[overzicht] [activiteiten] [ongeplande activiteiten] [besluiten] [commissies] [geschenken] [kamerleden] [kamerstukdossiers] [🧑mijn] [open vragen]
[toezeggingen] [stemmingen] [verslagen] [🔍 uitgebreid zoeken] [wat is dit?]
Datum 2026-03-26. Laatste update: 2026-03-26 22:48
Plenaire zaal
Tussenpublicatie / Ongecorrigeerd

56e vergadering, donderdag 26 maart 2026

Opening

Voorzitter: Paulusma

Aanwezig zijn 137 leden der Kamer, te weten:

El Abassi, Abdi, Van Ark, Armut, Van Asten, Becker, Beckerman, De Beer, Belhirch, Van den Berg, Biekman, Bikker, Bikkers, Boelsma-Hoekstra, Bontenbal, Boomsma, Boon, El Boujdaini, Brekelmans, Van Brenk, Tijs van den Brink, Bromet, Bühler, Bushoff, Van Campen, Ceder, Ceulemans, Claassen, Clemminck, Coenradie, Dassen, Tony van Dijck, Heera Dijk, Jimmy Dijk, Diederik van Dijk, Emiel van Dijk, Inge van Dijk, Dobbe, Van Duijvenvoorde, Eerdmans, Van Eijk, Ergin, Faber, Flach, Goudzwaard, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Hamstra, Heutink, Den Hollander, Hoogeveen, De Hoop, Van Houwelingen, Ten Hove, Huidekooper, Huizenga, Chris Jansen, Jumelet, Kathmann, Kisteman, Klaver, Klos, Koorevaar, Kops, De Kort, Köse, Kostić, Krul, Lahlah, Lammers, Van Lanschot, Van der Lee, Van Leijen, Lohman, Van der Maas, Maeijer, Maes, Markuszower, Martens-America, Mathlouti, Van Meetelen, Van Meijeren, Meulenkamp, Michon-Derkzen, Mohandis, Moinat, Mooiman, Moorman, Edgar Mulder, Müller, Mutluer, Nanninga, Neijenhuis, Nobel, Van Oosterhout, Oosterhuis, Oualhadj, Ouwehand, Paternotte, Patijn, Paulusma, Piri, Van der Plas, Podt, Poortman, Prickaertz, Raijer, Rooderkerk, Russcher, Schilder, Schoonis, Schutz, Sneller, Steen, Stoffer, Stöteler, Straatman, Struijs, Stultiens, Synhaeve, Teunissen, Tijmstra, Tseggai, Vellinga-Beemsterboer, Vermeer, Vervuurt, Vliegenthart, Vlottes, Vondeling, Wendel, Van der Werf, Westerveld, Wiersma, Wilders, Zalinyan en Zwinkels,

en mevrouw Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, mevrouw Boekholt-O'Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, de heer Eerenberg, staatssecretaris van Financiën, de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de heer Van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, mevrouw Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de heer Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat, en mevrouw Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

De voorzitter:

Ik open de vergadering van donderdag 26 maart.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heet de leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K van harte welkom. We gaan van start met het eerste tweeminutendebat. Dat is het tweeminutendebat Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025. Ik nodig mevrouw Steen van harte uit. Zij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Steen (CDA):

Voorzitter. De rode draad, of een rode draad, in alles wat we doen als het gaat over de woningbouw en het bouwen van woningen en gemeenschappen, is het versnellen van regels en procedures. We hebben natuurlijk het programma STOER, dat vooral op het schrappen van regels ziet. Wat het CDA betreft moeten we dat vereenvoudigen en dat op een stoere en slimme manier doen. Daarom heb ik twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten bij het pur-toezicht nieuwe regels moeten handhaven, waarbij het risico ontstaat op verschillende handhavingspraktijken;

overwegende dat een groot deel van de sector al vrijwillig is gecertificeerd en de nieuwe regels een administratieve lastenverzwaring vormen, die in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf negatief kunnen uitpakken;

overwegende dat een landelijke handreiking het ontstaan van verschillende handhavingspraktijken kan voorkomen, helpt bij het verminderen van regeldruk en zorgt voor een betere uitvoerbaarheid;

verzoekt het kabinet samen met de VNG en omgevingsdiensten een landelijke handreiking pur-toezicht te ontwikkelen, met daarin aandacht voor een uniforme uitvoering en risicogestuurd toezicht;

verzoekt het kabinet de pur-regelgeving te monitoren op toename van regeldruk en uitvoeringskosten voor zowel medeoverheden als bedrijven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Steen.

Zij krijgt nr. 305 (28325) (#1).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat wordt gewerkt aan versnelling van vergunningverlening voor herhaalbare bouw via een fastlane en typegoedkeuring;

overwegende dat het doel hiervan is dat herhaalbare woningbouwconcepten niet telkens opnieuw technisch worden beoordeeld;

overwegende dat flexwoningen een bijzondere categorie vormen binnen de herhaalbare woningbouwconcepten, aangezien verplaatsing hiervan vaak leidt tot een nieuw toetsmoment, ook wanneer de flexwoning voldoet aan de typegoedkeuring;

overwegende dat daardoor interpretatieruimte binnen de regels ontstaat, waardoor gemeenten aanvullende technische beoordeling of hernieuwde technische toetsing kunnen toepassen;

overwegende dat gemeenten sturen op ruimtelijke kwaliteit van flexwoningen, maar extra technische toetsing tot vertraging leidt;

verzoekt de regering de fastlane en typegoedkeuring zo uit te werken dat voor flexwoningen die voldoen aan een typegoedkeuring bij herplaatsing geen hernieuwde integrale technische toetsing plaatsvindt en aanvullende technische beoordeling alleen mogelijk is bij aantoonbare afwijkingen van het gecertificeerde concept,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Steen en Nobel.

Zij krijgt nr. 306 (28325) (#2).

Mevrouw Steen (CDA):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Asten, die spreekt namens de fractie van D66.

De heer Van Asten (D66):

Dank, voorzitter. Ik dien vandaag geen moties in, maar ik heb wel een vraag aan de minister. De brandweer heeft zorgen geuit over nieuwe brandveiligheidseisen bij woningen waar Nederlanders met een zorgbehoefte kunnen wonen. Wij nemen die signalen erg serieus. Onze bevolking wordt ouder en heeft ook vaker te maken met een zorgbehoefte. Vanochtend lazen we nota bene ook nog in de krant dat als ouderen doorverhuizen daardoor gezinswoningen weer vrijkomen. Dat is goed voor onze woningzoekenden. We hebben hierover schriftelijke vragen gesteld en ik ben tevreden na het lezen dat de minister na het onderzoek van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid met de zorgsector aan de slag gaat met eventueel benodigde aanpassingen van de brandveiligheidseisen. Daar gaat mijn vraag dan ook over. Kan de minister toezeggen ook de brandweer te betrekken bij de verdere uitwerking na de publicatie van dat onderzoek?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer. De minister heeft aangegeven twee minuten nodig te hebben voor de appreciatie, dus ik schors twee minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025. We zijn toegekomen aan de appreciatie van de moties en het beantwoorden van de vragen. Daartoe geef ik graag de minister in vak K het woord. Gaat uw gang.

Termijn antwoord

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dank u wel, voorzitter. Ik geef eerst graag antwoord op de vraag die is gesteld door D66. Dat gaan we doen; we gaan de brandweer betrekken bij de verdere uitwerking.

Dan de moties. De motie van het CDA op stuk nr. 305 over het pur-toezicht krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 305 krijgt oordeel Kamer.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie van het CDA op stuk nr. 306 over het herplaatsen van flexwoningen krijgt oordeel Kamer, met name gericht op het grondgebonden deel. Naar het meer gestapelde deel moeten we echt nog even kijken. Als dat akkoord is, krijgt de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Steen enthousiast knikken, ook namens de heer Nobel. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 306 oordeel Kamer. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Ik stel voor dat we doorgaan met het tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting. Ik wacht even keurig op de bel.

Termijn inbreng

De voorzitter:

We kunnen nu van start met het tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting. Ik geef graag de heer De Hoop het woord, die spreekt namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. U stond er al klaar voor; dat waardeer ik. Gaat uw gang.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Mijn fractie maakt zich grote zorgen over de betaalbaarheid van het leven. De huurkosten zijn een heel groot deel van de kosten die mensen hebben. We hebben in het vorige debat gehoord … Excuus, ik neem even een slok water.

De voorzitter:

Neem uw tijd. Ik zet de tijd stop.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Super, dank. We hebben bij het vorige debat van de minister van Volkshuisvesting gehoord dat zij van plan is om de Wet betaalbare huur aan te passen voordat de evaluatie is geweest. Ik vind dat zeer onverstandig. Zeker wanneer we weten dat de inflatie in de komende periode nog gaat stijgen en mensen moeite zullen hebben om het einde van de maand te halen, vindt mijn fractie het onwijs belangrijk om eerst de evaluatie af te wachten en om daarna als Kamer te bepalen wat we mogelijk met de Wet betaalbare huur zouden willen doen. U weet dat ik er geen voorstander van ben om die aan te passen. Ik verwacht ook niet dat ik dat snel zal zijn, maar laten we in ieder geval eerst de evaluatie goed hebben gedaan. Vandaar dat mijn fractie de volgende motie heeft.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het coalitieakkoord voorstelt om "voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur" de wet alweer aan te passen;

overwegende dat zonder goede evaluatie van de Wet betaalbare huur de Tweede Kamer geen oordeel kan vellen over nut en noodzaak van aanpassingen;

verzoekt de regering eerst een deugdelijke evaluatie van de Wet betaalbare huur te verrichten alvorens eventuele aanpassingen voor te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop, Beckerman en Grinwis.

Zij krijgt nr. 1408 (32847) (#3).

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Grinwis, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. In vervolg op het commissiedebat heb ik één motie meegebracht.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regelgeving rondom de toewijzing van sociale huurwoningen aan doelgroepen ruimte laat om de vrije toewijzingsruimte van 7,5% landelijk lokaal te verruimen naar 15%, zodat er meer sterke schouders in kwetsbare wijken kunnen komen wonen, maar dat hier nog weinig gebruik van gemaakt wordt;

overwegende dat voor passend toewijzen (betaalbaarheid) de afwijkingsmogelijkheid met 5% beduidend kleiner is, wat risico's voor de leefbaarheid van wijken met zich mee kan brengen als de relatief goedkope sociale huurwoningen sterk geconcentreerd zijn op één plek;

overwegende dat sterke en gemengde wijken belangrijk zijn voor leefbaarheid, kansen voor bewoners en het voorkomen van concentraties van problematiek;

verzoekt de regering om kwetsbare wijken krachtiger te maken, zeker binnen de NPLV-gebieden, door gemeenten en woningcorporaties aan te moedigen om in hun prestatieafspraken en de uitvoering daarvan maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid om middeninkomens een sociale huurwoning toe te wijzen;

verzoekt de regering tevens met het oog op het krachtiger maken van kwetsbare wijken de systematiek van en uitzonderingsruimte voor passend toewijzen tegen het licht te houden;

verzoekt de regering de Kamer over beide zaken voor de eerstvolgende begrotingsbehandeling van VRO te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Steen.

Zij krijgt nr. 1409 (32847) (#4).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Beckerman, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel. D66 had een duidelijke belofte in de verkiezingscampagne: kies ons en wij gaan echt de strijd aan met de wooncrisis. Er zouden grote doorbraken voor de woningmarkt komen, zodat iedereen een passende woning kan vinden: geen pleisters plakken, maar de hele boel aanpakken. Dat was de belofte, maar wat is daar nu nog van over? Wat komt daarvan terecht? Juist om betaalbare woningen te bouwen voor lage en middeninkomens wordt veel te weinig geld vrijgemaakt. Er zijn vele miljarden tekort voor de woningbouwafspraken die er nu al zijn, laat staan voor al die extra woningen of steden die beloofd zijn.

Nu is dan ineens de boodschap van deze minister aan mensen die wachten op een goede en betaalbare woning: dan moet u maar luxe inleveren. De minister begint zelfs over het invoeren van douchemuntjes, die ze niet eens zelf gebruikt heeft in Afghanistan, maar die blijkbaar wel een metafoor zijn voor het nieuwe D66-woonbeleid. Onbegrijpelijk. Wie moet er volgens de minister maar wennen aan soberdere woningen en een soberdere levensstijl? We zien namelijk dat ditzelfde kabinet ondertussen voor de hoogste inkomens de hypotheekrenteaftrek verhoogt. Dus de een krijgt villasubsidie en de rest moet maar hopen op een kekke barak.

Dan de moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de oorlog van de Verenigde Staten en Israël tegen Iran de betaalbaarheidscrisis voor vele Nederlanders gaat verdiepen;

constaterende dat Nederlanders steeds meer van hun inkomen kwijt zijn aan woonlasten en jongeren bijna de helft van hun inkomen kwijt zijn aan huur;

overwegende dat een huurbevriezing de betaalbaarheidscrisis kan dempen, zoals bewezen wordt door de acties van de Spaanse regering;

verzoekt de regering een huurbevriezing in te voeren zolang de door de oorlog veroorzaakte energiecrisis voortduurt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 1410 (32847) (#5).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de betaalbaarheidscrisis door internationale spanningen gaat verdiepen;

constaterende dat woonkosten een significant onderdeel zijn van de maandelijkse kosten voor Nederlanders;

verzoekt de regering met een plan te komen om de stijging van de huren te beteugelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 1411 (32847) (#6).

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Steen, die spreekt namens de fractie van het CDA.

Mevrouw Steen (CDA):

Voorzitter. Onze woningbouwopgave is een van de grootste opgaven van de komende tijd. Daar hebben we de afgelopen tijd al veel over gedebatteerd en dit is vast niet de laatste keer. We hebben het heel vaak over aantallen en wat het mag kosten. Dat is belangrijk, maar uiteindelijk bouwen we niet alleen een nieuwe skyline maar bouwen we gemeenschappen. Meerdere partijen hier in de Kamer heb ik het CDA hierin zien volgen. We weten dat ontmoetingsplekken en maatschappelijke baten nog te vaak buiten beeld blijven in de financiële afweging rondom woningbouwprojecten. Gemeenten en andere overheden lopen vaak vast in regels.

Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ruimte voor ontmoeting, sociale cohesie en groen in een wijk leidt tot maatschappelijke baten als minder eenzaamheid en betere gezondheid;

overwegende dat met het programma Innovatie en Opschaling Woningbouw en de aanpak Samen Slim onder andere wordt ingezet op maatschappelijke innovaties in gebiedsontwikkeling, maar het ontbreekt aan concrete methodiek en instrumentarium om hierop te sturen;

overwegende dat medeoverheden hierbij vaak aanlopen tegen begrotingsregels en administratieve kaders;

verzoekt de regering een methodiek en bijpassend instrumentarium te ontwikkelen voor het structureel meenemen van maatschappelijke baten in businesscases van bouwprojecten;

verzoekt de regering samen met medeoverheden te bezien welke administratieve en begrotingsregels moeten worden aangepast zodat gemeenten makkelijker met marktpartijen kunnen samenwerken aan projecten waarin gemeenschapsopbouw een plek krijgt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Steen.

Zij krijgt nr. 1412 (32847) (#7).

Dank u wel. Dan nodig ik nu van harte uit: de heer Nobel, die spreekt namens de fractie van de VVD. Gaat uw gang.

De heer Nobel (VVD):

Dank u wel, voorzitter. De woningbouwopgave in Nederland is misschien wel een van de grootste opgaven van dit kabinet. Terecht denk ik dat deze coalitie heeft gezegd dat er 100.000 woningen moeten worden gebouwd. Maar als we dat met elkaar willen bereiken, dan zullen we wat we de afgelopen jaren hebben gedaan niet moeten herhalen. In de afgelopen jaren hebben we met name regels gestapeld maar geen stenen. Namens de VVD zal ik vandaag met voorstellen komen om de stenen die we gestapeld hebben op het gebied van regelgeving, stuk voor stuk af te breken, omdat met name het middensegment, de betaalbare koop maar ook het middenhuursegment, helemaal kapotgaat op deze manier. We hebben het afgelopen jaar gezien dat tienduizenden woningen zijn verdampt in het middenhuursegment. Om daar een stokje voor te steken, dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal huurwoningen in het middenhuursegment sinds de invoering van de Wet betaalbare huur enorm is afgenomen, waardoor de doorstroming afneemt en de druk op sociale huurmarkt verder kan toenemen;

constaterende dat de indexatie van het woningwaarderingsstelsel essentieel is voor nieuwe investeringen in middenhuurwoningen;

overwegende dat in de Wet betaalbare huur geen aanpassingen worden gedaan aan de jaarlijkse indexatie van het woningwaarderingsstelsel, waardoor wordt vastgehouden aan de indexatie aan de hand van inflatie;

overwegende dat het voor investeerders complexer wordt om te investeren in nieuwbouw en de exploitatie onrendabel wordt;

verzoekt de regering om het woningwaarderingsstelsel te indexeren met de consumentenprijsindex plus een opslag van één procentpunt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Nobel.

Zij krijgt nr. 1413 (32847) (#8).

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Ik heb vanzelfsprekend inhoudelijke bezwaren tegen deze motie, maar daar ga ik de heer Nobel geen vraag over stellen. Mijn vraag is meer een procesvraag. De minister heeft in het debat over de Staat van de Volkshuisvesting aangegeven dat zij in april met een brief komt. Is deze motie dan niet een beetje voortijdig en verdient de minister dan niet de tijd om die brief eerst naar de Kamer te sturen voordat u al pusht op die aanpassingen? Het lijkt mij binnen een coalitie ook logisch om dan op de minister te wachten.

De heer Nobel (VVD):

GroenLinks-PvdA heeft bij monde van de heer De Hoop zojuist ook aangegeven eigenlijk helemaal niets te willen aanpassen in de Wet betaalbare huur, terwijl we de negatieve effecten daarvan nu wel zien. Dan vind ik het verstandig en ook goed dat de minister aangeeft dat zij niet gaat wachten op die evaluatie en dat zij met een brief zal komen. Tegelijkertijd denk ik dat het aan de Kamer is om gewoon wel voorstellen te doen om de minister aan te sporen om echt stappen te gaan zetten. In het debat heb ik de minister twee dingen horen zeggen, namelijk dat zij met een brief komt, maar ook dat zij gaat kijken en onderzoeken. Wat de VVD betreft moet er nu echt actie ondernomen worden. Ik denk dus dat dit vooral als een aansporing moet worden gezien om daadwerkelijk in te grijpen op die negatieve effecten van de Wet betaalbare huur.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Dit verbaast me toch, want de heer Nobel heeft in het regeerakkoord al behoorlijk zijn zin gekregen: er zullen aanpassingen komen. De minister heeft alleen gevraagd om haar tot april de tijd te geven om een brief te schrijven over de manier waarop dat gebeurt. Die tijd geeft de heer Nobel de minister niet eens. Hij wil nu al dat er aanpassingen komen. Ik vind het problematisch als deze minister zelfs binnen de coalitie daar niet de tijd voor wordt gegeven. Is het dus niet te overwegen om deze motie gewoon aan te houden tot die brief en om er dan een fatsoenlijk debat met elkaar over te hebben? Want zo gaat het wel heel hard, zeg ik tegen de heer Nobel.

De heer Nobel (VVD):

Uiteraard zal ik de appreciatie van de minister gewoon afwachten. Ik wil hier nogmaals benadrukken dat dit echt niet meer het moment is om af te wachten. We zien dat alleen al in het afgelopen jaar ruim 40.000 woningen uit het middenhuursegment zijn verdwenen en dat Nederland wat dat betreft in Europa het slechtste jongetje van de klas is. Wij hebben een middenhuursegment van ongeveer 8%, terwijl andere landen tussen 20% en 30% hebben. Dat zorgt er ook voor dat de doorstroming in de sociale huur stopt. Dat zou iets moeten zijn wat ook GroenLinks-PvdA tegen wil gaan. Daarvoor moeten nu echt maatregelen worden genomen. Uiteraard wacht ik de reactie van de minister geduldig af, maar ik zeg daar ook bij dat er echt maatregelen moeten worden genomen. Gelukkig heeft de minister ook gezegd dat zij al in april met een brief komt. Dat moeten wat de VVD betreft niet alleen onderzoekspunten zijn; er moet echt iets gebeuren.

Mevrouw Steen (CDA):

We hebben in het debat gewisseld dat er al een aantal wetsvoorstellen of voorstellen liggen. Daar hebben we ook al schriftelijk overleg over gehad om een aantal aanpassingen te doen. Deze motie past eigenlijk ook weer de hele huurregeling aan. Dat gaat dan weer in een andere stap. Vindt de heer Nobel het niet verstandig om dat in één pakket te doen ten behoeve van de voorspelbaarheid, waar we volgens mij allebei heel erg aan hechten, vooral voor de huurmarkt en de investeerders die daarin moeten investeren, en om de wet vervolgens met dat hele pakket in één keer op een goede manier aan te passen?

De heer Nobel (VVD):

Als de minister aangeeft dat ze met een heel pakket komt waarin ze niet alleen gaat kijken naar wat er moet gebeuren om de negatieve effecten van de Wet betaalbare huur straks te verkleinen en hopelijk ongedaan te maken, kan dat heus wel een week of twee wachten, omdat die brief in april komt. Maar nogmaals, ik denk dat we hier vanuit de Kamer ook echt zelf voorstellen moeten indienen om aan te geven dat we niet alleen een afwachtende houding moeten aannemen ten aanzien van de negatieve effecten die we dit jaar hebben gezien en waarvan wordt voorspeld dat zij volgend jaar verder door gaan zetten.

De voorzitter:

Dat geeft aanleiding tot nog één vraag.

De heer Van Leijen (D66):

Ik hoor de heer Nobel zeggen dat hij bereid is om de minister de kans te geven om met een brief te komen met concrete maatregelen. Volgens mij gaat de minister dat ook gewoon doen. Hoor ik u dan ook zeggen dat u bereid bent om de motie aan te houden als zij dat straks toezegt?

De heer Nobel (VVD):

Ja, volgens mij heb ik net aangegeven dat ik het oordeel van de minister gewoon afwacht, maar ik verwacht dan wel dat er in dat oordeel ook actie zit. In het debat dat we met elkaar hebben gevoerd, heb ik de minister ook heel vaak "ik ga kijken naar" horen zeggen. Dat is voor de VVD echt te zacht. Dus ik wacht het oordeel straks af. Maar ik verwacht dat de minister hier ook een reflectie op geeft.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Russcher, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Gaat uw gang.

De heer Russcher (FVD):

Voorzitter. De staat van de volkshuisvesting: massaal woningen bijbouwen. Maar voor wie, is de vraag. Het geboortecijfer in Nederland ligt rond de 1,4 kinderen per vrouw. Dat is ver onder het geboortecijfer van 2,1 kinderen per vrouw, het geboortecijfer dat nodig is om de eigen bevolking in stand te houden of te laten groeien. De minister van Volkshuisvesting zei het zelf ook al in het commissiedebat: de Nederlandse bevolking groeit voor 95% door migratie. De helft van de woningen die wij bouwen, zijn voor migranten. Honderdduizenden woningen voor mensen die hier nog niet eens zijn. Kan de minister hier nogmaals op reflecteren? Acht zij het wenselijk dat wij nu al een woningbouwopgave hebben waarbij we ons richten op het bouwen van woningen voor mensen die hier nog niet eens zijn? En is zij, en ook het kabinet, het met Forum voor Democratie eens dat we Nederland, nu al een van de dichtstbevolkte landen van Europa, niet nog voller moeten bouwen voor migranten? Ik hoor graag haar reactie hierop.

Dan een ander punt, voorzitter. Jongeren en starters zitten lang klem in een huurwoning met vaak een huur die kan oplopen tot boven de €2.000. Bij een bewezen goede huurgeschiedenis verdienen zij een kans op de koopmarkt. Daarover heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat starters met een aantoonbare huurgeschiedenis vaak geen passende hypotheek kunnen krijgen ondanks bewezen betaalcapaciteit;

overwegende dat deze huurgeschiedenis een betrouwbare indicator is van draagkracht;

verzoekt de regering in overleg met financiële instellingen en relevante toezichthouders een pilot op te zetten waarbij starters op basis van minimaal drie jaar huurgeschiedenis een hypotheek kunnen verkrijgen ter hoogte van de gemiddelde maandelijkse huur, en de resultaten hiervan te evalueren en aan de Kamer te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Russcher.

Zij krijgt nr. 1415 (32847) (#9).

Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag. Als u nog een moment heeft …

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Allereerst zijn vrouwen er volgens mij niet alleen voor het krijgen van kinderen. Maar dat terzijde. De vraag die ik heb, gaat over het voorstel dat de heer Russcher namens Forum voor Democratie doet: eigenlijk de huur die je kunt betalen, koppelen aan wat je kunt lenen, dus de leencapaciteit. Heeft de heer Russcher dan ook een beetje een beeld van hoe die zich tot elkaar verhouden? Als je de leencapaciteit van mensen verhoogt, kan dat natuurlijk ook best wel een prijsopdrijvende werking hebben op de koopmarkt. Dan komen mensen nog moeilijker aan de beurt voor een betaalbare woning. Heeft de heer Russcher daar ook over nagedacht?

De heer Russcher (FVD):

Daar heb ik zeker over nagedacht. Vandaar dat ook in de motie staat: "in overleg met financiële instellingen". De minister heeft in het vorige debat ook al aangegeven dat die gesprekken gepland staan, om het daarover te hebben met de financiële instellingen. We hebben de NHG-pilot in 2022 gezien. Daar is niet heel veel opvolging aan gegeven. Ik zou graag willen dat het kabinet samen met die financiële instellingen onderzoekt of het mogelijk is en natuurlijk ook welke invloed het heeft op de huurmarkt.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Precies. Juist de financiële instellingen, juist de Nederlandsche Bank zegt eigenlijk al best lang: je moet ervoor zorgen dat de leencapaciteit niet ruimer wordt, want het heeft een prijsopdrijvende werking. Ik denk dat we dus eigenlijk al weten dat dit best wel neveneffecten heeft, maar ik wacht de reactie van de minister af. Ik hoop dat de heer Russcher deze zorgen tot zich neemt bij dit voorstel.

De heer Russcher (FVD):

Ik zal het meenemen, zeker.

De heer Nobel (VVD):

In het commissiedebat ging het ook even kort over Nederlandse vrouwen en het aantal kinderen dat Nederlandse vrouwen krijgen. Toen vroeg ik me af: goh, wat bedoelt Forum hier nu precies mee? Ik was toen door mijn interrupties heen, dus ik dacht: ik ga vandaag in het tweeminutendebat toch eens vragen waar u zich zorgen over maakt. Als u zich zorgen maakt over de migratie … De VVD maakt zich daar ook zorgen over. Daar hebben we in het coalitieakkoord ook duidelijke afspraken over gemaakt: de migratie moet fors teruggedrongen worden. Wellicht maakt de heer Russcher zich namens Forum voor Democratie zorgen over de vergrijzing. Waar zit nou precies die zorg van Forum voor Democratie op dit punt?

De heer Russcher (FVD):

De zorg van Forum voor Democratie zit 'm erin dat de Nederlandse bevolking uitsluitend groeit door migratie en niet door de geboorte van Nederlandse kinderen. Wij zien liever gewoon een Nederland met Nederlanders, niet met migranten. Het is heel simpel.

De heer Nobel (VVD):

Ik heb toch even een vraag om het goed te begrijpen. Als iemand hiernaartoe komt, op een gegeven moment een status krijgt en ook Nederlander wordt, dan doet diegene toch volwaardig mee? Dan gelden er rechten en plichten. Of ziet Forum hen als een soort tweederangs-Nederlanders?

De heer Russcher (FVD):

Nou, wij zien liever een asielstop, zodat er geen mensen meer Nederland binnenkomen, zodat onze sociale voorzieningen niet onder druk komen te staan, de veiligheid op straat gewaarborgd blijft en Nederland Nederland blijft. Ja.

De voorzitter:

Kort en afrondend op dit punt.

De heer Nobel (VVD):

Dat was de vraag niet. Ik zie ook dat de druk op de sociale voorzieningen toeneemt door migratie. Daar zit ook een zorg van de VVD. Maar ik vraag gewoon: is Forum voor Democratie het met de VVD eens dat er voor mensen die hier zijn en die ook Nederlander zijn zowel rechten als plichten moeten gelden? Het lijkt nu namelijk net alsof u onderscheid wil maken en twee groepen Nederlanders aan het definiëren bent.

De heer Russcher (FVD):

Als zij Nederlands staatsburger zijn, hebben ze dezelfde rechten en plichten als alle andere Nederlandse staatsburgers.

De heer Van Leijen (D66):

Ik heb hier toch ook even een vraag over. Ik hoorde de heer Russcher spreken over de vervangingswaarde, het aantal kinderen dat Nederlandse vrouwen of buitenlandse vrouwen moeten krijgen. Snapt u ook dat mensen die dat horen zich doodschrikken en denken: wat is dit in hemelsnaam voor extremistisch gedachtegoed?

De heer Russcher (FVD):

Nee, dat snap ik niet. Overigens was het gewoon een citaat van het CBS, waarin zij duiden dat de bevolking uitsluitend groeit door migratie, omdat Nederlandse vrouwen gemiddeld maar 1,4 kinderen krijgen, waardoor de Nederlandse bevolking krimpt. Ik snap niet dat dat als extremistisch zou worden opgevat.

De heer Van Leijen (D66):

Als u het politiseert, spreekt over vervangingswaarde en het op deze manier in het debat brengt, dan zijn het toch geen hondenfluitjes meer?

De heer Russcher (FVD):

Ik denk dat dit heel belangrijk is bij dit debat, want we hebben het over het aantal woningen dat we moeten gaan bouwen. Het gaat om 1 miljoen woningen. Mijn vraag is gewoon: voor wie zijn die woningen als onze bevolking niet op een natuurlijke wijze groeit?

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Van Leijen (D66):

Heeft de heer Russcher dan ook ideeën over hoe er meer woningen bij kunnen komen?

De heer Russcher (FVD):

Ja. Bouwen en afzien van de stikstofregels en andere duurzaamheidseisen die de bouw vertragen, zodat Nederlanders gewoon snel een woning krijgen.

Mevrouw Steen (CDA):

Mijn vraag aan de heer Russcher is de volgende. U begint eerst over het aantal kinderen per vrouw. Dan heeft u het over statushouders. Ik wil u vragen: wilt u voor mij nou eens een helder verband leggen tussen het aantal kinderen per vrouw en woningen die we toewijzen aan Nederlanders die hulp nodig hebben bij het vinden van een huis? Ik hoor u namelijk zeggen dat er meer buitenlanders binnenkomen dan dat er kinderen geboren worden. Maar dat is natuurlijk een drogredenering. Wat ik graag van de heer Russcher wil horen is wat nou precies het verband is tussen de woningnood, het aantal kinderen per Nederlandse vrouw en de mensen die hier een status hebben.

De heer Russcher (FVD):

Het verband is dat wij op dit moment een woningtekort hebben van 400.000 woningen en dat dit woningtekort niet zal oplopen als wij de grenzen dichtgooien en geen migranten meer binnenlaten. De Nederlandse bevolking groeit niet van nature, dus op een gegeven moment heb je ook minder woningen nodig.

Mevrouw Steen (CDA):

Als ik mag, voorzitter, heb ik de volgende vraag. Wat gaat dan het aantal kinderen per vrouw oplossen om dat woningtekort ook op te lossen?

De heer Russcher (FVD):

Volgens mij begrijp ik de vraag niet helemaal. Het is gewoon zo dat Nederlandse vrouwen gemiddeld 1,4 kinderen krijgen, waardoor de Nederlandse bevolking niet op een natuurlijke wijze groeit. Er komen gemiddeld wel 100.000 migranten per jaar bij — er is een positief migratiesaldo — waardoor extra woningen gebouwd moeten worden. Maar dat is niet voor de mensen die hier al zijn en kinderen krijgen. Dat is voor mensen die nu nog in het Midden-Oosten of in Afrika zitten.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

Mevrouw Steen (CDA):

Wat maakt het dan uit dat vrouwen in Nederland volgens Forum voor Democratie meer kinderen zouden moeten krijgen, om vervolgens de woningnood in Nederland op te lossen? Waarom is het krijgen van kinderen een oplossing voor de woningnood? Dat vraag ik voor de derde keer aan de heer Russcher.

De heer Russcher (FVD):

Dat is geen oplossing voor de woningnood. Het is gewoon een gegeven dat de Nederlandse bevolking niet op een natuurlijke wijze groeit, dus het is gewoon een duiding van het woningprobleem dat wij nu hebben en een vooruitblik op het woningprobleem, dat alleen maar groter gaat worden als de meeste partijen hier de grenzen gewoon wagenwijd open willen laten voor de hele wereld.

De voorzitter:

Dank u wel. We gaan luisteren naar de heer Flach, die spreekt namens de fractie van de SGP.

De heer Flach (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Afgelopen vrijdag bezocht ik Huize Nijevelt in De Meern. Dat is een wooncomplex waarin mensen vanuit het Leger des Heils een woning kunnen huren. Wij werden daar rondgeleid in een prachtig gebouw, door Jimmy, die dolblij was met de mogelijkheden die hij daar had gekregen. Dit soort bezoeken laten mij elke keer weer zien dat huizen bouwen en een plekje creëren voor woningzoekenden er echt toe doet. Overigens stond het complex jaren leeg en werd het een aantal jaren geleden omgebouwd. Dat laat maar weer zien dat er ook in de bestaande woningvoorraad grote kansen liggen. Daarom ben ik ook heel blij dat het amendement dat ik heb ingediend om 20 miljoen extra vrij te maken voor de Regeling huisvesting aandachtsgroepen is aangenomen. Dat geld kan hiervoor namelijk worden ingezet.

Voorzitter. Ik heb vandaag geen moties, maar ik stip nog kort enkele belangrijke onderwerpen aan.

Tijdens het commissiedebat heb ik opnieuw de vinger gelegd bij de oorzaken van de stijgende huizenprijzen. Die zijn namelijk deels ook het gevolg van beleidskeuzes. Specifiek benoem ik nogmaals de ruimere leennormen. Er ligt inmiddels een rapport daarover. Dank voor de toezegging om hier voor de zomer op te reageren in een Kamerbrief.

Ten tweede dank ik de minister voor de toezegging om binnenkort eens langs te gaan op een vakantiepark. Er ligt een instructieregel, maar ik proefde tijdens het debat de bereidheid van de minister om zich er goed over te laten informeren of het wel zo goed is om bewoning op álle vakantieparken toe te staan.

Ten slotte. Tijdens het debat ben ik ingegaan op de stroperige vergunningverlening. Soms is die verklaarbaar, maar te vaak duren dit soort procedures te lang door problemen die te voorkomen zijn. Gisteren is daarover een motie van mij aangenomen. Voor de zomer moet de minister met een oplossing komen, en daar ben ik heel blij mee. Wij hopen dat te zijner tijd weer op te pakken, zodat dit soort knelpunten zo snel mogelijk worden opgelost. Dank u wel.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

In het commissiedebat had collega Flach wederom een terechte inbreng over de vraag welke zaken nou zorgen voor die stijging van de huizenprijzen. Hij had het bijvoorbeeld over de leencapaciteit, en die noemt hij nu ook weer. Een onderdeel waarover we het wat minder hebben gehad, is bijvoorbeeld de grond, die echt zorgt voor een prijsstijging van woningen. Wij hebben in de Kamer eerder voorstellen gedaan om een planbatenheffing in te voeren. De SGP heeft daar eerder ook voorgestemd.

De voorzitter:

En uw vraag?

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Vindt de heer Flach niet met mij dat we de minister nu moeten oproepen om ook daarmee aan de slag te gaan, omdat dat ook iets is wat de huizenprijzen zou kunnen dempen in de komende periode?

De heer Flach (SGP):

Ik denk dat de heer De Hoop hier een terecht punt heeft. Grond is een belangrijke factor in de huizenprijs. Inmiddels is dat niet meer de belangrijkste maar wel een drijvende factor. Ik denk dat je het op verschillende manieren kunt aanpakken. Een planbatenheffing kan er één zijn, maar als het gemeenten echt ernst is en ze echt huizen willen bouwen voor hun eigen jonge starters, dan zullen ze ook concessies moeten doen op het vlak van de grondprijzen. Ik heb dat zelf als wethouder ook ooit gedaan. Daar krijg je geen spijt van, want daardoor kun je op mooie plekken gewoon betaalbare appartementen of woningen bouwen. Het is niet de enige oplossing, maar ik ben het wel met de heer De Hoop eens dat we de grondprijs echt serieus als factor moeten aanpakken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Leijen, die spreekt namens de fractie van D66.

De heer Van Leijen (D66):

Voorzitter, dank. Ik ben blij dat ik van de vorige sprekers inhoudelijke plannen heb gehoord over hoe zij willen zorgen voor meer en betere woningen. Daar moeten wij als Kamer mee aan de slag, want daar zijn die woningzoekenden allemaal mee geholpen. D66 ziet grote kansen in wat lokaal al werkt. In Utrecht zien we wat het effect kan zijn van het schrappen van regels. Daar kunnen mensen die een woning willen delen met een paar anderen, dat ook makkelijk doen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland een groot woningtekort is en dat het efficiënter benutten van de bestaande woningvoorraad noodzakelijk is;

overwegende dat woningdelen een laagdrempelige en effectieve manier kan zijn om meer mensen te huisvesten binnen de bestaande woningvoorraad;

overwegende dat het wenselijk is om woningdelen landelijk te stimuleren en te vereenvoudigen, onder andere door het verminderen van regeldruk;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe het Utrechtse model, waarbij woningdelen met maximaal drie personen zonder omzettingsvergunning is toegestaan, landelijk kan worden ingevoerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Leijen.

Zij krijgt nr. 1416 (32847) (#10).

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zie de heer Mooiman staan, maar volgens mij doet hij gewoon aan extra beweging. Dat is altijd goed. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van der Plas. Zij spreekt namens de fractie van de BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter. Wij vragen al ruime tijd aandacht voor mensen die permanent wonen op een recreatiepark. Zij zitten daar niet uit luxe, maar uit pure nood, omdat zij geen betaalbare of beschikbare woning kunnen vinden. Er zijn nog steeds berichten van mensen die in deze situatie zitten. Hun verhalen zijn schrijnend. Ondanks de oproep van minister Keijzer blijven gemeenten handhaven. Ik heb dan ook een motie hierover. Die luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen door het woningtekort noodgedwongen permanent in recreatiewoningen wonen;

constaterende dat deze bewoners, ondanks hun langdurige verblijf, geconfronteerd worden met dreigende uitzettingen en dwangsommen;

overwegende dat het onacceptabel is dat mensen zonder alternatief op straat dreigen te belanden;

verzoekt de regering om opnieuw gemeenten met klem op te roepen per direct te stoppen met handhaving op permanente bewoning van recreatiewoningen;

verzoekt de regering de instructieregel voor het zomerreces in werking te laten treden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1417 (32847) (#11).

Dat geeft aanleiding tot een vraag. Meneer Flach, gaat uw gang.

De heer Flach (SGP):

Ik ken ook de verhalen van mensen die zo op vakantieparken leven. In heel veel gemeenten kan dit een prima oplossing zijn. Is mevrouw Van der Plas zich er ook van bewust dat er parken zijn waar er sprake is van een hoge mate van ondermijning en waar niet aan het bouwbesluit wordt voldaan? Kortom, dat zijn parken waar het gewoon heel abominabel wonen is en waar er grote vraagstukken zijn op het vlak van veiligheid, omdat er maar één ontsluitingsroute is. Zou het niet veel beter zijn als we dit gewoon aan de gemeente laten? Per gemeente wordt dan beslist: op dit vakantiepark kan permanente bewoning wel en op dat andere kan het niet, gezien de omstandigheden. Als je dit overal toestaat, krijg je toch een chaos?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nou, ik weet niet of er een chaos ontstaat. Ik zie gemeenten ook onjuistheden opschrijven in e-mails. De gemeente Urk geeft bijvoorbeeld aan dat er nog gestemd moet worden over de instructieregel. Dat klopt helemaal niet. De veiligheid staat natuurlijk altijd voorop, zeker! Maar waar er onveilige situaties zijn, kan er gewoon worden gehandhaafd op die onveilige situaties. Dat kan nu ook gewoon. Wij horen van bewoners in recreatiewoningen dat er heel schrijnende situaties zijn. Diezelfde geluiden krijgt de heer Flach ook. Mensen worden geconfronteerd met dwangsommen van tienduizenden euro's. Er liggen boa's in de bosjes, die verslag gaan doen van wat de mensen binnen allemaal aan het doen zijn, bijvoorbeeld: deze mensen drinken een rode vloeistof op de bank. Dat moeten we gewoon niet willen. De voormalige minister van Wonen, mevrouw Keijzer, is heel duidelijk geweest over de instructieregel. Die moet zo snel mogelijk, voor de zomer, ingaan.

De heer Flach (SGP):

Ik ben benieuwd of mevrouw Van der Plas weleens werkbezoeken heeft gedaan met de stichting Vitale Vakantieparken. De minister heeft toegezegd dat te gaan doen. Ik heb dat zelf ook een keer gedaan. Dan zie je heel andere schrijnende taferelen. Dan zie je echt ondermijning, mensen die met illegale prostitutie op dat soort parken zitten. Als je daar niet meer op kan handhaven, leidt dat tot grote problemen. Dan heb ik het nog niet eens over het Bouwbesluit, de veiligheid ten aanzien van ontsluiting, enzovoorts. Kortom, het is volgens mij een recept voor ellende als je iets op landelijke schaal verbiedt en daarop moet handhaven.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik neem voor kennisgeving aan wat de heer Flach zegt. Ik heb ook gezegd dat er nu al gehandhaafd kan worden op veiligheid en ondermijning. Dat moet gewoon goed in de gaten gehouden worden. Wij zijn er natuurlijk niet voor dat er allerlei schimmige en criminele dingen gebeuren, maar wij komen wel op voor de vele duizenden mensen in een recreatiewoning die nu geconfronteerd worden met schrijnende praktijken, met name vanuit de gemeente op het gebied van handhaving.

De voorzitter:

Kort en afrondend.

De heer Flach (SGP):

We zijn het niet helemaal eens geworden, maar wellicht is mevrouw Van der Plas bereid om mee te gaan met de minister op dat werkbezoek om ook eens even de andere kant goed te bekijken.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Zeker. Ik ben zeker al op werkbezoeken geweest, maar ik doe dat graag nog een keer.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Clemminck.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nee, want ik was nog niet klaar.

De voorzitter:

O, excuus. Ik dacht: u heeft één motie. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Nee. Ik zou de minister toch willen vragen om een reactie op het statement van The Guardian. Het verhaal was dat The Guardian een soort van knip-en-plakwerk had gedaan met de citaten van de minister over schaarste, de militaire uitzendingen en de douchemuntjes. The Guardian heeft nu een statement uitgegeven dat dat volstrekt niet het geval is, dat ze bandopnames hebben en dat wat in The Guardian heeft gestaan over dat verhaal, een volstrekt juiste weergave is van het gesprek. De minister heeft vanmorgen ook een brief gestuurd met een uitleg en gezegd dat ze lering gaat trekken uit wat er deze week is gebeurd. Ik zou willen vragen of de minister daar zo meteen op wil ingaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan wij nu wel luisteren naar de heer Clemminck, die spreekt namens de fractie van JA21.

De heer Clemminck (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Dakloosheid is een groot probleem in Nederland. Het is moeilijk te tellen, maar de beste inschattingen geven aan dat ongeveer de helft van de daklozen in Nederland bestaat uit buitenlanders. In de grote steden loopt dit percentage makkelijk op naar zo'n 60% tot 70%. Een groot deel daarvan bestaat uit werkloze arbeidsmigranten. Vaak hebben ze een verslaving en zorgen zij voor veel overlast en criminaliteit. Tegelijkertijd mogen we onze ogen nooit sluiten voor de schrijnende situaties waarin deze dakloze arbeidsmigranten verkeren.

De Rotterdamse aanpak van het college daar, van Leefbaar Rotterdam, VVD, D66 en DENK, is uiterst succesvol om deze dakloze arbeidsmigranten terug te sturen naar het land van herkomst. Het aantal EU-migranten in Rotterdam dat verplicht werd teruggestuurd, is de afgelopen vijf jaar met 80% gestegen. Vorig jaar keerden 256 arbeidsmigranten vrijwillig terug naar het land van herkomst, een stijging van 51%. Afgelopen week zag ik dat gemeenten als Schiedam, Vlaardingen en Maassluis de Rotterdamse aanpak van Leefbaar Rotterdam, VVD, D66 en DENK graag willen overnemen. Vandaar mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel gemeenten te maken hebben met een groeiende groep dakloze arbeidsmigranten zonder werk, inkomen of huisvesting;

constaterende dat dit leidt tot druk op gemeentelijke voorzieningen en tot overlast en onveiligheid in de openbare ruimte;

overwegende dat de gemeente Rotterdam een aanpak heeft ontwikkeld waarbij dakloze arbeidsmigranten actief worden benaderd en, indien er geen perspectief is op werk en verblijf in Nederland, worden begeleid naar terugkeer naar het land van herkomst;

verzoekt de regering te onderzoeken of de Rotterdamse aanpak, inclusief het actief inzetten op remigratie wanneer arbeidsmigranten geen perspectief hebben op werk en verblijf in Nederland, landelijk kan worden toegepast;

verzoekt de regering de Kamer uiterlijk in juni te informeren over de uitkomsten van dit onderzoek,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.

Zij krijgt nr. 1418 (32847) (#12).

Dank u wel. Dan gaan wij tot slot luisteren naar de heer Mooiman, die spreekt namens de fractie van de PVV.

De heer Mooiman (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Naar aanleiding van het commissiedebat heb ik nog een vijftal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van de Vereniging Eigen Huis naar bouwleges blijkt dat de kosten in een aantal gemeenten zeer hoog zijn en dat deze tussen gemeenten sterk verschillen;

overwegende dat bouwleges volgens het kostendekkingsprincipe niet bedoeld zijn om extra inkomsten voor gemeenten te genereren;

overwegende dat voorkomen moet worden dat hoge bouwleges een belemmering vormen voor woningbouw;

verzoekt de regering gemeenten op te roepen terughoudend te zijn met het verhogen van bouwleges, deze te baseren op het kostendekkingsprincipe en te voorkomen dat de hoogte van bouwleges de woningbouwopgave belemmert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 1419 (32847) (#13).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 24 doorbraaklocaties voor woningbouw zijn aangewezen en dat deze locaties zijn geselecteerd uit een bredere groep van mogelijk kansrijke locaties;

overwegende dat het voor het aanpakken van de wooncrisis van belang is dat zo veel mogelijk woningbouwlocaties tot ontwikkeling komen;

overwegende dat inzicht in de redenen waarom andere potentiële doorbraaklocaties niet zijn geselecteerd kan bijdragen aan het alsnog benutten van deze locaties;

verzoekt de regering de Kamer een overzicht te doen toekomen van de niet geselecteerde doorbraaklocaties, met per locatie een toelichting waarom deze niet is aangewezen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 1420 (32847) (#14).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten hun eigen beleid hanteren bij de toepassing van de Wet Bibob, waardoor investeerders in woningbouwprojecten met verschillende procedures en eisen tussen gemeenten te maken krijgen;

overwegende dat onnodige verschillen in de toepassing van Bibob-procedures de voortgang van woningbouwprojecten kunnen vertragen;

overwegende dat meer uniformiteit en duidelijkheid in de toepassing van Bibob bij woningbouwprojecten kan bijdragen aan snellere woningbouw;

verzoekt de regering in samenwerking met gemeenten en andere relevante partners te komen tot landelijke richtlijnen of een modelaanpak voor een meer uniforme en vereenvoudigde toepassing van de Wet Bibob bij woningbouwprojecten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 1421 (32847) (#15).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het vorige kabinet de Ladder voor duurzame verstedelijking voor woningbouw heeft geschrapt;

overwegende dat het onwenselijk is wanneer provincies beleid ontwikkelen dat dient ter vervanging van de Ladder voor duurzame verstedelijking;

verzoekt de regering provincies op te roepen geen alternatief of vervangend beleid te ontwikkelen dat hetzelfde doel of dezelfde werking heeft als de geschrapte Ladder voor duurzame verstedelijking bij woningbouw,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.

Zij krijgt nr. 1422 (32847) (#16).

De heer Mooiman (PVV):

Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de landelijk gelegen gemeente Kaag en Braassem kleinschalige woningbouw wil realiseren in de dorpen Rijpwetering en Oud Ade, maar dat dit wordt bemoeilijkt door de Provincie Zuid-Holland;

overwegende dat er groot lokaal draagvlak is voor genoemde woningbouw, aangezien het een onmisbare bijdrage levert aan het behouden van de leefbaarheid en vitaliteit van deze kleine kernen;

verzoekt de regering met de provincie Zuid-Holland in gesprek te gaan over woningbouwprojecten Straathof te Rijpwetering en Zuidrand te Oud Ade in de gemeente Kaag en Braassem, teneinde een doorbraak te forceren voor deze woningbouwprojecten, en hiertoe zo nodig instrumentarium in te zetten;

verzoekt de regering er tevens zorg voor te dragen dat de provincie Zuid-Holland haar beroep tegen het woningbouwplan in Rijpwetering intrekt en gezamenlijk te komen tot een oplossing,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mooiman, Grinwis, Claassen en Clemminck.

Zij krijgt nr. 1423 (32847) (#17).

Ik wilde u bijna de bokaal voor snellezen overhandigen, tot de laatste motie. Maar dank u voor uw bijdrage. We zijn aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer. De minister heeft aangegeven ruim zeven minuten nodig te hebben voor de appreciatie van de moties en de voorbereiding voor de beantwoording van de gestelde vragen. Ik schors ruim zeven minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Staat van de Volkshuisvesting. Wij zijn toegekomen aan de appreciatie van de ingediende moties en de beantwoording van de vragen. Ik kijk ook even naar de klok, dus ik wil, om de vaart er een beetje in te houden, voorstellen om één interruptie per indiener van een ingediende motie toe te staan. Dat zegt niks over de vragen die gesteld zijn, mevrouw Beckerman; ik zie u al signalen geven. Ik geef de minister graag het woord. Gaat uw gang.

Termijn antwoord

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dank u wel, voorzitter. De motie op stuk nr. 1408 over de Wet betaalbare huur ontraad ik. Ik zie dat er op dit moment veel particuliere huurwoningen worden verkocht. Daar ben ik zeker niet blind voor. De optimalisatie betreft zorgvuldig afgewogen aanpassingen die ongeacht de uitkomst van de evaluatie verstandig zijn. Daarom ontraad ik deze motie. Uiteraard volgt in 2027 een gedegen evaluatie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1408 wordt ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang, meneer De Hoop.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Ik vind de appreciatie moeilijk te rijmen met het feit dat ditzelfde kabinet heel terughoudend is om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld als het gaat om de betaalbaarheid van de auto of de energierekening; dat is, zegt het kabinet, omdat "we in deze onzekere tijd even niet te snel aanpassingen moeten doen in het verlagen van lasten", maar ondertussen gaat het kabinet wel op korte termijn de lasten op het gebied van de huren verhogen. Is deze minister het dan niet met me eens dat je ook op het vlak van het verhogen van lasten even na moet denken en de internationale situatie mee moet nemen, omdat die misschien toch reden geeft om niet in april de Wet betaalbare huur aan te passen?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Op dit moment is al duidelijk dat de wet op verschillende punten knelt. Daar ga ik met de optimalisatie iets aan doen, zonder afbreuk te doen aan de wet.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1408 blijft ontraden.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1409 van de heer Grinwis krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1409 krijgt oordeel Kamer. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 1410.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1410 ontraad ik. Vorig jaar heeft uw Kamer uitgebreid met mijn voorganger gewisseld over een huurbevriezing. Toen is ook duidelijk geworden dat die zonder compensatie, waarvoor deze motie geen dekking levert, desastreuze gevolgen heeft voor de investeringscapaciteit van woningcorporaties. Daarom ontraad ik deze motie.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1410 wordt ontraden. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 1411.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1411 is overbodig. Voor alle huursegmenten hebben we met Aedes maximale huurstijgingen vastgelegd. Hiermee borgen we betaalbaarheid voor huurders en geven we verhuurders zekerheid. Een extra plan is daarmee overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1411 krijgt de appreciatie overbodig. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 1412.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1412 krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1412 krijgt oordeel Kamer. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 1413.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1413 is ontijdig. Het investeringsklimaat staat onder druk en ik begrijp dat de heer Nobel net als ik op zoek is naar maatregelen om dit te verbeteren. Zoals u weet, werk ik op dit moment aan een optimalisatie van de Wet betaalbare huur. Daarover informeer ik uw Kamer in april. Daarnaast is het breder verbeteren van het investeringsklimaat ook onderdeel van de Taskforce Versnelling Woningbouw. Deze motie is daarom op dit moment ontijdig. Daarom doe ik de suggestie om de motie aan te houden tot ik in april mijn brief over de optimalisatie heb gestuurd.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1413 krijgt de appreciatie ontijdig. Nou rende de heer Grinwis harder, maar ik wilde voor de volgordelijkheid toch eerst de heer Nobel het woord geven, omdat het over de motie op stuk nr. 1413 gaat. Dan gaan we terug naar waarvoor de heer Grinwis aan kwam rennen. Gaat uw gang.

De heer Nobel (VVD):

Dank aan de minister voor de beantwoording. Ik heb de beantwoording zo beluisterd dat de minister straks in april niet alleen naar dingen gaat kijken, maar ook echt de wet op punten gaat aanpassen om het negatieve effect dat die Wet betaalbare huur heeft ongedaan te maken. Heb ik dat goed verstaan?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dat heeft de heer Nobel goed verstaan.

De voorzitter:

De minister knikt van ja. Meneer Grinwis, over welke motie gaat het?

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Over deze, want die heb ik eerder ook ingediend, en die is aangenomen, althans een vergelijkbare motie. Die is aangenomen bij de behandeling van de Wet betaalbare huur. Kan ik er dan van uitgaan dat, hoewel de minister deze motie ontijdig vindt, er in de geest van die vorige, aangenomen, motie wordt gehandeld? Ik maak me daar namelijk wel wat zorgen over, want dit was best wel een cruciaal punt bij de behandeling van de Wet betaalbare huur.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

We gaan zorgvuldig om met eerder aangenomen moties. Dat zal ook blijken in de brief die in april komt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de motie op stuk nr. 1415.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1415 krijgt oordeel Kamer. Momenteel ben ik gesprek met de sector over maatwerk bij hypotheekverstrekking. Hierbij kijk ik naar de mogelijkheden van een pilot, maar ook naar andere mogelijkheden. Ik hou graag alle opties open en ik kom erop terug.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1415 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1416.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1416: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1416 krijgt oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1417.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1417 wordt ontraden. In het coalitieakkoord staat dat we permanente bewoning willen toestaan. Dat vraagt wel om uitvoerbare oplossingen. Daar doen we onderzoek naar. Ik kom hier begin april in een beleidsbrief op terug. Ik verwacht dat gemeenten altijd zorgvuldig handelen en in deze tijden van woningnood voorkomen dat mensen op straat belanden. Ik kan niet vragen om nooit over te gaan tot handhaving.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1417 krijgt de appreciatie ontraden. Mevrouw Steen, over welke motie van uzelf wilt u een vraag stellen?

Mevrouw Steen (CDA):

Ik had eigenlijk een vraag over de motie op stuk nr. 1416.

De voorzitter:

Ik had net voorgesteld om alleen vragen te stellen over moties die je zelf hebt ingediend, of — ik was net iets te amicaal — "die u zelf heeft ingediend". Ook gelet op de tijd en op het debat dat eigenlijk nu al plaats had moeten vinden wil ik hier eigenlijk geen ruimte voor geven. Dat geldt ook voor de heer De Hoop.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Mag ik daar een punt van orde over maken?

De voorzitter:

U mag altijd een punt van orde maken.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Ik vind dit namelijk niet helemaal in lijn met het regeerakkoord. Als dat zo is, vind ik eigenlijk dat er wel ruimte voor zou moeten zijn om daar een vraag over te stellen.

De voorzitter:

Maar als ik dit toe ga staan, dan zijn we zo meteen heel veel verder in de tijd, denk ik. Ik verwacht namelijk nog een aantal andere vragen, en ik wil ook dat de collega's die nu al in de gangen klaarstaan zo meteen aan hun debat kunnen beginnen. Dus wat mij betreft gaan we door met de motie op stuk nr. 1418.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1418 krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1418 krijgt oordeel Kamer.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1419 ontraad ik. In algemene zin is het aan gemeenten om de hoogte van bouwleges te bepalen. Die komen op democratische wijze tot stand door besluitvorming in de gemeenteraden. Idealiter zijn deze zo laag mogelijk, aangezien ze de kosten van de nieuwbouwwoningen verhogen. Ik roep gemeenten op deze zo laag mogelijk te houden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1419 krijgt de appreciatie ontraden. Dat geeft aanleiding tot één vraag. Gaat uw gang.

De heer Mooiman (PVV):

Ik verbaas me toch over het oordeel over deze motie. De minister geeft aan dat ze de gemeenten al gaat oproepen om de leges kostendekkend of zo laag mogelijk te houden. Ik denk dat ze dan juist deze motie daarin kan meenemen en 'm van oordeel Kamer kan voorzien. We hebben het immers over een situatie waarbij sommige gemeenten €17.000 voor een vergunning rekenen, terwijl een andere gemeente voor dezelfde vergunning €300 rekent. Het lijkt me dus een serieuze zaak, waar ook de minister zich zorgen om moet maken.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Daar maak ik me ook zorgen over. Daarom kan ik wel toezeggen dat ik gemeenten ertoe ga oproepen, maar ik kan niet veel verder gaan dan dat.

De voorzitter:

Dank u wel. Gaat u verder met de motie op stuk nr. 1420.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1420: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1420 krijgt oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1421.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1421 krijgt oordeel Kamer als ik het mag lezen als "onderzoeken".

De voorzitter:

Ik kijk even naar de indiener. Die zegt heel hard ja. Daarmee krijgt de motie de appreciatie oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1422.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1422: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1422 krijgt oordeel Kamer. Tot slot de motie op stuk nr. 1423.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De motie op stuk nr. 1423: oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1423 krijgt ook oordeel Kamer.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dan zijn er nog drie vragen.

De voorzitter:

Gaat uw gang.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Voorzitter. De vraag van de heer Flach van de SGP ging over in gesprek gaan met de vakantieparken. Ik ga zeker in gesprek met alle betrokken partijen, zoals ik eerder ook al heb toegezegd.

Voorzitter. Forum voor Democratie vroeg naar een reflectie op de demografische ontwikkelingen. Mijn reflectie ziet er als volgt uit: een aanzienlijk deel, 45%, ontstaat door groei van de bevolking, waarvan 95% komt door alle vormen van migratie. 25% ontstaat door het kleiner worden van huishoudens en 14% doordat sloop gecompenseerd moet worden. De oorzaak voor huishoudensverdunning is deels vergrijzing. Dat betekent dat er veel twee- een eenpersoonshuishoudens zijn.

Dan het verzoek van de BBB en de SP over het artikel in The Guardian. Daarover kan ik zeggen dat ik, zoals ook in de brief staat, op 12 maart op werkbezoek ben geweest in de provincie Utrecht. Het onderwerp van dat werkbezoek was netcongestie in relatie tot woningbouw. Daar zijn we over bijgepraat. Het ging over schaarste. In dat interview heb ik inderdaad gezegd dat er douchemuntjes in Afghanistan zijn gebruikt. Dat was onzorgvuldig. Dat had ik niet moeten doen. Dat betreur ik. Het was in de context van de vraag hoe mensen omgaan met schaarste. Daarvan zien we voorbeelden, waar dat gesprek ook over ging. Bij een camping heb je muntjes. Voor de telefoon heb je ook muntjes. Om het dan maar heel precies te maken: in mijn tijd in Afghanistan zat er een tijdslot op hoelang je naar huis kon bellen en een tijdslot op hoelang je kon douchen. Dat is niet goed uit mijn mond gekomen, maar wel goed in het artikel beland. Dat betreur ik, dat was onzorgvuldig en daar leer ik van.

De voorzitter:

Ik heb niet gezien wie er als eerste bij de microfoon was.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Het was mijn vraag.

De voorzitter:

Maar ik ga nog steeds over de orde. U krijgt heel galant het woord van uw collega's, mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dit is een beetje minister brekebeen aan het worden. In de korte tijd dat deze minister hier zit, moet er al zo veel worden teruggenomen. Via een woordvoerder is afgelopen week eerst gewoon nog een keer gezegd dat The Guardian het allemaal niet goed heeft opgeschreven, terwijl The Guardian zegt: we hebben het gewoon opgenomen en het klopt. Ook dat moet de minister nu alweer terugnemen. Ik word er een beetje moedeloos van, eerlijk gezegd.

De voorzitter:

Wat is uw vraag, mevrouw Van der Plas?

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Mijn vraag is als volgt. Er zijn nu zo vaak tegenstrijdigheden verteld; laat ik het zo noemen. De minister lijkt zich er nu toch wat makkelijk van af te maken. Ik vind het best ernstig dat er steeds dingen worden gezegd die niet kloppen en weer moeten worden teruggenomen, en dat er dan weer wat bovenop komt. Het is gewoon een ladder die steeds omhooggaat. Ik wil aan de minister vragen wat ze er zelf van vindt dat het steeds op deze manier gaat. Het klopt gewoon continu niet wat er gezegd wordt.

De voorzitter:

Ik ga alle leden de ruimte te geven hier een vraag over te stellen, maar ik stel ook voor om hier niet een apart debat over te voeren, ook vanuit mededogen met de collega's die nog staan te wachten. Ik vind dat ik hier ruimte voor moet geven, maar let dan ook op de bondigheid van de vragen.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik heb gezegd dat ik zorgvuldiger met mijn woorden had moeten omgaan. Dat heb ik niet gedaan. Dat betreur ik. Daar leer ik van. Dat is de reflectie die ik mevrouw Van der Plas kan geven.

De voorzitter:

Mevrouw Van der Plas, kort alstublieft.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ik ben blij dat de minister zegt hiervan te gaan leren. Dat zullen we inderdaad zien. Ik vraag me gewoon af of deze minister de ernst van de situatie ook wel echt begrijpt, in plaats van dat ze alleen zegt: ik heb dit fout gezegd. Het is deze week namelijk gewoon een stapeling geweest.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Ik herken geen stapeling. Ik herken wel dat dit niet goed is gegaan. Zoals gezegd, betreur ik dat. Ik vind het heel vervelend dat ik mijn woorden onzorgvuldig heb gekozen. Dat had niet mogen gebeuren. Ik leer daarvan.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, dit telt niet als een interruptie. Ik heb een inhoudelijke vraag gesteld. Die is niet beantwoord. De minister heeft in dat artikel aangeven dat we soberder moeten leven. Mijn vraag was: wie moet er luxe inleveren? Ik hoop dat deze vraag niet geteld wordt als interruptie, want deze is gewoon gesteld in het debat.

De voorzitter:

U heeft groot gelijk.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Mijn excuses voor het niet beantwoorden van uw vraag. Dit hele bezoek ging niet over inleveren. Dit bezoek ging erover dat je aan de ene kant kijkt naar een groot eiland waarop deze gemeente een hele grote woningbouwlocatie zou kunnen ontwikkelen en dat je aan de andere kant een netcongestietekort ziet. Dit gaat over de vraag hoe je dit met elkaar oplost als de doelstelling "meer huizen bouwen" is. We moeten met elkaar slimme oplossingen verzinnen voor hoe we dat tot stand brengen. Uiteindelijk moet het gaan over voldoende woningen waarbij mensen gewoon gebruik kunnen maken van energie en elektriciteit. Ik sluit daarbij aan bij de campagne die erover gaat dat de knop om moet. Daarbij vragen we mensen om op andere momenten, buiten de piekbelasting, gebruik te maken van het stroomnet.

Mevrouw Beckerman (SP):

Maar dit is wel het punt, want het hele artikel ging over soberder leven en luxe inleveren. Mijn vraag was: wie moet dat doen? Ik zie een kabinet dat een politieke keuze maakt. Aan de ene kant krijgen de hoogste inkomens er hypotheekrenteaftrek bij; die gaan erop vooruit. Aan de andere kant is er te weinig geld vrijgemaakt voor de bouw van betaalbare woningen. Dan zien we een interview met de minister, die zegt: we moeten soberder leven en luxe inleveren. Wie moet dan inleveren? Dat is een politieke keuze. Erkent de minister dat zij een politieke keuze maakt door aan de ene kant villa's te subsidiëren en aan de andere kant tegen andere mensen te zeggen: minder kamers, minder energieverbruik, kleinere woningen? Waarom maakt dit kabinet weer deze politieke keuze?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Zoals ik in mijn brief heb geschreven, ben ik onzorgvuldig geweest in mijn woorden. Dat had ik niet moeten doen. Tegelijkertijd vraagt u aan mij: waar gaat het over? Dat "soberder" staat in relatie tot het bouwen. We kijken naar het delen van woningen, naar het splitsen van woningen en naar het beter gebruikmaken van reeds bestaande bouw. Dit gaat uiteindelijk enkel en alleen over mijn eigen opgave, de woningopgave; daar gingen het gesprek en het werkbezoek ook over. Nogmaals, ik ben onvoldoende zorgvuldig geweest in het kiezen van mijn woorden. Dat is niet goed. Dat vind ik niet goed. Dat betreur ik; dat heb ik ook in een brief geschreven. Dat zeg ik hier ook. Ik leer daarvan.

