisteren terecht aandacht gevraagd voor de Taskforce Antisemitismebestrijding, door de heer Stoffer, de heer Boomsma, de heer Ceder, de heer Claassen, mevrouw Staatman en mevrouw Rajkowski. Er was veel aandacht voor. Er werd ook gevraagd of de formele kabinetsreactie eerder kon komen, maar die komt later; dat krijg ik zo snel niet voor elkaar. Maar de taskforce laat in elk geval zien dat er binnen de huidige wetten en het huidige stelsel meer mogelijk is dan soms wordt gedacht. Ik heb dit al eerder gedaan, maar ik roep instellingsbesturen ook bij dezen op om zich vooral uit te spreken. De Taskforce Antisemitismebestrijding roept ook op om niet al te terughoudend, te voorzichtig te zijn. Er is meer mogelijk dan je denkt. Wees dapper en spreek je uit.

Voorzitter. Mijn ervaring als docent maar ook mijn ervaringen in het afgelopen jaar maken dat ik weet hoeveel het onderwijs betekent voor de samenleving en voor iedereen die het onderwijs elke dag weer mogelijk maakt. Dat besef zag ik ook in overvloed terug in uw Kamer. Dat geeft hoop voor een mooie toekomst voor het onderwijs en de wetenschap. Ik zie dit debat dan ook als een mooie afsluiting van mijn periode als minister. Ik zeg uw Kamer nogmaals dank voor de inspirerende samenwerking.

Dan wil ik graag door naar de appreciatie van de amendementen, voorzitter.

De voorzitter:

Eén moment, minister, ik zie beweging.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik had gisteren vragen aan de minister gesteld over wat voor stappen genomen kunnen worden om onderzoekers, wetenschappers die te maken hebben met intimidatie en druk, beter te beschermen. Ik vond de beantwoording op zijn zachtst gezegd best teleurstellend. Er stond namelijk in een zinnetje "wetenschappers die zich mengen in het publieke debat". Dat is niet een gegeven. We zien nu ontwikkelingen waarbij onderzoekers en wetenschappers getarget worden vanwege het type onderzoek dat ze doen, en dat ze het gevoel hebben dat ze bepaalde onderzoeken niet kunnen afmaken vanwege bedreigingen vanuit bepaalde overheden. Ik wil dus graag aan de minister vragen om concreet te maken hoe groot deze groep is, wat het ministerie doet, of het ministerie in gesprek is met instellingen en hoe we deze onderzoekers en wetenschappers beter gaan beschermen.

Minister Moes:

In de eerste plaats zijn de instellingen natuurlijk zelf verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid en de academische vrijheid. Ik herken deze signalen heel goed. Die zie ik ook. De dreiging komt soms van buiten en soms van binnenuit, maar het is heel belangrijk dat onderzoekers en wetenschappers de vrijheid voelen om te onderzoeken wat ze willen. Dat is een kernpunt van academische vrijheid. Zoals ik al zei, is het in de eerste plaats aan de instellingen zelf om die veiligheid goed te borgen. Ik heb niet heel gedetailleerde overzichten van hoever dat reikt. Naar aanleiding van het eerdere debat van een paar maanden geleden over academische vrijheid — dat was toen nog met de vorige samenstelling van de Kamer — heb ik toegezegd dat er dit najaar een onderzoek komt naar bijvoorbeeld de pluriformiteit en in hoeverre academici zich veilig voelen en zich vrij voelen om te onderzoeken wat ze willen onderzoeken.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik ben bekend met het onderzoek; dat slaat op een heel ander vraagstuk. Ik vroeg concreet naar inzicht. Dat hebben we kennelijk niet. Dat beaamt de minister ook. Ik zou het fijn vinden als wij als Kamer inzicht of een overzicht zouden kunnen krijgen — dat kan ook zijn op basis van gesprekken met instellingen zelf — van hoeveel onderzoekers en wetenschappers te maken hebben met dreiging en intimidaties. Dat kan ook in de juridische sfeer zijn, dat kan zich voordoen als ze naar het buitenland gaan voor bepaald onderzoek of kan gaan over subsidies die worden ingetrokken. Dat overzicht zou ik graag willen hebben, zodat we concreet een debat kunnen hebben over wat wij kunnen doen om ze beter te beschermen. Dat is niet alleen aan instellingen zelf, maar ook aan ons hier in dit huis.

Minister Moes:

Ik kan toezeggen dat ik dit in gesprekken met het veld meeneem en dat ik aan de instellingen zal vragen of het haalbaar en mogelijk is om hier inzicht in te krijgen. Ik durf namelijk niet zo een-twee-drie te zeggen dat het heel makkelijk is om daarvan cijfers op papier te krijgen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Volgens mij is dit het laatste moment om wat vragen aan de minister te stellen.

De voorzitter:

Dat klopt.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dus vandaar mijn vraag. Ik had het gisteren in mijn betoog ook over de vraag wat we effectief aan demonstraties op universiteiten kunnen doen. In de beantwoording wijst de minister heel veel naar het Openbaar Ministerie en zegt hij dat het aan het Openbaar Ministerie is om verdere stappen te zetten. De kern van mijn betoog was juist dat de civielrechtelijke afhandeling, dus het verhalen van schade, een manier is om het Openbaar Ministerie te ontlasten, waarbij een vraag was welke stappen we daarin kunnen zetten om ook de universiteitsbesturen te ontlasten. Kan de minister daar antwoord op geven?

Minister Moes:

Dat is heel lastig, omdat het vooral het terrein is van de minister van JenV. Daarom had ik het ook over de Taskforce Antisemitismebestrijding, want die heeft zich ook met dit vraagstuk beziggehouden. In de eerste plaats is het van belang dat we met z'n allen pal staan voor die veiligheid en dat de instellingen als eerste ingrijpen; die dragen primair de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de campus, ook als het gaat om demonstraties die eventueel uit de hand lopen. Dat gebeurt ook. Het is alleen ook een lastig fenomeen gebleken. Dat komt doordat er soms tijd en ruimte voor beslissingen nodig is vanaf het moment dat de bestuurder van een instelling zegt: "Dit gaat echt de perken te buiten. Dit is een overtreding van onze huisregels. Dit kan zo niet. We hebben dit niet meer goed in de hand, dus we moeten opschalen." Dan wordt de driehoek ingeschakeld. De burgemeester en de politie maken dan nog weer een eigen afweging over veiligheid. Die afweging kan anders zijn dan die van de instelling zelf. Daar zit ruimte tussen, zoals de taskforce heeft geconstateerd. Die ruimte kun je kleiner maken door goed af te stemmen en ook op tijd afspraken over het proces te maken: hoe snel grijp je in en staan er dan ook gelijk mensen klaar om daadwerkelijk in te grijpen? De instellingsbesturen hebben namelijk natuurlijk zelf geen politiemacht of iets dergelijks. Er is door mijn voorganger destijds met de besturen de afspraak gemaakt om bij vermoedens van strafbare feiten, zoals vernielingen, altijd aangifte te doen teneinde te proberen die schade te verhalen en de daders te vervolgen.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dat is niet helemaal het punt dat ik bedoelde. Laat ik het heel concreet maken. Op het moment dat er demonstraties op universiteiten zijn en er van alles gesloopt wordt, kun je twee dingen doen. Je kunt inderdaad aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Het is heel belangrijk dat dat ook gebeurt, maar dat is een ingewikkelde route en het Openbaar Ministerie heeft het heel druk. Je kunt ook een andere route nemen, de meer civielrechtelijke route. De aangifte loopt dan niet via het strafrecht, maar via het civiele recht. Vervolgens kan je een gigantische claim neerleggen bij een van die demonstranten. Het is civielrechtelijk veel makkelijker om een hele grote groep voor de genoemde zaken aansprakelijk te stellen. Mijn vraag zou als volgt zijn. Er worden nu allerlei onderzoeken bij JenV gedaan om dit bij andere terreinen, bijvoorbeeld bij winkeldiefstal en demonstraties in de openbare ruimte, makkelijker te maken. Waarom onderzoeken we niet of het voor universiteitsbesturen makkelijker is om een groep rellende demonstranten niet, of niet alleen, de route van het strafrecht in te laten gaan, maar ze gewoon ook een cheque te overhandigen met de woorden "je hebt hier een hoop gemold; betaal daar maar voor"? Kunnen we dat niet gewoon integraal bekijken? Als we dat bij JenV uitzoeken, dan moet dat toch ook voor OCW mogelijk zijn? Dan moeten we daar toch een integrale aanpak op kunnen vinden?

Minister Moes:

Ik vind het heel ingewikkeld om als OCW voor de universiteitsbesturen te gaan bepalen welke juridische route ze dan zouden moeten gaan lopen. Als deze route mogelijk is, dan staat het de universiteitsbesturen gewoon vrij om dat te doen. Ik denk dat daar op dit moment geen blokkade voor is.

Mevrouw Straatman (CDA):

Mijn kernpunt is: moeten we die universiteitsbesturen daar niet bij helpen? Zouden we niet moeten bekijken of we bijvoorbeeld de lopende pilots kunnen uitbreiden naar universiteiten? Zo zouden we de universiteitsbesturen de handvatten geven om dit veel makkelijker in te regelen. Zou de minister daarnaar willen kijken?

Minister Moes:

OCW heeft niet de ambtelijke capaciteit om juridische afwegingen voor de universiteitsbesturen te maken. Dat is echt primair aan die instellingen zelf. Ik denk dat het heel belangrijk is dat zij zelf die afweging maken. Natuurlijk zijn wij doorlopend in gesprek met de instellingen, en ik wil deze suggestie best meenemen in de gesprekken met de instellingen.

De heer Boomsma (JA21):

Het is wel heel belangrijk dat die schade gewoon zo veel mogelijk wordt verhaald. Inderdaad, zoals mevrouw Straatman aangeeft, gaat dat nu gewoon vaak niet goed, ook omdat het OM kampt met capaciteitstekorten. Het lijkt me dus juist een uitstekend voorstel om die civiele route te gaan bewandelen en om die in ieder geval te betrekken bij de onderzoeken die nu gaande zijn. Ik denk dus dat het heel goed zou zijn als het kabinet daar gewoon mee aan de slag gaat en het gesprek met de universiteitsbesturen aangaat, om de universiteiten aan te laten sluiten bij deze pilots.

Minister Moes:

Nogmaals, ik wil deze suggestie best meenemen in de gesprekken met de universiteitsbesturen en bijvoorbeeld UNL, en ik wil dat verder gaan verkennen. Wij kunnen als OCW, als ministerie, echter niet voor de universiteitsbesturen bepalen wat ze precies moeten doen, want dat is primair hun verantwoordelijkheid. Natuurlijk denken we mee. Nogmaals, deze suggestie nemen we mee in de gesprekken.

De heer Boomsma (JA21):

Ik heb een andere vraag voordat de minister weggaat. In de schriftelijke beantwoording ...

De voorzitter:

We hebben ook nog een tweede termijn met de minister. Voordat iedereen denkt "ik moet nu mijn allerlaatste vraag stellen", zeg ik: de minister is er nog even vanavond.

De heer Boomsma (JA21):

Ja, maar mijn vraag gaat over de schriftelijke beantwoording van een vraag van gisteren, dus volgens mij is dit een goed moment om dat te doen.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Ik had een vraag gesteld over de McKinsey-onderzoeken naar wiskunde en rekenen en vroeg of er meer van dat type onderzoeken is gedaan. In de schriftelijke antwoorden wordt gezegd: we hebben verschillende internationale toetsen waaraan we meedoen om vaardigheden te meten. Alleen, volgens mij is het specifieke van het McKinsey-onderzoek dat het juist vergelijkt met vroeger, dus met de examens zoals die er vroeger uitzagen. Dat is volgens mij minstens zo interessant als met internationale toetsen volgen hoe het nu gaat en hoe vaardigheden zich nu in de tijd ontwikkelen. Het gaat mij erom het te vergelijken met voorheen. De vraag is eigenlijk of de minister weet of ook dat type onderzoeken, dus naast wat we kennen van McKinsey over wiskunde en rekenen, sindsdien vaker is gedaan.

Minister Moes:

Voor zover ik mij kan herinneren, zijn er geen onderzoeken in die trant geïnitieerd door de overheid zelf of onderzoekstrajecten gedaan waaraan wij meedoen als land, zoals die internationale vergelijkende onderzoeken. Daar ben ik niet van op de hoogte, maar dat zou ik na moeten gaan. Het kan natuurlijk best zijn dat er los van een directe overheidsopdracht andere grote onderzoeken gedaan zijn, maar dat durf ik zo niet te zeggen; daar ben ik niet mee bekend.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

Minister Moes:

Volgens mij was ik toe aan de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Ja, aan de appreciatie.

Minister Moes:

In zijn algemeenheid zeg ik het volgende. Er zijn meerdere amendementen ingediend met een vergelijkbare dekking. Zo wordt de niet-juridisch verplichte ruimte, bijvoorbeeld op artikel 7 internationaal beleid, in meerdere amendementen opgevoerd. Dat gaat natuurlijk niet, want die ruimte is sowieso niet groot genoeg om alle amendementen te dekken. Ik wijs er graag op dat geld maar één keer kan worden uitgegeven. Daarnaast is het onderscheid tussen juridisch wel en juridisch niet verplicht eerder een kwestie van timing dan een inhoudelijk onderscheid. Ook voor de niet-juridisch verplichte ruimte zijn toezeggingen gedaan of plannen gemaakt die niet door kunnen gaan als deze middelen worden weggeamendeerd. Ik verzoek u zeer deze dingen mee te wegen, naast ons inhoudelijke oordeel over de ingediende amendementen.

Laat ik daarbij een voorbeeld noemen. Het kan zijn dat eerder aan uw Kamer gedane toezeggingen of eerdere plannen en moties die voor de uitvoering afhankelijk zijn van geld, dan niet uitgevoerd kunnen worden. Ik noem de Restitutiecommissie oorlogskunst en Tweede Wereldoorlog. Daar is 2 miljoen voor gereserveerd. Voor de leenrechtvergoeding is een miljoen gereserveerd. In die niet-juridisch verplichte middelen zit dus daadwerkelijk geld dat geoormerkt is voor andere beleidsdoelen die eerder ook door uw Kamer gewenst werden geacht. Dat staat op gespannen voet met amendementen. Maar goed, uiteindelijk gaat uw Kamer daar natuurlijk zelf over. Dat zeg ik in zijn algemeenheid.

Het amendement op stuk nr. 74 ontraad ik. De dekking van het amendement wordt gevonden aan de inkomstenkant van de rijksbegroting. Dat is tegen de begrotingsregels.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 74 krijgt de appreciatie: ontraden.

Minister Moes:

Het amendement op stuk nr. 75: ontraden. De dekking hiervan is ook ondeugdelijk.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 75 krijgt de appreciatie ontraden. Daar heeft mevrouw Abdi een vraag over.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb geen vraag, voorzitter, maar wil even iets verduidelijken, ook voor alle collega's. Wij hebben een andere dekking gezocht, dus er komt een gewijzigde versie aan.

Minister Moes:

Dan zie ik die nog tegemoet.

Het amendement op stuk nr. 83: oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 83 krijgt oordeel Kamer.

Minister Moes:

Het amendement op stuk nr. 84: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 84 wordt ontraden.

Minister Moes:

Dat komt ook voornamelijk door de dekking.

Het amendement op stuk nr. 85: ook ontraden. Hoewel ik de intentie van het amendement zeer sympathiek vind, kom ik weer op het punt van de dekking uit. Die is niet pijnloos in te zetten. Daarom wil ik dat amendement ook ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 85 wordt ontraden.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik wil het amendement best omzetten in een motie. Het gaat mij erom dat dit zo snel mogelijk geregeld wordt voor mbo-studenten. Dit is namelijk een probleem dat we al heel lang kennen. De heer Dijkgraaf, een van uw voorgangers, heeft het al heel lang geleden geconstateerd. We weten wat het kost om de ongelijkheid tussen mbo-, hbo- en wo-studenten op te lossen, dus het lijkt mij gewoon goed als we dat gaan doen. Of dat via een amendement of een motie is, maakt mij niet zo veel uit.

