[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-03-19. Laatste update: 2026-03-20 01:32
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

53e vergadering, donderdag 19 maart 2026

Opening

Voorzitter: Van Campen

Aanwezig zijn 135 leden der Kamer, te weten:

Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Van Baarle, Bamenga, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Bevers, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Clemminck, Coenradie, Dassen, Dekker, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ellian, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huizenga, Chris Jansen, Frederik Jansen, Jumelet, Kathmann, Keijzer, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, Köse, Kostić, Kröger, Krul, Lahlah, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Prickaertz, Raijer, Rajkowski, Rooderkerk, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en de heer Aartsen, minister van Werk en Participatie, de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en de heer Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van donderdag 19 maart.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Hamerstukken

Hamerstukken

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet luchtvaart in verband met de bevoegdheidsverdeling voor buitenlandse luchthavens (36793);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en de Wet handhaving consumentenbescherming ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2673 tot wijziging van Richtlijn 2011/83/EU wat betreft op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten, en tot intrekking van Richtlijn 2002/65/EG (Implementatiewet richtlijn op afstand gesloten overeenkomsten inzake financiële diensten) (36860).

Deze wetsvoorstellen worden zonder beraadslaging en, na goedkeuring van de onderdelen, zonder stemming aangenomen.

Termijn antwoord

De voorzitter:

We zijn aangekomen bij de voortzetting van de begrotingsbehandeling van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ik heet de minister en de staatssecretaris van harte welkom in ons midden. We zullen aanvangen met de beantwoording in de eerste termijn aan de zijde van het kabinet. De spelregels zijn als volgt. We spreken via de voorzitter. Ik zou de leden willen voorstellen interrupties te doen na de afronding van een inhoudelijk blokje van de beide bewindspersonen. Interrupties maximeren we niet, maar ze zijn wel kort en bondig en maximaal in drievoud. Ik zie dat iedereen daarmee kan leven. Dan gaan we dat doen.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de minister. Wellicht kunt u ons meenemen in hoe u uw beantwoording heeft gestructureerd.

Minister Van Essen:

Dat gaan we doen, voorzitter. Voordat ik begin, wil ik de leden Vellinga en Koorevaar van harte feliciteren met hun maidenspeeches. U liet heel mooi zien hoe uw persoonlijke geschiedenis uiteindelijk kan doorwerken in uw werk voor de publieke zaak hier in het parlement. Wat moeten er in de Alblasserwaard veel vlotten zijn gebouwd, zeg ik richting de heer Koorevaar. Ik kan namelijk uit eigen ervaring beamen dat een jeugd op het platteland je onverwachte wendingen in je leven kan opleveren. Ik wil de Kamer ook bedanken voor de vele constructieve handreikingen en vragen. Ze geven me energie en houden het kabinet scherp. Hoewel het ministers niet is gegeven om maidenspeeches te houden, hoop ik u vandaag toch ook een beetje van mijn kant te laten zien wat mij inspireert.

Voorzitter. Oet 't zelfde hoalt snije 'n zelfde leppel. Zo zeggen we dat in Twente. Het is een uitdrukking uit de oude boeren- en ambachtscultuur. Ik heb Herman Finkers gevraagd om mij te helpen, want ik zei: hoe kan ik hier nou het beste vertellen dat als je doet wat je deed, je krijgt wat je kreeg? Maar die uitspraak is een beetje sleets geworden. Toen kwam hij met deze uitdrukking. Het kabinet is ook uit ander hout gesneden en gaat voor een andere uitkomst. Ik ga mij ervoor inzetten om de stikstofcrisis op te lossen. Dat kan alleen samen. Daarvoor moet je elkaar regelmatig in de ogen kijken. Dat is iets wat ik de afgelopen weken al heb gedaan tijdens vele kennismakingssessies met u, maar ook tijdens contact met boeren, natuurorganisaties, wetenschappers, overheden en omwonenden. Ik heb kennisgemaakt met de mooie plannen die zij al hebben. Er is veel positieve energie om aan de slag te gaan. Dat heeft u mij ook horen zeggen in vele interviews. Met die 20 miljard die het kabinet uittrekt, kunnen we voor natuur, het landschap, boeren en tuinders namelijk echt wat voor elkaar krijgen.

Voorzitter. Landbouw en natuur horen bij elkaar. Dat voel ik, geboren en getogen op het Twentse platteland, ook zo. Stelt u zich een streek voor met essen, heidevelden, zandverstuivingen en de meanderende Dinkel. Wat mij tijdens werkbezoeken met name bij jonge boeren is opgevallen, is dat ze heel eerlijk en transparant zeggen: trek die pleister er maar af; wij willen niets liever dan duidelijkheid. Zij willen ontzettend graag vooruit, net zoals hun vader en grootvaders dat ooit wilden en konden. Verder boeren op oale groond, zoals ze dat in Twente zeggen. Daarom zal het kabinet richting de zomer een aantal belangrijke keuzes maken om de stikstofuitstoot verder te reduceren. Die aanpak valt uiteen in drie sporen: een landelijk pakket generieke maatregelen, belangrijke gebiedsgerichte maatregelen door medeoverheden en betekenisvolle stappen op bedrijfsniveau. Dat vraagt om inzet van het Rijk, van medeoverheden en van individuele ondernemers.

Voorzitter. Vanuit het Rijk stellen we doelen vast, nemen we landelijke maatregelen, schetsen we kaders, ook voor zonering, en maken we de benodigde middelen vrij voor een aanpak als geheel. De provincies zullen vanuit hun kennis en verantwoordelijkheden aanvullende maatregelen treffen en maatwerk leveren per gebied, dat zijn eigen kenmerken heeft. Vervolgens is het aan ondernemers om stevige keuzes te maken voor de toekomst van het bedrijf, waarbij ze nadrukkelijk moeten worden ondersteund door het Rijk en door medeoverheden, bijvoorbeeld door te werken aan de invoering van doelsturing.

Voorzitter. Ik benadruk het belang van samenhang tussen deze drie lijnen: het Rijk, de medeoverheden en uiteindelijk ook de ondernemers zelf. Zonder duidelijkheid, samenhang en, nog nadrukkelijker, zonder ondersteuning tussen deze kaders, kunnen bedrijven niet verder en kunnen wij onze verplichtingen niet waarmaken. Er bestaan op dit moment specifieke regelingen om bedrijven te helpen om te schakelen of te stoppen, maar de gevolgen daarvan kunnen diep ingrijpen op levens. Daar ben ik mij zeer van bewust; dat wil ik u meegeven. Ik wil daarbij oog houden — ik hoop dat samen met u te doen — voor hoe boeren het platteland leefbaar houden, hoe ze zorgen voor levendige dorpen en levendige streken. Dat is wat mij betreft van grote betekenis voor de sociaal-economische toekomst van de verschillende regio's in ons land.

Voorzitter. Ik ga mensen erbij betrekken die de lokale natuur goed kennen, zoals boeren en vrijwilligers, want met elkaar hebben we in Nederland volop natuurkennis en knowhow. Beide zitten vaak, opgebouwd over verschillende generaties, bij de boer die het landschap beheert. Beide zitten ook bij Nederlanders die in hun vrije tijd laten zien dat de natuur het waard is om jezelf ervoor in te zetten. Denk bijvoorbeeld aan mensen die op zaterdag houtwallen herstellen. Net zo trots als ik ben op onze boeren en tuinders, ben ik op alle gewone Nederlanders die in hun buurt hun natuur helpen verbeteren.

Voorzitter. Ik mag werken aan thema's naar mijn hart. Ik vind het een eer en uitdaging om daaraan met uw Kamer samen te werken. Die uitdaging ga ik kalm, maar vastberaden aan: stap voor stap en oplossingsgericht. Het is mijn overtuiging dat het wél kan, door de ene stap rustig voor de andere te zetten en naar maximale duidelijkheid te streven. Dan kunnen wij het samen rooien.

Dan ga ik nu in op de individuele vragen. Daar heb ik inderdaad blokjes voor, dus ik heb structuur ingebouwd voor u. Het eerste blokje is stikstof, het tweede landbouw, het derde natuur, en dan zal ik eindigen met het appreciëren van amendementen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Mooie woorden van de nieuwe minister, ook over de vrijwilligers, die heel veel voor de natuur doen in Nederland. Dank daarvoor. Ik heb een vraag, en die gaat over het volgende. Het hele stikstofprobleem is — daar refereert de minister ook al naar — inmiddels geen beleidskeuze meer, maar gewoon het uitvoeren van een vonnis. Hoe kijkt de minister daarnaar? Want we zitten niet in een situatie waarin we allerlei vrije keuzes hebben.

Minister Van Essen:

Ik ben me daarvan bewust. Ik wil me als minister uiteraard houden aan vonnissen. Dat zal ik ook doen. Ik ben ervan overtuigd dat natuurherstel daarin de enige weg vooruit is. Alleen, het is wel een weg vooruit die gepaard gaat met ondersteuning van bedrijven en boeren, die met name het accent legt op het gebiedsgerichte.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De minister zei in zijn inleiding: boeren willen niets liever dan duidelijkheid; trek die pleister er maar af. Ik weet niet met welke boeren deze minister praat, maar de boeren met wie wij hebben gesproken — dat zijn er honderden, in de afgelopen jaren — zeggen niet: trek die pleister er maar af. Die zitten met ontzettend veel verdriet en leed aan de keukentafel, omdat zij niet verder kunnen met hun bedrijf door stikstofwetten en stikstofbeleid waarmee wij onszelf hebben gewurgd. Ze zeggen niet tegen ons "trek die pleister er maar af"; ze willen gewoon door. Wat bedoelt de minister met "trek die pleister er maar af"? Dat impliceert dat het pijn moet doen, maar dat de pleister er dan wel af is.

Minister Van Essen:

Wat ik daarmee bedoelde te zeggen, en wat ik heb ervaren tijdens mijn werkbezoeken, is het volgende. Er wordt tegen mij gezegd: "Wees maar eerlijk. Wees maar duidelijk, ook als dat niet meteen fijn is voor ons om te horen. Wij willen perspectief. Wij willen weten waar we in kunnen investeren. Wij willen weten hoe jongere boeren het straks over kunnen nemen en hoe men verder kan, ook op die oale groond.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als ik eerlijk ben tegen iemand en zeg dat ik 'm zo meteen voor de bus ga gooien die met 50 kilometer per uur aan komt rijden, dan is dat hartstikke eerlijk, maar fijn is het niet. Ik heb steeds het gevoel dat dit wordt vergeten. Als we kijken naar de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, dan zien we, met de lokale partijen en BBB met 41 zetels in gemeenteraden, dat mensen op het platteland heel anders denken over het beleid dat hier in Den Haag wordt gevoerd dan deze minister. Gisteren werd ook door mensen bij de NOS aangegeven dat ze gewoon zien dat het platteland leegloopt en dat ze zich zorgen maken over alle voorzieningen die, mede daardoor, verdwijnen. Heeft de minister daar dan helemaal geen oog voor? Het wordt een beetje van tafel geveegd, alsof dat niet speelt. De gemeenteraadverkiezingen hebben een duidelijke uitslag laten zien.

Minister Van Essen:

Dat is een beetje flauw van mevrouw Van der Plas, want ik kom zelf ook van het platteland. Ik weet als geen ander dat voorzieningen en het werk dat boeren doen een-op-een verband houden met hoe levendig het daar is. Ik zie in de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen echter ook dat lokale partijen — die werden even aangehaald door mevrouw Van der Plas — gewoon een verzameling zijn van allerlei soorten mensen die met name hun gemeente belangrijk vinden. Ik zie daar een brede groei, en ik zie ook een brede inzet van allerlei soorten mensen met verschillende denkbeelden. Maar ik weet als geen ander hoe belangrijk het platteland en de voorzieningen daar zijn.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mensen hebben gisteren gekozen voor lokale partijen. Nogmaals, ik ben er ontzettend trots op dat de BBB 41 zetels heeft gehaald bij de gemeenteraadsverkiezingen, waarvan een groot deel in de regio. Dat mensen hun gemeente belangrijk vinden, is nou juist precies het punt. Zij zien namelijk in hun gemeente wat er gebeurt doordat wij hier een bepaald beleid uitvoeren. We hebben het hier vandaag met name over het landbouwbeleid, maar dit gaat ook over het visserijbeleid. Mensen zien gewoon dat hun dorpen daardoor ofwel leeglopen ofwel dat de voorzieningen en werkgelegenheid verdwijnen. Ik weet dat de minister uit Losser komt. Hij zal die verhalen dus vast ook hebben gehoord. De uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen is wel echt een heel duidelijk signaal van mensen. Ik wil de minister en de staatssecretaris dan ook met klem oproepen om daar echt goed naar te kijken en om goed te weten wat er echt in die dorpen leeft. Want het is hartstikke leuk om met LTO en NAJK werkbezoeken af te leggen, maar je moet ook in gesprek gaan met de echte mensen die dagelijks deze pijn voelen — die pleister is er trouwens ook allang af — om te zien wat dit beleid doet met het platteland en de regio's in Nederland.

Minister Van Essen:

Ik wil allereerst mevrouw Van der Plas feliciteren met de verkiezingswinst die de BBB heeft geboekt. Ze weet dat ik gedurende de week op veel plekken op bezoek ga, zeker ook in gebieden waar niet alleen maar de LTO en NAJK aansluiten. Dat doe ik juist om een breed palet aan reacties op te halen. Bovenal vind ik het belangrijk om perspectief en duidelijkheid te geven om ervoor te zorgen dat mensen gewoon verder kunnen boeren.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Los van het feit dat het voor de VVD ook een hele mooie verkiezingsuitslag was, waar we uiteraard heel trots op zijn, zou ik de minister een vraag willen stellen over de gebiedsgerichte aanpak. Ik hoor de minister zeggen dat de provincies de regie voeren ten aanzien van het maatwerk rondom de specifieke gebieden. Komt de minister straks nog terug op de vraag in hoeverre er regie wordt gepakt om te voorkomen dat ondernemers in eenzelfde gebied maar in een andere provincie, een andere aanpak krijgen?

Minister Van Essen:

Ik kom zo inderdaad nog terug op die specifieke vraag van mevrouw Den Hollander, maar in algemene zin heb ik proberen te benadrukken hoe belangrijk de samenwerking met provincies is, omdat zij daar gewoon bevoegdheden hebben.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dan wacht ik dat even af en gaan we hier straks misschien nog verder op door.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil beginnen met de minister een tip geven. Ik merk namelijk dat hij nu alweer in het defensief wordt gedrukt door vragen over de verschraling van de voorzieningen op het platteland en wat die betekent voor de sector. Dat de bussen niet meer rijden, heeft niets te maken met het landbouwbeleid. Het waren landelijke politieke keuzes om te bezuinigen. Het lijkt me dus goed als de minister daar een beetje op terugduwt. Misschien is het ook goed als de minister de Kamer voorhoudt wat de gevolgen zijn geweest van het niet sturen op daadwerkelijk beschermen van de natuur en een gezonde landbouw, namelijk dat het aantal veeboeren de afgelopen twintig jaar is gehalveerd. Dat was een ontwikkeling die vooral de agro-industrie diende. Deze minister gaat het nu anders doen, juist met behoud van boeren die op een gezonde manier kunnen werken. Dat was mijn tip.

Mijn vraag is …

De voorzitter:

O!

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Sorry, voorzitter, ik heb al vrij lang gesproken. Ik ga het nu kort houden.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag gaat over de doelen. Zojuist zei de minister in reactie op de vraag van mevrouw Bromet: wij respecteren rechterlijke uitspraken. Ik was blij om dat te horen, maar het ingewikkelde is dat dit kabinet twee verschillende dingen zegt. In het coalitieakkoord staan doelen die niet voldoen aan de wet en aan de rechterlijke uitspraken, maar de minister zegt dat hij wel gaat voldoen aan de rechterlijke uitspraken. Daar moet helderheid over komen: wat wordt het nou?

Minister Van Essen:

Ik heb één vraag gehoord, maar ook heel wat tips. In algemene zin vind ik het goed om het volgende te zeggen. Niet alles komt voort uit het landbouwbeleid, maar ik voel me wel geroepen om de voorzieningen op en de leefbaarheid van het platteland wel degelijk ook onderdeel van mijn aanpak te maken.

Dan ten aanzien van de vraag over uitspraken. In algemene zin kan ik zeggen dat ik me als minister wil houden aan uitspraken en dat ik aan de doelen die daarin worden gesteld, wil voldoen. Ik zal straks nog specifieker op de vragen van mevrouw Bromet en mevrouw Ouwehand terugkomen, in het blokje dat daarover gaat. Ik hoop dus dat ze het geduld wil bewaren en dat we daarover de discussie kunnen voeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, dus dan krijgen we straks duidelijkheid over wat het doel nou is. Ik kan de minister alleen maar aanmoedigen om te investeren in de leefbaarheid op het platteland en dat los te koppelen van de verandering die noodzakelijk is en waar boeren ook bij geholpen moeten worden, want anders blijft de minister de hele tijd in het defensief zitten. Dat lijkt me voor hem niet fijn, maar voor de natuur en de boeren ook niet.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben benieuwd naar het volgende. Ik las van de week dat de minister heeft gekozen voor LTO en NAJK als gesprekspartners. Hoe zit het dan met al die andere belangenverenigingen die ook in het verleden contact hebben gehad met het ministerie? Ik heb een hele lijst laten uitdraaien met hoe vaak zij in 2025 in contact zijn geweest. Zoals mevrouw Van der Plas net zei, gaat deze minister dan aan de hand van LTO en NAJK op werkbezoeken naar uitgezochte bedrijven. Hoe komt het dan dat een deel van de mensen in het land, een aantal ondernemers, zegt: ja, maar wij voelen ons helemaal niet vertegenwoordigd door LTO en NAJK, dus hoe gaat de minister dan naar onze belangen luisteren?

Minister Van Essen:

Volgens mij refereert de heer Jansen aan een artikel uit Boerderij. Dat is geen uitspraak van mij geweest. Ik heb daar nog geen ei over gelegd. Ik ben bezig met het uitdenken van een structuur die gekoppeld kan worden aan de taskforce en daar informeer ik u als Kamer over na de eerste taskforcebijeenkomst. Over de brede blik houden, heb ik net ook al proberen aan te geven dat ik dat gewoon zal doen. Ik ben heel blij met partijen als LTO en NAJK, net zoals ik dat ben met Natuurmonumenten en Natuur en Milieu, maar ik zal er ook voor zorgen — dat doe ik al dagdagelijks — dat mijn blik breder is dan alleen maar die partijen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Op zich geeft dit antwoord al enige duiding. Ik ben benieuwd of deze minister de afspraken die in de afgelopen periode zijn gemaakt met een aantal van dat soort belangenorganisaties, overneemt of naast zich neerlegt.

Minister Van Essen:

Het is best wel moeilijk om te gissen welke afspraken nu bedoeld worden, maar ik zou de heer Jansen willen vragen om als ik na de eerste taskforcebijeenkomst de Kamer informeer, te bekijken of dit voldoet aan zijn wensen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dan heel specifiek. Op 25 januari heeft de vorige minister van Landbouw een brief gestuurd. Daarin heeft zij stichting Stikstofclaim uitgenodigd aan tafel. Mijn vraag is, via u voorzitter, of de minister die afspraak gaat nakomen of dat hij die aan zijn laars lapt en alleen met LTO en NAJK de gesprekken aangaat.

Minister Van Essen:

Die vraag van meneer Jansen zat nog ergens in mijn mondelinge set en die wilde ik nog beantwoorden. Ik sta ervoor open om met allerlei soorten partijen te spreken. Ook Stikstofclaim staat op dat lijstje.

De voorzitter:

U vangt aan met uw beantwoording op het onderdeel stikstof.

Minister Van Essen:

Ja, dank u wel. Het is een flink blok stikstof. Ik heb daarbij weer een onderverdeling gemaakt. De thema's zijn: generieke stikstofreductie, gebiedsgericht — daar hadden we het net al even over — de aanpak op bedrijfsniveau, vergunningverlening en KDW, en de rekenkundige ondergrens, AERIUS en de Greenpeacezaak waarnaar is gevraagd.

Voorzitter. Dit kabinet heeft zich een heldere opdracht gesteld. Deze zomer maken we een aantal duidelijke keuzes, zodat Nederland weer in beweging komt. Dit verwacht de samenleving ook van ons. Dit doen we samen met onze boeren, natuurorganisaties en andere maatschappelijke partners. Nederland van het stikstofslot halen, heeft de hoogste prioriteit bij dit kabinet. Dat is iets waar maatschappelijke partijen en medeoverheden ook om vragen, en waarvoor zij, zoals u weet, ook voorstellen hebben gedaan. Delen van die voorstellen, de zogenoemde bouwstenen, ziet u ook terug in het coalitieakkoord, maar zoals uw Kamer al terecht constateerde, vraagt dat akkoord op sommige delen nog nadere uitwerking. Dat is wat we de komende tijd gaan doen. Daarmee hoop ik de vraag van mevrouw Bromet daarover te hebben beantwoord.

We zetten in op een samenhangende aanpak, bestaande uit generieke maatregelen, gebiedsgerichte maatregelen en concrete stappen op bedrijfsniveau, zoals ik zei. Daar maakt het kabinet geld voor vrij, een bedrag van 20 miljard tot 2035. Met deze aanpak wil het kabinet het halen van doelen op het terrein van klimaat, water, natuur, stikstof en dierwaardigheid aan elkaar verbinden. Dan pakken we het integraal aan, zoals ook mevrouw Ouwehand en mevrouw Podt mij vroegen. Het slim integraal combineren van die opgaven is ook nodig om boeren en andere belanghebbenden duidelijkheid en handelingsperspectief te geven. Zoals ik net al zei: we kunnen geen investeringen doen als we steeds met losse opgaves na elkaar langskomen. Aandacht voor de sociaal-economische effecten en aspecten zie ik als essentieel onderdeel van het kabinetsbeleid, omdat de aanpak een uitwerking kan hebben op de inrichting van het platteland.

Voorzitter. Mevrouw Bromet gaf aan dat er concrete besluiten nodig zijn. Daar ben ik het van harte mee eens. Sterker nog, zoals ik net al aangaf, is dat ook de oproep die ik in mijn eerste weken als minister vanuit meerdere kanten heb gekregen, ook van de boeren. Daarom zetten we via een generieke aanpak in op maatregelen, zoals innovatie, en op de afroming van productierechten. In het kader van de gebiedsgerichte aanpak zetten we in op zonering en op maatregelen voor onder andere extensivering en omschakeling. Ik vind het vanzelfsprekend — ik kijk even naar de heer Flach — dat ik daarbij breder kijk dan alleen naar de coalitie, want het stikstofprobleem is een complex en maatschappelijk vraagstuk dat baat heeft bij een breed draagvlak in de politiek en de maatschappij. Dat weet u allen, want enkelen van u zijn al even bezig met dit thema.

Daarom ga ik actief het gesprek aan met zowel de coalitie- als de oppositiepartijen. In de afgelopen tijd heb ik al vele kennismakingen gehad met een groot deel van uw Kamer, maar ook met vertegenwoordigers van de sector, natuurorganisaties en medeoverheden. Ik wil dat graag benadrukken, omdat ik mij ervan bewust ben dat een coalitie die geen meerderheid heeft in deze Kamer, ook in het land moet kijken naar samenwerking. Bij de uitwerking van het akkoord zal ik ook heel nadrukkelijk kijken naar voorstellen van uw Kamer, ongeacht van welke fractie ze afkomstig zijn. Naast nieuwe plannen bouwen we ook zo veel mogelijk voort op de goede ideeën en onderdelen van beleid van de afgelopen jaren, zoals de heer Grinwis mij vroeg, zeker als dat de snelheid bevordert.

Ik wil de heer Grinwis overigens graag bedanken voor de mooie vlag die ik van hem heb gekregen. Ik heb na laten gaan waarom die niet meer wappert boven het gebouw van LVVN, KGG, EZK en AZ. Dat komt omdat de vlaggenmast stuk is. Het heeft niks te maken met de brandweer, die er niet in kon, of met een vergunning. Ik zeg de heer Grinwis graag toe dat er gewerkt zal worden aan het herstel daarvan en dat de Nederlandse driekleur weer zal wapperen. Het is trouwens goed om te weten dat als u het gebouw binnenkomt, u op het binnenplein zowel de Nederlandse vlag als de Europese vlag gewoon fier overeind ziet staan. Maar ik beloof dat de vlag van de heer Grinwis een mooie bestemming krijgt.

Om de inleiding van het blokje over stikstof af te ronden — ik kom zo nog terug op de specifieke onderdelen — wil ik u graag meegeven dat het mijn streven is om uw Kamer voorafgaand aan het commissiedebat over mest en stikstof, dat we op 1 april hebben, ook te informeren over de aanpak van de taskforce. Bij alle vervolgstappen van die taskforce wil ik uw Kamer meenemen en informeren.

Ik kom nu op de generieke stikstofreductie. De overige vragen over stikstof zal ik beantwoorden langs de lijnen van het voorgenomen kabinetsbeleid. Ik begin met de generieke stikstofreductie door landbouw, industrie en mobiliteit, waardoor er stapsgewijs weer meer ruimte komt voor vergunningverlening. Onder mijn voorgangers zijn al meerdere acties in gang gezet om Nederland van het slot te krijgen, maar voor de zomer is het aan ons om een aantal grote keuzes te maken. Ik wil uw Kamer wel graag meegeven dat het niet in één keer van het slot af kan. Er is niet zoiets als een rode knop waarop we kunnen drukken en waarna alles weer kan en alle vergunningverlening weer vlot getrokken is, maar dat zult u allen weten en begrijpen. Als het zeker is dat er maatregelen genomen kunnen worden, dan is het ook weer mogelijk om de vergunningverlening in stapjes mogelijk te maken. Die inzet verschilt per gebied. Daar werd al even naar gevraagd in de eerste termijn van uw Kamer. Het op gang komen van de vergunningverlening zal dan ook per gebied verschillend zijn.

De heer Goudzwaard vroeg mij wat er gebeurt met de vrijgekomen hectares uit de vrijwillige beëindigingsregelingen. De vrijwillige beëindigingsregelingen, zoals de Lbv, de MGB en de Vbr, de voorgenomen vrijwillige beëindigingsregeling, hebben geen betrekking op landbouwgrond. Dat was heel duidelijk. Zij richten zich op de veehouderijlocaties waar de stallen en de opstallen zich bevinden. Anders gezegd: het erf. Er komt dus geen grond vrij vanuit die beëindigingsregelingen. Het is aan de eigenaar van die grond om binnen de relevante wettelijke kaders te bepalen wat er met die grond gebeurt.

Voorzitter. Meer Kamerleden hebben hier vragen over gesteld. Mevrouw Bromet vroeg naar mijn reactie op het feit dat bij de uitkoop van boeren de grond niet wordt opgekocht. Ik begrijp de zorgen over veranderend grondgebruik. Ik hoor die ook in het land. Maar tegelijkertijd is het opnemen van grond in die beëindigingsregelingen niet de oplossing. Daar zijn verschillende redenen voor. Ik begin met de reden die mevrouw Bromet misschien het minst graag hoort, namelijk de staatssteunkaders. Die vereisen dat de landbouwgrond die wordt meegenomen in dergelijke regelingen voor een periode van minimaal twintig jaar uit productie wordt genomen en verplicht wordt omgezet in bos en natuur. Nu kan ik mij voorstellen dat sommigen dat niet erg vinden en zich niet kunnen voorstellen wat daar bezwaarlijk aan is, maar in het kader van alle opgaven die we hebben in het ruimtelijk domein, zou ons dat ontzettend kunnen beperken, ook voor de landbouwopgaves. Die grond kunnen we dan bijvoorbeeld niet meer inzetten voor het extensiever maken van andere bedrijven. Daarnaast is landbouwgrond erg duur — daar heeft afgelopen week weer wat over in de pers gestaan — dus heeft het opnemen van die grond ook budgettaire consequenties die ervoor kunnen zorgen dat er minder middelen zijn om veehouders te helpen om vrijwillig te stoppen. Bovendien zijn ondernemers vaak gehecht aan de grond waar de familie al generaties op woont; ik noemde het net al even in mijn inleiding. Onze verwachting is dus ook dat als we die grond opnemen in die regelingen, de deelnamebereidheid voor die regelingen afneemt. Dat lijkt mij onwenselijk.

Voorzitter. Dat neemt niet weg dat ik de zorg van mevrouw Den Hollander wel begrijp. Ik verken daarom ook de mogelijkheden om beter te kunnen sturen op veranderend grondgebruik, bijvoorbeeld ook om de negatieve effecten op waterkwaliteit zo veel mogelijk tegen te gaan. Hier ligt een rol voor het Rijk, maar ik zie ook een rol voor medeoverheden, die met de Omgevingswet instrumenten in handen hebben om daarop te sturen en die negatieve effecten tegen te gaan.

Daarnaast zijn er verschillende oorzaken voor het omzetten, maar met het oog op die problematiek heeft het coalitieakkoord een onderzoek naar grasland- en rustgewasplicht in uitspoelingsgevoelige gebieden aangekondigd. Daar ga ik mee aan de slag. Verder neem ik dit onder andere mee in de uitwerking van de zonering rond kwetsbare natuur en de aanpak van kwetsbare watergebieden.

Dan het spoor gebiedsgericht. Dit spoor richt zich met name op de Natura 2000-gebieden. Het kabinet zet in op een combinatie van vrijwillige en meer normerende maatregelen.

Mevrouw Den Hollander vroeg hoe ik ervoor ga zorgen dat er geen lappendeken van verschillende provinciale aanpakken in het landelijk gebied ontstaat; ik kwam er net ook al even op terug. Ook de heer Koorevaar vroeg naar een gelijk speelveld en regie op de uitvoering van plannen. Het kabinet wil graag voortbouwen op lopende processen in de provincie. Ik vind het belangrijk dat we oog hebben voor verschillende gebieden.

Ik zie een interruptie.

De voorzitter:

U heeft een erg lang blokje stikstof.

Minister Van Essen:

Ja, dat klopt.

De voorzitter:

Ik zou dus toch willen voorstellen om na die subblokjes ruimte te geven voor interrupties, omdat er behoefte is om vragen hierover te stellen. U heeft de generieke reductiedoelstelling nu behandeld, begrijp ik.

Minister Van Essen:

Ja, ik was in gebiedsgericht aan de gang gegaan.

De voorzitter:

Dan zou ik de heer Grinwis en anderen gelegenheid willen geven voor interrupties.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Stikstof zal inderdaad een groot blok zijn. Daarin hebben we diverse thema's die niet allemaal op één hoop zijn te gooien. Ik wil graag eerst ingaan op het punt grond, dat de minister al heeft behandeld. Ik ben blij dat de minister ziet wat er aan de gang is. Ik snap heel goed wat hij schetst over opkoop et cetera. Maar ik sprak toevallig gisteren nog een melkveehouder op de droge hoge zandgronden, die mij schetste wat er in 20, 30 jaar aan grondgebruik was veranderd. Ik ben afkomstig uit de akkerbouw, dus ik vind het prachtig als er aardappels worden geteeld. Je ziet echter hoe dat juist op die gronden is toegenomen, net als andere intensieve teelten. Dat heeft vervolgens ook weer gevolgen voor de grondprijs, want het opbrengend vermogen van die grond gaat natuurlijk wel omhoog als je intensief kunt telen.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Aan welke sturingsmogelijkheden denkt de minister? Verzaakt de provincie daar? Ziet de minister zelf kansen? Hoe zouden we dat op een verantwoorde wijze kunnen doen?

Minister Van Essen:

Zoals ik aangaf, zie ik die veranderingen ook. Tijdens mijn werkbezoeken wordt er ook over gesproken. Ik erken dus de noodzaak om daarnaar te kijken. Ik vind het wel lastig om hier te zeggen hoe groot het probleem precies is. We horen er veel over en er wordt veel over geschreven, maar de exacte omvang is nog niet in beeld. Met de zin uit het coalitieakkoord over dat we het gaan onderzoeken, denk ik dat we het kunnen ondervangen. Ik denk dat we niet alleen maar naar medeoverheden kunnen wijzen als het gaat om het tegengaan van dit veranderende grondgebruik. Ik weet zelf ook wat dat vraagt van een andere overheid. Daar zie ik dus echt een rol voor ons weggelegd. Ik wil dat ook meenemen in de uitwerking richting de zomer. Dan hoop ik de zin in te kunnen lossen die nu als ambitie in het coalitieakkoord staat.

De voorzitter:

Kort en bondig, meneer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat snap ik, voorzitter. Net was even de inleiding, nu houd ik het even korter. Fijn, voor de zomer. De situatie is volgens mij namelijk heel urgent, maar ook heel erg ingewikkeld. De grondprijs — de minister raakte er al aan — is zo enorm hoog geworden. Op den duur is een hectare bijna niet extensief te telen. Ik zou dus heel graag zien dat het realiteitsgehalte van de oplossingsrichting die de minister voor zich ziet goed wordt getoetst in de aanpak die voor de zomer komt. Kan de minister toezeggen dat er niet alleen een soort van wensbeelden of abstracte taal volgen, maar dat de eigen redeneerlijnen ook echt op realiteitsgehalte worden getoetst?

Minister Van Essen:

Uiteraard willen wij het ook reëel en uitvoerbaar hebben. Als je snel van wal wil steken, moet het ook te doen zijn. Dan gaat het niet alleen om een visie; dan moet het een combinatie van maatregelen zijn die ervoor zorgen dat het ook daadwerkelijk kan in een gebied.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik vergeet nog een heel klein puntje. De grote angst van alle woordvoerders met betrekking tot veranderend grondgebruik is, denk ik, niet dat we het iemand niet gunnen om akkerbouwer te worden in plaats van veehouder, maar dat we nu vanuit het perspectief van stikstof vrij verkokerd aan het ingrijpen zijn en overmorgen op de koffie komen op het gebied van waterkwaliteit. Kan er in die brief ook op ingegaan worden wat de consequentie van niet ingrijpen kan zijn vanuit waterkwaliteitsperspectief en met welke ingrepen het platteland dan geconfronteerd zou worden?

Minister Van Essen:

Het is mij heel duidelijk dat dit op elkaar ingrijpt. Ik heb ook in mijn eerste beantwoording proberen te zeggen dat we een integrale aanpak willen, zeker met betrekking tot de thema's water, klimaat en dierwaardigheid. Daar speelt dit een grote rol in. Ik kan de heer Grinwis daar dus in geruststellen. Ik zie dit probleem en ik wil daarop handelen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb meerdere vragen, maar wil even aansluiten op het punt van de heer Grinwis over grondgebruik. De prijs van grond wordt ook bepaald door wat er mogelijk is. Er wordt hier heel vaak geklaagd over hoge grondprijzen. Dat is ook een probleem, maar als de overheid grenzen stelt aan het gebruik van die grond, zou die grond ook in waarde kunnen dalen. Mijn vraag gaat over het gebruik van die grond. We hebben het hier vaak gehad over kalenderlandbouw en de nadelen die daar allemaal aan kleven, maar het alternatief zou kunnen zijn dat je op bepaalde gronden bepaalde teelten verbiedt, bijvoorbeeld maisteelt op uitspoelingsgevoelige gronden of bloembollenteelt in gebieden waar omwonenden heel veel last hebben van een grote overmaat aan bestrijdingsmiddelen. Is beperking van het gebruik van grond ook een maatregel waar de minister aan denkt?

Minister Van Essen:

Ik snap de suggesties van mevrouw Bromet, maar ik zou daar nu niet op vooruit willen lopen, omdat alles wat we hier zeggen ook weer in de buitenwereld gebruikt kan worden. Ik zou dus wat geduld willen vragen van in dit geval de Kamerleden. Laat mij dit tot de zomer uitwerken.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dan moet de minister het maar als een tip beschouwen.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

In aanvulling op wat de vorige twee interrumpeerders hebben gezegd: ik maak me echt wel zorgen over het veranderend grondgebruik en het voor een deel naar de gemeenten verplaatsen daarvan. Als de gemeenten dat via de Omgevingswet moeten gaan doen, wat inderdaad een optie is, hoe worden ze dan gecompenseerd voor de afwaardering van die grond? Dat is voor gemeenten gewoon onbetaalbaar. De minister zegt dat het voor het Rijk ook onbetaalbaar is om al die gronden te kopen. Dat begrijp ik, maar dat betekent niet dat je het kunt afschuiven op de gemeenten.

Dan stel ik maar gelijk een tweede vraag. We hebben in het coalitieakkoord natuurlijk ook iets staan over een grondbank, die mogelijk kan gaan dienen als instrument voor landinrichting. Ziet de minister daar ook mogelijkheden in?

Minister Van Essen:

Ik heb inderdaad benoemd dat decentrale overheden via die instrumenten de mogelijkheid hebben om in te grijpen, maar ik ben me er als oud-wethouder terdege van bewust wat dat betekent voor een gemeente. In uitzonderlijke gevallen zal men daar mogelijk een beroep op doen, maar ik denk dat we vanaf deze plek niet kunnen verwachten dat alle gemeenten dat generiek gaan doen, want dan hebben we inderdaad een gesprek over kosten. Ik zie het dus als opdracht voor mezelf om hierop te sturen.

De tweede vraag ging over de grondbank. Ik kijk even naar rechts om te zien of mijn staatssecretaris daar zo verder op in wil gaan. Dat is het geval.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Het is goed om te horen dat de minister hierop wil gaan sturen. Dan ben ik natuurlijk wel superbenieuwd welke kant hij dan op gaat sturen. Is dat ook onderdeel van wat voor de zomer terugkomt naar de Kamer? Hoe gaat de minister dan sturen op dat veranderend grondgebruik en voorkomen dat het wordt afgewenteld op de lagere of decentrale overheden?

Minister Van Essen:

Ik begrijp die belangstelling heel nadrukkelijk. Ik heb net bij de heer Grinwis en ook bij mevrouw Bromet proberen uit te leggen dat ik daar even de tijd voor wil nemen en het in het geheel van maatregelen wil beschouwen. Ook aan mevrouw Den Hollander vraag ik dus wat geduld.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik haak hier ook nog even kort op aan. Ik denk dat de regionale grondbanken het beste gaan werken als ze gedragen worden door degenen die het gebied dragen. Dan is er draagvlak om daarmee verder te gaan. Maar dat is niet mijn vraag. Mijn vraag heeft meer te maken met uw inleiding. U schetste even drie stappen. De eerste stap was een algemene reductiestap. Daarna was er een stap richting zonering en dan had u het over betekenisvolle stappen als derde lijn. In mijn hoofd is natuurherstel eigenlijk de derde lijn, want soms heb je ook te maken met hydrologie of andere maatregelen die je moet nemen. Mijn vraag is dus: is dat niet de derde stap in de stikstofaanpak?

Minister Van Essen:

De stappen waar ik het over had, gingen inderdaad over welke spelers een bijdrage kunnen leveren. Die zijn ook niet per se chronologisch. Die kunnen we ook allemaal tegelijk doen. Maar zoals ik ook al aangaf in mijn inleiding ben ik ervan overtuigd dat natuurherstel de enige weg vooruit is. Dat is dus niet máár een derde pijler die daarna komt. Ik hoop dat ik de heer Koorevaar daarover gerust kan stellen.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik vraag aan de minister of hij het dan met mij eens is dat ook de aanpak om natuur te herstellen niet sec een stikstofreductieaanpak is, maar dat het en-en is en dat het gebiedsafhankelijk is hoe de uitwerking plaats gaat vinden?

Minister Van Essen:

Daar kan ik bevestigend op antwoorden. Ik kom daar straks nog op terug wanneer ik het heb over de Peel, waar de heer Koorevaar vragen over heeft gesteld. Maar wat ik daar heel mooi vond om te zien, was dat juist de drukfactor hydrologie en hoe dat in het gebied geregeld was, ervoor zorgde dat we met z'n allen achteruitboerden, terwijl inzetten op watermaatregelen daar juist voor stikstof heel erg bevorderlijk was. Dus ik wil er ook niet verkokerd naar kijken, zoals net werd gesteld. Ik wil die opgave in samenhang zien, omdat inzet op het een voor een ander doel weleens veel beter kan zijn dan alleen maar focussen op stikstof.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Onder de landelijke generieke aanpak noemt de minister ook zonering. Dat lijkt me verstandig. Maar ik heb de volgende vragen aan de minister. Is die zonering dan iets wat wij op gaan leggen vanuit landelijk? En hoe groot moeten die zones dan ongeveer zijn? Waar moet je aan denken? Wij hebben de vorige minister natuurlijk horen spreken over zones van een paar honderd meter. GroenLinks-PvdA vindt dat volstrekt onvoldoende. Ik ben wel benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.

Minister Van Essen:

Ik gaf in de inleiding ook aan dat die drie niveaus communicerende vaten zijn, dus dat wat wij landelijk doen een uitwerking heeft op wat gebiedsgericht kan en dat dat weer zijn uitwerking heeft op wat de ondernemer uiteindelijk nog aan mogelijkheden heeft om zelf te sturen. Wat ik daarmee bedoel te zeggen — en dat is ook de reden waarom ik hem ook bij generiek heb genoemd — is dat ik ervan overtuigd ben dat wij daar het pad moeten effenen en moeten aangeven dat we ermee gaan werken, maar dat ik ook vrijheden in de gebieden wil geven om misschien hetzelfde te behalen met die zonering, maar het net iets anders in te richten. Aan de ene kant van het natuurgebied kunnen namelijk een aantal boeren zitten die niet verder willen, terwijl ze dat aan de andere kant van het natuurgebied misschien juist wel willen. Dus ik wil ook niet mijn ogen sluiten voor hoe je in het gebied die zonering zo kunt toepassen dat het net zo veel effect sorteert, maar het de ondernemers meer kansen geeft. Dus we moeten landelijk het pad effenen en daar een duidelijke lijn in trekken, maar we moeten niet de ogen sluiten voor de mogelijkheden die het gebied kan bieden.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Als ik boer zou zijn in zo'n gebied, zou ik dit nog niet heel duidelijk vinden, maar dat komt dan misschien nog. Mijn aansluitende vraag is de volgende. De minister zegt: we gaan per gebied de vergunningverlening op gang brengen, dus in het ene gebied duurt het langer dan in het andere gebied. Betekent dat dat in de gebieden waar de problemen heel groot zijn, waar er een heel groot probleem is met de stikstofoverlast, het ook langer duurt voordat de vergunningverlening op gang komt of betekent dat dat de ingrepen veel groter zullen zijn en de vergunningverlening ook snel op gang kan komen als de ingrepen maar groot genoeg zijn?

Minister Van Essen:

Juist in de gebieden die mevrouw Bromet beschrijft, waar het juist ingewikkelder is of waar meerdere opgaven samenkomen, zie ik nadrukkelijk meer een rol voor ons weggelegd, om het ook in de tijd daar sneller voor elkaar te krijgen. De heer Koorevaar heeft me al gevraagd naar de Peel. Ik ben zelf ook al bij de Veluwe gaan kijken. Daar is rijksinzet misschien harder nodig dan op een andere plek waar je het met provincie-inzet ook op een redelijke termijn tot een goed eind kunt brengen. Dus ik zie in die gebieden eerder het verschil in wat onze rijksinzet zou moeten zijn en hoe wij ons daarmee moeten bemoeien dan dat het per se betekent dat het veel langer moet duren voordat er iets kan.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik ben benieuwd naar het volgende. Ik hoor de minister zeggen dat alles met elkaar samenhangt. Dat snap ik ook. Maar hoe dwingend gaat de minister dan vanuit het Rijk bepaalde maatregelen erdoorheen rammen richting de ondernemers? Of gaat hij dat via de gemeente doen of via de provincie? Hoe dwingend gaan we dat dan doen?

Minister Van Essen:

Mijn opdracht is om dat stikstofslot eraf te halen en te zorgen dat we in Nederland weer vergunningverlening op gang krijgen en de natuur herstellen, zodat ondernemers ook weer verder kunnen met hun bedrijf. Wat daarvoor nodig is, zal ik doen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat is een heel diplomatiek antwoord, maar de vraag is natuurlijk: sluit de minister gedwongen bedrijfsbeëindigingen uit en sluit hij gedwongen maatregelen die ondernemers moeten nemen uit?

Minister Van Essen:

Ik had aangegeven dat het coalitieakkoord onder andere is gebaseerd op de input die allerlei maatschappelijk partijen in die bouwstenen hebben afgesproken. Ook daarbij zijn uiteindelijk maatregelen die het ook afdwingbaar en juridisch borgbaar maken, niet uitgesloten. Op dit moment wil ik ook nog geen maatregelen uitsluiten.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat betekent dus dat ondernemers gewoon het haasje kunnen zijn. Heel simpel. Daarnaast kom ik nog even terug op de vraag die ik zonet stelde. De minister gaf als antwoord "ik sta ervoor open om met organisaties te praten", maar mijn vraag was de volgende. Gaat de minister het doen als er een afspraak ligt, op papier, zoals in dit geval in de brief van 25 februari? Gaat de minister praten met bijvoorbeeld Stichting Stikstofclaim of staat hij open voor een gesprek? Ik neem aan dat hij gaat praten als het op papier is bevestigd?

Minister Van Essen:

Ik vind het mooi dat de heer Jansen heel goed luistert naar mijn woorden. Ik ga met ze in gesprek. Als ik me niet vergis, staat dat gesprek ook al in mijn agenda gepland. En anders zorgen we dat dat voor elkaar komt.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik had een vraag gesteld over de uitbreiding van de natuurgebieden. Die vraag is nog allerminst beantwoord. Er staat dat we een inrichtingsopgave hebben van maar liefst 30.000 hectare aan nieuwe natuur en dat dit de verantwoordelijkheid van provincies is. Ik sluit me hierin aan bij de zorgen die mevrouw Den Hollander heeft geuit. Het beleid wordt hier gemaakt en de provincies hebben het uiteindelijk uit te voeren. Ik stel mijn vraag over het beleid dus nogmaals. Hoe houdt het kabinet er bij het uitbreiden van die natuurgebieden rekening mee dat dit kan leiden tot verdere beperkingen van de landbouw? Die vraag is nog niet beantwoord.

De voorzitter:

De minister komt ook nog op het kopje natuur. Ik vind het best belangrijk om veel ruimte te geven voor veel interrupties op de verschillende onderdelen, maar dat werkt alleen als we de vragen echt toespitsen op de onderdelen waarop de minister zijn beantwoording concentreert. Wellicht kan de minister mevrouw Ten Hove dus een kort antwoord geven, maar laten we ons concentreren op de blokken die zijn aangegeven, om het debat ordentelijk te laten verlopen.

Minister Van Essen:

Volgens mij kom ik nog terug op uw vraag, mevrouw Ten Hove. Volgens mij zit die vraag in de set over natuur, zoals de voorzitter aangeeft. Mocht die daar niet in zitten, dan hoor ik graag weer van u.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dan parkeren we die even. Dank.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn vraag gaat over de generieke maatregelen die de minister voor zich ziet. Mevrouw Bromet vroeg al even naar sturen op grondgebruik. Daarvoor moeten we geduld hebben, want de minister zegt dat hij dat wil uitwerken. Maar ik miste ook nog wel een aantal maatregelen die volgens mij nodig zijn, zoals het schrappen van latente ruimte. We moeten echt iets doen om te voorkomen dat we aan de ene kant uitkopen en er aan de andere kant nog steeds wordt uitgebreid of nieuwbouw wordt gepleegd. Daar hebben we in deze Kamer de afgelopen jaren heel veel over gesproken. Dat is natuurlijk weggooien van belastinggeld. Het intrekken van vergunningen is volgens mij een maatregel die de minister ook nadrukkelijk in zijn pakket moet zien. Mijn vraag is dus hoe hij hiernaar kijkt. Ziet hij deze maatregelen ook als onderdeel van dat generieke pakket?

Minister Van Essen:

Ik zie dat enkele provincies of volgens mij één provincie ook het schrappen van de latente ruimte in de plannen hebben staan. Ik zou er bij mevrouw Ouwehand op terug moeten komen in hoeverre ik dat effectief vind als onderdeel van de aanpak.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Oké. Geldt dat dan voor alle opties die ik zojuist heb genoemd? Een grote steen des aanstoots is ook dat er de afgelopen jaren al ontzettend veel geld is gestoken in pogingen om dit op te lossen. Er werden bijvoorbeeld bedrijven uitgekocht. Het is zelfs gebeurd dat in één straat een bedrijf voor 2,5 miljoen werd uitgekocht, terwijl in diezelfde straat gewoon een nieuwe varkensstal werd gebouwd. Ja, dan los je én de problemen niet op én is het geld gewoon weggegooid. Ik zou de minister dus willen vragen om de Kamer snel gerust te stellen en te zeggen: dat gaan we dus niet meer doen, want ik heb daar een stokje voor gestoken. Dat zou ik fijn vinden.

Minister Van Essen:

Bij het voorbeeld van mevrouw Ouwehand — ik zal er niet te diep op ingaan — is het heel belangrijk om te weten hoe die bedrijven dan functioneren, wat voor stallen ze hebben en noem maar op, dus daar kan ik niet op ingaan. Ik wil echter gerust wel aangeven dat ik op de opties die worden geschetst, nog even schriftelijk terugkom.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Fijn. Dank u wel.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dit ligt een beetje in het verlengde van de vragen van de heer Jansen over generieke maatregelen en saneringen. De minister heeft schriftelijk antwoord gegeven op een vraag van mij in de eerste termijn. Die ging over het neerslaan van de emissies van bijvoorbeeld de melkveehouderij. De minister stelt in zijn antwoord dat ongeveer 10% neerslaat binnen een straal van 500 meter, terwijl de rest opgaat in een deken. Nu zeggen verschillende belanghebbenden, zoals de Stichting Stikstofclaim, Wouter de Heij en Agractie — zij zijn allemaal ook vertegenwoordigd en hebben deel in dit dossier — dat het wel 50% of 60% is. Hoe verklaart de minister dat verschil in inzichten?

Minister Van Essen:

Als er een verschil van inzicht is tussen enkele partijen die wij ook spreken en het schriftelijke antwoord, dan zou ik daar voor u nog even in moeten duiken. Ik kom daar in de tweede termijn even op terug.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat zou ik zeker heel erg waarderen, want als we het over dit soort enorme verschillen hebben, dan is dat eigenlijk de overtreffende trap van appels en peren vergelijken. Als de minister dat in mijn optiek niet krachtig op gaat pakken, dan is mijn vraag ook: wie zit er nu eigenlijk naast? Dit gaat natuurlijk hoe dan ook een enorme splijtzwam vormen, dus ik krijg hier dan graag later een antwoord op.

Minister Van Essen:

Ja, daar kom ik op terug.

Mevrouw Podt (D66):

Ik wilde nog even doorgaan op de vragen van collega Bromet over de rol van het Rijk in de zonering in samenwerking met de provincies. Ik begon zelf mijn verhaal met het bezoek aan de melkveehouders in De Peel. Zij zeiden tegen mij: leuk dat jullie met eigen plannen komen, maar we hebben ook al de opdracht gekregen van de provincie Noord-Brabant om met een plan te komen, dus hoe breien we dat nu aan elkaar? Dat is eigenlijk de vraag die ik hier even aan de minister wil voorleggen.

Minister Van Essen:

Ik waardeer het natuurlijk ontzettend dat allerlei provincies actief ermee bezig zijn om dit probleem op te lossen. Naast Noord-Brabant zijn dat ook Gelderland, Utrecht en andere. Zij maken hier ook eigen keuzes in bij het uitblijven van beleid van ons. Zo zie ik dat. Ik waardeer dat, maar ik wil wel graag weten of de voorstellen die zij doen, genoeg zijn om ons uiteindelijk van het stikstofslot af te halen. Als er een zonering van 250 meter wordt voorgesteld, dan wil ik weten of dat voldoende is om de vergunningverlening weer vlot te trekken en ervoor te zorgen dat bedrijven weer vooruit kunnen en Nederland weer vooruit kan. Ik waardeer de energie, maar ik heb hier ook nog vragen bij.

Mevrouw Podt (D66):

Dat begrijp ik natuurlijk heel goed, want we willen inderdaad niet over een halfjaar weer bij die boeren staan en zeggen: het was toch niet genoeg. Mijn vraag zit 'm ook een beetje in het feit dat bijvoorbeeld Noord-Brabant heeft gezegd dat de plannen er voor de zomer moeten zijn. Dan is het natuurlijk extra belangrijk dat die duidelijkheid er vanuit onze kant, zo zeg ik het maar even, ook op dat moment komt. Anders komt de boer in een soort gordiaanse knoop terecht, waar hij niet meer uit komt.

Minister Van Essen:

Dat benadrukt alleen maar dat we dat pakket, de uitspraken, echt voor de zomer nodig hebben om ook aan provincies duidelijkheid te kunnen geven. Wij zitten vanuit het ministerie van LVVN natuurlijk ook bij die gebiedsaanpakken, dus we kunnen ook wat sneller inspelen op die vragen. Maar ik ben het met mevrouw Podt eens dat het geen dag kan wachten.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als je gaat zeggen dat op bepaalde gronden bepaalde teelten niet meer mogen, bijvoorbeeld maisteelt, dan kom je eigenlijk aan het eigendomsrecht van een boer. Het is zijn grond, maar je zegt dan als overheid eigenlijk: u mag hier niet meer produceren. Dat zou hetzelfde zijn als dat je tegen een fietsenfabrikant zegt: dit deel van uw gebouw mag u niet meer gebruiken voor uw productie. Je komt aan het eigendomsrecht. Dat betekent dat die grond per definitie wordt afgewaardeerd. Als die wordt afgewaardeerd, dan zul je dat moeten compenseren. Dat geldt overigens ook voor de zoneringen; daar geldt precies hetzelfde voor.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Hoe gaat de minister dat doen?

Minister Van Essen:

Ik denk dat het allereerst belangrijk is om te zeggen dat wij zoneringen of gebruiksbeperkingen niet doen omdat we het leuk vinden, maar omdat een goede waterkwaliteit en een goede bodemgesteldheid uiteindelijk voor de agrariër, de boer zelf ook gewoon heel belangrijk zijn. "Hoe gaat de minister dat doen?" Daar zult u in het zomerpakket een antwoord op vinden. U ziet in de financiële tabellen bij het coalitieakkoord ook al bedragen staan. We zijn ons ervan bewust dat er voor normeren en ingrijpen middelen nodig zijn. Daar zult u in de uitwerking dus meer over vinden, zeg ik via de voorzitter.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat is dus eigenlijk ... Voor wat het kabinet van plan is, zal gewoon nooit genoeg geld zijn. Vooropgesteld, ik vind het allemaal onzin. Maar als dit het beleid wordt, dan moet daar gewoon heel veel geld naartoe. Het verbaast me wel een beetje dat de minister zegt: het is beter voor de waterkwaliteit en voor de bodemkwaliteit, en dat is ook wel gewoon goed voor de boer. Eigenlijk zegt de minister hier dus: wij gaan uw grond afpakken, want dat is beter voor u. Dat kan toch niet? Boeren zijn toch — dat hebben we al eerder gezegd — al eeuwen bezig met bodem en water? Het kan toch niet om op deze manier te zeggen: eigenlijk doen we het voor de boer, want het is voor hem beter? Alsof het een stelletje nitwits zijn die aan het fröbelen zijn op hun land.

Minister Van Essen:

Dit vind ik ook weer een beetje flauw, want dat is natuurlijk niet wat ik zeg. Ik geef aan dat het doel uiteindelijk ook dient voor een goede bedrijfsvoering van agrariërs. Dat heb ik proberen te zeggen. Volgens mij is dat voor heel veel mensen ook wel duidelijk. Ik heb bijvoorbeeld op mijn werkbezoek bij een akkerbouwer in Drenthe deze week ook gezien dat ze er zelf heel erg mee bezig zijn, want zij weten als geen ander dat een goeie waterkwaliteit ook voor de bedrijfsvoering belangrijk is. Dát is het doel, en niet het afpakken van grond.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou, feitelijk is het wel het afpakken van grond. Het is gewoon hun eigendom. Zij telen daarop. Dat is hun productie. Daarom geef ik ook het voorbeeld van een fietsenfabriek. De overheid zegt gewoon: in dit deel mag u niet meer doen wat u deed. Dat is wel het afpakken van grond; dát is wat de overheid aan het doen is. Als we het dan hebben over eerlijk zijn, wees dan ook gewoon eerlijk en zeg: inderdaad, dit is wel een vorm van het afpakken van grond. Het is gewoon eigendom van die mensen.

Minister Van Essen:

Volgens mij zijn de doelen waarvoor we aan de lat staan heel duidelijk. Ik ga nog op werkbezoek met mevrouw Van der Plas. Ik zou het mooi vinden als we dan ook langs een paar akkerbouwers gaan die echt heel bewust bezig zijn met waterkwaliteit, want dat vind ik alleen maar te prijzen.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik had nog even een vraag over de zonering. Waar eindigt dat voor deze minister?

Minister Van Essen:

Een hele mooie, open vraag. Ik kan tegen mevrouw Ten Hove zeggen dat het doel is om de natuur in die Natura 2000-gebieden te versterken en te beschermen, en uiteindelijk om de vergunningverlening weer los te trekken. Wat daarvoor nodig is, zie ik als mijn opdracht.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Oké, maar is de minister het met mij eens dat als we niet gaan meten ... Ik heb nergens rapporten gevonden waarin in de buitenste rand wordt gemeten of het effectief is. Dan weten we dus ook niet of het nodig is om uit te breiden. Ik ben dus op zoek naar of de minister daar een antwoord op heeft. Als we dat niet gaan doen, is de minister het dan met mij eens dat dit gaat leiden tot onomkeerbare maatregelen, zonder dat we überhaupt het gewenste effect hebben bereikt?

Minister Van Essen:

U kunt ervan uitgaan dat ik geen voorstellen zal doen die niet onderbouwd zijn of die geen effect hebben. In de voorstellen kunt u die twee aspecten ook terugvinden bij de beoordeling.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Kunnen we dat dan voor de zomer ook teruglezen?

Minister Van Essen:

Op het moment dat wij zonering met daarbij een bepaalde maatvoering voor gaan stellen, zult u daar ook een onderbouwing bij aantreffen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat wij de ondernemers nu niet opzadelen met alle mogelijke maatregelen qua beleid? Dat staat overigens ver van mij, maar goed, de minister gaat dat doen. Hoe gaan we dan voorkomen dat we in dezelfde situatie terechtkomen als bij de PAS-melders?

Minister Van Essen:

Daar kom ik zo in het blokje over de rekenkundige ondergrens en dergelijke nog op terug: wat wij voorstellen, moet juridisch houdbaar zijn. Je wilt geen tweede groep PAS-melders creëren, dus de voorstellen die we doen, moeten geborgd zijn.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dan kom ik daar zo direct op terug. Overigens heb ik via u, voorzitter, een opmerking aan de minister. In de agenda van Stichting Stikstofclaim staat geen afspraak. De minister heeft dus heel veel hooi op zijn vork en vergist zich, of hij heeft een andere agenda, maar die afspraak staat niet in de agenda van de gesprekspartner.

Minister Van Essen:

Er is maar één agenda van deze minister. Als die afspraak er niet in staat, gaat hij er op de kortst mogelijke termijn in komen, zoals ik net ook al aangaf.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik twijfelde even of deze vraag hier past, maar ik stel hem toch. Het gaat over rijksregie. In het land zie ik rijpe en groene plannen door elkaar heen van provincies en gebieden. Sommige zijn integraal. Sommige zijn niet integraal. In sommige gebieden wordt opgelopen tot het eind, tot aan de normeringen, en in andere gebieden niet. Mijn vraag is nu: zou u willen toezeggen dat u de goede punten uit die gebiedsaanpakken beetpakt en die dan meeneemt in uw landelijke regie en dat u zich ook rekenschap geeft van de dingen die niet goed lopen? Dat gaat dan om dingen waarvan u denkt dat er misschien zienswijzen in de provincie over zijn ingediend. Ik vraag of u die punten ook meeneemt en kunt aangeven dat u daar in uw landelijke aanpak niet mee verdergaat.

De voorzitter:

Ik ga nergens mee verder en ik zeg niks toe, maar we gaan vragen of de minister daar eventueel toe bereid is.

Minister Van Essen:

Ik wil ook gewoon aan het werk met een aantal landelijke vereisten waar die plannen aan moeten voldoen. Dat betekent dat je de elementen meeneemt die goed werken en waar in een gebied bijvoorbeeld de Provinciale Staten en ondernemers enthousiast van worden. De goede punten neem je dus mee, maar uiteindelijk houdt regie ook in dat je aan die landelijke vereisten gaat toetsen. Ik laat mij door de regionale aanpakken voeden om die landelijke vereisten mede vorm te geven.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik zal proberen dit nog iets scherper te krijgen: wilt u toezeggen dat u die aanpakken evalueert, waarbij u ook aangeeft wat u daarin positief vindt en daarom overneemt en wat u minder positief vindt en daarom niet overneemt? Excuses dat ik niet via de voorzitter sprak.

Minister Van Essen:

Ik heb volgens mij in de beantwoording van de vragen aan uw Kamer toegezegd dat ik voor de zomer met een Kamerbrief over onze gebiedsgerichte inzet kom. Ik wil daar gerust ook in opnemen dat we daar de punten in meenemen over plannen die er al liggen die de heer Koorevaar zojuist beschrijft, ook buiten wat wij doen om, dus de positieve en minder positieve punten en hoe we die meenemen in de uiteindelijke beoordeling van regionale plannen. Dan hoop ik de vraag te hebben beantwoord.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik ga het toch nog één keer proberen. Dus als ik het goed begrijp geeft de minister aan dat er een evaluatie komt van die plannen en dat u heel specifiek de leerpunten meeneemt. Ik bedoel de minister! We gaan speciaal voor mij nog een keer op cursus om te leren via de voorzitter te spreken!

De voorzitter:

U doet het voortreffelijk.

De heer Koorevaar (CDA):

En dat de minister die leerpunten dan ook meeneemt in de ontwikkeling van de plannen die voor de zomer met ons gedeeld worden.

Minister Van Essen:

Het woord "evaluatie" roept bij mij altijd weer een soort van gevoel op over allerlei dikke rapporten. Dat zou ik willen voorkomen, maar ik wil toezeggen dat in die Kamerbrief de punten meegenomen worden die de heer Koorevaar net noemt. Dus ja, die krijgt u.

De voorzitter:

De minister vervolgt met het onderdeel "gebiedsgericht".

Minister Van Essen:

Dank u wel. Mocht ik de structuur kwijt zijn, dan helpt u me wel.

De voorzitter:

We doen het samen.

Minister Van Essen:

Voorzitter. Omdat ik in dat stukje was ik bezig over lappendekens, begin ik toch nog even met de vraag van mevrouw Den Hollander. Daar zit dan een klein stukje herhaling in, maar dan kan iedereen het ook weer volgen. Zowel mevrouw Den Hollander als de heer Koorevaar hebben mij dus gevraagd naar het gelijke speelveld en de uitvoering van plannen. Wij willen graag voortbouwen op de lopende processen in de provincie. Ik vind het ook belangrijk dat we oog houden voor de verschillen tussen gebieden. Daarbij wil ik ook genoemd hebben dat provincies natuurlijk een eigenstandige taak en verantwoordelijkheid hebben op het terrein van natuur en gebiedsgerichte coördinatie. Als ik daarbij — daarmee kom ik ook een beetje terug op het punt van net over regie en evalueren — ook stuit op fundamentele tegenstrijdigheden, dan zie ik het ook als mijn taak om dat op te lossen en de regie te pakken.

We geven prioriteit aan gebieden met de hoogste nood. We starten dit jaar ook in minimaal vijf gebieden met grote impact. We werken daar als Rijk intensief samen met medeoverheden en gebiedspartners. Dat doen we in een vijftal gebieden. Dat zijn de Peel, de Veluwe — ze zijn allebei net al genoemd — Noordwest-Overijssel, het Hart van het Noorden en het Groene Hart. We hebben ook nog de economische clusters Brainport Eindhoven en de haven van Rotterdam staan. Daarbij wil ik voortbouwen op acties die provincies de afgelopen jaren al in gang hebben gezet. Er ligt veel om mee aan de slag te gaan, ook voor andere gebieden. Uiteindelijk komt er inzet op alle plekken waar dat nodig is. Het kabinet zal ook blijven kijken naar kansen voor versnelling in andere gebieden. Op die manier gaan we direct aan de slag. De resultaten die we daarmee bereiken, neem ik mee voor verdere doorontwikkeling van de landelijke aanpak. Dat komt onder landelijke regie ook andere gebieden ten goede.

Ik kom nog even specifiek op de vraag van de heer Koorevaar over de Peel en de Veluwe. In de Peel en op de Veluwe zijn intentieovereenkomsten getekend. In deze begroting zit een reservering van 600 miljoen om daadwerkelijk van start te kunnen gaan met emissiereductie, natuurherstel, hydrologische maatregelen en opschaling van ondernemingsplannen, waarbij wij ondernemers helpen. Er zit veel energie in deze plannen en in die gebieden. Dat heb ik kunnen ervaren toen ik de afgelopen week in de Peel was. Uw Kamer ontvangt, zoals ik net al toezegde, voor de zomer een voortgangsbrief over deze vijf prioritaire gebieden, met daarbij de toezegging die ik net aan de heer Koorevaar deed.

Voorzitter. Dan kom ik bij het volgende blokje: op bedrijfsniveau. Dat is ook het spoor …

De voorzitter:

U mag wel uw zin afmaken.

Minister Van Essen:

Dan ga ik liever zo nog goed van start voor iedereen dan dat ik nu halve zinnen zeg.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Toch even over de provinciale aanpak. De VVD begrijpt dat provincies een eigen verantwoordelijkheid hebben. We vinden het heel belangrijk dat ondernemers die elkaars buren zijn maar toevallig net in een andere provincie wonen, die aan een gelijk natuurgebied met gelijke opgaven grenzen, daar ook gelijke mogelijkheden hebben voor hun bedrijf. Het zou ons plezieren als het kabinet daar oog voor houdt en de regie oppakt als dat niet zo is. Wat gaat de minister doen als een hele ambitieuze provincie veel verdergaande maatregelen neemt dan wij als Rijk zouden willen voorstellen?

Minister Van Essen:

Je wilt aan de ene kant de energie niet uit de gebieden slaan, maar ik heb, toen ik in de Peel was, zelf gehoord dat ondernemers tegen mij zeiden dat in de ene provincie iets wel kan rondom innovatie en in de andere provincie niet. Dat is natuurlijk niet wenselijk, zeker niet als je bedrijf zo goed als op een provinciegrens zit. U kunt van mij verwachten dat ik daar oog voor heb en de medeoverheden daarop aanspreek. Ik zal zorgen dat ondernemers een gelijk speelveld hebben.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat is heel goed om te horen. Ik zou hierbij ook willen terugkijken op wat ik vorige week dinsdag heb ingebracht over mijn bedrijfsbezoek aan de Regio Foodvalley. Daar zie je dat een provinciaal plan een regionaal plan doorkruist. De regio komt met een heel goed voorstel met daadwerkelijk geborgde stikstofreductie en de provincie banjert daar dwars doorheen met haar eigen plannen. Mijn vraag aan de minister is: in hoeverre gaan de regio's ook een rol spelen? Je hebt gemeenten, provincies en regio's. Wat is de rol van de regio in de gebiedsgerichte aanpak?

Minister Van Essen:

Ik heb een tijdje geleden ook contact gehad met de VNG, omdat ik als wethouder uit ervaring weet dat gemeenten in dat soort gebiedsprocessen soms best verrassende dingen kunnen inbrengen die leiden tot oplossingen voor agrarische ondernemers. Ik vind de regioaanpak van groot belang. Ik heb bij mijn overleggen met de provincies ook een vertegenwoordiging vanuit de VNG zitten, wethouders in dit geval, om juist ook hun punt in te brengen. Ik kan niet zomaar in bevoegdheden van medeoverheden treden, maar vaak helpt het om in dit soort gesprekken aan te geven wat het probleem is voor een ondernemer. Ik ben nog niet veel wethouders of gedeputeerden tegengekomen die dat niet willen oplossen. U kunt van mij een houding verwachten waarbij ik goed meekijk, stuur waar dat moet en aanspreek.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat klinkt goed. We gaan de komende maanden goed bekijken of dat op die manier vorm krijgt.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik ben heel blij dat de minister zegt dat hij voor een gelijk speelveld is. We willen niet twaalf ministaatjes in Nederland. Als we dat kunnen voorkomen, is dat heel mooi. Het betekent ook dat de minister op zoek gaat naar manieren om de middelen die er zijn, doelmatig in te zetten. Daarom had ik de vraag of bij de Peel het geld dat nu bij de minister op de begroting staat, breder kan worden ingezet. Ik vraag me af of de minister daarop terug kan komen.

Minister Van Essen:

Ik heb daar gezien dat het investeren in hydrologische maatregelen buiten de 250 meterzone direct effect heeft op de drukfactoren in het gebied. Ik wil daar dus niet te benauwd mee omgaan. Ik heb voor dit gebied daar een eerste kennismaking mee gehad. Ik vind die vraag terecht. Als het helpt voor de doelen die wij met elkaar stellen, moet je daar niet te benauwd in zitten. Maar ik kan de vraag nog niet exact beantwoorden voor de heer Koorevaar.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik waardeer dat de minister dit zegt, dat hij daarvan kennis heeft genomen en ook zoekt naar een effectieve inzet van die middelen. Wat ik mij nog wel afvraag, is het volgende. Het gesprek dat wij hier in het parlement voeren, gaat over 250 meter of 500 meter, terwijl je die maatregelen juist gebiedsgericht wilt nemen. Wil de minister ook aangeven dat inderdaad het gebied centraal staat en niet een fittie over het aantal meter?

Minister Van Essen:

Wij willen sowieso geen fitties. Uiteindelijk is het doel het belangrijkste. Mensen buiten dit huis vragen ook om regie. Dat betekent dat je daar als minister, en ook u als parlement, regie in zou moeten willen nemen. Zoals ik net al antwoordde op de vragen van mevrouw Bromet en mevrouw Podt, wil ik daar duidelijkheid over scheppen, maar niet blind en doof zijn voor situaties waarin er in een gebied een alternatieve keuze mogelijk is die dezelfde doelen bereikt en beter uitpakt voor ondernemers en natuurgebieden. Dat moet een wisselwerking zijn. Dat zijn de communicerende vaten, zoals ik net aangaf, tussen generieke en gebiedsgerichte maatregelen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Er ligt vanuit de Peel een concreet voorstel. Ik begrijp dat de minister dit voorstel ook kent. Ik ben blij met de beantwoording en wil de minister vragen om dit voorstel echt serieus te nemen, want alleen dan behouden wij draagvlak.

Minister Van Essen:

Dat doe ik. Ik neem dat serieus.

De heer Chris Jansen (PVV):

Een gelijk speelveld is altijd belangrijk, misschien zelfs wel het belangrijkste dat er is. De minister noemde net Brainport. Dat is heel belangrijk voor de werkgelegenheid en voor de hightechontwikkeling in de regio en in Nederland. De vraag is wel hoe de minister ertegen aankijkt dat voor Brainport een uitzondering wordt gemaakt, waardoor vergunningverlening voor uitbreiding mogelijk is, terwijl ondernemers in de omgeving, zoals boeren, al jarenlang klem zitten en mogelijk zelfs worden geconfronteerd met gedwongen krimp of beëindiging. Kan de minister daarop reflecteren?

Minister Van Essen:

Het bevoegd gezag ligt hier, als ik mij niet vergis, bij de provincie. Die heeft met een ADC-toets aangetoond dat een bepaalde uitbreiding, in dit geval bij een bedrijf in Brainport, wel mogelijk was, terwijl dat op andere plekken nog niet kon. Dat benadrukt voor mij dat wij moeten afkomen van het "nee" op additionaliteit. Kortom, wij moeten dit pakket voor de zomer neerleggen, inzetten op natuurherstel en vergunningverlening weer mogelijk maken.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat snap ik, maar de vraag blijft waarom ondernemers in hetzelfde gebied al jarenlang niets kunnen. Ik mag toch verwachten dat de minister van Landbouw daar ook wat van vindt en het bevoegd gezag flink aan de tand gaat voelen over waarom dit hier wel mogelijk is. Het lijkt erop dat er ruimte is gereserveerd of dat er naar een bepaald resultaat is toegewerkt. Nogmaals, ik zeg niet dat dit onlogisch is, gezien het belang voor de regio en Nederland, maar het is wel iets waar je als minister van Landbouw scherp op moet zijn.

Minister Van Essen:

Ik snap wat de heer Jansen zegt. Ruimtelijke ordening is voor inwoners en ondernemers vaak complex en soms moeilijk te volgen. Het kan dan lijken op willekeur, waardoor je je afvraagt: waarom mag ik dit niet? Dat is ook de reden dat in het coalitieakkoord meerdere sectoren worden genoemd. Het is niet alleen de landbouw die moet leveren, maar ook mobiliteit en industrie. U kunt van mij verwachten dat ik die sectoren aan dezelfde maatstaven houd als de landbouw. Ik ben tenslotte minister van Landbouw.

De voorzitter:

U heeft al drie vragen gesteld, meneer Jansen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Volgens mij heb ik nog één afsluitende vraag, want ik heb er pas twee gesteld.

De voorzitter:

U heeft gelijk. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik snap wat de minister zegt, maar hier krijgen bedrijven, in dit geval ASML, juist meer ruimte. Ik snap dat de minister zegt dat we moeten voorkomen dat er minder kan, maar hier gaat het over meer. Ik snap het antwoord niet helemaal. Kunt u daar iets meer duiding aan geven?

Minister Van Essen:

In dit geval is de provincie het bevoegd gezag. De rechter heeft dit getoetst en zo geoordeeld. Het is geen vraag die mij als minister van Landbouw is voorgelegd in het kader van natuurbeschermingsvergunningen. Maar ik snap wel hoe dit overkomt op mensen in de regio en daar heb ik net een antwoord op proberen te geven.

De heer Goudzwaard (JA21):

Het CDA heeft ook een aantal vragen aan de minister gesteld en daarop heeft hij antwoord gegeven. In een van die antwoorden, over saneringen en het kijken naar bedrijfsspecifieke maatregelen, zegt de minister dat subsidies binnen een bepaalde groep worden toegekend op basis van een rangschikking: het aantal euro subsidie per kilogram ammoniakreductie. Daarmee stuurt de minister op kosteneffectiviteit, zegt hij. Kan de minister mij zeggen wat het meest kosteneffectief is? Is dat inzetten op technologie, of gewoon platte extensivering?

Minister Van Essen:

Als ik het goed heb, gaat dit over de beëindigingsregeling waarover we ook afgelopen dinsdag hebben gesproken. Het gaat erom dat er in het verleden kritiek is gekomen op welke bedrijven zijn uitgekocht, los van de stikstofwinst. Daarom hebben we in deze regeling ook rekening proberen te houden met de bezwaren die toen zijn geuit. We zorgen er dus voor dat de uitkoop die je doet ook kosteneffectief is.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat is helder. Dank aan de minister voor het antwoord. Ik haal dat niet zo uit de tekst. Mijn vraag blijft daarom staan. Als het in het algemeen gaat om de ammoniakreductie, kijkt de minister naar de kosteneffectiviteit, linksom of rechtsom. Dat is volgens mij de stellingname van de minister. Ik kan mij voorstellen dat je bij innovatie te maken hebt met opstartkosten. Die kosten liggen per saldo natuurlijk veel hoger per kilogram ammoniakreductie. Wat kan de minister eraan doen dat innovatie hierdoor niet onderaan het lijstje gaat belanden?

Minister Van Essen:

Ik vind het mooi dat de heer Goudzwaard mij de kans geeft om te reageren op de innovatie. Ik vind innovatie zelf ook een belangrijke pijler in de aanpak, of het nu gaat om mestvergisting of om andere innovaties op het erf. De vergelijking met de specifieke set vragen die de heer Goudzwaard in zijn hand heeft, kan ik zo nog niet maken. Daar zou ik in de tweede termijn, of anders schriftelijk op terug moeten komen.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dat kan, maar ik ben hier nu twee keer naar voren gekomen en dit zou dan de tweede keer zijn dat de minister daar in de tweede termijn antwoord op moet geven. Dit zijn toch eigenlijk gewoon vragen waar een minister direct antwoord op zou moeten kunnen geven? Dit zijn vrij fundamentele vragen.

Minister Van Essen:

We hebben een discussie gehad over het kosteneffectief uitvoeren van uitkoopregelingen. Er wordt nu een vraag gesteld over innovaties en opstartkosten. Die vraag is zo breed, dat ik daar niet meteen een gericht antwoord op kan geven. Dan geef ik liever een goed antwoord in tweede termijn dan dat we met elkaar gaan gissen wat we precies bedoelen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik wil nog even terugkomen op de afspraak met Stikstofclaim. Ik heb het even nagevraagd, maar bij Stikstofclaim is er geen afspraak bekend. Stikstofclaim is niet uitgenodigd. Ze wordt ook weggehouden bij reguliere overleggen. Het is essentieel dat de minister zich breed laat informeren door allerlei partijen, en niet alleen door partijen die de deur constant platlopen en die de minister misschien welgevalliger zijn. Ik wil hier wel duidelijkheid over. Als de minister zegt dat hij een afspraak heeft, terwijl die afspraak bij de andere partij niet bekend is, dan wil ik gewoon even weten hoe het zit. Ik vind het namelijk belangrijk dat de minister zich ook door partijen als Stikstofclaim, Wouter de Heij en nog meer partijen laat informeren. Ik zou graag horen of hier sprake is van een misverstand, dan wel dat de afspraak wel degelijk is gemaakt en de minister zich dus breed laat informeren.

Minister Van Essen:

Uiteraard wil ik mij breed laten informeren. Zoals ik net ook op dezelfde vraag van de heer Jansen antwoordde: als die afspraak nog niet in de agenda staat, zorgen we ervoor dat die erin komt, want ik ben ook benieuwd naar hun visie.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Dat is het derde spoor: de aanpak van het kabinet op bedrijfsniveau. We zetten ons vol in voor de ontwikkeling van doelsturing, waarbinnen de ondernemer zelf aan het roer is om stevige stappen te zetten die passen bij zijn of haar bedrijfsvoering en die bijdragen aan de doelen en een duurzaam toekomstperspectief.

De heer Flach vroeg naar de inzet van het kabinet om bedrijven te ondersteunen in de doorontwikkeling van hun bedrijf. Voor ons is dat essentieel. De toekomst en het handelingsperspectief voor agrarische ondernemers willen wij maximaal ondersteunen. Daarvoor is het van belang dat individuele boeren zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over wat er van hen wordt verwacht in de vorm van bedrijfsspecifieke energienormen. Maar ook duidelijkheid over grondgebondenheid is van belang. Daar refereerden wij al eerder aan.

Naast die duidelijkheid gaat het ook over de manier waarop wij de boeren hierbij helpen. Het kabinet heeft 20 miljard beschikbaar gesteld om te investeren in oplossingen, waaronder innovaties, extensivering en omschakeling of verplaatsing. De heer Goudswaard heeft mij gevraagd wanneer de Kamer een uitwerking kan verwachten van de juridische kaders van doelsturing. De omslag naar doelsturing is een belangrijk onderdeel van het beleid van het kabinet. Daar wordt hard aan gewerkt. De omslag naar afrekenbare doelsturing is een complexe systeemwijziging en vraagt om zorgvuldigheid. Het voornemen is om rond de zomer ook wat betreft dit aspect meer duidelijkheid te geven over de bedrijfsspecifieke normen voor stikstof en klimaat, en om inzicht te geven in het tijdspad naar doelsturing. Daarna zal vastlegging in wet- en regelgeving plaatsvinden.

Dan adresseer ik graag een zorg van mevrouw Van der Plas. Zij vroeg of er nog wel middelen beschikbaar zijn voor doelsturing. Het kabinet heeft 20 miljard beschikbaar gesteld, zoals u weet, en komt in de zomer dus met het vervolgpakket. Daarin zullen ook middelen voor doelsturing vrijgemaakt worden. Gelukkig zijn er ook nu al middelen beschikbaar op de LVVN-begroting, met dank aan mijn ambtsvoorganger. Met de beschikbare middelen willen we ervoor zorgen dat de boeren over een passende gereedschapskist beschikken om aan die doelen te voldoen, zoals de heer Koorevaar mij ook vroeg.

Dan beantwoord ik ook de vraag van de heer Jansen over het samen optrekken met de boeren en het tegengaan van onzekerheid. Ik wil de sector er nauw bij betrekken, want die weet als geen ander wat er in de praktijk mogelijk is en wat werkt.

Voorzitter. Bij het vaststellen van emissiedoelen op bedrijfsniveau, waar mevrouw Ten Hove en de heer Koorevaar mij op bevroegen, gaan we uit van technisch haalbare doelen. Hierbij wordt er rekening mee gehouden dat er keuzeruimte blijft voor ondernemers om te bepalen op welke wijze zij aan de norm zullen voldoen. Het doel staat dan vast, maar er is ondernemersvrijheid in de route daarnaartoe. Het idee achter doelsturing is dat indicatoren zo worden gekozen dat ze goed laten zien welke inspanning de boer levert. Bedrijfsspecifieke normen zullen ervoor zorgen dat ondernemers de uitstoot van hun stallen zullen verminderen. Dat kan bijvoorbeeld via managementmaatregelen of het toepassen van emissiearme stalsystemen en -technieken. In het coalitieakkoord zijn ook hiervoor middelen beschikbaar gesteld, om veehouders te ondersteunen.

De voorzitter:

Bent u hiermee aan het einde gekomen van uw blokje bedrijfsgerichte maatregelen?

Minister Van Essen:

Ja.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dat klinkt allemaal heel redelijk, maar wat is het alternatief als je zo'n boer bent die een doel opgelegd heeft gekregen en het helemaal niet te halen is met al die technologische maatregelen? Moet de minister ook niet iets doen aan verwachtingsmanagement? Uit de debatten die we hier de afgelopen zeven jaar gevoerd hebben over stikstof en uit de briefings die we hebben gehad, blijkt dat het namelijk helemaal niet kan met alleen technische maatregelen en dat het soms betekent dat je om moet schakelen naar een hele andere manier van landbouw. Het lijkt me goed om de boeren daar bewust van te laten worden.

Minister Van Essen:

Je kunt dit inderdaad niet los zien van de andere sporen. Ik behandelde net ook al het generieke spoor en het gebiedsgerichte spoor. Uiteindelijk zullen daarin structurerende keuzes worden gemaakt, maar het is ook belangrijk dat wat de boer op het erf kan halen, in verbinding staat met die andere doelen. Het is dus belangrijk dat we het niet zo strak aantrekken dat het helemaal geen zin meer heeft om te innoveren. Het is belangrijk dat we structurerende keuzes in het generieke en gebiedsgerichte spoor maken, zodat er uiteindelijk in de bedrijfsspecifieke sporen ook gewoon keuzes te maken zijn voor de agrariër zelf.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik probeer altijd als ondernemer naar zoiets te luisteren. Ik denk dan: "Ik heb echt werkelijk geen idee wat ik moet gaan doen. Is dit dan het laatste beetje dat ik nog kan verbeteren als ondernemer? Op rijksniveau zijn er namelijk al maatregelen genomen en op provinciaal niveau zijn er al doelen gesteld. Dan krijg je ook nog de doelen op je eigen bedrijf. Is dat het laatste zetje dat er nog bij moet nadat die anderen sporen belopen zijn?" De indruk hier of bij de boeren is: ik ga het gewoon zelf doen, los van wat de provincie of het Rijk gaat eisen van mij.

Minister Van Essen:

Je wil de ondernemerskracht om op het erf de goede keuzes te maken, benutten. Maar we zullen als overheden eerst zelf keuzes moeten maken in het maatregelenpakket dat wij gaan voortbrengen. Dat betekent dat het realistisch moet zijn om wat er overblijft, op het erf te kunnen halen. Dat betekent ook dat er generieke of gebiedsgerichte keuzes voorgelegd kunnen worden die inhouden dat de bedrijfsvoering omgeschakeld moet worden, of anderszins.

De heer Koorevaar (CDA):

Voor de CDA-fractie is het van belang dat zowel kleine boeren als grote boeren handelingsperspectief hebben. Daar hebben we vorige week ook aandacht voor gevraagd in onze bijdrage. Is de minister van mening dat er straks in de gebiedsgerichte aanpak inderdaad maatregelen mogelijk moeten zijn voor zowel kleine als grote boeren?

Minister Van Essen:

Ik zie dat eigenlijk als een vanzelfsprekendheid. Als je aangeeft dat je naast ondernemers wilt gaan staan om ze te helpen om te schakelen of te verplaatsen, of als ze moeten stoppen, dan doe je dat voor alle ondernemers. Dan zul je perspectief moeten creëren voor alle ondernemers.

De heer Koorevaar (CDA):

Dan specifiek over innovatie. Een innovatie als het aanzuren van mest is voor een kleine ondernemer en een grote ondernemer haalbaar, maar het plaatsen van installaties die stikstof afvangen, is vaak alleen mogelijk voor grote bedrijven. Dat is de achtergrond van mijn vraag. Bent u met mij van mening dat het zowel voor kleine boeren als voor grote boeren in innovatieland mogelijk moet zijn om bij te kunnen dragen?

Minister Van Essen:

Ik heb recent kennisgenomen van het rapport van de heer Knops, die een grotere schaal met zich meebrengt. Ik ben er zelf, ook vanuit het gebied waar ik vandaan kom, voorstander van dat je op bepaalde schalen met elkaar aan mestvergisting kunt doen. Ik bedoel dat je op de schaal van het erf samen met verschillende boeren toch een stap kunt maken en dat je niet alleen maar als grote boer de voordelen van bijvoorbeeld mestvergisting kunt benutten.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Boeren thuis willen weten waar ze aan toe zijn, denk ik. Het gaat over veldemissies en over stalemissies. Bij die stalemissies zou je bijvoorbeeld het aanzuren van mest kunnen gebruiken. Dan houd je de pH onder controle en vervluchtigt de ammoniak niet, en daarmee houd je stikstof in de mest, die ook op het land kan worden uitgereden. Zo houden we de kringloop meer gesloten. Is de minister van mening dat het aanzuren van mest ook een van de maatregelen kan zijn bij het plan dat hij straks gaat presenteren?

Minister Van Essen:

Ik zou heel erg graag een brede gereedschapskist willen hebben voor boeren, klein, groot, of in welke situatie dan ook. Daar kan dit zeker onderdeel van zijn.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dit is mij nog steeds niet duidelijk als het gaat om doelsturing: wat zijn de consequenties wanneer doelen niet gehaald worden, terwijl dat buiten de invloedssfeer van de ondernemers ligt? Er wordt immers afgerekend op de uiteindelijke uitkomst, en niet op alle inspanningen.

Minister Van Essen:

Dat is de reden waarom we uiteindelijk van depositie naar emissie willen, omdat dat doelen zijn die je kunt beïnvloeden. Dat zijn geen schuivende doelen; dat zijn doelen waarbij je uiteindelijk, als je ondernemer bent, duidelijk weet wat er van je wordt gevraagd. Het is heel belangrijk om in het pakket dat we gaan uitwerken de communicerende vaten en datgene waar je uiteindelijk als boer op het land mee aan de slag moet, zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen, zodat er handelingsperspectief is.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Wanneer komt die duidelijkheid er dan?

Minister Van Essen:

Ik snap dat u mij daarover bij deze begrotingsbehandeling wil bevragen, maar uiteindelijk moeten we dat in een zomerpakket samenstellen. Voor doelsturing heb ik net in mijn beantwoording een tijdspad aangeduid, dat ik met u ga communiceren.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik wil de minister dan echt vragen — ik maak mij hier oprecht heel veel zorgen om — om te borgen dat er in dat pakket dat we in de zomer kunnen verwachten, goed naar gekeken wordt dat die boeren niet afgerekend worden op iets waar ze niks aan kunnen doen. Anders stellen wij de boeren weer ergens voor, met alle risico op handhaving. Het is allemaal opvraagbaar via Woo-verzoeken, er kunnen rechtszaken van komen, en dat moeten we echt zien te voorkomen.

Minister Van Essen:

Ik ben het met mevrouw Ten Hove eens dat we naar doelen op het erf moeten die realistisch zijn.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik kom zelf uit het gebied dat hier het "hart van het noorden" wordt genoemd. Het is best leuk dat Zuidwest-Drenthe het hart van het noorden is. Ik weet ook wat het doet met de boerenpopulatie, waar reguliere landbouw zoals we die nu kennen grotendeels misschien niet meer mogelijk is. Ik denk dan ook aan Johan Remkes, die altijd zei "niet alles kan overal", en aan het trappetje van Remkes, met "innoveren, extensiveren of verplaatsen". De vraag die wij in eerste termijn gesteld hebben, is: wat kan nog wel in zulke gebieden? Zou de minister — die vraag hoeft hij niet per se nu te beantwoorden — kunnen kijken welke andere vormen van landbouw mogelijk zouden zijn? Denk aan biologische landbouw, waar mevrouw Bromet heel veel aandacht voor gevraagd heeft, maar ook aan voedsellandschappen, wat volgens mij een hele mooie oplossing is voor die overgangsgebieden. Kan de minister nu dan wel later een beeld geven van wat wél kan in die hele kwetsbare gebieden waar het Rijk de regie gaat voeren?

Minister Van Essen:

Een belangrijke vraag. Ik kom hier straks op terug, maar ik wil er nu wel even op vooruitlopen. Het is heel belangrijk dat wij als Rijk niet alleen gaan vertellen wat er niet kan, maar juist in deze specifieke gebieden ook aangeven welke vormen van bedrijfsvoering daar mogelijk zijn. U noemt zelf net al wat voorbeelden. Dat heeft u in de vragen in de afgelopen weken ook gedaan: "Wat kan er dan wel? Bied daar perspectief op." Dat zie ik als nadrukkelijke uitnodiging om dat elke keer naar voren te blijven brengen. Biologische landbouw en andere vormen zijn wel degelijk goede voorbeelden van wat er dan wel kan.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik wil nog benadrukken dat het heel belangrijk is om daarmee ook de sociale component op het platteland in stand te houden. Als die boeren helemaal verdwijnen, dan hebben we echt een kaalslag. Het is dus belangrijk om heel goed in beeld te brengen wat er wél kan, en daar ook duiding over te geven op korte termijn.

Minister Van Essen:

Eens.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Dan ga ik verder met vergunningverlening en de KDW …

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Biologische landbouw is helemaal prima. Als je daarvoor kiest als boer, is dat ook helemaal prima. Het bedient zeker een deel van de behoefte van een aantal mensen in Nederland, maar lang niet genoeg. We zien al jaren dat de afzet van biologische producten gewoon ver achterblijft in Nederland. Zeker in deze tijd met héle hoge voedselprijzen zijn er nog minder mensen die biologische producten kopen. Ik wil het volgende aan de minister vragen. We kunnen wel steeds zeggen dat biologische landbouw een heel mooi concept is, maar er is, bij wijze van spreken, bijna geen boer meer die zich hieraan gaat wagen. De transitietijd van gangbaar naar biologisch is anderhalf à twee jaar. In die tussenliggende periode krijgt de boer nog steeds de prijs voor het gangbare product, omdat hij nog niet gecertificeerd is als biologisch.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Hoe haalbaar is het nou eigenlijk om daar echt op te willen inzetten als die afzet er niet is en de transitie naar biologische landbouw gewoon heel lang duurt?

Minister Van Essen:

Ik vind dat mevrouw Van der Plas hier een terecht punt maakt. Dat betekent dat het hele plaatje erbij moet kloppen. Je kunt wel alleen maar helpen bij het omschakelen, maar als er vervolgens geen verdienmodel achter zit, dan kan de boer er ook niet mee verder. Ik zie dit dus als aansporing om er als minister voor te gaan zorgen dat het brede plaatje klopt. Dat betekent dat je aan de slag moet met afzet en vraag. Je moet ook helpen bij het omschakelen. Als je alleen maar een van de pijlers beetpakt, zorg je er niet voor dat er een toekomstbestendig verdienmodel ontstaat voor de boer.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik constateer dat er ook boeren zijn die biologische landbouw hadden en weer teruggeschakeld zijn naar gangbare landbouw, omdat het gewoon niets opleverde. Vorig jaar, of twee jaar geleden, hebben we gezien dat door een hele natte zomer de biologische aardappeloogst in Flevoland voor driekwart is mislukt, ook omdat er dan geen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Als ik hoor "we moeten goed naar dingen kijken", wil ik zeggen dat hier ook goed naar gekeken moet worden. Als we veel meer biologische landbouw zouden krijgen, wordt de kans op misoogsten door weersomstandigheden, ziektes, virussen of plagen groter. We hebben het over eerlijk zijn; ik wil graag dat de minister hier ook eerlijk over is in zijn uitingen naar buiten toe. Voor het publiek wordt namelijk een beetje gedaan alsof het een soort heel mooi sprookje is, alsof alle boeren biologisch kunnen worden en we dan allemaal in een sprookjeswereld kunnen leven waarin er niks meer misgaat. Maar ook dan gaat er gewoon veel mis. Die biologische boeren lopen daar ook tegenaan.

Minister Van Essen:

Ik zie biologische landbouw echt als een kans. We hebben zelf ook een doel afgesproken. Ook in de Europese context hebben we een doel, waar wij als Nederland bij lange na niet aan kunnen voldoen. Ik ben het met mevrouw Van der Plas eens dat het hele plaatje moet kloppen en dat je je ook rekenschap moet geven van andere dingen die daarbij komen kijken.

De voorzitter:

Kort, bondig en afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan zou ik ook graag willen dat de minister hierover in gesprek gaat met supermarkten. Wij horen namelijk ook heel vaak dat supermarkten zomaar contracten opzeggen. Een biologische spruitjesteler kreeg bijvoorbeeld min of meer van de ene op de andere dag van een grote supermarktketen te horen dat die het spul niet meer wilde hebben omdat er vlekjes en plekjes op zaten en de consument nou eenmaal heel mooi uitziende producten wil hebben. Is de minister dus bereid om dit gesprek ook met supermarkten aan te gaan? Dit kan namelijk gewoon niet. Iemand investeert daarin en moet daar gewoon op kunnen rekenen.

Minister Van Essen:

Ik kom straks nog terug op de ketenaanpak, ook omdat mevrouw Ouwehand mij daarnaar heeft gevraagd. Dan ga ik ook op dit punt in.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Goed dat de minister het doel van 15% biologisch ondersteunt, blijkens zijn opmerking net in antwoord op de vraag van mevrouw Van der Plas. Ik heb zelf zeven amendementen ingediend, die voor een heel groot deel toezien op stimulering van de biologische landbouw. Dan gaat het niet alleen maar over een omschakelfonds of het makkelijker maken voor biologische boeren om aan regelgeving te voldoen, maar juist ook over die afzet, die mevrouw Van der Plas als probleem benoemt. Ik heb in een ver verleden met mevrouw Van der Plas een motie ingediend over het gebruik van biologische voedingsmiddelen door de overheid. Ik zou aan de minister willen vragen om daar ook eens naar te kijken. Denk aan scholen, ziekenhuizen, gemeentes, provincies, maar ook wij als Tweede Kamer. Als wij afspreken dat wij biologisch een warm hart toedragen, kunnen wij in die afzet ook iets betekenen.

Minister Van Essen:

Daar wil ik naar kijken. Op het moment dat je als overheid een doel voor ondernemers neerlegt en daar met ze aan werkt, moet je zelf ook iets laten zien. Ik wil gerust bekijken, voor zover dat in het verleden niet al is gedaan, wat je als overheid kunt doen als launching customer, zoals dat zo mooi heet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik weet niet of het klopt, maar ik hoorde een keer het verhaal dat er op ministeries bijvoorbeeld wel biologische melk op tafel staat, maar dat er dan ook altijd een pak reguliere melk naast moet staan. Dat leek me een beetje een karikatuur, eerlijk gezegd.

Minister Van Essen:

Ik lunch vaak buiten het ministerie, dus dat voorbeeld ken ik niet, maar zoals ik net zei, wil ik hier gerust even naar kijken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Eén opmerking hierover. Ik ben op zich wel blij met de antwoorden van de minister, maar ook hierbij komt hij wel in het defensief terecht, terwijl je ook zou kunnen zeggen: voor onze eigen gezondheid en de waterkwaliteit is het natuurlijk wel fijner als we ernaar toewerken dat de norm wordt dat de landbouw gifvrij is; wat is het eigenlijk voor een waanidee dat we gif spuiten over het voedsel dat we eten? Dus in plaats van biologisch neer te zetten als een of andere sprookjeswereld, zoals mevrouw Van der Plas hier net deed, zou het fijn zijn als de minister zegt: "Nou, weet je wat? We knappen er enorm van op als we zo min mogelijk gif gebruiken, dus natuurlijk ga ik aan de slag om boeren te helpen om aan de slag te gaan richting die meer biologische teelten." Ik zou het wat offensiever doen. Ja, dat was nog een tip.