De voorzitter:

Afrondend, mevrouw Beckerman.

Mevrouw Beckerman (SP):

De minister zegt: ik ben onzorgvuldig geweest in mijn woorden. Tegelijkertijd laat zij ook doorschemeren dat dit gewoon beleid wordt. We zagen het met Sigrid Kaag, die zei: we worden collectief een beetje armer. En wat gebeurde er? De rijken werden rijker en de armen werden armer. Deze minister zegt: we moeten luxe inleveren. Ze komt met beleid waarmee de lage inkomens en de middeninkomens daadwerkelijk luxe moeten inleveren. Nogmaals mijn vraag: waarom maakt ze die keuze? Waarom kiest ze ervoor om aan de ene kant de hoge inkomens meer te geven — denk aan de grote verkiezingsbelofte om de hypotheekrenteaftrek aan te pakken — en aan de andere kant te weinig geld te reserveren om de wooncrisis echt op te lossen? Waarom maakt ze die keuze? Het is geen foute woordkeuze; het is een foute beleidskeuze.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Dit gaat er uiteindelijk over dat er meer woningen van verschillende formaten en voor verschillende doelgroepen nodig zijn. Daar hebben we al verschillende debatten over gevoerd. Ik heb verschillende toezeggingen gedaan over hoe we daarnaar gaan kijken. Ik kan niet anders zeggen dan dat er woningen bij moeten. Dat weten we. Daar moeten we hard voor aan het werk.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Ik denk dat het goed is dat de minister zegt: dit had beter gemoeten. Laat ik het een beginnersfout noemen. Dat gebeurt af en toe. Waar ik zelf nog wel een vraag over heb, is het volgende. De minister heeft dat interview gehad. Dat komt in de krant, dus waarschijnlijk ligt het eerst op het ministerie en ziet de bewindspersoon dat, of in ieder geval zien de mensen van communicatie dat. Daar komt dan wat uit. Maar in de eerste reactie in de Volkskrant zag ik dat vanuit VRO, vanuit het ministerie, werd gezegd dat de journalist verschillende quotes door elkaar gehaald zou hebben. Daarmee werd de journalist eigenlijk een beetje onder de bus gegooid. Dat vind ik wel problematisch. Heeft de minister of hebben haar mensen op het ministerie het interview gelezen voordat het in de Volkskrant stond?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Nee, dat interview is niet van tevoren, voordat het is gepubliceerd, gelezen.

De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):

Helder. Dan ga ik er ook van uit dat de mensen die gezegd hebben dat deze journalist het citaat geknipt zou hebben of dat het op een verkeerde manier tot stand is gekomen, dat ook niet gelezen hebben. Dan ga ik er eigenlijk van uit dat de minister ook richting de journalist nog een gebaar maakt en zegt: wat wij vanuit het ministerie gezegd hebben, namelijk dat het verkeerd was opgeschreven, was niet correct. Het gaat namelijk gewoon over een journalist. Het ministerie sprak alsof de journalist zomaar geknipt zou hebben. Dit verdient eigenlijk ook iets van een excuus of in ieder geval een signaal richting de journalist dat dit niet zo had gemoeten. Dat stond namelijk niet in de brief.

Minister Boekholt-O'Sullivan:

De woordvoerder heeft de context toegelicht aan de journalist van de Volkskrant. Die heeft het artikel niet gezien voordat het werd gepubliceerd. The Guardian had van tevoren ook al gezegd dat het dat niet zou doen; het is daar heel transparant over geweest. Ik heb haar zelf gebeld. Nadat u de brief heeft ontvangen, heb ik deze ook naar haar gestuurd. Zij weet ook dat ik daarin mijn eigen verantwoordelijkheid neem.

De heer Mooiman (PVV):

Dit punt is natuurlijk wel wat breder, omdat de minister vrij heftige beleidsvoornemens in het krantenartikel op heeft laten tekenen, of daar in ieder geval over heeft gesproken met de journalist. Mensen maken zich natuurlijk erg zorgen over die beleidsvoornemens. Ik vraag me af of de minister het gepast vindt om dat soort voornemens eerst via een internationale krant kenbaar te maken en de Kamer daarmee te passeren?

Minister Boekholt-O'Sullivan:

Nee, dat is niet gepast. Dat had anders gemoeten. Dat staat volgens mij ook in mijn brief. Dat heb ik net ook woordelijk herhaald. Dat was onzorgvuldig. Het was niet goed. Ik reken mezelf dat aan en betreur dat dit is gebeurd.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we hiermee aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Ik dank de minister en de leden van de Kamer voor hun aanwezigheid. Ik schors de vergadering enkele ogenblikken.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad. De datum is 30 maart 2026. Ik heet van harte welkom de minister en de staatssecretaris van het departement van LVVN; dat staat voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Voordat ik de heer Lohman het woord ga geven, wil mevrouw Ten Hove nog iets zeggen, zie ik.

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Goedemorgen, voorzitter.

De voorzitter:

Goedemorgen!

Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower):

Ik wil graag toestemming vragen om mee te doen aan het tweeminutendebat. Ik wil geen spreektijd, maar wel graag deelnemen.

De voorzitter:

Ik kijk of daar bezwaar tegen is. Dat is niet het geval. Dan zetten we u erbij op de lijst.

Het woord is aan de heer Lohman voor zijn inbreng namens de fractie van het CDA.

De heer Lohman (CDA):

Dank u wel, voorzitter. De vraag naar eiwitten blijft wereldwijd stijgen. Het is van belang om te diversificeren wat betreft de bron van eiwitten: dierlijk, plantaardig, van land en uit zee.

Het CDA heeft hier gisteren tijdens het commissiedebat al aandacht voor gevraagd en wil dit punt, samen met D66 en GroenLinks-PvdA, nadrukkelijk ondersteunen en aanmoedigen.

Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat eiwitten van land en van zee essentieel zijn voor de voedselvoorziening, bodemkwaliteit en volksgezondheid;

overwegende dat de eiwitketen van teelt via industrie tot consument loopt en integraal moet worden benaderd om tot een toekomstbestendig en autonoom voedselsysteem te komen;

overwegende dat een samenhangende visie op eiwitten, zowel plantaardig als dierlijk, bijdraagt aan duurzaamheid, strategische autonomie, dierenwelzijn en verdienvermogen binnen de agrarische sector;

verzoekt de regering om een concrete en samenhangende visie op de eiwitketen uit te werken als onderdeel van de nationale voedselstrategie;

verzoekt de regering tevens om deze visie actief in Europees verband in te brengen en te bevorderen in het licht van de Europese voedselstrategie en de European protein strategy,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lohman, Podt, Vellinga-Beemsterboer en Bromet.

Zij krijgt nr. 1767 (21501-32) (#18).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Voorzitter, ik heb drie moties. Die luiden als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vanuit het European Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) middelen beschikbaar zijn gesteld voor de verduurzaming van de visserijsector;

overwegende dat de binnenvisserij nog niet in aanmerking is gekomen voor verduurzamingssubsidies;

verzoekt de regering zich actief in te zetten om ook voor de binnenvisserij toegang tot de EMFAF-middelen voor verduurzaming te verkrijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1768 (21501-32) (#19).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het vervangen van dierlijke mest door kunstmest binnen dezelfde stikstofgebruiksruimte geen verbetering van de waterkwaliteit oplevert;

overwegende dat kunstmest leidt tot extra fossiel energiegebruik en grotere afhankelijkheid van import van aardgas;

overwegende dat het benutten van dierlijke mest bijdraagt aan kringlooplandbouw, voedselzekerheid en minder afhankelijkheid van grondstoffen uit het buitenland, zeker in tijden van geopolitieke spanningen;

verzoekt de regering in Europees verband actief te pleiten voor meer ruimte voor het gebruik van dierlijke mest binnen de bestaande stikstofgebruiksnormen, ter vervanging van kunstmest in de vorm van een diversenpunt bij de eerstvolgende Landbouw- en Visserijraad,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1769 (21501-32) (#20).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie een evaluatie uitvoert van het gemeenschappelijk visserijbeleid en daarbij expliciet ruimte biedt voor het voorstellen van alternatieven;

overwegende dat de huidige aanlandplicht in de praktijk voor de visserijsector niet uitvoerbaar is;

overwegende dat er binnen de sector behoefte bestaat aan werkbare en handhaafbare alternatieven voor de aanlandplicht;

verzoekt de regering om, in nauwe samenwerking met de visserijsector, de mogelijkheden voor werkbare alternatieven voor de aanlandplicht uit te werken en deze in te brengen bij de Europese Commissie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1770 (21501-32) (#21).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Een fijne dag allemaal.

De voorzitter:

Dank u wel. U ook. Het beste gewenst. Dan is het woord aan mevrouw Vellinga-Beemsterboer voor haar inbreng namens D66.

Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb geen moties, maar nog wel een vraag. Gisteren bij het commissiedebat zei de staatssecretaris dat de verwachte Ocean Act bij de minister van IenW ligt. Nu kan ik me voorstellen dat de eindverantwoordelijkheid daar zit, maar ik wil de staatssecretaris toch graag op het hart drukken zich er wel flink mee te bemoeien. Vergelijkbaar met de taskforces waar dit kabinet mee werkt, raakt de Ocean Act aan natuurbescherming, energie, visserijbeleid, defensie, eilandgemeenschappen en nog veel meer. Daarom hoor ik graag een bevestiging van beide bewindspersonen dat zij actief meebeslissen over de Nederlandse inzet, bijvoorbeeld als het gaat om de relatie tussen bodemberoerende visserij en de natuurbeschermingsdoelstellingen van 30% in het oceaanpact. Graag een reactie.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng namens de VVD.

Mevrouw Den Hollander (VVD):

Dank u wel, voorzitter. We zien dat er al een hele discussie over de Food and Feed Safety Omnibus is gevoerd, zelfs al voordat die officieel uitgekomen was, doordat er een lek was. We zien daar ook wel wat risico's in, omdat we ook echt wel zien dat er ook goede kanten zitten aan de Food and Feed Safety Omnibus. Maar we horen ook de zorgen die er zijn over bijvoorbeeld versnelde toelating en herbeoordeling. Daarom hebben wij een motie ingediend, waarvoor we brede steun in de Kamer hopen te krijgen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat versimpeling van wetgeving een goed uitgangspunt is, maar niet ten koste mag gaan van het veiligheidsniveau;

overwegende dat de huidige versie van het Omnibusvoorstel van de Europese Commissie geen impactassessment heeft en daardoor de impact moeilijker is in te schatten;

overwegende dat het nieuwe herbeoordelingssysteem voor werkzame stoffen ingrijpend wordt aangepast door risicogestuurd te worden en dat hierover zorgen bestaan of zo’n nieuw systeem wel veilig genoeg is;

overwegende dat dit niet mag leiden tot soepelere toetsing van schadelijke stoffen die hierdoor op de markt kunnen komen of in het milieu blijven;

verzoekt het kabinet:

  • om er zorg voor te dragen dat het Omnibusvoorstel niet tot versoepeling ten koste van veiligheid leidt;
  • en er hierbij voor te zorgen dat het toetsingskader voor schadelijke stoffen niet wordt afgezwakt, zodat het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu gehandhaafd blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander en Bromet.

Zij krijgt nr. 1771 (21501-32) (#22).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Russcher namens Forum voor Democratie. Gaat uw gang.

De heer Russcher (FVD):

Dank, voorzitter. Ik voer even het woord in plaats van Van Duijvenvoorde, want die is verhinderd. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Unie bij de vaststelling van de totale toegestane vangst (TAC) binnen de door ICES geschetste bandbreedte heeft gekozen voor het meest conservatieve scenario, dat leidt tot een extreme krimp van 70% en een maximale TAC van slechts 174.357 ton;

constaterende dat andere kuststaten, te weten Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer-eilanden, een veel pragmatischer ICES-scenario hanteren met een aanzienlijk hogere TAC van 299.010 ton, wat gelijk staat aan een krimp van slechts 48%;

overwegende dat deze eenzijdige Europese krimp leidt tot een volstrekt ongelijk speelveld, waarbij de Nederlandse pelagische visserij wordt geconfronteerd met een desastreuze quotumkorting van circa 69%, wat onze vloot en onafhankelijke voedselvoorziening in gevaar brengt;

verzoekt de regering om zich er in Europees verband hard voor te maken dat de EU daadwerkelijk overgaat tot het loslaten van het meest conservatieve scenario, en, ter bescherming van een gelijk speelveld voor onze vissers, de TAC bijstelt naar het minder negatieve ICES-scenario van 299.010 ton dat ook door de andere kuststaten wordt gehanteerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Russcher en Van Duijvenvoorde.

Zij krijgt nr. 1772 (21501-32) (#23).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Unie historisch een aandeel van circa 23% heeft in de makreelvangst;

constaterende dat Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, IJsland en de Faeröer in een eenzijdig akkoord buiten de EU om, 80% van de makreelvangst voor zichzelf opeisen, waardoor er slechts 20% overblijft voor de EU, Groenland en Rusland gezamenlijk;

overwegende dat deze kuststaten zich hiermee een onevenredig groot aandeel toe-eigenen ten koste van de Europese en Nederlandse visserij, en dat de EU hiertegen onvoldoende een vuist maakt;

verzoekt de regering om zich er in Brussel voor in te zetten dat de EU vasthoudt aan het historische aandeel van circa 23%, en, indien nodig, inzet op effectieve Europese maatregelen om dit aandeel af te dwingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Russcher en Van Duijvenvoorde.

Zij krijgt nr. 1773 (21501-32) (#24).

Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Chris Jansen voor zijn inbreng namens de Partij voor de Vrijheid.

De heer Chris Jansen (PVV):

Dank, voorzitter. Ik heb geen moties, maar wel twee vragen voor beide bewindspersonen. Gisteren in het debat heb ik enigszins geprobeerd een uitspraak te ontlokken over het feit dat de PVV van mening is dat het Nederlands belang altijd boven het EU-belang gaat. Ik wil graag van beide bewindspersonen hier onomwonden horen dat zij die mening delen. Het Nederlands belang gaat altijd boven het EU-belang, omdat het niet altijd gelijke tred houdt. Graag een reactie.

Dan de tweede vraag. Gisteren was er natuurlijk een teleurstellend debat over onder andere de brandstofaccijnzen en de prijzen waar de mensen mee geconfronteerd worden. Ik wil graag van de bewindspersonen weten of ze dit onderwerp ook onder de aandacht willen brengen in de Europese Raad. Wij zijn vast niet het enige land dat hiermee te maken heeft. Ik zou graag willen weten hoe zij hiermee omgaan en hoe zij de vissers toch op de een of andere manier hierin tegemoet kunnen komen, want op deze manier krijgen we natuurlijk een verlenging van het probleem dat we deze week hebben gezien, namelijk dat de helft van de vloot gewoon niet eens meer kan uitvaren, omdat die anders verlies maakt. Graag ook daar een reactie op.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jansen. Ik schors tot 11:49 uur, dus dat is 5 minuten.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen en de appreciatie van de ingediende moties.

Termijn antwoord

Minister Van Essen:

Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een tweetal vragen te beantwoorden. De eerste was: gaat het Nederlandse belang altijd boven het EU-belang? Ik denk dat dat een valse tegenstelling is. Nederland profiteert van de EU. Wat het kabinet betreft is het niet zo zwart-wit. Als je naar het Verenigd Koninkrijk kijkt, dan zie je wat je kunt krijgen als je daar op een andere manier in gaat zitten. Wij zijn van mening dat als de zon schijnt in de EU, die ook in Nederland schijnt. Het helpt niet om daar heel geharnast in te zitten. Tegelijkertijd …

De voorzitter:

Ik sta één … Excuses, minister.

Minister Van Essen:

Tegelijkertijd: natuurlijk gaan de staatssecretaris en ik naar Brussel toe met het Nederlandse belang in ogenschouw. Maar het gaat ons in de komende tijd helpen, zeker op onze dossiers, als we daar constructief gaan zijn, omdat het Nederlandse belang daar uiteindelijk mee is gediend.

De voorzitter:

Ik sta één vervolgvraag toe, want u heeft allen een technische briefing om 12.00 uur over doelsturing.

De heer Chris Jansen (PVV):

Laten we heel eerlijk zijn: vanmorgen had ik nog sneeuw en hagel, dus als de zon ergens schijnt, dan schijnt hij niet direct overal.

Deze bewindspersonen zitten hier namens de Nederlandse bevolking voor het belang van Nederland. Daar komt mijn vraag ook vandaan. Ik wil graag dat zij beiden uitspreken dat zij dat belang altijd als eerste zullen stellen, en niet het EU-belang. Het is altijd het Nederlandse belang eerst. Ik wil graag dat dat hier bevestigd wordt.

Minister Van Essen:

Daar heb ik net geprobeerd mee af te ronden. Het Nederlands belang is erbij gediend als we ons op een bepaalde manier opstellen in de EU. En ja, wij gaan met het Nederlandse belang in ogenschouw naar Brussel toe.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Van Essen:

Dan de vraag van D66 over het Ocean Pact. Bemoeien beide bewindspersonen, zowel de staatssecretaris als ik, zich met de invulling daarvan, voor zover dat de beleidsterreinen raakt, zoals natuur en visserij? Die vraag kan ik in ieder geval namens mij, maar ik denk ook namens de staatssecretaris, positief beantwoorden. Vanuit onze portefeuilles dragen wij actief bij aan het Ocean Pact. We volgen die ontwikkelingen nauwgezet. Daar kunt u ons zeker op aanspreken.

De voorzitter:

De moties.

Minister Van Essen:

De motie over de Eiwitstrategie zou ik graag aan het oordeel van de Kamer willen laten.

De voorzitter:

Dat is de motie op stuk nr. 1767.

Minister Van Essen:

Ja, dank u wel. Ik heb de nummers nu goed op een rij, voorzitter.

Die motie vraagt om een actieve inzet in Brussel op dit thema. Als de visie is uitgewerkt, zullen we die uiteraard in Europa inbrengen en bevorderen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1767 krijgt oordeel Kamer.

Minister Van Essen:

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 1769 over mest. Die motie zou ik willen ontraden, maar niet omdat ik de ambitie van mevrouw Van der Plas niet deel om waar mogelijk het gebruik van circulaire meststoffen op een verantwoorde manier te vergroten. Daarom is het voorstel RENURE met veel inzet naar voren gebracht door het vorige kabinet. Dat hebben we gisteren ook besproken in het debat. Europa heeft dat voorstel ook aangenomen. We zitten nu in de notificatiefase. Het lijkt ons niet opportuun om nu als Nederland te gaan pleiten voor meer ruimte om kunstmest te vervangen, ook niet gezien de brief die we van Eurocommissaris Roswall hebben gehad.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1769 wordt ontraden. Ik dank de minister. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Erkens:

Voorzitter. Ik heb nog één vraag gekregen van de heer Jansen, over de accijnzen op brandstof en het onder de aandacht brengen in de Europese Raad. Op dit moment betalen vissers geen accijns, maar ik ben wel bereid om de huidige energieprijzen daar onder de aandacht te brengen. Ik zal de Kamer na de LVR informeren over wat die gesprekken hebben opgeleverd.

Voorzitter. Daarnaast zijn er een aantal vragen blijven liggen in het schriftelijk overleg, omdat we geen tweede termijn hadden. Het lid Kostić vroeg naar pfas en gewasbeschermingsmiddelen. Ik zal zorgen dat we daarop terugkomen in de antwoorden in het schriftelijk overleg hierover. Dan kunnen we vrij uitgebreid alle nuances meenemen. We komen er dus op terug.

De voorzitter:

De moties.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 1768 van mevrouw Van der Plas vraagt om ons er actief voor in te zetten om voor de binnenvisserij toegang te krijgen tot de EMFAF-middelen voor verduurzaming. Ik heb begrip voor de wens om steun te krijgen voor verduurzaming. Ik vind het ook moeilijk uitlegbaar dat dat nu niet goed kan. Onder het EMFAF is dat niet mogelijk. Mijn voorganger heeft dat uitgezocht. We hebben daarom in overleg met de sector een aantal andere subsidieregelingen open kunnen zetten. Aangezien het EMFAF een route is die niet zou kunnen werken, ontraad ik de motie. Maar als mevrouw Van der Plas bereid is om "EMFAF" te vervangen door "MFK", zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven. Dat lijkt me de meest kansrijke route om dit mogelijk te maken. Ik zie haar knikken.

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Van der Plas daartoe bereid is. De huidige motie krijgt de appreciatie ontraden. Indien het dictum wordt gewijzigd naar "MFK-middelen", dan krijgt de motie oordeel Kamer, maar dat moet dan wel voor vanmiddag gebeuren, want de stemmingen zijn vanmiddag, zeg ik tegen mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Bromet (GroenLinks-PvdA):

Om mijn eigen oordeel over de motie te kunnen vormen, de volgende vraag. De staatssecretaris zegt aan de ene kant dat er andere subsidiemiddelen beschikbaar zijn. Wordt dit dan een nieuwe subsidie of valt het dan binnen die bestaande middelen?

Staatssecretaris Erkens:

Nee. De subsidies die nu beschikbaar zijn, draaien specifiek om de inzet om paling over dijken te kunnen zetten en rivierkreeft weg te vangen. Voor verduurzaming is er nog weinig mogelijk. Het zou mogelijk om nieuwe regelingen gaan, maar uiteraard moeten we eerst in Brussel de ruimte vinden met elkaar om dat te kunnen aanbieden. Voordat er een nieuwe regeling is, zal uw Kamer uiteraard geïnformeerd worden. Het wordt dus wel een langer traject.

Dan de motie op stuk nr. 1770. Gezien de technische briefing die zo begint, zal ik beknopt zijn: die krijgt oordeel Kamer; dat zal ook de inzet van het kabinet zijn.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 1770: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 1771.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 1771 krijgt ook oordeel Kamer.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 1772.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 1772 is overbodig, want het voorstel in de motie is al van tafel. De Nederlandse inzet was al wat de motie ons vroeg om te doen ten aanzien van die minder conservatieve scenario's. Dat hebben we al aangepast, en het voorstel van de Commissie is ook aangepast. Die motie is dus overbodig.

De voorzitter:

Tot slot.

Staatssecretaris Erkens:

De motie op stuk nr. 1773 krijgt oordeel Kamer, met twee kleine kanttekeningen. Het historische aandeel is 21,85% en niet 23%. Dus als ik me daarop kan richten, dan kan ik daarin meegaan. Bovendien willen we dit ook voor elkaar krijgen middels een breed akkoord met de andere kuststaten, want dan krijg je ook langjarige zekerheid. Met die interpretatie zou de motie oordeel Kamer krijgen. Anders ...

De voorzitter:

Kan de heer Russcher daarmee leven? Dat is het geval. Dan krijgt de motie op stuk nr. 1773 oordeel Kamer. Ik dank beide bewindspersonen voor hun aanwezigheid.

De voorzitter:

De stemmingen over de moties ingediend in dit tweeminutendebat zullen bij aanvang van de middagvergadering plaatsvinden. Ik schors de vergadering voor een kort ogenblik. Daarna gaan we verder met het tweeminutendebat Fiscaliteit.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en heet de staatssecretaris van Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane van harte welkom voor het tweeminutendebat Fiscaliteit. Het commissiedebat heeft plaatsgevonden op 11 maart. Ik geef als eerste het woord aan de heer Hoogeveen voor zijn inbreng namens JA21.

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank, voorzitter. We hebben een goed, inhoudelijk debat gehad over fiscaliteit. Naar aanleiding van het debat heb ik een drietal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het aangenomen amendement-Grinwis c.s. de voorgestelde verhoging van het box 3-forfait voor overige bezittingen heeft geschrapt;

overwegende dat een lager forfait er mede toe leidt dat de noodzaak tot rechtsherstel in bepaalde mate afneemt en de raming van het budgettaire beslag daarmee mogelijk bijstelling behoeft;

overwegende dat meerdere voorstellen en moties dekking zoeken binnen het brede vermogensdomein;

verzoekt de regering de raming van het budgettaire beslag van het rechtsherstel te herijken, mede in het licht van het aangenomen amendement, inzichtelijk te maken in hoeverre deze eventuele neerwaartse bijstelling ruimte kan bieden als incidentele dekking voor aanpassingen in box 3 en voor de financiering van de overgang naar een vermogenswinstbelasting, en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Hoogeveen en Grinwis.

Zij krijgt nr. 291 (32140) (#25).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het heffingsvrije resultaat van €1.800 per jaar niet overdraagbaar is naar volgende jaren;

overwegende dat belastingplichtigen met een volatiel rendement of vermogen in de vermogenswinstsystematiek het heffingsvrije resultaat structureel minder effectief kunnen benutten dan belastingplichtigen met een stabiel rendement, waardoor zij bij een gelijk gemiddeld rendement over langere tijd zwaarder worden belast;

overwegende dat dit haaks staat op de in de memorie van toelichting geformuleerde doelstelling van fiscale neutraliteit tussen risicovol en stabiel beleggen;

verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren, en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 292 (32140) (#26).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat vermogensovergangen bij huwelijk, echtscheiding of wijziging van huwelijksgemeenschap niet leiden tot daadwerkelijke realisatie van rendement;

overwegende dat belastingheffing op dergelijke momenten onbedoelde liquiditeitsproblemen kan veroorzaken;

overwegende dat in de winstsfeer reeds voorzien is in doorschuifregelingen bij vergelijkbare vermogensovergangen;

verzoekt de regering te onderzoeken of een doorschuifregeling bij huwelijksvermogensrechtelijke overgangen in box 3 uitvoerbaar is zodat heffing plaatsvindt bij daadwerkelijke realisatie, daarbij zo nodig aanvullende dekkingsopties in het brede vermogensdomein te verkennen en de Kamer over de uitkomsten te informeren bij het Belastingplan 2027,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Hoogeveen.

Zij krijgt nr. 293 (32140) (#27).

De heer Hoogeveen (JA21):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Grinwis voor zijn inbreng namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, dank u wel. Ik sluit me aan bij mijn voorganger, collega Hoogeveen van JA21, die sprak van "een goed commissiedebat". Zo kijk ik er ook op terug. In vervolg op het debat dat we daar gehad hebben, heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met de aangenomen amendementen (36812, nr. 102 en 36813, nr. 9) op het Belastingplan 2026 de youngtimerregeling zodanig kort voor de ingangsdatum is gewijzigd dat daardoor onbedoelde neveneffecten voor verkopers en gebruikers van youngtimers zijn opgetreden, en dat deze effecten nog groter zullen worden als de minimumleeftijd vanaf 2027 in één stap van 16 naar 25 jaar gaat;

overwegende dat deze onbedoelde neveneffecten te voorkomen zijn met een andere vormgeving van het transitiepad van de youngtimerregeling, bijvoorbeeld door de regeling te bevriezen op ingangsjaar 2012, gecombineerd met een hoger bijtellingspercentage over de economische waarde;

spreekt uit dat moet worden afgezien van de verhoging van de minimumleeftijd voor youngtimers van 16 naar 25 jaar in 2027;

verzoekt de regering voor de zomer met opties te komen voor een geleidelijker transitiepad voor de youngtimerregeling en dit vervolgens in de relevante wetgeving te verwerken;

verzoekt de regering voorts een voorstel voor een e-timerregeling uit te werken, zodat elektrische leaseauto's die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease niet langer massaal naar het buitenland worden geëxporteerd, en hierbij zo nodig een horizonbepaling te hanteren om een toekomstige onverwachte beëindiging van de regeling te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Oosterhuis.

Zij krijgt nr. 294 (32140) (#28).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter, tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Grinwis. Meneer Stultiens krijgt het woord voor zijn inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dank u, voorzitter. Ik heb twee vragen en twee moties. Dat gaat precies passen. De eerste vraag gaat over de planbatenheffing. Vorig jaar is een motie aangenomen van collega Habtamu de Hoop met het verzoek om die heffing in te voeren. Het coalitieakkoord is dubbelzinnig over de vraag of die heffing er wel of niet gaat komen. Ik hoop dus eigenlijk op een bevestiging van de staatssecretaris dat hij voortvarend aan de slag gaat met deze motie. Graag een bevestiging.

De tweede vraag gaat over de hypotheekrenteaftrek. De campagne ging vooral over de vraag of die wel of niet wordt afgebouwd. Dat lijkt voorlopig helaas niet te gebeuren, maar we lazen dat de hypotheekrenteaftrek zelfs verhoogd dreigt te worden, met name voor de hoogste inkomens. Kan de staatssecretaris hier bevestigen dat dat absoluut niet de bedoeling is en dat hij dat gaat voorkomen?

Dan de twee moties. De eerste gaat over de verbruiksbelasting.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er breed draagvlak is voor het differentiëren van de verbruiksbelasting alcoholvrije dranken naar suikergehalte;

overwegende dat een dergelijke maatregel een bijdrage kan leveren aan de volksgezondheid;

overwegende dat het zonde zou zijn om hiermee te wachten tot een brede suikerbelasting kan worden ingevoerd, omdat dan jaren verloren gaan en met snellere invoering al op korte termijn gezondheidswinst kan worden geboekt;

verzoekt de regering de differentiatie van de verbruiksbelasting alcoholvrije dranken zo spoedig mogelijk in te voeren en bij de vormgeving uit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde adviezen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stultiens en Oosterhuis.

Zij krijgt nr. 295 (32140) (#29).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

De laatste motie gaat over een betere belastingmix.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de komende kabinetsperiode de belastingen op inkomen en arbeid gaan stijgen met 13,7 miljard, op vermogen en winst met 2,7 miljard, op klimaat en milieu met 2,4 miljard en op de categorie overig met 1,6 miljard;

van mening dat werken moet lonen en het dus onverstandig is om de rekening zo eenzijdig bij gewone werkende mensen te leggen;

verzoekt de regering om bij het komende Belastingplan de belastingen op inkomen en arbeid te verlagen door met een betere belastingmix te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.

Zij krijgt nr. 296 (32140) (#30).

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Inge van Dijk voor haar inbreng namens het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank, voorzitter. Ik sluit me aan bij de woorden over het prettige debat. We hebben een enorme lijst aan toezeggingen en brieven die we gaan krijgen. De punten die ik in mijn motie benoemd heb, heb ik ook in het debat geadresseerd. Ik ga ervan uit dat die terugkomen in een van de vele brieven. Maar ik wil ze wel echt onderstrepen, omdat het voor ons zeer belangrijke punten waren. Daarom twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ondernemers in Nederland te maken hebben met diverse fiscale regelingen die gepaard gaan met hoge administratieve lasten en complexiteit, waaronder de WKR en de Wbso;

overwegende dat deze complexiteit leidt tot onnodige kosten, tijdsverlies en onzekerheid voor ondernemers, en daarmee een rem vormt op ondernemerschap, innovatie en groei;

overwegende dat een eenvoudiger en voor ondernemers beter uitvoerbaar fiscaal stelsel bijdraagt aan een beter ondernemingsklimaat met meer ruimte voor innovatie en groei;

verzoekt de regering om met prioriteit, vanuit het perspectief van ondernemers, fiscale regelingen met hoge administratieve lasten, waaronder in ieder geval de WKR en de Wbso, te inventariseren, knelpunten in kaart te brengen en in nauwe samenwerking met ondernemers en relevante belangenorganisaties concrete vereenvoudigingsvoorstellen uit te werken;

verzoekt de regering de Kamer uiterlijk op Prinsjesdag te informeren over de voortgang,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk en Van Eijk.

Zij krijgt nr. 297 (32140) (#31).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de pseudo-eindheffing in de uitvoering enkele onwenselijke effecten heeft voor werkgevers in het algemeen en autoverhuurbedrijven, schadeherstelbedrijven en rijscholen in het bijzonder;

overwegende dat de voorgenomen pseudo-eindheffing leidt tot hoge naheffingen voor werkgevers bij incidenteel gebruik van een vervangend fossiel voertuig, feitelijk onhaalbare versnelde elektrificatie afdwingt bij schadeherstel- en verhuurbedrijven en extra administratieve lasten inhoudt voor onder andere rijscholen;

verzoekt de regering in gesprek te treden met de sector om te werken aan oplossingsrichtingen voor de onwenselijke effecten van de pseudo-eindheffing, en hierover aan de Kamer uiterlijk 1 juni nader te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk en Van Eijk.

Zij krijgt nr. 298 (32140) (#32).

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Vermeer voor zijn inbreng namens de BBB.

De heer Vermeer (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederlanders steeds meer producten kopen over de grens vanwege de grote prijsverschillen, het zogenoemde grenstoerisme;

overwegende dat deze ontwikkeling een steeds grotere variatie van producten omvat, zoals tabak, alcohol, brandstof maar ook eerste levensbehoeften en drogisterijartikelen;

overwegende dat door het invoeren van de suikertaks het risico bestaat dat deze trend verergert;

overwegende dat dit zeer nadelige effecten heeft voor de economie in met name de grensregio's;

verzoekt het kabinet om nauwkeurig de gevolgen van grenstoerisme voor de economische activiteit integraal te onderzoeken over alle productcategorieën, en daarover periodiek te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer.

Zij krijgt nr. 299 (32140) (#33).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de sierteeltsector nu nog een belangrijke bijdrage van 7,2 miljard euro levert aan de Nederlandse economie en export;

constaterende dat Wageningen Universiteit in 2023 berekende dat een btw-verhoging van 9% naar 21% kan leiden tot een omzetverlies van 390 miljoen euro en het verdwijnen van 2.500 banen;

overwegende dat de btw-verhoging volgens berekeningen bijna de helft minder inkomsten oplevert dan de door het kabinet gepresenteerde 338 miljoen euro en de maatschappelijke schade door faillissementen en WW-uitkeringen groter is dan de baten;

overwegende dat de btw-verhoging bloemisten naar de knoppen helpt en dat bloemen betaalbaar moeten blijven voor iedereen;

verzoekt het kabinet deze tulpentaks niet in te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 300 (32140) (#34).

De heer Vermeer (BBB):

Voorzitter. Ik wil de staatssecretaris meegeven dat de minister van Financiën gisteren in het debat over de economische gevolgen van de oorlog in Iran duidelijk aangegeven heeft dat het ministerie helemaal geen cijfers heeft van btw-opbrengsten per productcategorie, terwijl er toch steeds allerlei bedragen aan gehangen worden bij verhogingen of verlagingen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Vermeer. Het woord is aan de heer Oosterhuis namens D66.

De heer Oosterhuis (D66):

Dank, voorzitter. Ook ik kijk terug op een prettig commissiedebat met deze staatssecretaris. Ik heb geen moties, wel nog twee korte vragen.

In het commissiedebat hebben we het gehad over een andere invulling van de 567 miljoen belasting voor de afvalsector, die leidt tot een hogere rekening voor huishoudens, tot problemen voor de reststromen van recyclingbedrijven en tot onzekerheid voor investeringen in CO2-opslag. De staatssecretaris zou nog een ultieme poging doen om te kijken of daarover in het voorjaar tot een alternatieve invulling zou kunnen worden besloten, zoals ook de motie die we bij het Belastingplan hebben aangenomen vraagt. Ik wil hem vragen of hij daarover een update kan geven en kan laten weten hoe het daarmee staat.

Mijn tweede vraag sluit aan op de inbreng van de heer Stultiens. Het Centraal Planbureau heeft bij de analyse van dit coalitieakkoord inderdaad een technische veronderstelling gedaan over de doorwerking van lagere zorgpremies op de inkomstenbelasting. Daardoor zou ook de hypotheekrenteaftrek worden verruimd. Dat is natuurlijk niet de gewenste richting, want dan moet de belasting op werk of pensioen verder omhoog dan noodzakelijk. De minister van Financiën deed ook gisteren in het debat, als reactie op de motie van Jimmy Dijk, alsof dit een soort natuurwet is. Dat is natuurlijk niet het geval. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het hier nu om een technische veronderstelling gaat en dat hier beleidskeuzes mogelijk zijn? En kan hij ook richting de augustusbesluitvorming mogelijkheden in kaart brengen om dit effect te voorkomen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors vijf minuten. Daarna gaat de staatssecretaris over tot beantwoording.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de staatssecretaris.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Eerenberg:

Voorzitter, dank. Ik ga eerst de aan mij gestelde vragen beantwoorden en dan langs alle moties.

Ik begin met de vraag van de fractie van GroenLinks-PvdA of wij als kabinet nog aan de slag gaan met de planbatenheffing. Deze vraag ligt eigenlijk op het terrein van mijn collega van VRO, maar er bestaat natuurlijk één kabinet, dus ik heb ook als service naar uw Kamer even contact gezocht. De minister van VRO geeft aan graag met uw Kamer in gesprek te gaan over dit onderwerp en dat het haar ambitie is om óf met de planbatenheffing, zoals genoemd in de motie, óf met een vergelijkbaar systeem te komen. Zij kijkt uit naar het gesprek met uw Kamer.

Voorzitter. Dan ga ik naar de vraag van de heer Oosterhuis. U heeft het kabinet als huiswerk gegeven om een ultieme poging te doen om bij de Voorjaarsnota helderheid te scheppen over de afvalsector. Dit vraagt echt een breed gesprek in het kabinet, want dit gaat niet alleen over het verdelen van de belasting, maar ook over het op de goede plek neerleggen van de prikkel voor allerlei circulaire dingen die wij ook met elkaar nastreven. Een eerste gesprek met de minister van KGG heeft inmiddels plaatsgevonden. Ten aanzien van het tijdsframe richting de Voorjaarsnota heeft u gisteren van de minister van Financiën gehoord dat het morgen in de ministerraad wordt besproken, dus er moeten wel wonderen gebeuren om vanmiddag nog het definitieve ei te liggen. Een ultieme poging is zeker gedaan, maar rondom Prinsjesdag kunt u het antwoord van het kabinet integraal verwachten.

Dan ga ik naar een vraag die in verschillende varianten zowel door de heer Stultiens als de heer Oosterhuis is gesteld. Die gaat over de hypotheekrenteaftrek. Het is goed om hier even het volledige verhaal te vertellen. Bij de onderhandelingen in het coalitieakkoord zijn een aantal afspraken gemaakt, waaronder afspraken over de vrijheidsbijdrage, maar ook afspraken die effect hebben op de zorgpremies. De afspraken over die beide onderwerpen hebben straks effecten. Voor dat laatste geldt dat het CPB technisch heeft gekeken: hoe gaan we dat nou verwerken? Dat zei de heer Oosterhuis ook heel mooi in zijn vraag. De technische verwerking daarvan geeft aan dat dat effect heeft op de eerste en de tweede schijf van de belastingtarieven. Het is nog geen kabinetsbesluit dat we dat zo gaan doen. Dat besluiten we uiteindelijk in augustus. Dat doen we ook in het licht van alle vraagstukken die we dan rond de koopkracht hebben enerzijds, en de vraag die ook de fractie van Volt aan het kabinet heeft gesteld om nog eens kritisch naar alle belastingregelingen te kijken. Dus het definitieve antwoord op deze vraag kan ik u pas in augustus geven. Tot die tijd weet ik het antwoord gewoon feitelijk ook nog niet.

De voorzitter:

Maximaal twee vervolgvragen. Meneer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Dat het zo werkt met de zorgpremies en zo is allemaal oud nieuws. Zo werkt het nou eenmaal in het inkomstenkader. Het is op straat aan niemand uit te leggen, maar zo werkt het. Maar oorspronkelijk, in 2017, is de hypotheekrenteaftrek teruggebracht tot de eerste schijf, tot de basisschijf in de ib. Ik wil aan deze staatssecretaris vragen om die gewoonte, die eigenlijk in het kabinet-Schoof is doorbroken doordat er werd gespeeld met de eerste twee tarieven, wat eerder de basisschijf was in de ib, in box 1, weer in ere te herstellen, zodat die verhoging, die heel slecht uitlegbaar is, niet doorgaat. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris Eerenberg:

Ik heb u net gezegd hoe dit traject loopt. Tot nu toe kijken we vooral naar een technische doorwerking. Wat betreft de beleidskeuzes van het kabinet: die zijn nog niet gemaakt. Die landen in augustus. U doet — "u" is de heer Grinwis, voorzitter; net op tijd! — een suggestie die we daarbij kunnen meenemen. Die neem ik ter harte, zonder daarop vooruit te willen lopen.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Kijk, het Centraal Planbureau maakt aannames, maar die komen natuurlijk niet helemaal vanuit het niks. Zij hebben met iedereen overleg, dus meestal is het wel een soort vooraankondiging van wat eraan kan komen. Ik snap dat het nog niet definitief is, maar ik mag toch hopen dat de staatssecretaris op zijn minst vasthoudt aan die zin in het coalitieakkoord, "de fiscale behandeling van het eigen huis blijft ongewijzigd", wat ik al een matig compromis vond, en hij niet nog verder naar rechts gaat en zegt: het kan toch gebeuren dat het in augustus verruimd gaat worden.

Staatssecretaris Eerenberg:

Het coalitieakkoord is het coalitieakkoord, vanzelfsprekend. Daar hoeft u een lid van het kabinet niet aan te herinneren. De keuzes zijn nog niet gemaakt. Die gaan toch echt in augustus landen. Ik kan u in het kader van verwachtingenmanagement wel alvast vertellen dat alles wat je hieraan wil veranderen, kwalificeert als een structuurverandering. Dat betekent dat alles wat je eraan zou willen veranderen, welke kant dan ook op, zeg ik nog even oordeelvrij, een grote opgave betekent bij de Belastingdienst. Wijzigingen zullen dus altijd veel ingewikkelder zijn of lijken dan u en ik, denk ik, allebei willen.

De voorzitter:

U vervolgt.

Staatssecretaris Eerenberg:

Voorzitter, ik heb de vragen gehad, zie ik in mijn administratie, want ik heb twee vragen gecombineerd beantwoord. Ik ga dan nu naar de appreciatie van de moties.

Ik begin bij de fractie van JA21, en wel bij de motie op stuk nr. 291, van de heer Hoogeveen. Deze motie ga ik ontraden. Dat heeft ermee te maken dat het amendement waarnaar verwezen wordt in de motie, al in werking is getreden. Dat betekent dat alle ramingen daar ook op gebaseerd zijn. We weten nog niet hoe het gaat uitpakken, dus ik kan u op dit moment nog niet zeggen welke budgettaire ruimte er per ongeluk toch kan blijken te zijn. Het kabinet staat uiteraard achter de raming. Ik kan wel nog iets anders doen, en dan valt het oordeel misschien toch een beetje mee. Je zou een gedeelte van de motie ook als een informatieverzoek kunnen interpreteren, namelijk: laat eens zien hoe het gaat met het benutten van het budget voor die hersteloperatie box 3. Dan kunt u met die informatie weer het uwe doen. Ik zeg u toe dat ik in de voortgangsrapportage die de Belastingdienst in het voorjaar naar uw Kamer stuurt — dat is gewoon een regulier product — in ieder geval het informatieverzoekdeel van deze motie zal inwilligen.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 291 wordt ontraden. Ik zie één vervolgvraag.

De heer Hoogeveen (JA21):

Ja, ik heb hier wel een vraag over. De staatssecretaris zegt dus dat het aangenomen amendement-Grinwis al in werking is getreden. We hebben die ramingen al gedaan, zegt de minister, dus dat wordt dan wel naar boven of naar beneden bijgesteld. Dat is dus al meegenomen in de financiële plaat, om het maar zo te zeggen.

Staatssecretaris Eerenberg:

Zo is het maar net.

De voorzitter:

Dan de motie op stuk nr. 292.

Staatssecretaris Eerenberg:

De motie op stuk nr. 292 geef ik oordeel Kamer. Ik ga dit graag onderzoeken en ik wil, eerlijk gezegd, bij het antwoord op de Kamervragen die ook over dit onderwerp gesteld zijn door de heer Hoogeveen, meteen reflecteren op deze vraag. Dan kunnen we ook relatief snel met elkaar zakendoen op dit onderwerp.

De voorzitter:

Oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 293.

Staatssecretaris Eerenberg:

De motie op stuk nr. 293 is ook van Hoogeveen en ook die geef ik oordeel Kamer, mits ik de motie mag interpreteren als een oproep tot het doen van een onderzoek.

De voorzitter:

Ik zie dat dat mag.

Staatssecretaris Eerenberg:

Dan ga ik naar de motie van de heer Grinwis op stuk nr. 294. Fijn dat u deze beweging maakt! Daarover hebben we ook in het commissiedebat met elkaar gewisseld. Tegelijkertijd zal het in de praktijk nog best een ingewikkelde puzzel zijn. Die disclaimer geef ik er nadrukkelijk bij, maar ik geef de motie wel oordeel Kamer, omdat ik ook zie wat we hier gezamenlijk te doen hebben.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 294: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 295.

Staatssecretaris Eerenberg:

Die geef ik het oordeel ontijdig, omdat we nog aan het kijken zijn hoe we dit nou verstandig doen met elkaar. Dat heb ik ook in het commissiedebat gezegd. Er zijn twee manieren van verstandigheid. Een: alles wat we met de verbruiksbelasting doen, is qua principes niet in strijd met wat we straks met de suikerbelasting willen doen. Dat is net zo verstandig als tempo maken, omdat we ook wat voor de volksgezondheid te doen hebben. U krijgt van mij nog een brief — die heb ik al toegezegd — over welk van deze twee verstandige sporen bovenliggend gaat worden. De motie is dus ontijdig.

De voorzitter:

Dan is het de vraag of de heer Stultiens bereid is om de motie aan te houden.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Ja, daar ben ik toe bereid, maar inderdaad met de kanttekening dat het tempo belangrijk is. Er liggen best al wat ambtelijke adviezen en wetenschappelijke rapporten, dus we weten eigenlijk al wat de beste optie. Het is fijn dat hier tempo bij blijft. Dan houd ik de motie aan totdat er extra info naar de Kamer komt.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 296.

Staatssecretaris Eerenberg:

Die ga ik ontraden. Als u nu aan mij zou vragen om toch eens een wezenlijke verschuiving te doen tussen de varianten van belasting die in de motie genoemd zijn, dan gaat het natuurlijk heel erg snel over verschuivingen van 50 tot 70 miljard. Dat kan ik u hier niet per motie toezeggen. Dat begrijpt u, denk ik, ook. De trend gaat overigens wel de goede kant op. Misschien valt dat dan toch weer mee. In 2018 hadden we 53% belasting op arbeid in de mix en in 2026 is dat 49%. Ontraden!

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):

Nu word ik volgens mij links ingehaald door de staatssecretaris, want ik pleit niet voor verschuivingen van 50 of 70 miljard. Ik vind inderdaad dat het nu niet in balans is, maar daar heb ik niet om gevraagd. Ik vraag juist om een betere mix. Ik heb het aantal miljarden open gelaten. Bedragen van 50 miljard herken ik niet.

Staatssecretaris Eerenberg:

Dat is de ordegrootte waar je snel aan denkt als je naar procentpunten gaat kijken. Het tweede deel van het antwoord zou zijn dat ook hiervoor geldt dat het kabinet alle besluitvorming rond het Belastingplan nog te voeren heeft. Die doen we nadrukkelijk in het kader van de koopkracht. Dat hebben we ook vaker met uw Kamer gewisseld. Ik kan me voorstellen en verwacht eerlijk gezegd ook wel dat wij rond die tijd dit debat nog veelvuldig met elkaar zullen voeren.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 297.

Staatssecretaris Eerenberg:

Inderdaad, voorzitter. Dat is de motie van mevrouw Van Dijk. We hebben in het commissiedebat hierover al met elkaar van gedachten gewisseld en toen is dit toegezegd. Ik kan uiteraard niet anders dan die motie nu oordeel Kamer geven. Ik denk: fijn als die ook met kracht op deze manier wordt ingediend. Dank daarvoor.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 298.

Staatssecretaris Eerenberg:

Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 298; dezelfde redenatie.

De voorzitter:

Motie op stuk nr. 298: oordeel Kamer. Dan de motie op stuk nr. 299.

Staatssecretaris Eerenberg:

Die gaat over de grenseffecten van allerlei regelingen die wij hebben. Ik ontraad deze motie nu, maar ik zeg er wel een zin extra bij, namelijk dat ik wel begrijp waar deze vraag vandaan komt. Ik vind het zelf ook ongemakkelijk dat de fractie van BBB hier vaak aandacht voor heeft en vraagt om er integraal naar te kijken en dat het antwoord dan steeds is: we kijken soms bij de suikerbelasting en soms bij de accijnzen op brandstoffen en soms … Dat snap ik. Ik wil voorstellen dat ik nog eens ga kijken wat wij toch meer gecombineerd inzichtelijk kunnen maken over de grenseffecten. Dat is heel moeilijk en dat vraagt ook om overleg met de collega's van EZ. Ik wil de Kamer daar met alle liefde voor de zomer een brief over schrijven.

De voorzitter:

Eén vervolgvraag.

De heer Vermeer (BBB):

Dit is meer een advies aan de staatssecretaris. Gisteren in het debat kwam ook naar voren dat er wellicht steekproeven gedaan kunnen worden. Op die manier wordt er een soort quickscan gedaan in plaats van het weer helemaal tot in den treure uit te zoeken. Doe eerst eens een check, bijvoorbeeld bij benzinestations in bepaalde regio's. Dan krijg je ook al een beeld.

Staatssecretaris Eerenberg:

Goede adviezen zijn altijd welkom bij ondergetekende, dus dank daarvoor.

De voorzitter:

Tot slot.

Staatssecretaris Eerenberg:

De laatste motie, op stuk nr. 300, is van de heer Vermeer. Ik denk dat hij niet verrast zal zijn als ik die ontraad, met twee hoofdargumenten. Eén. Hij staat in het coalitieakkoord. En twee. Het is echt een van die maatregelen waarvan is gebleken dat die eigenlijk niet effectief zijn. De oproep in deze Kamer is toch steeds heel breed: doe nou wat aan die niet-effectieve maar wel ingewikkeld makende regels in ons belastingstelsel. Daar valt deze onder. Uiteraard ben ik niet doof voor zorgen en kritiek, dus ook hiervoor geldt dat ik graag met de sector in gesprek ga. Dat zal ik ook van harte doen.

De voorzitter:

Tot slot meneer Hoogeveen.

De heer Hoogeveen (JA21):

Toch nog een vraag over de appreciatie van mijn eerste motie, op stuk nr. 291. Ik zat er even over na te denken. De staatssecretaris zei dat dat amendement al in werking is getreden, dat er al is gekeken naar de ramingen en dat het al is verwerkt in de financiële plaat. Maar in welke financiële plaat moet ik dat dan zoeken? Is dat de Voorjaarsnota? Staat dit al vast? Wat beweegt de staatssecretaris om hier niet, op z'n minst, naar te kijken? Dit is dus blijkbaar echt al in beton gegoten.

Staatssecretaris Eerenberg:

Daarom zei ik dat ik ook een informatieverzoek lees in de motie van de heer Hoogeveen. Ik wil dus ook graag voor u inzichtelijk maken hoe het zit met die budgetten en ook met de benutting van die budgetten. Dat is natuurlijk gestoeld op een aantal aannames. We zullen ook zien hoe het gaat met het aantal hersteloperaties rondom box 3. Maar we hebben het beeld dat die raming toch echt zorgvuldig is gedaan en dat ook de motie van de heer Grinwis er zorgvuldig in meegenomen is. Ik kan u nu niet zeggen welke budgetten eventueel mee zullen blijken te vallen, omdat we dat simpelweg niet weten. Ik ga u wel dat inzicht geven. Dan kunt u met dat inzicht doen wat u wilt. Dat inzicht is dan natuurlijk voor de hele Kamer relevant. Dat is één.

En twee. Ja, dan toch even de begrotingsregels. Stel dat er minder gebruikgemaakt wordt van de box 3-hersteloperatie als gevolg van het verlagen van het forfait naar aanleiding van het amendement van de heer Grinwis, dan valt het vrij in het saldo. Dan verhinderen onze begrotingsregels het om het op deze manier met uw motie te doen. Dat is, bij doorvragen, een extra argument om 'm te ontraden, maar u krijgt wel het inzicht van mij.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Ik ben wel benieuwd wanneer dat inzicht dan komt. Ik weet hoe het met de begrotingsregels werkt, maar er is wel al lang een discussie over de hardheid van de raming, ondanks dat het CPB er ook naar gekeken heeft en ook ondanks de interferentie die de heer Hoogeveen beschrijft. Dus ik ben wel benieuwd wanneer.

Staatssecretaris Eerenberg:

In de eerstvolgende reguliere rapportage van de Belastingdienst, die in het voorjaar geprogrammeerd staat. Daar zijn wij nu eigenlijk aanbeland, dus dat gaat relatief snel. Dan kunt u een eerste beeld zien, maar dat is een beeld gebaseerd op een relatief korte doorlooptijd. De vraag is dan welke conclusies we daaraan durven te verbinden. Maar u krijgt een eerste beeld.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter?

De voorzitter:

Nee, nee, nee, we hadden één vervolgvraag gezegd. De minister van VWS zit al klaar. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik dank de leden voor hun aanwezigheid. Daarmee is een einde gekomen aan dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal dinsdag worden gestemd. De vergadering is kort geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Advies NZa deel 2 budgetbekostiging acute verloskunde. Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik zie de heer Claassen staan; het woord is aan hem.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Omdat ik vanuit een andere "identiteit" meegedaan heb aan het SO en daar ook uitgebreid schriftelijke vragen heb gesteld en antwoorden heb gekregen, moet ik nu vragen om toestemming om mee te doen aan dit tweeminutendebat. Ik wil daarom bij dezen vragen of ik mee mag doen aan dit geweldige tweeminutendebat.

De voorzitter:

Voor twee minuten?

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik heb één motie, dus ik hoop het in minder tijd te doen.

De voorzitter:

Ik kijk of daar hartgrondige bezwaren tegen zijn. Ik zie dat dat niet het geval is. We zetten u erbij op de lijst, meneer Claassen. Het woord is aan mevrouw Wiersma voor haar inbreng namens de BBB.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Dank, voorzitter. Ik begin gelijk, want het is een lange motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de bereikbaarheid van acute verloskundige zorg in meerdere regio's onder druk staat en dat verdere afname van capaciteit kan leiden tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's voor vrouwen en (ongeboren) kinderen;

overwegende dat de regering heeft besloten geen budgetbekostiging voor acute verloskunde in te voeren;

overwegende dat in het regeerakkoord wordt uitgegaan van overheidsregie op de spreiding en de bereikbaarheid van zorg en dat deze regie moet gelden voor zowel planbare als acute zorg, met bijzondere aandacht voor dunbevolkte regio's en ziekenhuizen met minder volume;

overwegende dat bestaande regionale samenwerkingsstructuren onvoldoende waarborgen bieden voor toekomstbestendige, tijdige toegang tot acute verloskundige zorg in alle regio's;

verzoekt de regering om, uiterlijk voor 1 januari 2027, in gesprek met onder meer de KNOV, de verloskundigen, gynaecologen, de SEH-artsen en de ambulancezorg, in samenwerking met ziekenhuizen, zorgverzekeraars en regionale netwerken, te komen tot een landelijk actieplan voor bereikbare acute verloskunde, waarin het volgende wordt uitgewerkt:

  • hoe tijdige toegang tot acute verloskundige zorg kan worden geborgd, onder andere door het gezamenlijk bepalen van medisch verantwoorde uitgangspunten voor bereikbaarheid en aanrijtijden per auto en openbaar vervoer, in relatie tot diagnose en urgentie;
  • het maken van heldere regionale afspraken over samenwerking, spreiding en achtervang van acute verloskundige voorzieningen;
  • het vastleggen van transparante criteria en randvoorwaarden voor het openen, behouden of sluiten van acute verloskundige afdelingen;
  • het borgen van passende en structurele financiering die ook in dunbevolkte regio's en bij laagvolumeziekenhuizen de beschikbaarheid van acute verloskundige zorg velligstelt;

verzoekt de regering voorts de Kamer jaarlijks te informeren over de voortgang, met inzicht in bereikbaarheid, capaciteitsontwikkeling en knelpunten per regio,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wiersma.

Zij krijgt nr. 482 (29247) (#35).

Mevrouw Wiersma (BBB):

Dank.

De voorzitter:

Dank. Het woord is aan mevrouw Maeijer voor haar inbreng namens de PVV.

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dank, voorzitter. Mijn motie is iets korter, zeg ik alvast.

De voorzitter:

Heel goed.

Mevrouw Maeijer (PVV):

De doelstelling van de adviesaanvraag aan de NZa voor de invoering van budgetbekostiging in de acute verloskunde was vierledig: toegankelijke acute zorg in de regio, het versterken van de samenwerking, ziekenhuizen meer financiële zekerheid geven en marktwerking verminderen. De minister heeft nu naar aanleiding van het rapport besloten om geen budgetbekostiging in te voeren voor de acute verloskunde, omdat dat niet de oplossing zou zijn om deze doelstellingen te bereiken, maar ze komt vooralsnog ook niet met een plan om het systeem beter in te richten. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat goede en bereikbare geboortezorg essentieel is voor de veiligheid van moeder en kind;

overwegende dat financiële onzekerheid voor ziekenhuisafdelingen kan bijdragen aan sluitingen en vertrek van personeel;

overwegende dat acute zorg vraagt om stabiliteit en voorspelbaarheid in de financiering;

verzoekt de regering om de NZa een aanwijzing te geven om een pilot te starten voor budgetbekostiging voor de acute verloskunde, gekoppeld aan andere acute zorg zoals SEH, en de Kamer over de uitkomsten ervan te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Maeijer.

Zij krijgt nr. 483 (29247) (#36).

Mevrouw Maeijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Maeijer. Het woord is aan mevrouw Dobbe voor haar inbreng namens de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Dank u wel. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal ziekenhuislocaties dat volwaardige acute verloskunde biedt tussen 2015 en 2025 is afgenomen van 84 naar 71;

overwegende dat de afstand die vrouwen moeten afleggen naar het ziekenhuis op het moment dat zij moeten bevallen hierdoor steeds groter wordt;

overwegende dat het kabinet heeft besloten geen budgetbekostiging in te voeren in de acute verloskunde, maar ook niet met andere maatregelen komt die het verdwijnen van acute verloskunde uit ziekenhuizen serieus tegengaan;

verzoekt de regering om met een maatregelenpakket te komen om te voorkomen dat acute verloskunde uit nog meer ziekenhuizen verdwijnt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 484 (29247) (#37).

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik kan u vertellen: als je moet bevallen, is het geen pretje als je langer moet rijden. Ik denk dat dat voor een heleboel vrouwen geldt, zeker als er acute noodzaak is wanneer je moet bevallen en je een heel eind moet rijden. Dat is wel waar het nu naartoe gaat. Ik denk dat de moties die voor de mijne zijn ingediend, heel erg duidelijk laten zien dat zeggen "we doen geen budgetbekostiging" niet genoeg is. We willen dan ook weten wat deze minister wél gaat doen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dobbe. Het woord is aan de heer Bushoff voor zijn inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Acute verloskunde is cruciaal, natuurlijk voor de geboorte van kinderen, maar eigenlijk ook al daarvoor. Het is ontzettend belangrijk voor een goede start in het leven. Daarom is het ook zo schrijnend om te zien dat juist nu die acute verloskunde zo onder druk staat, en dan met name in de regio. Dat probleem constateren we allemaal. Er werd toen gezegd: dan is het invoeren van budgetbekostiging wellicht de oplossing. Wellicht bleek dat niet de oplossing te zijn. Maar nu dat voorstel van tafel is, is er nog geen andere oplossing voor de problemen die wel degelijk overeind blijven, namelijk dat schrijnende tekort in de acute verloskunde, en het gegeven dat die met name in de regio zo onder druk staat.

Voorzitter. Daarom heb ik ook de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de acute verloskunde onder druk staan, bij uitstek in de regio;

overwegende dat het afzien van budgetbekostiging de problemen in de geboortezorg niet oplost;

verzoekt de regering de toegankelijkheid van de acute verloskunde te waarborgen en voor het einde van het jaar, in samenspraak met de beroepsgroepen, oplossingen aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Bushoff en Vliegenthart.

Zij krijgt nr. 485 (29247) (#38).

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter. Ik noemde het al volgende al. Ik denk dat die budgetbekostiging niet de oplossing is voor de problemen die we volgens mij allemaal constateren in de acute verloskunde. Daarom denk ik dat het heel belangrijk is om in samenspraak met de beroepsgroep te bekijken wat oplossingen kunnen zijn om ervoor te zorgen dat de acute verloskunde in de benen en beschikbaar blijft. Dat is namelijk — ik begon er al mee — juist zo cruciaal voor de start van het leven van zo veel kinderen.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bushoff. Het woord is aan de heer Claassen, als laatste spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens de Groep Markuszower.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Voorzitter. In het SO had ik het over de positie van de NZa en wat zij kan betekenen als het gaat over de zorgplicht. In dat licht heb ik een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zorgverzekeraars op grond van de Zorgverzekeringswet een zorgplicht hebben om tijdige en toegankelijke zorg te garanderen, en dat de NZa belast is met het toezicht hierop;

overwegende dat de zorgplicht in de praktijk een open norm is, waardoor handhaving complex is en structurele knelpunten onvoldoende worden opgelost;

overwegende dat structurele schending van de zorgplicht niet alleen handhaving vereist, maar ook bestuurlijke en parlementaire opvolging;

verzoekt de regering een escalatiemechanisme in te richten waarbij de NZa bij structurele schending van de zorgplicht verplicht een bindende maatregel oplegt en de minister binnen drie maanden concrete beleidsmaatregelen treft en de Kamer hierover informeert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 486 (29247) (#39).

Dank u wel, meneer Claassen. Ik schors vijf minuten voor de beantwoording van de zijde van de minister.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Hermans:

Voorzitter, dank. Ik begin met de motie op stuk nr. 482 van mevrouw Wiersma. Er staat een heleboel in, maar alles bij elkaar genomen moet ik deze motie ontraden. Deze motie roept mij namelijk op om in allerlei rollen, taken en verantwoordelijkheden te stappen die niet van mij zijn. In dit hele stelsel van de geboortezorg hebben de verzekeraars, de inspectie en het Regionaal Overleg Acute Zorgketeneen rol. Die hebben ook een rol in de verschillende verzoeken in deze motie, maar het ministerie van VWS niet. Daarmee ontraad ik de motie.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 483 van mevrouw Maeijer. Ik deel de overweging dat goede en bereikbare geboortezorg essentieel is voor de veiligheid van moeder en kind, zoals ook mevrouw Dobbe en de heer Bushoff dat formuleerden. Het verzoek moet ik echter ontraden. Dit gaat over budgetbekostiging. We hebben net gezegd dat we dat niet gaan doen. Ik ga dus ook geen pilot starten, niet in de laatste plaats omdat de sector zelf heeft aangegeven dit niet als oplossing te zien. Ik kom zo nog op wat dan wel de oplossing of de richting zou kunnen zijn.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 484 van mevrouw Dobbe. Ook deze motie moet ik ontraden, omdat deze echt vraagt naar maatregelen ten aanzien van het verdwijnen van aanbod. Ik verwijs naar wat ik ook tegen mevrouw Wiersma zei: dat is niet een bevoegdheid die bij het ministerie van VWS ligt.

Voorzitter. Tot slot. Nee, niet helemaal tot slot. Ik kom bij de motie op stuk nr. 485 van de heer Bushoff. Met de conclusie dat budgetbekostiging niet een oplossing voor het probleem is, gooien we natuurlijk niet de handdoek in de ring. Ook de sector zelf zegt namelijk dat er voor die toegankelijkheid en die beschikbaarheid wel iets moet gebeuren. Wij gaan daarvoor met elkaar aan tafel. Dat zitten zij ook al. U kent mogelijk de correspondentie die tussen het ministerie en de partijen uit de sector heeft plaatsgevonden. De partijen zitten nu aan tafel en hebben een focus op beschikbaarheid, kwaliteit, toegankelijkheid en data. Ze zijn daarmee aan het werk. De motie van de heer Bushoff verzoekt om de Kamer voor het einde van het jaar te informeren over wat daaruit is gekomen. Die toezegging wil ik graag doen. Daarmee wil ik de motie dus oordeel Kamer geven. Ik zorg dat de uitkomsten van wat daar aan tafel besproken wordt, aan het einde van het jaar met de Kamer gedeeld worden.

De voorzitter:

Tot slot de laatste motie. Daarna geef ik het woord aan mevrouw Dobbe.