Minister Moes:

Dat begrijp ik. Ik vind de strekking, de inhoud hiervan, ontzettend sympathiek. Tegelijkertijd kost het gewoon geld en heb ik de middelen niet. Ook een motie die verder geen dekking regelt, kan ik niet oordeel Kamer geven. Dat zal dan hoogstwaarschijnlijk ook "ontraden" worden.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dat begrijp ik natuurlijk, maar we zouden het bijvoorbeeld met een kasschuif kunnen reserveren voor volgend jaar. Het gaat mij erom dat we nu stappen gaan zetten in dit onderwerp. De minister mag het van mij ook meenemen in de begroting van volgend jaar. Het liefst zie ik het zo snel mogelijk opgelost. Het gaat mij erom dat we nu stappen gaan zetten.

Minister Moes:

Ik zou dit echt aan een volgend kabinet willen laten, want over kasschuiven gesproken: er schijnt heel veel geld naar OCW te gaan. Ik heb de middelen op dit moment niet. Ik kan ook niet een ordegrootte van dat bedrag zomaar regelen, zeker niet in de korte tijd die mij nog rest. Ik vind het echt aan een volgend kabinet om hier werk van te maken. Nogmaals, inhoudelijk vind ik 'm erg sympathiek, maar ik heb de middelen niet.

De voorzitter:

U heeft een tweede termijn, mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ja, dat weet ik, maar ik ga toch nog even iets zeggen, als dat van u mag.

De voorzitter:

Zeker.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik handhaaf dit amendement dan gewoon, want 27 miljoen op een begroting van 57 miljard lijkt mij niet het allergrootste probleem. Ik handhaaf dus graag dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 85 blijft gehandhaafd en houdt de appreciatie "ontraden".

Minister Moes:

Dat was het voor mij, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik nu de staatssecretaris uitnodigen. Voor het verwachtingsmanagement van de Kamer: heeft de staatssecretaris ook een inleiding en dan de appreciaties?

Staatssecretaris Becking:

Dank, voorzitter. Ja, ik zeg er iets over. Ik ben blij dat ik hier vandaag nog mag staan voor dit debat met uw Kamer. Ik heb een korte inleiding, dan vijf blokjes en dan volgen de amendementen. Allereerst ook mijn felicitaties voor de bevlogen maidenspeech van mevrouw Biekman van D66.

In de afgelopen periode heb ik veel mooie dingen gezien in de sector. Ik ben op scholen geweest waarop veel leerlingen extra ondersteuning krijgen en waarop het dagelijks alle hens aan dek is om iedereen bij de les te houden. Maar ik ben ook op scholen geweest waarop veel leerlingen juist extra uitdaging krijgen of waar ze topsporttalent ruim baan geven. Ik bezocht scholen die proefdraaien met AI in de klas, waardoor de leraar zijn lessen beter kan afstemmen op de leerlingen. En ik bezocht scholen waarop ze te dealen hebben met geweld onder jongeren. Van Beverwijk tot Bergen op Zoom tot Arnhem: de variëteit aan scholen is enorm. De uitdagingen waarmee ze te maken hebben, zijn zeer divers.

De scholen hebben allemaal gemeen dat er bevlogen mensen werken voor onze jongste generatie. Ik heb het over leraren, ondersteuners, schoolbestuurders en schoolleiders. Ik zag het plezier en de toewijding die ik van huis uit ken. Die mensen maken het onderwijs. Ik ben hun dankbaar voor de prettige samenwerking, net zoals ik dankbaar ben voor de samenwerking met al die partijen in en om het onderwijs. Ook wil ik via u, voorzitter, uw Kamer bedanken voor de weliswaar korte maar krachtige samenwerking van de afgelopen tijd.

Met onderwijs maken we het mogelijk dat we in vrijheid en verbondenheid samen kunnen leven. Dat is zeker in deze roerige tijden van groot belang. Het onderwijs werkt uiteraard aan het ontwikkelen van talent, zoals ook in het rapport-Wennink wordt benoemd. Het is een grote eer geweest om daaraan te mogen bijdragen. We kunnen het ons niet veroorloven om daar slordig mee om te springen. De toekomst van ons land vormen we met goed opgeleide doeners en denkers. De kwaliteit van het onderwijs hangt af van al die betrokken mensen. Zij verdienen onze steun. Het gaat namelijk op heel veel plekken goed. We moeten het beleid dus zodanig inrichten dat we hen helpen.

De heer Ergin van DENK vroeg mij naar een aantal successen van de afgelopen periode waar ik trots op ben. Ik ben blij dat we in de afgelopen periode de nieuwe kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs hebben kunnen opleveren. Die kerndoelen maken veel duidelijker wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Het is nu aan de scholen om hiermee verder aan de slag te gaan. We gaan ze daar uiteraard bij helpen.

In het nieuwe curriculum hebben de basisvaardigheden een belangrijke plek. Er is hard gewerkt aan het verbeteren van taal, rekenen, burgerschap en digitale geletterdheid. Scholen geven nu aan daar al de eerste effecten van te merken.

Ook goed doordachte digitalisering biedt grote kansen voor het onderwijs. Het is belangrijk om ervoor te zorgen dat leerlingen en leraren technologieën als AI goed leren begrijpen en in hun voordeel kunnen benutten. Digitalisering brengt risico's maar ook grote kansen met zich mee. Binnen het Nationaal Onderwijslab AI werken scholen en wetenschappers aan het verbeteren van onderwijskwaliteit met slimme technologie.

Om te bouwen aan het onderwijs voor de toekomst is goed en voldoende onderwijspersoneel nodig. Daar werken we aan met de lerarenstrategie. Afgelopen jaar steeg de instroom voor de pabo, zagen we meer zijinstromers en is een dekkend netwerk van onderwijsregio's gerealiseerd, waardoor er in het hele land loketten zijn voor het werken in het onderwijs, en is de meerjarige campagne Werken met de Toekomst gestart. Oftewel, er gebeurt heel veel moois in het onderwijs waar ik trots op ben. Daar moeten en kunnen wij als politiek vooral aan bijdragen. Ik wens de Kamer en mijn opvolging daarbij veel wijsheid en vooral leergierigheid toe.

Dan ga ik nu over op de beantwoording van de vragen, in aanvulling op de schriftelijke beantwoording. Dat doe ik dus in vijf blokjes. Het eerste blokje is het onderwijspersoneel. Daarna ga ik in op overhead en administratieve lasten, de inhoud van het onderwijs, kansen voor iedereen en veiligheid en welbevinden.

De voorzitter:

Dan stel ik voor dat we de vragen doen na afronding van een blokje. Dan weten we zeker dat de vragen zijn beantwoord. Daarna is er nog ruimte voor de laatste onduidelijkheden. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Eerst het blokje onderwijspersoneel. Voor goed onderwijs is goed onderwijspersoneel essentieel. Het is belangrijk dat het onderwijspersoneel verantwoordelijkheid neemt voor de kwaliteit van hun vak. Autonomie en vertrouwen zijn hierbij natuurlijk ook cruciaal; dat deel ik met de heer Claassen.

In reactie op de vraag van mevrouw Rooderkerk over de beroepsgroep zeg ik dat ik mij er zeker voor inzet om de vorming van de beroepsgroep te stimuleren. Dat biedt kansen voor de professionele ontwikkeling van leraren, en een stevige beroepsgroep is cruciaal voor een goed stelsel. Het is idealiter aan het veld zelf om tot een beroepsgroep te komen, maar we zien ook dat het lastig gaat. Wij zorgen daarom voor de goede randvoorwaarden. Ik vind het mooi dat daar ook in het nieuwe coalitieakkoord aandacht voor is.

In reactie op de vraag van mevrouw Beckerman over het voorstel voor meer middelen voor zijinstroom kan ik aangeven dat deze maatregel een belangrijk onderdeel is van de aanpak van het lerarentekort. Ik heb uw Kamer vorige week geïnformeerd over mijn reactie op dit actieplan.

Dan kom ik bij het blokje overhead en administratieve lasten.

De voorzitter:

Dat zijn korte blokjes; daar houdt deze voorzitter van. Ik kijk even rond om te zien of dit aanleiding geeft tot vragen. Nee? Gaat u verder.

Staatssecretaris Becking:

Ik deel de zorgen van de leden Rooderkerk en Raijer over de administratieve lasten in het onderwijs. Leraren ervaren veel werkdruk, mede als gevolg van onnodige administratieve taken. Dat is tijd die leraren dus niet kunnen steken in het verbeteren van het onderwijs. In het verminderen van administratieve lasten heeft iedereen een rol. Voor mij ligt er een rol om scholen duidelijk te maken wat strikt noodzakelijk is en bij nieuw beleid kritisch te kijken naar de impact op de werkvloer. Mede naar aanleiding van de motie-Moorman bekijk ik samen met de inspectie wat er aanvullend op de recent opgeleverde leidraad Ruimte in regels nog nodig is. Niet alle administratie is per definitie slecht. Veel administratieve taken zijn een nuttig en belangrijk onderdeel van het werk van een leraar.

Dan een reactie op de vraag van de heer Van Houwelingen over welk deel van de bekostiging naar salarissen naar onderwijspersoneel gaat. Ik kan aangeven dat ik het, net als u, belangrijk vind dat er meer inzicht komt in de hoeveelheid middelen die daadwerkelijk in de klas landen. Daarom heb ik u laten weten dat we werken aan normen voor overhead en onderwijspersoneel. Daar vallen salariskosten van docenten ook onder. Daarmee werken we aan transparantie voor zowel de school als de maatschappij als geheel. We willen dan ook voor alle schoolbesturen in kaart brengen hoeveel middelen naar het primaire proces gaan, niet slechts voor enkele maar voor alle. Om de cijfers hierover te kunnen geven moet er nog wel een aantal stappen worden gezet. Overigens, zeg ik erbij, is ons beeld niet dat uitgaven aan overhead in het funderend onderwijs veel hoger zijn dan in vergelijkbare sectoren. We zullen u voor de zomer informeren over de stand van zaken van dit traject.

De inhoud van het onderwijs is mijn derde blokje.

De voorzitter:

Volgens mij kunt u verder. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel. Sinds 2023 delen wij deze resultaten jaarlijks in de monitor basisvaardigheden. De meest recente monitor is op 4 december 2025 met uw Kamer gedeeld en de volgende verschijnt eind dit jaar.

Dan naar het techniekonderwijs. Techniek heeft nu al een belangrijke plek in het funderend onderwijs, zeg ik richting de heer Kisteman. Zo is er meer aandacht voor in de nieuwe kerndoelen en in de bovenbouw van de beroepsgerichte vakken in het voortgezet onderwijs. We geven techniek een modern en aantrekkelijk imago. Dit doen we mede met het structurele programma Sterk Techniekonderwijs, waarmee sinds 2018 100 miljoen per jaar geïnvesteerd wordt in techniek in het vmbo. Het NGF-programma Techkwadraat versterkt het techniekonderwijs in het primair onderwijs, en op havo en vwo. Hiervoor is geld beschikbaar tot 2023. Het is aan het nieuwe kabinet of en hoe dat structureel kan worden geborgd. Tot slot werken we de structurele verankering van de praktijkgerichte vakken op het vmbo en de havo verder uit.

Met betrekking tot kansen voor iedereen zeg ik tegen mevrouw Moorman, via u voorzitter, dat onderwijs zo veel meer is dan een productiemiddel, voor je basis als mens en je ontwikkeling als burger. In reactie op de vraag van mevrouw Moorman en de heer Kisteman over het Onderwijsresultatenmodel van de inspectie, zeg ik dan ook: kinderen mogen geen systeemslachtoffer worden; we willen dat kinderen op hun eigen niveau presteren. De signalen over het Onderwijsresultatenmodel zijn bekend. De inspectie is juist ook vanwege die signalen bezig met een herziening van dat model op basis van input uit het veld en de wetenschap. Het is wel van belang dat de inspectie onderwijsresultaten mee blijft wegen bij de beoordeling van scholen. Dat past ook bij het gevoel urgentie van uw Kamer met betrekking tot het verbeteren van de resultaten. Conform de motie-Kwint en de motie-Soepboer zullen de onderwijsresultaten wel minder zwaar meewegen in het oordeel van de inspectie.

In reactie op de vraag van mevrouw Van der Plas wil ik vervolgens benadrukken dat ik het praktijkonderwijs bijzonder waardevol en belangrijk vind. Onlangs zag ik dat ook tijdens een werkbezoek bij praktijkschool de Poort bij mij in de straat, hier in Den Haag. Hier zag ik hoe het onderwijs was toegesneden op de praktijkgerichte talenten van deze leerlingen. Op dit moment werken we aan verbeteringen van het praktijkonderwijs. Eerder deze maand is een regeling gepubliceerd die het samenwerken van alle scholen voor praktijkonderwijs met een vmbo-school voor een gezamenlijke onderbouwklas mogelijk maakt. Dat gaan we ook wettelijk vastleggen. We stimuleren hierbij ook het samenwerken tussen praktijkonderwijs en entreeopleidingen.

Mevrouw de voorzitter, mijn laatste blokje is veiligheid en welbevinden. De leden Armut, Stoffer en Ceder hebben gewezen op het rapport van de Onderwijsraad over welzijn. De Onderwijsraad wijst terecht op de bijdrage die goed onderwijs intrinsiek kan leveren aan betekenis, bezieling en welbevinden van leerlingen. Ook kan de school hieraan als gemeenschap een belangrijke bijdrage leveren, bijvoorbeeld multidisciplinaire teams op school. Uw Kamer krijgt in het voorjaar een beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad.

Naast welbevinden is veiligheid voor zowel leraren als leerlingen uiteraard een randvoorwaarde om tot leren te komen. Met de Wet vrij en veilig onderwijs zetten we daar ook op in, zeg ik tegen mevrouw Armut. Met het wetsvoorstel zorgen we dat scholen beter zicht hebben op de veiligheid op school, onder andere door het registreren van veiligheidsincidenten, zodat ze eerder en beter kunnen ingrijpen. Ook wordt het verplicht om een interne en externe vertrouwenspersoon te hebben, zodat personeel altijd weet bij wie het terecht kan in geval van onveiligheid. Het wetsvoorstel ligt in uw Kamer en ik hoop op een spoedige behandeling.

Voorzitter, hiermee ben ik aan het einde van mijn eerste termijn gekomen. Ik ga over tot de appreciatie van de amendementen.

De voorzitter:

Dat geeft aanleiding tot een vraag. Gaat uw gang, meneer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Ik had werkelijk waar geen idee bij welk blokje ik dit moest vragen, dus ik dacht: ik wacht wel tot het einde.

De voorzitter:

Dat is ook een manier.

De heer Kisteman (VVD):

Ja toch? Ik heb een vraag over de subsidies die we onder andere geven aan het LAKS, Ouders & Onderwijs et cetera. De staatssecretaris zegt in de beantwoording: ze hebben tal van activiteiten om hun achterban te informeren en te ondersteunen. Mijn vraag is: waarom kiezen we voor deze verenigingen of stichtingen et cetera en waarom niet voor de vele andere die er ook zijn? Waarom moeten die andere wel hun eigen broek ophouden en hoeven deze dat niet?

Staatssecretaris Becking:

Dat zijn de verenigingen waarmee we samenwerken en die een belangrijke rol vervullen. Zij hebben daarbij ook een opgave. Maar dat is niet in beton gegoten. Dit is nu de bestaande route. Ik kan niks zeggen over een eventueel vervolg, maar dit is niet iets wat voor de eeuwigheid vastligt.