Minister Van Essen:

Ik ben elke keer heel blij met de suggesties van mevrouw Ouwehand. Natuurlijk ga ik aan de slag om biologische landbouw meer te promoten. Daarom stipte ik net even ons eigen doel aan van 15% — we zitten nog maar op de helft — en het Europese doel van, volgens mij, 25%. We hebben echt nog wel wat te gaan.

De voorzitter:

Ik ben benieuwd of ze u er vanavond een rekening voor gaat sturen.

Minister Van Essen:

O.

De voorzitter:

Dat is niet het geval. U vervolgt.

Minister Van Essen:

Voorzitter. Dat brengt mij bij het onderwerp vergunningverlening. De stikstofproblematiek raakt niet alleen de landbouw, maar ook de bouw en de infrastructuur. Het kabinet zet in op deze aanpak langs de drie sporen om Nederland van het slot te krijgen. Ik zei het net ook al even: er is eigenlijk maar één weg vooruit en dat is natuurherstel. We krijgen de vergunningverlening alleen op gang met een geborgd pakket maatregelen. De heer Grinwis vroeg in dit kader wat ik ga betekenen voor projecten die door de stikstofcrisis niet van het slot komen. Het vastlopen van maatschappelijke urgente projecten, zoals het versterken van ons energienetwerk dat vol zit en het bouwen van nieuwe huizen, is natuurlijk onwenselijk. Dat vindt iedereen hier in de Kamer.

Om de vergunningverlening los te krijgen, is het allereerst noodzakelijk om voldoende geborgde en kenbare maatregelen te treffen, zodat voor projecten en activiteiten weer aan dat additionaliteitsvereiste kan worden voldaan. Onder mijn ambtsvoorganger zijn al meerdere acties in gang gezet om Nederland van het slot te krijgen. Deze zomer zullen we daar verder mee gaan, niet zomaar verder, maar stevig verder. Dat is een veel breder verhaal dan stikstof alleen. Dan kom ik ook weer op de vragen die gesteld zijn. Dat gaat ook om hydrologisch herstel, het bestrijden van exoten en het verbinden van natuurgebieden. De combinatie van geborgde landelijke emissiereductie, een gebiedsgerichte aanpak en de inzet op natuurverbetering — dan heb ik volgens mij de drieslag zoals de heer Koorevaar die graag hoort — zullen allemaal nodig zijn voor een adequate onderbouwing om die vergunningsproblematiek op te lossen. We zijn hier zelf mee aan de slag en met de provincies. Ik zet daarom in op een gebiedsgerichte aanpak. Ik ben samen met hen in de gebieden aan de slag, zeker bij kwetsbare Natura 2000-gebieden.

Mevrouw Den Hollander wees terecht op de gordiaanse knoop en op dat dit vraagstuk op zo'n knoop lijkt, wanneer innovaties die bijdragen aan het uiteindelijke doel geen vergunning kunnen krijgen. Ik erken en deel met u dat het onwenselijk is wanneer innovatie en verduurzaming worden belemmerd door het ontbreken van een natuurvergunning. Het klopt dat vanwege de slechte staat van de natuur maatregelen nodig zijn om dat weer op gang te brengen en het reduceren van emissies door innovatie of verduurzaming onderdeel uit moet maken van dit maatregelenpakket.

De voorzitter:

We ronden het onderwerp KDW en vergunningverlening wel echt even af, want anders wordt het heel diffuus.

Minister Van Essen:

Helaas lopen ook projecten die emissies willen reduceren via innovaties keihard aan tegen het feit dat ze niet zo'n natuurvergunning kunnen krijgen. Ik vind dat partijen die aantoonbaar, significant en voldoende reduceren perspectief op vergunningverlening moeten kunnen krijgen. Het samenwerken met de provincies — die noemde ik al eerder — is daarbij essentieel, omdat zij bevoegd gezag zijn bij vergunningverlening en de gebiedsspecifieke context kennen. Daarom ben ik samen met hen aan de slag om te bekijken hoe een juridisch houdbare route kan worden gevonden om juist deze verduurzamingsprojecten mogelijk te maken en de initiatiefnemers ook na die verduurzaming juridische zekerheid te bieden.

Mevrouw Den Hollander en de heer Goudzwaard vroegen mij hoe ik invulling ga geven aan de ambitie om de KDW uit de wet te halen. Laat ik vooropstellen dat ik het met hen eens ben dat de daadwerkelijke staat van de natuur centraal moet staan. Uiteindelijk is die namelijk ook doorslaggevend in het kader van vergunningverlening. Het is mijn ambitie om de huidige KDW-doelen te vervangen door wettelijke emissiedoelen per sector. De Raad van State heeft eind vorig jaar een advies uitgebracht over het wetsvoorstel en geadviseerd om aanpassingen door te voeren. Dat advies ziet onder meer op de verhouding met de Vogel- en Habitatrichtlijn en de borging van emissiereductie. Ik bestudeer dit advies momenteel om te bepalen hoe het wetsvoorstel, inclusief het bijbehorende programma, verder uitgewerkt kan worden. Een belangrijk element daarbij is de besluitvorming over het maatregelenpakket om de stikstofemissies terug te brengen.

Volgens mij ben ik hiermee aan het einde van dit blokje.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dank aan de minister. Hij spreekt een waar woord als hij zegt dat natuurherstel een heel belangrijke sleutel is om weer van het slot af te kunnen komen. Maar toch heb ik een behoorlijk ernstige zorg. Ik heb de beantwoording gelezen van onder andere mijn vraag uit de eerste termijn over hoe we van het vergunningenslot moeten komen en hoe we moeten omgaan met het additionaliteitsvereiste. Ik ben bang dat we dat additionaliteitsvereiste te absoluut hebben gemaakt. Dat volgt niet uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Als je artikel 6, lid 1, 2 en 3 goed leest, dan is het raar dat wij ieder project zo topzwaar maken, waardoor we eigenlijk lid 3 en 2 aan het vermengen zijn.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik snap dat het met jurisprudentie te maken heeft, maar ik wil de minister en zijn ambtenaren oproepen tot meer dapperheid om de klem rondom het additionaliteitsvereiste en de vermenging van lid 3 en lid 2 te doorbreken.

Minister Van Essen:

Ik kan oproepen tot creativiteit om erdoorheen te breken altijd waarderen, ook van de heer Grinwis. Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is om dingen in spoor 3 en 4 makkelijker te maken om de kleine uitstoot van individuele projecten niet direct toe te rekenen, bijvoorbeeld met een bepaalde ondergrens. Maar dat houdt ook in dat je flankerend beleid hebt op spoor 1 en 2 van artikel 6 van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals net werd gezegd. Daarom zie ik de koppeling met het maatregelenpakket van deze zomer als de enige oplossing om op een juridisch geborgde wijze ook op die andere sporen creatief te kunnen zijn, waar de heer Grinwis mij toe oproept. Ik wil niet dat alles wat we op dat spoor doen, uiteindelijk tot vergunningen leidt die over een aantal jaren weer worden betwist. Ik denk dat we dan heel veel mensen opnieuw zullen teleurstellen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat betwist ik ook niet. Dat ben ik heel erg eens met de minister. Sterker nog, dat was de kern van mijn bijdrage. Ik heb gezegd dat we goed moeten zorgen voor het milieu, dus minder emissies en een geborgd maatregelenpakket voor onder andere doelsturing en bronbeleid. Ik heb gezegd dat we goed moeten zorgen voor de natuur, dus dat er een goed pakket moet zijn voor natuurherstel. Ik denk dat daar in de afgelopen jaren te weinig aandacht voor is geweest. Ten derde moeten we ook goed zorgen voor de vergunningen. Ik vind de antwoorden een beetje braaf. Ik ben er bezorgd over dat we ons bij wijze van spreken het snot voor de ogen werken op spoor 1 en 2 en dat we heel veel gaan vragen van ondernemers en van het platteland, maar we in the end niet van het vergunningenslot af zijn gekomen. Ik roep de minister op om niet braaf maar dapper te zijn, om lef te tonen en om de maximale ruimte te benutten die de Vogel- en Habitatrichtlijn en onze eigen wetten ons bieden, want de jurisprudentie heeft dat af en toe misschien een beetje dichtgezet.

Minister Van Essen:

Ik hoor die oproep. Ik zal in de brief na afloop van de eerste taskforce specifiek ingaan op wat we in het spoor van vergunningverlening juridisch gaan doen om de boel los te trekken. Ik hoop dat ik de heer Grinwis het belang van juist deze inzet kan laten zien.

De voorzitter:

Kort en bondig, afrondend.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik ben blij dat de minister bereid is om dat te doen. De deur gaat dus niet dicht. Maar voelt hij ook deze urgentie, namelijk dat er meer gevraagd wordt dan alleen het braaf aflopen van de huidige inzichten rondom het additionaliteitsvereiste en de vraag hoe lid 3 en lid 2 zich tot elkaar verhouden?

Minister Van Essen:

Ik voel die oproep, maar tegelijkertijd wil ik wel dat de mensen die aan de andere kant van de klem een vergunning krijgen op basis van dat lef en die creativiteit, ook een vergunning hebben die standhoudt. Dat evenwicht moet ik heel goed in de gaten houden, maar ik zal me zeker niet alleen laten leiden door een aantal adviezen.

De heer Boomsma (JA21):

Ik wil de heer Grinwis bijvallen. Wij zijn er echt van overtuigd dat we niet van het stikstofslot komen als we niet ook heel fundamenteel kijken naar het hele systeem van vergunningverlening. Is de minister daar ook toe bereid? Natuurlijk moeten we ondertussen altijd blijven voldoen aan de Europese verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn et cetera, maar is hij het ermee eens dat er binnen die Europese verplichtingen ruimte is om fundamenteel te kijken naar het anders inrichten van het vergunningenstelsel? Is hij daartoe bereid? Is hij ook bereid om bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland, die natuurlijk onder dezelfde verplichtingen vallen, maar niet in diezelfde stikstofsloten zijn gevallen, erbij te betrekken?

Minister Van Essen:

Zoals ik net ook al zei tegen de heer Grinwis, ben ik bereid om vergunningen en de juridische context nadrukkelijk onderdeel te laten zijn van de opdracht van de taskforce. Als daartoe wordt besloten en ik u een Kamerbrief ga sturen, dan hoop ik daar uitgebreid op terug te kunnen komen.

De heer Boomsma (JA21):

Dat is heel fijn. Kijk dus ook naar hoe het in Frankrijk en in Duitsland is geregeld. Ook in Duitsland heb je gebieden waar vergelijkbare natuur is, met vergelijkbare stikstofdepositie, maar waar je niet die stikstofsloten hebt, terwijl ze wel gewoon voldoen aan alle Europese vereisten.

Minister Van Essen:

Ik kom natuurlijk zelf ook uit een grensregio, dus ik heb me daar ook in verdiept. Nederland is zowel op waterkwaliteit als op stikstofuitstoot gewoon netto-exporteur. Ik vind ook dat wij de zaakjes netjes voor elkaar moeten hebben en niet alleen maar kunnen kijken hoe anderen het doen.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Boomsma (JA21):

Natuurlijk moeten we onze zaakjes voor elkaar hebben, maar het gaat om de natuurgebieden. Als in natuurgebieden dezelfde natuur bestaat en dezelfde stikstofdepositie bestaat, maar ze er toch in slagen om niet in dat stikstofslot te vallen, dan denk ik dat we daar heel veel van kunnen leren. De vraag is nu echter ook als volgt. Stel dat alles wat de minister wil inderdaad gaat lukken, wanneer kunnen we dan van het stikstofslot afkomen? Denkt hij dat dat dan per gebied in Nederland gaat verschillen? Zo ja, kan hij een indicatie geven van wanneer hij denkt dat we er vanaf zijn?

Minister Van Essen:

Ik merk bij meerdere Kamerleden het ongeduld om uit deze impasse te komen; daar ben ik blij mee. Dat snap ik ook, na zo veel jaar hier staan, interrumperen en luisteren. Ik denk inderdaad dat het een gebiedsgerichte aanpak is, zoals ik net ook al even aangaf, en dat er geen rode knop bestaat om Nederland in zijn geheel van het slot af te halen, maar dat we per gebied zullen zien dat we de vergunningverlening weer op gang gaan krijgen.

De heer Flach (SGP):

Er is veel creativiteit en energie in de sector om te komen tot emissiereductie, want verlies van mineralen is gewoon ook economisch verlies. Toch hebben we gezien dat de afgelopen jaren en ook in het huidige regeerakkoord de focus veel meer lijkt te liggen op uitkoop dan op het stimuleren van verduurzamingstrajecten op het boerenerf. Zouden we op het gebied van subsidie en ondersteuning daar niet eerst veel meer op moeten focussen voordat we heel veel energie gaan stoppen in dwingende doelsturing?

Minister Van Essen:

U hoorde mij net ook al zeggen dat ik het juist op het spoor van verduurzaming en gebleken emissiereductie heel frustrerend vind dat een korte spike, om het maar zo te zeggen, in emissie belangrijker is dan dat we een structureel pad hebben waarbij er een lagere uitstoot is. Het frustreert dat ondernemers die gang in willen zetten, maar dat niet kunnen doen. Mijn inzet zal er dus ook op gericht zijn om met de bevoegde gezagen, de provincies, te bekijken hoe we die route van verduurzaming op een of andere manier juridisch houdbaar en sneller open kunnen zetten; dat heb ik net ook aangegeven. Uiteindelijk denk ik namelijk dat de hele Kamer het ermee eens is dat we er niet mee moeten wachten op het moment dat we die verduurzaming weer los kunnen trekken.

De heer Flach (SGP):

Klopt. Ik denk dat veel boeren het er ook mee eens zullen zijn. Inderdaad zit de juridische validatie, maar ook het voorhanden hebben van wat subsidiestromen, daarbij in de weg. Mijn oproep is: er gaat 20 miljard beschikbaar komen; laten we dat pas in laatste instantie gebruiken voor opkoopregelingen en in eerste instantie proberen om de energie die er is, te verzilveren in de sector.

Minister Van Essen:

Volgens mij moeten we dingen ook gewoon parallel gaan doen om de snelheid erin te houden, maar ik snap de oproep van de heer Flach. In de huidige begroting zit, als ik me niet vergis, 360 miljoen voor innovatie.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik heb in mijn eigen bijdrage in eerste termijn een afwijkend standpunt ingebracht over natuur: het gaat helemaal niet slecht met de natuur in Nederland. Volgens mij loopt het spaak bij de manier waarop wij dat berekenen. De opmerking van de minister dat wij netto-exporteur zijn, is natuurlijk onzinnig. Die is gewoon onzinnig. Het heeft te maken met het model waarmee wij werken. AERIUS klopt van geen kanten, want wij gaan puur kijken, gebaseerd op aannames in het model, wat mogelijk het effect is, zonder dat we ter plekke, op de locaties zelf, aan het meten zijn. Op die manier gaat het land nooit van het slot af. Mijn vraag aan de minister is dus hoe hij dit gaat veranderen, want zolang wij doorgaan met deze manier van meten en beoordelen, gaan wij nooit van het slot af.

Minister Van Essen:

Ik kan de heer Jansen in zoverre volgen dat een modelmatige berekening ook een modelmatige werkelijkheid is, maar het is wel de beste benadering van de werkelijkheid. Daarbij laat ik mij ook informeren door allerlei wetenschappelijke instanties. Daar baseer ik mijn oordeel dan op.

De heer Chris Jansen (PVV):

Maar "de beste mogelijke manier" is niet "de juiste manier". De juiste manier is gewoon ter plekke meten. Dan zul je zien dat de waarden heel anders zijn dan dit model ons vertelt, want het model is hier helemaal niet voor bedoeld. Om maar een voorbeeld te noemen: waarom zien we bij wijze van spreken helemaal niets bij Chemelot of bij Tata Steel? Dat is omdat die schoorsteenpijpen boven de 90 meter komen. Dan worden ze niet meegenomen in de berekening van AERIUS. Dat is het schoolvoorbeeld van waarom dit model niet werkt voor de berekening van de uiteindelijke depositie. Ik wil dat de minister hier nader op ingaat. Dat mag ook in een brief, maar op deze manier gaan we er niet uit komen.

Minister Van Essen:

Ik heb net ook al aangegeven hoe ik kijk naar het begrip "daadwerkelijke staat van de natuur". De Ecologische Autoriteit is er druk mee bezig om naar de daadwerkelijke staat van de natuur te kijken. De natuurdoelanalyses worden op dit moment geactualiseerd. De beheerplannen worden ook geactualiseerd. Daarmee wordt gefocust op hoe het er in een gebied echt aan toegaat. Dat is belangrijk.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Afsluitend, voorzitter. Is de minister bereid om AERIUS bij het grofvuil te zetten?

Minister Van Essen:

Nee. Uiteindelijk heb je een tool nodig die de werkelijkheid zo goed mogelijk benadert. Als we daarin andere stappen zetten, bijvoorbeeld van depositie naar emissie gaan en met doelsturing aan de slag gaan, dan kan het best zijn dat zo'n tool geüpdatet moet worden, maar dan kom ik daar bij u op terug.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb me er in het vorige debat aan geërgerd dat er net gedaan werd alsof alles over de staat van de natuur modelmatig is. Ik ben blij dat de minister nu de Ecologische Autoriteit noemt; toen was ik al naar voren gelopen. Hij zei dat de Ecologische Autoriteit druk bezig is met de actualisering van die rapportages, maar ik zou ook wel graag het oordeel van de minister willen horen over de bestaande rapportages, want die zijn gewoon heel erg negatief over de natuur. Daarbij gaat het over de werkelijke staat van de natuur. Ik zou dat graag ook even uit de mond van de minister horen.

Minister Van Essen:

Ik kan het ook uit eigen ervaring zeggen. Ik heb als wethouder ook drie van dat soort rapportages gezien over drie Natura 2000-gebieden, die er echt toe opriepen om sneller en beter aan de slag te gaan, omdat die natuurgebieden er gewoon niet goed aan toe waren.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik zou me om te beginnen volledig willen scharen achter het pleidooi van de heer Grinwis, die oproept tot lef bij het kabinet. Maar ik zou de minister ook willen vragen of hij bereid is om dat lef ook te gaan uitstralen richting de provincies, want de provincies moeten uiteindelijk die natuurvergunning afgeven. Ik hoor heel veel dat de bezwaarmakers, die gewoon opkomen voor het belang van de natuur, ook best bereid zijn om hun bezwaren in te trekken als er sprake is van daadwerkelijk herstel, zodat er geen procedure komt. Is de minister daarvan op de hoogte en is de minister bereid om zich daarvoor in te zetten door het gesprek tussen bezwaarmakers en vergunningprojecten te faciliteren?

Minister Van Essen:

Zeker. Net zoals ik in overleg treed met partijen die in negatieve zin wat vinden van onze aanpak, ga ik ook in gesprek met partijen die bijvoorbeeld natuur heel belangrijk vinden. Als het kan, wil ik daar gerust in bemiddelen. Dat laat onverlet dat het iedereen, ook andere partijen, natuurlijk vrij staat om alsnog naar de rechter te stappen. Dat is dan ook hun goed recht. Dus ja, ik wil bemiddelen, maar sluit niet uit dat andere inwoners of organisaties ook gewoon voor de natuur opstaan.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat is helder. We zien natuurlijk ook dat bezwaar maken tegenwoordig een vak op zich is. Daar willen we ook in andere commissies van deze Kamer werk van maken door de bezwaarprocedures te verkorten en te beperken. Maar het gaat mij er juist om dat als bezwaarmakers die opkomen voor de natuur zeggen "wij zien ook dat dit een enorm goede ontwikkeling is", we daar alle ruimte voor geven en de minister zich daarvoor inzet.

Minister Van Essen:

Ik heb dat op lokaal niveau bij mijn vorige banen ook gedaan. Waar ik kan helpen om goede projecten die uiteindelijk natuurherstel als doel hebben verder van de grond te krijgen, doe ik dat met liefde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil me verzetten tegen de suggestie dat bezwaar maken een vak op zich is geworden. Als het gaat over de natuur klopt dat gewoon niet. Volgens mij moet de houding van het kabinet zijn: we hebben het gewoon zelf verprutst. De natuur is er zo ontzettend slecht aan toe. Daardoor kunnen we geen vergunningen afgeven. Het is eigenlijk beschamend dat mensen naar de rechter moeten omdat wij ons werk niet op orde hadden. Dan lijkt het me goed om ook even te benadrukken dat dit al zo lang speelt als ik in de Kamer zit. Al twintig jaar hebben de fracties van CDA en VVD hun fractiekamers kunnen behangen met negatieve uitspraken van de Raad van State. Dat is niet omdat die bezwaarmakers als hobby naar de rechter stapten om te zeggen: het gaat niet goed met de natuur en volgens mij mag de overheid deze stappen niet zetten. Dat was omdat ze iedere keer gelijk kregen. Dus laten we wel even de boel in perspectief zien. Ik ken deze organisaties. We noemen ook even MOB. Die organisatie is heel constructief. Maar als je je niet aan je eigen wet houdt en de natuur achteruitgaat, terwijl dat verboden is, en zij naar de rechter stappen, dan moet de reflex zijn: wij hebben dit hier zitten verprutsen en we moeten eigenlijk zorgen dat ze geen aanleiding meer hebben om naar de rechter te moeten stappen.

Minister Van Essen:

Volgens mij was het een opmerking in relatie tot een ander Kamerlid, als ik het goed heb begrepen. Maar ik snap wat mevrouw Ouwehand zegt. Wij hebben hier in ieder geval in deze stikstofaanpak zeven jaar naar elkaar lopen kijken, in plaats van te werken aan stevig natuurherstel. Dat moeten we onszelf ook aanrekenen.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik heb een hele andere vraag. Volgens mij was het blokje stikstof afgelopen.

De voorzitter:

Nee, niet helemaal. KDW en vergunningverlening volgen nog.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Oké. Dan wacht ik nog heel even. Misschien kan ik de vraag zo meteen beter stellen.

De voorzitter:

De minister vervolgt met AERIUS.

Minister Van Essen:

Ja, dank. Mevrouw Bromet heeft gevraagd hoe emissiedoelen zich verhouden tot depositiedoelen die in de wet staan. Zoals ik net al heb aangegeven zetten wij in op emissiebeleid met sectordoelen in plaats van depositiebeleid, omdat je dan veel beter kunt sturen op wat een bedrijf uitstoot, zowel voor doelen die de boer heeft als voor doelen die wij nastreven. Je kunt veel minder goed sturen op wat neerslaat. Emissiedoelen geven in onze ogen dus handelingsperspectief, terwijl depositiedoelen bewegende doelen zijn gebleken en bovendien minder stuurbaar zijn. Het kabinet heeft hiervoor financiële middelen beschikbaar gesteld en zal ook een concrete aanpak uitwerken, wat ook perspectief zal geven.

Mevrouw Ten Hove en de heer Grinwis vragen terecht aandacht voor PAS-melders. De heer Jansen vraagt me hoe ik de PAS-problematiek ga oplossen met de 3 miljard die nu in de begroting staat. Ik wil voor alle PAS-melders een structurele oplossing vinden, waarin hun activiteit voldoet aan wet- en regelgeving. Ik vind het ook wrang dat ondernemers die te goeder trouw gehandeld hebben klem zitten. Dat zorgt er ook voor dat, zoals we net al even zagen in de interruptie van de heer Grinwis, ik, hoewel ik creatief wil zijn, ook voorzichtig wil zijn en ervoor wil zorgen dat mensen niet opnieuw in zo'n klem komen te zitten. Ik heb het tijdens mijn werkbezoek deze week ook gezien. Ik sprak een jonge boer die een bedrijf heeft overgenomen van zijn vader en inderdaad met een PAS-melding zit die ongeldig is verklaard. Die boer wil vooruit en ziet allerlei kansen om te verbreden, maar dit blijft gewoon aan hem hangen en kleven. Ik heb gezien wat dit ook met zo'n agrariër, met zo'n boer, doet. Dat is me heel duidelijk geworden.

Voorzitter. Wat ook duidelijk is geworden, is dat de route die we de afgelopen jaren hebben bewandeld om PAS-melders te legaliseren met vrijgemaakte ruimte onvoldoende werkt. Het is slechts gelukt om enkele PAS-melders te helpen. Heel veel ondernemers, ook de boer die ik deze week zag, wachten op een oplossing. Daarom werk ik aan een opvolger van het legalisatieprogramma, waarin de oplossingsrichtingen worden verbreed en PAS-melders samen met de provincie en indien gewenst met ondersteuning van een zaakbegeleider van het ministerie van LVVN kunnen verkennen welke oplossing het beste bij hen past. Te denken valt aan omschakelen, innovatie toepassen, verplaatsen, extensiveren of gedeeltelijke beëindiging. Met de Regeling provinciale maatregelen PAS-melders en een totaalbudget van 226 miljoen hebben provincies ook geld om maatwerkoplossingen specifiek voor deze melders te faciliteren. Ik werk met provincies en stakeholders aan de uitwerking van dit nieuwe programma en ben voornemens dit conceptprogramma ook met uw Kamer te delen.

Daarnaast is het ook zo dat we PAS-melders veel beter kunnen helpen wanneer we deze zomer besluiten tot maatregelen die uiteindelijk gewoon zorgen voor stikstofreductie, want als gebieden van het slot af gaan en er weer ruimte komt voor vergunningverlening, dan zijn ook oplossingen voor PAS-melders mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan stalinnovaties.

Voorzitter. Ik heb nog een stukje, maar ik zie ook wat mensen bij de interruptiemicrofoon staan. Ik weet niet wat u prettig vindt.

De voorzitter:

Ik zie ze ook, maar ik stel toch voor dat u dit kopje afrondt.

Minister Van Essen:

Ja?

De voorzitter:

Ja.

Minister Van Essen:

Oké. Mevrouw Den Hollander vraagt naar de verdeling en de prioritering van vrijgekomen stikstofruimte. Om die ruimte optimaal te benutten hebben Rijk en provincies een AERIUS-register en stikstofbanken opgezet. Via deze stikstofbanken kan de stikstofruimte die is vrijgemaakt door het treffen van maatregelen beschikbaar worden gesteld ten behoeve van toestemmingsverlening. Per regeling worden afspraken gemaakt tussen ministeries over de doelen waaraan deze vrijgemaakte ruimte wordt toebedeeld. Momenteel staat de ruimte vrijgemaakt uit de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen in die bank. Voor deze ruimte geldt dat die kan worden ingezet voor concrete woningbouwprojecten, het legaliseren van PAS-meldingen en renovatie en veiligheidsprojecten aan rijkswegen. Maar ik vind het belangrijk om te benadrukken dat het niet automatisch zo is dat de ruimte die in die banken staat volledig en overal inzetbaar is voor toestemmingsverlening. Als er ergens ruimte ontstaat, kan die alleen lokaal worden ingezet. Als er dus bijvoorbeeld ruimte vrijkomt in Zuid-Limburg omdat daar een boer stopt, kunnen we alleen in diezelfde omgeving nieuwe projecten mogelijk maken. Bovendien kan die ruimte alleen worden ingezet als die niet nodig is voor natuurherstel. Gezien de staat van de natuur lukt het ons op veel plekken daarom nog niet om die ruimte in te zetten voor nieuwe activiteiten. En dan kom ik eigenlijk terug bij mijn verhaal: eerst stevige stikstofreducerende maatregelen, om op die manier te voldoen.

Mevrouw Podt (D66):

Even over de PAS-meldersaanpak. Het vorige kabinet heeft op een gegeven moment een soort beleid gemaakt waarmee de oplossing eigenlijk weer drie jaar vooruit werd geschoven. Eigenlijk werd er gezegd dat er drie jaar niet gehandhaafd zou worden. Dat werd niet zo goed ontvangen, omdat mensen dan nog drie jaar niet zouden weten waar ze aan toe waren. Betekent dit ook effectief dat dat beleid van de baan is?

Minister Van Essen:

Uiteindelijk is het belangrijk om op korte termijn af te kunnen zien van handhaving, om ruimte te creëren om ondernemers te helpen. Dat is niet makkelijk, dus ik denk dat we de tijd hard nodig hebben om dat te kunnen doen. Ik zie ook dat veel ondernemers allerlei ideeën hebben maar dat ze die gewoon niet vergund kunnen krijgen. Ik zag dat ook op het werkbezoek dat ik zonet memoreerde. En dat brengt mij weer bij het punt waarmee ik afsloot: het zomerpakket is keihard nodig om juist voor deze mensen ruimte te creëren, zodat zij verder kunnen met hun bedrijf. Wat dat exact inhoudt en welke activiteiten zij graag willen ontplooien … De boer bij wie ik deze week op bezoek was, wilde wat gaan doen met natuuronderhoud, maar misschien ook wel met een andere vorm van landbouw. Hij heeft die ruimte nodig om die omschakeling te kunnen maken.

Mevrouw Podt (D66):

Ik zou daaraan, niet in de minste plaats, onze medeoverheden willen toevoegen, onze provincies. Zij probeerden de afgelopen tijd al die handhavingsverzoeken weg te koppen, omdat hier in Den Haag natuurlijk eigenlijk werd geweigerd om tot een oplossing te komen. Ik ben dus blij met wat de minister zegt.

Minister Van Essen:

Zij verdienen steun.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik heb ook een vraag over de PAS-melders. Ik heb de vorige minister een keer voorgesteld om PAS-melders die geen input, dus krachtvoer en kunstmest, meer gebruiken, versneld te legaliseren. Input is immers output. Is dat een spoor waar de minister ook naar kijkt? Weet hij daar al iets van? En zijn er überhaupt boeren die daar belangstelling voor hebben?

Minister Van Essen:

Sterker nog, heel veel van die boeren doen dat al, ook die met PAS-meldingen zitten. Zij proberen volop te reduceren. Het zit 'm alleen erin hoe je dat juridisch geborgd kunt krijgen. Het gaat erom hoe die veevoermaatregelen en dergelijke uiteindelijk uitpakken en hoe we dat juridisch zo kunnen vastzetten dat het perspectief biedt op vergunningverleningen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

In mijn voorstel ging het niet om vermindering, maar gewoon om het niet gebruiken van krachtvoer en kunstmest.

Minister Van Essen:

Alles wat kan reduceren is meegenomen, maar ik vind het belangrijk om in die aanpak ook eerst te kijken naar de behoefte van de ondernemer en te bezien hoe die maatregelen ingezet kunnen worden. Ik snap dat de oproep is om met deze mensen in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat ze geen krachtvoer gebruiken, maar volgens mij is het belangrijk om het plaatje breder te zien.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat de minister mijn voorstel niet begrijpt. Het is er eigenlijk voor bedoeld om boeren in de gelegenheid te stellen om weer legaal te worden. In ruil voor ingrijpende maatregelen op bedrijfsniveau, krijgen ze een vergunning, omdat ze helemaal niet meer bijdragen aan de stikstofproblemen. Dat is eigenlijk iets waarvan ik denk: ik zou dat als ondernemer aantrekkelijk vinden. Misschien kan de minister hier nu niet op reageren, omdat hij er verder geen kennis van heeft. Ik zou hem wel willen verzoeken om hiernaar te kijken.

Minister Van Essen:

Ik vind het een interessante gedachte. Ik wil daar desnoods in de tweede termijn of schriftelijk op terugkomen, maar ik denk dat het uiteindelijk valt of staat met de vraag of we het hele plaatje voor de PAS-melder rond kunnen krijgen. Ik kom hier desnoods in de tweede termijn op terug.

De heer Flach (SGP):

Ik ben blij met de urgentie die de minister uitstraalt op het gebied van PAS-melders. In de vorige periode is er een wet gepasseerd waarin de legalisatietermijn met drie jaar verlengd is. Toen dreigde de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid daar stilletjes uit te verdwijnen. Ik heb toen een amendement ingediend dat in de wet is terechtgekomen om de verantwoordelijkheid voor de legalisatie toch echt bij de Rijksoverheid te laten. Komt dat ook tot uiting in dat nieuwe legalisatieprogramma waar de minister mee gaat komen?

Minister Van Essen:

Voor zover dat niet duidelijk is, vind ik dat we als Rijksoverheid daar ook echt ons aandeel in hebben, samen met de provincies. Het nieuwe programma dat ik naar de Kamer zal sturen, zal zich daar ook rekenschap van geven.

De heer Flach (SGP):

Een vervolgvraag dan. De rekenkundige ondergrens kan hierin een heel belangrijke rol gaan spelen. Is de minister voornemens om daar in dat programma toch versneld op in te zetten, juist om deze groep als eerste te helpen? Kan hij daar op korte termijn duidelijkheid over geven?

Minister Van Essen:

Na deze interruptieronde wilde ik verdergaan met de rekenkundige ondergrens en dan zal de vraag van de heer Flach zeer waarschijnlijk beantwoord worden.

De heer Flach (SGP):

Prima, dan wacht ik daar even op. Dank u wel.

De heer Chris Jansen (PVV):

Eigenlijk ben ik gewoon verbaasd dat de minister in het rijtje van oplossingen voor PAS-melders, mensen die door de schuld van de overheid in de knel zijn gekomen, ook de term "beëindiging" noemt. Klopt het nou echt dat de minister ook hier bedrijfsbeëindiging als oplossing gaat aanbieden? Dat is toch geen oplossing? Dat is toch niet iets waar een ondernemer blij van wordt? Die wil gewoon weten wanneer hij weer verder kan. Beëindiging past volgens mij niet in dat rijtje.

Minister Van Essen:

De verzoeken zijn verschillend. Ik hoor ook van boeren dat ze verschillende dingen willen in de toekomst. De een wil misschien meer doen aan nevenactiviteiten en andere verdienmodellen en de ander wil gewoon doorgaan met zijn bedrijfsvoering. We moeten ervoor zorgen dat er voor al die gevallen een oplossing komt.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dat is nog steeds geen antwoord op mijn vraag. Ik hoor de minister net het hele rijtje opsommen en daarin staat ook: verplaatsing en beëindiging. Bij verplaatsing kan ik me nog iets voorstellen, maar beëindiging past wat mij betreft niet dat rijtje. Ik wil graag dat de minister gedwongen beëindiging gewoon schrapt uit dat rijtje.

Minister Van Essen:

Zoals ik al eerder heb gezegd in het debat, sluit ik niks uit. Ik zie een verscheidenheid aan vragen van PAS-melders en boeren in brede zin. Ik sluit dat hier niet uit.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik heb heel bewust het woord "gedwongen" genoemd; gedwongen beëindiging. Ik hoor dat de minister dat niet uitsluit en ik vind dat meer dan triest. Ik vind het echt ongelofelijk dat je de PAS-melders op deze manier nog een schop nageeft. Dat is wat deze minister dan doet.

Minister Van Essen:

Dat vind ik een flauwe opmerking en een flauw voorbeeld. Volgens mij heb ik op allerlei manieren benadrukt dat ik naast de PAS-melders wil staan en dat ik ze wil helpen.

De heer Boomsma (JA21):

De minister zegt: de vergunningverlening kunnen we lostrekken voor deze en andere bedrijven als er wordt gedaan aan natuurherstel, dus als de natuur herstelt. En dat betekent stikstofreductie. Is het idee dat daartoe de depositiewaarden die nu gelden en de KDW's worden omgezet in emissiebeperkingen? Hoe verhouden die zich nou precies tot de KDW's?

Minister Van Essen:

Het idee is dat we van depositiedoelen naar emissiedoelen gaan, omdat die beter stuurbaar zijn voor bedrijven, en dat we de wet daarop aanpassen. Dat kan pas als we het zomerpakket hebben.

De heer Boomsma (JA21):

Je hebt gebieden in Nederland met een KDW van 500 mol per hectare per jaar en een depositie die vijf, zes keer zo hoog is. Betekent dit nou dat je in die omgeving alleen vergunningen kunt geven als de emissie op een vergelijkbaar proportionele wijze is teruggebracht, zodat aan die depositiewaarde zou worden voldaan? Dat is natuurlijk heel erg ingewikkeld.

Minister Van Essen:

Een mooie technische exercitie. Ik heb al aangegeven dat we ernaar kijken om per gebied de vergunningverlening weer los te trekken. Een van de aspecten is dan: hoe staat het gebied erbij, hoe is de emissie daar en wat is er voor het gebied nodig om die vergunningverlening weer vlot te trekken?

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Boomsma (JA21):

Maar is het idee nog steeds dat je de emissie zodanig moet verlagen dat de depositie voldoet aan de KDW's? Als dat zo is, dan is inderdaad ... Dan herhaal ik eigenlijk mijn vorige vraag: op welke termijn denkt de minister nou dat in de verschillende gebieden in Nederland de vergunningverlening vlot kan worden getrokken? Want hij wil een onderscheid maken. Op welke termijn kan dat gebeuren? Dat perspectief hebben mensen toch wel nodig, denk ik.

Minister Van Essen:

Ik snap dat we heel erg graag toe willen naar dingen die wel kunnen. Maar we staan eerst nog voor het punt waarop we het pakket moeten uitwerken om daar überhaupt te komen. Ik snap dat de heer Boomsma — dat wil ik ook het liefst — met een rode knop wil kunnen zeggen: in dit gebied is het dán klaar en in dat gebied dán. Maar we moeten eerst nog een pakket maken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mevrouw Ouwehand noemde MOB van de heer Vollenbroek net "heel constructief". We zien dat boeren die meedoen aan de landelijke beëindigingsregeling veehouderij, die hun veehouderij dus beëindigen en daarmee ook bijdragen aan stikstofreductie, bijvoorbeeld naar akkerbouw omschakelen. We zien — we krijgen daar ook heel veel berichten over — dat MOB daarbij helemaal niet zo constructief is, want die is nu overal bezwaren aan het indienen tegen de vergunning voor een andere tak, akkerbouw, en gewasbeschermingsmiddelen ...

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag is: is de minister bereid om met provincies en gemeenten hierover in gesprek te gaan? Het is natuurlijk heel vreemd dat een boer die stopt met een bedrijf dat hij al jarenlang heeft en die iets anders gaat doen vervolgens opnieuw aanloopt tegen bezwaren, waardoor zijn toekomst eigenlijk beperkt wordt.

Minister Van Essen:

Die discussie hadden we net ook even. Volgens mij is het hele probleem dat, als we ons niet aan onze wettelijke eisen en doelen houden, andere partijen inderdaad hun recht via de rechter kunnen halen. Ik zie deze oproep van mevrouw Van der Plas dus ook als een oproep om vaart te maken met het pakket om uiteindelijk stikstofreductie te behalen.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou, daar gaat mijn vraag helemaal niet over. Het gaat helemaal niet over de Landelijke beëindigingsregeling veehouderij. Laat ik het dan even wat simpeler zeggen. Wat ik zeg, is dat boeren die stoppen en die iets anders gaan doen met hun grond — dat mag gewoon — vervolgens aanlopen tegen nieuwe rechtszaken van MOB, die zogenaamd zo constructief is, en alsnog worden beperkt in een nieuwe toekomst voor hun bedrijf. Mijn vraag was: is de minister bereid om met de provincies en gemeenten in gesprek te gaan over die nieuwe vergunningverleningen, zodat boeren wel gewoon een nieuwe toekomst kunnen opbouwen? Want dit gaat een heel groot nieuw probleem worden.

Minister Van Essen:

Ik snap wat mevrouw Van der Plas zegt. Zij wil dat je, als je meedoet aan zo'n regeling, als boer ook weer perspectief hebt. Maar dat die rechtszaken slagen, komt natuurlijk door het feit dat wij de spullen niet voor elkaar hebben. Daar wil ik mijn inzet op richten. Als afgeleide daarvan kan ik nu wel in gesprek gaan over hoe het in individuele casuïstiek zit — als dat nodig is, zal ik dat doen — maar het hele probleem is dat die rechtszaken gewonnen worden omdat wij ons niet aan onze doelen houden.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik moet even diep zuchten. Dit gaat niet over stikstofrechtszaken. Dit gaat over nieuwe rechtszaken van boeren die zijn gestopt met hun vee, die iets anders gaan doen, akkerbouw in dit geval, en die vervolgens aanlopen tegen nieuwe rechtszaken, omdat MOB gewoon niet wil dat die boer daar aardappels of iets anders gaat telen. Er ontstaat dus een nieuw probleem voor boeren die echt alles hebben gedaan wat de overheid van ze vroeg, en die vervolgens weer tegen nieuwe zaken aanlopen. Dit gaat niet over zaken over stikstofdoelen. Dit gaat over nieuwe zaken, namelijk over nieuwe teelten.

Minister Van Essen:

Op het moment dat daar een rol voor mij ligt, zal ik die pakken, maar in deze discussie zie ik die nog niet direct.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Hieraan verwant een vraag. Ik was onlangs op bezoek bij een melkveehouder op bijna 25 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, maar net een paar honderd meter binnen die 25 kilometer, dus: PAS-melder. Hij heeft er alles aan gedaan om te zorgen dat hij onder de vergunde ruimte van zijn oorspronkelijke vergunning, in het geval van dit gezinsbedrijf een vergunning uit 1993, zou komen. En dat was gelukt. Hij had eerst stikstofrechten van de buren gekocht en later had hij een Lely Sphere gemonteerd.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Hij zat echt ruim onder het oude plafond. Toch durfde de provincie maar niet over te gaan tot het vergunnen van deze PAS-melder, terwijl hij eigenlijk alles heeft gedaan. Hij heeft al gedaan wat de minister schetste als een van de mogelijkheden, namelijk innovatie. Hier zit wel een klem. Als een bestuursorgaan niet het lef heeft om over te gaan tot een vergunning omdat misschien MOB die vergunning zal aanvechten omdat MOB liever reductie van vee als middel had gezien dan het schroeven van een Lely Sphere in het bedrijf, dan blijf je toch wel in een soort kip-eikwestie zitten. Hoe ziet de minister dat?

De voorzitter:

Het moet echt korter, meneer Grinwis.

Minister Van Essen:

In deze concrete casus ben ik benieuwd naar meer informatie van de heer Grinwis. Ik vind het interessant om die te betrekken bij mijn aanpak. Uiteindelijk wil je dat een ondernemer een instrumentenkoffer heeft en zelf zijn route kan kiezen na een nieuwe vorm van bedrijfsvoering. Ik zou graag na afloop van het debat met de heer Grinwis over deze casus overleggen.

De voorzitter:

Kort en bondig, meneer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat doe ik met alle plezier met de minister. In algemene zin wil ik hier een oproep aan de minister doen die wel aansluit bij wat mevrouw Van der Plas zei, namelijk: ga met provincies aan tafel over de vraag wanneer je overgaat tot het verlenen van een vergunning aan een PAS-melder die alles heeft gedaan om onder zijn oude vergunningruimte te komen en wanneer niet, hoeveel lef je daar wel of niet in toont en met welke angst voor eventuele rechtszaken je door roeien en ruiten gaat om iemand weer rechtszekerheid en perspectief te geven.

Minister Van Essen:

Als ik verschillen in de aanpak van provincies zie en denk dat we kansen mislopen om dit onrecht recht te trekken, wil ik die kans pakken en zal ik met provincies daarover in overleg treden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil een aanvulling maken op een opmerking van zojuist. Ik denk dat ik mevrouw Den Hollander niet helemaal goed begrepen had. Ik wilde zeggen dat de organisaties die al jarenlang naar de rechter zijn gegaan omdat de natuur in het gedrang komt, dat eerlijk doen. Ze procederen ook als er een andere stikstofuitstoter is. Dat probeerde ik te zeggen. Zij staan voor het belang van de natuur. Het Rijk heeft daar behoorlijk wat steken laten vallen. Dan is het dus hun goed recht om naar de rechter te gaan. Bovendien zorgen zij er echt voor dat niet alleen maar naar de landbouw wordt gekeken. De veehouderij is natuurlijk de belangrijkste uitstoter, maar het gaat ook om biomassacentrales en vliegvelden. Dat gaat eerlijk over de vraag wat allemaal bedreigingen zijn voor de natuur en aan welke wettelijke doelstellingen het Rijk zich moet houden. Als ze zien dat daar iets niet goed gaat, stappen organisaties naar de rechter.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nou, ik wilde dit verduidelijken. Ik had mevrouw Den Hollander niet helemaal goed begrepen en wist niet of ik mijn punt goed genoeg gemaakt had.

De voorzitter:

Ja, maar …

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dit was het volledige punt.

De voorzitter:

Maar ik denk het wel. Ik zie nu ook mevrouw Van der Plas. We voeren hier volgens mij een debat met de minister en niet met elkaar. U heeft ook nog een tweede termijn. Dan kunt u ook met elkaar in discussie. Ik wil vandaag nog wel toekomen aan die tweede termijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar heeft u een punt.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, kort.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik heb inderdaad een debat met de minister. Daarom loop ik ook naar voren. Ik heb nog even nagedacht over het vorige antwoord van de minister. Ik maak daaruit op dat de minister eigenlijk zegt: zoek het maar uit. De heer Grinwis had net een vraag die aansloot op die van mij. Toen zei de minister: als ik zie dat er mogelijkheden zijn om kansen te pakken, ben ik bereid om met provincies in gesprek te gaan. Maar dan wil ik concreet van de minister horen wat hij hieraan gaat doen.

Minister Van Essen:

Op het moment dat de voorbeelden vergelijkbaar zijn — ik heb mevrouw Van der Plas niet goed begrepen — wil ik het volgende doen. Als in de ene provincie het lef bestaat om met een PAS-melder wat verder te gaan in de vergunningverlening en ik zie dat een andere provincie dat niet doet, dan vind ik dat ik die goede voorbeelden ook moet laten zien aan de provincie die in dit geval achterblijft, juist omdat wij allemaal een verantwoordelijkheid hebben om dit vraagstuk op te lossen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We zien toch allemaal wat MOB aan het doen is? Ondanks dat iedereen het recht heeft om naar de rechter te stappen, zien we toch gewoon wat zij doen? Eerst worden mensen vrijwillig gevraagd, maar toch ook min of meer gedwongen om hun veehouderij te stoppen. Vervolgens gaan zij iets anders beginnen, bijvoorbeeld akkerbouw, en dan lopen zij weer tegen nieuwe rechtszaken aan.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Van der Plas?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dit is gewoon een gebed zonder einde. Ik wil echt dat de minister hier keihard mee aan het werk gaat. We hebben het over toekomst voor boeren, toekomstperspectief en het overnemen van een boerderij door een jongere generatie, maar dat gaat zo niet werken als de heer Vollenbroek dit blijft doen. Ik wil echt dat de minister hierover met provincies en gemeenten in overleg gaat om deze hel die boeren te wachten staat te voorkomen.

Minister Van Essen:

Uiteindelijk hebben wij allemaal doelen met elkaar te halen. Als die doelen in strijd zijn met wat wij in de wet hebben staan, dan snap ik dat andere partijen hun recht halen. Op het moment dat ik kan helpen, bijvoorbeeld wanneer een omschakeling van een bedrijf verder kan zodat er perspectief ontstaat voor boeren, dan wil ik daarin mijn rol pakken.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nu begint de minister weer over het halen van doelen, maar dit gaat niet over een rechtszaak over natuurherstel of stikstofreductie. Het gaat over rechtszaken die worden aangespannen of bezwaren die worden ingediend bij gemeenten en provincies tegen een nieuwe teelt van een boer, in dit geval akkerbouw. Het gaat niet over de stikstofdoelen. Dit gaat erover dat MOB bezig is om alle boeren in Nederland de nek om te draaien. Ik wil dat de minister met provincies en gemeenten in gesprek gaat over hoe wij die boeren zo goed mogelijk kunnen helpen bij het verkrijgen van een vergunning die houdbaar is en die toekomst biedt aan de boeren en hun kinderen die het bedrijf willen overnemen.

De voorzitter:

Laten we het parlementair taalgebruik een beetje waardig houden.

Minister Van Essen:

Ik wil als geen ander dat er een toekomst is voor boeren en dat er houdbare vergunningen zijn. Ik heb in mijn eerdere antwoord ook al wat toegezegd aan mevrouw Van der Plas.

De voorzitter:

Minister, kunt u ons misschien meenemen in hoeveel er nog resteert binnen het onderdeel stikstof? Er volgt ook nog een onderdeel landbouw en ketenaanpak, maar ook nog natuur en een onderdeel overig. We hebben bovendien nog een staatssecretaris die aan het woord komt. We hebben de zaal geboekt tot 16.30 uur vandaag.

Minister Van Essen:

Ik heb nog wel een klein stukje in dit blok voordat ik bij het onderdeel landbouw kom.

De voorzitter:

Kort nog, mevrouw Bromet en de heer Koorevaar. Daarna stel ik voor dat de minister het onderdeel stikstof afrondt.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Nog even over dat korte interruptiedebatje. Er worden hier allerlei suggesties gewekt over rechtszaken die worden gevoerd, maar in een rechtsstaat kun je gewoon naar de rechter stappen. Ik zou graag willen dat de minister ook uitspreekt dat, wanneer bepaalde organisaties opkomen voor de natuur en procederen, en daarbij meestal gelijk krijgen, er niet meteen een sfeer ontstaat waarin wordt gesuggereerd dat er een club is die alle boeren de nek om wil draaien. Zo is het gewoon niet. Iedereen kan naar de rechter stappen en de rechter doet uitspraak. Dat is hoe het werkt in een rechtsstaat. De minister blijft daar nu een beetje van weg.

Minister Van Essen:

Op het moment dat wij met elkaar doelen afspreken, de natuur willen herstellen en ons niet aan ons eigen beleid houden, en er zijn dan mensen die daarvoor opkomen, dan hebben zij groot gelijk en mogen zij naar de rechter stappen.

De voorzitter:

De minister vervolgt.

Minister Van Essen:

Dan ga ik verder met de rekenkundige ondergrens. De leden Den Hollander, Grinwis en Goudzwaard hebben mij vragen gesteld over de rekenkundige ondergrens. Het kabinet wil zo snel mogelijk een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens invoeren. Ik ben dan ook blij met het werk dat mijn voorganger, minister Wiersma, hierop heeft verricht. Om een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren, is het niet nodig om de wet aan te passen, zoals ik in eerste termijn hoorde. Een geborgd reductiepakket en flankerend beleid zijn wel voorwaardelijk. Ik vind het dan ook belangrijk dat wij eerst zekerheid hebben over de juridische houdbaarheid van zo'n ondergrens, door middel van een uitspraak van de Raad van State. Zoals ik net ook al heb aangegeven, wil ik een tweede PAS-situatie voorkomen. Ik wil daarom de ondergrens inbrengen in een lopende rechtszaak. Zo'n zaak moet wel voldoen aan een aantal voorwaarden. Het belangrijkste knelpunt als het om stikstof gaat, is dat de depositie lager moet zijn dan de rekenkundige ondergrens. In de komende periode ga ik eerst aan de slag met een gewogen pakket aan maatregelen met flankerend beleid voor de rekenkundige ondergrens. Ik verwacht dat ik na de zomer meer duidelijkheid kan geven over wanneer de rekenkundige ondergrens daadwerkelijk ingevoerd kan worden.

Er wordt ook gekeken naar mogelijkheden voor projecten met een kleine en/of tijdelijke depositiebijdrage. We werken aan een handreiking voor projecten met een kleine bijdrage, zodat duidelijk wordt wanneer volstaan kan worden met een voortoets en wanneer sprake is van een vergunningplicht. Op die manier zoeken we naar mogelijkheden op basis waarvan het wel kan.

In de brief die ik u voor het commissiedebat Stikstof en mestbeleid voor 1 april stuur, zal ik ook ingaan op de beoogde totstandkoming van het wetsvoorstel KWD en het bijbehorende ontwerpprogramma en de rekenkundige ondergrens waar mevrouw Den Hollander mij om heeft gevraagd.

Voorzitter. Mevrouw Den Hollander vraagt wanneer ik aan de slag ga met de beperkingen uit het AERIUS-model. Vooropgesteld: elk model heeft zijn beperkingen — ik heb dat net al in het interruptiedebatje aangegeven — maar we kunnen niet zonder model. Samen met het RIVM wordt continu gewerkt aan de doorontwikkeling van instrumenten en de onderliggende modellen en cijfers. Daarbij wordt gebruikgemaakt van actuele wetenschappelijke inzichten en metingen. Daar vertrouw ik op.

Dan heb ik nog een antwoord op de vraag over de stikstofclaim, maar die is net al aan de orde gekomen.

Dan kom ik nu bij de vragen over de rechtszaak van Greenpeace.

De voorzitter:

Is dat veel?

Minister Van Essen:

Nee.

De voorzitter:

Dan ronden we dat eerst even af. Daarna kunnen we netjes het onderdeel stikstof afronden.

Minister Van Essen:

Over de Greenpeacerechtszaak. Laat ik vooropstellen dat iedereen, dus ook de Staat, zich moet houden aan de wet. Het Greenpeacevonnis van 22 januari 2025 is een concrete oproep aan ons om aan de slag te gaan. We gaan alles doen wat haalbaar is om aan het vonnis te voldoen, met de aanpak die ik eerder in het debat heb geschetst. Dat vergt moeilijke keuzes. Die zullen we ook moeten maken. Natuurherstel is daarbij de weg vooruit. Tegelijkertijd heb ik, net als mijn voorganger, zorgen over de uitvoerbaarheid van het vonnis. Dat wij in hoger beroep gaan, betekent echter niet dat het kabinet niet vol aan de slag wil gaan met maatregelen voor natuurherstel.

Mevrouw Ouwehand vroeg of de uitspraak in de Greenpeacezaak leidend is in het stikstofbeleid. Laat ik wel zeggen dat het kabinet maximale inzet gaat plegen om de natuur te herstellen en te voldoen aan de rechterlijke uitspraak. Naast de landelijke reducties en doelstellingen die we gaan vastleggen in de wet, richten we ook een gebiedsgerichte aanpak in, met focus op de meest kwetsbare gebieden. Ook dat is in lijn met de uitspraak in de Greenpeacezaak. Voor de zomer wil ik uw Kamer er verder over informeren hoe we hieraan tegemoet gaan komen.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het eind gekomen van het kopje stikstof?

Minister Van Essen:

Ja.

De voorzitter:

Dan is er gelegenheid voor interrupties. Mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voor GroenLinks-PvdA hoeft dat hoger beroep niet zo, maar goed, dat is natuurlijk een recht dat een kabinet heeft. Mijn vraag gaat over het volgende. De passage die opgenomen is in het regeerakkoord is niet in lijn met de uitspraak van de rechter in de Greenpeacezaak. Is dat niet heel kwetsbaar in een hoger beroep? De minister spreekt mooie woorden over zijn ambitie en ik wil hem best geloven, maar in het regeerakkoord staat een lagere ambitie dan de ambitie die in de Greenpeacezaak is uitgesproken.

Minister Van Essen:

U mag van mij verwachten, zeg ik tegen mevrouw Bromet, dat wij echt alles doen en ons maximaal inzetten om aan het vonnis te voldoen. Het herstellen van natuur heeft ook absoluut prioriteit en kan ook niet wachten. Onze aanpak zal deels bestaan uit generieke doelen, zoals ik al zei, maar ook uit een gebiedsgerichte aanpak. Daaruit verwacht ik nog meer te kunnen halen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Is het dan niet veel verstandiger om de afspraken in het regeerakkoord aan te passen? Anders zullen die afspraken straks misschien gebruikt worden als argument om te zeggen, zoals ik nu ook zeg: de minister zegt wel dat hij zijn stinkende best doet, maar het doel is al verlaagd.

Minister Van Essen:

Ik val in herhaling, maar het is wel goed om te zeggen dat het kabinet alles gaat doen om het natuurherstel maximaal beet te pakken. Dit betekent dat we alles wat binnen de grenzen van de uitvoerbaarheid mogelijk is ook gaan doen, en dat we naar uw Kamer komen met vergaande voorstellen, waarin vergaand wordt ingezet op natuurherstel. Daarmee denk ik dat we richting deze uitspraak laten zien dat we alle kansen die zich voordoen om natuurherstel in te zetten, met beide handen aanpakken.

De heer Goudzwaard (JA21):

Ik had volgens mij nog niet op al mijn vragen antwoord gekregen. Ik stel ze nu gewoon nog een keer aan de minister. Is de rekenkundige ondergrens het enige juridisch houdbare alternatief dat de minister voor ogen heeft?

Minister Van Essen:

Dat is iets om uit te werken. Dat staat ook in het coalitieakkoord. Ik denk dat dat tegemoetkomt aan het grote bezwaar, waar we net ook even een debat over hadden, dat alles onder een bepaalde kleine grens vergunningsplichtig is. Dat ga ik dus uitwerken.

De heer Goudzwaard (JA21):

Helder. Dan heb ik nog een vraag over het feit dat er nog geen rekenkundige ondergrens is vastgesteld of nog geen geschikte partij is gevonden, terwijl die zoektocht volgens mij al meer dan een halfjaar bezig is. Kan de minister erop reflecteren waarom dat precies zo lang duurt?

Minister Van Essen:

Dat heeft te maken met de vereisten die ik net al noemde. De stikstof moet daarin de drukfactor zijn. Die moet onder de RKO liggen, wil je daarover een uitspraak en jurisprudentie krijgen waar je ook echt wat mee kunt. Ik had heel graag gewild dat het eenvoudig was om zo'n zaak te zoeken, maar we hebben hem tot nu toe niet. Hij is wel heel belangrijk om te zorgen dat wat we gaan doen, ook juridisch houdbaar is.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dan lijkt het alsof wij in dit land allemaal wachten op die ene kandidaat die geschikt is. Ik dacht dat er in potentie eentje aanwezig was in de provincie Flevoland, maar als dat niet zo is, is mijn vraag: tot hoelang kan dat nog duren? Dit wordt nu namelijk wel een heel onzeker gebeuren. Wat kan de minister doen binnen zijn cirkel van invloed om dat proefproces en de zoektocht naar de geschikte kandidaat maximaal te versnellen?

Minister Van Essen:

Ik zal parallel daaraan door blijven gaan met het uitwerken van de rekenkundige ondergrens, want er is natuurlijk meer voor nodig dan alleen maar een uitspraak in een rechtszaak. Ik zal daarin alles op alles zetten om die te vinden, zodat we uiteindelijk weten of dit een juridisch houdbare route blijft.

De heer Flach (SGP):

We zitten met z'n allen heel erg op die rekenkundige ondergrens te wachten, de SGP in ieder geval wel, omdat die zeker de PAS-melders enorm kan helpen. Ik vraag me werkelijk af waarom die niet gewoon alsnog is ingevoerd. Die geborgde emissiereductie is wat ons betreft eigenlijk niet nodig. De minister vliegt dat heel juridisch aan, maar in feite is het natuurlijk gewoon wetenschap, in plaats van een juridische exercitie. Als je het zo juridisch blijft maken, dringt de vraag zich op wie er een proefkonijn wil zijn in zo'n proefzaak om dat uiteindelijk juridisch te borgen. Kortom, dit kan wel weer eens een heel lang traject worden. Is het niet gewoon beter dat we nu gewoon doorzetten en'm invoeren? Dan heb je een stukje onzekerheid, maar ik denk dat het eerder wetenschap is dan juristerij.

Minister Van Essen:

Ik herken wat de heer Flach aangeeft, namelijk dat hij daar snel mee vooruit wil. Ik voel daarin ook ongeduld. Het risico dat je gaat lopen als je daarin niet de juridische borging hebt, ligt niet bij mij als persoon of als minister, maar ligt uiteindelijk bij ondernemers. Daarom vind ik het belangrijk dat dit heel zorgvuldig gebeurt, zodat zij weten dat een vergunning die zij op basis van zo'n rekenkundige ondergrens krijgen, jaar in, jaar uit standhoudt en dat die niet opnieuw onzekerheid met zich meebrengt. Dat ongeduld herken ik dus. Ik zal er alles aan doen om het een en ander te versnellen en zal parallel door blijven werken aan alles wat nodig is om de RKO in te voeren, maar ik wil het wel op een zorgvuldige en goede manier doen. Dat mag u ook van mij verwachten.

De heer Flach (SGP):

We hebben eerder een amendement ingediend om ervoor te zorgen dat PAS-melders juist wel een vergunning kunnen krijgen door die rekenkundige ondergrens. Dat heeft het niet gehaald, maar zou kunnen helpen. Mijn punt is dat het heel erg wordt gekoppeld aan de geborgde emissiereductie. Dat is volgens mij een keuze. Ziet de minister echt geen andere mogelijkheid dan het alleen maar zo stevig te koppelen aan de geborgde emissiereductie?

Minister Van Essen:

Ik ben er echt van overtuigd dat het onderdeel moet zijn van het pakket dat we maken. Als je geen zorgvuldig, stevig pakket hebt, kun je het ook niet invoeren.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Flach (SGP):

Dat is dan kennelijk de overtuiging van de minister. Ik denk daar anders over. Het is belangrijk hoe we dit uiteindelijk zo snel mogelijk geregeld kunnen hebben. Ik heb de minister horen zeggen dat hij alles op alles zet. Mij bereiken ook geluiden dat bepaalde rapporten nog moeten worden aangeleverd. Kan de minister in een brief schetsen welke stappen hij gaat zetten tot de zomer om ervoor te zorgen dat dit echt met voorrang en met heel veel druk de goede kant opgaat? Er zitten namelijk heel veel mensen op te wachten.

Minister Van Essen:

In de brief die ik u toch nog moet en wil sturen vóór het mest- en stikstofdebat, wil ik gerust ingaan op de tijdlijn voor de RKO.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De minister kondigde aan voor 1 april met een brief over stikstof te komen, waarin hij ook nog ingaat op de rekenkundige ondergrens, geloof ik. Bij mijn weten is aan de ambtsvoorganger van deze minister een reflectie geleverd op het oordeel van de hoogleraren Backes en Petersen met betrekking tot de noodzaak van flankerend beleid bij de rekenkundige ondergrens. Is de minister bereid om die reflectie mee te sturen met de brief aan de Kamer die hij heeft aangekondigd? Is hij ook bereid om in die brief een eerste reflectie te geven op deze reflectie?

Minister Van Essen:

Dan wordt het een reflectionception! Op het moment dat ik dat rapport kan delen — ik ken daar niet de exacte juridische status van — vind ik het natuurlijk geen probleem om die informatie ook aan de Kamer te verschaffen.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Volgens mij heeft dit geen enkele juridische consequentie. Het is volgens mij vooral een wijs advies. Het is fijn als wij daar als Kamer allemaal kennis van kunnen nemen. Ik snap de redenering van de minister. Uiteindelijk gaat het over wat een betrouwbare rekenkundige ondergrens is in AERIUS. Die is momenteel 0,005 mol per hectare per jaar en zou volgens het advies van Petersen eigenlijk 0,5 mol per hectare per jaar moeten zijn, en dat rond je dan af naar 1. Dat is wat het verhaal is. Dat is de enige betrouwbare maat, want als je lager gaat zitten, creëer je een soort schijnzekerheid.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Mijn vraag luidt als volgt. De minister kan wel zeggen "eerst een proces vinden", en weet ik wat, maar hij kan ook alvast alles in het werk stellen zodat AERIUS klaarstaat op het moment dat de minister denkt dat de tijd rijp is om de rekenkundige ondergrens daadwerkelijk door te voeren. Daar moet wat werk aan voorafgaan, zodat we niet nog eens maanden moeten wachten tot AERIUS klaar is om met die verhoogde rekenkundige ondergrens te werken.

Minister Van Essen:

Ik herken de ambitie van de heer Grinwis. Ik zou daar ook aan tegemoet willen komen door dingen die we parallel kunnen doen niet onnodig op elkaar te laten wachten, zodat je, als het dan zover is, ook tot invoering kunt overgaan.

De voorzitter:

Kort en bondig.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ten slotte. Ik geloof in de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van Petersen en Backes. Nochtans kan een rechter inderdaad anders beslissen, en zeggen: nee, de staat van de instandhouding is zodanig dat er niks bij kan, dus die kan niet omhoog. Is de minister bereid in dat geval als optie achter de hand ook een bouwvrijstelling voor te bereiden? De bouwvrijstelling heeft een paar jaar geleden gefaald. Toen is die afgeschoten door de rechter. Maar we zijn een aantal jaar verder. We zijn ook een aantal jaren NOx-reductie verder. Het is deze keer dus veel beter mogelijk dan een aantal jaren geleden om aan te tonen dat het een houdbare vrijstelling is. Zo kunnen we in ieder geval de woningbouw in dit land, en de bouw van weet ik veel wat voor maatschappelijk noodzakelijke voorzieningen, niet langer stil laten liggen doordat we met de huidige bizarre ondergrens in AERIUS zitten.

Minister Van Essen:

Ook daarbij zeg ik: als dat kan, doe ik het graag. Ik ben er zelf wel van overtuigd dat je dit soort maatregelen alleen moet nemen als je ook duidelijk op tafel hebt liggen wat voor beleid je de komende jaren gaat voeren. Mocht dat anders zijn, dan kom ik daar bij de heer Grinwis op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Daar kan ik de minister alleen maar gelijk in geven. Ik herinner aan de waarschuwing die de Kamer eerder heeft gekregen: hoe meer je de natuur achteruit laat gaan, hoe strenger de rechter dat toetst en hoe meer je vast komt te zitten in allerlei onmogelijkheden met de rekenkundige ondergrenzen. Mijn vraag gaat over de onduidelijkheid die het kabinet laat bestaan over wat het doel is. Ik hoor de minister zeggen: het doel is dat we voldoen aan het vonnis in de Greenpeace-uitspraak. Maar in het coalitieakkoord staat het streefdoel voor 2030. Dat zijn veel lagere doelen dan in die uitspraak zijn gesteld.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het lijkt me niet handig als het kabinet twee verschillende dingen zegt. Wat is het nou?

Minister Van Essen:

Zoals ik ook al eerder aangaf, wil ik me als minister aan de wet houden. Dat betekent dat ik nu maximaal moet inzetten op natuurherstel, juist bij die kwetsbare gebieden die in deze rechtszaak worden aangevoerd. Daarin zal ik ook echt het maximaal haalbare doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat vind ik fijn om te horen, maar volgens mij hoort daar dan ook bij dat de minister zegt dat we alweer voorbij zijn aan wat er in het coalitieakkoord is opgeschreven. Daar staat namelijk letterlijk dat het streefdoel voor 2030 23% tot 25% reductie is. Dan zegt de minister eigenlijk tegen de Kamer: "Wacht u maar even op de uitwerking. Ik kom voor de zomer met de plannen voor hoe we die 20 miljard gaan uitgeven." Maar dan krijgen we pas vlak voor de zomer te zien wat daarbij leidend is geweest. Dat is voor de controlerende taak van de Kamer wel een beetje ingewikkeld.

Minister Van Essen:

Ik snap dat u dat wilt horen. Ik zeg vanaf deze plek dat ik op dit moment alles doe om aan die uitspraak te voldoen en tegelijkertijd bezig ben met een pakket voor de zomer, waar echt maatregelen, zoals zonering bij kwetsbare gebieden, parallel lopen aan wat de rechter in de Greenpeacezaak heeft gezegd. Ik zie de kans om daaraan te voldoen en om alles te doen wat nodig is om maximaal in te zetten op natuurherstel.

De voorzitter:

Afrondend.

Minister Van Essen:

Wat niet haalbaar is, kunt u van mij ook niet vragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, maar dan zal wel onderbouwd moeten worden waarom iets niet haalbaar is als de rechter heeft gezegd dat het gewoon moet. Begrijp ik de minister dan goed dat de plannen die wij voor de zomer krijgen, bestaan uit de manier waarop die 20 miljard gaat worden ingezet om ten minste te voldoen aan de uitspraak die de rechter heeft gedaan? We zijn er wettelijk namelijk gewoon toe verplicht om de natuur te herstellen. Daarmee komt er dan natuurlijk ook weer lucht en ruimte ten aanzien van al die vragen over rekenkundige ondergrenzen en zo. Gaat het kabinet dan aan de slag met de vraag hoe het die 20 miljard zo gaat verdelen?

Minister Van Essen:

Het kabinet houdt zich aan die rechterlijke uitspraak en zet fors in op alles wat daartoe kan bijdragen. Daarbij is het coalitieakkoord mijn startpunt, maar alles wat ik moet doen om Nederland van het slot te halen en te houden, zal ik aan uw Kamer voorstellen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Als het laatste wat de minister zegt, waar is, dan voert hij gewoon de rekenkundige ondergrens in. Er wordt hier constant niet nagedacht over de vraag wat nou een rekenkundige ondergrens is en wat een drempelwaarde is. Die twee dingen worden constant door elkaar gehaald. Dat heeft deze Kamer ook gedaan, waardoor de boel ook vertraagd is. De rekenkundige ondergrens is een wetenschappelijke berekening waaruit blijkt dat je onder de 1 mol niet betrouwbaar aan één bron stikstofdepositie kan toerekenen. Dat is waar die rekenkundige ondergrens over gaat. Een drempelwaarde is iets heel anders. Die bepaalt of er een vergunningsplicht geldt. Ik sluit mij even aan bij de heer Flach, die zei: volgens ons is het niet nodig. Het is niet nodig om dit via een rechtszaak te toetsen. Dit is een wetenschappelijk onderbouwde ondergrens, die niks te maken heeft met een drempelwaarde.

Minister Van Essen:

We hebben het net al over sporen 1, 2, 3 en 4 in lid 6 van de Vogel- en Habitatrichtlijn gehad. Alles wat je bij 3 en 4 erbij oppakt, ongeacht of dat nou met een vergunning is of niet, ongeacht of dat nou onder de rekenkundige ondergrens valt of niet, zul je uiteindelijk in het andere spoor moeten compenseren. Dit betekent dat wij, op het moment dat wij als overheid met een vrijstelling komen die juridisch onderbouwd en ook houdbaar is, nog steeds op die andere twee pijlers flankerend beleid moeten voeren. Dat wil ik gewoon zorgvuldig doen en dat mag u ook van mij verwachten.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik herhaal het nog maar een keer. De rekenkundige ondergrens zegt: we kunnen niet betrouwbaar rekenen onder dit getal. Ik zie hier toch steeds mist ontstaan tussen drempelwaardes en de rekenkundige ondergrens; we zouden zaken eerst geborgd moeten hebben met allerlei geborgde maatregelen. Dat hoeft niet! Ik zou de minister willen vragen om daar misschien nog eens met de voormalige minister, die dit allemaal op de rails heeft gezet, over in gesprek te gaan, want we gaan echt voor onnodige vertraging zorgen op deze manier.

Minister Van Essen:

Ik wil, net als mevrouw Van der Plas, heel graag de mist laten verdwijnen. Daarvoor moet ik gewoon met een goed voorstel naar uw Kamer komen. Daar ben ik op dit moment mee bezig. Als het helpt om daar met andere partijen over in gesprek te gaan, dan doe ik dat met plezier.

De voorzitter:

Heel kort.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De minister moet gewoon de rekenkundige ondergrens gaan invoeren. Dan komt Nederland van het stikstofslot. Dan hoeven we hier ook niet meer uren te debatteren.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

De afgelopen jaren is er van alles geprobeerd om het stikstofprobleem op te lossen. Dat is niet allemaal gelukt, of allemaal niet gelukt. Nu ligt er een hartstikke mooi coalitieakkoord, waarin we hele duidelijke doelen hebben staan voor 2035. Er zijn natuurlijk partijen in deze Kamer die vinden dat 2035 veel te ver weg is en die de datum heel erg naar voren willen trekken. Ik zou toch wel de bevestiging van de minister willen horen dat hij het coalitieakkoord als leidraad neemt om aan de slag te gaan met de opgaven die er liggen in Nederland. Is dat zo?

Minister Van Essen:

Ja, het coalitieakkoord is inderdaad mijn leidraad en mijn startpunt. Daarbij hoor ik de wens om Nederland van dat slot af te halen en ook te houden. Dat zie ik ook als mijn opdracht.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dat delen wij met elkaar. Er is de afgelopen paar uur gedebatteerd over de vraag op welke manieren dat allemaal kan: door anders naar vergunningverlening te kijken, door anders naar de rekenkundige ondergrens te kijken of door anders naar de KDW en het AERIUS-model te kijken. Het zou me heel erg verdriet doen als we ineens zes stappen harder zouden gaan dan in het coalitieakkoord staat. Ik vind het toch onze taak om hier uit te spreken dat het coalitieakkoord is wat we hebben afgesproken.

Minister Van Essen:

Dat kan ik beamen.

De voorzitter:

Bij de partij met de meeste interrupties — ik zal geen namen noemen — staat de teller nu op negentien interrupties. Dat kan alleen als we ze kort en bondig houden. Maar ik denk dat we het anders moeten gaan doen na dit blokje, want anders lopen we gierend uit de tijd.

De heer Flach (SGP):

Voor het nageslacht: dat is in ieder geval niet de SGP. Maar dat bedoelde de voorzitter vast ook niet.

De voorzitter:

Neeneenee.

De heer Graus (PVV):

Meneer de voorzitter, ik heb dan even een punt van orde. Ik kom nu net binnenlopen, want dadelijk komt mijn verhaal en dan wordt er altijd gekort.

De voorzitter:

Nee.

De heer Graus (PVV):

Ja, maar dat gebeurt altijd.

De voorzitter:

Ik zal dat niet doen; ik zou niet durven.

De heer Graus (PVV):

Maar dat gebeurt altijd, want dieren worden altijd achteraan geschoven. Wij zijn altijd de dupe van wat anderen hier verknallen.

De voorzitter:

Neeneenee, ik ga dat niet laten gebeuren. Dat garandeer ik u, meneer Graus. Absoluut niet.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel.

De voorzitter:

Maar het is wel een hele dringende oproep aan u allen om de interrupties echt kort en bondig te houden. Dan kunnen we gewoon goed het debat met elkaar blijven voeren.

De heer Flach (SGP):

Ik snap u, voorzitter, maar dit is wel een heel wezenlijk punt voor veel mensen die dit debat kijken. Met betrekking tot die rekenkundige ondergrens heeft de minister het erover dat we dan toch moeten compenseren. Dat blijft me toch een beetje puzzelen. Het gaat in veel gevallen om PAS-melders die er gewoon nu al feitelijk zijn. Die zijn niet stilgelegd. Die bestaan nu. Onder die rekenkundige ondergrens krijgen ze ook helemaal geen vergunning. De vraag is echt: wat moet je dan gaan compenseren? Dat is puur juridisch. Mijn vraag is eigenlijk in lijn met de vraag die de heer Grinwis hier stelde. Vermengt de minister hier niet lid 2 en lid 3 van artikel 6 van de richtlijn?

Minister Van Essen:

Het gaat mij om het volgende. Hoe klein de uitstoot ook is, of dat nou werkelijke uitstoot is of uitstoot die nog niet vergund is, uiteindelijk telt het allemaal bij elkaar op. Je kunt daarvan wel zeggen: dat tellen we niet mee, want er zit een ondergrens aan en er hoeft geen vergunning voor gegeven te worden. De heer Grinwis noemde net ook de bouwvrijstelling. Maar uiteindelijk telt hele kleine uitstoot natuurlijk ook op tot grote uitstoot. Hele kleine belasting, in mol, van natuurgebied, telt uiteindelijk ook gewoon op tot grote belasting. Als je dat niet in spoor 3 en 4 compenseert of oppakt, zul je daarvoor in spoor 1 en 2 wat extra's moeten doen als overheid. Wat extra doen zodat dingen weer vlot getrokken kunnen worden en verder kunnen gaan, hoeft geen probleem te zijn, maar dat betekent dat je wel degelijk flankerend beleid op die andere twee sporen moet hebben. Ik heb geprobeerd dat uit te leggen.

De heer Flach (SGP):

Ik rond af, voorzitter. Maar dat spreekt elkaar toch tegen? Die rekenkundige ondergrens zegt namelijk: het is niet significant; we kunnen daarmee niet rekenen. Dus als je dat niet kan, wat ga je dan precies compenseren?

Minister Van Essen:

Ook als je er niet mee kunt rekenen en je het verband misschien niet rechtstreeks kunt leggen, blijf je natuurlijk met overbelaste natuurgebieden zitten. Daar moeten we wat aan doen. Ik heb geprobeerd dat uit te leggen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik stel voor het spoorboekje het volgende voor. Ik wil koersen op een lunchschorsing om 13.30 uur, maar ik schors nu wel voor een kleine praktische plichtpleging van eenieder.

De voorzitter:

Ik heropen en geef het woord aan de minister.

Minister Van Essen:

Voorzitter, dank. Ik kom nu bij het onderdeel landbouw. In de Kamer proef ik van links tot rechts waardering voor onze agrarische sector. Dat is terecht. De Nederlandse landbouwsector is innovatief en sterk. Ik zie en ontmoet veel ondernemers die vooruitdenken, die willen vernieuwen en die verantwoordelijkheid nemen voor hun bedrijf en hun omgeving. Dat is iets om trots op te zijn. Samen met de heer Koorevaar ben ik ervan overtuigd dat de landbouw een waardevolle bijdrage levert aan de brede welvaart in ons land. Als minister van Landbouw zet ik me daarom in voor een sterke sector met toekomst. Er liggen uitdagingen, maar ik zie vooral ook kansen. Samen kunnen we ervoor zorgen dat de landbouw blijft bijdragen aan ons land en de leefbaarheid van het platteland. Zoals de heer Flach terecht zei: de landbouw is van groot belang voor een vitaal platteland. Als minister uit de regio zie ik elke dag hoe groot de impact van deze sector is op dorpen en gemeenschappen. Daarom weeg ik bij de aanpak van vergunningsproblematiek ook de sociaal-economische effecten mee in de besluitvorming. Want in het landelijk gebied moet alles samenkomen: natuur, wonen, ondernemen en landbouw. We werken hierbij nauw samen met medeoverheden en we bouwen hierbij voort op de energie die er al zit.

Het lid Goudzwaard vraagt mij of ik de voedselproductie in stand kan houden. Ik en de staatssecretaris zetten ons in voor de land- en tuinbouw in Nederland die hoogwaardig voedsel levert, zowel voor consumenten hier als elders. Daarvoor is het belangrijk dat we in Nederland voldoende ruimte houden voor de landbouw. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat andere functies ook ruimte vragen, zoals wonen, werken, infrastructuur, energie en natuur. De landbouwproductie moet daarom plaatsvinden in harmonie met de natuur en het milieu. Niet alles kan dus hetzelfde blijven. Maar u kunt ervan op aan dat ik inzet op een toekomstbestendige landbouw, die boeren in staat stelt om een goed inkomen te verdienen met het produceren van ons voedsel.

Voorzitter. Er werd net al even gerefereerd aan de ketenaanpak. Om een goed inkomen te waarborgen, moet niet alleen de boer maar de hele keten meebewegen en bijdragen. Dat gebeurt ook. Ik zal een concreet voorbeeld geven. Afgelopen maandag kwam de Rabobank met een vernieuwde visie. Ik heb daar met interesse kennis van genomen. Die visie beschrijft kansen voor een sterke, innovatieve en duurzame land- en tuinbouw in Nederland. Ik herken grote overeenkomsten met de inzet van het kabinet.

De heer Koorevaar stelde mij de vraag hoe het kabinet het productschap zo snel mogelijk gaat vormgeven, met voldoende middelen en rekening houdend met de lessen uit het verleden. Laat ik zeggen dat het kabinet het belangrijk vindt om de uitvoeringskracht te versterken. In de land- en tuinbouw is hier ook een breedgedragen wens voor. Omdat er nog geen eenduidig beeld is van de terreinen waarop zo'n nieuwe institutionele structuur de uitvoeringskracht kan versterken, is de eerste stap voor de inrichting van een productschap 2.0 zorgen voor een gezamenlijk beeld van de opdracht van zo'n productschap. Dat betekent dat we gaan kijken naar de taken en verantwoordelijkheden, en naar de middelen die daarvoor nodig zijn. Dat doe ik in nauwe afstemming met de betrokken sectoren, omdat het draagvlak daar uiteindelijk essentieel is. De Sociaal-Economische Raad werkt momenteel aan een advies over de land- en tuinbouw. Daarbij gaan zij ook in op de werking van nieuwe institutionele structuren, zoals een productschap. De SER verwacht dat advies voor de zomer te publiceren. Deze inzichten zou ik willen betrekken bij de verdere uitwerking van deze ambitie.

Voorzitter. Mevrouw Ouwehand vraagt hoe de ketenpartijen in de agro-industrie gaan bijdragen. De verantwoordelijkheid voor ons voedselsysteem ligt bij ons allemaal, bij de boeren, bij de ketenpartijen en bij de overheid. Ik verwacht een actieve rol van de keten, zodat de kosten niet alleen bij de boer terechtkomen. Ik zie ook die bereidheid in de keten. Er liggen wat mij betreft kansen op het gebied van transparantie in de keten, innovatie en de afzet van duurzame producten, bijvoorbeeld via een duurzaamheidsstandaard. Ik ga hierover een gesprek aan met de keten, ik maak duidelijke afspraken en ik spreek partijen actief aan. Tegelijkertijd zoek ik naar instrumenten om transparantie en eerlijke handelspraktijken af te dwingen. Denk aan een rapportageverplichting en aan voorbeelden uit andere EU-landen. In het VK hebben ze een ombudsman die transparantie en goed gedrag in de keten bewaakt. In Oostenrijk kunnen oneerlijke handelspraktijken anoniem worden gemeld en onderzocht. Voor de zomer informeer ik de Kamer verder over mijn ketenaanpak.

Voorzitter. Ook voor biologische boeren is het belangrijk dat er goede verdienmodellen ontstaan. Verschillende fracties, zoals de heer Grinwis van de ChristenUnie en mevrouw Bromet van GroenLinks-PvdA, hebben mij gevraagd om de biologische landbouw extra te ondersteunen. Daar hebben we het net ook al even over gehad. Ik ben enthousiast over de afspraak uit het coalitieakkoord om de consumptie van biologische producten te stimuleren. De biologische landbouw laat zien dat extensief boeren kan samengaan met een goed verdienmodel. Daar liggen mooie kansen voor de toekomst. Ik zal zo dadelijk ingaan op de amendementen die zijn ingediend.

Het lid Grinwis vroeg of de Skal-keuring vergoed kan worden en of er kan worden gezorgd voor een level playing field, met name met het oog op de Duitse collega's. Hij roept mij op om mij vol in te zetten voor de groei van de biologische consumptie. Zoals in het genoemde coalitieakkoord staat, wil het kabinet de consumptie van biologische en duurzame producten stimuleren. Aan de oproep van de heer Grinwis zal ik dus voldoen. Ik ben het ook eens met de opmerking dat het belangrijk is dat Nederlandse biologische boeren hun producten zo veel mogelijk onder gelijke omstandigheden kunnen verkopen als boeren in andere EU-landen. In het kader van de omslag naar een toekomstbestendige landbouw wil ik mijn inzet op de biologische landbouw in de komende maanden verder uitwerken. Daarbij kijk ik zowel naar de lasten voor ondernemers als naar een mogelijke verbetering van de randvoorwaarden. Overigens zijn biologische ondernemers met een bepaalde omzet, namelijk minder dan €80.000, ook vrijgesteld van een aantal jaarlijkse kosten.

Voorzitter. Dan kom ik bij een vraag van de heer Jansen over mest en de Nitraatrichtlijn. De heer Jansen heeft mij gevraagd of ik bereid ben om in Europees verband mijn vetorecht te gebruiken, als ik het me goed herinner. Er bestaat niet zoiets als een vetorecht voor derogatie, omdat het een uitzondering is waar specifiek de Europese Commissie mee moet instemmen. We hebben eind vorig jaar een hele duidelijke brief gekregen van de Eurocommissaris, waarin stond dat Nederland op dit moment gewoon niet voldoet aan de voorwaarden voor een derogatie. We hebben nog een grote opgave ten aanzien van de verbetering van grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. Daar zullen we eerst zelf aan moeten werken. De bal ligt nu dus echt eerst bij ons.

Voorzitter. De heer Grinwis vroeg ook nog aan me hoe het staat met de uitvoering van zijn motie over het achtste AP Nitraatrichtlijn en hoe de data in de zaak- en aandachtsgebieden worden gebruikt in combinatie met doelsturing op waterkwaliteit. Op 19 december jongstleden is naar aanleiding van de motie van de heer Grinwis besloten om de besluitvorming over het achtste AP aan te houden en over te laten aan een nieuw kabinet. Er is ook een motie van het lid Kostić aangenomen die vraagt om het in lijn te brengen met de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water. Hier werken we op dit moment ook aan. Ook provincies en waterschappen zijn erbij betrokken, net als sectorpartijen. Wat betreft doelsturing op waterkwaliteit, iets waar de heer Grinwis natuurlijk ook in geïnteresseerd is: ik werk op dit moment aan een systeemontwikkeling van zo'n ingroeipad. Zo kan er in het najaar gestart worden met het meten van N-mineraal op landbouwpercelen. Ik werk ook het systeem voor doelsturing op waterkwaliteit verder uit.

Voorzitter. We gaan nu wat sneller dan in het eerste blokje. Ik ben toegekomen aan het stuk over natuur. Ik eindig hiermee, maar eigenlijk is dit waarmee alles begint. Als wij goed zorgen voor natuur, openen we in Nederland weer veel nieuwe mogelijkheden. Daar liggen de kansen om samen vooruit te komen, met onze boeren, met ondernemers en met burgers op het platteland. Daar ga ik de komende jaren ook graag met uw Kamer mee aan de slag. Meerdere fracties, waaronder GroenLinks-PvdA, CDA, ChristenUnie, SGP, BBB en VVD, vroegen terecht aandacht voor het agrarisch natuurbeheer. Veel boeren leveren met hun beheer een onmisbare bijdrage aan natuur; daar heb ik in mijn inleiding de aandacht op proberen te focussen. Daar hoort waardering en een redelijke vergoeding bij. Agrarisch natuurbeheer laat zien hoe landbouw en natuur hand in hand gaan. Boeren zetten zich met passie in voor weidevogels, zoals de grutto — voor sommigen is dat de motivatie om Kamerlid te worden. Juist daarom is agrarisch natuurbeheer een belangrijk onderdeel van de aanpak van dit kabinet, om natuur gezond door te geven aan volgende generaties, maar tegelijkertijd het verdienvermogen van boeren te versterken.

Voorzitter. De heer Koorevaar vroeg mij of ik ook het belang van langjarige agrarischnatuurbeheercontracten onderschrijf en of het mogelijk is om juist voor gezoneerde gebieden ook beheerpakketten te ontwikkelen. Wat betreft die langjarige contracten: in het regeerakkoord is opgenomen dat wij willen zorgen voor een eerlijke vergoeding voor agrarisch natuurbeheer. Daarom zetten we in op langjarige contracten voor zwaar beheer, wat ook echt nodig is om doelen te halen, en op uitbreiding van het aantal hectare agrarisch natuurbeheer. Die langjarige contracten zijn belangrijk voor boeren; daardoor weten ze waar ze aan toe zijn. Ik heb dat ook bij mijn werkbezoeken gehoord. Niet alle vormen van agrarisch natuurbeheer zijn echter geschikt voor langjarige contractering. Ik heb het voorbeeld gehoord over nestbescherming, waarbij juist flexibiliteit effectief is. Daarom ben ik bezig met het verkennen van een systeem met meerdere van die contractduren, afhankelijk van de winst die dit oplevert voor natuur en water, ook passend bij de bedrijfsvoering van de boer. Samen met stakeholders kijken we ook nadrukkelijk naar de doorontwikkeling van pakketten voor agrarisch natuurbeheer die hier juist bij aansluiten.

Voorzitter. Dan de financiën; daar is het in de eerste termijn voldoende over gegaan. Zowel mevrouw Bromet, de heer Grinwis, mevrouw Van der Plas als de heer Flach vroegen mij waarom het kabinet kiest voor de inzet op de middelen voor agrarisch natuurbeheer. Zoals ik net al aangaf, is agrarisch natuurbeheer voor het kabinet van groot belang. Het vorige kabinet heeft hier al 200 miljoen voor beschikbaar gesteld. Daar bouwen wij op voort. Dat doen we opbouwend tot structureel een extra bedrag van 165 miljoen. Daarmee komt er extra ruimte om agrarisch natuurbeheer te versterken. Dat is tot 2035 1,2 miljard extra voor agrarisch natuurbeheer ten opzichte van wat hiervóór beschikbaar was gesteld. Daarnaast hebben we de GLB-financiering van 120 miljoen per jaar, die hier ook bij optelt. Samen komen we dan tot een bedrag van 485 miljoen per jaar. We hebben daarnaast ook nog de pot van 20 miljard, waaruit ook middelen naar maatregelen zullen gaan die indirect bijdragen aan agrarisch natuurbeheer. Hiermee maken we ook slimme combinaties mogelijk; dat zie ik ook als mijn opgave. Zo maakt het kabinet extra middelen vrij voor natuur en de transitie naar landbouw in de zones, in de beekdalen en in grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden gaan we de opgave integraal aanpakken en werken we aan het versterken en verzwaren van agrarisch natuurbeheer.

Daarnaast vroeg de heer Grinwis terecht hoe ik ervoor ga zorgen dat de beschikbare middelen echt op het boerenerf terechtkomen. Het meeste geld van het agrarisch natuurbeheer zal naar het daadwerkelijke beheer gaan en landt dus direct op het boerenerf. Ik denk dat in de opbouwfase sprake is van een instrumentenmix om tot inrichting van het juiste beheer te komen; dat noemde ik zojuist al, ook met betrekking tot de duur van contracten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld ook om eenmalige investeringen in kennisontwikkelingen of pilots op het veld.

Voorzitter. Dan kom ik bij zonering als onderdeel van natuur. Mevrouw Den Hollander wees terecht op het belang van ondersteuning van agrarisch natuurbeheer en andere vormen. De vraag was eigenlijk: wat is er mogelijk in die overgangsgebieden om te zorgen dat daar ook een verdienmodel ontstaat? Dat is een terecht punt, want in die zones om Natura 2000-gebieden vragen we extra inzet van agrarische bedrijven. Boeren zetten de stap naar extensieve landbouw. Dan moet de overheid ook ondersteunen om de ontwikkeling naar alternatieve verdienmodellen mogelijk te maken. Dat nemen we daarom ook mee in de besluitvorming voor de zomer.

Voorzitter. De heer Koorevaar vroeg me daarnaast hoe de middelen voor zonering en natuurbeheer helpen om de Natura 2000-doelen in met name stikstofgevoelige gebieden te halen. Het kabinet investeert structureel in het herstel van die natuurgebieden. Met dat geld brengen we het beheer op orde, zodat de natuur kan herstellen en zodat we toewerken naar een goede staat van instandhouding. In veel Natura 2000-gebieden staat de natuur onder druk door een te hoge stikstofbelasting. Daarom is een combinatie van maatregelen nodig: minder uitstoot bij de bron en herstelmaatregelen bij de natuur. Het reguliere natuurbehoud is bedoeld voor dagelijks onderhoud. In de praktijk moet dat beheer nu ook vaak de gevolgen van stikstof en verdroging opvangen zolang de herstelmaatregelen nog niet volledig zijn uitgevoerd.

Dan kom ik volgens mij bij het laatste deel, dat over de Natuurherstelverordening gaat. Verscheidene fracties hebben gevraagd naar de stand van zaken rondom de Natuurherstelverordening. Natuurherstel is de enige weg om uit het stikstofslot te komen; dat heeft u mij al een paar keer horen zeggen. Daarom zetten we daar volop op in. Op dit moment werken we aan het ontwerp van het natuurplan, de nationale uitwerking van de Natuurherstelverordening. Dat doen we ook samen met stakeholders. Hierbij kijk ik naar een goede samenloop van de besluiten in dat spoor met wat we doen in de taskforce rondom stikstof. Ik zoek naar synergie tussen die twee. Ze moeten elkaar versterken, zoals ik zojuist al aangaf, en niet in de weg zitten. Ook andere belangen die hier zijn geopperd, zoals economie en ruimte, worden daarbij meegenomen. Daarbij deel ik de zorgen van de heer Boomsma over mogelijke extra juridische verplichtingen. Mijn inzet is om die zo veel mogelijk te voorkomen. In september wordt het ontwerp van het natuurplan ingediend bij de Europese Commissie. Ik zal de Kamer ook regelmatig op de hoogte houden van de vorderingen.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van het onderdeel natuur?

Minister Van Essen:

Ik heb nog een vraag van de heer Boomsma openstaan die ik nog wil beantwoorden.

De voorzitter:

Als u die nog meeneemt, ronden we het onderdeel natuur af en dan geef ik gelegenheid voor interrupties.

Minister Van Essen:

Ja. De heer Koorevaar vroeg me waarom Nederland elk risico of elke verslechtering probeert te voorkomen, terwijl andere landen dat volgens hem niet doen. Die vraag suggereert dat wij het beste jongetje van de klas zijn of willen zijn. Persoonlijk denk ik dat dit, als je dit aan Europa vraagt, niet zo is en dat Europa dit niet zo ziet. Wij zijn natuurlijk vanuit de Habitatrichtlijn gewoon verplicht om verslechtering te voorkomen. Daarnaast moeten we plannen en projecten met significante effecten toetsen aan de doelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Voor beide verplichtingen geldt volgens Europese jurisprudentie een heel strikt voorzorgsbeginsel. Dat geldt voor alle landen, niet alleen voor Nederland. Ik herken — dat is natuurlijk deels ook waar we net over in discussie gingen — dat we in Nederland op een heel gedetailleerd niveau toetsen. Maar dat is ook niet zonder reden. Dat vloeit voort uit gerechtelijke uitspraken waaraan we ons hebben te houden, maar is vooral het gevolg van de staat van onze natuur. Uit recente natuurdoelanalyses blijkt ook dat de gebieden daadwerkelijk verslechteren. Daar hebben we het net ook over gehad. In veel andere gebieden dreigt dat nog te gebeuren. In zo'n situatie moet een verantwoordelijke overheid maatregelen nemen om die verslechtering te stoppen en verdere verslechtering ook te voorkomen.

Voorzitter. Ik sluit zo af. Het principe is eigenlijk heel simpel: pas als we de stikstofuitstoot echt omlaag brengen en serieus werk maken van natuurherstel, kunnen we af van een situatie waarin we bij elke ontwikkeling tot in detail moeten kijken of er misschien toch een klein risico op verslechtering is. Als onze natuur weer tegen een stootje kan, dan kunnen we het ons ook veroorloven om bij individuele projecten iets minder precies te kijken. Dat kan dan omdat we weten dat we genoeg doen voor natuurbehoud en -herstel. Maar helaas zijn we daar nog niet.

Voorzitter. Hiermee ben ik aan het einde gekomen van de vragen die aan mij zijn gesteld. Ik ga hierna graag door naar de amendementen.

De voorzitter:

Er is een aantal interrupties.

Minister Van Essen:

Ja, ik zie het.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Het zijn wijze woorden, waar ik echt heel blij van word. Maar ik heb een vraag over die zones rondom Natura 2000-gebieden. Daar zitten boeren. Daar zitten ook biologische boeren. Ook biologische boeren zorgen voor stikstofuitstoot. Daarmee kunnen we weleens in een situatie komen dat voor natuurherstel ook die biologische boeren hun bedrijfsvoering zullen moeten aanpassen. Dat is wel heel erg jammer, omdat we ook willen dat er meer bioboeren komen. Hoe kijkt de minister daarnaar? En kan hij de boeren die al in de buurt van die Natura 2000-gebieden zitten en biologisch boeren geruststellen wanneer zij bang zijn dat zij straks ook het veld moeten ruimen?

Minister Van Essen:

Als we deze zomer tot een pakket komen, waar uw Kamer achter staat en waarin we dit soort vormen van landbouw in die overgangszones dé vorm van landbouw zouden vinden, dan moeten we het kind natuurlijk niet met het badwater weggooien. Ik wil mevrouw Bromet toezeggen dat er ik op die manier naar kijk.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Dat is al een tipje van de sluier, waarbij u eigenlijk aangeeft dat boeren die in de buurt van een Natura 2000-gebied biologisch zijn, rustig kunnen slapen en de boeren die dat nog niet zijn, na kunnen denken over een andere toekomst.