Minister Hermans:

Dat is de motie-Claassen op stuk nr. 486. Deze moet ik ook ontraden. Als het nodig is, dan kan de NZa handhavend optreden. Dat is wel een eigenstandige, zelfstandige bevoegdheid van de NZa. Het is niet aan mij of aan ons om dat als verplichting op te leggen. In algemene zin kan ik tegen de heer Claassen zeggen dat wij de signalen die we ontvangen, natuurlijk wel betrekken bij beleidsontwikkeling. Zoals het in de motie geformuleerd is, moet ik het echter ontraden.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik snap dit niet zo goed. De motie op stuk nr. 485 krijgt oordeel Kamer. Daarin staat: verzoekt de regering de toegankelijkheid van de acute verloskunde te waarborgen en met oplossingen te komen. De motie op stuk nr. 484, waarin wordt gevraagd om met oplossingen te komen via een maatregelenpakket, wordt ontraden. Betekent dat dan dat de oplossingen die naar aanleiding van de motie op stuk nr. 485 worden aangedragen, geen maatregelen zullen zijn? Wat voor oplossingen gaat de minister dan regelen? Waarom zou de minister niet met maatregelen willen komen? Het is superbreed geformuleerd, dus dat snap ik echt niet.

Minister Hermans:

Het zijn twee dingen. Eén. Aan de tafel waaraan de partijen met elkaar overleggen, worden maatregelen voorgesteld. Zo loopt de volgorde in het proces. Inhoudelijk vraagt de motie van mevrouw Dobbe, de motie op stuk nr. 484, om met maatregelen te komen om te voorkomen dat acute verloskunde uit nog meer ziekenhuizen verdwijnt. Volgens mij zei ik net in mijn appreciatie, zoals ik ook in de richting van mevrouw Wiersma zei: voorkomen dat bepaald aanbod uit ziekenhuizen verdwijnt, past niet in hoe we de afspraken die we hebben gemaakt en de rollen en verantwoordelijkheden hebben verdeeld. Keuzes over de inrichting van het zorgaanbod in het ziekenhuis kunnen alleen door het ziekenhuis zelf worden gemaakt, uiteraard in afstemming met de zorgverzekeraar. Daarin zit dus het verschil tussen de motie op stuk nr. 484 en de motie op stuk nr. 485.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Dobbe (SP):

Oké. Dan is de conclusie dat deze minister van Zorg, die ervoor verantwoordelijk is dat mensen in Nederland gewoon toegang hebben tot het zorgstelsel — het een en ander wordt gedelegeerd aan zorgverzekeraars en andere partijen, maar de minister blijft wel eindverantwoordelijk voor de zorg in Nederland — zegt dat het niet haar doel is om te voorkomen dat de acute verloskunde uit ziekenhuizen verdwijnt. Begrijp ik dat goed?

Minister Hermans:

We hebben in Nederland heel duidelijke afspraken over wie waarvoor verantwoordelijk is in ons zorgsysteem. Het ministerie van VWS is verantwoordelijk — ik moet zeggen: stelt kaders — voor de kwaliteit, de toegankelijkheid en de veiligheid van de zorg. Het draagt daarmee een stelselverantwoordelijkheid. Verschillende partijen hebben een rol in hoe daaraan invulling wordt gegeven. Ik zei het al: het zorgaanbod wordt bepaald door ziekenhuizen, uiteraard in overleg met zorgverzekeraars. Hierbij spelen heel veel factoren een rol. Denk aan het personeelstekort, waar we het natuurlijk al veel over hebben gehad. Dat kan ook een effect hebben op het kunnen leveren van kwaliteit van zorg. Dat kan aan de orde zijn. Dan is het aan het ziekenhuis, in dit geval in samenwerking met de zorgverzekeraars, om daar afspraken over te maken.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Door het dictum is er misschien wat onduidelijkheid. De interpretatie van de minister was dat zij maatregelen moet opleggen, maar dat was niet de bedoeling. Stel dat het dictum wat eenvoudiger zou klinken, namelijk: verzoekt de regering een escalatiemechanisme in te richten waarbij de NZa bij structurele schending van de zorgplicht verplicht een bindende maatregel oplegt, en binnen drie maanden de Kamer te informeren over welke maatregelen zijn opgelegd. Dat is eigenlijk de grootste doelstelling van dit dictum. Het opleggen van een bindende maatregel is dan wat de NZa moet doen.

De voorzitter:

Een onderhandelingspoging van meneer Claassen.

Minister Hermans:

Dit vind ik een beetje … Ik gaf net aan dat we duidelijke afspraken hebben over wie welke rol heeft in het stelsel en welke bevoegdheden daarbij horen. Ik zei net al dat de NZa kan optreden of maatregelen kan nemen als dat aan de orde is. Als we nu een beetje gaan knutselen in de formulering — ik zeg het oneerbiedig, maar ik bedoel het niet zo — kan ik niet helemaal overzien hoe verstrekkend dat is. Ik ga dus niet zomaar even een oordeel aanpassen. Ik heb gezegd hoe ik erin zit. Ik wil hierover uiteraard nog op andere momenten langer met de heer Claassen debatteren, maar ik kan nu even niet zomaar aangeven of dit mijn oordeel zou wijzigen.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dat gaan we dan zien. Mijn voorstel is dat ik de motie wijzig en dat we bekijken of de minister misschien bereid is om op basis van die wijziging met een reactie te komen richting mij of de Kamer.

De voorzitter:

Stel dat de heer Claassen de motie voor de stemming wijzigt. Kunt u dan een schriftelijke appreciatie aan de Kamer doen toekomen?

Minister Hermans:

Dat kan ik natuurlijk nooit weigeren, dus dat zal ik doen.

De voorzitter:

Dat is een mooie toezegging. Ik dank u wel.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik stel voor dat we meteen doorgaan naar het volgende tweeminutendebat: het tweeminutendebat Toegankelijkheid van de huisartsenzorg. Daarbij is de heer Bushoff de eerste spreker. Dat doet hij namens de fractie van — nog wel! — GroenLinks-Partij van de Arbeid.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Inderdaad, voorzitter: nog wel namens GroenLinks-PvdA. Dat betekent niet dat ik ga afsplitsen, maar dat zegt meer iets over wat er vanavond gebeurt. Dat zeg ik even voordat daar verwarring over ontstaat.

Voorzitter. Geen moties van mijn kant. Ik heb wel nog een aantal vragen. Hoewel een tweeminutendebat vaak "we dienen nog moties in" wordt, is het eigenlijk gewoon de plenaire afronding van een commissiedebat. Het kan ook zo zijn dat er nog wat vragen leven. Ik heb een aantal vragen. Laat ik beginnen met te benoemen dat de huisartsenzorg wat mij betreft echt het fundament van ons zorgstelsel is. Dat fundament staat onder druk. Aan de ene kant zien we dat er een tekort aan praktijkhoudende huisartsen is. Aan de andere kant zien we soms, van tijd tot tijd, dat commerciële partijen in dat gat springen, met alle gevolgen van dien. Dat is onwenselijk. Vandaar dat ik zelf ben gekomen met de initiatiefnota Stop de commercie, steun de huisarts. Daarin staan verschillende voorstellen om aan de ene kant huisartsen, met name jonge huisartsen, te steunen om praktijkhouder te worden en de doorgeslagen commercialisering in de huisartsenzorg een halt toe te roepen. Een deel van de voorstellen uit de initiatiefnota is ook geland in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord. Daar ben ik heel blij mee. Maar de Kamer heeft over een aantal van de voorstellen uit die initiatiefnota unaniem gezegd deze graag in een uitvoeringsagenda te willen zien terugkomen. Een deel van die voorstellen zijn niet in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord opgenomen. Ik zou de minister eigenlijk willen vragen of hij, zowel over de voorstellen die wel zijn geland in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord als over de voorstellen die dat niet zijn, maar die wel in de nota stonden en waarvan de Kamer heeft gezegd deze graag terug te willen zien in een uitvoeringsagenda, de Kamer periodiek, laten we zeggen jaarlijks, op de hoogte wil stellen over hoe het nou staat met de uitvoering van die voorstellen. Ik denk namelijk dat het nu heel erg belangrijk is om niet langer in papier te blijven hangen, maar echt naar de praktijk te gaan, om zo de huisartsenzorg in de benen te houden. Ik wil gewoon de vinger aan de pols houden. Vandaar dat de Kamer ook heeft gezegd: stuur nou jaarlijks een uitvoeringsagenda uit. Eigenlijk is het verzoek aan de minister heel simpel: ga dat ook vooral doen.

De voorzitter:

Dank u wel. Nog een kleine correctie richting meneer Bushoff: artikel 7.31, lid 1 van het Reglement van Orde schrijft wel degelijk voor dat u bij aanvraag ook een motie indient. Het is geen voortzetting van een commissiedebat. Zo blijven we leren met elkaar.

Dan mevrouw Dobbe. Die heeft vast wel een motie, schat ik zo in. We gaan het horen! Zij krijgt daartoe het woord, namens de SP.

Mevrouw Dobbe (SP):

Ik compenseer graag het aantal moties. Dat is helemaal geen probleem.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer vorig jaar de motie-Dijk (36666, nr. 10) over een regeling vanuit provincies waarbij huisartsen subsidie kunnen krijgen voor het (ver)bouwen van huisartsenpraktijken heeft aangenomen;

constaterende dat het kabinet deze motie niet uitvoert, waardoor er geen publieke aanpak komt van het tekort aan praktijkruimtes;

van mening dat goede huisartsenzorg een essentiële publieke voorziening is waar de overheid de randvoorwaarden voor moet creëren;

verzoekt de regering om te onderzoeken op welke manier kan worden vastgelegd dat het waarborgen van voldoende praktijkruimtes voor huisartsen een publieke verantwoordelijkheid is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 173 (33578) (#40).

Mevrouw Dobbe (SP):

Voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de huisarts een essentiële rol vervult voor de Nederlandse zorg en dat die positie niet mag worden misbruikt voor winstbejag;

overwegende dat de Kamer al tot twee keer toe heeft opgeroepen om private equity in de huisartsenzorg te verbieden, maar dat het kabinet dit blijft weigeren;

verzoekt de regering om in de aangekondigde aanscherping van de Wet integere bedrijfsvoering zorg te regelen dat private-equitypartijen en vergelijkbare commerciële ketens worden geweerd uit de huisartsenzorg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.

Zij krijgt nr. 174 (33578) (#41).

Mevrouw Dobbe (SP):

Private equity noem ik trouwens ook wel "sprinkhaankapitalisten". Ik hoop op brede steun van deze Kamer.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Dobbe.

Het woord is aan mevrouw Wiersma, die spreekt namens de BBB.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Dank, voorzitter. Weer een motie. Deze is iets minder lang, maar het is nog steeds een redelijk lange.

Zij luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat regio's met grote huisartsentekorten vaak ook regio's zijn waar structureel weinig geneeskunde- en huisartsenstudenten vandaan komen;

overwegende dat het huidige wettelijke kader ruimte laat voor regionale opleidingsroutes, extra opleidingscapaciteit en gerichte stimulansen, zonder selectie op basis van contractuele verplichtingen;

overwegende dat het kabinet in gesprek gaat met opleidingsinstituten met geneeskunde- en huisartsenopleidingen om te bezien welke stappen die instellingen zelf, binnen de grenzen van de wet, kunnen zetten;

verzoekt de regering om op basis van de lopende verkenning en de gesprekken met opleidingsinstituten, te komen tot concrete afspraken met opleidingsinstituten over het vergroten van het aantal regionale opleidingsplaatsen voor huisartsen, met specifieke aandacht voor tekortregio's, en daarbij in samenwerking met veldpartijen meetbare doelstellingen vast te stellen voor regionale spreiding van opleidingsplaatsen;

verzoekt de regering de Kamer uiterlijk het derde kwartaal van 2026 te informeren over de concrete afspraken en meetbare doelstellingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Wiersma.

Zij krijgt nr. 175 (33578) (#42).

Dank u wel.

Mevrouw Wiersma (BBB):

Dank.

De voorzitter:

Dan is nu het woord aan de heer Poortman, voor zijn inbreng namens het CDA. Gaat uw gang.

De heer Poortman (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Hartelijk dank aan de minister voor de beantwoording in het schriftelijk overleg. Ik heb geen motie, maar in aanloop naar het commissiedebat Eerstelijnszorg van volgende week, heb ik wel nog een paar aanvullende vragen. Het volgende dan: in het AZWA staan goede afspraken om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te verbeteren. Daar zijn we natuurlijk heel blij mee. Alle partijen hebben hierin een rol: de huisartsen zelf, maar ook de verzekeraars en de minister. Een van de afspraken in het AZWA is dat de minister samen met de NZa gaat kijken naar een betere bekostiging om de toegankelijkheid van de huisartsenzorg te verbeteren. We hebben daar in het schriftelijk overleg wat vragen over gesteld, namelijk wat de minister gaat doen en wanneer ze dat gaat doen. Het antwoord daarop was nog niet helemaal bevredigend. Daarom heb ik twee vragen.

Allereerst of de minister segment 3 van de huisartsenbekostiging gaat aanpassen om maatwerk te kunnen bieden bij huisvestingsproblematiek. Zo ja, hoe gaat die aanpassing eruitzien en wat is de planning daarvoor? Een aanvullende vraag is of de minister deelt dat we in algemene zin toe moeten naar een betere bekostiging van de huisartsenzorg, waarbij financiering op basis van populatie en capaciteit zwaarder moeten wegen dan financiering per richting.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Een vraag van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb één korte vraag over die bekostiging van de huisvestingscomponent van huisartsen. Eigenlijk is door de rechter gezegd: een van de redenen dat de bekostiging van huisartsen op dit moment ontoereikend is, is dat die huisvesting niet voldoende wordt meegewogen. Als ik het me goed herinner, moet er eigenlijk vóór 18 mei uitsluitsel zijn over een betere bekostiging. Deelt het CDA dat het uitgangspunt gewoon zou moeten zijn dat die huisvesting meegenomen wordt in de nieuwe berekening van de tarieven voor huisartsen en dat dat toereikend moet zijn?

De heer Poortman (CDA):

Goed punt. Dit was me niet bekend, dus ik ga me erin verdiepen en kom erop terug bij de heer Bushoff.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Vervuurt namens D66. Gaat uw gang.

De heer Vervuurt (D66):

Dank u wel, voorzitter. Voor D66 begint goede zorg in de buurt, bij een huisarts die je kent en waar je bij terechtkunt als dat nodig is, want de huisarts is vaak de eerste plek waar gezondheidsproblemen zichtbaar worden. Daar wordt niet alleen medische zorg geleverd, maar wordt ook de verbinding gelegd met het sociaal domein, met schuldhulpverlening, leefstijlondersteuning en welzijn. Juist daar kunnen we gezondheidsverschillen verkleinen en voorkomen dat problemen escaleren, maar dat kan alleen als iedereen ook daadwerkelijk toegang heeft tot een huisarts. Daar staat de toegankelijkheid nog altijd onder druk. De minister en haar voorganger hebben al veel gezegd over de plannen en de programma's om dat te verbeteren. Dat is goed, maar uiteindelijk gaat het wel om resultaten.

Daarom heeft mijn fractie een aantal vragen aan de minister. Wanneer kan de Kamer inzicht verwachten in de resultaten over 2025, bijvoorbeeld in het aantal mensen zonder vaste huisarts, het aantal patiëntenstops per regio en de ervaren toegankelijkheid voor patiënten? Kan zij daarbij voor zover mogelijk ook inzicht geven in welke maatregelen daadwerkelijk effect hebben gehad? Met andere woorden, wat werkt en waar moet worden bijgestuurd? De minister gaf aan dat zij met partijen in gesprek gaat als resultaten achterblijven. Kan zij toezeggen dat zij de Kamer daarin actief meeneemt en dat wij dus worden geïnformeerd over de trends die zij ziet, welke maatregelen goed werken en waar ze welke aanvullende stappen gaat zetten?

Voorzitter. Goede zorg begint bij de huisarts. Wat D66 betreft is dat een vaste huisarts voor iedereen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors vijf minuten voor de beantwoording van de minister.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Hermans:

Voorzitter, dank u wel. Ik begin met de moties en dan ga ik in op de gestelde vragen.

Ik begin met de eerste motie, van mevrouw Dobbe, over het waarborgen van voldoende praktijkruimte voor huisartsen en dat dat een publieke verantwoordelijkheid is. In het AZWA hebben we afspraken gemaakt over financieel maatwerk door zorgverzekeraars per 2027, ook in het geval van huisvestigingsproblematiek. Dat is de route die we lopen in het systeem en het stelsel zoals we dat hebben, ook met private huisartsenaanbieders. Daarom moet ik de motie op stuk nr. 173 ontraden. Ik gaf deze toelichting om aan te geven dat we wel degelijk stappen zetten op dit moment.

Dan de motie op stuk nr. 174, over de Wet integere bedrijfsvoering en ervoor zorgen dat we private equity en vergelijkbare commerciële ketens weren uit de huisartsenzorg. Private equity heeft voor- en nadelen. Zonder nu dat hele debat te voeren, zie ik dat, naast dat er kansen aan zitten, er ook echt risico's aan verbonden zijn waarbij de betaalbaarheid en de kwaliteit van zorg onder druk komen te staan. Daarom wordt op dit moment gewerkt aan het aanscherpen van de normen in de Wet integere bedrijfsvoering. Dat is een work in progress, als ik het zo mag zeggen. Ik verwacht dat ik samen met de minister van Langdurige Zorg de Kamer voor de zomer hierover kan informeren, maar de motie op stuk nr. 174 moet ik ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 175 van mevrouw Wiersma over huisartsentekorten in bepaalde regio's. Daarover lopen gesprekken en de vraag is of ik de Kamer daarover kan informeren als er concrete afspraken liggen. Dat wil ik doen. De motie op stuk nr. 175 krijgt dus oordeel Kamer. Ik zeg er wel bij: we streven ernaar om dat in het derde kwartaal van 2026 te doen, maar ik weet niet zeker of dat lukt. Mocht dat niet zo zijn, dan zal ik de Kamer daarover op tijd informeren, maar het streven is om dat dan voor elkaar te hebben.

Voorzitter. Dan kom ik bij een aantal vragen die mij gesteld zijn. Ik begin met de vraag van de heer Bushoff naar aanleiding van de initiatiefnota. De vraag was of ik voor alle voorstellen uit de initiatiefnota kan rapporten wat de voortgang is. Dat kan ik doen en dat wil ik doen. Zoals de heer Bushoff al zei, heeft een heel aantal van de voorstellen een plek gekregen in het AZWA, maar dat geldt inderdaad niet voor alle. We geven een compleet overzicht van hoe het ervoor staat. Dat doe ik graag, omdat het inzicht geeft, omdat het duidelijk maakt hoe we van papier naar praktijk gaan en omdat — dat vind ik echt belangrijk om te noemen — ik dit een heel mooi voorbeeld vind van hoe een initiatiefnota van de Kamer ertoe heeft geleid dat wij vanuit het ministerie afspraken hebben kunnen maken met de sector en in het AZWA die afspraken hebben kunnen maken. Volgens mij laat dit zien hoe we samen kunnen optrekken in het verbeteren van onze zorg. Dus ja, dat zal ik doen.

Dan een paar vragen van de heer Poortman. Eerst over de bekostiging en specifiek over segment 3. De vraag was of ik dat ga aanpassen, zodat er maatwerk kan worden geboden. Ik zei net ook al tegen mevrouw Dobbe dat we in het AZWA hebben afgesproken dat zorgverzekeraars per 2027 maatwerk kunnen bieden. Dat is echt ook gericht op het kunnen bieden van continuïteit van huisartsenzorg. Dat kan gebruikt worden voor huisvestingsproblematiek. Dat maatwerk kunnen zorgverzekeraars nu ook al bieden via het zogenaamde segment 3 van de bekostiging. Dat gebeurt ook al in de praktijk. Ik ben wel in gesprek met de NZa over de vraag of er wijzigingen in segment 3 nodig zijn om verzekeraars optimaal de ruimte te bieden om via dat segment dat maatwerk te kunnen bieden. Als daarvoor een aanwijzing aan de NZa nodig is, zal ik de Kamer daar uiteraard over informeren.

Dan vroeg de heer Poortman mij nog of we niet in algemene zin toe moeten naar een betere bekostiging waarbij financiering op basis van populatie en capaciteit zwaarder weegt dan financiering per verrichting. In het kader van het AZWA voeren we gesprekken over de doorontwikkeling van de bekostiging met partijen uit de huisartsenzorg. Dat moet nu leiden tot de eerste verkennende analyses waar ik de Kamer voor de zomer over zal informeren. Op basis van die verkenning besluit ik over vervolgstappen. Ik vind het echt belangrijk om dat zorgvuldig te doen, ook samen met de betrokken partijen uiteraard. Ik ga er dus inhoudelijk niet op vooruitlopen, maar dit zijn wel de stappen die we zetten.

Dan vroeg de heer Vervuurt mij naar cijfers. Wat zien we nou aan trends? Wat voor maatregelen nemen we? Wat werkt wel en wat werkt niet? Hij vroeg of ik de Kamer daar proactief over kan en wil informeren. Dat zal ik zeker doen. De monitoring van hoe het gaat, is een belangrijke afspraak uit het AZWA. Ik heb daar net de monitoring aan toegevoegd die in de voorstellen uit de notitie van de heer Bushoff staat. Rond de zomer komen er nieuwe cijfers van het Nivel en Vektis over de huisartsenzorg in 2025. Die gaan onder andere over patiëntenstops of het aantal mensen zonder huisarts, waar de heer Vervuurt ook aan refereerde. Ik zal de Kamer voor de zomer informeren over de stand van zaken in de huisartsenzorg en het effect van de afspraken die we hebben gemaakt. Daarin komt ook de monitor die ik de heer Bushoff heb toegezegd. Mochten de cijfers aanleiding geven tot een gesprek of aanvullende maatregelen, dan zal ik natuurlijk in gesprek gaan en de Kamer daarover informeren in dezelfde brief.

De voorzitter:

Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw beantwoording?

Minister Hermans:

Ja.

De voorzitter:

Er is nog een interruptie van de heer Bushoff.

De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):

Ik heb nog één korte vraag. Als ik het goed heb, heeft de rechter op 18 november geoordeeld dat de Nederlandse Zorgautoriteit binnen zes maanden met nieuwe tarieven voor de huisartsenzorg zou moeten komen, die kostendekkend zijn. Als ik goed reken, is dat voor 18 mei. Ik vraag me af of er bij het ministerie zicht is op de vraag of dat gaat lukken, wat we daarvan moeten verwachten et cetera.

Minister Hermans:

De heer Bushoff heeft gelijk. We wachten nu op de uitspraak van de NZa. Die wordt halverwege mei verwacht. Zodra die er is, hoort de Kamer dat uiteraard. Die ziet natuurlijk wel op de tarieven uit het verleden. Mijn reactie net in de richting van de heer Poortman ging over hoe de toekomstige bekostiging eruitziet.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar beantwoording en aanwezigheid. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal dinsdag worden gestemd. Ik schors de vergadering tot 14.20 uur.

Stemmingen moties Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026

Stemmingen moties Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad d.d. 30 maart 2026,

te weten:

  • de motie-Lohman c.s. over het uitwerken van een concrete en samenhangende visie op de eiwitketen als onderdeel van de nationale voedselstrategie (21501-32, nr. 1767);
  • de motie-Van der Plas over zich inzetten om ook voor de binnenvisserij toegang tot EMFAF-middelen voor verduurzaming te verkrijgen (21501-32, nr. 1768);
  • de motie-Van der Plas over in Europees verband pleiten voor meer ruimte voor het gebruik van dierlijke mest binnen de bestaande stikstofgebruiksnormen (21501-32, nr. 1769);
  • de motie-Van der Plas over in nauwe samenwerking met de visserijsector de mogelijkheden voor werkbare alternatieven voor de aanlandplicht uitwerken en deze inbrengen bij de Europese Commissie (21501-32, nr. 1770);
  • de motie-Den Hollander/Bromet over zorg ervoor dragen dat het Omnibusvoorstel niet tot versoepeling ten koste van veiligheid leidt (21501-32, nr. 1771);
  • de motie-Russcher over zich er hard voor maken dat de EU daadwerkelijk overgaat tot het loslaten van het meest conservatieve ICES-scenario (21501-32, nr. 1772);
  • de motie-Russcher/Van Duijvenvoorde over zich ervoor inzetten dat de EU vasthoudt aan het historische aandeel van circa 23% in de makreelvangst (21501-32, nr. 1773).

Aan de orde zijn de stemmingen.

In stemming komt de motie-Lohman c.s. (21501-32, nr. 1767).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD, de SGP en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Van der Plas (21501-32, nr. ??, was nr. 1768).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, het CDA, DENK, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (21501-32, nr. 1769).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK en de VVD ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (21501-32, nr. 1770).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, D66, het CDA, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, Volt, de PvdD en DENK ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Den Hollander/Bromet (21501-32, nr. 1771).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK, de VVD en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SGP, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Russcher (21501-32, nr. 1772).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, 50PLUS, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA, DENK en de VVD ertegen, zodat zij is verworpen.

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA en DENK ertegen, zodat de uitslag bij handopsteken niet kan worden vastgesteld.

Nog één keer opnieuw.

In stemming komt de motie-Russcher/Van Duijvenvoorde (21501-32, nr. 1773).

De voorzitter:

Ik constateer dat de leden van de fracties van 50PLUS, de VVD, de SGP, de ChristenUnie, JA21, BBB, Groep Markuszower, de PVV en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, GroenLinks-PvdA, D66, Volt, de PvdD, het CDA en DENK ertegen, zodat de uitslag bij handopsteken niet kan worden vastgesteld.

We kunnen er ook toe besluiten om er dinsdag over te stemmen, zeg ik tegen de heer Russcher. Hij is daartoe bereid. Dan wordt de motie aangehouden tot dinsdag.

Op verzoek van de heer Russcher stel ik voor zijn motie (21501-32, nr. 1773) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Dat waren de stemmingen. Ik dank u. De vergadering is voor een kort ogenblik geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Aan de orde is de regeling van werkzaamheden.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in verband met het opnemen van medisch hulpverlener acute zorg en klinisch fysicus in de lijst van registerberoepen (36832).

Ik stel voor dinsdag 31 maart aanstaande ook te stemmen over:

Ik deel aan de Kamer mee dat:

  • de vaste commissie voor Digitale Zaken het lid Dekker tot voorzitter heeft gekozen en het lid Bikkers tot ondervoorzitter;
  • de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport het lid Mohandis tot voorzitter heeft gekozen en het lid Vellinga-Beemsterboer tot ondervoorzitter;
  • de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het lid Steen tot voorzitter heeft gekozen en het lid Goudzwaard tot ondervoorzitter;
  • de vaste commissie van Financiën het lid Chris Jansen tot voorzitter heeft gekozen en het lid Van Lanschot tot ondervoorzitter;
  • de vaste commissie voor Asiel en Migratie het lid Peter de Groot tot voorzitter heeft gekozen en het lid Oosterhuis tot ondervoorzitter.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:

  • het tweeminutendebat Klimaatbeleid gebouwde omgeving (CD d.d. 25/03), met als eerste spreker het lid Mooiman van de PVV;
  • het tweeminutendebat Politie (CD d.d. 25/03), met als eerste spreker het lid Faber van de PVV;
  • het tweeminutendebat Regio's en grensoverschrijdende samenwerking (CD d.d. 25/03), met als eerste spreker het lid Boelsma-Hoekstra van het CDA;
  • het tweeminutendebat Leraren (CD d.d. 25/03), met als eerste spreker het lid Armut van het CDA;
  • het tweeminutendebat Tbs (CD d.d. 25/03), met als eerste spreker het lid Faber van de PVV.

Op verzoek van de fractie van de BBB benoem ik in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Wiersma tot lid in plaats van het lid Vermeer en het lid Vermeer als plaatsvervangend lid in plaats van het lid Van der Plas.

Op verzoek van de fractie van het CDA benoem ik:

  • in de contactgroep Duitsland het lid Van Lanschot tot lid;
  • in de contactgroep Verenigd Koninkrijk het lid Van Lanschot tot lid;
  • in de contactgroep Verenigde Staten het lid Van Lanschot tot lid.

Aangezien voor de volgende stukken de termijn is verstreken, stel ik vast dat wat deze Kamer betreft, de daarbij ter stilzwijgende goedkeuring overgelegde stukken zijn goedgekeurd: 24170-358; 34104-445; 27529-357; 34352-351; 33529-1372. Ik stel voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Daarmee zijn we aangekomen bij het tweeminutendebat Staat van de infrastructuur. Ik heet de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van harte welkom in ons midden. Ik zie mevrouw Van der Plas bij de interruptiemicrofoon. Mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ja, dat klopt. Ik heb helaas het commissiedebat niet kunnen bijwonen, maar wil wel graag dit tweeminutendebat bijwonen. Daar moet ik formeel toestemming voor vragen aan de rest van de Kamer.

De voorzitter:

Ik kijk of daar hartgrondige bezwaren tegen zijn. Ik zie dat dat niet het geval is. Dan wordt u toegevoegd aan de lijst, mevrouw Van der Plas.

Als eerste is het woord aan de heer Heutink voor zijn inbreng bij dit tweeminutendebat namens de Groep Markuszower.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Voorzitter, dank voor het zo snel inplannen van dit debat.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er een grote opgave ligt op infrastructuur;

overwegende dat het kabinet heeft aangegeven dat er te weinig middelen zijn om alle ambities op infrastructuur waar te maken;

overwegende dat het geld dat beschikbaar is voor infrastructuur zo efficiënt en effectief mogelijk moet worden ingezet;

verzoekt de regering om de beschikbare middelen, inclusief de middelen die in het coalitieakkoord voor infrastructuur ter beschikking zijn gesteld, zo goed en zo snel mogelijk aan het werk te zetten voor Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Heutink en Bikkers.

Zij krijgt nr. 42 (36800-A) (#43).

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dan de volgende.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de afgelopen jaren weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van de MIRT-projecten;

constaterende dat de infrastructuur in Nederland mede door de gepauzeerde MIRT-projecten aan het vastlopen is;

van mening dat er keihard gewerkt moet worden om de bestaande MIRT-projecten zo snel als mogelijk uit te voeren en af te ronden;

verzoekt de regering om in het vervolg, alvorens ze een nieuw MIRT-project toevoegt, zeker twee MIRT-projecten af te ronden, zodat de doorstroom van de Nederlandse infrastructuur de gewenste vooruitgang krijgt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Heutink.

Zij krijgt nr. 43 (36800-A) (#44).

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Dan tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het steeds drukker wordt op de Nederlandse wegen en het fileprobleem daardoor met de jaren toeneemt en zal toenemen;

van mening dat het daarom noodzakelijk is om nieuwe wegen aan te leggen om de toestroom van alle auto's op de weg aan te kunnen;

verzoekt de regering om per kalenderjaar zeker één wegaanlegproject te realiseren en daarbij de focus te leggen op de fileknelpunten in Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Heutink.

Zij krijgt nr. 44 (36800-A) (#45).

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Ik ben heel benieuwd waar het kabinet mee komt in het debat over de strategische keuzes inzake bereikbaarheid. Daar wens ik het kabinet alle wijsheid bij.

Dank.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Zalinyan voor haar inbreng namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.

Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik neem vandaag even waar voor mijn collega De Hoop, die namens nu nog GroenLinks-PvdA het debat heeft gevoerd, maar niet bij deze afronding kan zijn. Er is tijdens het debat veel gewisseld over prioriteiten, maar ook over het feit dat er echt geld bij moet en over de vraag wie voor onze infrastructuur betaalt en wie daarvan profiteert. Om daar meer duidelijkheid over te krijgen, heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kosten voor onderhoud en vervanging van onze infrastructuur de beschikbare budgetten fors overstijgen;

overwegende dat de minister heeft aangegeven op zoek te gaan naar mogelijkheden om "de koek te vergroten" en "baathebbers meer te laten bijdragen";

overwegende dat nu onduidelijk is hoe maatschappelijke kosten zoals die voor aanleg en onderhoud, maatschappelijke en particuliere baten en het leveren van een bijdrage in de vorm van belastingen en accijnzen zijn verdeeld over gebruikers van onze infrastructuur;

verzoekt de regering om te laten onderzoeken hoe maatschappelijke kosten zoals die voor aanleg en onderhoud en het door gebruikers leveren van een bijdrage in de vorm van belastingen en accijnzen, zijn verdeeld over enkele voorbeelden van typische groepen gebruikers, zoals bijvoorbeeld langeafstandstransport, forenzen, gezinnen, kleine ondernemers met een bestelbus, bezorgdiensten, elektrisch versus fossiel et cetera,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Zalinyan en De Hoop.

Zij krijgt nr. 45 (36800-A) (#46).

Mevrouw Zalinyan (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Bikkers voor zijn inbreng namens de VVD.

De heer Bikkers (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er in Nederland een grote opgave ligt op het gebied van infrastructuur;

overwegende dat het van belang is om in deze kabinetsperiode zo veel mogelijk infrastructuurprojecten daadwerkelijk te realiseren;

overwegende dat bij de prioritering van projecten ook de realiseerbaarheid binnen de looptijd van de kabinetsperiode een relevante factor is;

verzoekt de regering om in het afwegingskader voor infrastructuurprojecten expliciet rekening te houden met de periode waarbinnen projecten kunnen worden gerealiseerd, zodat projecten die binnen de kabinetsperiode uitvoerbaar zijn waar mogelijk prioriteit krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bikkers.

Zij krijgt nr. 46 (36800-A) (#47).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat infrastructuur de ruggengraat vormt van onze samenleving en economie en daarmee van cruciaal belang is voor het behoud en de versterking van de economische ontwikkeling in Nederland in alle sectoren;

overwegende dat duurzame economische groei, waaronder een structurele economische groei van circa 1,5%, van groot belang is voor de welvaart, de werkgelegenheid en het verdienvermogen van Nederland;

verzoekt de regering om in het afwegingskader voor infrastructuurprojecten expliciet rekening te houden met de bijdrage die projecten leveren aan de economische ontwikkeling en het verdienvermogen van Nederland,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Bikkers.

Zij krijgt nr. 47 (36800-A) (#48).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Grinwis namens de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Eerst maar eens een motie, en dan nog een hartenkreet.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de infrastructurele opgaven waar Nederland voor staat enorm zijn en dat de instandhoudingsopgave groter is dan ooit;

overwegende dat er veel te weinig middelen beschikbaar zijn om alle infrastructurele opgaven uit te voeren en er daarom keuzes gemaakt moeten worden;

overwegende dat dit niet mag leiden tot uitstel van vervanging en vernieuwing van voor het veilig voortbestaan van (delen van) Nederland essentiële kunstwerken, zoals het spui- en gemaalcomplex bij IJmuiden;

verzoekt de regering om in het aangekondigde afwegingskader instandhouding en veiligheid voorop te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis en Stoffer.

Zij krijgt nr. 48 (36800-A) (#49).

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Voorzitter. Mijn hartenkreet is als volgt. Nu denk ik met deze motie mee in een schaarsteprobleem dat misschien niet helemaal opgelost had kunnen worden door de coalitie, maar dat wel minder prangend had kunnen zijn als de prioriteiten anders waren gelegd. Structureel wordt er 1,5 miljard extra uitgetrokken voor Onderwijs, voor OCW, maar slechts 0,5 miljard — dat is maar 500 miljoen — extra per jaar voor IenW. Wat heb je aan een brede brugklas als die overstroomt doordat de sluis bij IJmuiden faalt? Wat heb je daar nou aan? Ik vind dus dat de coalitie de prioriteiten verkeerd heeft verdeeld. Ik roep het kabinet, maar ook de coalitie, op om de intensiveringen opnieuw tegen het licht te houden: is dat wel zo jofel gedaan? Mijn oordeel is dat dat niet zo is. Als we dit beter verdelen, dan wordt het schaarstevraagstuk bij IenW minder prangend. Het is niet maar een hobby van IenW; het is een instandhoudingsopgave die belangrijk is voor het voortbestaan van Nederland. Dat wil ik graag bij dezen nog eens even met nadruk neerleggen. Ik ben natuurlijk ook benieuwd naar de reactie van deze bewindspersonen. Zij zullen natuurlijk binnen de lijntjes van het coalitieakkoord moeten kleuren, maar tegelijkertijd roep ik hen op om die lijntjes wel op te zoeken.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan de heer Emiel van Dijk voor zijn inbreng namens de PVV.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Dank u wel, voorzitter. De PVV maakt zich ernstige zorgen over de houding van dit kabinet als het gaat om het bekostigen van het onderhoud van de infrastructuur. We moeten koste wat kost voorkomen dat burgers belastingverhogingen te verduren krijgen voor zaken waarvoor ze vaak al decennialang betaald hebben, zoals wegen, treinsporen en noem maar op. In dat kader heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er jaarlijks vele miljarden euro's aan wegenbelasting of motorrijtuigenbelasting door de overheid worden opgehaald;

overwegende dat deze belastingen in de algemene middelen verdwijnen en niet ten goede komen aan het verbeteren en onderhouden van onze wegen, sporen, bruggen et cetera;

van mening dat we het geld moeten uitgeven voor de doelen waarvoor het wordt opgehaald;

verzoekt de regering om van de motorrijtuigenbelasting een doelbelasting te maken en deze opbrengsten enkel ten goede te laten komen aan het onderhoud en de aanleg van infrastructuur,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Emiel van Dijk en Vlottes.

Zij krijgt nr. 49 (36800-A) (#50).

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Dan een hele belangrijke motie. Het kabinet heeft in zijn laatste brief aangegeven dat het overweegt om huiseigenaren mee te laten betalen aan de aanleg en het onderhoud van infrastructuur. Wij vinden het van de zotte dat dat überhaupt bediscussieerd wordt in dit huis. Mensen betalen zich helemaal, helemaal krom aan belastingen — inkomstenbelasting, energiebelasting, wegenbelasting; je kunt het zo gek niet verzinnen — en dan verwachten zij gewoon dat de overheid ervoor zorgt dat de wegen worden onderhouden, dat de bruggen worden onderhouden, dat de sporen er goed bij liggen. Dan moeten we dus niet met voorstellen komen of met ideeën gaan lopen spelen om die belastingen nog verder te verhogen en om zelfs de waardestijging van woningen van mensen af te romen. In dat kader heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet van plan is om huiseigenaren mee te laten betalen aan infrastructuurprojecten door de waardestijging van hun woning af te romen, al dan niet indirect middels een verhoging van de ozb bij gemeenten;

van mening dat we in plaats van zwaardere belastingen voor huishoudens juist zouden moeten pleiten voor belastingverlagingen, zodat mensen weer wat lucht krijgen en wat ruimte in hun portemonnee;

verzoekt de regering om ondubbelzinnig afstand te nemen van plannen, fiscale maatregelen of andere trucjes die een beslag leggen op (on)gerealiseerde waardestijgingen van de woningen van mensen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Emiel van Dijk en Vlottes.

Zij krijgt nr. 50 (36800-A) (#51).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Stoffer voor zijn inbreng namens de SGP.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Twee moties. Die luiden als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat eventuele apparaatstaakstellingen niet ten koste mogen gaan van de noodzakelijke uitvoeringscapaciteit bij Rijkswaterstaat voor onder meer voortvarende uitvoering van de instandhoudingsopgave;

verzoekt de regering in kaart te brengen wat de huidige en eventuele nieuwe apparaatstaakstelling voortvloeiende uit het coalitieakkoord betekent voor de uitvoeringscapaciteit en maakbaarheid bij Rijkswaterstaat, en de Kamer hierover binnen twee maanden te informeren;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat aansluit bij de noodzakelijke productiegroei voor instandhouding,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 51 (36800-A) (#52).

De heer Stoffer (SGP):

Dan de tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vanwege financiële tekorten noodzakelijke reparaties van het wegdek niet tijdig uitgevoerd kunnen worden;

overwegende dat via het coalitieakkoord voor 2031 tot en met 2035 jaarlijks 1,1 miljard euro beschikbaar wordt gesteld voor met name beheer en onderhoud van infrastructuur, en 0,5 miljard euro structureel;

verzoekt de regering door middel van een kasschuif een deel van de via het coalitieakkoord gereserveerde middelen voor beheer en onderhoud beschikbaar te stellen voor noodzakelijke reparaties bij en onderhoud van wegen, kunstwerken en andere infrastructuur in de periode 2026 tot en met 2030, zodat uitstel met bijbehorende maatschappelijke en economische gevolgen voorkomen kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Grinwis.

Zij krijgt nr. 52 (36800-A) (#53).

De heer Stoffer (SGP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Leijen voor zijn inbreng namens D66.

De heer Van Leijen (D66):

Dank u, voorzitter. Onze infrastructuur is in slechte staat en dat is een urgent probleem. Ik ben er daarom erg blij mee dat we deze week al dit tweeminutendebat kunnen houden met elkaar. Ik heb daar één motie voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitvoerbaarheid van groot belang is in de prioritering van verschillende infrastructuurprojecten;

overwegende dat we deze kabinetsperiode zo veel mogelijk infrastructuurprojecten willen realiseren in Nederland;

verzoekt de regering om bij het afwegingskader het aspect van uitvoerbaarheid te betrekken, waarbij er in ieder geval wordt gekeken naar financiën en milieuruimte;

verzoekt de regering om voor het uitvoeren van projecten voldoende uitvoeringscapaciteit te organiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Leijen.

Zij krijgt nr. 53 (36800-A) (#54).

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Boelsma-Hoekstra namens het CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een grote instandhoudingsopgave is voor zowel Rijkswaterstaat als ProRail;

constaterende dat het daarom van belang is om prioriteiten te stellen;

overwegende dat het van belang is om binnen de prioriteitsopgave werk met werk te maken, zodat je middelen en doelen efficiënt kunt samenbrengen;

overwegende dat Europa stappen wil zetten op het gebied van de TEN-T-corridors;

verzoekt de regering om in het afwegingskader voor de prioritering van infrastructurele projecten de meekoppelende belangen op het gebied van woningbouw, regionale economie, weerbaarheid en defensie (dual-use) mee te wegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boelsma-Hoekstra, Stoffer, Van Leijen en Grinwis.

Zij krijgt nr. 54 (36800-A) (#55).

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

In mijn tweede motie verzoek ik de regering om in het afwegingskader ook brede welvaart mee te nemen als een van de kaders in het grote geheel van de afwegingen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de rapporten van Wennink en Draghi benadrukken dat duurzame economische groei en maatschappelijk verdienvermogen onlosmakelijk samenhangen;

overwegende dat het bredewelvaartskader deze samenhang expliciet maakt, doordat investeringen bijdragen aan zowel economische kracht als leefbaarheid, gezondheid en regionale ontwikkeling;

verzoekt de regering om in het afwegingskader voor de prioritering van infrastructurele projecten het bredewelvaartskader mee te wegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Boelsma-Hoekstra en De Hoop.

Zij krijgt nr. 55 (36800-A) (#56).

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Tot zover.

De voorzitter:

Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas namens de BBB. Gaat uw gang.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dank u wel. Ik heb één motie en een vraag. De motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat tijdens de vervanging van de Gerrit Krolbrug in Groningen voor de tijdelijke overbrugging voor fiets- en voetgangersverkeer minimaal drie jaar nodig zal zijn;

constaterende dat er een alternatief plan ligt voor een gescheiden tijdelijke fiets- en voetgangersverbinding waarmee belemmeringen worden voorkomen en de kosten uitkomen op circa 6 miljoen in plaats van 11 miljoen;

overwegende dat infrastructuur niet alleen op kosten, maar ook op bereikbaarheid, leefbaarheid en economische gevolgen moet worden beoordeeld;

verzoekt de regering om de besluitvorming over de tijdelijke fiets- en voetgangersbrug bij de Gerrit Krolbrug te baseren op deze geactualiseerde gegevens en het alternatieve plan met gescheiden verbinding als uitgangspunt te nemen;

verzoekt de regering om de Kamer vóór het eerstvolgende commissiedebat over dit dossier te informeren over de uitkomst van deze herbeoordeling en de financiële en maatschappelijke afweging daarbij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 56 (36800-A) (#57).

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Dan had ik nog een vraag aan de minister. Eind januari heeft BBB een volledig gedekte motie ingediend, die ook breed in de Kamer is aangenomen, om de problemen rond de N50 bij Kampen aan te pakken, ook wel de dodenweg genoemd. Ik zou graag willen weten hoe het staat met de uitvoering van deze motie en met de tussenscheiding op de N50. Ook zou ik de minister willen vragen of hij inmiddels al gesprekken heeft gevoerd met de burgemeester van Kampen. Zo ja, kan de minister daar wat over zeggen?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Tot slot is het woord aan de heer Goudzwaard namens JA21.

De heer Goudzwaard (JA21):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland voor een instandhoudingsopgave met een tekort van 80 miljard euro staat;

constaterende dat hier niet voldoende middelen voor zijn gereserveerd;

constaterende dat de regering hierdoor ook binnen de instandhoudingsopgave moet prioriteren;

overwegende dat er assets zoals kunstwerken zijn die deel zijn van verkeersaders die als flessenhals werken;

overwegende dat bij uitval van deze assets de bereikbaarheid van een regio of een belangrijke economische verkeersader ernstig in het geding is;

verzoekt de regering de impact op de bereikbaarheid mee te wegen bij de prioritering van de instandhoudingsopgave,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.

Zij krijgt nr. 57 (36800-A) (#58).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland voor een onderhouds- en vervangingsopgave met een tekort van 80 miljard euro staat;

constaterende dat hier niet voldoende middelen voor zijn gereserveerd;

constaterende dat de regering hierdoor ook binnen de instandhoudingsopgave moet prioriteren;

overwegende dat het verlengen van de levensduur in plaats van het tijdig vernieuwen van het kunstwerk uiteindelijk tot meer kosten kan leiden;

verzoekt de regering bij het afwegingskader mee te nemen dat dure correctieve en levensduurverlengende maatregelen zo veel mogelijk worden voorkomen bij kunstwerken die het einde van hun levensduur naderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Goudzwaard.

Zij krijgt nr. 58 (36800-A) (#59).

Dank u wel. Ik schors de vergadering tot 14.55 uur voor de voorbereiding van de beantwoording door het kabinet.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.

Termijn antwoord

Minister Karremans:

Dank u wel, voorzitter. Excuus dat we twee minuutjes later waren.

De voorzitter:

Dat is u vergeven.

Minister Karremans:

Er waren veel moties ingediend. Dat snappen wij natuurlijk goed en dat is ook terecht; waarvoor dank. Als bewindspersonen op IenW hebben we de Kamer namelijk niet voor niets gevraagd om input te geven voor het afweegkader dat wij moeten maken, want we moeten en zullen gaan afwegen. Wij zijn de Kamer dus zeer erkentelijk.

Ik begin met de vraag van mevrouw Van der Plas, dan kom ik bij de hartenkreet van de heer Grinwis en daarna kom ik tot de appreciatie van de moties.

Met betrekking tot de motie over de N50, deel ik de stand van zaken. We hebben Rijkswaterstaat nu opdracht gegeven om te bekijken wat er met 40 miljoen extra haalbaar is rond de realisatie van fysieke rijbaanonderscheiding tussen Kampen en Ramspol en onder welke voorwaarden dat kan. Die opdracht is uitgezet. Als daar voortgang op is, zullen we de Kamer daar verder over informeren. Ik heb nog geen gesprek gehad met de burgemeester van Kampen, maar voordat mevrouw Van der Plas bij de interruptiemicrofoon vraagt of ik dat wil doen, zeg ik dat alvast toe. Dat zal ik gaan doen.

Dan kom ik op de hartenkreet van de heer Grinwis. Die gaat erover dat wij ons best gaan doen voor IenW — dat werd al door de heer Stoffer gezegd bij het debat over de regeringsverklaring — maar dat ik te strak in mijn pak zit. U kunt dat zelf controleren. Wij gaan natuurlijk ons best doen om te vechten voor het belang van IenW. Dat kunnen we toezeggen aan de heer Grinwis.

Wat zit u naar mij te lachen, voorzitter?

Dan kom ik bij de appreciatie van de moties, allereerst de motie van de heer Heutink op stuk nr. 42. Die verzoekt de regering om de beschikbare middelen, inclusief de middelen die in het coalitieakkoord voor infrastructuur ter beschikking zijn gesteld, zo goed en snel mogelijk aan het werk te zetten voor Nederland. Deze motie kan ik oordeel Kamer geven. Dat is dus de motie op stuk nr. 42. Wij willen het beschikbare geld zo efficiënt en effectief mogelijk inzetten. Ik denk dat dit een goede oproep is. Dat betekent ook dat we kunnen schuiven naar projecten waar we nú het verschil kunnen maken. De motie op stuk nr. 42 krijgt dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 43 is ook van de heer Heutink. In die motie verzoekt hij de regering om een soort systematiek in te voeren, waarbij elke keer als een nieuw MIRT-project wordt toegevoegd, er zeker twee MIRT-projecten moeten worden afgerond. Laat ik zeggen dat ik heel goed snap waar de heer Heutink vandaan komt, omdat het MIRT-boek natuurlijk nogal vol zit. Dat is echt een heel dik boek. We hebben niks aan boeken of rapporten, maar wel aan rijstroken en rails; laat ik het zo zeggen. Dat snap ik, maar ik vind het lastig om daar op voorhand een systematiek voor af te spreken met de Kamer. Ik wil de gedachte natuurlijk wel meenemen, maar de motie moet ik wel ontraden, omdat die zo concreet is. Anders ontneemt de motie ons alle vrijheid in het afweegkader.

De voorzitter:

Heel kort, meneer Heutink.

De heer Heutink (Groep Markuszower):

Ja, heel kort. Begrijp ik het goed? Wil de minister dan toezeggen dat hij alles op alles gaat zetten om enerzijds geen loze beloftes te doen bij de bestuurlijke overleggen en om zich anderzijds te gaan inspannen om het MIRT-boek daadwerkelijk dunner in plaats van dikker te krijgen? Begrijp dat goed?

Minister Karremans:

Ja. Het dunner krijgen van het boek is natuurlijk geen doel op zich, maar ik snap wat de heer Heutink bedoelt. Het punt over geen loze beloftes doen, kan ik zeker toezeggen. Dat is een terecht punt.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Karremans:

De motie op stuk nr. 44 is ook van de heer Heutink. Die verzoekt de regering om per kalenderjaar zeker één wegaanlegproject te realiseren en daarbij de focus te leggen op de fileknelpunten in Nederland. Dat laatste doen we sowieso. Om ons nu precies hierop vast te leggen, is wat ingewikkeld, omdat we die afweging nog moeten maken. Ik weet gewoon nu nog niet hoe de instandhoudingsopgave uitvalt als we het afweegkader, dat door de Kamer van input wordt voorzien, daadwerkelijk gaan toepassen. Ik snap waar dit vandaan komt, maar omdat de motie wederom zo concreet is, kan ik me nu, van tevoren, niet daaraan committeren. Daarom moet ik de motie ontraden, maar ik snap de gedachtegang natuurlijk.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 44: ontraden. De motie op stuk nr. 45.

Minister Karremans:

Dan kom ik bij de motie van mevrouw Zalinyan en meneer De Hoop over het onderzoek naar de verdeling van de maatschappelijke kosten. Dit sluit aan bij onze inzet om alternatieve bekostiging te gaan verkennen. In de motie worden wel een aantal voorbeelden genoemd, waarbij onzeker is of we daar voldoende inzicht in kunnen geven, zoals de maatschappelijke kosten en de bijdrage per doelgroep. Dat is natuurlijk ingewikkeld. Als ik de motie zo mag lezen dat we nader onderzoek zullen doen naar de situaties waarin en de condities waaronder alternatieve bekostingsbronnen kansrijk kunnen zijn, dan, dus met díe uitleg, kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ik zie mevrouw Zalinyan knikken. Daarmee krijgt de motie op stuk nr. 45 oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Dank. Dan vraagt de motie op stuk nr. 46 van de heer Bikkers om expliciet rekening te houden met de periode waarbinnen projecten kunnen worden gerealiseerd, zodat projecten die binnen de kabinetsperiode uitvoerbaar zijn waar mogelijk prioriteit krijgen. Ja, dat kan, maar wel natuurlijk binnen alle andere kaders die worden meegegeven of de elementen in het afwegingskader dat wordt meegegeven vanuit de Kamer. Die motie geven we dus oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 46: oordeel Kamer.

De heer Grinwis (ChristenUnie):

Hier heb ik wel een vraag bij, want hier zou een pervers effect aan kunnen zitten, namelijk dat je je gaat richten op de spiegeltjes en kraaltjes die snel uit te voeren zijn, terwijl de grote projecten blijven liggen. Hoe wordt dat gewogen? De minister zegt: ik geef deze motie oordeel Kamer. Wat betekent dat dan voor de wat duurdere projecten die misschien wel minstens zo prioritair zijn?

Minister Karremans:

Neenee, dat is een terecht punt. Daarom mijn opmerking bij die motie dat we dat natuurlijk in samenhang met het geheel moeten zien en alle andere elementen die daar een rol in spelen.

De voorzitter:

U vervolgt.

Minister Karremans:

Dan de motie op stuk nr. 47, ook van de heer Bikkers, over het belang van economische groei om de rest van alles wat we hier doen te financieren. Daar ben ik het als voormalig minister van Economische Zaken natuurlijk zeer mee eens. Ook die motie kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 47: oordeel Kamer.

Minister Karremans:

De motie op stuk nr. 48 verzoekt de regering om in het aangekondigde afwegingskader instandhouding en veiligheid voorop te stellen. Dat is de motie van de heer Grinwis en de heer Stoffer. Dat is volgens mij een van de meest gedeelde conclusies tijdens het commissiedebat. Het is goed dat dit in een motie wordt opgeschreven en daarmee wordt onderstreept. Dus ook voor deze motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 48: oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Dan de motie van de heer Van Dijk, over het tot doelbelasting maken van de motorrijtuigenbelasting. Die motie moet eigenlijk bij het Belastingplan worden ingediend, dus dan moet ik 'm de appreciatie ontijdig geven.

De voorzitter:

Het verzoek is dan eigenlijk of de heer Van Dijk bereid is de motie aan te houden. Dat is hij niet. Dan krijgt die de appreciatie ontijdig.

Minister Karremans:

Ja.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50.

Minister Karremans:

De motie op stuk nr. 50 gaat over iets waar al wat over te doen is geweest, namelijk over wat ik "alternatieve bekostiging" heb genoemd, en om daar creatief naar te kijken omdat de opgave zo groot is. De heer Van Dijk heeft daar dus ook een motie over ingediend, waarbij hij de regering verzoekt om ondubbelzinnig afstand te nemen van plannen, fiscale maatregelen of andere trucjes die beslag leggen op ongerealiseerde waardestijgingen van woningen van mensen. Laat ik daar wel helder over zijn, omdat daar ook in het debat wat verwarring over is ontstaan: we zijn niet van plan trucjes in te gaan voeren of mensen mee te laten betalen als die ergens wonen en er een brug in de buurt wordt gerenoveerd of vernieuwd. Dat is absoluut niet de bedoeling. Dat gaan we dus ook niet doen. Ik wil deze motie dus best oordeel Kamer geven, maar wel met de volgende uitleg. Eén. De ozb is sowieso een aangelegenheid van gemeenten, maar je kunt bij de aanleg van infrastructuur natuurlijk altijd bepaalde afspraken maken met gemeenten, want gemeenten zijn altijd partners. Twee. Voor instandhouding geldt het sowieso niet. Drie. Wij denken meer aan het volgende wat betreft het meebetalen door gebruikers. In heel veel landen is het bijvoorbeeld gebruikelijk dat je toeristen die van de luchthaven naar de stad willen, een bepaalde extra fee laat betalen. Dat hebben wij ook in onze brief gezet. Dat zou dus ook best een mogelijkheid kunnen zijn voor de financiering van het doortrekken van de Noord-Zuidlijn naar Schiphol, om maar iets te noemen. Met dien verstande kan ik de motie oordeel Kamer geven. We gaan mensen die al ergens wonen geen ozb laten betalen bij hun eigen gemeente en de woningwaardestijging afromen omdat wij ergens in de buurt een infrastructuurproject aanleggen.

De voorzitter:

Ik sta één vervolginterruptie toe, want we lopen al een beetje uit de tijd. Ik verzoek de minister ook beknopt te antwoorden.

Minister Karremans:

Ja, maar deze had even wat uitleg nodig.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

In de brief staat letterlijk dat er wordt gekeken naar mogelijkheden bij grond- en vastgoedeigenaren — lees: iedereen die een woning of een lapje grond heeft — en gebruikers. Denk bij dat laatste aan kilometerheffingen, spitsheffingen en noem maar op; niks wordt hier uitgesloten. Dat heb ik dus nog steeds niet ondubbelzinnig van de minister gehoord. Ik zou dat toch graag willen horen, want dit is enorm zorgwekkend.

Minister Karremans:

Kijk, ik heb net al gezegd: gebruikers gaat bijvoorbeeld om mensen die in het ov stappen. We moeten namelijk ook op het spoor en in het ov-gebied, waar de staatssecretaris verantwoordelijk voor is, heel veel keuzes gaan maken. De doortrekking van de Noord-Zuidlijn is daar eentje van. Nou, dan kan je denken aan toeristen die bij Schiphol uitstappen en naar Amsterdam willen. Die laat je daar een bepaalde belasting voor betalen. We gaan geen kilometerheffing doen om infrastructuur te betalen; daar wil ik ondubbelzinnig afstand van nemen. Daarom heb ik ook gezegd: ik wil de heer Van Dijk ter wille zijn en de motie oordeel Kamer geven met die uitleg. Ik wil namelijk van de discussie af zijn dat hier allerlei verhalen rondgaan over dat de regering opeens van plan is waardestijgingen af te romen van mensen die nu ergens wonen; dat gaan we niet doen.

De heer Stoffer (SGP):

Ik heb toch best moeite met het oordeel Kamer dat deze motie heeft gekregen, omdat er natuurlijk in de overweging echt staat dat het kabinet van plan is om huiseigenaren mee te laten betalen aan infrastructuurprojecten door de waardestijging van hun woning af te romen. Als deze motie het gaat halen, kan dat gaan rondzingen, dus ik geef maar mee dat ik hier gewoon tegen ga stemmen, maar ik heb ook wel moeite met dit oordeel. Ik geef maar bij voorbaat aan dat ik hier om die reden gewoon tegen ga stemmen. Ik zou de minister nog eens keer willen vragen te heroverwegen of hij hier wel oordeel Kamer aan wil geven.

Minister Karremans:

Nou, ik geef het natuurlijk oordeel Kamer vanwege het dictum, want de constatering uit de overweging is voor rekening van de heer Van Dijk; die constatering deel ik ook niet. Ik ben het met de heer Stoffer eens dat die constatering echt onzin is. Die is niet waar. Wat met die constatering wordt beweerd, heb ik niet gezegd en staat ook niet in de brief. Het is een interpretatie van de heer Van Dijk die enkel en alleen voor zijn rekening komt. Die heeft hij opgeschreven in de overweging, maar juist omdat ik verwarring over het dictum wil voorkomen, heb ik gezegd dat ik de motie met déze uitleg, dus heel strak uitgelegd, oordeel Kamer wil geven. Dat is enkel en alleen met die uitleg, maar ik kijk wel of de heer Van Dijk daar genoegen mee neemt; anders moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:

Ik kijk naar de heer Van Dijk. Het mag non-verbaal.

De heer Emiel van Dijk (PVV):

Nee, ik vind toch dat er nog te veel ruimte wordt overgelaten. De minister zegt "bijvoorbeeld". Hij sluit de zaken die ook door zijn eigen ministerie, door de woordvoerder, noch werden ontkend, noch werden bevestigd, niet uit. Dat had hij nu wel kunnen doen en ik zie dat helaas nog niet.

De voorzitter:

Tot welke conclusie over de motie op stuk nr. 50 brengt dat de minister?

Minister Karremans:

Dan ga ik 'm ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 50 is ontraden. U vervolgt. Er is een interruptie van mevrouw Van der Plas.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Ook om deze stemmingen straks goed te kunnen wegen, heb ik eigenlijk wel behoefte — dat is misschien een beetje ongebruikelijk — aan een duiding van de heer Van Dijk over die overweging. De minister zegt namelijk dat wat daarin wordt gesteld helemaal niet in die brief staat. Die overweging wordt zomaar eventjes in een motie gezet, maar goed, die staat wel in een motie, en ik vind dat als die wordt aangenomen er wel wat onduidelijkheid over is.

De voorzitter:

Volgens mij is hier een mooi debat met elkaar over gevoerd. U heeft hiervoor er ook al een debat over gevoerd. De heer Stoffer heeft zojuist een accent gegeven, dus volgens mij is deze motie aardig uitbedebatteerd. U had ook een-op-een een interruptie kunnen doen; u weet elkaar te vinden.

Mevrouw Van der Plas (BBB):

Sorry, ik ga dat zelf wel even doen.

De voorzitter:

O, de minister!

Minister Karremans:

Misschien om de Kamer nog een beetje te helpen: we hebben ook al in het commissiedebat toegezegd om richting het afweegkader en ook daadwerkelijk de prioritering die daaruit volgt, de Kamer meer informatie te geven over eventuele alternatieve bekostigingen, ook om alle verwarring, doembeelden en angstbeelden daarover weg te nemen. Dat zullen we ook doen, maar tegelijkertijd is de opgave wel zo groot dat we natuurlijk wel breder moeten kijken. Dat zeg ik er ook wel eerlijk bij. Dat gaan we dus doen.

De voorzitter:

U heeft het gezegd.

Minister Karremans:

Ja, dat heb ik gezegd. Dat staat nu in de Handelingen.

De voorzitter:

Zo is dat; voor de eeuwigheid. U vervolgt.

Minister Karremans:

Voor de eeuwigheid! Dan kom ik bij de motie van — over de eeuwigheid gesproken — de heer Stoffer. Dat is de motie op stuk nr. 51. Daarin wordt de regering verzocht om ervoor te zorgen dat de uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat aansluit bij de noodzakelijke productiegroei voor instandhouding. Dat is natuurlijk een terecht verzoek. We moeten het uiteindelijk wel kunnen uitvoeren, want dat deel van de motie — er zitten twee verzoeken in — kan ik zeker oordeel Kamer geven. Ten aanzien van het verzoek aan de regering om in kaart te brengen wat de huidige en eventuele nieuwe apparaattaakstelling voortvloeiende uit het coalitieakkoord betekent voor de uitvoeringscapaciteit en de maakbaarheid bij Rijkswaterstaat: daarvan kan ik zeggen dat we dat natuurlijk kunnen doen. Dan moet ik even kijken tot op welk detailniveau dat handig is — maar goed, de heer Stoffer weet hoe het werkt — en op welke termijn dat handig is. Ik wil me dus niet vastpinnen op die twee maanden en ook niet op het detailniveau, maar als ik enige ruimte van de heer Stoffer krijg om dat op een goede manier in te vullen, wil ik de motie oordeel Kamer geven.

De heer Stoffer (SGP):

Alle ruimte. Ik vraag niet om het onmogelijke. Het is echt dat ik erop aandring dat we het kunnen blijven maken bij Rijkswaterstaat en overigens — ik zie natuurlijk de staatssecretaris ook kijken — uiteraard ook bij ProRail.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 51: oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Helder, dank. Dan de motie op stuk nr. 52 van ook de heer Stoffer en van de heer Grinwis. Die gaat over het verzoek om een kasschuif te doen, om er nu voor te zorgen dat we geld naar voren halen voor beheer en onderhoud. Ik waardeer en ik snap natuurlijk die vraag. Dat is alleen iets voor de financiële besluitvorming. Ook bij die motie zou ik dus willen verwijzen naar het moment dat wij bijvoorbeeld de IenW-begroting bespreken of naar de Algemene Politieke Beschouwingen of de Financiële Beschouwingen.

De voorzitter:

Verzoekt u daarmee tot aanhouding?

Minister Karremans:

Ja.

De voorzitter:

Ik zie dat de heer Stoffer daartoe bereid is.