De heer Kisteman (VVD):

Dus als ik het goed begrijp, zijn deze partijen bij toeval op het juiste moment bij het goede loketje geweest en hebben zij die subsidie gekregen en andere niet. Is dat een beetje hoe ik het moet zien of zit er een bepaalde gedachtegang achter het feit dat deze het geld wel krijgen en andere niet?

Staatssecretaris Becking:

Ik ken de hele geschiedenis niet, maar ik vermoed dat die partijen een zeker gewicht hebben in de vertegenwoordiging die ze voorstaan. Zij zijn uiteindelijk gesubsidieerd, maar dat is een levend iets. Dat kan ook veranderen. Dit zijn nu de partijen waarmee we werken. Maar goed, dan ga ik mezelf herhalen.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank voor de beantwoording. Mijn vraag gaat over de maatschappelijke diensttijd. We hebben daar al een schriftelijke beantwoording over gekregen. Daarin geeft de staatssecretaris aan dat de kwaliteit van de trajecten een belangrijk onderdeel is van het plan en dat het voornemen is om een nieuwe beoordelingssystematiek in te zetten om de projecten van hoge kwaliteit voorrang te geven. Maar het wordt mij nog niet duidelijk hoe de staatssecretaris dat wil inregelen en hoe hij specifiek rekening gaat houden met de borging van de continuïteit en kwaliteit van bestaande projecten.

Staatssecretaris Becking:

Ik denk dat het heel belangrijk is dat de kwaliteit van de dingen die goed gaan, wordt geborgd en dat er ook ruimte is voor nieuwe partijen. We zijn natuurlijk wat strenger geworden, omdat we ook signalen hebben gekregen dat het niet overal goed gaat en dat er niet overal sprake is van goed bestuur. Daarom hebben we de criteria aangescherpt. De kwaliteit en goede besteding van publiek geld staan voorop. Het gaat om substantieel geld. Dat is belangrijker geworden bij de toekenning. Dat doen we ook niet voor niks. Daar was aanleiding toe.

Mevrouw Armut (CDA):

Wij zien op dit moment dat de staatssecretaris vooral de drempels verhoogt. We gaan van 25% cofinanciering naar 30%, dus we zien dat de subsidieaanvraag op allerlei manieren moeilijker wordt gemaakt. Maar volgens mij zegt de staatssecretaris hier zelf ook dat het heel belangrijk is dat we de kwaliteit waarborgen en dat we specifiek de bestaande mdt-projecten vasthouden. Toch zien we dat die vaak worden afgewezen. Ik denk dat de staatssecretaris straks blij zal zijn met mijn motie, waarin ik specifiek aandacht vraag daarvoor.

De voorzitter:

Staatssecretaris, ik weet niet of u daar blij van wordt.

Staatssecretaris Becking:

Ik heb heel eerlijk gezegd geen vraag gehoord. Anders ga ik mijn beantwoording, datgene wat ik net zei, herhalen.

De voorzitter:

Gaat u dan vooral verder met de appreciatie van de … Mevrouw Moorman, gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik was rustig aan het afwachten. Ik had ook nog een vraag gesteld over de commerciële inhuur, maar ik heb daar geen antwoord op gekregen. Er gaat 450 miljoen per jaar naar commerciële inhuur om het lerarentekort op te vullen. Ik zou graag van de staatssecretaris horen wat hij daarvan vindt en of we dat niet zouden moeten beperken.

Staatssecretaris Becking:

Het zou mijn voorkeur hebben om dat inderdaad zo veel mogelijk te beperken. Ik denk wel dat dit uit nood geboren is, gegeven het tekort. Ik heb net in mijn spreektekst een aantal voorbeelden gegeven van hoe goed het gaat op het gebied van lerareninstroom bij de pabo's en op het gebied van zijinstroom. We hebben ook een campagne. Ik denk dat we op het ministerie en binnen het onderwijs echt alles op alles zetten om dit tot een minimum te beperken. Dat is hoe ik erover denk.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u nu vooral verder met de appreciatie van de ingediende amendementen.

Staatssecretaris Becking:

Dat is het amendement op stuk nr. 71. Dat ontraad ik.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 71 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

LBVSO heeft een belangrijke rol in de vertegenwoordiging van de leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs, maar het amendement gaat ervan uit dat het allerlei doelgroepen vertegenwoordigt en zelfs daarbuiten. Daarvoor zijn er natuurlijk andere vertegenwoordigers, die ook subsidie ontvangen, zoals JOB MBO en LAKS. De verhoging die hier wordt voorgesteld, leidt dan ook tot een dubbele financiering en nog meer drukte in het onderwijsveld. Ik ben daar dus niet voor. Daar komt nog bij dat LBVSO afgelopen jaren ook moeite had om de verleende subsidie uit te putten.

Het amendement op stuk nr. 73 moet ik ontraden. In het amendement wordt gevraagd om meevallers uit 2025 door te schuiven naar 2026. Het doorschuiven van meevallers is geen deugdelijke dekking, omdat deze meelopen via de eindejaarsmarge in de integrale voorjaarsbesluitvorming van 2026.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 73 krijgt de appreciatie: ontraden.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik hoorde de staatssecretaris net antwoorden over de zijinstromers. Daar heeft u vorige week een brief over gestuurd. De Kamer heeft gezegd: hé, we hebben zo'n ontzettend groot tekort aan leraren. Er ligt nu een plan van de AOb om te zorgen dat het aantrekkelijker wordt om in te stromen in het onderwijs en tegelijkertijd je diploma's te halen. Dan zegt de staatssecretaris in reactie op een aangenomen voorstel: daar is geen geld voor. Van een amendement om daar in ieder geval mee te beginnen, wordt zomaar gezegd: dat doen we niet. Kan de staatssecretaris de Kamer niet meer tegemoetkomen, gezien deze brede wens, ook uit de Kamer?

Staatssecretaris Becking:

Ik heb volgens mij nu twee keer uit de doeken gedaan wat we allemaal doen om de zijinstroom te bevorderen, het aantal leraren te bevorderen et cetera, et cetera. Ik ontraad het omdat er gewoon geen deugdelijke dekking voor is. Dat kan gewoon niet. Ik kan daar dus nog heel veel woorden aan gaan wijden, maar dat wil ik eigenlijk niet doen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Tegelijkertijd stuurt deze staatssecretaris de Kamer een brief van: hé, we zouden de motie voor zijinstromers wel willen uitvoeren, maar er is onvoldoende geld voor. Kom de Kamer dan ook tegemoet en kijk wat wél een deugdelijke dekking is. Want wij zien dat er vorig jaar geld is overgebleven op de begroting. We zien ook dat nog steeds heel veel leerlingen geen leraar of een onvoldoend bevoegde leraar voor de klas hebben. Ik zou dan ook iets meer flexibiliteit van het kabinet verwachten om te kijken hoe we nou tot een deugdelijke dekking komen, want deze zijinstromers hebben we heel hard nodig.

Staatssecretaris Becking:

Ik begrijp wat mevrouw Beckerman zegt, maar ik denk niet dat ik nu in de positie ben om zelf met voorstellen te komen. Anderzijds zou ik ook zeggen: het is niet meer aan mij om dat te doen maar aan mijn opvolger.

Mevrouw Beckerman (SP):

Over dat laatste wil ik toch iets zeggen, want: wat zijn we dan nog aan het doen? Dat maakt het wel ingewikkeld. Ik snap dat deze bewindspersonen heel kort zitten, maar we hebben gewoon altijd een kabinet. Dit kabinet zit er op dit moment. We behandelen begrotingen. Dat gaat wel ergens over. Dat wil ik toch wel meegeven. Ik snap de gevoelens van de bewindspersonen heel goed, maar kom op: dit is een begroting die ook gewoon gaat gelden. Daar moeten we serieus over kunnen debatteren, ook in verband met het budgetrecht.

Staatssecretaris Becking:

Ik ben het daar helemaal mee eens, maar als er geen deugdelijke dekking is, dan is er geen deugdelijke dekking. Of ik hier nou in de laatste week sta of niet, dat zou in een missionaire fase ook het geval zijn.

De voorzitter:

Maar wellicht kunt u in de fase waarin het kabinet zich bevindt, toch met mevrouw Beckerman kijken, al gaat u koffiedrinken, of er een andere vorm van dekking mogelijk is. Misschien ga ik nu een beetje de grens over, maar ik ben wel ook hier voor de Kamer, en ik zie wat mevrouw Beckerman aan het doen is. Ook snap ik dat het kabinet er nog steeds zit en dat we ook nu het debat met elkaar te voeren hebben. Mevrouw Beckerman knikt.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ja, we kunnen kijken wat we kunnen wijzigingen aan het amendement. Zolang dat niet zo is, blijft het staan zoals het er nu staat. We zullen koffiedrinken tot we stuiteren.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Staatssecretaris Becking:

Voorzitter. Ik kom bij het amendement op stuk nr. 77. Het amendement gaat in de toelichting uit van een aanvulling van het subsidiebedrag in 2026 en daaropvolgend een structurele voortzetting en verhoging van de subsidie voor het Nationaal Onderwijsmuseum. De dekking ziet echter alleen op de aanvullende middelen voor 2026. De subsidie wordt per 2027 beëindigd. In dit amendement ontbreken de middelen voor de jaren na 2026, ruim €900.000 per jaar. Het eerdere besluit om de subsidie aan het Onderwijsmuseum te beëindigen, berust onder meer op de financieel kwetsbare situatie waarin het museum zich bevindt, zoals ik ook in mijn brief uiteen heb gezet. Daarom ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 77 krijgt de appreciatie: ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 78: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 78 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Het doorschuiven van meevallers uit de Najaarsnota is geen deugdelijke dekking, omdat deze meelopen via de eindejaarsmarge in de integrale voorjaarsbesluitvorming. Het is aan een volgend kabinet om deze bezuiniging al dan niet te handhaven.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik kom nu een beetje in dezelfde situatie terecht als mevrouw Beckerman. Sowieso bespreken wij dit nu heel laat; het is allang ingegaan. We zien ook dat er straks een nieuw coalitieakkoord ligt, dat deze gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen weer terug gaat brengen. Ik vind het eigenlijk nogal ondeugdelijk om daar een gat in te laten ontstaan. Ik vind het ook nogal ondeugdelijk om onderwijsgeld in de algemene middelen terug te laten vallen. Hier maak ik dus precies hetzelfde punt als mevrouw Beckerman: het budgetrecht ligt toch echt hier bij de Kamer.

Staatssecretaris Becking:

Dat betwist ik niet, maar op deze manier kan het niet. In 2028 wordt het wel geregeld. Voor 2026 zou dat niet meer geregeld kunnen worden, zeg ik via u, voorzitter. Voor 2027 is het eigenlijk niet uitvoerbaar om dat nu nog te gaan doen. Ik denk dus dat we eigenlijk de goede weg op werken, maar het kan niet nu op deze termijn.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Nu raak ik in de war, want het lijkt alsof de staatssecretaris … Wat hij in het laatste punt zegt, gaat over een ander amendement, namelijk het amendement op stuk nr. 86. Dit ging over de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen.

Staatssecretaris Becking:

Ja, het amendement op stuk nr. 78.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Het amendement op stuk nr. 78. Dat wordt gedekt …

Staatssecretaris Becking:

Excuus. Ja, dat klopt. Ik haal ze door elkaar.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ja, en mijn punt is dus inderdaad dat het geld vorig jaar niet opgemaakt is; er is dus geld over. Ik ken de begrotingsregels. Tegelijkertijd zitten we al ver in het jaar. Wij vragen hier nu als Kamer: kunnen we het geld dat nog over was niet gewoon naar de gemeentelijke onderwijsachterstandsmiddelen laten gaan, in plaats van ze vrij te laten vallen in de algemene middelen? Dit temeer daar we die volgend jaar wel weer gaan opplussen en het dus jojobeleid wordt, waar de staatssecretaris net van heeft gezegd dat het onwenselijk is in het onderwijs.

Staatssecretaris Becking:

Maar dan gaan we toch regels betwisten die je volgens mij niet kan betwisten. Daar kan ik dus welwillend over zijn, maar volgens mij is die ruimte er niet.

De voorzitter:

Afrondend op dit punt.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Het kan natuurlijk wél! Het gaat om willen.

De voorzitter:

Dit wordt een interessante welles-nietesdiscussie. Ik denk dat de staatssecretaris het standpunt van daarnet gaat herhalen.

Staatssecretaris Becking:

Ja, wellicht kan ik daar in tweede termijn nog iets extra's over zeggen; dan doe ik dat graag.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik sluit me hierbij aan. Het is natuurlijk enorm zonde als we dit laten gebeuren en we zien dat we het volgend jaar willen herstellen. Ik heb een verhelderende vraag daarbij. Ik hoor de staatssecretaris namelijk zeggen: die dekking kan niet volgens de regels. Maar is het ook zo dat dit geld al is uitgegeven of al terug is gegaan naar de begroting? Of is het in principe wel echt geld dat er nog is?

Staatssecretaris Becking:

Mag ik op beide punten ook in tweede termijn terugkomen?

De voorzitter:

Dat mag wat mij betreft zeker.

Staatssecretaris Becking:

Dan doe ik dat graag.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik wil dus graag wat meer duidelijkheid over de vraag of het geld is dat echt niet meer te besteden is omdat het al elders is ingezet, of dat we, als de Kamer dat zou wensen, hiermee wel dit amendement zouden kunnen aannemen.

Staatssecretaris Becking:

Dat begrijp ik. Ja, daar kom ik op terug.

De voorzitter:

Ja, graag.

Staatssecretaris Becking:

Het amendement op stuk nr. 79: ontraden. Het is een sympathiek idee, maar een reiskostenvergoeding voor het praktijkonderwijs betekent … Er zijn meer groepen leerlingen die stage lopen voor hun opleiding, bijvoorbeeld leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs of het vmbo. Daarmee is er geen goede inhoudelijke reden om dit alleen voor leerlingen in het praktijkonderwijs te doen. Daarbij ontvangen ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs tot 18 jaar een kinderbijslag en is het onderwijs gratis. Dat geldt niet voor ouders waarvan de kinderen stage lopen in het vervolgonderwijs. Het amendement op stuk nr. 79 wordt dus ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 79 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Dan komen we bij het amendement op stuk nr. 86 van Moorman en Patijn. Dat wordt ontraden. Ik ondersteun wel het idee om de bedragen binnen de nieuwkomersregeling in het basisonderwijs eerder dan in 2028 deels gelijk te trekken; ik zei hier zojuist al iets over. Maar de aanpassing van die bedragen is gekoppeld aan een systeemwijziging om de bekostiging voortaan ambtshalve aan scholen toe te kennen in plaats van op aanvraag. Deze wijziging vraagt een zorgvuldig proces. De benodigde systeemwijziging is voorzien in 2028. Versnellen is uitvoeringstechnisch niet mogelijk. Daarom ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 86 krijgt de appreciatie: ontraden.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik zou hier graag extra toelichting op willen, want die kinderen zitten daar nu. Dat zijn 50.000 kinderen; dat zijn kinderen van arbeidsmigranten uit Europa, die vaak met een enorme achterstand op school aankomen. Daarmee hebben de scholen dus ook een enorme taak. Wat is er uitvoeringstechnisch nou zo ingewikkeld dat dat geld, dat in 2028 wel komt, gewoon niet nu al naar die scholen kan gaan? We zien dit probleem allemaal en we willen het allemaal oplossen. Waarom gaan we hier nou een gat van twee jaar laten ontstaan?

Staatssecretaris Becking:

Ik zal nog even nader moeten navragen waarom dit uitvoeringstechnisch dan zo ingewikkeld is. De overbrugging waar we het over hebben, begrijp ik helemaal, maar ik kom hier graag op terug in de tweede termijn.

De voorzitter:

Akkoord. Voor de administratie van eenieder: er was ook nog een amendement-Ceder/Van der Burg op stuk nr. 38, maar dat heeft eerder in een WGO al de appreciatie oordeel Kamer gekregen.