Minister Van Essen:

Ik snap dat we in dit debat ook al conclusies proberen te trekken over dat pakket, maar ik wil echt nog even een beroep doen op het geduld van mevrouw Bromet.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik heb het net even opgezocht, maar het antwoord dat de minister gaf over de Nitraatrichtlijn klopt gewoon niet. Ik doel dan op de opmerking dat wij nu aan zet zouden zijn. Het ligt uiteindelijk namelijk bij het Nitraatcomité. De Commissie moet het verzoek in behandeling nemen en het gesprek openen. Vervolgens moeten de presentaties in het Nitraatcomité worden gegeven. Dan kunnen de lidstaten daar een besluit over nemen. Dus het is niet zo dat het bij ons ligt. Uiteindelijk ligt het nog steeds in Brussel. Ik krijg graag door de minister uitgelegd hoe hij dan zijn woorden bedoeld heeft.

Minister Van Essen:

Wat ik bedoel, is dat wij gewoon met een achtste actieprogramma aan de slag moeten. Daar ligt de druk op. En ja, dat zal dan getoetst moeten worden, maar daar moeten we echt werk voor verzetten, zowel als Rijksoverheid alsook met de medeoverheden.

De heer Chris Jansen (PVV):

Het klopt dat wij een achtste actieprogramma Nitraatrichtlijn nodig hebben. Maar op grond van het zevende actieprogramma kan dat wat op dit moment vanuit Brussel is gecommuniceerd wel degelijk nog steeds worden aangevochten via het Nitraatcomité. Mijn vraag is of de minister bereid is om dit te doen.

Minister Van Essen:

Nee.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dan zie ik dat deze minister wederom een mogelijkheid laat vallen, simpelweg omdat hij er gewoon niet in gelooft.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik was heel blij met het stuk dat ging over het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer. Ik zie dat daar echt structureel geld voor is en dat er zelfs vanuit de 20 miljard nog meer geld voor beschikbaar zou kunnen komen. Ik zou via de voorzitter willen vragen aan de minister of hij dan ook deelt dat het zo mooi zou zijn als we dan ook specifiek in die ANLb-gelden ruimte zouden vinden voor pilots om de predatiedruk te verminderen.

Minister Van Essen:

Ik weet dat dat een belangrijk punt is voor mevrouw Den Hollander. Dat erken ik ook. Ik deel met u nu een deel van mijn visie, maar ik vind het ook moeilijk om op dit moment voor wat betreft de daadwerkelijke besteding van die middelen heel nadrukkelijk in te gaan op deelaspecten zonder dat daar een geheel ligt. Ik heb proberen te appelleren aan het gevoel dat er in die zones perspectief moet zijn, wat mevrouw Den Hollander mij vroeg, maar of we dat geld ook kunnen en gaan gebruiken voor predatoren en hoe we dat precies gaan invullen, zou ik nu nog niet willen zeggen.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Er is gelukkig altijd ruimte om met pilots uit te proberen welke maatregelen heel effectief zouden kunnen zijn. Wij hebben ook al aangekondigd dat wij met een motie gaan komen. Ik wacht dus even rustig af hoe de minister die gaat appreciëren.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Het is fijn om te horen dat de minister fan is van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer en van onze agrarische collectieven, en dat het structurele geld dat in het coalitieakkoord beschikbaar is voor agrarisch natuurbeheer ook helemaal op het boerenerf moet landen, maar dat er in de aanlooptijd naar die structurele reeks misschien ook geld niet per se helemaal op het boerenerf landt, omdat het agrarische natuurbeheer breder is dan alleen het beheer via de collectieven.

De voorzitter:

Uw vraag.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Heb ik de minister goed verstaan dat in de aanlooptijd misschien niet 100% via de collectieven op het boerenerf landt, maar dat die 165 miljoen structureel daar wel helemaal terechtkomt?

Minister Van Essen:

Ik heb inderdaad al kennisgemaakt met onder andere BoerenNatuur en de collectieven, en ik ben daar groot voorstander van. Dus ja.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat vind ik heel fijn om te horen. Dan heb ik nog een andere vraag hierover. De minister ging al even in op de zonering. Uit zijn antwoord werd mij nog niet helemaal duidelijk of hij oog heeft voor het feit dat agrarisch natuur- en landschapsbeheer via de collectieven een vrijwillige en coöperatieve inzet is, die zich lastig verhoudt tot wettelijke eisen. Het is namelijk naar de aard een bovenwettelijke vergoeding. Houdt de minister daar rekening mee bij de invulling van het zoneringsbeleid?

Minister Van Essen:

Ik ben me ervan bewust dat dat een extra moeilijkheid is, maar ik vind juist dat agrarisch natuurbeheer, ook via collectieven, in deze zone een uitgekiend verdienmodel moet zijn en blijven. Ik wil daar dus op terugkomen bij de heer Grinwis.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Daar dank ik de minister voor. Ik ben het helemaal hem eens. Nou is er één risico. Wij hebben heel veel focus op alle grote opgaven rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden, maar er zijn ook niet-prioritaire gebieden in Nederland waar agrarische collectieven op dit moment met heel veel plezier en inzet goed Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer beoefenen en waarvoor ook wachtlijsten bestaan. Nou is er een groot risico dat al het budget in de komende jaren naar de prioritaire gebieden gaat en er geen euro extra bij komt voor deze gebieden, die al sinds jaar en dag fantastische prestaties leveren. Al die boeren die nu op de wachtlijst staan, vissen dan achter het net. Hoe ziet de minister dat? Komt er toch ook extra geld beschikbaar vanuit Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer voor deze niet-prioritaire gebieden?

Minister Van Essen:

Ik heb me door BoerenNatuur laten informeren over hoe zij de opbouw van die middelen en het werkelijk kunnen gebruiken daarvan, voor zich zien. De zorg zou eerder zijn hoe we dat allemaal wegzetten, zoals dat zo mooi in beleidstaal heet, en er zou niet zozeer een focus op een tekort zijn.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Ik word heel blij van heel veel van de woorden van de minister ten aanzien van het natuurherstelplan. We hebben alle kansen om het met beide handen aan te pakken. Er is een goede samenloop. We zoeken de synergie. Ik kijk ook heel erg uit naar de eerste conceptversie van het natuurherstelplan. In mijn eerste bijdrage heb ik specifiek gevraagd of de minister ook kans ziet om er wat meer schwung in aan te brengen. Ik wil nog even benadrukken waarom ik dat vroeg. Tot nu toe is steeds gezegd dat we niet verdergaan dan nodig is. Zelfs de titel van programmaplan dat er nu ligt, is Samen, sober en realistisch. In het kader van de eerdere woorden van de minister ben ik even benieuwd hoe hij daarop reflecteert.

Minister Van Essen:

Ik snap deze oproep, ook omdat ik aangaf dat er koppelkansen zijn. Als we gaan investeren in het kader van de taskforce stikstof en de 20 miljard, moeten we natuurlijk geen koppelkansen verloren laten gaan. Daar focus ik mij op. Ik vind het wel belangrijk om de tijdlijn in de gaten te houden, want wij kunnen de kans wel zien om te koppelen en daar meerwaarde uit op te halen, maar buiten dit huis maken mensen zich hier ook wel zorgen over. Wat vraagt dit van hen? Wat betekent dit voor hen? Ik wil hier met u van gedachten wisselen over de manier waarop we dat kunnen koppelen, maar ik wil ook oog houden voor mensen die zich zorgen maken over de verplichtingen die dit met zich meebrengt. En wat betreft die titel: ik herken mezelf daar niet meteen in. Dit is de manier waarop ik erin zit: aan de ene kant koppelkansen en aan de andere kant mensen buiten dit huis goed uitleggen hoe dit uitwerkt.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Bedankt voor de beantwoording. Ik vind het wel belangrijk om erop te wijzen dat natuurlijk ook is uitgerekend dat het uitvoeren de Natuurherstelverordening Nederland ontzettend veel op kan leveren. Ik ben dus blij om van de minister te horen dat hij de koppelkansen op gaat zoeken. Blijf hier oog voor houden! De kosten gaan soms voor de baten uit, maar hier hebben we met elkaar veel aan, want goede natuur is geen luxe. Nou wil ik hier eigenlijk even een kleine uitdaging aan toevoegen. In een eerdere bijdrage gebruikte de heer Grinwis de woorden "met lef". Ik stel de minister voor om "sober" te vervangen door "met lef".

Minister Van Essen:

Ik kom nog terug op de titel van het programma, want ik wil daar ook mijn eigen saus over kunnen gieten. Dat zal mevrouw Vellinga binnenkort merken.

Mevrouw Podt (D66):

Dan hopen we maar dat dat een biologisch sausje is, want daar wilde ik nog heel even op terugkomen. Mevrouw Van der Plas had eerder een oproep gedaan die ik eigenlijk wel wil onderstrepen. Die gaat over de vraag of we binnen de ketenaanpak ook kunnen zoeken naar manieren om supermarkten aan te spreken op het feit dat mensen soms lang bezig zijn met de overgang naar biologisch en dat de supermarkt, als ze dan eenmaal zover zijn, zegt: o, by the way, doe toch maar niet. Ik heb daar eigenlijk wel problemen mee, op meerdere vlakken. Volgens mij willen we namelijk inderdaad naar 15%, maar ik vind ook dat je zo niet met ondernemers en met de lange termijn om moet gaan. Ik vroeg me af of er iets is wat de minister kan doen. Kan hij inderdaad hierover praten met supermarkten om ervoor te zorgen dat de aanpak gewoon wat meer langjarig wordt?

Minister Van Essen:

Mevrouw Ouwehand merkte in volgens mij het debat over de regeringsverklaring terecht op dat de tijd van praten op een gegeven moment ook voorbij is. Ik wil toch eerst nog in gesprek raken met al die ketenpartijen. Vervolgens zal ik bekijken wat voor instrument kan en of het passend is om een bijdrage van hen te vragen. Weet in ieder geval dat het mijn bedoeling is om daar stevig op in te zetten, maar dat ik nu wel zoekende ben naar de instrumenten die daarvoor geschikt zouden zijn. Maar eerst wil ik die partijen in de ogen aankijken.

De heer Koorevaar (CDA):

Als parlementariër denk je: van de ANLb zou ik echt graag een punt willen maken. Ik ben ontzettend blij dat we in de breedte van de Kamer ruimte zoeken voor het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, want het kabinet zet met dit beleid in op prioritaire zones. De minister sprak ook over het creëren van specifieke pakketten. Ik denk dat de boeren in de overgangsgebieden denken: wat kan hier dan nog wel zo meteen? Dat is een heel concrete vraag. Ik snap wel de zorgen van mensen die nu thuis zitten kijken en zich afvragen wat daar dan nog wel kan. De vraag rond de ANLb en welke pakketten we daar gaan organiseren, is geen kleine vraag. Dat is best een grote vraag. Zou de minister heel concreet bereid zijn om na te denken over het inzetten van andere middelen dan alleen de ANLb-gemarkeerde middelen?

Minister Van Essen:

Ik snap die oproep. Ik merk ook dat er breed enthousiasme is in de Kamer voor deze invulling, en ook voor het laten zien van verdienmodellen in die zones. Ik vind het, net zoals ik net al aangaf, wat moeilijk om op die 20 miljard vooruit te lopen en daar nu met u direct wat voor af te spreken, maar ik hoor deze oproep wel en herken die ook als een brede oproep. Als u mij de vrijheid geeft om te bekijken hoe de middelen ook daarvoor als koppelkans benut kunnen worden, dan doe ik dat met plezier.

De heer Koorevaar (CDA):

Als dat een toezegging is, ben ik op dit punt tevreden.

Minister Van Essen:

Zo sluiten we het graag af.

De heer Boomsma (JA21):

Ik heb nog niks gehoord over de Aziatische hoornaar. Daar had ik natuurlijk wel een uitgebreid punt van gemaakt. Dat was ook niet voor niets. Ik lees nu ook dat allerlei provincies inmiddels hebben aangekondigd dat ze de strijd min of meer opgeven. Je kunt constateren dat het heel moeilijk is om die helemaal weg te krijgen, maar dat betekent niet dat je nu de hele strijd moet opgeven. Zeker nu je net ervaring hebt opgedaan met hoe je die effectief kunt bestrijden, vind ik dat wel zorgelijk. Ik wil toch aan de minister vragen hoe hij dat nou ziet en welke stappen hij nog wil nemen om die strijd te kunnen voeren.

Minister Van Essen:

Bij de bestrijding van invasieve exoten kruisen de bevoegdheden van verschillende overheden elkaar. Ik erken wel de noodzaak daartoe, ook bij de hoornaar. Ik wil dus graag tegen de heer Boomsma zeggen dat ik daar met het oog op de Voorjaarsnota beleid op zal ontwikkelen en ook zal komen met een extra impuls.

De voorzitter:

Ik dank de minister … Mevrouw Van der Plas nog.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, één vraag nog, voorzitter. In de schriftelijke beantwoording, waarvoor dank, is een antwoord gekomen op de vraag die wij hebben gesteld over het afromen van dierrechten. De vraag die ik in het debat heb gesteld, is: hoe ziet de minister het voor zich om zonder wettelijke basis dierrechten af te romen? Daar zou ik nog wel graag antwoord op krijgen. Dat mag in de tweede termijn, maar het mag nu ook, als de minister er een pasklaar antwoord op heeft.

Minister Van Essen:

We zullen ervoor moeten zorgen dat de wettelijke basis voldoet. We zullen dus een wijziging moeten voorstellen.

De voorzitter:

De amendementen.

Minister Van Essen:

Ja, voorzitter. Dan kom ik bij een setje amendementen van mevrouw Bromet over biologische landbouw dat ik graag in één keer zou willen appreciëren.

De voorzitter:

Zou u wel de nummers erbij willen noemen?

Minister Van Essen:

Ja, ik pak ze er even bij. Ik weet niet of ze netjes oplopen. Het gaat om de amendementen op de stukken nrs. 15, 16, 18 en 26.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Minister Van Essen:

Het kabinet vindt de inzet op biologische landbouw belangrijk, zoals net ook al in het debat is gebleken; vandaar dat dit ook in het coalitieakkoord is opgenomen. Ik heb de ambitie om de consumptie van biologische en duurzame producten te stimuleren en zet daarom in op het actieplan Groei van biologische productie en consumptie. Het kabinet heeft besloten de middelen voor het vervolgstikstofpakket in te zetten voor een stikstoffonds. De uitwerking van dit fonds wordt nog gemaakt. Hierover verwacht ik rond de zomer meer duidelijkheid te kunnen geven. De keuzes wil ik dan ook graag integraal maken. Ik kan hier nog niet op vooruitlopen. Daarom ontraad ik dit amendement. Ik zal mij vanuit het actieplan echter wel blijven inzetten voor onderzoek en systeeminnovatie in de biologische landbouw. In het zomerpakket zal ik komen met meer input over biologische landbouw.

De voorzitter:

U zei "amendement", maar bedoelde "amendementen", dus meervoud.

Minister Van Essen:

Ja, amendementen. Die amendementen ontraad ik.

De voorzitter:

De amendementen op de stukken nrs. 15, 16, 18 en 26 worden dus ontraden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Eén vraag over het stimuleren van de consumptie van biologische producten. Een aantal jaren geleden hebben mevrouw Bromet en ik een motie ingediend omdat wij, als wij vinden dat Nederland daar warm voor gemaakt moet worden, hier ook een rol in hebben. Toen hebben wij expliciet in een motie gezet dat het gaat om producten van Nederlandse biologische boeren. Want heel veel biologische producten die in de supermarkt liggen, komen gewoon van heel ver weg, terwijl boeren van hier ze niet kunnen afzetten aan de supermarkten. Ik wil de minister dus vragen om in dit traject nadrukkelijk in te gaan op producten van Nederlandse biologische boeren.

Minister Van Essen:

Ik hoor de oproep. Voor zover ik daaraan tegemoet kan komen, wil ik dat ook.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het natuurlijk heel jammer dat mijn amendementen ontraden worden. Ik heb namelijk serieuze voorstellen proberen te doen om de duurzame landbouw vooruit te helpen en die te koppelen aan het stikstofprobleem en de plannen waar de minister mee komt. Wij zitten hier als Kamer natuurlijk ook om voorstellen te doen voor de besteding van middelen. Het is een begrotingsbehandeling. Het is weliswaar eind maart. Het jaar is al voor een kwart voorbij, maar het gaat nog steeds over dit jaar. Wat is nou de motivatie van de minister om hier zo onwelwillend mee om te gaan?

Minister Van Essen:

Ik herken de inspanning van mevrouw Bromet. Ik vind het ook passen bij het debat dat we zojuist hadden over kansen in de zones. Alleen, ik heb begrepen dat ik amendementen niet het oordeel ontijdig mag geven. Daarop zit het voor mij. Heel veel richtingen van mevrouw Bromet passen als ik kijk naar wat er in die zones staat te gebeuren, ook omdat we, zoals de heer Koorevaar schetste, een duidelijk verhaal moeten hebben over wat er wel kan. Maar dat kan pas als we het hele pakket kunnen bezien. Dat is nu het probleem.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp het nog steeds niet zo goed. We hebben hier een best intensief debat. We hebben twee hele dagen uitgetrokken voor de plannen die we dit jaar gezamenlijk als Kamer maken. En dan wordt er gezegd: ik kom zelf nog met plannen en u bent te vroeg. Maar dat is meer een teleurstelling.

Ik heb nog wel één vraag over een van de amendementen, over de Skal-certificering. In Denemarken wordt die gedaan door de overheid zelf, waardoor de boeren die niet hoeven te betalen. Is dat ook een mogelijkheid waar de minister naar wil kijken?

De voorzitter:

Dat betreft het amendement op stuk nr. 26.

Minister Van Essen:

We hebben nu met name ingezet op een grens waaronder het niet hoeft. Ik kan op dit moment niet antwoorden op de vraag of dat ook op de Deense manier zou kunnen. Daar zou ik in tweede termijn op terug moeten komen.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Heel graag, want als wij de lasten voor biologische boeren kunnen verlagen, kan dat ook iets betekenen voor de prijs in de supermarkt.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

De minister komt hier in de tweede termijn op terug, zegt hij, maar de vraag van collega Bromet en mij is vooral: zou de minister bereid zijn om naar deze mogelijkheid te kijken? Ik kan me namelijk voorstellen dat hij vandaag niet helemaal hom of kuit kan geven of een publiekrechtelijk spoor in plaats van het huidige privaatrechtelijke gaat lukken in Nederland. Maar zou de minister bereid zijn hiernaar te kijken? Want het gaat wel om jaarlijks zomaar €2.000. Als we dat anders zouden kunnen oplossen, dan zouden deze biologische boeren daar erg mee geholpen zijn.

Minister Van Essen:

Ik kom even terug op het debat net: het pakket moet inderdaad ook kloppen voor biologische boeren. Als ik daar op deze manier een bijdrage aan kan leveren, wil ik dat graag, maar ik weet dat er ook beperkingen zitten aan wat ik kan doen en voorstellen.

De voorzitter:

U vervolgt met de appreciatie van de amendementen.

Minister Van Essen:

Ja, dan ben ik bij het amendement op stuk nr. 19. Ook daarbij kom ik tot het oordeel "ontraden", eigenlijk om dezelfde procesreden als zonet. We vinden inzet op biologische landbouw belangrijk, vandaar dat het ook in het coalitieakkoord staat. Ik snap dat de Kamer ook naar aanleiding van de discussie voorstellen hiervoor doet, maar de keuzes wil ik graag ook integraal kunnen maken in het pakket. Ik wil er liever niet op vooruitlopen. Vanuit het actieplan wordt wel sterk ingezet op het vergroten van de marktvraag en het voorlichten van consumenten, supermarkten en inkopers en dergelijke. Dat doe ik onder andere met een consumentencampagne, een toolkit met informatie en een keurmerk voor professionals. Ook in het onderwijs wordt gewerkt aan de scholing over biologisch.

Voorzitter. Tot slot noem ik hier ook graag de Vabiola-regeling, waarbij er in aanvragen ook ruimte voor voorlichting is.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Voorzitter. Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 25 van het lid Flach. Het voorstel is sympathiek. Fieldlabs zijn ook onderdeel van de stikstofaanpak uit het coalitieakkoord. Additionele locaties kunnen worden gebruikt om ook andere innovatieprogramma's uit te voeren, bijvoorbeeld op stikstofreductie, robotisering, dierwaardigheid en gewasbescherming. Het amendement vraagt tegelijk om dekking uit artikel 51. Het kabinet heeft besloten om de middelen uit artikel 51 voor het stikstofpakket in te zetten. De uitwerking van dit fonds wordt nog gemaakt. Daarom moet ik het amendement ook ontraden.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 28 van mevrouw Bromet. Ik heb veel waardering voor koplopers als biodynamische boeren. Het voorstel waar deze pilot toe oproept, roept bij mij echter weer een aantal vragen op. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk hoe deze pilot bijdraagt aan de totstandkoming van doelsturing. Ook is het voor mij niet duidelijk hoe alle bedragen in het voorstel berekend zijn. Over dergelijke aspecten wil ik graag eerst het gesprek voeren met de indieners van het plan en vervolgens wil ik kijken hoe biodynamische boeren het beste ondersteund kunnen worden. Ook hierbij geldt het oordeel over de middelen uit artikel 51. Dus ontraden.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn.

Minister Van Essen:

Ik heb er nog twee.

De voorzitter:

U heeft nog twee amendementen?

Minister Van Essen:

Ja, twee nieuwe amendementen.

De voorzitter:

Dan maken we die nog even af. Gaat uw gang.

Minister Van Essen:

Dat is het amendement op stuk nr. 29 van de leden Bromet en Grinwis. Dat zou ik aan het oordeel van de Kamer willen laten. De subsidieregeling Vabiola is, zoals ik net al zei, begin dit jaar opengesteld en ook flink overtekend. Ophoging van het budget helpt dan ook om bij te dragen aan de doelen van het actieplan dat ik net noemde. Ik geef het amendement daarom graag oordeel Kamer.

De voorzitter:

Tot slot.

Minister Van Essen:

Dan het amendement op stuk nr. 30. Dat gaat over kruidenrijk grasland. Dat wil ik ook graag aan het oordeel van de Kamer laten. Ik vind het een mooi initiatief van LTO en Urgenda, waarbij de sector en een belangenorganisatie samen optrekken om boeren laagdrempelig te ondersteunen.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik neem aan dat de overige amendementen zullen worden geapprecieerd door de staatssecretaris. Mevrouw Bromet. O jee, wat zeg ik nou?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou zeg!

De voorzitter:

Tja, het is tijd voor de lunch.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Aan die kant is er al gefuseerd, maar …

De voorzitter:

Ik zie dat niet zo snel gebeuren.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

… ik heb niet zo'n zin in een nieuwe fusie op de linkerkant. Ik blijf liever hier.

De voorzitter:

Het kan allemaal.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Maar ik waardeer mevrouw Bromet als persoon zeer. Politiek iets minder, maar persoonlijk is zij een aardige vrouw waar je flink mee kunt lachen.

Dat gezegd hebbende, het amendement over pelsdierhouderij gaat naar ik aanneem naar de staatssecretaris? Oké.

De voorzitter:

Ik schors een halfuur voor de lunch, tot 14.05 uur. Dan zien we elkaar terug voor de voortzetting van de eerste termijn van het kabinet. Dan is het woord aan de staatssecretaris.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is een korte regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor dinsdag 24 maart aanstaande ook te stemmen over:

Ik stel voor dinsdag 31 maart ook te stemmen over de Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting) (36881) en de daarbij ingediende moties.

Op verzoek van de fractie van het CDA benoem ik in de contactgroep Frankrijk het lid Zwinkels tot lid.

Ik deel aan de Kamer mee dat de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot haar voorzitter heeft gekozen het lid Koorevaar en tot ondervoorzitter het lid Stultiens.

Ik deel mee dat het dertigledendebat over pogingen om de internationale rechtsgang bij het Internationaal Strafhof te ondermijnen, is komen te vervallen.

Ik deel mee dat de volgende aangehouden moties zijn komen te vervallen: 36812-87; 36800-VIII-26.

Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 21501-02-3352; 25074-203; 34124-37; 21501-20-2362; 23432-630; 31934-107; 31066-1530; 25087-358; 25087-349; 32140-187; 32140-201; 35928-12; 32140-186; 32140-286; 36706-28; 36812-116; 32140-287; 33772-7; 32140-288; 32140-258; 36602-159; 32140-268; 32140-281; 31066-1513; 29544-1306; 21501-32-1764; 35153-31; 21501-07-2167; 21501-30-688; 22112-4277; 32637-752; 32140-280; 32140-277; 36600-IX-46; 36602-162; 32140-284; 31125-142; 32140-267; 36602-163; 31934-105; 30952-503; 27830-481; 36800-X-29; 36676-8; 27830-480; 24077-558; 24077-554; 32859-19; 24077-553; 24077-551; 24077-550; 24077-545; 24077-549; 34763-21; 24077-541; 27830-479; 36848-56; 31865-297; 33532-101; 36800-XX-10; 36800-XVI-81; 36859-9; 31793-288; 31793-281; 36180-132; 36180-131; 32813-1418; 31793-267; 34124-30; 31793-253; 31793-283; 31793-275; 36512-104; 21501-08-1026; 36812-119; 22112-4280; 21501-07-2165; 21501-07-2164; 21501-07-2166; 27830-482; 28625-379; 21501-32-1746; 28625-376; 21501-32-1704; 36740-XIV-1; 36740-XIV-7; 36755-6; 36755-5; 36287-7; 36749-2; 21501-32-1735; 36725-XIV-12; 21501-32-1733; 21501-32-1732; 21501-32-1729; 21501-32-1726; 21501-32-1730; 21501-32-1724; 21501-32-1723; 21501-32-1727; 22112-4094; 26407-160; 27858-716; 28625-375; 21501-32-1718; 21501-32-1710; 21501-32-1721; 21501-32-1720; 21501-32-1708; 21501-32-1709; 21501-32-1703; 21501-32-1701; 36755-10; 21501-07-2168; 22343-438; 31765-962; 34104-464; 29538-374; 29477-967; 34104-467; 26643-1458; 22112-4289; 21501-03-199; 31765-838; 35334-428; 35334-415; 28973-290; 28973-288; 29659-161; 32140-290; 36708-67; 29521-504.

Aangezien voor de volgende stukken de termijn is verstreken, stel ik vast dat wat deze Kamer betreft de daarbij ter stilzwijgende goedkeuring overgelegde stukken zijn goedgekeurd: 36895-(R2216); 36896-(R2217); 36891-(R2215)-1; 23908-(R1519)-179.

Ik stel voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Dan zijn we aangekomen bij de voortzetting van de behandeling van de begroting Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn van de zijde van het kabinet. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Dank u wel, voorzitter. Ik heb mijn beantwoording ook opgedeeld in blokjes, namelijk Innovatie en glastuinbouw, Gewasbescherming, Dierenwelzijn, Visserij, De wolf en tenslotte de appreciaties van de amendementen. Ik hoop dat de voorzitter mij ook de gelegenheid gunt om een klein inleidend woordje te geven bij deze eerste begroting.

In de Kamer hebben we te maken met een nieuwe situatie: een minderheidskabinet. Wij gaan met elkaar uitvinden hoe dat werkt. Ik zie het in ieder geval als een kans om samen mooie dingen te bereiken en resultaten te boeken. Daarom nodig ik de Tweede Kamer uit om samen de mouwen op te stropen. Dat doen we voor iets groters dan onszelf. We doen het voor Nederland. We doen het voor groei en voor het bouwen aan een Nederland waarin we niet alleen focussen op hoe wij de koek verdelen, maar ook op hoe we de koek groter maken. Daar profiteren wij allemaal van. Hoe sterker onze economie, hoe sterker wij staan in de wereld. Als je praat over groei, investeren en het boeken van resultaten, dan denk ik gelijk aan onze agrarische ondernemers. Na de Tweede Wereldoorlog begonnen zij aan een enorme vernieuwingsslag en Nederland behoort al heel lang tot de wereldtop. Ik heb in het buitenland gezien hoe jaloers men is op onze Nederlandse kennis en kunde. Het harde werk van onze agrarische ondernemers en vissers verdient dat wij trots op hen zijn. Die trots mogen we vaker laten zien. Onze ondernemers staan voor grote uitdagingen. We zoeken naar meer balans met de natuur en naar een hogere waterkwaliteit, naar verduurzaming en naar minder stikstofuitstoot. Dat zijn allemaal zaken die wij willen bereiken, maar het is wel uitdagend. Daarom wil het kabinet hierbij helpen. De aanpak die ik voorsta, is te herkennen aan vier prioriteiten. De eerste is ruimte voor ondernemerschap. Het kabinet heeft, zoals de minister zei, een goed gevuld fonds, maar vooruitgang draait niet alleen om geld. We gaan ook kijken welke regels die er al langer zijn, geschrapt kunnen worden. Daarnaast kijken we hoe nieuwe regels zo simpel en uitvoerbaar mogelijk kunnen worden opgesteld, juist ook voor kleinere ondernemers, waar de heer Koorevaar het ook al over had. Het moet ook efficiënter en effectiever. Groei in waarde via een stimulerend ondernemersklimaat dat ook werkt voor natuur en leefomgeving zal de prioriteit zijn.

Voorzitter. De tweede prioriteit is innovatie. Daarmee bedoelen we ook een toekomstbestendige innovatie. We gaan meer innovaties mogelijk maken en ook innovaties versnellen waar dat kan. Dan blijft de sector wendbaar, en innovaties creëren ook weer nieuwe kansen en economische groei. Ik zet dan ook in op een brede innovatieagenda. Bij het eerste blokje kom ik daar uitgebreider op terug.

De derde prioriteit is voedselzekerheid. Met onze internationale landbouwpositie hebben we een grote rol in de mondiale voedselvoorziening. Op die positie zetten we dan ook in, via een sterke sector in Nederland en via het pakken van kansen op het gebied van export naar het buitenland. We willen dan ook de kwetsbare afhankelijkheden die we hebben richting andere landen, richting een of twee partners, laten afnemen en we willen versterken waar we sterk in zijn. Dat betekent niet dat we alles zelf produceren, maar dat we wel goed organiseren waar kwetsbaarheden zitten, zodat we daarop voorbereid zijn in deze onveilige wereld.

Mijn vierde prioriteit is maatschappelijk draagvlak. Ondernemers passen zich continu aan nieuwe omstandigheden aan. Maar ook de maatschappij verandert continu. Er bestaan terecht vragen en zorgen over gezondheid en dierenwelzijn. Dat ken ik ook vanuit mijn werk als Kamerlid. In de industrie zag je het ook. Daar zei men dat een schonere productie nodig is om de zogenaamde licence tot operate te behouden, zodat er in de samenleving draagvlak en steun is voor de sector an sich. Daarom ook is verandering van belang. Dat staat ook in het rapport-Wijffels, waar mevrouw Ouwehand in haar eerste termijn op doelde. Met de sector samen moeten we ook de antwoorden vinden op de maatschappelijke zorg, zodat sector en samenleving elkaar blijven omarmen.

Als u mij vraagt waar ik wil dat we over vier jaar staan, zou ik antwoorden dat ik wil dat we over vier jaar kunnen kijken naar veel vernieuwing, trots kunnen zijn op wat we met elkaar bereikt hebben en trots kunnen zijn op onze sector. Dan kijken we naar Nederland als een internationaal voorbeeld voor al die uitdagingen die we net genoemd hebben. Ik kijk dan ook uit naar inhoudelijke debatten met de Kamer en zie ook uit naar al uw voorstellen en goede ideeën.

Voorzitter. Dan ga ik naar het eerste blokje: innovatie en glastuinbouw. Nederland mag trots zijn op innovatieve ondernemers en sectoren zoals de glastuinbouw. Ook het rapport-Wennink onderstreept hoe belangrijk het is om in te zetten op innovatie. Met de glastuinbouwsector bevinden we ons daarmee in een prachtige uitgangspositie. Dit is een sector die wereldwijd vooroploopt in het ontwikkelen en opschalen van nieuwe technieken. Een sector die zijn weerga niet kent als het gaat om efficiënte voedselproductie.

De leden Koorevaar en Den Hollander noemden de glastuinbouw, zaadveredeling en het verbeteren van voedselzekerheid door middel van een brede innovatieagenda. Mevrouw Den Hollander vroeg daarbij ook specifiek naar mijn bereidheid om de Nederlandse innovatieambities in aansluiting op het rapport-Draghi voor het voetlicht te brengen in Brussel. In de glastuinbouw en ook bij de zaadveredeling zien we een enorme innovatiekracht. Het coalitieakkoord biedt ruimte aan verschillende innovaties die bijdragen aan de voedselproductie, zoals gentechnologie, biotechnologie en genetica. Deze innovaties kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan de ontwikkeling van weerbare rassen die beter zijn bestand tegen ziektes en plagen. Het kabinet werkt dan ook aan een nationale technologiestrategie met aandacht voor voedselzekerheid, biotechnologie en zaadveredeling. De kansen van groene biotechnologie, zoals precisieveredeling, staan ook in het rapport-Wennink genoemd. In de toekomst zal steeds meer voedselproductie onder glas, onder beschermende en beheerste omstandigheden plaatsvinden.

Er liggen veel kansen om met innovaties de voedselzekerheid verder te borgen. We gaan hieraan dan ook ondersteunend een innovatieagenda ontwikkelen, met daarbij ook aandacht voor het opschalen en uitrollen van bewezen innovaties. Zo kunnen we onze koploperspositie behouden en de concurrentiekracht en het verdienvermogen versterken. Ik ga in Brussel duidelijk mijn ambities voor een innovatievriendelijk beleid uitdragen, onder andere door het stimuleren van biotechnologie en andere sleuteltechnologieën, zoals de inzet van AI en drones in de land- en tuinbouw. Dit sluit ook aan bij de pijler concurrentievermogen in het nieuwe MFK. Daar zullen de minister en ikzelf aandacht voor vragen in Brussel. Voor de zomer zal ik uw Kamer informeren over deze ambities, zowel over de inzet als over de agenda voor die brede innovatie.

Het lid Flach vroeg daarbij nog specifiek naar het belang van een vitale agrarische sector voor de Nederlandse voedselvoorziening en voor onze economie. Hij vroeg daarbij ook naar een bijpassende nationale voedselstrategie, een onderwerp dat van groot belang is, zoals ook de geopolitieke ontwikkelingen, bijvoorbeeld in Iran, ons nu weer laten zien. Deze week is in de Tweede Kamer de motie-Vermeer aangenomen om voor de zomer vanuit het kabinet daarover een voorstel naar uw Kamer te sturen. Mijn voorganger heeft al gewerkt aan een heel aantal bouwstenen op het gebied van de nationale voedselstrategie. Ik zal me de komende weken beraden over hoe we daar vervolg aan geven richting dat duurzame en weerbare voedselsysteem in een geopolitiek onzekere wereld. Mijn streven is om dit te laten landen in een zogeheten strategische agenda voor voedselzekerheid. Ik vind het daarbij van belang om snel van start te gaan, maar dat wel te doen in een zorgvuldig proces, zowel inhoudelijk als wat betreft de betrokkenheid van de sector, maatschappelijke partijen en de samenleving. Ik zal uw Kamer dan ook voor de zomer informeren over die aanpak en over de bouwstenen voor de strategische agenda voor voedselzekerheid.

Voorzitter. Dan gaan we door naar het tweede blokje: gewasbeschermingsmiddelen.

De voorzitter:

Het kon eigenlijk niet anders bij dit onderwerp: mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We hebben te maken met een ernstige oliecrisis, door alle ontwikkelingen in onder andere het Midden-Oosten, de Straat van Hormuz en dergelijke. Door die straat wordt niet alleen olie vervoerd, maar ook spullen die je nodig hebt om kunstmest te maken. Dat gaat hele grote problemen opleveren in Nederland. Daarom hadden wij nog wat vragen gesteld over mestvergisting. Misschien hoort deze vraag eigenlijk nog een beetje in het vorige blokje, maar omdat we nu bij de innovaties zijn: wat gaat de regering precies doen om die mestvergisting echt zo snel mogelijk op gang te brengen, ook om de mestmarkt te verlichten? Denk aan het gebruik van bijvoorbeeld RENURE als mineralenconcentraat, als kunstmestvervanger.

Staatssecretaris Erkens:

Mestbeleid ligt inderdaad bij de minister. De minister en ik hebben het er wel over gehad met elkaar. De minister is zelf ook een voorstander van de inzet van mestvergisting en RENURE. Ik zou willen vragen of hij u daar mogelijk in de tweede termijn een uitgebreidere toelichting op kan geven, want het is een heel belangrijk onderwerp. Ik zou het jammer vinden als ik daar te oppervlakkig op blijf, omdat het op zijn terrein ligt.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat begrijp ik. Ik wil ook vragen of de minister voedselzekerheid daarbij meeneemt. Als wij hier namelijk voedsel willen telen en wij boeren verbieden om dierlijke mest te gebruiken en wij zeggen dat ze over moeten gaan op kunstmest, dan komt onze voedselzekerheid echt wel in gevaar de komende tijd. Ik heb dus de vraag aan de minister, via de staatssecretaris, om het stukje voedselzekerheid hierbij ook in ogenschouw te nemen.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik heb een heel korte vraag. Vanmorgen hoorde ik onderweg hiernaartoe dat de prijs voor gas met 35% omhoog is gegaan. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij bereid is om hier binnen het kabinet aandacht voor te vragen, want dat betekent dat de glastuinbouw met ongelofelijk hoge kosten wordt geconfronteerd. Dat kun je niet alleen maar afwentelen op de sector, want uiteindelijk komt dat ook weer bij de burgers terecht. Mijn vraag is dus: is de staatssecretaris bereid om dat onder de aandacht te brengen?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is een terechte vraag van de heer Jansen. De glastuinbouw gebruikt veel aardgas en importeert dat ook. Een groot deel van de glastuinbouw heeft gelukkig langere contracten. We zitten gelukkig niet aan de vooravond van de winter; dat gaf de sector zelf ook aan. Tegelijkertijd raakt het de sector nu ook al. Met betrekking tot de brede inventarisatie die vanuit het kabinet loopt, zal ook LVVN aangehaakt zijn om voor de glastuinbouw te bekijken wat de opties zijn.

De heer Chris Jansen (PVV):

Kan de staatssecretaris dan ook een indicatie geven van wanneer wij hier als Kamer nader over worden geïnformeerd?

Staatssecretaris Erkens:

Ik vind het moeilijk om dat nu concreet te zeggen, omdat de brief bij een aantal andere departementen ligt. Ik zal voor de tweede termijn de tijdslijn daarvoor laten ophalen, zodat ik u die kan meegeven.

De voorzitter:

U continueert met gewasbeschermingsmiddelen.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Over gewasbeschermingsmiddelen zijn vragen gesteld door D66, CDA, Partij voor de Dieren, de SGP en andere partijen. Ik neem de zorgen van inwoners over de effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op hun leefomgeving heel serieus. Ik ben reeds in gesprek met partijen om te komen tot nationale convenanten over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Deze moeten leiden tot een substantiële vermindering van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen, moeten de milieudruk terugbrengen en moeten gemeenten helpen bij het oplossen van lokale problematiek. Ik zal daarover de samenwerking aangaan met de lokale overheden. Anderzijds snap ik ook de zorgen van telers over voldoende beschikbaarheid van middelen om de gewassen te kunnen beschermen; de heer Flach vroeg daar aandacht voor. Vergeet niet dat telers zelf natuurlijk het meest blootgesteld zijn aan de middelen die zij gebruiken. Ook vanuit de sector zelf is er dus de bereidheid om te bekijken hoe we schadelijke gewasbeschermingsmiddelen de komende jaren met elkaar afbouwen.

Voorzitter. Daarom zet ik in op een regierol vanuit het Rijk, waarmee gemeenten handvatten en duidelijkheid gaan krijgen. We zien op dit vlak namelijk dat gemeenten nu vaak zelf beleid aan het formuleren zijn. Zij geven aan: vanuit het Rijk hebben we op dit moment onvoldoende houvast om tegemoet te kunnen komen aan de zorgen van onze inwoners.

Er is een belangrijke rol weggelegd voor de te sluiten convenanten, waarin we het gebruik van schadelijke chemische middelen sterk willen reduceren. Dat kan bijvoorbeeld door in te zetten op innovatie, precisiedosering of omschakeling naar andere middelen. Wat betreft dit traject informeer ik de Kamer in april over het proces, de te verwachten doorlooptijd en de betrokken partijen bij de op te stellen convenanten. Mijn streven is om voor de zomer een eerste convenanttekst op hoofdlijnen gereed te hebben. Daarbij ben ik wel afhankelijk van de deelnemende partijen. Die tijdsdruk zit erachter, omdat we in dit kabinet besloten hebben om de opgaven die op de sector afkomen integraal te behandelen. Dat betekent dat we ook op het gebied van gewasbescherming de contouren met elkaar willen hebben vóór het pakket waar de minister over sprak, dat richting de zomer komt. We willen voorkomen dat er over één of twee jaar additionele regels komen, waardoor je misschien net een investeringsbesluit hebt genomen en je dan alsnog de overheid weer op het erf ziet, die toch iets anders van je gaat vragen. Daarom proberen we echt in te zetten op parallelle sporen om die duidelijkheid te verschaffen.

Het lid Podt vroeg specifiek naar het beleid rondom zonering. Het zoneringsbeleid ligt primair bij de minister, maar hier trekken we samen in op, ook richting het zomerpakket waar ik het net over had.

Voorzitter. Het lid Podt vroeg ook hoe we inzetten op de meet- en registratienetwerken, die meten hoeveel gewasbeschermingsmiddelen en biociden overwaaien naar Natura 2000-gebieden. Recent is er een rapport over dit onderwerp van de WUR aan de Kamer aangeboden. Met een onafhankelijk vervolgverzoek willen we de aanbevelingen verfijnen, preciseren en betrekken bij de convenanten. Ook spreek ik met provincies, sectoren en natuurorganisaties over de verdere vormgeving in de praktijk.

De heer Koorevaar vroeg naar de stappen die dit kabinet wil zetten om het gebruik en de impact van gewasbeschermingsmiddelen op het milieu te verminderen door milieubelastingspunten en integrated crop management. Het is belangrijk dat de sector doorgaat met het ontwikkelen van die private benchmarkingsystemen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit instrument is bedoeld als hulpmiddel voor telers. Daarmee kunnen zij op individueel bedrijfsniveau hun gebruik en milieuimpact van gewasbeschermingsmiddelen benchmarken ten opzichte van andere telers met hetzelfde gewas, regio en grondsoort. Ik stimuleer de ontwikkeling van deze systematiek en zal deze ook betrekken in het convenanttraject waar uw Kamer in april over geïnformeerd zal worden.

Het lid Flach vroeg naast de reductie van de milieubelasting nog naar de effectiviteit van gewasbescherming en het behoud van teelten, te betrekken bij de convenanten. Ook rekent hij daarbij op steun voor zijn amendement over het Praktijkprogramma Plantgezondheid. Ik begrijp de zorg van het lid Flach met betrekking tot het behoud van de plantaardige productie, teelten en het verdienvermogen van telers. Ik zal hier bij de appreciatie van de amendementen ook uitgebreider op ingaan. Om te zorgen voor een forse gebruiksreductie van schadelijke chemische gewasbeschermingsmiddelen en tegelijkertijd voor een omslag naar weerbare planten- en teelsystemen, zet ik in op die nationale, bindende convenanten met de verschillende partijen. Daarvoor starten we de gesprekken nu al op. Daarin willen we dus ook op dit vlak afspraken maken over de inzet van stimulerende maatregelen, om alternatieven te hebben om die teelten te kunnen beschermen. Hierbij kunnen we denken aan praktijkexperimenten en pilots om telers te helpen in de overgang naar weerbaar telen en duurzame gewasbescherming. Daarin kan een nieuw praktijkprogramma plantgezondheid goed passen, waarbij ik misschien iets te ver vooruitloop op het amendement.

Voorzitter, dat was het blokje.

De voorzitter:

Er zijn interrupties. Mevrouw Podt.

Mevrouw Podt (D66):

De minister begon te zeggen dat hij meeleeft, of de zorgen begrijpt van mensen die rondom die percelen wonen. Fijn, daar ben ik heel blij mee. Op het moment dat we die convenanten gaan maken, gaat dat natuurlijk wel voornamelijk aan de telerskant gebeuren. Hoewel, de gemeenten worden ook genoemd. Ik zoek ook nog naar manieren waarop we de inwoners kunnen helpen die zich echt zorgen maken. In de eerste termijn ging het al even over de vraag of we kunnen zorgen dat er vanuit de telers meer transparantie komt, misschien ook iets verplichtender, over waarmee en wanneer er wordt gespoten. Ik denk dat dat voor veel bewoners al heel veel zou oplossen.

Staatssecretaris Erkens:

Ik vind dat een interessante gedachte, die ik mee zou willen nemen in het convenanttraject. Ik wil daarnaar kijken. Wat mij betreft zorgt een convenant voor een aantal zaken. Ten eerste zorgt het voor geloofwaardige afbouwpaden voor de schadelijke chemische stoffen die we met elkaar willen afbouwen. Het zorgt ook voor inzet op de alternatieven, zodat telers ook weten waar ze aan toe zijn en wat ze moeten doen om te kunnen voldoen. Ten derde willen we ook proberen de verdeeldheid op dit thema weg te nemen uit de maatschappij. Dat betekent een verbeterde informatievoorziening richting burgers, maar ook een geloofwaardig verhaal andersom over hoe we de effecten ervan gaan beperken met elkaar. Dat zou ik in dit traject kunnen meenemen.

Mevrouw Podt (D66):

Dat klinkt mooi. De staatssecretaris gaf ook aan dat hij daarbij afhankelijk is van de sector. Ik geloof er heel erg in dat heel veel mensen binnen de sector dit ook echt willen. Die spreek ik ook. Tegelijkertijd kan het natuurlijk niet zo zijn dat de sector als geheel misschien wel zegt: het is heel leuk dat de staatssecretaris dat wil, maar tot hier en niet verder. Hoe ziet de staatssecretaris dat in de praktijk landen?

Staatssecretaris Erkens:

Ik gaf aan dat het Rijk hier regie op gaat nemen. Wij zijn verantwoordelijk voor het feit dat er een convenant komt. Ik wil dat samen met de sector doen. Mijn insteek is dus om met die partijen tot een convenant te komen, ook omdat je voor naleving uiteindelijk wel de commitment van partijen nodig hebt om eraan te gaan voldoen. Tegelijkertijd is dat wat mij betreft niet vrijblijvend; we gaan ook kijken naar stimulerende maatregelen om de sector te helpen om de overstap te maken. Dat betekent ook dat je als overheid er iets voor terug mag vragen.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Podt (D66):

Ik zoek toch nog een klein beetje naar taal. Ik snap "stimulerend". Ik snap "commitment in de naleving". Ik vind het heel lovenswaardig dat die zaken vooropstaan. Maar er komt natuurlijk een punt waarop je moet zeggen: dit kan gewoon niet meer. Alleen al omdat je op het moment dat je bijvoorbeeld zegt "dit middel mag over vijf jaar niet meer gebruikt worden" dan juist het ontwikkelen van die alternatieven stimuleert. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Erkens:

Dat ben ik met mevrouw Podt eens. De manier waarop we het nu met elkaar geregeld hebben, vind ik op dit vlak gewoon niet goed werken. Op dit moment worden vrijstellingen inderdaad ook vaak verleend per middel. Daarover krijg ik als bewindspersoon adviezen. Uw Kamer wordt daar ook van tijd tot tijd over geïnformeerd in de brieven die u ontvangt. Dan gaan we vervolgens per middel met elkaar een discussie voeren over de vraag in welk jaar we ermee stoppen en komen we er na twee jaar met elkaar achter dat bijvoorbeeld de randvoorwaarden er nog niet zijn om met dat middel te stoppen. Dat vind ik geen wenselijke aanpak om het vertrouwen van de samenleving terug te krijgen. Die langjarige zekerheid moet er wat mij betreft juist voor zorgen dat de sector perspectief heeft en zich uiteindelijk ook gesteund weet door een groot deel van de bevolking, waardoor ook het aantal gepolariseerde discussies hopelijk afneemt. Aan de andere kant moeten we met elkaar wel zorgen voor borging in het convenant, zodat die afspraken nagekomen worden.

De heer Flach (SGP):

Dit onderwerp is heel gevoelig en sterk gepolariseerd. Het leidt ook tot veel emoties. De manier waarop er door sommige collega's in de Kamer over gewasbescherming wordt gesproken, draagt ook bij aan, soms heel onterechte, weerstand tegen middelen. De staatssecretaris had het over "schadelijke" middelen en "schadelijke" toepassingen. Dan is het wel van belang om met elkaar goed te definiëren wat dat is. Koffie is in principe ook een giftige stof, maar in de hoeveelheid waarin wij het dagelijks tot ons nemen, vormt dat geen probleem. Hoe kijkt de staatssecretaris naar de definitie van schadelijke stoffen?

Staatssecretaris Erkens:

Dat is een hele goede vraag. Volgens mij gaat het om het effect van de stoffen die je gebruikt, de opeenstapeling ervan. Dat hoeft wat mij betreft niet te betekenen dat we geen chemische stoffen kunnen toepassen. Als er geen alternatief beschikbaar is, zal het namelijk nog steeds nodig zijn om de teelten te beschermen. Dan ga je kijken naar een andere route. Die kan al beginnen met de veredeling van het zaadje, maar het kan ook betekenen dat we naar veel kleinere doseringen gaan, die heel specifiek toegepast worden op het plantje zelf, waardoor de volumes die we gebruiken, in hoeveelheid afnemen. Wat mij betreft gaat het dus over de totale effecten van alles wat we met elkaar gebruiken, en over de vraag hoe we de effecten daarvan kunnen verminderen. Wat mij betreft is dus niet elke chemische stof onwenselijk.

De heer Flach (SGP):

Dank. Deelt de staatssecretaris dan ook de gedachte dat je eigenlijk zou moeten beginnen met geïntegreerde gewasbescherming en indien nodig met groene middelen? Als dat niet nodig is, hebben we ook nog chemie tot onze beschikking. Maar deelt hij dat we wel het uitgangspunt moeten hebben dat we geen oude schoenen weggooien voordat we nieuwe hebben?

Staatssecretaris Erkens:

Volgens mij is het volgende het belangrijkste. De heer Flach gaf het zelf aan het begin ook aan: het is een heel gevoelige discussie, die heel gepolariseerd is. Aan de ene kant zijn we gewoon ontzettend afhankelijk van gewasbeschermingsmiddelen om ervoor te zorgen dat we die voedselzekerheid borgen en dat de oogst niet mislukt. Aan de andere kant zijn we ook al jaren met elkaar bezig om de effecten daarvan te laten afnemen en zullen we daarin de komende jaren nog grote stappen met elkaar moeten zetten. Geïntegreerde gewasbescherming is daar gewoon een heel belangrijke component van.

De heer Chris Jansen (PVV):

De discussie betreft gezondheid, veiligheid en het feit dat je gewassen uiteindelijk toch moet beschermen. Er is inderdaad niet altijd een alternatief voorhanden dat die schadelijke effecten niet heeft. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan wel of wij van zins zijn om een stapje verder te gaan dan de EU, dan Brussel. Of gaan wij een nationale kop erop zetten? Het vorige kabinet zei heel duidelijk: geen nationale koppen. Dat heb ik in uitingen van dit kabinet nog niet teruggelezen. Mijn vraag is dus of dat wel of niet gaat gebeuren.

Staatssecretaris Erkens:

Dat ligt aan de definitie van "nationale kop". We zullen met elkaar, samen met de sector, afspraken proberen te maken die ervoor zorgen dat we de effecten van schadelijke gewasbescherming op de samenleving inderdaad laten afnemen. Tegelijkertijd zien we ook dat vanuit de Europese Unie de komende jaren een aantal goedkeuringen verlopen van middelen die we op dit moment nog nodig hebben. Dus ja, het is ten dele een nationale kop, maar tegelijkertijd is die ook noodzakelijk voor de sector om toekomstbestendig te kunnen omgaan met gewasbescherming. Er komen ook op mijn bureau steeds middelen voorbij waarvoor ik mogelijk wel of niet een vrijstelling moet verlenen. Daarbij wordt ook aangegeven: over twee jaar mag je deze vrijstelling niet meer geven van de Europese Unie. Dus ja, wat dat betreft hebben we ook vanuit dat sectorale belang nodig dat die alternatieven ontwikkeld worden en dat het Rijk daarbij helpt. Dat is een lang antwoord, omdat het een complex dossier is.

De heer Chris Jansen (PVV):

Op zich geeft de staatssecretaris een terecht antwoord, maar de reden dat ik het vraag is natuurlijk dat je ook praat over de eventuele verplaatsing van de productie van deze gewassen. Dan is Nederland het kwijt. Misschien raakt Europa het zelfs kwijt. Dan komt het uit derdewereldlanden en heb je misschien de negatieve effecten in het kwadraat. Dat is de reden dat ik vraag hoever we hierin gaan. Gaan we ervoor zorgen dat onze ondernemers die het op dit moment moeten gebruiken daadwerkelijk een businesscase houden om gewoon door te kunnen gaan met hun bedrijfsvoering?

Staatssecretaris Erkens:

De heer Jansen en ik zijn het daarover volledig eens. Wat mij betreft gaat het erom dat we er samen met de sector voor zorgen dat we die teelten hier kunnen beschermen en dat we de alternatieven ontwikkelen. Daarom zit ik ook heel erg op twee zaken. Een. We doen dit samen met de sector en sluiten dit convenant. Twee. Het moet echt langjarig zijn, want anders kun je geen investeringsbesluit nemen. Als wij met elkaar besluiten "over twee jaar mag dit en dit niet, en moet u alternatieven hebben", zullen die alternatieven nog niet altijd ontwikkeld zijn. Die langjarige zekerheid is dus ook echt nodig om hierin grote stappen te zetten en ervoor te zorgen dat die sector inderdaad hier kan blijven. Ik las deze week ook nog een artikel over snoeptomaatjes. Op de Nederlandse snoeptomaatjes zitten echt wel veel minder middelen dan op die uit het buitenland geïmporteerd worden, dus laten we ook met elkaar constateren dat er hier al stappen gezet worden en dat het, zoals de heer Jansen zegt, in het buitenland echt niet per se beter is. We moeten vooral met elkaar bekijken hoe we hierin op kop blijven lopen en hoe we vervolgstappen zetten om de effecten ervan op de samenleving en uiteraard op de telers zelf die de middelen moeten gebruiken, te laten afnemen.

De heer Koorevaar (CDA):

Kijk, de snoeptomaatjes worden ook gepromoot. Ik denk dus dat ik weet wat we getrakteerd krijgen als de staatssecretaris jarig is. Even over dat gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Ik omarm wat de staatssecretaris zegt over taal. Die milieubelastingspunten zijn namelijk een verhaal van taal. Ik ben het met de heer Flach eens dat we heel prudent met deze discussie moeten omgaan. Het is gevoelig. Volgens mij hebben we die taal van milieubelastingspunten nodig om het goede gesprek te voeren. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, daar ben ik het zeker mee eens.

De heer Koorevaar (CDA):

Goed.

Er viel me nog iets op. Iets in de beantwoording van de staatssecretaris triggerde mij. De staatssecretaris zei: we zijn het ermee eens dat we die taal nodig hebben — dat is mooi — en dat er middelen beschikbaar moeten worden gesteld om de taal van milieubelastingspunten verder te ontwikkelen. Maar ik hoorde de staatssecretaris niet zeggen: dit is ook de taal van de overheid; we gaan op die manier over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen praten. Is het ook de taal van de overheid om langs de lijn van milieubelastingspunten te communiceren over de schadelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen?

Staatssecretaris Erkens:

Zo staat het ook in het coalitieakkoord en daar ben ik aan gebonden, dus: uiteraard.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Koorevaar (CDA):

Mooi.

De voorzitter:

U vervolgt over dierenwelzijn.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Er zijn veel vragen gesteld over dierenwelzijn door de Partij voor de Dieren, de PVV en een aantal andere partijen. Laat ik beginnen met de algemene maatregel van bestuur Dierwaardige Veehouderij. Uw Kamer heeft meermaals gesproken over de algemene maatregel van bestuur Dierwaardige Veehouderij. De Partij voor de Dieren vroeg mij naar het traject en het rapport-Wijffels, waarop ik al ben teruggekomen in mijn inleiding. De internetconsultatie van de AMvB heeft ruim 7.200 reacties opgeleverd. Dat is nog net geen record, maar dat geeft vooral aan dat het onderwerp ontzettend leeft in de samenleving. Ook zijn diverse toetsen uitgevoerd, waaronder de handhaafbaarheids- en uitvoeringstoets van de NVWA, de wetenschappelijke toets en de regeldruktoets.

Het doel van een dierwaardige veehouderij op basis van de wetenschap staat hierin voorop. We kijken bij de invulling naar alle relevante aspecten, zoals de regeldruk en de praktische uitvoerbaarheid voor ondernemers. Daar hoort wat mij betreft ook bij dat we kijken naar de markten voor dierwaardig geproduceerde producten, zodat we het verder kunnen verbreden met elkaar en het ook loont dat we deze stappen gaan zetten. Hierover is eerder ook een discussie gevoerd met de minister op een ander dossier. De heer Jansen gaf eerder ook al aan dat we willen voorkomen dat het dierenwelzijn op Europees niveau afneemt omdat het hier niet loont doordat de producten via de keten onvoldoende in de markt worden gezet.

Omdat de inbreng over dit thema ziet op verschillende aspecten is niet één advies leidend. Er is veel inbreng geleverd en die wordt nu zorgvuldig gelezen en beoordeeld. Op basis hiervan zullen we, waar nodig, aanpassingen doen in de concept-AMvB. Zoals ook is aangekondigd in het coalitieakkoord zal het kabinet de aangepaste concept-AMvB rond de zomer naar beide Kamers sturen. Daarna zullen we daarover uitgebreid het debat met elkaar voeren.

Voorzitter. Het lid Ouwehand noemde in haar inbreng de zorgen die er leven over de gezondheidsrisico's rond geitenhouderijen. Ik wil vooropstellen dat het kabinet de gezondheid van alle inwoners belangrijk vindt. Het is in ons dichtbevolkte land niet eenvoudig om economische belangen en milieubelangen met elkaar in evenwicht te houden. Bij het behouden van die balans en het, waar nodig, herstellen daarvan is het van belang om een brede en toekomstbestendige afweging te maken, met oog voor alle belangen. Op 9 januari jongstleden heeft uw Kamer de kabinetsreactie ontvangen op de Gezondheidsraadsadviezen over de verhoogde kans op longontsteking bij omwonenden van geitenhouderijen.

Voorzitter, wilt u de interrupties al toestaan of zal ik nog een stukje doorgaan? Ik ga nog een stukje door.

Er werden veel vragen gesteld over welke maatregelen er precies genomen gaan worden en hoe snel dat gebeurt. Ik begrijp dat en ik deel ook het ongeduld van de Kamer, want het duurt nu al meer dan tien jaar voordat we met beleid komen op dit vlak. Daarom zal dit ook prioritair opgepakt worden. We voelen de urgentie, maar we moeten dit wel zorgvuldig aanpakken, met oog voor de impact ervan, omdat dit bijvoorbeeld ook de woningbouw in Nederland raakt. De volksgezondheid staat daarbij voorop. Op dit moment wordt er een impactanalyse uitgevoerd. Als we die informatie hebben, zullen we die gebruiken voor een zorgvuldige afweging. We zullen daarbij ook de motie-Kostić meenemen. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de aanpak en de te nemen maatregelen. Het heeft dus onze prioriteit om uw Kamer snel te informeren over de acties die we willen nemen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik had nog een vraag over de beantwoording van de staatssecretaris van mijn vragen over de AMvB Dierwaardige Veehouderij. Ik had een wat concretere vraag gesteld. In de AMvB's die er nu liggen, zitten behoorlijk wat geitenpaadjes. De impact van iedere voorgestelde maatregel moet twee jaar voordat die ingaat, getoetst worden. Ik heb een concrete vraag aan de staatssecretaris: is hij van plan om die geitenpaadjes en die bepalingen eruit te halen? Kan hij daar al iets over zeggen?

Staatssecretaris Erkens:

Nogmaals, ik ga mezelf hier goed over laten informeren. Ik zal de hele AMvB daar ook nog op doorlopen. Ik zou wel een knip willen maken tussen een geitenpaadje en een soort hardheidsclausule als een ondernemer met een goede reden nog niet aan de regels kan voldoen, bijvoorbeeld omdat er geen vergunning verleend is. Ik zal kritisch kijken naar geitenpaadjes die echt gebruikt worden om niet aan de regels te voldoen, maar ik vind het wel van belang om hier hardheidsclausules in te hebben als je als overheid de randvoorwaarden onvoldoende op orde hebt, waardoor een onderneming niet daaraan kan voldoen en dan gesanctioneerd zou worden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Oké, helder. Dank. Zou de specificatie "rond de zomer" iets concreter kunnen? Want het hele jaar is "rond de zomer", behalve de zomer zelf.

Staatssecretaris Erkens:

Daar kan ik nog niet concreter over worden, omdat ik ook echt de ruimte wil hebben om nog wat aanpassingen te doen in de AMvB. Als die aanpassingen veelvoudig zijn, zal het na de zomer worden, maar als die beperkt zijn, zal het voor de zomer worden. Laat me hier in de tweede termijn op terugkomen. Ik zal de Kamer wel op korte termijn laten weten of de AMvB voor of na de zomer komt. Dat kan ik wel doen, maar ik zal daar vandaag nog geen uitsluitsel over kunnen geven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Fijn, want ik denk inderdaad dat het, als de staatssecretaris de tijd heeft gehad om in te schatten hoeveel werk het gaat zijn, goed is om te horen of het voor of na de zomer wordt.

Staatssecretaris Erkens:

Ja. Ik zal kijken of we de Kamer voor het debat Dierwaardige veehouderij, dat volgens mij in april plaatsvindt, kunnen informeren over de exacte tijdslijn.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Even checken of ik het goed gehoord heb: zijn er meer dan 7.000 reacties op die AMvB?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, meer dan 7.500.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Heeft de staatssecretaris dan ook overwogen om een nieuwe AMvB te maken in plaats van 7.500 wijzigingen te verwerken?

Staatssecretaris Erkens:

Dat zou kunnen, maar dan zou ik die ook in consultatie moeten brengen, met misschien nog meer reacties. Dan zou het dus nog complexer worden, maar het is zeker veel werk voor de mensen op het departement.

De voorzitter:

U vervolgt met dierenwelzijn.

Staatssecretaris Erkens:

Ik vervolg, voorzitter. Over stalbranden waren er ook enkele vragen. Dat is een heftige gebeurtenis. De impact daarvan is voor mens en voor dier enorm groot. Afgelopen week was er weer een grote brand in Epe. Voor de dieren is het natuurlijk afgrijselijk. Ook de veehouders zelf willen dit nooit meemaken. Ik heb hier ook met de veehouder uit Epe gesproken. Ik vind het belangrijk dat we samen met de veehouders en andere stakeholders uit het maatschappelijk middenveld blijven doorwerken aan het verbeteren van de brandveiligheid op veehouderijen. Op korte termijn start ik samen met betrokken organisaties een brandveiligheidscampagne om te zorgen voor meer bewustwording en het geven van inzicht in laagdrempelige brandveiligheidsmaatregelen die veehouders kunnen nemen om het risico op branden te verkleinen. Zoals door mijn voorganger op 19 januari 2026 aan uw Kamer is gemeld, heeft onderzoek aangetoond dat er geen eenvoudige en snelle oplossing is om de brandveiligheid van stallen te verbeteren. De brandveiligheid van een stal moet integraal benaderd worden om tot een effectieve aanpak te komen. Er zijn namelijk vele factoren die invloed hebben op het ontstaan en de verspreiding van brand, zoals diergedrag, stalconfiguratie en brandbestrijding. Wanneer maatregelen in het kader van brandveiligheid los toegepast worden zonder integrale benadering, is volgens de WUR de kans op schijnveiligheid en desinvestering heel groot. In dat kader heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid, het NIPV, recent een denkraam Basis voor brandveiligheid voor veestallen opgeleverd. Momenteel bezie ik hoe dit denkkader omgezet kan worden in beleid en regelgeving om integraler te gaan sturen op brandveiligere bestaande en nieuwe stallen. Ik koers er wederom op om rond de zomer — tegen mevrouw Ouwehand zeg ik: vlak ervoor of vlak erna — op hoofdlijnen deze aanpak met de Kamer te kunnen delen. Daarmee geef ik ook invulling aan de motie van het lid Ouwehand om effectief actie te ondernemen tegen stalbranden. Ik zal ook inzetten op het verder verbeteren van de stalbrandpreventie met de invoering van een verplichte brandveiligheidskeuring en elektrakeuring. Voor deze keuringen lopen nu al onderzoeken om te zorgen dat deze maatregelen ook uitvoerbaar en proportioneel worden. Naar verwachting komt hier in het najaar verdere besluitvorming over.

Voorzitter. Tot slot wil ik ingaan op dierenmishandeling- en verwaarlozing. Met de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing op 1 januari 2024 zijn er extra instrumenten gekomen voor rechtsspraak en ook voor handhavers om dierenmishandeling aan te pakken. Daar ben ik blij mee. Ik vind dat we mensen die dieren mishandelen, steviger moeten aanpakken. Zo is er bijvoorbeeld een houdverbod opgelegd aan een hondenfokker uit Eersel. De handhavende diensten, zoals de NVWA en de LID, zetten al deze nieuwe instrumenten nu in en blijven ervaring opdoen. Daar zal ik ze ook toe blijven oproepen. Er zijn ook gevallen waarin mensen met alle goede intenties voor een dier willen zorgen, maar waarin toch sprake is van dierenleed. Dit kan bijvoorbeeld komen doordat mensen op basis van onjuiste informatie een verkeerde keuze voor een huisdier hebben gemaakt of doordat een dier aangeschaft wordt met schadelijke uiterlijke kenmerken, waarbij de eigenaar onvoldoende weet dat het dier lijdt als gevolg van die kenmerken.

Vorige week zijn door de heer Graus influencers genoemd die hun huisdier hebben achtergelaten in Dubai. Ik heb geen zicht op welke Nederlandse burgers hierbij betrokken zijn, maar ik kan wel het volgende zeggen. Wie in Nederland een dier mishandelt of verwaarloost, wordt daarvoor strafrechtelijk vervolgd. Wanneer deze feiten buiten Nederland plaatsvinden, heeft de Nederlandse overheid in beginsel geen jurisdictie. Dat is bij heel veel zaken zo, niet alleen in het geval van dierenmishandeling. Maar ik verwacht wel van Nederlandse burgers, waar ook ter wereld, dat zij dieren met respect behandelen en erover nadenken voordat ze een huisdier aanschaffen. Daar hoort ook een verantwoordelijkheid bij, ook in het buitenland. Als je inderdaad vanuit Dubai moet vluchten en je wel de mogelijkheid hebt om je huisdier gewoon mee te nemen, maar je het doelbewust achterlaat, dan zegt dat volgens mij heel veel over je karakter.

Om mensen te helpen de juiste keuzes te maken op het gebied van huisdieren zal ik daarom dit jaar een nieuwe voorlichtingscampagne lanceren. Ik blijf het Landelijk InformatieCentrum Gezelschapsdieren ondersteunen, omdat hier betrouwbare en onafhankelijke informatie te vinden is. Ik kijk ook met de dierenartsen welke rol zij kunnen spelen in het voorlichten van toekomstige diereneigenaren en ook kijk ik of dierenartsen een rol kunnen spelen in de fokscreening van honden en katten, zodat schadelijke uiterlijke kenmerken en ziekte kunnen worden voorkomen. Ik ga ook kijken of ik naast de naaktkat en de kat met vouworen ook dieren met andere kenmerken die lijden met zich meebrengen, kan verbieden. En ik werk aan een vertoningsverbod, zodat bepaalde kenmerken minder te zien zijn en daarmee minder populair worden.

Dit kan ik allemaal in gang zetten en dat ga ik ook doen, maar het is uiteindelijk ook aan de eigenaar van het dier om de keuze te maken voor een gezond dier. Zolang mensen blijven kiezen voor een hond of kat met een aandoening, omdat ze vinden dat die er schatting uitziet, zullen fokkers en handelaren op die wens inspelen, ook als wij dingen verbieden. Zoals wij laatst hebben ondervonden, lukt ze dat vaak ook. Ik doe dan ook de oproep om ook voor de aanschaf van een dier heel goed te kijken naar de gezondheid en herkomst. En wij zullen vanuit de overheid ervoor proberen te zorgen dat mensen die informatie aan de voorkant ook goed ontvangen.

Gelukkig krijgt het welzijn van honden en katten en de handel in deze dieren steeds meer aandacht, ook in Europa. Nederland heeft heel actief bijgedragen aan de nieuwe Europese Verordening welzijn en traceerbaarheid voor honden en katten. Het Europees Parlement stemt hier eind maart over. Dat gaat ook in Nederland weer nieuwe mogelijkheden bieden om de omgang met deze huisdieren te kunnen verbeteren.

Voorzitter. Ik had nog een blokje over giraf Eura, maar ik zie dat de heer Graus er nog niet is, dus dat kan ik misschien nog bewaren.

De voorzitter:

Laten we die als allerlaatste toegift van uw beantwoording brengen en bewaren tot zelfs na de amendementen.

Staatssecretaris Erkens:

Ik had nog twee andere opmerkingen bij dit blokje, maar we kunnen ook de interrupties doen.

De voorzitter:

Heel goed. Als u uw blokje nog even afmaakt, krijgt daarna lid Kostić het woord.

Staatssecretaris Erkens:

Ja. In het algemeen wil ik over dierentuinen aangeven dat ze invulling geven aan maatschappelijke doelen als educatie en conservatie. Veel mensen genieten van een dierentuinbezoek. Tegelijkertijd is het nodig om de zorgen rondom het houden en het welzijn van wilde dieren in gevangenschap serieus te nemen. Vorig jaar heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden dan ook een rapport uitgebracht, dat aan de Tweede Kamer is aangeboden. Met de zaken die in dat rapport staan ga ik aan de slag, samen met de dierentuinen. Dat gaat bijvoorbeeld over de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat ze ook een stimulans ondervinden om zich te blijven ontwikkelen op basis van nieuwe kennis en inzichten en daarmee ook recht doen aan een veranderende maatschappelijke blik op de rol van dierentuinen. Ik informeer de Kamer dan ook aan het eind van het jaar over deze aanpak.

Er was nog één specifieke vraag van het lid Kostić over het dolfinarium. Over het bestaan van het dolfinarium wordt inderdaad heel verschillend gedacht in onze samenleving. Ik zou graag zelf eerst in gesprek willen gaan met het dolfinarium. Ik zou daar langs willen gaan en ook experts willen spreken. Ik zal u ook voor de zomer informeren met een brief daarover.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Fijn. Ik zal even mijn mouwen opstropen, zoals de staatssecretaris vroeg aan het begin van het debat. Het is een goed verhaal en een mooi begin. Ik heb specifiek een vraag over die doorgefokte dieren en dan specifiek de kortsnuiten. Zoals de staatssecretaris weet lijden die dieren ontzettend, bijvoorbeeld aan chronische hoofdpijn. Niet voor niets is er hier daarom een fokverbod. Maar experts zeggen dat je eigenlijk ook een import- en houdverbod moet instellen. Wat schetst mijn verbazing? Het kabinet zegt dat het nog een aantal jaar onderzoek gaat doen, terwijl er verschillende manieren zijn om dat import- en houdverbod gewoon mogelijk te maken. Daar schrik ik echt van. We kunnen bijvoorbeeld kijken naar Vlaanderen, dat gewoon een handelsverbod heeft ingesteld. Mijn concrete vraag is dus of de staatssecretaris bereid is om op korte termijn zo'n handelsverbod met de Vlaamse regering te bespreken en te kijken of we daarvan kunnen leren.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben bereid om te kijken wat we van de Vlaamse regering kunnen leren op dit vlak. We zijn natuurlijk wel gebonden aan internemarktregels op het gebied van Europa wat betreft importverboden, maar ik ben zeker bereid om met de Vlaamse collega te spreken over wat daar wél kan en hier niet, en waarom.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is superfijn. Dan wil ik nog een tweede optie bespreken. Volgens mij moeten we vaart maken en ik voel dat de staatssecretaris dat ook wil doen. De tweede optie is dat we de handelaren in buitenlandse pups om verplichte meetformulieren vragen. Dat doen we nu ook al voor Nederlandse fokkers. Er is dus geen reden om dat niet ook van de buitenlandse fokkers te vragen. Dat creëert nog een drempel voor zulke fokkers. Is de staatssecretaris dus ook bereid om daar op korte termijn naar te kijken?

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben sowieso bereid ernaar te kijken, maar volgens mij komen die mogelijkheden ook al tot stand bij de stemming die we eind maart in het Europees Parlement zullen hebben op het gebied van de omgang met huisdieren, en met name honden en katten. Ik stel voor dat ik dit specifiek meeneem in de brief over onze aanpak op dit vlak die in de zomer sowieso komt. Daarbij wil ik de Kamer er ook op attenderen dat er nog geen debat gepland staat op het gebied van de omgang met dieren buiten de veehouderij, en we volgens mij een behoorlijk aantal onderwerpen te bespreken gaan krijgen.

De voorzitter:

Afrondend.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat is fantastisch. Het kabinet heeft de meetformulieren nog niet in die hoedanigheid beoordeeld. Aangezien de Kamer al een aantal jaren wacht op deze maatregelen, zou ik heel graag willen dat de staatssecretaris in ieder geval voor de zomer met een brief komt. Dan kunnen wij er altijd voor zorgen dat er op tijd een debat komt.

Staatssecretaris Erkens:

Ik kan toezeggen dat er sowieso voor de zomer een brief komt over de omgang met huisdieren. Ik zal de opties van het lid Kostić daarin ook laten bekijken. Ik wil daarbij wel één winstwaarschuwing geven. De capaciteit om alles tegelijkertijd op te pakken, is natuurlijk beperkt. Ik zal zelf dus een voorschot geven van zaken waarop ik prioriteit wil leggen, ook gezien de effectiviteit van de maatregelen op het gebied van dierenwelzijn. Dan is het uiteraard aan uw Kamer om te kijken of zij het eens is met die prioritering, want wij zijn een minderheidskabinet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik had nog een vraag over de diertransporten op hete dagen. Daar heeft de staatssecretaris schriftelijk op geantwoord, waarvoor dank, maar ik maak me wel zorgen. De Kamer vraagt nu namelijk al bijna vijf jaar om het verlagen van de maximumtemperatuur van 35 graden naar 30 graden, wat nog steeds heel heet is. We hebben het voorvorige kabinet gevraagd om daarmee aan de slag te gaan, en alle procedures in Europa waren doorlopen. Toen stuurde de Europese Commissie een briefje met de vraag of Nederland daar minstens een jaar mee wilde wachten, terwijl de Commissie tijdens de officiële notificatieprocedure niet had gereageerd. Deze staatssecretaris heeft nu gezegd: ik beraad me er nog over en u hoort meer van mij tijdens het debat over de dierwaardige veehouderij van 23 april.

De voorzitter:

Uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik begrijp het niet. Het was een verzoek van de Europese Commissie, maar de notificatie was al helemaal doorlopen. De Kamer is er helder over. Waarom wacht de staatssecretaris? Waarom voert hij deze maatregel niet gewoon door, want alles wat ervoor nodig was, is al gedaan?

Staatssecretaris Erkens:

Ik wil voor het debat dieren in de veehouderij uitsluitsel geven richting de Kamer. U hoeft dus geen vijf jaar te wachten hierop. Dat wil ik in dezen tegen mevrouw Ouwehand zeggen. De reden waarom het complex is, is omdat er een discussie loopt over de Europese Transportverordening. Daarin zet het Nederlandse kabinet ook in op een aantal andere dingen op het gebied van dierenwelzijn. Er waren daarover ook moties vanuit de Kamer, onder meer van mevrouw Ouwehand. Ik wil die zaken wel tegen elkaar afwegen: als ik het verzoek van de Europese Commissie om uitstel op dit vlak zou negeren, wat zou dan de impact zijn op de andere dossiers die we met elkaar willen bereiken? Geeft u mij dus de ruimte om voor het debat een brief te sturen, waarin ik die weging aangeef. Dat is de voornaamste reden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik zit een beetje met een dilemma. Het kabinet is net aangetreden. We horen zowel de minister als de staatssecretaris zeggen: geef me de ruimte en dan geef ik vervolgens een antwoord. Een deel van mij zegt: dat vind ik redelijk, dus ik ben bereid om daarin mee te gaan. Maar hier waren de procedures al doorlopen. Als je pas op 23 april duidelijkheid hebt, dan is mijn zorg of je nog wel op tijd bent voor de eerste hittegolven. De sector moet zich daarop voorbereiden. Die moet weten: oei, als het warmer dan 30 graden wordt, dan kunnen we de dieren niet in de vrachtwagen zetten, dus daar moeten we misschien rekening mee houden bij onze stalbezetting. Zijn we dan niet te laat?

Staatssecretaris Erkens:

Die zorg snap ik goed. Ik kan daarbij zeggen dat we wat mij betreft ook nu al samen met de sector daarnaar kijken. Want stel dat je 'm wilt invoeren, kan die dan op tijd ingevoerd worden? Stel dat je toch te laat bent, dan moet je sowieso kijken naar een aantal alternatieven. Daar moeten we met de NVWA naar kijken. Dan moeten we er inderdaad voor kiezen om het transport op warme dagen meer in de nacht te laten plaatsvinden. Richting het lid Ouwehand kan ik wat dat betreft zeggen dat het onze intentie echt is om het dierenwelzijn op dat vlak te verbeteren richting de zomer. Gun mij echter de komende weken de ruimte om wel even afwegingen te maken, gezien het complexe Europese speelveld en gezien een aantal andere zaken, zoals langeafstandstransport, waarover de Kamer mij ook via heel stevige moties met een opdracht op pad stuurt.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank voor de beantwoording. Ik zou natuurlijk het liefst nu de toezegging van de staatssecretaris willen dat de afgelopen zomer de laatste keer was dat dieren met temperaturen van boven de 30 graden in die transportwagens werden gezet. Als hij dat op 23 april aan de Kamer kan zeggen, dan ben ik bereid om nog even geduld te hebben. Ik wil de staatssecretaris echter echt op het hart drukken om dat te doen, want de Kamer vraagt hier al bijna vijf jaar om.

Staatssecretaris Erkens:

Uw signaal is helder, mevrouw Ouwehand. De moties waren dat ook, wat dat betreft. Er zal sowieso een brief komen voorafgaand aan dat debat.

De voorzitter:

Ik wijs de staatssecretaris erop dat de heer Graus weer in de zaal zit, dus de beantwoording kan wellicht volledig worden gegeven.

Staatssecretaris Erkens:

Zeker, voorzitter. Ik ben al door het blokje dierenwelzijn gelopen. Ik ga het niet volledig herhalen. Giraffe Eura kwam ook voorbij. Dierentuinen heb ik net al kort genoemd. Ik ga met de heer Graus op bezoek in de dierentuin Gaia Zoo. Daarbij breng ik ook een bezoek aan giraffe Eura. Dat zeg ik hierbij ook toe. Eura is een giraffe op hoge leeftijd. Zij zal zo lang mogelijk in goede gezondheid en welzijn gehouden worden door de dierentuin. Er is nu ook contact geweest met het ministerie. Een multidisciplinair team kijkt naar de kwaliteit van leven het dier. Als die sterk zou afnemen of de behandelingen echt te intensief en pijnvol zouden worden voor het dier, dan zal de afweging gemaakt moeten worden om deze giraffe een zacht einde te geven. De intentie is echter om de goede gezondheid en het welzijn zo lang mogelijk overeind te houden. Dat is wat ik hierover heb teruggekregen.

De heer Graus (PVV):

Als ik een bezoek afleg aan dieren, neem ik altijd zelf een dierenarts mee. Ik ben daar geweest. Ja, u mag ook een keer mee, mevrouw Den Hollander, heel graag zelfs! Ik ben blij dat we weer een dierenarts in ons midden hebben. Ik ben de laatste keer ook met een dierenarts bij Eura geweest. Als je ziet dat dat diertje ... Inderdaad, normaal worden ze in gevangenschap maximaal 35 jaar. Dat diertje is al 24 jaar en gaat naar de 25 jaar toe. Je ziet dat dat diertje twintig minuten lang uit de ruif aan het eten is en daarna rende ze. Je ziet niet echt mankementen van buitenaf. Je hoort verder dat de bloedwaarden en alles goed zijn. Daar kun je niet alles uithalen, maar ook dat was allemaal in orde. Als ik dan hoor dat dat dier eigenlijk een week voor mijn bezoek ingeslapen had moeten worden, dan vraag ik me af wat daarvoor de reden geweest is. Dat kan dan enkel te maken hebben met de dure medicatie, want die dieren wegen nogal wat. Medicatie is duur. Daar zou de staatssecretaris ook eens iets aan moeten gaan doen, want daar worden belachelijke winsten mee gemaakt. Daar gaat het mij om. Daarom wil ik daar ook met u naartoe, zodat u kan zien hoe gezond en wel dat diertje nog is en dat het, als ze wordt ingeslapen, puur met economische redenen te maken heeft. En daar heb ik een broertje dood aan. Daar gaat het om.

Staatssecretaris Erkens:

Dat volg ik. Mevrouw Den Hollander is uiteraard welkom om ook mee te gaan. Doordat er in het debat aandacht voor gevraagd is en er ook contact is geweest vanuit het ministerie, denk ik dat er alles aan gedaan zal worden om giraffe Eura, nu misschien de beroemdste giraffe van Nederland, in leven te houden. We gaan daar samen op bezoek.

De voorzitter:

U continueert met de beantwoording over de wolf.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter, mijn vierde blokje is visserij.

De voorzitter:

O, excuses. Ik dacht dat we al bij de wolf waren aangekomen.

Staatssecretaris Erkens:

De wolf komt hierna, voorzitter. Maakt u zich geen zorgen: die zit nog in het mapje.

Meerdere Kamerleden vroegen naar het perspectief voor de vissers. Ik ben blij dat u mij hiermee de kans geeft om mijn visie op dit dossier te geven. De visserijsector heeft taaie jaren achter de rug door saneringen, zowel de kottersanering in 2022 als de garnalensanering die nu plaatsvindt. Deze saneringen veranderen en raken de Nederlandse vloot. De impact is groot, maar voor de vissers die besloten hebben om door te gaan, wil ik me inzetten. Ik wil ervoor zorgen dat ook na deze ambtstermijn de sector een duurzaam toekomstperspectief heeft, dat jonge starters erin willen stappen en dat zij ook vertrouwen hebben in de toekomst. Dat vraagt inzet op het ruimtevraagstuk, zowel op de Noordzee als de Waddenzee. Het betekent dat we stappen moeten zetten in innovatie voor een duurzamere vloot. Het vraagt ook om meer internationale samenwerking, gezien het feit dat heel veel van de regels op dit vlak uit Brussel komen. Als we vissers zo perspectief geven, dragen we ook bij aan de leefbaarheid van gemeentes als Urk en Yerseke, waar visserij al sinds jaar en dag met de gemeenschap is verweven.

Voorzitter. In de visie Voedsel uit zee en grote wateren is een toekomstbeeld neergezet voor onze visserij. Voedsel uit zee is belangrijk en draagt bij aan een gezond dieet. Het perspectief is dat vissers een goede boterham verdienen en werken binnen de draagkracht van het ecosysteem. Op dit moment werkt het kabinet samen met vertegenwoordigers van de visserijsector, natuurorganisaties, ketenpartijen en het Bestuurlijk Platform Visserij aan een zogeheten uitvoeringsagenda om dat geschetste perspectief dichterbij te brengen. Dat wordt geleid door de heer Bisschop van de SGP. Het stemt mij positief om te zien dat de sector zijn nek uitsteekt om samen met andere maatschappelijke organisaties te komen tot deze toekomstvisie. Richting de betrokken natuur- en milieuorganisaties wil ik zeggen dat ik het ook waardeer dat ze samen aan tafel zitten met de sector. Dat geeft in de toekomst ook meer zekerheid en stabiliteit op dit belangrijke onderwerp.

De uitvoeringsagenda richt zich op concrete acties voor de komende jaren, voor LVVN, maar ook voor de sector en natuurorganisaties. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om acties om voedsel uit zee beter op de kaart te zetten richting consumenten en gericht op het behoud van ruimte voor de visserij op zee, om onderzoek naar het medegebruik van windparken, en om het openstellen van verschillende regelingen op het gebied van innovatie en steun. Ik hoop dan ook dat de samenwerkende partijen dit voorjaar tot overeenstemming komen over de agenda, zodat ik deze aan uw Tweede Kamer kan sturen en u verder kan informeren over hoe wij proberen om daar als LVVN aan mee te helpen. Als de sector en maatschappelijke partijen met een toekomstvisie komen, dan is het heel belangrijk dat wij deze kans vanuit de overheid ook aangrijpen om die tot een succes te maken.

Daarmee ben ik ingegaan op de nationale inzet, maar ik besef terdege dat visserijbeleid grotendeels op Europees gebied wordt geregeld via het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ook hebben geopolitieke ontwikkelingen nu grote invloed. De internationale context van de visserij vraagt om duurzame contacten met nabijgelegen Noordzeelanden. Dat helpt de Nederlandse inzet in Brussel ook, want we moeten hiervoor meerderheden vinden met elkaar. De komende jaren zal het kabinet zich er daarom voor inzetten om gezamenlijk met omringende landen te werken aan een toekomstbestendige visserij. Om hierin de eerste stap te zetten, wordt op 10 en 11 april een internationaal visserij-innovatiesymposium georganiseerd in Nederland, in Scheveningen. Uiteraard bent u daar allen welkom om kennis te nemen van alle mooie innovaties die de sector kunnen helpen om toekomstbestendig te worden. Dit is geen sluikreclame. Het is gewoon een mooi initiatief, ook vanuit de sector zelf.

Door middel van dit soort initiatieven en daarnaast met een actieve inzet bij de maandelijkse Landbouw- en Visserijraad werkt het kabinet aan de acceptatie van innovaties voor een toekomstbestendige visserij. Er zijn door de VVD en PVV vragen gesteld over mijn inzet in Brussel voor de pulsvisserij. Ben ik bereid om daarop in te zetten? Mijn antwoord daarop zou zijn: ja, daar ben ik toe bereid. De pulskor is een bewezen effectief en innovatief tuig met diverse voordelen. Die zorgt voor minder bodemberoering en een lager energieverbruik — zeker van belang gezien de hoge energieprijzen. Daarom is de pulskor een onderwerp dat ik naar Brussel zal meenemen en daar hoger op de agenda probeer te zetten. Hierbij is het wel van belang om eerst draagvlak te creëren bij de landen die het tot nu toe blokkeren. Het kabinet zal dat dan ook meenemen in deze bredere gesprekken en proberen langzaamaan weer ruimte te creëren om de volgende stappen te zetten. Daarbij zou ik als reactie op mevrouw Den Hollander willen zeggen dat de motie-Van der Plas/Den Hollander daarbij ook echt meegenomen wordt om het onderzoek naar pulsvisserij mogelijk te maken. Dat wil ik samen doen met andere Noordzeelanden. Ik voer gesprekken om te verkennen of onderzoek voor en in de kustzone mogelijk is.

Voorzitter. Naast innovatie wil ik inzetten op het verminderen van regelgeving. Er is nu een kans voor het kabinet, samen met andere landen die ook van plan zijn hieraan bij te dragen, omdat op dit moment het gemeenschappelijke visserijbeleid wordt geëvalueerd. De uitkomst van deze evaluatie wordt in mei verwacht. Ik zal me tijdens de presentatie constructief-kritisch opstellen en pleiten voor de herziening van het GVB. Deze herziening acht ik nodig om de punten die Nederland naar voren heeft gebracht in deze evaluatie, zoals de benodigde aanpassing van de aanlandplicht, aan te pakken.

Tot slot, voorzitter. Bij de nu lopende onderhandelingen over aanvullende regelgeving onder de herziene controleverordening is de inzet van het kabinet gericht op het opstellen van handhaafbare, uitvoerbare en proportionele regelgeving. Hierbij is er dus ook nadrukkelijk aandacht voor het vereenvoudigen van regelgeving en het beperken van administratieve lasten, zowel voor de sector als voor de overheid. Die lasten zijn namelijk behoorlijk groot op dit moment.

Voorzitter. Dan ga ik bijna door naar de wolf.

De voorzitter:

Maar niet voordat de heer Jansen nog een interruptie heeft geplaatst. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):

Ik zal het kort houden, voorzitter. Ik ben blij met het antwoord over de pulskorvisserij. Volgens mij is het heel mooi dat het, zoals het er nu naar uitziet, opnieuw op de agenda gezet wordt. Ik denk namelijk dat dat goed is voor de visserij, maar ook voor de ontwikkeling en innovatie die men daarin heeft geïnvesteerd. De vraag die ik daarnaast nog heb, is als volgt. Vorige week noemde ik ook dat 90% van de kottervisserij in enkele jaren is verdwenen. Ongeveer een derde van de garnalenvisserij dreigt te verdwijnen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: zijn we er hiermee? Denkt de staatssecretaris dat we de komende jaren door kunnen gaan met de resterende vloot? Of denkt de staatssecretaris dat er nog een slag overheen gaat?

Staatssecretaris Erkens:

Daar kan ik geen volledige uitspraken over doen. Wat mij betreft gaan we werken aan een toekomstbestendige sector. We zien dat er in de garnalenvisserij echt een hele grote stap is gezet door mijn voorganger en dat er een groot offer gebracht is door de sector. Wat mij betreft gaan we nu dus ook in samenspraak met de sector werken aan de toekomst. Dat betekent dat we ook moeten beseffen dat er al grote offers gebracht zijn.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank voor dit antwoord. Dit gaat natuurlijk veel verder dan alleen maar de kotters zelf. Het betreft natuurlijk ook het onderwijs dat ermee gemoeid is. Het heeft te maken met hele dorpen, die de staatssecretaris net ook noemt. Denk aan Urk, Volendam, Monnickendam, Zierikzee en noem maar op. Die dorpen leven daar eigenlijk al tientallen jaren — wat heet? — honderden jaren van. Die dreigen eigenlijk hun hele bestaansrecht te verliezen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: bent u bereid om extra te kijken hoe we vanuit de overheid toch kunnen bijdragen aan de levensvatbaarheid van deze dorpen, zonder in te gaan tegen de marktwerking?

Staatssecretaris Erkens:

Daar kan ik nu sowieso op ingaan. Ik denk dat er twee aspecten van mijn antwoord zijn. De eerste is dat het van belang is dat we ook gaan werken aan de toekomstbestendigheid van de sector. Als de sector inderdaad volledig verdwijnt, worden deze specifieke gemeenschappen heel hard geraakt. Ik ben zelf voornemens om de komende weken onder andere naar de gemeente Urk te gaan, om voorbeelden op te halen van de vissers zelf. Ik ga dan dus niet alleen met de organisaties het gesprek aan, maar ook met de mensen die er zelf werken. Daar zullen we het over hebben. Die toekomstbestendigheid helpt daarbij. Ten tweede. Het bredere maatregelenpakket op de visserij is door mijn voorganger, Jean Rummenie, uitonderhandeld, dus complimenten aan hem op dit vlak. Daarmee kunnen we ook deels investeren in de leefbaarheid van de visserijgemeentes. Er zit dus ook gewoon een deeltje in het programma dat er nu is. Dat is niet afdoende, maar het steentje dat we kunnen bijdragen, zullen we blijven bijdragen, ook gezien de inzet van mijn voorganger.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

We kunnen nog heel veel doen voor de bestaande visserij, voor zover die nog bestaat. Maar het wordt wel een beetje moedeloos voor de vissers. Als er vanuit het ministerie iets wordt geregeld … De staatssecretaris sprak net al over zijn voorganger in het vorige kabinet, de heer Rummenie. Nu loopt er bijvoorbeeld in Zoutkamp in Groningen, een kleine visserijgemeenschap, een rechtszaak tegen schelpenwinning.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het gaat maar door en het gaat maar door. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat hij graag naar giraf Eura gaat. Ik wil de staatssecretaris hierbij vragen om met mij op werkbezoek te gaan naar Zoutkamp, naar dat Natura 2000-gebied, naar die kleine visserijgemeenschap die daar echt afhankelijk van is. Dat is mijn vraag.

Staatssecretaris Erkens:

Bij dezen. Dat gaan we doen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dat is heel mooi. Dan het volgende. In de schriftelijke vragen heb ik gevraagd of er ruimte is om de brandstofkosten op de een of andere manier te compenseren. Kort gezegd zegt de staatssecretaris: nee, dat kan niet, want er is ook geen mogelijkheid voor in Europa. En dat is niet waar. Dat klopt niet. Ik heb dat uitgezocht via het EMFAF, een commissie binnen Europa. Er zijn wel degelijk mogelijkheden.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag is als volgt. Ik wil het even voorleggen aan de staatssecretaris. De EMFAF biedt wel flexibiliteit voor crisissituaties via artikel 26 lid 2. Dat staat uitzonderlijke maatregelen toe in geval van marktverstoringen of crises. Die mogelijkheid is er dus wel. Ik wil de staatssecretaris met klem oproepen om binnen de mogelijkheden die er wel degelijk zijn binnen Europa, toch te kijken of er een compensatie kan komen voor onze vissers, die zo hard getroffen worden door de oliecrisis en de hoge brandstofprijs van dit moment.

Staatssecretaris Erkens:

Ik kan niet volledig meegaan in wat mevrouw Van der Plas hier zegt. Wij gaan op dit moment niet over tot compensatie. Het kabinet inventariseert breed welke mogelijkheden er zijn, mocht daartoe overgegaan worden. LVVN heeft uiteraard ook een eigen uitvraag en doel op dat vlak. Wat ik eerder tegen de heer Jansen zei rondom de glastuinbouw, geldt evenzo voor de visserij. Opties op tafel brengen is verstandig, zodat je, wanneer de crisis aanhoudt en acuut wordt, besluit te handelen en ook kunt handelen. Daarbij kan ik wel een stap verder gaan sinds de schriftelijke beantwoording, omdat ik zelf ook heb doorgepraat over dit onderwerp. Ik ben zelf in nauw contact hierover met de Europese Commissie en mijn collega-ministers om te kijken naar de ruimte die vanuit Europa geboden zou kunnen worden mocht er besloten worden tot compensatie. Je wilt inderdaad voorkomen dat, als misschien over een aantal maanden de situatie erger wordt, je iets zou doen met elkaar en dan moet constateren dat het juridisch niet mag vanuit Europa. Ik ben bereid om dit eind van de maand informeel tijdens de gesprekken aan de orde te brengen bij de Landbouw- en Visserijraad. De route die mevrouw Van der Plas noemt, is er eentje die we inventariseren. Niet omdat we het besluit nu nemen, maar wel omdat we alles klaar willen zetten mocht zo'n besluit nodig zijn.

De voorzitter:

Afrondend. Kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dit is namelijk ook gebeurd tijdens de coronacrisis en tijdens de inval in Oekraïne. Toen zijn die maatregelen ook genomen, ook bij de EMFAF. Dat kan gewoon. Ik vat dit op als een toezegging dat de staatssecretaris binnen de Europese Commissie, onder andere bij de EMFAF, gaat kijken welke mogelijkheden er zijn. Of heb ik dat verkeerd begrepen?

Staatssecretaris Erkens:

Nee, ik kan eind maart de gesprekken aangaan met collega's over de routes die mogelijk zijn binnen Europa, mocht het kabinet besluiten tot compensatie. Dit probleem speelt natuurlijk niet alleen in Nederland. Het speelt ook in andere visserijsectoren. Zo'n besluit is nog niet genomen, maar ik ben wel van plan om de opties en routes in kaart te brengen.

De voorzitter:

Dat waren ze.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik snap het. Ik wil hier alleen nog even aan toevoegen dat Spanje hier wél mee bezig is. Ik vraag me echt af waarom andere landen het constant wél doen en waarom Nederland constant achterover blijft leunen. Ga gewoon aan de slag, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Het is helder.

Staatssecretaris Erkens:

Nogmaals: ik begrijp en erken de zorgen. Vandaar dat we ook de opties in kaart laten brengen en dat ik bereid ben om bij de LVR eind deze maand met collega's in Europa het gesprek daarover aan te gaan.