Minister Karremans:

Ja, dank. De motie op stuk nr. 53 van de heer Van Leijen verzoekt twee dingen. Het eerste verzoek is om bij het afweegkader het aspect van uitvoerbaarheid te betrekken waarbij in ieder geval wordt gekeken naar financiën en milieuruimte, en de motie verzoekt de regering om voor het uitvoeren van projecten voldoende uitvoeringscapaciteit te organiseren. Dat is natuurlijk ook in lijn met wat de heer Stoffer zei. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 53: oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Dan de motie op stuk nr. 54 van mevrouw Boelsma-Hoekstra en anderen over meekoppelende belangen, onder andere op het gebied van woningbouw, regionale economie, weerbaarheid en defensie (dual use). Die kan ik oordeel Kamer geven, want we willen die kansen natuurlijk benutten. We moeten ons echter niet rijk rekenen, zeg ik er ook gelijk bij. Ik ken mevrouw Boelsma-Hoekstra nu een beetje, en zij rekent zich niet snel rijk. Zij is realistisch en dat weet ik. In het debat was het een duidelijk verhaal, maar we gaan natuurlijk wel kijken wat er kan.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 54: oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Dan de motie op stuk nr. 55 van mevrouw Boelsma-Hoekstra en de heer De Hoop over het meewegen van het brede welvaartskader bij het afwegingskader voor de prioritering van infrastructurele projecten. Als ik de motie zo mag lezen dat we de prioritering zo veel als mogelijk toetsen aan de effecten voor de brede welvaart — mevrouw Boelsma-Hoekstra zei zelf ook al dat dat natuurlijk heel breed is — kan ik 'm oordeel Kamer geven. Onder het begrip "brede welvaart" vallen namelijk, zoals ik net zei, heel veel indicatoren. Naast leefomgevingseffecten zijn er ook economische ontwikkeling, bereikbaarheid en noem maar op. De motie geeft daarmee natuurlijk nog geen richting voor afweging. Als ik 'm zo mag interpreteren, wil ik 'm dus oordeel Kamer geven.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Ik snap het niet zo goed, want het is volgens mij vrij helder wat er in de motie staat. Dus graag even een verduidelijking van wat dan het verschil is tussen wat er in de motie staat en wat de minister bedoelt.

Minister Karremans:

Nou, als je bijvoorbeeld zegt dat je aan instandhouding wilt doen, is het heel duidelijk wat daarmee bedoeld wordt. Aan brede welvaart zitten heel veel aspecten, bijvoorbeeld economische bereikbaarheid. Dan ben je er echt op een ander niveau naar aan het kijken. Ik heb gezegd dat als ik de prioritering kan toetsen op aspecten van brede welvaart en de motie daarmee op die manier kan meenemen, ik de motie oordeel Kamer kan geven. Dat is eigenlijk de enige manier waarop je dat zou kunnen doen. Maar we moeten elkaar dan wel even begrijpen, omdat wij natuurlijk aan de slag gaan met deze motie, als die wordt aangenomen, en we het goed met elkaar eens moeten zijn over wat we dan precies gaan doen.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):

Volgens mij staat het ook exact zo in de motie, dus volgens mij zit daar niet zo veel licht tussen. Als we deze motie aannemen, bedoelen we hetzelfde, dus ik denk dat het goed is.

Minister Karremans:

Ik hecht er dan wel waarde aan dat mijn uitleg expliciet onderdeel wordt van de uitvoering van de motie.

De voorzitter:

Ja. De motie op stuk nr. 54 krijgt dus, met een interpretatie, oordeel Kamer.

Minister Karremans:

Ja, oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 56, die gaat over de Gerrit Krolbrug. Deze situatie is mij bekend. Ik heb hierover in het commissiedebat consequent gezegd dat wij over individuele projecten nu niet gaan zeggen: dat gaan we wel of niet doen. Daar hebben we de ruimte nu eenmaal niet voor. Hij loopt mee in het afweegkader. Dat vinden we wel zo netjes ten opzichte van alle andere opgaven die er zijn in Nederland. Enkel om die reden, zeg ik tegen mevrouw Van der Plas — het is niet dat ik geen sympathie heb voor deze motie — moet ik haar het oordeel ontijdig geven. Het is een afweging bij de prioritering. Ik verzoek om de motie aan te houden. Anders is zij ontijdig.

De voorzitter:

Is mevrouw Van der Plas daartoe bereid? Dat is zij niet. Daarmee krijgt de motie de appreciatie "ontijdig".

Minister Karremans:

Dan heb ik nog twee moties van de heer Goudzwaard. Allereerst verzoekt de motie op stuk nr. 57 de regering om de impact op de bereikbaarheid mee te wegen bij de prioritering van de instandhoudingsopgave. Die kan ik oordeel Kamer geven.

Tot slot verzoekt de motie op stuk nr. 58 de regering om bij het afwegingskader mee te nemen dat dure, collectieve en levensduurverlengende maatregelen zo veel mogelijk worden voorkomen bij kunstwerken die het einde van hun levensduur naderen. Ook die kan ik oordeel Kamer geven.

Daarmee ben ik bij het eind gekomen.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik kijk naar de staatssecretaris. Had u ook nog …? Nee. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Ik dank beide bewindspersonen voor hun aanwezigheid.

De voorzitter:

Over de ingediende moties zal dinsdag worden gestemd. Ik schors de vergadering, waarna we verder zullen gaan met de Wet terugdringen schoolverzuim. De vergadering is geschorst.

Termijn inbreng

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de Wijziging van de Leerplichtwet 1969 en andere onderwijswetten in verband met het voorkomen en het terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs, de Wet terugdringen schoolverzuim.

Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de leden van de Kamer en de mensen op de publieke tribune van harte welkom. Het is wetgeving vandaag en dan mogen we het licht uitdoen. We hebben het dus een beetje zelf in de hand tot hoe laat we het doen vanavond, maar ik stel voor om te beginnen met zes interrupties in tweeën, dus twaalf in totaal. Als dat nou heel goed en soepel verloopt, kunnen we altijd kijken of we dat kunnen verruimen.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik wil gelijk beginnen met de eerste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Ceder, die spreekt namens de ChristenUnie. Aan u het woord.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. In 2016 stond ik als advocaat een meisje bij. Ik zal haar voor nu Lydia noemen. We zaten in een kamertje met de Kinderombudsman en haar moeder, op het kantoor van de Kinderombudsman, met de vraag hoe we dit kind weer onderwijs konden laten volgen. Dat was namelijk jarenlang niet gelukt. Dit klinkt makkelijker dan het daadwerkelijk is. Het gesteggel tussen scholen, Veilig Thuis, een persoonlijke coach, de Kinderombudsman, de leerplichtambtenaar, de huisarts, de advocaat en andere instanties was groot. Tussen al deze instanties en het gesteggel zat een meisje, dat gewoon recht op onderwijs had en dat niet kreeg.

Het verhaal van Lydia staat niet op zichzelf. Vele, vele kinderen zijn momenteel zonder onderwijs thuis. De schattingen variëren. De conservatieve officiële cijfers gaan uit van ongeveer 18.000, maar oudervereniging Balans heeft berekend dat er wel 70.000 thuiszitters in Nederland zijn: 70.000 kinderen en jongeren die noodgedwongen geen onderwijs kunnen volgen. De urgentie om voor deze kinderen en jongeren op te komen wordt breed in de Kamer gedeeld. Sowieso is elke leerling die noodgedwongen geen onderwijs kan volgen er een te veel.

Voorzitter. Vandaag spreken we over het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim. De punten die in het wetsvoorstel staan, zijn belangrijk. Maar eerlijk gezegd is dit niet een voorstel waarvoor bij de ChristenUniefractie de vlag uit gaat. Veel liever had ik nu namelijk gesproken over voorstellen die veel meer doen voor jongeren en kinderen die thuiszitten. De kritiek op het wetsvoorstel wordt kernachtig verwoord in het advies van de Raad van State: "Gezien de complexiteit van de problematiek van thuiszitters mogen niet al te hoge verwachtingen worden gekoesterd van het effect van verplichtingen inzake verzuimbeleid en -registratie." Ook in vele brieven die we als parlement over dit wetsvoorstel hebben gekregen, is dit een rode draad: betere verzuimregistratie gaat niet veel bijdragen aan het oplossen van de problematiek.

Voorzitter. Let wel, een school hoort zijn verzuimbeleid op orde te hebben. Veel basisscholen hebben geen beleid dat gericht is op zorgwekkend ziekteverzuim, zo liet onderzoek zien. Dat is niet goed. Dat moet beter. Wat dat betreft is het goed als het wetsvoorstel ervoor zorgt dat de registratie beter op orde komt en er betere opvolging aan verzuim wordt gegeven. Hoeveel kinderen en jongeren krijgen er nu geen onderwijs? Het antwoord is dat we het eigenlijk niet weten. Dat bleek al uit de fors uiteenlopende schattingen die ik net noemde. Het wetsvoorstel zou eraan moeten bijdragen om dit beter in beeld te krijgen, maar slaagt het wetsvoorstel daar daadwerkelijk in? Daarover heb ik twee vragen.

Verwacht de regering dat alle kinderen en jongeren die noodgedwongen geen of geen volwaardig onderwijs krijgen middels dit wetsvoorstel nu wel zichtbaar worden? Welke groepen blijven nog onzichtbaar? Dan denk ik bijvoorbeeld aan kinderen die onderwijs krijgen via dagbesteding of zorglocaties, of die ingeschreven staan bij een residentiële instelling. Hoe gaat het wetsvoorstel om met leerlingen die geen of minder onderwijs krijgen via de Beleidsregel afwijken onderwijstijd? Worden deze hiermee in beeld gebracht?

Dan over het doel en de effecten van het wetsvoorstel. De regering hoopt dat scholen en samenwerkingsverbanden met dit wetsvoorstel beter in positie worden gebracht om verzuim te voorkomen en te verminderen. Ik vrees helaas dat dit effect beperkt gaat zijn. Om echt te voorkomen dat kinderen geen onderwijs volgen, is wat ons betreft namelijk echt een fundamenteel andere aanpak nodig. Verzuim voorkomen vraagt om inzetten op preventie. Het gaat erom dat er schoolbreed, van mentor tot conciërge, wordt ingezet op preventie, dat er oprecht oog is voor leerlingen en dat ze zich veilig voelen. Op het moment dat een leerling eenmaal uit het schoolsysteem valt, zie je dat het gewoon heel lastig is om weer aan te haken. Daarom is preventie zo belangrijk.

Kan de staatssecretaris uiteenzetten welk effect ze nu precies van het wetsvoorstel verwacht? Kan ze haar verwachting ook onderbouwen? Hoe wordt voorkomen dat het niet enkel een kwestie wordt van vinkjes zetten door scholen en andere partijen? Verwacht de staatssecretaris dat dit wetsvoorstel daadwerkelijk leidt tot een schoolbrede inzet om verzuim te voorkomen en te verminderen? Hoe wordt geborgd dat er niet een data-uitwisselingscircus ontstaat, terwijl een individueel kind er aan het einde van de dag geen tot weinig baat bij heeft?

Voorzitter. Hoe voorkomt de staatssecretaris dat er een negatieve druk op ouders en leerlingen ontstaat? Ik noem bijvoorbeeld de dreiging van een melding bij Veilig Thuis of strafrechtelijke handhaving door de leerplichtambtenaar, terwijl dat er in veel situaties echt niet voor gaat zorgen dat een kind wel onderwijs kan volgen. Graag een reflectie.

Voor preventie is in dit wetsvoorstel wat ons betreft nog te weinig aandacht. Daarom heb ik een amendement ingediend dat regelt dat een school ook in het verzuimbeleid duidelijk maakt hoe het schoolverzuim en uitval wil voorkomen. Preventieve maatregelen zijn van groot belang. Dit wetsvoorstel regelt daar momenteel nog niets voor. Dit amendement zorgt voor een kleine maar fundamentele aanvulling op dit punt, omdat scholen dan echt gaan nadenken en handelen wat betreft preventie. Ik hoor dan ook graag de appreciatie van de staatssecretaris met betrekking tot dit amendement.

In dit wetsvoorstel is nog steeds een strikt onderscheid tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim.

De heer Kisteman (VVD):

Als het goed is, ging dit over het amendement-Ceder op stuk nr. 11.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Vast wel.

De heer Kisteman (VVD):

Het gaat er in ieder geval om dat de heer Ceder vraagt om de aanwezigheid van scholieren te stimuleren. Hij vraagt hoe scholen langdurig verzuim gaan voorkomen. Uit de internetconsultatie is juist naar voren gekomen dat we dit niet moeten doen. Daarom is dit uit de wet geschrapt. Waarom wil de heer Ceder dit alsnog toevoegen aan deze wet?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik heb in mijn inleiding aangegeven dat wij ervoor willen zorgen dat het verzuim teruggedrongen wordt. Dat willen we volgens mij allemaal, de heer Kisteman ook. Daarvoor is registratie belangrijk. Dat regelt dit wetsvoorstel. Daar ben ik blij mee. Tegelijkertijd ben ik kritisch. Die kritiek is niet nieuw. Die wordt ook niet alleen niet alleen door mij geuit. Die wordt breed gedeeld door betrokken partners.

Een van de punten is als volgt. Scholen kunnen registeren. De verwachting is echter dat als we niet wettelijk neerleggen dat scholen nadenken over hoe ze preventie kunnen regelen, daar met elkaar het gesprek over voeren en daar vervolgens op handelen, we met de invoering van deze wet niet alleen te weinig regelen, maar dat dan zelfs de druk op scholen groter wordt — want dit vraagt toch weer om papierwerk — en dat de negatieve gevolgen daarvan uiteindelijk bij ouders en leerlingen terechtkomen. Ik voel me daarom gesterkt door het werkveld, dat juist aangeeft dat het belangrijk is om preventie erin te leggen, omdat dit te weinig doet. Ja, er zijn scholen die bezig zijn om dat te doen, maar als je het niet wettelijk verplicht, zal niet elke school dat doen. Het getal van 70.000 is in een land als Nederland voor mij te fors om deze omissie buiten beschouwing te laten.

De voorzitter:

Het mag bondiger, meneer Ceder. Een vervolgvraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Excuses, voorzitter, maar het is een belangrijk punt. Dat is de reden waarom ik het heb ingevoegd.

De voorzitter:

Maar we gaan nu even luisteren naar de vervolgvraag, met uw goedvinden.

De heer Kisteman (VVD):

Die 30 seconden werkten gisteren toch best goed; ik moest even aan ons commissiedebat van gisteren terugdenken.

Is de heer Ceder er niet bang voor dat dit juist voor een enorme stapeling aan regels gaat zorgen voor het onderwijs, terwijl we dat juist willen voorkomen? De ChristenUnie vindt het ook heel belangrijk om dat te voorkomen. Is de heer Ceder niet bang dat je door dit in de wet vast te leggen — wij hebben het er juist speciaal uit gehaald — juist zorgt voor onnodige regels?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nee, daar ben ik het zeer mee oneens. Ik vind het niet onnodig om na te denken over hoe je uitval kan voorkomen. Sterker nog — misschien ga ik nu badinerend zijn richting de ambtenaren; dat wil ik niet — ik zou bereid zijn om dit hele wetsvoorstel achterwege te laten, als ik dit punt er maar doorheen zou krijgen. Zo belangrijk vind ik het. We zien namelijk dat we het, door te weinig effectief te handhaven op het voorkomen van verzuim, mogelijk hebben gemaakt dat 70.000 kinderen — dat is gewoon een kleine stad — momenteel thuiszitten. Door dit niet te verplichten, hebben scholen eigenlijk te veel vrijheid op dit punt.

Ik ben het met de heer Kisteman eens dat dit niet een circus aan regels en administratie moet worden. Daarom heb ik mijn amendement zo ingericht dat het heel clean aangeeft dat hier in het plan aandacht aan moet worden besteed. Daarmee dwing je scholen om het gesprek aan te gaan. Ik heb nadrukkelijk en expres geen nadere verplichting neergelegd ten aanzien van de vraag hoe dat vervolgens uitgevoerd moet worden, omdat anders inderdaad de regeldruk wordt verhoogd. Ik ben het dus eens met uw punt dat de hoeveelheid administratie en de regeldruk niet te groot moeten worden, maar juist daarom heb ik het ook zo clean mogelijk geformuleerd.

De voorzitter:

Dit was in ieder geval 20 seconden korter dan het vorige antwoord, maar het was nog steeds anderhalve minuut. De heer Kisteman heeft weer een vervolgvraag.

De heer Kisteman (VVD):

Dit is de laatste, voorzitter. Het is precies zoals de heer Ceder zegt: het doel, het idee, is om niet voor te veel regeldruk te zorgen. Maar ik krijg toch het idee dat dit amendement daar wel voor gaat zorgen. Ik kijk dan even naar het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie: "We hebben een dienstbare overheid." "Geen onnodige regelruk." "(…) voorkomen dat mensen worden overladen met onnodige regeldruk." "De overheid reduceert de regeldruk." Jullie noemen het meerdere malen; volgens mij staat het er zelfs vaker in. Nu komt u toch met een amendement en hoopt u dat het niet voor extra regeldruk gaat zorgen, maar dat lijkt wel het geval te zijn.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik snap de poging van de heer Kisteman om een goeie discussie op gang te krijgen. Ik ben het ermee eens dat je niet te veel regeldruk moet hebben. Maar laten we 'm afpellen. Ik voel me hierin ook gewoon gesteund door het maatschappelijk veld, dat al vaker pijnpunten ten aanzien van dit wetsvoorstel heeft neergelegd. Het veld geeft aan dat als je verzuim registreert zonder ook maatregelen te nemen om dat te voorkomen, je aan het eind van de dag te weinig dan wel niets doet voor die 70.000 kinderen. Je kan ze dan wel in beeld hebben, maar als je vervolgens geen beleid hebt om verzuim te verminderen, staan we hier volgend jaar opnieuw. Dat willen we voorkomen. Maar u heeft gelijk: dat moet regelluw gebeuren. Volgens mij voorziet mijn amendement daar juist in. Volgens mij voegen we maar één regel toe. We laten scholen vrij om het verder in te vullen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik sluit even bij deze discussie aan, omdat die best wel fundamenteel is. Het amendement-Ceder waarnaar verwezen wordt, zegt dat er gestuurd moet worden op aanwezigheid en het voorkomen van verzuim. De zorg die ik daarbij heb — die zorg heb niet alleen ik, maar ook een groot deel van het veld, waaronder ouderorganisaties; daarom is de wet ook aangepast — heeft te maken met het feit dat sturen op aanwezigheid niet past bij kinderen die het bijvoorbeeld nodig hebben om vanuit huis, via een computerverbinding of anderszins, onderwijs te krijgen. Dat sturen op verzuim past niet bij de visie die we hebben op passend onderwijs, waarbij men zich juist moet richten op het vinden van een passende plek, in plaats van alleen maar op dwang en drang richting verzuim. Ziet de heer Ceder deze bezwaren van ouders ook?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik begrijp het, maar ik ben het er niet mee eens, omdat dat niet het doel is van dit amendement. Wat wij proberen te doen, is het volgende. Als we scholen verplichten om te registreren hoe het verzuim in elkaar steekt, geven we ook de opdracht mee om met elkaar na te denken en in overleg te treden over hoe je dat recht op onderwijs kan borgen. Ik denk dat dat heel erg nodig is. Ik ben het met mevrouw Rooderkerk eens dat dat in de meeste gevallen, vrijwel alle gevallen, door fysiek onderwijs op school is, maar er zijn ook situaties — daar ga ik nog nader op in in mijn tekst — waarin het recht op onderwijs op een andere manier ingevuld zou moeten worden, dan wel tijdelijk, dan wel langer. Denk aan digitaal onderwijs als je in een residentiële instelling zit. Die vraag heb ik net ook aan de staatssecretaris gesteld. Ik ben het dus met u eens dat je daar ruimte voor moet laten. Ik ben wel van mening dat ik die ruimte ook laat door hoe ik dat nu omschreven heb. Als ik hiermee wat ruis kan weghalen: het is geenszins mijn bedoeling dat het einddoel is om aanwezigheid te stimuleren. Het einddoel is om het recht op onderwijs, dat kinderen hebben, te borgen. Er zijn uitzonderingen of situaties waarbij dat niet kan door fysiek aanwezig te zijn, maar ook dan heeft een school een opgave om erover na te denken. Die opgave om na te denken leg ik in de wet vast, want we zien dat die opgave om na te denken er helaas niet toe geleid heeft dat het aantal thuiszitters verminderd is, maar juist dat die explosief toegenomen is.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank voor deze reactie. We delen inderdaad het belang van het recht op onderwijs, dat er nu feitelijk niet is — er zitten namelijk heel veel kinderen thuis — maar ook wettelijk niet. We doen daar zelf ook voorstellen voor. Ik denk dat het heel belangrijk is dat we elkaar als Kamer daarin vinden en kijken wat de beste manier is. Sturen op aanwezigheid of verzuim terugdringen lijkt mij echter een lastige route, omdat je daarmee dus heel erg de nadruk op die punten legt en niet op het aanpassen van de school of op een plek in de regio voor het kind, wat natuurlijk vaak wel nodig is om ervoor te zorgen dat een kind mee kan doen aan het onderwijs. Zo zullen wij de amendementen bekijken. Ik denk dat we met elkaar moeten zoeken naar de beste manier om dat ook in de wet goed te regelen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het eens met mevrouw Rooderkerk dat scholen ook moeten nadenken over hoe je passend onderwijs of onderwijs op afstand mogelijk moet maken. Ik ben wel van mening dat het amendement dat wetstechnisch niet uitsluit. Volgens mij verplicht het om na te gaan denken. Dat klinkt gek, maar kennelijk zien we dat de negatieve effecten momenteel te fors zijn om dit niet in de wet te borgen. Ik ben het met u eens dat het niet alleen om fysieke aanwezigheid gaat. Het is wel zo dat het merendeel van de kinderen die leerplichtig zijn wel degelijk fysiek op school aanwezig kunnen zijn, maar dat veronderstelt niet dat dat ook geldt voor de groep waar u het over heeft, waar ik ook vaak op werkbezoek ben geweest, ook vanuit mijn portefeuille Jeugdzorg. Ik begrijp dat ook. Ik heb er ook voor gepleit om dat op meerdere manieren mogelijk te kunnen maken, bijvoorbeeld met digitaal onderwijs in jeugdinstellingen.

De voorzitter:

Ja. De heer Ceder vervolgt zijn betoog.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik ben het dus met u eens. Als u daar nog over wil sparren, dan sta ik daarvoor open. Ik hoop hiermee even goed de tijd genomen te hebben om te kunnen betogen wat ik hiermee bedoel …

De voorzitter:

Zeker.

De heer Ceder (ChristenUnie):

… omdat het ook voor mij een best fundamenteel punt is.

De voorzitter:

U heeft nog negen minuten van uw indicatieve spreektijd, dus u heeft nog voldoende tijd om dat punt nog een keer te maken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel dat u dat nog even onder de aandacht brengt, voorzitter.

Voorzitter. Ik kom op het volgende punt. In het wetsvoorstel is ook nog steeds een strikt onderscheid opgenomen tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim, wat niet altijd helpt. Als het gaat om ongeoorloofd verzuim is actie op individueel niveau geborgd en wordt dat middels dit wetsvoorstel zelfs aangescherpt, maar wat is wettelijk geborgd voor kinderen die geoorloofd verzuimen door bijvoorbeeld ziekte? Het opstellen van een ontwikkelingsperspectief is niet verplicht en er hoeft geen melding plaats te vinden bij de inspectie of bij leerplicht voor afwijkende onderwijstijd, terwijl de kinderen misschien wel aan onderwijs kunnen deelnemen, bijvoorbeeld via afstandsonderwijs. Is het dan niet beter dat scholen in alle gevallen van verzuim een ontwikkelingsperspectief zouden moeten opstellen of op z'n minst zouden moeten aanbieden aan ouders of leerlingen? Waarom wordt bijvoorbeeld niet vastgelegd dat ook jeugdgezondheidszorg een rol kan hebben bij vroegtijdse begeleiding, zoals onderdeel is van de MAZL-methodiek? En is er voldoende capaciteit bij de jeugdgezondheidszorg, zodat er goede opvolging kan plaatsvinden als dat nodig is?

Ook merk ik op dat het wetsvoorstel nog erg uitgaat van aanwezigheid binnen het schoolgebouw. Voor veruit de meeste leerlingen is dat inderdaad het geval, maar zoals mevrouw Rooderkerk terecht aanstipt, zijn er ook leerlingen die erg gebaat zouden zijn bij op een andere manier onderwijs kunnen krijgen, bijvoorbeeld via afstandsonderwijs. Dan denk ik bijvoorbeeld ook aan kinderen met PAIS of longcovid. Erkent de staatssecretaris dat om het aantal thuiszitters echt te verminderen, er ook veel meer op onderwijsdeelname moet worden gefocust in plaats van op aanwezigheid in het schoolgebouw? Welke inzet hierop kunnen we van de staatssecretaris verwachten? Ik benadruk nogmaals dat mijn amendement juist op deze categorie inspeelt en daarin voorziet.

Graag zou ik ook deze nieuwe staatssecretaris op het hart willen drukken hoe belangrijk het is om oog te hebben voor de onzichtbare groep kinderen en jongeren met PAIS. Ik hoop op een snelle uitvoering van de eerder aangenomen motie over duidelijke richtlijnen en mogelijk knellende wet- en regelgeving. Gaat u snel in gesprek met deze kinderen en de organisaties die de kinderen vertegenwoordigen, en ervoor zorgen dat deze kinderen in hun moeilijke situatie zo goed mogelijk onderwijs kunnen volgen, ook als er wet- en regelgeving voor moet worden aangepast?

Deze fundamentele aandachtspunten zijn niet middels een aantal simpele amendementen in de wetgeving aan te brengen. Geloof me, ik heb het geprobeerd. Ze geven wel de koers aan die volgens de ChristenUnie ingeslagen moet worden. Ik zou die opdracht graag aan het kabinet willen geven, omdat er een systematiek en samenhang aan wetten gewijzigd zou moeten worden om dat wetstechnisch goed te kunnen borgen. Zolang deze losse eindjes er nog zijn, vraag ik me af of het goed is om dit wetsvoorstel, als het wordt aangenomen, direct in werking te laten treden. Laat het duidelijk zijn: de ChristenUnie is niet tegen het wetsvoorstel als zodanig, maar vraagt zich af of het niet beter is om eerst de andere zaken, die wat ons betreft meer prioriteit hebben, aan te pakken. Daarmee sluit ik ook aan bij het interruptiedebat dat ik met mevrouw Rooderkerk heb gehad, want volgens mij delen we daarin dezelfde zorg. Ik heb hierop een amendement ingediend met een uitgebreide toelichting. Ik ben namelijk niet tegen de wet, maar deze zaken moeten we met elkaar wel nog even goed hernemen, voordat de wet in werking treedt, omdat het een met het ander verband houdt. Ik hoop dat de staatssecretaris bij haar appreciatie uitvoerig ingaat op de afwegingen.

Voorzitter. Voor nu licht ik nog de twee laatste amendementen toe en daarna heb ik nog twee gerichte vragen. Het amendement dat ik heb ingediend, regelt dat de tussenevaluatie binnen drie jaar na de inwerkingtreding wordt uitgevoerd. Juist gezien de verwachtingen en de zorgen rondom het wetsvoorstel en omdat het wel enigszins regeldruk veroorzaakt — dat merkte de heer Kisteman al terecht op — vinden we het belangrijk om de vinger aan de pols te houden. Ik begrijp dat drie jaar te kort is voor een uitgebreide evaluatie, maar ik vind het wel belangrijk dat de Kamer wordt geïnformeerd, zodat ze eventueel kan bijsturen waar nodig, juist omdat het precair is. Ik ben ook benieuwd naar de appreciatie van dit amendement.

Ik heb ook nog een derde amendement ingediend. De Raad van State wijst er onder meer op dat het belangrijk is om hoofdelementen van gegevenslevering op wetsniveau te regelen. Ik vind dat dit onvoldoende gebeurd is in dit wetsvoorstel, terwijl het wel gaat om persoonsgegevens, waarmee je zorgvuldig moet omgaan. Het gaat ook om de gegevens van minderjarigen. Dit amendement zorgt voor een voorhangbepaling voor de AMvB die de regels stelt voor de gegevenslevering en zet de bewaartermijn op wetsniveau op drie jaar. Graag een reactie van de staatssecretaris hierop. Het viel mij op, omdat ik toevallig ook woordvoerder Digitale Zaken ben en daardoor zie en scherp heb waarom dit belangrijk is in het kader van de afspraken die we met elkaar hebben gemaakt ten aanzien van digitale gegevenslevering.

Voorzitter, tot slot. Het wetsvoorstel regelt dat de school naast een melding ook het signaal zorgelijk verzuim naar de leerplichtambtenaar kan sturen. Het is echter onduidelijk wat precies het verschil is hiertussen. Ook de Raad van State wees hierop. Voor een melding moet er een minimum van zestien uur of meer ongeoorloofd verzuim binnen vier weken zijn. De school kan nu zelf bepalen wanneer die een melding doet. Dat zou in theorie kunnen betekenen dat de leerplichtambtenaar al vanaf één uur ongeoorloofd verzuim een strafrechtelijke procedure zou kunnen starten. En ja, de regering erkent dit. Toch kan ik me niet voorstellen dat in de meeste gevallen de strafrechtelijke weg de meest passende weg is, terwijl die dreiging nu bij een signaal wel boven de markt blijft hangen. Klopt het dat dit wetsvoorstel gewoon regelt dat de school in feite kan bepalen voortaan eerder een melding te doen dan bij die zestien uur? Kan de staatssecretaris meer duiding geven van de bedoeling van het signaal? Is de verwachting van de staatssecretaris dat dit zal leiden tot meer strafrechtelijke procedures? Of is het veel meer de bedoeling om vroegtijdig verzuim te registreren, zodat de juiste zorg en begeleiding vroegtijdig op gang kunnen komen? Ik ga ervan uit dat dat laatste het geval is, maar ik hoor graag wat meer duiding van de staatssecretaris.

Voorzitter, met nog drie minuten op de klok ben ik klaar.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Ceder. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Kisteman, die spreekt namens de fractie van de VVD. Het woord is aan u.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Op school leer je rekenen, spreken en schrijven, hoe de wereld en ons land in elkaar steken, hoe je omgaat met anderen en nog zo veel meer. Daarom zeggen we bij de VVD dat het onderwijs een springplank is naar een mooie toekomst. Je ontdekt wie je bent, wat je kunt en waar je heen wil met je leven. Naar school gaan is dus meer dan een leerplicht; het is een kans om te groeien, om te leren en om vol op de springplank te springen richting een mooie toekomst. Het is nog mooier als je onderwijs volgt op een school bij jou in de buurt, bijvoorbeeld in je wijk of in je dorp. Het is namelijk goed voor de sociale ontwikkeling van kinderen als ze naar school gaan in de buurt waarin ze wonen.

Volgens de wet moet elke gemeente in Nederland openbaar onderwijs aanbieden. Daarnaast hebben ouders in Nederland de keuze om hun kinderen naar het bijzonder onderwijs te laten gaan. In theorie zou je zeggen dat er voor elk kind een passende school in de omgeving te vinden is en dat alle kinderen naar school kunnen gaan. Hoewel de exacte cijfers ontbreken — de heer Ceder refereerde daar al aan — zitten ongeveer 70.000 kinderen thuis. Dat vindt de VVD echt veel te veel en dat is ook onnodig in ons onderwijssysteem. Het is daarom goed dat we vandaag de Wet terugdringen schoolverzuim behandelen. Inhoudelijk heeft mijn fractie geen bezwaren tegen de wet die nu voorligt, maar wij vragen ons wel af of die de hoeveelheid thuiszitters gaat oplossen. Onder de grote groep thuiszitters zit namelijk een groep kinderen waarvan de ouders richtingsbezwaren hebben. Deze ouders vinden dat er geen school is in de omgeving die aansluit bij hun levensbeschouwelijke opvattingen.

In april 2025 kwam het bericht naar buiten dat ouders die hun kinderen ongeoorloofd thuislaten vanwege richtingsbezwaren niet meer worden vervolgd door het Openbaar Ministerie. In 2014 zaten ruim 600 kinderen thuis vanwege richtingsbezwaren. Dat liep op naar 2.500 in 2024. Het is niet zo dat deze ouders daadwerkelijk richtingsbezwaren hebben. Het excuus "richtingsbezwaar" wordt namelijk misbruikt als haakje om thuisonderwijs te kunnen geven. Hoewel mijn fractie begrip kan opbrengen voor de argumenten van het OM, is het niet vervolgen van dit soort gevallen wat de VVD betreft totaal verkeerd. Mijn fractie ontvangt ook signalen dat het OM überhaupt niet meer overgaat tot vervolging van ouders als zij hun kind onterecht thuislaten. Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook: klopt dit? Is het zo dat het OM heeft besloten om geen enkele ouder meer te vervolgen als zij hun kind ongeoorloofd thuislaten? En als dit zo is, wat is dan het nut van de leerplicht? En als het OM niet meer tot vervolging overgaat, wie gaat dan handhaven?

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het klopt dat er momenteel een lacune in de wet zit als het gaat om thuisonderwijs. Het kabinet is al een tijdje bezig om dat te repareren. Ik hoop dat we dat deze periode kunnen behandelen. Maar volgens mij maakt de VVD wel een redenatiefout. Er zijn twee categorieën. Het zijn er eigenlijk drie, maar ik houd het even bij twee. Ik wil kijken of de heer Kisteman het met mij eens is. Thuisonderwijs veronderstelt niet dat iemand geen onderwijs krijgt. Ik heb net in mijn bijdrage het aantal van 70.000 kinderen genoemd. Dat zijn kinderen die thuiszitten zonder een vorm van onderwijs. Zij willen heel graag onderwijs krijgen, maar zitten om wat voor reden dan ook thuis zonder onderwijs. U heeft mijn betoog net gehoord. Dat is kwalijk. Zij moeten onderwijs krijgen. Maar er zit een vermenging in het betoog van de heer Kisteman die ik qua redenatie best ingewikkeld vind. Hij vermengt twee groepen: kinderen die thuiszitten en kinderen die thuisonderwijs krijgen. Mijn vraag is: erkent de heer Kisteman dat kinderen die thuisonderwijs krijgen, mits ze aan voorwaarden voldoen, wel degelijk onderwijs krijgen en dat dat een andere categorie is dan thuiszitters? Dat zeg ik ook in het kader van de zuiverheid van het debat dat we vandaag voeren.

De heer Kisteman (VVD):

Ik snap die vraag zeker. In die groep met richtingsbezwaren zitten kinderen die wel en kinderen die geen thuisonderwijs krijgen. Dat is een grijs gebied. Het is moeilijk te zien of het klopt dat zij richtingsbezwaren hebben en of zij wel of geen thuisonderwijs krijgen. Het OM heeft gezegd: we gaan dat niet meer onderzoeken; we stoppen daarmee. Daar hebben wij vragen over. Het is dus een grijs gebied. Ik snap de vraag van de heer Ceder zeker.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dat grijze gebied zit 'm volgens mij in de mate waarin mensen die thuis onderwijs krijgen — want dat krijgen ze — kwalitatief hoogwaardig onderwijs krijgen. Dat vind ik een legitieme vraag. Wat geen grijs gebied is, is het verschil tussen aan de ene kant de kinderen die thuiszitten, waarbij zowel de ouders als het kind zelf willen dat er onderwijs wordt gegeven, en aan de andere kant de kinderen die onderwijs krijgen van ouders of op een andere manier; die krijgen dus wel degelijk onderwijs. Ik denk dat die ouders het ook belangrijk vinden dat dat verschil gemaakt wordt, want het gaat om twee verschillende groepen. De ene groep vraagt namelijk om ander beleid dan de andere. Mijn vraag is dus of de heer Kisteman het ermee eens is dat dit twee verschillende groepen zijn, die daardoor ook twee verschillende vormen van beleid nodig hebben.

De heer Kisteman (VVD):

Ik snap die vraag. Ik ga verderop in mijn betoog ook in op die grote groep thuiszitters die wat ons betreft naar school zouden moeten kunnen in hun omgeving. Ook belangrijk vinden wij echter die groep met richtingsbezwaren die eigenlijk onterecht thuisonderwijs krijgt. Daarvan zeggen wij: zorg er nou voor dat iedereen zo veel mogelijk samen naar school kan, zodat zij samen onderwijs kunnen krijgen en zich samen kunnen ontwikkelen. Het zijn deels twee verschillende groepen. Het is een grijs gebied, maar we vinden het wel belangrijk om dat vandaag te benoemen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Afsluitend wil ik toch zeggen dat ik wil voorkomen dat dit debat niet gaat over de groep waar we het vandaag over zouden moeten hebben, dus dat het debat gekaapt wordt en er vermenging plaatsvindt. We hebben twee jaar geleden een rondetafelgesprek gehad over thuiszitters en thuisonderwijs. Volgens mij was de heer Kisteman toen nog geen Kamerlid. Dat was juist bedoeld om te voorkomen dat we in dit soort warrige discussies belandden. Ik wil voorkomen dat we dat nu hier plenair gaan doen en dat er na afloop best wat mensen zijn die zeggen: weet de Kamer waar ze het met elkaar over hebben? Ik stel dus nogmaals de volgende vraag, los van hoe we er ideologisch in staan. Is de heer Kisteman het ermee eens dat de groep die thuiszit, die geen onderwijs krijgt maar die dat wel graag zou willen, een andere groep, een andere categorie, is dan de groep kinderen die wél onderwijs krijgt? Dat onderwijs wordt misschien niet in een gemeenschappelijke setting gegeven, maar ze krijgen wel degelijk onderwijs. Bent u het er in ieder geval mee eens dat dat twee verschillende groepen zijn?

De heer Kisteman (VVD):

Ik snap de vraag van de heer Ceder zeker. Verderop ga ik ook in op dat andere stuk. Maar ik val in herhaling: ik snap dat er verschil is, maar er is ook een grijs gebied. We weten niet of die kinderen met richtingsbezwaren die thuiszitten allemaal wel onderwijs krijgen. Volgens mij is dit een goed moment om dat te benoemen, want het blijft een heel belangrijk onderwerp.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter. Ook de leerplichtambtenaren geven aan minder of geen aandacht te geven aan de leerlingen die thuiszitten vanwege richtingsbezwaren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook hoe zij hiertegen aankijkt. Wordt dit voor ouders een vrijbrief om hun kinderen niet meer samen naar school te laten gaan? Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen? Is de staatssecretaris het ook met mijn fractie eens dat het voor kinderen gewoon het beste is als ze samen naar school gaan, zodat hun sociale vaardigheden worden ontwikkeld?

Voorzitter. Dan naar een thema dat het probleem van de thuiszitters zou moeten oplossen. Ik verwees er net al naar: de samenwerkingsverbanden passend onderwijs. Deze moeten zorgen voor een samenhangend geheel van ondersteunende voorzieningen binnen en tussen de scholen. Leerlingen kunnen dan een ononderbroken ontwikkelingsproces doormaken en leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, krijgen een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs. Samenwerking is een voorwaarde voor schoolbesturen om hun zorgplicht waar te kunnen maken, en daarmee ook een voorwaarde voor het succes van passend onderwijs. Ook dit klinkt in theorie heel goed, maar de praktijk geeft toch wel andere signalen af. De onderwijsinspectie concludeerde in 2025 dat 7 van de 28 onderzochte samenwerkingsverbanden een onvoldoende scoorden. Een groot probleem was het ontbreken van een dekkend aanbod van passend onderwijs.

Voorzitter. Ik heb veel ouders van hoogbegaafde kinderen gesproken. Velen van hen lopen vast. Scholen verwijzen naar de samenwerkingsverbanden; samenwerkingsverbanden erkennen het probleem niet en het kind komt thuis te zitten. Maar dit gaat verder dan een zoon of dochter die thuiszit. Ouders gaan er mentaal aan onderdoor, komen zelf ziek thuis te zitten en raken soms hun baan kwijt. Ouders moeten zelfs verhuizen om hun kind het passende onderwijs te kunnen laten volgen dat het nodig heeft. In het regeerakkoord is afgesproken dat we meer gaan kijken naar wat kinderen nodig hebben om zich te ontwikkelen en dat we flexibeler omgaan met kinderen die dreigen uit te vallen. Daarnaast stimuleren we dat er in elke regio voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs is. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe zij dit voor zich ziet en hoe ze het gaat uitwerken.

Daarnaast is recent het rapport Over de lijnen en grenzen aan vrijblijvendheid naar buiten gekomen, een advies aan het Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden. In dit rapport staan heel veel adviezen. Een daarvan is: versterk de positie van de samenwerkingsverbanden in de route naar inclusie tot 2035 en hef ze daarna als construct op. Ik wil hier geen debat passend onderwijs van gaan maken, maar de vele thuiszitters hebben hier natuurlijk wel iets mee te maken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: is zij bekend met dit rapport en het advies en hoe reflecteert zij hierop?

Daar wou ik het bij laten.

De voorzitter:

U heeft toch nog een interruptie.

De heer Kisteman (VVD):

Ik dacht: ik zeg het even.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Als ik zo de heer Kisteman hoor met veel terechte punten, dan zou ik bijna denken: wat zou het toch handig zijn als je partij de bewindspersoon levert. Ik tel in ieder geval sinds 2015, de invoering van de Wet passend onderwijs, met mevrouw Tielen erbij volgens mij de vijfde bewindspersoon op dit vlak. Mijn vraag aan de VVD is: wat gaat de VVD de komende tijd dan anders doen als we moeten constateren dat het aantal thuiszittende leerlingen zo enorm is gestegen?

De heer Kisteman (VVD):

Dat is een terechte vraag. Ik denk dat we het met elkaar eens zijn dat het idee van het passend onderwijs in theorie een goed idee is. Op papier klopt het, alleen is de praktijk anders. De heer Ceder zei dat ik nog geen Kamerlid was, maar ik was in ieder geval nog geen woordvoerder Onderwijs. Ik ben daar ingedoken. Ik heb daarnaar gekeken. Ik heb veel mensen gesproken. Het gaat niet overal goed met de manier van samenwerkingsverbanden in het passend onderwijs. Ik denk dat we daar kritisch naar mogen kijken. Waarom werkt het niet? Wat kan er anders? Moet alles via het samenwerkingsverband of kan het op een andere manier? U heeft zelf nog een keer een motie ingediend over de ernstig meervoudig beperkte kinderen. Moet dat gefinancierd worden via het samenwerkingsverband, of zouden we die scholen zelf rechtstreeks moeten financieren? Ik denk dat we daar een goede discussie over kunnen voeren. Ik wilde er vandaag een aanzet toe geven. We krijgen het commissiedebat Passend onderwijs natuurlijk nog, maar volgens mij kunnen we hier best wel kritisch op zijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Mijn vraag is niet welke discussies we nog meer gaan voeren. Volgens mij weten we al heel goed hoe het anders zou moeten. Ik verwees niet voor niets naar de invoering van de Wet passend onderwijs in 2015. Toen al lagen er verschillende beleidsadviezen en gaven ook leraren adviezen over hoe het anders zou moeten, maar het onderwijsveld heeft volgens mij de afgelopen tien, elf jaar last gehad van flinke bezuinigingen, maar ook van knopen die niet werden doorgehakt doordat elke keer in de Kamer weer dezelfde discussies werden gevoerd. Mijn vraag is dus vooral: wat gaan we dan nu ook anders dóén en welke stappen worden er echt gezet om niet alleen elke discussie elk jaar te herhalen — ik overdrijf een beetje, maar ook weer niet helemaal — maar vervolgens ook knopen door te hakken? Kunnen we de VVD daar ook in vinden?

De heer Kisteman (VVD):

Ik verwees naar dat rapport met het advies aan de samenwerkingsverbanden. U heeft het vast gelezen. Daarin staat ook: hef in 2035 het construct op. Ik weet nog niet zo goed wat ik daar nu van vind, want het is best wel een grote stap. Daarom vraag ik ook aan de staatssecretaris hoe zij hiernaar kijkt. Maar we moeten daar wel stappen in zetten. Waarom werkt het ene samenwerkingsverband wel goed en het andere niet? Hoe kan dat nou? Moeten we strengere eisen aan ze stellen? Moeten we dat harder afspreken met elkaar? Volgens mij gaat dat verder dan de discussie die wij zelf de laatste tijd hebben gevoerd. Volgens mij moeten we daar nu de volgende stap in zetten. Stel nu dat de staatssecretaris straks zegt: de stip op de horizon wordt om het in 2035 anders te gaan doen of het construct op te heffen. Volgens mij hebben we dan met z'n allen een heel mooi doel waar we naartoe kunnen werken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Maar met het anders inrichten van samenwerkingsverbanden, waar ik ook genoeg kritische vragen over heb gesteld, zijn we er natuurlijk nog steeds niet. Laten we kijken naar het aantal thuiszitters. Dat zijn er naar schatting 70.000. Er zijn 280.000 kinderen die geen passend onderwijs krijgen, zegt Oudervereniging Balans. Dan is er veel meer aan de hand. Dan vraagt dat volgens mij om ingrijpen. Dan vraagt dat om keuzes maken. Dat is de afgelopen tien jaar nauwelijks gedaan, waardoor het uit de pas is gelopen. Mijn vraag is dus: gaat de VVD de komende jaren echt stappen zetten om in te grijpen, om ervoor te zorgen dat er fors wordt geïnvesteerd in de leerkrachten die het werk moeten doen en in de scholen die het werk moeten doen, en om te voorkomen dat nog meer kinderen straks thuis komen te zitten omdat er geen passend onderwijsaanbod is?

De heer Kisteman (VVD):

Volgens mij hebben we in het regeerakkoord afgesproken om 1,5 miljard euro vrij te maken, onder andere om te investeren in leraren. Belangrijk in deze discussie is dat de samenwerkingsverbanden financiële middelen krijgen om leerlingen passend onderwijs te kunnen bieden, hetzij in het reguliere onderwijs, hetzij in het speciaal onderwijs. Toch blijft er soms geld over. Hoe kan dat dan? Er worden soms toch keuzes gemaakt om bepaalde dingen niet te doen. Volgens mij moeten we daar stappen op gaan zetten en moeten we daar de discussie met elkaar over gaan voeren.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker pakt nu snel haar spreektekst. Dat is mevrouw Westerveld. Zij spreekt nog namens de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. Ik kwam net iets later binnen, omdat er ook een commissiedebat over de ggz was; dat is ook een belangrijk onderwerp.

Voorzitter. Dit debat gaat over meer dan een technische wijziging. Het gaat ook over een betrouwbare overheid en over de vraag of de Nederlandse overheid zich aan de eigen beloften en de eigen doelstellingen houdt en of Nederland ook staat voor fundamentele mensen- en kinderrechten. Ik weet het nog goed: het kernpunt van de beloften die zijn gedaan bij de invoering van de Wet passend onderwijs, was dat alle kinderen een passend aanbod zouden krijgen en dat scholen extra ondersteuning zou worden geboden als dat nodig zou zijn. Of neem het Thuiszitterspact, dat in 2016 is ondertekend, met daaronder de handtekening van drie ministeries, waaronder het ministerie van OCW. Daarin was het doel dat in 2020 geen enkel kind thuis zou zitten zonder passend onderwijs. U hoort het goed: 2020; dat was zes jaar geleden. Ruim tien jaar na de invoering van passend onderwijs en zes jaar nadat geen enkel kind nog thuis zou moeten zitten zonder passend onderwijs, zitten nu meer leerlingen dan ooit thuis. Zij krijgen geen goed onderwijs dat aansluit bij wat zij nodig hebben. Er gaan ook steeds meer kinderen naar het speciaal onderwijs, waardoor er zelfs wachtlijsten zijn. Er zijn ook steeds meer problemen met het leerlingenvervoer. Er worden ook steeds meer kinderen, onder meer kinderen met een beperking, geweigerd en vrijgesteld van onderwijs.

Het schrijnende hieraan vind ik dat de overheid zelf de eigen doelstellingen heeft ondermijnd door bij de invoering van de Wet passend onderwijs stelselmatig niet te luisteren naar de inbreng van leraren en onderwijsbonden. Niet voor niets was de Amsterdam ArenA destijds helemaal vol met leraren die zagen aankomen dat zij met een onmogelijke taak opgezadeld zouden worden. Ik weet dat goed, want ik werkte destijds bij de Algemene Onderwijsbond. Ik ken die kant van het verhaal dus heel goed. Maar er is de afgelopen jaren ook te weinig ingegrepen in het stelsel van jeugdhulp, dat steeds vaster komt te zitten. Dat onderwerp gaat de huidige staatssecretaris nauw aan het hart; zij heeft daar in haar vorige functie veel mee te maken gehad.

Voorzitter. Het meest schrijnende in dat kader werd afgelopen dinsdag duidelijk, toen de OCW-begroting werd aangenomen met bijna 800 miljoen aan bezuinigingen in het onderwijs. Ja, ik heb de heer Kisteman zojuist gehoord; hij zegt "we investeren", maar dat betekent feitelijk dat volgend jaar de bezuinigingen van het vorige kabinet worden teruggedraaid, dat het onderwijsniveau nog steeds niet op peil wordt gebracht en dat nog steeds niet wordt gedaan wat nodig is in het onderwijs. De afgelopen jaren hebben ook coalitiepartijen enorm veel schade aangebracht in het onderwijs. We hadden echt gehoopt, met ook D66 in de coalitie, dat het onderwijs deze keer en ook volgend jaar gespaard zou blijven, maar we komen van een koude kermis thuis. Het is een politieke keuze om die bezuiniging van 2026 te laten staan.

Mijn eerste vragen aan de staatssecretaris zijn als volgt. Staan die doelen van de Wet passend onderwijs eigenlijk nog overeind? Zo ja, wat gaat de staatssecretaris doen om deze te halen? Wat is er eigenlijk gebeurd met de afspraken in het Thuiszitterspact uit 2016? Hoe kan het dat dergelijke convenanten worden getekend en dat daar handtekeningen van werkgeversorganisaties en ministeries onder staan, maar dat zij daarna in een diepe la lijken te belanden? Hoe kan het ook dat het VN-verdrag Handicap en het Kinderrechtenverdrag op een aantal fundamentele punten, zoals het recht op onderwijs en het recht van kinderen om hun stem te laten horen, niet worden nagekomen?

Het gaat vandaag niet over uitzonderingen. In al die jaren waarin ik Kamerlid ben, krijg ik nog steeds voortdurend berichten van ouders maar ook van leraren en onderwijsondersteuners die met de handen in het haar zitten, maar ook van kinderen die vertellen wat thuiszitten met hen doet. Zij hebben het gevoel dat zij voortdurend falen, dat zij ergens niet bij horen en dat ze niet goed genoeg zijn, maar zij voelen ook eenzaamheid, die voortvloeit uit dat thuiszitten en niet je klasgenoten tegenkomen. Specifiek tegen deze kinderen wil ik zeggen: het ligt niet aan jullie; het ligt echt niet aan jullie. Het ligt aan een onderwijssysteem waarin voortdurend wordt geprobeerd om kinderen door dezelfde mal te drukken. Het ligt trouwens ook niet aan de onderwijsondersteuners en de leraren, die ontzettend hard hun best doen maar die ook te dealen hebben met de verschillen die er zijn in de klas en vaak ook nog met onzekerheid, ook met onzekere contracten, en met volle klassen waarin zij niet elke leerling de aandacht kunnen geven die de leerling verdient. Het ligt zeker niet aan het onderwijs, de ouders of de leerlingen; het ligt aan politieke keuzes.

Oudervereniging Balans heeft onderzocht om hoeveel kinderen het zou gaan. Het getal kwam hier al een paar keer naar voren. Uit hun rapport Thuiszitters tellen, dat vorig jaar is gepresenteerd, blijkt dat meer dan 70.000 kinderen langer dan drie maanden thuiszitten en dat meer dan 280.000 kinderen geen volwaardig onderwijs krijgen. Laat dat even tot u doordringen: 280.000 kinderen! Daar zitten inderdaad kinderen bij die hoogbegaafd zijn, die geen passend aanbod hebben. Er zitten kinderen met een beperking tussen, evenals kinderen met mentale problemen, kinderen met PAIS of met long covid. Destijds hebben we wat deze laatsten betreft trouwens in alle coronadebatten gevraagd: "Let specifiek op deze groep. Zorg dat ze straks niet buiten de boot vallen." En toch gebeurt het. Vandaar ook de agitatie in mijn stem, voorzitter.

Heel veel van deze discussies voeren we gewoon elke keer weer, ieder jaar opnieuw. Maar ook deze aantallen laten zien dat er haast gemaakt moet worden. Ik zei het net al: dit is niet de eerste keer dat we dit vragen. In de afgelopen jaren deden we met meerdere partijen in de Kamer voortdurend voorstellen om leraren beter te ondersteunen, ruimte te geven aan initiatieven die op het snijvlak van zorg en onderwijs zitten. Het probleem daarbij is dan dat het dan net geen zorg is en dus geen zorgfinanciering kunnen krijgen, maar ook dat het geen onderwijs is en dus geen onderwijsfinanciering kunnen krijgen. En dat met alle bureaucratie van dien, waar al deze initiatieven, en trouwens ook ouders en leerkrachten, tegen aanlopen, terwijl ze gewoon hun best willen doen om ervoor te zorgen dat kinderen weer naar school kunnen gaan.

We hebben voorstellen gedaan om de structuur aan te passen, met minder bureaucratie en regeldruk, en om de financiële reserves van samenwerkingsverbanden terug te brengen en die juist te investeren in projecten zodat kinderen naar school kunnen gaan. We hebben voorstellen gedaan om het leerlingenvervoer te verbeteren. Ik heb zelf ook weleens gesuggereerd om dan maar samenwerkingsverbanden af te schaffen. Dat was een nogal wild voorstel. Ik begrijp ook wel dat dat niet zonder consequenties is. Maar het bredere punt is wel dat ik niet begrijp, zoals net ook bleek in het interruptiedebatje, waarom er op dit thema de afgelopen jaren geen echte keuzes zijn gemaakt. Er moeten een aantal fundamentele beleidskeuzes worden gemaakt in het belang van het kind en in het belang van iedereen die in het onderwijs werkt.

Dat is ook ons kritiekpunt op deze wet. De Wet terugdringen schoolverzuim regelt een paar dingen: het versterken van verzuimbeleid, het verbeteren van het zicht op verzuim, het tijdig betrekken van de leerplichtambtenaar bij ongeoorloofd verzuim en het verbeteren van de procedure rondom de vrijstelling op grond van lichamelijke of psychische gronden. Dat zijn allemaal maatregelen waar wij natuurlijk helemaal niet tegen zijn. Sterker nog, daar zijn we voor. Maar we zijn wel kritisch op het doel dat de regering zegt te beogen met dit wetsvoorstel. De regering stelt dat met dit wetsvoorstel langdurig schoolverzuim wordt voorkomen en kan worden verminderd, hoewel de memorie van toelichting daar wel al meteen een kanttekening bij zet. Die kanttekening snap ik, want dit wetsvoorstel is voor dat doel echt veel te slap; er is echt veel en veel meer nodig. Kinderen zitten natuurlijk niet thuis vanwege een gebrek aan registratie. Kinderen zitten thuis vanwege het gebrek aan goede onderwijsplekken en het gebrek aan ondersteuning. Aan dat gebrek doet dit wetsvoorstel niets.

Ik noemde net ook al de knelpunten op het gebied van passend onderwijs, die al jaren bekend zijn, maar waar veel te weinig aan wordt gedaan. Ik noem bijvoorbeeld het knelpunt dat de geldstromen tussen zorg en onderwijs twee verschillende dingen zijn: dat zorggeld niet mag worden ingezet voor onderwijs en dat onderwijsgeld niet aan zorg mag worden besteed. Ik las in de voorbereiding van dit debat ook weer eens de brieven terug van de toenmalige bewindspersonen Arie Slob en Hugo de Jonge. In 2018 schreven zij een brief waarin dit knelpunt al duidelijk werd benoemd. We hebben toen ook de bewindspersonen voor Zorg en Onderwijs bij elkaar gezet in een debat om te voorkomen dat er naar elkaar zou worden gewezen en dat "dit is de verantwoordelijkheid van mijn collega" zou worden gezegd.

We zijn nu acht jaar verder, en er is op dat vlak weer veel te weinig gebeurd, terwijl de hele Kamer wil dat dit wordt aangepast en ik eigenlijk ook alle bewindspersonen hoor zeggen dat we dit natuurlijk moeten aanpassen. Mijn vraag is dan: waarom is er in die acht jaar zo weinig gebeurd? Of wat zie ik dan over het hoofd? Waarom zijn in ieder geval de problemen groter geworden en hoor ik van dezelfde mensen nog dat ze tegen dezelfde bureaucratische rompslomp aanlopen? Er zijn door het hele land heel veel goede initiatieven waardoor kinderen wel naar school kunnen. Samen naar School-klassen zijn hier vaak genoemd, maar ook Digibende. Maar nog steeds krijg ik van deze organisaties verhalen dat ze tegen allerlei gedoe aanlopen. Dat willen we niet. Dat wil niemand. We willen gewoon dat kinderen naar school kunnen, maar ze lopen aan tegen heel veel gedoe. Of het ontbreekt aan structurele financiering. Projecten worden dan wel tijdelijk gefinancierd, maar dat is natuurlijk ook geen permanente oplossing. Hierop aansluitend vraag ik mij nu ook af hoe het gaat met bijvoorbeeld het "rommelpotje" van collega-Kamerlid Kwint. Ik zie mevrouw Beckerman daar ook zitten. Die gaat daar misschien ook nog wel iets over vragen. Dat potje was juist bedoeld om goedlopende initiatieven te ondersteunen voor kinderen die thuiszitten en die nu tussen wal en schip vallen.

Ook de problemen rondom het leerlingenvervoer zijn al heel lang bekend. Ook daar zien we niet dat er echt wordt ingegrepen in de manier waarop het is georganiseerd, terwijl dat wel nodig is. De problemen rondom het leerlingenvervoer of het ontbreken van leerlingenvervoer zorgen er ook voor dat kinderen thuiszitten of dat ze vaak veel te laat op school komen. Dan zou je denken dat alles op alles wordt gezet om dit te regelen met gemeenten, maar dat lijkt niet te gebeuren. Ik hoor nog steeds, ook niet lang geleden nog, tijdens werkbezoeken op scholen van kinderen dat ze heel lang moeten wachten, dat de bus te laat is of dat ze soms heel lang in een volgestopt busje zitten. Dat is ook weer niet de schuld van die chauffeurs, maar dat laat wel zien dat er toch ergens regie nodig is. Dus ik hoop dat de staatssecretaris daar ook op in wil gaan.

Het is ook een gevolg van deze wet dat veel meer geregistreerd gaat worden over kinderen. Daarin zit ook een risico, want gegevens over verzuim zijn natuurlijk heel gevoelig en kunnen misschien herleidbaar zijn tot één leerling. Hoe gaat worden geborgd dat er zorgvuldig wordt omgegaan met de gegevens van leerlingen? En hoe wordt ervoor gezorgd dat dit inzicht niet ten koste gaat van de privacy van leerlingen?

Een andere zorg gaat over de vraag hoe we ervoor zorgen dat de extra registratie er niet juist toe leidt dat scholen terughoudend worden in het aannemen van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. We zien namelijk ook bij scholen die inclusief onderwijs aanbieden dat hun leerlingenpopulatie slecht past in de modellen van bijvoorbeeld de inspectie, waardoor ze worden afgerekend op het bieden van inclusief onderwijs. Op dit punt hebben we gelukkig een motie aangenomen, maar ik zie wel eenzelfde soort prikkel in dit wetsvoorstel. Dus mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe ze gaat zorgen dat door die betere registratie van verzuim scholen geen kinderen gaan weren met een risico op verzuim. Dus laat hen daar alsjeblieft niet op afgerekend worden.

Voorzitter. Verder lees ik op de site van de onderwijsinspectie — ik heb dat weleens eerder aangekaart — dat het in principe nu al de bedoeling is dat samenwerkingsverbanden elke drie maanden hun thuiszittersregistratie bijwerken en aanbieden aan de inspectie. Er staat dat deze thuiszittersregistratie wordt opgevraagd, zodat we ook zicht krijgen op het vermogen van de samenwerkingsverbanden om dat aantal thuiszitters terug te dringen. Dan heb ik toch weer vraagtekens als ik dit lees. Blijkbaar worden er al gegevens verzameld over thuiszitters. Maar ik heb hier ook in de Tweede Kamer vaak gehoord dat we niet precies weten hoe groot die aantallen zijn. Dan noemen wij weer dat rapport van Balans over die 70.000. Dan horen we van de voorganger van deze staatssecretaris dat het er veel minder zijn, maar dat niet precies duidelijk is hoeveel. Als deze cijfers al worden verzameld, hoe kan het dan dat wij die niet krijgen? Het zou namelijk elke drie maanden per samenwerkingsverband gewoon inzichtelijk moeten zijn hoeveel thuiszitters er zijn.

Als ik dan ook dat registratieformulier download, dan zie ik dat op leerling- en schoolniveau verzuim moet worden geregistreerd. Ik heb daar eerder vragen over gesteld. Ik ben gewoon benieuwd hoe dat dan zit, waarom we dit inzicht niet hebben elke drie maanden en waarom we niet exact weten hoeveel leerlingen met welke reden thuiszitten. Ik heb deze vraag weleens eerder gesteld en heb volgens mij destijds ook een toezegging gehad. De site OCW in cijfers is een hele handige website, waar je heel veel informatie vandaan kan halen, maar niet de gegevens over de samenwerkingsverbanden. Destijds is toegezegd dat ook gekeken zou worden of op deze website meer inzicht gegeven zou kunnen worden in hoe samenwerkingsverbanden het doen. Ik hoop toch dat dat mogelijk is. Ik wil hierop graag een reactie van de staatssecretaris, zodat wij als Kamer dit gewoon beter kunnen controleren.

Dan ga ik verder over samenwerkingsverbanden. Ik zei net al dat ik daar best wel kritisch op ben, niet op het werk dat de mensen daar doen, maar wel op de manier waarop we het hebben georganiseerd. Ik ben ook kritisch op de problemen die ik zie rondom passend onderwijs, die sinds de invoering niet zijn opgelost, waarbij er wel op sommige plekken hele hoge financiële reserves zijn, waarvan we als hele Kamer ook zeggen dat dat geld naar kinderen moet gaan. Ik lees op bladzijde 19 van de memorie van toelichting ook van alles terug over wat een samenwerkingsverband kán doen, met de nadruk op "kan". Dan lees ik: "Een samenwerkingsverband kán een gesprek aangaan met een school over hoe verzuim kan worden teruggedrongen. Een samenwerkingsverband kán kijken of er een noodzaak is voor aanvullende ondersteuningsvoorzieningen. De extra informatie kán een aanknopingspunt zijn voor verdere analyse en onderzoek." Maar dat lijkt me eigenlijk allemaal best wel vrijblijvend. Waarom wordt er niet veel duidelijker opgeschreven wie nou welke verantwoordelijkheid heeft? Wij krijgen namelijk ook terug van mensen die in het onderwijs werken, maar ook van ouders, dat ze heel vaak van het kastje naar de muur worden gestuurd en dat het niet precies duidelijk is waar nou die verantwoordelijkheid ligt. Ik heb het idee dat die vrijblijvendheid een reden hiervan kan zijn. Graag een reactie dus van de staatssecretaris.

In artikel 7, waarin het gaat over de vrijstelling, wordt ook toegelicht dat de arts, de pedagoog of de psycholoog het onderwijskundige perspectief betrekt bij de verklaring die nodig is voor een vrijstelling van de leer- of kwalificatieplicht. Dan gaat het dus over die lichamelijke of psychische gronden. Dat was al zo — de arts had daar al een rol in — maar ik vraag de staatssecretaris om straks nog toe te lichten welke rol dat precies is, en ook hoe het zit met de werkdruk. Daarover hoor ik huisartsen en andere mensen in de zorg namelijk. Kan de staatssecretaris daar straks op ingaan?

Voorzitter. Zoals bij elk wetsvoorstel zijn er oordelen gekomen van de Raad van State en het Adviescollege toetsing regeldruk. Daar schrokken we eigenlijk wel van, want de Raad van State gaf in december 2023 het dictum a, en het Adviescollege toetsing regeldruk een dictum 4, en die zeiden eigenlijk: niet indienen. Dit is misschien iets te kort door de bocht gezegd en daar zal de staatssecretaris straks vast op ingaan, maar zo lazen wij het. Het kabinet is bij de bijstelling van deze wet nog wel tegemoetgekomen aan kritiekpunten van deze adviesraden, maar lang niet aan alle. Kan de staatssecretaris verduidelijken of zij vindt dat er genoeg tegemoetgekomen is aan de kritiekpunten van deze belangrijke adviesorganen?

Voorzitter. Als fractie wilden wij ook nog wel een aantal voorstellen doen om de wet te verbeteren, maar ik had eigenlijk hetzelfde dilemma als de heer Ceder. Deze wet is niet geschikt om er meteen hele grote voorstellen voor te doen, want dan komen we aan de wet. Eigenlijk vragen een aantal voorstellen bijna om een eigen initiatiefwet. Ik vind het dus best een dilemma hoe we daarmee moeten omgaan, maar we tekenen wel het amendement van de heer Ceder mee.