Volgens mij zijn wij nu aan het einde gekomen van de eerste termijn van het kabinet. Ik stel voor dat wij direct doorgaan met de tweede termijn van de Kamer. Daarvoor nodig ik heel graag mevrouw Biekman uit, die spreekt namens de fractie van D66.

Termijn inbreng

Mevrouw Biekman (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil allereerst de collega's bedanken voor de warme felicitaties en het warme welkom hier. Ik heb nog slechts één verhelderende vraag voor de minister. Ik hoorde u zojuist zeggen dat het belang van de tekortsectoren boven het individueel belang en de keuzevrijheid van de studenten gaat. Ik zou daar graag een verheldering van krijgen, want individuele keuzevrijheid is natuurlijk geen luxeproduct.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Rooderkerk, die ook spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil beginnen met het bedanken van de bewindspersonen die hier nu zijn, met name de heer Becking, met wie ik de afgelopen periode veel heb mogen samenwerken. Veel dank voor de prettige samenwerking. Hoewel het qua begroting wellicht niet was wij wilden, heb ik die samenwerking als prettig ervaren.

Ik wil graag een motie indienen voor de invulling van het geld dat beschikbaar gaat komen om leraren beter op te leiden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het coalitieakkoord Aan de slag wordt voorgesteld leraren aantoonbaar meer tijd te geven voor professionele ontwikkeling;

overwegende dat de belangrijkste factor voor het vergroten van onderwijskwaliteit bestaat uit de vakinhoudelijke kennis en pedagogisch-didactische vaardigheden van leraren onder professioneel onderwijskundig leiderschap van een schoolleider;

overwegende dat het van grote waarde is om deze professionele ontwikkeling in teamverband vorm te geven, zodat specialisatie mogelijk wordt en kennisuitwisseling binnen het lerarenteam wordt gestimuleerd;

overwegende dat draagvlak bij de beroepsgroep onmisbaar is bij het realiseren en benutten van meer tijd voor professionele ontwikkeling;

verzoekt de regering zo snel mogelijk met de beroepsgroep in gesprek te gaan over de vormgeving van de tijd voor professionele ontwikkeling in teamverband en daarbij heldere doelen te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Moorman, Armut en Boomsma.

Zij krijgt nr. 89 (36800-VIII).

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik wil alleen maar zeggen dat ik ernaar uitkijk om met alle partijen in de Kamer te gaan werken aan investeringen in het onderwijs.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Kisteman. Hij spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.

De heer Kisteman (VVD):

Wij gaan aan de slag en de bewindslieden zijn bijna klaar. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er jaarlijks 4 miljoen euro gaat naar leerlingen- en ouderorganisaties die de belangen van die groepen in het onderwijs vertegenwoordigen;

overwegende dat leerlingen en ouders cruciaal zijn in het stelsel van onderwijs en dat dus ondersteuning aan die organisaties rechtvaardig en belangrijk is;

constaterende dat sommige organisaties wel en andere organisaties geen aanspraak maken op het bestaande budget;

verzoekt de regering te onderzoeken waarom deze organisaties deze instandhoudingssubsidies ontvangen en hoe andere organisaties ook aanspraak kunnen maken op het bestaande budget, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling van 2027 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kisteman.

Zij krijgt nr. 90 (36800-VIII).

Dank u wel.

De heer Kisteman (VVD):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Rajkowski. Zij spreekt namens dezelfde fractie, namelijk de VVD. Gaat uw gang.

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer al diverse moties heeft aangenomen op het gebied van veiligheid in het hoger onderwijs en op hogeronderwijsinstellingen, zoals de motie op stuk nr. 1216 (31288) en de motie op stuk nr. 1217 (31288);

overwegende dat de fysieke, digitale en sociale veiligheid onder druk blijven staan in het hoger onderwijs, bijvoorbeeld door de toegenomen onveiligheid van Joodse studenten en medewerkers;

verzoekt de regering om een nulmeting van het veiligheidsbeleid in het hoger onderwijs uit te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski en Boomsma.

Zij krijgt nr. 91 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het mbo-onderwijs kampt met dalende studentenaantallen en een verouderd financieringsmodel;

overwegende dat de Nederlandse arbeidsmarkt het mbo-talent nodig heeft voor onder andere de zorg, de bouw, de energietransitie en de digitaliseringsopgave;

verzoekt de minister een analyse te maken van de verwachte inschatting van de instroom van studenten op het mbo voor de korte en middellange termijn, hierbij specifiek het rapport van de staatscommissie voor demografie mee te nemen en de verwachte ontwikkelingen in tekortsectoren;

verzoekt de minister te onderzoeken welke maatregelen effectief zijn om de instroom richting deze sectoren te bevorderen en zich hierbij niet te laten beperken tot de huidige taboes,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rajkowski en Boomsma.

Zij krijgt nr. 92 (36800-VIII).

Mevrouw Rajkowski (VVD):

Dan had ik nog één vraag over het stukje veiligheid, waar we schriftelijk antwoord op hebben gekregen. Nummer 11 of 12 was het, zeg ik uit mijn hoofd. Ik stelde de vraag: in hoeverre krijgen universiteiten of andere onderwijsinstellingen de informatie op het moment dat hun eigen studenten op hun eigen onderwijsinstellingen strafbare feiten hebben gepleegd? Nu ik het heb gelezen, begrijp ik hoe het juridisch in elkaar zit, maar wat ik eigenlijk wil weten is meer gericht op de praktijk. Krijgen deze onderwijsinstellingen de gegevens ook actief of moeten ze daar zelf om vragen met allerlei aanvraagformulieren, dossiers et cetera?

Dank je wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Moorman. Zij spreekt namens de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Inspectie van het Onderwijs scholen in het voortgezet onderwijs beoordeelt op basis van het Onderwijsresultatenmodel met de indicatoren doorstroom in de onderbouw en bovenbouw, eindexamencijfers en positie ten opzichte van het basisschooladvies;

overwegende dat scholen die inclusief onderwijs bieden relatief meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften hebben en hierdoor onbedoeld lager kunnen scoren binnen dit model;

overwegende dat inclusief onderwijs niet ontmoedigd mag worden door perverse prikkels in de beoordeling van scholen;

verzoekt de regering de Inspectie van het Onderwijs bij de herziening van de onderzoekskaders de opdracht mee te geven om de kaders zo aan te passen dat het bieden van inclusief onderwijs niet nadelig uitwerkt voor de beoordeling van scholen, en de Kamer hier voor de behandeling van de begroting van 2027 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Westerveld, Armut, Stoffer, Rooderkerk en Ceder.

Zij krijgt nr. 93 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Kamerbreed is uitgesproken dat de afhankelijkheid van commerciële detacherings- en uitzendbureaus in het onderwijs onwenselijk is en dat onderwijsregio's zelf publieke invalpools kunnen organiseren;

constaterende dat hiervan in meerdere regio's al succesvolle voorbeelden bestaan;

overwegende dat in 2023 in het primair onderwijs circa 245 miljoen en in het voortgezet onderwijs circa 205 miljoen werd uitgegeven aan commerciële inhuur van leraren;

overwegende dat publiek onderwijsgeld zo veel mogelijk ten goede moet komen aan het onderwijs en de positie van leraren;

verzoekt de regering om bindende afspraken te maken met het onderwijsveld om commerciële inhuur stapsgewijs af te bouwen, publieke invalpools in alle onderwijsregio's te versterken en te borgen dat scholen per schooljaar 2028-2029 uitsluitend gebruikmaken van publieke invalpools,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Beckerman.

Zij krijgt nr. 94 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aankomende kabinet voornemens is om een staatscommissie in te stellen die de crisis in de leerprestaties van onze leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen gaat onderzoeken;

overwegende dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat leerprestaties van kinderen mede worden beïnvloed door hun thuissituatie, sociaal-economische achtergrond, deelname aan voorschoolse educatie en het moment van selectie in het onderwijs;

verzoekt de opdracht aan de staatscommissie te verrijken met een analyse van de oorzaken van verschillen tussen scholen en leerlingen en daarbij in ieder geval het effect van voor- en vroegschoolse educatie, kinderopvang en vroegselectie mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman en Ergin.

Zij krijgt nr. 95 (36800-VIII).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er door het aankomende kabinet voor is gekozen om een minister en een staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te stellen;

overwegende dat het nog niet duidelijk is hoe de portefeuilles verdeeld worden over de minister en de staatssecretaris;

overwegende dat funderend onderwijs in de portefeuilleverdeling van bewindspersonen altijd ondergeschikt wordt gemaakt aan hoger onderwijs, hetgeen de indruk wekt dat hoger onderwijs belangrijker wordt gevonden;

overwegende dat juist in het funderend onderwijs veel problemen spelen die met prioriteit moeten worden opgelost;

verzoekt de regering om funderend onderwijs in de verdeling van portefeuilles niet ondergeschikt te maken aan het hoger onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Stoffer en Claassen.

Zij krijgt nr. 96 (36800-VIII).

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Tseggai, die ook spreekt namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Drie moties van mijn zijde.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het in een krappe arbeidsmarkt inefficiënt is als mbo-studenten en zijinstromers opnieuw examens moeten doen terwijl zij al aantoonbaar beschikken over basisvaardigheden in Nederlands, Engels en/of wiskunde;

constaterende dat zijinstromers hierdoor onnodige drempels ervaren bij het afronden van hun opleiding, wat leidt tot demotivatie, vermijdbare uitval en vertragingen, juist in sectoren met grote arbeidstekorten;

overwegende dat onder meer de MBO Raad, JOBmbo, NRTO, VNO-NCW en MKB-Nederland hebben verzocht om aanpassing van het vrijstellingenbeleid van de generieke vakken;

overwegende dat de examencommissie een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van vrijstellingsaanvragen en daarmee de diplomawaarde geborgd blijft;

verzoekt de regering het vrijstellingenbeleid voor generieke examens in het mbo te verruimen, conform eerdere voorstellen van betrokken onderwijspartijen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.

Zij krijgt nr. 97 (36800-VIII).

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dan de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat nog steeds een deel van de studenten geen stagevergoeding ontvangt;

overwegende dat in het coalitieakkoord Aan de slag is opgenomen dat een wettelijk verplichte stagevergoeding wordt ingevoerd;

overwegende dat er nu een Kamermeerderheid is die voorstander is van de invoering van een wettelijke stagevergoeding;

overwegende dat het voorbereidende werk voor deze wet reeds door de demissionaire regering is verricht en er een verkenning ligt met een aantal te maken afwegingen;

spreekt uit dat de Kamer de geschetste afwegingen zo snel mogelijk moet bespreken;

verzoekt de regering daarna voortvarend te starten met het opstellen en indienen van de wet die voorziet in een wettelijk verplichte stagevergoeding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.

Zij krijgt nr. 98 (36800-VIII).

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mbo-studenten alleen bij hoge uitzondering restitutie van cursus- of lesgeld krijgen als zij vroegtijdig stoppen met hun studie, terwijl hbo- en wo-studenten automatisch en zonder voorwaarden hun collegegeld terugkrijgen;

constaterende dat mbo-studenten een gelijkwaardige behandeling zouden moeten krijgen als het aankomt op de restitutie van het cursus- of lesgeld;

verzoekt de regering het mogelijk te maken dat per schooljaar 2027-2028 mbo-studenten op dezelfde wijze restitutie van hun cursus- of lesgeld ontvangen als bij het collegegeld van hbo- en wo-studenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.

Zij krijgt nr. 99 (36800-VIII).

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Abdi, die ook spreekt namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Dank. Ik wil ook de bewindslieden bedanken voor hun tijd. Ik heb een tweetal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leden van de raad van toezicht van universiteiten door de minister van OCW worden benoemd, geschorst en ontslagen, en dat de minister de raad van toezicht van hogescholen een aanwijzing kan geven;

van mening dat de ministeriële stelselverantwoordelijkheid voor hogescholen en universiteiten niet mag betekenen dat de minister politiek gemotiveerde invloed kan uitoefenen op hogeronderwijsinstellingen;

verzoekt de regering om de institutionele onafhankelijkheid van hogeronderwijsinstellingen te waarborgen en daarvoor wetsvoorstellen aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.

Zij krijgt nr. 100 (36800-VIII).

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat wordt ingezet op een structurele investering in onderzoek en wetenschap richting de Lissabondoelstelling van 3% van het bbp aan publieke en private R&D-investeringen;

van mening dat helderheid over de overheidsbijdrage aan investeringen in wetenschap en innovatie noodzakelijk is;

verzoekt de regering om binnen de 3%-doelstelling expliciet in kaart te brengen welk aandeel noodzakelijk is voor publieke wetenschappelijke investeringen, daarbij inzichtelijk te maken welke gevolgen recente bezuinigingen hebben voor het behalen van dit wetenschappelijke aandeel en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.

Zij krijgt nr. 101 (36800-VIII).

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter. Als u 't mij toestaat, heb ik nog een vervolgvraag aan de minister naar aanleiding van de vragen die ik heb gesteld over de financiering en de rol daarvan bij de onafhankelijkheid van onderzoek. Ik vond de beantwoording een beetje algemeen. Mijn vraag aan de minister is: kan hij inzichtelijk maken wat voor rol dit speelt bij onderzoek, zeker als het gaat om privaat of buitenlands geld? In hoeverre bestaat hier een overzicht van? Kan hij dat overzicht dan misschien aan de Kamer doen toekomen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Raijer van de PVV. Gaat uw gang.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties. Ik wil de bewindslieden bedanken voor hun antwoorden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Joodse studenten op scholen en universiteiten structureel worden geconfronteerd met intimidatie, bedreiging en onveiligheid;

overwegende dat falend bestuur in het onderwijs directe gevolgen heeft voor de veiligheid van Joodse studenten;

verzoekt de regering onderwijsinstellingen te verplichten bij antisemitische incidenten onmiddellijk disciplinaire maatregelen te nemen, waaronder schorsing of verwijdering, en instellingen die hierin nalatig zijn financieel en bestuurlijk te sanctioneren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.

Zij krijgt nr. 102 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat recente uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens de druk vergroten om islamitische gebedsruimtes in openbare scholen te normaliseren;

overwegende dat het openbaar onderwijs niet dient te worden ingezet als instrument om islamisering via het onderwijs te bevorderen;

verzoekt de regering islamitische gebedsruimtes binnen scholen, in het bijzonder in het openbaar onderwijs, wettelijk te verbieden en de Inspectie van het Onderwijs te belasten met de handhaving hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Raijer en Wilders.

Zij krijgt nr. 103 (36800-VIII).

De heer Ergin heeft nog een vraag, mevrouw Raijer. Wilt u nog even terugkomen?

De heer Ergin (DENK):

Als ik het goed begrijp, stelt de PVV nu voor om het onmogelijk te maken dat het islamitische gebed op scholen door kinderen wordt uitgeoefend. Alleen, in de wet — we hebben in Nederland gelukkig de wet — over primair en voortgezet onderwijs staat dat er ruimte moet zijn voor alle levensbeschouwelijke opvattingen en dat er respect moet zijn voor de identiteit van de leerlingen. Ik vraag me dus af wat mevrouw Raijer hier aan het doen is. Dient ze een motie in voor de show, om te kunnen zeggen: kijk wat voor lelijke moties wij over moslims indienen? Of zegt ze eigenlijk dat we in Nederland de wet niet moeten toepassen als het om moslims gaat?

Mevrouw Raijer (PVV):

Nee, we vinden dat het islamitische gebed helemaal niet thuishoort in een school, met name niet in het openbaar onderwijs. Dat moeten namelijk gewoon neutrale scholen zijn.