De voorzitter:

Dan de wolf.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, de wolf. Er zijn veel vragen over gesteld door bijna elke partij. Zo is mij door de SGP en de BBB gevraagd of ik ga kijken naar het beheer van de wolf in Nederland en hoe het staat met de regelgeving die is voorbereid door mijn voorganger. Rondom de wolf speelt veel en de maatschappelijke aandacht is groot. Het is geen understatement als we zeggen dat dit een gepolariseerd onderwerp is in de samenleving. De wolf is in Nederland, dus mijn doel is om het aantal incidenten tussen mens, wolf en vee zo veel mogelijk te beperken en te verminderen. Ik zie dat op dit dossier snelheid geboden is, zowel met de AMvB die er ligt als met de internationale samenwerking die nodig is. Ik had nu een heel leuk grapje voor de heer Grinwis, maar hij is er niet. Ik wacht wel even tot hij terug is.

Ik ben afgelopen maandag op werkbezoek geweest in Barneveld, waar ik sprak met lokale bestuurders, veehouders, boswachters en scholieren die in aanraking zijn gekomen met de wolf in Barneveld. Ik wil op dit vlak echt concrete zaken verbeteren. Vandaar dat ik ook snel naar Barneveld ben gegaan. Dit kan en wil ik niet alleen doen. Dit moet samen met provincies en burgemeesters, omdat daar ook veel van de bevoegdheden liggen. Ik ben wel bereid om hierin als Rijk stappen te zetten om het aantal incidenten met wolven te beperken.

Ik zie zelf vier sporen op dit dossier, waarover ik uw Kamer in een brief over circa twee maanden verder zal informeren. Het eerste spoor is wat mij betreft het zo veel mogelijk voorkomen van incidenten. Dat doen we door door te gaan met voorlichting via het Landelijk Informatiepunt Wolven en door steun te bieden aan veebeschermende maatregelen via het Landelijk Initiatief Veebescherming. Het tweede spoor is dat provincies en gemeenten beter moeten kunnen ingrijpen om incidenten te voorkomen. Hiervoor werk ik aan regelgeving, waaronder de AMvB waar mijn voorganger mee is begonnen, waarmee het verjagen van wolven voor veehouders eenvoudiger wordt en ook mogelijk beheer op de lange termijn mogelijk wordt gemaakt. Bij het derde spoor onderzoek ik of we probleemwolven die incidenten veroorzaken met mensen en huisdieren sneller kunnen aanpakken. Het vierde spoor is gericht op de lange termijn en ziet op de discussie over de zogeheten gunstige staat van instandhouding. Deze is nodig als wij als Nederland willen overgaan tot beheer. Dat is nodig vanuit de natuurregelgeving, maar ook om bijvoorbeeld, zoals de heer Graus vroeg, sterilisatie als oplossing te kunnen toepassen. Dat kan nu nog niet en daarvoor moeten wij dus ruimte creëren, mocht dat wenselijk zijn. Hiervoor zoek ik ook de samenwerking met buurlanden, met wie wij de wolvenpopulatie delen. Duitsland is daarbij uiteraard de belangrijkste partner.

Voorzitter. Ik zal eerst ingaan op de vragen vanuit de Kamer die betrekking hebben op de regelgeving die mijn voorganger heeft voorbereid en daarna de overige vragen beantwoorden. Ik verwacht dat er dan nog een aantal interrupties zullen volgen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u eerst uw beantwoording op dit onderwerp afrondt en dat we daarna ruimte bieden voor interrupties.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, dan doen wij dat. Afgelopen jaar is door mijn voorganger een AMvB opgesteld die onder andere de verlaagde beschermingsstatus van de wolf implementeert in nationale regelgeving. Hij heeft daarin veel werk verricht en ik ga hier met hoge prioriteit mee verder. Ik weet dat provincies en gemeenten veel behoefte hebben aan juridische duidelijkheid. Die duidelijkheid willen wij ook bieden. Daarom kijk ik op korte termijn nogmaals goed naar de AMvB. Daarbij neem ik de input van uw Kamer uit dit debat mee, evenals de input van mijn werkbezoek. Mijn streven is om ruim voor 4 juni, wanneer het commissiedebat Natuur plaatsvindt, de AMvB te sturen, samen met een bredere brief over hoe we omgaan met de wolf in Nederland. De Kamer kan daar dan nog eenmaal over beraadslagen. Vervolgens kan de AMvB snel na dat debat in werking treden. Ik vind het wel van belang, mede gezien eerdere moties, dat wij daar nog een keer met elkaar van gedachten over wisselen. Concreet vroeg het lid Kostić mij of ik bereid ben om het preventiebeleid mee te nemen op basis van wetenschappelijk advies en best practices uit het buitenland. De AMvB richt zich op de beschermingsstatus van de wolf en het beperken van incidenten. Preventie en voorlichting zullen we ook verder uitwerken. Dat zal in de begeleidende brief worden geactualiseerd.

Naast de AMvB ben ik ook blij met de lopende trajecten, zoals het onderzoek naar de staat van instandhouding en meerdere trajecten die zijn gestart in het kader van de Landelijke Aanpak Wolven, bijvoorbeeld het Landelijk Informatiepunt Wolven en de initiatieven voor veebescherming. De BBB vroeg mij daarbij expliciet of er wolfvrije zones aangewezen kunnen worden. In het kader van de Landelijke Aanpak Wolven wordt momenteel gewerkt aan een ruimtelijke visie op wolven in Nederland. Er is voor gekozen om dit landelijk op te pakken, omdat het leefgebied van wolven niet ophoudt bij provincie- of gemeentegrenzen. De visie geeft richting bij de vraag welke ruimte bestemd is voor de wolf en welke ruimte daar niet bij past, gegeven het feit dat er sprake is van veel dierhouderij, recreatie en ander intensief menselijk gebruik.

Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de visie gaat in de richting van een volledig wolfvrije zone voor heel Nederland, zoals een aantal Kamerleden vroeg. Daarmee zou ik iets beloven wat op dit moment geen stand zou houden, ook niet bij de rechter. Wat dat betreft steek ik mijn energie op de korte termijn heel graag in de vier sporen die ik net noemde, omdat we daarmee hopelijk ook het aantal incidenten naar beneden kunnen brengen en ook provincies en gemeenten kunnen helpen.

Nederland heeft tevens een Europese verplichting om bij te dragen aan een gezonde wolvenpopulatie. Wat betreft de instandhouding van deze verplichting wil ik de door het vorige kabinet ingezette lijn doorzetten, namelijk om te proberen om samen met onze buurlanden de staat van instandhouding te definiëren. Alleen op die manier komt er ruimte voor beheer. Als Nederland zelf hebben wij best weinig ruimte om te voldoen aan de staat van instandhouding. Gelet op het leefgebied van de wolvensoort die in Nederland is, doe je dat met de buurlanden samen. Die lijn zet ik door.

Naar verwachting kan het kabinet de ruimtelijke visie in de tweede helft van 2026 met uw Kamer delen. Op dit dossier heeft de Europese samenwerking dus mijn volle aandacht, zoals JA21 vroeg. Ik wil graag met de buurlanden komen tot een goede duurzame samenwerking. Alleen zo wordt beheer inderdaad mogelijk in de toekomst. We kunnen het niet alleen. We moeten dit samen met de decentrale overheden doen, maar ook met de Europese Commissie. Ook die moet gaan helpen om de grensoverschrijdende samenwerking op dit complexe dossier vorm te geven. Daar ga ik uiteraard met uw Kamer graag het gesprek over aan.

De voorzitter:

Interrupties. Het lid Kostić.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik wil even doorgaan op de preventie en de voorlichting, waarvan we weten dat dit de meeste effectieve manieren zijn om uiteindelijk te leren samenleven met de wolf. De Partij voor de Dieren ziet ook dat er mensen in het land zijn die het spannend vinden dat de wolf er is. We begrijpen dat wel, omdat we hebben gezien dat er onvoldoende op is ingezet om die mensen hierin goed mee te nemen.

Ik hoor twee dingen van de staatssecretaris. Aan de ene kant zei hij in het begin van zijn betoog dat hij wat betreft preventie en voorlichting gewoon doorgaat met wat er al eerder lag: een landelijk informatiepunt et cetera. Tegelijkertijd zegt hij in mijn richting dat hij nog komt met een brief en dat hij kijkt naar nieuwe stappen. Dat is voor ons heel belangrijk. We hebben gezien dat de meeste boeren hun vee nog niet kunnen beschermen. Op dit punt is er dus sowieso actie nodig.

De voorzitter:

Uw vraag.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Mijn vraag is: kan de staatssecretaris toezeggen dat hij gaat kijken naar extra inzet om de boeren beter te ondersteunen — we zien dat dit gewoon niet goed gaat — en om de mensen beter mee te nemen?

Staatssecretaris Erkens:

Ik kan dat ten dele toezeggen. Wat mij betreft lopen er twee grote discussies. De eerste discussie wordt gevoerd aan de hand van de vraag: wat zijn de mogelijkheden voor beheer en hoe wenselijk vinden we welk aantal wolven in Nederland? Dat is een discussie van lange adem, omdat we met buurlanden afspraken moeten maken, aangezien er anders überhaupt geen juridische ruimte is. Vandaar ook de andere discussie: hoe kunnen we op de korte termijn zorgen dat het aantal incidenten afneemt? Daarbij zou wat mij betreft ook moeten worden ingezet op preventie en informatie; die zouden verbeterd kunnen worden. Dat ga ik dan wel doen in samenspraak met de lokale overheden.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dat sluit mooi aan op mijn tweede punt, dat ook aansluit op de preventie. Er ligt een aangenomen motie van de Partij voor de Dieren om te stoppen met jagen op prooien van wolven in wolvengebieden. Daarvan zegt de staatssecretaris in de schriftelijke beantwoording: dat vinden we in principe een goed idee, maar uiteindelijk gaan de provincies erover, dus we geven het de provincies mee. Tegelijkertijd is de staatssecretaris nu bezig om hier de lead in te nemen. Hij is ook eindverantwoordelijk op dit punt. De vraag is: hoe kunnen wij leren om samen te leven met de wolf en welke maatregelen zijn daarvoor nodig? We weten dat dit een van de maatregelen is die ervoor kunnen zorgen dat de incidenten die de staatssecretaris schetste worden voorkomen. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij ook hierover concrete afspraken zal proberen te maken met de provincies als hij straks verder met ze in gesprek gaat en met een pakket komt?

Staatssecretaris Erkens:

Het probleem is dat de verantwoordelijkheid versnipperd is over verschillende overheidslagen. Ik voel een verantwoordelijkheid om de regie op te nemen om partijen bij elkaar te brengen. Dat kan ik inderdaad toezeggen. Wat ik wil gaan doen — dat wilde ik in de brief verder uitwerken, want het is nog niet volledig uitgewerkt — is het op poten zetten van een meer regulier overleg tussen provincies, de betrokken gemeenten, het Rijk en wat mij betreft ook maatschappelijke organisaties, zowel vanuit de dierenkant als vanuit de landbouwsector. In dat overleg kan bekeken worden of je over het gemeenschappelijke doel, te weten het beperken van zo veel mogelijk incidenten, welk doel alle partijen met elkaar delen, een aantal afspraken kunt maken. Wat mij betreft zou dat ook in die gesprekken mee kunnen.

De voorzitter:

Afrondend.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Ik hoor hier een positief geluid; dat neem ik mee. Ik zou de staatssecretaris toch nog één keer willen horen zeggen dat hij die motie, die gewoon is aangenomen, meeneemt in de gesprekken, en dan niet alleen van "kijk hier nog even naar" maar als een serieus onderdeel van het pakket van de gezamenlijke inzet.

Staatssecretaris Erkens:

Ik laat hier een serieuze voorbereiding aan vooraf gaan. Ik zal er dan voor zorgen dat de motie daarvan een belangrijk onderdeel is.

De heer Graus (PVV):

Ik heb aan het vorige kabinet twee dierenartsen aangedragen die hier zeer ervaren mee zijn. Ze heten Peter en Michiel; ik zal de achternamen even achterwege laten. Zij hebben adviezen gegeven over hoe je dit het beste kunt aanpakken. Ze zijn ook ervaringsdeskundig hiermee in het buitenland. Ik wil toch van de staatssecretaris horen of hij al met hen heeft gesproken. Zijn die mensen überhaupt geraadpleegd? Zij hebben namelijk oplossingen op een nettere manier, op een minder erge manier. Het verhaal is — en daar heeft meneer de Voorzitter mij nog in gesteund — dat je het anticonceptievaccin gewoon in de bil kunt schieten, waarna dieren vaak één of twee jaar onvruchtbaar zijn. Dat is een betere manier dan ze af te schieten. We moeten nooit vergeten dat heel veel mensen die tegenstander zijn van de wolf … Sommige mensen zijn overigens een tussengroep. Zij zijn gewoon echt bang voor de wolf of ze hebben iets meegemaakt waardoor ze angst hebben gekregen. Dat moet ook allemaal zeer serieus worden genomen. Maar het merendeel van de mensen is niet tegen de wolf in Nederland. We leven in een parlementaire democratie, dus als we toch een betere oplossing hebben dan afschot, vind ik wel dat de staatssecretaris die moet meenemen. Meneer de Voorzitter, u hebt mij daarin gesteund in het verleden, toen u hier nog eenvoudig in de bankjes zat.

De voorzitter:

Ja, nog voordat ik Voorzitter was. Ja, ik was erbij.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben zeker altijd bereid te kijken naar minder verstrekkende opties. Ik denk alleen wel dat we in dit geval twee dingen uit elkaar moeten knippen. Het ene gaat over het voorkómen van incidenten met wolven die steeds meer problemen veroorzaken. Daar kan in het huidige juridische kader … Vandaar dat ik ook zeg dat het een laddertje is, een trapje dat je afloopt: zo veel mogelijk proberen het beest nog schuw te houden, dan komt verjagen en dan komt bij een probleemwolf inderdaad de vergunningverlening vanuit in dit geval een provincie om te kunnen overgaan tot afschot. Zoals ik net zei, ben ik bereid om in de bredere discussie van de lange adem te kijken of bij een gunstige staat van instandhouding anticonceptie inderdaad een betere oplossing zou kunnen zijn. Op dit moment moet ik die ruimte wel nog creëren, want op dit moment kan het juridisch nog niet standhouden. Dat is de complexiteit van dit dossier.

De voorzitter:

Mevrouw Ten Hove? Meneer Boomsma? Zeer galant. Gaat uw gang.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Op dit moment hebben wij dertien à veertien wolvenroedels in Nederland. De habitatgeschiktheidsanalyse van de Wageningen Universiteit zegt dat we voor een gunstige staat van instandhouding zeker 23 roedels moeten hebben in Nederland. Begrijp ik het dan goed dat de staatssecretaris er nog tien roedels bij wil hebben in Nederland?

Staatssecretaris Erkens:

Nee, de staatssecretaris wil er niet nog tien roedels bij hebben. Maar mijn voorganger, de heer Rummenie, heeft daarom nog een additioneel onderzoek uitgezet naar een staat van instandhouding die past bij Nederland. In het onderzoek wordt ook gekeken naar andere factoren dan alleen ecologische factoren, dus maatschappelijke factoren, het draagvlak, de economische impact et cetera. Die studie komt voor de zomer. Zodra ik die heb, zal ik een appreciatie ervan door het kabinet naar u sturen. Mijn voorganger heeft dit ook uitgezet om een second opinion te krijgen op het onderzoek waar u naar verwijst.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik ben dan benieuwd, zeg ik via de voorzitter, hoe de staatssecretaris dat in Europa gaat verkopen, zonder dat we helemaal kapotgeprocedeerd gaan worden.

Staatssecretaris Erkens:

Zodra wij het onderzoek naar de gunstige staat van instandhouding hebben, gaan wij ook zien of daar een andere conclusie uitkomt of niet. Het belangrijkste hierin is dat wij samen met Duitsland gaan kijken of we de definitie van "een gunstige staat van instandhouding" mogen maken samen met Duitsland en een paar andere landen waar de wolvenpopulatie ook naartoe gaat. Ze gaan ook heen en weer over de grens. Het is vrij gek om dit nationaal op te pakken, want nationaal hebben we gewoon vrij weinig ruimte op dit vlak. Ik ben dus ook voornemens om op relatief korte termijn naar Duitsland te gaan om daar het gesprek met de collega's over te openen.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ja, ik wil afronden. Dit vind ik heel positief. Ik wil nog even aanhaken op het feit dat al die mensen zo hun best doen met wolfwerende rasters en alle subsidiegelden die erheen gaan. Als je op de site van BIJ12 kijkt, is het ongelofelijk hoeveel werk daarin al is verzet en hoeveel belastinggeld er ook naartoe gaat. Het is echt belangrijk dat we daar snel wat aan gaan doen.

Staatssecretaris Erkens:

Ja, daar ben ik het mee eens. Voor dit signaal ben ik niet doof in dit geval. Ik moet zeggen dat ik mijn bezoek aan Barneveld wat dat betreft ook best wel heftig vond. Ik zag de foto's van een dierenarts van het vee, dat in de ochtend vaak nog leeft. Als veehouder tref je het zwaargewond aan en het moet dan uit zijn lijden worden verlost. Daar word je ook niet vrolijk van. Het signaal is dus helder.

De heer Boomsma (JA21):

Ik denk dat dit verstandige stappen zijn, maar om die gunstige staat van instandhouding vast te stellen was de heer Rummenie ook bezig om op basis van een onderzoek van Linnell en Boitani te bekijken of Nederland kan worden aangewezen als een klein land. Hij bekeek of het kan worden gedaan in een samenwerking, niet zozeer met Duitsland, want dat kan het moeilijk volhouden, maar wel met België en Luxemburg. Is dat dus ook een traject dat de staatssecretaris overneemt?

Staatssecretaris Erkens:

Ja, ook daarop zal ik terugkomen in die brief rondom die gunstige staat van instandhouding. Dat is een van de andere routes die bekeken wordt. Ik begreep wel dat de route met het definiëren van gemeenschappelijk gebied met Duitsland en andere landen de meest kansrijke is, maar daarmee schrijf ik de andere route nog niet af.

De heer Boomsma (JA21):

Mooi. We zien uit naar dat onderzoek. Ik heb nog een andere vraag. Ik begreep namelijk dat er op Bram, die natuurlijk inmiddels gedood is, autopsie is verricht. Daarbij is niet gekeken of hij hondsdolheid had, want daar was geen geld meer voor. Ik begreep dat dat onderzoek naar hondsdolheid eigenlijk zou moeten gebeuren, maar dat er geen geld is voor provincies om dat te doen. Dat lijkt me eigenlijk geen goede zaak.

De voorzitter:

Voor de kijkers thuis: het gaat om wolf Bram.

Staatssecretaris Erkens:

Mijn experts op het gebied van wolven luisteren mee. Laat ik tegen u zeggen dat ik daar in de tweede termijn op terugkom. Ik weet niet specifiek of wolf Bram is getest op hondsdolheid. Ik laat dat nu voor u uitzoeken, ervan uitgaande dat ze meeluisteren.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik ben supertevreden over de aanpak die de staatssecretaris tot nog toe kiest. Je ziet inderdaad dat het gedane voorwerk goed wordt meegenomen en dat er mooie stappen gezet worden. Ik vraag me af of de staatssecretaris, misschien wel samen met de minister, eens gaat kijken naar het beleid van terreinbeherende organisaties die op dit moment massaal hun kuddes uit de natuur halen. Die krijgen subsidie om de natuur te laten begrazen, maar kunnen dat niet meer doen, omdat de kuddes gewoon opgegeten worden door de wolf. Hoe gaat de staatssecretaris met de minister in gesprek over wat we daarmee doen? Blijven we subsidies geven voor werk dat niet gedaan wordt omdat ze het niet kunnen doen?

Staatssecretaris Erkens:

Nee, op dit moment is er nog geen beleid voor. Ik vind het geen gekke vraag die mevrouw Den Hollander stelt. Laten we dit dus meenemen in de verdere uitwerking van de aanpak op dit vlak. Ik denk dat het logisch is om dat te koppelen aan de ruimtelijke visie voor wolven, die we dit najaar opstellen. Het lijkt me logisch dat je dit soort factoren meeneemt bij het kijken naar welk gebied daarvoor geschikt is en welk gebied minder.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

In aanvulling: dat begrazen van natuurgebied is gewoon keihard nodig voor natuurherstel, of in ieder geval voor het voorkomen van natuurverval. Het is een beetje dweilen met de kraan open als je aan de ene kant heel hard de natuur probeert te herstellen en als de wolf aan de andere kant alles aan het opeten is wat nodig is om de natuur te herstellen. Ik zou er echt heel veel aandacht voor willen vragen dat dit niet verder kan op deze manier.

Staatssecretaris Erkens:

Het signaal is helder. Ik neem 'm mee.

De heer Flach (SGP):

Ik vind het heel goed dat de staatssecretaris zich in Barneveld georiënteerd heeft. Dat is de wolvenhoofdstad van Nederland. Dan hoef ik eigenlijk geen woorden meer te wijden aan de urgentie van het probleem. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat de AMvB nog een keer terugkomt naar de Kamer en dat de review nog loopt tot de zomer. Dat betekent dat er in dit seizoen, waarin er allerlei jongen bij komen, helemaal niks gaat gebeuren. Wat gaat de staatssecretaris in dit seizoen doen voor al die mensen die met zorg kijken naar de groei van die populatie?

Staatssecretaris Erkens:

Laat ik de AMvB op dit vlak even terugleggen bij de Kamer. Wij willen 'm inderdaad zo snel mogelijk af hebben en indienen. Ik heb er nu voor gekozen om dat te doen richting het commissiedebat Natuur van 4 juni. Als wij hem eerder af hebben, kunnen we 'm ook eerder invoeren. Maar dan zal de Kamer in de procedurevergadering ervoor moeten kiezen om dit eerder te bespreken. Wat mij betreft is dat heel verstandig, want we missen anders wel een deel van het seizoen; daarin heeft de heer Flach gelijk. Die spoed zou dus geboden kunnen zijn, maar ik leg deels bij de Kamer terug of die daartoe bereid zou zijn. Dan zal ik proberen om het voorstel zo snel mogelijk te versturen. Dat zou voor 4 juni kunnen, en dan niet de dag van tevoren. Dan hoop ik dat de Kamer die urgentie ook voelt. Ik heb zelf ook de behoefte om snel resultaten te boeken.

De heer Flach (SGP):

Dank, zeg ik richting de staatssecretaris. Wat de SGP betreft is er op dit dossier geen dag te verliezen, dus ik zal proberen daaraan bij te dragen.

De heer Graus (PVV):

Ik heb mij ooit met Lutzke Jacobi, een oud-Kamerlid van de PvdA, ingezet voor de gescheperde schaapskuddes. Ik heb contact gehad met bepaalde mensen die met schaapskuddes en getrainde honden lopen. Zij schijnen weinig tot geen last te hebben van de wolf, zeg ik in aansluiting op de interruptie van mijn collega van de VVD. Het schijnt dat er helemaal niets gebeurt als je bepaalde honden bij die kuddes hebt lopen. Ik wil wel dat de staatssecretaris dat meeneemt. We zijn vaak veel te ver aan het zoeken, terwijl de oplossingen er al liggen. In Afrika zijn er zelfs mensen die zich met boerboels — dat zijn bepaalde honden — beschermen tegen leeuwen. Zo kun je kuddes ook met dieren beschermen tegen de wolf.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben bereid om naar andere oplossingen te kijken in de sporen die ik uitzet. Dit zullen we zeker kunnen meenemen richting de experts. Ik weet wel dat het afhangt van de hondensoort. Er zijn namelijk ook incidenten geweest waarbij de hond voor de wolf juist een trigger vormde om over te gaan tot een aanval. Vanuit die grondhouding zal ik het meenemen.

De voorzitter:

Een interruptie van de heer Koorevaar. Daarna gaat de staatssecretaris de openstaande amendementen appreciëren.

De heer Koorevaar (CDA):

Ik heb een korte vraag aan de staatssecretaris. Er wordt vaak gesproken over wolfwerende rasters, maar er wordt niet zo vaak gesproken over de tijd die boeren, schaapherders of wie dan ook kwijt zijn om die rasters te plaatsen. Is de staatssecretaris bereid om te kijken naar het vergoeden van die tijd?

Staatssecretaris Erkens:

Op dit moment zijn er überhaupt al te weinig vergoedingen op het gebied van de rasters. Die middelen zijn op. Sta mij toe om eerst met provincies en gemeenten in gesprek te gaan om te bekijken hoe we daarvoor een oplossing vinden. Ik wil daarbij wel de kanttekening maken dat rasters wat mij betreft ook niet zaligmakend zijn. We gaan toe naar gebieden waarin de kans op interactie tussen wolf en mens groter wordt of al groot is. Daar moet je inzetten op rasters, maar ik zou willen voorkomen dat we dat in heel Nederland op elke mogelijke plek gaan doen. Wat mij betreft kunnen we op die manier in de ruimtelijke visie op de wolf met provincies handvatten maken voor welke oplossing op welke plek het meest logisch is, en zo ook het meest effectief met het geld omgaan. Ik sprak maandag met een schapenhouder in Barneveld. Die gaf aan dat hij elke drie, vier dagen bezig is met het verplaatsen van de rasters en dat dit ontzettend veel tijd kost. Wat mij betreft doen we dit dus enkel op de plekken waar de noodzaak ervoor is. De heer Koorevaar heeft gelijk; het kost ook gewoon heel veel tijd.

De heer Koorevaar (CDA):

Afsluitend dan. We ondersteunen uw pleidooi voor beheer en dat u daar ook veel haast mee wil maken. Ik ben blij dat de staatssecretaris ook wil kijken naar tijd, naast ruimte, ruimtelijk beleid. Dat begrijpt de CDA-fractie. Nogmaals, ik doe wel het pleidooi aan de staatssecretaris om, daar waar het wel moet, na te denken over de tijd en hoe we die vergoeden.

Staatssecretaris Erkens:

Ik ben bereid erover na te denken en het mee te nemen. Ik zeg daarbij nog niet toe dat ik het ga vergoeden. Dat wil ik bezien in het geheel van de maatregelen en de vraag waar we het geld het meest effectief kunnen uitgeven.

De voorzitter:

We komen bij de amendementen.

Staatssecretaris Erkens:

De amendementen. Heeft u de nummers eerst nodig, of zegt u: één voor één de nummers noemen, en we gaan er lekker doorheen?

De voorzitter:

Ja, waarom niet. We beginnen bij nummer 21, volgens mij.

Staatssecretaris Erkens:

Het amendement op stuk nr. 21 van Podt en Bromet over aanvullende middelen voor het CTGB inzake de markttoegang van groene middelen. Ik onderschrijf hierbij het belang dat telers meer beschikking moeten krijgen over groene middelen om ziekten en plagen te kunnen bestrijden. Binnen het Europese Omnibusvoorstel worden er nu voor voedsel- en landbouw serieuze stappen gezet om de markttoegang en de goedkeuring van groene middelen te verbeteren. Het blijft daarnaast wel belangrijk dat we ook in Nederland de aanvragers kunnen helpen door deze aanvragen snel te beoordelen. Met de aanvullende middelen kan het CTGB in de komende jaren verder inzetten op groene beoordelingsmethodieken, implementatie van het Omnibusvoorstel en het verkorten van de beoordelingstermijnen van groene stoffen. Ik geef dit amendement dan ook oordeel Kamer, aangezien het in lijn is met het ingezette beleid in de convenanten.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 21 krijgt oordeel Kamer. Dan het amendement op stuk nr. 23.

Staatssecretaris Erkens:

Het amendement op stuk nr. 23 gaat over de compensatie voor pelsdierhouders, de niet-appellanten en de appellanten. Ik snap de insteek van mevrouw Van der Plas en vind die ook sympathiek. Ik wil daarbij wel vooropstellen dat alle nertsenfokkers zijn gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik hebben van de beschikbare productiecapaciteit. De pelsdierhouders die bezwaar hebben aangetekend tegen de hoogte van de ontvangen compensatie, hebben gelijk gekregen van het CBb. Deze pelsdierhouders, de zogeheten appellanten, zijn inmiddels aanvullend gecompenseerd, gezien de uitspraak. Maar dit amendement roept mij op om de niet-appellanten ook te compenseren. Ik begrijp waar dit verzoek vandaan komt, maar het vervaagt wel de positie, ook juridisch, tussen appellanten en niet-appellanten. Dat heeft mogelijk een heel brede precedentwerking. Dat zou namelijk een breuk betekenen met het principe van formele rechtskracht, en daarmee vergaande gevolgen hebben, ook voor andere dossiers in de toekomst. Daardoor moet ik dit amendement ook ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 23 is ontraden. Mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik kan hier echt heel boos over worden. Mensen, bedrijven, ondernemers, gezinnen zijn gedwongen hun activiteiten te staken. Gedwongen. Die compensatie is niet goed geweest. Daar is een rechtszaak over geweest. Mensen zijn in het gelijk gesteld. Maar de mensen die niet de rechtszaak hebben gevoerd, wie precies hetzelfde is overkomen, worden nu niet gecompenseerd. Dus de overheid zegt tegen je: u moet met uw bedrijf stoppen; hier heeft u geld. Dat geld is niet genoeg. De rechter zegt: overheid, u moet eerlijker betalen. En dan gaat het alleen naar de mensen die een rechtszaak hebben gevoerd, en niet naar de andere mensen.

De voorzitter:

Uw vraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik kom op mijn vraag, maar dit maakt mij gewoon witheet. Er zijn straks meer mensen in Nederland die ook voor een fout van de overheid gecompenseerd moeten worden. Als dat dan alleen gaat over de mensen die een rechtszaak hebben gevoerd en niet over de andere mensen, dan zegt de overheid eigenlijk tegen iedereen die gedupeerd is door diezelfde overheid: zoek het maar lekker uit. Ik vind dat gewoon niet kunnen!

Staatssecretaris Erkens:

Ik snap de emotie van mevrouw Van der Plas hierin. Ik snap waar die vandaan komt. Ik snap dat ook bij de pelsdierhouders zelf. Alleen, dit is de manier waarop we dit vanuit de Staat juridisch met elkaar doen. Dit heeft een precedentwerking op alle mogelijke rechtszaken in de toekomst. Vandaar dat ik het moet ontraden. Het is ook niet ongebruikelijk dat we het zo doen. Hetzelfde gold ook voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten voor COVID-19 en voor de beoordeling van natuurpercelen voor het GLB. Daar waren toentertijd dezelfde discussies over. Ik snap de frustratie dus wel op dat vlak. Tegelijkertijd zou hier wel sprake zijn van brede precedentwerking. Vanuit die gedachte moet ik 'm ontraden.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas. Maar hou het kort en bondig.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Sorry, ik vind het gewoon allemaal juridische blabla. Echt waar! De overheid maakt hier gewoon een fout. Je maakt een fout in de compensatie. Dan kan er hier in de Kamer gelachen worden als ik "juridische blabla" zeg, maar het is verdorie de overheid die hier een fout maakt ten aanzien van onze burgers. Die burgers moeten eerst naar een rechter stappen om gewoon hun recht te halen. Hun recht! Vervolgens zegt de overheid: "Dan is er precedentwerking. Zo hebben we dat juridisch nu eenmaal bepaald. Doei allemaal!" Ongeacht wat voor bedrijven het zijn, ongeacht of het een pelsdierhouder, een andere ondernemer of een burger is, moeten we dat met z'n allen toch niet willen? De overheid maakt gewoon een fout! Die mensen zijn gewoon benadeeld. Dat zijn de burgers van ons land! En dan gaat de staatssecretaris hier zeggen: "Sorry, dat hebben we juridisch zo geregeld. Sorry, maar dan is er precedentwerking, want dat is daar en daar ook gebeurd." Het is een grof schandaal dat het daar is gebeurd! De overheid moet gewoon eerlijk zijn naar haar burgers en fouten moeten worden hersteld. We hebben een toeslagenschandaal van hier tot Tokio gehad. Dat was óók veroorzaakt door de overheid. Dit kán gewoon niet.

Staatssecretaris Erkens:

Nogmaals, ik snap wat mevrouw Van der Plas hier zegt, maar tegelijkertijd zeg ik: die precedentwerking kan veel breder zijn, met grote gevolgen voor de overheid voor zaken die misschien anders zijn dan deze. Vandaar dat ik 'm moet ontraden. Het staat de pelsdierhouders die nog niet bij de rechter zijn geweest, natuurlijk wel vrij om die stap zelf ook te zetten.

De voorzitter:

Afrondend.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

De overheid moet gewoon juist compenseren. Die mensen moeten niet naar een rechter hoeven stappen en door jarenlange procedures gaan. Als je dat hier aan de orde stelt omdat het misschien over pelsdierhouders gaat, en dat er hier achter mij dan een beetje gelachen wordt … Dat moet helemaal niet kunnen. De overheid moet gewoon haar zaken op orde hebben en mensen in Nederland eerlijk gaan behandelen, zeker als je mensen dwingt om hun bedrijf te verkopen, om wat voor reden dan ook. Ik voorzie een hele slechte toekomst voor de boeren die mogelijk straks ook gedwongen worden uitgekocht door dit kabinet. Ik vind dat gewoon niet kunnen. Ik wilde zeggen "sorry voor mijn emoties", maar ik zeg helemaal niet sorry voor mijn emoties. Ik zeg sorry voor mijn stemverheffing. Maar dit is hoe wij met burgers omgaan in Nederland. Dat is gewoon afschuwelijk.

Staatssecretaris Erkens:

Ik snap dat mevrouw Van der Plas dat zegt. Dat neem ik ook ter harte. We moeten hier ook niet lacherig over doen, want dit heeft wel een grote impact op veel mensen.

De voorzitter:

U apprecieert nog twee amendementen.

Staatssecretaris Erkens:

Dan het amendement op stuk nr. 24 over het overhevelen van middelen van het CoP-Noordzeebudget naar het Visserij Innovatie Netwerk. De doelen van de CoP Noordzee, de Community of Practice Noordzee, en het Visserij Innovatie Netwerk zijn verschillend. Het Visserij Innovatie Netwerk is het onafhankelijke netwerk voor de realisatie van innovaties in de visserijsector en de CoP Noordzee stimuleert brede innovaties en samenwerking op de Noordzee. Vanuit de doelstelling van de ministeries is het op dit moment nodig om beide netwerken financieel te blijven ondersteunen. In 2026 zal er een doelevaluatie plaatsvinden. Die evaluatie wachten we af. Vandaar dat ik het amendement nu ontraad, omdat het daarop vooruitloopt. Maar ik ben wel bereid om bij die evaluatie ook te kijken naar de optie die mevrouw Van der Plas voorstelt, omdat dit kabinet, waar het kan, ook echt kijkt naar de vermindering van regeldruk en het samenvoegen van programma's. Ik ben bereid om dit daarin mee te nemen, maar het amendement loopt vooruit op de evaluatie, dus daarom ontraad ik 'm wel.

De voorzitter:

Tot slot. Het amendement op stuk nr. 31.

Staatssecretaris Erkens:

Het amendement op stuk nr. 31 van de heer Flach over praktijkonderzoek en over het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030. Ik ben bereid aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor de start van het Praktijkprogramma Plantgezondheid, mede in het licht van de convenanten. We hebben daar al eerder over van gedachten gewisseld. Ik ga daar met veel ambitie mee aan de slag met de sectorpartijen. Daar wil ik ook het vervolg op deze maatregelen bespreken. Ik kan dit amendement, dat daar goed op vooruitloopt, oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris.

Daarmee zijn we aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Het woord is aan mevrouw Bromet, die zal spreken namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Termijn inbreng

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat biologische landbouw een belangrijke bijdrage kan leveren aan verduurzaming van de landbouw, aan het verminderen van de stikstofemissie, aan het verlichten van de mestmarkt en aan het verbeteren van de waterkwaliteit, het dierenwelzijn en de biodiversiteit;

constaterende dat biologische landbouw een voor de hand liggende invulling kan zijn voor de zoneringsopgaven;

constaterende dat voor 2030 15% van de Nederlandse landbouw biologisch moet zijn en daarvoor nog een grote inhaalslag nodig is;

verzoekt de regering een versnellingsplan biologische landbouw op te stellen teneinde het 2030-doel voor de biologische landbouw te behalen;

verzoekt de regering om actief in te zetten op de omschakeling naar biologische landbouw in de gebiedsgerichte en zoneringsaanpak;

verzoekt de regering om de Kamer voor de zomer over de uitwerking van deze motie te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 32 (36800-XIV) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland al jarenlang op een stikstofslot zit en niet voldoet aan de wettelijke verplichtingen om de natuurkwaliteit te borgen;

overwegende dat VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu gezamenlijk een routekaart hebben opgesteld waarmee natuurherstel en vergunningverlening versneld en geborgd kunnen worden;

verzoekt de regering om de voorstellen van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu met betrekking tot doelen, maatregelen en borging zwaar mee te laten wegen in de uitwerking van de nationale stikstofaanpak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 33 (36800-XIV) (#2).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet voor de zomer zowel met een stikstofmaatregelenpakket komt als een ontwerp-AMvB Dierwaardige Veehouderij;

overwegende dat boeren erbij gebaat zijn verschillende opgaven zo veel mogelijk in samenhang te kunnen implementeren;

verzoekt de regering bij de uitwerking van de AMvB Dierwaardige Veehouderij in te zetten op versnelling;

verzoekt de regering dierwaardigheid nadrukkelijk te betrekken bij de stikstofaanpak van het kabinet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet en Ouwehand.

Zij krijgt nr. 34 (36800-XIV) (#3).

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik had er nog een, voorzitter, maar mijn tijd is op.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Bromet. Het woord is aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer voor haar inbreng namens D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Dank u wel, voorzitter. In de eerste termijn en in een interruptie heb ik gevraagd naar het natuurherstelplan. We hebben het terecht veel gehad over de agrarische sector, gelukkig vaak in samenhang met de toekomst van de natuur. Die twee kunnen niet los van elkaar worden gezien. Een gezonde natuur is een randvoorwaarde voor een gezond Nederland. Daarom dien ik als aanmoediging de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland in september 2026 een nationaal concept-natuurherstelplan aanlevert ter uitvoering van de Natuurherstelwet;

overwegende dat er een toekomstbestendig natuurherstelplan nodig is om te voldoen aan de wettelijke kaders en om zorg te dragen voor langdurige juridische houdbaarheid en langetermijnzekerheid voor alle betrokkenen;

overwegende dat maatregelen die bijdragen aan het oplossen van de stikstofcrisis of de uitvoering van het Natuurpact ook de doelstellingen van de Natuurherstelwet dienen, en dat samenhang tussen deze trajecten daarom van belang is, mede om elke uitgegeven euro optimaal te besteden;

verzoekt de regering om bij de invulling van het nationaal natuurherstelplan in te zetten op een sterk samenhangend en integraal plan dat ecologisch effectief is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vellinga-Beemsterboer.

Zij krijgt nr. 35 (36800-XIV) (#4).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Podt voor haar inbreng in de tweede termijn, eveneens namens D66. Gaat uw gang.

Mevrouw Podt (D66):

Voorzitter. Ik heb nog één vraag aan beide bewindspersonen over bestrijdingsmiddelen. Er speelt in de provincies veel als het gaat om siertelers en andere gebruikers van chemische bestrijdingsmiddelen. Zoals ik al aangaf in mijn inbreng heeft dat negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden. Daardoor worden ze misschien ook vergunningsplichtig. De minister gaat in de gebiedsgerichte aanpak en in de zonering aan het werk om te zorgen voor de instandhouding van natuurgebieden en de waterkwaliteit. In september is er een motie van mijn hand aangenomen om een centraal register op te zetten om professioneel middelengebruik in kaart te brengen, bijvoorbeeld om de kennis over wat waar wordt gebruikt te vergroten. Mijn vraag is hoe het daarmee staat. Tevens wil ik weten of we zo'n register ook kunnen gebruiken in de zoneringsaanpak, juist omdat we dan kunnen monitoren wat waar gebeurt in de gebieden waar dat zo ontzettend hard nodig is.

Ik heb ten slotte nog een motie over het tegengaan van voedselverspilling.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Nederland nog steeds 20% van ons voedsel wordt verspild en dat voedselverspilling zonde is van alle aandacht en energie die er is gestoken in het verbouwen, kweken en verwerken ervan;

constaterende dat de voedselverspilling een negatief effect heeft op het klimaat, onze bodem, water en natuur, en zorgt voor meer grondgebruik dan nodig;

overwegende dat het Burgerberaad Klimaat aanbevelingen heeft gedaan over voedselverspilling die bijna unaniem zijn aangenomen;

overwegende dat boeren met een onverwacht grote oogst deze vaak niet kunnen verkopen binnen de lopende afspraken met supermarkten;

overwegende dat er een aantal supermarkten zijn die het goede voorbeeld geven door met boeren waar ze mee werken afspraken te maken over het overnemen van de volledige productie, waarbij elk deel van geproduceerde producten wordt gebruikt;

verzoekt de regering met de ketenpartners concrete afspraken te maken voor vergroting van het aandeel "total use", waarbij de volledige productie van boeren zo hoogwaardig mogelijk wordt benut, dit actief te monitoren en hierover aan de Tweede Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Podt en Lohman.

Zij krijgt nr. 36 (36800-XIV) (#5).

Mevrouw Podt (D66):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Chris Jansen voor zijn inbreng namens de PVV. Gaat uw gang.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank, voorzitter. Dank aan beide bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat agrarische ondernemers al veel te lang lijden onder de stikstofdiscussie;

van mening dat dit nu moet stoppen;

verzoekt de regering om in samenspraak met medeoverheden in iedere provincie ten minste tien agrarische bedrijven die in de problemen zijn geraakt door veranderende regelgeving nu, zonder vooraf gebleken reductiemaatregelen, de ruimte te geven om hun bedrijfsvoering weer op te starten en vrijwillig aan te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 37 (36800-XIV) (#6).

De heer Chris Jansen (PVV):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de ellende rondom de PAS-melders al jarenlang voortduurt;

van mening dat deze mensen nu eindelijk weleens duidelijkheid verdienen;

verzoekt de regering om binnen uiterlijk zes maanden alle PAS-melders te legaliseren en de Kamer tussentijds te informeren over de voortgang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 38 (36800-XIV) (#7).

De heer Chris Jansen (PVV):

En de laatste, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland voor veel zaken afhankelijk is van andere landen;

van mening dat voedselzekerheid in Nederland van nationaal belang is;

verzoekt de regering om voedselzekerheid expliciet als uitgangspunt op te nemen in toekomstig landbouw- en visserijbeleid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 39 (36800-XIV) (#8).

Dank u wel, meneer Jansen. Het woord is aan de heer Graus voor zijn inbreng, eveneens namens de PVV. Gaat uw gang.

De heer Graus (PVV):

Dank u wel, meneer de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een fonds in het leven te roepen voor de opvang van door diezelfde regering verboden dieren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 40 (36800-XIV) (#9).

De heer Graus (PVV):

Het is namelijk te gek voor woorden dat een regering verbiedt om dieren te houden en dat daar vervolgens geen opvang voor is. Dat is eigenlijk een beetje Fawlty Towers, hè?

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om een zwarte lijst met alle recidiverende broodfokkers en illegale dierenhandelaren, en de eventuele reden waarom er nog geen (zelfstandig) houdverbod en beroepsverbod is opgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 41 (36800-XIV) (#10).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering het minimaal opleggen van een gevangenisstraf en een (levenslang) houdverbod te kaderen voor rechters, opdat dierenbeulen niet steeds met taakstrafjes de dans ontspringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 42 (36800-XIV) (#11).

De heer Graus (PVV):

Er mag niet verwezen worden naar Justitie en Veiligheid, want de regering spreekt met één mond en luistert met één oor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de richtlijnen van het OM inzake dierenmishandeling en -verwaarlozing op te nemen in de oriëntatiepunten waar rechters hun straffen op baseren (Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 43 (36800-XIV) (#12).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering in navolging van de zeer succesvol en effectief gebleken specialistische dierenpolitie en dieren-OvJ's ter zake deskundige dierenrechters op te leiden, opererend onder de bestaande strafkamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 44 (36800-XIV) (#13).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om een verbod op reptielenbeurzen onder de huidige Wet dieren en het Besluit houders van dieren, daar deze wet permanent wordt overtreden en het welzijn van voor de dierhouderij ongeschikte dieren ernstig wordt geschaad in te kleine magnetron- en bamibakjes onder erbarmelijke omstandigheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 45 (36800-XIV) (#14).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering zorg te dragen dat het zeer succesvolle, doch zwaar overbelaste meldpunt 144 Red een dier 24/7 van voldoende centralisten wordt voorzien op weg naar een alarmcentrale met verplichte opvolging,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus.

Zij krijgt nr. 46 (36800-XIV) (#15).

De heer Graus (PVV):

De laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering het voortbestaan van het Veterinair Forensisch Team te borgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Kostić.

Zij krijgt nr. 47 (36800-XIV) (#16).

Dank u wel, meneer Graus. Het woord is aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng namens de VVD. Gaat uw gang.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Voorzitter, volgens mij heb ik vijf minuten en geen twee, want ik heb er tien gebruikt in de eerste termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dat klopt.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Allereerst wil ik complimenten geven aan de minister en de staatssecretaris, die nieuw in hun rol de vragen echt goed hebben beantwoord. Met hen is, in mijn ogen in ieder geval, een prettig debat gevoerd. Dus dank daarvoor.

We hebben vijf moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat agrarische ondernemers voor grote investeringen staan op het gebied van emissiereductie, duurzaamheid en dierenwelzijn;

overwegende dat een sterke liquiditeitspositie van agrarische ondernemers noodzakelijk is om deze investeringen mogelijk te maken;

overwegende dat fiscale instrumenten een effectieve en administratief eenvoudige manier kunnen zijn om ondernemerschap op het boerenerf te ondersteunen;

verzoekt de regering te onderzoeken welke fiscale maatregelen de liquiditeitspositie van agrarische ondernemers kunnen versterken, daarbij specifiek te kijken naar ondersteuning van jonge boeren en instrumenten die investeringen in innovatie, emissiereductie en duurzaamheid stimuleren en de Kamer hier uiterlijk medio 2026 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander, Koorevaar, Goudzwaard, Grinwis en Flach.

Zij krijgt nr. 48 (36800-XIV) (#17).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland wereldwijd toonaangevend is op het gebied van tuinbouw, zaadveredeling en biotechnologie;

constaterende dat nieuwe genomische technieken belangrijke kansen bieden voor het ontwikkelen van gewassen die productiever zijn en beter bestand zijn tegen natuurlijke omstandigheden;

overwegende dat deze innovaties kunnen bijdragen aan duurzame voedselproductie en voedselzekerheid voor een groeiende wereldbevolking;

overwegende dat Nederland zijn internationale koploperspositie wil behouden en verstevigen;

overwegende dat hiervoor een goede samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen noodzakelijk is;

verzoekt de regering voor de zomer samen met bedrijfsleven en kennisinstellingen te komen tot een ambitieuze innovatieagenda voor tuinbouw, zaadveredeling en biotechnologie, hiervoor de benodigde middelen te reserveren, en in Europees verband actief in te zetten op een ambitieus en innovatievriendelijk beleid ten aanzien van nieuwe genomische technieken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander, Meulenkamp, Koorevaar, Podt, Grinwis, Boomsma, Van der Plas en Chris Jansen.

Zij krijgt nr. 49 (36800-XIV) (#18).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat innovatieve technieken zoals mestvergisting en het verzuren van mest kunnen bijdragen aan een substantiële reductie van ammoniakemissies;

constaterende dat mestvergisting daarnaast bijdraagt aan de productie van groen gas en daarmee aan de energietransitie;

overwegende dat agrarische ondernemers bereid zijn te investeren in emissiereducerende technieken, maar dat vergunningverlening en bureaucratische procedures dit vaak bemoeilijken;

overwegende dat uitbreiding van mestverwerking en regionale vergisting kan bijdragen aan zowel stikstofreductie als het verkleinen van het mestoverschot;

verzoekt de regering de mogelijkheden voor mestverwerking en (regionale) mestvergisting te vergroten, knelpunten in vergunningverlening en regelgeving die de ontwikkelingen belemmeren weg te nemen en de Kamer hierover voor het einde van het jaar te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander, Flach, Grinwis en Koorevaar.

Zij krijgt nr. 50 (36800-XIV) (#19).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de terugkeer van de wolf in Nederland leidt tot maatschappelijke onrust, schade aan landbouwhuisdieren en zorgen over veiligheid;

constaterende dat er tevens sprake is van een enorm negatief effect op de toeristische sector in wolvengebieden;

overwegende dat gemeenten en provincies behoefte hebben aan een helder en juridisch houdbaar kader voor wolvenbeheer;

overwegende dat eerdere voorstellen voor regelgeving twijfels opriepen over de juridische houdbaarheid;

verzoekt de regering zo spoedig mogelijk te komen met een juridisch houdbare beheerstrategie voor het aanpakken van probleemwolven en probleemsituaties, daarbij nadrukkelijk aandacht te besteden aan monitoring en preventie en medeoverheden actief te betrekken bij de uitwerking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander, Lohman en Grinwis.

Zij krijgt nr. 51 (36800-XIV) (#20).

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat castratie van vrij rondlopende katten op agrarische erven kan bijdragen aan betere bescherming van de natuur en verbeterd dierenwelzijn;

overwegende dat castratie van katten een diervriendelijke manier is om populatiegroei en territoriumomvang van katten te beperken;

overwegende dat binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ruimte bestaat om via pilots aanvullende maatregelen te verkennen die het broedsucces van weidevogels kunnen ondersteunen;

overwegende dat een tijdelijke pilot kan bijdragen aan beter inzicht in de effectiviteit en uitvoerbaarheid van een dergelijke maatregel;

verzoekt de regering

  • in samenwerking met provincies binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) een pilot te starten van maximaal drie jaar in ten minste één provincie, waarbij het verstrekken van subsidies voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer gericht op weidevogels afhankelijk kan worden gesteld van het aantoonbaar laten castreren van vrij rondlopende katten die worden gehouden op het agrarisch erf waarop de subsidie betrekking heeft;
  • bij de uitvoering van deze pilot aandacht te besteden aan controle, registratie en samenwerking met dierenartsen en dierenhulporganisaties;
  • de pilot te financieren binnen bestaande middelen voor het ANLb, mede met mogelijke cofinanciering vanuit dierenartsen en dierenhulporganisaties, zonder aanvullende begrotingsclaim;
  • en de Kamer over de uitkomsten van de pilot te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander en Kostić.

Zij krijgt nr. 52 (36800-XIV) (#21).

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Meneer Goudzwaard krijgt het woord voor zijn inbreng namens JA21. Gaat uw gang.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dank, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland momenteel 162 Natura 2000-gebieden kent;

overwegende dat Nederland met de Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland reeds beschikt over een omvangrijk netwerk van beschermde natuurgebieden;

overwegende dat de aanwijzing van Natura 2000-gebieden grote en veelal onvoorziene gevolgen heeft gehad voor vergunningverlening, landbouw, woningbouw en infrastructuur;

verzoekt de regering geen nieuwe Natura 2000-gebieden in Nederland aan te wijzen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.

Zij krijgt nr. 53 (36800-XIV) (#22).

De heer Goudzwaard (JA21):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Natuurpact leidt tot uitbreiding en verbinding van natuurgebieden via het Natuurnetwerk Nederland;

overwegende dat uitbreiding van natuurgebieden en natuurmaatregelen in toenemende mate druk legt op de beschikbare ruimte voor landbouw en andere economische functies in het landelijk gebied;

overwegende dat een vitaal platteland afhankelijk is van een gezonde agrarische sector en economische bedrijvigheid;

verzoekt de regering om bij toekomstige afspraken over natuurbeleid na 2027 te waarborgen dat natuurontwikkeling, landbouw en andere economische functies gelijkwaardig worden meegewogen in de besluitvorming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.

Zij krijgt nr. 54 (36800-XIV) (#23).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Boomsma, eveneens van JA21.

De heer Boomsma (JA21):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat:

  • de natuur van Caribisch Nederland tot de meest bijzondere natuurgebieden van Nederland behoort;
  • de financiering van natuurbescherming incidenteel, versnipperd en ontoereikend is;
  • het coalitieakkoord de intentie bevat om fase 2 van het NMCB voort te zetten, maar onduidelijk is hoe en waar het rijksbreed is belegd;
  • de randvoorwaarde voor effectief natuurherstel is dat parkbeheer op orde is en dat wetenschappelijk onderzoek en monitoring geborgd zijn;

verzoekt de regering:

  • met een integraal plan van aanpak te komen voor de uitvoering van fase 2 van het Natuur- en milieubeleidsplan Caribisch Nederland;
  • de Kamer z.s.m. een integraal overzicht te sturen met de bedragen, artikelen, uitvoerders en de resultaatsturing/rapportage per NMBP-doel;
  • daarbij een voorstel te doen voor de structurele financiering van parkbeheer, onderzoek en monitoring van de natuur, en de Kamer vervolgens jaarlijks te informeren over voortgang en doelbereik,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Grinwis.

Zij krijgt nr. 55 (36800-XIV) (#24).

De heer Boomsma (JA21):

En dan de nummer twee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de manier waarop natuurdoelen en ambities in wetgeving worden omgezet kan leiden tot juridische fuiken die een integrale belangenafweging frustreren, en zelfs vergunningverlening voor projecten die sterk bijdragen aan natuurherstel kunnen belemmeren;

overwegende dat het goed mogelijk is om ambitieuze natuurdoelen te verwezenlijken en aan alle Europese verplichtingen te voldoen zonder onnodige juridisering;

verzoekt de regering bij het uitwerken van nieuwe natuurwetgeving, waaronder die gericht op de implementatie van de Natuurherstelverordening, de Kaderrichtlijn Water, de Habitatrichtlijn en nieuwe stikstofwetgeving, binnen ruimte die Europese regelgeving biedt:

  • te waarborgen dat bij vergunningverlening en beheer voldoende ruimte blijft voor een integrale belangenafweging;
  • ambities zodanig vorm te geven dat deze proportioneel en uitvoerbaar zijn en niet leiden tot onnodige juridisering;
  • daarbij te bezien of, naar voorbeeld van onder meer Frankrijk, bij vergunningverlening onderscheid kan worden gemaakt tussen activiteiten met een hoog en laag risico op significante effecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Grinwis.

Zij krijgt nr. 56 (36800-XIV) (#25).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Koorevaar namens het CDA. Gaat uw gang.

De heer Koorevaar (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Als je zo naar de tweede termijn luistert, dan lijkt het meer een wedstrijd snel voorlezen dan dat het gaat over beleid. Ik heb geen moties, maar ik heb wel nog een aantal vragen en wellicht krijg ik nog een aantal toezeggingen. Ik zou liever geen motiekoning willen worden, maar eerder koning toezegging.

Er zijn vandaag heel wat belangrijke stappen besproken. Ik denk dat heel veel mensen thuis denken: wat moet of kan ik nu gaan doen? We hebben de beantwoording van de minister en de staatssecretaris gehoord. Ik moet zeggen dat die weloverwogen was. Die gebeurde op een manier die ertoe heeft geleid dat de houding van de Kamer is: we hebben een constructief gesprek gehad. Dank u wel, daarvoor.

We hebben het vaak over techniek. Ik zou het graag ook willen hebben over de sociaal-economische kant van de zaak. Allereerst wil ik de minister ervoor danken dat hij het pad heeft geschetst om te komen tot een productschap. Ik zal daarin zelf mijn bijdrage leveren op het vlak van visievorming. Graag verzoek ik de minister om de Kamer over de stappen richting de zomer te blijven informeren. Dat deed hij eerder in het debat van vandaag ook, maar ik vraag hem om dat te blijven doen.

Ten tweede wil ik ingaan op maatregelen voor kleine boeren. In mijn eerste termijn gaf ik al aan dat het voor het CDA belangrijk is dat er aparte aandacht is voor kleine boeren en grote boeren, maar dat het ook gaat om het handelingsperspectief. Ook de instrumentenkoffer voor kleinere boeren moet goed gevuld zijn. Ik denk dat de toezegging hieromtrent nog niet helder genoeg was. Daarom vraag ik de minister om een toezegging te doen waardoor kleine boeren handelingsperspectief houden, zoals door het aanzuren van mest. Gewoon heel specifiek: kunt u toezeggen dat die maatregel ook in de maatregelenkoffer komt?

Ten derde kom ik bij de jonge boeren en vrouwen. Het CDA vindt het belangrijk dat er in de sector ruimte is voor jonge boeren en vrouwen om te ondernemen, innoveren en verbinden. Nederland heeft het laagste aantal vrouwelijke agrarische ondernemers in de EU, terwijl de voordelen groot zijn en we de potentie van deze groep ook nodig hebben. Daarom heb ik nog een aanvullende vraag. Kan de minister onderzoeken welke belemmeringen vrouwelijke agrariërs ervaren bij toegang tot financiering en pachtgrond en de Kamer hierover informeren? Graag een toezegging.

Dan landelijke regie. Per provincie wordt een aparte aanpak gehanteerd, omdat provincies vooruit wilden en daarin zelf een weg kozen. Het mag niet zo zijn dat de provinciale plannen drastisch verschillen. Er moet sterke landelijke regie zijn, zodat er vanuit een ruimtelijk plan gestuurd kan worden. Per provincie zal dan binnen die regie een aanpak worden gehanteerd. We hebben de minister horen toezeggen dat hij ons daarin ook zal meenemen. Heel fijn.

Dan zonering. De impact van de opgaves op het gebied van stikstof, klimaat en water zal zich natuurlijk niet netjes houden aan de grenzen van de zonering, die voor de zomer samen met de provincies worden gesteld. We hebben het gehad over de 250 meterzone rond de Peel. Misschien moet ik dat nog iets scherper maken. Zou u willen toezeggen dat u bij de besteding van de middelen ook buiten de 250 meterzone wil kijken?

Als laatste de ANLb-pakketten. Het CDA is blij met de plannen en middelen voor gebiedsgerichte aanpakken en prioritaire zones. Als het gaat over de ANLb is dat een bewezen manier voor de landbouw om aan natuurherstel bij te dragen. Het is ook fijn dat deze minister herkent dat het ANLb heel interessante meekoppelkansen geeft. Dat is beleidstaal voor: als je nog iets wil en ook meerdere mogelijkheden wil schetsen voor die prioritaire zones, dan blijft agrarisch natuurbeheer een optie. Daar wil ik de minister ook voor danken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Het woord is aan de heer Flach namens de Staatkundig Gereformeerde Partij. Gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

Dank u, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij landgebruik geen sprake is van emissiegegevens;

verzoekt de regering het verstrekken van gegevens in het kader van de Wet open overheid met betrekking tot landgebruik op adresniveau te weigeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 57 (36800-XIV) (#26).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het kader van de Wet open overheid van tienduizenden agrarische bedrijven tot 30 jaar terug alle dieraantallen, stalsystemen, landgebruik en adresgegevens zijn opgevraagd;

overwegende dat in de agrarische sector het bedrijfsadres vaak samenvalt met het privéadres;

overwegende dat het Verdrag van Aarhus en de betreffende Europese richtlijn aangeven dat verzoeken afgewezen mogen worden als ze kennelijk onredelijk zijn;

verzoekt de regering te bezien wat de mogelijkheden zijn om het verstrekken van allerlei agrarische bedrijfsgegevens op adresniveau die vertrouwelijk aan de overheid zijn doorgegeven in te perken, zo nodig via wijziging van de Wet open overheid, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 58 (36800-XIV) (#27).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat agrarische sector- en ketenpartijen met de Dierenbescherming een voorstel hebben gedaan voor een fiscale investeringsreserve landbouw voor investeringen in dierenwelzijn en emissiereductie;

overwegende dat bestaande subsidies en fiscale voordelen een beperkte reikwijdte hebben en onvoldoende zekerheid bieden voor grote investeringen in onder meer stalvernieuwing;

verzoekt de regering in overleg met de agrarische sector voor de begrotingsbehandeling in het najaar met een voorstel te komen voor een fiscale investeringsreserve landbouw voor investeringen in dierenwelzijn en milieu,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Den Hollander.

Zij krijgt nr. 59 (36800-XIV) (#28).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering in overleg met de agrarische sector bij de begroting voor 2027 met een voorstel te komen voor meerjarige financiering van een vervolg op het praktijkprogramma plantgezondheid, passend bij de milieukundige en teelttechnische uitdagingen waar betrokken teelten voor staan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Grinwis.

Zij krijgt nr. 60 (36800-XIV) (#29).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Ouwehand namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan beide bewindspersonen voor de uitgebreide beantwoording. Ik heb twee moties, die ik eerst indien. Daarna heb ik nog aanvullende vragen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer in 2022 heeft verzocht om via een wettelijke grondslag prijsstunten met agrarische basisproducten tegen te gaan (motie-Grinwis c.s., 36200-XIV, nr. 59), maar dat deze motie niet is uitgevoerd;

constaterende dat een niet nader te noemen supermarkt onlangs heeft aangekondigd om weer te gaan stunten met de prijs van vlees;

verzoekt de regering om alsnog te komen tot een wettelijke grondslag om prijsstunten met agrarische basisproducten, waaronder in elk geval vlees, tegen te gaan (waarbij wel ruimte blijft voor het afprijzen van levensmiddelen in verband met de houdbaarheidsdatum),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand en Grinwis.

Zij krijgt nr. 61 (36800-XIV) (#30).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan kom ik bij mijn volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dit kabinet zegt te willen bouwen aan de gezondste generatie ooit en daarom onder meer gratis schoolfruit wil gaan aanbieden;

constaterende dat dit kabinet de teelt en consumptie van biologische producten wil stimuleren;

verzoekt de regering in het plan voor gratis schoolfruit in te zetten op biologisch fruit van eigen bodem,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand en Bromet.

Zij krijgt nr. 62 (36800-XIV) (#31).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nogmaals dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Er zijn natuurlijk vanuit de Kamer veel vragen, omdat de problemen waar de landbouw en daarmee Nederland mee zit niet nieuw zijn. Deze Kamer vraagt al heel lang om goeie oplossingen voor de natuurcrisis, voor dierenwelzijn; noem alles maar op. In het debat van vandaag kwam al even aan de orde dat ik begrijp dat het kabinet zegt "geef ons even de tijd om een aantal dingen uit te werken". Dat begrijp ik.

Tegelijkertijd is het wel belangrijk dat we vasthouden wat we van de minister en de staatssecretaris hebben gehoord: "We willen duidelijkheid en boeren moeten weten waar ze aan toe zijn; er zijn dingen nodig." Ik blijf dus nog steeds een beetje in verwarring over wat er nodig is om de natuur te herstellen en te voldoen aan de wettelijke doelen die door de rechter zijn bevestigd. We weten nu al dat er daarbij dus meer nodig is dan in het coalitieakkoord staat. De minister heeft gezegd dat als een startpunt te zien.

Volgens mij moet er snel duidelijkheid komen over wat we dan precies moeten gaan doen. Ik deel namelijk de analyse van het kabinet dat boeren belang hebben bij duidelijkheid. Ik ben het zeer eens met wat mevrouw Den Hollander vandaag in het debat heeft ingebracht, namelijk dat er dus bij hoort dat je boeren ook duidelijkheid biedt in termen van wat er wél kan. Ze hoeven niet altijd weg. Weg moeten zou heel heftig zijn en op een andere manier je bedrijf inrichten is ook al pittig genoeg, maar er kán wel van alles. Benadruk dat ook. We gaan boeren helpen met het omschakelen naar die landbouw, waarvan we hebben vastgesteld dat we daarmee de natuurcrisis kunnen stoppen en kunnen zorgen voor schoon water, en met de vraag welke soorten landbouw of bedrijfsvoering daarbij horen. Dat gaat natuurlijk heel erg helpen om die boeren perspectief te bieden, zoals bij het omschakelen naar de teelt van olifantsgras. Ik kijk even naar de minister: denk aan die twee zonen van melkveehouders in Enschede die het bedrijf al hebben overgenomen maar die nu nedersoja telen en daar yoghurt van maken die mensen rechtstreeks kunnen afnemen om te consumeren.

Ik denk dat dat soort perspectieven over wat er wél kan en boeren daarbij helpen, zowel goed is voor het debat als natuurlijk voor de boeren zelf als zij denken "ik moet veranderen en dat is misschien heftig, maar als ik deze keuzes maak, zie ik het misschien wel zitten". Daar zou ik het kabinet dus toe oproepen. Ik denk ook het volgende. Als je het goed doet en als we die 20 miljard goed besteden, hoort het er ook bij dat we alle doelen in samenhang aanpakken. Ik ben er blij mee dat zowel de staatssecretaris als de minister heeft gezegd: ja, het is wel het idee dat je niet nu op stikstof stuurt en dan volgend jaar weer met maatregelen komt om zoönosen tegen te gaan of voor water of voor dierwaardigheid. Ik ben dus heel erg blij te horen dat dat fonds dat wordt opgetuigd, er echt is voor een aanpak om voor alle doelen in samenhang een oplossing te vinden.

Ik denk ook dat je niet moet weglopen voor maatregelen die pijn kunnen doen, zoals het schrappen van latente ruimte. Ik wil de minister ook echt oproepen om te zorgen voor een moratorium op uitbreiding en nieuwbouw. Als je namelijk aan de ene kant boeren gaat uitkopen en er aan de andere kant gewoon stallen worden bijgebouwd, dan snapt ook de belastingbetaler het niet meer. Misschien moeten er ook vergunningen worden ingetrokken. Ik begrijp dat we moeten wachten tot de plannen er komen, voor de zomer, maar deze maatregelen lijken onontkoombaar; dat kan ik alvast meegeven. Probeer daar dus niet voor te weg te lopen, zou ik de minister willen zeggen.

Ik zou ook willen oproepen tot iets wat vandaag in het debat wat minder aan de orde kwam. De staatssecretaris heeft wel geantwoord op de zorgen over de gezondheid voor omwonenden rondom de geitenhouderij, maar die dreiging van dierziekten die over kunnen slaan op mensen gaat natuurlijk niet alleen over vogelgriep of wat uit de geitenhouderij komt, maar ook over de mengvormen, van varkensgriep en vogelgriep, waarvoor gewaarschuwd wordt. Ik denk dat het goed is als het kabinet ook daar snel mee aan de slag gaat en dat ook onderdeel laat zijn van die integrale aanpak: geen pluimveegebieden meer in waterrijke gebieden, en geen pluimveebedrijven in de buurt van varkensbedrijven om die gevaarlijke vermenging te komen. Als we de gezondheid van de dieren en de mensen op het platteland vooropstellen, dan denk ik ook dat we kunnen werken aan dat brede maatschappelijke draagvlak waar het kabinet het over heeft, waar ik het zeer mee eens ben en dat erg belangrijk is.

Dan wil ik de minister, en de staatssecretaris trouwens ook, wel waarschuwen voor het instrument "overleggen met de sector". Het zal geen verrassing zijn dat ik met die waarschuwing kom. Ik hoorde de minister zeggen: als je doet wat je deed, dan krijg je wat je kreeg. Nou, dat hebben we in de landbouw natuurlijk heel vaak gezien. Een paar voorbeelden. Ik zie een vraag van mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Ik ga mijn tijdgebrek zojuist bij het indienen van de moties een beetje misbruiken voor een interruptie op mevrouw Ouwehand, omdat zij begint over overleg met maatschappelijke partijen. Akkoorden sluiten, tot je dienst, maar is zij het met GroenLinks-PvdA eens dat wij hier het hoogste orgaan zijn en dat de Kamer het wel in meerderheid eens moet zijn met die akkoorden voordat er tot beleid of wetgeving overgegaan wordt? Ik ben benieuwd of de minister daar ook op wil reageren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zeker. Ik kijk even naar de voorzitter. Dat was een mooi een-tweetje. Mevrouw Bromet had nog een vraag en die stelt zij in een interruptie aan mij.

De voorzitter:

Goh!

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan zeg ik: wat een goede vraag; ik geleid die door naar het kabinet want ik ben het daarmee eens. Zo doen we dat hier soms. Ik wil het kabinet nadrukkelijk waarschuwen voor iets wat meer ervaren Kamerleden die al langer op deze portefeuille zitten, al heel lang hebben gezien: die overleggen met de sector. Het kan geen kwaad, behalve als je daardoor je doelen niet haalt en de bal vooruit wordt geschopt. Ik noem een paar voorbeelden.

De beruchte kalverhouderij. De Kamer vraagt al best lang om een einde te maken aan de import van kalfjes uit Ierland en de Baltische staten. Die piepjonge dieren moeten ellenlang op transport, terwijl ze eigenlijk nog de zorg en de melk van hun moeder nodig hebben. Ze staan in zo'n vrachtwagen op de boot helemaal vanuit Ierland. Met het welzijn van die dieren gaat het heel, heel slecht. De Kamer zegt al heel lang: waarom importeren we eigenlijk kalfjes uit verre landen, waardoor die lange transporten nodig zijn, terwijl we hier met een stikstofprobleem zitten met die kalverhouderijen? Wat gebeurt er dan? Dan zegt de bewindspersoon: ik kan het niet zelf, dus ik ga overleggen met de sector. De sector denkt: ik beloof gewoon dat ik ermee ga stoppen, want dan is iedereen even een beetje koest. VanDrie heeft beloofd voor 2026 te stoppen met het importeren van kalfjes uit Ierland en de Baltische staten. Dan moet de Kamer een paar jaar zijn mond houden, want er ligt een belofte. En nu is het 2026 en raad eens? Die belofte is natuurlijk niet nagekomen. Als we het welzijn van dieren belangrijk vinden, als we zitten met een groot probleem voor de natuur met die kalvermesterijen, dan is één plus één toch twee? Ik zou zeggen: leer hiervan. De beloftes van de sector worden heel vaak niet waargemaakt.

Een ander schrijnend voorbeeld is het routinematig couperen van varkensstaartjes. Europees gezien hebben we 30 jaar geleden al afgesproken dat dat routinematig niet mag. Die sector blijft dat maar doen. In 2013 was er de Verklaring van Dalfsen, helemaal officieel en mooi, met een plan om dat uit te faseren. Het is 2026 en het afknippen of afbranden van de staartjes van pasgeboren biggetjes is nog steeds standaardpraktijk. Als je dertien jaar een vrijblijvende belofte boven de markt laat hangen, terwijl we eigenlijk al in Europese regels hebben afgesproken dat we dat niet meer moeten doen, wordt het een keer tijd om te handelen. Ik zou tegen de bewindslieden willen zeggen: als we nu nog een rondje overleg met de sector gaan doen zonder afspraken te maken, komen er dit soort beloftes. Dan staat de volgende generatie landbouwwoordvoerders weer dit verhaal af te steken. Dat kunnen we de dieren en de natuur niet aandoen. Dit weten we toch allang en hier willen we toch vanaf, dus hoe gaan we dat echt realiseren?

Ik wil dit ook in de richting van de minister zeggen, die het met ons eens is dat de partijen die tot nu toe heel veel hebben verdiend aan de intensieve landbouw, de Rabobank, de VanDrie Group, de slachterijen en de supermarkten, om een bijdrage wordt gevraagd. De Rabobank heeft eerder na een vergelijkbare oproep al laten weten: nee, die schulden die de boeren hebben opgebouwd, gaan wij niet kwijtschelden. Fijn dat de minister het met ons eens is, maar het kan niet vrijblijvend blijven. 20 miljard op kosten van de belastingbetaler is echt veel geld. Ik vind het niet meer dan redelijk dat de partijen die heel veel hebben verdiend aan de intensieve landbouw, nu ook hun steentje en hun centjes bijdragen aan de oplossing van de problemen die zijn ontstaan.

Voorzitter, tot slot. Dank ook aan de staatssecretaris voor de antwoorden over de aanpak van de stalbranden. Ik heb nog wel zorgen over het verlagen van de maximumtemperatuur bij diertransporten. We krijgen voor 23 april een reactie van de staatssecretaris over wat hij gaat doen. Het zit mij toch niet lekker dat dit nog steeds niet is geregeld. Er is een heel traject doorlopen, volgens alle regels. De Europese Commissie is netjes genotificeerd. Zij heeft de tijd gehad om binnen de termijn aan Nederland te laten weten of zij opmerkingen had bij dit voornemen. De verordening staat toe dat een lidstaat zelf besluit dat 35 graden te hoog is en zelf verlaagt naar 30 graden. Na die hele procedure kwam de Europese Commissie met een brief aan Nederland waarin werd gevraagd of wij daar nog een jaar of langer mee wilden wachten, omdat de Commissie er nog over aan het onderhandelen was. Dit is een bevoegdheid van het parlement. De aangenomen motie stamt uit 2021 en het ministerie heeft al het werk gedaan dat daarbij hoort. Vervolgens vraagt de Europese Commissie aan Nederland om het toch niet te doen, terwijl zij zelf alle termijnen had gemist. Het op transport zetten van dieren bij 30 graden is nog steeds te warm. Dieren hebben al last van hittestress vanaf 25 of 28 graden. Als we dit niet snel regelen, gaan we weer een zomer tegemoet waarin dieren met onnodig leed op snikhete dagen in transportwagens worden vervoerd. Ik druk de staatssecretaris op het hart om uiterlijk 23 april het besluit te nemen dat we dit niet nog een zomer gaan meemaken. We bedanken de Europese Commissie voor haar brief, maar Nederland gaat hier uiteindelijk zelf over.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Ik heb twee vragen aan mevrouw Ouwehand. Ik kan uw betoog grotendeels goed volgen. Waar ik wel zorgen over heb, is dat wij als Nederland niet in ons eentje de wereld moeten willen verbeteren. Als wij in Nederland alles aanpassen en de rest van Europa doet dat niet, wint het dierenwelzijn uiteindelijk ook niet. Ik neem aan dat de Partij voor de Dieren staat voor dierenwelzijn in de hele wereld en niet alleen in Nederland. Ik hoor daarop graag een korte reflectie.

Mijn tweede vraag is de volgende. Mevrouw Ouwehand stelt dat bedrijven die hebben meeverdiend aan de vee-industrie daar niets voor terugdoen. Is zij bekend met het feit dat de Rabobank bijvoorbeeld voor boeren die willen investeren in duurzaamheid aantrekkelijkere leningen aanbiedt dan voor andere aanvragen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Over dat laatste punt: zeker. Maar de Rabobank heeft ook meegewerkt aan uitkoopregelingen, zodat zij haar investeringen terugkreeg. Wat ons betreft heeft de Rabobank ook een maatschappelijke plicht om niet alleen nu boeren te helpen die duurzamer willen werken, maar ook om verantwoordelijkheid te nemen voor het verleden. Zij heeft namelijk veel geld verdiend aan een systeem dat zowel de natuur als de boer niet heeft geholpen. Ik noem bijvoorbeeld de emissiearme stalvloeren en de investeringen in luchtwassers. Innovatie klinkt mooi, maar in de praktijk betekende dit vaak dat er subsidie werd verstrekt met geld van de belastingbetaler, terwijl de Rabobank vervolgens zei: prima dat u wilt investeren, maar dan moeten er wel meer dieren bij, want anders kunt u die lening nooit terugbetalen. Ik vind dat de Rabobank daar ook iets voor moet terugdoen. Dus ja, helpen bij de financiering van duurzamere vormen van landbouw is mooi, maar daarnaast zou ook een deel van de schulden moeten worden kwijtgescholden die nog gebaseerd zijn op het oude systeem.

Mevrouw Den Hollander vroeg ook of wij dierenwelzijn niet in Europees verband moeten waarborgen. Zeker. Maar als het gaat om diertransporten, kijken wij naar wat er binnen de verordening mogelijk is. Die verordening biedt ruimte voor lidstaten om de maximumtemperatuur te verlagen. Europees ligt die grens op 35 graden, en in Nederland nog steeds ook. Dat is niet te doen voor dieren. De Kamer spreekt zich al sinds 2021 uit voor een verlaging naar 30 graden, hoewel ook dat nog te heet is. Alle procedures zijn doorlopen en dan vraagt de Europese Commissie alsnog of wij daarmee willen wachten, terwijl de notificatieprocedure al is afgerond. Dat vind ik geen juiste manier van werken.

De voorzitter:

U mag nog interrumperen, mevrouw Den Hollander, maar mevrouw Ouwehand heeft dit punt eigenlijk al uitvoerig aan de bewindspersonen voorgelegd.

Dank u wel, mevrouw Ouwehand. Dan is het woord aan lid Kostić. Mensen vragen mij weleens hoe het zit met de spreektijd per fractie. Alle partijen geven aan het begin aan hoeveel minuten zij willen spreken bij een begroting. Dat maakt dat de ene fractie soms wat langer spreekt dan de andere.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

U bedoelt dat mensen denken: waarom mag die Partij voor de Dieren zo lang praten?

(Hilariteit)

De voorzitter:

Zeker niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik weet het. Ik weet het. Dat komt omdat wij onze spreektijd reserveren voor wat wij een van de belangrijkste begrotingen van dit kabinet vinden. Dus voel u vereerd, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Dan hebben wij de mensen thuis ook weer wat bijgebracht. Dan het lid Kostić, eveneens namens de PvdD. Gaat uw gang.

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Het is altijd een eer om dit debat te mogen voeren. Ik heb slechts twee moties, dus ik ga niet twintig minuten spreken; no worries. De moties zijn wel wat lang. Excuses!

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer al in 2021 via een motie van de Partij voor de Dieren, VVD en CDA heeft verzocht om de handel in en import van doorgefokte gezelschapsdieren te verbieden;

constaterende dat het kabinet bijna vijf jaar later weer een nieuw onderzoek heeft uitgezet, waarvan de resultaten pas in het eerste kwartaal van 2028 zullen worden gepresenteerd;

constaterende dat dieren die hier niet mogen worden gefokt al die tijd wel vanuit onder andere Oost-Europa naar Nederland worden gebracht;

verzoekt de regering binnen een halfjaar met een plan te komen hoe er definitief en zo snel mogelijk een einde kan worden gemaakt aan de handel in kortsnuitige honden uit het buitenland die niet in Nederland mogen worden gefokt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić, Den Hollander, Graus en Grinwis.

Zij krijgt nr. 63 (36800-XIV) (#32).

Kamerlid Kostić (PvdD):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aanbieden van dieren via online marktplaatsen en vergelijkbare platforms kan leiden tot impulsieve aankopen en malafide handel in dieren, met risico’s voor dierenwelzijn;

constaterende dat verschillende landen in Europa en daarbuiten maatregelen hebben genomen om de onlinehandel in dieren meer aan banden te leggen;

overwegende dat het Nederlandse beleid rondom dierenwelzijn en dierenhandel gebaat kan zijn bij het leren van effectieve maatregelen uit andere landen;

overwegende dat het wenselijk is om malafide handel, impulsverkopen en daarmee samenhangende dierenwelzijnsproblemen verder terug te dringen;

verzoekt de regering om met experts in gesprek te gaan en een inventarisatie te maken van best practices in het buitenland op het gebied van regulering en verbod van de onlinehandel in dieren;

verzoekt de regering tevens om, waar mogelijk, voorstellen te doen om het Nederlandse beleid aan te scherpen op basis van deze inzichten, met als doel dierenleed en impulsaankopen te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kostić en Grinwis.

Zij krijgt nr. 64 (36800-XIV) (#33).

Kamerlid Kostić (PvdD):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan diezelfde heer Grinwis, die het woord krijgt namens de ChristenUnie in tweede termijn. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank. Ook dank aan beide bewindspersonen. Dank aan minister Van Essen, met wie ik graag het debat heb gevoerd. Ik moet mij verontschuldigen bij collega Erkens omdat ik zijn eloquente inbreng in eerste termijn heb moeten missen. Maar dat gaan we vast nog een keer inhalen.

Voorzitter, ik heb een motie meegebracht voor u.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de budgettaire tabel bij het coalitieakkoord Aan de slag voor het jaar 2027 reeds een bedrag van 50 miljoen euro extra beschikbaar wordt gesteld voor agrarisch natuurbeheer;

overwegende dat boeren in de agrarische collectieven die agrarisch natuurbeheer uitvoeren tijdig duidelijkheid nodig hebben over beschikbare middelen en voorwaarden om hun bouwplan, bedrijfsvoering en beheermaatregelen hierop te kunnen afstemmen;

verzoekt de regering om bij voorkeur voorafgaand aan, maar uiterlijk op Prinsjesdag te specificeren op welke wijze het extra beschikbare budget van 50 miljoen euro voor agrarisch natuurbeheer in 2027 wordt ingezet, met een doorkijk naar de daaropvolgende jaren, en daarbij zo veel mogelijk in te zetten op ANLb (Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer), zodat provincies en boeren in de agrarische collectieven tijdig hierop kunnen anticiperen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Bromet, Flach, Den Hollander, Van der Plas, Koorevaar, Goudzwaard en Podt.

Zij krijgt nr. 65 (36800-XIV) (#34).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dan nog een vraag over biologische teelten. Ik hoor steeds vaker van akkerbouwers geluiden hoe moeilijk het is om biologisch akkerbouwer te zijn in deze tijden. Er wordt steeds meer teruggeschakeld. Dat heeft de aandacht van de minister en ook van collega Bromet. Een van de bezwaren die ik heb gehoord, is dat er sprake is van een ongelijk speelveld tussen ons en een aantal andere landen in Europa zoals Duitsland, Italië, Denemarken en Frankrijk, bijvoorbeeld als het gaat om het aankopen van uitgaand materiaal. We hebben gehoord dat dit te maken heeft met ontheffingen die in andere landen soms makkelijker worden verstrekt dan hier. Hoe het ook zij, ik had er een motie over meegebracht. Die dien ik niet in. Ik vraag een toezegging van de minister om dit alsjeblieft mee te nemen in de uitwerking van het versnellingsplan biologische landbouw, zoals al aan collega Bromet is toegezegd.

Voorzitter, daarmee ben ik aan het eind van mijn spreektijd. Ik dank u hartelijk voor uw voorzitterschap.

De voorzitter:

En ik dank u voor uw deelname aan dit debat. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik ga gelijk maar even van start met een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) bedoeld is als een bovenwettelijke vergoeding voor vrijwillige inspanningen van boeren voor natuur, landschap en biodiversiteit;

overwegende dat weidevogels, waaronder de grutto, in Nederland afhankelijk zijn van sterke en goed onderhouden boerennatuur, en de Europese Commissie Nederland heeft opgedragen meer zorg te besteden aan de instandhouding van de gruttopopulatie;

constaterende dat in het voormalige hoofdlijnenakkoord was afgesproken om structureel 500 miljoen per jaar extra te investeren in agrarisch natuurbeheer door boeren, onder andere via het ANLb om boeren langjarig en marktconform te vergoeden voor hun geleverde diensten;

constaterende dat agrarische collectieven en provincies reeds werken met het ANLb-stelsel en dat er in veel gebieden wachtlijsten bestaan van boeren die willen deelnemen;

constaterende dat in de financiële bijlage van het nieuwe coalitieakkoord jaarlijks slechts 165 miljoen euro structureel naar agrarisch natuurbeheer lijkt te gaan;

verzoekt de regering:

  • te borgen dat structureel 500 miljoen per jaar beschikbaar blijft voor agrarisch natuurbeheer, ook na 2030, via het ANLb, conform de afspraken uit het voormalige hoofdlijnenakkoord;
  • deze middelen in te zetten via agrarische collectieven en provincies zodat ze direct ten goede komen aan boeren die natuur- en landschapsbeheer uitvoeren;
  • en de dekking hiervoor te vinden binnen de LVVN-begroting door herprioritering van de 20 miljard aan middelen uit het voorgenomen stikstofpakket, zodat de structurele investering van 500 miljoen per jaar gewaarborgd blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Plas, Bromet en Grinwis.

Zij krijgt nr. 66 (36800-XIV) (#35).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het stikstofbeleid Nederland al jarenlang op slot zet en duizenden ondernemers, waaronder PAS-melders, daardoor in onzekerheid verkeren;

constaterende dat het vorige kabinet al de nodige voorbereidingen heeft getroffen voor de invoering van een rekenkundige ondergrens, de eerste stap richting het rechtzetten van het slopende stikstofbeleid in Nederland;

overwegende dat provincies hebben aangegeven dat de resterende aandachtspunten beperkt zijn en hoofdzakelijk zien op het monitoren van mogelijke stapeling van zeer kleine deposities, en dat het vorige kabinet de uitwerking hiervan grotendeels al heeft afgerond;

verzoekt de regering de rekenkundige ondergrens uiterlijk voor het zomerreces 2026 in te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 67 (36800-XIV) (#36).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de visserijsector momenteel wordt geconfronteerd met sterk stijgende brandstofprijzen als gevolg van de oorlog in Iran;

constaterende dat noodsteunmechanismen eerder zijn ingezet tijdens de coronacrisis en naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne;

constaterende dat het Europees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF) op grond van artikel 26, lid 2, ruimte biedt voor uitzonderlijke crisismaatregelen;

constaterende dat op grond van dit artikel lidstaten, dus óók Nederland, nationale programma's kunnen aanpassen om financiering om te zetten in noodsteun;

overwegende dat ook nu sprake is van een uitzonderlijke geopolitieke situatie met directe economische impact op de visserijsector;

verzoekt de regering om zich actief in te zetten voor het zo spoedig mogelijk activeren van Europese noodsteunmechanismen, waaronder het tijdelijke crisis- en transitiekader en de crisisflexibiliteit binnen het EMFAF,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 68 (36800-XIV) (#37).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Alstublieft.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Tot slot is het woord aan mevrouw Ten Hove namens de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een marginale afwijking in een wolfwerend raster momenteel kan leiden tot afkeur van dat raster, zelfs wanneer dit bewezen niet heeft bijgedragen aan het kunnen binnendringen van de wolf;

overwegende dat dit in de praktijk kan leiden tot onredelijke situaties voor dierhouders;

verzoekt de regering om te komen tot reële en werkbare beoordelingskaders voor wolfwerende rasters, waarbij marginale afwijkingen niet automatisch tot afkeur leiden en waarbij schade- en kostenregelingen beter aansluiten bij de werkelijke kosten voor dierhouders,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ten Hove en Den Hollander.

Zij krijgt nr. 69 (36800-XIV) (#38).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de wolvenpopulatie in Nederland de afgelopen jaren flink is gegroeid en er steeds vaker meldingen zijn van aanvallen door de wolf, ook achter wolfwerende maatregelen;

overwegende dat in andere landen binnen de Europese Unie wél mogelijkheden bestaan voor gericht beheer en afschot van wolven;

verzoekt de regering actief beheer van de wolvenpopulatie in Nederland mogelijk te maken, inclusief de mogelijkheid tot afschot, en een jaar nadat dit is ingevoerd, te evalueren met de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ten Hove.

Zij krijgt nr. 70 (36800-XIV) (#39).

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat loterijvergunningen onder bepaalde voorwaarden door de overheid worden verleend en dat vergunninghouders aanzienlijke financiële middelen genereren die onder meer via giften en donaties worden verdeeld;

overwegende dat het onwenselijk is dat middelen afkomstig uit vergunde kansspelen — en daarmee indirect gefaciliteerd door de overheid — worden aangewend voor de financiering van juridische procedures tegen overheden;

verzoekt de regering bij de verlening of verlenging van loterijvergunningen te bezien of als voorwaarde kan worden opgenomen dat vergunninghouders geen giften of subsidies verstrekken aan organisaties die juridische procedures tegen overheden aanspannen, en daarbij tevens te bezien of beperkingen kunnen worden gesteld aan het direct of indirect financieren van de procedures en of voorwaarden juridisch houdbaar, proportioneel en handhaafbaar kunnen worden vormgegeven binnen de geldende wet- en regelgeving,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ten Hove en Schilder.

Zij krijgt nr. 71 (36800-XIV) (#40).

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 16.45 uur voor de beantwoording.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering voor de beantwoording en de appreciatie van de ingediende moties. Ik zou tegen de bewindspersonen willen zeggen: hou het kort en bondig. Tegen de leden zou ik willen zeggen: in eerste termijn is er uitvoerig ruimte geweest voor debat; laten we dat vooral daar; er is ruimte voor een enkele verdiepende vraag, maar de tijd tikt ook door.

De minister.

Termijn antwoord

Minister Van Essen:

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen die ik in tweede termijn zou beantwoorden. Daarna ga ik naar de moties.

De eerste vraag, van de heer Goudzwaard, gaat over de neerslag van emissies. Hij noemde daarbij de Stichting Stikstofclaim, Agractie en Wouter de Heij en zei dat het anders zit dan zoals het in de schriftelijke set zat. In algemene zin denk ik dat het goed is dat kritische vragen worden gesteld over dit soort cijfers en dat er ook wetenschappelijk discussie over deze cijfers is. Dat hoort er volgens mij bij. Het feit dat die vragen er zijn, betekent niet dat de huidige uitgangspunten fout zijn. Op basis van de inhoudelijke reacties van het RIVM en professor Erisman op het rapport van Wouter de Heij zie ik geen reden om de huidige methodiek fundamenteel te herzien.

Voorzitter. De heer Goudzwaard vroeg wat de minister ging doen, wat ik ging doen, opdat innovatie niet te laag op het lijstje zou staan, bezien vanuit het perspectief van kosteneffectiviteit. Ik deel met het lid Goudzwaard dat het belangrijk is dat innovaties onderdeel zijn en blijven van de oplossingen. Er is niet één oplossing voor de uitdagingen op het gebied van onder andere stikstof, water en klimaat. Met missiegedreven innovatiebeleid werk ik aan nieuwe innovaties, aan de doorontwikkeling daarvan en aan de juiste randvoorwaarden. Dat gebeurt met ondersteuning van fieldlabs, praktijkbedrijven en innovatiepilots. Een concreet voorbeeld is het groeifondsproject ReGeNL, waarin wordt gewerkt aan een omschakeling naar regeneratieve landbouw. Ook voor dit kabinet blijft het stimuleren van innovatie een belangrijk zelfstandig spoor bij het bieden van perspectief.

Ik ga door naar de vraag van mevrouw Bromet over PAS-melders en krachtvoer. Ik wil alle PAS-melders aan een structurele oplossing helpen waarin hun activiteit niet langer illegaal is. Het niet of minder inzetten van krachtvoer en kunstmest kan stikstofreductie opleveren, waardoor de PAS-melder met de PAS-activiteit mogelijk in een legale situatie terechtkomt. Wij hebben momenteel een opvolger van het legalisatieprogramma, waarin ik deze optie verken. Parallel daaraan is de taskforce aan de slag om Nederland van het stikstofslot te halen. Deze ontwikkeling kan een positief effect hebben op de termijn en op de mogelijkheid van een PAS-melder om in een legale situatie te belanden.

Voorzitter. De heer Koorevaar vroeg of ik de Kamer de komende periode goed blijf informeren over de inzet op productschappen. Dat zeg ik graag toe.

BBB heeft gevraagd wat de regering precies gaat doen om mestvergisting op gang te brengen. Mestvergisting ten behoeve van de productie van groen gas in combinatie met RENURE draagt bij aan het verdienvermogen van de landbouwer. Het is een mooie manier om te werken aan het circulair gebruik van meststoffen. Het kan ook het gebruik van kunstmest verminderen. Daarmee draagt het ook bij aan het verminderen van ammoniakemissies en van methaan. Ik zet hier de komende periode verder op in, onder andere via subsidieregelingen of andere wijzen van stimulering.

Het lid Koorevaar vroeg verder om een toezegging over het verbreden van de aanpak voor de Peel, buiten de 250 meter.

De voorzitter:

Maximaal twee vervolgvragen.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja. Over de mestvergisting: mensen die aan de slag willen gaan met mestvergisting lopen met name aan tegen de vergunningverlening. Het is prima als dat financieel wordt ondersteund. Dat is zelfs heel goed, maar het grootste probleem is de vergunningverlening. Wat gaat de minister concreet doen, ook in samenspraak met gemeentes en provincies, om die vergunningverlening sneller op gang te krijgen?

Minister Van Essen:

Ik schaar onder andere dit onder de categorie waarover ik al eerder met u het debat voerde, namelijk innovaties die de hoeveelheid stikstof aantoonbaar kunnen verminderen. Ik ben ook wat dat betreft met de provincies bezig om de vergunningverlening met voorrang weer op gang te krijgen.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Dan ga ik in op de vraag van de heer Koorevaar over de Peel en verder kijken dan de grens van 250 meter. Ik heb al geprobeerd om dat duidelijk toe te zeggen, maar bij dezen nog een keer: dat kan ik toezeggen, want bij een goede onderbouwing ben ik bereid om dat kader te versoepelen.

Er werd een vraag gesteld over de belemmeringen die jonge vrouwen ervaren. Kan ik dat onderzoeken? In algemene zin zetten wij natuurlijk in op het wegnemen van belemmeringen. Als dat nodig is, doen wij dat ook voor specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld jonge boeren of vrouwen. Er lopen allerlei onderzoeken van de OESO en de EU naar de belemmeringen voor vrouwen. Daar heb ik ook aandacht voor.

Dan vraagt de heer Koorevaar ook nog of ik kan toezeggen dat kleine boeren handelingsperspectief behouden, zoals bij het aanzuren van mest. Ik zet in op perspectief voor alle boeren. Ik heb jonge boeren genoemd, hier ging het over kleine boeren, maar ik zet in op perspectief voor alle boeren. In algemene zin kan ik niet toezeggen dat bepaalde boeren het perspectief van een mestvergunning zullen hebben, maar dat is wel mijn inzet.

Dan via een interruptie van mevrouw Bromet een vraag over de Kamer als hoogste orgaan. Het gaat erom dat ik geen akkoorden sluit zonder dat de Kamer haar mening heeft gegeven. Ik werk aan een maatregelenpakket om invulling te geven aan de ambities, onder andere voor stikstofreductie. Ik zal de Kamer daar ook nader over informeren vóór het geplande debat over stikstof en mest op 1 april. Dat is het eerste moment waarop ik ook graag verder in overleg ga met de Tweede Kamer. In algemene zin zou ik ook willen toezeggen dat ik na de taskforces ook de Kamer elke keer heel snel op de hoogte hou van wat we aan het doen zijn. Dat is ook vóór besluitvorming.

Dan heb ik een vraag van de ChristenUnie over het ongelijke speelveld inzake het uitgangsmateriaal. Wat de heer Grinwis mij heeft gevraagd, zeg ik toe.

Dan kom ik bij het pak aan moties, voorzitter. Dat zal ik echt op z'n Deventers doen.

De voorzitter:

Daar ben ik nu dan wel heel nieuwsgierig naar.

Minister Van Essen:

U kent dat wel, van "mand."

De voorzitter:

Heel goed.

Minister Van Essen:

Dat mandje van Tichelaar: "mand."

De voorzitter:

Dat is op z'n Deventers, mevrouw Van der Plas.

Minister Van Essen:

De motie op stuk nr. 32: oordeel Kamer. Dat is de motie-Bromet.

De motie op stuk nr. 33, de stikstofroutekaart waar VNO-NCW met andere partijen aan heeft gewerkt: oordeel Kamer.

Dan de motie-Vellinga op stuk nr. 35 over de NHV: oordeel Kamer.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 37 van de PVV. Die ontraad ik.

Dan de motie op stuk nr. 38 over de PAS-melders, ook van de PVV. Die ontraad ik.

Dan heb ik de motie-Den Hollander op stuk nr. 50 over mestverwerking en -vergisting: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

Ja, over mestverwerking en -vergisting.

De voorzitter:

Dat Deventerse bevalt me wel.

Minister Van Essen:

Dan de motie op stuk nr. 52 over de castratie van zwerfkatten in weidevogelgebieden. Die zou ik oordeel Kamer willen geven, met een interpretatie. Ik ben daar in mijn eerste termijn een beetje snel aan voorbij gegaan in de discussie met mevrouw Den Hollander. De interpretatie die ik daarbij zou willen geven, is dat ik samen met provincies en boeren natuurlijk verken of een pilot een beter inzicht kan geven in de effectiviteit en uitvoerbaarheid van sterilisatie of castratie bij het tegengaan van predatie door katten en dat ik verken hoe dit in de pilotregeling past. Dan kan ik de motie overlaten aan het oordeel van de Kamer.

De voorzitter:

Kan mevrouw Den Hollander daarmee instemmen? Dat is het geval. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 52 oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

De motie van JA21 op stuk nr. 53 over Natura 2000 moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 54 van de heer Boomsma over het Natuurpact en economische belangen geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 55 over de natuur in Caribisch Nederland krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 54 krijgt oordeel Kamer en de motie op stuk nr. 55 …

Minister Van Essen:

Het onderwerp is het Natuurpact en economische belangen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 53 is de motie-Goudzwaard: "verzoekt de regering geen nieuwe Natura 2000-gebieden in Nederland aan te wijzen". Die motie wordt ontraden.