Ook hebben wij een amendement ingediend dat vraagt om het wettelijk verankeren van de preventieve rol van de leerplichtambtenaar. In veel gemeenten pakt de leerplichtambtenaar namelijk op dit moment ook een preventieve rol om schoolverzuim te voorkomen, in plaats van alleen achteraf te handelen, dus curatief. We zien ook dat de leerplichtambtenaar in steeds meer gemeenten fungeert als ondersteuner, als schakel en als regisseur binnen de brede verzuimketen. Dat lijkt ons een goede ontwikkeling. Alleen is deze preventieve rol niet vastgelegd in de wet en verschilt die ook heel sterk per gemeente. Ik hoor leerplichtambtenaren zeggen dat ze in verschillende gemeenten hun taken heel anders invullen.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Deze interruptie gaat over het laatste, over het amendement. Ik heb dit ook overwogen, maar ik heb er uiteindelijk geen amendement voor gemaakt. U heeft het wel gedaan. Ik maakte die afweging, omdat ik me afvroeg of de leerplichtambtenaar de casus aan de voorkant niet te veel in het strafrechtelijke trekt. De leerplichtambtenaar heeft nu een andere rol dan een preventieve rol of een meedenkrol. Als dit amendement wordt aangenomen, vereist dit dat de rol van de leerplichtambtenaar fundamenteel wijzigt. Dat kan. Dat kunnen we met z'n allen besluiten en vinden. Volgens mij moet je dan nog meer wijzigen dan alleen wat dit amendement regelt. Ik ben even benieuwd of mevrouw Westerveld mijn zorg deelt. Als je als leerplichtambtenaar aan de voorkant doet wat je primair doet, breng je misschien juist de casussen die je in een ontspannen setting wilt bespreken, gelijk in een bepaalde gespannen setting, in ieder geval voor de ouders. Dat brengt het kind misschien niet verder.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik begrijp deze vraag heel goed. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om de spanning te verhogen. De bedoeling is juist dat de leerplichtambtenaar op een vaak laagdrempelige, informele manier aan de voorkant al mee kan helpen en mee kan denken. Op die manier kan de leerplichtambtenaar bekijken wat er nodig is om ervoor te zorgen dat een kind onderwijs kan volgen. Dat is specifiek de bedoeling. Ik hoor van leerplichtambtenaren dat ze graag die rol zouden willen hebben, want zij zitten helemaal niet te wachten op conflicten met ouders of anderen. Zij willen dat er een oplossing komt en zij geven juist aan: laat ons al aan de voorkant, aan de preventieve kant, meedenken. Zij denken namelijk dat ze een heel belangrijke rol kunnen vervullen om juist te voorkomen dat het misgaat, dat het straks een zaak wordt en dat partijen helemaal tegenover elkaar komen te staan. Dat is de bedoeling van dit amendement.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank voor de verheldering. Het gaat me er niet zozeer om hoe leerplichtambtenaren ernaar kijken, want ik ken de argumenten. Zij zijn daarvoor. Op zich zeg ik: oké, mooi. Het gaat mij meer om de beleefwereld van ouder en kind. Of je het nu wilt of niet, een leerplichtambtenaar roept bepaalde associaties op, net zoals wanneer een deurwaarder voor de deur staat. Misschien is dit een kans om een wat positievere reputatie te creëren voor de leerplichtambtenaren. Mijn zorg ligt hem in de perceptie. Als ouders en kinderen horen dat de leerplichtambtenaar aan de voorkant erbij betrokken is, dan schrikt dat af, waardoor de communicatie minder effectief tot stand komt. Mijn vraag is even of mevrouw Westerveld dat ook ziet of deelt en hoe we dat kunnen voorkomen. Ik sta namelijk niet negatief tegenover het amendement, maar dit is wel de reden waarom ik dacht: oei, moeten we het nu zo via een amendement regelen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is een zeer terechte vraag. Ik denk dat het deels ligt in de term "leerplichtambtenaar". De Kamer heeft heel vaak gezegd dat het "leerrecht" zou moeten zijn in plaats van de nadruk te leggen op de "plicht". Dat heeft vast een historische achtergrond. Daar kan de staatssecretaris ons misschien ook meer over vertellen. Daar zit 'm dat natuurlijk in. Als ik met leerplíchtambtenaren praat, dan valt me op dat de term bijna niet aansluit bij het werk dat zij doen. Het werk dat zij doen, ligt veel meer in het voeren van gesprekken en in het voorkomen dat het misgaat. Ze geven echter ook aan — en dat heb ik bewust een beetje uit dit debat gehouden — dat het aantal kinderen dat niet naar school gaat omdat de ouders bijvoorbeeld zeggen dat geen enkele school past bij de manier waarop zij hun kind willen opvoeden, hun wel zorgen baart. Het kan namelijk ook gebeuren dat de ouders redenen aangeven zoals: we vertrouwen de overheid niet meer. Leerplichtambtenaren worstelen ook met hoe ze daarmee moeten omgaan. De zaken kunnen weleens escaleren, kunnen vóórkomen en uiteindelijk bij een rechter belanden. Dat is eigenlijk niet hoe je het wilt hebben. Je wilt juist dat er aan de voorkant een laagdrempelig gesprek gevoerd kan worden. Ik hoop dat deze verduidelijking al bijdraagt aan begrip van de bedoeling van dit amendement.

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik hoor mevrouw Westerveld zeggen dat er een rol is weggelegd voor de leerplichtambtenaar, maar ik vraag me toch af welke rol zij in dit verhaal ziet voor de ouders zelf.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ouders hebben in principe gewoon de plicht om ervoor te zorgen dat hun kind naar school gaat, tenzij ... Er kunnen een aantal redenen zijn, bijvoorbeeld dat een kind lichamelijk of psychisch ziek is, waardoor een kind niet naar school kan. Ouders kunnen ook aangeven dat ze bezwaren hebben tegen scholen in de omgeving. Een kind kan dan een vrijstelling worden verleend. Maar in principe moeten alle ouders in Nederland ervoor zorgen dat hun kind onderwijs krijgt.

Mevrouw Raijer (PVV):

Er is ook nog het absolute verzuim, met kinderen die dus helemaal niet staan ingeschreven op scholen en van wie we helemaal niet weten of ze ziek zijn of iets dergelijks. Hoe wilt u dat gaan aanpakken, juist voor die specifieke doelgroep?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik weet niet zo goed waarom die vraag aan mij wordt gesteld, want ik heb het net over die groepen gehad, over de kinderen die worden vrijgesteld van de leerplicht. Dat betekent dus dat ze niet naar school gaan en niet naar school hoeven te gaan; die worden dus vrijgesteld. Over een deel van deze jongeren en kinderen maak ik me wel degelijk zorgen. Denk aan kinderen met een beperking die graag naar school willen, maar voor wie geen passend aanbod is en die eigenlijk tegen hun zin of tegen de zin van hun ouders niet naar school gaan. Maar er zijn ook ouders — dat gaf ik net aan — die een bezwaar hebben en op die manier een vrijstelling krijgen van de leerplicht. Dat staat nu ook al in de wet. Dat zijn die vrijstellingsgronden a, b en c. Dat is dus niets nieuws of zo.

Mevrouw Raijer (PVV):

Ik heb het niet over de doelgroep die een vrijstelling heeft, maar over de doelgroep die helemaal verdwenen is en die eigenlijk nog nooit ingeschreven heeft gestaan in het onderwijs. Dat zijn dus kinderen van wie we helemaal niet weten wie of waar ze zijn. Hoe gaan we om met die doelgroep? Dat betreft dus niet de doelgroep die al vrijstellingen heeft of de kinderen met een beperking, want wat hen betreft begrijp ik wat u zegt. Het gaat dus echt om de doelgroep die totaal niet staat ingeschreven, van wie we echt niet weten wie ze zijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dat is deze doelgroep. Dit is de groep kinderen die niet is ingeschreven. Dat noemen we zo. Ze krijgen dan een vrijstelling van onderwijs en dan hoeven ze niet naar school. Dat is deze doelgroep. Ik zie mevrouw … Misschien kan de staatssecretaris daar straks op ingaan. Dat gaat over de groepen waar ik het net over heb.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog. Ik geef aan dat u nog ongeveer negen minuten indicatieve spreektijd heeft.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Het komt ook wel mooi uit, want ik wilde het hierover hebben. Ik had het net over de preventieve rol van de leerplichtambtenaar. Dan over deze groep. Nederland telt steeds meer kinderen die niet naar school gaan omdat hun ouders een beroep doen op artikel 5b van de Leerplichtwet. Er stond volgens mij een paar maanden geleden een interessant artikel in het onderwijsblad van de Algemene Onderwijsbond. Dat artikel ging over die 5b-vrijstelling, die inhoudt dat een kind vrijstelling krijgt van de leerplicht omdat er binnen een redelijke afstand geen school te vinden is die bijvoorbeeld past bij de geloofs- en levensovertuiging van de ouders. De groei van die 5b-vrijstellingen baart ook onze fractie zorgen. Waar het in 2016 en 2017 nog ging over 813 kinderen, ging het in 2023 en 2024 om 2.475; dat is een flinke groei. Wat ons zorgen baart, is dat de huidige Leerplichtwet alleen bepaalt dat een kind met een vrijstelling niet meer naar school hoeft, en daar houdt het dan ook bij op. Dan is er dus — dat zeg ik ook even tegen mevrouw Raijer — geen instantie die zicht houdt op de vraag of deze kinderen daadwerkelijk kwalitatief goed onderwijs ontvangen. Dat is ook schrijnend omdat we van al deze kinderen in principe niet weten of ze wel of geen onderwijs krijgen en of er dus eventueel ook een risico is voor hun ontwikkeling.

Nou weet ik echt dat verreweg de meeste ouders die hun kind bijvoorbeeld niet naar school laten gaan, wel thuisonderwijs geven op een hele goede manier, waarbij ze erover hebben nagedacht, er contact is met andere ouders die datzelfde doen, er uitwisselingsprojecten worden georganiseerd, ze vaak met de kinderen naar evenementen gaan, buiten in de natuur zijn en ze hun kinderen goed alle basisvaardigheden leren, zoals lezen en schrijven enzovoort. De meeste ouders doen dat op een hele goede manier en die leren ook van elkaar, maar dat is niet de groep waarover ik me zorgen maak; dat bleek net ook al. Er is ook een groep kinderen van wie we dit gewoon niet weten. Dan weet ik vanuit mijn rol als woordvoerder jeugdzorg van heel dichtbij af van situaties waarbij kinderen verwaarloosd worden, waarbij ouders hun kinderen opvoeden met een eenzijdige blik of waarbij kinderen soms ook slachtoffer zijn van misbruik of mishandeling. Als er geen zicht is op die groep kinderen, maak ik me daar wel zorgen over. Voor hen vind ik het namelijk essentieel dat ze naar school gaan.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het is terecht dat mevrouw Westerveld dat punt aanstipt. In mijn interruptie op de heer Kisteman ging het daar ook over. Volgens mij is dat onderscheid ook wel goed en scherp gemaakt. Je hebt kinderen die geen onderwijs krijgen en waarbij de ouders en de kinderen dat betreuren. Je hebt een groep die wel onderwijs krijgt maar waarbij er momenteel geen zicht is op de kwaliteit daarvan, hoewel er ouderverenigingen zijn; die hebben ook contact met de leerplichtambtenareninstanties. Ik weet dat het kabinet bezig is om te kijken hoe je dit goed kan regelen dan wel formaliseren, maar er zijn geluiden vanuit bijvoorbeeld de leerplichtambtenareninstantie Ingrado. Ingrado zegt: geef ons nou de taak om ook toezicht te houden op de kwaliteit van het thuisonderwijs — dat kan via een vereniging et cetera — waardoor dat meestal kwalitatief in orde is doordat het onder toezicht staat. Ik ben er nog niet helemaal over uit, maar dit is een gedachtegang. Zo maak je in ieder geval een onderscheid en is er een veel gerichtere benadering van kinderen die geen onderwijs krijgen. Mijn vraag is hoe mevrouw Westerveld naar die suggestie van Ingrado kijkt. Ik denk te weten dat ze in België al zo'n systeem hebben. Voor zover ik begrijp is het aantal thuiszitters daar relatief gezien veel lager.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik wilde daar nog op ingaan. Ik denk dat dit niet het moment is om daar uitgebreid een discussie over te voeren, maar het raakt wel aan dit thema. We hebben jaren geleden ook al eens in de Kamer aan het kabinet gevraagd om eens richtingen uit te werken en duidelijk te maken wat we kunnen doen. Afgelopen december lag er een brief van staatssecretaris Becking die vertelde dat hij aan de slag wilde gaan. Hij schetste eigenlijk een aantal scenario's waarmee we kunnen zorgen dat we wel enig zicht houden op deze kinderen. Een van de onderwerpen in die brief was: moeten we de onderwijsinspectie niet bijvoorbeeld apart nog weer toezicht laten houden, terwijl dat wel — dat werd in die brief ook eerlijk geschetst — een veel duurdere optie is? Dat vind ik best een dilemma. Deels zit het dilemma erin dat ik natuurlijk ook vind dat ouders er primair verantwoordelijk voor zijn dat hun kind onderwijs krijgt, iets wat sommige ouders prima gaan doen. Maar ik vind ook dat de overheid de taak heeft om te zorgen dat kinderen elkaar tegenkomen, dat ouders hun kinderen niet op een eenzijdige manier opvoeden en dat er ergens nog zicht is op iets beters, helemaal voor die groep kinderen die helemaal uit beeld verdwijnen en waarvan we niet weten hoe het met ze gaat.

Ik doe de debatten over jeugdzorg; dat geldt ook voor u. In die debatten zijn we hier ook allemaal heel boos op het moment dat blijkt dat de kinderen thuis worden verwaarloosd, terwijl daar geen enkel zicht op is. Dat is hier gewoon het dilemma, dus ik denk dat we aan de hand van de opties die vanuit het kabinet nog komen we hier heel goed met elkaar het debat over moeten voeren. We moeten dan gewoon eerlijk alle dilemma's neerleggen en met elkaar die afweging maken over de vraag hoe wij dat in willen richten. Ik zal alvast een voorschot nemen en zeggen: ik vind het niet wenselijk dat het aantal kinderen dat een vrijstelling krijgt, niet naar school gaat, geen andere kinderen tegenkomt en uit het zicht van overheidsinstanties verdwijnt, zo veel groter wordt. Ik maak me zorgen over een klein deel van deze groep, maar juist voor die kinderen en jongeren vind ik dat wij er ook moeten zijn. Dat kan, denk ik, wel ergens pijn gaan doen in de keuzes die gemaakt moeten worden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

U heeft gelijk. Je kan je afvragen in hoeverre je deze discussie hier moet voeren. Ik ben die aangegaan omdat de heer Kisteman erover begon — u heeft er net ook wat over gezegd — juist omdat ik het wel met u eens ben dat je de scenario's goed met elkaar moet bespreken en daar ook de ruimte voor moet geven. Ik vroeg het ook even omdat ik benieuwd was hoe u ernaar keek. Ik vind ook dat je hier een fundamenteel gesprek over moet voeren; voor mij is dat dan wel aan de hand van waar het kabinet mee bezig is. Het kabinet is daar overigens al een tijdje mee bezig. Misschien is het goed om te vragen wanneer we daar het gesprek over kunnen voeren. Maar goed, dan heb ik dat even scherp. Ik wil ook voorkomen dat we na vandaag of volgende week een keus maken waarvan we eigenlijk niet kunnen overzien wat je daar wel of niet mee bereikt, of wie je daar wel of niet mee raakt. Dan ben ik op de hoogte van hoe u daarin staat.

De heer Kisteman (VVD):

Het blijkt toch dat mijn inbreng op het goede moment in het debat kwam. Ik was niet de enige die erover nadacht om dit vandaag te doen. Ik heb even een vraag aan mevrouw Westerveld. Is zij het met ons eens dat in het systeem, zoals we dat hebben geregeld, dus met het openbaar en bijzonder onderwijs, het helemaal niet nodig zou hoeven zijn om vanwege richtingsbezwaren niet meer naar school te gaan en thuis te komen zitten?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Sterker nog, ik heb daar jaren geleden met de heer Kwint van de SP een motie over ingediend. Die motie vroeg eigenlijk al om dit nou eens uit te werken en ervoor te zorgen dat kinderen naar school gaan, tenzij ze zo mentaal of psychisch ziek zijn dat dat niet kan. Het is inmiddels al een flink aantal jaren geleden dat we dit per motie hebben verzocht.

De heer Kisteman (VVD):

Dat is heel fijn om te horen. Misschien kunnen wij hierin samen optrekken en kijken wat de antwoorden van de staatssecretaris zijn. Dan wachten we het debat verder af.

De voorzitter:

Die interruptie tel ik dan weer niet mee. U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik kan een stukje van mijn spreektekst overslaan. Ik wil het hier juist over hebben, omdat we dus in december een brief kregen. Daarin werd ook deze motie genoemd. Ik dacht toen: hoezo zijn er eigenlijk een heel aantal jaren overheen gegaan? Het is namelijk wel een hele nodige discussie die we als Kamer moeten voeren, gezien het aantal kinderen dat nu thuiszit omdat de ouders richtingsbezwaren hebben. Ik hoor dus graag van de staatssecretaris hoe zij daarmee om wil gaan. Ik proef ook in de Kamer dat er wel behoefte is aan een fundamenteel debat daarover. Ik las natuurlijk ook de twee opties in die brief. De eerste optie is dat thuisonderwijs een eigenstandige sector wordt met toezicht door de inspectie. De tweede optie is het laten vervallen van die vrijstelling vanwege richtingsbezwaren zonder een alternatief op te nemen. Het gevolg daarvan is dan dat de leerplicht wordt uitgebreid. Ik heb in mijn tekst staan dat het mij goed lijkt dat we hier als Kamer een keer uitgebreid over gaan debatteren. Nou, dat heb ik denk ik wel genoeg gezegd. Het laat wel de ernst zien, want beide opties zijn best vergaand en vragen om ingrijpen in ons onderwijssysteem. Ik ben dus heel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris daarop.

Voorzitter. Dan stijgt dus ook het aantal kinderen dat vanwege een lichamelijke of psychische beperking geen onderwijs kan volgen. Dat gaat natuurlijk lijnrecht in tegen het doel van inclusief onderwijs, dat het kabinet ook heeft. Ik wil de staatssecretaris vragen of zij ook daarop kan reageren. Het is heel schrijnend dat kinderen die lichamelijk of psychisch ziek zijn, steeds vaker niet naar school kunnen en dat er geen passend onderwijsaanbod is. Ik hoor ook van docenten dat ze vaak een leerling graag in de klas willen hebben, maar dat het gewoon niet lukt. Aan de andere kant hebben we nog wel de doelstelling om ons onderwijs steeds inclusiever te maken en kinderen zo veel mogelijk met elkaar naar school te laten gaan. Ik wil de staatssecretaris vragen: gaat dat doel nog gehaald worden? Zo ja, wat is de komende tijd haar plan om dat doel te halen? Ook hier moet vaart gemaakt worden.

Voorzitter, ik sluit af. Ik heb de meeste punten uit de wet benoemd en ik heb onze vragen gesteld. Ik heb net gezegd dat ons voornaamste dilemma bij deze wet is dat de nadruk ligt op het verzuim zelf, maar niet op de onderliggende oorzaken ervan. Daardoor herhalen we elke keer weer hetzelfde gesprek. We hebben het er iedere keer over dat er geen passend aanbod is voor kinderen die hoogbegaafd zijn en voor kinderen met een beperking. We krijgen steeds weer petities van kinderen met longcovid, die aangeven dat ze zo graag naar school willen, maar dat dit niet kan. Laten we nou stoppen met voortdurend dezelfde discussies herhalen, en laten we met elkaar knopen doorhakken. Dat is ook mijn aanbeveling aan en mijn wens voor deze staatssecretaris. Volgens mij kan ze dat wel. Dit is in het belang van kinderen en hun ouders. Ouders willen namelijk niets liever dan dat hun kind gewoon naar school kan. Kinderen willen graag met andere leeftijdsgenoten in aanraking komen. Kinderen willen leren. Docenten willen gewoon hun werk kunnen doen. Laten wij ons in de Kamer nou verantwoordelijk voelen voor alle randvoorwaarden, en laten we die op orde brengen.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van D66.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter. Ik sluit me graag aan bij al deze bevlogen betogen. We bespreken vandaag een wet waarbij het goed is dat we een eerste stap zetten, maar waarbij ook nog veel meer nodig is.

Ik las laatst het verhaal van Sam. Sam is 8 jaar. Hij is slim, nieuwsgierig en al op jonge leeftijd verder dan de meeste kinderen in zijn klas. Maar inmiddels zit Sam al maanden thuis, zonder onderwijs en zonder leeftijdsgenootjes, niet omdat hij niet wil leren, maar omdat het hem op school niet meer lukte. In de klas werd hij gepest. Op school kreeg hij niet de uitdaging die hij nodig had. Hij raakte gefrustreerd. Wat begon als onbegrip groeide uit tot gedrag waar niemand meer raad mee wist. Steeds vaker werd hij naar huis gestuurd, totdat hij na de herfstvakantie helemaal niet meer welkom was in de klas. Zijn ouders proberen van alles; ze spreken met school, met jeugdhulp, met verschillende organisaties, maar passende hulp komt niet van de grond. Ondertussen staat Sam stil.

Voorzitter. Sam is helaas geen uitzondering. Er zijn in Nederlander duizenden kinderen die uitvallen door pesten, mentale problemen, ziekte en gebrek aan passend onderwijs. Elk kind verdient een recht op onderwijs. Dat recht hebben ze volgens het VN-Kinderrechtenverdrag, maar niet in onze Grondwet en ook niet in de praktijk. Thuiszitters zijn de kanarie in de kolenmijn. Zoals een thuiszitter het zelf mooi — treffend, moet ik zeggen — omschreef, zijn zij "niet het probleem maar de zichtbare slachtoffers van het haperende onderwijssysteem".

Vandaag spreken we over een wet die ervoor moet zorgen dat we beter zicht krijgen op deze thuiszitters, hen eerder signaleren en sneller in actie komen. Laat ik helder zijn: beter zicht op deze kinderen is nodig. We weten simpelweg nog steeds niet goed hoeveel kinderen als Sam er nu zijn. Schattingen gaan van 17.000 volgens het ministerie richting wel 70.000 thuiszitters volgens het onderzoek van Balans. We zien het vaak veel te laat wanneer het misgaat. Dit wetsvoorstel zet een stap in de richting van het beter in beeld krijgen van deze kinderen, door registratie in categorieën en informatiedeling met organisaties. Daarover heb ik een vraag aan de staatssecretaris: is zij van mening dat we met deze wet voldoende zicht hebben op alle kinderen die, bijvoorbeeld volgens het onderzoek van Balans waaraan ik refereerde, geen passende plek in het onderwijs krijgen? Of is daar nog meer voor nodig?

Daarnaast is het goed dat de wet het verzuimbeleid voor scholen verplicht stelt, informatiedeling tussen de verschillende verantwoordelijke organisaties en scholen verbetert en een signaal mogelijk maakt bij zorgelijk, ongeoorloofd verzuim, zodat tijdig kan worden bezien wat nodig is voor kinderen. Zo zijn scholen beter toegerust en hebben zij beter oog voor leerlingen die uitvallen, ook al gaat het soms om een enkel kind per school. Juist daarom is het van belang dat scholen zich hier echt mee bezig houden, want elk kind dat thuiszit is er een te veel.

Voorzitter. Ik kom bij mijn belangrijkste zorg, die ik hier al van meer Kamerleden gehoord heb: meer zicht op het probleem betekent niet meteen een oplossing voor het probleem. Dat is natuurlijk wat de memorie van toelichting, die daarop is aangepast, ook aangeeft. Registratie zorgt er namelijk niet direct voor dat ouders niet meer van het kastje naar de muur worden gestuurd. Registratie zorgt er niet direct voor dat Sam weer onderwijs krijgt. Hebben we dus ook zicht op de sleutel tot de oplossingen? Is er op tijd een plan gemaakt voor het kind? Voldoen scholen aan hun zorgplicht? Bieden samenwerkingsverbanden een landelijk dekkend aanbod? Zijn ouders en kinderen goed betrokken of staan ze er alleen voor? Zijn de adviezen van deskundigen opgevolgd of verdwijnen die in een la? Ik zou daarom graag aan de staatssecretaris vragen wat zij nog meer gaat doen om deze kinderen te helpen. Wat gaat zij de komende tijd aanvullend doen om dit probleem op te lossen, misschien ook vooruitlopend op inclusief onderwijs in 2030, het doel dat daarvoor was gesteld? Kunnen we daar zo mogelijk stappen op verwachten? Is zij bereid daarbij een verkenning uit voeren gericht op de effectiefste en passendste aanpak voor het borgen van het recht op onderwijs? Daar komt het namelijk uiteindelijk wel op neer.

Er zijn, ook in deze wet, mogelijkheden om thuiszitters concreter te helpen. Daar zijn wij in ieder geval naar op zoek gegaan. Ik hoor meer partijen dat zeggen. Uit onderzoek blijkt dat thuiszitten vaak niet begint met spijbelen, maar bijvoorbeeld juist met kinderen die steeds vaker ziek thuiszitten, langzaam uit beeld raken en uiteindelijk helemaal niet meer naar school terugkeren. Daarbij is het van belang dat we preventief inzetten op onderwijsuitval, bijvoorbeeld door de leerplichtambtenaar niet alleen een handhavende rol te geven, maar ook mee te laten kijken met de school en ouders, om zo sneller passende ondersteuning te organiseren. Ik denk aan het voorbeeld van Amsterdam, waar ze sinds kort dit initiatief nemen. Een thuiszittersadviseur begeleidt en adviseert daar betrokken leerplichtambtenaren over wat zij kunnen doen en welke rol zij kunnen pakken. Dat vraagt ook echt om een mentaliteitsverandering. Ik hoor ook dat Ingrado en de organisatie van leerplichtambtenaren daarnaar op zoek zijn. Zo kunnen de ambtenaren preventief worden ingezet en kan verdere toename van het verzuim worden voorkomen.

Voorzitter. Hoe kijkt de staatssecretaris naar een dergelijke verruiming van de rol van de leerplichtambtenaar? Wij doen met mevrouw Westerveld mee aan een amendement om dit mogelijk te maken. Is de staatssecretaris bereid om in dat kader een meer signalerende en preventieve rol te versterken en ervoor te zorgen dat leerplichtambtenaren daarvoor goed worden opgeleid en toegerust? Hoe kijkt zij naar het inzetten van thuiszittersadviseurs in alle regio's?

Voorzitter. Ik wil graag stilstaan bij de rol van de ouders en het kind zelf. Als we willen dat minder kinderen uitvallen, dan moeten we beter naar hen luisteren. Wat we nu vaak zien, is dat óver gezinnen wordt gesproken, maar niet mét hen, met ouders en leerlingen zelf. Juist daarom is het belangrijk dat zij een duidelijke stem hebben in de keuzes die worden gemaakt. Ouders geven aan dat niet altijd duidelijk is waar ze terechtkunnen of eventueel kunnen escaleren. Dat geldt soms ook voor professionals. Daarom zijn er gemeenten die werken aan het opstellen van heldere escalatieroutes voor ouders of professionals die vastlopen, om te verduidelijken welke partner welke rol en verantwoordelijkheid heeft. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook of zij daarin ook een mogelijkheid ziet en die escalatieroutes overal wil borgen, zodat dit overal zo gebeurt. We zien dat het ook hierbij weer in elke regio anders is. Laten we er nou voor zorgen dat we de zaken die goed gaan en als een goed voorbeeld dienen, zo veel mogelijk overal mogelijk maken.

Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit wetsvoorstel nu wat betreft de stem van leerlingen en ouders? Wordt die overal voldoende meegenomen?

Voorzitter. Ik wil ook nog een bredere zorg benoemen. Veel van wat wij hier vragen, vergt natuurlijk in de praktijk ook weer iets van scholen. Scholen hebben nu al te maken met een hoge werkdruk en toenemende administratieve lasten. Ook wij maken ons daar veel zorgen over. In het akkoord doen wij voorstellen om die tegen te gaan. Hoe weegt de staatssecretaris deze wet gelet op de toenemende regeldruk? Heeft zij geprobeerd na te gaan of de administratie na deze wet op een zo laag mogelijk niveau is gebracht? Ik zie dat daar in de memorie wel degelijk op is ingegaan en dat de toetsing regeldruk heeft plaatsgevonden, maar ik denk dat het goed is dat wij ook bij dit punt stilstaan.

Voorzitter. Ik wil graag met een hoopvolle noot afsluiten. Als we het aantal thuiszitters echt willen terugdringen, laten ons dan ook kijken naar de voorbeelden die laten zien dat het wél kan, zoals de Samen naar School-klassen die voor kinderen met een beperking binnen een reguliere schoolomgeving onderwijs en zorg op maat bieden. Ik was laatst op bezoek bij onze Amsterdamse school, waar men zelf het initiatief heeft genomen tot een aparte klas voor kinderen die anders thuis zouden zitten, maar die nu in een heel kleine klas met heel veel extra leraren en ondersteuning gewoon onderwijs kunnen volgen. Dit soort initiatieven staat of valt vaak met een schoolleider die heel bevlogen is, die zelf door allerlei muren heen weet te breken en geld uit potjes bij elkaar weet te rapen om dit mogelijk te maken. We zouden dat toch niet zo moeilijk moeten laten zijn. We zouden er toch voor moeten zorgen dat dit veel breder mogelijk is. Laten we daar met elkaar naar streven.

De School zonder Muren is ook een mooi voorbeeld dat ik onlangs tegenkwam. Daar brengt men het onderwijs echt naar kinderen toe, waar de leerlingen zich ook bevinden. Inderdaad, ook daarbij kijk ik bijvoorbeeld naar een voorstel voor meer digitaal afstandsonderwijs. Laten we dat nou mogelijk maken. We hebben in de coronatijd toch geleerd dat dit mogelijk is? We zien dat dit samen met onderwijsconsulenten ook vaak mogelijk is voor kinderen met een fysieke beperking of voor kinderen die een ziekte hebben. Waarom lukt het dan niet om passend onderwijs te organiseren voor de thuiszitters waar we het vandaag over hebben?

Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus: hoe kunnen wij dit soort goede initiatieven uitbreiden en zorgen voor een landelijk dekkend aanbod voor leerlingen, zodat geen kind meer thuis hoeft te zitten? Aangezien het de wettelijke taak is van de samenwerkingsverbanden om zorg te dragen voor een landelijk dekkend aanbod en zij daar op dit moment niet aan voldoen — we hebben immers heel veel thuiszitters — vraag ik de staatssecretaris of zij bereid is om te onderzoeken hoe kan worden gekomen tot een landelijk dekkend en beter functionerend netwerk van samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs.

Voorzitter, tot slot. Deze wet is een stap op weg. Dat verdient erkenning, maar laten we ook eerlijk zijn over waar we naartoe willen, want uiteindelijk gaat het niet om de cijfers. Het gaat om Sam. Ik geloof dat we dat samen kunnen bereiken, zodat we straks niet alleen een beter beeld hebben van het aantal thuiszitters, maar Sam ook gewoon naar school gaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik nodig mevrouw Beckerman uit. Zij is de volgende spreker aan de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens de fractie van de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ja, goedemiddag. Voorzitter. We hebben het vandaag over de Wet terugdringen schoolverzuim. Je zou dan denken dat deze wet gaat over het terugdringen van het schoolverzuim, maar niets lijkt minder waar: deze wet is niet gericht op minder schoolverzuim, maar op meer registratie. Of denkt het kabinet met deze wet het verzuim wel terug te dringen? En met hoeveel dan? Hoewel er zeker goede onderdelen in deze wet zitten, zoals de verruiming van de mogelijkheden voor de duur van vrijstelling, maakt de SP zich zorgen over een teveel aan registratie en het risico op een toename van drang en dwang. Want in dit voorstel, dat om preventie zou moeten gaan, staat nog steeds de strafrechtelijke kant centraal, middels de rol van de leerplichtambtenaar. Verzuim registreren is op zichzelf geen doel, maar een middel, en een middel dat er moet zijn om leerlingen te helpen. We weten wat de oorzaak van veel verzuim is: jongeren voelen zich op school niet gehoord, niet gezien, niet begrepen of niet veilig. Docenten worden opgezadeld met een onmogelijke taak. Het is onrustig in de klas, de klassen zijn te groot, scholen zijn niet goed uitgerust voor passend onderwijs. Voor veel kinderen is het een opluchting om niet meer naar school te hoeven. Dat is schrijnend.

Passend onderwijs knelt. Toen in 2014 de Wet passend onderwijs werd ingevoerd, was de belofte: met deze wet wordt het aantal thuiszitters teruggedrongen. Het tegenovergestelde is gebeurd: het aantal thuiszitters is alleen maar gestegen. De aantallen zijn hier al vaker genoemd. Balans telt er 70.000, en in totaal 280.000 jongeren die geen volwaardig onderwijs krijgen. De SP waarschuwde hier al voor bij de invoering van deze wet: "Passend onderwijs wordt knellend onderwijs," zo waarschuwden we. Als we verzuim echt willen terugdringen, of belangrijker, willen zorgen dat alle leerlingen voor hen goed onderwijs krijgen, dan moeten we terug naar de kern. Ik wil vier punten langs die volgens de SP nodig zijn voor het écht terugdringen van verzuim. Eén: investeren in het speciaal onderwijs. Twee: nu initiatieven steunen die thuiszitters helpen, zoals het "rommelpotje". En kleinere klassen. En leraren beter ondersteunen.

Te beginnen met investeren in het speciaal onderwijs. Speciaal onderwijs blijft voor een deel van de leerlingen de beste oplossing. Maar ook het speciaal onderwijs knelt. In een vorig jaar aangenomen motie werd gevraagd om de wachttijd en capaciteit van het speciaal onderwijs per regio inzichtelijk te maken. Wanneer kunnen we de resultaten verwachten? Deze zouden uiterlijk het eerste kwartaal van dit jaar komen. Nou ben ik zelf op 31 mei jarig, dus ik weet wanneer dat kwartaal eindigt: dat is heel snel. Wat wil het kabinet extra doen voor het speciaal onderwijs?

Voorzitter. Dan het tweede punt: nu initiatieven steunen die thuiszitters helpen. Allang vraagt de SP aandacht voor initiatieven die leerlingen die nu thuis zitten, kunnen helpen: werkplaatsen, zorgboerderijen, muzikale initiatieven. Die kunnen thuiszitters weer aan het leren krijgen. Onconventioneel, doen wat helpt voor thuiszitters. Mijn voorganger Peter Kwint noemde het "het rommelpotje". Dat is er gekomen, niet per se als rommelpotje maar als subsidieregeling voor samenwerkingsverbanden. Hoe staat het daar nu mee, vragen we het kabinet. In de begroting voor 2026 is het te vinden als "ondersteuning en preventie thuiszittende jeugdigen". En hoe wordt het gebruikt? Gaat het vooral naar samenwerkingsverbanden of ook daadwerkelijk naar die externe initiatieven, die zulk goed werk doen?

Dan de kleinere klassen. Al een lange tijd voert de SP, samen met D66, een "kleineklassenstrijd". Ja, die is leuk, hè. Sorry voorzitter, ik heb die niet zelf bedacht, maar ik vind 'm ook wel leuk. De SP is altijd voor de klassenstrijd, maar de kleineklassenstrijd is voor ons ook een hele belangrijke. Uit het recente TALIS-rapport blijkt weer dat onze leraren meer werkstress ervaren dan leraren in andere landen, waarbij klassengrootte en het aantal leerlingen met een ondersteuningsbehoefte een aantoonbare rol spelen. Kleinere klassen zijn goed voor iedereen; voor leerlingen en voor leraren. En groepsgrootte is belangrijk bij de keuze van de leraren om leraar te blijven. Een kleinere groep verlaagt de werkdruk en administratie, en helpt vooral leerlingen die het wat moeilijker hebben. Ziet de staatssecretaris dit ook? We vonden het hoopvol om in het coalitieakkoord te lezen dat er een pilot komt voor kleinere klassen. Wanneer en hoe gaat dit vormgegeven worden?

Voorzitter. Dan het beter ondersteunen van leraren. Goed onderwijs begint en eindigt met goede leraren. Te veel goede leraren vallen nu uit door te grote klassen en te hoge werkdruk. Het is goed om te lezen dat het Opleidingsberaad Leraren ook de rol van nascholing voor passend onderwijs bekijkt. Maar het zou nog beter zijn om voldoende ondersteunend personeel, bijvoorbeeld in de vorm van multidisciplinaire teams, op school te hebben. Wat gaat de staatssecretaris doen om dit te realiseren? Dit kan er namelijk juist voor zorgen dat we thuiszitten voorkomen — het woord "preventie" is waarschijnlijk het meest genoemde woord van de dag — in plaats van dat we het registreren.

Voorzitter. Veel is al door collega's gezegd, dus ik ga wat sneller door mijn laatste stuk heen. Dat stuk gaat over de wet zelf. Er is vaak een grijs gebied tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. De staatssecretaris voegt daar een grijs gebied aan toe, namelijk tussen een signaal van ongeoorloofd en verder ongedefinieerd verzuim en een melding ervan. Maar ook het signaal, zo lazen we, kan leiden tot handhaving door een leerplichtambtenaar. Kan de staatssecretaris toelichten hoe zij gaat voorkomen dat de insteek op preventie in de praktijk overhelt naar de strafrechtelijke kant? Dat is namelijk iets waar leerlingen en studenten vaak helemaal niet bij gebaat zijn.

Voorzitter. Het is mooi dat het kabinet de bepaling waarmee het voortgezet onderwijs niet bekostigd wordt bij verzuim van leerlingen vroeg in het jaar, wil schrappen. Ik vind dat echt een meerwaarde van de wet. Zo behouden scholen juist geld om zorg te dragen voor deze leerlingen. Maar ziet de staatssecretaris ook manieren om te zorgen dat dit geld dan daadwerkelijk besteed gaat worden aan de betreffende leerlingen?

We lezen dat dit voorstel deel uitmaakt van een breder wetgevingsprogramma gericht op thuiszittende jongeren en ondersteuning van leerlingen met een ondersteuningsbehoefte. Daarbij worden onder andere jeugdhulp, jeugdzorg en het tegengaan van jeugdcriminaliteit en kinderarmoede genoemd. Dat is cruciaal. Het enige wat hier niet genoemd lijkt te worden, is de inrichting van ons onderwijs zelf. Daar zit voor de SP wel echt de crux. Kan de nieuwe staatssecretaris vertellen wat zij als belangrijkste knelpunten en oorzaken van het toegenomen schoolverzuim ziet?

Zoals het rapport "Thuiszitters tellen" stelt, is beter passend onderwijs het beste middel om thuiszitters tegen te gaan. Is dit nieuwe kabinet bereid om te kijken naar de basis van ons knellend onderwijs, in plaats van zich op alles behalve de kern daarvan te richten?

Daar laat ik het in de eerste termijn bij. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Armut, die spreekt namens het CDA.

Mevrouw Armut (CDA):

Dank, voorzitter. Dit wetsvoorstel probeert iets te doen aan een probleem waarover we — ik heb het debat gehoord — het eigenlijk allemaal eens zijn: schoolverzuim en thuiszitten zijn schadelijk voor kinderen. Ze missen het broodnodige onderwijs en de sociale interactie met hun leeftijdsgenoten. De Kinderombudsman merkte in de analyse van de thuiszittersproblematiek op dat deze kinderen hun leven gemiddeld een 4,5 geven. Dat is voor niemand wenselijk: niet voor deze kinderen, niet voor hun ouders, niet voor het onderwijs en ook niet voor de samenleving. Dit wetsvoorstel raakt deze kinderen. Het gaat over deze kinderen. Het gaat over het voorkomen dat een leerling uit beeld raakt. Wanneer verzuim te laat wordt gesignaleerd, kan het uitmonden in langdurige uitval en thuiszitten. Daarom is het goed dat het kabinet zich wil inspannen om dit tegen te gaan. Tegelijkertijd roept deze wet ook bij ons vragen op; dat zag ik dus ook al bij alle andere partijen die we tot nu toe hebben gehoord. De vraag is of dit wetsvoorstel gaat helpen om schoolverzuim proactiever tegen te gaan.

Voorzitter. Langs drie punten wil ik stilstaan bij dit wetsvoorstel. Ik begin bij punt één: pakt deze wet de kern van het probleem aan? In het advies van de Raad van State wordt hier een belangrijke kanttekening bij geplaatst. De Raad van State wijst erop dat het niet vanzelfsprekend is dat maatregelen die voornamelijk gericht zijn op het eerder signaleren van kortdurend ongeoorloofd verzuim, ook daadwerkelijk leiden tot minder langdurig verzuim en minder langdurig thuiszitten. Sterker nog, langdurig thuiszitten blijkt in veel gevallen samen te hangen met langdurig geoorloofd verzuim. Om te beoordelen of deze wet effectief kan zijn, is het belangrijk om scherp te hebben waar het probleem precies zit. De grootste zorg zit niet bij incidentele spijbelaars of kortdurend ongeoorloofd verzuim. De grote complexiteit zit bij leerlingen die langdurig uitvallen en uiteindelijk ook echt langdurig thuis komen te zitten. Bij deze groep spelen vaak heel veel verschillende problemen tegelijk en die zijn eigenlijk allemaal ook voorbij gekomen: lange wachttijden in de zorg, gebrek aan passend onderwijs, vastlopen in de jeugdhulp.

Voorzitter. Dat roept de vraag op waar ik mijn inbreng mee begon: als de kern van het probleem ligt bij deze complexe situaties, vaak buiten het onderwijs, in hoeverre raakt deze wet de kern van het probleem dan? De regering stelt dat betere registratie en samenwerking uiteindelijk moeten leiden tot eerder ingrijpen en voorkomen van escalatie. Dat sluiten wij niet uit, maar registreren en signaleren is uiteindelijk geen doel op zich; dat is een middel. Het doel moet zijn om leerlingen sneller te helpen om weer perspectief te krijgen op volwaardig onderwijs. Wat betreft het middel, een betere eenvormige registratie: dit leidt in het onderwijs tot een stijging van administratieve lasten. De vraag is of deze stijging van administratieve lasten opweegt tegen het resultaat. Registratie is als hulpmiddel bedoeld om het verzuim bij leerlingen te laten dalen.

Voorzitter. Ik heb daarover de volgende vragen. Welke effecten verwacht het kabinet van dit wetsvoorstel? Op welke wijze kan deze wet het langdurige verzuim helpen voorkomen? Erkent het kabinet dat het voorkomen van thuiszitten afhankelijk is van vele complexe factoren en dat deze voor een deel buiten het bereik van dit wetsvoorstel vallen? Hoe zorgt het kabinet dat ook daar de focus op komt te liggen en dat dit niet alleen een papieren oplossing wordt?

Voorzitter. Voor het CDA is het van belang dat dit wetsvoorstel effect heeft en bijdraagt aan het terugdringen van schoolverzuim, en niet enkel een nieuw registratiesysteem betreft, hoe goed dat dan ook functioneert. Het onderzoek Thuiszitters Tellen van Balans uit 2024 laat een divers beeld zien van leerlingen die langdurig thuis komen te zitten. Laat ik helder zijn: ook wij krijgen verhalen te horen van ouders van wie het kind gepest wordt. De school blijkt dan niet in staat om het pestgedrag aan te pakken en het kind komt vervolgens thuis te zitten. Vervolgens wijzen alle betrokkenen naar elkaar en valt het onder geoorloofd verzuim. Mijn vraag aan de staatssecretaris: wat gebeurt er dan? We hebben meerdere ouders gesproken die met hun handen in het haar zitten en graag willen dat hun kind weer onderwijs kan volgen. Mede hierom vinden wij het amendement van de heer Ceder wel interessant, maar de discussie die daarna volgde gehoord hebbende, ben ik heel benieuwd naar wat de staatssecretaris daarvan vindt en hoe zij hiernaar kijkt.

Dan kom ik bij punt twee. Wanneer signaleren we zorgelijk verzuim? Een ander belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is het nieuwe instrument van het signaal zorgelijk verzuim. Scholen krijgen daarmee de mogelijkheid om al voor de meldgrens is bereikt een leerplichtambtenaar erbij te betrekken. Het huidige systeem verplicht scholen vanaf zestien uur ongeoorloofd verzuim binnen vier weken melding te maken. Met de introductie van het signaal zorgelijk verzuim kunnen scholen al voor die wettelijke meldgrens de leerplichtambtenaar erbij betrekken. Wij kunnen best wel meegaan in de bedoeling daarvan: eerder signaleren, eerder samenwerken, voorkomen dat een situatie escaleert. Maar we zien ook dat bijvoorbeeld op basisscholen en middelbare scholen een brugfunctionaris is aangesteld. Dat is een schoolmedewerker die een schakel vormt tussen thuis, de school en de omgeving, zoals het wijkteam en de zorg. Het gaat erom gelijke kansen voor leerlingen te bevorderen en schooluitval te voorkomen. Dit lijkt te werken als preventieve schakel om leraren te ontlasten en te ondersteunen. Wij vragen ons af of de staatssecretaris dat ook ziet. Ziet zij ook hoe de brugfunctionaris iets kan betekenen in het voorkomen van uitval bij jongeren en leerlingen?

Enerzijds vraagt dit wetsvoorstel van scholen om verzuim nauwkeuriger te registreren en anderzijds blijft het moment waarop scholen daadwerkelijk een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar vrij. Dat snapt het CDA ook wel, want elke school en elk kind is anders, maar de huidige grens blijft arbitrair. Die is vastgesteld op zestien uur, maar alles wat daarvoor gebeurt en reden tot zorg kan zijn, wordt overgelaten aan de inschatting van de school. Hoe ziet de staatssecretaris dat in het licht van wat volgens ons het doel moet zijn, namelijk eerder ingrijpen bij zorgelijke uitval? Bestaat hiermee niet het risico dat scholen preciezer gaan registreren, maar dat het moment waarop gehandeld wordt sterk kan verschillen per school? Het CDA vindt eerder signaleren een goed instrument, maar er is voor gekozen om niet wettelijk vast te leggen wanneer er sprake is van zorgelijk, ongeoorloofd verzuim, omdat dit te sterk afhankelijk is van de schooleigen context. De school kan een signaal afgeven aan de leerplichtambtenaar. De wet biedt hiervoor een zogenaamde kanbepaling. Zeker vanuit het preventieve oogpunt geldt: voorkomen is beter dan genezen. Het CDA hoopt dat scholen dit preventieve middel veel gaan inzetten. Ik vraag me echter af welke maatregelen de leerplichtambtenaar in de instrumentenkist heeft om het kind weer terug naar school te geleiden. En hoe moeten we deze signaalfunctie zien? Moeten we die zien als een lichte maatregel naast de zwaardere maatregel bij ongeoorloofd verzuim van boven de zestien uur per maand?

Voorzitter, dan kom ik bij punt drie: het onderwijskundig perspectief. Een punt dat ik wil noemen is de rol van de jeugdarts. Het is een goede zaak dat het onderwijskundig perspectief van de jongere wordt meegenomen bij het al dan niet verlenen van een vrijstelling op lichamelijke of op psychische gronden. De regering benadrukt in de nota naar aanleiding van het verslag dat het samenwerkingsverband een advies geeft aan de arts. De arts beslist over de totstandkoming van de verklaring die nodig is voor het wel of niet verlenen van de vrijstelling. Dat beslist niet het samenwerkingsverband. Het samenwerkingsverband heeft echter wel een belang. Verschillende partijen in de Kamer hebben over dit punt vragen gesteld. Ik vraag mij eerlijk gezegd ook af of we dit nu goed regelen. Ik begrijp dat de regering tot doel heeft om het aantal kinderen en jongeren met een vrijstelling te laten dalen, bijvoorbeeld omdat er een onderwijskundig perspectief in de regio bestaat of in de grensregio aanwezig is. Dat doel delen we volgens mij allemaal. Maar gaat het hiermee ook lukken of doet het alleen de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs stijgen?

Het CDA onderschrijft de ambitie om schoolverzuim eerder aan te pakken en langdurige uitval te voorkomen. Juist daarom is het belangrijk dat deze wet in de praktijk daadwerkelijk bijdraagt aan een sneller perspectief op onderwijs voor leerlingen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Een interruptie van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik hoor heel veel terechte vragen en opmerkingen. Ik hoor heel veel vragen die gaan over de wet, maar ook over alles wat er nog meer zou moeten gebeuren om ervoor te zorgen dat kinderen naar school kunnen gaan. Mijn vraag aan het CDA is dan ook waar de ruimte voor jullie de komende tijd ligt om te zorgen dat er echt wat gaat gebeuren. Want deze discussie is mooi, maar die hadden we ook met uw voorganger, zeg ik via de voorzitter. Ja, met de voorzitter zelf eigenlijk, namelijk in zijn vorige rol. Maar we hadden die ook met vele andere onderwijswoordvoerders van het CDA. Ik zou willen voorkomen dat we over vier jaar nog een keer deze discussie voeren.

Mevrouw Armut (CDA):

Dat snap ik heel goed. Dat zou ik ook heel graag willen voorkomen. Ik ben net een paar maanden Kamerlid. Ik ga echt mijn uiterste best doen om hierop door te pakken. Ik weet dat mevrouw Westerveld deze strijd ook voert. Ik weet niet hoe lang zij precies Kamerlid is, maar ik denk al tien jaar, of nog langer. Ik snap ook dat het dan heel frustrerend kan zijn dat bepaalde stappen nog steeds niet gezet zijn en dat al deze plekken waar het klem loopt, er nog steeds zijn. Dat heb ik net ook benoemd. Ik ga mijn uiterste best ervoor doen. In het coalitieakkoord zijn een aantal punten opgenomen, waarvan ik echt denk dat ze aan de preventieve kant kunnen helpen. We hebben gisteren een debat gehad over leraren. Zij hebben een ontzettend grote rol in het voorkomen van uitval. Maar het ligt ook voor een heel groot deel aan bijvoorbeeld de omgeving van de kinderen. Daarover komt in het coalitieakkoord veel terug. Mevrouw Westerveld kan ook van mij verwachten dat ik mij daar de komende, hopelijk, vier jaar hard voor ga maken.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Hele mooie antwoorden. Ik heb ook gelezen wat er in het coalitieakkoord staat. Er zijn natuurlijk ook andere zaken in het coalitieakkoord, die kunnen zorgen voor veel meer stress in gezinnen. Dat kan ook weer effect hebben op het onderwijs. Laten we niet die hele discussie hier voeren. Mijn vraag is ook niet wat er in het coalitieakkoord staat. Mijn vraag is vooral wat het CDA gaat doen. Ik hoor enorm veel inzet en een enorme drive om het beter te maken. Ik wil de wens meegeven dat we de komende vier jaar het verschil gaan maken voor kinderen en hun ouders. Ik wil dat er stappen worden gezet en ik hoop dat ook de coalitiepartijen de ruimte hebben om die keuzes te maken.

Mevrouw Armut (CDA):

Ik ga daar, zoals ik heb gezegd, mijn uiterste best voor doen.

De voorzitter:

De heer Ceder met zijn achtste interruptie. Ik zeg het u maar.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter, dat u dat zo nauwkeurig bijhoudt. Het is een serieus toekomstscenario dat na het einde van het kabinet-Jetten meer dan 100.000 kinderen thuiszitten. Dat wil ik voorkomen en ik weet dat het CDA dat ook wil voorkomen, maar daar moet wel wat voor gebeuren. Volgens mij gaf mevrouw Dobbe, nee, sorry, mevrouw Beckerman aan dat verzuim opschrijven en registreren er niet toe leidt dat het ook preventief voorkomen wordt. Ik heb behoefte aan samenhang, want er moet heel veel gebeuren om het aantal thuiszitters terug te dringen. Daarom heb ik ook met mevrouw Westerveld een amendement ingediend dat veronderstelt dat, als wij deze wet aannemen — ik heb niets tegen deze wet; goede wet, maar hij is te licht, vind ik — we voor inwerkingtreding van deze wet een integraal kader krijgen van wat na deze wet gaat gebeuren om het aantal thuiszitters terug te dringen. Ik vroeg me af hoe u daarin staat, vraag ik via de voorzitter. Ik denk en vrees namelijk echt, gezien de afgelopen jaren, dat ondanks de debatten die we hier met elkaar voeren, het aantal thuiszitters steeds meer stijgt. Voor mijn gevoel is het echt vijf over twaalf. Hoe staat u daartegenover?

Mevrouw Armut (CDA):

Ik snap de zorg van de heer Ceder heel goed. Ik denk ook dat ik daar uitgebreid bij stil heb gestaan in mijn inbreng. Ik snap wat de bedoeling is van deze wet, bijvoorbeeld het eerder signaleren van uitval en het eerder schakelen met alle relevante mensen die je hierbij kan betrekken. Maar ik weet zelf ook dat er veel meer nodig is om het schoolverzuim daadwerkelijk terug te dringen. Ik zei waar dat allemaal mee te maken heeft. Dat hebben de heer Ceder, mevrouw Westerveld en mevrouw Beckerman ook gedaan. Er moet dus veel meer gebeuren. Ik heb daarover bijvoorbeeld vragen gesteld aan de staatssecretaris. Ik stel voor dat we in ieder geval de antwoorden daarop gaan aanhoren en dit gesprek blijven voeren. Binnenkort komt er bijvoorbeeld een debat aan over passend onderwijs. Daar hoort volgens mij het gesprek hierover ook bij. Ik weet niet of de vraag van de heer Ceder aan mij was of ik ook wil dat er een brief komt. Ik zou in ieder geval eerst de antwoorden van de staatssecretaris in dit debat willen horen.

De voorzitter:

En u was aan het einde van uw betoog.

Mevrouw Armut (CDA):

Ja, dank u wel.

De voorzitter:

Dan nodig ik mevrouw Raijer uit, en zij spreekt namens de fractie van de PVV. Wij liggen behoorlijk op schema, dus dat gaat uiterst best. Aan u het woord, mevrouw Raijer. Ga uw gang.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Laat ik beginnen door te stellen dat ieder kind in Nederland recht heeft op goed onderwijs, zodat hij of zij zich kan ontwikkelen tot een volwaardig deelnemer aan onze samenleving. Schoolverzuim moet daarom hard worden aangepakt. Kinderen horen op school en niet op straat. Wie zonder geldige reden wegblijft, schaadt niet alleen z'n eigen toekomst, maar ook indirect die van de samenleving. Om het probleem scherp te krijgen, moeten we ook helder zijn over waar we het over hebben. Bij "relatief verzuim" gaat het om leerlingen die wel staan ingeschreven, maar zonder geldige reden afwezig zijn. Bij "absoluut verzuim" wordt het ernstiger: dat zijn kinderen die helemaal niet staan ingeschreven en dus volledig buiten beeld verdwijnen. Het gaat hier om duizenden leerplichtige kinderen per jaar. Dan is er nog het luxeverzuim, waarbij ouders hun kinderen zonder toestemming buiten de schoolvakantie thuis houden.

Voorzitter. Juist het absolute verzuim is het meest schrijnend. Dat zijn kinderen die letterlijk verdwijnen uit het onderwijssysteem. Kinderen waar niemand zicht op heeft. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat absoluut verzuim landelijk eenduidig en sluitend wordt geregistreerd, zodat geen enkel kind meer buiten beeld kan raken?

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat voor ons ligt, zet terecht in op vroegtijdig signaleren, en op betere samenwerking tussen scholen, leerplicht en zorg. Verzuim wordt nu echter nog te vaak pas aangepakt wanneer de situatie al volledig is ontspoord. Wij willen benadrukken dat structureel verzuim zich bovengemiddeld vaak voordoet in kwetsbare wijken. Factoren zoals armoede, schulden, psychische problematiek en beperkte ouderbetrokkenheid spelen daarbij aantoonbaar een rol. Ik vraag de staatssecretaris dan ook of de voorliggende wet zich hier wel voldoende op richt. Wij vrezen namelijk voor een toenemende bureaucratisering, waarbij scholen steeds meer taken krijgen en dreigen te verworden tot een soort administratiekantoor.

Voorzitter. Mijn fractie vindt dat deze wet gehandhaafd moet worden. Kan de staatssecretaris concreet aangeven dat dit in de praktijk ook daadwerkelijk het geval zal zijn bij de uitvoering van deze wet? Waarom zou er dan plotseling nu pas gehandhaafd worden? Ik wil overigens nog even in herinnering brengen dat scholen een aantal jaren geleden openlijk hun leerlingen lieten spijbelen voor het klimaat. Dat vonden bijna alle partijen in dit huis niet problematisch. Kan de staatssecretaris ons garanderen dat er op dergelijke gevallen van spijbelen ook gehandhaafd wordt?

In een ideale wereld zou elke leerling naar elke school moeten kunnen gaan om daar het beste uit zichzelf te kunnen halen. Uit de conclusies van het ministerie blijkt echter dat sinds de invoering van het stelsel van passend onderwijs het aantal jongeren dat langdurig verzuimt en thuiszit niet is afgenomen. Dit komt vooral doordat jongeren met problematiek niet altijd worden gezien of doordat de ondersteuning die zij nodig hebben, onvoldoende wordt geboden. Is het daarom niet beter voor zowel leerlingen als docenten om in zulke gevallen meer in te zetten op scholen die gespecialiseerd zijn in het omgaan met leerlingen met zorgvragen, zodat zij onderwijs krijgen dat echt bij hen past? In de memorie van toelichting wordt hier kort bij stilgestaan. Daarin wordt gesteld dat jongeren via onderwijszorgarrangementen onderwijs kunnen volgen op een locatie waar de specifieke zorg of deskundigheid aanwezig is die zij nodig hebben. Ligt hier niet juist een kans voor het speciaal onderwijs om met name jongeren met serieuze zorgvragen weer terug de schoolbank in te krijgen, terwijl tegelijkertijd het regulier onderwijs wordt ontlast? Zo krijgen de leerlingen zonder extra zorgvragen ook de aandacht die zij nodig hebben.

Voorzitter. Er is echter nog een groep die in deze discussie vaak over het hoofd wordt gezien. Dat zijn kinderen die niet thuiszitten omdat ze niet willen leren of omdat zij complexe zorg nodig hebben, maar omdat zij simpelweg niet meer naar school durven te gaan omdat zij structureel worden gepest. En wat er gebeurt dan? Niet de pester wordt aangepakt, maar het slachtoffer verdwijnt uit de klas en komt uiteindelijk in de verzuimcijfers terecht. Wat de PVV betreft is dit de omgekeerde wereld. In plaats van degene die het probleem veroorzaakt te corrigeren of te verwijderen, wordt het kind dat bescherming nodig heeft feitelijk het onderwijs uit gedrukt. Kan de staatssecretaris aangeven of we deze kinderen onterecht gaan registreren als verzuimgevallen? Of is de staatssecretaris bereid om de daders daadwerkelijk aan te pakken en scholen daarin te ondersteunen? Is de staatssecretaris het met de PVV eens dat een school in de eerste plaats een veilige plek moet zijn voor kinderen die zich wél willen gedragen, en niet voor degenen die het onderwijs structureel verzieken?

Voorzitter. Als we dit probleem echt serieus nemen, dan moeten we stoppen met het verplaatsen van problemen en beginnen met het oplossen ervan. Dat betekent helder registreren, consequent handhaven, bureaucratie terugdringen en vooral de oorzaak aanpakken. Want zolang we dat niet doen, blijven we praten over verzuim terwijl we in werkelijkheid kinderen aan het verliezen zijn.

Dank u wel.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Kort, over kinderen die niet naar school gaan omdat ze gepest worden. Dat kan ook te maken hebben met taalgebruik of doordat kinderen zich gediscrimineerd voelen. Mijn vraag aan mevrouw Raijer is of ze ervan op de hoogte is dat het taalgebruik in de Tweede Kamer, dus hoe wij over mensen praten, ook effect heeft op de samenleving en dat we er met elkaar dus voor moeten waken dat we bijdragen aan het pesten van kinderen.

Mevrouw Raijer (PVV):

Om u daar een antwoord op te geven: ik kan de link tussen het taalgebruik in de Tweede Kamer en het pesten van kinderen niet helemaal leggen. Kinderen die in de klas gediscrimineerd worden, vallen ook onder gepeste kinderen. Ik heb het hier dus over alle kinderen die gepest worden.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik vind het dus heel terecht dat we opkomen voor kinderen die gepest worden. Mijn punt is vooral dat we in de Tweede Kamer ook moet uitkijken met woordkeuze. Ik spreek niet meteen mevrouw Raijer daarop aan, maar bijvoorbeeld wel haar fractievoorzitter, die best vaak taal in de mond neemt waardoor grote groepen mensen zich buitengesloten voelen. Laten we dat dus niet doen met elkaar. Mijn oproep is: laten we ook hier het debat beschaafd houden en op de inhoud voeren. Ik denk dat we dan bijdragen aan het feit dat kinderen minder worden gepest en buitengesloten, en zich veilig voelen op school.

Mevrouw Raijer (PVV):

Mijn fractievoorzitter gaat over zijn eigen bewoordingen, dus je zult hem moeten aanspreken. Ik ga daar niet over.

De voorzitter:

U was klaar, toch? Jazeker. Het woord is aan de heer Stoffer, die spreekt namens de Staatkundig Gereformeerde Partij. Ga uw gang.

De heer Stoffer (SGP):

Voorzitter. Is dit wetsvoorstel een stuk fruit of een stuk kaas? Die vraag kwam bij me op toen ik het debat voorbereidde. U weet dat het voor een stuk kaas goed kan zijn om wat langer te liggen, maar voor fruit ligt dat iets anders. Ik hoef niet te vertellen hoe een banaan eruitziet als die te lang ligt. Als ik naar dit wetsvoorstel kijk, dan ben ik er eigenlijk nog niet helemaal uit. Het is in ieder geval al langer in consultatie en bespreking dan normaal gesproken goed is, namelijk al sinds 2022. Als ik er zo naar kijk, dan zie ik toch wel een aantal bruine plekken. Tegelijk moet ik zeggen dat de kwaliteit van sommige onderdelen er in die tijd wel beter op geworden is.

Voorzitter. De SGP zoomt graag eerst even uit om het bredere plaatje rond dit wetsvoorstel in beeld te krijgen. Het is wat onbevredigend dat we nu alleen een voorstel bespreken over verzuimbeleid, terwijl het nauw verband houdt met andere thema's waarop ook wijziging van regelgeving in ontwikkeling is. Dan noem ik bijvoorbeeld de regels over zorg in onderwijstijd, waarbij de vrijstelling van de leerplicht ook een belangrijke rol speelt. De staatssecretaris heeft hierover afgelopen februari vanuit het departement van VWS juist nog een wetsvoorstel in consultatie gegeven. Waarom is het wenselijk en verstandig om afzonderlijk te besluiten over deze samenhangende thema's? Kunnen we niet wachten tot het moment dat er meer duidelijkheid is op andere terreinen? Wellicht krijgen we dan een nog rijper wetsvoorstel.

Voorzitter. Ik zoom ook even in op het wetsvoorstel zelf, want het is eigenlijk een heel belangrijk wetsvoorstel. Het maakt namelijk goed inzichtelijk hoe de overheid vaak kijkt naar het onderwijs en welke problemen dat oplevert voor scholen. Ik vermeld met ere dat met name VOS/ABB, vertegenwoordiger van het openbaar onderwijs, een zeer scherpe analyse heeft gestuurd van wat hier gaande is. Ik noem drie kernpunten: er wordt te veel verwacht van registratie, het accent ligt te veel op reactief in plaats van proactief beleid en de wetgever vlucht in nieuwe regels, terwijl juist ten aanzien van schoolverzuim herhaaldelijk is vastgesteld dat bestaande regels niet goed worden nageleefd.

De SGP stelt vast dat dit wetsvoorstel misschien wel een schoolvoorbeeld is van de registratie- en analysebril waardoor de overheid in de afgelopen jaren steeds vaker naar het onderwijs is gaan kijken. Een vergelijkbare benadering zien we bij de regeling over sociale veiligheid. Er zijn grote verwachtingen van registreren, analyseren en rapporteren. Die verwachtingen leiden onvermijdelijk tot meer lasten, bureaucratie en een dikkere bestuurlijke schil, waarop de politiek vervolgens kritiek heeft. Het is helemaal niet gezegd dat de praktijk echt beter wordt van deze verplichtingen. Het eindresultaat is overigens niet zelden een fusie, omdat het bestuur het niet meer aankan of het dan nog beter kan. Zoals we dat dan verhullen in bestuurstaal: het bestuur kon onvoldoende professionaliseren. Het probleem zat daarbij vanzelfsprekend niet in het overheidsbeleid, maar in het bestuur. Aan het begin van haar ambtsperiode in het onderwijs, zou ik graag eens een uitgebreide reflectie horen van de staatssecretaris op deze sturingsdynamiek. Ik vraag dit vooral om te horen hoe we op een meer dienstbare manier kunnen werken voor het onderwijs. Kunnen we misschien een andere beleidsbril opzetten?