De heer Ergin (DENK):

Dat zegt de wet dus ook. Tegelijkertijd zegt de wet dat je ook ruimte moet geven aan religieuze leerlingen, dat je respect moet hebben voor de levensbeschouwelijke opvattingen van de leerlingen. Ik probeer deze motie te plaatsen in dat licht. De wet is dus duidelijk. Die zegt dat het mag. Ik ben benieuwd waarom de PVV nu opeens met een motie komt die zich specifiek op moslimkinderen richt. Ik begrijp dat gewoon niet. Ik vraag daarover nadere uitleg.

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik zal het u nog eens duidelijk uitleggen: wij vinden dat islamitische gebedsruimten niet in het openbare onderwijs thuishoren. Daarbij kent u ons standpunt wat betreft de islam, namelijk dat die niet onze normen en waarden deelt. Daar zult u het mee moeten doen.

De voorzitter:

Meneer Ergin, afrondend op dit punt.

De heer Ergin (DENK):

Ik ga een conclusie trekken. Gelukkig bepaalt niet de PVV wat wel of niet kan in dit land; dat doet de wet. En de wet is heel duidelijk. Die zegt dat iedereen in dit land die ruimte heeft. Ik heb de beantwoording van de minister ook gehoord. De minister zegt heel duidelijk dat die ruimte er is. Ik ben daar blij mee. Ik ben trots op al de leerlingen van de 180 scholen die gewoon voor hun rechten opkomen, ondanks de PVV.

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik hoorde geen vraag.

De voorzitter:

Dan gaan we verder naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Armut, die spreekt namens het CDA.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de inspectie werkt met het Onderwijsresultatenmodel;

constaterende dat een van de vier indicatoren in het Onderwijsresultatenmodel de positie is van de leerling in leerjaar 3 in het voortgezet onderwijs ten opzichte van het basisschooladvies;

constaterende dat als de positie van de leerling anders is dan het basisschooladvies dit tot een negatieve(re) score voor de middelbare school kan leiden;

overwegende dat er gegronde redenen kunnen zijn waarom er gekozen wordt voor een praktische opleiding of anderszins passende onderwijsroute;

overwegende dat in 2027 een grondige herziening van de onderzoekkaders en hierdoor ook van het Onderwijsresultatenmodel gepland staat;

verzoekt de regering bij de herziening van de onderzoekkaders en het Onderwijsresultatenmodel het feit dat de keuze voor een andere onderwijsroute kan leiden tot een negatieve(re) score mee te nemen en te onderzoeken of dit kan worden bijgesteld in de nieuwe onderzoekkaders,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Rooderkerk, Boomsma, Beckerman, Claassen, Ceder en Moorman.

Zij krijgt nr. 104 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de door OCW gehanteerde financiële subsidie-eisen voor de maatschappelijke diensttijd (mdt) 2025 in de praktijk hebben geleid tot uitsluiting van met name anbi-organisaties en andere maatschappelijke organisaties met beperkt eigen vermogen;

constaterende dat er in 2025 van de 281 ingediende aanvragen voor mdt-subsidie slechts 85 aanvragen zijn gehonoreerd en 196 zijn afgewezen, waaronder aanvragen van organisaties die sinds 2018 onderdeel uitmaken van het mdt-netwerk;

overwegende dat mdt zich heeft bewezen als investering in sociale samenhang, burgerschap en talentontwikkeling van jongeren, en dat de Rijksoverheid de afgelopen jaren heeft geïnvesteerd in de opbouw van een landelijk dekkend, duurzaam en weerbaar mdt-netwerk;

overwegende dat de continuïteit van ervaren en kwalitatieve mdt-aanbieders en samenwerkingsverbanden van groot belang is voor het behoud van dit netwerk en voor het aanbod van mdt-trajecten aan jongeren;

verzoekt de regering om bij de vormgeving van het subsidiekader voor de Subsidieregeling MDT voor 2026 en volgende jaren het mdt-netwerk op basis van kwaliteit expliciet te borgen, en daarbij maatregelen op te nemen die de continuïteit van bewezen kwalitatieve mdt-projecten en samenwerkingsverbanden waarborgen met aandacht voor landelijke spreiding, en een substantieel deel van het beschikbare budget te reserveren voor bestaande mdt-uitvoerders, met daarnaast ruimte voor nieuwe initiatieven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Armut en Ceder.

Zij krijgt nr. 105 (36800-VIII).

Mevrouw Armut (CDA):

Dank u wel.

De voorzitter:

U kunt ademhalen en mevrouw Moorman heeft een vraag voor u.

Mevrouw Armut (CDA):

Ja, ik moest heel snel vanwege de tijd.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik snap die laatste motie, over de maatschappelijke diensttijd, heel goed, met daarbij de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat zo goed mogelijk terechtkomt. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er hele grote regionale verschillen zijn. In Limburg en Zeeland was het bijvoorbeeld eigenlijk nul, terwijl er in Zuid-Holland en Noord-Holland juist heel veel trajecten waren. Is dan niet het risico dat je die verschillen in stand houdt op het moment dat je dit gaat borgen, het "al bewezen effectief"?

Mevrouw Armut (CDA):

Dat is een hele begrijpelijke vraag van mevrouw Moorman. Volgens mij maakt ze zich er terecht zorgen over of het wel echt een regionaal dekkend netwerk is. Dat is echt de insteek en dat is ook altijd het uitgangspunt geweest, maar je ziet inderdaad dat het in sommige provincies wat moeilijker is. Wel ben ik het er helemaal mee eens dat er ook in Oost-Groningen en Zeeland een mogelijkheid moet zijn om een maatschappelijke diensttijd te hebben, dus ik heb dat ook toegevoegd aan het dictum van de motie. Ik hoop dat het daarbij dus de blijvende aandacht van het ministerie heeft.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Armut (CDA):

Dan zou ik nog terugkomen — dat doe ik in mijn laatste seconde — op de vraag wat er is afgesproken over de Wet toezicht informeel onderwijs. Daarover kan ik zeggen dat het voorstel niet in zijn huidige vorm naar de Kamer zal komen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik gaf net te veel ruimte, merk ik. De heer Ergin, u was er als eerste.

De heer Ergin (DENK):

Voor de goedwillende verstaander lijkt "niet in de huidige vorm" iets positiefs, maar als je goed luistert, zegt mevrouw Armut eigenlijk dat er wel een vorm van wetgeving voor toezicht op informeel onderwijs gaat komen. Klopt dat?

Mevrouw Armut (CDA):

Ik ben blij dat de heer Ergin nog even doorvraagt. Ik had namelijk geen tijd meer, maar kan er nu wat langer bij stilstaan. De wet is nooit ingediend; die is in internetconsultatie gegaan. De heer Ergin stond zelf ook al stil bij wat de reacties waren. Ik zeg dus: in de vorm zoals die in internetconsultatie is gegaan, zal die niet naar de Kamer gaan, omdat het kabinet aan de slag gaat met een nieuw voorstel.

De heer Ergin (DENK):

Wat zal er dan anders zijn aan dat nieuwe voorstel? Wat verwacht het CDA er althans van, zou ik aan mevrouw Armut willen vragen.

Mevrouw Armut (CDA):

In zo'n nieuw voorstel, waar het kabinet dus mee aan de slag moet gaan, zal worden gewerkt aan specifieke wetgeving om beïnvloeding uit onvrije landen tegen te gaan. Dat is dus anders dan in de wet die in internetconsultatie is gegaan. Het is aan een nieuw kabinet om uiteindelijk dat voorstel te maken. Dat zal dus niet de Wet toezicht informeel onderwijs zijn omdat die hele grote delen van het maatschappelijk leven, zoals de scouting, zondagsscholen en activiteiten van politieke jongerenorganisaties zou onderwerpen aan toezicht. De wet komt dus niet in die vorm, maar het kabinet gaat aan de slag met een andere vorm.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar uw collega mevrouw Straatman. Zij spreekt namens het CDA.

Mevrouw Straatman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb ook twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de huidige onderwijswetgeving ertoe leidt dat hbo-bachelors die een wo-master willen volgen om onduidelijke redenen geen recht hebben op een extra jaar basisbeurs terwijl dit omgekeerd wel het geval is;

overwegende dat de Centrale Raad van Beroep in een uitspraak over deze situatie heeft aangegeven dat sprake is van "een onvolmaakt systeem", maar dat het aan de wetgever is om deze situatie te veranderen;

verzoekt de regering een wetswijziging te verkennen die deze ongelijkheid wegneemt en ervoor zorgt dat hbo-bachelors die een wo-master willen volgen hetzelfde recht op studiefinanciering krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Rooderkerk, Abdi, Rajkowski, Claassen en Boomsma.

Zij krijgt nr. 106 (36800-VIII).

Mevrouw Straatman (CDA):

Dan de tweede motie, naar aanleiding van het interruptiedebatje van zojuist.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister van Justitie en Veiligheid onderzoekt welke mogelijkheden er zijn om civielrechtelijke aansprakelijkheid bij vernielingen door demonstranten vaker in te zetten;

overwegende dat civielrechtelijke aansprakelijkheid kan helpen bij het efficiënter verhalen van schade op de individuele relschoppers, zodat zij de door hen aangerichte schade zelf betalen;

overwegende dat deze route ook universiteitsbesturen meer mogelijkheden biedt om op te kunnen treden tegen vernielingen op universiteiten als gevolg van demonstraties;

verzoekt de regering om in pilots over civielrechtelijk schadeverhaal ook expliciet mee te nemen welke mogelijkheden er zijn om dit toe te passen bij vernielingen tijdens demonstraties op universiteiten en hiervoor handvatten voor universiteitsbesturen uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Straatman, Boomsma en Rajkowski.

Zij krijgt nr. 107 (36800-VIII).

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Boomsma, die spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ook veel dank aan de bewindspersonen voor hun tomeloze demissionaire inzet en ook voor de beantwoording van de vragen.

Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat instellingen voor hoger onderwijs kampen met dalende studentenaantallen door demografische ontwikkelingen;

overwegende dat de manier waarop instellingen nu worden gefinancierd, betekent dat het in stand houden van kleinere studies met weinig studenten, zoals bijvoorbeeld kleine talen, onder druk staat als ook de grotere opleidingen moeten bezuinigen door dalende aantallen;

overwegende dat juist de kleine opleidingen op universiteiten en hogescholen van grote waarde zijn om te behouden en het van groot cultureel en maatschappelijk belang is dat ook kleine opleidingen in Nederland behouden blijven;

verzoekt het kabinet met een voorstel te komen om de modellen en regels voor de financiering van het hoger onderwijs zo te wijzigen dat instellingen een solide aanbod aan kleinere opleidingen in stand (kunnen) houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 108 (36800-VIII).

De heer Boomsma (JA21):

Dan een andere motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in de academische wereld al geruime tijd zorgen worden geuit over een gebrek aan pluriformiteit, met name in de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen;

overwegende dat het voor de academische vrijheid, die is verankerd in artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs, van groot belang is dat er voldoende ruimte blijft voor ongebonden onderzoek, met ook voldoende vrijheid om de consensus te bevragen;

van mening dat academische vrijheid gebaat is bij wetenschap zonder taboes, omdat het gevaar altijd op de loer ligt dat dominante opvattingen onvoldoende worden uitgedaagd;

overwegende dat het gepresenteerde coalitieakkoord voorstelt om de budgetten voor onderwijs en onderzoek te verhogen;

verzoekt het kabinet bij de Voorjaarsnota met een voorstel te komen over het vergroten en waarborgen van de academische vrijheid door meer ruimte te bieden voor ongebonden onderzoek, en een deel van het budget voor wetenschappelijk onderzoek ten goede te laten komen aan onderzoek dat dominante invalshoeken of narratieven onderzoekt en/of bevraagt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 109 (36800-VIII).

De heer Boomsma (JA21):

Tot slot, de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in de academische wereld al geruime tijd zorgen worden geuit over een gebrek aan pluriformiteit aan perspectieven in met name de sociale wetenschappen en de geesteswetenschappen;

overwegende dat aan de doelen inclusie en diversiteit niet is voldaan wanneer perspectieven ontbreken die afwijken van het dominante narratief;

overwegende dat eenzijdigheid in invalshoeken een risico is voor de wetenschappelijke vitaliteit en kan leiden tot ideologische disciplinering van wetenschappers;

verzoekt de regering te verkennen of en in hoeverre een zorgplicht voor pluriformiteit voor universiteiten en hogescholen een plaats kan krijgen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.

Zij krijgt nr. 110 (36800-VIII).

Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Abdi, gaat uw gang.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag ter verduidelijking aan mijn collega Boomsma over zijn eerste motie. U heeft het over dominante invalshoeken. Kunt u even toelichten wat u hier precies mee bedoelt?

De heer Boomsma (JA21):

Zeker. Er is natuurlijk ook al eerder een uitgebreidere discussie in de Kamer gevoerd, naar aanleiding van onderzoeken van de KNAW en naar aanleiding van het rondetafelgesprek waarin dat ook veel is besproken. Ik vind het belangrijk om daar opnieuw aandacht voor te vragen en dat verder te brengen. Elke menselijke groep heeft altijd de neiging tot een bepaald conformisme. Juist in de academische setting en bij onderzoek en onderwijs is het belangrijk dat je voldoende ruimte hebt voor de perspectieven die zo'n dominante consensus bevragen. Een voorbeeld dat recentelijk natuurlijk aan de orde is geweest, is migratieonderzoek. Onderzoekers die een meer kritische blik hebben op migratie en de gevolgen daarvan, kwamen eigenlijk niet aan bod op de universiteiten en dat onderzoek werd niet gedaan. Nu wordt dat alleen in Berlijn door Nederlandse onderzoekers uitgevoerd, bijvoorbeeld.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Als ik deze redenering goed volg, is de heer Boomsma het dan niet met mij eens dat dit de suggestie wekt dat als hij het wellicht oneens is met een onderzoek of delen ervan, hij dan meteen de validiteit van het onderzoek ondergraaft? Volgens mij moeten we dat niet willen met elkaar. Is de heer Boomsma het met mij eens dat we heel terughoudend moeten zijn met de suggestie wekken dat bepaalde typen onderzoek niet wetenschappelijk gevalideerd zijn of dat onderzoekers niet een bepaalde route hebben doorlopen, ongeacht wat onze standpunten zijn?

De heer Boomsma (JA21):

Je kunt je natuurlijk afvragen of het suggesties wekt als je een bepaald thema aansnijdt. Mevrouw Abdi heeft het natuurlijk zelf ook over academische vrijheid gehad en heeft daar ook net een motie over ingediend. Het feit dat je het belang daarvan benadrukt, hoeft niet meteen de suggestie te wekken dat het een enorm gevaar is, maar juist voor de waarheidsvinding is het van belang om daarnaar te blijven streven. Juist voor de positie en de status van wetenschap en het vertrouwen in de wetenschap is het van belang dat je de academische vrijheid hooghoudt.

De voorzitter:

Kort en afrondend, mevrouw Abdi.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter. Mijn tweede interruptie. Ik merk bij mezelf, zeg ik gewoon heel eerlijk en transparant, terughoudendheid, juist omdat ik denk dat academische vrijheid een heel belangrijk goed is. In eerdere discussies, ook in de Kamer, ging het ook over politieke druk van buitenaf en bepaalde suggesties die werden gewekt over wetenschappers en instellingen. In dit huis is zelfs een meldpunt gestart voor te linkse wetenschappers. Juist omdat we de academische vrijheid niet moeten gaan politiseren, moeten we terughoudend zijn met een oordeel vellen over bepaalde typen onderzoeken. Ik hoop dat de heer Boomsma dit kan meenemen in zijn denken.

De heer Boomsma (JA21):

Maar juist om te voorkomen dat de discussie op een onverstandige manier politiseert, is het goed om het belang ervan te benadrukken. Volgens mij had mevrouw Abdi het over politieke druk. Zij denkt dan waarschijnlijk aan een Trump in Amerika of dat soort dingen. Dat is natuurlijk een andere bedreiging voor de academische vrijheid, die we evenzeer serieus moeten nemen. Juist om die in alle facetten te beschermen, is het belangrijk om hier aandacht voor te hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Russcher, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat uw gang.