Minister Van Essen:

Ja.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 54 is ook een motie van de heer Goudzwaard: "verzoekt de regering om bij toekomstige afspraken over natuurbeleid (…)" et cetera. Die motie krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

Ja. De motie op stuk nr. 55 over de natuur in Caribisch Nederland: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 55: oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

De motie op stuk nr. 56, over natuurbeheer: ontraden.

De voorzitter:

Volgens mij wil de heer Boomsma daar graag een toelichting op.

Minister Van Essen:

Waar er ruimte is, bijvoorbeeld bij vergunningverlening, zal ik altijd de ruimte nemen om ook sociaal-economische vereisten mee te nemen, maar er is niet altijd de ruimte om dat te doen. Daarom wil ik de motie ontraden.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

De heer Boomsma (JA21):

In de motie staat al opgenomen dat de belangenafweging binnen de Europese kaders moet passen. Wat de minister zegt, is eigenlijk een reden om de motie positief te preadviseren, want dat is precies wat die beoogt. Er is ruimte om de belangenafweging beter te maken binnen de Europese regelgeving, maar die ruimte hebben we in het verleden niet altijd gepakt. Dus deze motie is bedoeld om dit kracht bij te zetten en om als Kamer ertoe op te roepen om dit inderdaad te gaan doen in het vervolg van de uitwerking van de natuurwetgeving.

Minister Van Essen:

Dan zou ik de motie de appreciatie "overbodig" willen geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 56: overbodig.

Minister Van Essen:

Dan de motie-Flach op stuk nr. 57. Het bedrijfsadres en het woonadres zijn bij agrarische ondernemers in ontzettend veel gevallen gelijk. Ik snap heel goed dat het bedreigend overkomt en dichtbij komt als die gegevens op straat liggen. Er heeft vandaag ook weer iets over in de pers gestaan. Het veroorzaakt boze en verdrietige emoties bij de agrariërs. Ik kan de motie echter alleen maar ontraden, omdat uit verschillende rechterlijke uitspraken is gebleken dat ik de mogelijkheid niet heb om de Woo-verzoeken over milieu-informatie en emissiegegevens te weigeren. Er zijn zelfs tot en met de Raad van State procedures over gevoerd. Ik snap dus heel goed wat dit doet op het erf. Ik snap heel goed dat het heel ellendig is als je privéadres hetzelfde is als je bedrijfsadres en je mensen op je erf en in je stallen hebt staan die je daar niet wilt hebben, maar ik zie die ruimte niet.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag, meneer Flach.

De heer Flach (SGP):

Ik dacht twee, maar dat is dus gehalveerd. Goed dat de minister erkent dat dit hevige impact heeft op de boerenerven. Dat is ook echt zo. Dit leidt echt tot angst op de erven voor wat er allemaal kan gebeuren. Zou de minister dan vanuit zijn rol in gesprek willen met zijn collega van Binnenlandse Zaken om te kijken welke mogelijkheden er dan wel zijn om de wet als zodanig aan te passen? Die discussie hebben we ook daar weleens gevoerd, maar enigszins samen optrekken daarin moet ergens een keer een oplossing gaan betekenen.

Minister Van Essen:

Dat wil ik gerust toezeggen. Dat is misschien ook deels wat er in de motie op stuk nr. 58. Er komt natuurlijk een evaluatie van de Woo. Dat gebeurt onder leiding van BZK. Op basis van die uitkomsten wordt bezien of aanpassing nodig en/of wenselijk is. Die motie ontraad ik dus, maar ik wil gerust toezeggen dat ik het gevoel dat ik zojuist verwoordde, over wat dat doet met ondernemers, aan mijn collega van BZK wil overbrengen met dezelfde strekking als die de Kamer aan mij overbrengt.

Dan heb ik de motie over schoolfruit, de motie op stuk nr. 64.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 58 heeft u dus ook ontraden. Die heeft u in dit interruptiedebat meegenomen.

Minister Van Essen:

Ja, maar ik heb wel een toezegging gedaan aan de heer Flach over hoe ik dat aan mijn collega ga overbrengen.

De voorzitter:

Genoteerd. De motie op stuk nr. 58 is ontraden.

Minister Van Essen:

Dan de motie op stuk nr. 64, over schoolfruit.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 58 is ontraden.

Minister Van Essen:

Ja.

De voorzitter:

De schoolfruitmotie is de motie-Ouwehand/Bromet op stuk nr. 62.

Minister Van Essen:

Dank. Die motie zou ik het oordeel ontijdig willen geven, omdat ik weet dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daarmee bezig is.

De voorzitter:

Dan is de vraag of mevrouw Ouwehand bereid is om de motie aan te houden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik hou de motie even aan. Ik zou het fijn vinden om wel geïnformeerd te worden over de voortgang.

Minister Van Essen:

Akkoord.

De voorzitter:

Dat is toegezegd.

Minister Van Essen:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 65, over ANLb. Die zou ik graag oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 65: oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 66. Die gaat over het budget voor ANLb. Die zou ik willen ontraden met verwijzing naar het debat over middelen.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 67. Die zou ik ook willen ontraden met verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 67 zou ik willen ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 67 had u al gehad. Die had u ontraden met verwijzing naar het debat. De motie op stuk nr. 68?

Minister Van Essen:

Dan heb ik hier de motie op stuk nr. 73 van mevrouw Ten Hove.

De voorzitter:

Die bestaat niet. We hebben de motie op stuk nr. 68 van mevrouw Van der Plas over EMFAF.

Minister Van Essen:

Dat is de motie die ging over kansspelen en subsidie.

De voorzitter:

Die is van mevrouw Ten Hove, de kansspelen.

Minister Van Essen:

Dan klopt het nummer dat ik hier heb niet.

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 71 volgens onze administratie.

Minister Van Essen:

Ja. Die zou ik het oordeel ontijdig willen geven, omdat dit bij JenV ligt.

De voorzitter:

Is mevrouw Ten Hove bereid om de motie aan te houden? Mevrouw Ten Hove geeft aan de motie graag in stemming te brengen. Daarmee krijgt ze de appreciatie ontijdig.

Ik dank de minister. Het woord is aan de staatssecretaris voor de appreciatie van de resterende moties.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Ik had nog een drietal vragen, die ik kort zal beantwoorden, eentje van mevrouw Podt over haar motie uit het verleden over een centraal register gewasbeschermingsmiddelen. Ze vroeg hoe het staat met de motie en of die kan worden meegenomen bij de zoneringsaanpak. Zoals aangegeven in de brief van 2 oktober jongstleden vul ik genoemde motie in via een benchmarksysteem. Ik verwacht dat dit jaar een eerste ontwerp van het systeem operationeel zal worden. Het zal vervolgens blijvend worden doorontwikkeld. We zullen de Kamer erover blijven informeren. Ik kan me zomaar voorstellen dat dat voor de zomer zal zijn in een van de brieven over de convenanten. Dan kan ik er meer over laten weten.

Dan een vraag van de heer Boomsma over wolf Bram en hondsdolheid. Er is geen indicatie voor de aanwezigheid van hondsdolheid bij wolven in Nederland. Bij verdenking van de aanwezigheid van hondsdolheid in een dode wolf dient melding gedaan te worden bij de NVWA en wordt het dier onderzocht in het laboratorium in Lelystad. De heer Boomsma vroeg wie dat betaalt. Het Rijk betaalt de kosten in dat geval.

De laatste vraag was van de heer Jansen. Het antwoord had ik in eerste termijn al toegezegd. Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de energieprijzen en de impact daarvan op bijvoorbeeld de glastuinbouw? Volgende week woensdag is er een plenair debat over het conflict in het Midden-Oosten en de economische impact daarvan. Daar zal ook de impact op de verschillende sectoren aan bod komen. We zullen u daarover kabinetsbreed informeren.

Dan de moties. De motie op stuk nr. 34 van mevrouw Bromet en mevrouw Ouwehand. Die motie wil ik oordeel Kamer geven met een kleine kanttekening. De motie vraagt namelijk om de uitwerking van de AMvB te versnellen. We zetten erop in om de besluitvorming over de AMvB gelijktijdig te laten verlopen met de taskforce over stikstof. Het kan wel betekenen dat het tijdspad van de AMvB daarna langer in de tijd doorloopt. Als ik de motie mag interpreteren op een wijze dat de relevante besluiten die ook de investeringscyclus raken aan elkaar gekoppeld worden, dan krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Bromet knikken. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 34 met die interpretatie oordeel Kamer.

Staatssecretaris Erkens:

Dan de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Podt over voedselverspilling. Die krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 36: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 39 van de heer Jansen gaat over voedselzekerheid. Die motie neem ik over. Ik zal het verzoek meenemen in het strategisch plan over voedselzekerheid.

De voorzitter:

Ik moet kijken of de Kamer daarmee kan instemmen. Dat is het geval.

Staatssecretaris Erkens:

Dan de motie op stuk nr. 40 van de heer Graus. Die gaat over een fonds voor de opvang van verboden dieren. Die motie moet ik ontraden, omdat met de invoering van de huis- en hobbydierenlijst bepaalde zoogdieren niet meer gehouden mogen worden. Tegelijkertijd geldt dat wie die dieren op dit moment heeft, ze mag behouden tot ze overlijden. Dat is het overgangsrecht. Er is nu geen sprake van dat er opvang nodig is, want mensen mogen hun beestje gewoon houden als het op de lijst stond. Er mogen alleen geen nieuwe in bezit genomen worden.

De motie op stuk nr. 41 gaat over broodfokkers.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

De heer Graus (PVV):

Mijnheer de voorzitter, ik heb geloof ik drie interrupties gehad tijdens de hele middag. Er worden ook dieren in beslag genomen van mensen die zich niet aan de wet houden. Daar gaat het natuurlijk om. Deze motie is niet bedoeld voor de mensen die het dier mogen houden met de sterfhuisconstructie. Het gaat om het volgende. De regering verbiedt het houden van bepaalde dieren. Stel dat die wet straks is ingegaan en iemand schaft wél nieuwe dieren aan uit het buitenland. Als zij worden betrapt, is er geen opvang voor de dieren. Daar gaat het om. De regering verbiedt dus dieren, maar zorgt niet voor opvang. Als ze in beslag genomen worden, waar moeten ze dan naartoe?

Staatssecretaris Erkens:

Op dit moment ontraad ik de motie, want een fonds oprichten voor een probleem, terwijl er nauwelijks indicaties bij ons binnenkomen, dat vind ik te ver gaan. Ik kan wel tegen de heer Graus zeggen dat ik bereid ben om te kijken hoe we kunnen helpen, als ik indicaties heb dat die dieren er zijn. Dus als die indicaties er zijn, zal mijn ministerie daarvoor openstaan. Maar ik ontraad de motie op stuk nr. 40.

De voorzitter:

Die toezegging noteer ik. De motie op stuk nr. 41.

Staatssecretaris Erkens:

Dan de motie op stuk nr. 41. Die ontraad ik ook. Er is op dit moment een houdverbod. Als iemand flink de fout in gaat of op deze wijze misbruik maakt van dieren, dan kan er een houdverbod zijn en komt men er niet gemakkelijk mee weg. De Europese route die nu loopt, draait om traceerbaarheid. Eind maart wordt deze inzichtelijk gemaakt. Daar zetten we op in vanuit de Europese Unie.

De voorzitter:

Dat was motie?

Staatssecretaris Erkens:

Dat was de motie op stuk nr. 41.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, één vervolgvraag.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag gaat nog even over de motie op stuk nr. 40 van de heer Graus. Ik hoor de staatssecretaris eigenlijk een interpretatie geven aan de motie. Meestal is het zo dat een motie met een bepaalde interpretatie oordeel Kamer wordt gegeven. Dat miste ik hier even. De staatssecretaris zei namelijk dat hij bereid is om te kijken hoe hij daarbij kan helpen. Dat is een interpretatie van de motie. Als de heer Graus dan zegt "met die interpretatie kan ik leven", dan zou de motie toch oordeel Kamer kunnen krijgen? Of niet? Het gaat ook even erom dat wij straks zelf van al die moties moeten overwegen of we voor of tegen gaan stemmen.

De voorzitter:

U doet een nobele poging. We gaan kijken of de staatssecretaris zijn appreciatie verandert.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik probeer te helpen.

Staatssecretaris Erkens:

De staatssecretaris blijft deze motie ontraden, omdat het echt gaat om het oprichten van een fonds. Dat ben ik niet voornemens, omdat mensen de zoogdieren die op de lijst staan, mogen houden. Ik zei erbij dat als er veel signalen binnenkomen dat er een probleem ontstaat met de opvang, dat ik ernaar wil kijken. Maar ik ontraad de motie. Het is meer een handreiking richting de heer Graus: als het probleem groter wordt, dan sta ik niet onwelwillend tegenover zijn voorstel.

Voorzitter, ik kom uit Limburg. Het is dus niet de Deventerse stijl. Het gaat mij iets meer tijd kosten. Helaas.

De voorzitter:

Overijssel ligt mij toch nader aan het hart. Dan de motie op stuk nr. 42.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 42 gaat over een levenslang houdverbod. Die is overbodig, want met de ingang van de wet over dierenmishandeling is dat gelukkig mogelijk.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Graus (PVV):

Wat me iedere keer opvalt, is dat alle kabinetten, al twintig jaar, niet luisteren naar wat ik zeg. De rechters leggen dit namelijk niet op. Officieren van justitie, dierenofficieren, doen hoge strafvorderingen, maar rechters doen daar niks mee. Zij moeten gekaderd worden. Wij bepalen hier de kaders. Vervolgens bepaalt de rechter wat de straf wordt. Een recidivist moet gewoon een beroeps-, houd- of transportverbod krijgen. Dat moeten wij hier bepalen. Wij moeten dat doen, want de rechters doen het niet. Dat zijn allemaal softies. Die boeit het geen meter. Daarom wil ik ook dat er dierenrechters komen.

Staatssecretaris Erkens:

Ik noem de motie overbodig, omdat dit gewoon mogelijk is en het verbod in sommige gevallen ook al door rechters is opgelegd. Ik blijf dus bij de appreciatie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 43.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 43: ontraden. Dat is de discussie die we net voerden. Dit gaat over de rechtspraak en die is onafhankelijk. Die maakt hierin een eigen afweging. Tegelijkertijd zijn er meerdere richtlijnen opgesteld die we, ook via dit debat, onder de aandacht kunnen brengen. Ik noem dan de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling, dierendoding, dierverwaarlozing, bijtincidenten en overtreding houdverbod dieren van het OM. Die kan in dezen voor de rechter houvast bieden. Gelukkig hebben we die richtlijn.

De motie op stuk nr. 44 ontraad ik ook. Er zijn nu geen speciale dierenrechters. Rechters die met dierenwelzijnszaken te maken hebben, kunnen wel deelnemen aan opleidingen over dierenwelzijn. Die worden ook aangeboden.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 45.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 45 gaat over het verbod op reptielenbeurzen. Ik had daar schriftelijk al het een en ander over gezegd. Ik zou de motie nu willen appreciëren als ontijdig en de heer Graus willen vragen deze aan te houden, omdat ik een poging wil wagen om met de sector te komen tot een substantiële verbetering. Mocht dat niet werken, dan ben ik bereid om naar dit voorstel te kijken. Ik wil die poging wel één keer wagen. Ik zou willen voorstellen de motie aan te houden.

De voorzitter:

Meneer Graus, bent u daartoe bereid?

De heer Graus (PVV):

Ik ben altijd bereid om mee te werken en meegaand te zijn, maar hoelang gaat dat duren en wat gaan ze doen? Die dieren zijn namelijk helemaal niet geschikt om naar reptielenbeurzen te gaan. Een reptiel is niet geschikt om mee te gaan sjorren en sjouwen of om ze in bamibakjes te doen. Daar zijn die dieren niet geschikt voor. Dat is de reden waarom ik de motie in dit geval niet ga aanhouden. Normaal gesproken ben ik altijd meegaand.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 45 het oordeel ontijdig.

Staatssecretaris Erkens:

Dan de motie op stuk nr. 46, over de dierenambulance. Die geef ik oordeel Kamer, met een kleine interpretatie. Er is nu 2 miljoen vrijgemaakt voor 144. Het kabinet draagt hiermee ook bij aan het hebben van voldoende centralisten. We blijven ons naar voren toe verder inzetten als er problemen ontstaan.

De voorzitter:

Kan de heer Graus met die interpretatie leven?

De heer Graus (PVV):

Ik weet niet goed wat de staatssecretaris bedoelt.

De voorzitter:

Staatssecretaris, met welke interpretatie kan de motie op stuk nr. 46 oordeel Kamer krijgen?

Staatssecretaris Erkens:

Er is 2 miljoen vrijgemaakt. Het gaat dus niet om additioneel geld, maar we blijven wel de vinger aan de pols houden voor als dat geld in de toekomst nodig is. Er is nu dus ook voor 144 extra geld vrijgemaakt.

De voorzitter:

Met welke interpretatie kunt u de motie aan het oordeel van de Kamer laten?

Staatssecretaris Erkens:

Dat we de middelen die al beschikbaar gesteld zijn deels kunnen inzetten voor voldoende centralisten. We kijken daarnaar bij de 2 miljoen die beschikbaar is gesteld.

De heer Graus (PVV):

Akkoord, als ook wordt meegenomen dat er 24/7 bemanning moet komen. Het is niet zo dat er geen dieren mishandeld worden buiten kantooruren of tijdens weekenden. Dierenmishandeling gaat 24/7 door. Ook de mishandeling van vrouwen en kinderen gaat 24/7 door. Bij dieren is dat net zo. Het kan dus niet zo zijn dat dieren alleen tijdens kantooruren geholpen worden. Dat kan natuurlijk niet.

Staatssecretaris Erkens:

Ik zou willen voorstellen dat ik dat nog check. Dat kan ik nu niet meer doen. We laten voorafgaand aan de stemming kort weten of dat met deze middelen kan en ook hoe de appreciatie daarvan afhangt. Ik kan dit nu niet toezeggen als de middelen daarvoor onvoldoende blijken te zijn.

De voorzitter:

Wat betekent dat dan nu voor de motie op stuk nr. 46?

Staatssecretaris Erkens:

Volgens mij is die dan op dit moment ontraden. Als de heer Graus en ik er voorafgaand aan de stemming uitkomen, krijgt ze alsnog oordeel Kamer. Dat zullen we dan communiceren richting de Kamer.

De voorzitter:

Mevrouw Den Hollander nog, kort.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Er ligt voor aankomende dinsdag een amendement vanuit de commissie voor Justitie en Veiligheid over hetzelfde meldpunt 144. Misschien kan de staatssecretaris even afstemmen met het andere ministerie dat u met hetzelfde oordeel naar de Kamer komt, anders wordt het voor de Kamer heel verwarrend.

Staatssecretaris Erkens:

Dat is een goed punt. Dat pakken we op. Dat is een uitstekend punt, want misschien wordt het al opgelost.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 47.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 47, over het veterinair forensisch team, moet ik ontraden. De politie kan ze op dit moment al inschakelen. Er zijn ook meerdere organisaties die expertise leveren op het gebied van obducties op dieren.

De heer Graus (PVV):

Ik heb aan de wieg gestaan van het veterinair forensisch team. Er is een dierenarts, de enige forensisch deskundig dierenarts. En er is dokter Van de Goot, Frank van de Goot. Hij is internationaal bekend. Hij heeft bij het NFI gewerkt. Zij hebben dat team samen opgezet. Ik denk dat het al vanaf 2014 is dat die mensen gewoon voor nop alle obducties doen. Ze kregen op het laatst af en toe weleens wat vergoedingen daarvoor. Die mensen hebben ongeveer een miljoen euro per jaar nodig om al die obducties te kunnen doen en om mensen op te leiden. Als zij alle twee tegen een boom aan rijden, als zij in één auto zitten en tegen een boom aan rijden, dan hebben we niks meer. We moeten ook investeren in onderwijs en opleiding, want zij zijn momenteel de enige twee die echt ter zake deskundig zijn. Daar gaat het om en daar hebben wij hulp vanuit de regering bij nodig, want wij kunnen die mensen niet op vrijwillige basis laten werken.

Staatssecretaris Erkens:

Op dit moment worden ze, voor zover wij het begrijpen, ingehuurd door de politie zelf. Dat is niet volledig op vrijwillige basis. Als er daarover andere signalen zijn, laten we daar dan contact over hebben, maar ik ontraad de motie op stuk nr. 47.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 48.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 48, van mevrouw Den Hollander, betreft de fiscale versterking van agrarisch ondernemerschap. Die motie krijgt oordeel Kamer. Ik heb dat in reactie op de motie-Stoffer vorige week naar de Kamer gestuurd.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 49.

Staatssecretaris Erkens:

Dat gaat om onderzoek richting de zomer.

Dan nu de motie op stuk nr. 49, voorzitter. Die krijgt oordeel Kamer, met één kleine opmerking daarbij. Ik zal uw Kamer voor de zomer een brief sturen over mijn inzet op de innovatieagenda. Dat zal met een financiële doorkijk zijn, waar we dan ook het gesprek over kunnen voeren. De middelen zelf schaar ik even niet onder deze motie. Dan zou ik de motie moeten onraden, want dan zou er geen dekking zijn. We gaan dus inzichtelijk maken wat er nodig zou zijn.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 51.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 51 krijgt ook oordeel Kamer. Het afgelopen jaar is de AMvB opgesteld. Daar ga ik mee verder. Ik kijk er nog één keer goed naar en ik zal met de Kamer het gesprek daarover aangaan.

Dan de motie op stuk nr. 59. Als ik het goed heb, is dat de volgende. Klopt dat, voorzitter?

De voorzitter:

Ja, dat is correct. Dat is de motie-Flach/Den Hollander.

Staatssecretaris Erkens:

De nummering klopt nog. De motie op stuk nr. 59 krijgt van mij het oordeel ontijdig. Het zou mijn verzoek zijn om die motie aan te houden. Er was eerder de motie-Den Hollander over het onderzoek naar het fiscaal instrumentarium. Dat zou ik eerst willen laten aflopen. Deze motie loopt al vooruit op het invoeren als instrument. Het lijkt mij dus logisch om deze motie aan te houden tot het onderzoek richting de zomer gelopen heeft.

De voorzitter:

Is de heer Flach daartoe bereid?

De heer Flach (SGP):

Volgens mij is er eerder ook door de heer Stoffer in deze lijn een motie ingediend. Ik hou 'm vooralsnog dus gewoon in stand. Mocht ik daar anders over gaan denken, dan laat ik dat via de Griffie weten.

De voorzitter:

Dan krijgt de motie op stuk nr. 59 de appreciatie ontijdig.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Kijkt de staatssecretaris wat betreft de fiscale maatregelen ter stimulering ook naar het afschaffen van bestaande fiscale maatregelen die ineffectief zijn gebleken?

Staatssecretaris Erkens:

Dat valt er op dit moment niet onder. Dat doet de staatssecretaris van Financiën inderdaad wel van tijd tot tijd. Dat stond ook in de brief waaraan ik net refereerde, waarin ik antwoord heb gegeven op de vragen van de heer Stoffer. Dit gaat echt over richting de zomer onderzoeken of fiscale instrumenten misschien soms beter werken dan het subsidie-instrumentarium. In dat brede kader lijkt het mij logisch om al die routes met elkaar te verkennen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 60.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 60 krijgt oordeel Kamer, onder verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 61 gaat over het prijsstunten. Die kan ik oordeel Kamer geven, maar wel met een kleine kanttekening. De gevraagde wettelijke grondslag gaat mij nu nog te ver. Ik wil het eerst onderzoeken en oppakken in de bredere discussie rondom de AMvB dierwaardige veehouderij. Daarbij hebben wij ook het vraagstuk hoe richting de keten om te gaan met de producten. Als ik dit kan meenemen in de discussies met de supermarkten daarover, dan kan ik voor de zomer de Kamer informeren over de eventuele vervolgstappen. Maar een wettelijke grondslag gaat mij nu nog te ver.

De voorzitter:

We gaan kijken of dat mag.

Staatssecretaris Erkens:

Ik probeer mevrouw Ouwehand dus tegemoet te komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben geneigd om te zeggen: dat is goed. Maar het genie achter dit voorstel is natuurlijk de heer Grinwis en hem zie ik even niet. Ik zeg voor nu dat ik erin meega, maar als de heer Grinwis straks tegen mij "wat heb je nou gedaan" zegt, dan … Ja, dan …

De voorzitter:

Dan maakt dat deel uit van de beraadslaging.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan maakt dat deel uit van de beraadslaging, precies!

Staatssecretaris Erkens:

We kennen de heer Grinwis als een heel schappelijke collega, dus dat komt vast en zeker goed. Zo is het.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 63.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 63 ontraad ik onder verwijzing naar het debat. Ik wil er nog wel bij zeggen dat ik, zoals ik al zei, bereid ben om met mijn Vlaamse collega's te spreken.

De motie op stuk nr. 64 krijgt oordeel Kamer, maar wel met een interpretatie. Uit onderzoek blijkt dat bijna twee derde van de respondenten de voorbereidingstijd wel in acht neemt. Ondanks dat mensen zich goed voor lijken te bereiden, blijft het belangrijk dat ze goed geïnformeerd worden en weloverwogen een dier aanschaffen. Ik kan daarom instemmen met het voorstel om dit, zoals u ook aangeeft, te verkennen.

De voorzitter:

Het lid Kostić stemt daarmee in en daarmee krijgt de motie op stuk nr. 64 oordeel Kamer. Dan nu de motie op stuk nr. 68.

Staatssecretaris Erkens:

Dat is uitstekend.

Ik verzoek de motie op stuk nr. 68 aan te houden, want mijn appreciatie is ontijdig. De rijksbrede lijn verwachten we richting de zomer. Het is voorzien dat die er komt en dat is onder andere ook al namens het kabinet aangegeven door de premier. Uiteraard ben ik wel bereid om eind deze maand bij de LVR informele verkennende gesprekken en sonderingen te voeren met de collega's in Europa. Mijn verzoek zou dus zijn om gezien deze gesprekken de motie aan te houden, voorzitter.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, bent u bereid om de motie op stuk nr. 68 aan te houden?

Staatssecretaris Erkens:

Ten minste tot en met de LVR. Daarna kunnen we erop terugkomen.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas gaat hiermee akkoord.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 69 krijgt oordeel Kamer en de motie op stuk nr. 70 moet ik ontraden. De reden daarvoor is dat we die juridische ruimte nog niet hebben. Ik pak het wel met prioriteit op richting onder andere Brussel en de Duitse collega's om daar meer ruimte voor te creëren. Mijn focus zou op dit moment veel meer liggen op de AMvB en het bredere pakket. Vandaar dat ik de motie ontraad, maar ik snap de achterliggende gedachte wel.

De voorzitter:

Daarmee zijn we bijna aan het einde gekomen van de termijn van de zijde van het kabinet. Maar we hebben nog één interruptie van mevrouw Ten Hove.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik zie de welwillendheid van de staatssecretaris en ik wil ook zeggen dat ik daar heel erg blij mee ben. De motie van mevrouw Den Hollander is een hele mooie eerste stap. Het is nog wel een beetje voorzichtige eerste stap, maar wij gaan de motie toch zeker steunen. Wij willen graag doorpakken, want in de landen om ons heen kan het ook. Dus wij hopen dat wij die landen snel kunnen volgen om de wolvenproblematiek aan te pakken.

Staatssecretaris Erkens:

Ik hoor de aansporing, voorzitter. Dank!

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Een heel klein puntje van orde voor de Handelingen. De stap is al gezet, hè, door de vorige staatssecretaris. Het is dus niet zo dat hier ineens iets nieuws gebeurt. Dat wil toch even opgemerkt hebben.

De voorzitter:

Waarvan akte. Ik dank de staatssecretaris en de minister voor hun aanwezigheid en de beantwoording in tweede termijn. Ik dank de aanwezige leden voor het prettig gevoerde debat.

De voorzitter:

Over de ingediende motie én de amendementen én de begroting zal dinsdag worden gestemd. En we hebben dat in dit debat toch maar met 397 interrupties voor elkaar gekregen! Ik schors een ogenblik en daarna gaan we verder met het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken en Handel.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik heet van harte welkom in vak K de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en ik geef het woord aan mevrouw Kröger voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Van mijn hand twee moties over de WTO.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de WTO een belangrijk instrument is om wereldwijde handel te stimuleren en reguleren;

overwegende dat handelspolitiek een belangrijk onderdeel is van de klimaattransitie;

verzoekt de regering om in te zetten op het verder integreren van klimaat- en milieustandaarden in de WTO-processen, op een manier die de klimaattransitie verder aanjaagt en het klimaatverdrag van Parijs ondersteunt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Bamenga.

Zij krijgt nr. 3364 (21501-02) (#41).

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

En de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de 14de Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie tot hervormingen kan besluiten die consequenties hebben voor de economische ontwikkeling van opkomende economieën;

verzoekt de regering op Europees niveau te pleiten voor het via een Development Impact Assessment in kaart brengen van de effecten van de uitkomsten van de Conferentie op ontwikkelingslanden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger.

Zij krijgt nr. 3365 (21501-02) (#42).

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Naar aanleiding van wat de minister in het debat zei over zijn contact met de secretaris-generaal van de Verenigde Naties over eventuele steun van Nederland aan mogelijke activiteiten om de Straat van Hormuz open te krijgen, heb ik toch een vraag. Er is namelijk net een joint statement uitgekomen door de leiders van het VK, Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland en Japan, waarin staat: "We express our readiness to contribute to appropriate efforts to ensure safe passage through the Strait". Mijn vraag is wat er wordt verstaan onder "appropriate efforts". Is dat een financiële bijdrage aan een eventuele administratie of iets dergelijks, waar de minister het over had in het debat? Kan hij uitsluiten dat hiermee ook op militaire efforts wordt gedoeld? Welke andere efforts kan Nederland hiermee bedoelen? Wij waren enigszins verbaasd door dit statement en vroegen ons af wat hier precies de achtergrond van is.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors een enkel ogenblik zodat de moties kunnen worden rondgedeeld, en daarna is het woord aan de minister voor de beantwoording.

De voorzitter:

Ik heropen en geef het woord aan de minister. Ik stel voor zijn beantwoording even af te wachten alvorens eventueel vervolgvragen te stellen. Het woord is aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Sjoerdsma:

Voorzitter, dank. Ik dank ook de Kamerleden voor het waardevolle debat dat wij deze middag hebben gevoerd. Ik dank de Kamerleden ook, van links tot rechts, voor de uitgesproken steun voor de kabinetsinzet bij de WTO-conferentie, waar wij overigens met twee Kamerleden, van de zijde van D66 en GroenLinks-PvdA, heen zullen reizen. We voelen ons daarin gesteund. We gaan daar heen met een realistische en optimistische blik. Realistisch, want we weten goed wat de uitdagingen zijn en onder welke moeilijke geopolitieke omstandigheden we dit gaan doen. Maar optimisme is een plicht, dus we gaan er alles aan doen om ervoor te zorgen dat we daar een resultaat boeken.

Dat brengt mij bij de motie op stuk nr. 3364, van mevrouw Kröger en de heer Bamenga. De motie geef ik graag oordeel Kamer. Die past bij de inzet van het kabinet. Het is belangrijk dat we hier ambitieus blijven. Tegelijkertijd ook enig verwachtingsmanagement van mijn kant: het zal niet alleen maar van de Nederlandse inzet afhangen, helaas.

Dan de motie op stuk nr. 3365, ook van mevrouw Kröger. Zij verzoekt de regering om op Europees niveau te pleiten voor het via een development impact assessment in kaart brengen van de effecten van de uitkomsten van conferentie op ontwikkelingslanden. Die motie is ontijdig. Daar hebben we ook in het debat kort over van gedachten gewisseld. De meest waarschijnlijke uitkomst van de MC14 is een hervormingsagenda voor de komende jaren en daar zitten geen concrete maatregelen bij waar deze toets op van toepassing zou kunnen zijn.

De voorzitter:

Dan moet ik formeel vragen of mevrouw Kröger bereid is om de motie aan te houden.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Dan houd ik 'm aan totdat de uitkomsten van de top er zijn en dan ga ik aan de minister vragen wat de effecten van die uitkomsten zijn, want ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat er geen uitkomsten zijn die effecten hebben.

Minister Sjoerdsma:

Dank. Uiteraard nemen we wel de gedachte mee die achter de motie zit, namelijk hoe de impact op het Globale Zuiden weegt en wat we daarmee kunnen doen.

Voorzitter. Dan nog de vraag van mevrouw Kröger hoe de gesprekken met de secretaris-generaal van de VN, die ik toevallig heb mogen hebben in New York, zich verhouden tot een van de conclusies van vandaag. Die gesprekken in New York zagen vooral op de bereidheid en ook de noodzakelijkheid om in de Straat van Hormuz toch te kijken of we daar iets van beweging kunnen krijgen. Dat is dan beweging in de zin van: als het dan niet mogelijk is om die hele straat open te krijgen, wat ook voor het handelsverkeer van groot belang is, dan op zijn minst voor kunstmest en humanitaire goederen. We kunnen alleen maar hopen dat dat vanuit de VN kan leiden tot iets wat waarde heeft en wat voor de regio van groot belang zal zijn. De vraag is natuurlijk of dat lukt. In dat licht zie ik ook een beetje de verklaring van vandaag, de bereidheid. De secretaris-generaal was ook bij de Europese top. Die heeft daar tijdens de lunch twee uur mogen spreken over niet alleen de urgentie van deze zaak, maar ook over de urgentie van de hervormingen binnen het VN-systeem. De bereidheid van verschillende landen om bij te dragen aan wat we ook maar kunnen doen om ervoor te zorgen dat daar weer beweging in komt, die is daar uitgesproken.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

Mevrouw Kröger (GroenLinks-PvdA):

Het is natuurlijk wel relevant of het hierbij gaat om het financieel ondersteunen van een administratief kantoor, zoals de minister het in het debat benoemde, of heel andere zaken. Het kan ook gaan over militaire activiteiten. Kan de minister mij schetsen dat appropriate efforts niet gaan over militaire activiteiten?

De voorzitter:

De minister, kort en bondig.

Minister Sjoerdsma:

Dank voor de vragen. Ik denk dat mevrouw Kröger ook heeft gezien wat de reactie was van eigenlijk gehele Raad Buitenlandse Zaken op het verzoek van president Trump. Die sprak bepaald boekdelen, zou ik zelf zeggen. Tegelijkertijd weet mevrouw Kröger ook dat er hier financieel, diplomatiek en politiek een heleboel instrumenten in te zetten zijn. En als het ooit zou gaan richting militaire inzet, dan weet zij net zo goed als elk ander Kamerlid dat daar geëigende procedures voor zijn waarin de rol van de Tweede Kamer ontzettend belangrijk is. Dus dan komt het ook op die manier naar u toe. Vooralsnog is het zoals ik zeg.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Over de ingediende motie zal dinsdag worden gestemd. Ik schors de vergadering een kort ogenblik. Daarna gaan we verder met de behandeling van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat betreft een voortzetting. De vergadering is kort geschorst.

Termijn antwoord

De voorzitter:

Aan de orde is de voortgang van de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We zijn aangekomen bij de beantwoording, de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Dit is tevens de laatste vergadering van vanavond. We bepalen dus zelf hoe laat wel het licht uitdoen, maar laten we proberen het toch een beetje schappelijk te houden. Ik kondig nu al aan dat we niet later dan 19.45 uur gaan eten. Ik hoop dat we dan een heel eind gekomen zijn met de beantwoording van de zijde van het kabinet. Anders moeten we daar een andere mouw aan passen, want we willen op een gegeven moment natuurlijk ook de inwendige mens voeden. Ik heb begrepen dat er in de eerste termijn vijf keer drie interrupties werden toegestaan, in drieën vijf keer dus. Laten we dat vasthouden. Ik vraag aan het kabinet om aan te geven in welke blokjes zij de beantwoording doen. Voor de ordentelijkheid stel ik voor om aan het eind van elk blokje interrupties te plegen.

Mevrouw Patijn heeft een punt van orde.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Wij hebben het er in de eerste termijn echt over gehad hoe moeizaam dat het debat maakte. Het is een begrotingsdebat, een wetgevingsdebat, en het was toen echt al heel vervelend en lastig. Wij zitten hier met drie Kamerleden en moeten die interrupties verdelen. Ik zou dus graag meer vrijheid hebben. Ik begreep net van een collega dat die meer dan 40 interrupties heeft kunnen plegen in precies eenzelfde soort debat, maar dan over de begroting van een ander ministerie. Ik zou dus willen vragen om iets meer ruimte.

De voorzitter:

Laten we het als volgt doen, mevrouw Patijn. Als het ons nou gewoon lukt om een beetje op tijd te eten, dan heb ik er geen enkel bezwaar tegen om wat vrijer om te gaan met het aantal interrupties. Als we er echter niet doorheen komen — dat is zowel voor uw Kamer als voor de mensen die het debat thuis volgen uiterst onprettig — dan zal ik kijken of we het aantal interrupties moeten maximeren. Dan gaan we het gewoon zo doen.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister van Werk en Participatie op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Dan geef ik nu graag het woord aan het kabinet, aan de minister van Sociale Zaken.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter, dank u wel. Het zal u opvallen dat ik zit. Dat heeft met mijn rug te maken en niet met een gebrek aan respect voor de Kamer. Dank aan alle Kamerleden voor hun inbreng vorige week, zeker aan de heer De Beer, de heer Hamstra en mevrouw Moinat voor hun maidenspeeches. Dat waren prachtige verhalen, dank u wel. Nog geen anderhalf jaar geleden gaf ik zelf in deze Kamer mijn maidenspeech. Ik werd toen voor de eerste keer fulltime lid van deze Kamer. Ik sprak in die speech over drie dingen die ikzelf belangrijk vind in de politiek. Die gaan vandaag terugkomen. Dat waren: luisteren naar de mensen om wie het gaat, uitleggen welke keuzes je maakt en waarom je die gemaakt hebt en vasthouden aan de dingen die je hebt beloofd. Dat benadrukte ik toen. Nu ik terug ben in vak K is het aan mij om dit ook te doen: luisteren, keuzes uitleggen en consequent zijn. De afgelopen week ben ik, net als collega Aartsen, het land in gegaan om te beginnen met luisteren. Ik schrijf wat ik hoor allemaal op in een paars boekje, dat ik laatst bij me had. Dat zit nu even in mijn tas. Daar schrijf ik mijn verhalen in op. Zo sprak ik een mevrouw die al vier jaar een WIA-uitkering krijgt en nu opeens hoort dat het UWV onderzoek doet naar haar dagloon. Dat doet veel met haar. Er is nu een onzekerheid boven op de onzekerheid die ze al voelde. In die gesprekken hoorde ik een echo van mijn periode in Groningen: mensen die worden verdrukt door het systeem, die zijn terechtgekomen in de wereld van Kafka, ondanks al onze goede bedoelingen. Als ik dat hoor, dan sterkt mij dat in de gedachte dat we moeten werken aan een stelsel van sociale zekerheid en een arbeidsmarkt die werken voor mensen, die zorgen voor inkomensondersteuning, maar die ook helpen om mensen weer aan het werk te helpen als dat kan. Mensen maken zich zorgen — die hoorde ik duidelijk — over de plannen voor de AOW en de WW. Zij vragen zich af: "Wat betekent dat voor mij? Ga ik gezond mijn AOW-leeftijd halen? En wat gebeurt er als ik mijn baan verlies?".

Voorzitter. Uit al die gesprekken blijkt ook dat de mensen in Nederland zien wat ik ook zie, namelijk dat Nederland al jaren stilstaat, terwijl de wereld om ons heen in hoog tempo verandert. Dat kunnen we ons niet veroorloven. Volgens het Centraal Planbureau geven we met z'n allen bijna 157 miljard per jaar uit aan sociale zekerheid. Dat stijgt in 2030, na de maatregelen in het regeerakkoord, naar bijna 162 miljard euro. Het coalitieakkoord dempt dus de uitgavengroei, maar zelfs met deze maatregelen blijven de uitgaven aan de sociale zekerheid hard stijgen. Om dat nog meer in perspectief te plaatsen: in 2030 kost onze sociale zekerheid volgens het Centraal Planbureau 35 miljard meer dan de zorg per jaar, en de uitgaven aan sociale zekerheid zijn meer dan vijf keer zo hoog als die aan onze defensie. Achter al deze getallen, achter al dit geld, zitten mensen, die bijvoorbeeld instromen in de WIA. Dat waren in 2024 63.500 mensen. Toen de WIA er net was, waren dat er 35.000. Dat vind ik een tragedie. Ruim 600.000 mensen ontvangen inmiddels een arbeidsongeschiktheidsuitkering. In 2025 wachtten 40.000 mensen gemiddeld zes maanden op een beoordeling, bij een wettelijke termijn van zestien weken. Ik ga niet een minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn die dit verder uit de hand laat lopen. Ik ben oud genoeg om me het begin van de jaren negentig te herinneren, toen de WAO ontplofte. We moeten keuzes maken. Iedereen ziet namelijk ook de andere kant: onze economie staat te springen om mensen. Er zijn personeelstekorten in de techniek, in de zorg, in het onderwijs, overal. Tegelijkertijd staan er honderdduizenden mensen langs de kant met een uitkering omdat ons systeem van sociale zekerheid mensen opsluit.

Een mevrouw met een WIA-uitkering vertelde me dat ze bang is om aan het werk te gaan, om een eigen bedrijfje te beginnen, omdat ze vreest bij herbeoordeling haar uitkering te verliezen zodra ze aan de slag gaat. Het punt dat de heer De Beer aanstipte in zijn maidenspeech: het systeem houdt mensen klein of werkt hen tegen. Neem mensen met talent die zich suf solliciteren maar nooit op gesprek mogen komen omdat hun achternaam niet Nederlands klinkt, omdat de werkvloer niet gewend is aan vrouwen, omdat ze te oud worden gevonden of omdat ze wel de juiste vaardigheden hebben maar niet de juiste papieren. Een sterk land laat niemand langs de kant staan, zeker niet nu de wereld in razend tempo verandert en iedereen het heeft over onze autonomie in Europa. Dan moet de economie wel kunnen draaien, dan moet iedereen wel kunnen meedoen.

Ik heb het eerder gezegd, bij het oplossen van deze problemen is belangrijker wat je met elkaar deelt dan waarover je van mening verschilt. Ik denk dat wij met elkaar delen dat we onze sociale zekerheid en welvaart veilig willen stellen, maar dan moeten we wel keuzes durven maken. Heel veel onderzoek laat zien dat landen die zich niet tijdig aanpassen, langzaam wegzakken. In 1992, zo'n 35 jaar en voor mij twintig kilo geleden, schreef ik een proefschrift over werkloosheidsuitkeringen en de arbeidsmarkt. Toen al hield ik een pleidooi voor een WW met een hoge uitkering in het begin, die echter kort duurt en waarbij heel veel aandacht wordt besteed aan zo snel mogelijk weer aan het werk gaan. Wie niet kan werken moet kunnen vertrouwen op een goed stelsel, dat is duidelijk. Maar wat ook duidelijk is, is dat we een ambitieus doel moeten hebben en dat daar moeilijke keuzes bij horen. Over die keuzes ben ik in gesprek met mensen in het land. Hoe kunnen we werknemers, werkgevers en zelfstandigen uit de bureaucratische rompslomp halen? Hoe kunnen we dat bereiken? Wat is de meest rechtvaardige manier — daar komen we straks ongetwijfeld uitgebreid over te spreken als ik terugkom op de AOW — om onze oude dag te financieren? Hoe krijgen we na 30 jaar praten eindelijk een systeem van leven lang ontwikkelen op poten?

Ik ga luisteren. Ik ga luisteren naar een alleenstaande werkende moeder die te maken heeft met schulden en stijgende prijzen, waar mevrouw Lahlah naar vroeg, en naar iemand met ALS die in een rolstoel zit, waar mevrouw Patijn naar vroeg. De uitkomsten van die gesprekken moeten meer zijn dan touwtrekken over welke maatregelen al dan niet van tafel moeten. Het gesprek moet gaan over of wij een sociale zekerheid kunnen maken die er is voor mensen en die mensen niet opsluit, nu niet en in de toekomst niet.

Minister Aartsen en ik zullen onze ervaringen op basis van de gesprekken met de Kamer delen. Aan de hand daarvan kunnen we werken aan een breed gedragen sociaal akkoord. De polder hebben we daarbij hard nodig. Werkgeversorganisaties en vakbonden zijn belangrijk en sterken ons met eigen verantwoordelijkheden. Denk aan de regionale werkcentra waarin we samenwerken met de partners. We willen graag in gesprek over een sociale zekerheid die mensen helpt en niet opsluit. Dat is niet eenvoudig. Ik weet het, ik ken alle moeilijkheden en ik ken alle bezwaren, maar toch moeten we dat gesprek hebben.

Voorzitter, u vroeg om blokjes. Ik zal aangeven welke blokjes ik had bedacht; ik ben natuurlijk in uw handen. Het eerste blokje is sociale zekerheid, arbeidsongeschiktheid en AOW. Het tweede blokje is arbeidsmarkt. Daarin neem ik ook de WW, Leven Lang Ontwikkelen en inzetbaarheid mee. Het derde blokje is inkomensbeleid, energieprijzen, armoede en Caribisch Nederland.

Ik begin met het eerste blokje, over sociale zekerheid. In Nederland moet iedereen kunnen rekenen op een sociaal vangnet, als het even tegenzit. Dat was zo en dat blijft ook zo. Maar als we onze kinderen en kleinkinderen willen garanderen wat we nu hebben, dan moeten we moeilijke maatregelen nemen. De focus ligt wat mij betreft op sociaal activerend en betaalbaar. Hierover willen we de komende tijd met de Kamer en de partners in gesprek. Hierbij start ik met ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het aantal mensen dat zich meldt voor een WIA-uitkering neemt sterk toe. Ik noemde het getal van de instroom al eerder. Bovendien moeten mensen veel te lang wachten voordat ze een WIA-beoordeling krijgen.

De voorzitter:

Moment. Mevrouw Van Brenk, ik zou eigenlijk willen voorstellen om het blokje af te wachten. Of misschien heeft u een interruptie naar aanleiding van de inleiding, dat kan ook. Om te voorkomen dat de minister elke keer gaat zeggen "dat komt verderop in het blokje", lijkt afwachten mij beter voor het debat. Maar aan u het woord.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Het gaat eigenlijk om een ander punt. Vorige week hebben wij een debat gehad waarin ik mevrouw Patijn bijna wanhopig hoorde zeggen dat de cijfers niet klopten. Een dag na het debat kregen we inderdaad een brief waarin stond dat de cijfers niet klopten. Ik had eigenlijk gedacht dat de minister daarmee zou beginnen.

De voorzitter:

Laten we dit dan scharen onder de inleiding.

Minister Vijlbrief:

Ik was van plan daar wat over te zeggen bij het blokje AOW. Wat daar gebeurde, is dat wij … Ik ga even zeggen hoe het is gegaan, want dat is het eerlijkst. Wij hebben heel kort na het verkeerde antwoord een nieuw antwoord gestuurd. Dat is ergens hier, in het systeem van de Kamer, verkeerd gegaan. Daarom was het pas de volgende dag beschikbaar. Zo is het gegaan.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik probeer het even te begrijpen. Als u wist dat het hier, in dit huis, lag, dan begrijp ik niet waarom de minister niet veel welwillender inging op de vragen van mevrouw Patijn. Ik voer hier nu eigenlijk het woord voor mevrouw Patijn; dat is natuurlijk niet helemaal handig. Maar het irriteert me — laat ik het zo zeggen — dat een collega niet gewoon volwaardig antwoord kreeg, terwijl de minister het schijnbaar wel wist.

De voorzitter:

Ik heb zomaar het idee dat mevrouw Patijn zelf ook nog het woord gaat voeren, en genoeg ook. Maar voor nu is het woord aan de minister.

Minister Vijlbrief:

Nu raak ik in verwarring, want ik ben nu antwoord aan het geven. Ik ga nu volwaardig antwoord geven. Ik had vorige week niet het woord. Ik dacht vorige week dat iedereen wist dat ik nieuwe antwoorden had gestuurd. Dat was blijkbaar niet het geval. Dat was een misverstand. Ik heb dat niet bewust gedaan. Er is niet bewust iets bozigs gebeurd. Mevrouw Patijn heeft misschien ook gezien dat ik net zo nu en dan verbaasd zat te kijken. Dat kwam omdat ik dacht dat zij de nieuwe antwoorden al kende, maar dat was niet het geval. Er was iets blijven steken. Dat is alles wat er is gebeurd. Er is geen complot.

De voorzitter:

Er is geen complot, zegt de minister. Er is een vraag van mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ondanks dat er geen complot was, was het uitermate slordig. We kregen gewoon foute antwoorden, foute conclusies op basis van de tabel. De volgende slordigheid zit in het feit dat we niet netjes een briefje kregen waarop stond: excuses, daar zat een fout in. De antwoorden die gestuurd werden en die op de website stonden, werden gecorrigeerd. Dat leidt wel tot irritatie. Het kan natuurlijk gewoon gebeuren dat er een fout wordt gemaakt. Dat begrijpen wij helemaal. Maar het is dan wel zorgvuldig als dat met een briefje wordt uitgelegd in plaats van dat we opeens in dezelfde antwoorden moeten opsporen wat er is gewijzigd. Ik zou het dus fijn vinden als dat in de toekomst anders kan.

Minister Vijlbrief:

Als dat verkeerd is gegaan, bied ik daar mijn excuses voor aan. Nogmaals, dat was helemaal niet de bedoeling. We wilden u zo snel mogelijk nieuwe antwoorden geven. Dat is wat we wilden.

Voorzitter. Ik was bezig met de WIA. De minister van Financiën gaf van de week al een korte sneak preview van de Voorjaarsnota. Daarin zit een grote tegenvaller als het gaat om de instroom in de WIA. Ik maak mij echt grote zorgen. Het arbeidsongeschiktheidsstelsel dreigt volledig vast te lopen als we niet snel ingrijpen. Het kabinet wil daarom op korte termijn maatregelen nemen die aansluiten bij een recent interdepartementaal beleidsonderzoek naar de WIA. Ik noem taakherschikking, betere samenwerking tussen verzekeringsartsen en bedrijfsartsen en meer voorwaarden aan WIA-herbeoordelingen. Deze maatregelen zullen nog deze kabinetsperiode in werking treden.

Dat brengt mij bij een aantal vragen die zijn gesteld naar aanleiding van de WIA. Mevrouw Van Brenk vroeg of de minister kan uitleggen waarom het verstandig is om de IVA af te schaffen, terwijl het inkomen van mensen dan achteruitgaat. Het afschaffen van de IVA-uitkering als mogelijkheid en als belangrijke optie om te zorgen dat de WIA weer uitvoerbaar wordt en we van de enorme wachtlijsten afkomen, komt eigenlijk in iedere analyse terug. Het komt terug in dat OCTAS-rapport en in het ibo-rapport. Het is een noodzakelijke vereenvoudiging waarmee het kabinet de WIA uitvoerbaar wil maken. Dat is echt wel bedoeld om het stelsel beter te maken. Het afschaffen van de IVA maakt beoordeling door verzekeringsartsen namelijk eenvoudiger en sneller. Het is ingewikkeld voor artsen om in te schatten of een arbeidsbeperking wel of niet langdurig of permanent is. Daarnaast verwacht het kabinet dat er door het afschaffen van de IVA minder verzoeken gaan komen voor herbeoordeling om financiële redenen. De IVA wordt immers anders gefinancierd dan de WGA. Daardoor zit er een prikkel in het stelsel om mensen richting de IVA te duwen. Het sluit ook aan bij de adviezen vanuit het ibo en de OCTAS; ik zei dat al. De maatregel houdt in dat mensen die in de toekomst volledig en duurzaam arbeidsongeschikt worden, geen hogere IVA-uitkering meer kunnen krijgen. In plaats van 75% van hun gemiddelde oude loon, krijgen zij 70% daarvan. Dat is correct. Als het kabinet van de Kamer mag doen wat het van plan is, dan zullen zij de eerste twee maanden wel een hogere uitkering krijgen. Ik begrijp dat dat natuurlijk wegvalt in het licht van het feit dat zij permanent een lagere uitkering krijgen, maar dit is bedoeld om ervoor te zorgen dat we de WIA opnieuw uitvoerbaar kunnen maken.

Ik zie de heer Dijk naar voren lopen. Ik wilde net een vraag van hem gaan beantwoorden, maar dan wacht ik even.

De voorzitter:

Ik hoor de heer Dijk zeggen dat dat zonde zou zijn van zijn interruptie. Dat zou inderdaad zonde zijn. Laten we nog even wachten dan, meneer Dijk.

Minister Vijlbrief:

De heer Dijk vroeg: waarom verbeterde u de WIA niet, maar kleedde u deze vooral uit? Dan moet ik toch tegen de heer Dijk zeggen — het is fijn dat hij daar staat — dat het aantal mensen op het ogenblik wel heel snel toeneemt. We hebben echt te maken met een situatie in de WIA die ik alarmerend zou willen noemen. Als je kijkt naar de instroom en naar het profiel wat betreft de instroom, dan moeten we gaan ingrijpen. Ik ben zelf erg bang dat, als wij de dingen niet snel en goed doen, we veel harder moeten gaan ingrijpen dan we wensen. Ik wil daar heel graag zo snel mogelijk met sociale partners over in gesprek gaan. Dat zou ik willen zeggen tegen de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Daar heb ik een vervolgvraag over. Ik vind de redenering namelijk scheef. Het UWV heeft de boel niet op orde. Er zijn te weinig keuringsartsen. Daardoor neemt de instroom toe. Dan zou je toch zeggen: reorganiseer de boel en zorg ervoor dat je meer artsen krijgt, zodat er minder wachtlijsten zijn en mensen eerder gekeurd kunnen worden. Maar in plaats daarvan kiest het kabinet ervoor generiek op regelingen te korten. De enigen die daar echt het slachtoffer van zijn, zijn mensen die arbeidsongeschikt of ziek zijn. Dat is gewoon een consequentie van uw redenatie. Er wordt dus eerst generiek gekort, waarvan arbeidsongeschikte en zieke mensen het slachtoffer worden, maar er wordt niet gekeken hoe je zelf eerst de boel op orde kan brengen. Eigenlijk leg je de schuld dus gewoon neer bij arbeidsongeschikte en zieke mensen: zoek het maar uit.

Minister Vijlbrief:

Ik neem aan dat de heer Dijk vraagt wat ik daarvan vind. Ik denk dat het niet waar is. Ik denk ook dat het beeld dat hij schetst, niet klopt, maar ik wil toch even kijken of we iets dichter bij elkaar kunnen komen. We doen allebei de dingen tegelijk. In alle analyses, zowel van OCTAS als in het ibo, staat: je moet allebei de dingen tegelijk doen; je moet de keuringen en het UWV verbeteren. We kunnen echter ook niet zomaar een blik keuringsartsen opentrekken; dat weet de heer Dijk ook. We zullen dus ook wat in het systeem moeten doen; dat staat ook in alle analyses hierover. Daar hoort ook bij dat je onder ogen durft te zien dat de IVA wel heel moeilijk uitvoerbaar is. Dat is het antwoord op deze vraag. Dat is de reden dat wij deze maatregel voorstellen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van de heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat is een rare redenatie, want de enige consequentie is dat mensen die langdurig arbeidsongeschikt zijn, daar de dupe van zijn. Dat is het gevolg van deze redenatie. Omdat de politiek het probleem in de WIA niet weet op te lossen, zorgt ze ervoor dat mensen die langdurig arbeidsongeschikt zijn, uiteindelijk gekort worden. Dat kan daar toch niet de uitkomst van zijn? Dat is het wél volgens de redenatie die u nu optuigt. Hervormen om het systeem beter te maken? Prima. Ik ben het niet eens met de richting, maar dat kan. Maar het is lariekoek om tegelijkertijd te zeggen: dat doen wij om het stelsel beschikbaar te houden voor de toekomst. Je breekt het stelsel af, omdat mensen in de toekomst er geen aanspraak meer op kunnen maken, terwijl je op dit moment mensen kort die langdurig arbeidsongeschikt en ziek zijn. Die zijn daar de dupe van. Hier wordt het probleem over de schutting gegooid bij de mensen die nu al slachtoffer zijn.

Minister Vijlbrief:

Dit is niet waar. De hervorming die wij in de IVA doen, het afschaffen van de IVA, geldt niet voor oude gevallen in de IVA; dat geldt voor nieuwe gevallen. Dat betekent dat mensen die dit nu zien, zich kunnen bijverzekeren als ze dat zouden willen. Het is dus niet waar. De heer Dijk mag mijn redenering natuurlijk lariekoek noemen, maar ik wijs gewoon op de toenemende continue instroom. Dan zegt hij er met een licht handgebaar bij: die hervormingen moeten dan maar. Nee, we zitten hier in een situatie waarbij de instroom, als we niet ingrijpen, zo hoog wordt dat ik volgend jaar of in het jaar daarna kan gaan korten op de bijstandsuitkeringen, omdat mijn begroting uit de hand loopt. Dat is de situatie, zeg ik tegen de heer Dijk. We moeten toch gewoon even reëel kijken naar wat er aan de hand is in de uitkeringsregelingen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het kabinet heeft de boel dus niet op orde, zegt dat de instroom veel te hoog is, en gaat vervolgens hier zeggen: als we nu niet ingrijpen, dan komt mijn begroting in de problemen. Maar de manier waarop u ingrijpt, zorgt ervoor dat de begroting van mensen thuis in de problemen komt. Dat is het gevolg. De rekening van uw eigen falen van beleid van de afgelopen jaren wat betreft het fatsoenlijk en op tijd keuren van mensen en wat betreft het hebben van voldoende artsen, legt u neer bij mensen die arbeidsongeschikt en ziek zijn. Zij kunnen zo meteen hun begroting thuis niet meer op orde krijgen, omdat u het excuus gebruikt dat u uw begroting niet op orde kan krijgen. Dat is het directe gevolg: mensen worden gekort omdat u daarvoor kiest, omdat u uw begroting op orde moet hebben. U had ook andere keuzes kunnen maken en naar een andere begroting kunnen kijken.

Minister Vijlbrief:

Het woord "excuus" is hier echt niet op zijn plaats. Ik heb gewoon een andere redenering dan de heer Dijk. Daar mag hij het niet mee eens zijn; dat is prima. Het is echter geen excuus. Ik zeg gewoon: de instroom neemt te hard toe. Iedereen zegt, alle analyses wijzen erop: doe iets; probeer de instroom de verlagen en de uitstroom te vergroten. De heer Dijk zegt: dan moet er ook iets gebeuren in de organisatie. Ik ben het daar glad mee eens, maar daarbij kun je niet afzien van de regelingen. Bij de IVA grijpen we niet in in de bestaande gevallen. De bestaande gevallen houden hun IVA-uitkering. Nieuwe mensen die langdurig of permanent arbeidsongeschikt raken, kunnen zich bijverzekeren. Ze worden wel gekort, maar kunnen zich bijverzekeren. Zij gaan van 75% naar 70%. Dat is de situatie.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik wil de minister bedanken voor het antwoord. Ik begrijp de zorgen. We moeten er inderdaad voor zorgen dat mensen zo veel mogelijk aan het werk blijven en niet permanent arbeidsongeschikt raken. Ik begrijp dat de minister dit graag met sociale partners wil gaan bespreken. Gaat het dan ook om dit thema? Daar zoek ik even naar. In de toekomst komt iedereen in de WIA. Sociale partners zouden bijvoorbeeld regelingen kunnen treffen in de cao. Niet iedereen kan het zich immers financieel veroorloven om zich te verzekeren. Ik denk dan inderdaad aan de schoonmaaksector of aan de mensen bij de Bijenkorf. Is dit ook een van de thema's die de minister met sociale partners wil bespreken?

Minister Vijlbrief:

Jazeker. Ik realiseer me dat niet iedereen zich particulier zal kunnen of willen bijverzekeren. Ik realiseer mij ook dat de cao daarbij een instrument kan zijn. Dat lijkt mij een uitstekend idee, mits we dat gesprek met sociale partners met de probleemanalyse kunnen beginnen. Als sociale partners en het kabinet de probleemanalyse delen, dan komen we in het gesprek waarschijnlijk een heel eind. Dat is waarom ik dat in mijn inleiding probeerde aan te geven: laten we proberen om iets weg te gaan van de discussie over de instrumenten en iets meer te praten over de doelen. Dat is ook wat ik probeer uit te stralen naar de sociale partners.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Stel dat mensen bijvoorbeeld vijf jaar in de WIA zitten, maar dat wordt gezien dat dat misschien toch veel langer zal duren. Is het dan mogelijk dat wordt afgesproken dat deze mensen alsnog die 5% erbij kunnen krijgen? Zou dat ook een van de mogelijkheden zijn waar de minister aan denkt?

Minister Vijlbrief:

Dat lijkt me in ieder geval niet uitgesloten. Als je gaat praten over een nieuw stelsel, dan zou ik wel willen proberen om het zo te doen dat alles wat in dat stelsel zit, wijst naar mensen niet afdanken in die zin dat ze in een regeling terechtkomen waar ze permanent in zitten. Tegelijkertijd wil je die mensen wel een behoorlijk inkomensniveau bieden — dat is de discussie die ik met de heer Dijk had — en daarover moet ik dan het gesprek voeren met sociale partners.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, tot slot. Om het gesprek met sociale partners aan te gaan, moet iets helemaal weg, van tafel. Hoor ik hier nou de bereidheid van de minister om dat toe te zeggen, zodat ze met elkaar aan tafel kunnen?

Minister Vijlbrief:

Voorzitter, nou gaat het mis met mijn blokjes. Dat maakt mij niet uit, hoor, maar mag ik daar misschien straks op ingaan? Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat mevrouw Van Brenk doelt op de AOW. Die had ik eigenlijk voor iets later bestemd.

De voorzitter:

Dit is precies de reden waarom we toch gaan proberen … De heer Mulder stond er al. Dat ga ik dus zeker toestaan — hij kijkt nu heel beteuterd mijn kant op — maar daarna gaan we het blokje gewoon even afmaken. Er komt nu dus een interruptie van de heer Mulder en na deze drieslag gaan we het blokje van de minister afmaken.

De heer Edgar Mulder (PVV):

In deze begrotingsbehandeling heb ik een verleden met het plegen van interrupties. Vandaar misschien mijn uitdrukking.

De heer Vijlbrief sprak in de inleiding over consequent zijn en ik had ook nog een vraag gesteld over verkiezingsprogramma's. Ik hoorde net een gloedvol betoog: deze ingreep is nodig omdat het met de kosten aan alle kanten fout loopt. In de verkiezingsprogramma's stond echter helemaal niet dat op deze manier gekort moest worden. In het programma van D66 staat dat de WIA niet goed werkt en onduidelijk is. Er staat in dat fundamentele hervormingen nodig zijn, maar niet wat die inhouden. Als dit zo'n belangrijk punt is, waarom werd dat dan niet eerder duidelijk en waarom kwam het pas bij de presentatie van het akkoord?

Minister Vijlbrief:

Nu moet ik de heer Mulder teleurstellen — of misschien juist gelukkig maken; dat weet ik niet zeker — want het afschaffen van de IVA staat in het verkiezingsprogramma van D66. U kunt dat terugvinden in de lijst met maatregelen.

De voorzitter:

Ik herinner de Kamer eraan dat de minister namens de regering spreekt en niet namens een politieke partij.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Zeker. Oké. Dat gaat nog wel wat dingen opleveren. Bij de presentatie werd gezegd dat die maatregelen nodig waren om mensen te prikkelen om weer te gaan werken of om meer te gaan werken. Ik kan me dan toch niet aan de indruk onttrekken, ook gezien de hele presentatie, dat dat eigenlijk de noodzaak was om het te hervormen. Nu er kritiek is vanuit deze Kamer, kwam meneer Heinen de minister te hulp door vorige week opeens te zeggen: ja, maar er is een forse tegenvaller van een miljard. Uw verhaal klopt met dat verhaal van die 1 miljard, maar niet met de oorspronkelijke redenen die genoemd werden: hervormen omdat het anders vastloopt, want er zijn te weinig artsen en zo, en om mensen opnieuw te prikkelen. Nu heeft u een reden, maar mijn vraag is eigenlijk: waarom werd die reden niet eerder genoemd en werden er toen andere oorzaken gegeven?

Minister Vijlbrief:

De heer Mulder haalt beide redenen vrij ragfijn uit elkaar. De ene redenering is dat het stelsel op zich niet werkt omdat de instroom te hoog is en de uitstroom te laag, dat is redenering één. Redenering twee is dat het ook te duur wordt. Redenering twee, zegt hij, komt nu binnen via de opmerking van minister Heinen. Het punt is natuurlijk dat die twee dingen wel samengaan, dat is geen geheim. Het feit dat die instroom zo hoog is en dat er een bepaald profiel aan die instroom zit qua karakteristieken van mensen et cetera, is niet nieuw. Ik weet niet hoe het met de partij van de heer Mulder zit, maar dat is de reden dat heel veel politieke partijen iets rond de WIA in hun programma hadden staan. Wij hadden de IVA erin staan. We hadden andere dingen niet, dat geef ik eerlijk toe. We komen straks over iets te spreken wat we niet hadden, het dagloon. Dat klopt, maar we hadden heel veel dingen erin staan. Het eerlijke antwoord is dat dat voor een deel gebaseerd was op de volumeredenering: het gaat verkeerd en we moeten mensen hier niet in opsluiten. Aan de andere kant zat er ook een financiële redenering onder, dat is correct.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Nog een keer de constatering. De minister is nu heel handig met het kiezen van zijn woorden, maar in de presentatie van het hele akkoord en ook in de eerste discussies die er waren over dit coalitieakkoord, werd gesproken over het vastlopen van het systeem en de lange wachtrijen en dergelijke, en niet over de financiële noodzaak. Die was er vorige week nu opeens omdat de minister van Financiën te hulp schoot met het verhaal dat er een tegenvaller dreigt van 1 miljard. Deze maatregel en de verdediging van de minister waren geloofwaardiger geweest als dat van het begin af aan was gebruikt, en niet nu erbij wordt gehaald.

Minister Vijlbrief:

Ik hoor hier geen vraag. Dit was een constatering van de heer Mulder.

De voorzitter:

We gaan nu het eerste blokje eerst afronden en dan gaan we de interrupties doen.

Minister Vijlbrief:

Dit was het blokje WIA. Ik ga nu naar iets wat te maken heeft met de WIA, namelijk het maximumdagloon. Daar is heel veel over gevraagd; door de heer Ceulemans, mevrouw Van Brenk, mevrouw Van Ark en de heer Ergin onder anderen. Ik wil eerst iets over dat maximumdagloon zeggen, omdat dit dossier een soort mythische proporties begint aan te nemen. Het maximumdagloon is ingesteld met het idee dat er grenzen zijn aan de mate waarin je publiek opgebrachte middelen, via premies, wilt gebruiken om uitkeringen te verstrekken. Daar zit een grens aan; het heet ook het maximumdagloon. Voordat we komen bij de analyse van wat het kabinet nu doet, zou ik toch willen zeggen dat het maximumdagloon in 2023 in één keer met 8% is gestegen, omdat we ook het minimumloon verhoogden. Het maximumdagloon is daaraan gekoppeld. Toen heb ik niemand gehoord over het feit dat er blijkbaar een soort optimaal maximumdagloon is. Toen is dat geïncasseerd en is het maximumdagloon met 8% omhooggegaan.

Ik vind het niet raar, als wij in de situatie zitten die ik net beschreef, namelijk dat de sociale zekerheid in de brede werking heel veel extra geld kost, dat je kijkt naar de hoogste uitkeringen en niet naar de laagste uitkeringen. Dat hebben wij gedaan. Dan kun je een discussie hebben over de vraag of de maatvoering van het kabinet op dat punt correct is. Maar ik wijs op het ibo en op de ombuigingslijst van Financiën. Op de ombuigingslijst van Financiën voor de formatie stond: je kunt die 8% er langzamerhand uit laten lopen door het maximumdagloon niet te indexeren. In het ibo stond: je kunt het met 10% verlagen. Je kunt een discussie voeren over de maatvoering. We moeten een discussie voeren over bestaande gevallen. Dat begrijp ik, maar ik vind het heel raar dat nu opeens een ingreep in het maximumdagloon geworden is tot iets principieels, behalve wanneer het gaat om het volgende. Dan kom ik bij twee punten waarvan ik denk: daar moeten wij naar kijken. Ik zal straks nog wat zeggen over wat in de volksmond de bevalboete is gaan heten, maar ik kan mij voorstellen dat de Kamer mij iets wil meegeven rond de maatvoering op dit dossier. Ik heb daarnaast luid en duidelijk gehoord dat de Kamer mij iets wil meegeven over het feit dat wij openstaande gevallen hiermee treffen. Maar het principe dat je, als je naar de sociale zekerheid en de kosten daarvan kijkt, ook kijkt naar het maximum dagloon, vind ik niet raar, zeg ik maar even tegen de Kamer. Ik zie de heer Ceulemans staan, dus ik hou even m'n mond.

De voorzitter:

Voor mijn administratie: ik heb als eerste blokje sociale zekerheid, arbeidsongeschiktheid en AOW. Als dat blokje is afgerond, dan wil ik graag overgaan naar interrupties. De minister moet het dus aangeven wanneer hij daar klaar mee is.

Minister Vijlbrief:

Oké.

De voorzitter:

Een punt van orde van mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik heb zeker twee, drie punten die ik aan het opsparen ben. Ik wil aan het einde van het blokje dan ook wel de ruimte hebben om meerdere interrupties van drie te kunnen maken.

De voorzitter:

Zeker. Ik heb u net al wat coulance gegeven na uw verzoek. Dan hoop ik nu wat terug te krijgen door dit blokje in ieder geval af te kunnen afronden. De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Vijlbrief:

Er waren natuurlijk veel vragen over de effecten van de verlaging van het maximumdagloon op alles wat met verlof te maken heeft, verlof rond zwangerschap, verlof rond bevallen. Ik heb al aangegeven dat ik bereid ben om naar alternatieven voor de verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof te kijken. Als we de maatregel gaan uitwerken, dan zal ik dus alternatieven op dit punt in kaart brengen. Daarbij is mijn uitgangspositie dat de arbeidsmarktpositie van vrouwen niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie.

Dat brengt mij in dit blokje bij het laatste grote punt. Nee, ik kom nog even bij een punt van de heer De Beer. Ik ben even in verwarring, want er staat iemand bij de interruptiemicrofoon. Ik weet niet meer wat ik moet doen nu. Ik hou maar even m'n mond.

De heer Neijenhuis (D66):

Ik had nog niet het woord gekregen, voorzitter, maar ik neem het maar even. In het debat heb ik vanuit D66 duidelijke lijnen aangegeven over de verlofboete.

De voorzitter:

Wacht even, wacht even. We gaan proberen dit toch gewoon goed te doen. Als het blokje sociale zekerheid, arbeidsongeschiktheid en AOW is afgerond, dan gaan we ongelimiteerd kijken hoeveel interrupties we hebben. Als u een punt van orde heeft, kunt u dat nu maken, maar interrupties over de inhoud van het betoog van het kabinet gaan we even opsparen tot dit blokje voorbij is.

Minister Vijlbrief:

Ik ga proberen dit blokje snel af te maken.

De heer Neijenhuis (D66):

Excuses. Ik wilde op dit punt interrumperen.

Minister Vijlbrief:

Ik ga het blokje snel afmaken. Dan kan de Kamer los.

Voorzitter. De heer De Beer vroeg: wordt er een terugvalmogelijkheid meegenomen in de herziening van het arbeidsongeschiktheidsstelsel? Ja. Ik gaf in mijn inleiding al aan dat ik een aantal gesprekken heb gevoerd waarin mensen aangaven dat dat voor hen een belemmering is om weer aan de slag te gaan.

Het andere grote onderdeel in dit blokje is de AOW. Daar heb ik wat meer tekst bij nodig, omdat daar veel over gevraagd is en veel over gezegd is en het ook heel veel aandacht heeft gekregen in de pers. De heer Ergin vroeg: wat gaat u daarmee doen? De heer Dijk vroeg: blijft u vasthouden aan de hogere AOW-leeftijd? Mevrouw Van Brenk vroeg: wanneer gaat hij precies de motie van de SGP uitvoeren? De heer Dassen vroeg: wat is nu precies het voornemen van het kabinet met de AOW-verhoging? Mevrouw Van Ark vroeg: hoe gaat u het gesprek met de partners voeren?

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik heb toch een punt van orde. Het blok is zo veelomvattend. De IVA is een punt op zich. Dan hebben we nu al het maximumdagloon afgerond. Nu gaan we naar de AOW. Dit gaat over bezuinigingen van 6,5 miljard in één blokje. Dit werkt niet voor ons. Ik zou dus heel graag willen dat de AOW een apart blokje wordt. Het breekt het debat af.

De voorzitter:

Zeker, en dat willen we niet. Uiteindelijk is het uw debat. In die zin ben ik als was in uw handen. Als u toch tussendoor interrupties wilt plegen, dan is dat prima, maar dan ga ik wel scherp in de gaten houden hoeveel dat er zijn. Het is in die zin een gezamenlijke verantwoordelijkheid dat we het debat ordentelijk laten verlopen. Dan gaan we toestaan dat we gedurende het betoog van het kabinet interrupties plegen. Dan houden wij in de gaten hoe het met de tijd gaat.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik heb ook geen bezwaar tegen blokjes, maar dit blok is veel te groot.

De voorzitter:

Dat begrijp ik. Tot die conclusie kwam ik zelf eigenlijk ook al wel.

Minister Vijlbrief:

Ik heb het niet bewust gedaan. Ik wacht rustig de interrupties af.

De voorzitter:

U heeft er al een van de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Ik heb een vraag over de bestaande gevallen of de eerbiedigende werking. De minister zegt, in mijn ogen terecht, dat het niet onlogisch is om te kijken naar de hoogte van het maximumdagloon, ook gelet op de stijgingen die plaats hebben gevonden in het verleden. Het is ook niet onredelijk om te kijken naar de hoogste uitkering in plaats van de lagere uitkeringen. Ik volg de minister daarin dus. Maar is de minister het dan met mij eens dat het punt van de eerbiedigende werking, dat ontbreekt in het voorstel, nu het hele voorstel doet wankelen? De minister zei dat je altijd kunt kijken naar de eerbiedigende werking. Kan hij daar iets nader op ingaan? Ziet hij ook dat die eerbiedigende werking dit hele voorstel dreigt te doen zinken, terwijl er best wel een redelijkheid in zit, zoals hij zelf ook terecht opmerkte.

Minister Vijlbrief:

Ik zit even te denken wat hier het beste antwoord op is. Ja, dat zie ik wel, maar de heer Ceulemans moet mij even de kans geven om een nette, juridische analyse hiervan te maken. Dit staat in het regeerakkoord. Ik sta voor mijn handtekening. Ik heb er als D66-fractielid, weer een heel andere rol, mijn handtekening onder gezet. Ik ben nu als minister verantwoordelijk hiervoor. Ik ga dus niet zomaar zeggen: dat doe ik niet meer. Maar ik geloof dat ik het probleem zie. Geef mij even de kans om een nette analyse hiervan te maken over wat dit betekent. Dan kom ik daar graag met de Kamer op terug. Ik moet dit allemaal gaan uitwerken. Ik wil erover in gesprek met de sociale partners, dus ik heb toch nog wat tijd nodig.

De voorzitter:

Ik zag als eerste beweging bij de heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Even door op maximumdagloon. De minister hield daar een beschouwing op. Die was bijna filosofisch: "Het is op zich niet raar om het daarover te hebben". Nee, dat is ook niet raar als theoretische exercitie. Het punt is natuurlijk: je zult maar erboven zitten en op die manier fors gekort worden met tientallen procenten, terwijl je hele leven op je oorspronkelijke inkomen is ingericht. Je kúnt niet meer anders. Het maximeren van de uitkering heeft vaak een stimulerende werking om weer aan de slag te gaan, maar we hebben het over een grote groep mensen die niet kunnen werken. De hypotheek is op hun inkomen afgestemd, er zijn misschien allerlei afspraken met kinderen die studeren. Die mensen komen in grote problemen. Het is dus niet raar om erover na te denken, het heeft alleen te grote effecten. De minister is goed voor zijn handtekening, zegt hij, maar is dit misschien niet wat ondoordacht in het akkoord gekomen? Is het misschien in zijn uitwerking toch te vergaand?

Minister Vijlbrief:

Ik geloof dat de heer Flach op bijna dezelfde manier zegt wat ik net zelf zei. Het was geen filosofische opmerking dat je er op zich naar kunt kijken. Wat ik eigenlijk bedoelde te zeggen … Ik moet het dan maar wat helderder zeggen. Ik vind het best een logische maatregel, maar ik zei: de maatvoering en de bestaande gevallen zijn de twee dingen die mij dwarszitten. Daar moeten we beter naar kijken. Daarvoor kom ik nog met een nadere analyse. Ik wil hier al in gesprek over alle maatregelen, maar ik geef tegelijkertijd steeds de andere kant aan in dit gesprek. Dat is namelijk dat de uitgaven aan sociale zekerheid wel heel hard gaan en dat ik probeer te kijken waar je dan het beste veranderingen in dit rechtvaardige systeem kunt aanbrengen. Dat is de manier waarop ik ernaar kijk. En dan kom ik wel terug op de eerbiedigende werking, zoals de heer Ceulemans het altijd noemt, en de bestaande gevallen. Daarbij zie ik ook dat er een probleem kan zijn, omdat je je moet aanpassen, terwijl je geen kant meer op kunt.

De heer Flach (SGP):

Dank voor deze verduidelijking. Dan constateer ik dat onze standpunten inderdaad dichter bij elkaar liggen dan ik veronderstelde op basis van de uitweiding van de minister op dat punt.

De heer Ceder (ChristenUnie):

De argumentatie dat naar het maximumdagloon kijken niet raar is, kan ik wel volgen. Wat ik ingewikkeld vind, is dat er vervolgens 20% gekort wordt, terwijl er een aantal jaren geleden door de koppeling een stijging is geweest van 7,5%. Het zou veel logischer zijn geweest om het maximumdagloon te verlagen met die 7,5%. Maar het kabinet kiest ervoor om daaroverheen te gaan en zegt: het is 20%. Die logica kan ik niet volgen. Waarom heeft het kabinet hiervoor gekozen? Als de argumentatie wordt gebruikt dat het kabinet het een paar jaar geleden heeft verhoogd met 7,5% omdat het gekoppeld was, wat rechtvaardigt het dan om het vervolgens met 20% te verlagen? Kunt u mij die logica uitleggen?

Minister Vijlbrief:

Nee, daar zit natuurlijk geen logica in, dus dat ga ik niet proberen uit te leggen. Twintig is ongeveer tweeëneenhalf keer zeven, dus dat is geen logica. De logica is om wat meer te doen dan dat, is dat het kabinet in het coalitieakkoord zocht naar mogelijkheden om de stijging van de uitgaven voor sociale zekerheid te beperken. Daar heb ik het net uitgebreid over gehad in mijn inleiding. De uitgaven nemen gewoon enorm toe en deze maatregel vonden wij in de categorie "maatregelen" de beste of meest logische maatregel. Ik gaf alleen aan dat bij die 8% — het was, dacht ik, 8% bij het minimumloon — gebleken is dat er geen optimaal niveau van maximumdagloon is. Toen ging het ineens 8% omhoog en toen was hier geen verontwaardigd debat waarom het maximumdagloon toch omhoogging. Dat begrijp ik wel, want dat is een aantrekkelijke maatregel en dit is een minder aantrekkelijke maatregel.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Wij hebben ook in ons verkiezingsprogramma staan dat je eventueel kunt kijken naar het maximumdagloon. Om diezelfde reden dat het toen gekoppeld was met de 7,5% à 8%, kun je het nu terugdraaien. Daarmee doe je recht aan de situatie. Het kabinet gaat hier overheen. Mijn vraag is of de minister kan toezeggen dat hij ook deze optie meeneemt in de analyse die hij zegt naar de Kamer te sturen. Volgens mij doet dat namelijk recht aan de argumentatielijn van een aantal jaren geleden dat er een koppeling was. Dat kwam door de manier waarop het is gegaan, namelijk via een AMvB. Door daar nu recht aan te doen, te differentiëren en dat te herstellen, kijken we of, áls we al naar het maximumdagloon gaan kijken, dat dezelfde reikwijdte heeft als de verhoging van een aantal jaren geleden. De vraag is of de minister kan toezeggen om dat in ieder geval mee te nemen.

Minister Vijlbrief:

Dat wil ik toezeggen. Ik zeg er wel eerlijk bij dat de 20% verlaging natuurlijk meer oplevert dan 7% of 8% verlaging. Maar ik zal het meenemen.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat is waar, maar het raakt ook meer mensen.

Minister Vijlbrief:

Zeker.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik denk dat de heer Flach terecht aangaf dat onvoldoende is nagedacht over mensen die niet kunnen bijverdienen maar die wel een financiële afspraak hebben gemaakt. Hen raakt het ook.

Nog een andere vraag, voorzitter. We hebben hier wat discussies gehad over wat wij en andere partijen de "bevalboete" noemen. Volgens mij heeft een aantal mensen uit de coalitie aangegeven die boete ook zeer onwenselijk te vinden. Dat vinden wij ook. Mijn vraag is of daar inmiddels al op wordt voorgesorteerd, omdat zich vanuit de Kamer een meerderheid lijkt af te tekenen die dit een ongewenst bedrijfsongeluk vindt. De reden dat ik dit vraag, is omdat ik vandaag graag zaken zou willen doen met de minister. Ik ben nog even benieuwd of de minister de opvatting deelt die volgens mij inmiddels door de meerderheid van de Kamer gedeeld wordt.

Minister Vijlbrief:

Ik heb daarover net al gezegd wat ik erover gezegd heb. Ik ga dat niet herhalen. Als we de maatregel gaan uitwerken, dus de verlaging van het maximumdagloon, zal ik alternatieven in kaart brengen voor dit punt. Daarbij zal het uitgangspunt voor het kabinet zijn dat de arbeidsmarktpositie van vrouwen niet mag verslechteren. Dat is hoever ik hier wil gaan. Ik ga dus nu niet toezeggen dat ik dit weghaal, maar een goede verstaander leest dat we gaan zoeken naar een oplossing.

Mevrouw Van Ark (CDA):

De minister heeft al aangegeven dat hij bezig is met een juridische analyse over de houdbaarheid van de maatregel rondom de WIA en het maximumdagloon. Ik hoor daarin een toezegging aan de CDA-fractie om daarmee te komen. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we hierover duidelijkheid krijgen, en met name of dat ook kan voor de bestaande gevallen. Ik heb nog niet van de minister gehoord of hij hierover ook een brief aan de Kamer gaat sturen, of op welke termijn we dat kunnen verwachten. Graag een reactie van de minister daarop.

Minister Vijlbrief:

Ik zit even te denken. Het antwoord is ja. Ik wil daarover best een brief aan de Kamer sturen. Er schijnen mensen te zijn die denken dat het nooit gaat lukken, maar ik ga toch proberen om een gesprek aan te gaan met sociale partners. Dat wil ik graag zo veel mogelijk gelijk op laten lopen. Ik kan de juridische analyse natuurlijk wel op een zeker moment sturen, maar ik weet gewoon niet wanneer die af is. Dat moet ik even checken. Dat kan ik best in de tweede termijn toezeggen.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Dat kan ik van harte steunen, ook om dit met sociale partners te bespreken. Wat mij betreft fijn als de minister snel de juridische analyse aan de Kamer kan sturen. Dank u wel.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Wat een enorme administratie, die subblokjes van de minister. Ik ben zelf het spoor bijna bijster. Daar heeft de minister geluk mee.

De voorzitter:

Het is geen opzet.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Eerst even over het afschaffen van de IVA. De minister heeft aangegeven dat dat gaat over socialer, activerender en betaalbaarder. Socialer is de verlaging niet. Daar zal de minister het ongetwijfeld mee eens zijn. Activerender is vrij moeilijk, want dit zijn mensen die duurzaam afgekeurd zijn. Het gaat over mensen die echt niet meer kunnen werken, vaak door constatering na beroep en extra keuringen. Dan blijft betaalbaarder over. Is dat dan de enige reden? Of heeft u vergeten te noemen dat eigenlijk het echte probleem is dat het UWV niet in staat is om dit uit te voeren?

Minister Vijlbrief:

Volgens mij heb ik dat niet vergeten te noemen. Volgens mij heb ik dat gezegd. Als ik het gezegd heb, heb ik het blijkbaar niet duidelijk gezegd. Ik heb het wel willen zeggen. Toen ik het had over de IVA heb ik gezegd: dit criterium is voor het UWV zo moeilijk dat het tot een onuitvoerbare regeling leidt. Volgens mij zeggen we dan hetzelfde. Dat koppelde ik aan rapporten die over de WIA geschreven zijn, zoals het rapport van OCTAS en het ibo-rapport. Die zeggen eigenlijk allemaal hetzelfde, namelijk: daarom zou je dit mogelijk willen afschaffen. De politieke discussie lijkt niet zozeer te gaan over de vraag of we van de IVA af willen, maar over het uitkeringsniveau daarna. Dan gaan mensen namelijk terug naar de WGA en daar komen ze op 70% terecht. Nu ik al die rapporten tot mij heb genomen — ik weet dat mevrouw Patijn dat ook heeft gedaan — is er in mijn hoofd geen twijfel over dat de IVA op deze manier onuitvoerbaar is en voor heel veel problemen zorgt. Daarover zijn we het dus eens.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Mag ik concluderen dat de hoofdreden, de belangrijkste reden, om de IVA af te schaffen de uitvoerbaarheid is, en niet de daaraan gekoppelde bezuiniging? Is de minister dan ook bereid om te kijken of het mogelijk is om de IVA niet af te schaffen en de uitkering te verlagen naar 70%, en om te kijken of we de mensen de voor de WGA 80% of 100% zijn, waar al die IVA-mensen straks ook in vallen, 75% kunnen geven?

Minister Vijlbrief:

Mevrouw Patijn doet nu even in een interruptie het volgende. Zij zegt te twijfelen of je de bezuiniging van de IVA moet doen. Dat kan ik nog begrijpen. Maar in plaats van een bezuiniging frommelt u er nu een uitkeringsverhoging in voor een vrij grote groep. Dat ga ik hier nu natuurlijk niet toezeggen. Ik wil heel graag met de sociale partners in gesprek over het systeem van arbeidsongeschiktheid. Die analyse zal moeten beginnen met de onhoudbaarheid van dit systeem. Daar zit ook een financiële component aan. Daar had de heer Mulder gelijk in. Dat was niet te hulp schieten, maar het is waar dat de minister van Financiën van de week die financiële component nog een keer heeft benadrukt. Hij maakt zich daar zorgen over, omdat hij een voorjaarsnota moet maken. Ik ga nu dus niet zeggen: dan ga ik ... Misschien kunnen we dichter bij elkaar komen als ik u het volgende toezeg, in het kader van de motie-Stoffer die bij de regeringsverklaring is aangenomen. Die motie vraagt om een goede analyse van de stapeling van effecten voor mensen die het niet zo breed hebben. Ik wil daarbij ook best kijken naar deze groep, maar ik ga nu niet toezeggen dat ik de uitkeringen voor een grotere groep ga verhogen. Dat zit even niet in mijn marge.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Mag ik dan concluderen dat het doel van het afschaffen van de IVA-maatregel zowel de bezuiniging is als de vereenvoudiging die dat oplevert voor de uitvoering door het UWV? Heeft het niet zozeer te maken met een visie op hoe we de groep die duurzaam niet meer zijn inkomenspositie kan verbeteren, kunnen helpen om een toekomst op te bouwen?

Minister Vijlbrief:

Dat vind ik nou weer een te scherpe conclusie. We slagen er in het huidige systeem al niet in om deze groep überhaupt te keuren. Dan vind ik het een hele harde conclusie om te zeggen: u richt zich niet op verbetering. Het is toch een verbetering in het systeem? Mevrouw Patijn en ik zijn het er volgens mij over eens dat het een verbetering is als wij een systeem maken waarin mensen gekeurd worden volgens een criterium dat op een normale manier door het UWV uitvoerbaar is. We verschillen misschien van mening over het niveau van de uitkering dat daarbij hoort, maar mijn opvatting neerzetten als "dat is financieel gedreven en niet sociaal gedreven", gaat mij net weer een stap te ver.

De voorzitter:

We doen het echt in drieën, mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Goed, we doen het in drieën. Ik ga nu niet hierop door, maar we moesten alle subkopjes opsparen. Ik heb gewoon interrupties op drie verschillende onderwerpen die besproken zijn. Die heb ik allemaal netjes opgespaard, zoals het moest.

De voorzitter:

We kunnen een paar dingen doen, mevrouw Patijn. We begonnen met het idee om de interrupties te maximeren, zoals in de eerste termijn, en om de interrupties na blokjes te doen. Op verzoek van de Kamer zijn we van beide ideeën afgestapt, maar als we er echt zo'n vrij debat van maken, dan ga ik de interrupties wel maximeren, ook voor de fractie van GroenLinks-PvdA, met meerdere woordvoerders. Het is dus het een of het ander. De heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Nog even over de bevalboete, of de luierlast, zoals die in het debat is genoemd. De minister gaf net aan dat hij op zoek gaat naar alternatieven. Begrijp ik daaruit, om het heel specifiek te maken, dat deze maatregel van tafel is en dat de minister met een alternatief dekkingsvoorstel komt om te zorgen dat de begroting weer sluitend wordt? Wat krijgt de Kamer dadelijk precies? Of krijgen we een keuzemenu en moeten wij als Kamer zelf de keuze gaan maken waarin er vervolgens gesneden moet gaan worden?

Minister Vijlbrief:

Nee. Net als ik zo meteen bij de AOW zal betogen, maak ik hier pas op de plaats. Ik heb daar ook nog niets definitief van tafel gehaald en dat geldt ook hier, want deze maatregel is niet definitief van tafel. Alleen, ik heb de Kamer heel goed gehoord. Ik zal het nog een keer herhalen, maar ik heb net al gezegd dat wij zoeken naar een alternatief dat de arbeidsmarktpositie van vrouwen niet verslechtert. Deze maatregel verslechtert de arbeidspositie van vrouwen en daarom ga ik naar een andere maatregel zoeken, maar daar zult u even op moeten wachten.

Ik ga u niet een menu aanleveren van: u kunt dit doen, u kunt dat doen. Geef mij nou even de tijd om het gesprek aan te gaan met de sociale partners over de vraag hoe zij dit precies voor zich zien. Maar de kans dat deze maatregel een-op-een terugkomt … Bij de een-op-eenkoppeling bij de AOW heb ik ook het gevoelen van de Kamer gehoord. Maar ik haal helemaal niets van tafel, want er ligt gewoon een coalitieakkoord. Eerst wil ik het gesprek hebben met de sociale partners over wat zij gewenst vinden, zeg ik tegen de heer Dassen. Dus dat is wat het is.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Dassen (Volt):

Daar zit een beetje mijn zorg. Ik snap heel goed wat de minister zegt, maar mijn zorg zit er een beetje in dat … Het blijft op tafel liggen en er wordt gekeken naar alternatieven. De uitgangspositie daarbij is dan dat de arbeidspositie van vrouwen niet mag verslechteren. Daarover zou ik zeggen: oké, dus de maatregel moet van tafel. Ik probeer gewoon te begrijpen of de minister dan zelf met een alternatiefvoorstel komt of dat hij een waaier aan voorstellen in kaart gaat brengen. Dat is waar ik zoekende naar ben.

Minister Vijlbrief:

Als dat de gedachte is, heb ik denk ik de heer Dassen net niet goed begrepen. Het korte antwoord is dan: ik ga graag met de sociale partners in gesprek en ik kom parallel op een gegeven moment naar de Kamer met een voorstel.

De voorzitter:

Het is zo voldoende. De heer Neijenhuis.

De heer Neijenhuis (D66):

Ik ben hier wel benieuwd naar, want het is voor onze fractie ook een belangrijk punt, zoals ik in eerste termijn al aangaf. Het is ook goed om van de minister te horen: we gaan gewoon met een oplossing hiervoor komen. Dat vind ik heel mooi. Ik ben nog wel benieuwd wat er in dit proces nu precies gaat gebeuren. Welk tijdpad ziet de minister voor zich?

Minister Vijlbrief:

Dat vind ik zelf heel moeilijk voorspelbaar. Voor bijna alle maatregelen die hier staan, geldt dat er dit jaar geen wetgeving nodig is. Enerzijds geeft dat lucht, zeg ik tegen de heer Neijenhuis, maar aan de andere is het mijn diepgevoelde wens dat ik snel met bonden en werkgevers aan tafel ga, want dan zou het sneller kunnen gaan. Maar ik heb geen haast om dit nu binnen een aantal weken of een maand uit te werken. Als dat onder de vraag zit, is het antwoord: nee, dat hoeft niet wat mij betreft, want ik heb nu geen wetgeving nodig.

De heer Jimmy Dijk (SP):

We hebben nu een aantal van die maatregelen van het kabinet gehoord en ik hoor de minister daar steeds bij zeggen: de uitgaven voor de sociale zekerheid lopen ontzettend uit de hand. Waar is dat precies op gebaseerd?

Minister Vijlbrief:

Dat zijn de getallen die ik in mijn inleiding noemde. De heer Dijk kan die terugvinden in de publicaties van het CPB. Ik ga ze er weer even bij pakken. We geven met z'n allen bijna 157 miljard per jaar uit aan sociale zekerheid en dat stijgt in 2030 na de maatregelen uit het coalitieakkoord met nog een keer 5 miljard naar bijna 162 miljard euro. Daar is het op gebaseerd.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik heb ook de rapporten van het CPB gelezen en als ik dan kijk wat dit soort bedragen betekenen voor de totale koek die wij met elkaar verdienen, dan stijgt het niet. Dus waarom is het dan net als in de zorg een soort van voldongen feit? Waarom stelt het kabinet dan dat de kosten van de sociale zekerheid en de AOW ontzettend uit de hand lopen en dat we daarom de rekening neer moeten leggen bij de mensen door te gaan korten op de uitkeringen? Ik had er net ook al een debatje met u over.

Minister Vijlbrief:

Dat is gewoon niet waar. Ik zal het voorbeeld van de uitgaven aan de AOW geven. Dan maar even de AOW: 4,7% van het bbp in 2025, 5,7% — dus een vol procentpunt extra — in 2040. Het hangt er even van af hoe hoog het bbp is, maar een vol procentpunt is nu rond de 14 miljard.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Hier gaat het dus weer mank. Dit was gewoon voorspeld. Het is al heel lang voorspeld dat dit zo zou uitlopen. Maar als totaalonderdeel — ik noem het bewust zo — van de koek die wij met elkaar verdienen en wat we daarvan uitgeven aan de zorg en aan de sociale zekerheid, neemt het niet toe. Er zitten namelijk al beperkende maatregelen in ons socialezekerheidsstelsel om mensen te activeren. De kosten daarvan nemen niet toe, blijkt uit het onderzoek Zorgen om morgen van het CPB. Het is dus gewoon een heel politiek besluit en ook een politiek frame om steeds te zeggen "de kosten lopen gigantisch uit de hand, we moeten hierop gaan korten". Nee, het is een politiek besluit dat u zo meteen de uitkeringen van mensen die arbeidsongeschikt raken, gaat korten. U straft slachtoffers! Ik hoef daar niet eens een antwoord op. Tenzij u andere bronnen heeft, dan hoor ik dat graag.

Minister Vijlbrief:

Ik hou gewoon vol wat ik zei. De totale koek is het bbp. Als ik de AOW pak, dan kan de heer Dijk zeggen "dat wisten we al", want we wisten al dat deze toename daarin zat. Maar dat verandert niets aan het feit dat er een rekening is. Dat je die rekening al kent, betekent nog niet dat je 'm makkelijker kunt betalen. Het enige wat ik hier probeer te zeggen ... De heer Dijk pakt de sociale zekerheid en de zorg. Ik doe het ook maar bij de zorg. U zult zien dat de zorgquote, de uitgaven aan de zorg als percentage van het bbp, in de komende jaren echt toeneemt, door de vergrijzing. Ik zit dat hier niet te verzinnen. Dat staat gewoon in alle rapporten, niet alleen in dit rapport. De heer Dijk — en daar ontmoeten wij elkaar wel weer, niet politiek maar wel qua analyse — zegt: "Ja, maar dat kun je ook op een andere manier betalen". En ja, dat klopt. Dat klopt. Je kunt een andere politieke keuze maken.