Ik pas het voorgaande ook even toe op het wetsvoorstel dat voorligt. Ogenschijnlijk gaat het wetsvoorstel vooral over een simpele registratieverplichting. Wie kan daar nu op tegen zijn? De regering zegt ook: eigenlijk was dit impliciet al verplicht. Toch gebeurt er echt iets meer. Niet alleen wordt de registratieplicht door dit wetsvoorstel expliciet gemaakt, er komt ook verplicht verzuimbeleid en daar zit uiteraard een analyseplicht in. In die combinatie schuilt het bezwaar en de extra belasting. De school kan niet volstaan met simpel registreren en leveren, maar zal de beleidsmolen moeten laten draaien om de data te analyseren — periodiek uiteraard, maar jaarlijks als we een beetje verder zijn en er weer eens een motie vanuit de Kamer komt — ook als de praktijk van het verzuim hiervoor weinig aanleiding geeft. De inspectie kan het al eenvoudiger controleren dan bij een schoolbezoek: waar zijn uw gegevens, waar zijn uw analyses en deugen die wel en heeft u wel voldoende oog voor specifieke groepen? Mijn vraag aan de staatssecretaris is: is dit echt de richting die het onderwijs verder gaat helpen?

Voorzitter. De SGP is kritisch op de lastendruk in het onderwijs. Dat zijn we al heel lang, want de berg regels is buitensporig hoog en de onderwijsinspectie roept ons als wetgever terecht op om een streep te trekken. Er kan eigenlijk niets meer bij en er moet eerder wat vanaf. Alle regels zijn uiteraard goed bedoeld, maar het onderwijs komt er steeds verder door in het moeras. Juist daarom ben ik erg kritisch op de manier waarop de regering naar de registratielast kijkt. Volgens de regering registeren de meeste scholen toch al en levert het daarom als zodanig geen extra belasting op. Allereerst betwijfel ik of de huidige wet zo vergaand geïnterpreteerd mag worden. Een duidelijke harde verplichting is er nu niet om gegevens in detail te registeren en te leveren. Mijn vermoeden is bovendien dat het op een behoorlijk aantal scholen nog niet zo gaat als het wetsvoorstel vereist en als ik eerlijk ben, weet ik eigenlijk niet of ik dat echt een probleem vind. De kernvraag moet namelijk altijd zijn: zijn de leerlingen hier echt bij gebaat? Voor de scholen die het zelfs volgens de regering nog niet goed doen, gaat het wetsvoorstel in ieder geval een extra last opleveren en dat vinden we als SGP niet wenselijk.

Kleine scholen zijn extra kwetsbaar bij extra regels en verplichtingen. Niet omdat hun kwaliteit minder is, maar gewoon omdat ze het organisatorisch nauwelijks meer rondkrijgen. De zorgplicht van de wetgever geldt in het bijzonder wel deze groep scholen, want beredeneerd vanuit het belang van het kind zie je juist bij kleine scholen beperktere meerwaarde van het wetsvoorstel. De proactieve aandacht voor leerlingen is in een kleinere gemeenschap vaak meer dan vanzelfsprekend aanwezig en de proportionaliteit van de nieuwe verplichting is bij kleine scholen twijfelachtig. Daarom wil de SGP met het amendement dat ik vandaag heb ingediend de registratieplicht beperken tot scholen die meer dan 150 leerlingen hebben. Dat is in de bekostiging de grens voor kleine scholen. Het is aan deze scholen om te kiezen hoe ze op een navolgbare wijze inzichtelijk maken wanneer een leerling meer dan de wettelijke norm verzuimt. Graag hoor ik hier een reactie op van de staatssecretaris.

Voorzitter. De SGP is ook kritisch over de manier waarop de medezeggenschap in het wetsvoorstel aan bod komt. De regering blijft in de beantwoording bij de stelling dat het instemmingsrecht van ouders op het verzuimbeleid in de schoolgids ook betekent dat ouders instemmingsrecht hebben op het verzuimbeleid als zodanig. Met Verus betwijfelt de SGP of dat juridisch gezien klopt. Het lijkt ons geen juiste visie op de systematiek van de medezeggenschap. In ieder geval strookt het niet met hoe organisaties in het onderwijs ernaar kijken en hoe ze ouders voorlichten. Neem bijvoorbeeld de website van de Vereniging Openbaar Onderwijs: "Het gaat bij het instemmingsrecht van de oudergeleding met betrekking tot de schoolgids voornamelijk over de wijze waarop de informatie wordt gepresenteerd. De MR kan kijken naar of de informatie voor ouders helder genoeg is, of bepaalde informatie mist of dat er juist te veel (overbodige) informatie in staat." Mijn vraag is of de staatssecretaris haar stelling nog eens extern wil laten toetsen om hierover verwarring te voorkomen.

Voorzitter. Ouderorganisaties zijn bezorgd over de mogelijkheid om al veel eerder vrijwillig verzuim te melden dan bij het wettelijk aantal uren ongeoorloofd verzuim. De vrees is dat door het toenemend aantal signalen ouders ook eerder in de sfeer van het strafrecht geraken en de afbakening met het strafrecht is onvoldoende duidelijk. Zou de staatssecretaris willen kijken of dit scherper kan, zoals ook de Raad van State adviseerde?

Voorzitter. De SGP vindt het positief dat de regering de vrijstelling wegens lichamelijke en psychische beperkingen tegen het licht heeft gehouden. Dat is in het wettelijk systeem een cruciaal scharnier dat al jaren behoorlijk piept. Het gaat dan over de fundamentele vraag hoe we vaststellen of kinderen in staat zijn om onderwijs te volgen. Als dat helemaal niet het geval is, hoeft een kind zelfs niet meer ingeschreven te staan. Er is dan alleen nog sprake van zorg of maatschappelijke ondersteuning. Mijn eerste vraag gaat over de inhoudelijke beoordeling. Uit de praktijk horen we dat kinderen soms volledig worden vrijgesteld van het volgen van onderwijs, terwijl ze op onderdelen wel degelijk in staat zijn om te leren. De SGP vindt het geen goede zaak dat dan volledige vrijstelling ontstaat. Kan de regering bevestigen dat het wetsvoorstel als uitgangspunt heeft dat volledige vrijstelling alleen ontstaat als het kind op geen enkele manier mogelijkheden heeft om onderwijs te volgen? Hoe wordt die lijn, als het antwoord tenminste positief is, dan eenduidig opgepakt in het onderwijsveld?

De SGP vindt dat de procedure voor vrijstelling door het wetsvoorstel verbetert. Het advies van het samenwerkingsverband is nuttig. Toch is dat niet afdoende, want ook het samenwerkingsverband is belanghebbende. Bovendien is de regeling voor het aanwijzen van deskundigen erg open. Met alle waardering die ik heb voor psychologen en pedagogen — zeker voor orthopedagogen, ik ben er met een getrouwd — is het niet zo dat elke willekeurige deskundige ook bekwaam is om een oordeel te vellen over deze specifieke situatie. Daarom stel ik met het amendement op stuk nr. 17 voor om een registratieplicht in te voeren. Dat kan uiteraard een hele bescheiden registratie zijn. De staatssecretaris kan er ook voor kiezen om aan te sluiten bij een bestaand register, bijvoorbeeld het Kwaliteitsregister Jeugd. Graag hoor ik het oordeel van de staatssecretaris hierover.

Voorzitter. Tot slot, nog een keer de vraag: fruit of kaas? U zult begrijpen dat ik er niet uit ben. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer bananen ik zie in plaats van kaas. Daarom zie ik enorm uit naar de beantwoording van de staatssecretaris, want misschien wordt het daarmee voor mij toch nog bananenkaas.

Dank u wel.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb met veel interesse geluisterd. De heer Stoffer een aantal interessante opmerkingen over het punt van de vrijstelling. Ik heb ook goed naar dat artikel gekeken. Is hij het met mij eens — ik denk dat het antwoord ja is, maar even voor de duidelijkheid — dat als wordt gekeken of een kind niet naar school kan, primair moet worden uitgegaan van het kind zelf? Ik hoor namelijk heel vaak van ouders, soms van kinderen, dat kinderen heel graag naar school willen. Vaak is er geen passend aanbod of kan het gewoon niet, omdat de leerkracht de handen vol heeft. Dan past een kind op dat moment niet in de klas. Dat is helaas nu de praktische uitvoering, maar we mogen ons daar natuurlijk nooit bij neerleggen.

De heer Stoffer (SGP):

Dank voor de vraag. Dat is een heel terecht punt: nee, daar moeten we ons niet bij neerleggen. Ik hoop dat in mijn betoog goed naar voren kwam dat als er ergens nog een mogelijkheid te vinden is om een kind wel onderwijs te geven, we dat tot het uiterste met elkaar proberen te doen. En ja, soms kost dat wat. Maar de toekomst van kinderen en hoe je een land inricht, hangen er ook mee samen dat je kinderen de mogelijkheid geeft om zich te ontwikkelen. Volgens mij moeten we ons daar echt enorm voor inspannen. Laten we ook heel eerlijk zijn: de groep waarbij dat heel moeilijk is en waarbij het soms echt heel wat uiterste dingen vergt, is niet eens zo heel groot. Volgens mij moeten we, als we een goede samenleving willen zijn, echt laten zien dat we daarvoor gaan staan en dat we daar ook wat voor over hebben.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Claassen van de Groep Markuszower. Gaat uw gang.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Voorzitter. Meneer Stoffer wenste mij, toen ik naar deze plek liep, succes. Als ik goed heb geluisterd naar de inbrengen tot nu toe, hebben we een enorme uitdaging, waar jullie, net als jullie voorgangers, proberen een steentje aan bij te dragen. Ik doe dat vandaag voor het eerst. Ik heb er nog niet veel fiducie in dat er heel veel gaat veranderen, maar ik ga een poging doen. Volgens mij heb ik namelijk dé oplossing. Ik zal in de tweede termijn twee moties indienen waardoor we misschien weer een stapje kunnen zetten in het terugdringen van het schoolverzuim.

Dit wetsvoorstel adresseert een ernstig probleem. Dat is iets wat mijn voorgangers ook al hebben gezegd. Naar schatting 70.000 leerlingen zitten thuis. Dat aantal blijft maar stijgen, ondanks alles wat er tot en met vandaag aan gedaan wordt. Te veel leerlingen raken uit beeld. Het streven om het schoolverzuim terug te dringen, ondersteunen wij natuurlijk. Tegelijkertijd moeten we constateren dat het voorliggende wetsvoorstel blijft steken in procedures en niet komt met concrete oplossingen. Naar onze mening worden de oorzaken van verzuim onvoldoende geadresseerd. Deze wet brengt geen enkele thuiszitter terug in de klas.

Voorzitter. Dat is meteen de kern van onze kritiek. Ja, het probleem van schooluitval wordt beter zichtbaar en beter in kaart gebracht. Dat is natuurlijk nuttig, maar het registreren van schooluitval zonder aanpakken en doorpakken, verandert niets aan de praktijk in de klas. Iedere onderwijsprofessional weet in welke pedagogische en didactische leeromgeving kinderen functioneren: een ordelijke, veilige en voorspelbare omgeving waarin de leerkracht de regie heeft. Dat is de basisvoorwaarde om te kunnen leren. Uit signalen uit het veld blijkt dat aan die basisvoorwaarden steeds vaker niet wordt voldaan. Klassen zijn onrustig, docenten staan onder druk en kwetsbare leerlingen zijn daarvan de dupe. We spreken inmiddels over leerlingen met schooltrauma alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, terwijl het betekent dat een kind beschadigt raakt in uitgerekend die omgeving die bedoeld is om te leren en te groeien. Wanneer de klas onveilig en onvoorspelbaar is, vallen juist de kwetsbaarste leerlingen uit.

In plaats van de oorzaken aan te pakken, zien we een perverse omkering: scholen verklaren zichzelf handelingsverlegen. Leerlingen die uitvallen, worden vervolgens als "niet-schoolrijp" of "niet-leerbaar" bestempeld. Daarmee verschuift de verantwoordelijkheid van de leeromgeving naar het kind. Dat vinden wij onaanvaardbaar. Het voorstel erkent dat thuiszitten vaak begint met een gebrek aan passende ondersteuning en dat problematiek op school niet tijdig wordt herkend. Laten we daar dan op inzetten. Volgens mij kan dat met deze wet wel een stapje beter.

Internationaal zien we een stevige benadering om te komen tot een leeromgeving waarin ieder kind tot ontwikkeling komt. In Frankrijk is in 2022 een wet ingevoerd die pesten op school strafbaar stelt en scholen verplicht om actief in te grijpen bij onveiligheid. Daarmee wordt erkend dat sociale onveiligheid direct kan leiden tot uitval en psychische klachten. We stellen ons de vraag of de relatie tussen onveiligheid en thuiszitten voldoende zichtbaar wordt. Is bekend in hoeverre leerlingen die thuis komen te zitten eerder te maken hebben gehad met pesten en/of structurele onveiligheid in de klas? Is de staatssecretaris bereid dit verband expliciet te laten onderzoeken, zodat beleid gericht kan worden op de oorzaken in die richting?

Het tweede punt betreft de positie van kwetsbare leerlingen. Te vaak zien we leerlingen overprikkeld raken, zich onveilig voelen en uitvallen, terwijl leerlingen die structureel onrust veroorzaken in de klas blijven zitten. Is de staatssecretaris bereid te verkennen of in zulke situaties juist leerlingen die structureel chaos veroorzaken tijdelijk in een reboundvoorziening geplaatst kunnen worden, zodat de klas weer veilig wordt voor introverte leerlingen?

We zien ook dat psychische klachten steeds vaker een rol spelen bij langdurig verzuim. Juist daarom is snelle betrokkenheid van de leerplichtambtenaar essentieel om uitval te voorkomen en leerlingen niet verder achterop te laten raken. Bij vrijstelling op lichamelijke en psychische gronden zien wij risico's. Langdurige afwezigheid zonder perspectief vergroot de afstand tot de klas en belemmert de ontwikkeling van kwetsbare leerlingen. Vrijstellingen moeten tijdelijk en gericht op terugkeer zijn, met regelmatige herbeoordeling en duidelijke stappen richting passend onderwijs. Op die twee thema's zal ik in de tweede termijn ook moties indienen. Nu we het over passend onderwijs hebben: mij wordt vandaag duidelijk dat dat passend onderwijs ook niet heel veel soelaas biedt de afgelopen tijd. Er zijn wat voorstellen op dat vlak. Daar komen we wellicht later over te spreken.

Tot slot vraag ik de staatssecretaris of scholen waar structureel veel leerlingen uitvallen, niet veel gerichter gemonitord moeten worden. Wanneer bepaalde scholen bovengemiddeld veel thuiszitters kennen, moet dat aanleiding zijn, vinden wij, om de leeromgeving kritisch of kritischer te gaan beoordelen.

Tot zover mijn bijdrage.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ik merk dat er enorm veel interrupties gaan komen.

De voorzitter:

Ik ben bang van niet.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Echt niet?

De voorzitter:

Of de heer Boomsma moet nu een vraag gaan stellen, maar ik denk dat hij gewoon onderweg is naar het rostrum. Hij is de laatste spreker aan de zijde van de Kamer. Zijn inbreng heeft het langst kunnen rijpen. Ga uw gang.

De heer Boomsma (JA21):

Dank, voorzitter. Als je lange tijd niet naar school kunt gaan, als je vastloopt en langdurig thuiszit, of op straat, is dat natuurlijk een drama. Dat blijft kinderen natuurlijk echt hun hele leven bij. Maar om hoeveel kinderen en jongeren gaat het nou eigenlijk? Het is vandaag al eerder besproken. In de stukken gaat het namelijk om 20.000 leerlingen, maar oudervereniging Balans heeft het over 70.000 leerlingen. Daarin worden dus ook de vroegtijdige schoolverlaters meegenomen, maar dat zijn er 30.000, dus waarin zit 'm dan die discrepantie? Heel veel kinderen zijn in ieder geval niet in beeld. Ik wil beginnen met de vraag hoe de staatssecretaris dat ziet. Van welke cijfers gaat zij nou uit en waarom denkt zij dat het toeneemt?

Ik herkende net veel in het verhaal van de heer Claassen. Ik heb het gisteren, en eerder ook al, gehad over het belang van rust en voorspelbare, duidelijke regels in de klas. De OESO heeft gezegd dat Nederlandse klassen de drukste van de hele wereld zijn. Drukte leidt tot een soort recht van de sterkste. Ziet de staatssecretaris daartussen ook een verband, dat dat ook sneller kan leiden tot uitval?

Vanuit de portefeuille Asiel en Migratie hoor ik vaak dat best veel Syrische en Oekraïense jongeren niet naar school gaan. Voor hen lijken er nauwelijks andere opties te zijn. Er wordt hun niks geboden. Hebben zij dan een vrijstelling? Herkent de staatssecretaris dit? Heeft zij zicht op de problematiek bij specifiek die groepen? Hoe dan ook, hoeveel het er ook zijn en wie het ook zijn: wij mogen deze kinderen niet aan hun lot overlaten. Wij moeten ervoor zorgen dat zij de aandacht, de hulp en de trajecten krijgen —zorg, onderwijs of andere begeleiding — die ze nodig hebben. Het beste is natuurlijk dat zij teruggaan naar school, maar anders moet er een andere oplossing zijn.

We bespreken nu het wetsvoorstel voor de Wet terugdringen schoolverzuim, maar die naam is eigenlijk te ambitieus. Dat is al vaker opmerkt. De maatregelen voorzien immers vooral in een betere registratie en het maken van beleid. In de memorie van toelichting staat al dat deze wet er niet voor gaat zorgen dat de huidige groep thuiszittende jongeren direct naar school kan gaan of een passend ontwikkelaanbod krijgt. Scholen gaan nu wel voortaan systematisch bijhouden wie geoorloofd wegblijft van school en wie ongeoorloofd niet komt opdagen. Het lijkt mij eigenlijk evident dat scholen gewoon weten wanneer kinderen of jongeren niet aanwezig zijn en dat zij, als ze dat merken, gaan kijken wat er aan de hand is en met de ouders gaan bellen. Dat is eigenlijk heel erg vanzelfsprekend, lijkt mij. Ik kan me wel voorstellen dat het goed is dat heel grote instellingen, bijvoorbeeld bepaalde grotere mbo's, vooraf duidelijk maken wat in dezen de taakverdeling is: wie moet dan wat gaan doen? De zorg die de heer Stoffer heeft geuit, namelijk dat heel erg wordt gekeken vanuit een beleidsbril, zie ik echter ook wel. Ik wil zijn pleidooi voor een reflectie op dit thema wel steunen. Is dit daar niet exemplarisch voor? Kijken we niet te veel vanuit een soort sturingsfilosofie in plaats van naar de realiteit?

Voorzitter. Het signaal "zorgelijk ongeoorloofd verzuim" kan uiteindelijk leiden tot een strafrechtelijke handhaving door de leerplichtambtenaar. In de memorie van toelichting staat dat het ministerie van OCW een onderzoek gaat doen naar de strafrechtelijke rol van de leerplichtambtenaar. Is dat onderzoek gedaan, en wat is daar nou precies de bedoeling van? Je wil dat natuurlijk zo veel mogelijk voorkomen. Je wil gewoon in een eerder stadium gesprekken voeren, in overleg met ouders en anderen bekijken wat er nodig is en tot een oplossing komen. Ik denk dat de leerplichtambtenaar daar wel een rol in kan spelen, maar als je hem nu ook meer taken gaat geven aan de preventieve kant, waarvoor natuurlijk voorstellen worden gedaan, moet je dat dan niet toch scherp afbakenen van de strafrechtelijke rol? Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Er is wel geschreeuwd dat aan een leerplichtambtenaar ook een signaal kan worden gegeven bij geoorloofd verzuim, als dat zorgelijk is, wat natuurlijk vaak het geval is. De regering wilde dat niet, maar waarom eigenlijk niet? Het kan toch handig zijn om daar in ieder geval een grondslag voor te creëren?

Dit moet natuurlijk niet afleiden van het feit dat de school wel de eerste verantwoordelijkheid heeft om te proberen dat te voorkomen door die gesprekken te voeren. Dat scholen eerder dan dat wettelijk verplicht is, moeten kunnen melden dat er sprake is van ongeoorloofd verzuim oftewel spijbelen, lijkt ons een heel goed streven. Je moet juist proberen om uitval te voorkomen door er vroeg bij te zijn. Als die uitval langdurig is, wordt het voor kinderen immers steeds moeilijker om terug te keren, en dat wil je echt voorkomen.

Wat gaat dit nou doen met de administratieve lasten? Ik heb het allemaal wel gelezen, maar we hebben toch nog steeds wel een zorg. Gaat dit nou toch leiden tot meer administratieve lasten, en dan met name voor kleine scholen?

Ik heb nog een vraag over de vrijstelling. Waarom is aan ouders de mogelijkheid gegeven om geen gegevens met de samenwerkingsverbanden te delen over het advies over het onderwijskundig perspectief? Dat moet dan anoniem, maar kan je dat überhaupt anoniem doen, als je niet weet om wie het gaat? Het gaat toch om heel specifieke informatie? Hoe kan je nou vaststellen wat dat onderwijskundig perspectief dan nog is? Wát dat onderwijskundig perspectief is, lijkt mij weer heel erg afhankelijk van niet alleen de medische vraagstukken waar kinderen mee kampen, maar ook van wat er beschikbaar is aan ondersteuning. Hoe is die wisselwerking dan?

Voorzitter. O, ik ben al over mijn tijd heen. Dan ga ik snel afronden. Eigenlijk is er al heel veel gevraagd.

Dit gaat inderdaad om eindeloos lange beleidstrajecten. Dat was mij natuurlijk ook opgevallen. De Kamer is in 2020 geïnformeerd, schrijft het kabinet nu in deze stukken, over de doelstellingen van het Thuiszitterspact. Dat is dus zes jaar geleden. Het is al jaren geleden dat deze wet in consultatie is gegaan. De heer Stoffer had gelijk met zijn bananenkaas. Graag een reactie van de staatssecretaris op deze, inderdaad, bananenkaas.

Eén school die wij laatst hebben bezocht, heeft maandelijks een overleg over alle zorgleerlingen. Dus elke maand, met alle betrokken instanties. Ik denk dat dat goed is en dat dat ook wel op veel plekken gebeurt. Maar wat zij allemaal zeggen, is: waar wij tegenaan lopen, is dat er in de trajecten die nodig zijn, gewoon geen plekken zijn. Ik denk dat we daar de komende tijd aan moeten gaan werken.

Tot zover.

De voorzitter:

Sommige zaken moet je gewoon niet samen eten, denk ik.

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het eind gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Het is nu 17.35 uur. We schorsen voor een uur. We gaan gelijk eten. 18.35 uur gaan we verder met de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik schors de vergadering.

De voorzitter:

Tijd is tijd, dus ik heropen de vergadering. De staatssecretaris staat al klaar voor de eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik vraag de staatssecretaris of ze ons straks, misschien na haar inleiding, even kan meenemen in de blokjes. Het woord is aan de staatssecretaris.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel, voorzitter. Ik wou een korte inleiding doen en daarna inderdaad even zeggen in welke mapjes ik alle antwoorden heb gestopt.

Voorzitter. Wat weet, wat deert. Dat spreekwoord bestaat niet, maar het is het tegenovergestelde van het welbekende Nederlandse gezegde "wat niet weet, wat niet deert". Met de wet die we hier vandaag behandelen, werken we aan dat nieuwe spreekwoord "wat weet, wat deert". Want met deze wet worden scholen, samenwerkingsverbanden en leerplichtambtenaren geholpen om signalen en analyses van schoolverzuim beter te herkennen en te weten. Daardoor wordt het voor scholen en onderwijs- en zorgprofessionals makkelijker om te "deren". Het wordt namelijk makkelijker om ervoor te zorgen dat alle kinderen goed onderwijs kunnen ontvangen.

Dat is belangrijk, want onderwijs is vooruitgang. Onderwijs helpt kinderen goed te lezen, te schrijven, te rekenen, elkaar en de wereld te begrijpen, en hun talent te ontdekken en te ontwikkelen. Onderwijs helpt kinderen vooruit. Maar er zijn tienduizenden kinderen en jongeren die gedurende lange tijd niet naar school gaan, die langdurig verzuimen, omdat ze om allerlei redenen vast zijn gelopen in het onderwijs.

Voorzitter. Scholen weten niet altijd welke kinderen vastlopen of vast gaan lopen. Scholen weten ook lang niet altijd wat de reden is dat kinderen vastlopen en verzuimen. Het kan immers van alles zijn: thuis zorgen voor een langdurig zieke ouder, angst om te falen, een groot gevoel van onveiligheid, moeten wachten op hulp vanwege een mentaal gezondheidsprobleem et cetera. Als scholen dat wel weten, kunnen ze er ook bij helpen en zorgen dat kinderen weer naar school gaan. Dat kunnen die scholen niet alleen; dat doen ze samen met ouders, samenwerkingsverbanden, lokale teams, jeugdhulp, de gemeente en ga zo maar door.

Vorige week sprak ik met een jongere, ouders van langdurig verzuimende kinderen, een schoolleider, een jeugdarts en een leerplichtambtenaar over scholen die vooroplopen in de aanpak van verzuim. Wat mij daarin opviel, was dat het probleem niet de scholier is, maar dat je breder moet kijken en samen moet werken met en om de scholier. Dat is een heel duidelijke boodschap, die ik ook meeneem in dit debat. Het is daarbij belangrijk dat het verhaal achter het verzuim de kern is, ofwel: wat weet, wat deert.

Dat is het doel van deze wet, als onderdeel van een bredere aanpak: zorgen dat we weten, zodat scholen, samen met ouders en anderen, ervoor kunnen zorgen dat alle kinderen naar school gaan en onderwijs krijgen. Daarbij is deze wet gericht op preventie, op het voorkomen van schoolverzuim. Dat doet de wet met vijf maatregelen: het versterken van het verzuimbeleid op scholen, beter zicht op verzuim, het betrekken van een leerplichtambtenaar in een eerder stadium, het in positie brengen van gemeenten en samenwerkingsverbanden en een betere procedure ten behoeve van de vrijstellingen.

Meneer Stoffer vroeg of het kaas of fruit was. Ik stel daar liever een andere metafoor tegenover: wat mij betreft is het een moestuin. Soms denk je dat het niks meer wordt en dan blijkt het toch een prachtige, vruchtbare opbrengst op te leveren.

Voorzitter. Ik ga antwoord geven op de gestelde vragen aan de hand van de volgende thema's: als eerste wat het wetsvoorstel gaat doen, als tweede de regeldruk en registratie, als derde de rollen en de taken, als vierde de vrijstellingen en als vijfde overige. Ik kan u vast voorspellen dat de map overige best dik is geworden.

Laten we gewoon beginnen bij het begin. Dat zijn de antwoorden op de vragen over wat het wetsvoorstel gaat doen. Allereerst wil ik reageren op wat er gezegd is over de kritiek van onder andere de Raad van State en het ATR over de regeldruk. Naar aanleiding van de eerdere, terechte, kritiek van de Raad van State is het wetsvoorstel op een aantal punten aangepast. De hoofdelementen van het verzuimbeleid, de verzuimregistratie en de doorlevering van gegevens zijn in de wet opgenomen in plaats van in de eerder voorziene AMvB. Waar nadere uitwerking wel nodig is, is de toelichting op het wetsvoorstel aangevuld met een beeld van de inhoud van de AMvB. Het ATR en ook de Autoriteit Persoonsgegevens hebben inmiddels positief geadviseerd daarover. We hebben van verschillende partijen ook een positieve reactie gekregen op de internetconsultatie. Wat ons betreft is een deel van de kritiek ook echt verwerkt, en dat heeft tot een beter voorstel geleid. Daarom hebben we de toelichting op het wetsvoorstel op een aantal punten verduidelijkt en uitgebreid naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Dat hebben we bijvoorbeeld gedaan ten aanzien van de complexiteit van de problematiek, de doelstelling en de impact, de samenhang met andere maatregelen en de rol van ketenpartners. We hebben de kritiek dus ter harte genomen en wat mij betreft goed verwerkt.

Daarnaast was de vraag of dit wetsvoorstel in z'n eentje nou gaat helpen. Ik denk dat daar geen sprake van is. Het is onderdeel van een grotere aanpak verzuim. Het doel is om het aantal thuiszitters — dat woord vind ik heel vervelend, maar het komt wel vaak voor — dus mensen die geen onderwijs volgen en langdurig verzuimen, daadwerkelijk omlaag te brengen.

Er zit een aantal elementen in. Ik noem er een aantal. De Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen, waar u in december al over gesproken heeft en die u heeft aangenomen, zullen we uiteraard ook vol verve in de Eerste Kamer brengen. Dan is er deze wet voor de aanpak van verzuim. De Wet vrij en veilig onderwijs is onderweg en zal binnenkort in deze Kamer besproken worden. Ook zijn we druk bezig om handen en voeten te geven aan de wet voor maatwerk. Verder zijn er het beleid rondom passend onderwijs en het beleid voor zorg in onderwijstijd. Dat zijn allemaal aspecten die bij mij vandaan komen. Daarnaast zijn we ook nog bezig om onder andere samen met gemeenten en met mijn collega op VWS de sociaal-pedagogische basis in en om de school te verstevigen. Dan denk ik aan de Hervormingsagenda Jeugd, met daarin de stevige lokale teams, waar afgelopen maandag een convenant over is getekend, en de sociale agenda. Het is dus echt een onderdeel van een groter geheel.

De voorzitter:

Er is een interruptie van mevrouw Beckerman. Ik geef even aan dat we het hetzelfde doen als in de eerste termijn: in principe gewoon zes keer twee interrupties per persoon. Maar we zitten goed in de tijd, dus als we daar een beetje vlot mee omgaan, kunnen we ook besluiten daar wat ruimer mee om te gaan.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik vind het goed dat de staatssecretaris zegt dat dit onderdeel is van een groter pakket. Heel veel sprekers hebben zich namelijk vrij kritisch uitgelaten over de wet: wat heb je aan deze wet op zichzelf? Dan is mijn vraag de volgende. We waren met partijen een beetje aan het nadenken over wat we willen: willen we voorstemmen of willen we tegenstemmen? De samenhang zou 'm ook in de invoeringsdatum kunnen zitten. Zou de staatssecretaris daar iets over kunnen zeggen? Ik denk dat ze de achtergrond hiervan begrijpt. Je zou kunnen zeggen, en dat is iets waar ik over na zou kunnen denken: wij willen wel voorstemmen, mits aan een paar voorwaarden wordt voldaan. Dan kun je er bijvoorbeeld aan denken dat de invoering gelijkloopt met de aanpak, omdat we daarmee echt iets kunnen doen voor leerlingen, los van alleen administreren. Zo kunnen we ervoor zorgen dat we kunnen voorkomen dat het misgaat, en dat we leerlingen op weg kunnen helpen als het toch misgaat.

Staatssecretaris Tielen:

Ik geef daarop een antwoord over de inhoud en een antwoord over het proces. Als je kijkt naar de inhoud, zie je dat deze wet echt iets meer is dan alleen maar registreren. Ik snap wat mevrouw Beckerman zegt. Ik zeg het heel eerlijk: toen ik er voor het eerst vluchtig doorheen ging, had ik ook wel een beetje die gedachte. Maar als je dieper de wet in duikt en erover spreekt met de partijen die ermee moeten werken, merk je dat het wetsvoorstel ook echt gericht is op beter verzuimbeleid. Dat is een belangrijk element van de wet. Het is dus meer dan alleen maar registreren. Qua inhoud is de wet op zichzelf dus ook een belangrijke bouwsteen in het geheel van wetten en beleidsplannen, denk ik.

Over het proces: ik vind het lastig om een wet voorwaardelijk te maken, juist omdat die onderdeel is van het totaal. Óf je denkt dat het wetsvoorstel een waardevolle bouwsteen is, óf je denkt dat niet, zou ik willen zeggen. Als we het voorwaardelijk moeten maken, moeten we met elkaar ook nadenken over de vraag wanneer er dan aan alle voorwaarden is voldaan. Dan creëren we bij wijze van spreken onze eigen administratieve last, met een hoop onzekerheid erin, terwijl ik denk, zeg ik nogmaals, dat de wet op zichzelf een waardevolle bouwsteen is in het totaal.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dank aan de staatssecretaris voor het antwoord. Ik begrijp dat ze zegt: deze wet is breder dan alleen maar registeren. Dat begrijp ik, maar tegelijkertijd zijn er ook veel kritische geluiden: de wet doet namelijk niet heel veel aan de oorzaak van verzuim, terwijl dat wel een brede wens is in de Kamer. Ik wil nu niet onderhandelen over de invoering, maar er zijn natuurlijk genoeg wetten die, ook nadat ze in de Eerste Kamer zijn aangenomen, niet meteen ingaan. De staatssecretaris zegt dat ze nog met een heleboel andere dingen komt die echt met elkaar samenhangen. Zou het dan niet een logische optie kunnen zijn om te zorgen dat dingen gelijktijdig gaan gebeuren? Ouders kunnen denken: "Oké, er komt een strengere registratie, en dan? Wat betekent dat voor mijn kind? Want dat is daarmee niet per se op weg geholpen." Dat is een zorg die veel ouders hebben.

Staatssecretaris Tielen:

Ik snap die gedachtegang heel goed, hoor. Ik zou graag bij wijze van spreken een volledig overzicht met tijdpaden en afhankelijkheden voor u schetsen, maar dat kan ik nu gewoon nog niet. Ik vind het … Ik zou bijna zeggen "gevaarlijk", maar dat woord vind ik ook niet helemaal terecht. Ik vind het niet heel verstandig om dat vast te leggen in de wet, dus om die afhankelijkheid erin te zetten. Ik kan me wel voorstellen dat wij hier — we zijn met elkaar medewetgevers en maken met elkaar beleid — met elkaar afspreken hoe we daarmee omgaan, zodat u niet hoeft te wachten totdat de rest ook allemaal komt en u ondertussen al voor deze wet hebt gestemd. Ik snap dat dat ook een beetje onzekerheid geeft.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Beckerman (SP):

Maar dit is heel praktisch. Bij heel veel wetten staat natuurlijk gewoon: de invoering geschiedt op een later te bepalen datum. Vaak zitten daar ook voorwaarden aan vast. Dat weet de staatssecretaris natuurlijk nog beter. Het is niet heel ongebruikelijk om zoiets te doen. Ik weet niet of dat dé oplossing is, maar het is er in ieder geval een waar wij aan zaten te denken. Kan de staatssecretaris daar toch ook over nadenken? Er zijn hier namelijk breed signalen gedeeld van: we willen dit wel, maar we zijn nog kritisch; we zien ook goede elementen, maar het moet wel samengaan met echt heel veel dingen die nodig zijn voor deze groep leerlingen.

Staatssecretaris Tielen:

Nadenken is nooit verkeerd. Soms moet je ook niet te lang nadenken over dingen, dat zien we onder andere op dit domein ook wel. Laat ik zeggen dat ik over het amendement dat voorligt, straks ga zeggen: liever niet. Tegelijkertijd snap ik ook wel dat de Kamer een soort van houvast nodig heeft, maar hoe dat dan slim te doen is, daar probeer ik in de tweede termijn op terug te komen en anders daarna.

Zowel vanuit het CDA als vanuit de ChristenUnie, en eigenlijk ook wel vanuit iedereen, was er de vraag of het wel gaat helpen. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat het een waardevolle bouwsteen is, maar echt niet op zichzelf de enige. Ook in het wetsvoorstel staan, nogmaals, beter verzuimbeleid, betere samenwerking tussen de leerplichtambtenaar en het samenwerkingsverband en beter zicht op verzuim. Er zitten dus echt wel elementen in die gaan helpen en die onderdeel zijn van die bredere aanpak waaruit ik een aantal dingen heb genoemd.

De schoolbrede inzet is om verzuim te voorkomen en te verminderen. Is dat ook daadwerkelijk de uitkomst, vroeg meneer Ceder. Wat we zien, is dat veel scholen zich vaak eigenlijk nog niet zo bewust zijn van de ernst van het verzuim op hun school. Met deze wet willen we ze daar bewuster van maken. Aan de ene kant inderdaad door het te registreren, maar ook door een aantal handvatten in de wet vast te leggen, zodat ze beter kunnen samenwerken met — ik noemde ze al — leerplichtambtenaren, jeugdartsen en de samenwerkingsverbanden. Zo kunnen ze daadwerkelijk ook werk maken van en "deren" voor die scholieren die niet op school komen. Dat moet kunnen leiden tot minder langdurig of structureel verzuim, is mijn overtuiging.

Hoe werkt nou de leerplichtambtenaar? Het woord "strafrecht" is een aantal keer gevallen en dat is ook niet zo gek, maar wat we nu in de praktijk al zien, is dat heel veel leerplichtambtenaren veel meer op preventie gericht zijn. Dit wetsvoorstel gaat ook uit van die preventieve aanpak in plaats van een repressieve, ook vanuit het idee dat als we vroeg signaleren, je er vroeg bij kan zijn en al eerder erger kan voorkomen. Dan kun je ook samen met kind en ouders en alle betrokken partijen kijken wat een betere oplossing is om ervoor te zorgen dat het kind ook goed onderwijs kan krijgen.

Meneer Kisteman vroeg in zijn algemeenheid: is het niet het beste voor kinderen om gewoon echt naar school te gaan? Ja. Daar ben ik het mee eens; de school is natuurlijk een plek waar je onderwijs krijgt, maar waar je ook onderdeel uitmaakt van een klein stukje van de samenleving. Daardoor leer je ook de wereld en elkaar beter begrijpen. Dat is een heel vormende manier van opgroeien. Ik ben er echt voor dat alle kinderen naar school gaan.

Mevrouw Rooderkerk vroeg of de stem van ouders en kinderen voldoende is meegenomen in dit wetsvoorstel. Ja, is het korte antwoord. We hebben samen met ouders en Onderwijs in Balans gesproken over de vormgeving van het wetsvoorstel, maar ook met de LBVSO, met LAKS, met JongPIT en de Adviesraad ÉigenWijsheid. Als deze wet wordt aangenomen, neem ik deze partijen en ouders en jongeren mee in hoe de uitvoering het beste kan worden vormgegeven. Ik denk dat dit voor alle beleid en wetgeving zal gelden waar ik mij de komende jaren mee ga bezighouden. Ik vind het erg belangrijk dat ouders en leerlingen meedenken en meepraten en hun stem kunnen laten horen in wat wij hier met elkaar te bepalen hebben.

Mevrouw Beckerman vroeg hoeveel ik het verzuim kan laten dalen met deze wet. Dat is moeilijk te zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat het kan gaan dalen, al denk ik ook dat we van deze wet weleens zouden kunnen schrikken, omdat de cijfers eerst weer stijgen doordat we de registratie richting geven. Daar moeten we ons echter niet door laten afleiden, want door het betere verzuimbeleid, in samenhang met de andere bouwstenen, moet het verzuim omlaag kunnen. Ik durf geen cijfer te geven van hoeveel dat nu is. Dat is denk ik logisch genoeg, maar het lijkt me wel verstandig om daar realistische kwantitatieve ambities bij te hebben, als de wet een paar jaar in werking is. Daar houd ik altijd wel van.

Mevrouw Beckerman vroeg ook naar passend onderwijs als een van de bouwstenen rondom dit wetsvoorstel. We zijn nog steeds bezig met de uitvoering van de verbeteraanpak passend onderwijs. Met dit wetsvoorstel willen we in ieder geval het verzuim terugdringen en het aantal jongeren dat niet naar school gaat, omlaag krijgen. Soms is passend onderwijs daar een oplossing voor. Soms is er wat anders nodig. Dat heeft inderdaad met elkaar te maken. Iemand zei tijdens zijn inbreng "ik wil er geen debat over passend onderwijs van maken". Ik liever ook niet, ook al omdat ik echt graag met uw Kamer een debat wil voeren over alle elementen van passend onderwijs. U heeft mij in mei uitgenodigd om dat debat met u te voeren. Voorafgaand aan dat commissiedebat stuur ik u graag een brief waarin ik die dwarsverbanden voor u op papier zet, zodat we daar wat dieper op kunnen ingaan met elkaar.

Meneer Stoffer zou de wet juist graag weer willen behandelen in relatie tot Zorg in Onderwijstijd. Hij heeft daarover een brief gezien, waar mijn naam onder staat. Dat was wel met een andere titel erbij. Ik denk dat Zorg in Onderwijstijd een van de bouwstenen is in de totaalaanpak Iedereen naar school. Misschien moeten we daar nog een pakkender term voor vinden. Soms moet je niet alle dingen tegelijk willen doen, want dan verzandt het weer. Dit is een van de stappen. Zorg in Onderwijstijd is een andere stap, die wat mij betreft niet al te lang op zich laat wachten.

Mevrouw Beckerman vroeg ook nog wat de belangrijkste knelpunten en oorzaken zijn. Als je nu kijkt naar de cijfers, zie je het verzuim in de grafieken oplopen. Ik zei bij mijn inleiding al dat ik dat lastig vind om te zeggen, omdat het verzuim zoveel verschillende oorzaken kan hebben, die vaak niet per se uit het onderwijs voortkomen. Volgens mij verwees mevrouw Beckerman daar zelf ook naar. Oorzaken kunnen zijn: armoede en stress in het gezin, onveiligheid thuis, ziekte in de omgeving of bij jezelf, angst, trauma. Gepest worden is ook al genoemd. Daar hebben we wel een aanpak voor; daar kom ik straks op terug. Het zijn heel veel verschillende dingen. Ik hoop eigenlijk wel dat we met dit wetsvoorstel beter zicht erop krijgen. De scholen moeten er beter zicht op krijgen, maar wij ook om te zien waar de grootste problematiek is en vooral waar de beste oplossingen te vinden zijn.

Ik hoor wat in mijn linker oortje.

De voorzitter:

Mevrouw Beckerman moet een klein stukje lopen. Laten we daar even op wachten. Mevrouw Beckerman met een interruptie.

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, onze fractie is expres klein geworden, zodat we extra stappen zetten! Dat is gezond. Ik vind dit antwoord toch een beetje mager. Veel partijen hebben gezegd dat de wet de kern van het probleem niet aanpakt. De staatssecretaris zegt terecht dat er heel veel oorzaken kunnen zijn. Over ziekte hebben we het laatst uitgebreid gehad, bij de behandeling van die wetgeving. Maar het onderwijs zelf — dan hebben we het zeker niet over de leraren — en de manier waarop we het systeem hebben ingericht, vormen wel daadwerkelijk een van de oorzaken. Erkent de staatssecretaris dat ook? Het is namelijk wel heel noodzakelijk dat we dat probleem zien. Veel partijen hebben erop gewezen dat met de invoering van passend onderwijs werd gezegd: met deze wet gaan we het verzuim echt terugdringen en gaan we het aantal thuiszitters fors verminderen. Tien jaar later zien we dat het aantal thuiszitters gigantisch is gestegen. Erkent de staatssecretaris in ieder geval dat het onderwijs wel een probleem is? Als dit een van de bouwstenen is en als wij hiermee instemmen, dan willen we wel dat dit bijdraagt aan de oplossing. Dat kan alleen als we die oorzaak erkennen.

Staatssecretaris Tielen:

Volgens mij zei ik "naast het onderwijs", dus ik denk dat mevrouw Beckerman en ik best dicht bij elkaar in de buurt kunnen komen als ik zeg dat het een veelkoppig monster is, waarbij ook het onderwijs een rol speelt. Maar dat is een groot begrip. Dat kan gaan over onveiligheid op of om school, dat kan te maken hebben met de manier waarop je het beste past in de klas versus bij hoe de sfeer is en hoe het onderwijs in de klas wordt gegeven. Al die elementen hebben er ook mee te maken. Ja hoor, dat wil ik best erkennen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Excuses dat ik zo veel interrumpeer; ik zal het zo weer beperken. Waar ik naar op zoek ben, is erkenning dat dit niet door het onderwijs is veroorzaakt, maar dat hier ook politieke keuzes aan ten grondslag liggen. Een aantal zijn al genoemd door mezelf en door collega's, bijvoorbeeld het idee om minder speciaal onderwijs te hebben en meer kinderen in passend onderwijs, waarbij er ook nog een keer onvoldoende rekening wordt gehouden met grote klassen en veel ondersteuningsbehoefte. De politieke keuzes om ons onderwijs zo vorm te geven, zijn echt de oorzaak van problemen voor in ieder geval een groot deel van de thuiszitters nu.

Staatssecretaris Tielen:

Ik vind het lastig om te erkennen dat die keuze niet goed is, want daar ben ik het, denk ik, oprecht niet mee eens. Maar als mevrouw Beckerman zegt dat die keuzes een aantal consequenties hebben die we niet hebben voorzien, dat die keuzes niet helemaal goed zijn uitgevoerd of dat we nu nog tegen consequenties aanlopen, dan denk ik dat dat zo is. Daar ga ik in mei graag met uw Kamer verder over in debat, omdat we volgens mij allemaal hetzelfde willen. Volgens mij zitten de verschillen soms in de route en in welke keuzes daar het beste toe leiden.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Raijer vroeg of we de wet gaan handhaven. Ja; dat is ook wel handig als je een wet maakt. Met de Inspectie van het Onderwijs zijn daarover afspraken gemaakt, waarbij de inspectie toezicht gaat houden op de verzuimregistratie en het verzuimbeleid. Uiteindelijk kan de inspectie ook verzuimgegevens gebruiken voor risicogericht onderzoek, zoals ze op sommige andere domeinen ook doet binnen het onderwijs.

Mevrouw Rooderkerk vroeg wat we nog meer gaan doen om te zorgen dat kinderen weer naar school kunnen, ook als zij nu langdurig verzuimen. Ik heb al een aantal van de wetten genoemd waar u al over gesproken heeft, waar wij mee aan de slag gaan of waar wij binnenkort over in gesprek gaan. Daarnaast is er geld beschikbaar gesteld voor onder andere jongeren zonder inschrijving, bijvoorbeeld voor het experiment onderwijszorgarrangementen, waarmee duizenden kinderen vooruitgeholpen worden. Ook wordt het digitale afstandsonderwijs ondersteund. We zijn bezig met extra bekostiging voor onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen. We investeren structureel in de omgeving via School en Omgeving, de brugfunctionaris en schoolmaaltijden, en er is subsidie voor gedragswerk en onderwijsconsulenten. Dat zijn een heleboel elementen waarmee we gezamenlijk proberen om dat thuiszitten daadwerkelijk terug te dringen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ook een beetje in navolging van het debatje met collega Beckerman: ik ben bang dat verwijzen naar de bestaande aanpak en naar dingen die we doen, gewoon niet het antwoord is voor deze kinderen. Ik zit nu al een tijdje in deze commissie voor Onderwijs en ik zie gewoon geen verbetering. Neem bijvoorbeeld het aantal thuiszitters. Eerst dacht het ministerie dat het er 17.000 waren. Nu blijken het er mogelijk 70.000 te zijn. Maar kijk ook naar het aantal vrijstellingen sinds de invoering van het passend onderwijs. Dat is in de afgelopen jaren echt met duizenden toegenomen, op basis van lichamelijke of psychische klachten waardoor kinderen thuiszitten. Wat is nou volgens de staatssecretaris de oorzaak ervan dat bijvoorbeeld die toename in het aantal vrijstellingen zo groot is?

Staatssecretaris Tielen:

Dat weet ik niet precies. Dat is een van de redenen waarom we een aantal instrumenten nodig hebben om ook vanuit hier ... Op sommige scholen en samenwerkingsverbanden hebben we heel goed zicht, op andere helemaal niet. Er is sprake van grote verscheidenheid en verschillen door het hele land heen. Daar hebben wij vanuit deze plek in Nederland ook niet volledig zicht op. Ik kan nu dus geen eenduidig antwoord geven op de vraag waar het aan ligt en waar het door komt. Dit wetsvoorstel moet eraan bijdragen daar beter zicht op te krijgen, ook doordat scholen er beter zicht op krijgen en er dus beter beleid op maken. Maar nogmaals, meer zicht krijgen is zeker niet het enige. We hebben ook al die andere dingen nodig. Een aantal zaken zetten we nu al in gang, om bij te dragen aan een verlaging van de aantallen. Sommige daarvan heb ik genoemd. Maar het is dus niet zo dat wij zeggen: we doen het al oké en als we deze wet hebben, is het opgelost. Nee, dat is zeker niet mijn insteek en dat verwacht ik ook niet.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Goed om dat te horen, want dat is wel echt een zorg die ik heb. Ik denk dat die ook heel breed in de Kamer gevoeld wordt. Ik snap ook dat de staatssecretaris nu net van start is gegaan en dat ze echt de ambitie heeft om hier wat aan te doen. Dat vind ik heel goed om te horen, maar ik maak mij er toch ook wel zorgen over dat het antwoord eigenlijk is dat we met z'n allen niet weten wat nou de reden is, behalve dan dat het dus niet blijkt te lukken om het op te lossen. Dat kan niet het antwoord zijn waarmee wij naar huis gaan of waarmee wij de kinderen thuis laten zitten. Wat is dan de volgende stap die de staatssecretaris wil zetten om hier wel een duidelijke oplossing voor te krijgen?

Staatssecretaris Tielen:

Nogmaals, ik denk ook dat deze wet gaat helpen om er beter zicht op te krijgen, maar niet volledig. We zijn natuurlijk ook bezig — daar kom ik straks bij het blokje vrijstellingen op terug — om in kaart te brengen wat daar gebeurt en wat we daarmee willen, ook in navolging van wat uw Kamer eerder gevraagd heeft. Verder zijn we ook in gesprek over de verschillende aspecten rondom lichamelijke problematiek van jonge mensen, mentale problematiek van jongeren, wat we op scholen zien, wat er wel en niet gebeurt met passend en inclusief onderwijs. Ik heb ook nog tijd nodig om, los van alle onderzoeken die er zijn en alle cijfers en grafieken, die heel belangrijk zijn, in gesprek te gaan met de verschillende betrokken organisaties en terug te horen wat zij daarin zien. Dat helpt mij om een beter beeld te krijgen en daarover weer met u in gesprek te gaan om te kijken wat dat dan betekent voor oplossingsrichtingen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Heel fijn. Dat is, denk ik, heel goed. Wat mij van alle gesprekken vooral bijblijft, is dat er nergens doorzettingsmacht is, dat iedereen er een rol in heeft en dat het ook overal weer op een andere manier kan, mag en gebeurt, maar dat het wel ten koste gaat van de kinderen, die dus geen oplossing krijgen. Ouders gaan heel vaak van school naar school, op zoek naar een plek voor het kind. Dan duurt het al te lang en blijft het kind thuis, want dat durft niet meer naar school. Dat we dit laten gebeuren, vraagt echt een veel fundamenteler omwenteling dan weer een nieuwe regeling of een nieuwe structuur; het vraagt om een veel betere verankering van het recht op onderwijs in onze wet.

Staatssecretaris Tielen:

Dat herken ik. Dat herken ik ook nog uit andere rollen, zowel als staatssecretaris Jeugd alsook als Kamerlid belast met onderwijs- en jeugdvraagstukken. Ook daar zitten weer verschillen. Sommige scholen en samenwerkingsverbanden werken echt fijn samen en daar is doorzettingsmacht bijna vanzelfsprekend. In andere regio's is het voor ouders soms echt wel een beetje — ik heb dat weleens tegen voormalige bewindspersonen gezegd — leuren met hun kind en overal een dichte deur vinden. Ik herken dus heel goed wat mevrouw Rooderkerk zegt. Ik denk we daar een verschil in moeten maken en dat het dan helpt om in ieder geval eenduidig beleid te hebben op verzuim, met behulp van deze wet, eenduidige afspraken te maken met samenwerkingsverbanden over hoe ze hun werk goed doen, en de wettelijke zorgplicht van scholen ook nog maar weer eens onder de aandacht te brengen.

De voorzitter:

Mevrouw Rooderkerk, tot slot.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Afrondend dan. Ik denk dat het inderdaad nodig is om eenduidig beleid te hebben en daar ook veel beter en scherper op te sturen. Wanneer komt het moment dat de staatssecretaris zegt: we hebben dit in kaart en we gaan dit met de Kamer bespreken? Komt er dan een brief naar de Kamer? Komt er ook echt een aanpak op bijvoorbeeld het tegengaan van thuiszitters? Ik zoek namelijk nog wel — dat merk ik ook bij anderen, ook in het eerder ingediende amendement — naar het moment waarop we zeggen: we gaan nu wat duidelijkere keuzes met elkaar maken om dit te verbeteren.

Staatssecretaris Tielen:

Ik ga daar nu niet een totaalbrief over toezeggen, maar ik denk dat een aantal van deze dingen zullen terugkomen in de brief die ik u wil sturen voor het debat Passend onderwijs, want daar zitten veel raakvlakken, denk ik. We zullen het debat Passend onderwijs gebruiken om te zien of we dan nog meer nodig hebben of dat het pad met alle verschillende bouwstenen dat we nu voor ons zien, voldoende is. Dan kan ik er ook nog even over nadenken of ik dat zelf vind.

De heer Ceder (ChristenUnie):

In mijn gesprekken met schoolbesturen merkte ik ook dat een kind dat lang thuiszit, niet alleen jarenlang thuis heeft gezeten, maar ook dichte deuren tegenkomt en van school naar school gaat. Je merkt dat er bij scholen af en toe ook wat koudwatervrees is, omdat het vaak kinderen zijn met een achterstand. Als die kinderen mee gaan doen, heeft dat vaak ook weer effect op de totale cijfers, waar de scholen vervolgens weer op afgerekend worden. Dat hoort niet zo te zijn, maar ik merk in de gesprekken wel degelijk dat het voor scholen een afweging kan zijn. Ze willen dan wel helpen, maar niet ten koste van bepaalde prestatie-indicatoren die daardoor omlaaggaan. Mijn vraag is: erkent de staatssecretaris deze spagaat, of koudwatervrees, om kinderen met een label of kinderen die ze een kans willen geven echt binnen te halen? Is ze bereid om dit gesprek aan te gaan? Het kan niet zo zijn dat scholen door regels die wij opleggen het vervolgens aan de andere kant heel lastig vinden om iemand een kans te geven omdat ze door diezelfde overheid afgerekend worden op schoolprestaties in algemene zin.

Staatssecretaris Tielen:

Ik herken dit heel erg. Daarom benadrukte ik in mijn inleiding ook dat dat maakt dat kinderen zich soms het probleem voelen, terwijl het in het overgrote deel van de gevallen aan heel veel andere dingen ligt. Dus ja, dat herken ik. Ik denk dat meneer Ceder met het woord "koudwatervrees" al een richting op ging waarin ik me wel enigszins herken. Het is altijd goed om het gesprek aan te gaan. Met deze wet maken we scholen ook weer even duidelijk dat het belangrijk is dat zij een goed verzuimbeleid hebben. Dat geldt dus voor zowel de leerlingen die ze al hebben als voor de leerlingen die komen. Ik mag hopen dat heel veel schoolbesturen, net als wij hier allemaal Kamerbreed doen, gewoon zeggen: elk kind heeft recht op goed onderwijs.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel dat we in dezelfde richting denken. Ik denk dat het ook belangrijk is dat scholen dat uitstralen. Aan de andere kant: als we aan de prestatiekant en aan het afrekenen op prestaties niets veranderen, dan vrees ik dat scholen zo hoog mogelijke prestaties willen halen en willen dat kinderen zo goed mogelijk presteren. Dat snap ik uiteraard wel. Er zit daarmee ook een perverse prikkel in het systeem. Over kinderen die dat gemiddelde, of die prestaties, omlaag kunnen halen en daarmee een risico vormen, denken scholen wel drie keer na of ze die wel een kans geven. Mijn vraag is of de minister erkent dat we ook aan de kant van het toetsen van kwaliteit en prestaties iets moeten doen om ervoor te zorgen dat scholen geen koudwatervrees voelen en dat we die perverse prikkel er dus ergens uit halen. Daardoor zouden scholen veel opener en zonder consequenties kunnen zeggen: wij gaan jou opvangen.

Staatssecretaris Tielen:

Meneer Ceder doet nu net alsof "prestatie" één cijfer of één ding is, maar het zijn van een goede school gaat niet alleen over prestaties op bijvoorbeeld de basisvaardigheden, maar over nog veel meer. Het gaat ook over veiligheid, didactiek en weet ik het allemaal. Ik vind dat dus een te nauwe afbakening. Ik zou heel eerlijk gezegd niet willen dat we kwaliteitseisen, bijvoorbeeld wat betreft de basisvaardigheden, af gaan remmen om hier de ruimte te geven. Ik vind het belangrijk dat alle kinderen recht hebben op goed onderwijs. Goed onderwijs betekent een plek waar je naar school toe kan, waar je je veilig kan voelen en waar je vanaf komt met goede vaardigheden in lezen, schrijven en burgerschap en met goede digitale vaardigheden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Tot slot. Deze mening deel ik natuurlijk volledig.

Staatssecretaris Tielen:

Gelukkig.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Het is alleen ook de werkelijkheid dat het aantal leerlingen dat thuiszit is gestegen naar ongeveer 70.000. Ik zei het in mijn interruptie met het CDA al: het kan zomaar zo zijn dat onder het kabinet-Jetten, waar de staatssecretaris ook in zit, dat aantal de 100.000 gaat overstijgen. Er is dus wel wat aan de hand. Mijn vraag is de volgende. Ik ben het helemaal met u eens dat het al suboptimaal gaat wat betreft de basisprestaties. Zou de staatssecretaris misschien in ieder geval kunnen toezeggen om dit punt in de gesprekken mee te nemen? Kan zij ook toezeggen dat ze gaat kijken wat schoolbesturen nodig hebben om dat koudwatervreeseffect te verminderen? Ik merk namelijk dat dat er in de praktijk nog wel is. Ik hoor ook dat dit wel degelijk iets van een factor is. Misschien kunnen we op dat punt iets betekenen, om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk kinderen gewoon weer onderwijs kunnen krijgen.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, maar mijn overtuiging is dat dit niet de belangrijkste reden is dat die deur af en toe gesloten blijft. Laten we het wel onderzoeken. Dat hoeft niet met een nieuw onafhankelijk onderzoek, maar dat kan in de gesprekken. Ik zal het gewoon voorleggen. Ik ben het namelijk met meneer Ceder eens dat we dat moeten oplossen als dat de reden is. We moeten het dan over de oplossing hebben. Ik ben blij dat meneer Ceder onderschrijft dat de kwaliteit van het onderwijs zelf buiten kijf staat.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel. Kan ik nog een toezegging noteren, dat de minister en staatssecretaris terugkomen op wat daaruit komt? Kijk, misschien heb ik net een onzinverhaal verteld, maar misschien …

De voorzitter:

Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat ze dat gesprek gaat doen en toezegt.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Zeker, maar de vraag is of ze ook de uitkomst daarvan wil terugkoppelen.

Staatssecretaris Tielen:

Meneer Ceder wil terug horen hoe dat gesprek is gegaan. Daar kan ik natuurlijk altijd een kort verslagje van sturen.

De voorzitter:

Nou, bij dezen.

Staatssecretaris Tielen:

En of dat dan in een aparte brief zit of bijvoorbeeld in de brief over passend onderwijs of zo, dat wil ik even in het midden laten. Maar ik laat u weten wat daaruit komt. Ja, tuurlijk.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog. Ik geef aan dat we nog bij het eerste blokje zijn.

Staatssecretaris Tielen:

Nou, ik ging nu net naar het tweede.

De voorzitter:

Ah, kijk. Dat is fijn.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is fijn, hè. Underpromise, overdeliver hoop ik maar, in goed Nederlands.

Meneer Ceder had nog een hoop andere vragen, onder andere over welke kinderen eigenlijk onzichtbaar blijven, om het maar zo te zeggen. De bedoeling van dit wetsvoorstel is dat we door die verzuimregistratie te verbeteren beter zicht krijgen op al die leerlingen. Jongeren die niet ingeschreven staan bij een school, zijn dan niet bij scholen in beeld, maar wel bij gemeenten, ook als ze bijvoorbeeld op een dagbestedingslocatie zitten. Dus met de gegevens van de scholen en de gemeenten samen ga ik ervan uit — dat vind ik een belangrijk uitgangspunt — dat we zicht hebben op alle leerlingen en dat niemand buiten beeld blijft. Ook kinderen die minder of geen onderwijs krijgen via de Beleidsregel afwijken onderwijstijd moeten daarmee in beeld kunnen komen, omdat dit wetsvoorstel veroorloofd verzuim ook beter in beeld gaat brengen. Dat geld ook voor kinderen die onder de beleidsregel vallen waar meneer Ceder naar verwees. Scholen moeten er inderdaad niet zozeer voor zorgen dat ze een vinkje zetten, zoals enkelen van u benoemden, maar juist dat verzuimbeleid in beeld hebben. Dan gaat het dus ook over wat we nu nog "geoorloofd verzuim" noemen, omdat dat soms ook een indicatie kan zijn van verergering, om het maar zo te noemen.

Mevrouw Westerveld vroeg of scholen kinderen gaan weren die een risico hebben op verzuim, eigenlijk een beetje in het verlengde van de vraag van meneer Ceder net. Scholen hebben, zoals ik net al zei, een wettelijke zorgplicht. Het is dus hun verplichting om kinderen een plek te bieden of te helpen met het vinden van een andere school als de school het zelf niet kan. Ik weet ook dat dat lang niet altijd naar verwachting wordt ingevuld, maar ik vind — die stelling neem ik maar in — dat scholen er eigenlijk niet onderuit kunnen. Dus we moeten daar dan goed naar kijken. Het gesprek waar meneer Ceder al om vroeg, ga ik zeker hebben. Stel dat we die zorgplicht aan moeten scherpen. Dan kom ik daar graag op terug, want dan gaan we kijken hoe we dat moeten doen.

Mevrouw Westerveld vroeg ook om de privacy als het gaat om de gegevens van leerlingen. Er zit inderdaad een dilemma in de uitwerking van het wetsvoorstel. Daarom hebben we ook de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd om daarin mee te denken. Van de manier waarop we het nu hebben vastgelegd, zegt de Autoriteit Persoonsgegevens: dat is positief. Dat doen we goed. Dan is er geen risico voor de privacy van leerlingen. Daar hecht ik dan wel waarde aan, aan dat oordeel van de autoriteit.

Mevrouw Westerveld vroeg ook waarom die cijfers er nu niet zijn, terwijl er wel al wordt geregistreerd door heel veel scholen. We weten gewoon dat niet alle scholen dat al goed bijhouden. Dat is vooral de drempel waar we tegenaan lopen. Met deze wet proberen we daar eenduidig richting aan te geven en dus ook verwachtingen te wekken rondom die registratie. De inspectie vraagt nu cijfers over thuiszittende jongeren bij de samenwerkingsverbanden. Maar als we kijken naar de cijfers van die samenwerkingsverbanden, dan zien we dat die vaak niet volledig of niet kloppend zijn doordat de scholen ook niet altijd volledige en kloppende registraties hebben. Dat is precies eigenlijk waar we last van hebben om echt goed te zorgen dat verzuim in kaart is, maar vooral ook wordt voorkomen en opgelost. Dat is ook de reden dat dit wetsvoorstel wat mij betreft een belangrijke bouwsteen is in de totale aanpak.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Toch een vraag hierover, want ik vind het eigenlijk best opmerkelijk om te beseffen dat een van de doelstellingen van passend onderwijs was dat alle kinderen een passend onderwijsaanbod kregen. Ik noemde al het Thuiszitterspact uit 2016. Er kwam een hele belangrijke taak te liggen bij samenwerkingsverbanden en scholen en zij kregen een belangrijke opdracht in de wet, maar dan blijkt de administratie niet te kloppen. Mijn vraag is dan: hoe kan het dat samenwerkingsverbanden en scholen die deze belangrijke taak hebben, er kennelijk de afgelopen tien jaar niet in zijn geslaagd om dit eenduidig aan te pakken en aan te leveren?

Staatssecretaris Tielen:

Dat weet ik niet. Ik zie dat er gewoon grote verschillen zijn tussen scholen en tussen samenwerkingsverbanden. Hoe het komt dat die verschillen er zijn en of dat te maken heeft met dat men het minder belangrijk vindt, dat men andere dingen doet, of dat er een misverstand ontstaat over hoe je het dan bij moet houden, durf ik niet te zeggen. Ik wil vooral eenduidigheid daarover. Dat proberen we met dit wetsvoorstel voor elkaar te krijgen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik probeer de staatssecretaris nergens … Ik probeer … Ik ga gewoon een vraag stellen; dat is beter. Het verbaast mij gewoon. Het verbaast mij omdat dit een belangrijk punt is. Wij hebben als Kamer al heel vaak aan de staatssecretaris, of aan een van haar voorgangers, gevraagd wat de exacte cijfers zijn en of die aangeleverd kunnen worden. Vorig jaar kwam Balans met een rapport waaruit bleek dat er een enorme discrepantie is tussen wat het ministerie weet en wat in het rapport staat. Ik verbaas mij daar gewoon over, omdat we vanuit het onderwijs heel veel dingen wél weten. Ik verbaas mij erover dat het zicht ontbreekt op zo'n belangrijke wet uit 2015 met zo'n belangrijke opdracht, omdat we gewoon niet weten hoeveel kinderen er thuiszitten en waarom dat zo is. Het verbaast mij dat dat is misgegaan. Ik heb de indruk dat de staatssecretaris mijn verbazing ook deelt.