De heer Russcher (FVD):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het leenstelsel ertoe heeft geleid dat studenten tussen 2015 en 2023 geen aanspraak konden maken op een basisbeurs en veel van deze studenten hierdoor een aanzienlijke studieschuld hebben opgebouwd, en de rente op studieschulden de afgelopen jaren is gestegen;

overwegende dat tijdens de invoering van het leenstelsel sprake was van langdurig lage rentes en veel (oud-)studenten hun financiële keuzes mede op basis daarvan hebben gemaakt;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze voor de groep die onder het leenstelsel viel de rentelast structureel kan worden beperkt, waaronder het scenario van een rente van 0%,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.

Zij krijgt nr. 111 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat studenten tussen 2015 en 2023 door het leenstelsel geen aanspraak hadden op een basisbeurs en inmiddels is besloten deze beurs te herinvoeren;

overwegende dat de huidige tegemoetkoming voor deze groep niet in verhouding staat tot de misgelopen aanspraken en er daarmee verschil in behandeling bestaat tussen cohorten;

verzoekt de regering te bezien hoe kan worden gekomen tot een ruimhartigere compensatie voor studenten die tussen 2015 en 2023 onder het leenstelsel vielen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.

Zij krijgt nr. 112 (36800-VIII).

De heer Russcher (FVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ergin, die spreekt namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ik heb drie moties. Motie nummer één.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de behandeling van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting binnenkort plaatsvindt;

constaterende dat het inlopen van achterstanden in de onderwijshuisvesting een investeringsopgave van meerdere miljarden euro's betreft en gemeenten aangeven dat daarvoor structureel onvoldoende middelen beschikbaar zijn;

overwegende dat middelen die via het gemeentefonds beschikbaar worden gesteld niet geoormerkt zijn en daardoor niet altijd aantoonbaar worden ingezet voor onderwijshuisvesting;

verzoekt de regering om vóór de behandeling van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting inzichtelijk te maken welke mogelijkheden er zijn om middelen voor onderwijshuisvesting (deels) te oormerken, wat de juridische en financiële consequenties daarvan zijn en hoe dit kan bijdragen aan het versneld terugdringen van de onderwijshuisvestingsachterstanden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 113 (36800-VIII).

De heer Ergin (DENK):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de monitor werkagenda en Stagepact mbo 2025 blijkt dat basisafspraken binnen het Stagepact mbo nog onvoldoende worden nageleefd, waaronder het realiseren van minimaal drie contactmomenten, een effectieve aanpak van stagediscriminatie, hogere tevredenheid over stagebegeleiding, goed functionerende en voldoende bekende meldpunten op alle scholen en duidelijkheid over de definitie van kansengelijkheid;

verzoekt de regering om concrete, resultaatgerichte en afdwingbare maatregelen te treffen om de uitvoering van het Stagepact mbo aantoonbaar te verbeteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 114 (36800-VIII).

De heer Ergin (DENK):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op circa 180 middelbare scholen beleid bestaat waarbij het verrichten van gebed tijdens schooltijd wordt verboden of feitelijk onmogelijk wordt gemaakt;

overwegende dat de wetgeving rond openbaar onderwijs uitgaat van respect en ruimte voor ieders godsdienst of levensovertuiging;

verzoekt de regering om duidelijk richting schoolbesturen uit te spreken dat een algemeen gebedsverbod niet verenigbaar is met de wet en waar nodig passende stappen te zetten om naleving van de wet te waarborgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 115 (36800-VIII).

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Stoffer, die spreekt namens de fractie van de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter, dank. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 38% van de leerkrachten in het voortgezet onderwijs te maken heeft met Holocaustbagatellisering of -verdraaiing, maar dat de inspectie nauwelijks meldingen krijgt over antisemitisme;

verzoekt de regering de inspectie te verzoeken actief aandacht te besteden aan antisemitisme in het kader van onderzoeken naar veiligheid en waar nodig handhavend op te treden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Ceder, Claassen en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 116 (36800-VIII).

De heer Stoffer (SGP):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat scholen volgens de onderwijsinspectie te veel taken op hun bord krijgen van de politiek en dat wettelijke kerntaken elkaar kannibaliseren;

constaterende dat de Onderwijsraad en de Raad van State zeer kritisch hebben geadviseerd over het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid;

verzoekt de regering het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.

Zij krijgt nr. 117 (36800-VIII).

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter, tot slot. Mijn excuses aan de bewindslieden voor het feit dat ik te laat was. Dat kwam door omstandigheden. Veel dank voor de beantwoording. Ik heb gehoord dat zeker de minister een aantal zeer aardige dingen in mijn richting heeft gezegd. Dat luister ik terug als ik straks in de auto naar Elspeet ga.

Dank u wel.

De voorzitter:

Een goede reis alvast. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de ChristenUnie.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook ik wil de heer Stoffer alvast een fijne reis toewensen. Ik heb een paar moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de maatschappelijke diensttijd (mdt) bijdraagt aan het burgerschap en de maatschappelijke weerbaarheid van jongeren;

overwegende dat het van belang is om met de middelen voor maatschappelijke diensttijd zo veel mogelijk jongeren te bereiken en dat hiertoe de samenwerking met maatschappelijke partners en andere departementen als Defensie dient te worden versterkt, op basis van gelijkwaardigheid;

verzoekt de regering om, interdepartementaal en in samenwerking met maatschappelijke partners, waaronder het bestaande mdt-netwerk, gezamenlijke ambities voor verdere uitvoering, bestendiging en versterking van maatschappelijke diensttijd op te stellen, en de Kamer hier voorafgaand aan de begrotingsbehandeling van 2027 middels een concrete mdt-agenda over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Armut.

Zij krijgt nr. 118 (36800-VIII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Taskforce Antisemitismebestrijding stelt dat de sociale veiligheid van Joodse studenten en medewerkers onder druk staat en diverse voorstellen doet om deze te versterken;

overwegende dat een van de adviezen hogeronderwijsinstellingen vraagt te onderzoeken of er voldoende laagdrempelige faciliteiten zijn voor geestelijke ondersteuning bij zorgen en problemen onder Joodse studenten en medewerkers en stelt dat waar er behoefte is aan pastorale ondersteuning, zal moeten worden bezien hoe deze het beste gefaciliteerd kan worden;

verzoekt de regering om in overleg met de onderwijskoepels, het Nederlands-Joods Studenten Overleg, de landelijke studentenrabbijn en andere experts voortvarend aan de slag te gaan met bovenstaand advies om zo het (geestelijk) welzijn van Joodse studenten en medewerkers te verbeteren, en de Kamer voor het zomerreces over de uitkomsten te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Rajkowski, Straatman en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 119 (36800-VIII).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer met ruime meerderheid de regering heeft verzocht om het wettelijk verankeren van digitale toegankelijkheid in het onderwijsdomein, maar dat er nog geen wetsvoorstel naar de Kamer is gekomen;

constaterende dat uit de monitor VN-verdrag Handicap 2025 blijkt dat minder dan de helft van de onderwijsinstellingen digitale toegankelijkheid noemt als thema waarop gefocust is afgelopen jaar;

verzoekt de regering om, voorafgaand aan de wettelijke verplichting, in gesprek te gaan met het onderwijsveld en (organisaties voor) studenten met een beperking om als eerste stap de normen van de WCAG en inclusief digitaal ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 120 (36800-VIII).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Beckerman, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er al jaren grote problemen zijn met het leerlingenvervoer, waaronder te lange ritten, ongeschikte vervoersmiddelen en kinderen die überhaupt niet worden opgehaald;

overwegende dat leerlingenvervoer voor een grote groep leerlingen van met name het speciaal onderwijs een essentiële voorwaarde is voor het kunnen volgen van onderwijs;

overwegende dat veel problemen voortkomen uit het commercieel aanbesteden van leerlingenvervoer;

verzoekt de regering om samen met gemeenten een plan op te stellen ter verbetering van het leerlingenvervoer, daarbij verschillende opties uit te werken, waaronder het stoppen met aanbesteden, en de Kamer voor de zomer van 2026 te rapporteren over de voortgang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 121 (36800-VIII).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik moet opmerken dat in de commissie voor Onderwijs de kwaliteit snellezen van grote omvang is. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Claassen, die spreekt namens de Groep Markuszower.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik zie dat ik 31 seconden heb.

De voorzitter:

Dat doe ik zodat u tempo maakt. Nee, u heeft meer tijd.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Alstublieft.

De voorzitter:

Dat komt goed.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Oké, het zou goed moeten komen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in toenemende mate (specialistische) zorgopleidingen moeten voldoen aan meerdere kwaliteitskaders, waaronder het accreditatiestelsel van de NVAO in het hoger onderwijs en het kader van het CZO;

constaterende dat de stelselverantwoordelijkheid is verdeeld over het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

overwegende dat de afstemming tussen deze kwaliteitseisen, toetsingskaders en toezichtprocessen ontoereikend is, wat leidt tot overlap, onnodige administratieve lasten en vertragingen in de praktijk;

overwegende dat deze problemen innovatie en flexibilisering in zorgopleidingen belemmeren;

verzoekt de regering een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de organisatorische vervlechting of structurele integratie van de kwaliteitstoetsing door de NVAO en het CZO;

verzoekt de regering tevens te komen tot één samenhangende structuur voor kwaliteitseisen en toezicht op zorgopleidingen, met als doel innovatie en responsiviteit in het onderwijs te bevorderen en administratieve lasten te verminderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Stoffer.

Zij krijgt nr. 122 (36800-VIII).

Mevrouw Van der Plas, ik wil eerst even checken of de heer Claassen genoeg adem heeft om antwoord te geven. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Wat vraagt de heer Claassen eigenlijk?

De voorzitter:

Meneer Claassen, het lijkt wel een een-tweetje, maar uw tijd loopt wel.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik vraag het volgende. Met name in het hoger onderwijs constateren we dat zorgopleidingen in toenemende mate verweven raken met specialistisch vervolgonderwijs. Dat gebeurt om te kunnen versnellen en te kunnen flexibiliseren, zodat mensen sneller inzetbaar zijn in de zorg, waar we arbeidsmarktproblemen hebben. Voor de initiële opleidingen heb je de NVAO en voor de specialistische opleidingen heb je het CZO. Die doen toetsingen en die kijken naar nieuwe opleidingen. Dat is een heel administratief, lastig iets. De samenwerking en de eisen zijn ook niet helemaal toereikend, wat juist de innovatie en de flexibilisering van zorgopleidingen vertraagt. Het CZO en de NVAO kijken ook heel verschillend naar de hantering van professional activities, wat een manier is om te gaan flexibiliseren. Dat moet echt anders. Daarom deze motie, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Vooral het woord "sneller" in de uitleg spreekt me aan in deze context. Als de heer Claassen ooit de politiek uit gaat, dan kan hij altijd nog veilingmeester worden.

De voorzitter:

Laten we dat na de begrotingsbehandeling met elkaar bespreken. Gaat u verder met de tweede motie.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik heb een tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de internationale positie van Nederlandse universiteiten in de afgelopen jaren onder druk is komen te staan, waardoor vragen ontstaan over de langetermijnconcurrentiekracht en onderzoeksprestaties;

overwegende dat sterke kwaliteitsborging, heldere prestatieafspraken en transparantie noodzakelijk zijn om de internationaal leidende positie van de Nederlandse wetenschap en kenniseconomie te behouden;

verzoekt de regering om nationale, meetbare kwaliteitsstandaarden voor onderwijs en onderzoek te presenteren, de internationale positie van Nederlandse universiteiten structureel te monitoren met behulp van meerdere indicatoren, en uiteen te zetten hoe aanhoudende structurele kwaliteitsdaling wordt aangepakt binnen bekostigings- en toezichtskaders,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 123 (36800-VIII).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

De derde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er meldingen zijn van bezettingen, intimidatie, bedreigingen en gewelddadige incidenten die studenten en medewerkers aan universiteiten treffen;

overwegende dat fysieke en sociale veiligheid fundamentele voorwaarden vormen voor onderwijs, onderzoek en academische ontwikkeling;

overwegende dat universiteitsbesturen vroegtijdig en effectief moeten kunnen ingrijpen om escalatie te voorkomen, met waarborging van constitutionele rechten op vrijheid van meningsuiting en vreedzaam protest;

verzoekt de regering om duidelijke nationale basisnormen vast te stellen voor preventie, handhaving en crisisinterventie bij onveilige situaties op universiteiten, inclusief heldere verantwoordelijkheden voor instellingsbesturen en effectieve samenwerking met lokale autoriteiten, en de Kamer te informeren over implementatie en effectiviteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Claassen en Stoffer.

Zij krijgt nr. 124 (36800-VIII).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Mijn laatste motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat signalen van studenten, wetenschappers en internationale waarnemers erop wijzen dat open academisch debat en diversiteit van perspectieven in delen van het hoger onderwijs onder druk staan;

overwegende dat academische vrijheid en intellectueel pluralisme essentiële voorwaarden zijn voor hoogwaardige wetenschap en democratische kennisontwikkeling;

overwegende dat publiek gefinancierde hogeronderwijsinstellingen de verantwoordelijkheid hebben om academische vrijheid en open debat actief te waarborgen;

verzoekt de regering om met universiteiten concrete afspraken te maken ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid, waaronder transparante rapportage, toegankelijke en onafhankelijke meldstructuren en aantoonbare structurele ruimte voor wetenschappelijk debat en tegenspraak in onderwijs, onderzoek en academische cultuur, en de Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 125 (36800-VIII).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

De timer staat op nul! Alstublieft, voorzitter.

De voorzitter:

Ja, exact op nul. Ik ben benieuwd of mevrouw Abdi het verstaan heeft — ik bedoel natuurlijk qua tempo. Het helpt als de heer Claassen blijft staan als er nog een vraag gesteld wordt.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Ik begreep het dictum gewoon niet. Ik was dus benieuwd of de heer Claassen ...

De voorzitter:

Van welke motie?

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Van de laatste motie. Kan de heer Claassen daarop ingaan?

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Zou ik de motie dan even terug mogen? Dat helpt enorm.

De voorzitter:

Ik denk dat de motie nu door het kopieerapparaat gaat.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik kan er ook op ingaan in een bilateraaltje.

De voorzitter:

Ik ga zo twintig minuten schorsen. Dat lijkt me genoeg voor dat bilateraaltje, maar dat doe ik ook omdat de bewindspersonen aangegeven hebben twintig minuten nodig te hebben. We gaan dat dus buiten de microfoon om doen. Dan zijn we nu dus klaar. Dit was de laatste spreker in de tweede termijn van de Kamer. De bewindspersonen hebben aangegeven twintig minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de moties. Ik schors dus voor twintig minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van het kabinet voor de appreciatie van de ingediende moties en de laatste vragen. Er is ook nog een lastminuteamendement. Ik begrijp dat de appreciatie daarvan ook komt in deze termijn. Ik geef nu graag het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Moes:

Dank u wel, voorzitter. Ik wil eerst nog even een drietal vragen beantwoorden en dan ga ik over op de appreciatie van de moties.

Ten eerste bestond er wat onduidelijkheid over individuele keuzevrijheid versus het belang van de samenleving. Ik doelde daarbij niet op de individuele keuzevrijheid van studenten, maar op die van instellingen. Het is op dit moment zo dat de instellingen in grote mate bepalen wat voor opleidingen ze aanbieden. Er zijn wel wat sturingsinstrumenten om als politiek een beetje mee te kunnen sturen op wat voor opleidingsaanbod relevant is voor de samenleving. Ik doelde er eigenlijk op dat die balans wellicht wat verder naar sturing toe moet als je kijkt naar wat de samenleving nodig heeft en de tekorten. Maar natuurlijk is het van groot belang dat de individuele keuzevrijheid van studenten gewoon overeind blijft staan.