De voorzitter:

De avond is nog jong, meneer Dijk. U komt vast nog terug.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dan een persoonlijk feit hierover. Het spijt me, maar nu haalt de minister er alleen de AOW uit en niet de sociale zekerheid; hij gooit het vervolgens op de zorg. Ik heb heel nadrukkelijk gevraagd: geef mij een bron waaruit blijkt dat het percentage van het bbp van sociale zekerheid en de uitgaven daaraan toenemen in 2060, max 0,5%.

De voorzitter:

Dat is geen persoonlijk feit. De heer Mulder met een interruptie.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Voorzitter. Als u het niet verder wilt vertellen: ik ben het voor de verandering een keer met de SP eens. De heer Dijk nam afstand van het verhaal met de AOW. Juist met die AOW is het zo dat alle voorspellingen in rapporten — in 2002, in 2008 en ook in 2010 — zeiden: het wordt 8% of 9%. Maar steeds blijkt dat dat niet het geval is en dat wij nog steeds onder de 5% zitten. Ik zei het al eerder vanavond: de heer Vijlbrief is hartstikke handig met woorden, want hij geeft wel toe dat we nu nog onder de 5% zitten, maar voorspelt hier weer dat we in 2040 naar 5,7% gaan. Maar alle eerdere voorspellingen klopten ook niet! Dit even om mijn marxistische vriend te ondersteunen. Waar ik naartoe wilde, eigenlijk, is het feit dat de heer Vijlbrief in zijn vorige functie, toen hij nog geen minister was, een enorm punt heeft gemaakt van het feit dat er een btw-verhoging kwam, terwijl dat in geen enkel verkiezingsprogramma had gestaan. Hij was helemaal verontwaardigd over hoe dat nou kon. Ik heb hem ook al in de eerste termijn gevraagd hoe hij dan de maatregelen rondom het maximumdagloon beoordeelt, want die stonden ook niet in de verkiezingsprogramma's. Graag een reflectie.

Minister Vijlbrief:

Volgens mij heeft de heer Mulder last van selectieve herinnering bij de btw. Ik heb daar heel goed over nagedacht, omdat ik al vermoedde dat de heer Mulder hierop zou terugkomen in mijn termijn. Dat betrof de btw op boeken. En wat was het nog meer? Het waren allemaal dingen waar dat kabinet een enorme hekel aan had: boeken, theater. Allemaal lelijke dingen waren het. Daar had dat kabinet ... Mijn woede zat helemaal niet op het feit dat het niet in de verkiezingsprogramma's stond, maar op het feit dat men een paar categorieën had gekozen en bedacht: laten we daarvan nou eens de btw verhogen. Daar zat mijn woede! Ik heb daar heel goed over nagedacht, want ik dacht al dat u erop terugkomt. Dus ik heb dat nog eens teruggehaald. Nou, ik word er weer boos over, omdat er gewoon een soort willekeur in dat besluit zat.

De voorzitter:

Zullen we proberen om het bij de begroting van Sociale Zaken te houden?

Minister Vijlbrief:

Ik begin er niet over.

De voorzitter:

Ja, ik begrijp het. Ik kijk ook even naar de heer Mulder. Die gaat het nu vast terugbrengen naar de begroting.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, want dit was alleen een aanloopje. Ik merk hier allerlei gedoe steeds over het maximumdagloon. Het CDA heeft het over een steen de schoen of een klomp in de maag. Heel erg allemaal. De minister neemt eigenlijk ook een beetje afstand, want die wil gaan bekijken hoe hij het juridisch toch nog kan veranderen. Maar we zitten nog maar — wat is het? — zes, zeven weken na de presentatie. En ik ken meneer de minister. Die heeft destijds toch heel goed het coalitieakkoord bekeken en ik neem aan dat de CDA-fractie dat ook gedaan heeft. Hoe is het in vredesnaam mogelijk — daarom kwam ik eigenlijk, want het staat in geen enkel verkiezingsprogramma — dat nog maar zes, zeven weken na de presentatie, nadat zowel het CDA als ook de minister de handtekening heeft gezet, nu alweer een maatregel niet doordacht blijkt te zijn?

Minister Vijlbrief:

Voorzitter, ik probeer zakelijk te blijven. Ik erger me wat aan het frame "alweer". We moeten toch even dingen uit elkaar proberen te houden. Bij de AOW — daar komen we zo meteen nog over te spreken — is er geen sprake van dat die maatregel niet doordacht was. Bij de AOW speelde een ander punt, namelijk dat het kabinet nu heeft geconstateerd dat het de woede die ontstond rond het doorbreken van het pensioenakkoord niet goed had ingeschat. Dat heeft niks te maken met de inhoud van de maatregel.

Dus even gewoon heel precies nu. Bij het maximumdagloon speelt de vraag: hebben wij toen er geformeerd werd en toen wij onze handtekening hebben gezet goed gezien — de formatie is al helemaal een ander proces — wat de effecten daarvan zouden zijn? Nou, in alle eerlijkheid heb ik — dat heb ik trouwens al een keer gezegd bij de uitloop van de ministerraad — het effect dat het zou hebben op de verlofregelingen niet goed gezien, ook omdat ik dacht dat in de meeste cao's dit punt werd aangevuld. Dat blijkt ook in een aantal cao's zo te zijn, maar niet in alle cao's. Daarom heeft het ook effecten op dat niveau. Ik denk dat goed uit elkaar moet worden gehouden wat er aan de hand is.

En dan over de bestaande gevallen. We hebben ons dat gerealiseerd, maar we hebben ons niet gerealiseerd — laat ik dat dan zo zeggen — dat dit zo'n groot punt zou zijn en daar gaan we nu gewoon beter naar kijken. Ik heb al heel veel kabinetten meegemaakt en de heer Mulder ook. Dit gebeurt altijd bij formaties. Het frame is nu "alles is al weg" en "o, het spoelt allemaal weg" en "het is niet doordacht". Ik zag gisteren een artikel in een krant waarin stond dat wij geen rekening zouden hebben gehouden met het effect op de premies van de verlaging van het maximumdagloon. Dat is gewoon niet waar. Het staat gewoon in het coalitieakkoord dat we daar wel rekening mee hebben gehouden.

Dus laten we proberen om de discussie een beetje zakelijk te houden en prijs het kabinet dat het ook eens een keer zegt "nou, daar moeten we nog eens even over nadenken", zou ik zeggen tegen de heer Mulder.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ik had het over "alweer", omdat … Eigenlijk somt de minister er een aantal op. Ja, het is de AOW. Ja, het is het maximumdagloon. Ja, het zijn bestaande gevallen. Ja, het zijn de bezuinigingen op de gehandicaptenzorg, Ja, het is de bevalboete. En box 3, nog een kindje dat de heer Vijlbrief noemde. En we zijn nog maar anderhalve maand bezig, hè. Het komt ook niet zo heel sterk over van de minister omdat hij in een vorige functie heel vaak hier stond te vertellen dat het kabinet waar de PVV in zat het allemaal niet snapte en het allemaal niet goed deed. Dit kabinet had als leuze "het kan wel", maar ze kunnen het dus niet. Ze kunnen het niet.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. Dit is geen vraag, dus ik kijk even naar een andere interruptie.

De voorzitter:

En die komt nu van mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik moet de heer Mulder toch gelijk geven, want ik heb ook het gevoel dat er dingen heel hard in het akkoord staan. Er staat heel hard 20% verlaging van het max dagloon. Dat geldt voor al die regelingen. Wij hadden meteen door dat dit al die verlofregelingen zou gaan raken. Daar zijn geen uitvragen over gedaan, maar daar kom ik later nog wel een keertje op terug. Voor nu wil ik toch even naar de cijfers die net genoemd werden over het pensioenakkoord, want wat is er nu anders in de cijfers over de houdbaarheid van de AOW ten opzichte van het moment waarop het pensioenakkoord is afgesloten?

Minister Vijlbrief:

Deze vraag hing natuurlijk in de eerste termijn van het debat heel erg, dus ik heb hier goed naar gekeken. U heeft ook antwoord op uw vragen gekregen, met inmiddels mijn excuus erbij dat dat blijkbaar niet goed gegaan was en er een briefje bij had gemoeten. Het antwoord daarop is dat er demografisch gezien, als je dus naar de grijze druk kijkt, niets veranderd is. Dat was geloof ik ook de stelling van mevrouw Patijn. Als er al iets veranderd is, is dat ten goede veranderd.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dat klopt. In 2019 was het 6,5%. Er is nu 5,7% voorspeld voor 2040. Dat is dus echt een stuk lager en veel positiever. Nou vraag ik mij af waarom er, hoewel dat duidelijk was, toch voor gekozen wordt om het pensioenakkoord daarop open te breken. Het is dus positiever dan dat het toen op dat moment leek.

Minister Vijlbrief:

Het kabinet heeft niet gekozen voor het openbreken van het pensioenakkoord. Dat probeerde ik net uit te leggen in het interruptiedebatje met de heer Mulder. Het kabinet heeft, met het rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte in de hand, gekeken naar de vergrijzingsuitgaven. Daar ging het debat over dat ik net met de heer Dijk had. De Studiegroep Begrotingsruimte zegt: kijk daar nou goed naar, want je krijgt heel veel extra uitgaven vanwege vergrijzing. Het klopt dat die AOW-uitgaven al voorzien waren in het pensioenakkoord. Tegelijkertijd is het waar — daar kan mevrouw Patijn de ogen ook niet voor sluiten — dat er in de omgeving dingen anders zijn. Zeven jaar geleden, in 2019, is deze afspraak gemaakt en in 2020 is het pensioenakkoord gesloten. De wereld ziet er nu totaal anders uit. We kunnen alle grote dingen noemen die veranderd zijn. We hebben een veel grotere vraag naar defensie-uitgaven. U zag van de week het bericht van de minister van IenW. Er is heel veel vraag naar infrastructuuruitgaven. Het is een feit dat de socialezekerheidsuitgaven snel toenemen en voor een deel de begrotingsruimte opslokken die je ook aan andere dingen zou kunnen uitgeven. De studiegroep zegt ook: kijk nou naar die vergrijzingsuitgaven. Volgens mij zit de irritatie van mevrouw Patijn bij de keuze voor deze maatregel. De studiegroep noemt ook andere maatregelen. Je kunt fiscaliseren of rijkere bejaarden meer laten meebetalen. Dat kan allemaal, maar het kabinet heeft voor deze maatregel gekozen. Ik zei net al dat we daarbij hebben onderschat wat dat betekende voor het pensioenakkoord.

Punt.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan stel ik toch nog één keer de vraag die al vaker in deze Kamer gesteld is: bent u niet bereid om op een andere manier naar dit geheel te kijken, naar hoe de zwaarste lasten bij de sterkste schouders terechtkomen, in plaats van deze maatregel te nemen? Bent u bereid ervoor te kiezen om het vertrouwen bij de vakbonden te herstellen en u te houden aan de afgesproken AOW-leeftijd en de stijging daarvan? Bent u bereid om écht die maatregelen van tafel te halen, of zegt u: nee, wij houden vast aan de keuze die we nu gemaakt hebben en aan het feit dat we de AOW-leeftijd toch sneller laten stijgen dan we afgesproken hebben in het pensioenakkoord?

Minister Vijlbrief:

Ik kies toch echt mijn eigen woorden. Het kabinet heeft gezegd: wij maken een pas op de plaats. Ik zou wetgeving moeten voorbereiden, overigens niet nu, maar volgend jaar, om die een-op-eenkoppeling te maken. Die wetgeving gaan wij niet voorbereiden. Ik heb een keer gezegd dat als er andere maatregelen zijn die helpen om de vergrijzingslasten mee te nemen, we daar best naar willen kijken. Dat is de opening die het kabinet heeft geboden. Die herhaal ik nu een keer. We moeten een pas op de plaats maken bij die een-op-eenkoppeling, maar die is niet van tafel. Het probleem is er namelijk nog steeds. Het uitgavenprobleem is er nog steeds. Mevrouw Patijn vraagt: heeft u gedacht aan een maatregel waarbij de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen? Als ik betere alternatieven hoor, dan is het antwoord: ook daar wil ik best naar kijken. Als dat helpt om met vakbewegingen aan tafel te gaan, dan zal ik dat doen. Dan zal ik ook uitspreken dat ik daarnaar wil kijken.

De voorzitter:

Eén interruptie van de heer Mulder op dit punt.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, een in enen en niet in tweeën. Het is zelfs een hele zakelijke interruptie, voorzitter.

De voorzitter:

Komt ie!

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ik ben heel benieuwd naar het volgende. De minister zegt dat de maatregel niet van tafel is, maar vervolgens zegt hij drie seconden later dat hij geen wetgeving gaat voorbereiden. Dan is de maatregel toch wél van tafel?

Minister Vijlbrief:

Het voordeel van deze maatregel is dat — ik reken even terug — die vijf jaar van tevoren klaar moet zijn. Dat is dus in 2028. Dat betekent dat ik tijd heb om te zeggen: ik hoef daar nu even niet aan te werken. Het antwoord is dus heel simpel.

De voorzitter:

Ik kan me voorstellen dat de minister zijn eerste blokje bijna heeft afgerond.

Minister Vijlbrief:

Zeker. Ik ga nu de vraag van mevrouw Van Ark beantwoorden. Zij vraagt: is de minister bereid om het harmoniseren van de 21 leefvormen in de AOW zo snel mogelijk op te pakken? In het regeerakkoord is een onderzoek aangekondigd naar de vereenvoudiging van die leefvormbeoordeling. Dat heeft allerlei voordelen, die ik omwille van de tijd achterwege zal laten. Invoering van het objectieve partnerbegrip kost structureel 122 miljoen en vergt een wetswijziging. Als het kabinet wat wil, zal daar dekking voor gevonden moeten worden en zal ik de wet moeten wijzigen. Wij zien echter de voordelen van dit idee.

Mevrouw Van Brenk zei dat problemen zich opstapelen voor kwetsbare groepen en vroeg hoe het kabinet dat weegt. Daar heb ik net al wat over gezegd. Zelf denk ik dat wij de analyse die wij aan de Kamer hebben beloofd naar aanleiding van de motie-Stoffer over de stapeling van allerlei maatregelen voor kwetsbare groepen, heel serieus moeten gaan maken. We hebben die beloofd voor de zomer. Ik hoop dat ik op basis van die analyse verder het gesprek kan voeren met de Kamer. Ik zie ook dat de combinatie van een aantal maatregelen weleens te veel kan zijn, zeg ik eerlijk.

Dat brengt mij bij mijn tweede blok, voorzitter. Nog niet helemaal, zie ik, bijna.

De voorzitter:

Ja. We gaan de interrupties bij het eerste grote blok nog een keer verzamelen. Als die zijn afgerond, kunnen we door naar het tweede blok. Ik begin met mevrouw Michon.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik zat nog een beetje na te kauwen op het interruptiedebatje tussen mevrouw Patijn en de minister. In de eerste termijn hebben we hierover ook de degens met elkaar gekruist. Ik begrijp de positie van de bonden heel goed. We lezen daarover ook iedere dag in de krant. Ik hoorde de minister zeggen dat hij ook kijkt naar alternatieven. Nu wordt met elkaar gewisseld om het toch inkomensafhankelijk te maken en ervoor te zorgen dat rijke bejaarden minder AOW krijgen. Kijk, voordat dit ook weer een eigen leven gaat leiden, hecht ik eraan te weten of, als we het hebben over alternatieven, ook álle alternatieven op tafel liggen. Dan denk ik aan het uitbreiden van het vroegpensioen. Dan denk ik aan het bedrag ineens en het flexibeler maken van de pensioenleeftijd. Al dat soort opties vindt mijn fractie vele malen interessanter dan het inkomensafhankelijk maken. Dat wil ik hier graag gemarkeerd hebben. Graag een reactie van de minister hierop.

Minister Vijlbrief:

Het korte antwoord, dat de voorzitter het meest zal waarderen, is: ja. Het iets langere antwoord is: ja, maar fiscalisering — ik heb me net misschien niet goed uitgedrukt — leidt natuurlijk niet tot het inkomensafhankelijk maken van de AOW zelf. Het betekent dat mensen met een pensioen boven op de AOW gaan meebetalen aan de AOW. Dat doen ze nu al via de belastingheffing. Het heffingspercentage zou je kunnen vergroten. Ik zeg dat zodat we de boekhouding even oké hebben. Maar hier zijn een heleboel opties om de lasten anders te verdelen. U noemt er een aantal en ik ben echt bereid om naar al die dingen te kijken. Als dat gesprek er komt, ga ik heel goed naar de bonden en de werkgevers luisteren om te horen wat zij in gedachten hebben.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ja, een vervolgvraag. Elke keer wordt het voorbeeld genoemd van mensen in zware beroepen die we het gunnen om, voordat ze fysiek versleten zijn, met pensioen te gaan. Ik denk dat we dat van links tot rechts vinden. Als we nou focussen op het probleem — wat bindt ons nou? — dan blijkt het te gaan om de mensen van wie we zeggen dat ze versleten zijn, dat ze toe zijn aan pensioen. Daar moeten we ruimhartiger mee omgaan. Hoe beoordeelt de minister de afspraken in het pensioenakkoord om meer te doen aan duurzame inzetbaarheid, om er al binnen cao's voor te zorgen dat mensen in zware beroepen op een gezonde manier hun pensioenleeftijd kunnen bereiken?

Minister Vijlbrief:

Het is kristalhelder dat we daar meer aan moeten doen. Ik heb veel van mijn gesprekken de afgelopen weken besteed aan gesprekken met mensen in zware beroepen. Ik heb dit dus ook allemaal gehoord, ook over de regelingen die sommige bedrijven hebben gemaakt om mensen tegemoet te komen. Soms gaat dat goed en soms minder goed. De motie die door ik dacht de heer Stoffer en de heer Heutink in het debat over de regeringsverklaring is ingediend over het verzachten van de AOW-maatregelen, noemt juist ook de regelingen voor de zware beroepen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daar de afgelopen tijd anders over ben gaan denken. Als Kamerlid was ik altijd bezorgd dat er een soort nieuwe VUT zou ontstaan. Als je je even verdiept in waar mensen mee bezig zijn, dan begrijp je dat als je deze regeling goed kunt afgrenzen voor mensen met echt zware beroepen — de machinisten, de bouwvakkers en noem ze allemaal maar op — hier wel een oplossing zit voor heel veel problemen. Dat staat nog even los van of je de AOW-leeftijd al dan niet verhoogt. Daar ben ik het mee eens.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ja, tot slot. Is de minister het met mij eens dat het ook juist aan die werkgevers is om ervoor te zorgen dat mensen hun pensioenleeftijd zo gezond mogelijk tegemoetzien? In mijn ogen en in de ogen van mijn fractie is daar nog veel winst te behalen. We voeren nu inderdaad bovenover de discussie over alternatieven voor die AOW-aanpassing, maar het begint er natuurlijk mee dat je mensen op een gezonde manier naar hun pensioen laat gaan. In mijn ogen is daar enorm veel winst te behalen. Ik hoop dat de minister dat met me eens is. Ik hoop dus ook dat we dat gaan stimuleren en er harder op gaan sturen om dat te bereiken.

Minister Vijlbrief:

Zal ik omwille van het debat gewoon ja zeggen? Ik ben het daarmee eens.

De voorzitter:

Uitstekend idee.

Minister Vijlbrief:

Ik zal dat zeker met de werkgevers bespreken. Overigens is het hele punt wat betreft meer doen aan preventie ook belangrijk bij de WIA. Maar daarmee ga ik terug naar mijn vorige blok en dat mag niet van de voorzitter.

De heer Neijenhuis (D66):

Een gevolg van een week pauze tussen de eerste en tweede termijn is dat er in de tussentijd weer allemaal dingen kunnen gebeuren. Zo deed de minister van Financiën eergisteren bij RTL Z een uitspraak over een tegenvaller van een miljard — even later sprak hij over enkele miljarden — bij de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ik wil hier dus wel even duidelijk hebben wat er nou precies aan de hand is. Is dit iets wat al in beeld was of is dit weer iets nieuws wat bij de Voorjaarsnota gaat komen? Wist de Kamer hier al van? We hebben dit niet kunnen vragen in de eerste termijn, maar ik wil hier wel duidelijkheid over.

Minister Vijlbrief:

Heel kort en krachtig: nee, dit is nieuw. Het was niet bekend. Er wordt een Voorjaarsnota opgemaakt, waar uitvoeringsinformatie voor wordt opgevraagd bij het UWV. Ik wist dit — wanneer hadden we dit debat? — een week geleden ook niet. Er wordt dus uitvoeringsinformatie opgevraagd. Vervolgens gaat de minister van Financiën zijn Voorjaarsnota opmaken en constateert die dat er een grote tegenvaller volgt uit de uitvoeringsinformatie van het UWV. Die informatie wordt volledig bekend bij het verschijnen van de Voorjaarsnota.

De voorzitter:

Een vervolgvraag. Mevrouw Patijn wil eerst een punt van orde maken. Dat mag altijd.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Er is een uitlating gedaan door een minister die daar niet over gaat en die geen enkele toelichting heeft gegeven op dit stuk. We hebben er niets over ontvangen. Ik heb er geen behoefte aan om dit nu bij dit debat te betrekken. Ik wil daar gewoon normale informatie over hebben. Ik vind het lastig als we dat hier op deze manier gaan bespreken, want ik vind het onhebbelijk zoals we hier een mededeling over hebben gekregen. Ik zou dit dus heel graag buiten het debat willen houden.

De voorzitter:

Waarvan akte. Toch is het ook zo dat een Kamerlid over z'n eigen interrupties gaat en dat we die niet per punt van orde gaan kwalificeren. De heer Neijenhuis mag dus een interruptie doen en het kabinet gaat uiteindelijk over de beantwoording. De heer Neijenhuis heeft nog een vervolgvraag.

De heer Neijenhuis (D66):

Ik stel deze vraag juist omdat dit natuurlijk niet is hoe een ordentelijk begrotingsproces hoort te gaan. Je hebt gewoon één moment van uitgavebesluitvorming, waarin alle mee- en tegenvallers worden meegenomen. Op het moment dat het kabinet toch aanleiding ziet om een bepaalde tegenvaller aan de Kamer te melden, meld je dat ook aan de Kamer en niet bij RTL Z. Zo hebben we het met elkaar afgesproken. Als we hier dan een debat hebben met het kabinet over arbeidsongeschiktheid, wil ik toch — ik heb daar namelijk moeite mee — wel de vraag stellen hoe het kabinet daarop reflecteert. Mijn vraag is of het kabinet dit soort dingen in het vervolg niet meer gaat doen en de Kamer gewoon netjes informeert op het moment dat zo'n tegenvaller ontstaat, of dat het dit gewoon meeneemt in het ordentelijke begrotingsproces.

De voorzitter:

De minister. Kort, alstublieft.

Minister Vijlbrief:

Ik kan niet in het hart van de minister van Financiën kijken. Hij heeft dit gezegd. Volgens mij is het de bedoeling dat de Voorjaarsnota vrij snel komt. Ik weet niet op welke datum die naar buiten komt, maar die komt er vrij snel aan. Dan wordt dit gewoon duidelijk. Ik ga maar niet in op de gevoelens van …

De voorzitter:

Zeker, we zijn nog steeds bezig met de begroting van Sociale Zaken. De Voorjaarsnota wordt nog uitgebreid behandeld.

Minister Vijlbrief:

Ja, het wordt een beetje ingewikkeld.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voordat ik interrumpeer, zou ik graag een punt van orde willen maken. Ik was erg ontevreden over de antwoorden rondom pensioen. Dat kwam niet terug in blokjes, dus de interrupties gebruik ik helemaal aan het eind, ook als het tegen die tijd niet over Leven Lang Leren gaat. Dan weet u dat even.

De voorzitter:

Bij dezen. U heeft vast ook nog een vraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De collega's van de PVV en de PvdA hebben gezegd dat die cijfers en percentages best heel anders zijn. Maar ik begrijp dat in de discussie over de AOW ook heel vaak genoemd wordt dat we uit de gewone begroting zoveel bij moeten leggen omdat er niet voldoende opbrengsten zijn. In mijn betoog heb ik aangegeven dat van de premieopbrengst ook weer een heleboel weggegeven wordt door een keuze van het kabinet in de vorm van heffingskortingen. De regering zegt zelf: een deel van de premie hebben we al uitgegeven aan andere dingen en daardoor komen we tekort. Dat is toch een broekzak-vestzakdiscussie?

Minister Vijlbrief:

Ja, dat is een broekzak-vestzakdiscussie. Ik begrijp de redenering van mevrouw Van Brenk, maar het volgende punt blijft staan. De AOW-premie als zodanig is nu, gegeven hoe het stelsel in elkaar zit, niet voldoende om de volledige AOW-uitgaven te dekken. Ik vind het zelf niet zo erg dat je dat voor een deel ook met belastinginkomsten doet. Sterker nog, je zou best kunnen beredeneren waarom je dat breder wil doen. Dat heet fiscaliseren. Ik heb dat niet als een probleem willen neerzetten, zeg ik tegen mevrouw Van Brenk. Ik zeg alleen: mij werd gevraagd of er alternatieven zijn wat betreft de financiering van de oudedagsvoorziening. Die zijn er, want je kunt ook breder gaan financieren met belastingheffingen. Toen zei mevrouw Michon: er zijn ook andere alternatieven. Dat klopt ook. Dat was ongeveer het gesprek dat we met elkaar hadden.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Wij zijn zeker geen voorstander van fiscalisering. Maar ik begrijp dus dat in ieder geval erkend wordt dat een groot deel van de opbrengsten van de AOW-premie op een andere manier versleuteld wordt en dat er steeds meer commentaar komt omdat het uit de algemene begroting komt. Maar dat komt door keuzes van het kabinet en van ons allen.

Minister Vijlbrief:

Niet alleen daardoor, maar die spelen daarin een rol. Daar heeft mevrouw Van Brenk gelijk in. Dat zijn geen keuzes van dit kabinet; dat is al jaren zo. Het kabinet zou dat kunnen veranderen, maar ik heb daar weinig aanleiding toe; dat klopt.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik heb vorige week in mijn eerste termijn aandacht gevraagd voor de jongeren in de AOW. We hebben het hier met elkaar heel veel over de AOW. De minister heeft aangegeven: ik ga met de bonden in gesprek om naar een alternatief te kijken. In de schriftelijke beantwoording lees ik dat de minister van plan is om een bijeenkomst met jongeren te organiseren en daar ook het SER Jongerenplatform bij te betrekken. Dat is mogelijk in reactie op mijn vraag daarover. Mij lijkt het wel heel goed om dat ook structureel te verankeren, dus om niet één keer een bijeenkomst te organiseren. Hoe ziet de minister voor zich dat we jongeren hier echt over laten meedenken?

Minister Vijlbrief:

Dat zeg ik graag toe. Als mevrouw Van Ark mij de kans wil geven, zal ik daar even over nadenken. Dan kom ik in de komende weken met iets van een kort briefje over hoe ik dat wil gaan doen. Ik vind het een uitstekend idee.

De voorzitter:

Dan is er een interruptie van de heer Dijk. Daarna wil ik graag door met het volgende blok. Na de heer Dijk gaan we dus echt door.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik wil het toch nog één keer proberen. Ik heb in de afgelopen tijd namelijk zo ontzettend veel mensen gehoord die zich echt zorgen maken over de plannen van het kabinet voor de AOW, de arbeidsongeschiktheid en de WW. Ik stel de minister hier een vraag over de totale kosten van de sociale zekerheid als onderdeel van het bruto binnenlands product, maar ik krijg alleen maar een antwoord over de AOW. In de afgelopen twintig jaar is dat iedere keer 13% tot 15% geweest. Die trend lijkt zich gewoon door te zetten in de komende jaren. Ik verwacht dus eigenlijk dat er van een minister van Sociale Zaken die zulke ingrijpende maatregelen neemt met betrekking tot de sociale zekerheid van mensen, een eerlijk antwoord komt op de vraag welk deel van het bruto binnenlands product daaraan uitgegeven wordt.

Minister Vijlbrief:

Ik had de getallen van de AOW bij de hand. Dat is de enige reden dat ik net geen antwoord gaf over de precieze getallen voor de totale sociale zekerheid. Dat wil ik best in de tweede termijn doen. In de tweede termijn zeg ik welk percentage van het bbp tussen 2025 en 2040 wordt uitgegeven aan de sociale zekerheid. Als dat de vraag is van de heer Dijk, dan ga ik dat natuurlijk doen, maar ik houd niet zo van raden. Dat zit niet zo in mijn karakter.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik ook niet, maar ik houd ook niet van politieke stellingnames dat de kosten onbeheersbaar zijn. Dat hoor ik namelijk steeds. Dit debat ligt helemaal ten grondslag aan de vraag of je wel of niet die politieke keuzes maakt. Ik verwacht van de minister van Sociale Zaken dat dit soort dingen dan op orde zijn en dat het niet alleen maar gaat over absolute euro's, maar ook over percentages. Dan hebben we het namelijk over feiten en niet over suggesties. Het aantal euro's dat we uitgeven aan ongeveer alles stijgt namelijk ieder jaar.

Minister Vijlbrief:

Dat ontken ik niet, maar de heer Dijk moet nou niet net gaan doen alsof de zaken niet op orde zijn. Ik zal hem in de tweede termijn gewoon de percentages geven.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat lijkt me heel goed. Dan kunnen we het debat verder voeren op basis van die gegevens.

De voorzitter:

Dan gaan we naar het blokje arbeidsmarkt.

Minister Vijlbrief:

Daar neem ik de veranderingen in de WW in mee. Met het oog op de klok ga ik mijn inleiding daarvoor inkorten.

De voorzitter:

Die mag u ook schrappen!

Minister Vijlbrief:

Ik hoorde al dat u dat zou gaan zeggen.

Ik kijk naar de WW in samenhang met het systeem van Leven Lang Ontwikkelen, de talentstrategie en het van werk naar werk gebracht worden. Ik heb laatst ook in een televisieprogramma proberen toe te lichten dat ik er zo naar kijk. Zo kijk ik er al heel lang naar. In zo'n systeem past ook een kortere en aan het begin hogere WW. Zo hebben wij dat ook opgeschreven in ons coalitieakkoord. Ik wil ingaan op een aantal concrete vragen die daarbij gesteld zijn.

Mevrouw Van Ark vroeg: hoe wil de minister zorgen dat Leven Lang Ontwikkelen echt een centrale plaats krijgt in het arbeidsmarktbeleid? Ik ben op zoek naar een structurele inbedding. Ik heb in de campagne met mevrouw Patijn en anderen debatten gevoerd over het arbeidsmarktbeleid. Het ging over Leven Lang Ontwikkelen en over de vraag: moet er een ontwikkelplicht komen of niet? Ik zou heel graag samen met de sociale partners een systeem willen maken waarbij we de beperkte middelen die we in het regeerakkoord hebben, namelijk 100 miljoen, in gaan zetten om alle sectorale middelen in de O&O-fondsen die gericht zijn op duurzame inzetbaarheid en Leven Lang Ontwikkelen, los te kloppen. De heer Neijenhuis vroeg wanneer de Kamer de eerste resultaten daarvan mag verwachten. We gaan dit ook meer richten op de tekortberoepen. Ik wil dat echt nadrukkelijk proberen. Ik heb in het commissiedebat al aangegeven dat ik de hoofdlijnen van de inzet van het kabinet op een Leven Lang Ontwikkelen samen met de minister en de staatssecretaris van OCW voor de zomer naar de Kamer zal sturen. In dit debat zeg ik maar even in alle openheid dat ikzelf een Leven Lang Ontwikkelen en alles wat wij kunnen doen om mensen van werk naar werk te brengen — mijn collega Aartsen zal straks ongetwijfeld ook participatie noemen — zie als de sleutel om met de vakbeweging in gesprek te komen over het onderwerp en daarbij ook de WW te betrekken. Ik weet dat de duurverkorting van de WW daar zwaar ligt. Ik weet het, maar ik wil dit gesprek wel kunnen voeren, want ik denk dat we naar een moderner systeem toe moeten.

De heer Neijenhuis vroeg mij hoe ik ervoor ga zorgen dat alles in het strategisch industriebeleid en de talentstrategie van drie departementen op elkaar aansluit. Dat is een goede vraag. In de talentstrategie gaan we de instrumenten inzake onderwijs en arbeidsmarkt, productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit juist meer richten op de sectoren die in dit land nodig zijn en die we nodig hebben voor de toekomst van het land. Als het goed is, gaan we daar dan ook alles op richten, bij een Leven Lang Ontwikkelen, maar ook bij de fiscaliteit.

Mevrouw Michon vroeg naar de transitievergoeding: kan de minister een voorstel doen voor het niet meer hoeven te betalen van de transitievergoeding als de werkgever voldoende bijdraagt aan een Leven Lang Ontwikkelen? In mijn ogen zou de ideale situatie zijn, zeg ik tegen mevrouw Michon, dat werkgevers zo veel prikkels hebben om te investeren in Leven Lang Ontwikkelen dat ze die transitievergoeding daarvoor gebruiken en niet als een soort aanvulling op de uitkering. Dat is volgens mij het systeem waar wij allemaal naartoe willen. Tegelijkertijd zou ik niet willen dat de omstandigheden voor werknemers daardoor verslechteren. Hoe je dit met elkaar regelt, luistert dus wel nauw, opdat het ook echt gebeurt.

Ten slotte, voorzitter. Mevrouw Moinat vroeg heel specifiek naar de duur van de WW. Ik vind dat je op een modernere arbeidsmarkt, waar we beter in staat zijn om mensen van baan naar baan te brengen, waar we beter investeren in mensen en meer doen aan duurzame inzetbaarheid en een Leven Lang Ontwikkelen, ook moet kunnen praten over de duur van de WW. Dat gesprek wil ik heel graag met de sociale partners aangaan.

Voorzitter, dat was mijn blokje. Ik heb geprobeerd om het in te korten met het oog op de tijd. Ik heb namelijk nog een vrij groot blok over het inkomensbeleid.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik heb de minister ook gevraagd of al vaststaat dat de WW op 1 januari 2028 naar achttien maanden gaat.

Minister Vijlbrief:

Nee, dat is niet de bedoeling. Zoals mevrouw Moinat in het coalitieakkoord kan lezen, zullen wij met een nieuw voorstel komen om de duur van de WW in te korten naar één jaar. Wanneer dat precies gaat komen, weet ik eigenlijk niet. Dat moet ik even nagaan. Dan moet ik even in het coalitieakkoord kijken. Vindt u het goed als ik daar in tweede termijn op terugkom? Ik weet niet meer precies bij welk jaar dat staat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ja, dat vind ik goed. Ik heb ook gevraagd of de minister bereid is om opnieuw om de tafel te gaan met het doel van deze plannen terug te keren en weer naar 24 maanden te gaan. Mensen hebben daar immers premie voor betaald.

Minister Vijlbrief:

Niet op die manier. Mevrouw Moinat vraagt of ik daarover met de sociale partners, met werknemers en werkgevers, in gesprek ga. Ik weet hoe moeilijk dit ligt bij de werknemersorganisaties, bij de vakbeweging. Over alles valt te praten, maar ook hiervoor geldt dat er een kant aan zit van het arbeidsmarktbeleid en de prikkels die het geeft. Nogmaals, ik heb daar zelf 35 jaar geleden een boek over geschreven. Daaruit blijkt dat de duur van de WW-uitkering ertoe doet voor de kans dat mensen snel uit de WW stromen. Dat doet ertoe. Dat heeft invloed. Ik ben dus niet bereid om dat zomaar van tafel te halen. Nee, dat ga ik niet doen. Als mevrouw Moinat mij vraagt of ik daarover in gesprek wil gaan met de vakbeweging en de werkgevers om dat op een andere manier vorm te geven, dan wil ik daar best over gaan praten, mits dat in ieder geval financieel gezien tot dezelfde resultaten leidt. Dat geldt eigenlijk voor alle voorstellen van het kabinet. We zijn bereid om dat te doen, maar dit is wel wat wij ons voornemen, want dat past in onze visie op de arbeidsmarkt.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Moinat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik wil de minister vragen of hij mee wil nemen dat de premies reeds betaald zijn door mensen die in loondienst werken of met iets anders hun premie betalen. Feitelijk gezien zie ik dat dan als een stukje afkapping. U zegt als minister: we hebben dit al geïnd, dus u krijgt dat stukje niet meer terug. Wilt u in de beantwoording in de tweede termijn meenemen hoe u daartegen aankijkt?

Minister Vijlbrief:

Dat zal ik doen, maar dat zeg ik nooit als minister. Dat doet de enige wetgevende macht in dit land en dat bent u. Ik kan dus helemaal niks afnemen. Het voorstel van het kabinet is om hierover in gesprek te gaan met de sociale partners. Het voorstel van het kabinet is om de WW in te korten, maar dat is in combinatie met een heleboel andere dingen. Dat zal het gesprek zijn.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik had een vraag gesteld, en ik vond het antwoord onbevredigend. Het ging over oudere werknemers die best wel een probleem hebben om weer aan het werk te komen. Ik had mijzelf ook als voorbeeld gesteld. Nou stelt de minister: we gaan het fundamenteel herzien, met een toekomstvisie en de banenafspraak. Er worden stappen gezet om de ondersteuning te versterken en te verbeteren. Ik vind dit zo'n miskenning van het feit dat er op de arbeidsmarkt nog steeds leeftijdsdiscriminatie speelt. Ik wil gewoon een reactie van de minister op de vraag of hij dat probleem ook wel ziet voor oudere werknemers.

Minister Vijlbrief:

Ik geloof zelfs dat ik dit in mijn inleiding, toen ik een aantal voorbeelden van discriminatie op de arbeidsmarkt noemde, ook letterlijk heb genoemd. Ik ben het daar dus mee eens. Ik weet alleen niet — misschien verschillen mevrouw Van Brenk en ik daarin van mening — of een langere WW-duur helpt om dit probleem op te lossen. Ik weet het eigenlijk wel: ik denk van niet. Als jij als oudere op de arbeidsmarkt komt en je hebt lang in de WW gezeten, dan ben je al helemaal kansloos voor een volgende baan. Ik ben er dus niet van overtuigd dat een langere WW-duur ertoe bijdraagt om dit probleem op te lossen. Dat is mijn antwoord aan mevrouw Van Brenk. Ik ben het echter totaal met haar eens dat wij wat moeten doen aan leeftijdsdiscriminatie, al is het maar omdat we iedereen nodig hebben. Daar heeft ze groot gelijk in.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Het helpt wel als je de tijd hebt om je te oriënteren op ander werk. Het heeft mij twee jaar gekost om een andere baan te vinden. U weet dat mensen vanuit het parlement ondersteuning krijgen; dat heeft lang niet iedereen. U wilt daar werk van gaan maken, maar ik wil dan eigenlijk ook om clementie vragen voor mensen die zich op latere leeftijd moeten omscholen enzovoort. Ik wil dat die meer tijd hebben. Is de minister bereid om daar in ieder geval naar te kijken?

Minister Vijlbrief:

Ik geloof dat mevrouw Van Brenk nu een ander pleidooi houdt. Als ik haar zo mag begrijpen dat zij vraagt of er maatwerk mogelijk is — dat is overigens wel ingewikkeld — voor mensen die langer moeten zoeken, begrijp ik de vraag wel, maar ik maak haar er wel attent op dat de gemiddelde verblijfsduur in de WW zesenhalve maand is. Ik weet dat dit voor ouderen natuurlijk niet geldt. Dat klopt. Daar heeft mevrouw Van Brenk groot gelijk in, maar toch nog een keer mijn punt: ik ben er niet van overtuigd dat, als je de WW-duur generiek op twee jaar houdt, dit de kansen van oudere werknemers vergroot om een baan te vinden. Zij zegt zelf: ik heb er twee jaar voor nodig gehad. Maar ik denk dat er heel veel gevallen te vinden zijn waarin juist het stigma van twee jaar in de WW gezeten te hebben, een probleem vormt bij het vinden van een baan. U hoort aan me hoe voorzichtig ik formuleer, omdat ik hierover echt met de sociale partners in gesprek wil. Werkgevers hebben hierin misschien wel de belangrijkste rol. Zij moeten gewoon ouderen gaan aannemen als zij personeelstekorten hebben.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik ben in ieder geval blij met de erkenning van de minister dat het voor oudere werknemers inderdaad best lastig is. Ik ben blij dat hij dat erkent en ik zou hem ertoe willen oproepen om zeker bij VNO-NCW en bij MKB Nederland warme pleidooien te houden om mensen met ervaring vooral aan te nemen.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

De minister geeft een aantal dingen aan. De gemiddelde WW-duur is vijf maanden. Dat komt natuurlijk omdat een hele grote groep maar drie maanden WW krijgt. Zij worden er na drie maanden uitgegooid en als ze geen mazzel hebben, komen ze in de bijstand terecht. Het is echt een gigantisch probleem om aan het werk te komen en de WW is geen twee jaar. Die is voor een kleine groep twee jaar, maar voor de allergrootste groep veel korter. Voor al die groepen wordt de duur straks gehalveerd. Wat gaat u nou zeggen tegen al die mensen die na twaalf of veertien jaar straks in plaats van twaalf of veertien maanden nog maar vijf of zes maanden over hebben en in die korte tijd, ook als ze wat meer verdiend hebben, 20% extra van hun inkomen moeten inleveren?

Minister Vijlbrief:

Tegen al die mensen ga ik dus zeggen dat wij hard aan het werk zijn aan een systeem waarbij mensen niet meer werkloos worden en mensen gewoon, zodra ze hun baan verliezen, worden opgepakt en worden geholpen naar een andere baan. Ik hoop dat er dan ook geschoold is. Als ons dat niet lukt in deze heel krappe arbeidsmarkt — u hoort nu enige opwinding bij mij, omdat ik dit echt heel belangrijk vind — dan schieten we gewoon tekort.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Met hopen komen we er niet. Dat is helaas het grootste probleem. We hopen volgens mij al decennialang dat dit beter zou zijn. Het probleem dat mensen, als dat niet zo is, geld nodig hebben om te overleven, om ervoor te zorgen dat ze niet meteen moeten verhuizen en een nieuwe baan kunnen vinden op hun eigen manier. De keuze is nu niet meer aan hen. De keuze ligt nu in een soort afhankelijkheidspositie. Dat is precies waar die vakbonden zo boos over zijn. Die willen zorgen dat mensen naar ander werk komen. Die willen hen helpen. Die zijn bezig in 35 arbeidsmarktregio's. Daar heeft u ook nog wat over gezegd. Maar het is wel nodig dat die mensen het geld hebben, zodat ze rond kunnen komen en de rekeningen kunnen betalen in die tussenperiode.

De voorzitter:

U heeft een vraag.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Kunt u aangeven hoe u, als vakbonden daar zo boos over zijn, dat gesprek weer op gang gaat krijgen? Dit is namelijk een van de onderdelen waarvan ze zeggen: dit is voor ons onacceptabel.

Minister Vijlbrief:

Dat heb ik natuurlijk ook gelezen. Ik wil het gesprek met hen aangaan op de basis die ik net aangaf. Ik wil het gesprek beginnen op de manier die ik ook al noemde bij de WIA. Ik wil het gesprek in eerste instantie niet over de instrumenten voeren. Ik wil het gesprek met hen voeren over de vraag of wij de analyse delen over wat er misgaat en over wat we daaraan kunnen doen. Ik hoorde van de week ook al iemand zeggen: dit proberen we al 30 jaar en dit kan niet werken. Dat accepteer ik gewoon niet. Mevrouw Patijn zegt: op hoop kun je niet bouwen. Nee, hope is not a strategy. Daar ben ik het totaal mee eens. Maar het is bij mij geen hoop. Ik ben nu minister van Sociale Zaken, dus ik kan er invloed op uitoefenen. Het is dus iets meer dan hoop.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan is het fantastisch als er geactiveerd wordt. Maar dan is het wel heel pijnlijk dat eerst het geld bij de mensen weggehaald wordt en er dan hoop geboden wordt dat er geactiveerd wordt. Ik begrijp het volledig. Ik begreep dat de Stichting van de Arbeid, dus werkgevers en werknemers samen, de afspraak voor het voorjaarsoverleg die u 31 maart had, afgezegd heeft. Ik heb dus even geen hoop dat er een oplossing gaat komen.

Minister Vijlbrief:

De vakbeweging had al gezegd dat ze daar niet zou komen. Dat was geen nieuws.

De voorzitter:

De heer Ceder gaat nog een interruptie plegen. Ik heb begrepen dat dat een korte zal zijn. Daarna gaan we echt naar het laatste blok.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dit gaat over de transitievergoeding. Er vindt een hervorming plaats. Dat is goed. Vijf jaar geleden is de transitievergoeding vanaf dag één ingevoerd. Voor kleine werkgevers is dat ingewikkeld, ten eerste omdat dat administratieve lasten met zich meebrengt voor een heel korte periode. Het doel, ervoor zorgen dat mensen genoeg financiën hebben om weer verder te kunnen gaan of te investeren in opleidingen, wordt daar uiteraard niet mee gehaald. De vergoeding wordt dus vanaf dag één gegeven. Dat was vroeger twee jaar. Mijn vraag is of bij de hervormingen specifiek dit punt, de termijn, ook bekeken kan worden. Dat zou namelijk met name voor kleine werkgevers het verschil kunnen maken. De administratieve lasten staan vaak niet in verhouding tot het bedrag dat uitgekeerd wordt. Dat vraag ik ook met het oog op waar de transitievergoeding voor bedoeld is.

Minister Vijlbrief:

Ja is het korte antwoord. Ik zal het meenemen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat beschouw ik dan als een toezegging.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. Ik ga naar het inkomensbeleid. Ook daar had ik natuurlijk een heel lange inleiding, die u natuurlijk heel graag wil horen, over de gevolgen van de vreselijke oorlog in het Midden-Oosten voor de koopkracht. Het kabinet heeft daarover deze week een brief naar de Kamer gestuurd. We hebben daar volgende week een apart debat over. Misschien is het dus handig dat ik gelijk overga naar het beantwoorden van de vragen die hier gesteld zijn.

Dat is onder andere een vraag van mevrouw Lahlah: wat zegt de minister tegen een alleenstaande werkende moeder die te werken heeft met schulden en stijgende kosten en vindt dat het energiefonds voor een gezin als het hare nodig is? De heer Flach vroeg: hoe voorkomen we dat kwetsbare groepen financieel kopje onder gaan? We hebben in die brieven aangegeven dat wij de vinger aan de pols houden wat betreft de algemene koopkrachtontwikkeling. Dat is één. Ik heb in die brief vrij specifiek aangegeven dat ik het als een plicht beschouw, zeg ik tegen mevrouw Lahlah, dat er voor de winter een energienoodfonds of een dergelijke vorm is, zodat we mensen met een heel laag inkomen en hoge stookkosten kunnen helpen. Daar ben ik als een dolle mee aan het werk, zeg ik tegen mevrouw Lahlah. We hebben deze week nog een apart debat daarover. We kunnen er nog langer over spreken, maar ik heb in die brief aangegeven dat de publieke variant, waar lang aan gewerkt is, heel moeilijk is in de uitvoering en dat ik toch weer naar andere varianten aan het kijken ben. Misschien mag ik het daar op dit moment even bij laten in de eerste ronde.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een goed idee. Mevrouw Lahlah.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik was heel erg benieuwd naar hoe het met de zoektocht staat naar die publieke uitvoerder. Ik hoorde net al dat het moeilijk is. Dat heb ik ook in de brief gelezen. Dat hebben we ook al gezien. We hebben daar vorig jaar heel vaak vragen over gesteld en moties over ingediend, samen met diverse collega's. Hoe staat het met de zoektocht naar die publieke uitvoerder? En wat kunt u zeggen over een eventuele tijdsplanning voor het zoeken naar die publieke uitvoerder, als die nog niet gevonden is? Wat kunt u zeggen, behalve dat we een tijdelijk noodfonds hebben, dat natuurlijk al wel een heel uitvoeringssysteem op orde heeft?

Minister Vijlbrief:

Mevrouw Lahlah heeft precies dezelfde redenering als ikzelf. Ik ben nu al meer dan drie weken minister. Mijn vraag was precies dezelfde als mevrouw Lahlah nu stelt. We hebben een uitvoerder, die in het verleden heeft laten zien dat het kan; waarom zouden we die niet gebruiken? Misschien vindt mevrouw Lahlah het goed als ik dat de komende weken probeer verder uit te zoeken. Op een gegeven moment, misschien al in het debat volgende week, kan ik er wat meer over zeggen. Maar ik ben bezig om alle routes naast elkaar af te lopen. Ik heb de publieke uitvoerder niet helemaal uit mijn hoofd gezet, maar die constructie is ingewikkeld. Ik heb ook opnieuw gekeken naar de oude uitvoerder, om hem maar even zo te noemen. Daar zitten echter ook voetangels en klemmen aan, bijvoorbeeld dat het tijdelijk is. Ik denk dan: wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen. Dat is dat wij iets hebben, voordat de winter invalt. Daar zijn alle acties op gericht.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik ben heel erg blij om dit te horen. Ik hoop dat we straks een motie en een amendement kunnen indienen, die oordeel Kamer kunnen krijgen, omdat het een soort incentive is voor hetgeen wat u zegt te doen. Ik ben blij dit te horen.

Minister Vijlbrief:

Ik ga omwille van de tijd door met de vragen van de heer Ceder. Hij vroeg hoe het staat met de uitvoering van … O, dat gaat over het energienoodfonds. Kijk, die heb ik al beantwoord.

De heer Hamstra vraagt wanneer de opening gereed is. Dat heb ik gezegd: je hebt er weinig aan als het niet voor de winter klaar is. Ik ga er alles aan doen om het voor de winter te regelen.

De heer Hamstra vroeg ook aan mij: hoe kijkt de minister aan tegen een schuldenoverzicht waarop private schulden worden meegenomen? Ik zie daar grote waarde in om te komen tot een zo volledig mogelijk inzicht. Dat kan door het stroomlijnen en bundelen van overzichten die er al zijn. Daar horen ook private schulden bij. Voor de zomer zou ik u graag informeren over de beoogde scope en inzet van een dergelijk schuldenoverzicht.

Mevrouw Biekman vroeg: hoe wil de minister werk maken van de ambitie om het armoede-, schulden- en re-integratiebeleid van gemeenten meer te uniformeren en kan de minister toezeggen dat hij actief met de VNG in gesprek gaat? Het kabinet gaat in gesprek met gemeenten. Dat gaan we doen. Er lopen verschillende trajecten om het gemeentelijke armoede-, schulden- en re-integratiebeleid te vereenvoudigen, zoals het programma Participatiewet in Balans en het Nationaal Programma Armoede en Schulden. De minister van Werk en Participatie — daar zit ik nu voor te praten, dus die gaat het straks nog een keer zelf zeggen, denk ik — streeft ernaar om de Kamer voor de zomer te informeren over de voortgang rondom het re-integratiebeleid. Over het NPAS, het Nationaal Programma Armoede en Schulden, heeft u op 10 maart van mij een rapportage ontvangen. In deze brief is onder meer aangegeven dat in overleg met de VNG en gemeenten wordt gewerkt aan de vereenvoudiging, waarvoor mevrouw Biekman pleitte.

De voorzitter:

Even wachten. Heeft u nog veel vragen?

Minister Vijlbrief:

Nee, nee, nee! Ik ben bijna klaar.

De voorzitter:

Maakt u het dan maar even af.

Minister Vijlbrief:

Voor de gemeentelijke schuldhulpverlening is de basisdienstverlening reeds afgesproken. De Kamer wordt begin 2027 door mij daarover geïnformeerd.

Mevrouw Biekman (D66):

Ik wilde alleen een compliment geven aan het kabinet en aangeven dat ik zeer tevreden ben met deze toezegging. Dank daarvoor.

De heer Hamstra (CDA):

Ik wil de minister ook in herinnering roepen dat er vorig jaar april een motie is ingediend in deze Kamer door de leden De Kort en Inge van Dijk. Die roept ook op tot een vereenvoudiging en een basisniveau van de minimaregelingen bij de gemeenten. Kunt u dit aspect in gesprekken met de gemeenten meenemen, zodat de motie in uitvoering wordt gebracht?

Minister Vijlbrief:

Het is altijd gevaarlijk om ja te zeggen als je de motie niet precies meer kent, maar ik doe het toch maar even. Het klinkt namelijk heel redelijk. Het antwoord is dus ja. Als het niet klopt, ga ik in de tweede termijn nee zeggen. Ik denk dat ik dat rustig kan zeggen.

De voorzitter:

Eigenlijk was de heer Dijk eerst, maar die is weer teruggelopen. We gaan eerst naar de heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Ik heb een vraag over het minimumjeugdloon. In de beantwoording geeft de minister aan dat het kabinet het jeugdloon per 1 januari 2027 zal verhogen. Ik hoor graag van de minister of dat conform de motie-Dassen c.s. is waar hij zelf ook ooit zeer enthousiast over was.

Minister Vijlbrief:

Ik heb hier in mijn tekst staan dat wij per 1 januari 2027 het minimumjeugdloon gaan verhogen voor werknemers van 16 tot en met 20 jaar. Dat zal de toereikendheid van het minimumloon voor jongeren verbeteren. Ik vermoed dat ik daarmee geen antwoord geef op de vraag. Ik denk namelijk dat de heer Dassen wil weten met hoeveel. Aangezien ik niet aan raden doe, moet ik dat even checken. Ik weet het gewoon niet.

De heer Dassen (Volt):

Misschien kan ik de vraag anders stellen, zodat de minister wel antwoord kan geven. Gaat hij uitvoering geven aan de motie-Dassen c.s., om ervoor te zorgen dat het minimumjeugdloon extra verhoogd wordt, dus niet conform het voorstel dat onder het kabinet-Schoof is gedaan, maar juist met een flinke verdere verhoging van de staffel? Uiteindelijk zijn studenten op dit moment namelijk degenen die wel de hogere lasten moeten betalen, terwijl ze daarvoor niet het juiste inkomen krijgen.

Minister Vijlbrief:

Ik ga niet raden; dat is gevaarlijk. Sorry voor de heer Dassen. Ik weet het gewoon even niet. Ik durf gewoon geen ja te zeggen. Ik ben daar niet op voorbereid. Ik dacht dat het schriftelijke antwoord afdoende was. Ik kom hier dus op terug in tweede termijn. Dat is geen onwil, maar ik weet het gewoon niet. Ik ga niet raden.

De heer Dassen (Volt):

Ik wacht rustig op de tweede termijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik kom even terug op de vereenvoudiging van regelingen. Ook ik heb een motie ingediend die is aangenomen. In mijn interruptiedebat met mevrouw Biekman stelde ik dat ik voor vereenvoudiging ben, maar dat dat geen sociale maar een asociale maatregel is op het moment dat je gemeenten verbiedt om wat meer te geven als iemand boven een bepaald inkomen zit terwijl je het basisniveau voor het sociaal minimum landelijk niet verhoogt. Dan wordt het een verkapte bezuinigingsmaatregel en dat wil ik niet. De minister heeft deels al toegezegd daarmee aan de slag te gaan. Mijn vraag is of de minister het met mij eens is dat landelijk niets regelen maar wel de mogelijkheden van regelingen inperken, ook in gebieden waar het leven duurder is, ten eerste een verkapte bezuiniging is en ten tweede dat dat niet de insteek van de minister is.

Minister Vijlbrief:

Dat is helemaal niet mijn insteek. Het is waar dat als je gaat uniformeren het uitmaakt op welk niveau je uniformeert. Volgens mij is dat de kern van de opmerking van de heer Ceder. Als je breed gaat uniformeren en dat op een hoger niveau doet, kost dat heel veel geld. Ik vermoed dus dat de uitkomst hiervan gaat zijn dat je zo veel mogelijk uniformeert, maar wel enige ruimte aan gemeenten laat. Dat zal wel de uitkomst hiervan zijn. Ik geloof dat dit is wat hij betoogt. Het antwoord is dus ja.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Er wordt door het kabinet al veel bezuinigd op SZW. Als dit zo geïnterpreteerd wordt, is er een extra bezuiniging toegezegd. Er vindt namelijk uniformering plaats en er wordt geen ruimte gelaten aan gemeenten, zonder landelijk iets te regelen door ophoging van het niveau van het sociaal minimum. Dat wil ik niet. Dit is iets wat D66 en CDA volgens mij nu naar voren brengen, maar volgens mij is het niet de bedoeling. Volgens mij leidt dit tot een verkapte, extra bezuinigingsmaatregel.

De voorzitter:

Uw vraag?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Mijn vraag is of de minister het met me eens is dat de vereenvoudiging er niet toe mag leiden dat gemeenten minder ruimte krijgen, en dat er geen sprake mag zijn van een verkapte bezuinigingsmaatregel door gemeenten te verbieden om mensen die in een kwetsbare positie zitten iets extra's te geven.

Minister Vijlbrief:

Dat is niet mijn bedoeling. Volgens mij is het ook niet de bedoeling van D66 en het CDA, maar dat moeten ze zelf uitspreken. Als wij hierover in meer detail willen praten, moeten we dat denk ik volgende week in het commissiedebat doen. Dan zal ik mij hier beter op voorbereiden. Volgens mij is het antwoord dat ons hier op geen enkele manier een verkapte bezuiniging te wachten staat. Dat is niet de bedoeling.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik wil even terug naar de stijgende energieprijzen. Ik was vorige week een patatje aan het halen en sprak met de man achter de balie. Ik begon met hem over politiek te praten. Hij zei tegen mij dat zijn energierekening met €250 per maand omhooggaat. Dat gebeurt nu.

Het heeft mij ontzettend verbaasd dat het kabinet zegt: we wachten met dat fonds tot de volgende winter. Er zitten nu al 2 miljoen mensen in zogenaamde energiearmoede. Dat is gewoon armoede en ze kunnen de energierekening niet betalen. Dat zijn 2 miljoen mensen. Die krijgen nu te maken met die stijgende energiekosten. Dit betekent echter ook dat de overheid, net zoals bij brandstof, meer inkomsten krijgt uit btw, uit belastingen. In 2022 werden er ook energietoeslagen toegekend aan mensen met een laag inkomen. Eerst was dat €800 en het jaar daarna €1.300. Vindt deze minister dat de energietoeslag nu heringevoerd kan worden aangezien de inkomsten van de overheid gaan stijgen, bijvoorbeeld door de stijgende gasprijzen?

Minister Vijlbrief:

Deze minister vindt dat niet. Het is een beetje raar om zo over jezelf te praten. Ik vind dat niet; laat ik gewoon even normaal praten. Ik vind dat niet. Wat wij in de brief hebben geschreven, vind ik verstandig. Dat is even los van extra inkomsten. Als die extra inkomsten er zijn, dan zien we die in augustus ook. Ik vind het heel verstandig dat het kabinet nu zegt: laten we even wachten om te kijken wat er precies aan de hand is, want we weten niet hoelang de prijsstijging duurt. Ik zeg tegen de heer Dijk dat het energienoodfonds is bedoeld om mensen met een laag inkomen en hoge energie-uitgaven te helpen op het moment dat de stookkosten enorm oplopen. Daarom koppel ik dat aan "voor de winter".

Ik maak mij eerlijk gezegd ook zorgen over een ander punt: kun je de mensen bereiken die helemaal niet meer stoken omdat ze zo arm zijn dat ze de kachel uitdoen? Dat is een terecht punt, dat ik veel hoor. Ook daar wil ik naar kijken. Maar nu halsoverkop iets gaan doen, lijkt mij echt onverstandig. Wat het kabinet heeft opgeschreven, is verstandig. In augustus maken wij de balans op van de koopkracht. Dan weten we beter wat de prijzen echt doen. Ik zeg tegen de heer Dijk naar aanleiding van zijn vraag over de energietoeslag dat geen enkel instrument dan taboe is. De hele gereedschapskist uit 2022, waar de brief ook naar verwijst, hebben wij nog ter beschikking.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik snap dit niet. Ik snap dit niet als de conclusie van de minister nu al is — hij zei het net zelf — dat er op dit moment al 2 miljoen mensen de kachel niet aandoen omdat zij dat niet kunnen betalen. Dat zijn voor een groot deel dezelfde mensen als de mensen die gebruikmaakten van het energienoodfonds, dat dit jaar afgeschaft is en nu heropgericht moet worden. Als je de conclusie trekt dat die mensen nu al in armoede leven en de kachel niet aandoen omdat ze dat niet kunnen betalen, dan is het toch ontzettend logisch om nu een maatregel te treffen? Nu. Die toeslag kan namelijk nu. Het klopt dat de energiebedrijven ongelofelijk moeilijk deden over dat fonds. Die wilden dat allemaal niet. Dan is het toch geheel logisch dat de overheid nu zegt: we gaan iets doen? De prijzen waren al hoog en we weten dat ze gestegen zijn. Je hoeft geen helderziende te zijn om te weten dat dit langere tijd gaat duren. Deze oorlog is morgen niet voorbij. We zien vooralsnog dag na dag dat de prijzen blijven stijgen. Dan is het toch niet meer dan logisch dat het kabinet zegt: het probleem was er al, het is erger geworden en we moeten nu ingrijpen? Ik vind het onbegrijpelijk dat dat niet het geval is.

De voorzitter:

U had ook een vraag, geloof ik. De minister.

Minister Vijlbrief:

Ik hoorde geen nieuwe vraag. Ik heb net gezegd hoe wij hiertegen aankijken. Zo stelt het kabinet voor het te doen. We hebben hierover volgende week overigens een hele middag een apart debat. Dan zullen we hier heel uitgebreid op terugkomen. Ik vind dit verstandig. Ik heb niet de vooruitziende kracht die de heer Dijk blijkbaar wel heeft om nu te zeggen: ik weet nu al dat dit permanent tot een veel hogere energieprijs gaat leiden. Ik weet dat niet. De heer Dijk kan nu wel ... Ik moet ook niet op hem reageren; dat is verstandiger, dus laat ik gewoon mijn zin afmaken. Ik weet dat niet. Ik vind deze aanpak van het kabinet echt verstandig. Dat meen ik oprecht. We zetten het energienoodfonds klaar voor het moment dat het weer koud wordt en er gestookt moet worden. Ik zeg erbij dat ik mij ook zorgen maak over het structurele punt van mensen die in de winter — we hebben het namelijk over de winter — hun kachel niet aandoen omdat ze bang zijn dat te doen. Ook daar gaan we naar kijken. Dan is de timing die wij ons voornemen helemaal niet raar.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dan concludeer ik dat er nu mensen in energiearmoede leven, dit jaar al en afgelopen winter al, die niets gehad hebben omdat de energiebedrijven geen noodfonds wilden invoeren en dit kabinet te laat was om dat te gaan doen. Dit verbaast me echt. De meneer die ik net noemde en die ik sprak in het cafetaria, spreekt de waarheid, hoor, want die betaalt €250 per maand meer. Die zit nu in de problemen. Dus de reactie "we wachten nog even af" zegt mij alles over het beeld dat het kabinet heeft van de mensen die de rekening de afgelopen winter niet konden betalen en nu weer niet. U kunt nee schudden, maar die meneer in het cafetaria, die €250 per maand meer gaat betalen, zit in de problemen. Jullie kijken daarvan weg en daar begrijp ik helemaal niets van.

Minister Vijlbrief:

De reden dat ik nee schudde, is niet dat ik de zorg niet begrijp. "We wachten nog even af" is echt een te korte samenvatting van het beleid dat we hebben. Het spijt me echt.

De voorzitter:

We gaan naar de heer Hamstra. Ik zie de heer Mulder ook staan, maar ik kondig toch ook alvast maar aan dat we de markt gaan sluiten voor interrupties over dit blok. Als u nog wilt interrumperen, kom dan alvast naar voren, want daarna gaan we schorsen voor de dinerpauze. Maar ik geef nu eerst het woord aan de heer Hamstra.

De heer Hamstra (CDA):

Misschien een hele korte vraag, want ik twijfel of het bij dit blok hoort. Ik heb een vraag over de definitie van armoede. Is dat dit blok of een volgend blok?

De voorzitter:

Het is het laatste blok van de minister. Ik zou uw vraag dus nu stellen.

De heer Hamstra (CDA):

Dan ga ik dat even doen.

Minister Vijlbrief:

Dat is uitlokking, voorzitter.

De voorzitter:

Zeker, zeker.

De heer Hamstra (CDA):

Het is goed dat het even duidelijk is, voorzitter.

In eerste termijn heb ik het gehad over de definitie van armoede. Die is in 2024 herzien en daardoor is, in mijn bewoordingen, het aantal mensen in armoede in één klap van 820.000 mensen naar 540.000 mensen gegaan. Mijn vraag was of die mensen niet de armoede uit gedefinieerd zijn. Dank voor de beantwoording van de minister, maar daarin gaf hij wel aan dat het onder andere te maken heeft met een gebrek aan data. Dat zie ik ook en ik denk dat het CBS, het SCP en Nibud die data ook wel zouden kunnen gebruiken. Mijn vraag aan de minister: welke data ontbreken er concreet om die mensen weer in zicht te krijgen?

Minister Vijlbrief:

Daarmee overvraagt u mij als minister van Sociale Zaken. Dat weet ik gewoon niet uit mijn hoofd. Ik heb me hier niet op voorbereid en daarom kom ik er in tweede termijn op terug.

De heer Hamstra (CDA):

Tot slot, voorzitter.

De voorzitter:

Zeker.

De heer Hamstra (CDA):

Zou u in de tweede termijn dan ook mee kunnen nemen hoe we aan die data zouden kunnen komen en wanneer die beschikbaar zouden kunnen zijn voor deze drie voornoemde instituten? Ik vraag dat, opdat we die mensen zo snel mogelijk in zicht hebben. Ik hoor het graag in tweede termijn.

Minister Vijlbrief:

Ik zeg het nog een keer, voorzitter, maar volgende week is er een commissiedebat Armoede en schuldenbeleid. Misschien …

De voorzitter:

De minister komt er in tweede termijn op terug.

Minister Vijlbrief:

Dat ga ik proberen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ik heb een vraag aan de minister over de koopkracht. De minister is de afgelopen anderhalve maand het akkoord nog eens goed gaan lezen. Hij heeft toen een aantal dingen gezien, waarmee hij het in tweede instantie toch niet helemaal eens is. Dat zou ook het geval kunnen zijn met de koopkracht, want we hadden de afgelopen jaren een afname van de armoede en een toename van de koopkracht. Maar dat is opeens door het aangekondigde beleid van dit kabinet veranderd, want we krijgen minder koopkracht en meer armoede! Is de minister ook van plan om dat opnieuw te gaan bezien, in de ijskast te leggen en daarvoor wel of niet andere wetgeving te maken?

Minister Vijlbrief:

Ik weet niet zeker of de heer Mulder ook in de zaal zat toen we het debat over de regeringsverklaring hadden, maar toen is er een motie van mevrouw Bikker aangenomen. In die motie vraagt de Kamer hier ook naar. Overigens zijn de armoedecijfers weer ietsje aangepast in het Centraal Economisch Plan. In plaats van een stijging van de armoede zien we daar een daling van de armoede. Mij is gezegd dat we daar in augustus bij de augustusbesluitvorming op terugkomen. Zoals vele kabinetten voor ons gaan wij dat dan ook weer doen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dat is hartstikke goed. Betekent dat dan ook dat u opnieuw gaat kijken naar de koopkracht, die met 0,4% afneemt door deze maatregelen, zodat de mensen in het land hun koopkracht weer zien stijgen?

Minister Vijlbrief:

Ik maak hier nog wel een opmerking over, zeg ik ook tegen de heer Mulder. We zitten in een periode — ik had er net een debatje over met de heer Dijk — waarin de prijzen aan het stijgen zijn. Het Centraal Economisch Plan geeft twee scenario's waarin de inflatie nog verder omhooggaat. Dat hangt erg af van hoelang het allemaal duurt. Dus koopkrachtgaranties geven voor volgend jaar … Dit jaar ziet de koopkracht er goed uit, maar ik doe daar nu echt niet aan voor het volgende jaar. Dat gebeurt echt in augustus.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dat is waar, maar dat werd eerder in dit debat ook al gezegd. Er werd toen genoemd dat het een uitvloeisel was van de oorlog in Iran, maar die aanval is pas 28 februari begonnen. Het hele coalitieakkoord is in januari gemaakt en daarom is mijn vraag: waarom hebben de coalitiepartijen en waarom heeft de minister toen hij daarnaar keek, niet gezegd dat het onacceptabel is dat er na jaren een breuk is en dat de koopkracht gaat dalen? Daar kan hij toch niet trots op zijn?

Minister Vijlbrief:

Volgens mij staat volgend jaar het gemiddelde koopkrachtbeeld op nul en dit jaar op 1,4% stijging. Dus in het coalitieakkoord is dat oké.

De heer Ceder (ChristenUnie):

In mijn eerste termijn heb ik een vraag gesteld over het Europees Sociaal Fonds en de Nederlandse vertaling, het NRPP. Er is een tijdje terug een motie aangenomen over dat we dat geld aan de bestrijding van dakloosheid besteden. In de beantwoording wordt aangegeven dat er nog nader zal worden ingegaan op de specifieke invulling daarvan, wat zou betekenen dat mijn motie niet uitgevoerd zou worden. De minister reageert schriftelijk dat de Kamer daar uiteraard bij betrokken wordt. Kan de minister toezeggen dat wanneer de NRPP-plannen uitgewerkt worden, dat eerst ter besluitvorming aan de Kamer wordt voorgelegd, ook met inachtneming van de motie-Ceder? Als we hier namelijk achteraf achteraan moeten, dan lijkt me dat de omgekeerde wereld.

De voorzitter:

Uw vraag is helder. De minister.

Minister Vijlbrief:

U ziet mij kijken. Ik zeg daar op dit moment "ja" op. Het lijkt mij voor de hand te liggen dat de Kamer hierbij betrokken wordt. Als het antwoord "nee" is, dan hoort u dat in tweede termijn. Maar volgens mij is het antwoord daarop gewoon "ja". Dat wordt voorgelegd aan de Kamer.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter, dubbelcheck: alvorens het besluit wordt genomen, wordt het aan de Kamer ter goedkeuring voorgelegd? Ik vraag dit omdat we een heel andere discussie krijgen als het pas aan de Kamer wordt voorgelegd nadat het besluit al genomen is. Dat is een heel andere discussie dan wanneer u het doet met inachtneming van de eerder aangenomen motie.

Minister Vijlbrief:

Het antwoord is nog steeds "ja", maar ik behoud me even het recht voor om het te checken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Op ons punt van de beleggingsrendementen van pensioenfondsen voelen wij ons echt niet serieus genomen. Ik móét dit punt even maken, want de minister heeft geantwoord zonder zelf ook maar de geringste analyse te verrichten. Onze stelling is niet dat onze pensioenfondsen het helaas iets slechter gedaan hebben dan de aandelenindex, maar onze stelling is dat het rendement van de pensioenfondsen tot 2020 nagenoeg synchroon liep met relevante benchmarks, en vanaf dat jaar helemaal niet meer. In mijn speech gebruikte ik inderdaad het voorbeeld van Standard & Poor's en de MSA. Dat was echter niet bedoeld als vergelijking. Voorzitter, ik moet mezelf citeren ...

De voorzitter:

Nou, ik denk dat u gewoon een vraag moet stellen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Nee, dit punt moet echt gemaakt worden!

De voorzitter:

U heeft straks ook nog een eigen termijn. Interrupties hebben we niet gemaximeerd ...

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, voorzitter, ik krijg gewoon geen antwoord en ik moet dit punt maken.

De voorzitter:

Dat begrijp ik. Er komt straks ook nog een tweede termijn. We hebben de interrupties niet gemaximeerd en echt maximaal ruimte gegeven aan de Kamer. We gaan straks schorsen voor het diner. Dan zijn we op de helft van de eerste termijn van het kabinet, terwijl we eigenlijk voor ogen hadden om ongeveer nu de kabinetstermijn af te ronden. We staan interrupties dus toe, maar 30, 45 seconden is de max.

Minister Vijlbrief:

Zal ik helpen, voorzitter?

De voorzitter:

Nou, dat gaan we ook niet doen, zeg ik tegen de minister. Mevrouw Van Brenk heeft het woord voor een interruptie en dan gaat het kabinet over z'n beantwoording.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Goed, voorzitter, ik ga het nog een keer proberen. Wij denken echt dat hier een betere analyse nodig is dan dit simplistische antwoord van de minister. Ik wil aan de minister dus vragen, en desnoods wil ik wel schriftelijk bij hem neerleggen wat wij van hem verwachten, of hij bereid is om te kijken ... De suggestie dat "mevrouw Van Brenk denkt dat het zo is" ... Nee, wij denken dat niet alleen; er zijn meerderen die dat doen. Ik wil dus graag dat de minister ons punt serieus neemt en goed wil analyseren hoe het zit met het rendement van de pensioenfondsen.

Minister Vijlbrief:

Dit was de shortcut die ik probeerde te maken. Ik wilde mevrouw Van Brenk gewoon toezeggen dat ik haar een serieuze brief stuur hierover.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dan maakt de minister mij zomaar gelukkig. Dat kan ook nog!

Minister Vijlbrief:

Mijn doel in het leven.

De voorzitter:

Fijn dat het toch nog kon. Mevrouw Biekman.

Mevrouw Biekman (D66):

Voorzitter, dan hoop ik dat de minister mij ook gelukkig kan maken. Ik had in mijn eerste termijn gevraagd hoe de minister aankijkt tegen de oplossingsrichtingen voor de BES-eilanden. Ik had ook om een toezegging gevraagd of de minister het sociaal minimum in het Caribisch deel van Nederland, net zoals in het Europees deel van Nederland geschiedt, iedere vier jaar kan herijken, of daarnaar kan kijken. Daar heb ik nog geen antwoord op gehad.

Minister Vijlbrief:

Nee, dat klopt. Ik heb daarop hier een antwoord voorliggen. Er is geld gereserveerd voor dat sociaal minimum en het Nibud actualiseert nu al jaarlijks de minimumvoorbeeldbegrotingen van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Men wil van deze begrotingen bouwen aan een leefbaar sociaal minimum. Ik denk dus dat hier staat — maar als mevrouw Biekman mij dat toestaat, zal ik het nog even checken — dat het antwoord "ja" zou kunnen zijn, dat we dat willen herijken. Maar als herijken betekent verhogen … Dat is hier een beetje het probleem. Ik weet niet of dat nou hetzelfde is. Daarom ben ik even voorzichtig.

De voorzitter:

Vervolg.

Mevrouw Biekman (D66):

Dan geef ik de minister nog even ruimte om er in de tweede termijn op terug te komen.

Minister Vijlbrief:

Ja, graag.

De voorzitter:

Mevrouw Moinat en dan tot slot mevrouw Lahlah.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank, voorzitter. Ik wil toch even vooruitlopen op het debat van volgende week. Dan hebben we inderdaad een armoededebat. Ik wil toch even bij de minister neerleggen dat chronisch zieken en gehandicapten die stroom, warmte en warm water nodig hebben meestal ook een laag inkomen hebben. Gaat de minister hier wel iets voor doen, zorgen dat de beademingsapparatuur van deze mensen het blijft doen, dat domotica het blijft doen en dat tilliften het blijven doen? Kunnen deze mensen wel in aanmerking komen hiervoor?

Minister Vijlbrief:

Het antwoord is denk ik ja. Het kabinet heeft ook extra geld voor chronisch zieken gereserveerd in het regeerakkoord. Ik denk dus dat het korte antwoord ja is. Graag kom ik daar dan meer in detail op terug in het debat volgende week.

De voorzitter:

Vervolgvraag.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik zou de minister toch willen vragen om hier alvast in de tweede termijn op terug te komen.

Minister Vijlbrief:

Dat kan ook. Dat is prima. Maar volgens mij is het antwoord gewoon ja.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

We hebben het net gehad over de toegang tot het energienoodfonds en de regelingen die er daarvoor zijn, dus daar ga ik niet verder op in. Ik ben wel benieuwd hoe het staat met de plannen van dit kabinet rondom de proactieve dienstverlening. De begroting zegt zelf dat er een heleboel ingewikkelde wetgeving is en regels zijn waardoor er heel veel niet-gebruik is. Ik denk dat het zeker met de stijgende kosten van het leven goed zou zijn als het kabinet daar vaart mee maakt, dus ik ben benieuwd hoe het daarmee staat.

Minister Vijlbrief:

Als mevrouw Lahlah het goedvindt, gaat de minister van Werk en Participatie daarop in.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dan kan hij zich alvast voorbereiden op die vraag.

Minister Vijlbrief:

Dat zit hij nu te doen, volgens mij.

De voorzitter:

Ik had eigenlijk aangekondigd dat de markt ging sluiten en toen heb ik gezegd dat de markt gesloten was. Meneer Neijenhuis, nog één vraag in enen en dan gaan we schorsen voor het diner.

De heer Neijenhuis (D66):

Dat is dan een vraag waar misschien in de tweede termijn wat breder op teruggekomen kan worden. Het blokje arbeidsmigratie, daar heb ik flink wat vragen over gesteld.

Minister Vijlbrief:

Dat heb ik nog hier liggen. Ik was nog niet helemaal door mijn tekst heen.

De heer Neijenhuis (D66):

Dan is het misschien handiger om de minister gewoon zijn beantwoording af te laten maken.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. Ik ben er bijna, als u het mij toestaat. Ik wil nog iets tegen mevrouw Patijn zeggen, omdat zij een vrij uitgebreide vraag stelde over een overzicht over de inkomens, de inkomensnota, en ik heb nog heel kort iets over arbeidsmigratie.

De voorzitter:

Oké.

Minister Vijlbrief:

Dank, voorzitter. Dan ga ik daarmee afsluiten.

Mevrouw Patijn vroeg hoe ik naar de inkomensverdeling kijk en of ik een inkomensnota wil maken. Ik wil eigenlijk aan mevrouw Patijn vragen of zij mij de ruimte zou willen geven om daar even over na te denken. Er komt sowieso een brief over het stapelen van maatregelen, maar zij gaat verder dan dat. Zij zegt dat zij eigenlijk gewoon een visie wil — althans, zo begreep ik de vraag — op de inkomensverdeling. Ik wil even nadenken over in welke vorm ik dat het beste kan doen, dus ik vraag eigenlijk aan mevrouw Patijn belet om haar hier later schriftelijk antwoord op te geven.

De voorzitter:

En dat mevrouw Patijn nu naar voren loopt, kan ik me dan wel weer voorstellen. Mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Visie is altijd mooi. Daar ben ik altijd groot voorstander van. Wij zijn in de commissie Sociale Zaken ook nog een slag aan het maken over wat we precies willen, dus ik denk dat daar de brede vraag vandaan komt. En dan krijgt u de opdracht van de commissie, dus heeft u niet veel keuze meer.

Minister Vijlbrief:

Nog mooier.

Ik sluit met het onderwerp arbeidsmigratie. Dat is een van mijn speerpunten voor de komende tijd. Ik maak mij vooral, om het even kortweg te zeggen, zorgen over sectoren waar misstanden hardnekkig blijven bestaan. Het kabinet heeft in het regeerakkoord aangegeven als stok achter de deur de mogelijkheid te zien om een uitzendverbod in te zetten. Ik zou daar één sector in het bijzonder willen noemen en dat is de vleessector. Daar zijn de misstanden hardnekkig en wijdverspreid. Er wordt daar winst gemaakt over de rug van kwetsbare mensen en dat vind ik onacceptabel. Wat ik daar zal doen, is heel binnenkort — dat wil de sector ook graag — met hen spreken hierover, maar dat gesprek vindt wel plaats onder het beslag van een mogelijk uitzendverbod — ik zeg maar hoe het is — omdat het daar al lang niet goed gaat.

Verder heb ik nog allerlei bespiegelingen en filosofieën over arbeidsmigratie, maar ik denk dat de voorzitter mij dat niet gaat toestaan, tenzij de heer … Nee, dat is uitlokking.

De voorzitter:

Nee, dat lijkt mij geen goed idee.

Minister Vijlbrief:

Nee. Ik zeg niks meer.

De voorzitter:

Lijkt mij geen goed idee. Als er geen vragen meer zijn, stel ik voor dat we drie kwartier gaan schorsen voor de dinerpauze. We schorsen tot ongeveer 20.35 uur en dan gaan we verder met de beantwoording van de minister van Sociale Zaken, die ook vier blokjes heeft.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn, van de zijde van de minister van Werk en Participatie. Ik vraag hem daarbij om ook even zijn blokjes met ons te delen.

Minister Aartsen:

Ik begin met een blokje inleiding, voorzitter. Daarna heb ik een blokje werk en participatie. Re-integratie, taaleisen, de Participatiewet en nieuwkomers zitten daar ook in. Het tweede blok gaat over zelfstandigen. Het derde blok gaat over ziekte en weer aan het werk gaan. Daar zitten onder andere ook de Wajong en loondoorbetaling bij ziekte in. Het laatste blokje gaat over kinderen, kinderopvang en de kindregeling.

Het is rustig in de zaal.

De voorzitter:

Er maar één tijd en dat is "op tijd". Ik stel dus voor dat we gewoon gaan beginnen.

Minister Aartsen:

Dat is goed, voorzitter. Ik had natuurlijk een prachtige startspeech met mijn totaalvisie op werk en participatie, die ongeveer een uur zou duren. Ik denk echter dat het verstandig is dat ik die even naar de zijkant schuif. Ik zal die wel een keer doen bij een lezing. U krijgt allemaal een uitnodiging. Ik zal me eventjes met een korte introductie — dat wel natuurlijk, voorzitter — richten op de vragen die zijn gesteld tijdens het debat. Gezien het tijdstip denk ik dat dat verstandig is.

Voorzitter. We hebben inderdaad, samen met de minister van SZW, al best een tijd gesproken over de sociale zekerheid en de houdbaarheid en toekomstbestendigheid daarvan. De houdbaarheid, betaalbaarheid, maar ook toekomstbestendigheid van de welvaart die we in Nederland met elkaar hebben, zijn natuurlijk breder dan alleen maar de uitgaven ten aanzien van de sociale zekerheid. Die zijn breder dan alleen maar financiële houdbaarheid. Het gaat er ook om hoeveel mensen er werken in Nederland en of iedereen bijdraagt en meedoet om die welvaart overeind te houden met elkaar. We hebben als Nederland namelijk een enorme, ongekende welvaart. We zijn een krachtig en sterk land, maar in een sterk land doet iedereen mee en draagt iedereen bij. We laten dus ook niemand aan de kant staan.

Het is eigenlijk mijn belangrijkste taak als minister van Werk en Participatie om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen aan het werk gaan, aan het werk blijven, opnieuw aan het werk komen en meedoen in onze samenleving. Dat is ook oprecht mijn overtuiging. Zoals ik al zei, denk ik dat het goed is voor een sterk land dat mensen mee kunnen doen en aan het werk kunnen. Ieder mens kan iets. Ieder mens heeft talenten, passies en dromen. Geen mens wordt beter van thuisblijven, op de bank zitten of aan de kant blijven staan. We kunnen het ons als land ook niet permitteren om mensen aan de kant te laten staan. Willen wij die ongekende welvaart in ons land de komende tijd, waarin er ongetwijfeld heel veel spanningen en andere wiebeligheden op ons af gaan komen, behouden, dan hebben we iedereen nodig. Iedereen zal dan zijn of haar bijdrage moeten leveren aan ons mooie land, hoe klein die bijdrage ook is. Je gunt het mensen ook om te werken. Werken is veel meer dan alleen maar iedere maand geld op je bankrekening krijgen. Werken is voldoening, trots, ergens aan bij kunnen dragen, ergens bij horen, sociale contacten, en, als het goed is, ook ontwikkeling, ergens beter in worden, en meedoen. Om mensen aan de slag te kunnen helpen, moeten we als kabinet, samen met de Kamer, serieus aan de slag. We hebben namelijk iedereen keihard nodig voor de houdbaarheid van onze welvaart, nu en in de toekomst.

Daarom zet het kabinet er volop op in om mensen zo veel mogelijk mee te laten doen, om mensen zo veel mogelijk te laten werken waar dat kan. Ik wil een sociaal stelsel waarbij werken de basisoptie is, waarbij meedoen de basishouding is, waarin we ruimte bieden als mensen willen werken, waarin we belemmeringen weghalen als zij tegen dingen aan lopen, waarin we ook streng durven zijn wanneer dat nodig is. Mensen hebben zelf immers een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan ons land.

Ik zei het net al: ik gun mensen werk, maar we hebben ook iedereen keihard nodig. We hebben te maken met arbeidsmarktkrapte. Dit geldt voor de begroting van Sociale Zaken, maar dit geldt bijvoorbeeld ook voor de begroting van Defensie, voor de politie, voor de zorg en voor de energietransitie. Dit geldt voor alle ambities die we als land hebben. We moeten behouden wat we hebben, maar misschien moeten we zelfs nog wel meer doen. Daar hebben we mensen voor nodig. Dat is op dit moment misschien wel een van de grootste knelpunten. In al die sectoren, de zorg, het onderwijs, de techniek, de kinderopvang, politie, Defensie, is de arbeidsmarktkrapte namelijk ontzettend groot. Die is soms zelfs zo groot dat het al die ambities belemmert. Daarom is niks doen wat mij betreft geen optie. Als we met die tekorten blijven zitten, dan komen we uiteindelijk op een andere plek in de problemen. Daarom moeten we er echt voor zorgen dat iedereen mee gaat doen en dat iedereen daaraan bij gaat dragen door middel van werk.

Voorzitter. Als je dan kijkt naar de cijfers, dan zie je dat daar kansen liggen, maar dat het tegelijkertijd ook best een uitdaging gaat worden om dit te doen. We zien aan de ene kant groepen mensen die graag zouden willen werken, die graag meer uren zouden willen of kunnen werken, terwijl ze op dit moment een uitkering hebben. Als je naar de CBS-cijfers kijkt, dan zie je dat het CBS erop wijst dat op dit moment meer dan een miljoen mensen in het bakje "onbenut potentieel" zitten. Deze mensen zouden dus ook best kunnen en willen werken of meer uren willen werken. De uitkeringsstatistieken laten daarentegen zien dat op dit moment 1,4 miljoen mensen een uitkering ontvangen in dit land. Die groepen overlappen elkaar. Maar eigenlijk moeten we verder kijken dan alleen naar die cijfers. We moeten verder kijken dan alleen naar wat er staat. Wat zit daarachter? Daar zitten mensen achter die in de praktijk wel willen werken, maar dat misschien niet kunnen omdat ze tegen gezondheidsproblemen aan lopen, omdat ze met zorgtaken te maken hebben of omdat ze simpelweg niet vooruitkomen in het stelsel; minister Vijlbrief zei daar net al het een en ander over. We moeten ons dan ook realiseren dat de uitdaging om mensen zo veel mogelijk te laten werken en mee te laten doen, niet eenvoudig zal zijn. Immers, als mensen al hadden kunnen werken zonder hulp, hadden ze dat waarschijnlijk allang gedaan met de huidige arbeidsmarktkrapte.

Voorzitter. Juist dat is voor mij een enorme motivatie om hiermee aan de slag te gaan. We kunnen ons er simpelweg niet bij neerleggen dat mensen niet meer kunnen werken of niet meedoen. Dan schrijven we in mijn ogen mensen af, en dat moeten we nooit accepteren. Mijn overtuiging is dat iedereen iets kan. Ik zei het net al: iedereen heeft talenten, dromen, passies en overtuigingen. Iedereen kan, hoe klein misschien ook, zijn of haar bijdrage leveren aan ons mooie land. Aan mij als minister van Werk en Participatie, en ik denk aan ons allemaal, om ervoor te zorgen dat de mensen achter die cijfertjes die ik net noemde ook een bijdrage gaan leveren en kunnen gaan leveren aan Nederland.

Voorzitter, met uw goedkeuren wil ik ingaan op de volgende vier blokken, die ik net al noemde. Ik zal eerst iets zeggen over werk en participatie, vervolgens over zelfstandigen, daarna over ziekte en tot slot over de zorg voor kinderen.

Voorzitter. Ik begin bij de Participatiewet. Ik sta voor een arbeidsmarkt waarin iedereen kan werken en, waar dat kan, ook op een passende plek. Het is verstandig is dat we stoppen met denken in beperkingen en vooral kijken naar wat mensen wel kunnen. Daar moet ook de juiste ondersteuning bij gezocht worden. Als dat niet lukt met regulier, betaald werk, dan moeten we zorgen voor een duidelijk en ook begrijpelijk vangnet.

In de eerste termijn heeft de Kamer een aantal vragen gesteld over hoe het kabinet aankijkt tegen de bijstand als eigenlijk een permanent eindstation, in plaats van als een regeling die mensen optilt. Zou de bijstand niet strakker gekoppeld moeten worden aan werk en meedoen? Dat was een van de vragen. Wat mij betreft mag de bijstand nooit een eindstation voor mensen zijn. Werk is in deze regeling echt het uitgangspunt en waar haalbaar ook het doel. Daar staat echter wel iets tegenover. De huidige populatie in de bijstand laat als realiteit zien dat je je bij grosso modo een derde kunt afvragen in hoeverre richting betaald werk gaan een mogelijkheid is. Ik vind dat wij de verantwoordelijkheid hebben om dat te durven benoemen, zonder die mensen af te schrijven. Er zitten een aantal dingen in ons systeem ... Neem de Wajong. Je wordt afgewezen, terwijl structurele arbeidsongeschiktheid niet is vastgesteld. Er zijn mensen die in het recente verleden zeer kort of zeer beperkt hebben gewerkt, waardoor ze geen of onvoldoende recht hebben op de WIA. Die mensen komen uiteindelijk ook in de bijstand terecht. Ik vind dat we de verantwoordelijkheid hebben om te kijken wat we met die groep kunnen doen, aan de ene kant om die mensen van een goed vangnet te voorzien en aan de andere kant om ze niet af te schrijven maar te kijken hoe ze een bijdrage kunnen leveren, hoe ze kunnen meedoen in onze samenleving.

Dat is de reden waarom dit kabinet aan de slag wil met een langetermijnhervorming van het arbeidsongeschiktheidsstelsel in de breedte, want daar begint het probleem. In de tussentijd gaat het ook nadenken over hoe de Participatiewet eruit gaat zien. Wat doen we nou met specifieke groepen in de Participatiewet? Aan de ene kant willen we geen stelsel waarin mensen aan de kant worden gezet. Aan de andere kant willen we een stelsel dat past bij de mensen die gebruikmaken van dat stelsel. Dat zal de komende tijd een belangrijke stap worden om te zetten.

Dat ten aanzien van de vragen over de Participatiewet.

De voorzitter:

Dan ...

Minister Aartsen:

Dit is nog wel het eerste blok, maar gelet op de ervaringen die we daarnet hadden, misschien ...

De voorzitter:

Wat ik wel ga doen, is het maximeren van het aantal interrupties: in drieën en vier keer. Dan doen we dus net alsof we in de hele termijn van de eerste minister allemaal maar één keer iets in drieën gezegd hebben. Ik denk dat we dan een hele goede deal hebben gesloten met elkaar. Dan hebben we er nu vier in drieën.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dan toch een punt van orde. Iedere keer wanneer mijn blokje aan de beurt is, worden we ineens gemaximeerd. Kunnen we de interrupties niet gewoon kort en bondig houden? Dan kunnen we gewoon alle vragen stellen die we willen.

De voorzitter:

Twintig seconden? Is dat een goede deal?

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik ga m'n best doen.

De voorzitter:

Nee, maar ik zie nu ook alweer iemand non-verbaal de andere kant op bewegen om duidelijk te maken dat het misschien niet zo'n goed idee is. We hebben heel veel ruimte gelaten. Het oorspronkelijke idee was om vijf interrupties in drieën te doen voor de hele eerste termijn van het kabinet. Ik stel nu voor om daar voor de termijn van de minister van Werk en Participatie vier van te maken. Dat lijkt mij heel schappelijk. Dan hebben we er allemaal eentje gebruikt voor de eerste minister en dan hebben we er nu vier in drieën over.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik ga toch nog een poging wagen om te gaan voor korte en bondige interrupties. Dit gebeurde namelijk ook in de eerste termijn. Wij zijn met drie woordvoerders. De blokjes komen aan het einde, dus dat betekent dat er aan het einde gemaximeerd wordt. Ik kan nu nog niet voorspellen hoeveel interrupties ik ga doen. Ik zou me wel willen houden aan kort en bondig.

De voorzitter:

Zullen we het gewoon even aan de Kamer vragen? De heer Flach.

De heer Flach (SGP):

Ik steun mevrouw Lahlah daar wel in. Dit gaat om een begroting die een kwart van de rijksbegroting beslaat. Ik vind het niet gek als we dit gewoon degelijk bediscussiëren. Ik vind ook dat de bewindspersonen daar recht op hebben. Zij hebben een week gewacht op dit debat met ons; die kijken daarnaar uit. Dat moeten we ze ook niet ontnemen, denk ik.

De voorzitter:

Ja, die hebben er reikhalzend naar uitgekeken. De heer Dassen.

De heer Dassen (Volt):

Daar sluit ik me volledig bij aan. Ik denk dat de ministers dat ook prettig zouden vinden. Gezien de snelheid van de eerste ronde denk ik dat de tweede ronde ook snel kan.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik kan me daar ook bij aansluiten.

De heer Hamstra (CDA):

Kort en bondig is prima.

De voorzitter:

Kort en bondig is prima. De heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

We moeten de ministers niet tekortdoen. Ik vind ook dat die veel ruimte moeten hebben.

De voorzitter:

Ja, we gaan de ministers niet tekortdoen. Daar hebben ze recht op.

Minister Aartsen:

Hij komt er nog op terug, heeft hij beloofd.

Mevrouw Biekman (D66):

Ook ik steun het verzoek van mevrouw Lahlah.

De voorzitter:

Dan kan ik niet anders dan u de ruimte te geven. We gaan het dan wel bij twintig seconden houden en dan zijn ze gratis.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Dan kom ik bij mijn eerste vraag. Ik ben blij om te horen dat de minister gaat kijken naar de groep die eigenlijk niet terugkomt in de Participatiewet, de groep chronisch zieken en mensen met een arbeidsbeperking. Dit werd vorig jaar ook al door de staatssecretaris aangegeven. Hoe staat het daarmee? Hoever is men? Is men in ieder geval begonnen met nadenken over hoe men dat gaat vormgeven?

Minister Aartsen:

Dat denken maakt natuurlijk onderdeel uit van een breder traject. Daar gaan we natuurlijk mee door de komende tijd. Ik denk dat het belangrijk is om dat te doen en om te kijken hoe je die groep gaat vormgeven. Nogmaals, ik benadruk wel dat die balans denk ik verstandig is. Aan de ene kant wil je erkennen dat die groepen in de bijstand zitten en dat het reguliere bijstandsregime niet automatisch past. Aan de andere kant — dat zeg ik er ook gelijk bij — gaan we niet met elkaar accepteren dat we die mensen dan vervolgens maar aan de kant zetten en daar niets mee doen. Dat vind ik ook niet helemaal fair. Dat past ook niet in mijn beeld van hoe je naar een sociale regeling kijkt.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Heel kort en bondig. Is dat denkproces al in gang gezet of moet men nu pas, na een jaar, beginnen?

Minister Aartsen:

Mensen blijven altijd doorgaan met denken, dus dat zal ongetwijfeld zo zijn doorgegaan. Laat mij anders toezeggen dat ik volgende week in het debat terugkom op hoe dat proces eruitziet. Ik snap namelijk wel dat mevrouw Lahlah wil weten wanneer ze dat kan verwachten. Ik kom volgende week in het debat terug op hoe dat proces eruitziet.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Volgens mij beschreef de minister net best wel helder welke groepen mensen nu niet aan het werk zijn terwijl zij dat wel goed zouden kunnen, wie daar begeleiding bij nodig hebben en voor wie het misschien niet direct haalbaar is om morgen een betaalde baan te hebben. Dat wekt bij mij interesse in hoe deze minister tegen het gegeven aankijkt dat er al heel lange tijd plannen zijn voor het uitbreiden van de sociaal ontwikkelbedrijven. Daar zijn tienduizenden banen mogelijk die er juist voor zorgen dat de groep die begeleiding nodig heeft later wellicht ook een reguliere baan kan hebben. Als we het dan echt hebben over deelnemen, over participatie en over mensen niet aan de kant laten staan en in de bijstand laten zitten, dan is dit een goede oplossing om dat voor elkaar te krijgen.