Staatssecretaris Tielen:

Zeker. Ik kan er heel veel woorden aan wijden, maar ik ben er ook verbaasd over. Tegelijkertijd zien we daarmee hoe belangrijk registratie en administratie zijn. Aan de ene kant hebben we daar soms terecht een hekel aan, maar aan de andere kant is het heel belangrijk om dat beeld te krijgen. Dat is ook de reden dat dit wetsvoorstel volgens mij een belangrijke stap is. Nogmaals, dat is niet alleen voor de administratie, maar ook vanwege het verzuimbeleid zelf. Ik schrik van de cijfers. Ik schrik ook van het feit dat die cijfers zo verschillend zijn. En ik schrik van de verschillen in zowel inzicht als aanpak in verschillende regio's.

Mevrouw Rooderkerk vroeg ook naar de administratie en de regeldruk. Het Adviescollege toetsing regeldruk, het ATR, waar ik al naar verwees, heeft op basis van wat wij in het wetsvoorstel hebben aangescherpt een positief advies gegeven. Zij zeggen dat deze informatieverstrekking nauwelijks gevolgen heeft voor de regeldruk. Dat vind ik dus fijn. De andere kant hiervan is dat wij, maar juist ook samenwerkingsverbanden en scholen, beter zicht krijgen op verzuim. Daarmee kunnen we ook beter verzuimbeleid gaan inzetten. De vraag is: hoe zit het dan als je kijkt naar het onderzoek van Balans? Ik zei al dat we met deze wet beter beeld hebben van het schoolverzuim. Ik heb het dan overigens zowel over geoorloofd als over ongeoorloofd verzuim. Dat wordt op schoolniveau, gemeenteniveau, regionaal niveau en landelijk niveau beter in zicht gebracht. Daarmee hebben we dus ook vanuit hier beter zicht op hoe het er in Nederland voor staat. Dan gaat het ook over ziekteverzuim, verzuim per leerjaar en langdurig verzuim. Al die dingen hebben we nodig om uiteindelijk een goede aanpak te maken, met deze wet, maar ook met de andere bouwstenen waarnaar ik verwees. Denk dan aan de Wet maatwerk, waar we mee bezig zijn, en het passend onderwijs.

Meneer Boomsma vroeg waarom een signaal geven bij geoorloofd verzuim niet mogelijk is en of er misschien een grondslag voor nodig is. Als je naar de huidige taak van de leerplichtambtenaar kijkt, dan zie je dat het delen van individuele gegevens over geoorloofd verzuim niet passend is. We hebben natuurlijk internetconsultatie gedaan met deze wet. We hebben ook gesprekken gevoerd met bijvoorbeeld ouders en onderwijsinstellingen. Daaruit bleek dat er zorgen waren dat als je dat wel doet, de privacy van leerlingen in het geding komt. Volgens mij verwees meneer Boomsma daar in zijn inbreng eigenlijk ook al naar. Wat we doen om de proportionaliteit goed te krijgen, is dat we individuele gegevens van alle leerlingen hebben gewogen. We hebben geconcludeerd dat de inbreuk op de privacy van minderjarige leerlingen niet opweegt tegen het uiteindelijke doel. Wél zorgen we er met dit wetsvoorstel voor dat scholen een signaal kunnen geven aan de leerplichtambtenaar bij zorgen over ongeoorloofd verzuim. Het begint natuurlijk met dat scholen in beeld brengen in hoeverre er sprake is van geoorloofd en ongeoorloofd verzuim. Van daaruit kunnen we verder kijken. Als blijkt dat dit toch een groot probleem is, dan moeten we daar in de toekomst nog eens naar kijken. Op dit moment vinden we dat echter niet proportioneel.

Meneer Boomsma vroeg ook waarom ouders überhaupt anoniem gegevens zouden delen. De AVG vereist toestemming, want het gaat soms ook om medische gegevens. We kunnen ouders gewoon niet verplichten om die gegevens te delen met het samenwerkingsverband; dat is wettelijk niet mogelijk.

De heer Stoffer vroeg …

De voorzitter:

Misschien kunnen we het even daarbij laten, want de heer Boomsma meldt zich met een interruptie.

De heer Boomsma (JA21):

Hoe kan je vaststellen welke vorm van onderwijs nog mogelijk is, als je dat niet weet?

Staatssecretaris Tielen:

Als je wat niet weet?

De heer Boomsma (JA21):

Als ouders dus weigeren medewerking te verlenen en die gegevens te delen, maar er dan nog wel moet worden vastgesteld wat nog mogelijk is qua onderwijs, dus als dat nog steeds noodzakelijk is, hoe kan je dan tot een redelijk oordeel daarover komen?

Staatssecretaris Tielen:

Bij ongeoorloofd verzuim kan dat wel. Bij geoorloofd verzuim is het dus belangrijk dat de school daar verzuimbeleid op heeft en de ouders daar ook bij betrekt. Daarin zit dus ook nog een bepaalde mate van gewoon onderling aanspreken op verantwoordelijkheden bij. Dat kan dus allemaal wel. Je kunt alleen niet daartoe verplichten. Je kunt daar minder goed dwang en drang op zetten.

De heer Boomsma (JA21):

Oké, maar je kunt dan nog steeds wel passend onderwijs vaststellen? Gebeurt dat dan nog steeds?

Staatssecretaris Tielen:

Jazeker. Dat is belangrijk genoeg. Ik mag ook hopen, en dat is ook zo, dat de meeste ouders daarbij in het algemeen natuurlijk gewoon hun verantwoordelijkheid willen delen met school.

Meneer Stoffer vroeg om reflectie. Dat is altijd gevaarlijk, want dan kan je eindeloos gaan reflecteren. Dat ging met name over het sturen, met registreren en analyseren. Hij vroeg of dat nou goed is. Ik heb volgens mij aan het begin van mijn betoog al uitgelegd dat dit wetsvoorstel meer is dan alleen maar registreren en analyseren, en ook meer is dan de enige bouwsteen voor dit beleid rondom het tegengaan van verzuim. Dit wetsvoorstel maakt het probleem inzichtelijk en maakt ook dat scholen daar beleid op moeten maken, waarmee het ons ook weer helpt. Maar nogmaals, we hebben meer nodig dan alleen dit wetsvoorstel.

Meneer Stoffer vroeg ook naar de inspectie. De inspectie heeft nu ook al een toezichthoudende rol als het gaat om scholen en het verzuimbeleid, dus dit wetsvoorstel is voor de inspectie gewoon een aanvulling op de bestaande rol. Ook de inspectie weet dat inzicht nodig is om goed verzuimbeleid te kunnen voeren en dus om alle kinderen een goede plek in het onderwijs te geven.

Mevrouw Raijer vroeg hoe we ervoor zorgen dat er landelijk een eenduidige registratie is, zodat niemand meer onzichtbaar raakt, om het in de woorden van de heer Ceder te zeggen. Met dit wetsvoorstel zorgen we dat scholen gewoon beter gaan registreren, samen met partners. Er komt een handreiking om dat ook in de praktijk te brengen. Als je deze wet gaat lezen, weet je als school namelijk misschien nog niet precies wat je moet gaan doen. Daar komt dus een handreiking voor. De Stichting Kennisnet zorgt ook voor een handleiding verzuimcoördinatie voor de scholen. Gemeentes hebben natuurlijk ook zicht op kinderen met absoluut verzuim. De leerplichtambtenaar is de aangewezen persoon om dan actie te ondernemen. Wij denken op dit moment dat dat genoeg is om echt inzicht en overzicht te krijgen en alle kinderen te hebben. Mocht dat in de toekomst toch niet zo blijken te zijn, dan kunnen we altijd nog wat extra's optuigen, maar ik ben ervan overtuigd dat we hiermee behoorlijk ver komen.

Meneer Boomsma vroeg nu om hoeveel kinderen het eigenlijk ging, omdat we die verschillende cijfers hadden. Ik ga uit van de cijfers van de leerplichttellingen. Die worden door de gemeentes bij DUO aangeleverd. De laatste cijfers daarvan worden bij wijze van spreken nu geaggregeerd. In mei stuur ik een overzicht van die cijfers, dus wat de leerplichttellingen van gemeentes bij DUO opleveren. Zoals ik al zei, met deze wet zorgen we dat de registratie nog beter is, zodat de cijfers die u in mei van mij krijgt veel rijker zullen zijn na dit jaar. Tenminste, dat is afhankelijk van op welke termijn de wet ingevoerd kan worden.

Voorzitter, ik ga naar mapje drie.

De voorzitter:

Rollen en taken.

Staatssecretaris Tielen:

Rollen en taken. Het is altijd fijn als er iemand meekijkt.

Ik begin met de heer Ceder. Hij had een aantal vragen, waaronder de vraag of ik kan verwachten dat er meer strafrechtelijke procedures gaan ontstaan als de leerplichtambtenaar signalen ontvangt. Het doel van deze wet is dus ook om ervoor te zorgen dat zorgen over verzuim eerder geadresseerd kunnen worden. Wat mij betreft gaat het dus meer over het voorkomen van langdurig verzuim dan over de repressie ervan, oftewel het strafrecht. In de praktijk zien we nu al dat heel veel leerplichtambtenaren vooral die preventieve rol naar zich toe trekken. Ik verwacht ook dat dit eigenlijk de praktijk versterkt. We zien ook dat andere partners in het onderwijs er ook behoefte aan hebben om de leerplichtambtenaar daarbij te betrekken.

Meneer Ceder vroeg ook naar de capaciteit bij de jeugdgezondheidszorg. Ik ben zelf altijd fan van de jeugdgezondheidszorg, ook wat betreft dit aspect. We zien natuurlijk dat capaciteit op allerlei vlakken rondom zorg en onderwijs een vraagstuk is. Ik kan niet zomaar zeggen: ja hoor, er is voldoende capaciteit. Die belofte durf ik niet te doen. Er is al samenwerking in sommige gemeenten als je kijkt naar de stevige lokale teams, jeugdgezondheidszorg en scholen. Waar die samenwerking goed is, scheelt dat heel veel tijd. Ik ga er eigenlijk van uit dat die samenwerking tussen jeugdgezondheidszorg en scholen sterker wordt, mede ook met deze wet en al die andere bouwstenen. Dat leidt ook tot beter verzuimbeleid, en daarmee tot efficiënter werken.

Meneer Ceder vroeg ook waarom we de rol van de jeugdgezondheidszorg niet vastleggen. Dat doen we wel indirect. In het verzuimbeleid moet door de scholen worden vastgelegd hoe wordt samengewerkt met het samenwerkingsverband, het college van burgemeester en wethouders en andere betrokkenen buiten de school in het kader van verzuim. In "andere betrokkenen" zit natuurlijk de jeugdgezondheidszorg besloten.

Mevrouw Rooderkerk vroeg naar de rol van de leerplichtambtenaar. Eigenlijk is dat hetzelfde antwoord dat ik op de vraag van meneer Ceder gaf. De preventieve rol wordt nu in de praktijk al heel erg veel door leerplichtambtenaren naar zich toe getrokken. Die hebben er behoefte aan om dit met deze wet nog verder te kunnen doen. Scholen kunnen dus dan ook leerplichtambtenaren betrekken en leerplichtambtenaren krijgen dan ook inzicht in de verzuimgegevens van de school en hebben daarmee ook een partnerrol in dat verzuimbeleid. Ik kijk hoe ik de preventieve rol van leerplichtambtenaar eventueel nog verder vorm moet geven in wet- of regelgeving. Dat zijn we nu aan het bekijken. In september kan ik daar wat steviger antwoord op geven.

Mevrouw Westerveld vroeg om toe te lichten welke rol de arts heeft bij de verklaring voor vrijstelling. Mevrouw Armut vroeg daar volgens mij ook naar, evenals naar wat de rol van het samenwerkingsverband is. Ouders dienen een aanvraag voor een vrijstelling in. Zij zijn altijd degenen die regie houden. Een jeugdarts moet een verklaring afgeven. Met dit wetsvoorstel voegen we daaraan toe dat het samenwerkingsverband advies kan geven aan de arts over het onderwijskundig perspectief. Dat is voor artsen en jeugdartsen net weer niet hun grootste expertise. Zij kunnen wel met het advies van het samenwerkingsverband aan de slag. Vervolgens kunnen de maatwerkopties van het onderwijs worden meegenomen in de afweging die de jeugdarts maakt. Het samenwerkingsverband adviseert dus, maar het uiteindelijke oordeel blijft echt bij de jeugdarts. Ik heb ook begrepen van de jeugdartsen dat zij dat ook goed kunnen, dat dit wetsvoorstel ze daarbij aanvult en dat er voldoende capaciteit is om dat goed te blijven doen.

Mevrouw Westerveld zei dat er heel vaak staat "het samenwerkingsverband kan dit en kan dat" en vroeg of daarmee wel duidelijk genoeg is wie welke verantwoordelijkheid heeft. Samenwerkingsverbanden hebben al de wettelijke verantwoordelijkheid voor het bieden van passend onderwijs, maar er zijn best wel grote verschillen tussen samenwerkingsverbanden en tussen scholen. Het is aan samenwerkingsverbanden om met scholen in de regio samen te werken en hen te ondersteunen. Met deze wet krijgen ze betere informatie om daar ook mee om te gaan. Ook adviseren samenwerkingsverbanden over de onderwijsmogelijkheden voor jongeren bij de vrijstelling van 5 onder a, om het maar technisch te zeggen. Met het programma van eisen wordt invulling gegeven aan wat samenwerkingsverbanden, maar ook schoolbesturen op het gebied van passend onderwijs moeten doen. Op die manier zijn volgens mij de verantwoordelijkheden duidelijk en ook nog wat scherper met deze wet. Ondertussen zijn we ook bezig met een ontwikkelagenda samenwerkingsverbanden — dat klinkt dan wel weer mooi — om te kijken of het inderdaad scherp genoeg is. Ik denk van wel, maar het is uiteindelijk ook aan de samenwerkingsverbanden zelf om te beoordelen of ze daarmee voldoende uit de voeten kunnen. De ontwikkelagenda is er ook op gericht om te zorgen dat ze daadwerkelijk uitvoering kunnen geven aan die wettelijke verantwoordelijkheid.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik sloeg even aan op het zinnetje: "Het is aan de samenwerkingsverbanden zelf om te bepalen of de samenwerkingsverbanden zelf het werk goed doen." Wij richten ons nu de hele tijd op dat verzuim. Het gaat om het kind, maar de kwestie of een kind verzuimt of niet, ligt bij de ouder. Dat is de leerplicht. We hebben het steeds niet over wat er nou gebeurt aan de kant van de school of het samenwerkingsverband. Die moeten natuurlijk zorgen voor een plek in het onderwijs. Ik ben zo bang dat wij nu alleen maar kijken naar de registratie van verzuim, maar niet naar waar het samenwerkingsverband of de school tekortschiet. Wie heeft daar zicht op? Wie spreekt hen daarop aan?

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Rooderkerk citeerde mij niet helemaal juist. Het is niet alleen aan samenwerkingsverbanden om te beoordelen of zij hun werk goed doen. Ik zei volgens mij "of de samenwerkingsverbanden hiermee uit de voeten kunnen". Dat moeten we van hen terughoren, maar ik denk dat anderen daar ook echt wel een mening over hebben. In de ontwikkelagenda proberen we dat te verbeteren. Nogmaals, het is hun wettelijke verantwoordelijkheid om passend onderwijs goed te kunnen bieden.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

En mijn vraag is dus: als zij dat niet doen, wat is dan de consequentie? Als die consequentie er niet is en die er alleen maar is voor de leerling en de ouder, vanwege het verzuim … Daar loopt het volgens mij op vast.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, en ik weet dat ik dit antwoord ergens de afgelopen week wel tot mij heb genomen, maar ik kan het nu niet zo goed reproduceren.

De voorzitter:

Dit voelt als een tweedetermijndingetje.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen?

De voorzitter:

Ja, zeker.

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb deze vraag ook gesteld, want ik vind dit een heel belangrijke, essentiële vraag. Ik kom er even op terug.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik denk dat het ons en de staatssecretaris ook kan helpen wanneer zij zegt: ik wil graag eenduidigheid. Ik denk dat dat belangrijk is. We hebben bijvoorbeeld ook gekeken of we de leerplichtambtenaar beide rollen kunnen geven, dus dat die niet alleen het kind of de ouder aanspreekt, maar ook de school. Dat is een voorstel waar we over nadenken, maar we horen ook terug: nee, daar ligt een taak voor de onderwijsinspectie. We weten dat de inspectie helemaal niet vaak alle scholen controleert. Daar komt nu extra geld voor. Als wij richting degenen die dit moeten oplossen, namelijk de scholen en de samenwerkingsverbanden, de inspectie echt als enige stok achter de deur hebben, dan is het, denk ik, heel belangrijk om te zorgen dat die dat ook daadwerkelijk gaat doen en hen gaat aanspreken.

Staatssecretaris Tielen:

Herkenbare vraag. Ik kom daarop terug.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Als de staatssecretaris straks in de tweede termijn terugkomt op de vragen, zou ik haar ook willen vragen om het punt mee te nemen over hoe we nou precies sturen. Dat is vaker een punt van discussie in de Kamer. We hebben jaren geleden een motie ingediend waarin werd gezegd: de financiële reserves zijn te hoog; zorg er nou voor dat dat geld wordt geïnvesteerd in kinderen die thuiszitten. De hele Kamer was daarvoor. Het ministerie wilde dat. Uiteindelijk is het ook uitgevoerd, maar de samenwerkingsverbanden stapten naar de rechter en het werd weer teruggedraaid. Dan denk je wel: als wij hier de taak hebben om te zorgen dat onderwijsgeld goed terechtkomt en wordt besteed aan kinderen, mensen in de klas die het werk doen enzovoort, hoe kan het dan dat wij hier geen enkele sturing aan kunnen geven, terwijl we overduidelijk zien dat die wettelijke taken niet worden uitgevoerd? Het zou fijn als ze daar straks ook op terug kan komen.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, en precies om wat mevrouw Westerveld aanhaalt, moet ik die vraag wat preciezer beantwoorden, dus daar kom ik inderdaad straks op terug.

Mevrouw Rooderkerk vroeg naar escalatieroutes en met name naar de positie van ouders. Volgens mij en volgens de ouders die we hebben gesproken bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel, is de aandacht voor de positie van de ouders in de wet goed, met verschillende waarborgen voor rechtsbescherming. Wat betreft de medezeggenschapsraad: ouders hebben via de medezeggenschapsraad natuurlijk inspraak op het verzuimbeleid op de school en daarmee ook op de inzet van het signaalverzuim, als daar regels voor worden gesteld bij de betreffende scholen. Bij de procedure van vrijstelling behouden ouders dezelfde rechtspositie. Daar zijn ouders zelf altijd bij betrokken. Die vrijstelling komt ook echt alleen tot stand als ouders daar zelf actief een beroep op doen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Helder. Goed om te horen dat dit op deze manier goed in deze wet verankerd lijkt te zijn. Mijn vraag over de escalatieroutes was breder en ging ook over het leerrecht van kinderen. We hebben het nu steeds over de plicht die zij hebben, maar het is een feit dat kinderen vaak niet terechtkunnen bij een school en dan ook niet weten bij welke school zij wel terechtkunnen of dat dat niet lukt. Het eindigt dan met een vrijstelling en dan zit het kind thuis. Hoe zorgen we er nou voor dat we ouders en het kind meer in hun recht zetten wat betreft dat recht op onderwijs? Daarvoor ligt er een initiatiefwetsvoorstel dat ik graag verder breng, maar ik ben benieuwd of we daar binnen de kaders die we nu hebben, ook over na kunnen denken. Is de staatssecretaris bereid om te kijken naar wat men nu in Amsterdam aan het doen is? Daar maken ze voor ouders heel duidelijk wat die escalatieroutes zijn.

De voorzitter:

Uw vraag, alstublieft.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Sorry. Ik probeer het even uit te leggen.

De voorzitter:

Dat begrijp ik, maar daar zijn interrupties eigenlijk niet voor.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Sorry.

Staatssecretaris Tielen:

Op de wens van mevrouw Rooderkerk over dat recht kom ik straks nog even terug. Dat heeft namelijk wat meer mitsen en maren. Ook op wat ze in Amsterdam doen, kom ik straks nog terug; dat heb ik gezien in mijn setjes. Dus "hold your beer", in goed Engels.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog. We zijn nog steeds bij het blokje rollen en taken.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, rollen en taken. Ik heb echt heel veel vragen gekregen, voorzitter, en het is een wet en is het belangrijk.

De voorzitter:

Zeker.

Staatssecretaris Tielen:

Het is een belangrijk onderwerp. Ik neem dus maar gewoon weer mijn tijd.

Mevrouw Beckerman vroeg naar het ondersteunend personeel. Volgens mij is de term "brugfunctionaris" al een paar keer langsgekomen. Daarvoor hebben we structurele middelen beschikbaar, zodat scholen die brugfunctionaris ook in kunnen zetten. Daarnaast is het natuurlijk belangrijk dat we het voor een school ook mogelijk maken om samen te werken met jeugdhulp. Ik noemde het al. Volgens mij refereerde mevrouw Beckerman al aan wat je daar wel en niet van zou moeten verwachten. Over de lokale teams op school is in de Wet reikwijdte Jeugdwet ook het een en ander gezegd. Maar goed, die wet is nog in internetconsultatie, dus daar komt u nog over te spreken.

Mevrouw Beckerman verwees nog naar het interdisciplinair team. Dat is volgens mij altijd heel goed, maar zeker bij dit onderwerp, want dan kan de leraar vooral onderwijzen, om het maar zo te zeggen. Als kinderen ondersteuning nodig hebben, dan kan men ook in teamverband bekijken wie wat doet. Daar zijn we druk mee bezig en we blijven ermee bezig om dat nog verder te verbeteren op alle scholen.

Ook mevrouw Armut vroeg naar de brugfunctionaris. In het land zien we inderdaad mooie voorbeelden van brugfunctionarissen die de verbinding tussen school en thuis echt versterken en daarmee de leerkracht meer ruimte geven om te onderwijzen. We hebben ook echt een aantal mooie voorbeelden gezien waarin daarmee uitval werd voorkomen. We zijn dus blij dat we daarvoor structureel geld beschikbaar hebben.

Meneer Boomsma vroeg nog naar de strafrechtelijke rol van de leerplichtambtenaar. Daar heb ik, denk ik, al wat over gezegd. Ik heb ook al gezegd dat ik u in september een brief zal sturen met daarin de brede verkenning naar leerplicht, schoolverzuim en strafrecht en naar de rol die de leerplichtambtenaar daarin zou moeten hebben. Daar komen we dus nog over te spreken, vermoed ik.

Mevrouw Armut vroeg naar de maatregelen die door de wet beschikbaar komen om leerlingen terug naar school te brengen. Ook daarbij is de leerplichtambtenaar weer een belangrijke functionaris, die echt wel meer preventief en minder repressief is geworden. Dan moet je inderdaad denken aan een samenwerking met de gemeentelijke hulpverlening, jeugdhulp en jeugdzorg en soms met de geestelijke gezondheidszorg, waarbij men dan samen met de jongere en diens ouders kijkt wat een volgende stap is. In een hoop gemeentes doen leerplichtambtenaren daarbij al best veel. Met die signaalfunctie willen we ervoor zorgen dat dat eerder kan en dat zij niet hoeven te wachten tot in vier weken tijd zestien uur is verzuimd. Een school kan dan al eerder zeggen: help ons, want wij zien dat deze scholier potentieel kan uitvallen. Dat proberen we dus met die wet in te zetten.

Ik kom bij blokje vier. Dat is een relatief dun blokje. Vervolgens is blokje vijf heel dik. Vier gaat over de vrijstellingen onder artikel 5, lid a en b — dit is voor de geïnteresseerde meekijkers en natuurlijk voor de wetsgeschiedenis. De heer Kisteman vroeg of het klopt dat het Openbaar Ministerie niet meer tot vervolging overgaat als ouders hun kind ongeoorloofd thuislaten. Het korte antwoord is: nee. Het Openbaar Ministerie is gestopt met zaken van vrijstelling vanwege richtingsbezwaren — dat is onder b — vanaf april vorig jaar, als die vragen om een inhoudelijke weging van het bezwaar. Overigens, als het betreffende kind — en nu moet ik het ook weer precies goed zeggen; ik krijg het straks in mijn oortje als ik het verkeerd zeg — eerder naar school is geweest en toch onder b valt, dan wordt er nog steeds vervolgd. Dit gaat dus echt om een specifieke groep binnen lid b. Het Openbaar Ministerie is niet gestopt met het handhaven van andere overtredingen binnen de Leerplichtwet. En nogmaals, wij zijn dus aan het verkennen hoe nauw leerplicht, strafrecht en de rol van de leerplichtambtenaar samenhangen, en hoe dat het beste zou moeten. Daar komen we in september op terug.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Misschien heb ik niet goed opgelet of misschien komt het in een later blokje, maar ten aanzien van dit punt heb ik het er in de interrupties over gehad dat de staatssecretaris met een aantal oplossingsrichtingen komt voor hoe je hiermee om kan gaan.

Staatssecretaris Tielen:

Ja.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Kan de staatssecretaris aangeven wanneer en in welke vorm dat dan richting de Kamer komt? Tenzij dit in een blok terugkomt. Zo niet, dan zou ik het willen afhechten door te vragen wat het plan van de staatssecretaris is en of ze dit in het proces kan meenemen. Ik merk gewoon dat daar veel behoefte aan is in de Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dan ben ik even benieuwd ... Er zijn twee dingen: het ene is voor de zomer, het andere is na de zomer. Voor de zomer kom ik terug op de vragen die uw Kamer al eerder heeft gesteld over thuisonderwijs en wat we daarmee moeten. Dat is voor een deel 5b. Ik zie de heer Ceder knikken, dus ik denk dat ik het goed zeg. Op het deel dat gaat over de Leerplichtwet, de leerplichtambtenaren, het strafrecht, dus het bredere beeld daarvan, kom ik in september terug. En allebei uiteraard in een brief. Daarbij kan ik me ook nog voorstellen dat u daarover met mij in gesprek wil, maar dat merk ik dan wel weer.

De voorzitter:

Een vervolgvraag.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dus als ik het goed begrijp, komt u voor het zomerreces met een brief over 5b. U refereerde net aan het Openbaar Ministerie. Na het reces een brief over de bredere uitdagingen ten aanzien van de Leerplichtwet. Het is dan vervolgens aan de Kamer om een commissiedebat of plenair debat te entameren, als we dat zouden willen.

Staatssecretaris Tielen:

Precies. Ja, ik ben hier te gast, dus ik dring me niet op. Ik ben dienstbaar.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Tielen:

De heer Kisteman vroeg ook dit: als het OM niet meer overgaat tot vervolging, wie gaat er dan handhaven? Het begint natuurlijk bij die leerplichtambtenaar: de leerplichtambtenaar bepaalt of er een proces-verbaal moet worden opgemaakt. Vervolgens bepaalt het Openbaar Ministerie of het daaraan opvolging geeft. Er is op dit moment geen andere instantie. Daarom zijn we bezig om te kijken hoe we hiermee om zouden moeten gaan, en dat komt dus terug in die brief van voor de zomer.

De heer Kisteman vroeg ook wat dan het nut is van 5b. Dus artikel 5, onder b, van de Leerplichtwet uit 1969: wat is dus het nut daarvan? Het antwoord is dat er wel wordt vervolgd als er niet wordt voldaan aan de formele criteria, bijvoorbeeld — en dat zei ik net al; ik heb het goed gezegd — als het kind al eerder ingeschreven heeft gestaan op een school. Dat is dan niet voldoen aan de formele criteria, wat nog steeds betekent dat er iets kan gebeuren. Het Openbaar Ministerie vervolgt alleen niet als er een inhoudelijke weging van het bezwaar nodig is — om dit netjes te zeggen.

Ik wilde de heer Kisteman niet uitlokken, maar ik zag een beweging.

De heer Kisteman (VVD):

Een klein dingetje. Het blijft gewoon lastig; wanneer nou wel en wanneer niet? Dat merk ik ook aan de staatssecretaris. De leerplichtambtenaar zou het dan doen, maar die zegt zelf ook dat het een grijs gebied is. Als ik het goed begrijp, is dit nu even wat het is. We krijgen voor de zomer die brief en daarna gaan we er verder over in discussie, althans als de Kamer dat wil.

Staatssecretaris Tielen:

Daarbij betekent "het is wat het is" dus niet dat er niks gebeurt. De leerplichtambtenaar ziet nog steeds toe op 5b, alleen van een deel van die gevallen weet de leerplichtambtenaar dat het Openbaar Ministerie er niks mee doet. Dat is "het is wat het is". Maar als blijkt dat een kind al eerder op een school ingeschreven heeft gestaan en er toch op grond van 5b geargumenteerd wordt dat het niet meer hoeft, gaat de leerplichtambtenaar wel iets doen. Dan gaat het Openbaar Ministerie, uiteraard op basis van een proces-verbaal, bepalen wat het dan doet. Daar is het redelijk onafhankelijk in. Maar er gebeurt dan dus wel iets.

De heer Kisteman (VVD):

Doet de leerplichtambtenaar er in theorie iets aan, of doet die er in de praktijk iets aan?

Staatssecretaris Tielen:

De leerplichtambtenaar kijkt ernaar en bepaalt vervolgens of hij daar iets mee moet. Wat hij er dan mee moet, is een proces-verbaal opmaken.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik zou willen vragen, ook gezien het laatste interruptiedebat, of de minister kan toezeggen dat ze in de brief ook ingaat op het verschil tussen enerzijds mensen die een beroep doen op 5b waarbij ook daadwerkelijk thuisonderwijs plaatsvindt, en aan de andere kant de groep — je kan ze "soevereinen" of "mensen die zich onttrekken" noemen — waarbij geen onderwijs plaatsvindt. Thuiszitters zijn uit te splitsen in verschillende categorieën. Kan de minister toezeggen in te gaan op het verschil en op wanneer daar wel of geen beroep op wordt gedaan? Ik wil ook vragen of er in de brief met verschillende oplossingsrichtingen ook gekeken wordt naar wat er in België gebeurt. Daar heeft de leerplichtambtenaar, in tegenstelling tot nu in Nederland, wel degelijk ook een toezichthoudende rol op mensen die een beroep doen op thuisonderwijs. Dat gaat in Nederland nu via 5b. Zou dat ook meegenomen kunnen worden, zodat we een integraal beeld hebben van hoe dit in andere landen wordt opgelost? Dan kunnen we daar ook een zuiver debat over voeren.

Staatssecretaris Tielen:

Als we "andere landen" kunnen beperken tot Vlaanderen, lijkt me dat fijn. Anders wordt het namelijk heel ingewikkeld, want dan moeten we ook analyses doen op grondrechten en dat soort dingen. Meneer Ceder, en volgens mij nog iemand anders, verwees inderdaad al naar België in de eerste inbreng. Het lijkt mij prima. Volgens mij moeten we leren van onze buren. Ik kan me ook voorstellen dat het al heel hulpvol zou zijn als we, bij wijze van spreken bijna met een beslisboom, even in kaart brengen waar we het precies over hebben. Dan kunnen we er ook met elkaar over doorpraten, als u dat wilt. Dan weten we allemaal waar we het over hebben.

De voorzitter:

Meneer Kisteman brengt nu het zware geschut mee!

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Hij heeft gegoogeld!

De heer Kisteman (VVD):

Ik heb hierover schriftelijke vragen gesteld, dus ik ga er toch even op door. Dat was overigens niet aan deze staatssecretaris, maar aan de vorige. Mijn vraag was: hoe wordt gecontroleerd of kinderen die thuis worden gehouden vanwege religieuze overtuigingen enig onderwijs krijgen? Het antwoord daarop is: "Daar vindt geen controle op plaats."

Staatssecretaris Tielen:

Ik kom daar graag in tweede termijn op terug. Ook al heb ik die vraag niet zelf gezien, ik ben hier natuurlijk gewoon in functie. Ik snap het als daar verwarring over ontstaat, maar daar kom ik dan graag in tweede instantie op terug.

De voorzitter:

De staatssecretaris vervolgt haar betoog.

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Westerveld verwees naar de brief van december. Daarin hebben we grofweg twee opties uitgeschreven: enerzijds thuisonderwijs als eigenstandige sector met toezicht door de inspectie, en anderzijds het laten vervallen van de vrijstelling vanwege richtingsbezwaren door een alternatief op te nemen en daarmee de leerplicht wat uit te breiden. We zijn nu beide opties aan het uitwerken. Het recht op goed onderwijs voor iedereen is daarbij wat mij betreft het uitgangspunt, maar dat zal mevrouw Westerveld met mij eens zijn. We kijken vervolgens welke van de twee opties daarbij het beste uitvoerbaar is. Dat komt dus in de brief die ik voor de zomer naar uw Kamer ga sturen.

Meneer Stoffer vroeg of ik kan bevestigen dat het uitgangspunt van het wetsvoorstel dat we nu hebben alleen een vrijstelling laat ontstaan als een kind op geen enkele manier onderwijs kan volgen. Dat sluit aan bij wat we eerder hebben gezegd, wat iedereen vindt, namelijk dat alle kinderen daarmee in ontwikkeling kunnen blijven en goed onderwijs kunnen krijgen, omdat ze daarmee vooruitkomen in hun leven. Ik wijzig dus de procedure van de vrijstelling 5 onder a, zodat we kijken naar wat wel mogelijk is om onderwijs te krijgen. Daarnaast voegen we het onderwijskundig perspectief toe, waarbij het samenwerkingsverband onderzoekt wat de onderwijsmogelijkheden van het kind zijn en een arts het verzoek om vrijstelling beoordeelt; ik heb daar al eerder naar verwezen. Uiteindelijk willen ook alle betrokken partners in het onderwijs dat iedere jongere altijd onderwijs kan volgen. Dat betekent dus ook dat we al deze maatregelen met alle betrokken partners samen uitwerken in praktijkrichtlijnen.

Dat was het kopje vrijstellingen.

De voorzitter:

Daar gaan we.

Staatssecretaris Tielen:

Soms kan ik ook een beetje van hot naar her en weer terug gaan, omdat ik alles niet altijd even logisch heb kunnen clusteren.

De voorzitter:

Het is "overig", hè?

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Westerveld heeft nog een antwoord gemist, denk ik.

De voorzitter:

Ho, laten we het even via de microfoon doen.

Staatssecretaris Tielen:

Nu al.

De voorzitter:

Deze tellen we niet mee.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik zat in de bankjes te roepen: was dit het einde van het kopje vrijstellingen?

Staatssecretaris Tielen:

Ja.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan heb ik nog één antwoord gemist. Wij horen vaak van ouders van kinderen met een beperking dat zij heel graag willen dat hun kind naar school gaat, maar dat dat op de een of andere manier niet lukt. Sommigen van deze ouders hebben het gevoel dat er een beetje wordt gepusht: doe maar een vrijstelling, dan ben je overal vanaf. Ik sla het plat, want zo wordt het niet gezegd, maar omwille van de tijd formuleer ik het zo. Ik zou de staatssecretaris willen vragen of zij die signalen herkent. In mijn bijdrage had ik het specifiek over kinderen met een lichamelijke of psychische aandoening. Onder die groep stijgt het aantal vrijstellingen ook. Dat lijkt mij hartstikke onwenselijk. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt en wat er gedaan gaat worden om te voorkomen dat deze kinderen steeds vaker een vrijstelling krijgen.

Staatssecretaris Tielen:

Mijn uitgangspunt, en dat is een volle overtuiging, is dat ieder kind goed onderwijs moet kunnen volgen, liefst in een schoolachtige situatie, om het zo maar te zeggen. Ik herken die signalen iets minder, maar dat komt misschien doordat ik net nog niet met die partijen heb gesproken. Daar wil ik even voorzichtig over zijn, want ze zullen er wel degelijk zijn. Dat vind ik inderdaad geen goed teken, dus dan moeten we echt kijken wat we kunnen doen om het aanvragen van zo'n "vrijwillige vrijstelling" — ik zeg de aanhalingstekens erbij, voor de Handelingen — te voorkomen, want ik denk dat dat geen recht doet aan wat belangrijk is en dat is, zeg ik nogmaals, dat ieder kind goed onderwijs in een soort schoolsetting moet kunnen volgen. Als we verder praten over artikel 5b of over passend onderwijs, zullen er wel gelegenheden zijn om hier nog wat dieper op in te gaan, denk ik. Dan ga ik ook zoeken of ik die signalen terug kan horen.

De voorzitter:

Dan gaan we verder naar het blokje overig.

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Ik geloof dat ik geprobeerd heb om dat op inbrenger, op fractie, te organiseren. Dan weet iedereen wanneer hij of zij ongeveer aan de beurt is.

Meneer Ceder vroeg wat er wettelijk is geborgd voor kinderen die geoorloofd verzuimen, bijvoorbeeld door ziekte. Hij vroeg of het niet beter is dat er een ontwikkelingsperspectief wordt opgesteld en wordt aangeboden aan ouders en leerlingen. Scholen zijn verantwoordelijk voor onderwijs, ook voor kinderen die ziek zijn. Daar heeft u in december inderdaad al een debat over gehad, in het kader van kortdurende ziektes. Dit wetsvoorstel gaat vooral over preventie en registratie, over goed verzuimbeleid. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen die ziek zijn. Ik herhaal het maar weer: de bedoeling is ook echt dat de groep die geoorloofd verzuimt, veel beter in beeld komt. We zijn bezig met een van de andere bouwstenen: het wetsvoorstel maatwerk, dat de mogelijkheden voor kinderen om onderwijs te volgen verruimt, ook als ze langduriger ziek zijn. Het opstellen van een ontwikkelingsperspectief hangt voor een deel af van de individuele ondersteuningsbehoefte. Die is niet altijd hetzelfde als bij langdurige ziekte. Dit wil ik dus niet wettelijk vastleggen, maar ik weet niet of meneer Ceder dat bedoelde.

Meneer Ceder refereerde ook specifiek aan jongeren met bijvoorbeeld long covid, postacuut infectiesyndroom. Hij vroeg of ik met hen in gesprek wil. Ja, natuurlijk. Ik wil sowieso met veel mensen in gesprek, maar ik denk dat het goed is om naar deze groep te luisteren en te horen waar zij tegenaan lopen bij het wel willen, maar niet kunnen volgen van regulier onderwijs, in sommige gevallen. We gaan sowieso in gesprek met de vereniging van mensen met het chronischevermoeidheidssyndroom, waar postcovid vaak bij wordt betrokken. Ik zal daar voor de zomer, ook in het verlengde van uw motie, op reageren en een terugkoppeling op geven. Ook dat mag meneer Ceder dus als toezegging classificeren.

De voorzitter:

Zijn duim gaat omhoog.

Staatssecretaris Tielen:

Ik zie het. Mooi, ook weer voor de Handelingen. Meneer Kisteman vroeg hoe ik ervoor ga zorgen dat er overal, en dat betekent dan in alle regio's, voldoende hoogbegaafdheidsonderwijs is. De afgelopen jaren is er door samenwerkingsverbanden behoorlijk geïnvesteerd in extra aanbod voor hoogbegaafden. Alle samenwerkingsverbanden hebben daar per afgelopen 1 januari ook extra geld voor gekregen in de bekostiging. Dat gaat om ruim 23 miljoen. Daarmee hebben ze ook de verantwoordelijkheid en de plicht om een dekkend aanbod te bieden en daar wordt ook door de inspectie op toegezien.

Meneer Kisteman vroeg ook of ik het rapport Over de lijnen en grenzen aan vrijblijvendheid heb gelezen. Dat rapport is inderdaad aan mij aangeboden door het Overkoepelend Netwerk Samenwerkingsverbanden. Ik ben het aan het lezen en ik ga dat ook bespreken, want soms kom je heel veel tegen in een tekst, maar het is ook altijd wel goed om daar nog eens wat nadere vragen over te kunnen stellen. In de brief die ik voor het commissiedebat Passend onderwijs aan u stuur, zal ik daar ook mijn korte, compacte reflectie op geven.

Mevrouw Westerveld vroeg hoe het toch kan dat het VN-verdrag Handicap en het Kinderrechtenverdrag niet worden nagekomen, waarbij met name het VN-verdrag Handicap inderdaad echt wel tot extra stappen noopt. We hebben daar een nationale strategie op geformuleerd om de implementatie van het verdrag te versnellen. Specifiek wat betreft onderwijs is de verbeteraanpak passend onderwijs samen met die werkagenda nationale strategie een handvat voor ons om te zorgen dat we beter invulling kunnen geven aan dat verdrag. Ik zei het ergens in het begin al: uiteraard vind ik het belangrijk om kinderen en jongeren te blijven horen bij stappen die we daarin zetten. Hetzij in georganiseerd verband, hetzij soms gewoon losse jongeren uit het land, om het zo maar te zeggen.

Mevrouw Westerveld vroeg ook of de doelen van de Wet passend onderwijs eigenlijk nog overeind staan. Ja, wat mij betreft wel. Of ze fier overeind staan, durf ik niet te zeggen, want we hebben ze nog lang niet gehaald. Het levert ook echt wel urgentie op om dat voor elkaar te gaan krijgen. Daar zet ik me graag samen met uw Kamer en alle partners in het veld voor in. Die verbeteraanpak passend onderwijs is daar een belangrijke leidraad in. Ik kijk uit naar het debat over passend onderwijs, waarin we ook met elkaar zullen kijken waar we de komende tijd de urgentie en de prioriteit moeten leggen om die doelstellingen toch echt te gaan behalen.

In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Westerveld naar het Thuiszitterspact uit 2016. Zij suggereerde eigenlijk dat wij dit in een la hadden gelegd. Dat hebben we natuurlijk niet gedaan, maar het eerlijke antwoord is wel: het is tien jaar oud en we zijn nog lang niet waar we willen zijn. Tussentijds hebben we, met onder andere de covidpandemie en veel nieuwkomers in het onderwijs, echt wel wat extra uitdagingen om het voor elkaar te krijgen. Dat ontslaat ons niet van de verantwoordelijkheid om daarmee verder te gaan. Nogmaals, de verbeteraanpak is wat mij betreft echt wel een leidraad, maar laten we samen — en dan bedoel ik onder andere met uw Kamer — bekijken hoe we daar urgentie en prioriteit in kunnen kiezen en echt stappen vooruit kunnen zetten.

Dan het rommelpotje van Peter Kwint. Jammer dat mevrouw Beckerman even weg is. Ik geloof dat het officieel een andere naam heeft, namelijk de Subsidieregeling ondersteuning en preventie thuiszittende jongeren. In de jaren 2025 tot en met 2028 is er 24 miljoen euro beschikbaar. Bijna alle samenwerkingsverbanden hebben via coalities aanvragen hiervoor ingediend en middelen ontvangen. Dit wordt nu dus uitgewerkt. Ik denk dat het verstandig is om de regeling te evalueren als 2028 voorbij is. Maar het bestaat dus zeker en er wordt breed gebruik van gemaakt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik interrumpeer bij afwezigheid van mevrouw Beckerman, maar ik denk dat zij deze vraag ook wil stellen. De bedoeling van deze subsidieregeling, of het rommelpotje, was eigenlijk dat het ook buiten de samenwerkingsverbanden zou gebeuren. Dat kon niet. Er is heel veel discussie over geweest. Die gaan wij niet opnieuw voeren. Daarom is er gekozen voor een subsidieregeling via samenwerkingsverbanden. De vraag is dan natuurlijk: besteden zij het ook echt aan de initiatieven op het snijvlak van onderwijs en zorg waarmee wordt geprobeerd ervoor te zorgen dat kinderen naar school kunnen? Dus mijn vraag is niet: gaat het naar samenwerkingsverbanden? Maar: gaat het via samenwerkingsverbanden naar al deze mooie initiatieven?

Staatssecretaris Tielen:

Vindt u het goed, voorzitter, als ik … Ik weet niet hoe gemakkelijk het is om daarachter te komen, maar ik zal kijken of het enigszins op een slanke manier boven water kan worden gehaald. Die evaluatie doen we echt pas op het einde, maar als mevrouw Westerveld gevoel wil hebben bij de vraag of het de goede kant op gaat, dan zal ik proberen om in de brief over passend onderwijs een aantal voorbeelden of indicaties te geven. Dat is dus geen diepe evaluatie, maar het kan wel een soort gevoel creëren.

De voorzitter:

Zeker.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, en ik zou het eigenlijk ook graag gewoon van de samenwerkingsverbanden willen weten. Misschien kan het ministerie gewoon ieder samenwerkingsverband een mailtje sturen met de vraag waar men het geld eigenlijk aan uitgeeft; naar welke initiatieven gaat dit? Want de bedoeling van dit geld was echt dat het heel concreet zou gaan naar dit soort initiatieven. Zij mailen mevrouw Beckerman en mij regelmatig dat het niet altijd goed gaat. Soms ook wel. Ik ben wel benieuwd. Ik ben ook benieuwd welke samenwerkingsverbanden het hartstikke goed doen en welke helemaal niets van het geld uitgeven. Gewoon op zo'n manier: een e-mailtje sturen. Dan komt het vast goed.

Staatssecretaris Tielen:

Soms zijn dingen gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als de Kamer het oké vindt dat ik er geen doorwrochte evaluatie van maak, maar dat ik op een slanke, pragmatische manier wat informatie naar boven haal, dan zal ik dat meesturen met de brief over passend onderwijs. Maar dat is dus niet volledig dekkend.

De voorzitter:

Staat genoteerd. Mevrouw Rooderkerk.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Lean and mean is op zich goed, maar dan kom ik toch weer op het punt dat ik hiervoor al noemde. We hebben heel goed zicht op het aantal kinderen dat thuiszit, maar niet op de oplossingen die worden geboden. Als we willen dat er eenduidig beleid is, zoeken we ook feiten en cijfers: hoeveel samenwerkingsverbanden hebben gezorgd voor een stoeltje erbij voor een leerling? Hoeveel samenwerkingsverbanden hebben ervoor gezorgd dat er ergens in de regio een klas is waar verschillende thuiszitters terechtkunnen? Als we deze versnipperde constructie hebben, hebben we dit soort cijfers nodig om zicht en toezicht te houden op de vraag of het wel of niet goed gaat. En maak het eenduidig.

Staatssecretaris Tielen:

Dat snap ik op zich, maar ik denk dat dat ook te vroeg is. Deze regeling is in 2025 ingegaan. Als we het echt gaan evalueren, ben ik het met mevrouw Rooderkerk eens dat dit soort vragen beantwoord horen te worden. Nu we in begin 2026 zitten, moeten we er vooral even pragmatisch mee omgaan. Daarom vraag ik die ruimte bij uw Kamer. Meten is weten, dat is altijd lekker. Wat niet weet, wat niet deert, dus wat weet, deert wel. Maar we moeten ook oppassen dat we niet te veel regeldruk creëren. Dat is het dilemma waar we voortdurend met elkaar in zitten. En dan gaan we af en toe links- en af en toe rechtsaf.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ja, voor de helderheid. Ik doelde niet per se op de regeling van het rommelpotje van 2025, …

Staatssecretaris Tielen:

Oké, op het totaal?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

… maar op de samenwerkingsverbanden zelf. Als Kamer hebben we daar eigenlijk geen zicht op en het ministerie ook niet, denk ik. Daardoor gaat het overal anders en kunnen we er niet op sturen.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is volgens mij ook onderdeel van de ontwikkelagenda voor samenwerkingsverbanden, waarin we precies voor dit soort vraagstukken handvatten moeten geven voor een oplossing. Ik zeg niet dat we het al weten, maar ik denk wel dat we hiernaar moeten kijken om ervoor te zorgen dat het effectief is. Ja, eens.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ja, tot slot. Ik zoek vooral naar feiten en cijfers. Zou de staatssecretaris bereid zijn om richting de ontwikkelagenda en de uitwerking van het onderzoek in te zetten op cijfermatig beter zicht op de vraag of het wel of niet goed gaat? Als er 7.000 kinderen thuiszitten, dan zijn er ook 7.000 plekken waar het niet gelukt is.

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Ik ga proberen om dat op een simpele manier te doen. Daar houd ik altijd van. Dat weten sommigen misschien nog uit mijn tijd als Kamerlid. We moeten ook niet te veel indicatoren hebben, maar gewoon een paar hele duidelijke. Vervolgens is het verhaal erbij ook belangrijk. Ik ga proberen om een mooie mix te maken, waarmee wij als medewetgever en u als controleurs van mijn beleid het goede gesprek kunnen aangaan, of we er wel daadwerkelijk zicht op hebben, zonder dat we …

De voorzitter:

Laten we verdergaan.

Staatssecretaris Tielen:

… overladen worden door heel veel tabelletjes. Hoe dol ik ook ben op tabellen.

Mevrouw Westerveld vroeg naar de verschillende geldstromen en waarom we dat probleem niet kunnen oplossen. In de aanpak Zorg in Onderwijs werken we samen met VWS om dat te verbeteren. We willen wettelijk borgen dat gemeentes, samenwerkingsverbanden en waar nodig zorgkantoren met elkaar overleggen en afspraken maken om daadwerkelijk zorg in onderwijstijd te kunnen organiseren. Het convenant Stevige lokale teams helpt hierbij. In sommige regio's werkt het ook al best wel goed. Bijvoorbeeld in de regio Hart van Brabant, in Tilburg, zijn er al goede afspraken. Maar hier is ook nog wel werk te doen.

Mevrouw Westerveld vroeg — net zoals mevrouw Rooderkerk, dus die neem ik dan maar in één keer mee — hoe de samenwerkingsverbanden het doen. Daar heb ik net al een en ander over gezegd. Daar zullen we in de Ontwikkelagenda nog verder op ingaan.

Mevrouw Westerveld vroeg naar mijn reactie op het feit dat een aantal kinderen door een lichamelijke of psychische beperking niet naar school kan en of wij de doelen rondom inclusief onderwijs wel halen. Ik denk dat zij daarmee impliciet verwees naar de vraag om een vrijwillige vrijstelling. Daar heb ik net al wat over gezegd. Ik denk dat we daar dezelfde wens bij hebben: elk kind heeft recht op goed onderwijs en nu wordt soms te makkelijk gedaan alsof een kind dat niet zou hoeven.

Een vraag van mevrouw Rooderkerk ...

De voorzitter:

Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Westerveld nog een vraag, ik denk over het vorige antwoord.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

De staatssecretaris ging er iets sneller overheen dan ik met mijn vraag had bedoeld. Het doel is straks inclusief onderwijs; daar is een heel traject naartoe ontwikkeld. Mijn vraag is: staat dat nog? Is het doel nog steeds dat wij toegaan naar inclusief onderwijs en is het kabinet op de goede weg daarmee?

Staatssecretaris Tielen:

Het doel staat nog steeds. Of we op de goede weg zijn, is altijd aan u. Dat mag u beoordelen. Ik schrijf graag met een aantal voorbeelden op waarom het voor ons nog steeds belangrijk is en hoe we ermee bezig zijn. Dat komt dan in de brief die we voor het commissiedebat over passend onderwijs sturen. Het is niet hetzelfde, passend onderwijs en inclusief onderwijs, maar het heeft natuurlijk wel met elkaar te maken. Dan mag u beoordelen of we op de goede weg zijn.

Mevrouw Rooderkerk vroeg naar een verkenning over de best passende aanpak om het recht op onderwijs te borgen. Dat zijn we in gedachten natuurlijk al een beetje aan het verkennen, maar daar proberen we ook wat meer handen en voeten aan te geven. Samen met de staatssecretaris Justitie en Veiligheid zijn we aan het bezien hoe leerplicht, schoolverzuim en strafrecht wel en niet bij elkaar passen, evenals de andere kant ervan, dat je het recht op onderwijs zou kunnen borgen als vraagstuk. Daarop kom ik terug in de brief van september, om u daarvan een beeld te geven.

Mevrouw Rooderkerk vraagt naar een landelijk beter functionerend netwerk van samenwerkingsverbanden. Wij denken dat het nog niet optimaal functioneert. Een van de vraagstukken die we zien, is dat sommige samenwerkingsverbanden heel effectief zijn en sommige minder. De heer Soepboer heeft daar overigens een motie over ingediend, die vraagt om te onderzoeken wat nodig is om het beter te laten functioneren. Het antwoord daarop komt in de brief die we voor het commissiedebat over passend onderwijs met elkaar delen. En ja, er zitten heel veel oorzaken onder waarom passend onderwijs wel of niet werkt.

Rondom inclusief onderwijs vroeg ook mevrouw Rooderkerk naar ... Hier ziet u dus dat ik de vragen te weinig aan elkaar geclusterd heb. Maar ja, dat komt ook doordat er zo veel vragen waren. De doelstellingen van inclusief onderwijs staan nog steeds. Of we daar goed mee bezig zijn, mag u beoordelen, maar ik ga daar in ieder geval wat woorden aan wijden in de brief over het passend onderwijs. Daarin zal ik onder andere ingaan op de experimenteerreling inclusieve leeromgeving waar ruim 100 scholen aan deelnemen en het Steunpunt Passend Onderwijs. Ik zal een aantal voorbeelden noemen waarvan wij denken dat we er goed mee op weg zijn, en dan hebben we het daarover.

Mevrouw Rooderkerk vroeg ook hoe we goede initiatieven kunnen uitbreiden. We zijn met Ingrado, dat is de vereniging van leerplichtambtenaren, en met de samenwerkingsverbanden aan het bezien hoe we scholen kunnen helpen deze wet goed uit te voeren. Daar gaan we wat mij betreft dit jaar mee beginnen. Dan hebben we zeker ook goede voorbeelden om veel meer te delen met elkaar. Dat geldt onder andere voor dit onderwerp, maar is natuurlijk breder dan alleen maar verzuim.

Dan de thuiszittersadviseurs zoals ze er in Amsterdam zijn. Wat ik daar heel mooi aan vind, is dat het natuurlijk een betere samenwerking geeft, en dat het kennis en expertise toevoegt aan wat we aan verantwoordelijkheden en verwachtingen hebben. Dat betekent dus betere samenwerking tussen scholen, leerplichtambtenaren en andere partners in de keten. Ik zou niet zelf vanuit hier willen bepalen dat alle regio's thuiszittersadviseurs inzetten, want dan creëren we een nieuwe functie waar ook weer allemaal mitsen en maren aan zitten, maar het is wellicht wel een goed voorbeeld, zeker als het ook tot mooie resultaten leidt. Dat is typisch een voorbeeld om te delen. Als er in onderwijsregio's scholen zijn die dat willen en kunnen regelen, zou ik zeggen "doe het vooral", maar ik zou het niet bij voorbaat willen voorschrijven.

Mevrouw Armut vroeg hoe we omgaan met alle complexe factoren rondom thuiszitten en verzuim, en hoe we focus houden. Met "focus" bedoelen we wat mij betreft met name het doel om verzuim tegen te gaan en meer kinderen op school te hebben, maar dat heeft dus een veelheid aan bouwstenen nodig. Dat doe ik niet alleen. Samen met VWS ben ik bezig met de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Wij werken vanuit OCW, vanuit Onderwijs, weer heel nadrukkelijk mee aan de Hervormingsagenda Jeugd om te zorgen dat er synergie is tussen die verschillende aanpakken. Samen met Justitie en Veiligheid zijn we bezig met leerplicht en schoolverzuim. We zijn dus kabinetsbreed bezig met een oplossing creëren rondom deze belangrijke doelstelling. U vraagt mij het meeste hierop, denk ik, en dat is goed. Dan kan ik mijn collega's op de andere departementen hierin meenemen.

Pesten. Een aantal van uw Kamerleden hadden daar vragen over. Pesten is een onderwerp dat op veel scholen voorkomt en kan zomaar een reden zijn om thuis te komen zitten, soms geoorloofd en soms ongeoorloofd verzuim. Wat moeten we daar dan mee? Het begint met scholen, waar een zorgplicht ligt voor veiligheid. Daar ligt dan ook de grootste verantwoordelijkheid. Ouders en leerlingen kunnen klachten indienen bij een school als een school pestgedrag niet goed oppakt. Als dat niet werkt, kunnen ze melding maken bij de inspectie. Dat zijn natuurlijk allemaal redelijk harde gevolgen. Daarnaast ondersteunen we de Stichting School & Veiligheid, de raad voor het primair onderwijs en de raad voor het voortgezet onderwijs om de samenwerking met ouders te versterken en ervoor te zorgen dat scholen ook daadwerkelijk een veilige gemeenschap kunnen organiseren. Daarnaast zijn we bezig met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs, waarin we de eisen ten aanzien van veiligheidsbeleid wettelijk neerleggen. Daarin komt bijvoorbeeld dat vertrouwenspersonen verplicht zijn en dat leerlingen, leraren en ander onderwijspersoneel laagdrempelig ergens terecht moeten kunnen als er onveiligheid is. Volgens mij staat dat wetsvoorstel ergens op uw agenda. Dat hoort dus bij elkaar.

Mevrouw Beckerman vroeg of geld voor verzuimende leerlingen ook daadwerkelijk wordt besteed aan die leerlingen en niet wordt wegbezuinigd. Scholen ontvangen bekostiging voor bij hen ingeschreven leerlingen. De verwachting is uiteraard dat scholen die middelen besteden aan verzuimende leerlingen. Dit wetsvoorstel scherpt de voorwaarden aan ten aanzien van hetgeen we daarbij verwachten van scholen. In de aanpak van schoolverzuim zijn, zoals wij gemerkt hebben, niet zozeer de financiële middelen een beperkende factor, maar een heleboel andere. Het antwoord op de vraag van mevrouw Beckerman is dus eigenlijk: op deze manier zorgen we daarvoor. Maar daar heeft ze nog een vraag over, hoor ik in mijn linkeroortje.

Mevrouw Beckerman (SP):

Ik dacht, ik noem iets goeds in de wet, want ik had ook wat kritiekpunten. Wat ik goed vond in de wet, was dat scholen eerder gekort konden worden en dat het geld nu blijft bestaan. Dat is iets te kort door de bocht gezegd, maar vanwege de tijd. Dat vind ik een mooi ding aan de wet, want anders komt er ook een soort prikkel om verzuim niet te melden. Die zit er niet in, dus dat is fijn. Maar hoe kan je er nou voor zorgen dat als een leerling thuis komt te zitten of dreigt uit te vallen, het geld beter terechtkomt bij die leerling? Ik snap dat de staatssecretaris zegt: er zijn nog heel veel andere factoren, zoals personeelstekorten. Dat is zeker waar en die hebben we ook genoemd. Specifiek over dit punt dacht ik wel dat dit heel goed is, ook gelet op wat mevrouw Westerveld eerder zei. De Kamer is heel kritisch geweest op de miljoenen die op de plank blijven liggen. Kan de staatssecretaris hier niet een iets scherpere toezegging op doen?

Staatssecretaris Tielen:

Ik moet daar even over nadenken, als dat mag.

De voorzitter:

Oké. Dat mag.

Staatssecretaris Tielen:

Ik kom daar in de tweede termijn op terug.

De voorzitter:

Ja, hoor.

Staatssecretaris Tielen:

Mevrouw Beckerman vroeg ook naar onderzoek naar de wachttijden. Ik verwijs naar de brief die ik in mei ga sturen voor het commissiedebat Passend onderwijs. Daarin kom ik terug op de wachttijden en de capaciteit, ook per regio, wat betreft speciaal onderwijs.

Mevrouw Beckerman vroeg of onderwijs zelf ook verzuim veroorzaakt, bijvoorbeeld door klassengrootte, om maar iets te noemen. Wij vinden het belangrijk dat ook de omstandigheden in het onderwijs — we hadden daar in het begin al even een interruptiedebatje over — worden bekeken als het gaat om verzuim en verzuim tegengaan. Gisteren hadden we een debat over lerarenstrategie, waarin we hebben gesproken over hoe we ervoor zorgen dat ook onderwijspersoneel plezierig kan werken. We zetten bijvoorbeeld in op mogelijkheden voor zijinstroom en op het verbeteren van opleiding. We zetten in op het aanpakken van werkdruk. We proberen goed werkgeverschap te stimuleren. Op die manier proberen we leraren goed toegerust te krijgen. Mevrouw Beckerman begon zelf over interdisciplinaire teams in onderwijsland, waarin leraren dus niet in hun eentje alles op hoeven te lossen.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dit was ook zo'n onderwerp waarover ik een compliment uitdeelde en in mijn spreektekst zei: hé, dat vind ik nou mooi om in het coalitieakkoord te lezen. Dat ging over kleine klassen. De SP voert samen met D66 al een tijdje een kleineklassenstrijd. Nu zag ik in het coalitieakkoord dat er een pilot komt. Daar was ik blij mee. Ik vroeg daar eigenlijk naar. Een kleine klas is geen wondermiddel voor alles, maar het zou wel voor heel veel leerlingen en voor leraren beter zijn. Ouders willen het ook graag. Hoe ziet die pilot eruit? Kan de staatssecretaris al iets melden over bijvoorbeeld de grootte?

Staatssecretaris Tielen:

Ik denk dat we daar heel eerlijk gezegd nog geen besluit over hebben genomen. Volgens mij weet ik wat mevrouw Beckerman wil vragen. Ik heb er gewoon nog geen antwoord op, dus ik moet erop terugkomen. Dat kan niet in de tweede termijn, want dit gaat ietsje verder. Dit gaat over de vragen wat we uit de pilot willen leren, wat we belangrijk vinden en welke criteria we hanteren op het gebied van veiligheid, passend onderwijs, inclusief onderwijs, de kwaliteit van onderwijs en dat soort dingen. Het is dus echt een antwoord voor op de langere termijn.

Mevrouw Beckerman (SP):

Dat snap ik natuurlijk. We zijn pas net onderweg. Tegelijkertijd weten we dat pilots heel makkelijk zijn en structureel beleid veel ingewikkelder ligt. Ik zou de staatssecretaris toch ook een klein beetje willen uitdagen. Waar zou je die pilot dan op willen richten? Als je een pilot start, waar wil je dan beginnen? Wat je wil leren, is inderdaad nog best wel een complexe vraag, maar waarover zegt de staatssecretaris nou: daar zie ik echt de grote meerwaarde van in en daar zou ik mee willen beginnen? Is daar al een beeld over? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat dit punt zomaar in het coalitieakkoord terecht is gekomen. Er moet een gedachte achter zitten.

Staatssecretaris Tielen:

Zeker. Die zit er vast en zeker achter. Ik weet ook dat alles wat ik erover zeg weer vragen oproept, omdat we nu met die vragen aan het puzzelen zijn. Ik wil mevrouw Beckerman ook om een beetje geduld vragen. Ik kom erop terug.

Meneer Stoffer had als stelling dat het instemmingsrecht van ouders op het verzuimbeleid in de schoolgids ook betekent dat ouders instemmingsrecht hebben op het verzuimbeleid als zodanig. Hij vroeg of ik die stelling wil toetsen om verwarring te voorkomen. Mijn antwoord is dat dat niet nodig is. In de huidige sectorwetten staat namelijk al dat verzuimbeleid in de schoolgids moet staan. Ik kan verwijzen naar een aantal artikelen in de wet, maar ik weet niet of we daar mee geholpen zouden zijn. En er is instemmingsrecht van de ouders op de vaststelling van de schoolgids. Daarmee is het aan elkaar gekoppeld, juridisch.

Meneer Stoffer vroeg ook of ik wil kijken of de afbakening van eerder vrijwillig verzuim melden scherper kan. Scholen nemen in hun verzuimbeleid op in welke gevallen ze een signaal zorgelijk verzuim geven en daarmee is het eigenlijk scherp genoeg. Als we het in het wetsvoorstel nog scherper gaan afbakenen, dan heeft dat niet heel erg veel effect omdat je daarmee ook eigenlijk weer de schooleigen context voorbijgaat. We willen het echt aan scholen zelf laten hoe ze dat in hun verzuimbeleid opnemen, maar dat moeten ze wel. Ze moeten aangeven in welke gevallen ze dat doen.

Mevrouw Raijer vroeg wat we vinden van spijbelen voor het klimaat. Spijbelen is spijbelen. Dat valt onder de term "ongeoorloofd verzuim" en dat betekent dat scholen daar maatregelen op dienen te nemen. Als het meer dan zestien uur in vier weken is, moet de school een melding doen bij de leerlichtambtenaar.

Mevrouw Raijer vroeg ook naar pesten. Daar heb ik al een aantal antwoorden over gegeven. Zij vroeg ook: moeten we niet de pesters aanpakken? Deze wet gaat eigenlijk over alle kinderen naar school. Daarbij hoort ook dat ze veilig naar school kunnen en dat betekent dus niet gepest worden, maar zich veilig voelen. We hebben ook een Wet vrij en veilig onderwijs. Daar gaan we binnenkort over in debat. Daar zit dat onderdeel in. Daar kunnen nader ingaan op de verschillende actoren bij het pesten. Overigens is bij de daders vaak ook meer aan de hand. Dan is het goed om ze in beeld te hebben. Maar daar komen we dan op terug.