Er werd gevraagd of de informatie over studenten die strafbare feiten plegen, actief wordt doorgestuurd of dat ze daar zelf actief achteraan moeten. Daar moet ik schriftelijk op terugkomen, omdat ik dat moet nagaan bij collega's van JenV.

Een onderzoek naar private en publieke financiering. Het Rathenau Instituut doet hier jaarlijks onderzoek naar en brengt hierover een rapportage uit. De volgende rapportage wordt voor de zomer verwacht.

Dan ga ik naar de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 91, het verzoek om een nulmeting van het veiligheidsbeleid, is overbodig. Er loopt namelijk momenteel een evaluatieonderzoek naar integrale veiligheid bij hogescholen en universiteiten.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 91 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk even naar de eerste indiener, mevrouw Rajkowski, wat zij er vervolgens mee doet. Zij gaat 'm aanhouden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 92, over de analyse van dalende studentenaantallen: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 92 krijgt: oordeel Kamer.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 96: ontijdig. Wij gaan uiteraard niet over de portefeuilleverdeling van een volgend kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 96 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even naar de eerste indiener, mevrouw Moorman. Houdt u de motie aan? Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ontijdig is natuurlijk echt een hele rare appreciatie, als juist dit het moment is dat portefeuilleverdeling plaatsvindt. Ik ben er dus heel verbaasd over, maar ik hou 'm natuurlijk gewoon aan. Of nee, de motie blijft gewoon staan. Dat bedoel ik.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 96 heeft de appreciatie "ontijdig" en wordt niet aangehouden.

Minister Moes:

Dan ga ik 'm toch ontraden, voorzitter. Hier staat namelijk duidelijk "verzoekt de regering". Daarmee is het een verzoek aan het huidige kabinet. Het is ingewikkeld voor ons om te gaan over de portefeuilleverdeling van het aanstaande kabinet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 96 krijgt de appreciatie: ontraden. Heel kort, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Waarom dan niet oordeel Kamer?

De voorzitter:

Ik denk dat de minister daar duidelijk over is geweest. Daarmee is de appreciatie: ontraden.

Minister Moes:

Als het een spreekt-uitmotie was geweest, dan was het een uitspraak van de Kamer. In dit geval is het een verzoek aan de regering. De regering kan dit niet zo uitvoeren.

Bij de motie op stuk nr. 97, over het vrijstellingenbeleid van het mbo, heb ik zelf wat bedenkingen. Mede daarom denk ik dat ik de motie de appreciatie "ontijdig" moet geven en dat ik dit moet overlaten aan een volgend kabinet. Er is namelijk nog wel een spanningsveld tussen het belang van geen onnodige vakken hoeven herhalen en onnodige dingen doen voor een diploma enerzijds en de waarde van een diploma anderzijds.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 97 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even naar mevrouw Tseggai.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dit eigenlijk ook een beetje een rare appreciatie. Ik dien toch een motie over onderwijsbeleid in bij de OCW-begroting? Hoe kan dat in hemelsnaam "ontijdig" zijn?

Minister Moes:

Ik doe dat omdat ik het ingewikkeld vind om zelf nu een hele inhoudelijke uitspraak te doen met het appreciëren van die motie. Ik vermoed namelijk dat een volgende bewindspersoon hier anders over zou kunnen denken. Daarom vind ik het verstandig om 'm even aan te houden. Wellicht pakt mijn opvolger het heel anders op. Als je het aan mij zou vragen, zou ik zeggen dat het spanningsveld tussen het belang van de diplomawaarde en het checken van alle benodigde vaardigheden en resultaten voor het halen van zo'n diploma op dit moment goed geborgd is. Er zijn ook zeker vrijstellingsmogelijkheden via een examencommissie. Om al te makkelijk tot vrijstelling over te gaan, vind ik een lastig spanningsveld. Ik zou daar persoonlijk aan de voorzichtige kant willen zitten. Als mevrouw Tseggai dus echt een inhoudelijk oordeel over deze motie van mij wil, zou dat "ontraden" zijn.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Alle onderwijspartijen die ik in de motie heb opgesomd, vragen hierom. Dat geldt ook voor het bedrijfsleven. De MBO Raad zegt dat ze dit graag doen, dat ze dit kunnen doen om maatwerk te leveren, en dat ze het ook nodig hebben. Volgens mij is de hele Kamer het er best wel over eens dat we meer mensen in het mbo nodig hebben. Waarom zou dit dan geen goed idee zijn? Het kost weinig geld, maar je kunt er toch meer zijinstromers mee de sectoren in helpen.

Minister Moes:

Het gevaar is dat we hier nu een hele uitgebreide inhoudelijke discussie gaan voeren. Daar ben ik op zich toe bereid. Ik schetste dat spanningsveld al. Een diploma moet ook wat waard zijn. Het is dus heel belangrijk dat instellingen goed zicht hebben op wat daadwerkelijk het kennen en kunnen van de kandidaat of de student in kwestie is. Als je het kan aantonen, zijn er natuurlijk mogelijkheden om vrijstellingen te verdienen of die van je instelling te krijgen. Daar gaan de instellingen zelf ook over via de examencommissies. Die mogelijkheden zijn er dus al. Het is niet zo dat nu voor iedereen geldt dat je altijd door alle hoepeltjes heen moet springen, zeker niet voor zijinstromers. Die mogelijkheden zijn er dus. Wel is er altijd een spanningsveld tussen hoe ruim die mogelijkheden zijn en hoe groot de kans is op gevoeligheid dat je iets gemakkelijker aan een diploma kan komen. Daar heb ik in mijn antwoord in de eerste termijn ook aan gerefereerd. Je wil de kwaliteit van vakmensen hoog hebben. Dat doe je door het diploma heel waardevol te houden. Nu zeg ik absoluut niet dat het diploma per definitie gelijk waardeloos wordt, maar er is altijd een spanningsveld. Je moet dat dus altijd tegen elkaar afwegen. Ik zou daarin wat voorzichtiger zijn, zoals ik net ook schetste.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 97 houdt de appreciatie: ontraden. Gaat u verder.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 98: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 98 krijgt: oordeel Kamer.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 99 ontraad ik omdat er geen dekking bij zit.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 99 wordt ontraden. Mevrouw Tseggai heeft nog een vraag over de motie op stuk nr. 99. Graag een korte vraag.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik had een amendement waar wel een dekking bij zit, maar dat werd ook ontraden. Ik ben nu dus wel een beetje de kluts kwijt.

Minister Moes:

Volgens mij liep ik daar al op vooruit toen u de suggestie deed om het dan via een motie te doen. Toen zei ik al: prima, maar die wordt ook ontraden, want het gaat over dezelfde deugdelijke dekking. Ik heb die middelen niet beschikbaar. Die middelden zijn allemaal geoormerkt voor beleidsdoeleinden. Uiteindelijk heeft de Kamer natuurlijk het budgetrecht, maar in de eerste termijn bij de appreciatie van de amendementen heb ik ervan gewag gemaakt dat het te makkelijk is om te denken dat we niet-juridisch verplichte middelen kunnen inzetten.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

In deze motie heb ik gevraagd om het mogelijk te maken per schooljaar 2027-2028. Dan zou u dus creatief op zoek kunnen gaan naar 27 miljoen in de begroting van — ik zeg het er nog even een keertje bij — 57 miljard. We moeten dat gewoon doen als we echt stappen willen zetten voor het mbo.

Minister Moes:

Nogmaals, inhoudelijk vind ik dat heel sympathiek. Dat heb ik ook al een paar keer aangegeven. Uiteindelijk kan ik de begrotingsregels niet negeren en kan ik niet, zoals hier de suggestie wordt gewekt, creatief boekhouden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 99 houdt de appreciatie: ontraden. Gaat u verder.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 100: ontraden. Ik zie in de huidige wetten en procedures geen risico voor de institutionele onafhankelijkheid. Ik vind dat er ultimo een instrument moet blijven om bij bijvoorbeeld verdergaand wanbeheer in te kunnen grijpen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 100 wordt ontraden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 101 is overbodig. Er wordt al doorlopend onderzoek gedaan naar de 3%-doelstelling.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 101 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk even naar mevrouw Abdi.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Kunt u iets meer toelichten?

Minister Moes:

De 3%-doelstelling van Lissabon is vastgelegd. Een onderdeel daarvan is dat een derde van die 3% publieke investeringen moet zijn. Dat is daar dus al onderdeel van. Het Rathenau Instituut doet periodiek onderzoek naar de doelstelling. Het onderzoekt de totale investeringen in wetenschap en innovatie. In principe verzoekt deze motie dus om iets overbodigs.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 102 ontraad ik, want het is echt aan de instellingen zelf.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 102 wordt ontraden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 103: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 103 krijgt oordeel Kamer.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 104 zou ik willen overnemen, met dien verstande dat ik 'm zo mag interpreteren dat JenV uiteindelijk wel over hun eigen pilots blijft gaan.

De voorzitter:

Ik kijk even naar mevrouw Straatman. Er wordt geknikt. Ik zie dat mevrouw Tseggai bij de microfoon staat.

Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het eigenlijk best wel raar. Mevrouw Straatman heeft namelijk een ontzettend sympathieke motie ingediend om ongelijkheden in het systeem van studiefinanciering en financiële regelingen tussen hbo- en wo-studenten recht te trekken. Die krijgt oordeel Kamer, maar een soortgelijke motie, over mbo-, hbo- en wo-studenten, wordt ontraden. Wat vindt de minister nu? Vindt hij dat we ongelijkheden in het systeem moeten wegnemen voor iedereen, of alleen voor hbo'ers en wo'ers?

Minister Moes:

De minister vindt dat als je vraagt om de uitvoering van een bepaalde politieke keuze, daar een deugdelijke dekking bij moet zijn. Als een motie alleen vraagt om een wetswijziging te verkennen en een en ander in kaart te brengen, zodat je een politiek besluit kunt nemen en een weloverwogen keuze kunt maken, dan is dat echt een andersoortig verzoek.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Moes:

Bij de motie op stuk nr. 108 ben ik, geloof ik. Die beoordeel ik als ontijdig. We werken daar namelijk al aan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 108 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even naar de heer Boomsma.

De heer Boomsma (JA21):

Kan de minister nader toelichten wat er dan precies in gang is gezet? Als nu al vaststaat dat dat de uitkomst wordt, dat dit wordt verkend en dat men daar dus op aanstuurt, op financiering die het aanbod van kleinere studies daadwerkelijk in stand houdt ... Op dit moment is dat niet zo.

Minister Moes:

Op dit moment werken we dus aan die stabiele bekostiging waar ik het in mijn beantwoording in eerste termijn over had, aan een beleidskader om meer richting te geven aan een landelijk dekkend opleidingsaanbod en een sterke borging van de gezamenlijke verantwoordelijkheid van instellingen voor dat opleidingsaanbod. Daarbij hebben we juist ook oog voor die kleine opleidingen die een grote maatschappelijke waarde hebben. Dat is daar dus onderdeel van.

De heer Boomsma (JA21):

Dan houd ik de motie aan.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 109 is ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 109 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik denk dat de heer Boomsma wil weten waarom.

Minister Moes:

Deze motie verzoekt het kabinet om bij de Voorjaarsnota met een voorstel te komen over het vergroten en waarborgen van de academische vrijheid door meer ruimte te bieden voor ongebonden onderzoek en dan een deel van het budget voor wetenschappelijk onderzoek ten goede te laten komen aan het onderzoek dat dominante invalshoeken of narratieven onderzoekt en/of bevraagt. Daarmee vraagt u impliciet ook om dekking, maar dat loopt vooruit op een voorjaarsnota waarin naar verwachting extra middelen staan voor OCW. Daar kan dit kabinet natuurlijk niet over gaan. Wij gaan nu alleen over deze begroting.

De heer Boomsma (JA21):

Dat neemt niet weg dat de Kamer daar gewoon over kan besluiten. Ik houd 'm in ieder geval staande.

De voorzitter:

U houdt 'm niet aan.

Minister Moes:

Ook hierbij zeg ik weer: het is een verzoek aan dit kabinet en dit kabinet kan daar niet op vooruitlopen. Daarmee is het ontijdig. Ik zou zeggen: verzoek dat straks ook aan het nieuwe kabinet. Dat is los van de inhoud.

De heer Boomsma (JA21):

Het is een verzoek aan hét kabinet, niet per se aan dit kabinet. Zo werkt dat nou eenmaal. We hebben nu een gesprek met hét kabinet. Dat daar straks andere mensen in zitten, verandert daar niks aan. Het is dus gewoon aan de Kamer om een uitspraak te doen over de vraag of wij dit verzoek willen doen aan het kabinet. Volgens mij is dat hoe het werkt. Daarom handhaaf ik 'm ook gewoon.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 109 wordt niet aangehouden.

Minister Moes:

Dan moet ik 'm ontraden, voorzitter. Dit kabinet, hét kabinet, het enige kabinet dat er op dit moment is — u zult het daar nog heel eventjes mee moeten doen — heeft die middelen namelijk niet. Daar kunnen we dus ook niet op vooruitlopen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 110 krijgt: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 110 krijgt: oordeel Kamer.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 111 is overbodig, want dat is al eerder onderzocht.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 111 krijgt de appreciatie: overbodig. Ik kijk naar de collega van de indiener. U mag daar een filosofisch betoog over houden, maar wellicht kunt u ook aangeven of u de motie aan wilt aanhouden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 112 moet ik ontraden vanwege het ontbreken van een deugdelijke dekking.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 112 wordt ontraden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 114: ontraden. Hoewel ik de zorgen achter de motie wel deel, moet ik 'm toch ontraden vanwege het verzoek om de afspraken afdwingbaar te maken.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 114 wordt ontraden.

Minister Moes:

Bij de motie op stuk nr. 119 doe ik het verzoek om 'm aan te houden. We spreken al met genoemde partijen over deze thematiek in den brede. In die zin is ie op dit moment volgens mij overbodig, maar als dat in de toekomst toch tot ontevredenheid leidt, kan ie alsnog ingediend worden, zou ik zeggen. Ik doe dus het verzoek om 'm aan te houden.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de eerste indiener; dat is de heer Ceder. U mag vanaf uw stoel bevestigen of u 'm wilt aanhouden of niet. Buiten de microfoon wordt gezegd dat er nog even over nagedacht wordt. Gaat u ondertussen verder.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 120: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 120 krijgt: oordeel Kamer.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 122: ontraden. Want beide systemen kennen een ander doel.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 122 wordt ontraden.

Minister Moes:

Ja. Natuurlijk kijken we altijd of het beter en makkelijker kan.

Dan de motie op stuk nr. 123 …

De voorzitter:

Eén moment. Wat zegt u, meneer Claassen? U mag daar zeker een vraag over stellen. Daarom krijgt u ook het woord.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik was net heel snel met het voorlezen van de motie, maar, met alle respect, het gestamel waarmee u zegt dat het niet kan, is niet te volgen. Zou u dus nog een keer heel duidelijk willen uitleggen waarom u zegt dat het niet kan?

De voorzitter:

Meneer Claassen, laten we het vriendelijk houden; dit is niet nodig.

Minister Moes:

Het gaat over het accreditatiestelsel van de NVAO en het kader van CZO. Die beide systemen kennen een ander doel, zoals ik zei. Daartussen wordt al wel veel samengewerkt. Uiteraard kijken we altijd naar verbetermogelijkheden in het proces, bijvoorbeeld of het gemakkelijker kan. Maar juist omdat ze een andersoortig doel dienen, vind ik het onverstandig om die met elkaar te vervlechten. Daarom ontraad ik deze motie.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dat is apart. Ze dienen namelijk hetzelfde doel. Ze dienen gewoon hetzelfde doel. Dat conflicteert — dat was het punt van mijn inbreng en van deze motie. Ik vind het dus echt heel raar dat er nu wordt gezegd dat het een ander doel dient. Ik zou zeggen: kijk er even goed naar. Ze dienen precies hetzelfde doel.