Minister Aartsen:

Ja. Tegelijkertijd komen we dan wel weer op dezelfde balans: je wil mensen volledig laten meedoen en niet aan de kant zetten. Deze ontwikkelbedrijven bieden daar mooie kansen voor. Beschut werk is wat dat betreft een fundamenteel en ook een principieel punt. Als werkgever hoor je ook ruimte te maken voor mensen die misschien niet automatisch de wind mee hebben in het leven, zeg ik maar even. Dat hoort ook bij. Ik denk dat dat ook breed onderdeel uitmaakt van de vraag hoe je met een groep omgaat die op dit moment in de bijstand zit en waarvan je zegt: de kans dat deze mensen 40 uur op een bouwsteiger gaan staan binnen nu en een week, achten we vrij klein. Ik denk dat het antwoord ergens in het midden zit. Laatst hebben we een aantal forse investeringen gedaan in sociale werkplaatsen en sociaal ontwikkelbedrijven. We moeten goed kijken hoe dat gaat oplopen als het gaat om beschut werk. Waar is ruimte voor? We zijn natuurlijk ook aan het nadenken over een nieuwe banenafspraak. Daar kan dit ook onderdeel van uitmaken.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik zal in de tweede termijn … Er liggen volgens mij al een paar amendementen van mij met concrete voorstellen, want er horen ook centen bij. Het zijn eigenlijk relatief lage bedragen waarmee we tienduizenden mensen die nu aan de kant staan en in de bijstand zitten bij sociaal ontwikkelbedrijven aan het werk kunnen krijgen. Gemeenten vragen hier al jaren om. De vereniging van sociaal ontwikkelbedrijven vraagt hier al jaren om. Werkgevers, met name het midden- en kleinbedrijf en vakbonden, vragen hier al jaren om. Daarom vraag ik: waar wacht het kabinet eigenlijk op? Ik zie dit niet in het regeerakkoord staan, terwijl het een relatief simpele investering is die het leven van mensen veel beter kan maken en hen ook onderdeel kan laten uitmaken van onze werkzame samenleving.

Minister Aartsen:

Dit kabinet zit nu 23 hele dagen. U kunt ons veel verwijten, maar niet dat we aan het wachten zijn. Dat wil ik dus toch wel even rechtzetten. Op dit moment kijken wij naar die doelgroepen. Ik denk dat dat verstandig is. Geef ons daar even de ruimte voor, zeg ik maar even. We hebben die ambitie als het gaat om werk en meedoen; ik heb net geprobeerd om die te verwoorden. Ik wil kijken hoe we de verschillende instrumenten daarvoor kunnen inzetten op een goede manier.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Er wordt de hele tijd gesproken over groepen in de bijstand. Even kijken of we het over dezelfde groepen hebben. Er zijn iets meer dan 400.000 mensen die gebruikmaken van de bijstand. 70% van alle volwassen Somaliërs zit in de bijstand. 50% van de Irakezen en de Eritreeërs zit in de bijstand. Meer dan de helft komt van buiten Europa. Kan de minister aangeven waarom wij daar blij mee moeten zijn en waarom dat een verrijking is voor onze samenleving?

Minister Aartsen:

Daar moeten we niet blij mee zijn. Dat is ook zeker geen verrijking. Mensen die hier komen, horen een bijdrage te leveren aan dit land. Dat doen we door middel van betaald werk. Ik kom daar zo gelijk op terug, als het gaat over inburgering en het meedoen van nieuwkomers.

Mevrouw Biekman (D66):

Ik heb even een vraag ter verduidelijking aan de minister over de beschutte werkplekken. De wachtlijsten voor deze werkplekken zijn enorm lang. Ik vraag me dus af: hoe kijkt de minister hiertegen aan? Ik hoor wel zijn appreciatie over de beschutte werkplekken, maar wat gaan we doen aan die wachtlijsten?

Minister Aartsen:

Als we echt diep een debat over beschutte werkplekken ingaan, moet ik daar in de tweede termijn even dieper op terugkomen. We hebben een stukje mondeling beantwoord. Het ging voorlopig echt even over vragen, met name van mevrouw Lahlah, ten aanzien van de Participatiewet en de groep die daarin zat. Als we dat debat gaan hebben: graag, maar dan zorg ik even dat we daar wat betere antwoorden op kunnen geven.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Het gaat over zo veel mogelijk mensen aan het werk krijgen en aan het werk houden. Ik had een vraag gesteld waar ik geen antwoord op gekregen heb, dus ik ben nog heel benieuwd hoe de minister daartegen aankijkt. Mijn opmerking was: zouden we niet eerst moeten beginnen met mensen die niet met pensioen willen, die graag willen doorwerken? Tot nu toe is er namelijk een functioneel leeftijdsontslag in de cao. Het eindigt gewoon, dus, kortom, wat is de visie van de minister?

Minister Aartsen:

Het functioneel leeftijdsontslag staat volgens mij op gespannen voet met de visie op werken en doorwerken zoals ik die schets. Tegelijkertijd geeft mevrouw Van Brenk, die natuurlijk meer ervaring in de polder heeft dan deze minister, aan dat dit ook in cao's wordt opgenomen. Dat zorgt er ook voor dat ik een bepaalde terughoudendheid dien te hebben over wat er in cao's opgenomen dient te zijn. Dat is ook de reden dat minister Vijlbrief en ik graag met de sociale partners in gesprek willen. Ik zeg er zo meteen nog wat over, als het gaat over van werk naar werk gaan, maar uiteindelijk wil je dat iedereen zo maximaal mogelijk meedoet. Dan moeten we alle beperkingen en belemmeringen wegnemen die daar een onderdeel van zijn. Daar mogen we natuurlijk ook de sociale partners op aanspreken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Begrijp ik dan dat de minister openstaat voor het idee dat we het eigenlijk met z'n allen, dus ook werkgevers, zouden moeten stimuleren als mensen graag vrijwillig zouden doorwerken? Zouden we dat moeten toekennen?

Minister Aartsen:

In algemene zin ben ik het daar zeker mee eens. Daar zijn natuurlijk twee nuances bij te plaatsen. Als er functionele eisen zijn waardoor leeftijd mogelijk een beperking zou kunnen zijn, begrijp ik natuurlijk dat je daar wat terughoudend in bent. Dat kan ik me in sommige beroepen voorstellen. Ik ben het echter zeker met mevrouw Van Brenk eens dat dit in algemene zin van belang is. Laat mij anders toezeggen aan mevrouw Van Brenk dat ik in de gesprekken met de sociale partners, die we hopelijk snel gaan hebben, ook dit punt in zal brengen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik ben blij met die toezegging. We hebben bij de rechters die heel graag door wilden werken gezien dat we dat met z'n allen hebben kunnen honoreren, dus wat mij betreft zouden we dat zeker moeten stimuleren als mensen dat zouden willen. Dank voor de toezegging.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Aartsen:

Dan ga ik naar taal. In de slipstream neem ik gelijk eventjes de discussies mee over inburgering en over nieuwkomers aan het werk.

Er zijn een aantal vragen gesteld over taaleisen. Ik denk dat het goed is om erbij te zeggen: we spreken in mijn domein over een drietal taaleisen. We hebben op dit moment een taaleis in de bijstand, vergelijkbaar met het niveau A2. We hebben een taaleis in het inburgeringsstelsel, namelijk B1, de standaardroute. Er is ook sprake van een taaleis die formeel zit op het terrein van de collega van Justitie en Veiligheid. Dat gaat om het naturalisatiestelsel. Daar zijn een aantal vragen over gesteld.

Laat ik er duidelijk over zijn. Op dit moment maakt de taaleis onderdeel uit van de Participatiewet. Op dit moment voeren wij gesprekken met gemeenten over de vraag hoe je het zo goed als mogelijk kunt optimaliseren. Dat betekent aan de ene kant dat het uitvoerbaar moet zijn. Er zijn een paar belemmeringen voor gemeentes om dat goed te kunnen toepassen in hun beleid en in de gesprekken die zij met mensen hebben. Aan de andere kant heb je natuurlijk — terecht, denk ik vaak — het punt: hoe zit het nou met de handhaving ervan? Als we iets in de wet zetten, dan moeten de mensen er namelijk ook van uit kunnen gaan dat mensen zich aan die wet houden en dat die wet leidend is. Het is beginsel een taak van gemeenten om de taaleis in de bijstand uit te voeren. De gemeenteraad houdt daar primair toezicht op. In een uiterste geval kan het Rijk optreden, met als ultiem gevolg een korting op het bijstandsbudget. Dat kan echter pas na bestuurlijke gesprekken en het aankondigen van optreden tegen het niet tot uitvoering brengen van de taaleis. Dat is de escalatieladder; zo noemen we dat. Op dit moment werken we met de gemeenten aan de taaleis en dus ook aan de handhaving daarvan. Nogmaals, als iets in de wet staat, dan moet dat ook worden uitgevoerd. In april stuur ik u een brief over hoe wij omgaan met de taaleis in de Participatiewet. Dat zeg ik u graag toe.

De heer Ceulemans (JA21):

Het gaat even over de handhaving door gemeenten. De minister zegt: daar is een escalatieladder voor en dan gaan we eerst in gesprek. Maar waar staan we dan nu op die escalatieladder bij de gemeenten die al een jaar geleden, nota bene openlijk in de krant, hebben aangegeven dat zij die eis niet handhaven omdat zij daar principieel tegen zijn? Het lijkt me dat we dan al vrij ver op die escalatieladder staan.

Minister Aartsen:

Wij zijn nu in gesprek met gemeentes over hoe je die taaleis goed kunt handhaven. Dat zijn die gesprekken. Nogmaals, in april informeer ik u daar graag over. Dan weten we ook waar we exact staan. Mevrouw Michon heeft daar tijdens het wetgevingsoverleg van vorige week maandag een aantal goede opmerkingen over gemaakt. Zij heeft daar toen zelfs een motie over ingediend. Heel goed. Zij heeft ook aangegeven dat we daar echt wat mee moeten. Mensen moeten ervan uit kunnen gaan dat gemeenten een wet netjes uitvoeren, of het nu gaat om de Spreidingswet of de taaleis in de bijstand.

De heer Ceulemans (JA21):

Dat klopt uiteraard, maar er is nog wel een verschil met "in gesprek gaan met gemeenten over hoe dat goed kan worden uitgevoerd". Als gemeenten zeggen "we lopen in de uitvoering tegen dit en dat aan", "dit loopt in de praktijk niet handig" of "dit is misschien niet goed geregeld", dan lopen zij tegen obstakels aan. Als een gemeente daartegen aanloopt en zegt dat zij daardoor niet goed kan handhaven, dan is het begrijpelijk dat je daarover het gesprek aangaat. Wij hebben echter te maken met linkse gemeenten en met linkse gemeentebesturen die principieel vinden dat iemand jarenlang geen Nederlands mag spreken en dan toch lekker een bijstandsuitkering mag krijgen. Zij willen daar niet op handhaven. Dat heeft niks met gesprekken over de uitvoering te maken. Dat is gewoon pure onwil.

Minister Aartsen:

Dat is onderscheid is, denk ik, terecht. Wij gaan met gemeenten in gesprek over de uitvoering. Dat moet wel eerst netjes op orde zijn. Over linkse gemeentebesturen heeft de kiezer zich gisteren mogen uitlaten. Dat helpt. We zullen afwachten hoe de volgende colleges van B en W eruitzien en dan zullen we ook een beetje gaan kijken hoe het nou gaat met de handhaving van die wetgeving. Dit heeft ook met vertrouwen in de politiek en vertrouwen in de overheid te maken. Nogmaals, als we met elkaar democratisch iets in een wet afspreken — of het nou gaat om de Spreidingswet of de taaleis in de bijstand — dan moeten mensen erop kunnen vertrouwen dat die wet wordt uitgevoerd. Daar gaan we ook op toezien.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, inderdaad tot slot. Ik zou de minister wel willen meegeven om dat onderscheid dan wel te maken. In gesprek gaan over de uitvoering gaat over obstakels. Dat gaat over de praktijk; dat gaat over iets waar gemeenten tegen aanlopen en wat ze bij de minister neer kunnen leggen. Op het moment dat gemeenten in het gesprek dat hij met hen aangaat, aangeven "wij gaan dit gewoon niet doen, want wij hebben geen andere opvatting dan die wij een jaar geleden in de NRC hebben verkondigd", dan is het wat mij betreft meteen einde gesprek. Dan gaan we helemaal niet meer praten over de uitvoering en dan gaan we ook niet een lange escalatieladder beklimmen. Dan hebben gemeenten gewoon op dat moment gezegd "ik heb lak aan de wet", en die gemeenten moeten meteen gesanctioneerd worden.

Minister Aartsen:

We zijn het eens over de splitsing ten aanzien van het bewust niet handhaven. Dan volgen we keurig netjes de escalatieladder zoals ik dat net verwoordde.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Ik heb het net opgezocht, en als ik het goed heb, is de taaleis vanaf 1 januari 2016 wettelijk verplicht. Ik kijk ook even naar de minister. Mocht dat zo zijn, dan zijn we inmiddels tien jaar verder. Is het niet erg laat om dan nu pas dit soort dingen op te leggen en op deze taaleis te handhaven?

Minister Aartsen:

Het is een beetje lullig om weer op de 23 dagen uit te komen in dit debat, maar wij gaan aan de slag met dit beleid. Ik heb net al aangegeven dat er op dit moment gesprekken lopen over hoe je dat kunt verbeteren. Er is natuurlijk een discussie geweest over de taaleis. Uiteindelijk is mede op aandringen van uw Kamer bij de Participatiewet in Balans besloten om die eis in de Participatiewet te laten. We gaan nu in gesprek met gemeenten over hoe we dat gewoon netjes gaan handhaven. Nogmaals, het kan niet zo zijn dat je de ene wet wel uitvoert omdat je die bevalt, terwijl je de andere niet uitvoert. Als wij hier met elkaar een wet maken, dan moet die overal in het land gaan gelden, net als de afspraken die we daarover maken.

De voorzitter:

De minister vervolgt zijn betoog.

Minister Aartsen:

Er is ook nog een vraag gesteld over de taaleis in de inburgering. Daarbij werd door mevrouw Keijzer gesproken over ontheffingen. Ik denk dat het goed is om te melden dat hier in de bijstand geen ontheffingen voor zijn. Ook bij de inburgering is er maar zeer beperkt een ontheffing mogelijk als het gaat om de taaleis; bijvoorbeeld als iemand een aantoonbare beperking heeft. Waar mevrouw Keijzer op doelde, is de toename als het gaat om de Z-route. Daar is veel over te doen. Ik heb in het wetgevingsoverleg ook aangegeven dat we daar nog even uitgebreid op terugkomen, want die aantallen zijn een stuk hoger dan we voorheen hadden verwacht. We zien daarbij natuurlijk wel dat niet wordt ingezet op het taalniveau B1, dat wel de standaard is in het wetsvoorstel, maar dat het taalstreven A1 of hoger is. De tussenevaluatie is inmiddels met u gedeeld. Nogmaals, ik kom nog een keer terug op hoe we met die Z-route zullen omgaan. Ik hecht er wel aan, te melden dat een afgeronde Z-route niet voldoende is om te naturaliseren. Dat is ook een belangrijke opmerking. Daar ging het in de bijdrage ook over. Voor naturalisatie geldt op dit moment een hogere taaleis; dat is nu A2. Dit kabinet heeft in het regeerakkoord de ambitie uitgesproken om die eis te verhogen naar B1.

Voorzitter. Dan nieuwkomers aan het werk. De heer Mulder refereerde daar net al aan. Ik heb in het wetgevingsoverleg over integratie en inburgering ook uitgebreid betoogd dat ik echt aan de slag wil om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen die hier komen en statushouder zijn, aan het werk gaan. Ik denk dat dat echt een belangrijke stap is om te nemen. Op dit moment zien we dat 55% van de statushouders bijstand ontvangt en dat 20% van de mensen in de bijstand statushouder is. Als je kijkt naar de aantallen van mensen die een status hebben ontvangen, zien we dat na drie jaar nog ongeveer 75% in de bijstand zit en dat na vijf jaar meer dan de helft nog steeds bijstand ontvangt. Dat is simpelweg te veel in mijn ogen. Ik denk dat het echt belangrijk is dat als je hier komt, je van harte welkom bent in Nederland, maar ook bijdraagt aan Nederland. We hebben iedereen keihard nodig. Dat betekent ook dat als je hier in Nederland komt en je onderdeel uitmaakt van het inburgeringsstelsel, we gaan zorgen dat je gaat bijdragen en dat je ook aan het werk gaat. Dat betekent dat we daarmee aan de slag gaan.

We hebben op dit moment een aantal goede pilots lopen ten aanzien van de startbanen en we gaan kijken hoe we dat nog een stap verder kunnen brengen, maar uiteindelijk zullen startbanen wat ons betreft echt de standaard moeten gaan worden in het inburgeringsstelsel; dat heb ik eerder ook aangegeven in het debat. Dat betekent ook hier dat werk de basis wordt. Een bijdrage leveren wordt de basis. De snelste manier om taal te leren is volgens mij uiteraard ook in de praktijk, met collega's op de werkvloer en in de kantine. Dat is een hele goede manier om onderdeel te worden van onze samenleving, zowel als het gaat om inburgering en integratie als bij het leren van de taal. Ik ga als minister van Werk hier dan ook een voortrekkersrol in vervullen. Dat geldt ook voor de taskforce die hiervoor is ingericht in het kabinet. We gaan hierop ketenregie voeren. Ik heb dat toegezegd aan mevrouw Lahlah in dit debat. Ik stuur de Kamer hierover nog voor de zomer een brief.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ik zit een jaar of acht in de Kamer, maar vanaf dat ik 16, 17 jaar was en politieke debatten ging volgen, krijgen we dit soort verhalen. Het verhaal is steeds: straks gaat het beter, we gaan nu die proef doen en we gaan dat traject volgen. Het wordt alleen maar erger. 70% van alle volwassen Somaliërs, de helft van de Irakezen en Eritreeërs; is het niet gewoon veel logischer om de grenzen dicht te doen? We hebben het niet over Japanners. We hebben het niet over Chinezen. Het zijn heel specifieke groepen. Waarom doen we de grenzen niet gewoon dicht?

Minister Aartsen:

Volgens mij moeten we op een andere plek bediscussiëren waarom dat een heel slecht idee is. Uiteindelijk wil ik dat de mensen die naar Nederland komen een bijdrage leveren en dat ze aan het werk gaan. Daar gaan we wat mij betreft in de komende kabinetsperiode voor zorgen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Het is nu eenmaal zo — en dat hebben we ook gisteren gezien — dat een heleboel mensen juist niet willen dat die mensen naar Nederland komen. Nogmaals, het betreft heel specifieke groepen. We hebben het niet over mensen uit Zweden of Amerika of wat dan ook. Die landen in Afrika zijn bekend. Die leveren problemen op. Dat komt ook door de cultuur die ze met zich meebrengen. Eerder in dit debat hoorde ik minister Vijlbrief zeggen dat een aantal dingen niet meer draagbaar zijn. Eén ding staat dan als een paal boven water, namelijk dat open grenzen ervoor zorgen dat onze verzorgingsstaat onder water komt te staan. Dus nogmaals de vraag: kunnen we niet gewoon veel beter die grenzen dichtdoen, ook om te beschermen wat we hebben?

Minister Aartsen:

Dit debat ga ik hier niet voeren. Misschien kan de heer Mulder dit vragen aan de voormalige PVV-minister van Asiel en Migratie. Zij heeft misschien het antwoord op die vraag. Ik sta hier als minister van Werk en Participatie met één doel, namelijk om ervoor te zorgen dat mensen aan het werk gaan, en met name mensen die hier binnenkomen, omdat die aantallen veel te hoog zijn. Wij gaan aan de slag om dat voor elkaar te krijgen.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik hoor een paar dingen waar we het uitgebreid over hebben gehad in het wetgevingsoverleg Integratie. Maar goed, het gaat over werk, dus herhaal ik dat hier ook nog maar eens. Om statushouders aan het werk te krijgen, zijn nu startbanen opgestart. Die zijn er in een stuk of tien gemeenten. Daar lijken hele goede resultaten mee behaald te zijn. Dan ligt het voor de hand om dat op te schalen. Ik vraag de minister wat er nou nodig is om dat op te schalen. Ik heb zelf tijdens dat WGO een amendement ingediend. Ik heb daarvoor geld op de begroting gezocht om dat op te schalen. Volgens mij gaat de minister helemaal op het eind in op het amendement, maar ik wil graag van deze minister preciezer weten wat er nodig is om nog steviger met die startbanen aan de slag te gaan dan we nu doen.

Minister Aartsen:

Een paar dingen daarover. Het helpt inderdaad als daar financiële middelen voor vrijgemaakt kunnen worden. Dat was ook de analyse vorige week maandag van mevrouw Michon. Dat is een-op-een het geval. Een tweede is dat wij in het stelsel gaan kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat dat stelsel veel meer gericht is op werk. Nu zie je dat mensen niet werken omdat het niet te combineren is met taal, dat het niet past, dat er verschillende groepen zijn: statushouders met een woning en statushouders in een azc. We willen echt kijken hoe we werk daar centraal kunnen zetten. Wat betreft het amendement is het goed om te zeggen dat we straks nog bij de appreciatie komen. Het amendement zag op het vrij te besteden deel in de begroting, zoals dat er zo mooi stond. Daar moet ik even iets bij zeggen. We zitten inmiddels in het lopende jaar. We spreken vandaag over de begroting van 2026. Daar zitten we dus al in. Mevrouw Michon refereerde aan de middelen in artikel 13. Die zijn overgeheveld van het ministerie van Justitie naar het ministerie van SZW in het vorige jaar. Dat betekent dat het deel waar "vrij te besteden" stond inmiddels is ingeboekt als meevaller. U kent de systematiek van een voorjaarsnota. We gaan dat corrigeren, hopelijk op een manier die bij de volgende begroting past. Maar dat betekent dat ik dat amendement technisch moet ontraden, omdat dat geld er dus niet meer is. Dat is een beetje een ingewikkelde uitleg. Dat heeft ermee te maken dat we nu in het lopende jaar zitten. Dit hadden we niet gehad als het nu november 2025 was. Maar ja, het is nu maart '26. Dat maakt het even zo ingewikkeld. Het leek mij goed om dat nu alvast te zeggen. Dan kan mevrouw Michon zich daarop beraden.

De voorzitter:

Dan hebben we één geapprecieerd amendement. Dat is het amendement op stuk nr. 20, voor de administratie. De rest doen we in de volgende termijn. De heer Flach.

Minister Aartsen:

Ik ben het overigens eens met het inhoudelijke doel van het amendement. De techniek is leidend hier.

De heer Flach (SGP):

We hebben het over de houdbaarheid van ons socialezekerheidsstelsel. De minister noemt in dat verband wat cijfers over de instroom van statushouders. Dat heeft natuurlijk ook alles te maken met de culturele afstand, het type werk en de mate waarin mensen zich dat eigen kunnen maken. Als we eigenlijk al jaren constateren dat dat zo is, dan moeten we toch ook de zorg met elkaar kunnen delen dat, als we dit zo volhouden, de balans tussen werkenden en niet-werkenden steeds verder uit het lood komt te staan? Welke conclusies trekt de minister daaruit? Ik weet dat het misschien een migratievraagstuk is, maar het kabinet spreekt ook met één mond. Welk signaal geeft de minister vanuit zijn portefeuille in die discussie in het kabinet?

Minister Aartsen:

Voor mij is het belangrijk dat, als mensen hier komen, vanaf dag één duidelijk wordt dat je, als je in Nederland bent, werkt en een bijdrage levert aan dit land. Ik vind dat dat op dit moment onvoldoende in het huidige stelsel zit. In de asielfase zijn op dit moment de mogelijkheden tot werk onvoldoende. Daar werkt het kabinet aan. In de begeleiding in het inburgeringsstelsel en in de inburgering is taal vaak het eerste punt en gaat taal dus boven werk. Uiteindelijk is de conclusie vervolgens dat het onmogelijk wordt voor mensen om taal te kunnen combineren met werk. Dat heeft dus echt met de stelselinrichting te maken. Dat is één. Twee: ik vind dat we mensen ook mogen aanspreken. Mensen hebben als ze hiernaartoe komen ook een verantwoordelijkheid om die bijdrage te leveren. Ik vind dat we dat meer mogen doen in de toekomst. Dan zeggen we: "U bent hier. U bent hier van harte welkom, maar dan vragen we wel een paar dingen aan u, dat u onze normen en waarden accepteert, dat u de vrijheden in dit land accepteert, maar dat u ook een financiële bijdrage levert door gewoon te werken in dit land". Zo moeten we stelsel volgens mij verbeteren.

De heer Flach (SGP):

Robuuste taal, maar tegelijkertijd een hoge mate van wensdenken. Dit hebben we achtereenvolgende ministers namelijk ook horen zeggen. "Het zou goed zijn als mensen die hier komen gewoon gaan werken en gewoon de taal leren." We zien dat dat voor een heel aantal mensen niet is weggelegd. Dat komt of doordat ze de taal niet machtig worden of doordat de culturele afstand zo groot is dat ze inderdaad en masse in de bijstand belanden. Welke concrete andere maatregelen gaat de minister nemen, waardoor het hem wel gaat lukken wat zijn voorgangers, die ongeveer hetzelfde van plan waren, niet gelukt is?

Minister Aartsen:

Ik denk dat het belangrijk is om werk centraal te zetten in dat stelsel. Het is belangrijk dat we dat eisen en dat we de verantwoordelijkheid van mensen aanspreken. De heer Flach zegt dat een taalcomponent en een cultuurcomponent onderdeel hiervan is. Ik denk dat er ook groepen mensen in Nederland werken — kijk naar de arbeidsmigranten — voor wie de taal geen belemmering is om in Nederland te werken. Dat zijn mensen die wel in de kassen en op het land werken en die wel een bijdrage leveren. Daar is ook veel discussie over. Daar zijn taal en cultuur geen belemmering. Dat betekent dat die belemmering er voor inburgeraars, statushouders, ook niet hoeft te zijn. Ik vind dat we daar iets scherper op mogen zijn en dat we mogen zeggen: als u hier komt, dan levert u een bijdrage door middel van werk.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Flach (SGP):

De olifant in de kamer is toch dat er groepen zijn, die het inderdaad wel lukt en met wie het heel erg goed gaat: zij komen snel aan werk, kunnen goed integreren en de taal leren. Maar er zijn ook groepen, waarmee dat overduidelijk niet lukt. Dat is volgens mij wat de heer Dijk eerder ook probeerde te zeggen. Nee, excuus, het was uw collega Mulder. Daar moeten we dan toch ook een keer conclusies uit trekken? Wellicht moeten we wat selectiever zijn: welke groepen hebben hier een kansrijk perspectief voor een werkzame toekomst en van welke groepen is het eigenlijk duidelijk dat ze linea recta in de bijstand zullen verdwijnen? Het is een olifant in de kamer, dat realiseer ik me. Maar het is er wel een die we gewoon moeten benoemen.

Minister Aartsen:

Mijn antwoord daarin is tweeledig. Het gesprek over selectie en migratiemaatregelen wordt volgens mij breed gevoerd. Mijn collega van Asiel en Migratie staat hopelijk binnenkort de maatregelen te verdedigen in de Eerste Kamer. Hij komt met maatregelen om de migratie behapbaar te maken en in te perken. Dat is een belangrijke stap, denk ik. Aan mij is het om het stelsel op dit moment zo in te richten dat werk centraal staat. Want als we heel eerlijk naar het stelsel kijken, zien we dat werk ergens helemaal aan het einde komt, of een bijzaak is. Dat is wat mij betreft, als het gaat om de vraag wat we binnen Sociale Zaken kunnen aanpassen, een fundamentele stap. We zeggen: werk is hier leidend, vanaf dag één.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Een zeer gemotiveerde gepensioneerde leraar wilde heel graag Nederlands gaan leren aan asielzoekers. Maar daar was geen behoefte aan. Vanaf welk moment geldt de taaleis en zouden ze Nederlands moeten leren? Is dat pas als ze statushouder zijn of vanaf het eerste moment dat men binnenkomt?

Minister Aartsen:

Er gaan nu een paar dingen door elkaar lopen. De taaleis is inderdaad gekoppeld aan het inburgeringsstelsel. Dat gaat lopen op het moment dat mensen een verblijfsvergunning ontvangen. Wat u aangeeft, is een ander punt. Hoe zorgen we ervoor dat, ongeacht in welk bakje u valt — ik zeg het even gechargeerd — alles erop gericht is om de Nederlandse taal te leren, de Nederlandse cultuur te leren kennen en aan het werk te gaan? Dat is iets waarvoor ik niet voor niets het woord "ketenregie" gebruik. Je ziet dat het nu nog versnipperd is. Het COA heeft een bepaalde rol daarin, de gemeentes hebben een rol en wij als Sociale Zaken hebben een rol. U kunt zich voorstellen dat het COA op dit moment ook andere zaken te doen heeft, als je kijkt naar de migratieketen. Dus dit is zeker een voorbeeld waarvan je zegt dat het enorm zou helpen als we een steviger regie vanuit ons ministerie hierop hebben, omdat die mensen uiteindelijk moeten gaan meedoen en aan het werk moeten. En dus ook de Nederlandse taal leren. En dan zijn voorbeelden, zoals u die noemt, van harte welkom natuurlijk.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Geen vervolgvraag, maar ik ben blij dat de minister zegt dat zulke initiatieven vanuit vrijwilligers eigenlijk met twee handen aangegrepen moeten worden.

De voorzitter:

Ik kan me zo voorstellen dat de minister aan het einde van zijn blokje werk is.

Minister Aartsen:

Nee, nog lang niet, voorzitter.

De voorzitter:

Het was een poging waard.

Minister Aartsen:

U heeft het aantal interrupties bij de heer Vijlbrief fors beperkt, maar bij mij iets minder. Het duurt dus iets langer.

Ik ga snel naar het blokje re-integratie. Dat is een sub-blokje onder "werk". De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zei het net ook al: we willen uiteindelijk naar een situatie, waarin mensen überhaupt niet in een uitkering terechtkomen. Ik denk dat dit echt een belangrijk principe is. Je wilt uiteindelijk dat mensen van baan naar baan gaan; van werk naar werk. Dat klinkt cliché, maar ik denk dat dit echt belangrijk is. Op dit moment is ons stelsel zo ingericht dat je in Nederland eerst je baan moet verliezen, voordat je hulp, zoals begeleiding bij re-integratie, kunt ontvangen. Daarvan heeft het kabinet echt gezegd dat het daar verandering in wil brengen. We weten bijvoorbeeld dat in bepaalde sectoren een aantal banen over drie jaar niet meer bestaat door de opkomst van AI. Ik vind dat je dan bij een vraagstuk uitkomt. We weten dat dit gaat gebeuren. Blijven we wachten, wetende dat die mensen over drie jaar en twee maanden in een uitkering zitten en dat ze dan pas begeleiding krijgen bij hoe ze verder komen? Of zeggen we als kabinet: we gaan samen met de werkcentra en met Leven Lang Leren aan de slag met brede re-integratie? We gaan dan kijken waar we kunnen ontschotten en waar we belemmeringen kunnen weghalen met intensieve begeleiding, ongeacht in welk bakje je zit, in welke regeling je zit en ongeacht of je überhaupt een uitkering ontvangt. Hoe ga je ervoor zorgen dat mensen van werk naar werk gaan? Opleiding en ondersteuning hebben daar een enorm belangrijke rol in. Ik denk dat dat ook belangrijk is als het gaat om bijvoorbeeld de talentenstrategie en de tekortsectoren, zoals de techniek, de bouw en de zorg. Dat is ook de reden waarom we aan de slag gaan met onder andere het beter bekijken van re-integratie, maar ook de herziening van de Participatiewet, de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur en het versterken van de banenafspraak.

Ik ben klaar met dit blokje. We gaan naar het blokje zelfstandigen.

Het zal niemand verbazen dat de onderwerpen zzp en zelfstandigen mij na aan het hart liggen. Dat zal voor niemand een geheim zijn. Ik denk dat het belangrijk is, en dat heb ik ook gemerkt in de vele gesprekken die ik heb gevoerd, om te benadrukken dat dit kabinet zzp'ers van grote waarde vindt voor onze Nederlandse economie. Ik denk dat het belangrijk is om dat te erkennen, omdat veel te veel zzp'ers in de afgelopen jaren het gevoel hebben gehad dat ze iets fout deden, dat ze niet welkom waren, dat ze ongewenst waren en dat ze boemannen waren. Ik denk dat het belangrijk is om te onderstrepen dat zzp'ers van enorm grote waarde zijn voor ons land.

Dit kabinet kiest voor een nieuwe zzp-koers, met rust en duidelijkheid. Daarbij spreken we met trots over de inzet van al die zelfstandigen die meedoen om ons land draaiende te houden. We kiezen echt voor een koers waarin er aandacht is voor wat wél kan binnen de huidige regels. Hoe kun je wél met zzp'ers werken?

We zien op dit moment dat er veel opdrachten onnodig wegvallen, omdat er onduidelijkheid is bij opdrachtgevers. Opdrachtgevers zeggen: "Ik weet niet precies waar ik aan toe ben en ik snap het niet helemaal goed. Ik kies het zekere voor het onzekere, dus ik werk maar niet met zelfstandigen." Ik vind het echt een kwalijke zaak als we op die manier doorschieten. Ja, we moeten schijnzelfstandigheid aanpakken. Daar waar de problemen zitten, moeten we risicogericht handhaven. Ik heb ook gezegd dat ik het onverstandig vind om de handhaving nu fundamenteel op z'n kop te gaan zetten. Niemand is gebaat bij zigzagbeleid. Ik denk wel dat het belangrijk is om goed te kijken wat er nu gaande is in die markt, hoe je ervoor kunt zorgen dat er meer duidelijkheid en rust komt voor zelfstandigen en hoe we die duidelijkheid ook kunnen bieden. Dat is waar dit kabinet mee aan de slag gaat.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

We zien dat veel zzp'ers en opdrachtgevers in onzekerheid verkeren in verband met de schijnzelfstandigheid. Kan de minister kijken hoe deze onduidelijkheden onder het gezonde ondernemerschap belemmerd worden en ook wat hij kan doen om ze weg te nemen bij de zelfstandige en bij de opdrachtgever? We willen laten zien dat we niet tegen deze zelfstandigen zijn, maar we willen opdrachtgevers de mogelijkheid geven om deze mensen wel in dienst te nemen, bijvoorbeeld in de zorg of in het lerarenwezen.

Minister Aartsen:

Absoluut. Laat mij toezeggen dat ik daar graag in april, hopelijk vóór het debat over de arbeidsmarkt, op terugkom met een brief over hoe de nieuwe zzp-koers eruit komt te zien. Dan kan ik wat meer schetsen over de acties die we gaan inzetten om rust en duidelijkheid mogelijk te maken, niet alleen voor de toekomst, maar ook in het hier en nu.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ik zou graag van de minister horen wat het tijdspad is van de Zelfstandigenwet. Wanneer is de minister van plan die aan te kondigen?

De voorzitter:

Ik heb het vermoeden dat dat nog in het blokje zat.

Minister Aartsen:

Ik zal snel het blokje afmaken, voorzitter. We gaan een aantal dingen doen. We gaan aan de slag met een aantal wetstrajecten. Inmiddels hebben we het besluit genomen om uit het wetsvoorstel Vbar, dat reeds in de Kamer lag, het verduidelijkingsdeel te schrappen. Daar was veel kritiek op en het zorgde voor veel onduidelijkheid. Daarmee maken we de weg vrij voor de Zelfstandigenwet. Ik zeg daarbij dat ik wel waarde hecht aan het deel over rechtsvermoeden. Daar is breed politiek draagvlak en een breed maatschappelijk draagvlak voor. Ik denk dat het belangrijk is dat we daar snel mee doorgaan. Mijn oproep aan u is ook: helpt u mij alstublieft om dat wetsvoorstel snel te kunnen behandelen. Dat gaat ons helpen om een korting ten aanzien van het Herstel- en Veerkrachtplan in Brussel te voorkomen. Daarnaast gaan we aan de slag met de vraag hoe we die duidelijkheid in het hier en nu kunnen schetsen. Daar kom ik op terug in de brief. Ik zal dan ook het tijdpad ten aanzien van de Zelfstandigenwet schetsen. Ik zal de initiatiefnemers binnenkort bij mij op het ministerie uitnodigen met de simpele vraag — dit zeg ik met een knipoog — of ik mijn wet terug mag. Dan kunnen wij er namelijk mee aan de slag. Nee hoor, hier doe ik andere mensen te weinig eer mee. We willen wel heel snel aan de slag. Dat willen we samen met maatschappelijke partijen doen, om samen te kijken hoe je een paar van die dingen goed kunt invullen, want je wil uiteindelijk dat het goed is. Ik denk ook dat dit past in het beleid waarin je aan de ene kant vrijheid, ruimte en duidelijkheid geeft en aan de andere kant ondernemers aanspreekt op hun verantwoordelijkheid. Daar hoort niet alleen vrijblijvendheid bij, maar ook de verantwoordelijkheid om iets te regelen op bijvoorbeeld het gebied van arbeidsongeschiktheid. We hebben inmiddels ook het wetsvoorstel Baz naar de Kamer gestuurd. Dat betreft een echt betaalbare basisverzekering voor de mensen die het niet kunnen betalen of die niet verzekerd kunnen gaan worden.

Dat zijn de stappen die we willen gaan zetten om te komen tot een goed wettelijk kader waarin je aan de ene kant zzp'ers erkent en er aan de andere kant voor zorgt dat de rafelranden, de problematische gevallen, eruit zijn. Volgens mij kom je dan, zo zeg ik maar even tegen de christendemocraten, tot een pacificatie van dit onderwerp dat al veel te lang voortduurt. Heel veel hardwerkende Nederlanders, die gewoon het beste van hun leven willen maken en een beetje zelfregie willen hebben over hun eigen werkende leven, die kiezen voor autonomie en regie, zijn hier al veel en veel en veel te lang de dupe van. Hiermee ga ik dus met passie en gezwinde spoed aan de gang.

Zal ik misschien heel snel het blokje HVP doen? Dan is dat ook maar gedaan, want daar zijn een paar korte vragen over gesteld. Zoals is aangekondigd in de brief, gaan we ten aanzien van de Vbar en de Baz een wijzigingsvoorstel indienen bij de Europese Commissie. We zijn op dit moment in gesprek met de Europese Commissie over de vraag of we een ander pakketje kunnen maken. Ik zeg hier nogmaals bij dat het daarbij helpt dat we het deel omtrent het rechtsvermoeden hier in de Kamer heel snel kunnen behandelen. Ik denk dat iedereen het daarover eens zal zijn. Als het ons lukt om op 31 augustus 2026 dit wetsvoorstel in de Staatscourant te publiceren en het in de Eerste en Tweede Kamer te behandelen, dan gaat dat enorm helpen in de gesprekken richting Brussel.

Voorzitter, tot zover het blokje zelfstandigen.

De heer Ergin (DENK):

Ik hoef niet aan de minister uit te leggen dat heel veel zelfstandigen onzekerheid ervaren. Er zijn opdrachtgevers die gewoon geen opdrachten meer durven te geven. Als ik zo naar de minister luister, dan geeft hij aan stappen te willen zetten. Tegelijkertijd hoor ik hem helemaal niks zeggen over de zachte landing en de roep vanuit de Kamer om de zachte landing te verlengen.

Minister Aartsen:

De zachte landing. Het kabinet heeft al in de Kamerbrief van 19 december aangegeven aan de slag te gaan met de zachte landing. Die is ook grotendeels verlengd. In beginsel starten de bedrijfsbezoeken ... Het achterwege laten van de verzuimboetes geldt nu al. Dit geldt nog voor het hele jaar. Ook wordt er zo veel mogelijk tegemoet gekomen aan de aangenomen moties. De motie-Ergin is verwerkt in het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026. Dat is wat er reeds is gedaan.

Nogmaals, ik vind het onverstandig om de handhaving echt fundamenteel aan te passen, omdat je daarmee zigzagbeleid gaat voeren. Ik kan zeker aan de heer Ergin toezeggen dat wij in de brief van april gaan kijken naar wat je kunt doen om de rust en duidelijkheid te geven aan zelfstandigen die die op dit moment niet ervaren. Ik heb gemerkt dat de stap die wij hebben genomen ten aanzien van de Vbar al een hele hoop positieve reacties oplevert. Mensen zeggen: we worden eindelijk erkend en we voelen ons gesteund. Ik ga kijken wat we op dat punt nog meer kunnen doen. Dat kan ik aan de heer Ergin toezeggen.

De voorzitter:

Er is een vervolgvraag.

De heer Ergin (DENK):

Dat is fijn. Ik merk ook dat het enigszins tot rust leidt bij veel zelfstandigen, maar tegelijkertijd is de zachte landing natuurlijk ... Er zijn twee moties aangenomen. Een van die moties zegt: verleng de zachte landing tot 1 april. Of: tot 31 maart. Volgens mij was het tot 31 maart. De vraag is: wat gaat de minister daarmee doen?

Minister Aartsen:

Er is door mijn voorganger al uitgebreid ingegaan op die moties. Die zijn ook grotendeels ingevuld. Ik denk dat het nu verstandig is om te kijken wat we in het hier en nu kunnen doen om die duidelijkheid te geven. Nogmaals, dat zal een beetje zijn langs de toon "u kunt prima met zzp'ers werken en u kunt prima zzp'ers inhuren, maar dat moet u wel goed regelen en we gaan u uitleggen hoe u dat moet doen". Ik kom daarop terug in de brief van april. Die zachte landing loopt het hele jaar grotendeels nog door. We hopen natuurlijk wel dat mogelijk per 1 januari '27 het wetsvoorstel inzake het rechtsvermoeden in kan gaan, zodat we ook daarmee meters kunnen maken.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ergin (DENK):

Tot slot, voorzitter. Ik vind het heel belangrijk dat we zolang er wordt gesleuteld aan wetgeving … En laten we in dit geval de conclusie trekken dat dit kabinet, Jetten I, een koerswijziging voorziet als het gaat om zelfstandigen. Laten we in de tussentijd al die zzp'ers die nu iets meer ademruimte voelen en misschien iets meer aan de slag gaan … De opdrachtgevers moet ook iets flexibeler zijn. Natuurlijk moeten ze zich houden aan de wet. Daar ben ik allemaal voorstander van. Bij echte schijnzelfstandigheid mag er en moet er gehandhaafd worden. Laat ik het zo zeggen: ik hoop echt dat die houding, waarbij we meedenken, zo is dat we zo veel als mogelijk geen verzuimboetes en geen vergrijpboetes uitdelen. Ik hoop dat die houding echt wordt verlengd. Ik roep de regering daar echt toe op, want dat geeft zelfstandigen in Nederland ademruimte.

Minister Aartsen:

Ik ben het daar deels mee eens. Ik denk dat als je idealiter een utopie zou tekenen, handhaving combineren met een wettelijk traject niet ideaal is. Ik denk dat we dat suboptimaal kunnen noemen met elkaar. Tegelijkertijd staan we waar we nu staan. En wat is nog erger dan suboptimaal? Dat is slecht beleid en dat is zigzagbeleid. Ik denk dat het onverstandig is om dat te doen. Vandaar dat ik daar terughoudend in ben.

Ik weet niet of zelfstandigen ermee geholpen zijn om de vergrijpboetes wel of niet in te voeren. Dat ziet echt op vergrijpen en dat gaat over je welbewust niet aan de wet houden. Ik denk oprecht dat de markt daar niet mee geholpen is. Dus ik zoek het vooral in: hoe kunnen we ervoor zorgen dat we bijvoorbeeld met publiekscampagnes, bijvoorbeeld als het gaat om het beter informeren van de markt en als het bijvoorbeeld gaat om die duidelijkheid bieden als het gaat om de uitspraken die we hebben gehad op prejudiciële vragen van het Hof, bijvoorbeeld als het gaat om de Uberuitspraak … Die moeten we wat prominenter laten zien. En we moeten ook laten zien dat dit uiteindelijk een manier is om wel met zzp'ers te kunnen werken, want ik denk dat heel veel ondernemers daarop zitten te wachten. Die zeggen: "Ik heb altijd met zzp'ers gewerkt en dat wil ik eigenlijk ook voort blijven zetten, maar ik weet het nu niet voldoende. Dus help mij ook een beetje hoe ik dit goed kan organiseren, zodat ik weet dat ik binnen de grenzen van de wet blijf."

De voorzitter:

Heel kort.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, een feitelijk punt. Door het antwoord van de minister zou het erop kunnen lijken dat ik heb gevraagd om het uitdelen of introduceren van vergrijpboetes, terwijl mijn pleidooi juist is: doe het niet. Doe ook die verzuimboetes niet. Dat is iets wat we al in een motie hebben geregeld, maar doe ook de vergrijpboetes niet.

De heer Flach (SGP):

Het klinkt heel redelijk wat de minister zegt over het voorkomen van zigzagbeleid. Hij heeft het dan natuurlijk over de handhaving op zelfstandigen. Tegelijkertijd blijft de onzekerheid, die er al heel lang is, bestaan, want waar handhaven we nou precies op? Het is niet voor niets dat die Vbar er kwam, want dat moest verduidelijkt worden. Zelfs de Belastingdienst zelf hield zich er niet aan bij het inhuren van zzp'ers! Dat is nog steeds niet opgelost. Ik voorzie echt wel dat er weer wat lucht komt als dat deel van het rechtsvermoeden door de Kamer is, want dan kan daar meer op gefocust worden. Maar welke gesprekken voert de minister hierover met zijn collega in het kabinet, die verantwoordelijk is voor de Belastingdienst? Uiteindelijk zit er immers een omissie aan de kant van SZW en de Kamer en die wordt gehandhaafd door de Belastingdienst. Welke gesprekken voert hij daarover?

Minister Aartsen:

Wij voeren het gesprek op dit moment over die brief in april. Hoe gaat dat nieuwe zzp-spoor er nu precies uitzien, niet alleen in de periode waarin we aan wetgeving gaan werken, maar juist ook in die tussenliggende periode? Wat kun je nou doen om die duidelijkheid en die zekerheid en die rust in het hier en nu te brengen? Dat is de reden waarom ik zeg dat zigzagbeleid nu wat mij betreft niet de oplossing is. Laten we nou kijken welke andere instrumenten er daarvoor zijn. Nogmaals, ik vraag u heel even geduld te hebben, want ik hoop u hopelijk over een week of drie in die brief te kunnen melden wat we dan voor ons zien, zodat dat ook, als het goed is, gaat helpen om die rust en die duidelijkheid op de markt te creëren.

De heer Flach (SGP):

Dat waardeer ik. Ik weet dat de minister dit zeer serieus meent. Ik zou daar dan toch nog een oproep aan willen koppelen. We weten dat er best nog wel wat moet gebeuren bij die zelfstandigenwet, want eer die door beide Kamers is, zijn we echt nog wel een tijdje weg. Er blijft dus nog een periode van onzekerheid over. Kan er niet een manier worden gevonden om opdrachtgevers van tevoren te laten weten dat als ze aan die en die dingen voldoen, ze in '27 en '28 in ieder geval geen bezoek van de Belastingdienst hoeven te verwachten. Dus even een soort tussenzekerheid, totdat de wet er uiteindelijk ligt, die definitief zekerheid moet gaan geven. Wordt daar aan gewerkt? Is er iets waar de minister aan zou kunnen werken met zijn collega van de Belastingdienst?

Minister Aartsen:

Laat ik deze suggestie meenemen in het kabinet en even bespreken. Ik weet niet of het mogelijk is om echt een hard document te geven. Daar moeten we ook een beetje voor waken. Maar we zijn wel op zoek naar hetzelfde. We zijn op zoek naar wat we kunnen doen om die duidelijkheid te geven. Wat kunnen we doen om mensen die oprecht het beste voorhebben met zelfstandigen of met hun eigen bedrijf, het gevoel te geven dat zij niets fout doen en dat zij niet op een bezoekje van de Belastingdienst hoeven te rekenen?

De heer Ceulemans (JA21):

Kort voor de kerst hadden we het met de voorganger van deze minister op dit punt ook over die zachte landing. Dat debat was toen een beetje duwen en trekken. Uiteindelijk zouden heel veel zaken die werden voorgesteld, met name vanuit de oppositie, stuiten op de mijlpalen in het Herstel- en Veerkrachtplan, die dwangbuis waarin we onszelf hebben vastgesnoerd, wat we nooit meer op die manier moeten doen, maar dat terzijde. Ik ben positief over de stappen die de minister nu aan het zetten is, maar dat roept wel een vraag op. Is het Herstel- en Veerkrachtplan op de route die nu is ingeslagen geen probleem meer? En als het nog steeds ontoereikend is, kan de minister dan in ieder geval garanderen dat de onwelgevallige zaken die nu uit de Wet Vbar zijn gehaald, niet via een achterdeur of via andere wetgeving weer erin worden gefietst om daar alsnog aan te voldoen?

Minister Aartsen:

Dat is een goede vraag. Die had de heer Ceulemans ook in zijn eerste termijn al gesteld. Dat kan ik garanderen. Die gaan we niet via een achterdeur in de zelfstandigenwet introduceren. Dat is echt een fundamenteel andere wet, dus daar hoeft hij zich geen zorgen over te maken. We hebben inderdaad gekeken wat we kunnen doen om niet steeds afhankelijk te hoeven zijn van dat Herstel- en Veerkrachtplan. Vandaar dat wij het initiatief hebben genomen om te kijken of we een wijzigingsvoorstel kunnen indienen in Brussel en daar het gesprek over aan kunnen gaan, zodat we op een goede, rustige manier met elkaar kunnen bezien wat de beste koers is om te bepalen.

De voorzitter:

Kunnen we al bijna naar het blokje …

Minister Aartsen:

Ja.

De voorzitter:

Fijn. Dan gaan we nu naar het blokje weer aan het werk/ziekte.

Minister Aartsen:

Hoe zorgen we ervoor dat mensen na ziekte snel weer aan het werk gaan? Hoe zorgen we er ook voor dat het stelsel dat we daaromheen hebben bedacht, geen onnodige belemmering is voor werkgevers en evenmin voor werknemers, die gewoon graag een vaste baan zouden willen hebben? Dat is uiteindelijk waar dit kabinet naar zoekt.

Er zijn een aantal vragen gesteld over de casussen rondom de loondoorbetaling bij ziekte en de Wet poortwachter. We willen kijken hoe we de loondoorbetaling bij ziekte meer werkbaar kunnen maken, voor zowel werknemers als werkgevers. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de re-integratie daar meer centraal komt te staan? Hoe kunnen we werkgevers ontlasten en zorgen voor meer duidelijkheid, zodat de wet werkbaarder wordt? Ik denk dat heel veel met name kleine ondernemers dit echt als een molensteen om hun nek voelen en ook daarom geen mensen in dienst durven te nemen, zoals ook een aantal keren in het regeerakkoord staat. Dat is een obstakel dat wij ook zien.

Ik ga zo nog iets zeggen over de loondoorbetaling bij ziekte, maar op dit moment werkt het kabinet aan twee wetsvoorstellen. De vorige kabinetten zijn daar ook al druk mee bezig geweest. Het eerste wetsvoorstel geeft kleine en middelgrote werkgevers eerder duidelijkheid over de re-integratie en vervanging van langdurig zieke werknemers. Het biedt die werkgevers ook de mogelijkheid om na één jaar al de beslissing te nemen om over te gaan tot vervanging. Dat maakt trouwens onderdeel uit van het arbeidsmarktpakket.

Het tweede wetsvoorstel zorgt ervoor dat het advies van de bedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer per 2028 leidend wordt bij de toets op de re-integratie-inspanning, de zogeheten RIV-toets. Dit gaat heel veel onzekerheid bij werkgevers over met name de UWV-boete in het derde jaar wegnemen, en ik denk dat dat verstandig is om te doen. U kunt deze wetsvoorstellen wat mij betreft nog voor deze zomer in de Kamer verwachten.

Ik zei al dat de regering daarnaast ook kijkt naar de verplichtingen onder de Wet poortwachter, maar ook naar de loondoorbetaling bij ziekte. Hoe kunnen we die goed vormgeven? Ik denk dat dat belangrijk is. Dat is een zorgvuldig proces dat we moeten doorlopen, en dat willen we het liefst samen doen met de sociale partners. Dat lijkt me belangrijk om te doen, want het is simpelweg niet eenvoudig. We moeten zorgen dat dit op een goede manier past in het reeds bestaande arbeidsongeschiktheidsstelsel, maar ik kan u toezeggen dat wij maximaal ons best gaan doen om te kijken welke scenario's en welke varianten er mogelijk zijn om dit voor elkaar te krijgen. Ik denk dat dat belangrijk is. Hier wordt al heel lang over gesproken. Ik had van de week nog een mooie bijeenkomst van de VVD Moerdijk, waar ik met veel ondernemers in gesprek was. Die hadden zo'n kahoot, zo'n quiz met al die knoppen en zo, en op nummer één, met bijna 95% geloof ik, stond loondoorbetaling bij ziekte. Met name voor kleine ondernemers is dat een belemmering. Dat ligt echt zwaar op de maag. We spreken hier al langer over. Het kabinet heeft zich tot doel gesteld om te kijken hoe we dit nou werkbaar kunnen maken, hoe we kunnen kijken naar de lengte en de hoogte ervan en hoe we de belemmeringen in de Wet verbetering poortwachter kunnen wegnemen, hoe we die kunnen vereenvoudigen.

Mevrouw Michon-Derkzen heeft nog gevraagd naar de knelpuntenanalyse ten aanzien van de Wet verbetering poortwachter. Daar ga ik zeker over in gesprek met ondernemers om te kijken waar zij nou tegen aanlopen en wat we kunnen vereenvoudigen. Ik noemde net de RIV-toets al. Ik hoop daar snel stappen op te kunnen zetten. Ook hier gaan we kijken welke knelpunten worden ervaren door kleine ondernemers.

De voorzitter:

Dan gaan we eerst naar de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

In het coalitieakkoord wordt terecht opgemerkt dat die loondoorbetaling bij ziekte op de manier waarop die op dit moment is ingericht is als een enorme last wordt ervaren door werkgevers, met name in het midden- en kleinbedrijf, en dat eraan wordt gewerkt om dat beter werkbaar te maken. Maar "beter werkbaar" is natuurlijk een beetje een vage omschrijving. Dat kan van alles betekenen. Als je met ondernemers in gesprek bent, hoor je dat het probleem van die loondoorbetaling bij ziekte de enorme lengte ervan is. In Duitsland en België is het twee weken of zes weken. Hier is het twee jaar. Dat is een ontzettend grote belemmering voor met name het mkb om personeel in dienst te nemen, bijvoorbeeld ouder personeel, bij wie het risico op uitval groter is. Is de minister het met mij eens dat het werkbaarder maken van de loondoorbetaling in de praktijk gewoon moet betekenen een kortere loondoorbetaling bij ziekte?

Minister Aartsen:

De Duitsers zouden dan zeggen "jein", ja en nee. Ja, de lengte is een probleem voor ondernemers. Tegelijkertijd kan je ook naar de hoogte kijken. Het wordt nog aangevuld door cao-afspraken. Ik denk dat we hier ook even de nuance weer terug moeten brengen. Dit is een probleem voor werkgevers, voor ondernemers. Het is een belemmering voor mensen om aan het werk te komen. Je ziet dat er een huivering is om mensen in vaste dienst te nemen. Tegelijkertijd — dat moeten we ook niet onderschatten — zit er ook een voordeel aan dit stelsel. Het voordeel is dat de prikkel voor re-integratie — dat kan natuurlijk niet anders bij twee jaar — natuurlijk groot is als je dat vergelijkt met andere stelsels. We moeten dus gaan zoeken — dat zeg ik toch maar even — naar hoe we hier nou iets slims kunnen doen. Er is de platte variant, om het zo maar even te noemen, van het terugbrengen ervan naar één jaar. Nou, makkelijker krijg je 'm niet. Die kost ongeveer een miljard of vier en dan zijn we minstens vijf jaar met de uitvoering bezig om dat goed te organiseren, nog los van een verhoogde instroom in de WIA. Daar heeft de minister van Sociale Zaken net allerlei verstandige dingen over gezegd. Daar moeten we dus even goed over nadenken. Dat is de reden dat we zeggen: laten we nou eens kijken welke varianten er mogelijk zijn en hoe kunnen we dit nou op een goede manier doen, het liefst ook met sociale partners samen.

De heer Ceulemans (JA21):

De minister zegt dat een voordeel aan het stelsel is dat de prikkel voor re-integratie groter is, maar dat komt nou juist niet uit de verf. Ook als je het vergelijkt met landen die een kortere loondoorbetaling hebben, zoals onze buurlanden, hebben wij alsnog een relatief hoge instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen. We laten dus eerst ondernemers of werkgevers twee jaar doorbetalen, wat gewoon een financiële strop is en wat een heel belemmerende werking heeft op de doorstroming op de arbeidsmarkt, op het in dienst nemen van mensen, en vervolgens blijkt het ook nog eens eigenlijk geen dempend effect te hebben op instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen. Dus als de minister daar een voordeel aan ziet, ben ik wel benieuwd welk voordeel hij dan concreet in de praktijk ziet.

Minister Aartsen:

Ook hier ben ik het weer deels eens met de heer Ceulemans en moet ik hem deels wat nuanceren. Ja, de re-integratieprestaties kunnen beter. Ik denk dat ik daar als het gaat om de instroom in de WIA overtuigend in zit. Er zitten een aantal dingen in poortwachter, in de re-integratieverplichting, die echt beter moeten. Dat moet wat mij betreft onderdeel uitmaken van de gesprekken in de polder, maar ook van de aanpak van de WIA. Daar moet wat aan gebeuren. De minister van Sociale Zaken sprak daar net vrij alarmerende woorden over. Ook hier moeten we kijken hoe we de instroom kunnen stoppen en dat zit 'm in dit element. We zien dat het stelsel waarbij mensen wel in dienst blijven van een werkgever wel een positief effect heeft. Nogmaals, ik probeer hier echt genuanceerd te zijn. We weten wat de platte variant is, maar laten we kijken of hier iets slims kunnen bedenken waarbij je misschien de goede elementen uit het stelsel behoudt, maar kijkt hoe je die enorme belemmering kunt wegnemen die het echt voor heel veel zelfstandigen en kleine ondernemers is om mensen bijvoorbeeld in vaste dienst te nemen, om mensen waarvan ze zeggen "ik twijfel daar misschien wat over, ik heb wat terughoudendheid" echt een kans op de arbeidsmarkt te geven.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, afrondend. Ik ben er altijd voor om slimme dingen te bedenken. Het is goed dat erkend wordt dat het huidige stelsel gewoon niet langer houdbaar is en in alle opzichten een enorme strop is voor werkgevers. Wel ben ik van mening dat de enige juiste uitkomst van die verkenning kan zijn dat er in ieder geval moet worden gekeken naar de lengte van loondoorbetaling bij ziekte. Ik hoop dat het kabinet ook tot dat inzicht komt.

Minister Aartsen:

In het regeerakkoord staat ook dat de lengte en de hoogte een probleem zijn. Daarom zeggen wij ook dat we gaan kijken naar welke variaties er nu bestaan om dit mogelijk te maken. Nogmaals, als iemand 4,2 miljard heeft, hoor ik het ook graag. Dat zou een stuk helpen. Daarom moeten we kijken hoe we dit op een slimme manier kunnen doen, want dat is belangrijk.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik denk dat het interruptiedebat van net ook verhelderend is. Ik hoor de minister zeggen dat hij ervoor wil zorgen dat mensen aan het werk blijven, maar het gaat natuurlijk ook juist over de flexibiliteit op de arbeidsmarkt. Je ziet dat werkgevers huiverig zijn door deze mogelijk enorme kostenpost. Mijn vraag ging over de aanpassing van de Wet poortwachter. Ik hoor de minister zeggen: we gaan in gesprek, want ik wil graag weten wat de knelpunten zijn. Kan de minister mij ook geruststellen? Hoort hij, net als ik, dat elke ondernemer die hij spreekt, zo uit zijn mouw kan schudden waar hij tegenaan loopt in de enorme administratieve lasten die ze hebben? Dat belet het aannemen van mensen, omdat je het bijna niet kan bolwerken als je daar niet voor hebt gestudeerd. Ik snap dat de minister in gesprek wil, maar is hij het met mij en de VVD eens dat we hier niet een heel lang overlegcircus voor moeten hebben? Werkgevers weten namelijk donders goed wat eraan schort.

Minister Aartsen:

De knelpuntenanalyse van de Wet poortwachter is inderdaad iets wat je met werksessies met ondernemers uit het veld kunt doen. Dat kan ik dus ook zeker toezeggen. Vervolgens is het natuurlijk aan ons om die complexe vertaalslag te maken. Wat moeten we dan aanpassen? De RIV-toets is daar een heel mooi voorbeeld van. Daar zullen weinig ondernemers mee aan komen zetten, maar toch is het belangrijk dat we daarmee aan de slag gaan. Het gaat namelijk echt helpen tegen de dreiging van een boete bij het derde jaar ziekte.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik heb één verhelderende vraag. Is het dus ook mogelijk dat er "laaghangend fruit", zoals dat in beleidstermen heet, is dat kan worden meegenomen in het wetsvoorstel, dat binnenkort al naar de Kamer gaat? Kunnen we daar korte klappen mee maken?

Minister Aartsen:

Het kabinet zit er 23 dagen. Ik kondig al twee wetsvoorstellen aan, waarvan ik hoop dat ik er snel mee aan de slag kan. Ik snap het ongeduld bij mevrouw Michon. Volgens mij is dit al laaghangend fruit. Laten we eerst even die knelpuntenanalyse goed maken. Het feit dat we die RIV-toets afschaffen, is moeilijke mensentaal voor: werkgevers kunnen vertrouwen op hun bedrijfsarts, in plaats van op de verzekeringsarts. Daarmee zal het risico op een derde jaar boete — dat is een enorm risico in de Wet poortwachter — een heel stuk minder worden. Hopelijk haalt het ook onzekerheid weg bij ondernemers.

De heer Jimmy Dijk (SP):

De minister zei net zeer terecht dat loondoorbetaling bij ziekte voor ondernemers zwaar kan vallen. Voor welke groep valt dat het zwaarst, volgens de minister?

Minister Aartsen:

Ik kan meerdere groepen noemen. Ik denk dat dat varieert. Stel dat je een winkel hebt met vijf medewerkers, maar plots valt er iemand uit, die je twee jaar moet doorbetalen, met het risico op een derde jaar. Daarnaast moet je ook vervanging voor die persoon regelen. Dat wordt pittig. Tegelijkertijd zien we dat mensen voor wie het leven niet automatisch meezit, minder makkelijk aan een baan komen, omdat ondernemers huiverig zijn om die mensen aan te nemen. We zien ook dat de leeftijd meespeelt. Het is niet bewezen dat oudere werknemers vaker ziek zijn of slechter werk leveren, maar toch leeft dat beeld wel bij ondernemers, die denken: weet je wat, ik sla een rondje over, want dadelijk zit ik twee jaar lang aan iemand vast en heb ik een probleem. Ik zie dit dus zeker.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Daar zijn we het roerend over eens. Het gaat met name om de kleine ondernemer, die qua schaal echt een vijfde of een tiende van zijn personeel kwijt is door ziekte en daar iemand voor in de plaats moet inhuren. Als dat op een schaal is van 100 werknemers, dan is dat risico beter te spreiden over de hele groep. Dan ligt het toch zeer voor de hand dat we, na tien à vijftien jaar debatteren, gaan kijken hoe we dit risico spreiden over alle werkgevers? We kunnen bijvoorbeeld zeggen: onder de 50 deelnemers doen we het tweede jaar van doorbetalen collectief. Als we via de premie regelen dat iedereen — ik heb het even uitgerekend — zo'n 0,15% meer aan premie betaalt, dan hebben we het risico volledig gespreid. Dan hebben de bakker, de snackbar en de kapper dit probleem niet meer. Grote bedrijven met 100, 200 of 1.000 werknemers betalen dan even ietsje meer. Dat is toch de meest logische manier om dit op te lossen?

Minister Aartsen:

Het is lang geleden dat ik een gedekt voorstel van de SP zag, maar ik ben blij dat ik er vandaag eentje zie. Dit is natuurlijk een grapje! Dit is zeker een variant om de kosten te denken. Er zijn natuurlijk nog wel wat andere problemen, maar dit is zeker een variant.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Het verbaast mij namelijk echt heel erg. Ik kwam hier in de Tweede Kamer en ging Economische Zaken doen. Mijn leven lang hoor ik dit van alle ondernemers, allemaal, met name van de kleine ondernemers, waar we allemaal zo blij mee zijn, de ondernemers die onze buurten levendig houden. Mijn voorganger, Emile Roemer — jaja — kreeg jaren geleden dit voorstel aangenomen. Hij vroeg hierom, maar we zijn er nog steeds niet. Ik begrijp het gewoon niet. De oplossing is zó simpel: spreid het risico over alle werkgevers. De premie wordt een klein beetje verhoogd, maar daarmee wordt wel voor iedereen het risico afgedekt. Zo los je collectief problemen op, in plaats van ze te individualiseren. Ik zou deze minister dan ook willen oproepen om daarin de oplossing te vinden. De oplossing ligt zo ongelofelijk voor de hand ... Dit moet na tien of vijftien jaar gewoon een keer worden opgelost. We hoeven hier niet iedere keer mensen aan de interruptiemicrofoon te hebben staan om te zeggen dat die kleine ondernemers nou echt eens geholpen moeten worden. Doe het gewoon!

Minister Aartsen:

Er ligt de motie-Yeşilgöz/Dijk en als die niet de oplossing gaat bieden, dan weet ik het ook niet meer, want zulke moties zijn vrij zeldzaam. We zijn het eens, dit soort zaken moet echt eens worden opgelost. De heer Dijk doet een interessante suggestie om dit ook financieel te organiseren. Dan heb je nog wel steeds het probleem van het vormgeven van de uitvoering niet opgelost. Maar nogmaals, we gaan aan de slag met voorstellen, scenario's en varianten en we nemen dit voorstel van de heer Dijk serieus.

De voorzitter:

Met een schuin oog op het ordevoorstel van mevrouw Lahlah herinner ik u eraan dat de interrupties nu gemiddeld 1 minuut en 5 seconden duren. Ik ben eigenlijk geneigd om ze te gaan maximeren. We hebben tegen elkaar gezegd: laten we ze kort en bondig houden. Ze zijn nu gemiddeld langer dan een minuut. Laten we proberen om ze echt binnen 30 seconden te houden. Als dat lukt in dit blokje, laat ik het zo. Anders gaan we werken met nog een of twee interrupties in drieën.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik wil de minister ermee complimenteren dat hij zegt dat het niet per definitie oudere werknemers zijn die ziek zijn. Ik ergerde me aan de collega van JA21. De grootste groep die uitvalt, is tussen de 25 en 34 jaar. Heeft de minister suggesties over het wegnemen van de vooroordelen die er leven over oudere werknemers? Misschien kan een campagne of zoiets daarbij helpen.

Minister Aartsen:

Deze vraag moet ik even doorsturen naar de minister van Sociale Zaken, want die gaat over arbeidsdiscriminatie, waar dit ook onder valt.

De voorzitter:

Meneer Ceulemans, wilt u een persoonlijk feit maken?

De heer Ceulemans (JA21):

Ja, als dat "een persoonlijk feit" heet, dan heb ik een persoonlijk feit. Als mevrouw Van Brenk zich aan mij ergert, dan heeft ze totaal niet begrepen wat ik bedoelde. Ik probeerde het juist op te nemen voor oudere werknemers, omdat bij veel werkgevers het beeld leeft dat ...

De voorzitter:

Dat is geen persoonlijk feit. Nee, nee, nee. Meneer Ceulemans, we gaan geen debat voeren aan de interruptiemicrofoon. Dat gaan we niet doen.

De heer Ceulemans (JA21):

Mag ik vragen wat dan een persoonlijk feit is?

De voorzitter:

Nou, als u zich persoonlijk voelt aangesproken en u iets wilt rechtzetten. Maar dit is een inhoudelijk debat.

De heer Ceulemans (JA21):

Oké. Ik voel me persoonlijk aangesproken en ik wil bij dezen graag rechtzetten ...

De voorzitter:

Uitstekend. Dat heeft u net gedaan en dan gaan we nu naar mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik ben blij dat JA21 dit rechtzet.

De voorzitter:

Mensen, we gaan nu gewoon proberen dit debat ordentelijk te laten verlopen. Help mij daar ook een beetje bij. Het is laat op de avond. Ik stel voor dat de minister zijn betoog vervolgt.

Minister Aartsen:

Voorzitter. Ik heb nog twee grote blokken. De eerste gaat over de Wajong, meer specifiek het garantiebedrag, waar onder anderen mevrouw Lahlah naar vroeg. Ik ga daar wel een beetje tijd voor nemen, als u dat goedvindt, voorzitter. In alle eerlijkheid zeg ik dat dit wel een moeilijk dilemma is. In het vorige debat werd gesproken over stenen op de maag. Hier heeft u er een. Mevrouw Lahlah beschreef een persoon, Jesse. Ik weet niet of dat dé Jesse is. Nee? Ze had het over iemand met een Wajong-uitkering die werkt, vijf jaar lang, en dus eigenlijk doet wat wij van hem vragen of verwachten, namelijk: kijk wat je kan en doe mee, heb een baan en probeer op eigen benen te staan. Het feit dat iemand op eigen benen staat, betekent dat na vijf jaar de uitkering of het garantiebedrag wordt stopgezet. Ik denk dat het goed is om even terug in de tijd te gaan met elkaar.

In 2021 was er een wetsvoorstel ten aanzien van de Wajong. Daardoor kwam iedereen weer op nul. Als je vijf jaar lang meer verdient dan ten minste 75% van het maatmaninkomen, dat gemiddeld gezien ergens rond het minimumloon ligt, wordt je uitkering stopgezet. Op zichzelf is dat een vrij rechtvaardige regel. We hebben namelijk uitkeringen om mensen te helpen als zij het niet zelf kunnen. Op het moment dat je aantoont dat je het vijf jaar lang in je eentje kan, zonder enige vorm van ondersteuning — ik zeg hierbij dat ik zo wat dingen ga nuanceren — dan hoort daar ook bij dat de uitkering dan stopt. Als je een salaris hebt dat aangevuld wordt met een uitkering, dan is die regel wel rechtvaardig.

Voorzitter. Daar zit wel een keerzijde aan. Als we kijken naar wat er dan gebeurt, dan zien we het volgende. Vanaf 1 januari 2026 zou het gaan om bijna 12.000 mensen van wie de uitkering wordt beëindigd vanwege die periode van vijf jaar. Ik zeg u daarbij dat het vorige kabinet heeft besloten die termijn te verruimen naar 1 januari 2027. Dat gaat tegen de wet in. Ik denk dat het goed is om dat hier even te zeggen. Waarom doen we dat? Omdat het soms toch een enorm hard gelag is, hoe rechtvaardig het op een aantal terreinen ook is. Mensen raken namelijk wel een fors bedrag kwijt als hiervan sprake is. We zien dat er een groep mensen is voor wie dit onverwacht komt. Zij hebben hun leven hierop ingericht. Zij hebben een huis gekocht. Ze hebben alles hierop ingericht en raken dit bedrag in een keer kwijt. Dat is een hard gelag. Dat is het dilemma dat ik hier neerleg. Aan de ene kant is het rechtvaardig. Het past ook bij hoe we naar uitkeringen kijken. Je kunt niet tot het einde der tijden mensen én een uitkering geven én een minimumloon laten verdienen. Dat past ook niet bij hoe de Wajong is ingesteld. Tegelijkertijd doet een harde knip als deze wel gewoon pijn. Daar moeten we eerlijker over zijn en dat is ook waarom ik daar enorm mee worstel.

Als we inzoomen op deze groep, dan zien we dat voor ongeveer 7.200 mensen deze financiële klap mee lijkt te vallen. Daar is sprake van een zogeheten nuluitkering. Maar als we kijken naar een andere grote groep, dan zien we dat bij 3.400 mensen het garantiebedrag verdwijnt. Het gaat dan echt om forse aantallen euro's per maand, gemiddeld gezien om €750 bruto per maand. Als we dan verder kijken, zien we een groep van ongeveer 900 mensen voor wie het echt pijnlijk gaat worden als we dit doorvoeren.

Voorzitter. Ik zeg heel eerlijk richting deze Kamer dat dit het voor mij echt een moeilijke kwestie maakt. Aan de ene kant is dit de wet. Die wet is vijf jaar geleden in het samenspel tussen Kamer en kabinet tot stand gekomen. Mensen wisten, overigens ook in de geest van de wet, dat als ze op eigen benen staan, ze niet tegelijkertijd een uitkering en een volwaardig salaris kunnen ontvangen. Tegelijkertijd zijn dit ook mensen die doen wat we willen, namelijk meedoen, werken, op eigen benen staan en vooruitgaan. Nogmaals, het geeft mij buikpijn om te weten dat zij hier hun leven op hebben ingericht en dat dit ze zo hard raakt. Ik ga u toezeggen dat ik hier volgende week in het debat op terugkom. Ik bied hier namelijk een dilemma aan, maar geen oplossing. Ik zeg daar ook bij dat dat komt omdat de oplossing niet makkelijk is. Ik heb op ons ministerie gezocht naar de afdeling makkelijke oplossingen, maar die bleek al lange tijd gesloten te zijn als het gaat om dit onderwerp. Het wettelijk instrumentarium is hier beperkt. Tegelijkertijd — ik heb zelf deel uit mogen maken van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening — zien we dat de hardheden hier ook een plek moeten krijgen. Ik ga samen met het UWV kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat dit op een zorgvuldige, menswaardige en goede manier gebeurt. Maar ik vind het belangrijk om dit dilemma hier te schetsen en aan te geven waar we op dit moment staan.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik ben blij met de woorden van de minister. Alleen, woorden zijn nog geen daden. Ik probeer dus toch nog een keertje af te pellen om te kijken of we vandaag al iets kunnen bereiken met elkaar. Het verbaast me dat de minister en dit kabinet accepteren dat mensen in de Wajong, en dan juist degenen die werken, die dus precies doen wat we van ze vragen, vanaf 2027 honderden euro's per maand mis gaan lopen. Honderden euro's, dat is een groot bedrag. Legt de minister zich daarbij neer? Klopt het dat ik uit wat u net zei kan opmaken dat u dit accepteert en dat dit een gegeven is?

Minister Aartsen:

Dit is de wet. Dit is de wet waarover de Kamer en het kabinet in 2021 hebben besloten, dus …

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ja, oké …

De voorzitter:

Via de voorzitter, alstublieft.

Minister Aartsen:

Dus of we dit nu accepteren of niet, in de wet is geregeld dat het recht op een uitkering is komen te vervallen per 1 januari 2026. Dus we kunnen het accepteren of niet, maar dat is wat er in de wet staat. Dat is op dit moment de wettelijke status.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Lahlah.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik kom daar zo op terug. Erkent de minister dat de kern van het probleem een forse inkomensdaling is?

Minister Aartsen:

Ja, dat heb ik net geprobeerd te schetsen. Voor een gedeelte van deze groep is dat zeker een heel hard gelag. Dat is ook de reden dat ik hier buikpijn van krijg.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Is de minister dan bereid om de garantietermijn toch te behouden, ook ver na 2027? Want ik hoor de minister zeggen: "De wet geldt tot 2026. We hebben het een jaar verlengd. Dat kan eigenlijk niet, maar dat hebben we gedaan." Zouden we dat dus wat langer kunnen verlengen totdat we een structurele oplossing hebben, of dat nu het garantiebedrag is of iets vervangends? Is de minister ertoe bereid om dat ook voor de komende twee jaar, de tussenperiode, nog te verlengen?

Minister Aartsen:

Nu gaat mevrouw Lahlah op zoek naar de makkelijke oplossing waarvan ik vrees dat die niet bestaat. Daar moeten we ook gewoon eerlijk over zijn. We kunnen niet zomaar wetten aan de kant zetten met elkaar; daar moeten we eerlijk over zijn. Ik kan op een later moment terugkomen op hoe het exact technisch is geregeld ten aanzien van de periode. Dan heb ik het over 1 januari 2026 en 1 januari 2027. Maar dit is natuurlijk wel de situatie zoals die is. Dat is het juridische kader. Er zit natuurlijk ook een rechtvaardigheidsvraagstuk onder. Wanneer gaan we die uitkering dan stopzetten? Nooit? Gaan we dat garantiebedrag tot het einde der tijden blijven betalen voor mensen, terwijl hun buurman die het wettelijk minimumloon verdient exact hetzelfde kan maar dat niet krijgt omdat die toevallig nooit in de Wajong heeft gezeten een jaar of twintig geleden?

De voorzitter:

Bij zoveel retorische vragen ga ik er nog eentje toestaan.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dit is een heel lang antwoord dat andere vragen oproept en vraagt om een ander debatje. Wellicht kunnen we daar volgende week nog op doorgaan. Toch zou ik, als dat kan, in de tweede termijn graag horen welke juridische grondslag het mogelijk heeft gemaakt om het te verschuiven van 2026 naar 2027, zodat we ook verder kunnen kijken. Als je het hebt over rechtvaardigheid: het gaat om mensen met een Wajong-uitkering, met een beperking, die ondanks hun ziekte toch maximaal willen bijdragen aan de samenleving door te gaan werken. Dat hebben we gestimuleerd. Vervolgens zeggen we: we laten je in de steek. Dat vind ik niet rechtvaardig.

Minister Aartsen:

Ik vind het te makkelijk, sorry. "We" zeggen dat namelijk niet; dat staat in de wet. Die wet is ook aangenomen door de partijen waar mevrouw Lahlah over spreekt. Sterker nog, dit is er op aandringen van de oppositie in gebracht. Er is gezegd dat het vijf jaar is, niet tien jaar of zeven jaar. Nogmaals, ik leg hier het dilemma op tafel en ik ga graag met u het gesprek aan, maar als we hier gaan staan en alleen met makkelijke oplossingen komen ... Ik denk dat we hier echt over door moeten praten met elkaar. Ik ga de juridische grondslag aan mevrouw Lahlah geven. Dat doe ik in de tweede termijn.

De voorzitter:

Ja, dat was de vraag.

Minister Aartsen:

Maar laten we hier wel gewoon even met elkaar zeggen: we hebben het over een serieus probleem; daar horen serieuze oplossingen bij.

Mevrouw Biekman (D66):

Ik hoor het dilemma van de minister. Ik begrijp hem daarin ook. Toch geeft hij net aan dat we het hier volgende week in het debat verder over gaan hebben. Mijn vraag is dan: liggen er voor ons volgende week scenario's of maatregelen waar u aan denkt om dit dilemma op te lossen, zodat we met u mee kunnen denken? Zou u ons hier voorafgaand aan het debat schriftelijk over willen informeren?

Minister Aartsen:

Ik zal toezeggen dat ik u alles wat ik zojuist gezegd heb, ook over de doelgroepindeling, even schriftelijk laat toekomen. Ik denk dat dat helpt voor het debat, want, nogmaals, er zit een enorme variatie in. Als u wilt, kan ik u hierover ook nog een technische briefing aanbieden, want het is echt een verschrikkelijk complex dossier. Ik heb mij de afgelopen dagen speciaal laten bijpraten over hoe dit nou exact zit, want het is echt een hele ingewikkelde kwestie, zowel technisch gezien als wat betreft het rechtvaardigheidsdeel. Dat wil ik u dus toezeggen: we komen met een brief en met een technische briefing als u dat wenst. Ik weet niet of ik nu al panklare oplossingen heb. Als die er volgende week zijn, waren ze er vandaag namelijk ook al geweest. Laten we er met elkaar eens mee beginnen om dit probleem op tafel te leggen en door te spreken. U kunt er uiteraard van op aan dat wij ons uiterste best doen om te kijken wat er mogelijk is en wat je met die hardheden kunt doen, maar, nogmaals, dit blijft een dilemma.

Voorzitter. Dan kom ik bij het blokje zorg voor kinderen. Ik heb hier nog twee punten over. Het eerste gaat over de kinderopvang. We doen op dit moment hard ons best om te werken aan het wetsvoorstel dat ervoor moet zorgen dat wij na bijna 30 jaar voor het eerst een toeslag gaan afschaffen. Daar is al veel over gezegd en geschreven, maar het zou heel bijzonder zijn als ons dat gaat lukken in 2029. Nogmaals, dat is bijna 30 jaar na de invoering van de toeslagen. Dat zou dan de kinderopvangtoeslag zijn.

We gaan zorgen dat de kinderopvang zo goed als gratis wordt voor mensen die werken. Ik denk dat dat ervoor zorgt dat mensen niet alleen met een gerust hart hun kinderen bij de opvang brengen, omdat wij in Nederland een fantastisch, kwalitatief systeem van kinderopvang hebben, maar ook met een gerust hoofd, omdat ze zich geen zorgen hoeven te maken over terugvorderingen of rompslomp. Daar gaan we tempo mee maken. Ik heb in de afgelopen weken al mogen spreken met de kinderopvangsector. Ik wil graag samen met de sector kijken hoe we dat stelsel goed in kunnen richten, want daar zijn nog een aantal zorgen over. Het kabinet is een minderheidskabinet, dus ik denk dat het belangrijk is om echt samen te werken met de sector. Ik hoop daarover ook snel weer met u als Kamer van gedachten over te wisselen. Ik zal u op de hoogte houden van hoe die gesprekken met de sector lopen.

Voorzitter. Dan de kindregelingen. Daarin zit ook een belangrijke stap die dit kabinet hoopt te gaan zetten. We hebben op dit moment twee kindregelingen: de algemene kinderbijslag, een vast bedrag voor iedereen, en het kindgebonden budget, een inkomensafhankelijk deel. Ook dat is een toeslag die inmiddels vrij breed wordt toegekend, misschien zelfs iets te breed, denk ik, als we kijken naar de oorspronkelijke bedoeling van het kindgebonden budget. We zien dat er twee verschillende regelingen zijn, dat er twee verschillende wettelijke kaders zijn, dat er twee verschillende uitvoerders zijn. De ene regeling is een vast bedrag per kwartaal, de andere een inkomensafhankelijk bedrag per maand, met een andere uitvoerder en een andere opgaaf.

Het zijn belangrijke regelingen. In de eerste termijn werd al gesproken over ouders die geld tekortkomen voor kleding, brillen, schoolspullen, knuffeltjes. Dit soort regelingen zorgt er echt voor dat mensen met een dunne portemonnee ook dit soort zaken kunnen doen. Ik ben er heel trots op dat dit kabinet structureel bijna 600 miljoen gaat uittrekken voor een nieuwe regeling. Wat mij betreft gaan we die regelingen samenvoegen, maar er komt een nieuwe regeling om ervoor te zorgen dat we gezinnen met kinderen goed kunnen ondersteunen. We kijken daarbij naar wat slimme keuzes zijn. Ik hoop voor de zomer of rond de zomer uw Kamer te kunnen informeren over hoe de contouren en de uitgangspunten er wat mij betreft uitzien, zodat we daar ook het debat over aan kunnen gaan in de Kamer.

De heer Flach (SGP):

Dat laatste is een van de plannen van dit kabinet waar de SGP enthousiast over is. Wij pleiten al langer voor één kindregeling. Het zou mooi zijn als daar ook nog de kinderopvangtoeslag aan toegevoegd zou kunnen worden. Dat is iets ingewikkelder.

Minister Aartsen:

Die willen we afschaffen.

De heer Flach (SGP):

Nou, daar moeten we het dan nog maar een keer over hebben. Ik heb in mijn termijn ook nog iets gezegd over de parallel met Vlaanderen. De minister zal in Europees verband regelmatig zijn Belgische collega spreken. Welke nieuwe ideeën zouden daar nog op te halen zijn, ook op dit beleidsterrein? Wat zouden wij kunnen doen om de stappen te zetten die de Belgen al jaren geleden hebben gezet?

Minister Aartsen:

Het zijn natuurlijk de Vlamingen die dat hebben gedaan. Dat zeg ik even voor de goede orde. Er zijn wel een aantal interessante punten. Vooral de zekerheid die daaraan vasthangt, is een belangrijke. Dat het één regeling is, is heel interessant. Het is ook interessant dat de regeling wordt opengesteld als je de kosten maakt, bijvoorbeeld bij een geboorte. Dat zijn zeker interessante elementen. Nogmaals, de uitgangspunten, of de contouren, ga ik uiteenzetten. Die zet ik in een brief aan uw Kamer, want daar heeft u ongetwijfeld opvattingen over. Het lijkt mij verstandig om dat in die volgorde te doen: wij sturen de contouren naar uw Kamer, u reageert daarop en dan gaan we met de uitvoering aan de gang.

De heer Flach (SGP):

Prima. Dat debat voer ik graag later. Ik weet dat u de collega van Vlaanderen niet tegenkomt in Brussel, maar wellicht wel in andere verbanden. O ja, misschien ook wel in Brussel, maar dan op een andere plek. Wat we geleerd hebben tijdens ons werkbezoek daar, is dat België al in een veel vroeger stadium een mate van gegevensuitwisseling heeft toegepast die de basis is van dat succes. Misschien zit daar wel een belangrijke bottleneck. Ik zou de minister willen vragen om ook daarop in die brief in te gaan. Welke belemmeringen kennen wij in Nederland bij de gegevensuitwisseling en op dat soort vlakken?

Minister Aartsen:

Ik kan toezeggen dat we daarop ingaan.

Voorzitter. Ik heb nog één laatste vraag en dat is de vraag van mevrouw Lahlah over proactieve dienstverlening. Het desbetreffende wetsvoorstel ligt op dit moment bij uw Kamer. Ik hoop dat u dat snel kunt gaan behandelen. Ik kom dan in ieder geval en de minister van Sociale Zaken misschien zelfs ook. We moeten even kijken of we daar een voordeel uit kunnen halen. We hopen daarover in ieder geval snel met u van gedachten te wisselen. Ik denk dat het voor de gegevensuitwisseling een goede stap is om de ruimte te bieden die er is. Ik moet daar nog wel twee voorbehouden bij maken. Ik denk dat het belangrijk is dat het niet alleen maar gaat om niet-gebruik bij uitkeringen, maar dat de focus ook wordt gelegd op dienstverlening rondom werk en meedoen, zodat er voor wat betreft dat aanbod ook een centrale rol komt. Dat gebeurt dan eigenlijk vanuit de filosofie dat iedereen daarvan gebruik zou moeten maken. Ook moeten we in het kabinet nog even goed kijken naar de financiële situatie en naar de begroting, want die staat er op dit moment niet florissant bij. We hopen hierover snel met uw Kamer te spreken.

Dat waren mijn vragen, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Patijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik stond even te wachten op het einde.

De voorzitter:

Ik dacht dat u al klaarstond voor uw termijn.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Neeneenee. Dan had ik een heel ander mapje in mijn hand gehad. Ik heb een heel andere vraag en die gaat over de formatie zelf. In het overzicht van de lijst met informele vragen die op 30 januari is gepubliceerd, kwam ik niet één vraag tegen aan het ministerie van Sociale Zaken. Toch is er 6,5 miljard aan bezuinigingen opgevoerd. Deze minister zat zelf aan die onderhandelingstafel. Kan hij uitleggen hoe dat kan?

Minister Aartsen:

Nou gaat het heel schizofreen worden. Ik sta hier op dit moment als minister van Werk en Participatie, een verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken. In mijn vorige hoedanigheid, als Kamerlid van de VVD — dat geldt overigens ook voor de heer Vijlbrief, die Kamerlid van D66 was — nam ik deel aan de formatiegesprekken over dit onderwerp. De verantwoording daarover heeft plaatsgevonden in het debat met de informateur. Ik kan nu allerlei dingen uit mijn eigen geheugen gaan opgraven, maar dat lijkt mij onverstandig. Ik kijk ook even naar de voorzitter. Ik sta hier nu in een andere hoedanigheid. Ik wil u die informatie ongetwijfeld graag geven, maar als die vragen leven, moeten we kijken hoe we dat ordentelijk doen, want daar hebben we een speciaal Bureau Kabinetsformatie voor gehad.

De voorzitter:

Het is in ieder geval geen onderdeel van de beraadslaging over de begroting nu.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Oké, voorzitter. Het is duidelijk dat die ruimte nu niet gegeven wordt. Ik zou toch wel heel graag duidelijk willen hebben of deze minister het verstandig vindt om zulke grote bezuinigingen door te voeren zonder dat aan het ministerie vragen zijn gesteld over de consequenties daarvan. Wij zien daar immers nu de gevolgen van.

Minister Aartsen:

Mevrouw Patijn vraagt mij nu te reflecteren op aannames over een proces dat is doorlopen en begeleid, ten aanzien van de kabinetsformatie. De informateur heeft daar destijds verantwoording over afgelegd. Ik snap dat de vragen er zijn, maar het lijkt me verstandig die op een andere plek te stellen, want ik kan hier niet goed op antwoorden.

De voorzitter:

Nee, dat zou ik gewoon niet doen.

Minister Aartsen:

Dat wordt heel ingewikkeld.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Ik kan alleen maar concluderen dat het eigenlijk feitelijk gewoon de situatie is geweest. Ja, zeker wel, minister, want er is geen enkele vraag gesteld in dat informele overleg. Dat duidt óf op cynisme, óf op amateurisme. Ik kan daar niks anders van maken.

Minister Aartsen:

Voorzitter, daar ga ik echt afstand van nemen, als u dat goedvindt. Desnoods met een persoonlijk feit. Dit gaat niet over de minister van Werk of de minister van Sociale Zaken, dit gaat over ons als privépersonen in een vorige functie. Ik ga daar dus wel een persoonlijk feit over maken. Als deze vragen er zijn, en ik kan me voorstellen dat die er zijn, stel ze dan via de geëigende weg, zoals gebruikelijk. Daar kunnen de Voorzitter en de Griffier ongetwijfeld bij helpen. Degenen die erover gaan, zullen dan zorgen dat die vragen netjes worden beantwoord. Het is een beetje lullig om nu te zeggen: deze minister kan hier geen antwoord op geven, dus concluderen we maar dit, dit en dit.

De voorzitter:

Helder. We gaan nu … Sorry.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog één laatste vraag, want de reactie over de proactieve dienstverlening puzzelde me even. Ik ben aan het kijken of ik het nu goed heb begrepen in de interpretatie van de minister. Hij vertelde dat hij de wet in de Kamer legt, dat we het niet-gebruik willen terugdringen, maar dat we daar ook voorzichtig in moeten zijn gezien de begroting en het budget van het ministerie. Moet ik daar nu uit concluderen dat deze minister blij is als regelingen niet worden gebruikt door de mensen die er recht op hebben, omdat er dan budget overblijft? Dat kan ik me bijna niet voorstellen.

Minister Aartsen:

Wat ik aangeef is dat er om allerlei redenen nu allerlei wetsvoorstellen in de Kamer liggen, bij de Raad van State liggen en op andere plekken ter internetconsultatie liggen waarvoor ook budgetten zijn uitgetrokken. Dat is op dit moment de situatie. De minister van Sociale Zaken heeft daar al over gezegd dat de situatie op dit moment niet florissant is. Dat betekent dat je breed gaat kijken hoe we de tering aan de nering kunnen zetten. Nogmaals, het geld komt niet uit de hemel gevallen. Het zal linksom of rechtsom uit de begrotingen moeten worden gehaald. Het kabinet zal daar op de geëigende momenten, bij de voorjaarsnotabesluitvorming en de augustusbesluitvorming, ook de Kamer over informeren. Ik vind het wel gepast om hier te zeggen dat wij op dit moment op alle plekken aan het kijken zijn hoe je de financiële situatie rond kan krijgen.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dit antwoord stelt me niet gerust. Begrijp ik dan toch goed dat een van de mogelijkheden om de begroting te dichten is om ook te kijken naar het in stand houden van het niet-gebruik? Is dat nu wat u zegt? Dat vind ik echt bijzonder stuitend.

De voorzitter:

Tot slot de minister.

Minister Aartsen:

Wij bekijken op dit moment voor alle wetsvoorstellen die in de Kamer liggen, die bij de Raad van State liggen en die in internetconsultatie zijn hoe de dekking eruitziet en hoe we daarmee omgaan. Dat is op dit moment de situatie. Dat is niet omdat we het leuk vinden, maar omdat de financiële situatie op dit moment niet florissant is.

De voorzitter:

Daarmee komt er een einde aan de eerste zijde van het kabinet. We gaan gelijk door met de tweede termijn van de zijde van de Kamer, met als eerste spreker mevrouw Patijn. Zij spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Termijn inbreng

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. De verlaging van het maximumdagloon heeft enorme inkomensgevolgen voor alle mensen in werknemersverzekeringen, dus voor de mensen die ontslagen worden bij Chemours, Tata en Batavus, voor de mensen die ziek zijn van het werken in ploegendienst, voor de vrouwen met recht op zwangerschapsverlof en de mensen die nu al in de WIA zitten. Al deze mensen moeten tot €926 inleveren als gevolg van de bezuinigingsplannen van het kabinet, en dat terwijl het vermogen in de fondsen 55 miljard is en er jaarlijks 10 miljard meer binnenkomt aan premies dan eruit gaat. Daarom heb ik de volgende moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om het verlagen en verkorten van het maximumdagloon van tafel te halen voor mensen met een werkloosheidsuitkering (WW),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 43 (36800-XV) (#43).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om het verlagen en verkorten van het maximumdagloon van tafel te halen voor mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WIA en WAO),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 44 (36800-XV) (#44).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om het verlagen van het maximumdagloon van tafel te halen voor mensen met recht op loondoorbetaling bij ziekte en een ziektewetuitkering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 45 (36800-XV) (#45).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om het verlagen van het maximumdagloon van tafel te halen voor mensen met zwangerschapsverlof, bevallingsverlof, geboorteverlof en ouderschapsverlof,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn en Moorman.

Zij krijgt nr. 46 (36800-XV) (#46).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om het verlagen van het maximumdagloon van tafel te halen voor alle bestaande gevallen in alle uitkeringen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 47 (36800-XV) (#47).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik nog een motie over de AOW.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het minderheidskabinet elke dag opnieuw steun zal moeten verdienen in het parlement, bij maatschappelijke partners en in de samenleving;

overwegende dat het kabinet in het pensioenakkoord afspraken heeft gemaakt met werkgevers, vakbonden en oppositiepartijen over een tragere stijging van de AOW-leeftijd;

overwegende dat het minderheidskabinet in strijd met deze afspraken voorstelt de AOW-leeftijd versneld te verhogen door de stijging van de AOW-leeftijd een-op-een te koppelen aan de stijging van de levensverwachting;

overwegende dat de verwachtingen met betrekking tot de houdbaarheid van de AOW sinds het sluiten van het pensioenakkoord in 2019 flink zijn verbeterd;

verzoekt de regering de relatie met de vakbeweging te herstellen en de AOW-leeftijd niet versneld te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Patijn.

Zij krijgt nr. 48 (36800-XV) (#48).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat is besloten de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten per 2027 af te schaffen, wat een inkomensverlies van €220 netto betekent;

overwegende dat de afschaffing gemotiveerd werd door de verlaging van het eigen risico in de zorg, maar dat dit nu wordt verhoogd;

verzoekt de regering de voorgenomen afschaffing van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn en Bushoff.

Zij krijgt nr. 49 (36800-XV) (#49).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

De laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mannen meer verdienen dan vrouwen voor hetzelfde werk en dat dit vrouwen 1,9 miljard per jaar kost;

verzoekt de regering om de loonkloof te bestrijden door het instellen van informatierecht voor de ondernemingsraad, een verplichte salarisindicatie in vacatureteksten en een verbod om te vragen naar het laatstverdiende loon,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Patijn en Moorman.

Zij krijgt nr. 50 (36800-XV) (#50).

Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Lahlah. Ook zij spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de bewindspersonen voor de beantwoording. Ik heb nog drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer met brede steun via het amendement-Grinwis c.s. en de motie-Timmermans c.s. heeft verzocht om deze winter gerichte inkomensondersteuning te bieden aan huishoudens die hun energierekening niet kunnen betalen;

constaterende dat de geopolitieke spanningen en de oorlog in en rond Iran hebben geleid tot stijgende energieprijzen en de koude winter van '25-'26 zorgden voor een verhoogd energieverbruik, waardoor huishoudens hogere jaarafrekeningen zullen krijgen;

constaterende dat het kabinet heeft uitgesproken te blijven werken met een noodfonds energie om mensen met een kleine portemonnee gericht te ondersteunen bij hun energiekosten;

overwegende dat het Tijdelijk Noodfonds Energie een bestaande uitvoeringsstructuur biedt waarmee op korte termijn nog in de winter van '25-'26 gerichte ondersteuning kan worden geboden aan huishoudens met hoge energielasten;

verzoekt de regering om met spoed de heropening van het Tijdelijk Noodfonds Energie te verkennen door in gesprek te treden met de energiesector en het Tijdelijk Noodfonds Energie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah, Kröger, Biekman, Hamstra, Kostić, Van Brenk en Ergin.