Mevrouw Raijer vroeg of wet zich ook voldoende op kwetsbare wijken richt. Het wetsvoorstel moet dus regelen scholen inzicht krijgen in verzuim, dus ook de scholen in kwetsbare wijken. Gemeenten en samenwerkingsverbanden krijgen de verzuimgegevens van scholen en kunnen dus ook gericht ondersteunen als het nodig is. Daarnaast staat het wetsvoorstel — dat heb ik al een paar keer gezegd — natuurlijk in relatie tot wat we doen met de sociaalpedagogische basis in de wijken, met de stevige lokale teams en met de samenwerking met gemeentes, ook in de Hervormingsagenda Jeugd. Dus op die manier is het ingebed, ook in die wijken.

Mevrouw Raijer vroeg ook naar de onderwijszorgarrangementen en of we daadwerkelijk helpen om jongeren met zorgvragen terug in de schoolbanken te krijgen. Mijn antwoord zou zijn: ja. Deze wet is dus onderdeel van een breder pakket. Ook het wetsvoorstel over maatwerk waar we mee bezig zijn, is daarop aanvullend. Daarin worden arrangementen wettelijk geregeld die nu nog experimenteel zijn, zodat we echt kunnen zorgen dat er een beter passend aanbod is voor die jongeren.

Meneer Boomsma vroeg naar het belang van rust in de klas en voorspelbare regels. Scholen moeten de redenen van verzuim analyseren en verzuimbeleid hebben. O, meneer Boomsma is veranderd. Oe, wow.

De voorzitter:

Wat is er toch met de heer Boomsma gebeurd?

Staatssecretaris Tielen:

Daar zeg ik niks over. Ik zeg alleen dat hij veranderd is. Scholen moeten dus verzuimbeleid hebben en daarbij past natuurlijk ook hoe ze omgaan met de onderwijssfeer op school, de veiligheid op school, enzovoort, enzovoort. Dat zal daar dus onderdeel van zijn.

Meneer Boomsma vroeg ook naar het aantal nieuwkomers. De afgelopen jaren zijn er natuurlijk veel Syrische en Oekraïense jongeren die naar school zouden moeten, maar niet naar school gaan. Sorry, ik heb een kriebel in mijn keel. De vraag was op we zicht hebben op die groepen. Het lijkt er inderdaad op dat er relatief veel verzuim is onder Oekraïense jongeren. Die hebben geen vrijstelling. Voor alle jongeren geld de leer- en/of kwalificatieplicht, ongeacht hun herkomst of status, want ieder kind heeft recht op goed onderwijs. Wat we wel weten, is dat ze vaak door verhuizen van de ene naar de andere locatie van school wisselen en soms uit beeld raken. Dus een deel van de verwarring over de cijfers heeft ook daarmee te maken. Dat is dus zowel een registratieding als een inhoudelijk ding.

Tot slot, denk ik. Meneer Claassen vroeg of het een idee is om scholen waar structureel veel leerlingen uitvallen meer te monitoren. Deze wet is erop gericht dat elke school inzicht krijgt in het eigen verzuim en daar ook goed verzuimbeleid op maakt. Gemeenten en samenwerkingsverbanden zien en krijgen die gegevens. Zij kunnen dan ook gericht ondersteuning bieden aan scholen met veel verzuim. Tegelijkertijd kan de Inspectie van het Onderwijs deze gegevens gebruiken voor risicogericht onderzoek. Deze wet is ook waardevol omdat die de inspectie handvatten geeft om dat soort risico's in kaart te brengen en nader te onderzoeken.

De voorzitter:

Ik krijg door: we hebben keelsnoepjes, mochten die nodig zijn.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dank voor het antwoord. Ik had ook nog de vraag of er is onderzocht of er een relatie is tussen thuisblijven en pestgedrag, vervelend gedrag, richting kinderen die dat moeten ondergaan. Misschien is die vraag al beantwoord, maar dan heb ik dat gemist.

Staatssecretaris Tielen:

Daar hebben we nu niet volledig zicht op. Dat zou dus zomaar kunnen. Je hoort dat ook wel terug in verhalen. Daar kunnen we nu geen eenduidige conclusies over trekken. We hopen voor scholen zelf, samenwerkingsverbanden, gemeenten en uiteindelijk voor de inspectie dat onder andere door dit wetsvoorstel dit soort verbanden beter gelegd kunnen worden.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Bontenbal is in the house en het wordt gelijk onrustig.

De voorzitter:

Ja, het is gelijk te merken in de zaal. Meneer Claassen, het woord is aan u.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Hij is de gangmaker op het verkeerde feest!

Is het een optie, of ligt het in de lijn der verwachting, om wel naar dat soort dingen te gaan kijken? Ik krijg namelijk toch wel signalen en ik merk in mijn eigen omgeving — ik heb kinderen die op de basisschool en op de middelbare school zitten — dat het toch wel een groot probleem is, zeker op de middelbare school.

Staatssecretaris Tielen:

Dat heeft met verzuim te maken. Deze wet gaat daar in ieder geval inzicht in geven en scholen opleggen om daar beleid voor te hebben. Maar het heeft ook te maken met vrij en veilig onderwijs. Daar komen we wat mij betreft ook snel over te spreken. De Wet vrij en veilig onderwijs gaat natuurlijk ook over het voorkomen en aanpakken van pesten en wat pesten betekent voor de veiligheid op school.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dat is goed om te horen. Je krijgt dan een discussie over pesten, je laten pesten et cetera. Als er echt gepest wordt, gaat dat tegenwoordig vrij ver, zeker met digitaal pesten. Wordt het dan strafbaar? Ik snap dat het niet strafbaar kan zijn in juridische zin, maar komt er dan een goede aanpak voor diegenen die bijvoorbeeld aan cyberpesten doen? Het is namelijk schrijnend.

De voorzitter:

Ja, het is schrijnend, maar toch wel een beetje buiten de orde van dit wetsvoorstel. Maar we gaan het aan de staatssecretaris vragen.

Staatssecretaris Tielen:

Deels wel, deels niet. Ik snap heel goed wat meneer Claassen bedoelt. Volgens mij heb ik dat ook als een van de voorbeelden in mijn inleiding genoemd. Als je je écht niet veilig voelt op school ... Het hoeft niet eens op school te gebeuren. Via mobiele telefoons kan je natuurlijk 24 uur per dag onder druk staan. Ik herken dat probleem. Ik denk ook dat we dat serieus moeten nemen en dat we erover na moeten denken hoe we dit oplossen. Ik denk overigens dat dat op heel veel scholen al gebeurt. Dat is typisch iets wat we bij de wetsbehandeling van de Wet vrij en veilig onderwijs nog wat dieper met elkaar moeten bespreken. Denk daarbij aan de vraag wat scholen van ons, de landelijke politiek, nodig hebben. Maar ik onderschrijf dat dit serieuze aandacht verdient.

Is het een idee dat ik nu de amendementen van een appreciatie voorzie?

De voorzitter:

Ik heb hier staan: ik moet nog even vragen aan de staatssecretaris of zij dat in deze termijn of in de tweede termijn wil doen.

Staatssecretaris Tielen:

Ik doe het nu. Dat is wel zo fijn, denk ik.

De voorzitter:

Helemaal goed, helemaal goed. De amendementen.

Staatssecretaris Tielen:

Ik ga er wel redelijk rap doorheen, als u mij toestaat.

Het amendement-Ceder op stuk nr. 11 gaat over het verduidelijken van het verzuimbeleid. Ik vond dat best wel een oké amendement. Uiteindelijk gaan de heer Ceder en de Kamer er zelf over, maar ik zou dit amendement oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 11: oordeel Kamer. Daar heeft de heer Ceder tóch een vraag over.

Staatssecretaris Tielen:

O, jammer!

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nou, eerder een opmerking. Dank u wel voor de appreciatie. Er waren in de Kamer nog wat zorgen of bijvoorbeeld kinderen die op afstand krijgen hiermee uitgesloten worden. Dat is mijns inziens niet de bedoeling. Mijn vraag is of de staatssecretaris het ook zo leest.

Staatssecretaris Tielen:

Zegt u dat nog eens, alstublieft.

De heer Ceder (ChristenUnie):

De bedoeling is dat verzuim wordt voorkomen en dat we inzetten op preventie. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen die niet fysiek aanwezig kunnen zijn, maar die op afstand onderwijs krijgen et cetera. Mijn vraag is of de staatssecretaris dit ook zo leest.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, het is goed dat meneer Ceder dat nog aanvult. "Schoolaanwezigheid" was een van de woorden die genoemd werden. Dat moet wel in het belang zijn van het kind. We kunnen een aantal dingen noemen waar dat soms niet zo is. Het moet dus geen doel op zichzelf zijn. Het is dus fijn dat de heer Ceder die er inderdaad nog even bij geeft, want dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Ook het amendement op stuk nr. 11? Ja. De heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Ik had het er met de heer Ceder al over, maar kan ik daaruit opmaken, aangezien de staatssecretaris oordeel Kamer geeft, dat dit dus niet voor extra regeldruk gaat zorgen in het onderwijs?

Staatssecretaris Tielen:

Dat was niet hoe ik 'm gelezen heb. Nee.

De voorzitter:

Oké. Dan is het oordeel Kamer voor het amendement op stuk nr. 11.

Staatssecretaris Tielen:

Het tweede amendement van meneer Ceder is het amendement op stuk nr. 12. Dat gaat over een evaluatiebepaling binnen drie en binnen vijf jaar. Volgens mij hebben we al een paar dingen gezegd over wat we graag beogen met deze wet en hebben we gezegd dat we dat in de gaten moeten houden. Het lijkt mij goed om dat te doen, dus het amendement op stuk nr. 12 krijgt oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 12 krijgt oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Het amendement op stuk nr. 13 is ook van het lid Ceder en regelt twee dingen. Dat is aan de ene kant de bewaartermijn van gegevens. Daarbij zijn persoonsgegevens in het geding. Drie jaar is een passende bewaartermijn, dus ik snap dat wel. Als dat een apart amendement zou zijn, zou ik oordeel Kamer zeggen, maar meneer Ceder heeft daar nog iets aan toegevoegd, namelijk een voorhangprocedure. Die zit op de categorieën en het niveau van aggregatie, de frequentie van de leveringen en de geaggregeerde, door samenwerkingsverbanden en gemeenten geleverde gegevens. Formele parlementaire betrokkenheid op dat soort toch wel technische, gedetailleerde uitwerkingen is volgens mij, volgens ons, niet noodzakelijk. De onderbouwing van meneer Ceder rust op het advies van de Raad van State, maar we hebben het wetsvoorstel aangepast naar aanleiding van de Raad van State. We hebben dus eigenlijk het advies van de Raad van State opgevolgd. Als we een voorhang gaan introduceren, heeft dat ook vertragingseffecten. Ondertussen kunnen we er niet mee aan de slag. Ik zou dat deel dus willen ontraden. Dat betekent dat als het hele amendement zo blijft, ik het ontraad.

De voorzitter:

De heer Ceder. Eén vraag, alstublieft.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Nou, voorzitter, de staatssecretaris heeft me oprecht weten te overtuigen, dus ik ga de voorhang eruit slopen. De AVG is ons meest prangende punt, dus als de staatssecretaris zegt dat het met deze wijziging ingediende amendement oordeel Kamer krijgt, zal ik de voorhang eruit halen om vertraging te voorkomen.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is fijn.

De voorzitter:

Daarmee blijft hij wel …

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dan zie ik een gewijzigd amendement tegemoet.

De voorzitter:

Precies. Voorlopig is het amendement op stuk nr. 12 nog ontraden. Als het gewijzigd wordt, volgt er waarschijnlijk een nieuwe appreciatie.

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Dan ga ik verder met het amendement op stuk nr. 14, van de heer Ceder, over de bevoegdheid van de jeugdarts. Daarmee wil hij de mogelijkheid behouden om de bevoegdheid ten aanzien van vrijstellingen op lichamelijke of psychische gronden te delegeren naar een ministeriële regeling. Dat amendement ontraad ik. Om de kwaliteit van het advies bij een vrijstelling te borgen, is het opleidingsniveau van belang. Binnen dit deel van de sector zijn universitair opgeleide professionals bekwaam om een diagnose te stellen. Wij hebben nu geen signalen dat er tekorten zijn bij de professionals. Ik verwees er al even naar in een van mijn antwoorden. Het is dus ook niet aannemelijk dat er in de toekomst echt problemen zullen ontstaan ten aanzien van die beschikbaarheid, wat ons betreft. Dan krijg je een relatief kleine en geografisch gespreide doelgroep die de vrijstelling krijgt. Dat leek ons geen goed idee voor deze wet. Daarmee is dit amendement ontraden.

Het amendement op stuk nr. 16 is van de leden …

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik heb een vraag over dit amendement. Ik snap dat er nu geen personeelstekort is, maar net als bij bijna elke andere sector is het, denk ik, aannemelijk dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Dat zien we nu ook bij het UWV, met verzekeringsartsen. Dit amendement zorgt er niet voor dat universitaire psychologen de enigen zijn die dit kunnen gaan doen; het behoudt alleen de mogelijkheid om in de toekomst, mocht het zo zijn, zonder een hele wetswijziging waardoor de keten vastloopt, dat ook door middel van delegatie of taakherschikking toe te delen. Mijn vraag is: klopt het dat als het amendement wordt aangenomen zonder dat de minister er een regeling aan koppelt, universitair psychologen eigenlijk de enigen zijn die dit mogen doen? Ik wil dat het een haakje openlaat zonder dat het een sluis openzet en er eigenlijk niets verandert totdat de minister er iets in verandert. Als je dit niet doet, ontneemt het ons die mogelijkheid, wat volgens mij niet verstandig zou zijn.

Staatssecretaris Tielen:

Dit is een als-danredenering die ik snap. Normaal vind ik als-danvragen niet zo, maar ik snap deze. Ik kan er nu alleen even niet op reageren. Ik moet er effe op kauwen of het zo klopt. Maar vooralsnog is het amendement ontraden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ik breng het wel in stemming, want als het aangenomen wordt, verandert er niks. Wel geeft het een haakje aan de minister, zeg ik even ter duiding, zodat de minister in de toekomst in het geval dat het zou vastlopen — bij het UWV hebben we gezien dat dit helaas het geval kan zijn — vrij snel door middel van taakherschikking of -delegatie alsnog andere mensen kan inzetten, waardoor de wachtlijsten bij thuiszitters niet oplopen. Dat is even de achtergrond.

De voorzitter:

Ja, maar het amendement blijft ontraden.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Ja, dat snap ik. Ik zei het even als context.

De voorzitter:

Maar de heer Ceder brengt het amendement in stemming. Dat is zijn goed recht.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, precies.

Meneer Ceder had nog een amendement, samen met mevrouw Westerveld, waarbij …

De voorzitter:

Dat is het amendement op stuk nr. 16.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dat heeft inderdaad nr. 16. Daarbij wordt de inwerkingtreding van de wet afhankelijk gemaakt van een aantal randvoorwaarden. Daar heb ik eigenlijk al op gereageerd in mijn antwoorden. Ik ontraad dit amendement. Ik snap heel goed wat de indieners graag willen. Ik denk ook dat we dat allemaal willen, namelijk dat deze wet niet op zichzelf staat maar echt een bouwsteen is in een combinatie van wetten. Daar zijn we ook druk mee bezig. Maar om de besluitvorming over de wet daarvan afhankelijk te maken, roept aan de ene kant vertraging op, maar aan de andere kant ook vooral een hele ingewikkelde puzzel van wanneer dan wel of niet. Daarom: ontraden.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 16 is ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Meneer Stoffer diende het amendement op stuk nr. 17 in, met de bedoeling om een register in te voeren met deskundigen die een verklaring vrijstelling 5 onder a mogen afgeven. Dat ontraad ik ook. De wet borgt dat de verklaring wordt gedaan door een universitair geschoolde arts, psycholoog of orthopedagoog. Daar had ik het net met meneer Ceder al eventjes over. Dit zijn bekwame professionals. Lokaal wordt verder die expertise vormgegeven door gemeenten en samenwerkingsverbanden. De huidige praktijk werkt gewoon. Volgens mij is het niet nodig om daar weer een heel register voor op te tuigen, want dat kost ook weer allerlei administratieve lasten. Dus: ontraden.

Het amendement op stuk nr. 18, van meneer Stoffer, gaat over kleinere scholen en over een uitzondering voor kleine scholen op de plicht om verzuim te registreren, dus eigenlijk gewoon om deze wet niet van toepassing te laten zijn. Daar heb ik wel problemen mee, want voor alle leerlingen geldt gewoon recht op onderwijs, ongeacht of een leerling op een kleine of grote school zit. Ik vind ook dat kleine scholen hun verzuimbeleid goed op orde moeten hebben en daarmee ook hun verzuimregistratie. Dus ik ontraad dit amendement.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 18: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

Het amendement op stuk nr. 19 is van de leden Westerveld en Rooderkerk en gaat over de rol van de leerplichtambtenaar, waarbij het amendement vraagt om gemeenten een werkwijze vast te laten stellen voor de rol van de leerplichtambtenaar in de ondersteuning van scholen in het voorkomen van verzuim. Volgens mij hebben we er in het debat al bij stilgestaan dat de rol van de leerplichtambtenaar al veel meer preventief is geworden. Ik ben ook bezig met zowel gemeenten als de vereniging van leerplichtambtenaren om de invulling van de preventieve rol meer handvatten te geven, maar ik denk dat het een mooie toevoeging is aan de wet om dat op die manier vast te leggen. Dit amendement geef ik daarom oordeel Kamer.

De voorzitter:

Het amendement op stuk nr. 19: oordeel Kamer. Voor ieders administratie: het amendement op stuk nr. 19 vervangt dat op stuk nr. 15.

Staatssecretaris Tielen:

O, dat wist ik dan weer niet.

De voorzitter:

Bij dezen.

Staatssecretaris Tielen:

O ja, ik zie het zelf ook.

Ik ben daarmee volgens mij toegekomen aan het einde van mijn eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan gaan we gelijk over naar de tweede termijn, maar voordat ik dat doe, geef ik het woord aan de heer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter. Het was de minister al opgevallen: de heer Boomsma is vervangen door de heer Ceulemans. Hij heeft namelijk verplichtingen elders. Ik begreep dat ik officieel toestemming moet vragen om de tweede termijn te mogen doen.

De voorzitter:

Heeft iemand daar bezwaar tegen? Dat is niet het geval. Dan heet ik de heer Ceulemans van harte welkom bij dit debat. Dan gaan we gelijk over naar de tweede termijn aan de zijde van de Kamer. De eerste spreker is de heer Ceder, die spreekt namens de ChristenUnie.

Termijn inbreng

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Volgens mij heeft ze alle vragen beantwoord. Daar ben ik blij mee. Aan het begin van het debat gaf ik aan: volgens mij gaat dit wetsvoorstel niet het verschil maken. Het is wel een goede toevoeging.

Het debat ging vooral over de vraag hoe we nou echt die 70.000 thuiszitters kunnen gaan aanpakken. Ik ga eerlijk zijn. Ik heb het al een paar keer aangegeven, maar ik maak me oprecht zorgen dat we onder dit kabinet niet minder thuiszitters krijgen, maar dat het aantal van 70.000 zal stijgen naar meer dan 100.000. Onze collectieve rol is om dat te voorkomen, vandaar ook de kritische vragen, die volgens mij van links — sorry, van PRO — tot rechts met elkaar gedeeld zijn en worden.

Voorzitter. Ik heb een aantal amendementen ingediend. Ik ga goed nadenken over het amendement van mijzelf en mevrouw Westerveld dat ervoor moet zorgen dat er echt een duidelijke kaderbrief komt voordat deze wet in werking treedt. De staatssecretaris zegt: er komt al wat aan rond passend onderwijs. Ik ga even overleggen over wat we daarmee doen. Ik dank de staatssecretaris voor de andere appreciaties.

Ik heb nog een drietal moties. Die ga ik voorlezen. Ik hoop dat we daarmee de staatssecretaris de goede kant op kunnen bewegen ten aanzien van de problematiek rond thuiszitters.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat leerlingen die uitgeschreven zijn geheel uit zicht verdwijnen;

overwegende dat scholen hier een gezamenlijke taak in dragen;

verzoekt de regering om voor alle situaties waarin leerlingen tijdelijk elders onderwijs krijgen, bijvoorbeeld door een gesloten plaatsing, digitaal onderwijs of een oza, te borgen dat de oorspronkelijke school van inschrijving de regie houdt en verantwoordelijk blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 20 (36663) (#60).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij ongeoorloofd verzuim wettelijk is geborgd dat actie door de school wordt ondernomen, maar dat dit bij geoorloofd verzuim door ziekte niet het geval is;

overwegende dat vroegtijdige inzet bij ziekteverzuim, bijvoorbeeld via de MAZL-methodiek, effectief kan bijdragen aan het verminderen ervan;

verzoekt de regering om te verkennen op welke wijze beter kan worden geborgd dat er effectief actie wordt ondernomen bij geoorloofd verzuim door ziekte, bijvoorbeeld door het verplicht stellen van een onderwijsperspectiefplan (opp) bij al het verzuim, zodat kinderen zo goed mogelijk onderwijs kunnen volgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 21 (36663) (#61).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet met de Wet terugdringen schoolverzuim het verzuimbeleid van scholen wil versterken, maar dat er desondanks kinderen en jongeren die niet of niet volwaardig onderwijs krijgen buiten beeld blijven, bijvoorbeeld als ze ingeschreven zijn bij een residentiële instelling, tijdelijk onderwijs krijgen via een zorglocatie of minder onderwijs krijgen via de Beleidsregel afwijken onderwijstijd;

verzoekt de regering om jaarlijks in beeld te brengen hoeveel kinderen en jongeren naar schatting geen of geen volwaardig onderwijs krijgen, hierbij nadrukkelijk indicaties van experts en vertegenwoordigende organisaties mee te nemen en doorlopend te verkennen hoe deze beter in beeld gebracht kunnen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.

Zij krijgt nr. 22 (36663) (#62).

De heer Ceder (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb één motie op tafel laten liggen. Die lees ik even digitaal voor. U moet mij erop vertrouwen dat ik die zo gelijk afgeef. Zo niet, dan zult u streng doch rechtvaardig optreden. O, die ging over de knelpunten. Nee, laat maar. Die trek ik in. Ik hou het hierbij.

De voorzitter:

Lijkt mij een uitstekend idee, meneer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Kisteman is de volgende spreker van de zijde van de Kamer in de tweede termijn. Hij spreekt namens de VVD.

De heer Kisteman (VVD):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de staatssecretaris voor dit eerste plenaire debat dat we samen hebben gevoerd. Volgens mij gaan we elkaar de komende week heel veel zien.

Ik heb nog even één vraag over de samenwerkingsverbanden en het aanbod van hoogbegaafdheidsonderwijs. De staatssecretaris geeft aan dat er meer geld wordt vrijgemaakt voor de erkenning van hoogbegaafden, maar wat de VVD betreft is meer geld niet altijd de oplossing. Het kan ook gewoon gaan om erkenning. Uit de Staat van het Onderwijs uit 2025 blijkt dat 7 van de 28 onderzochte samenwerkingsverbanden een onvoldoende kregen. We hebben er ongeveer 152 in het p.o. en vo. Wij vinden het volgende veel belangrijker. Uit de berichten die we krijgen, weet ik dat sommige samenwerkingsverbanden hoogbegaafdheid überhaupt niet erkennen. Volgens mij zijn daar veel grotere stappen in te zetten dan er maar meer geld voor vrijmaken.

Daar wou ik het bij laten, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Westerveld, die nog steeds spreekt namens de fractie van GroenLinks-PvdA, maar misschien wel voor de laatste keer; wie weet. Ga uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Terwijl ik hier stond, is een naam veranderd. Mensen hadden dus een feestje, terwijl wij hier gewoon een goed inhoudelijk debat voerden. Ik was dus liever hier, voorzitter, om het debat met de staatssecretaris te voeren.

Volgens mij was dit een goed debat, waarin we antwoord hebben gekregen op heel veel vragen die we hebben gesteld. Ik ga nog geen definitief voor of tegen deze wet uitspreken. Ik zie dat het een stap in de goede richting is. Ik hoor ook van leerplichtambtenaren en van anderen dat zij dit inzicht nodig hebben. In het interruptiedebatje vroeg ik aan de staatssecretaris "die cijfers moeten toch al beschikbaar zijn?", waarop de staatssecretaris uitlegde dat we daar kennelijk een wet voor nodig hebben. Dat vond ik heel verhelderend. Dat nemen we dus allemaal mee voor de stemmingen straks.

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het doel van de Wet passend onderwijs uit 2015 is dat ieder kind onderwijs op maat krijgt;

constaterende dat in 2016 in het Thuiszitterspact is afgesproken dat in 2020 geen enkel kind thuiszit zonder passend onderwijs;

constaterende dat op verzoek van de Kamer in 2018 de knelpunten tussen zorg en onderwijs, wetgeving en financiering in kaart zijn gebracht door OCW en VWS;

constaterende dat vanaf 2019 is besloten tot de versnellingsagenda Thuiszitterspact, diverse pilots met onderwijs-zorgarrangementen zijn opgestart, verschillende financieringswijzen zijn onderzocht evenals knelpunten in het stelsel en mogelijke oplossingen;

constaterende dat ondanks al deze inspanningen het aantal leerlingen dat thuiszit zonder (passend) onderwijs al jaren stijgt en wordt geschat op 70.000;

constaterende dat veel projecten tijdelijk waren, problemen in wetgeving en verschillende financieringsstromen tussen zorg en onderwijs nog steeds niet zijn opgelost;

verzoekt de regering om de geleerde lessen uit de stapels met onderzoeken en rapporten te vertalen in beleidsopties en te verankeren in wetsvoorstellen en samen met een uitvoeringsagenda naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 23 (36663) (#63).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, ik heb nog een tweede motie.

De voorzitter:

En een interruptie van de heer Ceder.

De heer Ceder (ChristenUnie):

Dit klinkt heel erg als ons amendement. Dat vind ik heel fijn, maar de vraag is of mijn naam ook onder deze motie zou mogen. Dan kunnen we nog wel even verkennen hoe we in de Kamer omgaan met deze bredere wens.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Het klinkt inderdaad als het amendement. Als dit iets is wat gaat gebeuren, is GroenLinks-PvdA, PRO, dan ook geneigd om voor dit wetsvoorstel te stemmen? Daar ben ik dan wel benieuwd naar.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Deze motie is bewust breder dan het amendement. Daarom is de motie ook langer dan mijn moties normaliter zijn. Het gaat erom dat we in kaart hebben gebracht wat er uit de afgelopen jaren eigenlijk allemaal al ligt. Ik heb niet al die rapporten meegenomen, maar het is een hele stapel, om het maar even zo fysiek te verbeelden. Volgens mij weten we dus heel goed waar het misgaat en weten we ook heel goed wat er gedaan kan worden. Een heel groot probleem is dat de afgelopen tien jaar te weinig knopen zijn doorgehakt. Dat is eigenlijk de oproep in de motie: hak nou eens knopen door na al die geleerde lessen, na al die pilots en na alles wat in de afgelopen jaren al is gebeurd, zodat we deze discussie over een paar jaar niet opnieuw voeren.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Ik zou bijna zeggen: zal ik er een nietje doorheen slaan, en dan met een daadwerkelijke aanpak erop? Zo hoor ik het. Mijn vraag is of GroenLinks-Partij van de Arbeid bereid is om voor dit wetsvoorstel te stemmen als die er komt. Ik deel de zorg dat er nog geen aanpak ligt, maar ik denk wel dat het goed is om in beeld te krijgen om wie het gaat, want zonder doel kan je niet schieten, zeg ik dan maar cruijffiaans.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Daar ben ik het mee eens. De reden dat ik nu niet zeg of ik voor- of tegenstem, is dat we hierover ook in onze fractie een discussie hadden. Dit wetsvoorstel lijkt een stap te zijn die we zouden moeten willen, maar wegen de voordelen met al die extra administratie wel op tegen de nadelen? Die discussie hadden we gewoon in de fractie. Nou, de rest zit de nieuwe naam te vieren, dus ik kan nu niet met de fractie overleggen. Dat gaan we ergens de komende dagen doen.

De voorzitter:

U doet hier gewoon uw werk als wetgever.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Precies.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

De nieuwe naam klinkt alsof de nieuwe partij ook vóór zaken is. Ik zou hopen dat we dan ook kunnen samenwerken om in ieder geval zicht te krijgen op de thuiszitters om wie het gaat.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Wij stemmen voor goede plannen. Daar zijn we altijd voor. Dit is gewoon even een kwestie van de voor- en nadelen nog afwegen. Dat gaan we gewoon netjes doen.

De voorzitter:

U had nog een motie.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ja, ik heb een tweede motie. Die gaat over de samenwerkingsverbanden, want dat is ook weer zo'n discussie die elke keer terugkeert. Wij zeggen net als de hele Kamer dat we meer grip zouden moeten hebben. We vinden dat onderwijsgeld moet gaan naar leerlingen die ondersteuning nodig hebben. We hebben in de Kamer al verschillende keren discussies gehad over het goede werk dat samenwerkingsverbanden doen, maar hebben ook wel vraagtekens bij de soms te stroperige processen, bij het vele geld dat blijft hangen in administratie en allerlei lagen — maar zonder die mensen tekort te willen doen. Ik heb daar een motie over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij invoering van de Wet passend onderwijs 151 samenwerkingsverbanden zijn opgericht die de wettelijke taak kregen om te zorgen dat alle leerlingen een passende onderwijsplek hebben met ondersteuning waar nodig;

constaterende dat ruim tien jaar na invoering van passend onderwijs de doelen verder uit zicht raken, met grote verschillen per regio en per samenwerkingsverband;

constaterende dat sommige samenwerkingsverbanden een onverminderd hoge financiële reserve hebben, ondanks pogingen vanuit Kamer en kabinet om dit geld te herverdelen en te besteden aan de ondersteuning van leerlingen;

verzoekt de regering om in de route naar inclusief onderwijs specifiek de rol en functie van samenwerkingsverbanden tegen het licht te houden en daarbij specifiek de beleidsadviezen uit het rapport Over de lijnen mee te nemen, en de Kamer voor de OCW-begroting voor 2027 te informeren over de concrete plannen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 24 (36663) (#64).

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter ...

De voorzitter:

Dat roept een vraag op bij de heer Kisteman.

De heer Kisteman (VVD):

Ja. De staatssecretaris heeft net toegezegd dat ze met een reflectie komt, voor de zomer volgens mij, op dat rapport. Misschien moeten we vragen om dat voor die motie allemaal iets te versnellen, vanwege die begroting voor 2027. U weet, we zitten te zoeken en willen wat vaart maken, en de staatssecretaris gaat er toch op reflecteren, dus ...

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Als het sneller kan, dan heel graag hè. Mijn verzoek in de motie is juist iets breder bedoeld. Ik zou gewoon willen dat we even fundamenteel kijken naar de rol van onder andere samenwerkingsverbanden in ons stelsel. En dit zonder de mensen tekort te willen doen op de plekken waar het goed gaat, want deze discussies roepen in het onderwijsveld soms heftige emoties op bij mensen die zich met hart en ziel inzetten voor die kinderen. Maar als we naar het stelsel kijken, dus naar het systeem, denk ik dat we alle reden hebben om goed te kijken naar de functie van de samenwerkingsverbanden.

Voorzitter. Ik vind het mooi dat we zo'n goede discussie hebben gehad vandaag en dat we met elkaar hebben gezegd dat we willen staan voor de kinderen, dat alle kinderen onderwijs verdienen, dat er ook specifiek oog zou moeten zijn voor kinderen met autisme, kinderen die hoogbegaafd zijn, kinderen met een chronische ziekte, kinderen met long covid. En ik twijfel ook helemaal niet aan de goede wil van ook weer deze Kamer en deze staatssecretaris, maar het is nu wel zaak om keuzes te maken, om echt te gaan doen wat we heel graag willen, en om te zorgen dat de doelstellingen bij de invoering van passend onderwijs in 2016 — ik heb ze allemaal opgesomd in de motie, dus dat zal ik niet opnieuw doen — worden gehaald. Laten we er echt voor zorgen dat we de komende jaren keuzes gaan maken; harde keuzes, goede keuzes, in het belang van deze kinderen, van de ouders en van iedereen die met hart en ziel in het onderwijs werkt.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk, die spreekt namens D66. Ga uw gang.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank, voorzitter. Terugkijkend op dit debat zie ik een Kamer die vrij duidelijk is over wat er aan problemen spelen in het passend onderwijs ten aanzien van thuiszitters, en vindt dat er een oplossing gevonden moet worden. Het voelt soms een beetje als het "sturen in de mist" van voormalig minister Bussemaker, een voorganger van deze staatssecretaris, waarbij we het systeem zo hebben ingericht dat het eigenlijk heel lastig is om er echt nog goed op te sturen. Ik denk dat we daar wel met z'n allen een oplossing voor moeten vinden, juist voor de kinderen die nu thuis zitten en die echt een kanarie in de kolenmijn zijn voor hoe ons onderwijssysteem functioneert. Ook zij hebben recht op goed onderwijs. En als ik dan hoor waar we vandaag over gesproken hebben, dan mis ik overal vooral eenduidigheid. Wat ik ook mis is doorzettingsmacht voor ouders en leerlingen, en wat ook ontbreekt is betere sturing op de rol en de taken van bijvoorbeeld de samenwerkingsverbanden. En de zorgplicht van scholen: hoe kunnen we ervoor zorgen dat die ook echt wordt uitgevoerd?

Dit wetsvoorstel geeft in ieder geval een beeld van hoe het er nou echt voor staat. Het begint natuurlijk altijd bij feiten en cijfers, voordat je een probleem ook echt kunt oplossen. Daarnaast vraagt dat ook echt om beleid opstellen en extra zaken. Daardoor denk ik dat het belangrijk is dat we dit nu als eerste stapje gaan doen. Dit is een belangrijke stap, die snel genomen moet worden, maar er is nog veel meer nodig. Na zo'n debat als dat van vandaag denk ik ook wel dat er eigenlijk een alternatief nodig is voor de leerplicht, namelijk een leerrecht, waarbij ouders en kinderen ondersteund worden in het recht op onderwijs, en dat we dat eens met elkaar moeten verankeren.

Ik hoop echt dat we in deze Kamer daar stappen op kunnen zetten, ook met de partijen die ik vandaag heb gehoord. Ik werk daar ook heel graag met hen op samen. Ik denk dat we echt voor ogen moeten houden dat we zorgen dat elk kind het onderwijs krijgt dat het verdient. Daar zet ik me heel graag met u voor in.

Tot slot dien ik graag een motie in. Die motie is gericht op het verbreden van de preventieve taak van de leerplichtambtenaar, om die meer naar een leerrechtambtenaar toe te brengen. Daarvoor hebben we gezamenlijk een amendement ingediend, maar bij dezen ook een motie die zorgt dat de leerplichtambtenaar daarin wordt ondersteund.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland naar schatting circa 70.000 kinderen thuiszitten zonder passend onderwijs;

overwegende dat, zoals vastgelegd in het VN-Kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, ieder kind recht heeft op onderwijs;

overwegende dat thuiszitten vaak het gevolg is van tekortkomingen in het onderwijs- en zorgsysteem en niet aan het kind of de ouder zelf te wijten is;

overwegende dat de huidige rol van de leerplichtambtenaar voornamelijk gericht is op handhaving;

overwegende dat leerplichtambtenaren zelf aangeven dat zij graag niet alleen een handhavende maar ook een meer preventieve taak zouden willen vervullen;

overwegende dat als leerplichtambtenaren een meer preventieve taak krijgen, zij hier ook in ondersteund en opgeleid moeten worden;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe leerplichtambtenaren het best actief kunnen worden ondersteund en begeleid bij hun preventieve taak, zodat zij thuiszitters eerder en beter kunnen helpen, en te zorgen voor een eenduidige aanpak in alle gemeenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Rooderkerk, Westerveld en Ceder.

Zij krijgt nr. 25 (36663) (#65).

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Beckerman. Zij spreekt namens de SP. Gaat uw gang.

Mevrouw Beckerman (SP):

Goedenavond. Ik denk dat we een goed debat hebben gehad. Dat zegt iedereen, dus dan zal het wel zo zijn. Ik ben het met de staatssecretaris eens dat de wet een van de bouwstenen is, of dat kan zijn. Wij moeten onze stem echt nog gaan bepalen. Wij vinden de timing namelijk lastig. Want wat heb je aan één bouwsteen als de rest, of een deel van de rest, er nog niet is? Belangrijker voor ons is het volgende. Je kunt heel veel stenen stapelen, maar het fundament moet ook op orde zijn. Daar zit voor ons natuurlijk wel de pijn, want we hebben een fundamenteel probleem met ons onderwijs. Dat is niet de schuld van het onderwijs; het is het gevolg van politieke keuzes. We hebben er een aantal genoemd: te weinig speciaal onderwijs, te grote klassen, te weinig leraren, te hoge werkdruk, knellend passend onderwijs en — mevrouw Westerveld zei het net ook — geld voor onderwijs dat niet terechtkomt bij onderwijs. Er zijn veel goede voorstellen ingediend, dus we gaan onze stem bepalen. Ik voeg er nog één motie aan toe.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Besluit terugdringen schoolverzuim de bepaling bekostiging bij verzuim in het voortgezet onderwijs schrapt;

constaterende dat scholen hierdoor ook bekostiging zullen ontvangen voor leerlingen die veel afwezig zijn aan het begin van het schooljaar;

overwegende dat hiermee nog niet geborgd is dat dit geld ingezet wordt om deze groep leerlingen te helpen, maar dat dit wel wenselijk is;

verzoekt de regering te borgen dat dit geld ook daadwerkelijk besteed wordt aan deze groep leerlingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.

Zij krijgt nr. 26 (36663) (#66).

Mevrouw Beckerman (SP):

Voorzitter, helemaal tot slot. Wij moeten natuurlijk onze stem gaan bepalen. Mijn frustratie zit 'm in het feit dat we het allemaal al jaren zeggen en constateren, maar dat er weinig verandering komt. Ik vind het wel positief dat we hier veel woordvoerders hebben die echt naar fundamentele problemen in het onderwijs willen kijken. Daar zit uiteindelijk namelijk de oplossing. Het is heel mooi om er allerlei leuke projecten bij te bedenken, maar die tijd is wel voorbij. Dit mag niet de kabinetsperiode worden dat we door de 100.000 thuiszittende leerlingen gaan.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Armut ziet af van haar tweede termijn. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Raijer. Gaat uw gang.

Mevrouw Raijer (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil de staatssecretaris bedanken voor de antwoorden die zij heeft gegeven. Wij wilden de staatssecretaris graag een kans geven met dit wetsvoorstel, maar wij hebben het idee dat dit een oude wet in een nieuw jasje is. Wij hebben het idee dat die juist voor meer bureaucratie gaat zorgen, voor zowel de scholen als het onderwijs. De problemen zijn heel groot. Er zijn heel veel thuiszitters. Wij zijn van mening dat we het probleem hiermee niet oplossen. Ik ga bij de volgende debatten die gepland zijn over het passend onderwijs en het pesten wel graag met u in gesprek om te komen tot een gedegen oplossing.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Claassen. De heer Stoffer heeft zich namelijk afgemeld voor het vervolg van de vergadering.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Veel gehoord en goed gediscussieerd. Het is voor mij een nieuw onderwerp, dus ik zal goed nadenken over wat deze wet nu gaat betekenen. Ik heb in ieder geval twee moties waarvan ik denk dat ze de wet beter gaan maken, of hem gaan aanvullen; laat ik het zo zeggen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat psychische klachten steeds vaker een rol spelen bij (langdurig) verzuim en dat vroegtijdige betrokkenheid van de leerplichtambtenaar essentieel is om uitval te voorkomen;

overwegende dat tijdige signalering en afstemming tussen school, ouders en leerplichtambtenaar noodzakelijk zijn;

verzoekt de regering om wettelijk te borgen dat scholen bij ongeoorloofd verzuim waarbij psychische of psychosociale klachten een rol spelen, verplicht zijn dit onverwijld te melden aan de leerplichtambtenaar, met inachtneming van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 27 (36663) (#67).

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Wat een lastige woorden om 21.00 uur nog.

Ik heb nog 40 seconden, zie ik.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat langdurige vrijstellingen van de leerplicht op lichamelijke of psychische gronden ertoe kunnen leiden dat leerlingen structureel buiten het onderwijs komen te staan;

overwegende dat het uitgangspunt van de Leerplichtwet is dat iedere leerling onderwijs volgt en dat vrijstellingen tijdelijk en uitzonderlijk behoren te zijn;

overwegende dat langdurige afwezigheid zonder perspectief op terugkeer de ontwikkeling van leerlingen schaadt;

verzoekt de regering om in wet- en regelgeving te verduidelijken dat vrijstellingen op lichamelijke of psychische gronden steeds tijdelijk van aard zijn, periodiek (ten minste elke drie maanden) worden herbeoordeeld op basis van onafhankelijk medisch en onderwijskundig advies, en dat bij een nieuwe vrijstellingsaanvraag telkens opnieuw wordt beoordeeld of onderwijs voor de leerling mogelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Claassen.

Zij krijgt nr. 28 (36663) (#68).

Deze motie geef ik even aan u terug.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Heb ik iets verkeerd gedaan? Och, mijn naam staat er niet onder. Dat is me nog nooit gebeurd. Zijn er nog andere mensen die hun naam eronder willen?

De voorzitter:

Nou …

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Het kan nu!

De voorzitter:

Nou, we gaan het nu horen van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Hohoho, ik heb gewoon een vraag.

De voorzitter:

Inderdaad, gewoon een vraag.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag over de tweede motie. Ik begrijp het idee. Het idee is dat je ervoor moet waken dat een kind permanent een vrijstelling heeft en dus niet naar school gaat, maar er is ook een andere kant, waarvoor die vrijstellingen bedoeld zijn. Die zijn bedoeld voor leerlingen die niet naar school kunnen omdat ze te ziek zijn, soms ook niet lang meer te leven hebben bijvoorbeeld, en dus echt niet kunnen. Ik hoop niet dat het de bedoeling van deze motie is dat zij ook elke drie maanden opnieuw een beoordeling moeten aanvragen, want dat is juist een groot probleem in de zorg, zoals meneer Claassen weet, en ook een groot dilemma, waar mensen met een beperking elke keer tegenaan lopen. Ze moeten voortdurend bewijzen dat iets niet kan. Ik hoop dus dat ik de motie anders mag lezen dan ik 'm nu hoorde.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Ja, u moet 'm zelfs anders lezen. Het gaat natuurlijk niet om chronisch zieke of terminale kinderen. We zijn er altijd een groot pleitbezorger voor geweest om juist in die gevallen te stoppen met die herregistratie. Herregistratie van mensen die twee benen kwijt zijn en toch elk halfjaar moeten bewijzen dat ze niet meer op twee benen kunnen lopen, is natuurlijk ridicuul. Dat is niet bedoeld met deze motie. In die geest moet u 'm niet lezen.

De voorzitter:

Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Dan is de vraag voor welke groep deze motie wel is bedoeld, want in principe is de bedoeling: kinderen krijgen geen vrijstelling, tenzij. Dat de aantallen omhooggaan laat wel zien dat de "tenzij" te vaak wordt ingezet. Welke groep heeft meneer Claassen dan wel voor ogen met deze motie?

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Het is, denk ik, niet aan mij om te beoordelen welke groep dat is. Er zijn natuurlijk kinderen waarvan wordt gezegd dat ze langdurig ziek zijn. Daarom staat in de motie ook nadrukkelijk dat er een beoordeling moet komen door mensen die er verstand van hebben. Zij moeten beoordelen of een kind terug kan naar het onderwijs. Ik neem aan dat een medicus, ggz-psycholoog of wie dan ook over iemand die zo ziek is dat die geen onderwijs kan volgen, niet zal zeggen dat die persoon terug naar school moet.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Ceulemans, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.

De heer Ceulemans (JA21):

Voorzitter, dank. Ik vond het ook een geweldig debat en dat ga ik afronden met een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er voor leerlingen op de kader- en gemengde/theoretische leerweg momenteel geen ruimte is om binnen de bestaande leerwegen af te wijken van de wettelijke eisen en meer praktijkgericht onderwijs te volgen, anders dan een leer-werktraject op het niveau van de basisberoepsgerichte leerweg;

overwegende dat dergelijke maatwerkroutes kunnen bijdragen aan het voorkomen van schooluitval en mogelijk ook een oplossing kunnen bieden voor een deel van de thuiszittende/verzuimende leerlingen;

verzoekt de regering te inventariseren in hoeverre er behoefte is om binnen de gemengde/theoretische leerweg meer ruimte te bieden om in afwijking van wettelijke eisen meer praktijkgericht onderwijs te geven aan leerlingen met geoorloofd verzuim die nog wel een diploma kunnen halen anders dan op basisniveau, en de Kamer te informeren over de uitkomsten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ceulemans en Boomsma.

Zij krijgt nr. 29 (36663) (#69).

De heer Ceulemans (JA21):

Ik zou zeggen: interrumpeer me er niet over.

De voorzitter:

Dat doe ik ook niet, maar met een enigszins streng vingertje zeg ik wel dat het toch de bedoeling is dat we moties indienen waar de beraadslaging in de eerste termijn in ieder geval ook enigszins aan heeft geraakt, en dit is volgens mij totaal nieuw. Maar goed, daar kunt u niks aan doen. Spreek vooral uw fractiegenoot daarop aan, zou ik zeggen.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. We schorsen een kwartier, tot 21.20 uur.

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van het kabinet. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de appreciatie van de moties en het beantwoorden van eventuele vragen.

Termijn antwoord

Staatssecretaris Tielen:

Ik heb nog een aantal resterende vragen uit de eerste termijn, die ik had moeten verdagen naar de tweede termijn. Ik moet ineens aan het quizprogramma 2 voor 12 denken, maar u had geen belletje, dus dat is mooi. En er zijn tien moties.

Als eerste een vraag, onder anderen van mevrouw Rooderkerk en mevrouw Westerveld, over de samenwerkingsverbanden: hoe sturen we er nou op en wat zijn nou de consequenties als ze het niet goed doen? Het volledige verhaal is dat samenwerkingsverbanden de wettelijke verantwoordelijkheid hebben voor het bieden van passend onderwijs en ondersteuning in de regio. Als zij die niet bieden, worden ze daarop aangesproken door de Inspectie van het Onderwijs en moeten er verbeteringen komen. Als die verbeteringen er niet komen, kunnen er bijvoorbeeld financiële sancties volgen. Ik zei al eerder dat er in de praktijk grote verschillen blijken te zijn tussen samenwerkingsverbanden. Uw Kamer verzocht mij om te kijken naar bijvoorbeeld de regio-indeling en de modellen van samenwerkingsverbanden. Daar zijn wij nu mee bezig. Dus dat brengen wij in ieder geval in kaart in de brief die ik in mei stuur, vooruitlopend op het commissiedebat Passend onderwijs.

In het verlengde van die vraag vroeg mevrouw Westerveld ook specifiek naar de reserves. Zij had het al over financiële sancties. Mevrouw Westerveld heeft helemaal gelijk. Volgens mij staat de Kamer er breed achter dat geld dat samenwerkingsverbanden hebben ook daadwerkelijk wordt besteed aan de ondersteuning van kinderen en niet ergens op een plank blijft liggen. Dat gaat wel beter. Ze hebben de mogelijk bovenmatige eigen vermogens de afgelopen jaren steeds verder afgebouwd, dus die reserves dalen. We verwachten dat dit de komende jaren doorzet naar het niveau dat we ook goed achten. De inspectie voert hierover gesprekken met de individuele samenwerkingsverbanden. Ik spreek met name met het overlegorgaan van samenwerkingsverbanden. Op die manier houd ik vinger aan de pols. Ik informeer uw Kamer als het niet de kant op gaat die we volgens mij allemaal willen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dan toch een aanvullende vraag. Is het ook mogelijk om in kaart te brengen hoeveel financiële sancties er zijn opgelegd? Ik vermoed namelijk dat het er heel weinig zijn. Wat ik vermoed dat er gebeurt, is dat er geen passende plek is en dat een kind dan een vrijstelling aanvraagt en thuiszitter wordt, of anderszins in een van de verzuimcategorieën belandt. Is het mogelijk om die gegevens vanuit de inspectie op te vragen en ons daarover te rapporteren in de brief? Dan kunnen we echt kijken hoe we sturen. Als je financieel wilt sturen, dan zou dat hiermee zijn. Het liefst wil je dat niet, maar wil je dat in gesprek doen, maar als er geen consequentie is, dan is er …

De voorzitter:

De vraag is helder.

Staatssecretaris Tielen:

Het liefst zou ik hebben dat er helemaal geen sancties zijn, want dat zou betekenen dat de verbeterplannen worden opgevolgd. Maar ik ga bij de inspectie uitvragen wat we daarover kunnen zeggen. En dan zal ik er enige zinnen aan wijden.

De voorzitter:

Tot slot.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Tot slot. We gaan het debat hierover nog in een breder kader voeren. Ik vraag dit niet omdat ik graag financiële sancties wil opleggen, maar omdat het een sturingsvraag is. Als er geen sancties worden opgelegd, maar er zitten wel kinderen thuis, waarvan we hopen dat het er geen 70.000 zijn, dan gaat er ergens in de sturing iets mis. Zou u die vraag breder willen meenemen?

Staatssecretaris Tielen:

Ja. Dat herken ik. Dat is ook mijn vraag, dus die neem ik zeker mee.

De heer Kisteman vroeg nog hoe het precies zit met 5 onder b en de rol van de leerplichtambtenaar. Toen ik daar antwoord op gaf, zei meneer Kisteman dat het anders was dan wat hij terugleest. Ik heb nog even gecontroleerd wat de antwoorden op de schriftelijke vragen waren. De antwoorden die ik over dit onderwerp kon vinden, waren op vragen van mevrouw Pijpelink. Misschien verwijst meneer Kisteman naar eigen schriftelijke vragen. Die kon ik zo snel niet terugvinden. Dat is jammer, maar ik ga gewoon zeggen hoe het antwoord is. Het is namelijk zo, zoals gezegd, dat de rol van de leerplichtambtenaar niet is veranderd. De leerplichtambtenaar bepaalt of een proces-verbaal nodig is. Zo ja, dan stelt hij dat op. Het Openbaar Ministerie is deels gestopt met de handhaving voor de vrijstelling op 5 onder b, namelijk als een inhoudelijke beoordeling wordt gevraagd. Alleen bij nieuwe leerlingen, bij vormvereisten zoals dat officieel heet, handhaaft het Openbaar Ministerie nog wel, bijvoorbeeld als leerlingen eerder ingeschreven waren bij een school.

Meneer Kisteman vroeg ook nog om hoogbegaafdheid te erkennen. Hij zei in zijn bijdrage dat een aantal samenwerkingsverbanden daar nog onvoldoende mee aan de slag zijn gegaan. Ik herken dat niet helemaal uit de gesprekken die ik met de samenwerkingsverbanden heb. Tegelijkertijd erken ik wel wat de heer Kisteman zegt. Het is belangrijk dat hoogbegaafdheid wordt gezien en erkend. Gelukkig hebben we inmiddels het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid, dat er een duidelijke stem aan geeft. Ik ben veel in overleg met de samenwerkingsverbanden en zeker met de landelijke vertegenwoordiger. Ik zal dit nog eens onder de aandacht brengen. We nemen het ook mee in de handreiking naar aanleiding van dit wetsvoorstel, waarnaar ik al verwees.

Mevrouw Beckerman vroeg wanneer ze iets meer hoort over de pilot met kleine klassen. Ik heb nog geen uitgewerkt pilotplan, maar in de lerarenbrief die ik gisteren heb toegezegd en die voor de zomer komt, in juni namelijk, zal ik stilstaan bij het doel van de pilot en zal ik een grove schets meegeven.

De heer Ceder vroeg bij het indienen van zijn amendement en mijn ontraden naar de ministeriële regeling. Hij zei: "Ik vind het gek dat de staatssecretaris het ontraadt, want het kan toch gewoon ingebracht worden met dit amendement? Dan gaat er toch niets mis?" Nee, er gaat inderdaad niets mis. De reden dat we de regeling eruit hebben gehaald, is omdat deze in 1971 was toegevoegd en er nooit gebruik van is gemaakt. Soms moet je overbodige regels of zinnen schrappen. Dat lijkt mij een goed argument om 'm eruit te houden. Dat is een nadere duiding erop.

Dat waren de vragen die ik nog had. Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 20 van de heer Ceder zie ik als ondersteuning beleid, zeggen we dan mooi. Die motie is niet per se nodig, maar ik kan 'm wel oordeel Kamer geven, want we werken aan een wetsvoorstel dat dit type maatwerk ook in de wet gaat borgen. Daarbij is wat mij betreft nadrukkelijk het uitgangspunt dat de school van inschrijving de regie houdt. We nemen dat dus sowieso mee in de voorbereiding, maar als de Kamer het steunt, zien wij dat als een steuntje in de rug.

De voorzitter:

U mag 'm zelfs overnemen.

Staatssecretaris Tielen:

O, ik kan 'm ook overnemen. Dat is ook een goed idee, ja. Ik kijk even naar meneer Ceder.

De voorzitter:

Hij knikt.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 21 van de heer Ceder ontraad ik. Scholen zijn verantwoordelijk voor onderwijs aan leerlingen, ook als ze ziek zijn. Dit wetsvoorstel regelt meer inzet op preventie, registratie en goed verzuimbeleid, ook voor kinderen die ziek zijn. Daar hebben we het vanavond uitgebreid over gehad. Het brengt bovendien de groep die geoorloofd verzuimt, ook beter in beeld. Voor de zomer gaat een wetsvoorstel in internetconsultatie dat de mogelijkheden voor kinderen om onderwijs te volgen, verruimt, het wetsvoorstel maatwerk. Of dan een onderwijsperspectiefplan wordt opgesteld voor een kind, hangt echt af van de individuele ondersteuningsbehoefte. Ik zou dat niet graag helemaal vastleggen, anders is het alleen maar weer extra regeldruk en extra administratieve lasten. Dat is in dit geval wat mij betreft niet proportioneel.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 21 is ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 22 is eigenlijk overbodig. De motie vraagt om jaarlijks in beeld te brengen hoeveel kinderen niet volwaardig onderwijs krijgen. Deels gaat deze wet dat met betere verzuimregistratie in beeld brengen. Dat wordt uitgewerkt in een AMvB, waarmee we dus zicht krijgen op al het verzuim, zowel ongeoorloofd als geoorloofd, op het niveau van de school, op het niveau van de gemeente, op het niveau van de regio en uiteindelijk jaarlijks ook in de Kamer. Ik wil best toezeggen dat ik de inspectie zal vragen naar het aantal afwijkingen op basis van die regeling onderwijstijd. Dan kan ik dat uitwerken in de brief over passend onderwijs. Maar de motie zelf is eigenlijk overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 22 krijgt de appreciatie overbodig.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 23 over het Thuiszitterspact, passend onderwijs en hoe we geleerde lessen vertalen. Met de nieuwe leerplichttelling over 2026, waarop ik in de brief richting het commissiedebat Passend onderwijs terugkom, zetten we ook alle beleidsopties op een rijtje om verzuim tegen te gaan. Dat is een brief en dat zou je een soort uitvoeringsagenda kunnen noemen, waarbij ik alle punten van mevrouw Westerveld uiteraard meeneem bij het samenstellen van een goed verhaal. Althans, ik hoop dat het een goed verhaal wordt. Dan zou ik kunnen zeggen: als u het ook zo leest, dan geef ik 'm oordeel Kamer. Mocht het dan te weinig zijn, kunnen we wellicht in het debat over passend onderwijs nog aanvullen.

De voorzitter:

We vragen het aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Deze motie was wel iets — ik zoek naar een goed woord — dwingender, verstrekkender bedoeld. De motie was bedoeld om te vragen: schets nou eens wat we de komende tijd echt gaan doen; wat veranderen we in wetten, in regels, in financieringsstromen enzovoort? Zo was de motie bedoeld. Juist omdat we al zo veel weten. Geen onderzoeken meer, gewoon keuzes maken. Zo vat ik 'm maar even samen.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, en dan hoor ik mevrouw Westerveld eigenlijk tussen de regels door zeggen: ik weet niet zeker of de staatssecretaris dat voor mij wel durft te doen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):

Ik daag haar uit.

Staatssecretaris Tielen:

Ik geef de motie oordeel Kamer, of ik vraag mevrouw Westerveld om 'm aan te houden. Dat kan natuurlijk ook. Dat we eerst even afwachten ...

De voorzitter:

We kunnen van alles doen, maar laten we er eentje kiezen.

Staatssecretaris Tielen:

Wat vindt u?

De voorzitter:

Oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

En of ik 'm dan goed uitvoer, mag de Kamer dan weer beoordelen. Dat is het mooie van onze verhoudingen hier.

Dan de motie op stuk nr. 24 van mevrouw Westerveld, ook over de samenwerkingsverbanden. Ik zie wel dat dat nodig is. Mevrouw Westerveld gaf zelf aan dat deze iets breder is dan wat ik heb toegezegd. Dat zie ik ook wel een beetje, dus ik zou graag aan het begrotingsmoment willen vasthouden zoals mevrouw Westerveld dat suggereert. Dan geef ik de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 24: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 25 van mevrouw Rooderkerk gaat over de wettelijke preventieve taak van de leerplichtambtenaar. Volgens mij hebben we daar in het debat al behoorlijk wat woorden aan gewijd. Ik vind het ook echt wel een sympathieke richting. Ik ben bezig met gemeenten en de vereniging van leerplichtambtenaren, Ingrado, om dat te verkennen en handen en voeten te geven. Ik geef daar rond de zomer nader bericht over. Oordeel Kamer dus.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 25: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

In de motie op stuk nr. 26 van mevrouw Beckerman zat eigenlijk een vraag en een motie. De vraag die mevrouw Beckerman ook al stelde in het debat dat we hadden, is of ik kan toezeggen dat de middelen die er voor leerlingen met schoolverzuim zijn, ook echt daar terechtkomen. Die toezegging wil ik doen. In de uitvoering van deze wet nemen we dat ook mee. We zullen scholen en samenwerkingsverbanden attent maken op het belang daarvan, dus dat nemen we ook mee in de handreiking die we maken naar aanleiding van de wet; als de Kamers die tenminste aannemen, maar ik ga voor het gemak maar even uit van die overtuiging. In de AMvB schoolverzuim zit ook een stuk aanpassing ten aanzien van de bekostiging. Daar kunnen we scholen dan ook goed over informeren. Dat is overigens al zo — even ter informatie; dat helpt mij zelf ook al altijd — in het basisonderwijs en primair onderwijs, en in het voortgezet gaan we dat nog iets scherper regelen. Die toezegging kan ik dus doen aan mevrouw Beckerman, maar haar motie moet ik ontraden, omdat "borgen" echt een stevig woord is. Dat gaat in tegen wat we afgesproken hebben en vastgelegd hebben over de lumpsum, waar geen oormerking in zit. Als we dat moeten gaan doen, moeten we echt iets heel fundamenteels gaan aanpassen, en daar is het moment niet naar, denk ik. Ik hoop dus dat mevrouw Beckerman kan leven met de toezegging, want de motie moet ik ontraden.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 26: ontraden.

Staatssecretaris Tielen:

De motie op stuk nr. 27 van meneer Claassen is eigenlijk overbodig. Die gaat over de regel om bij psychische klachten een melding te doen. In dit wetsvoorstel regelen we eigenlijk al dat scholen vroegtijdig de leerplichtambtenaar kunnen betrekken, dus dat ze niet hoeven te wachten tot er zoveel uur verzuimd is. Het regelt al wat de motie beoogt, dus overbodig.

De voorzitter:

De motie op stuk nr. 27: overbodig.

Staatssecretaris Tielen:

Dan de motie op stuk nr. 28. Er was al een interessant interruptiedebat tussen mevrouw Westerveld en meneer Claassen, die elkaar ook vonden in de richting, maar die richting lees ik weer niet helemaal terug in de motie, ook omdat meneer Claassen daarin heeft opgenomen dat er elke drie maanden moet worden herbeoordeeld. Dat is ingrijpend en betekent ook heel veel administratieve last, dus die motie moet ik ontraden.

De voorzitter:

Dat roept een vraag op bij de heer Claassen.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, dat dacht ik al.

De heer Claassen (Groep Markuszower):

Dus als ik "drie maanden" eruit haal, dan krijgt de motie oordeel Kamer?

Staatssecretaris Tielen:

Dan moet ik het zo zeggen dat ik de richting van de motie wel begrijp. Tijdelijk is ook echt tijdelijk; ik snap wel dat dat het doel is van meneer Claassen, tenminste, ik denk dat ik dat erin moet lezen. Een vrijstelling is wel echt ingrijpend, met een zorgvuldige afweging. In het wetsvoorstel regelen we natuurlijk dat het samenwerkingsverband advies geeft over de vrijstelling en dat de jeugdarts uiteindelijk beoordeelt. Ik denk dat we het al voor een heel groot deel geregeld hebben in de wet, dus ik houd een soort slag om de arm om oordeel Kamer te geven, omdat ik best snap wat meneer Claassen bedoelt. Als hij begrijpt dat ik, mocht deze motie aangenomen worden, vanuit die richting invulling geef aan de motie, dan kan ik 'm oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Dus: oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Ja, want ik zag meneer Claassen inderdaad knikken.

De voorzitter:

Ja, hij knikte. Met die interpretatie krijgt de motie dus oordeel Kamer.

Staatssecretaris Tielen:

Dat is voor de Handelingen. Dat helpt mij ook weer om terug te komen.

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Maar dan moet de motie toch eerst aangepast worden? Nu staat er namelijk nog "drie maanden" in.

De voorzitter:

Nee. Dat hoeft niet, want de staatssecretaris heeft een interpretatie gegeven aan de motie en de heer Claassen is daarmee akkoord gegaan. Ik begrijp de verwarring wel, maar het gesproken woord telt.

Staatssecretaris Tielen:

Het zou natuurlijk wel helpen als hij "elke drie maanden" eruit haalt. Meneer Claassen zei al dat hij dat ging doen.

De voorzitter:

Daar is ook voldoende tijd voor, want het is nog bijna twee weken tot de stemmingen.

Staatssecretaris Tielen:

Zo lang?

Mevrouw Rooderkerk (D66):

Dat zou wel helpen. Op zich regelt deze wet juist dat er steeds tijdelijke vrijstellingen worden afgegeven en dat er dus een beperking op de duur komt. Ik denk dat de wet het in die zin dus al regelt.

Staatssecretaris Tielen:

Dat denk ik ook. Meneer Claassen wil vooral voorkomen dat "tijdelijk" en "zonder melding" ineens heel lang is. Dat snap ik heel goed.

De voorzitter:

De laatste motie.

Staatssecretaris Tielen:

Ik ga vragen om de laatste motie, de motie op stuk nr. 29, aan te houden. U zei het al: we hebben het hier eigenlijk helemaal niet gehad over prakrijkgericht onderwijs in de verschillende voortgezetonderwijsvormen. We hebben er wel een debat over gepland staan in de loop van april. Ik zou dus eigenlijk aan meneer Ceulemans — ik geloof dat dat zijn naam is — willen vragen of hij de motie aan kan houden totdat we dat debat gehad hebben.

De voorzitter:

Nou, meneer Ceulemans.

De heer Ceulemans (JA21):

Dit is echt een succesvol optreden vanavond! Ik hou 'm aan.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel.

Dank, voorzitter. Ik vond het een mooi inhoudelijk debat. Wetgevingsdebatten kunnen soms heel technisch zijn. Soms vergeten we dan waar het ook alweer over gaat, maar niemand hier in deze zaal is vergeten waar het over gaat. Volgens mij betekent dat dat we goed op weg zijn. Ik hoop oprecht dat de Kamer deze wet ziet als een van de bouwstenen die we nodig hebben om verzuim terug te dringen, aan te pakken en te voorkomen. Ik werk de komende tijd graag samen met de Kamer om al die andere bouwstenen daarbij in synergie samen te stellen, zodat we ervoor gaan zorgen dat het aantal thuiszitters, zoals we ze voorlopig nog noemen, zeker niet naar de 100.000 gaat, zoals sommige pessimisten voorspelden. We moeten ervoor zorgen dat we dat echt terug gaan zien en dat ieder kind daadwerkelijk goed onderwijs kan krijgen, want dat is heel belangrijk.

De voorzitter:

Er is toch nog een vraag. Niet? O.

Staatssecretaris Tielen:

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan dank ik de staatssecretaris, die daarmee aan het einde komt van haar termijn. Ik dank ook de leden van de Kamer en de mensen op de publieke tribune.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

We stemmen over de wet, de amendementen en de moties, allemaal tegelijk, op 7 april. Er zit dus wat tijd tussen vanwege de werkgroep-Kamminga. Dat is nieuw. Ik sluit de vergadering. Dank u wel.

Sluiting