De voorzitter:

Hiermee blijft de appreciatie: ontraden. Gaat u verder.

Minister Moes:

We kunnen het verschil van inzicht niet oplossen.

Dan de motie op stuk nr. 123 over kwaliteitsstandaarden. Deze is overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 123 krijgt de appreciatie overbodig. Daarom kijk ik even naar de heer Claassen. Wilt u de motie wel of niet aanhouden? De motie op stuk nr. 123 wordt niet aangehouden.

Minister Moes:

De motie op stuk nr. 124 is tevens overbodig.

De voorzitter:

Ook de motie op stuk nr. 124 krijgt de appreciatie overbodig. Ik kijk weer naar mijn rechterkant. Toch wordt deze motie niet aangehouden.

Minister Moes:

Tot slot, voorzitter, de motie op stuk nr. 125, over de praktische borging van de academische vrijheid. Deze motie is ontijdig. Er lopen momenteel verschillende onderzoeken naar. We zijn ook doorlopend in gesprek met de betrokken partijen. Ik zou adviseren om eerst de onderzoeken en de resultaten daarvan af te wachten. Dan kan desgewenst deze motie of een soortgelijke motie worden overwogen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 125 krijgt de appreciatie: ontijdig.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dan is de vraag aan de regering wanneer die onderzoeken te verwachten zijn. Als die lopen, zal er waarschijnlijk ook ergens in de commissie over gesproken zijn wanneer er een rapport over komt. Dan kan ik dan de afweging maken of ik de motie ga aanhouden.

Minister Moes:

In elk geval wordt in het najaar nog een nieuw onderzoek gestart, naar aanleiding van de motie-Heite die in het debat over academische vrijheid werd ingediend. Deze motie ging over pluriformiteit van onderzoek. Er lopen op dit moment ook drie onderzoekstrajecten naar academische vrijheid. Ik heb geen informatie paraat over wanneer die resultaten precies verwacht worden, maar dat zal niet op hele korte termijn zijn.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dan ga ik de motie niet aanhouden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 125 wordt niet aangehouden.

Minister Moes:

Dan hing er nog eentje in de lucht, namelijk de motie op stuk nr. 119. Ik had verzocht om die aan te houden. Ik weet niet of dat inmiddels al is gebeurd.

De voorzitter:

Ik zal even kijken of de heer Ceder er al een ei over heeft gelegd. Het gaat om de motie op stuk nr. 119. U bent zonder microfoon heel moeilijk te verstaan, meneer Ceder, zelfs voor mij als voorzitter. Gaat uw gang.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik wil de motie toch in stemming laten brengen, maar ik kom misschien nog met een tekstuele aanpassing. Ik breng de motie wel in stemming.

De voorzitter:

De heer Ceder houdt het spannend. De motie wordt in ieder geval in stemming gebracht.

Dank u wel. Dan gaan we nu verder met de appreciaties door de staatssecretaris. Gaat uw gang.

Staatssecretaris Becking:

Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de appreciatie van het amendement op stuk nr. 88, dat zojuist is ingediend door de heer Ergin. Ik ontraad het.

Dan had ik nog twee vragen over …

De voorzitter:

Excuus, staatssecretaris. Het amendement op stuk nr. 88 krijgt de appreciatie: ontraden.

Staatssecretaris Becking:

Er staan nog twee vragen open, een van mevrouw Moorman en een van mevrouw Beckerman. Eerst de vraag over de GOAB-middelen. Geld uit 2025 loopt in 2025 naar de algemene middelen. Daar kan ik in 2026 niks mee, want dat geld is weg. Ik kan de wensen wel meegeven aan mijn opvolger. Dat zal ik ook doen, met een positieve connotatie. Of de Kamer moet een deugdelijke dekking vinden in deze begroting.

Dan de vraag waarom DUO de nieuwkomersregeling niet eerder kan aanpassen dan in 2028. Dat kan in de technische systemen gewoon niet eerder. Het is niet uitvoerbaar. Ik denk dat we ook de zorgvuldigheid daarbij moeten bewaken. Dit komt ook omdat er gekoppeld moet worden met de gemeentelijke basisadministratie. Doe je dit niet, dan krijgen scholen een verkeerd of zelfs geen bedrag. DUO heeft op datzelfde moment ook een grote update van het bekostigingssysteem in de planning. Dat kan eenvoudigweg niet allemaal tegelijk.

Dan kom ik bij de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 89: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 89 krijgt: oordeel Kamer. Ik zie mevrouw Moorman. Gaat uw gang.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik probeerde echt heel goed te luisteren naar wat de staatssecretaris net zei over waarom het niet kan, maar ik begrijp er eigenlijk helemaal niks van. Het is gewoon het geld geven aan scholen en dat moet dan twee jaar duren? Ik snap het echt werkelijk niet. Zou de staatssecretaris ons misschien per brief kunnen laten weten waarom dit niet kan? Ik vond het heel moeilijk om te begrijpen vanuit zijn beantwoording.

Staatssecretaris Becking:

Volgens mij ben ik er duidelijk over geweest dat het gewoon technisch niet kan. Het is een te grote operatie, het vraagt te veel van DUO, het leidt waarschijnlijk tot meer problemen dan we proberen op te lossen. Ik hoor van alle kanten dat het gewoon niet uitvoerbaar is.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Moorman.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

We hebben weleens 8,6 miljard naar scholen laten gaan vanuit het NPO. Dat kon gewoon binnen een paar maanden. Nu moet er twee jaar over worden gedaan om geld te geven ten behoeve van de kinderen van arbeidsmigranten. Ik begrijp het gewoon werkelijk niet.

Staatssecretaris Becking:

Ik hoorde geen vraag.

De voorzitter:

Nee, klopt. Dan mag u verder met de appreciatie van de moties. De motie op stuk nr. 89 kreeg oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 90 van de heer Kisteman: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 90 krijgt: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 93 van mevrouw Moorman: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 93 krijgt: oordeel Kamer. Mevrouw Moorman?

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Ik heb toch echt nog een vraag over de motie op stuk nr. 90. Ik heb daar moeite mee. Die subsidies zijn niet voor niets verstrekt. Het gaat om subsidies aan organisaties van leerlingen, zoals LAKS, LBVSO en JOB, en om subsidies aan ouderorganisaties. Het is niet zo dat dat ineens voor niets is. Waarom gaan we dat nou opnieuw onderzoeken? En dan gebruiken we datzelfde budget misschien ook nog eens voor andere dingen. Ik zou het mooi vinden als de staatssecretaris wat meer zou gaan staan voor de belangrijke stem van leerlingen en ouders.

Staatssecretaris Becking:

Ik kon zelf niet beredeneren waarom deze organisaties deze subsidies krijgen. Het kan, denk ik, helemaal geen kwaad om dat dus gewoon een keer goed uit te zoeken en met elkaar te delen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 92 houdt de appreciatie: oordeel Kamer. Ik wil graag verder met de volgende …

Staatssecretaris Becking:

Sorry, maar dat was de motie op stuk nr. 90.

De voorzitter:

Excuus. De motie op stuk nr. 90 houdt: oordeel Kamer. Ik wil graag verder met de appreciaties.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 93 had ik oordeel Kamer gegeven.

De motie op stuk nr. 94: ontraden. Ik ontraad deze motie vanwege het dwingende karakter. "Alles uitsluitend intern organiseren" is gewoon te strak geformuleerd. De vraag is of dat juridisch kan. Het is ook niet haalbaar op korte termijn. Ik steun wel de achterliggende doelstelling die mevrouw Moorman formuleerde, namelijk dat we het onderwijs zo veel mogelijk flexibel intern organiseren. We vinden het ook onwenselijk dat er onnodig veel wordt ingehuurd. Maar zoals het nu geformuleerd is, is het te stellig. Daarom ontraad ik de motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 94 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 95: ontijdig. Deze motie gaat over de staatscommissie. Dat is een ambitie in het coalitieakkoord van het komende kabinet. Ik zal uw vraag overbrengen aan mijn opvolger, maar ik kan daar zelf niet over besluiten. De motie krijgt dus het oordeel: ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 95 krijgt het oordeel: ontijdig. Mevrouw Moorman, één vraag.

Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):

Dit gebeurde natuurlijk net ook al bij minister Moes. We hebben maar één regering om mee te praten. Ik vind het echt heel bezwaarlijk dat er nu niet gewoon door de regering gezegd kan worden "ja, dit gaan we doen" of "dit gaan we niet doen", omdat er straks andere mensen komen. Wij komen daarmee als Kamer in een heel erg ingewikkelde positie terecht. Dan hadden we dit gesprek überhaupt niet met elkaar moeten voeren. Ik hoop toch dat er gewoon een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven. We weten dat er een staatscommissie komt. Ik heb ook inhoudelijk aangegeven waarom het belangrijk is dat we breder gaan kijken. Ik zou daar gewoon graag een oordeel over willen hebben van het kabinet.

Staatssecretaris Becking:

Ik heb hier in de eerste termijn ook al iets over gezegd. In het coalitieakkoord is afgesproken dat er een staatscommissie komt. Mevrouw Moorman vraagt om de opdracht van de staatscommissie aan te scherpen op bepaalde inhoud. De appreciatie is "ontijdig", want dat is gewoon nog helemaal niet aan de orde.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 95 houdt de appreciatie: ontijdig. Het is aan mevrouw Moorman om te bepalen wat ze met deze motie doet.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 103: ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 103 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 104: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 104 krijgt: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 105: ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 105 wordt ontraden.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 113: oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dat is voor de administratie. De motie op stuk nr. 113 krijgt: oordeel Kamer. Over de motie op stuk nr. 105 heeft mevrouw Armut een vraag.

Mevrouw Armut (CDA):

Ik ben benieuwd waarom de motie op stuk nr. 105 ontraden wordt, want volgens mij delen we toch het doel dat de kwaliteit van het bestaande mdt-netwerk geborgd moet blijven. Ik vraag me dus af waarom de staatssecretaris de motie ontraadt.

Staatssecretaris Becking:

Ik zal de wens van uw Kamer zeker meenemen in de overdracht. Er is gewerkt aan de opzet van de conceptregeling 2026. Er wordt beoogd om daarin meer nadruk te leggen op kwaliteit, maar het gaat mij nu te ver om de finale weging te maken over de invulling van die regeling en om delen van het budget daarvoor vast te leggen. Dat is de reden, maar ik zal het overbrengen.

Mevrouw Armut (CDA):

Ik vind het wel moeilijk dat de staatssecretaris dit zegt te willen overbrengen, maar dat er tegelijkertijd al wel allerlei drempels worden verhoogd. Ziet de staatssecretaris dat dat het wel bemoeilijkt voor het bestaande mdt-netwerk? We vinden het met z'n allen hartstikke belangrijk dat dat netwerk behouden blijft en dat organisaties die hier al sinds 2018 bij betrokken zijn gewoon door kunnen gaan. Ik zie dat dus in gevaar komen terwijl de drempels steeds maar weer worden verhoogd.

Staatssecretaris Becking:

Daar had ik al antwoord op gegeven. Het feit dat die drempel wordt verhoogd doordat de kwaliteitseisen worden verhoogd, heeft goede redenen. Ik heb eerder betoogd waarom dat zo is. In de motie gaat het juist over de nadere invulling van de regeling, het vastleggen van het budget et cetera. Ik denk dat het oordeel om die reden ontraden blijft.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 105 houdt de appreciatie: ontraden. De motie op stuk nr. 113 kreeg: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 115: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 115 krijgt: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 116 krijgt: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 116 krijgt: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 117, ook van de SGP: ontijdig. Die gaat over het intrekken van het wetsvoorstel strategisch personeelsbeleid. In december 2025 heb ik het advies van de Raad van State ontvangen bij dit wetsvoorstel. Dat wordt bestudeerd. Het is aan mijn opvolger om daar een definitieve afweging in te maken.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 117 krijgt de appreciatie: ontijdig. Ik kijk even naar de heer Stoffer. Als ik goed kan liplezen, wordt de motie aangehouden.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 118 van de heer Ceder: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 118 krijgt: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

De motie op stuk nr. 121 van mevrouw Beckerman: ontijdig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 121 krijgt de appreciatie: ontijdig.

Staatssecretaris Becking:

Ik vind het een goed idee. Ik ben er al mee bezig. We zijn met de partijen, VNG, LBVSO, Ouders & Onderwijs en de Sectorraad GO, bezig met een actieagenda leerlingenvervoer. Ik heb me daar zelf al eerder voor ingespannen. Met de gemeenten wordt daaraan gewerkt, dus de motie is in die zin ontijdig. Ik informeer de Kamer graag later dit jaar over de voortgang van die werkagenda.

Mevrouw Beckerman (SP):

Daarmee is zij juist heel erg tijdig, want de minister werkt er al aan. Wij vragen eigenlijk precies om datgene waar hij al aan werkt, plus om daarbij nog verschillende opties voor te leggen. Het is natuurlijk heel logisch dat de Kamer mag meedenken over welke kant we op gaan. Ik zie dus niet zo goed waarom deze ontijdig is.

Staatssecretaris Becking:

Ik wilde iets zeggen over … Wat was uw laatste zin? "Als we toevoegen …" Wat was het? Pardon.

Mevrouw Beckerman (SP):

In de motie staat: "verzoekt de regering om samen met gemeenten een plan op te stellen". Daarvan zegt de minister: daar ben ik mee bezig. De staatssecretaris; excuus. Daar hebben wij nog aan toegevoegd: "daarbij verschillende opties uit te werken, waaronder het stoppen met aanbesteden". Dat is een nieuw element, iets wat de staatssecretaris nog niet doet. Maar eigenlijk is het logisch: bespreek met de Kamer ook opties die nu nog niet kunnen. De rest van het verzoek is: "en de Kamer voor de zomer van 2026 te rapporteren". Dat was de staatssecretaris al van plan.

Staatssecretaris Becking:

Dat kan ik best toezeggen. Het is geen probleem om een aantal opties toe te voegen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Deal.

De voorzitter:

Dit was een deal, maar wat gaat u nu met de motie doen?

Mevrouw Beckerman (SP):

De motie zegt precies hetzelfde. Het staat er al.

De voorzitter:

Ik hoor de staatssecretaris zeggen: ik doe een aantal toezeggingen. Toen zei u: deal. Nu moet ik gewoon even weten wat we met deze motie doen. Daarbij kijk ik dan toch maar eerst naar de staatssecretaris.

Staatssecretaris Becking:

Dan geef ik 'm oordeel Kamer, voorzitter.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 121: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Becking:

Daarmee ben ik aan het einde gekomen, dacht ik.

De voorzitter:

Dan bent u aan het einde gekomen. Ik zie mevrouw Abdi lopen. Gaat uw gang.

Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):

Kort, voorzitter, voor de administratie. Ik zou graag de motie op stuk nr. 100 willen aanhouden en de motie op stuk nr. 101 trek ik in.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van het kabinet.

De voorzitter:

Ik doe nog even wat huishoudelijke mededelingen. Ik weet dat ik van de vaart ben, maar ik moet toch een aantal huishoudelijke mededelingen doen. We gaan stemmen over de ingediende moties op 3 maart, vanwege het debat over de regeringsverklaring. De stemmingen over de amendementen plus de begroting zijn naar verwachting op 17 maart.

Ik wil heel graag de leden van de Kamer bedanken voor hun inzet en bijdragen. Ik wil in het bijzonder de beide bewindspersonen danken voor hun bijdragen en hun inzet. Het is geen taak die je er zomaar bij doet. Het is allesomvattend. Daar wil ik u voor danken. Ik wens u veel succes in uw verdere loopbaan. Ik kijk opzij: sluit ik of schors ik? Hiermee sluit ik de vergadering. Ik wens iedereen een heel fijne avond.

Sluiting