Zij krijgt nr. 51 (36800-XV) (#51).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er nog onvoldoende zicht is op de gevolgen van de beoogde maatregelen van de coalitie op het gebied van zorg en sociale zekerheid voor verschillende groepen in de samenleving;

overwegende dat het Nibud op verzoek van de Kamer eerder de effecten van regeerbeleid voor voorbeeldhuishoudens inzichtelijk heeft gemaakt;

verzoekt de regering om het Nibud te vragen om een doorrekening van de kabinetsplannen voor diverse voorbeeldhuishoudens, waarbij de stapeling van maatregelen op zowel sociale zekerheid als in de zorg worden meegenomen in samenhang met inkomenspolitiek,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah, Patijn, Kostić en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 52 (36800-XV) (#52).

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

De derde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen met een Wajong-uitkering wettelijk recht hebben op kwijtschelding van lokale belastingen, maar dit in de praktijk vaak niet gebeurt door een onbedoelde samenloop van wetten en regels;

overwegende dat de Nationale ombudsman waarschuwt dat mensen hierdoor in financiële problemen komen en al in 2023 opriep tot een oplossing, die tot op heden uitblijft;

overwegende dat dit voor mensen met een arbeidsbeperking kan betekenen dat ze honderden euro's per jaar minder te besteden hebben;

verzoekt de regering een structurele oplossing uit te werken, zodat mensen met een Wajong-uitkering niet meer onterecht kwijtscheldingen mislopen en daardoor in de financiële problemen komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lahlah, Ergin, Van Brenk, Kostić en Ceder.

Zij krijgt nr. 53 (36800-XV) (#53).

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Tot slot, voorzitter.

De voorzitter:

U kunt even ademhalen. Ik ga u even helpen. U heeft een hoop medeondertekenaars en die heeft u niet genoemd. Die zal ik even noemen voor de Handelingen.

De motie op stuk nr. 51 over het tijdelijke meldpunt energie is medeondertekend door de leden Kröger, Biekman, Hamstra, Kostić, Van Brenk en Ergin.

De motie op stuk nr. 52 over het Nibud en de doorrekening door leden Patijn, Kostić en Van Brenk.

Dan nog de motie op stuk nr. 53: Ergin, Van Brenk, Kostić en Ceder.

Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):

Dat klopt. Dank u wel, voorzitter.

Tot slot. De afgelopen week was er veel aandacht voor de schorsing tijdens de iftar in de Tweede Kamer, ook tijdens deze begrotingsbehandeling. Belangrijker dan het moment is wat deze tijd van ons vraagt. Juist nu de christelijke vastentijd en de ramadan samenvallen, zou het niet ingewikkeld moeten zijn om oog te hebben voor wat deze periodes gemeen hebben: bezinning, discipline en medemenselijkheid. Misschien zouden juist die waarden in dit huis wat vaker leidend mogen zijn. Daarom wens ik vanaf hier iedereen die de christelijke vastentijd, ofwel Lent, beleeft een goede, gezegende periode toe en alle moslims die morgen Eid vieren een gezegend feest, Eid Mubarak, Hayirli Bayramlar. En vrij naar Michelle Obama: als het hier soms wat zuur wordt, kiezen wij vandaag voor iets zoets. Buiten ligt voor iedereen een zoete traktatie. Fijne feestdagen!

(Geroffel op bankjes)

De voorzitter:

Dank u wel. Dat wordt vast gewaardeerd straks. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Neijenhuis. Hij spreekt namens de fractie van D66.

De heer Neijenhuis (D66):

Voorzitter. Als er één boodschap centraal stond in dit debat, dan was het volgens mij "aan de slag". Nederland heeft een arbeidsmarkt en sociale zekerheid om trots op te zijn, maar we hebben hervormingen nodig om het ook voor de toekomst zo te houden. Te lang hebben we problemen geconstateerd, rapporten gelezen en analyses gemaakt zonder dat daar voldoende verandering op volgde. Bijvoorbeeld op het gebied van arbeidsmigratie. We blijven er aandacht voor houden, maar het is goed dat de minister, al was het in blessuretijd van zijn bijdrage, in ieder geval de ambitie uitsprak om maatregelen, zoals een uitzendverbod voor specifieke sectoren, echt goed te gaan voorbereiden.

Het is ook goed dat we hebben gesproken over onze veranderende arbeidsmarkt. We hebben op zoveel plekken zoveel mensen nodig: in de zorg, in de bouw en in de techniek. We lopen vast zonder hen, maar het gebeurt niet vanzelf. Daar is onderwijs voor werkenden keihard voor nodig. Iedereen erkent het wel, maar doorbraken bleven uit. Ik ben blij met de enthousiaste reactie vanuit het kabinet om hierop door te pakken. Op één punt maak ik me nog zorgen en daarom kom ik met een motie. Het is namelijk belangrijk dit beleid op die sectoren te richten waar grote uitdagingen liggen. Dat moet dan wel aansluiten op al het andere sectorbeleid. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet een nieuw instrument voor onderwijs voor werkenden wil oprichten, dat gericht wordt ingezet voor tekortsectoren en kansrijke beroepen;

overwegende dat elders in het akkoord ook maatregelen worden gericht op specifieke sectoren, zoals een strategisch industriebeleid en de talentstrategie;

overwegende dat gerichte maatregelen met name effectief zijn wanneer ze elkaar versterken in plaats van tegen elkaar in werken;

verzoekt de regering om tot een samenhangend plan te komen tussen departementen voor het kiezen van sectoren voor gericht beleid, waarbij in ieder geval de arbeidsmarkttekorten binnen de zorg, bouw en techniek geadresseerd worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis, Van Ark en Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 54 (36800-XV) (#54).

De heer Neijenhuis (D66):

Verder is het goed dat we hebben gesproken over het vraagstuk rondom arbeidsongeschiktheid. Dank voor de beantwoording. Dat er nu een hele week tussen vragen en antwoorden zit, leverde net een rare gewaarwording en een vreemd interruptiedebat op. Er kan nog een boel in de tussentijd gebeuren, zoals een minister van Financiën die terloops een tegenvaller op de WIA meedeelt. Die tegenvaller loopt op tot 1 miljard of meer, maar de precieze cijfers moeten nog worden medegedeeld.

Voorzitter, dat kan natuurlijk niet. Een ordentelijk begrotingsproces met begrotingsregels hebben we niet voor niets. Minister Zalm stelde, toen hij minister van Financiën werd, terecht vast dat het niet te doen was als er iedere week weer een nieuwe claim of tegenvaller opdook. Daarom doet het kabinet sindsdien, al decennialang, op één moment in het voorjaar de besluitvorming over alle uitgaven met alle mee- en tegenvallers samen. Wat ons betreft was dit dus eens maar nooit weer.

Voorzitter. De hogere instroom die deze week bekend werd, staat natuurlijk niet op zichzelf. De cijfers waren al zeer verontrustend. Maar achter die cijfers zitten mensen. Mensen die ziek worden en afhankelijk zijn van een systeem dat vastloopt. Het systeem fiksen is stap één, maar laten we er ook voor zorgen dat mensen überhaupt niet arbeidsongeschikt worden.

Over de sterke stijging van arbeidsongeschiktheid onder jonge vrouwen maak ik mij met name zorgen. Jonge mensen met een heel leven voor zich vallen duurzaam uit de arbeidsmarkt. Veel onderzoek naar gezondheid is vooral op mannen gericht. Daardoor weten we er simpelweg nog te weinig over waarom vrouwen vaker uitvallen en wat we kunnen doen om dat te voorkomen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het ibo WIA blijkt dat de instroom in de WIA sinds de invoering bijna is verdubbeld, terwijl het aantal vrouwen met een psychische aandoening in de WIA zelfs meer dan verdubbeld is;

overwegende dat de onderliggende oorzaken hiervan nog onvoldoende in beeld zijn en medisch onderzoek nog altijd te veel gericht is op mannen;

overwegende dat in het coalitieakkoord is afgesproken te werken aan een Nationale Strategie Vrouwengezondheid tot ten minste 2030;

verzoekt de regering een plan op te stellen voor meer inzicht in de onderliggende oorzaken voor de grote uitval van met name jonge vrouwen op de arbeidsmarkt, vervolgens tekortkomingen en oplossingsrichtingen in beleid in kaart te brengen, en de Kamer hierover voor de volgende begrotingsbehandeling SZW te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Neijenhuis, De Beer, Van Ark en Ceder.

Zij krijgt nr. 55 (36800-XV) (#55).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik had bij de eerste motie eigenlijk mijn naam graag willen horen. Zou ik nog onder de eerste motie van de heer Neijenhuis kunnen? Dat scheelt weer allemaal administratie.

De voorzitter:

Zeker, uiteraard. Excuses dat dat niet is overgekomen.

De heer Neijenhuis (D66):

Voorzitter, het laatste punt. Dat is heel belangrijk. Het kwam net ook al aan de orde in een interruptiedebat. Dat is dat we de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen ook terugzien in de combinatie tussen arbeid en zorg voor pasgeboren kinderen. Ik vond het heel mooi om in het interruptiedebat van de minister te horen dat hij hierin echt aan een oplossing gaat werken. We zijn erg blij met die toezegging.

Tot zover. Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Edgar Mulder. Hij spreekt namens de PVV. O, excuus. Zo zie je maar weer: hoe later op de avond … Ik sla mevrouw Biekman zomaar over. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Biekman (D66):

Voorzitter. Ik dank nogmaals de minister en mijn collega's hier in de Kamer voor het goede debat dat we vandaag en vorige week hebben gevoerd over deze belangrijke onderwerpen.

Zoals ik vorige week al zei: meedoen in onze samenleving gaat niet alleen over cijfers of beleid. Het gaat over mensen, over kansen, over de ruimte die mensen hebben en voelen om hun leven op te bouwen. Er zijn goede stappen gezet in de aanpak van armoede. Tegelijkertijd hoor en zie ik dat het nog niet voor iedereen het verschil maakt dat we willen. Precies daar moeten we beter in worden, te beginnen met het vergroten van de vindbaarheid van bestaande regelingen. Ik dank de minister voor de toezegging om in gesprek te gaan met de Divosa en de regeling voor alleenverdieners vindbaarder te maken. Ik heb het ook gehad over het verkleinen van verschillen tussen gemeenten. Sommige gemeenten bieden ruime regelingen en duidelijke informatie, terwijl andere gemeenten achterblijven. Dat moeten we eerlijker en eenvoudiger maken.

Voorzitter. Dan het noodfonds. Met de stijgende energieprijzen zijn er veel mensen in Nederland die zich er zorgen over maken of ze de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Ik ben dan ook blij om te zien dat het kabinet aan de slag wil met het Noodfonds Energie, zodat mensen met geldzorgen weer ergens terechtkunnen. Kamerlid Hamstra zal hierover een motie indienen die ik meeonderteken. We krijgen ook signalen dat het huidige tijdelijke noodfonds uiterlijk in april duidelijkheid moet hebben over de vervolgstappen. Daarom heb ik de motie van collega Lahlah meeondertekend. Volgens mij kan dat namelijk wat eerder.

Voorzitter. Zoals gezegd verdienen jongeren in een kwetsbare positie een tweede eerlijke kans. Ze hebben juist ondersteuning nodig. Daarom zal ik het amendement van collega Ergin meeondertekenen.

Tot slot, voorzitter. Voor mij gaat het uiteindelijk om iets heel eenvoudigs. Het gaat erom dat mensen niet vast blijven zitten, maar weer verder kunnen en dat je niet hoeft te weten waar je moet zoeken om geholpen te worden, maar dat die hulp er gewoon is.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan nu toch de heer Edgar Mulder namens de fractie van de PVV.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Voorzitter. Ik weet eigenlijk niet of ik complimenten moet geven voor het debat. Ik vond het wel prettig dat we opeens met z'n allen weer weten wat vrouwen zijn. Dat punt kwam eerder vandaag op, en in de bijdrage van de heer Neijenhuis. Die groep is opeens weer heel duidelijk afgebakend en daar komt beleid voor; laat ik dat als winst zien.

Voorzitter. Het is de laatste weken wel duidelijk geworden dat deze coalitie een coalitie voor elitair en welvarend Nederland is. De koopkrachtgroei van de laatste jaren komt volledig tot stilstand en de armoedecijfers stijgen helaas weer. Mevrouw Biekman zei net dat er goeie stappen gezet zijn, maar laten we met elkaar constateren dat de armoede toeneemt. Daar lijkt mij niks goeds aan. D66 vindt dat misschien niet erg voor de mensen die de gevolgen van dat beleid ondervinden, maar die mensen vinden dat wel erg. Daarom heb ik de volgende motie, maar ik zal even wachten.

De voorzitter:

Ja, we gaan eerst even de interruptie doen.

Mevrouw Biekman (D66):

Dat was natuurlijk een klein beetje uitlokking. Volgende week hebben we het commissiedebat over armoede en schulden, maar de heer Mulder moet nu ook eerlijk zijn: de armoede is in de afgelopen periode gedaald. Laat mij duidelijk zijn: elke persoon die in armoede zit, elk cijfertje, is er een teveel. Maar als je kijkt naar waar we vandaan komen, dan zie je in 2018 7,1% en in 2025, 2026 en 2027 komen we op 2,5%. Dat moet dan ook gewoon gezegd worden.

De voorzitter:

Mulder.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Als reply daarop zeg ik in goed Nederlands dat mevrouw aangeeft waar het probleem zit. We kwamen van 7%. We gingen vorig jaar terug naar 2,5%. Het loopt nu weer op naar 2,7%. Dat is een trendbreuk en dat is jammer. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland ...

Nee, dit is de verkeerde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de voorgenomen verlaging van het maximumdagloon een groot effect heeft op het inkomen van veel mensen;

verzoekt de regering af te zien van de verlaging van het maximumdagloon,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Edgar Mulder.

Zij krijgt nr. 56 (36800-XV) (#56).

De heer Edgar Mulder (PVV):

Dan wilt u van mij die motie hebben. Ik hoor minister Aartsen "motie van wantrouwen' zeggen, maar die komt nog. We gaan je daar niet gelijk bij het eerste debat mee verwennen.

Voorzitter. Dit nieuwe kabinet is een rommeltje. Dat hebben veel collega's hier vandaag ook geconstateerd. Plannen komen en verdwijnen weer, met een enkele opmerking, zonder overleg of toelichting. Voordat de heer Vijlbrief in vak K zat, zou hij dat "amateuristisch" noemen, maar dat laat ik verder aan hem. Hij heeft verteld dat de verhoging van de AOW-leeftijd ondertussen op ijs ligt, maar dat is niet voldoende voor ons. Die maatregel moet volledig weg. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederlanders al veel langer moeten werken dan mensen in andere Europese landen;

verzoekt de regering af te zien van de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Edgar Mulder en Wilders.

Zij krijgt nr. 57 (36800-XV) (#57).

De heer Edgar Mulder (PVV):

Jezus, wat een zooitje hier.

De voorzitter:

Nou, nou, nou, nou.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Excuus, voorzitter.

De voorzitter:

Wat een taalgebruik, en dat net na het mooie betoog van mevrouw Lahlah.

De heer Edgar Mulder (PVV):

Ja, ik weet het; het leven is hard.

De voorzitter:

Er zit vast nog een motie tussen.

De heer Edgar Mulder (PVV):

De plannen rondom arbeidsmigratie moeten nog verder worden uitgewerkt door minister Aartsen. Kamerlid Aartsen vertelde echter altijd dat hij arbeidsmigratie wilde verminderen. Ik hoop dus dat hij blij is met de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat te veel arbeidsmigranten druk legt op onze woningmarkt, zorg en publieke voorzieningen;

verzoekt de regering de tewerkstellingsvergunningen voor arbeidskrachten uit EU-landen in te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Edgar Mulder en Boon.

Zij krijgt nr. 58 (36800-XV) (#58).

De heer Edgar Mulder (PVV):

Er leven veel niet-Nederlanders in ons land die de taal niet spreken, maar ons wel heel veel geld kosten, omdat ze geld ontvangen. Dat belastinggeld is opgebracht door Nederlanders en daar mag iets tegenover staan. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het beheersen van de Nederlandse taal een voorwaarde is voor het verkrijgen van een uitkering;

constaterende dat er gemeenten zijn waar bestuurders de taaleis niet willen handhaven;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat alle gemeenten de wet handhaven en uitvoeren, inclusief alle sancties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Edgar Mulder.

Zij krijgt nr. 59 (36800-XV) (#59).

De heer Edgar Mulder (PVV):

En de allermooiste heb ik tot het laatst bewaard, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal AIO-uitkeringen enorm snel oploopt;

overwegende dat het niet uit te leggen is dat immigranten een oudedagsvoorziening krijgen die bijna gelijk is aan het bedrag dat Nederlanders ontvangen die hier al hun hele leven wonen;

verzoekt de regering de regeling zo aan te passen dat je pas recht hebt op een AIO-uitkering, als aanvulling op je AOW, indien je minimaal tien jaar in Nederland hebt gewoond,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Edgar Mulder.

Zij krijgt nr. 60 (36800-XV) (#60).

De heer Edgar Mulder (PVV):

Als laatste iets wat ik vergeten ben. U heeft dat net gezien.

De voorzitter:

Een naam.

De heer Edgar Mulder (PVV):

De motie die ik indiende over de AOW is meeondertekend door de heer Wilders. Dank u wel. Ik sta in het rood en daarom dank voor uw coulance.

De voorzitter:

Geen enkel probleem. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Michon en zij spreekt namens de VVD.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Ik dank beide bewindslieden. Ik vind dat ze na 23 dagen in functie te zijn goed in de materie zitten. Tegelijkertijd horen we dat er nog ontzettend veel werk te verzetten is.

In eerste termijn ging een heel groot deel van het debat over mensen die niet kunnen werken omdat ze fysiek niet gezond genoeg zijn en over mensen in armoede. We moeten dan ook helpen waar dat kan. Wanneer ik dat zeg, kijk ik de heer Dijk aan, want dat kost wel geld. En dat geld moet worden opgebracht door mensen die werken en mensen die werken, werken bij bedrijven die banen creëren. Daar begint het dus mee. We moeten de arbeidsproductiviteit verhogen. We moeten meer mensen hebben die werken en mensen moet meer gaan werken. Dat was eigenlijk de hoofdlijn van mijn betoog in eerste termijn. We moeten mensen aan het werk zien te krijgen, want er zijn nu ongelooflijk veel banen.

Een van de dingen die mij dan echt steken, is dat 50% van de statushouders nog in de bijstand zitten. Dat is al een aantal keer langsgekomen, want dat kan echt niet. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de arbeidsparticipatie van statushouders ver achterblijft bij het landelijk gemiddelde, ook na vijf jaar;

constaterende dat pilots zoals Statushouders aan het werk aantonen dat gerichte begeleiding via taalonderwijs, werkgeversbegeleiding en directe plaatsing in zogenoemde startbanen effectief is;

overwegende dat integratie om de taal te leren, een netwerk op te bouwen en bij te dragen aan de samenleving begint bij werk;

overwegende dat in een krappe arbeidsmarkt met stijgende uitkeringslasten het onacceptabel is dat statushouders jarenlang aan de kant blijven staan, terwijl bewezen aanpakken onvoldoende worden opgeschaald bij gebrek aan middelen;

overwegende dat arbeidsparticipatie de meest directe route is naar zelfredzaamheid, vermindering van bijstandsafhankelijkheid en ontlasting van de sociale zekerheid;

verzoekt de regering bewezen arbeidsmarktprogramma's voor statushouders op te schalen en werk een prominentere plaats te geven binnen het inburgeringstraject,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 61 (36800-XV) (#61).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Dat gaat over aan het werk krijgen, maar we hebben ook "aan het werk houden". Gezond en met plezier werken tot aan je pensioen. Dat moet ook waar dat nodig is in combinatie kunnen met zorgtaken, voor een kind of later in een andere fase als mantelzorger. Je moet nadrukkelijk ook na je 50ste nog steeds gezond en met plezier werken. Dat vraagt iets van werknemers, bijvoorbeeld Leven Lang Ontwikkelen, maar ook iets van werkgevers. Ik hoorde dat in de bijdrage van minister Vijlbrief, maar ik zou ook zelf zo graag zien dat we die beide kanten activeren, want dat is een pure win-win. Ik hoor vandaag dat dat allang op tafel ligt en ik zal er alles aan gaan doen om daaraan bij te dragen.

Ondernemers creëren de banen. Daarvoor zitten hele mooie haakjes in het regeerakkoord en ik had het daar dan ook al over in mijn eerste termijn. Ik zal de bewindspersonen daaraan houden en ik heb daarom twee moties om het aan te scherpen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bureaucratische belemmeringen, (rapportage)verplichtingen en onzekerheid over sancties de Wet verbetering poortwachter een moeilijk werkbaar instrument hebben gemaakt;

overwegende dat het kabinet voornemens is om deze belemmeringen weg te nemen door de wet te hervormen;

van mening dat ondernemers zelf het best weten welke belemmeringen en knellende verplichtingen zij ervaren;

verzoekt de regering in de uitwerking van de hervormde Wet verbetering poortwachter ondernemers, waaronder in het mkb, nadrukkelijk te betrekken bij het identificeren van knelpunten en belemmeringen, en de Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 62 (36800-XV) (#62).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Mijn tweede motie op dit punt gaat over die koppeling van het afschaffen van de compensatie bij een transitievergoeding. Dat staat heel duidelijk en scherp in het regeerakkoord. Wat daartegenover staat, die prikkel voor een werkgever om meer te doen aan een Leven Lang Ontwikkelen, staat daar dan weer wat vaag in. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is om per 2028 de compensatie voor werkgevers bij ontslag na twee jaar ziekte c.q. instroom WIA voor alle werkgevers af te schaffen;

overwegende dat dit in het regeerakkoord expliciet gekoppeld is aan het hervormen van de transitievergoeding, waarbij werkgevers die tijdig en voldoende hebben geïnvesteerd in bijscholing, omscholing of zich maximaal inzetten rondom de re-integratieverplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter lagere tot helemaal geen verplichtingen ten aanzien van de transitievergoeding hebben;

van mening dat het afschaffen van de compensatie onwenselijke gevolgen heeft voor ondernemers en de werkgelegenheid als dit niet hand in hand gaat met de hervorming van de transitievergoeding;

verzoekt de regering de hervormde transitievergoeding met prioriteit uit te werken zodat deze, mits binnen financiële kaders, gelijktijdig kan worden ingevoerd met het afschaffen van de compensatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Michon-Derkzen.

Zij krijgt nr. 63 (36800-XV) (#63).

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Voorzitter, tot slot. Ik heb nog 58 minuten, dus u heeft nog een mazzeltje, want ik kan hier echt nog 50 minuten, alle begrotingstijd die van mijn fractie nog over is ...

De voorzitter:

Daar was ik al bang voor.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik dacht: het is nu toch al laat, dus dat maakt weinig uit. Nee, in alle ernst: ik wil beide bewindspersonen veel wijsheid toewensen met alles wat nu uitgewerkt gaat worden. In het bijzonder wens ik beiden wijsheid toe in de gesprekken met de bonden. Ik begrijp van deze beide heren dat er een open houding is, dat de deur continu openstaat, maar dat die open houding nog niet met open armen wordt ontvangen. Ik zou de bewindslieden toch willen aanmoedigen om daar vooral mee door te gaan. Ik kijk uit naar het moment dat er wel een gesprek plaatsvindt, want wij hebben gewoon met elkaar genoeg te doen. Ik zou vanaf deze plek ook tegen hen willen zeggen dat ik juist met dit minderheidskabinet en juist omdat we allemaal zo van de polder houden, hoop dat zij de uitnodiging aannemen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik dacht: ik gun de VVD wat meer spreektijd. In mijn eerste termijn had ik gevraagd of dit niet gewoon goedkoop rondslagbeleid van de VVD is. Misschien kan mevrouw Michon haar laatste motie wat toelichten, want die klinkt alsof zij dat ontslag toch veel goedkoper wil maken. Is dat wat beoogd wordt met die motie?

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Mijn tweede motie gaat over die koppeling. Ik denk dat mevrouw Van Brenk die bedoelt? Ja, ik zie haar knikken. We schaffen de compensatie voor de transitievergoeding af. Een transitievergoeding is voor werkgevers een kostenpost. In het regeerakkoord staat: wij willen dat de werkgevers meer gaan doen aan het ontwikkelen, aan bijscholen, omscholen van werknemers, zodat — ik neem aan dat mevrouw Van Brenk dat met mij eens is — iedereen tot aan het pensioen aan het werk kan, en dat werkgever en werknemer, ook al verandert de arbeidsmarkt, met elkaar blijven kijken hoe een werknemer tot aan z'n pensioen een baan kan hebben en een bijdrage kan leveren. Die twee zaken staan geloof ik in dezelfde alinea van het regeerakkoord. Die heb ik in deze motie allebei benoemd, omdat ik vind dat we ook aan de werkgevers, die helderheid hebben over wanneer die compensatie vervalt, ook de helderheid moeten geven wat dan die verplichting inhoudt. Wat moet je dan doen? Wanneer doe je het dan goed genoeg? Ik hoorde de minister in zijn eerste termijn, in zijn beantwoording, zeggen dat het zo zou kunnen zijn dat waar nu het geld als transitievergoeding wordt gegeven, dat geld ingezet zou moeten worden voor scholing. Dat vind ik een interessante gedachte. Ik zou dit kabinet en specifiek minister Vijlbrief vooral aanmoedigen om daar helderheid over te verschaffen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ja, tot slot. Ik zou me kunnen voorstellen dat een van de belangrijkste dingen is om mensen aan het werk te houden of te begeleiden naar een andere baan als het bij dezelfde werkgever niet meer zou kunnen — daar is die transitievergoeding dan voor — en dat je dat dan ook koppelt aan een arbeidsovereenkomst bij een andere werkgever, dat dan misschien die transitievergoeding wat minder nodig is.

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Wellicht. Het is een interessante gedachte hoe je veel meer kan doen. Eerlijk gezegd denk ik dat dat bij de transitievergoeding ook zo was voorzien, dat je dus met die vergoeding een transitie maakt naar een andere baan. Dat komt niet overal uit de verf en we zouden die inderdaad meer willen inzetten voor een volgende baan.

Voorzitter, als u het mij toestaat. Ik wens beide bewindspersonen veel wijsheid en hoop op een gesprek met de bonden. Vervolgens hoor ik uit de zaal, van de heer Dijk, dat dat niet gaat gebeuren. Dan wil ik graag zeggen dat het ook niet zo kan zijn dat de polder, waar iedereen zo van houdt en die zo'n groot goed is in Nederland, monopoliseert. Wij hier in de Kamer hebben een verantwoordelijkheid om het beleid verder te brengen. Wij zijn hier in de Kamer de wetgevende macht. Ik hoop heel erg dat dat ook in gesprek en altijd in goed overleg met de polders is, maar we laten ons niet monopoliseren door de polder als daar totaal en altijd nul op het rekest komt. Dat wil ik ook gezegd hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Volgende spreker van de zijde van de Kamer is meneer De Beer en ook hij spreekt namens de fractie van de VVD.

De heer De Beer (VVD):

Voor de overige 49 minuten.

Voorzitter. We praten in Nederland nog te vaak over wat mensen niet kunnen, terwijl de echte vraag zou moeten zijn wat mensen wel kunnen en hoe we ze vooruithelpen. Dat is waar het uiteindelijk om draait. Werk geeft perspectief. Werk geeft eigenwaarde. Zo zorgen we ervoor dat talenten het beste worden benut. Beide ministers hebben daar vanavond mooie woorden over gesproken. Dank aan de ministers voor hun beantwoording. Ik ben blij dat de minister aangeeft stappen te willen zetten om regelingen eenvoudiger te maken en beter vindbaar te maken. Juist ook voor het mkb, want daar gaat het vaak mis. Werkgevers willen wel, maar verdwalen vaak in regels en loketten.

Het is ook goed dat er wordt gekeken naar intensievere begeleiding in de bijstand, zeker in de eerste maanden. Dat is belangrijk, want we weten dat juist in die eerste maanden het verschil kan worden gemaakt. Tegelijkertijd vind ik dat we daar nog best wat stappen in mogen zetten. Niet alleen praten over betere begeleiding, maar ook die organiseren als norm: snel, intensief en gericht op werk. Durf daarbij de regie ook meer bij de werkgevers en het onderwijs te leggen, want zij weten precies wat er nodig is op de werkvloer. Laat ik dat illustreren met een voorbeeld. In 2016 zocht een enorm grote werkgever in Limburg ruim 3.000 nieuwe medewerkers. 1.000 daarvan kwamen uit de Participatiewet, een enorme hoeveelheid, waarvan 250 via de gemeente Heerlen, waar ik toen zelf werkte. Veel van de mensen zaten soms zelfs al tien jaar of langer in de bijstand, mensen die waren afgeschreven door de sociale diensten en die het zelf niet voor mogelijk hadden gehouden om ooit nog aan de slag te gaan. Maar doordat de werkgever en het onderwijs de leiding kregen in het re-integratieproces, werd voor vele mensen het onmogelijke mogelijk. Mijn ervaring is dat werkgevers en het onderwijs wel willen. Als mensen op tijd komen, gemotiveerd zijn en willen leren, dan gebeurt de rest vanzelf, althans als ze goede begeleiding krijgen. De eisen van werkgevers zijn onder druk van de personeelskrapte aanmerkelijk bijgesteld en dat is een enorme kans voor mensen die nog langs de kant staan van de arbeidsmarkt.

Voorzitter. Dan het punt van de gemeentelijke regelingen. Het is goed dat de minister erkent dat het huidige stelsel te complex is en soms als onrechtvaardig voelt. Bij vereenvoudiging moet één principe wat de VVD betreft overeind blijven en dat is dat werken moet lonen.

Tot slot ga ik naar het punt dat wat mij betreft heel cruciaal is, namelijk dat we mensen echt aan het werk willen krijgen. Veel mensen in de WIA en in de Wajong willen wel werken, maar durven vaak de stap niet te zetten. Dat is niet uit onwil, maar uit angst, angst om hun zekerheid kwijt te raken als het tóch niet lukt. Die angst is begrijpelijk.

Daarom dien ik, met een aantal collega's, de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor veel mensen in de WIA en de Wajong de stap naar werk financieel en praktisch risicovol is, omdat zij bij (gedeeltelijke) werkhervatting hun uitkering verliezen en niet eenvoudig kunnen terugvallen wanneer hun gezondheidssituatie dat noodzakelijk maakt;

overwegende dat het arbeidsongeschiktheidsstelsel meer gericht zou moeten zijn op wat mensen wél kunnen, en het zetten van stappen richting werk gestimuleerd moet worden;

overwegende dat angst voor het verlies van inkomenszekerheid een belangrijke drempel vormt om vanuit de WIA of de Wajong (meer) te gaan werken;

overwegende dat de huidige krapte op de arbeidsmarkt vraagt om maximale inzet van iedereen die kan en wil werken;

overwegende dat een terugvalmogelijkheid kan bijdragen aan het verlagen van deze drempel en daarmee zowel de arbeidsparticipatie als de inclusie in de samenleving kan vergroten;

verzoekt de regering om, in het kader van de herziening van het arbeidsongeschiktheidsstelsel, een concrete terugvalmogelijkheid voor de WIA en de Wajong uit te werken en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Beer, De Kort, Neijenhuis, Van Ark en Ceder.

Zij krijgt nr. 64 (36800-XV) (#64).

De heer De Beer (VVD):

Voorzitter, tot slot. Als we willen dat meer mensen de stap naar werk zetten, moeten we ervoor zorgen dat die stap ook veilig genoeg voelt. Precies dat draagt deze motie uit.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer, als hij er klaar voor is, is de heer Ceulemans, die spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter, dank. Dank aan het kabinet voor de antwoorden in de eerste termijn. Ik heb weinig tijd, dus ik ga van start met mijn moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verplichte loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers, met name in het mkb, als een grote last wordt ervaren;

overwegende dat deze verplichting een drempel kan vormen voor werkgevers om mensen in vaste dienst te nemen;

overwegende dat in het coalitieakkoord is afgesproken om de loondoorbetaling bij ziekte werkbaarder te maken voor werkgevers;

spreekt uit dat werkbaarder maken in ieder geval moet betekenen dat de periode van verplichte loondoorbetaling bij ziekte wordt verkort;

verzoekt de regering om uiterlijk bij Prinsjesdag met concrete scenario's naar de Kamer te komen om de verplichte loondoorbetaling bij ziekte te verkorten, met bijzondere aandacht voor de positie van het mkb,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 65 (36800-XV) (#65).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de tegenprestatie in de Participatiewet is omgevormd tot de zogeheten maatschappelijke participatie;

overwegende dat het leveren van een maatschappelijk relevante tegenprestatie een belangrijk uitgangspunt binnen de bijstand dient te zijn;

overwegende dat door het omvormen van de tegenprestatie naar de maatschappelijke participatie dit principe onder druk kan komen te staan;

verzoekt de regering nadere voorwaarden te stellen aan de maatschappelijke participatie in de Participatiewet, met als insteek deze meer als tegenprestatie richting de maatschappij vorm te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 66 (36800-XV) (#66).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland relatief veel arbeidsongeschikten kent en dat het ziekteverzuim en de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen in de omringende landen lager liggen;

overwegende dat verschillen in regelingen van invloed kunnen zijn op ziekteverzuim en re-integratie;

verzoekt de regering om in kaart te brengen hoe en welke regelingen in omringende landen bijdragen aan lager ziekteverzuim en minder instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen, te bezien welke lessen hieruit kunnen worden getrokken voor het Nederlandse stelsel en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 67 (36800-XV) (#67).

De heer Ceulemans (JA21):

Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de taaleis in de Participatiewet is vormgegeven als inspanningsverplichting;

constaterende dat bij handhaving van de taaleis momenteel centraal staat dat een bijstandsgerechtigde zich dient in te spannen om zijn of haar beheersing van de Nederlandse taal te verbeteren;

overwegende dat het niet alleen de inspanning, maar ook het snel daadwerkelijk beter beheersen van de Nederlandse taal van belang is;

verzoekt de regering met voorstellen te komen om de taaleis in de Participatiewet nadrukkelijker als resultaatsverplichting vorm te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceulemans.

Zij krijgt nr. 68 (36800-XV) (#68).

De heer Ceulemans (JA21):

En dan heb ik nog één seconde over.

De voorzitter:

Ja, niet alleen heeft u nu één seconde over, maar JA21 heeft nu ook exact nul seconden over en heeft alle minuten gebruikt bij alle begrotingen.

De heer Ceulemans (JA21):

Als dat geen gedisciplineerde, stabiele fractie is, weet ik het ook niet meer.

De voorzitter:

Op zichzelf al een prestatie: de allerlaatste seconde bij de allerlaatste begrotingsbehandeling. Dat is echt heel knap. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Hamstra, die spreekt namens de fractie van het CDA. Die fractie heeft er nog 23 over, maar dat is zeker geen uitnodiging.

De heer Hamstra (CDA):

Ik kan er heel veel grappen over maken, voorzitter, maar dat ga ik niet doen.

Dank, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de toezegging op het punt van de noodvoorbereiding voor de minima. Het is goed dat nu samen met andere ministeries wordt gekeken naar wat er nodig is om mensen in kwetsbare posities beter te ondersteunen bij de voorbereiding op noodsituaties. Dat is een belangrijke stap.

Voorzitter. Dan twee punten, allereerst over automatisch uitkeren. De minister bevestigt dat er structureel mensen zijn die geen gebruik maken van regelingen, hoewel ze daar wel recht op hebben en die ook nodig hebben. Het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening biedt geen mogelijkheden voor automatische toekenning. Dat onderstreept voor mij het belang om in kaart te brengen wat er nodig is om die stap wel te zetten.

Voorzitter. Het tweede punt gaat over stijgende energielasten. Het is goed dat het kabinet nu scenario's doordenkt, maar het is ook verstandig om die structureel klaar te hebben liggen, zodat we bij een volgende schok sneller kunnen handelen. Daartoe dien ik twee moties in, een over de concrete route naar automatisch uitkeren en een over scenario's en voorbereiding in het kader van de sterk stijgende energielasten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel mensen op dit moment niet de inkomensondersteuning krijgen waar zij recht op hebben door complexiteit van het stelsel, maar ook doordat zij regelingen niet aanvragen uit angst voor terugvorderingen;

overwegende dat automatisch toekennen op basis van actuele inkomensgegevens hiervoor een oplossing kan bieden, wat bijvoorbeeld in België succesvol is, en dat deze richting ook in het coalitieakkoord is opgenomen;

verzoekt de regering op korte termijn in kaart te brengen wat er precies nodig is voor het werken naar automatisch uitkeren, waaronder het uitbreiden van de polisadministratie tot een volledig inkomensregister, ook voor zelfstandigen, en het harmoniseren van begrippen en betere gegevensuitwisseling, wat daarbij de knelpunten zijn, en wat de stappen hiernaartoe zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra, Lahlah en Biekman.

Zij krijgt nr. 69 (36800-XV) (#69).

De heer Hamstra (CDA):

Voorzitter, de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de geopolitieke situatie internationaal onzeker is en invloed kan hebben op de energieprijzen en dat eerdere geopolitieke spanningen hebben geleid tot sterke stijgingen van de energierekening, die ertoe kunnen leiden dat huishoudens financieel in de knel komen;

overwegende dat het verstandig is om voorbereid te zijn op verschillende scenario's, zodat huishoudens sneller en effectiever kunnen worden ondersteund wanneer de energielasten opnieuw sterk stijgen;

verzoekt de regering scenario's uit te werken voor mogelijke ontwikkelingen in energieprijzen, per scenario in kaart te brengen welke maatregelen en instrumenten beschikbaar of nodig zijn om huishoudens te ondersteunen, en de Kamer blijvend te informeren zodat tijdig kan worden voorbereid op de ontwikkelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra, Biekman en Wiersma.

Zij krijgt nr. 70 (36800-XV) (#70).

De heer Hamstra (CDA):

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker is mevrouw Van Ark, die spreekt namens de fractie van het CDA.

Mevrouw Van Ark (CDA):

Dank u wel. Dank aan de minister voor de toezegging van een nadere analyse met betrekking tot de juridische houdbaarheid van de verlaging van het maximumdagloon voor de arbeidsongeschiktheid. Dank ook voor de toezegging van een brief over het plan om jongeren te betrekken bij de AOW.

Namens de hele CDA-fractie ook dank voor het benoemen van de rol van de sociale partners bij de maatregelen, zoals ook is afgesproken in het regeerakkoord. Dan gaan het om de WW, de transitievergoeding, loondoorbetaling bij ziekte en de WIA.

Tot slot dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de AOW momenteel onderscheid maakt tussen 21 leefvormen en huishoudsituaties met verschillende rechten en verplichtingen;

overwegende dat verdere harmonisatie van leefvormen binnen de AOW kan bijdragen aan een eenvoudiger en beter uitlegbaar stelsel, met mogelijk positieve maatschappelijke effecten zoals het wegnemen van financiële belemmeringen om samen te wonen;

verzoekt de regering op korte termijn aan de slag te gaan met de harmonisering van het aantal leefvormvarianten in de AOW en hier voor Prinsjesdag een voorstel voor te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ark en Neijenhuis.

Zij krijgt nr. 71 (36800-XV) (#71).

De heer Flach (SGP):

Ik heb een interruptie op een heel ander punt. In mijn termijn heb ik vragen gesteld over het besluit van de Europese Commissie om middelen voor het ESF-fonds ook open te stellen voor abortus, waarmee je een soort abortustoerisme krijgt binnen de Europese Unie. In de schriftelijke beantwoording heb ik een heel ontwijkend antwoord gehad van het kabinet, dus ik heb daar maar geen interruptie meer aan besteed. Ik stel de vraag dus aan mevrouw Van Ark. Blijft het CDA van mening dat dit iets is waar nationale lidstaten over gaan en niet de Europese Commissie?

Mevrouw Van Ark (CDA):

Ja, daar kan ik heel kort over zijn: wat ons betreft blijft dit gewoon een nationale competentie.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker is de heer Ergin, die spreekt namens de fractie van DENK. Ook DENK maakt het spannend, want ze hebben als fractie nog twee minuten voor alle begrotingen en ze hebben ook twee minuten opgegeven. Dat gaat vast lukken.

De heer Ergin (DENK):

Dat gaat zeker lukken, voorzitter. Ik heb drie moties. Als ik al die moties oplees, dan zijn de twee minuten voorbij.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet een groot deel van het wetsvoorstel Vbar heeft ingetrokken en heeft aangekondigd te werken aan een nieuwe Zelfstandigenwet die duidelijkheid moet bieden over de positie van zelfstandigen;

constaterende dat momenteel wel wordt gehandhaafd op schijnzelfstandigheid en dat tegelijkertijd veel zelfstandigen en opdrachtgevers nog steeds in grote onzekerheid zitten over wanneer sprake is van zelfstandig ondernemerschap en wanneer van een dienstverband;

overwegende dat het van groot belang is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over het nieuwe wettelijk kader voor zelfstandig werkenden;

verzoekt de regering om voor het zomerreces meer richting te geven aan de vervolgstappen en de verdere uitwerking van de aangekondigde Zelfstandigenwet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ergin en Ceulemans.

Zij krijgt nr. 72 (36800-XV) (#72).

De heer Ergin (DENK):

De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de handhavingsstrategie rond zzp'ers recent is aangepast en de zogenoemde "zachte landing" tot het einde van dit jaar loopt;

overwegende dat de effecten van deze handhavingsstrategie in de praktijk nog in ontwikkeling zijn en dat op termijn nieuwe wetgeving wordt voorzien;

verzoekt de regering om inzicht te geven in welke elementen van de handhavingsstrategie "zachte landing" op dit moment kunnen worden ingezet en deze waar mogelijk toe te passen zolang er nog geen duidelijkheid bestaat over nieuwe wetgeving rond de positie van zzp'ers, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 73 (36800-XV) (#73).

De heer Ergin (DENK):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de handhavingsstrategie rond zzp'ers recent is aangepast en de zogenoemde "zachte landing" tot het einde van dit jaar loopt;

overwegende dat de effecten van deze handhavingsstrategie in de praktijk nog in ontwikkeling zijn en dat op termijn nieuwe wetgeving wordt voorzien;

verzoekt de regering de Kamer periodiek te informeren over de effecten op de arbeidsmarkt en de uitvoering van de handhaving op schijnzelfstandigheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.

Zij krijgt nr. 74 (36800-XV) (#74).

De heer Ergin (DENK):

Dank u wel.

De voorzitter:

Keurig. De heer Flach, die spreekt namens de fractie van de SGP.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de beide bewindslieden voor hun geduld en de uitgebreide beantwoording. Ook ik wil deze ronde van begrotingsbehandelingen afsluiten met drie moties. Dan ben ik ook door al mijn minuten heen, denk ik.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een verlaging van het maximumdagloon van uitkeringen met 20% in het coalitieakkoord is opgenomen;

overwegende dat er zorgen bestaan over de effecten hiervan op uitkeringsgerechtigden, zoals bij kwetsbare groepen, bestaande gevallen en ouders die gebruik maken van verlofregelingen;

verzoekt de regering alle alternatieven voor deze maatregel in kaart te brengen, waaronder in ieder geval een eerbiedigende werking voor bestaande uitkeringsgerechtigden, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Ceulemans.

Zij krijgt nr. 75 (36800-XV) (#75).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werkgevers met maximaal 25 werknemers die een erkende branche-RI&E gebruiken, zijn uitgezonderd van verplichte externe toetsing, maar dat er geen aparte branche is voor kantoren;

overwegende dat de arborisico's in een kantooromgeving relatief beperkt zijn;

verzoekt de regering werk te maken van een eenvoudige kantoren-RI&E waarbij kleinere werkgevers met een kantoorlocatie worden uitgezonderd van externe toetsing en deze RI&E uiterlijk dit najaar met de Kamer te delen;

verzoekt de regering daarnaast te verkennen hoe in de toekomst meer bedrijven met lage risico's kunnen worden uitgezonderd van RI&E-verplichtingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Kisteman.

Zij krijgt nr. 76 (36800-XV) (#76).

De heer Flach (SGP):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in steeds meer cao's christelijke feestdagen plaats moeten maken voor islamitische feestdagen;

verzoekt de regering sociale partners op te roepen rekening te houden met de christelijke wortels van onze samenleving en daarom christelijke feestdagen in cao's niet in te wisselen voor islamitische feestdagen;

verzoekt de regering dit principe ook als uitgangspunt te hanteren bij onderhandelingen over de cao Rijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.

Zij krijgt nr. 77 (36800-XV) (#77).

Dank u wel. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Hij heeft nog twee minuten.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Een paar moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het maximumdagloon voor alle uitkeringsregelingen met 20% wordt verlaagd;

spreekt uit dat de blijde gebeurtenis van de geboorte van een baby financieel niet bestraft mag worden;

verzoekt de regering te bevorderen dat de verlaging van het maximumdagloon geen nadelige gevolgen heeft voor ouders,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Flach.

Zij krijgt nr. 78 (36800-XV) (#78).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vrijwillige schuldhulpverlening een cruciale rol speelt in Nederland;

verzoekt de regering de samenwerking met vrijwilligersorganisaties binnen de schuldhulpverlening te versterken door:

  • hen een structurele en vaste positie te geven binnen de overlegstructuren rond problematische schulden;
  • hen tevens een nadrukkelijke rol toe te kennen in de nazorg na afgeronde saneringstrajecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Flach.

Zij krijgt nr. 79 (36800-XV) (#79).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het AEF-rapport "Werking en effecten van de hogere bestuursrechtelijke premie op verzekerden met een betalingsachterstand" concludeert dat de bestuursrechtelijke premie op de wanbetalersregeling niet het effect heeft zoals beoogd;

overwegende dat de huidige premieopslag geen effect heeft op de wanbetalers die niet willen betalen, en ondertussen wel tot ernstige problemen en schulden leidt voor wanbetalers die niet kunnen afbetalen;

spreekt uit dat de premieopslag moet verdwijnen;

verzoekt de regering de Kamer voor het zomerreces te informeren over wat daarvoor nodig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 80 (36800-XV) (#80).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat twee van de belangrijkste aanbevelingen van het IBO Problematische schulden de introductie van het collectief afbetalingsplan en de mogelijkheid voor de-escalerende handelingen door de gerechtsdeurwaarder zijn;

overwegende dat een eerste uitwerking van deze maatregelen vorig jaar naar de Kamer is gestuurd (Kamerstuk 24515, nr. 798), maar dat structurele financiering voor (in ieder geval) de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders is wegbezuinigd bij de Voorjaarsnota 2025;

verzoekt de regering:

  • de uitwerking van het collectief afbetalingsplan en de zorgplicht voor gerechtsdeurwaarders met urgentie voort te zetten en er zorg voor te dragen dat het tekort aan structurele financiële middelen geen hinder oplevert voor de implementatie;
  • en een tijdpad naar de Kamer te sturen voor wanneer behandeling en inwerkingtreding van wet- en regelgeving verwacht wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 81 (36800-XV) (#81).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb nog 50 seconden over. Daarmee wil ik de ministers bedanken voor de beantwoording en voor een, denk ik, goed en zorgvuldig debat. Ik kijk uit naar de toezeggingen die gedaan zijn ten aanzien van enkele aanpassingen van wat er in het coalitieakkoord staat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Jimmy Dijk, die spreekt namens de fractie van de SP. U heeft vier minuten. Ja, het is een vetpot.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de prijzen van brandstof hard stijgen;

constaterende dat mensen hier een hoge prijs door betalen;

verzoekt de regering de accijnzen op brandstof te verlagen en dit te dekken met meeropbrengsten uit btw op brandstof,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 82 (36800-XV) (#82).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de gasprijzen hard stijgen;

constaterende dat mensen hier een hoge prijs door betalen;

verzoekt de regering de energietoeslag opnieuw in te voeren, zoals in 2022 en 2023, en dit te dekken met meeropbrengsten uit belasting op gas,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 83 (36800-XV) (#83).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet-Jetten van plan is de IVA-uitkering volledig af te schaffen;

constaterende dat mensen die in het huidige stelsel volledig en duurzaam zouden worden afgekeurd, hierdoor minder uitgekeerd zullen krijgen;

constaterende dat deze mensen geen zicht hebben op herstel en daardoor dus in financiële problemen kunnen komen;

verzoekt de regering om de IVA-uitkering niet af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 84 (36800-XV) (#84).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet-Jetten van plan is de WW-duur te verkorten van twee jaar naar één jaar;

constaterende dat door deze voorgenomen korting van de WW-duur ook de duur van de loongerelateerde uitkering wordt verkort;

constaterende dat dit voor financiële problemen kan zorgen bij mensen die arbeidsongeschikt zijn verklaard;

verzoekt de regering de WW-duur niet te verkorten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Jimmy Dijk.

Zij krijgt nr. 85 (36800-XV) (#85).

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Heeft iedereen goed geluisterd? Heeft iedereen goed geluisterd naar de manier waarop de keuzes zijn uitgelegd, en heeft iedereen goed geluisterd of dat wel consequent is? Wat de SP betreft niet. De afgelopen uren, en eigenlijk de hele begrotingsbehandeling lang, hebben we namelijk gehoord dat er bezuinigd móét worden op de sociale zekerheid. De kosten zijn niet te dragen; ze rijzen de pan uit; het is niet houdbaar allemaal. En dan komt de VVD aan het woord en die zegt: ja, maar er moeten wel eerst banen gecreëerd worden; er moet wel eerst geld verdiend worden; de koek moet bij elkaar verdiend worden. Die koek is de afgelopen tien jaar 21% gegroeid, groter geworden. 21%! De uitgaven aan sociale zekerheid zijn de afgelopen twintig jaar niet boven de 11% tot 13% gekomen, en dat zullen ze ook niet komen. Het kabinet stookt, onder werknemers, onder mensen die die koek steeds groter hebben gemaakt, enorme onrust in dit land door ze te gaan korten en disciplineren. Dat is gewoon politieke wil. Het is het neoliberalisme all over again, het privatiseren van risico's van werknemers en het uitkleden van de sociale verworvenheden die zij — ja, zíj! — hebben voortgebracht.

Voorzitter. Tot slot nog dit, voordat ik word geïnterrumpeerd. Ik luister hier naar de Kamer en vraag me af of men dan wel consequent is. Men deelt de zorgen over de armoede. Waar zijn jullie voorstellen? Waar zijn ze? Helemaal niets! Andere partijen die wel voorstellen indienen, wordt de maat genomen. Wij dienen hier voorstellen in om armoede te bestrijden. Waar zijn jullie voorstellen dan? Die zijn er gewoon niet. Wij dienen voorstellen in. Het debat ging hier de hele tijd over, over mensen die aan de kant staan en in de bijstand zitten. Waar zijn jullie voorstellen? Die zijn er niet. En dan niet eens de constructieve houding hebben om in te gaan op concrete voorstellen van de oppositie voor 50.000 banen van mensen die nu aan de kant staan en in de bijstand zitten. Ik vind het ongekend. Ongekend! Hier gewoon klakkeloos meegaan met 6 miljard aan bezuinigingen op sociale zekerheid. Ongekend dat partijen hier dan niet zelf met voorstellen komen om daar iets aan te doen. Ongekend!

Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):

Ik dacht eerst dat ik een inhoudelijke interruptie zou doen, maar ik wil me hier eigenlijk beperken tot een oproep aan de heer Dijk. Hij vindt van alles van mijn inzet en hij vindt van alles van andere partijen. Mijn oproep is: spreek die dan aan als ze daar staan, in een interruptie, zodat we met elkaar in debat kunnen gaan. Ik ga dus niet in op het trucje van de heer Dijk, waarbij hij ook nog eens steeds harder gaat praten, dat hij vanaf die plek andere partijen aanspreekt die nu niet aan zet zijn. Dat vind ik geen manier van debatteren. Wij zijn het ideologisch volstrekt oneens. Eerlijk gezegd ben ik daar dan ook weer heel tevreden mee, want als dat gaat gebeuren, zijn we pas echt ver van huis. Ik zou de heer Dijk willen vragen om de orde van het debat aan te houden die we met elkaar hebben afgesproken.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik heb in mijn eigen bijdragen partijen uitgenodigd om in te gaan op onze voorstellen. Ik heb dat gedaan in interrupties in de eerste termijn. Ik heb het CDA en D66 bevraagd over sociale werkplaatsen en over mensen begeleiden naar werk. Ik heb het gehad over kleine ondernemers. Dat doe ik al de hele tijd: hoe kun je ervoor zorgen dat ze mensen bij ziekte niet twee jaar lang moeten doorbetalen, maar dat je dit het tweede jaar collectief organiseert? Ik heb daar voorstellen voor aangedragen bij het kabinet. Dus ja, volgens mij heb ik me redelijk in dit debat gemengd. Ik heb partijen uitgedaagd om op onze voorstellen in te gaan en daar het debat over aan te gaan. Het verbaast mij gewoon heel erg dat er hier partijen zijn die zeggen armoede heel erg te vinden, maar vervolgens blijven zitten en niet zelf met voorstellen komen; niet één. Ik vind het dan heel erg zuur om buiten deze zaal te horen dat de oppositie wel constructief moet zijn. Dan ben je dat, maar dan wordt er niet op ingegaan. Dat geldt niet alleen voor voorstellen van de SP, maar ook voor voorstellen van andere oppositiepartijen. Ik vind dat zonde en ik denk dat u allemaal beter kunt. Laten we dat de komende tijd gaan doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Van Brenk. Zij heeft nog 14 minuten. Dus stoelriemen vast, zou ik zeggen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. Ik wil in ieder geval bedanken voor de toezegging om onze vraag over de pensioenfondsen serieus te gaan beantwoorden. Omdat ik werd onderbroken door de voorzitter, wil ik de vraag ook even schriftelijk aan de minister geven.

Er was nog een vraag waar wij erg ongelukkig over waren. Dat was onze vraag om inzicht te krijgen in de kosten die gemaakt worden per pensioenfonds. De minister zegt: nee hoor, het is niet aan het kabinet om dat inzichtelijk te maken. Dat is toch eigenlijk wel heel triest. Wij hebben allerlei non-argumenten kunnen lezen in de antwoorden, maar het zou natuurlijk ontzettend goed zijn als de pensioenfondsen zelf bereid zouden zijn om inzicht te geven. Een van de belangrijkste verwachtingen — en een oorspronkelijke — van de Wtp is transparantie. Dan zou inzicht in de kosten daar onderdeel van moeten zijn. Maar de sector kiest er zelf voor om de kosten onder water te houden. Dus de kosten worden versleuteld in jaarlijks rendement en de deelnemer kan daar niets van zien. Wat zou er nou op tegen zijn om dat op te nemen in het UPO? Wij begrijpen dat incidentele transitiekosten en vaste beheerskosten niet in één kengetal gestopt kunnen worden. Ik begrijp ook dat bepaalde fondsen meer servicekosten hebben. Maar Albert Heijn kan bijvoorbeeld ook uitleggen waarom hij duurder is dan de Aldi. Waarom zouden pensioenfondsen dat dan niet kunnen doen? Argumenten die de regering gebruikt tegen ons verzoek vinden wij echt niet valide: enerzijds de pensioensector helpen om een rookgordijn in stand te houden en anderzijds voorkomen dat fondsen met hoge kosten gedwongen worden om te leren van fondsen met lage kosten. Dat zou je toch niet moeten willen? De vraag is dus of de minister dit niet toch wil bepleiten bij de pensioenfondsen. Om hem te motiveren hebben we daar natuurlijk weer een mooie motie voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlandse pensioendeelnemers geen goed inzicht hebben in de uitvoeringskosten van hun pensioenbeheerder in vergelijking met andere pensioenbeheerders;

constaterende dat het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) geen vergelijking mogelijk maakt tussen de uitvoeringskosten van pensioenfondsen op basis van verantwoord samengestelde (uniforme) kengetallen;

overwegende dat er geen praktische of statistische redenen zijn die een gedegen vergelijking van kostenniveaus met uniforme kengetallen in de pensioensector onmogelijk maken;

overwegende dat het ontbreken van goed vergelijkende kengetallen voor de kostenniveaus van pensioenfondsen een gevolg is van de wens om deze informatie liever niet vrij te geven;

overwegende dat transparantie en inzicht in het "persoonlijke pensioenvermogen" de belangrijkste doelstelling was van de WTP;

overwegende dat kostenkengetallen voor de verschillende kostensoorten van pensioenuitvoerders een geweldig inzicht kunnen verschaffen waarmee de uitvoerders worden gestimuleerd om van elkaar te leren;

overwegende dat pensioenuitvoerders uiteraard in staat moeten worden gesteld om hun kostenniveau toe te lichten omdat er ook legitieme redenen kunnen zijn voor afwijkingen;

verzoekt de regering om in samenspraak met de pensioensector enkele verantwoord samengestelde (uniforme) kengetallen te ontwikkelen, die het mogelijk maken voor de deelnemer om pensioenuitvoerders te beoordelen op de kosten van uitvoering;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 86 (36800-XV) (#86).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlandse pensioenfondsen sinds 2020 ronduit slechte beleggingsrendementen behalen in vergelijking met de relevante internationale beleggingsindexen en benchmarks;

constaterende dat de omvang van renteafdekking en de ongelukkige rentespeculatie van de Nederlandse pensioenfondsen enorme verliezen hebben opgeleverd;

overwegende dat de Wet toekomst pensioenen en/of de transitie naar de Wet toekomst pensioenen mogelijk heeft bijgedragen aan een toename van risicomijdend gedrag bij de beleggingen van pensioenfondsen, die mede daardoor een fabelachtig groot bedrag aan rendement niet hebben behaald;

overwegende dat de Nederlandse Staat een latente belastingclaim heeft op het totale pensioenvermogen in de tweede pijler en dat elke 100 miljard minder vermogen uiteindelijk leidt tot ongeveer 30 miljard minder belastinginkomsten;

verzoekt de regering om onafhankelijk onderzoek te laten verrichten door onder andere niet-Nederlandse deskundigen naar de omvang en oorzaken van slechte prestaties van de Nederlandse pensioenfondsen sinds 2020 in vergelijking met de relevante internationale indexen en benchmarks, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Struijs.

Zij krijgt nr. 87 (36800-XV) (#87).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland volgens Eurostat de best gedekte pensioenverplichtingen heeft van alle lidstaten van de eurozone;

constaterende dat de met omslag gefinancierde Nederlandse AOW-uitkering tot wel de helft minder beslag legt op de middelen van de nationale begroting in vergelijking met omslag gefinancierde ouderdomsuitkeringen in andere eurolanden;

constaterende dat Nederlandse pensioendeelnemers op afstand de grootste (private) pensioenreserves bezitten van alle lidstaten van de eurozone;

overwegende dat zorgen over de AOW idealiter zouden moeten gaan over de onhoudbaarheid van de pensioenstelsels in andere eurolanden, omdat Nederland hiervoor via het beleid van de ECB en via Europese Steunfondsen reeds gedeeltelijk garant staat;

verzoekt de regering om, conform de cijfers van Eurostat, te bevestigen dat het Nederlandse pensioenstelsel in de eerste en de tweede pijler tezamen, het best gefinancierde pensioenstelsel van de eurozone is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 88 (36800-XV) (#88).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

En mijn laatste motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in het coalitieakkoord ingrijpende maatregelen op het gebied van sociale zekerheid worden aangekondigd;

overwegende het feit dat sociale zekerheid bedoeld is om mensen in een kwetsbare positie of in een kwetsbare fase in hun leven te ondersteunen;

overwegende dat in de analyse van het coalitieakkoord door het CPB de laagste inkomens er meer op achteruitgaan dan hogere inkomens;

spreekt uit dat bij het maken van beleidskeuzes op het gebied van sociale zekerheid de meest kwetsbaren ontzien zullen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk.

Zij krijgt nr. 89 (36800-XV) (#89).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Twee moties die ik had, hoeven niet meer omdat de SP die heeft ingediend. Ze gingen over lagere WW en over de IVA. Zes jaar geleden heb ik met Prinsjesdag Ramona meegenomen. Ramona zat in een rolstoel en had een gesprek met toenmalig staatssecretaris Van Ark. Zij kreeg alleen stagebanen en kwam maar niet aan werk. Gelukkig kan ik op dit moment zeggen dat zij een fantastische baan heeft bij Defensie en dat ze volledig zelfvoorzienend is. Ze heeft inmiddels een aangepaste woning. Eigenlijk zou ik heel graag aan de minister willen vragen of hij over drie of vier jaar, misschien op Prinsjesdag, wil kennismaken met Ramona, en dat hij dan zou kunnen vertellen dat er een significante verbetering is ten aanzien van de banenafspraak. Dat zou ik een heel mooi cadeau vinden voor Ramona.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Dassen. Hij spreekt namens Volt.

De heer Dassen (Volt):

Dank, voorzitter. Dank ook aan de bewindspersonen voor de beantwoording.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sinds 2015 extra taken en regelingen bij gemeenten zijn belegd die het Rijk ook kan uitvoeren;

constaterende dat rapporten van de Commissie sociaal minimum en IPE voorstellen om landelijk te doen wat landelijk kan, zoals de laptopregeling;

verzoekt de regering om in gesprekken over vereenvoudiging van regelingen ook te bezien of de laptopregeling overgeheveld kan worden naar het Rijk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Biekman.

Zij krijgt nr. 90 (36800-XV) (#90).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid burgers oproept zich voor te bereiden op noodsituaties door middel van een noodpakket;

overwegende dat voor mensen die in armoede leven de aanschaf van een dergelijk noodpakket vaak financieel niet haalbaar is;

verzoekt de regering om een voorstel te doen waarin noodpakketten beschikbaar worden gesteld voor mensen rondom de armoedegrens en dit bijvoorbeeld te dekken uit de middelen voor de aanpak armoede en problematische schulden of uit de middelen voor het versterken van de maatschappelijke weerbaarheid tegen militaire en hybride dreigingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 91 (36800-XV) (#91).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat start-ups een belangrijke bijdrage leveren aan innovatie, economische groei en het verdienvermogen van Nederland;

overwegende dat start-ups vaak beperkte liquide middelen hebben en daardoor minder goed in staat zijn om risico's rond werk en inkomen op te vangen;

overwegende dat het huidige stelsel van werkloosheidsverzekering onvoldoende aansluit bij de dynamiek en onzekerheden van start-ups en hun werknemers;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe de risico's rondom werknemers voor start-ups beter gemitigeerd kunnen worden binnen het socialezekerheidsstelsel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 92 (36800-XV) (#92).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is het maximumdagloon voor ouderschapsverlof te verlagen;

overwegende dat lagere uitkeringen ertoe leiden dat vooral vrouwen meer verlof opnemen en mannen minder, waardoor bestaande ongelijkheden op de arbeidsmarkt worden vergroot;

verzoekt de regering te borgen dat ouders er bij het opnemen van ouderschapsverlof netto niet op achteruitgaan en dat de positie van vrouwen wordt beschermd en versterkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dassen.

Zij krijgt nr. 93 (36800-XV) (#93).

De heer Dassen (Volt):

De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de motie van Dassen, Patijn en Vijlbrief over verhoging van het minimumjeugdloon met een meerderheid is aangenomen maar nog niet is uitgevoerd;

verzoekt de regering om de minimumjeugdloonverhoging zoals voorgesteld in de breed aangenomen motie Dassen c.s. alsnog uit te voeren per 1 januari 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dassen en Patijn.

Zij krijgt nr. 94 (36800-XV) (#94).

De heer Dassen (Volt):

De motie is niet meer meeondertekend door de heer Vijlbrief, helaas!

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Moinat, namens de Groep Markuszower. Dat is tevens de laatste spreker aan de zijde van de Kamer.

Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):

Dank, voorzitter. Dank aan de heren in vak K. Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om binnen de beleidsondersteunende budgetten van Artikel 2 voor 2027 en 2028 rekening te houden met een verlenging van de subsidieactiviteiten van 2026 van het Armoedefonds voor het verstrekken van basisproducten aan mensen met een laag inkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 95 (36800-XV) (#95).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de maximale duur van de WW-uitkering momenteel 24 maanden bedraagt;

overwegende dat deze duur werknemers voldoende tijd moet bieden om passend werk te vinden en financiële zekerheid te behouden tijdens de zoektocht naar nieuw werk;

verzoekt de regering de maximale duur van de WW-uitkering op 24 maanden houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 96 (36800-XV) (#96).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat werken voor veel Nederlanders financieel onvoldoende loont ten opzichte van het ontvangen van een uitkering;

overwegende dat een structurele verlaging van lasten op arbeid kan bijdragen aan een grotere financiële prikkel om te werken;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe lasten op arbeid structureel verlaagd kunnen worden, zodat werken netto meer oplevert dan een uitkering, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 97 (36800-XV) (#97).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaarlijks veel mensen deelnemen aan re-integratietrajecten met als doel terugkeer naar de arbeidsmarkt;

overwegende dat het van belang is om inzicht te hebben in hoeveel deelnemers via deze trajecten duurzaam aan het werk komen;

verzoekt de regering inzichtelijk te maken hoeveel mensen via re-integratietrajecten duurzaam aan het werk komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Moinat.

Zij krijgt nr. 98 (36800-XV) (#98).

De heer Krul (CDA):

Dank u wel. We hebben het voor elkaar gekregen om 56 moties en 15 amendementen in te dienen. Die moeten allemaal geapprecieerd worden. We hebben ook nog best een lijstje met dingen die in de tweede termijn terugkeren of daarin nog verder behandeld worden. Ik stel voor dat we een halfuur gaan schorsen, tot 23.50 uur. Ik heb heel veel begrip getoond. Ik hoop dat we straks wat begrip kunnen terugkrijgen, want we doen maximaal één interruptie per motie, met een korte vraag, en meer niet. Ik vraag het kabinet te appreciëren onder verwijzing naar het debat. Ik schors dan nu voor een halfuur, tot 23.50 uur.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We zijn aangekomen bij de tweede termijn aan de zijde van het kabinet. Daarvoor geef ik graag het woord aan de minister van Sociale Zaken, met het verzoek om ons even mee te nemen in hoe hij deze tweede termijn gaat aanvliegen. Het woord is aan het kabinet.

Termijn antwoord

Minister Vijlbrief:

Voorzitter. U heeft mij net de opdracht gegeven om dit op een bepaalde manier te doen. Dat ga ik dus doen. Ik ga eerst de vragen beantwoorden. Daarna ga ik razendsnel door alle moties heen. Daarna komen de amendementen.

Voorzitter. De heer Hamstra had een vraag over de armoededefinitie: zijn mensen er niet uitgedefinieerd? Welke data ontbreken er? Er is geen sprake van het wegdefiniëren van armoede. In de nieuwe, onafhankelijke definitie zijn juist meer data gebruikt. Dat neemt overigens niet weg dat er data ontbreken. Daar heeft de heer Hamstra gelijk in. Dat gaat bijvoorbeeld over problematische schulden. SCP en CBS hebben onderzocht of schulden kunnen worden meegenomen in de definitie. Gebleken is dat daarvoor op dit moment de gegevens ontbreken. In de voortgangsrapportage van het NPAS die op 10 maart aan uw Kamer is verstuurd ben ik daar naar aanleiding van de motie-Lahlah uitgebreid op ingegaan. Verder hebben wij van de week nog een commissiedebat over armoede en schuld. Misschien kunnen we het hier dan nog nader over hebben.

Mevrouw Moinat vroeg hoe zit het met de WW-duurverkorting in het coalitieakkoord. Wanneer gaat die in? Daarvoor geldt dezelfde datum als voor de oude WW-duurverkorting. Dat is 1 januari 2028.

De heer Dijk vroeg of ik nog eens kan aangeven hoe het zit met de ontwikkeling van het aandeel sociale zekerheid in het bruto binnenlands product. Ik heb op dit moment alleen cijfers ter beschikking voor de totale sociale zekerheid tussen 2025 en 2034. Als je daar het kabinetsbeleid niet in meeneemt, stijgen de uitgaven aan sociale zekerheid van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp. Als je de ingrepen van de coalitie wel meeneemt, stijgen ze van 12,1% naar 12,6%. Ik kan mij voorstellen dat dit allemaal een beetje snel gaat op dit late uur. Als de heer Dijk het fijn vindt, dan wil ik het ook nog wel opschrijven.

Dan vroeg de heer Ceulemans: wanneer informeert u de Kamer over de juridische analyse naar de haalbaarheid van het verlagen van het maximumdagloon zonder eerbiedigende werking? Zoals eerder aangegeven wil ik dit graag uitzoeken, maar ik wil ook het gesprek met de sociale partners starten. Ik ga aan de slag met de analyse en die wil ik graag betrekken bij het gesprek met de partners. Ik zeg tegen de heer Ceulemans dat ik denk dat dat ergens in de zomer zal zijn, en uiterlijk op Prinsjesdag.

Dan vroeg de heer Hamstra: wilt u de motie-De Kort/Van Dijk om tot vereenvoudiging en een basisniveau van minimaregelingen te komen betrekken bij uw gesprekken met de gemeenten? Ja, zoals ik in de eerste termijn gezegd heb, ben ik daartoe bereid. Ik zou erop terugkomen als dat anders was.

De heer Dassen vroeg naar de beroemde motie-Dassen met de vele ondertekenaars. Hij vroeg: hoe zit dat nou en wordt door het kabinet gedaan wat die motie vraagt? Het antwoord is: nee, het wordt net anders gedaan. In de motie-Dassen c.s. werd er voor 16 en 17 jaar geen voorstel gedaan en voor 18 jaar 70%, voor 19 jaar 80% en voor 20 jaar 90%. Ik zie de heer Dassen achter in de zaal staan. Het kabinet heeft daar nu van gemaakt: 40% voor 16 jaar, 50% voor 17 jaar, 62,5% voor 18 jaar, 75% voor 19 jaar en 87,5% voor 20 jaar.

Dan de vraag: kan het sociaal minimum in Caribisch Nederland iedere vier jaar worden herijkt? Dit blijkt een veel ingewikkelder vraag te zijn dan ik dacht. Met "herijken" bedoelt de Commissie sociaal minimum eigenlijk het herijken van de minimumvoorbeeldbegrotingen. Die worden jaarlijks al aangepast aan de inflatie. U vraagt om daarnaast vierjaarlijks de samenstelling van de begrotingen te actualiseren. Daar ben ik op zich positief over, maar zoals ik al zei kan dat niet betekenen dat we periodieke automatische uitkeringen verhogen. Ik geloof ook niet dat "herijken" dat betekent. Om misverstanden te voorkomen, zou ik willen voorstellen dat we nog even contact hebben met elkaar en dat ik hierop terugkom in de brief over de uitwerking van de 30 miljoen die het kabinet heeft gereserveerd voor Caribisch Nederland.

Ten slotte heb ik nog een vraag van mevrouw Van Brenk van 50PLUS. "Wat gaat u doen aan de vooroordelen die bestaan over oudere werknemers? Leeftijdsdiscriminatie en stereotypen over ouderen komen nog regelmatig voor." Daar heeft mevrouw Van Brenk gelijk in; daar hadden we al even een kort debatje over. Het ontneemt mensen kansen om zichzelf te zijn en om zich te ontplooien. Vanuit het ministerie van SZW wordt daarom ingezet op gelijkwaardige kansen voor alle inwoners van Nederland, en specifiek op het terrein van de arbeidsmarkt. Iedereen moet de kans krijgen om naar eigen vermogen mee te doen. Via het Offensief Gelijke kansen wordt gewerkt aan het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie.

Voorzitter. Dan hecht ik er nog aan om het volgende even te zeggen. De heer Neijenhuis zei in zijn tweede termijn iets over de minister van Financiën. Hij zei: eens maar nooit weer. Ik hecht eraan te zeggen dat dit mede namens mij gebeurde. Ik wist hiervan. Ik vind het vervelend als het beeld gaat heersen dat de minister van Financiën hier gesoleerd heeft. Ik wist hiervan. In overleg met mij zou hij zeggen dat die WIA-tegenvaller er was, omdat ik het ook nuttig vond dat we dat wisten bij het voeren van dit debat. De precieze gegevens komen volgende week.

Dat brengt mij bij de moties. Ik zit ...

De voorzitter:

Dat brengt u bijna bij de moties, want er is nog een vraag van de heer Dijk.

Minister Vijlbrief:

Sorry.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dank voor het antwoord. Dat is echt superverhelderend. Het ging van 12,1% van het bbp naar 12,8% van het bbp. Als het over de totale uitgaven aan de sociale zekerheid gaat, dan is dat toch niet met goed fatsoen "onhoudbaar" te noemen? Ik heb hier het grafiekje van de afgelopen twintig jaar. U ziet dat het ook gewoon nog een stuk hoger is geweest. U kunt dan toch niet serieus beweren dat die kosten "onhoudbaar" zijn?

Minister Vijlbrief:

Op het gevaar af dat wij nu een lange discussie met elkaar gaan krijgen: ik kon ze niet doortrekken tot 2040 omdat die gegevens niet beschikbaar zijn. Het is mijn sterke vermoeden dat het tot 2040 nog verder en ook flink toeneemt. Dat weet de heer Dijk ook. De vergrijzing kent z'n top in 2040 en daarna gaat die wat afvlakken. Misschien kunnen wij samen een seminar hierover beginnen.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een uitstekend idee.

Minister Vijlbrief:

Dan vermoeien wij de zaal hier er niet verder mee, maar dat is aan de heer Dijk. Ik ben hier nu al.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Toch wil ik hier kort op reageren, echt kort. Ik heb heel veel onderzoeken hiernaar zitten uitpluizen. Er zijn allemaal Europese gegevens. Het spijt me dat ik het zo ga brengen, maar het is lariekoek dat het onbetaalbaar is. Het gaat niet verder stijgen dan boven de 13%, ook niet in 2060, al zou je het allemaal doorrekenen. Het is gewoon lariekoek, dus hou daarmee op. Hou op met mensen thuis bang te maken over onhoudbare kosten. U maakt politieke keuzes. Dat vind ik helemaal prima. Ik ben het er totaal niet mee eens, maar stop met dit soort doemscenario's te schetsen. Het is gewoon niet waar.

Minister Vijlbrief:

Ik denk dat ik niet ga reageren. Ik denk dat we het beste ...

De voorzitter:

Een uitstekend idee.

Minister Vijlbrief:

Voorzitter, ik ga naar de moties. Ik kan ze ook een voor een doen, maar de moties op de stukken nrs. 43 tot en met 47 van mevrouw Patijn wil ik in één keer ontraden. Dat zal mevrouw Patijn, gegeven het debat, ook niet verbazen.

De motie op stuk nr. 48, ook van mevrouw Patijn, moet ik eveneens ontraden. Die motie verzoekt de relatie met de vakbeweging beter te maken door de AOW-leeftijd nu van tafel te halen.

De motie op stuk nr. 49. Wat stond daar ook alweer? "Verzoekt de regering de voorgenomen afschaffing …". Die motie moet ik ontraden onder verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 50 verzoekt de loonkloof te verkleinen. Het kabinet is daarmee bezig en er ligt een voorstel bij de Raad van State. Daarom is deze motie ontijdig. Ik zie dat mevrouw Moorman niet aanwezig is, maar mevrouw Patijn is dat wel. Deze motie is ontijdig, omdat er al aan een voorstel wordt gewerkt.

De motie op stuk nr. 51 van mevrouw Lahlah en mevrouw Kröger: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 52 over een doorrekening door het Nibud is van Lahlah en Patijn. Ik geef die motie oordeel Kamer.

Voorzitter, ik sla er zo nu en dan een over, omdat mijn collega die gaat doen.

De motie op stuk nr. 54 over de tekortsectoren van de heer Neijenhuis: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 55 van de heer Neijenhuis over uitval van jonge vrouwen op de arbeidsmarkt: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 56, "geen verlaging van het maximumdagloon", van de heer Mulder: ontraden.

De motie op stuk nr. 57 over het niet verhogen van de AOW-leeftijd: ontraden.

De motie op stuk nr. 58 van de heer Mulder en de heer Boon: ontraden onder verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 60: ontraden.

De motie op stuk nr. 63 over het uitwerken van de hervormde transitievergoeding: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 67 van de heer Ceulemans … Voorzitter, als ik te snel ga, moet u dat zeggen! Deze motie over het in kaart brengen van hoe het in andere landen zit: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 69 van de heer Hamstra: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 70 over het uitwerken van scenario's voor de energieprijzen van Hamstra, Biekman en Wiersma: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 71 over leefvormvarianten: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 75 over alternatieven voor het maximumdagloon van de heer Flach en Ceulemans: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 77 over de feestdagen moet ik ontraden.

De motie op stuk nr. 78 van Ceder en Flach verzoekt te bevorderen dat de verlaging geen nadelige gevolgen heeft voor ouders. Deze motie geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 79 over vrijwilligers van Ceder en Flach: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 80 over de wanbetalersregeling: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 81 van de heer Ceder over collectieve afbetalingsplannen en gerechtsdeurwaarders: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 82 van de heer Dijk: ontraden.

De motie op stuk nr. 83: ontraden.

De motie op stuk nr. 84: ontraden.

De motie op stuk nr. 85: ontraden.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 86 van mevrouw Van Brenk over de kosten van pensioenfondsen. Deze motie krijgt oordeel Kamer, maar wel met een korte opmerking erbij. Ik ben voorstander van transparantie over de kosten, ook bij het UPO. Als ik de motie zo mag begrijpen dat ik in samenspraak met de sector ga onderzoeken of het mogelijk is om dergelijke kerngetallen te ontwikkelen, kan ik 'm oordeel Kamer geven. Ik zie mevrouw Van Brenk haar duim opsteken.

De motie op stuk nr. 87 van mevrouw Van Brenk: ontijdig. Er komt eerst een brief die ik u heb toegezegd. Ik vraag u om die brief even af te wachten.

De voorzitter:

Dus dan wordt de motie aangehouden? Ik zie mevrouw Van Brenk dat beamen.

Minister Vijlbrief:

De motie op stuk nr. 88 van mevrouw Van Brenk: oordeel Kamer.

De motie-Van Brenk op stuk nr. 89 is een spreekt-uitmotie.

De motie op stuk nr. 90 van de heer Dassen en mevrouw Biekman over de laptopregeling heeft oordeel Kamer.

De motie-Dassen op stuk nr. 91 moet ik ontraden.

De motie-Dassen op stuk nr. 92: ontraden.

De motie-Dassen op stuk nr. 93: ontraden.

Dan hebben we de motie-Dassen/Patijn op stuk nr. 94. Ik heb net verteld wat het kabinet gaat doen, dus ik moet deze motie ontraden.

De motie op stuk nr. 95 van mevrouw Moinat over een armoedefonds voor basisproducten kan ik oordeel Kamer geven.

De motie-Moinat op stuk nr. 96: ontraden.

En de motie-Moinat op stuk nr. 97: oordeel Kamer.

Daarmee heb ik de moties op mijn terrein gehad.

De voorzitter:

Dan gaan we nog heel even naar de motie op stuk nr. 50 van de leden Patijn en Moorman. Die heeft de appreciatie "ontijdig" gekregen en nu begrijp ik dat mevrouw Moorman er niet is, maar ik kijk even naar mevrouw Patijn.

Minister Vijlbrief:

Dan is die voorlopig ontraden.

De voorzitter:

Wij hebben nog even de tijd om te kijken of die wordt aangehouden.

Minister Vijlbrief:

Dan heb ik nog wat amendementen. Ik heb hier het amendement op stuk nr. 23 van het lid Jimmy Dijk. Dat moet ik ontraden. Er zijn op dit moment geen signalen dat de huidige middelen onvoldoende zijn en de dekking is ondeugdelijk.

Dan heb ik, ook weer van de heer Jimmy Dijk, het amendement op stuk nr. 24. Het lag voor de hand: hetzelfde oordeel, dus ontraden. Geen signalen dat de middelen onvoldoende zijn en de dekking is niet deugdelijk.

Hetzelfde geldt voor het amendement-Jimmy Dijk op stuk nr. 25.

Dan hebben we nog het amendement op stuk nr. 26 van de heer Jimmy Dijk. Dat moet ik ontraden, maar ik ben bezig met het opzetten van dat energiefonds. We gaan proberen om dat zo snel mogelijk te doen. De aangedragen dekking is ondeugdelijk, want dit gaat verder dan externe inhuur op mijn eigen begroting, waar ik wat over kan zeggen. Dat amendement moet ik dus ontraden.

Dan het amendement op stuk nr. 31 van mevrouw Lahlah over 60 miljoen voor een publiek energiefonds. Dat is eigenlijk een beetje hetzelfde verhaal. Ik ben bezig om allerlei alternatieven in kaart te brengen. Op dit moment moet ik dit amendement dus ontraden. De dekking is ook niet deugdelijk.

Het amendement op stuk 35 van de heer Ergin van DENK kan ik oordeel Kamer geven. Dat is het amendement dat 1 miljoen euro inzet om te waarborgen dat de schuldhulpverlening sociaal, zorgvuldig en duurzaam is, en daar is dekking voor in artikel 2.

Dan heb ik het amendement op stuk nr. 40 van de heer Ceder en mevrouw Lahlah over €750.000 voor de opschaling naar gemeenten van projecten als dat van SchuldHulpMaatje. Oordeel Kamer.

Ten slotte heb ik nog een amendement van het lid Flach, het amendement op stuk nr. 42, over subsidie aan de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp. Dat kan ik ook oordeel Kamer geven.

Voorzitter. Dat was … Ik zie de heer Dijk nog naar voren komen.

De voorzitter:

Dat ziet u goed. Graag één verhelderende vraag bij een geapprecieerd stuk. De heer Dijk.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Voorzitter. Ik kan drie amendementen in één keer doen. Dat gaat over geld voor het Jeugdeducatiefonds, het Jeugdsportfonds en de Stichting Leergeld. De minister geeft ten eerste aan dat er geen signalen zijn dat er te weinig financiële middelen zijn. Nou ja, de stichtingen worden allemaal overvraagd, dus de lijsten nemen toe. Er is dus een grote behoefte aan. En dan zegt de minister: ja, de dekking is niet deugdelijk. Daar zou ik nog wel graag een reactie op willen, want de dekking is namelijk gewoon het niet sanctioneren van en handhaven op kleine niet-fraudes, om het even zo te zeggen, die lage bedragen betreffen en niets opleveren, maar veel te veel geld kosten.

Minister Vijlbrief:

Volgens mij is het steeds dezelfde dekking. De dekking is niet deugdelijk omdat de besparing niet realistisch is, ten eerste. Ten tweede zijn de middelen voor handhaving van de Participatiewet onderdeel van het Gemeentefonds en staan die niet op mijn begroting. Dus dat is een klein probleem. Die staan namelijk gewoon bij de gemeentes.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Jimmy Dijk (SP):

In dat tweede punt zou ik nog enigszins mee kunnen gaan. Ik begrijp alleen niet waarom het niet zou kunnen, want we zien gewoon dat we daarop kunnen besparen. Er wordt meer geld aan uitgegeven dan het oplevert, als het gaat over handhaven of sanctioneren en terugvorderen. Het kost gewoon heel veel geld en levert niks op. Het zou dus een heel fatsoenlijke besparing kunnen zijn die we met gemeenten zouden kunnen afspreken. Ik wil het best aanpassen hoor, maar dat is de reden die erachter zit.

Minister Vijlbrief:

Ik hoor de heer Dijk, maar ik heb hier staan: aangezien het bij zaken met een lage financiële omvang en bij sancties die voortkomen uit niet opzettelijke fouten ook gedegen onderzoeken nodig zijn, is de voorgestelde besparing op deze middelen niet realistisch. Als de heer Dijk daar erg aan hecht, wil ik hem hier ook nog wel een briefje over sturen.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Dat zou fijn zijn. Dan kan ik er nog naar kijken en dan kan ik 'm aanpassen als dat nodig is.

Minister Vijlbrief:

Ja, dat doen we.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de minister voor Werk en Participatie. Of nee, de minister ván Werk en Participatie uiteraard.

Minister Aartsen:

Dank, voorzitter. Ik zal ook beginnen bij de vragen. Allereerst de vraag van mevrouw Van Brenk. Wat gaan we doen om oudere werkzoekenden te ondersteunen bij het vinden van een andere baan? Zoals ik al zei, gaan we breed kijken naar wat we überhaupt aan re-integratie van werk naar werk kunnen doen. Heel concreet is dat ook ervoor zorgen dat de scholingsbudgetten, bijvoorbeeld vanuit de WW, beschikbaar kunnen komen voor de werkhervattingskans, maar we gaan ook vol inzetten op de regionale Werkcentra. Ik hoop daar volgende week een mooi feestelijk moment voor te hebben.

Ik dank mevrouw Van Brenk voor haar vertrouwen in dit kabinet, in dat wij er over vier jaar nog zitten om met Ramona naar Prinsjesdag te gaan. Dat lijkt me een uitstekend punt, want juist dit voorbeeld sluit aan bij waar ik mee begon, namelijk dat er juist voor iedereen, ongeacht beperking of handicap, een plek moet zijn ergens bij een bedrijf om mee te kunnen doen en te kunnen werken in Nederland. Het is dus alleen maar inspirerend.

Mevrouw Biekman vroeg mij nog iets over de wachtlijsten bij beschut werken. Het klopt dat er op dit moment meer mensen met een indicatie beschut zijn dan mensen die werken op een beschutte werkplek. Het is ook zo dat het aantal beschutte werkplekken inmiddels gestaag toeneemt. Dat geldt ook voor de middelen die de gemeentes hiervoor ontvangen. Met de VNG en Cedris zijn we op dit moment een werkagenda aan het afspreken over de inzet voor beschut werken om dat verder te verbeteren. We zijn ook bezig om het verdeelmodel voor die middelen aan te passen en ik verwacht zomaar dat we hier volgende week dinsdag met elkaar verder over gaan spreken.

Mevrouw Lahlah vroeg mij naar het garantiebedrag en de Wajong, naar de juridische grondslag. Het antwoord daarop is: die is er niet. Er is geen juridische grondslag. Het is dus tegenwettelijk beleid dat we op dit moment voeren voor het jaar 2026. Daar zal ik ongetwijfeld een draai voor om mijn oren gaan krijgen van de Algemene Rekenkamer. Het vorige kabinet heeft het verstandig geacht om dat te doen en dat kan ik ook volgen, omdat het voor het UWV op dat moment onmogelijk was om het voor 1 januari '26 op een zorgvuldige manier te doen. Aangezien dit een groep betreft waarvoor je dit wel zorgvuldig wil doen, is destijds besloten om een jaar langer dan de wet toestaat dus tegenwettelijk beleid te voeren.

Voorzitter. Dan de moties. De motie op stuk nr. 53, van Lahlah c.s., kan ik oordeel Kamer geven als ik die zo mag lezen dat dit onderzocht mag worden met andere departementen en het kabinet hierop later zal terugkomen.

De voorzitter:

Er wordt instemmend geknikt, dus die motie krijgt oordeel Kamer.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 59 moet ik "ontijdig" geven. Ik kom hier in april op terug en dit zal daar zeker onderdeel van uitmaken. Op dit moment is het simpelweg niet mogelijk om dat te doen, vandaar het oordeel "ontijdig".

De voorzitter:

De heer Mulder schudt nee, dus dat betekent dat de motie gewoon in stemming wordt gebracht en dat de appreciatie "ontijdig" is.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 61, van Michon-Derkzen, over arbeidsparticipatie van statushouders kan ik oordeel Kamer geven met verwijzing naar het debat.

Ook de motie op stuk nr. 62 kan ik oordeel Kamer geven, ook met verwijzing naar het debat.

De motie op stuk nr. 64: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 65 kan ik oordeel Kamer geven. Wij delen het doel van deze motie. Loondoorbetaling bij ziekte is op dit moment voor de kleine ondernemers een enorme last. Dat is ook precies waarom in het coalitieakkoord is opgeschreven dat een lange en hoge doorbetaling bij ziekte een probleem is voor werkgevers. Hierdoor durven kleine ondernemers mensen niet in vaste dienst te nemen, wat nadelig is voor werkzoekenden. Tegelijkertijd zien we dat de loondoorbetaling in het tweede jaar ook een effectieve prikkel kan zijn voor re-integratie bij de eigen werkgever. Het kabinet werkt conform het coalitieakkoord aan voorstellen om loonbetaling bij ziekte meer werkbaar te maken voor werkgevers, met name gericht op het midden- en kleinbedrijf. Dat brengt mij bij deze motie. Die geeft al een richting aan. Ik ga natuurlijk niks zeggen over het spreekt-uitgedeelte, maar ik vind het wel belangrijk om te zeggen dat ik graag alle opties open wil houden bij deze zoektocht en dat we eerst met ondernemers en anderen zullen spreken over de vormgeving. Dat gezegd hebbend geef ik de motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 66 gaat over de tegenprestatie. Ook die kan ik oordeel Kamer geven, als ik de motie zo mag uitleggen dat ik de gemeenten erop ga wijzen dat de maatschappelijke participatie ook als tegenprestatie voor het ontvangen van bijstand mag worden verlangd. Ik denk dat dat goed is. Wederkerigheid is en blijft stevig verankerd in de Participatiewet.

De motie op stuk nr. 68 is ontijdig. Ik kom in april met een brief; dezelfde argumentatie als bij de heer Mulder.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Ceulemans: is hij bereid deze motie aan te houden tot die brief? Ja, dat is het geval.

Minister Aartsen:

Dank.

Dan de motie-Ergin/Ceulemans, over de zzp-koers. Ook die kan ik oordeel Kamer geven. We gaan zo snel mogelijk aan de slag met de zelfstandigenwet en we zullen zeker ook aangeven hoe die stappen zullen worden gezet.

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 72.

Minister Aartsen:

Dan de motie op stuk nr. 73. Die moet ik ontraden, omdat die ziet op het handhavingstraject dat op dit moment loopt. Ik zou eigenlijk aan de heer Ergin willen vragen om 'm in te trekken of aan te houden, zo hij wil. Ik kom met een brief. We zijn nu 23 dagen onderweg. Daarin hebben we al een besluit kunnen nemen over de Vbar. Volgens mij is dat een goede eerste stap vol vertrouwen. Ik vraag aan de indieners om 'm even aan te houden totdat we die brief hebben gestuurd. Zo niet, dan moet ik 'm ontraden. Het verzoek is om 'm aan te houden.

De voorzitter:

Mijn mooie blauwe kaartje zegt dat u eigenlijk het oordeel "ontijdig" geeft.

Minister Aartsen:

Dat komt op hetzelfde neer.

De voorzitter:

We gaan horen van de heer Ergin of hij daartoe bereid is.

De heer Ergin (DENK):

Voorzitter, volgens mij is er maar één indiener. De minister had het over indieners.

De voorzitter:

Excuus, excuus.

De heer Ergin (DENK):

Dat is een correctie. De minister kijkt er zo lief bij, dat ik 'm aanhoud.

Minister Aartsen:

Mijn dank is groot, zo groot dat ik de motie op stuk nr. 74 oordeel Kamer kan geven.

De voorzitter:

Kijk, dat is gewoon hoe het hier werkt.

Minister Aartsen:

De motie op stuk nr. 76 kan ik ook oordeel Kamer geven. Daar gaan we mee aan de slag.

Dan ben ik bij de motie op stuk nr. 98 van mevrouw Moinat. Ook die kan ik oordeel Kamer geven.

Dan kom ik bij de amendementen. Het amendement op stuk nr. 16 van mevrouw Lahlah moet ik ontraden. Dit amendement krijgt dezelfde appreciatie als het amendement van mevrouw Michon. Er was overigens één ander punt: dat amendement gaat over de uitvoeringskosten en dit gaat over de SPUK-regeling. Dat zijn twee verschillende zaken. Ik deel overigens wel de constateringen in het amendement. Daar gaan we ongetwijfeld nog over doorpraten met elkaar.

Het amendement op stuk nr. 17 van de heer Ergin moet ik ook ontraden. Wij blijven bij het woord "integratie".

Het amendement op stuk nr. 28 van de heer Dijk moet ik ontraden. We proberen als kabinet mensen in reguliere bedrijven in de reguliere economie te plaatsen en we willen op dit moment geen aparte regeling voor basisbanen opzetten. Daarnaast is de dekking niet deugdelijk en ook niet realistisch op dit moment.

Dan het amendement op stuk nr. 20 van mevrouw Michon-Derkzen. Dat heb ik reeds ontraden met een verwijzing naar het debat.

Dan het volgende amendement. Het had nr. 37, kreeg toen nr. 99 en inmiddels is het het amendement op stuk nr. 100. Dat kan ik oordeel Kamer geven, als ik het zo mag interpreteren dat het niet ziet op het financieren van buitenwettelijke initiatieven. Maar het is natuurlijk wel een belangrijk onderwerp, vandaar dat ik het oordeel Kamer kan geven.

Het amendement op stuk nr. 39 van mevrouw Lahlah moet ik ook ontraden. Dit vergt namelijk een wetswijziging en er is sprake van een ondeugdelijke dekking.

Tot slot het amendement op stuk nr. 41. Dat kan ik oordeel Kamer geven. Ik denk dat het belangrijk is dat er bij inburgeraars aandacht is voor de Holocaust en alles wat daaromheen speelt. Helemaal gelet op wat er afgelopen week is gebeurd, denk ik dat het een krachtig signaal is richting de Joodse gemeenschap dat wij dit als kabinet oordeel Kamer geven.

Dat was het aan de zijde van het kabinet.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de heer Dijk. Daar komt hij al.

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik heb twee vragen over het amendement op stuk nr. 28, over 50.000 banen. Er is een behoefte bij de 120.000 mensen die eigenlijk tot deze doelgroep behoren. De minister zegt: 10.000 basisbanen, dat hoeft niet. Er is een behoefte bij heel veel gemeenten waar dat al plaatsvindt. Het werkt heel goed. Mensen komen weer aan het werk, komen uit de bijstand en doen nuttig werk. De minister heeft het ook over een "ondeugdelijke dekking". Ik vind het wel prettig dat als we een dekking zoeken en het oordeel krijgen dat die ondeugdelijk is, dat dan ook beargumenteerd wordt. In principe zijn dit namelijk allemaal deugdelijke, bewezen dekkingen, of het nou gaat over besparing op de bijstand of uitstromen uit de bijstand.

Minister Aartsen:

De dekking is niet deugdelijk, de aannames zijn niet realistisch en de dekking staat niet in het juiste jaar. Een dergelijk bedrag krijg je in drie jaar niet uitgegeven. Het is niet mogelijk om 90 miljoen op de handhavingsbudgetten van het UWV en de SVB te besparen zonder dat de opbrengst daalt. De keuze om geen onderzoeken meer te doen met een lage financiële opbrengst of bij niet-opzettelijke fouten is niet mogelijk, omdat vooraf niet duidelijk is of er sprake is van opzettelijke fraude. Daarnaast wil de indiener de re-integratiemiddelen en de ESF-middelen inzetten voor de bekostiging van de basisbaan. Ook deze mensen hebben echt ondersteuning nodig. Daarbij ligt de korting op re-integratie niet voor de hand. Het huidige ESF is inmiddels ook al volledig gealloceerd. Omdat het gaat op een rijksbrede taakstelling op de externe inhuur, ligt het niet voor de hand deze in de SZW-begroting te verwerken. Ook wordt de dekking pas vanaf 2027 ingezet, waardoor 2026 ongedekt blijft.

De voorzitter:

Goed.

Minister Aartsen:

Meneer Dijk is overtuigd, zie ik. Grapje! Dit was uitlokking; ik geef me over!

De heer Jimmy Dijk (SP):

Ik vind het een goeie grap. Ik zei alleen: oké, dan gaan we daarnaar kijken.

De voorzitter:

Deze commissie treft deze bewindspersoon volgende week alweer, begrijp ik, dus dan wordt dit vervolgd. Ik dank de ministers voor hun beantwoording. Ik dank ook de leden van de Kamer voor een goed en prettig debat. Ik zou nu de mensen op de publieke tribune willen bedanken, maar die zijn er al een paar uur niet meer, maar er zijn ongetwijfeld wel mensen die thuis kijken via de livestream. Dank u wel. Ook de ondersteuning bedankt, uiteraard.

De voorzitter:

Op 24 maart stemmen wij over alle amendementen. Bij dezen sluit ik de vergadering.

Sluiting